Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 1997, 601AMvB

Besluit van 1 december 1997, houdende regels betreffende het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen (Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 25 juni 1997, No. J. 975376, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 6, 7, 15 en 65 van de Wet bodembescherming;

De Raad van State gehoord (advies van 14 oktober 1997, nr. W11.97.0391);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 20 november 1997, No. J. 9712655, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1 Algemeen

Artikel 1

  • 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder grond, landbouwgrond, grasland, bouwland, braakland, fosfaat en hectare hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet, en wordt verstaan onder:

    a. dierlijke meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Meststoffenwet die geheel of gedeeltelijk bestaan uit uitwerpselen van dieren, waaronder mede wordt begrepen de geheel of gedeeltelijk verteerde maag- en darminhoud van dieren;

    b. gebruiken van dierlijke meststoffen: op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen;

    c. natuurterrein: grond met een houtopstand, alsmede heideveld, ven, hoogveenterrein, zandverstuiving, duinterrein, kwelder, schor, gors, slik, riet- en ruigtland, griend en laagveenmoeras, voor zover het geen landbouwgrond is;

    d. beheer: beheer dat aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet;

    e. overige grond: andere grond dan landbouwgrond of natuurterrein;

    f. waterige fracties: dierlijke meststoffen, waarvan het droge stofpercentage kleiner dan 5% is en die ontstaan door ofwel een systeem van gescheiden bewaring van dierlijke meststoffen ofwel door een systeem waarbij dierlijke meststoffen worden gescheiden;

    g. niet-beteelde grond: grond waarvan niet kan worden waargenomen dat deze gelijkmatig met een gewas is bedekt;

    h. emissie-arm aanwenden: gebruiken van dierlijke meststoffen overeenkomstig de voorschriften die voor de desbetreffende situatie zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage II;

    i. veenkoloniaal bouwplan: bouwplan voor de teelt van fabrieksaardappelen ten behoeve van de zetmeelindustrie in een teeltfrequentie van ten minste éénmaal per drie jaar, met dien verstande dat geen sprake is van een veenkoloniaal bouwplan in de periode dat op de desbetreffende grond bloembollen worden geteeld;

    j. fruitteelt: bedrijfsmatige teelt op bouwland van vruchten, bestemd voor menselijke consumptie en groeiend aan houtige gewassen;

    k. vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 2 wordt onder dierlijke meststoffen verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Meststoffenwet.

  • 3. Voor de toepassing van de artikelen 4 en 5 wordt onder bouwland niet verstaan grond waarop tuinbouw in glasopstanden wordt uitgeoefend, of waarop een anderszins bedekte teelt plaatsvindt.

§ 2 Gebruiken van dierlijke meststoffen op natuurterrein en overige grond

Artikel 2

  • 1. Het is verboden dierlijke meststoffen te gebruiken op natuurterrein of op overige grond.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op natuurterrein waarop een beheer wordt gevoerd en op overige grond indien met behulp van gegevens, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 13 van het Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet, aannemelijk wordt gemaakt dat de hoeveelheid gebruikte dierlijke meststoffen, gemeten in kilogrammen fosfaat, vermeerderd met de hoeveelheid gebruikte meststoffen als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen, gemeten in kilogrammen fosfaat, niet groter is dan 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt de hoeveelheid gebruikte dierlijke meststoffen, gemeten in kilogrammen fosfaat, bepaald als de som van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, geproduceerd door op het natuurterrein waarop een beheer wordt gevoerd of op de overige grond feitelijk gehouden dieren, en de hoeveelheid op het natuurterrein of op de overige grond feitelijk aangevoerde dierlijke meststoffen. Op de vaststelling van de hoeveelheid fosfaat in de geproduceerde en aangevoerde dierlijke meststoffen is artikel 13c, eerste en tweede lid, van de Meststoffenwet van overeenkomstige toepassing. In afwijking daarvan kan de hoeveelheid fosfaat in de aangevoerde dierlijke meststoffen worden vastgesteld door middel van bemonstering en analyse of op andere wijze overeenkomstig de regels gesteld krachtens artikel 13ak van de Meststoffenwet.

  • 4. In afwijking van het tweede lid is het verboden op natuurterrein waarop een beheer wordt gevoerd of op overige grond waterige fracties te gebruiken.

§ 3 Uitrijden van dierlijke meststoffen

Artikel 3

Het is verboden dierlijke meststoffen te gebruiken indien de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw.

Artikel 4

  • 1. Het is verboden gedurende de maanden januari, september, oktober, november en december dierlijke meststoffen te gebruiken op bouwland, braakland of niet-beteelde grond, gelegen in de gebieden die zijn aangegeven op de kaarten in bijlage I bij dit besluit, of op grasland, natuurterrein waarop een beheer wordt gevoerd of overige grond.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing in de periode van 1 tot en met 15 september voor grasland, gelegen buiten de gebieden die zijn aangegeven op de kaarten in bijlage I bij dit besluit.

Artikel 5

  • 1. Het is verboden dierlijke meststoffen te gebruiken op grasland, bouwland, braakland of niet-beteelde grond, tenzij de dierlijke meststoffen emissie-arm worden aangewend.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op gronden, gelegen in de gebieden die zijn aangegeven op de kaarten in bijlage I bij dit besluit, waarop een veenkoloniaal bouwplan wordt uitgeoefend, alsmede op bouwland, braakland of niet-beteelde grond, gelegen op Texel.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het gebruik van vaste mest op grasland of op gronden waarop uitsluitend fruitteelt wordt uitgeoefend.

Artikel 6

Het is verboden dierlijke meststoffen te gebruiken anders dan door een zo gelijkmatig mogelijke verspreiding over het perceel waarop de dierlijke meststoffen worden gebruikt.

§ 4 Overige bepalingen

Artikel 7

  • Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij kan in overeenstemming met Onze Minister, op daartoe strekkend verzoek en gehoord de Technische commissie bodembescherming, ten behoeve van onderzoek ontheffing verlenen van de in de artikelen 4, 5 en 6 gestelde verboden, op basis van een ingediend onderzoeksplan.

  • 2. Een ontheffing kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van Onze Ministers:

    – de ontheffing noodzakelijk is voor het te verrichten onderzoek,

    – het onderzoeksplan voldoende duidelijk en onderbouwd is,

    – het voldoende aannemelijk is dat het onderzoek daadwerkelijk zal leiden tot het in het onderzoeksplan geformuleerde onderzoeksresultaat,

    – het onderzoek voldoende innovatief is,

    – het onderzoek voldoende beperkt in duur en omvang is, en

    – het belang van de bescherming van de bodem zich niet verzet tegen de ontheffing.

Artikel 8

  • 1. Gedeputeerde staten kunnen voor de periode van 1 tot en met 15 september ten behoeve van experimenten met het uitrijden van dierlijke meststoffen op bouwland, braakland of niet-beteelde grond, gelegen in de gebieden die zijn aangegeven op de kaarten in bijlage I bij dit besluit, op een daartoe strekkend verzoek, ontheffing verlenen van het in artikel 4 gestelde verbod, op basis van een ingediend voorstel voor een experiment.

  • 2. De ontheffing kan slechts worden verleend na kennisgeving door gedeputeerde staten aan Onze Minister van het in het eerste lid bedoelde verzoek en nadat Onze Minister ter zake de Technische commissie bodembescherming heeft gehoord.

  • 3. Artikel 7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

Dit besluit is niet van toepassing op het gebruik van mengsels van dierlijke meststoffen met zuiveringsslib, compost of zwarte grond, als bedoeld in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen.

Artikel 10

  • 1. De kaarten gepubliceerd bij besluit van 13 juli 1991, Stb. 385, gewijzigd bij besluit van 6 december 1993, Stb. 1994, 19, worden opgenomen als bijlage I bij dit besluit.

  • 2. Op de kaarten als bedoeld in het eerste lid wordt «Besluit gebruik dierlijke meststoffen» telkens vervangen door «Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998» en wordt «de artikelen 6, 8a en 8b, eerste lid» telkens vervangen door: de artikelen 4, 5 en 8.

  • 3. Het Besluit gebruik dierlijke meststoffen wordt ingetrokken.

Artikel 11

Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 12

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 1 december 1997

Beatrix

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Margaretha de Boer

Uitgegeven de negende december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

BIJLAGE I, behorende bij het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998

Kaarten als bedoeld in de artikelen 4, 5 en 8. De kaarten zijn gepubliceerd bij besluit van 13 juli 1991, Stb. 385, gewijzigd bij besluit van 6 december 1993, Stb. 1994, 19.

BIJLAGE II, behorende bij het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998

Beschrijving van emissie-arm aanwenden, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998

1. Algemeen

Voor de toepassing van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 dient het emissie-arm aanwenden van dierlijke meststoffen uitsluitend plaats te vinden door toepassing van de in de punten 2 en 3 beschreven methoden.

2. Emissie-arm aanwenden van mest op grasland

Bij het emissie-arm aanwenden van dierlijke meststoffen op grasland dient de mest tegelijkertijd met het uitrijden van de mest op of in de grond te worden gebracht.

Indien de mest op de grond wordt gebracht, dient gebruik te worden gemaakt van apparatuur waarmee de mest uitsluitend op de grond wordt gebracht in strookjes tussen het gras, waarbij het gras tevoren dient te worden opgelicht of zijdelings weggedrukt.

De strookjes mogen geen grotere breedte hebben dan 5 cm en de afstand van het midden van een strookje tot het midden van het naastliggende strookje dient minimaal 15 cm te bedragen.

Indien de mest in de grond wordt gebracht, dient gebruik te worden gemaakt van apparatuur waarmee de mest uitsluitend in de grond wordt gebracht in sleufjes. De sleufjes mogen geen grotere breedte hebben dan 5 cm.

3. Emissie-arm aanwenden van mest op bouwland, braakland of niet-beteelde grond

a. Bij het emissie-arm aanwenden van dierlijke meststoffen op bouwland, braakland of niet-beteelde grond, dient de mest:

1e tegelijkertijd met het uitrijden van de mest in de grond te worden gebracht waarbij het gestelde in punt 2 van overeenkomstige toepassing is, of

2e in maximaal twee direct opeenvolgende werkgangen te worden uitgereden en ondergewerkt en wel zodanig dat op de desbetreffende percelen altijd ofwel zichtbaar een uitrijactiviteit plaatsvindt, ofwel zichtbaar een onderwerkactiviteit plaatsvindt.

b. Bij toepassing van de in onderdeel a, punt 2e, bedoelde onderwerkactiviteit dient de mest na het op de grond brengen ofwel in de grond te zijn gebracht, ofwel intensief met de grond te zijn vermengd, zodat de mest als zodanig niet meer zichtbaar op het grondoppervlak ligt.

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Met ingang van 1 januari 1998 wordt een stelsel van regulerende mineralenheffingen ingevoerd. Dit heffingenstelsel is uitgewerkt in een nieuw hoofdstuk IV van de wet van 2 mei 1997, houdende wijziging van de Meststoffenwet (Stb. 360). Invoering van dit stelsel betekent dat het Besluit gebruik dierlijke meststoffen (BGDM) op onderdelen moet worden gewijzigd. Met het oog op de overzichtelijkheid is ervoor gekozen het BGDM in te trekken en te vervangen door het onderhavige besluit, dat wordt genoemd: Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 (BGDM 1998).

In het systeem van de regulerende mineralenheffingen nemen de verlies- en aanvoernormen de plaats in van de fosfaatgebruiksnormen. Het heffingensysteem strekt mede ter voldoening aan richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1993 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG L 375), hierna te noemen: EG-Nitraatrichtlijn. De richtlijn beoogt de kwaliteit van het water bestemd voor de drinkwaterproductie te verzekeren en eutrofiëring tegen te gaan. Om deze – in artikel 1 van de richtlijn geconcretiseerde doelstelling – te bereiken, dienen de lidstaten onder meer te waarborgen dat de hoeveelheid stikstof die met dierlijke meststoffen op het land wordt aangewend een bepaald niveau niet overschrijdt. Daarin voorziet het nieuwe systeem van regulerende mineralenheffingen.

Het onderhavige besluit voorziet – evenals ook het BGDM dat deed – in fosfaatgebruiksnormen voor dierlijke meststoffen, in bepalingen omtrent de toegestane uitrijperiode en bepalingen omtrent emissie-arme aanwending van dierlijke meststoffen. De in het BGDM neergelegde fosfaatgebruiksnormen voor grond behorend bij landbouwbedrijven, inclusief de volumenormen voor waterige fracties, behoeven in het onderhavige besluit niet meer te worden opgenomen, nu regulering van het gebruik van zowel de hoeveelheden fosfaat als van de hoeveelheden stikstof op die gronden geschiedt op basis van het nieuwe heffingenstelsel. Het stelsel van regulerende mineralenheffingen als uitgewerkt in de Meststoffenwet ziet niet op overige grond die of op natuurterrein dat geen deel uitmaakt van een landbouwbedrijf. Om te waarborgen dat op deze grond niet teveel fosfaat wordt aangewend, is in het ontwerp-besluit voor overige grond en voor natuurterrein waarop een beheer wordt gevoerd dat aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet, een gebruiksnorm opgenomen. Bemesting binnen de in het ontwerp-besluit opgenomen gebruiksnormen voor de hoeveelheid fosfaat, is voldoende waarborg dat ook het stikstofgebruik binnen aanvaardbare grenzen blijft. Tussen de hoeveelheid fosfaat en stikstof in mest bestaat immers een direct verband. Voor natuurgebieden waarop geen beheer wordt gevoerd dat aan bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden voldoet, geldt een absoluut verbod op het gebruik van dierlijke meststoffen.

De in het BGDM 1998 opgenomen bepalingen omtrent de uitrijperioden en de aanwending van dierlijke mest zijn – voor zover zij door het verstrijken van de betrokken jaren niet inmiddels waren uitgewerkt – vrijwel ongewijzigd overgenomen. Een verbod tot uitrijden op bevroren grond en een ontheffingsmogelijkheid voor provincies zijn toegevoegd.

Het ontwerp van het onderhavige besluit is genotificeerd bij de Europese Commissie in het kader van richtlijn nr. 83/189/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L109). Niet uit te sluiten valt dat de eisen met betrekking tot de emissie-arme aanwending van dierlijke mest op grasland indirect zouden kunnen worden opgevat als technische voorschriften, gesteld aan de voor deze aanwending toegestane apparatuur.

In de toelichting wordt bij de verschillende artikelen met name ingegaan op de veranderingen van het BGDM 1998 ten opzichte van het BGDM. Het ontwerp van dit besluit is overeenkomstig artikel 92, eerste lid, van de Wet bodembescherming overgelegd aan de beide Kamers van de Staten-Generaal en gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 1997, 70) teneinde aan een ieder de gelegenheid te bieden opmerkingen over het ontwerp ter kennis van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te brengen. Daarnaast is het ontwerp voor advies toegezonden aan de meest betrokken maatschappelijke organisaties en instanties. Gereageerd is door het Produktschap voor Veevoeder, dat geen opmerkingen had, door de Technische commissie bodembescherming, door gedeputeerde staten van Drenthe, door LTO-Nederland en door de zich bij de reactie van LTO-Nederland aansluitende Produktschappen voor Zuivel en voor Vee, Vlees en Eieren. Op de adviezen wordt ter bestemder plaatse ingegaan. De adviezen hebben niet geleid tot inhoudelijke wijzigingen.

Het intrekken van het BGDM heeft voor de strafwaardigheid van feiten die plaatsvonden ten tijde van de werking van dat besluit geen gevolgen. Deze feiten worden op de voet van de toen geldende tekst van het besluit vervolgd.

2. Artikelsgewijs

Artikel 1

Voor de definities van grond, landbouwgrond, grasland, bouwland, braakland, fosfaat en hectare kan worden verwezen naar het met ingang van 1 januari 1998 gewijzigde artikel 1 van de Meststoffenwet.

De omschrijving van dierlijke meststoffen wijkt af van die in de Meststoffenwet. De definitie van dierlijke meststoffen zoals neergelegd in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Meststoffenwet spreekt over meststoffen of producten die geheel of grotendeels bestaan uit uitwerpselen van de aangewezen diersoorten. Deze omschrijving is alleen van belang voor de handhaving van de fosfaatgebruiksnormen die zijn neergelegd in artikel 2 van het onderhavige besluit, zoals artikel 1, tweede lid, tot uitdrukking brengt. Om problemen bij de handhaving en controle van de in paragraaf 3 van dit besluit opgenomen bepalingen met betrekking tot de uitrijperiode en de verplichting tot emissie-arme aanwending te ondervangen, voorziet artikel 1, onderdeel a, voor deze bepalingen in een ruimere omschrijving van het begrip dierlijke meststoffen: alle uitwerpselen die geheel of gedeeltelijk afkomstig zijn van welk dier dan ook. In het onderhavige besluit staat deze omschrijving voorop, nu de fosfaatgebruiksnormen voor landbouwgronden vervallen en het accent in dit besluit op de uitrijbepalingen komt te liggen. Inhoudelijk is er op dit punt in het BGDM 1998 niets gewijzigd ten opzichte van het BGDM.

De omschrijving van natuurterrein (onderdeel c) wijkt eveneens af van de Meststoffenwet. In de omschrijving neergelegd in artikel 1, eerste lid, onderdeel v, van die wet is pas sprake van een natuurterrein indien op de desbetreffende grond een beheer wordt gevoerd dat voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde eisen. Alleen voor natuurterrein waarop een beheer wordt gevoerd gelden namelijk verlies- en aanvoernormen ingevolgde de Meststoffenwet. Andere natuurterreinen zijn in het kader van die wet niet relevant. In het onderhavige besluit is een nader onderscheid tussen natuurterrein met en natuurterrein zonder een beheer dat aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet (onderdeel c) wel relevant, omdat op natuurterrein geen dierlijke mest mag worden aangewend, terwijl dat op natuurterrein met een beheer wel, in beperkte mate, is toegestaan.

Het begrip maïsland is vervallen. Maïsland valt nu onder het begrip bouwland.

Artikel 2

Zoals is opgemerkt in paragraaf 1 van deze nota van toelichting, geldt het stelsel van regulerende heffingen alleen voor landbouwbedrijven. Voor grond die bij een landbouwbedrijf hoort zijn de fosfaatgebruiksnormen dan ook vervallen. De Technische commissie bodembescherming stelt in zijn advies voor om tijdelijk zowel de fosfaatgebruiksnormen als de regulerende mineralenheffingen van kracht te doen zijn. Dit voorstel past echter niet in het nieuwe stelsel van regulerende mineralenheffingen. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot aanpassing van de Meststoffenwet (kamerstukken II 1995/96, 24 782, nr. 3, blz. 36) is uiteengezet dat bij de regulerende mineralenheffingen wordt uitgegaan van een marktconforme benadering waarin sprake is van gestaffelde tarieven om meer en minder vergaande aanpassingen in de bedrijfsvoering te stimuleren. De heffingen zijn – anders dan de strafrechtelijke sancties op overtreding van de fosfaatgebruiksnormen – niet punitief, maar reparatoir en compensatoir van karakter. Zij beogen middels financiële prikkels bepaalde aanpassingen in de bedrijfsvoering te stimuleren. Daarbij is aangegeven dat een stelsel met verliesnormen, waarvan sprake is bij de regulerende mineralenheffingen, niet goed te rijmen is met een stelsel van gebruiksnormen. De gebruiksnormen bevatten absolute maxima voor het gebruik van dierlijke mest, terwijl bij verliesnormen de hoeveelheid mest die kan worden aangewend mede afhankelijk is van andere posten op de mineralenbalans.

In het kader van het onderhavige besluit worden dan ook geen gebruiksnormen vastgesteld voor landbouwgrond. Daarvoor geldt het stelsel van regulerende mineralenheffingen.

Voor grond die niet bij een landbouwbedrijf hoort blijven nog wèl fosfaatgebruiksnormen gelden. Het gaat daarbij om natuurterrein waarop een beheer wordt gevoerd dat aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet en om overige grond, voor zover deze niet als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is aan te merken. Wanneer voornoemd natuurterrein of overige grond bij een bedrijf hoort – bijvoorbeeld indien de grond door een bedrijf gepacht wordt van een natuurorganisatie en in het kader van een beheersovereenkomst extensief wordt beweid –, gelden daarvoor de verlies- of aanvoernormen uit het nieuwe hoofdstuk IV van de Meststoffenwet. De hoogte van de in artikel 2, tweede lid, van het onderhavige besluit opgenomen gebruiksnorm, 20 kg fosfaat, is afgestemd op de hoogte van deze verlies- en aanvoernormen. Voor natuurterrein waarop niet een beheer wordt gevoerd dat aan bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden voldoet, geldt een absoluut verbod op het gebruik van dierlijke meststoffen.

De gebruikte hoeveelheid fosfaat staat gelijk aan de hoeveelheid fosfaat in de op de grond zelf geproduceerde hoeveelheid mest, bijvoorbeeld bij extensieve begrazing van het natuurterrein, vermeerderd met de hoeveelheid fosfaat in de op de grond aangevoerde dierlijke meststoffen. De bepaling van de hoeveelheid fosfaat geschiedt op overeenkomstige wijze als bij de agrarische bedrijven met een gemiddelde veebezetting van minder dan 2 grootvee-eenheden per hectare per jaar, namelijk via de forfaitaire productie- en omrekennormen van de nieuwe bijlagen A en C bij de Meststoffenwet. Ook bemonstering en analyse behoort tot de mogelijkheden. Als ook compost of een mengsel daarvan met dierlijke meststoffen worden gebruikt, mag de totale hoeveelheid fosfaat (dierlijke meststoffen, compost, mengsels) de 20 kg norm niet overschrijden.

Het gebruik van dierlijke meststoffen is verboden, tenzij dit met inachtneming van de normen is gebeurd. Met gegevens omtrent de oppervlakte grond, de op de gronden geweide dieren en afleveringsbewijzen van eventueel aangevoerde mest, kan de naleving van de normen aannemelijk worden gemaakt. De AID zal hierop steekproefsgewijs controleren.

In het advies van de Technische commissie bodembescherming over het ontwerp-besluit werd gevraagd waarom in het besluit aan het gebruik van dierlijke mest op natuurterrein niet meer de voorwaarde werd verbonden dat dit gebruik uit het daarvoor vastgestelde beheersregime voortvloeit. Mede in verband hiermee is in artikel 2, eerste en tweede lid, van het besluit nu verduidelijkt dat het gebruik van dierlijke mest op een natuurterrein slechts is toegestaan indien op de desbetreffende grond een beheer wordt gevoerd dat aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet.

Het ook in het BGDM opgenomen verbod op het gebruik van waterige fracties op natuurterrein met een beheer en overige grond (vierde lid) is gehandhaafd. Het verbod houdt verband met het stikstof-, kali- en chloorgehalte van dergelijke fracties, waardoor gebruik schadelijke gevolgen kan hebben voor de bodem.

Artikelen 3 tot en met 6

In paragraaf 3 van het besluit zijn de uitrijbepalingen voor dierlijke meststoffen opgenomen, te weten: een verbod om uit te rijden op een geheel of gedeeltelijk bevroren of een geheel of gedeeltelijk met sneeuw bedekte bodem, een verbod om in bepaalde perioden uit te rijden, de regels ten aanzien van emissie-arme aanwending van meststoffen en een verbod om dierlijke meststoffen anders te gebruiken dan door een zo gelijkmatig mogelijk verspreiding over het perceel waarop de dierlijke meststoffen worden gebruikt. Met de uitrijbepalingen wordt invulling gegeven aan de EG-Nitraatrichtlijn, wat betreft de verplichtingen als geformuleerd in bijlage II, onderdeel A, onder 1, 3 en 6, en bijlage III, punt 1, onder 1 en 3, van deze richtlijn. De uitrijbepalingen zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van de uitrijbepalingen van het BGDM, met uitzondering van het in artikel 3 toegevoegde verbod om uit te rijden op bevroren grond en het in artikel 4 nu ook ten aanzien van natuurterrein met een beheer of overige grond opgenomen verbod om in bepaalde perioden uit te rijden.

Artikel 3

In het BGDM was alleen een voorziening opgenomen ten aanzien van met sneeuw bedekte grond. De Technische commissie bodembescherming stemt in haar advies volledig in met het in artikel 3 neergelegde verbod om dierlijke meststoffen te gebruiken indien de bodem geheel of gedeeltelijk bevroren is. LTO-Nederland daarentegen is tegen de betreffende bepaling met als argument dat het uitrijden van mest over licht bevroren grond in de praktijk wordt toegepast op die gronden waar in het voorjaar de draagkracht van de grond gering is.

Ons inziens is het uitrijden op bevroren grond ongewenst. Indien de bovenste laag van de bodem of de laag direct onder de oppervlakte van de bodem is bevroren, is opname van meststoffen door de gewassen niet mogelijk. Met het verbod om uit te rijden op bevroren grond wordt tevens invulling gegeven aan bijlage II, onderdeel A, onder 3, van de EG-Nitraatrichtlijn.

Artikel 3 voorziet niet in een verbod om dierlijke meststoffen aan te wenden op drassig of op ondergelopen land. Bij drassig land zal bemesting veelal vanuit praktisch oogpunt niet mogelijk zijn en wegens schade aan het land of het gewas ook niet gebeuren. Een verbod op het uitrijden op drassig land komt ook niet opportuun voor omdat niet sprake is van een eenduidig criterium op basis waarvan bij handhaving van een dergelijk verbod kan worden vastgesteld of sprake is van te drassige grond. Ook indien het land is ondergelopen zal bemesting vanuit praktisch oogpunt niet mogelijk zijn en dan ook niet gebeuren. Overigens zal bij ondergelopen land in het algemeen niet het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 maar de Wet verontreiniging oppervlaktewateren van toepassing zijn. Op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is het brengen van mest in oppervlaktewater niet toegestaan zonder voorafgaande vergunning.

Artikel 4

In artikel 4 is voorzien in een beperkte periode voor het uitrijden op natuurterrein met een beheer en op overige grond. Deze loopt parallel aan de uitrijperiode voor bouwland, braakland en niet-beteelde grond. Tot nu toe kon op overige grond en natuurterrein met een beheer gedurende het hele jaar mest aangewend worden. Gezien de aard van deze gronden ligt het voor de hand ook hiervoor een uitrijperiode in te stellen. Mestgebruik in de herfst- en winterperiode leidt daar nog sneller tot schadelijke verliezen dan op landbouwgrond. Daarnaast worden met dit verbod uitwijkmogelijkheden tijdens de verbodsperiode voor landbouwgrond voorkomen.

Bij besluit van 20 december 1996, Stb. 1996, 685 is in het BGDM de uitrijperiode verlengd tot en met 15 september voor zover het grasland betreft, gelegen in andere gebieden dan zijn aangegeven op de als bijlage I van dit besluit behorende kaarten. Het voornemen tot deze wijziging was reeds bekendgemaakt in de Integrale Notitie mest- en ammoniakbeleid. Bij motie van de leden Ter Veer, Huys en Blauw, die bij de behandeling van de Integrale Notitie door de Tweede Kamer is aangenomen (kamerstukken II 1995/96, 24 445, nr. 30), is bepleit om voor al het grasland tot 15 september het uitrijden van mest toe te staan op het moment dat de nieuwe doelvoorschriften van het stelsel van regulerende heffingen effectief zijn. Zoals is aangegeven in het Algemeen Overleg d.d. 12 september 1996 met de vaste commissie voor LNV en VROM (kamerstukken II 1996/97, 24 445, nr. 35) en in de daarin besproken aan de Tweede Kamer gerichte brief van 27 augustus 1996 waarin een voortgangsrapportage over de implementatie van de Integrale Notitie mest- en ammoniakbeleid is opgenomen (LNV-96-400), geldt als voorwaarde voor het versoepelen van het uitrijverbod voor grasland, gelegen in de gebieden die zijn aangegeven op de als bijlage I bij dit besluit gevoegde behorende kaarten – die de uitspoelingsgevoelige gronden aangeven – dat alle veehouderijbedrijven onder het nieuwe stelsel van regulerende heffingen vallen. Tot dat moment blijft de uitrijperiode voor grasland op uitspoelingsgevoelige gronden eindigen op 1 september. Het in het advies van LTO-Nederland gedane verzoek om nu al over te gaan tot een verruiming van de uitrijperiode tot en met 15 september voor alle grasland, kan dan ook niet worden gehonoreerd.

In verband met een milieuhygiënische afweging kan ook niet worden ingegaan op verzoek van LTO-Nederland om de boomkwekerijen gelegen in de gebieden die zijn aangegeven op de als bijlage I van dit besluit gevoegde kaarten toe te staan ook in de winterperiode dierlijke mest aan te wenden. Het gebruik van dierlijke mest vindt in deze sector vooral plaats in verband met de organische stofvoorziening. Hiervoor zijn echter alternatieven voorhanden waaraan geen milieubezwaren kleven en die wel tijdens het uitrijverbod voor mest gebruikt kunnen worden, zoals compost en champost.

Artikel 5

In het onderhavige besluit is geen regeling opgenomen met betrekking tot de verplichting tot emissie-arme aanwending van waterige fracties en van reinigingswater. In februari 1997 is de, op artikel 64 van de Wet bodembescherming gebaseerde, Vrijstellingsregeling waterige fracties en reinigingswater van kracht geworden (Stcrt. 1997, 33). Deze regeling voorziet in uitzonderingen op de in het BGDM opgenomen volumenormen voor waterige fracties. Tevens zijn in de vrijstellingsregeling voor waterige fracties en reinigingswater uitzonderingen opgenomen op de verplichting tot emissie-arm aanwenden. Met deze regeling worden meer mogelijkheden geboden voor mestbe- en -verwerkingstechnieken op bedrijfsniveau, zoals mestscheiding.

Met het van kracht worden van het stelsel van regulerende heffingen konden de in het BGDM opgenomen volumenormen voor waterige fracties vervallen. Derhalve is slechts een voorziening nodig ten aanzien van de verplichting tot emissie-arme aanwending. Er is voorhands vanaf gezien deze voorziening te treffen in het nieuwe besluit. Om gebruik te kunnen maken van de resultaten van een evaluatie van de vrijstellingsregeling is ervoor gekozen om de uitzondering voor waterige fracties en reinigingswater op de verplichting tot emissie-arm aanwenden, nog een keer in een vrijstellingsregeling op te nemen, alvorens een definitieve voorziening ter zake in het onderhavige besluit te treffen.

Er is nog overleg gaande omtrent een in te stellen onderzoek dat uitkomst moet geven omtrent de landbouwkundige en milieukundige aspecten van de door LTO-Nederland in haar advies gestelde vraag om bij de fruitteelt toe te staan drijfmest niet-emissie-arm aan te wenden. Aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek zal worden beoordeeld of het wenselijk is ter zake een regeling te treffen. Anders dan LTO-Nederland zijn wij niet van mening dat op de uitkomsten van dit onderzoek kan worden vooruitgelopen. Vooralsnog dient de dierlijke mest bij de fruitteelt emissie-arm of in de vorm van vaste mest te worden aangewend.

De in artikel 5, derde lid, opgenomen regeling met betrekking tot de aanwending van vaste mest komt, anders dan LTO-Nederland in haar advies veronderstelt, overeen met hetgeen ter zake reeds in het BGDM was vastgelegd. Een verdere verruiming van de mogelijkheid van aanwending van vaste mest is, in verband met de aan deze aanwending gepaard gaande milieunadelen en het ontbreken van een landbouwkundige noodzaak, niet aan de orde.

Artikel 6

In artikel 6 is de al bestaande verplichting overgenomen om dierlijke meststoffen gelijkmatig te verspreiden op het perceel waarop deze worden gebruikt. De redactie van het artikel is aangepast ten behoeve van de handhaafbaarheid ervan. Tevens is het artikel gewijzigd in verband met het vervallen van de gebruiksnormen voor landbouwgrond.

Bij de uitrijbepalingen wordt in een aantal gevallen een onderscheid gemaakt tussen de gebieden die wel en die niet zijn aangegeven op de als bijlage I van dit besluit behorende kaarten. Deze kaarten, die overeenkomen met de kaarten behorende bij het BGDM, liggen ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, alsmede bij de Dienst Landelijke service bij regelingen (LASER) van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Artikelen 7 en 8

Artikel 65 van de Wet bodembescherming biedt de mogelijkheid om bij een algemene maatregel van bestuur een bij die maatregel aangewezen bestuursorgaan de bevoegdheid te geven om ontheffing te verlenen van bij die maatregel aangegeven verboden en verplichtingen. Artikel 65, vijfde lid, verklaart afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht, die ziet op een uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure, van toepassing op de totstandkoming van een beschikking op een verzoek om verlening van een ontheffing.

Artikel 7 van het onderhavige besluit voorziet in de mogelijkheid dat de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ontheffingen verleent ten behoeve van onderzoek. De mogelijkheid tot ontheffing is met name opgenomen ter bevordering van de ontwikkeling van nieuwe technieken die erop gericht zijn de verliezen van fosfaat en stikstof, in welke vorm of verbinding dan ook, bij het gebruik van dierlijke meststoffen, te beperken. In artikel 7 is niet meer de eis uit het BGDM opgenomen dat het onderzoek geschiedt onder supervisie van een onderzoeksinstelling. De criteria waaraan een onderzoek moet voldoen om in aanmerking te komen voor een ontheffing, zijn immers belangrijker dan de vraag of sprake is van een onderzoeksinstelling. Deze criteria zijn nu expliciet in het besluit opgenomen. Het onderzoek dient te voldoen aan kwalitatieve vereisten. Daarnaast zal voldoende aannemelijk moeten zijn dat het onderzoek daadwerkelijk zal leiden tot het beoogde onderzoeksresultaat. Het voorgelegde onderzoek dient innovatief te zijn: het onderzoek moet kunnen leiden tot nieuwe inzichten of de ontwikkeling van nieuwe technieken. De duur en de omvang van het onderzoek moeten in overeenstemming zijn met het doel van het onderzoek. Veelal zal een onderzoek beperkt kunnen worden tot één of enkele jaren, of gedeelten daarvan. Ook zal het aantal betrokken bedrijven in het algemeen beperkt kunnen zijn. Het belang van de bescherming van de bodem mag zich niet verzetten tegen een ontheffing.

Ingevolge artikel 65, derde lid, van de Wet bodembescherming kan een ontheffing onder beperkingen worden verleend en kunnen aan een ontheffing voorschriften worden verbonden. Zo ligt het in de rede bij de ontheffing voor te schrijven dat de resultaten van het onderzoek worden overgelegd aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Een dergelijk voorschrift is van belang omdat deze minister immers, tezamen met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, zal moeten beslissen of de resultaten van de het onderzoek aanleiding vormen voor een wijziging van het BGDM 1998, al dan niet voorafgegaan door een vrijstellingsregeling. Ingevolge artikel 66 van die wet wordt een ontheffing geheel of gedeeltelijk ingetrokken indien een aan de ontheffing verbonden voorschrift niet wordt nageleefd of indien de intrekking noodzakelijk is in het belang van de bodem.

In artikel 8 is een nieuwe ontheffingsmogelijkheid geformuleerd. Provincies kunnen voortaan in het kader van experimenten bij ontheffing voorzien in een later aanvangstijdstip van het uitrijverbod op bouwland, braakland en niet-beteelde grond in de uitspoelingsgevoelige gebieden. Daarmee wordt invulling gegeven aan het laatste onderdeel van de bij de behandeling van de Integrale Notitie door de Tweede Kamer aangenomen motie van de leden Ter Veer, Huys en Blauw (kamerstukken II 1995/95, 24 445, nr. 30). Voor specifieke combinaties van bodem- en teeltomstandigheden kan in bijzondere gevallen een experiment uitkomst bieden omtrent de vraag of een toediening van dierlijke mest in de eerste helft van september nog milieu- en landbouwkundig verantwoord is voor bouwland, braakland en niet-beteelde grond in de uitspoelingsgevoelige gebieden. Met artikel 8 is vooral een voorziening getroffen voor verzoeken tot ontheffing voor kleinschalige, min of meer individueel gerichte, projecten die het toetsen van bestaande inzichten aan praktijkomstandigheden als doel hebben. Gezien de specifieke regionale, soms zelfs lokale omstandigheden, is ervoor gekozen om de bevoegdheid om ter zake te beslissen niet bij de rijksoverheid maar bij de provincies te leggen.

Voor de verlening van de ontheffing zijn de criteria, genoemd in artikel 7, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Ook de eis dat het onderzoek voldoende beperkt in duur is, geldt onverkort. Gezien de korte periode waarop de ontheffing van gedeputeerde staten ziet – van 1 tot en met 15 september – kan het wel wenselijk zijn om de ontheffing voor een langere duur dan één jaar te verlenen. Daarmee kan worden voorkomen dat de bijzondere weersomstandigheden van een enkel jaar van doorslaggevende invloed zijn op de resultaten van een experiment. Het ligt echter in zijn algemeenheid niet voor de hand de ontheffing voor een langere duur dan 3 à 4 jaar te verlenen.

Voor de toepassing van de artikelen 7 en 8 zal de nodige afstemming plaatsvinden tussen enerzijds de Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en anderzijds gedeputeerde staten van de provincies. Hierdoor kan worden voorkomen dat voor eenzelfde verbod, te weten voor het uitrijverbod in de periode van 1 tot en met 15 september voor bouwland, braakland of niet beteelde grond, gelegen in de gebieden die zijn aangegeven op de kaarten in bijlage I, tweemaal een ontheffing wordt verleend. In dit verband zijn ook de artikelen 67, tweede lid, en 68 van de Wet bodembescherming van belang, ingevolge welke gedeputeerde staten verplicht zijn om een afschrift van een beschikking omtrent een ontheffing te zenden aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, en ingevolge welke het bestuursorgaan dat ontheffing kan verlenen verplicht is een register bij te houden waarin aantekening wordt gehouden van de met betrekking tot ontheffingen genomen beschikkingen.

Een andere waarborg tegen een «dubbele» ontheffing is gelegen in de verplichting tot het horen van de Technische commissie bodembescherming. Ingevolge artikel 2a van de Wet bodembescherming adviseert deze commissie de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu over aangelegenheden van technische aard op het gebied van de bodembescherming. Gedeputeerde staten kunnen niet rechtstreeks, maar slechts door tussenkomst van voornoemde minister, aan deze commissie advies vragen.

In het advies van gedeputeerde staten van Drenthe wordt aangegeven dat bij gedeputeerde staten de wens leeft om zich rechtstreeks voor advies tot de Technische commissie bodembescherming te kunnen wenden. Tevens leeft bij gedeputeerde staten van Drenthe de wens om af te kunnen zien van de in artikel 65, vijfde lid, van de Wet bodembescherming voorgeschreven uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure. Overigens onderkennen gedeputeerde staten dat een wijziging van de Wet bodembescherming noodzakelijk is om aan deze wensen tegemoet te komen. Los daarvan, kan nog eens worden gewezen op de waarborg die de wettelijke procedure voor raadpleging van de Technische commissie bodembescherming biedt tegen het verlenen van een dubbele ontheffing.

Hiervoor is reeds aangegeven dat ook voor het vervolg van de ontheffing ten behoeve van een experiment – wel of geen aanpassing van het onderhavige besluit – een afstemming tussen de ministers en gedeputeerde staten noodzakelijk is.

De Technische commissie bodembescherming bepleit in haar advies dat de onderzoeksresultaten beoordeeld worden aan de hand van dezelfde bemestingstechnische en milieukundige criteria. Ten aanzien hiervan kan worden opgemerkt dat de evaluatie van de onderzoeksresultaten zal geschieden bij de behandeling van de vraag of het onderhavige besluit wel of niet naar aanleiding van de verrichte onderzoeken dient te worden aangepast. De procedure voor een wijziging van het onderhavige besluit biedt ons inziens ter zake voldoende waarborgen.

De in het BGDM opgenomen mogelijkheid om, na vaststelling van een ministeriële regeling ter zake, voor fosfaatarme landbouwgronden een ontheffing te verlenen voor gebruik van een grotere hoeveelheid aan dierlijke meststoffen dan overeenkomstig de fosfaatgebruiksnormen was toegestaan, is in het onderhavige besluit komen te vervallen. In het kader van het stelsel van regulerende heffingen kan, voor de situatie dat op basis van grondbemonstering wordt vastgesteld dat sprake is van fosfaatarme grond, bij algemene maatregel van bestuur krachtens het nieuwe artikel 13ae van de Meststoffenwet worden voorzien in de mogelijkheid van aanvullende bemesting voor landbouwgrond.

Aan een regeling ter zake in het onderhavige besluit voor overige grond en natuurterrein waarop een beheer wordt gevoerd dat aan bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden voldoet, bestaat geen behoefte.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Margaretha de Boer


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 13 januari 1998, nr. 7.