Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2010, 730AMvB

Besluit van 5 oktober 2010, houdende wijziging van een aantal besluiten ter invoering van de van rechtswege verleende vergunning (Verzamelbesluit van rechtswege verleende vergunning)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 20 juli 2010, Directie Wetgeving, nr. 5661508/10/6;

Gelet op artikel 30, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s, artikel 1 van de wet van den 11den September 1936, Staatsblad n°. 206, houdende voorzieningen omtrent weerkorpsen, artikel 19 van de Mijnbouwwet, artikel 185 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 10.15 tot en met 10.18 van de Wet milieubeheer, artikel 70 van de Woningwet, artikel 2, eerste lid, van de Wet geluidhinder en artikel 13 van de Wet inzake de luchtverontreiniging;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 september 2010, nr. W03.10.0369/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 30 september 2010, nr. 5669933/10/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

ARTIKEL I

Het Besluit draagbare blustoestellen 1997 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef in het eerste lid komt te luiden:

In afwijking van artikel 2 is het toegestaan draagbare blustoestellen met bijbehorende vullingen in te voeren, indien de draagbare blustoestellen uitsluitend:

2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Degene die de draagbare blustoestellen als bedoeld in het eerste lid invoert, meldt dit ten minste vier weken ervoor aan Onze Minister.

3. In het derde lid (nieuw) wordt «de aanvraag voor een machtiging» vervangen door: de melding.

4. Het derde lid (oud) vervalt.

B

Artikel 13, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. het invoeren van draagbare blustoestellen met bijbehorende vullingen als bedoeld in artikel 4, zonder melding ervan aan Onze Minister;

HOOFDSTUK 2. MINISTERIE VAN DEFENSIE

ARTIKEL II

Het Besluit van 2 juli 1938, houdende bepalingen tot uitvoering van de Wet op de weerkorpsen (Stb. 1938, 247) wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 15 worden twee volzinnen toegevoegd, die luiden:

Onze Minister van Defensie besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de aanvraag om de vergunning.

B

Aan artikel 16 worden twee volzinnen toegevoegd, die luiden:

Onze Minister van Defensie besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op het verzoek om toestemming.

HOOFDSTUK 3. MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN

ARTIKEL III

Artikel 143 van het Mijnbouwbesluit wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «als bedoeld in artikel 82 of 90 van de wet tot stand is gekomen» vervangen door: als bedoeld in artikel 87 of 93 van de wet tot stand is gekomen.

2. Er wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op het verzoek tot instemming, bedoeld in het tweede lid.

HOOFDSTUK 4. MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

ARTIKEL IV

Aan artikel C2 van het Besluit trekkende bevolking WPO wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op het verzoek om toestemming, bedoeld in het tweede lid.

HOOFDSTUK 5. MINISTERIE VAN VOLKSHUISVESTING RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

ARTIKEL V

In artikel 13 van het Besluit beheer autowrakken wordt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op het verzoek tot instemming.

ARTIKEL VI

In artikel 2 van het Besluit beheer batterijen en accu’s 2008 wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op het verzoek tot instemming.

ARTIKEL VII

In artikel 4 van het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op het verzoek tot instemming.

ARTIKEL VIII

Aan artikel 11c, vierde lid, van het Besluit beheer sociale-huursector wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de aanvraag om afwijking, voor zover die afwijking betrekking heeft op de vervreemding van woongelegenheden aan natuurlijke personen die daarin hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben.

ARTIKEL IX

Aan artikel 3 van het Besluit geluidproduktie sportmotoren wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid.

ARTIKEL X

In artikel 3 van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen wordt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de aanvraag om een ontheffing.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALING

ARTIKEL XI

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 5 oktober 2010

Beatrix

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

Uitgegeven de derde november 2010

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Het Verzamelbesluit van rechtswege verleende vergunning strekt tot invoering van de van rechtswege verleende vergunning (ook wel aangeduid als lex silencio positivo, verder: LSP) in diverse besluiten die niet onder de Dienstenrichtlijn vallen.

Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een vergunningstelsel om te zetten in algemene regels met een meldingsplicht.

De van rechtswege verleende vergunning houdt in dat de overschrijding van een beslistermijn door een bestuursorgaan van rechtswege leidt tot een positieve beslissing op de vergunningaanvraag. In paragraaf 2 van deze toelichting wordt nader ingegaan op de figuur van de stilzwijgende vergunningverlening. Indien in het hierna volgende wordt gesproken van het verlenen van een vergunning kan daarmee ook worden bedoeld het geven van toestemming, het doen van een aanwijzing en het verlenen een vrijstelling of ontheffing.

In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, met de in december 2009 in werking getreden Dienstenwet, een algemene regeling voor de van rechtswege verleende vergunning opgenomen in paragraaf 4.1.3.3. Voor vergunningen die onder de Dienstenrichtlijn vallen, is invoering van de LSP een verplichting op grond van die richtlijn. Op deze verplichting zijn wel uitzonderingen mogelijk als daar dwingende redenen van openbaar belang voor zijn. Voor vergunningen die onder de Dienstenrichtlijn vallen, is geregeld dat de LSP van toepassing is, tenzij de vergunningen zijn uitgezonderd van de werking van de LSP (zie het Tijdelijk besluit Lex silencio positivo Dienstenrichtlijn).

Vanuit het oogpunt van het verminderen van regeldruk en verbeteren van dienstverlening aan bedrijven en burgers zet het kabinet zich in voor verdere invoering van de LSP, zo komt naar voren uit het kabinetsstandpunt lex silencio van 18 december 2007 (Kamerstukken II 2007/08, 29 515, nr. 224).

Naar aanleiding van het kabinetsstandpunt invoering lex silencio zijn alle vergunningstelsels gebaseerd op Rijksregelgeving die buiten de Dienstenwet vallen doorgelicht om te komen tot een selectie van vergunningstelsels die zich lenen voor verdere invoering van de LSP. Bij de selectie is van een aantal uitgangspunten uitgegaan (Kamerstukken II 2007/08, 29 515, nr. 224). Zo is het afschaffen van een vergunning met omzetting in algemene regels met eventueel een meldingsplicht te prefereren boven het in stand houden van een vergunningstelsel met toepassing van de LSP. Gecontroleerd is verder of de belangen van derden goed zijn geborgd en of de vergunningen niet onder Europese regelgeving of andere internationale verplichtingen vallen die de invoering van de LSP verbieden. Verder is bepaald dat besluiten waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van de Awb van toepassing is, zich in beginsel niet lenen van invoering van de LSP.

In een aantal gevallen is besloten de LSP niet in te voeren omdat sprake is van een lopend wetgevingstraject, er sprake is van specifieke maatschappelijke risico’s of omdat vergunningen reeds per ommegaande of binnen zeer korte tijd worden verleend. Voor een overzicht van de geselecteerde stelsels en nadere informatie over het onderzoek en de selectie, wordt verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 december 2008 (Kamerstukken II 2008/09, 29 515, nr. 274).

In aanvulling op het voornoemde onderzoek heeft de Tweede Kamer het kabinet via de motie van Dijk c.s. (Kamerstukken II 2008/09, 31 579, nr. 18) verzocht opnieuw te bekijken of er extra mogelijkheden zijn voor de invoering van LSP bovenop de resultaten genoemd in de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 december 2008. Aanleiding voor deze heroverweging waren de ruim 500 vergunningstelsels waarvoor het kabinet in de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 december 2008 op basis van een rapport van de B&A-groep had geconcludeerd dat toepassing van de LSP juridisch-technisch onmogelijk was.

In de heroverweging heeft men zich niet beperkt tot de mogelijkheden voor toepassing van LSP, maar is ook bekeken of de vergunningstelsels alsnog konden worden afgeschaft of omgezet in algemene regels. Dit omdat het kabinet met het oog op de gewenste vermindering van de regeldruk de voorkeur geeft aan het laten vervallen van een vergunningstelsel of het omzetten in algemene regels met eventueel een meldingsplicht, boven het in stand houden van een vergunningstelsel met de invoering van LSP.

Bij de heroverweging is zoveel mogelijk ruimte gelaten voor toepassing van LSP door alleen de volgende harde criteria als kader te hanteren:

  • Geen LSP als Europese regelgeving, internationale regelgeving en verdragen hieraan in de weg staan.

  • Geen LSP als voor een vergunningsstelsel een uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Awb moet worden gevolgd.

Voor de uitkomsten van de heroverweging wordt verwezen naar Bijlage 1 bij de brief van de Minister van Justitie van 9 juli 2009 (Kamerstukken II 2008/09, 29 515, nr. 293).

Het verzamelbesluit vormt een uitwerking van het kabinetsstandpunt en de motie van Dijk en bevat een deel van de uit voornoemde doorlichtingen voortvloeiende vergunningstelsels waarbij LSP wordt ingevoerd. Daarnaast bevat het verzamelbesluit één omzetting van een vergunningstelsel in algemene regels in combinatie met een meldingsplicht.

Een ander deel van de vergunningstelsels dat uit de doorlichtingen naar voren is gekomen, wordt aangepast met het wetsontwerp Verzamelwet van rechtswege verleende vergunning. Verder worden via de Aanpassingswet dienstenrichtlijn (Kamerstukken II 2008/09, 31 859, nr. 2) nog een aantal vergunningstelsels aangepast. De overige vergunningstelsels worden aangepast via de departementale wetgeving. In de toelichting per artikel van dit verzamelbesluit wordt inhoudelijk ingegaan op de wijzigingen van de vergunningstelsels.

Voor een toelichting van figuur van de van rechtswege verleende vergunning, de procedure en rechtsbescherming wordt verwezen naar paragraaf 5.4 van de memorie van toelichting bij de Dienstenwet (Kamerstukken II 2007/08, 31 579, nr. 3).

2. Consultatiereacties

Het verzamelbesluit is ter consultatie aangeboden aan de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de VNG en het IPO. Alleen het IPO heeft een blanco advies uitgebracht. Het verzamelbesluit is ook via internetconsultatie openbaar gemaakt. Daarop is één reactie ontvangen.

De Raad voor de rechtspraak en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak verwijzen naar eerdere door hen uitgebrachte adviezen over de figuur van de van rechtswege verleende vergunning. Het verzamelbesluit geeft hen geen aanleiding tot het maken van nadere opmerkingen. De Raad voor de rechtspraak geeft nog aan dat het de verwachting is dat de werklast die uit dit verzamelbesluit volgt voor de gerechten minimaal zal zijn. De VNG een aantal opmerkingen van wetstechnische aard gemaakt, die zijn overgenomen.

In de reactie die is ontvangen in het kader van de internetconsultatie wordt gesteld dat de introductie van de figuur van de van rechtswege verleende vergunning in zijn algemeenheid in strijd moet worden geacht met de controlerende taak van de overheid. De Awb en met name de dwangsom bij niet tijdig beslissen bieden volgens de reactie voldoende waarborgen om overheden aan te zetten tot tijdig beslissen. Aangezien het verzamelbesluit een uitwerking vormt van het kabinetsstandpunt invoering lex silencio en de motie van Dijk c.s. en in de reactie geen specifieke bezwaren zijn geuit tegen invoering van de van rechtswege verleende vergunning in de vergunningstelsels die onderdeel uitmaken van het verzamelbesluit, heeft de reactie niet geleid tot aanpassing van het verzamelbesluit.

3. De gevolgen van het verzamelbesluit

3.1 Uitvoeringstoets en uitvoeringskosten

Een deel van de vergunningen waarvoor in het verzamelbesluit de LSP wordt ingevoerd, komt betrekkelijk weinig voor. Daarbij moet gedacht worden aan de aanvraag van een weerbaarheidsvereniging om in onderling verband op te treden dan wel om uniformen of onderscheidingstekens te mogen dragen (art. II), de instemming van de Minister van Economische Zaken met de nieuwe opsporings- of mijnbouwovereenkomst tussen de vennootschap (Energie Beheer Nederland) en de vergunninghouders (art. III) en de toestemming om onderwijs te volgen in het ligplaatsonderwijs in plaats van op een meetrekkende school (art. IV). Voor alle gewijzigde vergunningstelsels geldt bovendien dat de beslistermijnen over het algemeen worden gehaald. Dat neemt niet weg dat invoering van de LSP ook in deze gevallen onzekerheden over vergunningverlening kan wegnemen waardoor verbetering van dienstverlening aan bedrijfsleven en burgers optreedt. Ingrijpende mutaties in de procesinrichtingen ten gevolge van de invoering van de van rechtswege verleende vergunning worden niet verwacht. Kosten voor eventuele mutaties in de procesinrichtingen zullen door de betrokken instanties binnen de huidige kaders worden opgevangen.

3.2 Administratieve lasten en regeldruk

De toepasselijkheid van de LSP op een vergunningstelsel heeft geen vermindering van informatieverplichtingen voor bedrijven en burgers tot gevolg voor zover het de vergunningaanvraag zelf betreft. Per saldo is er enige reductie van de lasten te verwachten als gevolg van het feit dat in een vergunningprocedure waar de LSP van toepassing is geen kosten hoeven te worden gemaakt in de vorm van het instellen van beroep op grond van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, die sinds 1 oktober 2009 in werking getreden is, tegen eventueel niet tijdig beslissen. De toepassing van de LSP zou mogelijk kunnen leiden tot een vergroting van het aantal bezwaren van derdebelanghebbenden. Echter de lasten die het gevolg zijn van bezwaarprocedures zijn veel lager dan die van de aanvraagprocedure van de vergunning zelf. De invoering van de LSP zou anderzijds ook kunnen leiden tot een vermindering van het aantal gevallen waarin niet tijdig door het betrokken bestuursorgaan wordt beslist, om zo stilzwijgende verlening van vergunningen te vermijden.

Daarnaast is het toepassen van de LSP van belang voor de beleving van regeldruk door bedrijven en burgers, doordat zaken makkelijker voor hen worden en omdat de LSP bijdraagt aan de kwaliteit en betrouwbaarheid van de dienstverlening door de overheid en omdat het tijdige besluitvorming door de overheid bevordert, zoals ook aangegeven in de voortgangsrapportage regeldruk bedrijven van 3 november 2008.1 Hiervoor is geen kwantitatieve meetmethodiek ontwikkeld, maar dit wordt wel gemonitord, onder andere in de «Belevingsmonitor regeldruk bedrijven».

Toelichting per artikel

Hoofdstuk 1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Artikel I

In de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 december 2008 (Kamerstukken II 2008/09, 29 515, nr. 274) is aangekondigd dat de machtiging voor het invoeren van draagbare blustoestellen voor experimentele doeleinden, exposities, het gebruik als monster voor een te verrichten keuring of voor tijdelijk verblijf zonder het oogmerk van verhandelen voor gebruik (artikel 4 van het Besluit draagbare blustoestellen 1997) zal worden omgezet in een melding.

Het afschaffen van een vergunning door omzetting in algemene regels met eventueel een meldingsplicht is volgens de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 december 2008 (Kamerstukken II 2008/09, 29 515, nr. 274) te prefereren boven het in stand houden van het vergunningenstelsel en invoeren van de lex silencio. Bij de doorlichting van vergunningstelsels is daarom bekeken of, als een vergunningstelsel in aanmerking kwam voor de lex silencio, het stelsel toch kon worden afgeschaft of omgezet in algemene regels met eventueel een meldingsplicht. De machtiging voor het invoeren draagbare blustoestellen voor experimentele doeleinden, exposities, het gebruik als monster voor een te verrichten keuring of voor tijdelijk verblijf zonder het oogmerk van verhandelen voor gebruik leent zich voor afschaffing van de vergunningplicht en invoering van algemene regels in combinatie met een melding.

Hoofdstuk 2. Ministerie van Defensie

Artikel II

De wijziging van de artikelen 15 en 16 van het Uitvoeringsbesluit bij de Wet op de weerkorpsen bevat in de eerste plaats het vastleggen van een termijn waarbinnen de Minister van Defensie besluit op de aanvraag van een weerbaarheidsvereniging om in onderling verband op te treden dan wel om uniformen of onderscheidingstekens te mogen dragen. Deze termijn wordt in aansluiting op het tot nu toe toegepaste artikel 4.13 Awb op 8 weken gesteld. Voorts worden beide vergunningen door het van toepassing verklaren van paragraaf 4.1.3.3 van de Awb onder de werking van de lex silencio positivo gebracht.

Overwogen is om de toestemming om te zetten in algemene regels met meldingsplicht. Reden voor het instandhouden van de toestemming is dat het verschijnen van personen in niet-correcte of verwarringwekkende uniformen op het moment van constatering onomkeerbaar is. De noodzaak van een voorafgaande toestemming voor deelname vindt haar rechtvaardiging in aspecten van protocol, traditie en uitstraling naar het Ministerie van Defensie, bijvoorbeeld bij officiële gelegenheden als Koninginnedag en herdenkingen (zie Kamerstukken II 2008/09, 29 515, nr. 274).

De toestemming wordt ongeveer vijf keer per jaar gevraagd en de termijn van acht weken wordt altijd gehaald.

Hoofdstuk 3. Ministerie van Economische Zaken

Artikel III

Dit artikel hangt nauw samen met de artikelen 87 en 93 van de Mijnbouwwet. Deze twee artikelen regelen de totstandkoming van een opsporings- en een mijnbouwovereenkomst. Indien een opsporings- of winningsvergunning wordt gesplitst of samengevoegd en op basis van deze vergunning, of één van de samen te voegen vergunningen een overeenkomst met de aangewezen vennootschap is gesloten, verlenen de vennootschap (Energie Beheer Nederland) en de vergunninghouder(s) medewerking aan de totstandkoming van een nieuwe overeenkomst waarvan de voorwaarden gelijkluidend zijn aan die van de eerder gesloten overeenkomst. De nieuwe overeenkomst behoeft de instemming van de Minister van Economische Zaken. Ten aanzien van het besluit tot instemming op de nieuwe overeenkomst wordt de lex silencio positivo van toepassing. Er zijn geen juridisch-technische bezwaren of dwingende redenen van algemeen belang die toepassing van de lex silencio positivo verhinderen (zie Kamerstukken II 2008/09, 29 515, nr. 274).

Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de verouderde verwijzingen in het artikel naar de Mijnbouwwet te verbeteren.

Hoofdstuk 4. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Artikel IV

In het Besluit trekkende bevolking worden regels gegeven ten aanzien van het onderwijs voor kinderen wier ouders in het kermisbedrijf, onderscheidenlijk het circusbedrijf werkzaam zijn, en voor kinderen wier ouders het schippersbedrijf uitoefenen, de zogenaamde «varende kinderen». Als hoofdregel geldt dat de kinderen behorende tot eerstgenoemde groep onderwijs volgen op mobiele, meetrekkende scholen, terwijl de varende kinderen onderwijs volgen in het zogenaamde «ligplaatsonderwijs».

Op grond van artikel C 2 van het Besluit kan de inspecteur van de Inspectie van het onderwijs in individuele gevallen op verzoek toestemming geven aan (de ouders van) een kind dat tot eerstgenoemde groep behoort om onderwijs te volgen in het ligplaatsonderwijs in plaats van op een meetrekkende school.

Dergelijke verzoeken komen betrekkelijk weinig voor. Overwogen is om de toestemming geheel te schrappen en te vervangen door een enkele meldingsplicht (zie Kamerstukken II 2008/09, 29 515, nr. 274). Gelet echter op de beperkte capaciteit in het ligplaatsonderwijs is besloten dat het verstandig is om een regulerende bevoegdheid voor de inspectie te behouden. Derhalve is gekozen voor de figuur van de lex silencio positivo.

Hoofdstuk 5. Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Artikelen V, VI en VII

Artikel 13 van het Besluit beheer autowrakken, artikel 2 van het Besluit beheer batterijen en accu’s 2008 en artikel 4 van het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur regelen de verplichting voor een producent of importeur om een mededeling ter instemming voor te leggen aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, waarin hij aangeeft hoe hij uitvoering gaat geven aan de in die artikelen aangegeven bij of krachtens de betrokken besluiten gestelde verplichtingen.

De artikelen V, VI en VI voorzien er in dat op de instemming naar aanleiding van een mededeling paragraaf 4.1.3.3 van de Awb van toepassing is. Op deze instemmingen kan de hiervoor bedoelde regeling van de Awb worden toegepast (zie Kamerstukken II 2008/09, 29 515, nr. 293, bijlage 1).

Artikel VIII

Artikel 11c van het Besluit beheer sociale-huursector bevat een regime van prijzen waartegen toegelaten instellingen in de zin van artikel 70 van de Woningwet hun woongelegenheden ten minste dienen te verkopen. Die prijzen liggen onder de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van die woongelegenheden. Het regime stelt zodoende grenzen aan de korting die de toegelaten instellingen bij die verkopen op die verkoopwaarde mogen toepassen.

In het eerste lid is sprake van een minimale verkoopprijs van 90 procent van de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik. In het tweede en derde lid zijn algemene uitzonderingen op het eerste lid opgenomen, waarbij een minimale verkoopprijs van 80 respectievelijk 70 procent van die verkoopwaarde wordt toegestaan. Het vierde lid maakt specifieke andere afwijkingen van het eerste lid mogelijk.

De aan het vierde lid toegevoegde volzin voorziet er in dat op de aanvraag om die afwijkingen paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht deels van toepassing is. Die paragraaf is slechts van toepassing op vervreemdingen aan bewoners die in die woongelegenheden hun hoofdverblijf (zullen) hebben, en daarmee niet op de overige vervreemdingen, zoals de complexgewijze verkopen. De redenen voor dit onderscheid zijn de volgende.

In de toepassingspraktijk van het vierde lid is gebleken dat het in afwijking van het eerste lid vervreemden van woongelegenheden aan bewoners die daarin hun hoofdverblijf (zullen) hebben, hoogst zelden bezwaarlijk is uit het oogpunt van het belang van de volkshuisvesting en daarom in de regel wordt toegestaan. De behandeling van de aanvragen om deze afwijking van het eerste lid toe te staan is gewoonlijk simpel en de beslistermijnen zijn in de regel kort.

De aanvragen om afwijking van het eerste lid bij complexgewijze vervreemdingen toe te staan vergen aanzienlijk meer behandeltijd; hoeveel behandeltijd nodig is, valt vooraf niet te voorzien. Het toestaan van die afwijking is hier allesbehalve een automatisme. Met deze vervreemdingen zijn forse bedragen gemoeid, waarbij het niet zelden om tientallen miljoenen gaat. Ook is bij deze vervreemdingen fraude door het hanteren van een lagere verkoopprijs niet op voorhand uit te sluiten; dat aspect vereist dus altijd specifiek onderzoek. De constructie van de transacties is soms zeer ingewikkeld. In de praktijk blijkt veelal aanvullende informatie nodig te zijn. Soms vinden gesprekken plaats met de toegelaten instelling die de woongelegenheden te koop aanbiedt. Deze categorie vervreemdingen leent zich dus wegens de complexiteit en de potentieel grote gevolgen voor het belang van de volkshuisvesting niet voor de toepassing van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel IX

Artikel 3, eerste lid, van het Besluit geluidproduktie sportmotoren regelt de bevoegdheid voor burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten om een ontheffing te verlenen voor het gebruik van sportmotoren om het krachtens dat besluit vastgestelde geluiddrukniveau te mogen overschrijden. Het betreft het gebruik van sportmotoren op terreinen of in inrichtingen, geen openbare weg zijnde, die bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen.

Artikel IX voorziet er in dat op de de aanvraag om een zodanige ontheffing paragraaf 4.1.3.3 van de Awb van toepassing is. Op dergelijke ontheffingen kan de hiervoor bedoelde regeling van de Awb worden toegepast (zie Kamerstukken II 2008/09, 29 515, nr. 293, bijlage 1).

Artikel X

Artikel 3 van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen geeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de bevoegdheid om ontheffing te verlenen van het verbod om brandstoffen met een zwavelgehalte van meer dan 1,2% te gebruiken.

Artikel X voorziet er in dat op de aanvraag om een zodanige ontheffing paragraaf 4.1.3.3 van de Awb van toepassing is. Op dergelijke ontheffingen kan de hiervoor bedoelde regeling van de Awb worden toegepast (zie Kamerstukken II 2008/09, 29 515, nr. 293, bijlage 1).

Hoofdstuk 6. Slotbepaling

Artikel XI

Met deze inwerkingtredingsbepaling wordt erin voorzien dat de verschillende onderdelen van het verzamelbesluit desgewenst op verschillende momenten in werking kunnen treden. Het streven is alle onderdelen van het Verzamelbesluit van rechtswege verleende vergunning in werking te doen treden op 1 januari 2011.

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XNoot
1

Kamerstukken II 2008–2009, 29 515, nr. 269.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.