Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 1997, 60AMvB

Besluit van 15 januari 1997, houdende regels in het belang van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid (Arbeidsomstandighedenbesluit)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Binnenlandse Zaken, Verkeer en Waterstaat, Justitie en de Staatssecretaris van Defensie van 12 juli 1996, Directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W2/96/0407, gedaan mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 1, 2, 4, 5, 6, 10, 20, 23a, 24, 24a, 25, 26, 27, 28, 30, 31a, 35, 36, en 41 van de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 5 en 8 van de Winkeltijdenwet;

Gezien het advies van de Sociaal-Economische Raad van 9 februari 1995, nr. 95/31 I en II;

De Raad van State gehoord (advies van 24 september 1996, no.W12.960298);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Binnenlandse Zaken, Verkeer en Waterstaat, Justitie en de Staatssecretaris van Defensie van 18 december 1996, Directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W2/96/1537, uitgebracht mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken ;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

AFDELING 1 DEFINITIES

Artikel 1.1 Definities algemeen

  • 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. wet: de Arbeidsomstandighedenwet;

    b. arbeidsplaats: iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt;

    c. arbeidsmiddelen: alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten, transportmiddelen en gereedschappen.

  • 2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. bouwplaats: elke tijdelijke of mobiele arbeidsplaats waar civieltechnische werken of bouwwerken tot stand worden gebracht, waarvan een niet-uitputtende lijst is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn, bedoeld in artikel 2.23, onder a;

    b. bouwwerk: een civieltechnisch werk of bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, onder a;

    c. opdrachtgever: de natuurlijke of rechtspersoon voor wiens rekening een bouwwerk tot stand wordt gebracht;

    d. opdrachtgever-consument: de natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, voor wiens rekening een bouwwerk tot stand wordt gebracht;

    e. ontwerpende partij: de natuurlijke of rechtspersoon die zich jegens de opdrachtgever of de opdrachtgever-consument verbonden heeft om in het bouwproces de ontwerpende functie te vervullen;

    f. uitvoerende partij: de natuurlijke of rechtspersoon die zich jegens de opdrachtgever of de opdrachtgever-consument verbonden heeft om in het bouwproces de uitvoerende functie te vervullen.

  • 3. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. arbeidsplaats in de winningsindustrie: iedere arbeidsplaats die direkt of indirekt verband houdt met de winningsindustrie in dagbouw;

    b. delfstoffen: een natuurlijke concentratie of afzetting op de bodem of onmiddellijk onder de oppervlakte daarvan van substanties van organische oorsprong, ertsen, of mineralen;

    c. winningsindustrie in dagbouw: elke industrie die:

    1°. delfstoffen wint in de open lucht;

    2°. prospectiewerkzaamheden verricht met het oog op de winning van delfstoffen in de open lucht, of

    3°. delfstoffen gereed maakt voor de verkoop, met uitzondering van werkzaamheden in verband met de verwerking van deze delfstoffen.

  • 4. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. fysieke belasting: de door een werknemer in verband met de arbeid in te nemen werkhouding, uit te voeren bewegingen of uit te oefenen krachten, onder meer bestaande uit het zitten en staan of uit het tillen, duwen, trekken, dragen of op een andere wijze verplaatsen of ondersteunen van een of meer lasten;

    b. persoonlijk beschermingsmiddel: iedere uitrusting die bestemd is om door de werknemer gedragen of vastgehouden te worden teneinde hem te beschermen tegen een of meer gevaren die zijn veiligheid of gezondheid op het werk kunnen bedreigen alsmede alle aanvullingen of accessoires die daartoe kunnen bijdragen met uitzondering van:

    1°. gewone en uniforme werkkleding die niet specifiek bedoeld is om de veiligheid en de gezondheid van de werknemer te beschermen;

    2°. sportuitrusting;

    3°. zelfverdedigings- of afschrikkingsmateriaal, en

    4°. draagbare apparaten voor het opsporen en signaleren van gevaren en belastingsfactoren;

    c. veiligheids- of gezondheidssignalering: een signalering die, toegepast op een bepaald object, een bepaalde activiteit of een bepaalde situatie door middel van een bord, een kleur, een lichtsignaal, een akoestisch signaal, een mondelinge mededeling of een hand- of armsein een aanwijzing of een voorschrift verstrekt met betrekking tot de veiligheid of gezondheid op het werk.

  • 5. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. zwangere werknemer: de werknemer die zwanger is en de werkgever hiervan in kennis heeft gesteld;

    b. werknemer tijdens de lactatie: de werknemer die haar kind borstvoeding geeft en haar werkgever hiervan in kennis heeft gesteld;

    c. thuiswerkgever:

    1°. de werkgever, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, en tweede lid, onderdeel a, onder 1, van de wet, voor zover hij een ander in een woning arbeid doet verrichten;

    2°. de werkgever, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel a, onder 2, van de wet, voor zover hij in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf een ander krachtens een overeenkomst tot aanneming van werk of krachtens een overeenkomst van opdracht in een woning arbeid doet verrichten, tenzij die ander zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent waarin hij zich in de regel ook tegenover derden tot het verrichten van dergelijke arbeid verplicht;

    d. thuiswerker: de ander, bedoeld in artikel 1.1, vijfde lid, onder c;

    e. thuiswerk: de arbeid, bedoeld in artikel 1.1, vijfde lid, onder c, met uitzondering van:

    1. arbeid verricht aan of ten behoeve van het vervaardigen, veranderen, herstellen, versieren, afwerken of op een andere wijze tot gebruik geschikt maken of meer geschikt maken of geschikt houden van de woning;

    2. arbeid van verplegende, verzorgende of huishoudelijke aard, geboden aan personen in verband met ziekte, herstel, ouderdom, gehandicapt zijn, overlijden, psycho-sociale en relationele problemen.

  • 6. Waar in dit besluit de woorden «bedrijf» en «inrichting» worden gebruikt om een plaats aan te duiden, omvatten deze mede een andere plaats waar werknemers arbeid verrichten.

Artikel 1.2 Definities arbodiensten

  • 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. certificaat arbodienst: een certificaat als bedoeld in artikel 31a van de wet;

    b. interne arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder a, van de wet;

    c. externe arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder c, van de wet;

    d. deskundigen: deskundige werknemers en andere deskundige personen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder a en c, van de wet, werkzaam in een arbodienst.

  • 2. Onder een interne arbodienst wordt mede verstaan:

    a. een samenwerkingsverband tussen deskundige werknemers, al dan niet georganiseerd in een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder a, van de wet, of

    b. een samenwerkingsverband tussen een of meer deskundige werknemers al dan niet georganiseerd in een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder a, van de wet en een of meer externe arbodiensten.

Artikel 1.3 Definities onderwijs

  • 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder onderwijsinrichting: een bekostigde of een aangewezen onderwijsinrichting.

  • 2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder bekostigde onderwijsinrichting:

    a. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas bekostigde bijzondere school als bedoeld in de Wet op het basisonderwijs;

    b. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas bekostigde bijzondere school als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

    c. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas bekostigde bijzondere school, cursus of inrichting als bedoeld in en onder de werking van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    d. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling, genoemd in de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder a en b;

    e. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling, genoemd in de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder c tot en met g;

    f. de Open Universiteit te Heerlen, genoemd in de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder h;

    g. een school als bedoeld in de Experimentenwet onderwijs;

    h. een openbare of een geheel of gedeeltelijk uit openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie beroepsonderwijs.

  • 3. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder aangewezen onderwijsinrichting:

    a. een school als bedoeld in artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    b. een instelling als bedoeld in artikel 6.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

    c. een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

  • 4. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder medezeggenschapsraad:

    a. een medezeggenschapsraad als bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 of in artikel 10.17 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

    b. de personeelsraad van de Open Universiteit, bedoeld in artikel 11.19 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

    c. de studentenraad van de Open Universiteit, bedoeld in artikel 11.23 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 1.4 Definities justitiële inrichtingen

  • 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. justitieel personeel:

    1°. degenen, die krachtens publiekrechtelijke aanstelling in burgerlijke openbare dienst jegens het Rijk gehouden zijn tot het verrichten van arbeid in justitiële inrichtingen;

    2°. degenen die onder gezag van het Rijk arbeid in een justitiële inrichting verrichten, met uitzondering van gedetineerden en jeugdigen;

    b. gedetineerden en jeugdigen: degenen, die krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking of door het openbaar gezag rechtens van hun vrijheid zijn beroofd en verblijven in een justitiële inrichting met uitzondering van de in het Penitentiair Centrum Nieuwersluis gedetineerde militairen;

    c. justitiële inrichting: een gevangenis, huis van bewaring of justitiële rijksinrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden als bedoeld in de Beginselenwet gevangeniswezen of een rijksinrichting voor justitiële kinderbescherming als bedoeld in de Wet op de jeugdhulpverlening.

  • 2. Onder justitiële inrichting wordt mede verstaan: het vervoer van gedetineerden en jeugdigen van en naar de justitiële inrichting alsmede alle andere arbeid die justitieel personeel verricht met gedetineerden en jeugdigen buiten de justitiële inrichting.

Artikel 1.5 Definities defensie

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. militair personeel:

1°. de in werkelijke dienst zijnde militaire ambtenaren in de zin van artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931;

2°. de als zodanig feitelijk onder de wapenen zijnde dienstplichtigen in de zin van artikel 1, onder b, sub 1° en 2°, van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen;

b. burgerpersoneel bij het Ministerie van Defensie:

1°. degenen die krachtens publiekrechtelijke aanstelling in burgerlijke openbare dienst jegens het Rijk, vertegenwoordigd door de Minister van Defensie, gehouden zijn tot het verrichten van arbeid, behalve indien betrokkenen aan een derde ter beschikking worden gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

2°. degenen die onder gezag van het Rijk, vertegenwoordigd door de Minister van Defensie, arbeid verrichten;

c. defensiepersoneel: militair personeel en burgerpersoneel bij het Ministerie van Defensie;

d. oefening: iedere door defensiepersoneel onder oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te onderhouden;

e. militair vaartuig: een Nederlands oorlogsschip, marinehulpschip of een ander schip dat in gebruik is voor de uitvoering van de militaire taak;

f. militair luchtvaartuig: een luchtvaartuig in beheer bij het Ministerie van Defensie;

g. bemand wapensysteem: ieder al dan niet voortbewogen wapensysteem, dat tijdens het gebruik wordt bemand of bediend met uitzondering van een licht persoonlijk wapen;

h. eenheid met gereedstelling: eenheid die, daartoe aangewezen, ingezet is dan wel gereed is of zich gereed moet houden voor inzet in krijgsmachtverband.

AFDELING 2 SAMENWERKING, OVERLEG, ONTSLAG- EN BENADELINGSBESCHERMING EN NADERE REGELS

Artikel 1.6 Definities samenwerking en overleg

  • 1. In afwijking van de wet, dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voor de toepassing daarvan ten aanzien van arbeid verricht in bekostigde onderwijsinrichtingen als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, onder d, voor «de ondernemingsraad» gelezen «de dienstcommissie», en wordt ten aanzien van arbeid verricht door defensiepersoneel, voor zover de Wet op de ondernemingsraden niet van toepassing is, voor «de ondernemingsraad» gelezen «het overlegorgaan».

  • 2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. dienstcommissie: een dienstcommissie als bedoeld in artikel 9.58 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

    b. overlegorgaan: een overlegorgaan als bedoeld in het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Reglement rechtstoestand dienstplichtige militairen alsmede een dienstcommissie als bedoeld in het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en het Besluit georganiseerd overleg sector defensie.

Artikel 1.7 Aard en inhoud van het overleg

  • 1. Ten aanzien van de aard en inhoud van het overleg met een dienstcommissie respectievelijk overlegorgaan, ten aanzien van de wijze waarop het overleg met een dienstcommissie respectievelijk overlegorgaan wordt gevoerd en ten aanzien van de bevoegdheden van een dienstcommissie respectievelijk overlegorgaan is van toepassing:

    a. het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, of

    b. het Algemeen militair ambtenarenreglement, het Reglement rechtstoestand dienstplichtigen of het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie dan wel het Besluit georganiseerd overleg sector defensie.

  • 2. Voor zover de wet bepalingen bevat omtrent rechten van de ondernemingsraad of leden daarvan waaromtrent de in het eerste lid bedoelde regelingen geen bepalingen bevatten, is de wet van toepassing.

Artikel 1.8 Ontslagbescherming

  • 1. In afwijking van de artikelen 8, vijfde lid, 15, achtste lid, en 19, tweede lid, van de wet is, voor zover ten aanzien van anderen dan ondernemingsraadsleden ter zake van ontslag artikel 21, derde tot en met vijfde lid, van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing is, ten aanzien van degene op wie het Algemeen Rijksambtenarenreglement onderscheidenlijk het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie van toepassing is, artikel 126d, tweede en derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement onderscheidenlijk artikel 144, tweede en derde lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Ten aanzien van degenen, bedoeld in het eerste lid, op wie een overeenkomstige regeling als het Algemeen Rijksambtenarenreglement van toepassing is, is voor zover nodig het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene op wie het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek van toepassing is, met dien verstande dat in artikel 126d, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement in de plaats van artikel 6, tweede lid, onder d en e, wordt gelezen: artikel 2.3, vierde lid, onder c, en artikel 2.3, zesde lid, onder a, van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek.

Artikel 1.9 Benadelingsbescherming

In afwijking van artikel 19, tweede lid, van de wet is, voor zover ten aanzien van anderen dan ondernemingsraadsleden ter zake van benadeling artikel 21, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing is, ten aanzien van degene op wie het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek van toepassing is, artikel 1.16 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek van toepassing. Ten aanzien van degene op wie het Algemeen militair ambtenarenreglement, het Reglement rechtstoestand dienstplichtigen of het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie van toepassing is, is artikel 16 van de Regeling onderdeelsoverlegorganen respectievelijk artikel 144, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie van toepassing.

AFDELING 3 ONDERWIJS

Artikel 1.10 Toepasselijkheid

  • 1. Tenzij hierna anders is bepaald, zijn de wet en dit besluit van toepassing op werknemers in onderwijsinrichtingen en op overeenkomstige wijze van toepassing op leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen.

  • 2. De artikelen 15 en 23c, onder a, van de wet, voor zover betrekking hebbend op de vorming van een of meer arbocommissies, zijn niet van toepassing op onderwijsinrichtingen.

Artikel 1.11 Samenwerking en overleg / Onderwijs-inrichtingen met een medezeggenschapsraad

  • 1. Voor bekostigde onderwijsinrichtingen als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, onder a tot en met c, en onder e tot en met h, komen de rechten, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet, voor zover van toepassing, toe aan de leden van de medezeggenschapsraad.

  • 2. Voor de in het eerste lid genoemde bekostigde onderwijsinrichtingen treedt voor de toepassing van artikel 1, achtste en negende lid, van de wet de medezeggenschapsraad in de plaats van de ondernemingsraad.

  • 3. Voor de in het eerste lid genoemde bekostigde onderwijsinrichtingen worden de in de wet en dit besluit toekomende rechten en bevoegdheden met inachtneming van artikel 1.13, uitgeoefend door de leden van de medezeggenschapsraad of, indien het betreft aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel, door het overlegorgaan van het decentraal georganiseerd overleg respectievelijk van de instelling.

Artikel 1.12 Samenwerking en overleg / Universiteiten

Voor de in artikel 1.3, tweede lid, onder d, genoemde bekostigde onderwijsinrichting worden de in de wet en dit besluit toekomende rechten en bevoegdheden, met inachtneming van artikel 1.13, uitgeoefend door de dienstcommissie, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of, indien het betreft aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel, door het overlegorgaan van het decentraal georganiseerd overleg respectievelijk van de instelling.

Artikel 1.13 Uitzonderingen welzijn, horen en verzoek om wetstoepassing

  • 1. Artikel 3, eerste lid, onder f, voor zover niet betrekking hebbend op de veiligheid en de gezondheid, g en h, en artikel 24, tweede lid, onder ij, z, aa, met uitzondering van de ergonomische aspecten van de arbeid, ab, ac en ad, van de wet zijn niet van toepassing op leerlingen respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen.

  • 2. Afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht geldt niet ten aanzien van leerlingen respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen.

  • 3. In afwijking van artikel 40 van de wet worden ten aanzien van het recht een verzoek om wetstoepassing te doen, leerlingen respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen niet als werknemer beschouwd.

Artikel 1.14 Uitzondering werknemersverplichtingen

Waar in de wet bepaalde verplichtingen worden opgelegd aan werknemers, zijn deze bepalingen niet van toepassing op leerlingen respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen.

Artikel 1.15 Uitzonderingen mentorschap, periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek en verplicht arbeidsgezondheidskundig onderzoek

De artikelen 8, 24a en 25 van de wet zijn niet van toepassing op leerlingen respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen.

AFDELING 4 BURGERLIJKE OPENBARE DIENST

Artikel 1.16 Toepasselijkheid

Deze afdeling is van toepassing op arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst met uitzondering van:

a. verrichtingen respectievelijk arbeid als bedoeld in artikel 2, eerste en vijfde lid, van de wet;

b. arbeid verricht door burgerpersoneel, werkzaam bij het Ministerie van Defensie, met inbegrip van de daaronder ressorterende diensten, instellingen en bedrijven.

Artikel 1.17 Politie en brandweer

Op arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst, welke gericht is op het daadwerkelijk uitoefenen van de taken, bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 1993, artikel 141 of 142 van het Wetboek van Strafvordering, of artikel 1, zesde lid, van de Brandweerwet 1985 voor zover deze taak betrekking heeft op het repressief optreden bij brand, ongevallen en rampen, zijn de artikelen 11, 35, 36, 37 en 38 van de wet van toepassing voor zover door de toepassing van deze artikelen een goede taakuitoefening niet wordt belemmerd.

Artikel 1.18 Veiligheid van de staat

  • 1. Ten aanzien van arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst, welke gericht is op het daadwerkelijk uitoefenen van taken, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zijn de artikelen 35, 36, 37 en 38 van de wet van toepassing voor zover door de toepassing van deze artikelen een goede taakuitoefening niet wordt belemmerd.

  • 2. Op arbeid verricht in rijksdienst geschiedt de toepassing van de wet met inachtneming van de voor de rijksdienst geldende nationale en internationale voorschriften ter beveiliging van gegevens, waarvan de geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt geboden.

  • 3. Op arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst door of ten behoeve van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten geschiedt de toepassing van de wet bovendien met inachtneming van de aan de hoofden van deze diensten opgedragen zorg voor geheimhouding van de door hen verkregen gegevens en van de bronnen waaruit zij afkomstig zijn en voor het naar behoren waarborgen van de veiligheid van de personen van wier diensten bij het inwinnen van gegevens gebruik wordt gemaakt.

AFDELING 5 VERVOER

Artikel 1.19 Toepasselijkheid

  • 1. De wet is niet van toepassing op arbeid verricht in respectievelijk op een zeeschip dat niet op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren en dat zich bevindt in de territoriale zee, op een van de andere in artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet bedoelde scheepvaartwegen of in de haven van Scheveningen.

  • 2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van aanbouw, verbouwing, herstelling of sloping dan wel onderhoudsof reinigingswerkzaamheden en hiermee verband houdende andere werkzaamheden aan de in het eerste lid bedoelde schepen die zich in Nederland bevinden alsmede ten aanzien van laden en lossen, tenzij deze arbeid wordt verricht door een werknemer die behoort tot de bemanning van een zeeschip als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De wet is niet van toepassing op arbeid verricht in respectievelijk op een luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van de Luchtvaartwet, dat ter beschikking is gesteld aan een niet in Nederland gevestigde werkgever, tenzij:

    a. deze werkgever daarin of daarop door in meerderheid in Nederland woonachtige werknemers arbeid doet verrichten;

    b. het betreft laden en lossen, aanbouw, verbouwing, herstelling of sloping dan wel onderhouds- of reinigingswerkzaamheden en hiermee verband houdende andere werkzaamheden aan bedoelde luchtvaartuigen die zich in Nederland bevinden.

  • 4. De wet is niet van toepassing op arbeid verricht in respectievelijk op een luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van de Luchtvaartwet.

  • 5. Het vierde lid geldt niet ten aanzien van laden en lossen, aanbouw, verbouwing, herstelling of sloping dan wel onderhouds- of reinigingswerkzaamheden en hiermee verband houdende andere werkzaamheden aan de in het vierde lid bedoelde luchtvaartuigen die zich in Nederland bevinden.

Artikel 1.20 Beperking recht op werkonderbreking

  • 1. Op arbeid verricht in respectievelijk op een zeeschip of een luchtvaartuig is artikel 38 van de wet niet van toepassing, voor zover de toepassing van dat artikel in strijd komt met de verplichtingen die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden van de kapitein respectievelijk de gezagvoerder, bedoeld in artikel 341 van het Wetboek van Koophandel respectievelijk artikel 95, eerste lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart.

  • 2. Op arbeid verricht door de kapitein respectievelijk de gezagvoerder, bedoeld in het eerste lid, in respectievelijk op een zeeschip of een luchtvaartuig, is artikel 38 van de wet niet van toepassing voor zover de toepassing van dat artikel in strijd komt met de verplichtingen die voortvloeien uit het Wetboek van Koophandel respectievelijk de Regeling Toezicht Luchtvaart.

Artikel 1.21 Spoorwegpolitie

Op arbeid verricht door werknemers in dienst van de N.V. Nederlandse Spoorwegen, werkzaam bij de Spoorwegpolitie en aangesteld als buitengewoon opsporingsambtenaar op grond van artikel 142, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering, zijn de artikelen 11, 35, 36, 37 en 38 van de wet niet van toepassing voor zover door toepassing van die artikelen een goede taakuitoefening wordt belemmerd.

AFDELING 6 JUSTITIËLE RIJKSINRICHTINGEN

Artikel 1.22 Veiligheid in justitiële inrichtingen

  • 1. De artikelen 11, 35, 36, 37 en 38 van de wet zijn van toepassing op de in de justitiële inrichting door het justitieel personeel verrichte arbeid voor zover geen inbreuk wordt gemaakt op de orde, de veiligheid of de goede gang van zaken in de inrichting of op het ongestoord verloop van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming en andere beperkingen die krachtens enige wettelijke bepaling door de daartoe bevoegde autoriteiten zijn opgelegd.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op gedetineerden en jeugdigen met dien verstande, dat in plaats van de artikelen 11, 35, 36, 37 en 38 van de wet wordt gelezen de artikelen 32, zesde lid, 35, 36, 37 en 38 van de wet.

Artikel 1.23 Veiligheid van de staat

Ten aanzien van arbeid verricht door het justitieel personeel in de justitiële inrichtingen geschiedt de toepassing van de wet met inachtneming van de voor de rijksdienst geldende nationale en internationale voorschriften ter beveiliging van gegevens, waarvan de geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt geboden.

Artikel 1.24 Gedetineerden en jeugdigen, inventarisatie en evaluatie, jaarplan en jaarverslag

  • 1. In afwijking van de artikelen 4, vierde en zesde lid, en 10, vierde lid, van de wet kan een gedetineerde of jeugdige kennis nemen van de inventarisatie en evaluatie, het jaarplan en het jaarverslag als in die artikelen bedoeld, voor zover de orde of de veiligheid in de justitiële inrichting daardoor niet in gevaar wordt gebracht.

  • 2. In afwijking van artikel 4, zevende lid, van de wet pleegt de directeur van de justitiële inrichting vooraf overleg over het jaarplan met de gedetineerden en jeugdigen voor zover de orde of de veiligheid in de justitiële inrichting daardoor niet in gevaar wordt gebracht.

Artikel 1.25 Samenwerking en overleg

In afwijking van artikel 13 van de wet werken de directeur van de inrichting en de gedetineerden of jeugdigen zoveel mogelijk samen in het behartigen van de zorg voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid van gedetineerden en jeugdigen binnen de justitiële inrichting.

AFDELING 7 DEFENSIE

Artikel 1.26 Toepasselijkheid

Tenzij in deze afdeling anders is bepaald is de wet van toepassing op arbeid verricht door defensiepersoneel.

Artikel 1.27 Veiligheid van de Staat

  • 1. De toepassing van de wet met betrekking tot arbeid verricht door defensiepersoneel geschiedt met inachtneming van de voor het Ministerie van Defensie geldende nationale en internationale voorschriften ter beveiliging van gegevens, waarvan de geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt geboden.

  • 2. De toepassing van de wet met betrekking tot arbeid in de openbare dienst verricht door of ten behoeve van de militaire inlichtingen- en veiligheidsdiensten geschiedt bovendien met inachtneming van de aan de hoofden van deze diensten opgedragen zorg voor geheimhouding van de door hen verkregen gegevens en van de bronnen waaruit zij afkomstig zijn en voor het naar behoren waarborgen van de veiligheid van de personen van wier diensten bij het inwinnen van die gegevens gebruik wordt gemaakt.

Artikel 1.28 Internationale verplichtingen

De toepassing van de wet met betrekking tot arbeid verricht door defensiepersoneel geschiedt met inachtneming van internationale verplichtingen.

Artikel 1.29 Algehele uitzondering

De wet is niet van toepassing op arbeid verricht door defensiepersoneel:

a. ten tijde van oorlog, oorlogsgevaar of andere daaraan verwante of daarmee verband houdende buitengewone omstandigheden, waaronder begrepen de gevallen als opgesomd in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht;

b. in door Onze Minister van Defensie te bepalen andere gevallen waarin de krijgsmacht wordt ingezet, waaronder begrepen de verlening van bijstand op grond van de artikelen 58, 59 of 60 van de Politiewet 1993 of op grond van artikel 146, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de verlening van steun in het openbaar belang.

Artikel 1.30 Partiële uitzondering artikelen 3 en 24 van de wet

Artikel 3, eerste lid, van de wet en de op artikel 24 van de wet gebaseerde artikelen 1.37 en 1.41, de afdelingen 5 en 6 van hoofdstuk 2, de hoofdstukken 3, 4, 5, 6 en 7 en de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 8 van dit besluit zijn niet van toepassing:

a. tijdens, direct voor en direct na oefeningen;

b. ten aanzien van militaire vaartuigen, militaire luchtvaartuigen, bemande wapensystemen en eenheden met gereedstelling:

1°. voor zover afwijking van deze artikelen, hoofdstukken of afdelingen naar het oordeel van Onze Minister van Defensie noodzakelijk is in verband met de bouw, de constructie, de inrichting of de uitrusting van deze vaartuigen en wapensystemen;

2°. indien oorlogsschepen varen en indien militaire luchtvaartuigen en bemande wapensystemen als zodanig in gebruik zijn;

3°. voor zover de operationele taakuitvoering van deze vaartuigen en wapensystemen of van de eenheden met gereedstelling naar het oordeel van Onze Minister van Defensie door de toepassing van deze artikelen, hoofdstukken of afdelingen wordt belemmerd.

Artikel 1.31 Partiële uitzondering artikel 11 van de wet

Voor zover de wet van toepassing is op arbeid verricht door defensiepersoneel is artikel 11 van die wet op arbeid verricht door defensiepersoneel:

a. dat belast is met enige politietaak of met bewakings- of beveiligingstaken, of

b. dat wachtdiensten verricht, of

c. dat is ingezet ter verlening van de bijstand, bedoeld in artikel 1.29, onder b, aan de politie, van toepassing, voor zover een goede taakuitoefening door de toepassing van genoemd artikel niet wordt belemmerd.

Artikel 1.32 Partiële uitzondering artikelen 13, 14 en 16 van de wet

De artikelen 13, 14 en 16 van de wet zijn van toepassing behoudens:

a. tijdens oefeningen;

b. op aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op het houden van oefeningen;

c. op aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de arbeid, bedoeld in artikel 1.29.

Artikel 1.33 Partiële uitzondering artikelen 35, 36 en 37 van de wet

  • 1. De artikelen 35, 36 en 37 van de wet zijn niet van toepassing:

    a. tijdens, direct voor en direct na oefeningen;

    b. op eenheden met gereedstelling.

  • 2. De artikelen 35, 36 en 37 van de wet zijn niet van toepassing op militaire vaartuigen, militaire luchtvaartuigen en bemande wapensystemen:

    a. indien oorlogsschepen varen en indien militaire luchtvaartuigen en bemande wapensystemen als zodanig in gebruik zijn;

    b. in de gevallen, bedoeld in artikel 1.30, onder b, sub 3°.

  • 3. De artikelen 35, 36 en 37 van de wet zijn van toepassing op het personeel van de Koninklijke Marechaussee, behoudens indien dit personeel daadwerkelijk bezig is met de uitvoering van de specifieke taken, die de Koninklijke Marechaussee in artikel 6, eerste lid, van de Politiewet 1993 zijn opgedragen.

  • 4. In aanvulling op het derde lid, zijn de artikelen 35, 36 en 37 van de wet van toepassing op de arbeid verricht door personeel van de Koninklijke Marechaussee in geval van de verlening van bijstand, bedoeld in artikel 1.29, onder b, voor zover door de toepassing van die artikelen een goede uitoefening van die bijstandsverlening niet wordt belemmerd.

Artikel 1.34 Uitzondering artikel 38 van de wet

Artikel 38 van de wet is niet van toepassing op militair personeel.

AFDELING 8 JEUGDIGEN

Artikel 1.35 Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 94/33/EEG van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk (PbEG L 216).

Artikel 1.36 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie

  • 1. Indien in een bedrijf of inrichting een of meer jeugdige werknemers werkzaam zijn of plegen te zijn wordt in de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, in het bijzonder aandacht besteed aan:

    a. de leeftijd van de jeugdige werknemer;

    b. de specifieke gevaren op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met de arbeid als gevolg van een gebrek aan werkervaring, het niet goed kunnen inschatten van gevaren en het niet voltooid zijn van de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige werknemer;

    c. de uitrusting en inrichting van de arbeidsplaats;

    d. de aard, de mate en de duur van de blootstelling aan stoffen, agentia en fysische factoren;

    e. de keuze en het gebruik van arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen;

    f. het geheel van werkzaamheden in het bedrijf of de inrichting en de organisatie daarvan, en

    g. het opleidingsniveau van de jeugdige werknemers en de aan hen te geven voorlichting.

  • 2. Voorts wordt in de inventarisatie en evaluatie bijzondere aandacht besteed aan de niet-volledige lijst van agentia, procédés en werkzaamheden, opgenomen in de bijlage bij de richtlijn.

Artikel 1.37 Deskundig toezicht

  • 1. Indien in een bedrijf of inrichting jeugdige werknemers arbeid verrichten, wordt op die arbeid adequaat deskundig toezicht uitgeoefend. De inhoud en de mate van het toezicht is afhankelijk van de uit de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, gebleken gevaren die kunnen ontstaan, indien deskundig toezicht ontbreekt.

  • 2. Indien uit de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 1.36, blijkt, dat jeugdige werknemers arbeid moeten verrichten waaraan specifieke gevaren, met name voor ongevallen als gevolg van een gebrek aan werkervaring, het niet goed kunnen inschatten van gevaren en het niet voltooid zijn van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige werknemer, zijn verbonden, mag die arbeid slechts worden verricht, indien het deskundig toezicht zodanig is georganiseerd dat die gevaren worden voorkomen. Indien dat niet mogelijk is, mag die arbeid niet door jeugdige werknemers worden verricht.

Artikel 1.38 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek

  • 1. In aanvulling op artikel 24a van de wet worden jeugdige werknemers in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan, zodra uit de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 1.36, blijkt, dat jeugdige werknemers arbeid moeten verrichten waaraan specifieke gevaren, met name voor ongevallen als gevolg van het gebrek aan werkervaring, het niet goed kunnen inschatten van gevaren en het niet voltooid zijn van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige werknemer, zijn verbonden.

  • 2. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek wordt uitgevoerd door een arbodienst, waaraan of ten behoeve waarvan een certificaat arbodienst is afgegeven.

Artikel 1.39 Uitzondering leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen

Deze afdeling en hoofdstuk 4, afdeling 10, paragraaf 2, hoofdstuk 6, afdeling 6, paragraaf 3, en hoofdstuk 7, afdeling 6, paragraaf 2, met uitzondering van artikel 7.38, tweede lid, zijn niet van toepassing op leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen.

AFDELING 9 ZWANGERE WERKNEMERS EN WERKNEMERS TIJDENS DE LACTATIE

Artikel 1.40 Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 92/85/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 oktober 1992 betreffende maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (PbEG L 348).

Artikel 1.41 Inventarisatie en evaluatie

Indien in een bedrijf of inrichting een zwangere werknemer of een werknemer tijdens de lactatie werkzaam is of pleegt te zijn, wordt in de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, in het bijzonder aandacht besteed aan de niet-limitatieve lijst van agentia, procédés en arbeidsomstandigheden, opgenomen in bijlage I bij de richtlijn

Artikel 1.42 Organisatie van de arbeid

  • 1. Onverminderd artikel 4:5 van de Arbeidstijdenwet, organiseert de werkgever de arbeid van een zwangere werknemer en een werknemer tijdens de lactatie zodanig, richt de arbeidsplaats zodanig in, past een zodanige productie- en werkmethode toe en laat zodanige arbeidsmiddelen gebruiken, dat de arbeid voor die werknemer geen gevaren met zich kan brengen voor haar veiligheid en gezondheid en geen terugslag kan veroorzaken op de zwangerschap of lactatie.

  • 2. Indien nakoming van het eerste lid redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt door een tijdelijke aanpassing van de arbeid of door een tijdelijke aanpassing van de arbeids- en rusttijden voorkomen dat gevaar voor de veiligheid en gezondheid van de zwangere werknemer en de werknemer tijdens de lactatie wordt veroorzaakt, en wordt voorkomen dat een terugslag kan worden veroorzaakt op de zwangerschap of lactatie.

  • 3. Indien nakoming van het tweede lid redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt aan de zwangere werknemer en de werknemer tijdens de lactatie tijdelijk andere arbeid gegeven.

  • 4. Indien nakoming van het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is, worden de zwangere werknemer en de werknemer tijdens de lactatie tijdelijk vrijgesteld van het verrichten van arbeid.

AFDELING 10 THUISWERKERS

Artikel 1.43 Toepasselijkheid

  • 1. Dit besluit is niet van toepassing op thuiswerk, tenzij uitdrukkelijk regels voor thuiswerk zijn gesteld. In dat laatste geval wordt onder werkgever mede verstaan thuiswerkgever en wordt onder werknemer mede verstaan thuiswerker.

  • 2. Indien een thuiswerker tevens een jeugdige werknemer is, zijn uitsluitend de bepalingen die voor de thuiswerker zijn vastgesteld van toepassing.

Artikel 1.44 Beschikbaarheid van gegevens

Van de thuiswerkers zijn gegevens beschikbaar omtrent naam, adres en woonplaats alsmede van de werkzaamheden die door de betreffende thuiswerkers worden verricht en van de stoffen, hulpmiddelen en werktuigen die daarbij worden gebruikt.

Artikel 1.45 Voorraad

Het is niet toegestaan aan de thuiswerker een grotere hoeveelheid aan grondstoffen, halffabrikaten en gerede producten in voorraad te geven of te laten houden dan voor de arbeid strikt noodzakelijk is.

Artikel 1.46 Melding van ongevallen

  • 1. Indien aan een thuiswerker in verband met het verrichten van arbeid een ongeval als bedoeld in artikel 9, eerste of derde lid, van de wet overkomt, wordt door de thuiswerker hiervan onverwijld mededeling gedaan aan de thuiswerkgever.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde mededeling doet de thuiswerker eveneens, indien zich een gebeurtenis heeft voorgedaan, waarbij grote materiële schade als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet is ontstaan en waarbij tevens gevaar voor de veiligheid of de gezondheid voor de thuiswerker heeft bestaan.

HOOFDSTUK 2 ARBOZORG EN ORGANISATIE VAN DE ARBEID

AFDELING 1 JAARPLAN EN JAARVERSLAG

Artikel 2.1 Verplichtstelling

Voor de toepassing van artikel 4, zesde lid, van de wet worden aangewezen de bedrijven of inrichtingen waarin honderd of meer werknemers in dienst van de werkgever werkzaam zijn.

AFDELING 2 ARBEIDSVEILIGHEIDSRAPPORTAGE

Artikel 2.2 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. brandbare stof: een stof die een procestemperatuur heeft gelijk aan of hoger dan het vlampunt, bepaald met het toestel van Abel-Pensky voor vlampunten tot en met 65° C of bepaald met het toestel van Pensky-Martens voor vlampunten boven 65° C;

b. extreem toxische stof:

1°. een stof die acuut giftige eigenschappen bezit en daardoor gevaar voor de gezondheid kan opleveren bij een eenmalige betrekkelijk korte blootstelling, al dan niet met uitgestelde werking, en die als kenmerk heeft

– dat de lethale concentratie 50 bij een blootstelling van de rat gedurende vier uur, kleiner is dan of gelijk is aan 20 milligram per kubieke meter, of

– dat de lethale dosis 50 oraal bij toediening aan de rat, kleiner is dan of gelijk is aan 1 milligram per kilogram, of

– dat de lethale dosis 50 percutaan bij toediening aan de rat, kleiner is dan of gelijk is aan 2 milligram per kilogram;

2°. de volgende voor de mens carcinogene stoffen met een hoge potentie: 2-acetylaminofluoreen, 4-aminobifenyl, benzidine, bischloormethylether, dialkylnitrosaminen, 4-dimethylaminoazobenzeen, methylnitroso-ureum, 2-naftylamine, 4-nitrobifenyl en 3-nitronaftylamine;

c. toxische stof: een stof, niet zijnde een extreem toxische stof, die acuut giftige eigenschappen bezit en daardoor gevaar voor de gezondheid kan opleveren bij een eenmalige betrekkelijk korte blootstelling, al dan niet met uitgestelde werking, en die als kenmerk heeft dat de lethale concentratie 50 bij een blootstelling van de rat gedurende één uur, kleiner is dan of gelijk is aan 20 000 milligram per kubieke meter;

d. ontplofbare stof: een stof, daaronder mede begrepen een mengsel van stoffen, die de inherente eigenschap bezit zonder toetreding van zuurstof te kunnen exploderen bij blootstelling aan licht, schok, wrijving of warmte dan wel door zelfopwarming;

e. installatie: een installatie voor bewerking of een installatie voor opslag;

f. installatie voor bewerking: het stelsel van vaten, apparaten en leidingen dat ten aanzien van de omsloten stof een geheel vormt of kan vormen en dient voor de vervaardiging, bewerking, verwerking, verlading of vernietiging van deze stof;

g. installatie voor opslag: de tanks, silo's, bunkers en verpakkingseenheden die dienen voor opslag met dien verstande, dat deze eenheden buiten de ruimtelijke begrenzing van een installatie voor bewerking zijn gelegen en waarbij wat betreft tanks, silo's en bunkers elke eenheid als een op zich zelf staande installatie voor opslag moet worden beschouwd;

h. procestemperatuur: de temperatuur die bij opslag of bij bewerking onder normale bedrijfscondities maximaal kan worden bereikt;

i. omhulling: een constructie die een installatie voor bewerking of opslag omsluit, die de natuurlijke ventilatie van de omsloten installatie bemoeilijkt of verhindert en waarbinnen door werknemers regelmatig arbeid wordt verricht;

j. grenswaarde: de hoeveelheid van een stof, uitgedrukt in kilogrammen, die bij plotseling vrijkomen het leven of de gezondheid van een op globaal 100 meter afstand van het emissiepunt verblijvende werknemer nog kan bedreigen.

Artikel 2.3 Verplichtstelling

  • 1. Voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, van de wet worden aangewezen de installaties waarin zich een hoeveelheid van brandbare, extreem toxische, toxische of ontplofbare stoffen, uitgedrukt in kilogrammen, bevindt, welke, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde omstandigheidsfactor of -factoren, gelijk is aan of groter is dan de grenswaarde, vermenigvuldigd met de faseringsfactor.

  • 2. Voor een installatie waarin zich een stof of een groep van stoffen met een identieke grenswaarde onder verschillende omstandigheden bevindt, wordt elke onder dezelfde omstandigheden verkerende deelhoeveelheid van de stof of groep van stoffen vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde omstandigheidsfactoren. Een installatie als bedoeld in het eerste lid, is dan aangewezen, indien de som van de al dan niet gecorrigeerde deelhoeveelheden gelijk is aan of groter is dan de grenswaarde van de desbetreffende stof of groep van stoffen, vermenigvuldigd met de faseringsfactor.

  • 3. Voor een installatie waarin zich stoffen met verschillende grenswaarden bevinden, wordt elke hoeveelheid van een stof of groep van stoffen met een identieke grenswaarde vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde omstandigheidsfactoren. Een installatie als bedoeld in het eerste lid, is dan aangewezen, indien voor een van de in artikel 2.4, eerste lid, onder a of b, of artikel 2.4, tweede lid, genoemde categorieën van stoffen, de som van de quotiënten van de desbetreffende al dan niet gecorrigeerde hoeveelheden en grenswaarden van de tot die categorie behorende stoffen die in de installatie aanwezig zijn, vermenigvuldigd met de faseringsfactor, gelijk is aan of groter is dan 1.

  • 4. De in dit artikel bedoelde vermenigvuldiging met een omstandigheidsfactor of -factoren vindt geen toepassing ten aanzien van ontplofbare stoffen.

Artikel 2.4 Grenswaarden

  • 1. De in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde grenswaarde bedraagt:

    a. voor brandbare stoffen: 10 000 kilogram;

    b. voor extreem toxische stoffen: 1 kilogram;

    c. voor ontplofbare stoffen: de hoeveelheid waarvan de explosie-energie equivalent is aan de explosie-energie van 1000 kilogram trinitrotolueen, waarbij de explosie-energie van trinitrotolueen wordt gesteld op 4 600 kilojoule per kilogram.

  • 2. Voor toxische stoffen worden de grenswaarden, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, afgeleid op basis van de toxicologische gegevens en de fysische omstandigheid bij 25° C van de grenswaarde voor chloor, waarbij de grenswaarde voor chloor op 300 kilogram wordt gesteld. Bij deze afleiding wordt uitgegaan van een lethale concentratie 50 bij een blootstelling van de rat gedurende één uur aan de stof.

Artikel 2.5 Omstandigheidsfactoren

De in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde omstandigheidsfactoren zijn:

a. voor een stof die zich bevindt in een installatie voor bewerking: 1;

b. voor een stof die zich bevindt in een installatie voor opslag: 0,01;

c. voor een installatie die is opgesteld in de open lucht: 1;

d. voor een installatie die is opgesteld in een omhulling: 10;

e. voor een stof die in de vloeibare fase verkeert en waarvan de procestemperatuur gelijk is aan het atmosferisch kookpunt van die stof: 1; voor elke 10° C dat deze procestemperatuur boven het atmosferisch kookpunt ligt wordt deze factor verhoogd met 1 tot een maximum van 10, afgerond op een geheel getal, en voor elke 10° C dat de procestemperatuur onder het atmosferisch kookpunt ligt, wordt deze factor verminderd met 0,1 tot een minimum van 0,1, afgerond op één decimaal;

f. voor een stof die in de vloeibare fase verkeert en waarvan de procestemperatuur lager is dan de omgevingstemperatuur, zijnde 25° C: 1; voor elke 50 °C dat het atmosferisch kookpunt van de desbetreffende stof onder de 25 °C ligt wordt deze factor verhoogd met 1 tot een maximum van 4, afgerond op hele getallen;

g. voor procesomstandigheden waar zowel de onder e, als de onder f genoemde factoren van toepassing zijn, geldt een vermenigvuldigingsfactor die gelijk is aan de som van de vermenigvuldigingsfactoren e en f, verminderd met 1 en met een maximum van 10;

h. voor een stof die in de gasfase verkeert: 10;

i. voor een stof die in de vaste fase verkeert: 0,1.

Artikel 2.6 Faseringsfactor

De in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde faseringsfactor bedraagt 1.

AFDELING 3 ARBODIENSTEN

Artikel 2.7 Deskundigheidseisen arbodienst

  • 1. Binnen een arbodienst zijn deskundigen werkzaam op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, de arbeidshygiëne, de veiligheidskunde en de arbeids- en organisatiekunde.

  • 2. Een deskundige beschikt over voldoende deskundigheid en ervaring op een vakgebied als bedoeld in het eerste lid, indien hij is ingeschreven in een bij ministeriële regeling aan te wijzen register of beschikt over een certificaat van vakbekwaamheid dat is afgegeven door een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling.

  • 3. Voor zover ten aanzien van een van de vakgebieden, bedoeld in het eerste lid, geen register of door Onze Minister geen instelling voor de afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid is aangewezen, worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot de vereiste deskundigheid en ervaring op dat vakgebied.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vereiste deskundigheden en de ervaring van overig personeel dat binnen de arbodienst werkzaam is.

Artikel 2.8 EG-verklaring ter zake van deskundigheid

Indien op een of meer vakgebieden diploma's zijn vereist voor inschrijving in een register, voor afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid of voor de vereiste deskundigheid, bedoeld in artikel 2.7, wordt met die diploma's gelijkgesteld een door Onze Minister of door een bij ministeriële regeling aangewezen instelling met betrekking tot opleidingen op een van deze vakgebieden afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene Wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's.

Artikel 2.9 Functioneringseisen

  • 1. Een arbodienst:

    a. vervult zijn taken met inachtneming van de stand van de wetenschap en van de algemeen erkende regelen der techniek;

    b. adviseert inzake het voeren van een gestructureerd, systematisch en adequaat arbeidsomstandighedenen ziekteverzuimbeleid op een wijze die het meest bijdraagt aan de effectuering daarvan, waarbij met name rekening wordt gehouden met bijzondere groepen van werknemers en waarbij tevens binnen het bedrijf of de inrichting plaatsgevonden gebeurtenissen worden betrokken;

    c. onderkent en beoordeelt de gevaren, zowel van het technisch systeem als van de organisatie en het menselijk gedrag, waarbij tevens binnen het bedrijf of de inrichting plaatsgevonden gebeurtenissen worden betrokken;

    d. evalueert de dienstverlening;

    e. draagt zorg voor de continuïteit van de dienstverlening, en

    f. behandelt klachten over de dienstverlening.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het functioneren van de arbodienst.

Artikel 2.10 Organisatie-eisen arbodienst

  • 1. Een externe arbodienst bezit rechtspersoonlijkheid en heeft in hoofdzaak tot doel het vervullen van de taken, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet.

  • 2. Op elk van de in artikel 2.7, eerste lid, genoemde vakgebieden is ten minste één deskundige werkzaam krachtens een arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling voor onbepaalde tijd.

Artikel 2.11 Uitrustingseisen

Een arbodienst beschikt over zodanige huisvesting en outillage dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemers van de aangesloten bedrijven is gewaarborgd.

Artikel 2.12 Gegevensverstrekking

  • 1. De externe arbodienst of de werkgever van de interne arbodienst doet desgevraagd statistische gegevens met betrekking tot de uitoefening van de taken toekomen aan Onze Minister.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aard van de in het eerste lid bedoelde gegevens en de vorm waarin alsmede de frequentie waarmee deze gegevens worden toegezonden.

Artikel 2.13 Samenwerkingsverband

  • 1. Het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder b, wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de werkgever en de externe arbodienst. In deze overeenkomst wordt in ieder geval de taakverdeling vastgelegd tussen de deskundige werknemers, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder a, van de wet en de betrokken deskundigen van de externe arbodienst.

  • 2. Het samenwerkingsverband wordt aangegaan voor een periode die in ieder geval even lang is als de geldigheidsduur van het certificaat arbodienst dat ten behoeve van dat samenwerkingsverband wordt verleend.

Artikel 2.14 Certificaat arbodienst

  • 1. Een externe arbodienst beschikt over een certificaat arbodienst.

  • 2. De werkgever beschikt ten behoeve van zijn interne arbodienst over een certificaat arbodienst.

Artikel 2.15 Verlening certificaat arbodienst

  • 1. Een certificaat arbodienst wordt op schriftelijke aanvraag verleend door Onze Minister of door een bij ministeriële regeling daartoe aangewezen instelling, voor een periode van ten hoogste vier jaar.

  • 2. Een certificaat arbodienst wordt verleend, indien wordt voldaan aan hetgeen bij de wet en bij of krachtens deze afdeling is voorgeschreven.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens die bij een aanvraag worden verstrekt en wordt bepaald welke vergoeding voor de aanvraag, de behandeling en de verstrekking van een certificaat is verschuldigd.

  • 4. Een certificaat arbodienst kan worden geweigerd, onder voorschriften verleend of verlengd dan wel ingetrokken, indien gegronde vrees bestaat of is gebleken dat niet of niet volledig wordt voldaan aan de bij de wet of bij of krachtens deze afdeling gestelde voorschriften. Indien een certificaat onder voorschriften wordt verleend of verlengd omdat niet of niet volledig wordt voldaan aan de bij de wet of bij of krachtens deze afdeling gestelde voorschriften, wordt in die voorschriften aangegeven binnen welke termijn zal zijn voldaan aan hetgeen bij de wet of bij of krachtens deze afdeling is voorgeschreven. Die termijn is in geen geval langer dan vier jaar.

  • 5. Indien een aan een externe arbodienst verleend certificaat arbodienst wordt ingetrokken, niet wordt verlengd of indien aan de verlenging daarvan voorschriften zijn verbonden, doet de dienst daarvan terstond mededeling aan de werkgever te wiens behoeve de taken worden uitgeoefend en aan de ondernemingsraad. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad zorgt de werkgever ervoor dat de belanghebbende werknemers zo spoedig mogelijk van deze mededeling op de hoogte worden gesteld.

  • 6. Indien een ten behoeve van een interne arbodienst verleend certificaat arbodienst wordt ingetrokken, niet wordt verlengd of indien aan de verlenging daarvan voorschriften zijn verbonden, doet de werkgever daarvan terstond mededeling aan de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, aan de belanghebbende werknemers alsmede, ingeval sprake is van een samenwerkingsverband, aan de betrokken externe arbodiensten.

AFDELING 4 BEDRIJFSHULPVERLENING

Artikel 2.16 Definities

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. bedrijfshulpverlener: de door een werkgever op grond van artikel 22 van de wet met bedrijfshulpverleningstaken belaste werknemer;

b. bedrijfshulpverlening: de daadwerkelijke uitvoering van de taken op het gebied van de bedrijfshulpverlening, bedoeld in artikel 23 van de wet, zulks zo nodig in samenwerking met de hulpverleningsorganisaties die bij een ongeval of brand een taak hebben;

c. ongeval: een aan een of meer in een bedrijf of inrichting aanwezige werknemers of andere personen overkomen gebeurtenis, niet zijnde brand, die schade aan de gezondheid tot vrijwel onmiddellijk gevolg heeft gehad of direct gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van die werknemers of andere personen doet ontstaan;

d. hulpverleningsorganisaties: gespecialiseerde organisaties voor hulpverlening die in het kader van de openbare veiligheid of gezondheid opereren.

Artikel 2.17 Maatgevende factoren voor de bedrijfshulpverlening

Bij de organisatie van bedrijfshulpverlening wordt ten minste rekening gehouden met de volgende factoren:

a. de aard, de grootte en de ligging van het bedrijf of de inrichting;

b. de in het bedrijf of de inrichting aanwezige gevaren en de voor het bedrijf of de inrichting maatgevend geachte brandscenario's bij de bepaling waarvan rekening is gehouden met eventueel voor het bedrijf of de inrichting door de overheid van toepassing verklaarde uitgangspunten van beveiliging tegen brand;

c. het redelijkerwijs te verwachten aantal aanwezige werknemers en andere personen alsmede de tijdstippen waarop zij aanwezig zijn of plegen te zijn;

d. het redelijkerwijs te verwachten aantal personen dat zich bij een ongeval of brand niet zelfstandig in veiligheid kan brengen;

e. de opkomsttijd en mogelijkheden van brandweer en andere hulpverleningsorganisaties;

f. de aanwezigheid van een infrastructuur op het gebied van de arbeidsomstandigheden;

g. de mogelijkheid om met andere arbeidsorganisaties samen te werken;

h. de inschakeling van externe deskundigen.

Artikel 2.18 Operationaliteit, bereikbaarheid, beschikbaarheid en aanwezigheid

  • 1. De bedrijfshulpverlening wordt zodanig georganiseerd dat binnen enkele minuten na het plaatsvinden van een ongeval of brand, de bedrijfshulpverleningstaken op adequate wijze kunnen worden vervuld en dat na aankomst van hulpverleningsorganisaties deze op adequate wijze kunnen worden bijgestaan.

  • 2. Onder alle omstandigheden en met inachtneming van artikel 2.19 zijn bedrijfshulpverleners bereikbaar en beschikbaar om bij een ongeval of brand de bedrijfshulpverleningstaken te vervullen.

  • 3. Indien de veiligheid of de gezondheid van andere werknemers in de nabije omgeving kunnen worden bedreigd, worden door de betrokken werkgevers op het gebied van de bedrijfshulpverlening zodanige organisatorische maatregelen genomen dat de betrokken bedrijfshulpverleners bij een ongeval of brand over en weer bijstand kunnen verlenen.

Artikel 2.19 Aantal bedrijfshulpverleners

  • 1. Het aantal bedrijfshulpverleners is zodanig dat onder alle omstandigheden de vervulling van de taken op het gebied van de bedrijfshulpverlening gewaarborgd is.

  • 2. Onverminderd het eerste lid is in een bedrijf of inrichting waar ten hoogste 250 werknemers werkzaam plegen te zijn, ten minste één bedrijfshulpverlener per 50 of minder aanwezige werknemers aanwezig. Indien in een bedrijf of inrichting slechts één werknemer aanwezig is, beschikt deze over doeltreffende middelen om zich bij een ongeval of brand snel in veiligheid te kunnen stellen.

  • 3. Onverminderd het eerste lid zijn in een bedrijf of inrichting waar meer dan 250 werknemers werkzaam plegen te zijn, in afwijking van het tweede lid, ten minste vijf bedrijfshulpverleners aanwezig. Het tweede lid, laatste volzin, is van toepassing.

  • 4. Indien werkgevers ter uitvoering van hun taken op het gebied van de bedrijfshulpverlening gezamenlijke bedrijfshulpverlening organiseren, worden de afspraken dienaangaande schriftelijk vastgelegd. In dat geval worden voor de toepassing van deze afdeling de betrokken bedrijven of inrichtingen als een geheel beschouwd.

  • 5. De werkgevers die afspraken hebben gemaakt als bedoeld in het vierde lid worden geacht aan de verplichtingen op grond van deze afdeling te hebben voldaan, indien de bedrijfshulpverlening voor het geheel van de betrokken bedrijven of inrichtingen gewaarborgd is.

Artikel 2.20 Veiligheidsinstructies

Ten behoeve van de werknemers zijn voldoende biljetten opgehangen waarop op eenvoudige wijze is aangegeven wat te doen indien zich een ongeval of brand voordoet.

Artikel 2.21 Deskundigheidseisen

  • 1. De bedrijfshulpverleners zijn zodanig opgeleid, dat de bedrijfshulpverlening gewaarborgd is.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen voor daarbij aan te wijzen categorieën bedrijven of inrichtingen of in verband met bijzondere gevaren, regels worden gesteld met betrekking tot opleiding, deskundigheid en ervaring van bedrijfshulpverleners.

Artikel 2.22 Oefening

Voor bedrijfshulpverleners worden herhalingscursussen en oefeningen of andere activiteiten georganiseerd waaraan de bedrijfshulpverleners deelnemen. Deze cursussen, oefeningen of activiteiten zijn van een zodanige inhoud en frequentie dat de kennis en vaardigheden van de bedrijfshulpverleners op het voor een adequate bedrijfshulpverlening vereiste niveau gehandhaafd blijven.

AFDELING 5 BOUWPLAATSEN

§ 1 Definities en toepasselijkheid

Artikel 2.23 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. richtlijn: Richtlijn nr. 92/57/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen (PbEG L 245);

b. coördinator voor de ontwerpfase: de natuurlijke of rechtspersoon die belast is met de in artikel 2.30 genoemde taken inzake veiligheid en gezondheid gedurende de studie-, de ontwerp- en de uitwerkingsfase van het ontwerp van een bouwwerk;

c. coördinator voor de uitvoeringsfase: de natuurlijke of rechtspersoon die belast is met de in artikel 2.34 genoemde taken inzake veiligheid en gezondheid gedurende de totstandbrenging van een bouwwerk.

Artikel 2.24 Aanwijzing

Voor de toepassing van artikel 28, eerste lid, van de wet worden aangewezen de opdrachtgever, de ontwerpende en de uitvoerende partij.

Artikel 2.25 Toepasselijkheid

Deze afdeling is niet van toepassing op arbeid verricht in winningsindustrieën in dagbouw als bedoeld in afdeling 6.

§ 2 Algemene verplichtingen inzake bouwplaatsen en verplichtingen in verband met het ontwerp van een bouwwerk

Artikel 2.26 Kennisgeving
  • 1. Overeenkomstig het bij ministeriële regeling voorgeschreven model wordt een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet vóór de aanvang van de werkzaamheden op de bouwplaats, in kennis gesteld van de voorgenomen totstandbrenging van een bouwwerk, indien:

    a. de geraamde duur van de totstandbrenging van het bouwwerk meer dan 30 werkdagen beslaat en op die bouwplaats meer dan 20 werknemers tegelijkertijd arbeid zullen gaan verrichten, of

    b. met de totstandbrenging van het bouwwerk meer dan 500 mensdagen zullen zijn gemoeid.

  • 2. De kennisgeving wordt zichtbaar op de bouwplaats aangebracht. Indien met betrekking tot de in de kennisgeving vermelde gegevens veranderingen optreden, wordt deze dienovereenkomstig gewijzigd.

Artikel 2.27 Veiligheids- en gezondheidsplan
  • 1. Ten aanzien van een bouwwerk als bedoeld in bijlage II bij de richtlijn of een bouwwerk ten aanzien waarvan een kennisgeving als bedoeld in artikel 2.26 wordt gedaan, wordt een veiligheids- en gezondheidsplan opgesteld, waarin ten minste vermeld worden:

    a. een beschrijving van het tot stand te brengen bouwwerk;

    b. een overzicht van de bij de totstandbrenging van het bouwwerk betrokken natuurlijke of rechtspersonen op de bouwplaats;

    c. de naam van de coördinator voor de ontwerpfase;

    d. de naam van de coördinator voor de uitvoeringsfase;

    e. de inventarisatie en evaluatie van de gevaren overeenkomstig artikel 4 van de wet;

    f. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de samenwerking tussen werkgevers en in voorkomende gevallen zelfstandig werkenden op de bouwplaats, welke voorzieningen daarbij zullen worden getroffen en op welke wijze op die voorzieningen toezicht zal worden uitgeoefend;

    g. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de samenwerking en het overleg tussen werkgevers en werknemers op de bouwplaats en de wijze waarop de voorlichting en het onderricht van deze werknemers plaatsvindt.

  • 2. In de ontwerpfase van het bouwproces worden in ieder geval de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a, c, en e, vermeld. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder b, d, f en g, worden in de ontwerpfase vermeld, tenzij deze gegevens in die fase redelijkerwijs niet kenbaar zijn. In dat geval geschiedt de invulling daarvan vóór de aanvang van de werkzaamheden in de uitvoeringsfase van het bouwproces.

  • 3. Indien met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde gegevens gedurende de ontwerpfase of uitvoeringsfase van het bouwproces veranderingen optreden wordt het plan dienovereenkomstig gewijzigd.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Artikel 2.28 Aanstelling coördinator voor de ontwerpfase

Ten behoeve van een bouwplaats waar twee of meer werkgevers dan wel één werkgever en een of meer zelfstandig werkenden dan wel twee of meer zelfstandig werkenden arbeid doen of gaan verrichten in verband met de totstandbrenging van een bouwwerk, worden een of meer cordinatoren voor de ontwerpfase aangesteld.

Artikel 2.29 Algemene uitgangspunten inzake veiligheid, gezondheid en welzijn bij het ontwerpen van een bouwwerk

In de studie-, de ontwerp- en de uitwerkingsfase van het ontwerp van een bouwwerk worden bij de bouwkundige, technische of organisatorische keuzen in verband met de planning van de verschillende onderdelen van het bouwwerk of de fasen waarin het bouwwerk of de onderdelen daarvan tot stand worden gebracht, alsmede bij de raming van de duur van deze onderdelen of fasen, de artikelen 3, 4, eerste lid, en 6 van de wet in acht genomen. Voor zover van toepassing wordt daarbij tevens rekening gehouden met veiligheids- en gezondheidsplannen als bedoeld in artikel 2.27, die gedurende de ontwerpfase met betrekking tot verschillende onderdelen van het bouwwerk of de fasen waarin het bouwwerk of de onderdelen daarvan tot stand worden gebracht, zijn of worden opgesteld en met dossiers als bedoeld in artikel 2.30, onder c alsmede met de wijzigingen daarvan op grond van artikel 2.34, onder g.

Artikel 2.30 Coördinatietaken gedurende de ontwerpfase

De coördinator voor de ontwerpfase heeft tot taak om:

a. de uitvoering van artikel 2.29 te coördineren;

b. te zorgen voor de opstelling van een veiligheids- en gezondheidsplan als bedoeld in artikel 2.27;

c. een dossier samen te stellen, waarin de voor de veiligheid en gezondheid van werknemers van belang zijnde bouwkundige en technische kenmerken of kenmerken betreffende de inrichting of outillage van het bouwwerk zijn beschreven waarmee bij het verrichten van mogelijke latere werkzaamheden aan het bouwwerk rekening moet worden gehouden, dat is bestemd voor de eigenaar of beheerder van het bouwwerk dan wel degene die kan beslissen over de uitvoering van bedoelde werkzaamheden.

Artikel 2.31 Verplichtingen opdrachtgever

Overeenkomstig het bij of krachtens deze paragraaf bepaalde:

a. zorgt de opdrachtgever ervoor dat de bij of krachtens de artikelen 2.26 tot en met 2.29 gestelde voorschriften worden nageleefd;

b. neemt de opdrachtgever zodanige maatregelen en richt hij de werkzaamheden zodanig in dat:

1°. door de coördinator voor de ontwerpfase de taken worden uitgeoefend, bedoeld in artikel 2.30;

2°. de coördinator voor de ontwerpfase zijn taken naar behoren kan vervullen;

c. zorgt de opdrachtgever ervoor dat het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.27, deel uitmaakt van het bestek betreffende het bouwwerk.

Artikel 2.32 Verplichtingen ontwerpende partij
  • 1. Ten aanzien van een opdrachtgever-consument zorgt de ontwerpende partij ervoor dat wordt voldaan aan artikel 2.31.

  • 2. Indien twee of meer ontwerpende partijen zich ieder afzonderlijk jegens de opdrachtgever-consument hebben verbonden om een deel van het ontwerp van een bouwwerk tot stand te brengen, wordt in een schriftelijke overeenkomst tussen deze partijen vastgelegd door wie aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 2.31, wordt voldaan.

§ 3 Verplichtingen in verband met de totstandbrenging van een bouwwerk

Artikel 2.33 Aanstelling coördinator voor de uitvoeringsfase

Ten behoeve van een bouwplaats waar twee of meer werkgevers dan wel één werkgever en een of meer zelfstandig werkenden dan wel twee of meer zelfstandig werkenden arbeid gaan of doen verrichten in verband met de totstandbrenging van een bouwwerk, worden een of meer coördinatoren voor de uitvoeringsfase aangesteld.

Artikel 2.34 Coördinatietaken gedurende de uitvoeringsfase

De coördinator voor de uitvoeringsfase heeft tot taak om:

a. de door werkgevers respectievelijk zelfstandig werkenden op grond van de artikelen 2.38 en 2.39 te nemen maatregelen bij de technische of organisatorische keuzen in verband met de planning van de verschillende onderdelen van het bouwwerk of de fasen waarin het bouwwerk of de onderdelen daarvan tot stand worden gebracht, alsmede bij de raming van de duur van de uitvoering van deze onderdelen of fasen, te coördineren, opdat die werkgevers en, indien nodig ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemers, zelfstandig werkenden op de bouwplaats, de betreffende maatregelen op samenhangende wijze toepassen;

b. de samenwerking tussen de werkgevers die tegelijkertijd of elkaar opvolgend arbeid doen verrichten te organiseren en te coördineren als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, onder f en daarbij in voorkomende gevallen mede de op de bouwplaats werkzame zelfstandig werkenden te betrekken;

c. het in artikel 2.27, eerste lid, onder f bedoelde toezicht te coördineren;

d. de voorlichting van werknemers op de bouwplaats te coördineren;

e. de nodige maatregelen te nemen opdat alleen bevoegde personen de bouwplaats kunnen betreden;

f. ervoor te zorgen dat de gegevens, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, onder b, d, f en g, voor zover nodig, in het veiligheids- en gezondheidsplan worden vermeld;

g. ervoor te zorgen dat het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.27, en het dossier, bedoeld in artikel 2.30, onder c, worden aangepast indien de voortgang van het bouwwerk of de onderdelen daarvan daartoe aanleiding geven;

h. zo nodig aanwijzingen te geven indien werkgevers of zelfstandig werkenden naar zijn oordeel niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze uitvoering geven aan een samenhangende toepassing van hun verplichtingen als bedoeld onder a en b.

Artikel 2.35 Verplichtingen opdrachtgever
  • 1. De opdrachtgever zorgt ervoor dat de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2.33 en 2.34, zijn vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst met de uitvoerende partij.

  • 2. Indien twee of meer uitvoerende partijen zich ieder afzonderlijk jegens de opdrachtgever verbonden hebben om een deel van het bouwwerk tot stand te brengen, zorgt de opdrachtgever ervoor dat de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2.33 en 2.34, zijn vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst met een van die uitvoerende partijen.

Artikel 2.36 Verplichtingen ontwerpende partij
  • 1. Ten aanzien van een opdrachtgever-consument zorgt de ontwerpende partij ervoor dat wordt voldaan aan artikel 2.35.

  • 2. Artikel 2.32, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.37 Verplichtingen uitvoerende partij
  • 1. Overeenkomstig de artikelen 2.33 en 2.34:

    a. zorgt de uitvoerende partij ervoor dat een coördinator voor de uitvoeringsfase wordt aangesteld;

    b. neemt de uitvoerende partij zodanige maatregelen en richt hij de werkzaamheden zodanig in dat:

    1°. door de coördinator voor de uitvoeringsfase de taken worden uitgeoefend, bedoeld in artikel 2.34;

    2°. de coördinator voor de uitvoeringsfase zijn taken naar behoren kan vervullen.

  • 2. De uitvoerende partij zorgt ervoor dat de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de samenwerking en het overleg tussen werkgevers en werknemers op de bouwplaats op passende wijze wordt gecoördineerd.

Artikel 2.38 Verplichtingen werkgever
  • 1. Bij de uitvoering van zijn verplichtingen op grond van de artikelen 3, 4, 6 en 30, eerste lid, van de wet neemt de werkgever, die met betrekking tot de totstandbrenging van een bouwwerk op een bouwplaats arbeid doet verrichten, doeltreffende maatregelen ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van zijn werknemers op die bouwplaats. Deze maatregelen hebben met name betrekking op:

    a. het in goede orde en met voldoende bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemers in stand houden van de bouwplaats;

    b. de veilige plaatsing van de verschillende werkplekken op de bouwplaats, rekening houdend met de toegangsmogelijkheden tot die bouwplaats en de verbindingswegen daarop;

    c. het interne transport van de verschillende materialen op de bouwplaats;

    d. het onderhoud, de controle vóór inbedrijfstelling en de periodieke controle van installaties en toestellen, teneinde gebreken te voorkomen die de veiligheid en gezondheid van werknemers in gevaar kunnen brengen;

    e. de afbakening en inrichting van zones voor definitieve en tussenopslag van verschillende materialen, met name in geval van gevaarlijke materialen of stoffen;

    f. de voorzieningen voor de verwijdering van gebruikte gevaarlijke materialen;

    g. de opslag en de verwijdering of de afvoer van afval en puin;

    h. de aanpassing van de daadwerkelijke duur van de uit te voeren werkzaamheden met betrekking tot de totstandbrenging van het bouwwerk of de fasen waarin die werkzaamheden worden uitgevoerd, afhankelijk van de ontwikkeling met betrekking tot de voortgang van het bouwwerk op de bouwplaats;

    i. de samenwerking met andere werkgevers en zelfstandig werkenden op de bouwplaats;

    j. de wisselwerking met exploitatiewerkzaamheden op of in de nabijheid van de bouwplaats.

  • 2. De mede op grond van het eerste lid te nemen maatregelen voldoen in ieder geval aan de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 3 van dit besluit.

  • 3. De werkgever is verplicht tot naleving van en medewerking aan het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.27, voor zover en op de wijze als daarin ten aanzien van de door hem te verrichten of te doen verrichten werkzaamheden is bepaald en daarbij rekening te houden met de aanwijzingen van de coördinator voor de uitvoeringsfase.

  • 4. Voor zover de werkgever met betrekking tot de totstandbrenging van een bouwwerk op een bouwplaats zelf arbeid verricht, zijn ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op die bouwplaats artikel 12 van de wet, hoofdstuk 7 en de artikelen 8.1, eerste tot en met vijfde lid, en zevende lid, 8.2 en 8.3 van dit besluit ten aanzien van hem van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.39 Verplichtingen zelfstandig werkende

Ten aanzien van een zelfstandig werkende die met betrekking tot de totstandbrenging van een bouwwerk op een bouwplaats arbeid verricht, zijn ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op die bouwplaats de artikelen 12 en 30, eerste lid, van de wet, artikel 2.38, hoofdstuk 7 en de artikelen 8.1, eerste tot en met vijfde lid, en zevende lid, 8.2 en 8.3 van dit besluit van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 6 WINNINGSINDUSTRIEËN IN DAGBOUW

Artikel 2.40 Toepasselijkheid

Deze afdeling is niet van toepassing op arbeid verricht in winningsindustrieën in dagbouw met behulp van baggermaterieel.

Artikel 2.41 Verplichtingen van de werkgever

  • 1. Ter verzekering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers worden de nodige maatregelen genomen opdat:

    a. wanneer bemande arbeidsplaatsen in de winningsindustrie in gebruik zijn, toezicht wordt uitgeoefend door een verantwoordelijke persoon;

    b. werkzaamheden waaraan een bijzonder gevaar is verbonden, uitsluitend aan vakbekwaam personeel met voldoende ervaring worden opgedragen en overeenkomstig de verstrekte instructies worden uitgevoerd;

    c. met regelmatige tussenpozen de nodige veiligheidsoefeningen worden gehouden;

    d. situaties die een ernstig gevaar vormen, onverwijld worden gemeld aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet.

  • 2. Opdat in geval van nood onmiddellijk hulp-, vlucht-, evacuatie- en reddingsmaatregelen kunnen worden genomen, worden, in aanvulling op afdeling 4 van hoofdstuk 2, de nodige alarm- of andere communicatiesystemen ter beschikking gesteld.

  • 3. Indien op een arbeidsplaats in de winningsindustrie slechts één werknemer aanwezig is, beschikt deze over telecommunicatiemiddelen om zich met anderen in verbinding te kunnen stellen.

Artikel 2.42 Samenwerking, veiligheids- en gezondheidsplan

  • 1. Voor de toepassing van artikel 30, tweede lid, van de wet worden aangewezen de werkzaamheden verricht in de winningsindustrie in dagbouw.

  • 2. Voor de aanvang van het werk wordt een veiligheids- en gezondheidsplan opgesteld, waarin ten minste vermeld worden:

    a. de inventarisatie en evaluatie van de gevaren, bedoeld in artikel 4 van de wet;

    b. de maatregelen, bedoeld in artikel 4 van de wet, waarbij met name aandacht is besteed aan de maatregelen die zijn of worden genomen om aan de voorschriften van deze afdeling en de afdelingen 1 en 3 van hoofdstuk 3 van dit besluit te voldoen;

    c. de wijze waarop voldaan is aan artikel 30, tweede lid, van de wet, indien op de arbeidsplaats in de winningsindustrie meerdere werkgevers arbeid doen verrichten;

    d. de gegevens waaruit blijkt dat het ontwerp, het gebruik en het onderhoud van de arbeidsplaats in de winningsindustrie alsmede de arbeidsmiddelen veilig zijn.

  • 3. In aanvulling op het tweede lid, onder c, coördineert de werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats in de winningsindustrie, de uitvoering van alle maatregelen inzake veiligheid en gezondheid en geeft hij in het veiligheids- en gezondheidsplan het doel, de maatregelen en de wijze van uitvoering van deze coördinatie aan.

  • 4. Het veiligheids- en gezondheidsplan wordt herzien bij iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats in de winningsindustrie.

  • 5. De werkzaamheden worden overeenkomstig het veiligheids- en gezondheidsplan uitgevoerd.

AFDELING 7 NACHTARBEID

Artikel 2.43 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek

  • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nachtdienst verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Arbeidstijdenwet.

  • 2. Iedere werknemer die voor de eerste keer arbeid in nachtdienst gaat verrichten wordt, in aanvulling op artikel 24a van de wet, in de gelegenheid gesteld om vóór de aanvang van die arbeid een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.

  • 3. Een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het tweede lid wordt uitgevoerd door een arbodienst waaraan of ten behoeve waarvan een certificaat arbodienst is afgegeven.

AFDELING 8 BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS

§ 1 Vervoer

Artikel 2.44 Uitzonderingen voor vervoermiddelen

De afdelingen 4 en 7 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op arbeid verricht in respectievelijk op een luchtvaartuig, een zeeschip of een binnenvaartuig dan wel een voertuig op een openbare weg of een spoor- of tramweg.

§ 2 Thuiswerkers

Artikel 2.45 Toepasselijkheid

Op thuiswerk zijn de afdelingen 1, 3 en 4 van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 3 INRICHTING ARBEIDSPLAATSEN

AFDELING 1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

§ 1 Definities

Artikel 3.1 Begrippen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. elektrische installatie: een samenstel van elektrisch materieel, leidingen en bijbehoren van leidingen;

b. elektrisch materieel: delen of gedeelten van een elektrische installatie die dienen voor de opwekking, het transport en de toepassing van elektrische energie;

c. gebruik van elektriciteit: iedere activiteit met betrekking tot een elektrische installatie waaronder in ieder geval wordt begrepen de bouw, ingebruikneming of buitengebruikstelling, bediening, reparatie, ombouwing, onderhoud en inspectie alsmede het werken in de nabijheid van een elektrische installatie;

d. hoogspanning: een spanning waarvan de waarde bij wisselspanning hoger is dan 1000 Volt effectief tussen de fasen of 600 Volt effectief tussen een fase en aarde en bij gelijkspanning hoger is dan 1500 Volt tussen de polen of 900 Volt tussen een van de polen en aarde;

e. laagspanning: een spanning met een waarde lager dan hoogspanning.

§ 2 Algemene verplichtingen van de werkgever

Artikel 3.2 Algemene vereisten
  • 1. Arbeidsplaatsen zijn veilig toegankelijk en kunnen veilig worden verlaten. Ze worden zodanig ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf gesteld, gebruikt en onderhouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen. Voorts worden zij zindelijk, zoveel mogelijk vrij van stof en voor zover de veiligheid van de arbeidsplaats dat vereist, ordelijk gehouden.

  • 2. Regelmatig wordt gecontroleerd of de op de arbeidsplaats ter bescherming van de werknemers aanwezige voorzieningen en genomen maatregelen nog adequaat functioneren. Geconstateerde gebreken die de veiligheid of de gezondheid kunnen beïnvloeden, worden zo snel mogelijk hersteld.

Artikel 3.3 Stabiliteit en stevigheid
  • 1. Gebouwen en andere opstallen bestaan uit deugdelijk materiaal, zijn van een deugdelijke constructie en verkeren in een zodanige staat, dat er geen gevaar bestaat voor het geheel of gedeeltelijk instorten of omvallen.

  • 2. De arbeidsplaats is zodanig ingericht, dat de daar aanwezige voorwerpen of stoffen geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid opleveren door instorten, verschuiven, omvallen of kantelen.

Artikel 3.4 Elektrische installaties
  • 1. Elektrische installaties zijn zodanig ontworpen, ingericht, aangelegd, onderhouden en gekenmerkt, dat een veilig gebruik van elektriciteit zo goed mogelijk is gewaarborgd. Hiertoe zijn de nodige voorzieningen en beschermingsmaatregelen aangebracht, waaronder worden begrepen beveiligings-, meet-, controle- en signaleringstoestellen alsmede aarders, schakelaars, scheiders en contactdozen. Daarbij is rekening gehouden met bijzondere eisen die kunnen voortkomen uit de wijze van het gebruik, de gebruiksomstandigheden en de te verwachten uitwendige invloeden.

  • 2. In een elektrische installatie zijn doeltreffende maatregelen genomen tegen het gevaar van brand, ontploffing, directe en indirecte aanraking en te dichte nadering.

  • 3. Van iedere elektrische installatie zijn duidelijke, steeds bijgewerkte schema's beschikbaar alsmede alle overige gegevens die nodig zijn voor een veilig gebruik van de elektrische installatie.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing op elektrische installaties voor laagspanning van beperkte omvang.

Artikel 3.5 Elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden
  • 1. Elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden die gevaren kunnen opleveren, worden door deskundige, voldoend onderrichte en daartoe bevoegde werknemers uitgevoerd.

  • 2. Een ruimte waarin zich een elektrische installatie voor hoogspanning bevindt waarvan de delen niet of onvoldoende zijn beschermd tegen direkte of indirekte aanraking dan wel te dichte nadering, wordt slechts betreden in aanwezigheid van een tweede daartoe bevoegd persoon.

  • 3. Het verrichten van werkzaamheden aan of in de nabijheid van een elektrische installatie wordt alleen uitgevoerd, indien de installatie of het gedeelte waaraan of in de nabijheid waarvan wordt gewerkt, spanningloos is en door de daartoe bevoegde werknemer doeltreffende maatregelen zijn genomen om een gevaarloos verloop van die werkzaamheden te waarborgen.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing op werkzaamheden die worden verricht aan of in de nabijheid van een elektrische installatie voor laagspanning, indien:

    a. de dringende noodzaak van het onder spanning uitvoeren van die werkzaamheden is aangetoond;

    b. tot het uitvoeren van die werkzaamheden door de daartoe bevoegde werknemer uitdrukkelijk opdracht is gegeven, en

    c. de installatie tevens geschikt is voor het onder spanning uitvoeren van die werkzaamheden en door de daartoe bevoegde werknemer doeltreffende maatregelen zijn genomen om de aan die werkzaamheden verbonden gevaren te voorkomen.

§ 3 Voorzieningen in noodsituaties

Artikel 3.6 Vluchtwegen en nooduitgangen
  • 1. Doeltreffende maatregelen zijn genomen teneinde het mogelijk te maken dat de werknemer, indien een toestand ontstaat waarin direct gevaar voor zijn veiligheid of gezondheid aanwezig is, zich snel via de kortst mogelijke weg in veiligheid kan stellen.

  • 2. Het aantal, de plaats en de afmetingen van de daartoe beschikbare vluchtwegen en nooduitgangen zijn afhankelijk van het gebruik, de uitrusting en de afmetingen van de arbeidsplaatsen alsmede van het maximum aantal werknemers en andere personen dat zich op deze plaatsen kan ophouden.

Artikel 3.7 Veilig gebruik van vluchtwegen en nooduitgangen
  • 1. Vluchtwegen en nooduitgangen zijn vrij van obstakels en nooduitgangen kunnen te allen tijde worden geopend.

  • 2. Deuren van nooduitgangen en deuren op het traject van de vluchtwegen zijn op eenvoudige wijze van binnen- uit naar buiten toe te openen.

  • 3. Schuif- en draaideuren worden niet als nooduitgang gebruikt.

  • 4. De vluchtwegen en nooduitgangen die bij het uitvallen van de verlichting slecht zichtbaar zijn, zijn voorzien van een adequate noodverlichting.

  • 5. De vluchtwegen, de deuren en poorten op het traject van de vluchtwegen alsmede de nooduitgangen zijn gemarkeerd door signalen die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.

Artikel 3.8 Brandmelding en brandbestrijding
  • 1. In aanvulling op afdeling 4 van hoofdstuk 2 zijn op arbeidsplaatsen, afhankelijk van de aard van de arbeid die daar wordt verricht, de daaraan verbonden gevaren en het maximum aantal werknemers en andere personen dat zich daar bevindt, voldoende passende brandbestrijdingsmiddelen en, waar nodig, branddetectoren en alarmsystemen aanwezig.

  • 2. Niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen zijn gemakkelijk bereikbaar en gemakkelijk te bedienen.

  • 3. Niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen zijn voorzien van een signalering die voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde. De signalering is duurzaam en op de juiste plaats aangebracht.

Artikel 3.9 Noodverlichting

Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van het kunstlicht aan bijzondere gevaren zijn blootgesteld, zijn voorzien van adequate noodverlichting. Indien noodverlichting niet mogelijk is, beschikken de werknemers over individuele verlichting.

Artikel 3.10 Redden van drenkelingen

Op arbeidsplaatsen waar gevaar voor verdrinking bestaat wordt dit gevaar zoveel mogelijk voorkomen en zijn doelmatige middelen voor het redden van drenkelingen op een goed zichtbare plaats beschikbaar.

§ 4 Inrichtingseisen

Artikel 3.11 Vloeren, muren en plafonds van arbeidsplaatsen
  • 1. Vloeren van arbeidsplaatsen zijn zo veel mogelijk vrij van oneffenheden en gevaarlijke hellingen en zijn voorts zo veel mogelijk vast, stabiel en stroef.

  • 2. Het oppervlak van vloeren, muren en plafonds van arbeidsplaatsen is zodanig, dat deze ten behoeve van de hygiëne op de arbeidsplaats kunnen worden schoongemaakt en onderhouden.

  • 3. Besloten ruimten waar arbeid wordt verricht zijn, rekening houdend met de aard van de werkzaamheden en de te leveren fysieke belasting, voldoende thermisch geïsoleerd.

  • 4. Transparante of lichtdoorlatende wanden van arbeidsplaatsen zijn, voor zover mogelijk in verband met de aard van de arbeidsplaats:

    a. duidelijk gemarkeerd en van veiligheidsmateriaal vervaardigd, of

    b. op een zodanige wijze aangebracht of afgeschermd dat de werknemers niet gewond kunnen raken.

Artikel 3.12 Ramen en bovenlichtvoorzieningen van de ruimten
  • 1. Indien ramen, bovenlichtvoorzieningen en ventilatievoorzieningen geopend en gesloten kunnen worden, kan dit op veilige wijze geschieden. Zij kunnen tevens op veilige wijze geregeld en vastgezet worden. In geopende stand leveren zij geen gevaar op.

  • 2. Ramen en bovenlichtvoorzieningen kunnen zonder gevaar worden schoongemaakt.

Artikel 3.13 Deuren, beweegbare hekken en andere doorgangen
  • 1. De plaats, het aantal en de afmeting van deuren, beweegbare hekken en andere doorgangen alsmede de materialen waarvan zij zijn vervaardigd, zijn afgestemd op de aard en het gebruik van de arbeidsplaats.

  • 2. Op transparante deuren is op ooghoogte een markering aangebracht.

  • 3. Afhankelijk van de aard van de arbeidsplaats en de arbeid die daar wordt verricht, zijn klapdeuren transparant of van transparante panelen voorzien.

  • 4. Indien deuren of andere doorgangen beschikken over transparante of lichtdoorlatende oppervlakten, zijn doeltreffende maatregelen genomen om te voorkomen dat werknemers door ongewild contact met die oppervlakten gewond raken.

  • 5. Deuren en beweegbare hekken die uit of van hun geleidingen kunnen raken zijn tegen uitlichten of aflopen dan wel tegen vallen geborgd.

  • 6. Automatische deuren en hekken functioneren zodanig dat zij geen gevaar opleveren. Ze zijn uitgerust met gemakkelijk herkenbare beveiligingen, die voorkomen dat de werknemers gewond raken. Ze kunnen voorts ook met de hand worden geopend, tenzij ze bij een stroomstoring automatisch opengaan.

  • 7. In de onmiddellijke nabijheid van deuren, beweegbare hekken of andere doorgangen die hoofdzakelijk voor het verkeer van voertuigen of transportmiddelen zijn bestemd, bevinden zich, tenzij de doorgang voor voetgangers veilig is, afzonderlijke doorgangen voor voetgangers die duidelijk zichtbaar gemarkeerd en vrij van obstakels zijn.

Artikel 3.14 Verbindingswegen
  • 1. De verbindingswegen op de arbeidsplaats zijn zodanig gelegen en ingericht dat zij op eenvoudige wijze, veilig en overeenkomstig hun bestemming, door voetgangers en voertuigen of transportmiddelen kunnen worden gebruikt; voorkomen wordt dat werknemers die in de nabijheid van de verbindingswegen arbeid verrichten, gevaar lopen.

  • 2. De afmeting van de verbindingswegen is afgestemd op het aantal gebruikers en de aard van de arbeid die in het bedrijf of de inrichting wordt verricht.

  • 3. Indien op de verbindingswegen, voor zover het niet de openbare weg betreft, voertuigen of transportmiddelen worden gebruikt, zijn de nodige verkeersregels vastgesteld. Tevens is een veilige ruimte voor de voetgangers gewaarborgd of zijn andere doeltreffende maatregelen ter bescherming van de voetgangers genomen.

  • 4. De voor voertuigen of transportmiddelen bestemde verbindingswegen zijn gelegen op voldoende afstand van de overige verbindingswegen op de arbeidsplaats.

  • 5. Voor zover het gebruik of de inrichting van de arbeidsplaats zulks vereist, zijn de verbindingswegen duidelijk afgebakend.

Artikel 3.15 Markering gevaarlijke plaatsen

De plaatsen waar valgevaar of gevaar voor vallende voorwerpen voorkomt, of waar obstakels die niet verwijderd kunnen worden, een gevaar voor de veiligheid vormen bij het verplaatsen van voertuigen of personen, worden duidelijk gemarkeerd door signalen die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde. Alleen werknemers die beroepshalve of uit hoofde van hun functie deze plaatsen moeten betreden worden daar toegelaten.

Artikel 3.16 Voorkomen valgevaar
  • 1. Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat is zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op arbeid, die op veilige wijze op een ladder, trap of dergelijke kan worden verricht.

  • 3. Indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.

Artikel 3.17 Voorkomen gevaar van bewegende voorwerpen

Het gevaar te worden getroffen door ongewild in beweging komende of vrijkomende voorwerpen, producten, vloeistoffen of gassen wordt voorkomen en, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt. Artikel 3.16, derde lid, laatste volzin, is van toepassing.

Artikel 3.18 Specifieke maatregelen voor roltrappen, rolpaden en laadplatforms
  • 1. Roltrappen en -paden functioneren veilig en zijn uitgerust met de noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen, waaronder begrepen gemakkelijk herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen.

  • 2. Laadplatforms en -hellingen zijn afgestemd op de afmetingen van de te vervoeren ladingen. Zij beschikken over ten minste één uitgang.

  • 3. Laadplatforms met een lengte van meer dan 50 meter hebben aan beide zijden een uitgang, tenzij dat technisch niet mogelijk is.

Artikel 3.19 Afmetingen en luchtvolume van ruimten; bewegingsruimte op de arbeidsplaats
  • 1. De afmetingen en het luchtvolume van de arbeidsplaats zijn zodanig dat de werknemer zonder gevaar voor de veiligheid, de gezondheid of het welzijn zijn arbeid kan verrichten.

  • 2. De afmetingen van de arbeidsplaats zijn zodanig dat de werknemer bij het verrichten van zijn arbeid over voldoende bewegingsruimte beschikt.

  • 3. Indien in verband met de aard van de arbeid niet aan het tweede lid kan worden voldaan, is in de nabijheid een andere open of besloten ruimte met voldoende bewegingsvrijheid voor de betrokken werknemers beschikbaar.

§ 5 Ontspanningsruimten en andere voorzieningen

Artikel 3.20 Ontspanningsruimten
  • 1. In het bedrijf of de inrichting of in de directe nabijheid daarvan is een gemakkelijk toegankelijke ruimte beschikbaar waar de werknemers de pauzes kunnen doorbrengen. Deze ruimte is daartoe geschikt alsmede, afhankelijk van het aantal werknemers, voldoende ruim bemeten en uitgerust met voldoende tafels en stoelen.

  • 2. In de ruimte, bedoeld in het eerste lid, zijn doeltreffende maatregelen genomen ter bescherming van de niet-rokers tegen hinder van tabaksrook.

Artikel 3.21 Nachtverblijven

Voor werknemers die gedurende de tijdsruimte, gelegen tussen het einde en het begin van de dagelijkse arbeidstijd, plegen te verblijven in het bedrijf of de inrichting waar zij werkzaam zijn, is een nachtverblijf beschikbaar. Een nachtverblijf is adequaat ingericht en is uitsluitend bestemd voor personen van gelijk geslacht.

Artikel 3.22 Kleedruimten
  • 1. Iedere werknemer beschikt over een plaats om zijn kleding op te hangen.

  • 2. Voor werknemers die speciale werkkleding moeten dragen zijn doelmatige, voldoende ruime, van stoelen of banken voorziene en naar seksen gescheiden kleedruimten beschikbaar; deze ruimten zijn zoveel mogelijk gelegen in de nabijheid van de open of besloten ruimten waar de arbeid pleegt te worden verricht. Natte werkkleding kan zo nodig worden gedroogd.

  • 3. In de kleedruimten kan kleding die de werknemers tijdens de arbeid niet dragen, op doelmatige wijze en afgesloten worden bewaard.

  • 4. Indien de omstandigheden zulks vereisen kunnen de speciale werkkleding en de persoonlijke kleding van de werknemers gescheiden van elkaar, op doelmatige wijze en afgesloten worden bewaard.

Artikel 3.23 Wasgelegenheden en doucheruimten
  • 1. Indien werknemers bloot staan aan vuil of stof is een wasruimte met een voldoende aantal wasbakken aanwezig. De wasbakken zijn functioneel geplaatst en naar seksen gescheiden; ze beschikken over koud en zonodig warm stromend water.

  • 2. Indien werknemers zodanig bloot staan aan vuil, stof of hoge temperaturen dat een reiniging van het lichaam nodig is die meer omvat dan die van handen en gezicht of zulks uit de aard van hun arbeid of de zorg voor de gezondheid voortvloeit, is tevens een doucheruimte met een voldoende aantal douches aanwezig. De doucheruimte is voldoende ruim, doelmatig ingericht en naar seksen gescheiden; de douches beschikken over warm en koud stromend water.

  • 3. Indien de douche- of wasruimten en de kleedruimten zich niet in dezelfde ruimte bevinden, zijn deze onderling gemakkelijk en binnendoor bereikbaar.

Artikel 3.24 Toiletten, urinoirs en wasbakken
  • 1. In een bedrijf of inrichting waar werknemers werkzaam plegen te zijn, is voor de werknemers ten minste één toilet aanwezig.

  • 2. In een bedrijf of inrichting waar 10 of meer werknemers gelijktijdig werkzaam plegen te zijn, is voor iedere 15 of minder werknemers van hetzelfde geslacht ten minste één toilet aanwezig. Voor mannen mag voor een deel met urinoirs worden volstaan mits er ten minste één toilet voor iedere 25 of minder mannen aanwezig is.

  • 3. De toiletten en urinoirs zijn doelmatig ingericht en goed geventileerd; zij bevinden zich in de nabijheid van de ruimten waar de werknemers hun werkzaamheden verrichten.

  • 4. In een bedrijf of inrichting waar 10 of meer werknemers gelijktijdig werkzaam plegen te zijn, zijn de toiletten naar seksen gescheiden.

  • 5. In of in de onmiddellijke nabijheid van de ruimten waarin de toiletten en urinoirs zich bevinden zijn voldoende wasbakken aanwezig. De wasbakken zijn doelmatig geplaatst en beschikken over stromend water.

Artikel 3.25 Eerste-hulpposten
  • 1. Indien de aard van de arbeid of de daaraan verbonden gevaren dit noodzakelijk maken, zijn, in aanvulling op afdeling 4 van hoofdstuk 2, in het bedrijf of de inrichting voldoende eerste-hulpposten aanwezig.

  • 2. In de eerste-hulpposten zijn duidelijk zichtbare instructies voor eerste hulp bij ongevallen aanwezig. Tevens is een alarmnummer duidelijk zichtbaar in de eerste-hulppost aangebracht.

  • 3. De eerste-hulpposten zijn voorzien van de noodzakelijke eerste-hulpuitrusting en gemakkelijk met brancards bereikbaar.

  • 4. De eerste-hulpposten en de eerste-hulpuitrusting zijn voorzien van een signalering die voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.

AFDELING 2 AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN BOUWPLAATSEN

Artikel 3.26 Schakelbepaling

Op een bouwplaats zijn naast de voorschriften van afdeling 1 tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.

Artikel 3.27 Algemene vereisten

  • 1. Een bouwplaats is gemarkeerd en afgebakend.

  • 2. Op een bouwplaats is voldoende drinkwater of andere alcoholvrije drank beschikbaar.

  • 3. Op een bouwplaats zijn zo nodig faciliteiten voor het bereiden van maaltijden beschikbaar.

Artikel 3.28 Stabiliteit en stevigheid

  • 1. Werkplekken op een bouwplaats die niet op de begane grond zijn gesitueerd, zijn stabiel en stevig, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal werknemers dat zich daar bevindt, de maximale belasting en de verdeling daarvan alsmede met externe invloeden. Zonodig zijn ten behoeve van de stabiliteit doeltreffende bevestigingsmiddelen aangebracht.

  • 2. De stabiliteit en de stevigheid worden regelmatig en in ieder geval na iedere relevante verandering van de hoogte of de diepte van de in het eerste lid bedoelde werkplekken, doeltreffend gecontroleerd.

Artikel 3.29 Elektrische installaties en leidingen

  • 1. Elektrische installaties die voor de aanvang van de werkzaamheden reeds op de bouwplaats aanwezig zijn, worden geïdentificeerd, gecontroleerd en duidelijk gekenmerkt.

  • 2. Bovengrondse elektriciteitsleidingen worden zoveel mogelijk buiten de bouwplaats om geleid of spanningloos gemaakt. Indien dat niet mogelijk is worden hekken of waarschuwingsborden geplaatst. Wanneer voertuigen onder elektriciteitsleidingen door moeten rijden worden beschermingen onder de leidingen aangebracht.

  • 3. Ondergrondse elektriciteitsleidingen, leidingen voor andere distributiesystemen en kabels worden voor de aanvang van grondverzetwerkzaamheden geïdentificeerd. Doeltreffende maatregelen worden genomen om de gevaren voor de werknemers, verbonden aan beschadiging van genoemde leidingen en kabels, zoveel mogelijk te voorkomen.

Artikel 3.30 Bouwputten, tunnels, uitgravingen en andere ondergrondse werkzaamheden en grondverzetwerkzaamheden

  • 1. In een bouwput, een tunnel, bij een uitgraving of andere ondergrondse werkzaamheden worden doeltreffende stut- of taludvoorzieningen aangebracht ter voorkoming van instorting of overstroming.

  • 2. Bij grondverzetwerkzaamheden worden de uitgegraven aarde, het gebruikte materiaal en de daarbij gebruikte voertuigen op veilige afstand van de uitgraving gehouden. Zonodig wordt rond de uitgraving doeltreffend hekwerk geplaatst.

Artikel 3.31 Metaal- en betonconstructies, bekistingen en zware prefab-elementen

  • 1. Metaal- en betonconstructies alsmede de onderdelen daarvan, bekistingen, prefab-elementen of tijdelijke stutten en schoren worden slechts gemonteerd of gedemonteerd onder toezicht van een speciaal daartoe aangewezen persoon.

  • 2. Bekistingen, tijdelijke stutten en schoren kunnen zonder gevaar voor de werknemers de krachten dragen waaraan zij blootstaan.

AFDELING 3 AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN WINNINGSINDUSTRIEËN IN DAGBOUW

Artikel 3.32 Schakelbepaling en toepasselijkheid

  • 1. Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie zijn naast de voorschriften van afdeling 1 tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.

  • 2. Deze afdeling is niet van toepassing op arbeid verricht in winningsindustrieën in dagbouw met behulp van baggermaterieel.

Artikel 3.33 Schriftelijke voorlichting

  • 1. Voor iedere arbeidsplaats in de winningsindustrie zijn schriftelijke instructies opgesteld, waarin de regels zijn opgenomen die moeten worden nageleefd om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers alsmede het veilig gebruik van de arbeidsmiddelen te garanderen. Deze instructies bevatten tevens aanwijzingen voor het gebruik van de noodapparatuur en de te volgen handelwijze in noodsituaties.

  • 2. De instructies zijn op een goed toegankelijke plaats voor de werknemers beschikbaar.

Artikel 3.34 Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand en explosie

In zones waar een gevaar voor verstikking, bedwelming of vergiftiging dan wel brand of explosie bestaat zijn, overeenkomstig artikel 4.6, de benodigde maatregelen genomen om dat gevaar te voorkomen. De betreffende maatregelen worden opgenomen in het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.42, tweede lid, van dit besluit.

Artikel 3.35 Reanimatie-apparatuur

  • 1. In aanvulling op afdeling 4 van hoofdstuk 2, zijn in zones waar gevaar voor verstikking, bedwelming of vergiftiging bestaat doelmatige reanimatie-apparaten beschikbaar. Op de arbeidsplaats in de winningsindustrie zijn voldoende werknemers aanwezig die deze apparaten kunnen bedienen.

  • 2. De reanimatie-apparaten worden doelmatig onderhouden en opgeslagen.

Artikel 3.36 Beperken en bestrijden van brand

In aanvulling op afdeling 4 van hoofdstuk 2, worden de in die afdeling bedoelde maatregelen inzake het beperken en bestrijden van brand opgenomen in het veiligheids- en gezondheidsplan, bedoeld in artikel 2.42, tweede lid, van dit besluit.

Artikel 3.37 Voorkomen instabiliteit

  • 1. Telkens voor de aanvang van werkzaamheden aan afgravings- of ontginningsfronten boven werkterreinen of verkeerswegen, wordt nagegaan of er geen instabiele massa's of rotsblokken zijn. Losse steenblokken worden zo nodig verwijderd.

  • 2. Bij het ontginnen van fronten of steenhopen wordt gewaakt voor het ontstaan van instabiliteit.

AFDELING 4 AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN BENZINESTATIONS

Artikel 3.38 Schakelbepaling

In benzinestations zijn naast de voorschriften van afdeling 1 tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.

Artikel 3.39 Veiligheidseisen benzinestations

  • 1. Benzinestations, waarvan de winkel op werkdagen tussen 18.30 uur en 06.00 uur, op zondag, op Nieuwjaarsdag, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op eerste Kerstdag, op tweede Kerstdag of op de dag, waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, geopend is, zijn voorzien van:

    a. een inwerpgeldkluis;

    b. een optische of akoestische alarminstallatie, tenzij het benzinestation is voorzien van een alarminstallatie als bedoeld in artikel 3.40, onder b;

    c. een verlichtingsinstallatie welke gedurende ten minste vijftien minuten na sluiting van het benzinestation dat benzinestation blijft verlichten.

  • 2. Bij benzinestations waar een of meer benzinepompen worden bediend door een aldaar werkzame persoon, is de toegangsdeur tot de winkel in het benzinestation ten minste aan de binnenzijde afsluitbaar.

  • 3. Bij benzinestations waar geen enkele benzinepomp wordt bediend door een aldaar werkzame persoon, is de toegangsdeur tot de winkel in het benzinestation voorzien van een op afstand bedienbaar elektronisch sluitingsmechanisme dat uitsluitend vanuit de winkel kan worden bediend.

Artikel 3.40 Aanvullende veiligheidseisen voor benzinestations

Voor benzinestations, waarvan de winkel tussen 21.00 uur en 06.00 uur geopend is, gelden in aanvulling op artikel 3.39 de volgende voorschriften:

a. in de winkel in het benzinestation is ten minste één camera aanwezig die is aangesloten op een recorder, welke al dan niet met tijdsintervallen de camerabeelden opneemt;

b. het benzinestation is voorzien van een alarminstallatie, welke langs telecommunicatieverbindingen zo nodig een alarmsignaal afgeeft bij een door Onze Minister van Justitie toegelaten alarmcentrale;

c. de plaats in de winkel in een benzinestation waar de kassa zich bevindt, is omgeven door kogelwerend materiaal dat ten minste voor een deel bestaat uit kogelwerend glas, en

d. op het sluitingstijdstip van het benzinestation zijn ten minste twee personen ter plaatse aanwezig.

AFDELING 5 BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS

§ 1 Onderwijs

Artikel 3.41 Ontspanningsruimten, leerlingen en studenten

Artikel 3.20 is niet van toepassing op leerlingen respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen.

§ 2 Vervoer

Artikel 3.42 Uitzonderingen voor vervoermiddelen
  • 1. Op luchtvaartuigen, waarvoor vóór 1 januari 1997 een Nederlands of daaraan gelijk gesteld bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven, zijn de artikelen 3.4, 3.5, 3.7, vierde lid, niet van toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.

  • 2. Op zeeschepen en binnenvaartuigen, die vóór 1 januari 1994 zijn gebouwd, zijn de artikelen 3.7, vierde lid, 3.20, 3.22, 3.23 en 3.24 niet van toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.

  • 3. Onder gebouwde zeeschepen wordt verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Schepenbesluit 1965 of, voor zover het zeegaande vissersvaartuigen betreft, artikel 2 van het Vissersvaartuigenbesluit.

  • 4. Op voertuigen op een openbare weg of spoor- of tramweg, die vóór 1 januari 1994 zijn gebouwd, is artikel 3.7, vierde lid, niet van toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.

  • 5. De artikelen 3.4, 3.5 en 3.7, vierde lid, zijn niet van toepassing op het in bedrijven of inrichtingen aanwezige rollende materieel van spoor- en tramwegondernemingen.

  • 6. De artikelen 3.20 tot en met 3.25 zijn niet van toepassing op luchtvaartuigen.

  • 7. De artikelen 3.4, 3.5, 3.7, tweede en derde lid, 3.21, tweede volzin, en 3.25 zijn niet van toepassing op zeeschepen en binnenvaartuigen.

  • 8. De artikelen 3.20 tot en met 3.25 zijn niet van toepassing op voertuigen op een openbare weg of een spoor- of tramweg.

§ 3 Justitiële rijksinrichtingen

Artikel 3.43 Kleedruimten en enige andere voorzieningen

De artikelen 3.20 tot en met 3.25 zijn niet van toepassing op arbeidsplaatsen in justitiële inrichtingen die vóór 1 september 1990 als zodanig in gebruik waren, voor zover de naleving daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Artikel 3.44 Vluchtwegen en nooduitgangen

De artikelen 3.6 en 3.7 zijn van toepassing op arbeid verricht in de justitiële inrichting door justitieel personeel, gedetineerden of jeugdigen, voor zover geen inbreuk wordt gemaakt op de orde, de veiligheid of de goede gang van zaken in de justitiële inrichting of het ongestoord verloop van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming of andere beperkingen die krachtens enige wet door de daartoe bevoegde autoriteiten zijn opgelegd. Daarbij worden in ieder geval zodanige technische en organisatorische maatregelen getroffen dat het justitieel personeel, de gedetineerden of jeugdigen zich in veiligheid kunnen stellen.

§ 4 Jeugdigen

Artikel 3.45 Schakelbepaling
  • 1. In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk gelden voor jeugdige werknemers tevens de in deze paragraaf genoemde voorschriften en verboden.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op jeugdige werknemers van 16 jaar of ouder die in het kader van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift geregelde beroepsopleiding of van een voor de toepassing van deze paragraaf bij ministeriële regeling daarmee gelijkgestelde beroepsopleiding, de in deze paragraaf bedoelde arbeid moeten verrichten en waarbij adequaat deskundig toezicht ter bescherming van de jeugdige werknemers is gewaarborgd.

Artikel 3.46 Deskundig toezicht

Artikel 1.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op jeugdige werknemers die:

a. arbeid verrichten waarbij gevaar voor instorting bestaat;

b. arbeid verrichten aan, met of in de directe nabijheid van hoogspanningsinstallaties, bedoeld in artikel 3.1.

§ 5 Zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie

Artikel 3.47 Schakelbepaling

In aanvulling op dit hoofdstuk gelden voor zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie tevens de in deze paragraaf genoemde voorschriften.

Artikel 3.48 Rustruimten

Voor zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie is een geschikte, af te sluiten besloten ruimte beschikbaar, waarin gelegenheid is of onmiddellijk kan worden gemaakt voor het nemen van rust. In een zodanige ruimte is een deugdelijk, al of niet opvouwbaar bed of een deugdelijke rustbank beschikbaar.

HOOFDSTUK 4 GEVAARLIJKE STOFFEN EN BIOLOGISCHE AGENTIA

AFDELING 1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

Artikel 4.1 Zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid

Indien op de arbeidsplaats stoffen aanwezig zijn die gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van werknemers dan wel hinder voor deze kunnen opleveren, wordt de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid in acht genomen.

Artikel 4.2 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie

  • 1. Indien arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan stoffen die gevaar voor de veiligheid of de gezondheid dan wel hinder voor deze kunnen opleveren, worden in het kader van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, de aard, de mate en de duur van die blootstelling beoordeeld teneinde de gevaren voor de werknemers te bepalen.

  • 2. Met betrekking tot de aard van de blootstelling wordt in ieder geval vastgesteld aan welke stoffen werknemers worden of kunnen worden blootgesteld, in welke situaties blootstelling zich kan voordoen en op welke wijze blootstelling kan plaatsvinden.

  • 3. Met betrekking tot de mate van blootstelling wordt in ieder geval vastgesteld wat het blootstellingsniveau op de arbeidsplaats is. Voor het doeltreffend vaststellen van het blootstellingsniveau wordt gebruik gemaakt van bestaande geschikte meetmethodes, tenzij dit niveau door middel van andere methodes doeltreffend kan worden bepaald.

  • 4. Voor zover het blootstellingsniveau alleen doeltreffend kan worden vastgesteld door middel van metingen, wordt gebruik gemaakt van een voor het doel van de meting geschikte en genormaliseerde meetmethode. Bij het ontbreken van een genormaliseerde meetmethode wordt de meting uitgevoerd volgens een andere voor het doel geschikte meetmethode.

  • 5. Indien op de arbeidsplaats in verband met de aard van de werkzaamheden die daar worden uitgevoerd, stoffen plegen voor te komen die bij of krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen worden ingedeeld in een of meer van de categorieën, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van die wet, met uitzondering van de categorieën «kankerverwekkend» en «milieugevaarlijk», worden met betrekking tot die stoffen in de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, in ieder geval de volgende gegevens vermeld:

    a. met betrekking tot de identiteit:

    1°. in geval van een enkelvoudige stof: de chemische naam of namen dan wel het CAS-nummer of het nummer waaronder de stof is opgenomen in de lijst van stoffen, bedoeld in bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 196);

    2°. in geval van een meervoudige stof: de handelsnaam of -namen alsmede de chemische naam of namen en de gewichtspercentages van de component of componenten die aanleiding geven tot de indeling van de stof in een of meer van de categorieën, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;

    b. de benaming van het gevaar of de gevaren van de stof;

    c. de organisatorische eenheid of eenheden binnen het bedrijf of de inrichting waar de stof pleegt voor te komen.

  • 6. Indien op de arbeidsplaats in verband met de aard van de werkzaamheden die daar worden uitgevoerd, stoffen plegen voor te komen die bij of krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen worden ingedeeld in de categorie «voor de voortplanting vergiftig», bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder n, van die wet, worden met betrekking tot die stoffen in de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, tevens de volgende gegevens vermeld:

    a. de hoeveelheid van de stof die per jaar pleegt te worden vervaardigd of gebruikt dan wel aanwezig pleegt te zijn in verband met opslag;

    b. het aantal werknemers dat arbeid pleegt te verrichten op de arbeidsplaats waar de stof pleegt voor te komen;

    c. de vorm van de arbeid die met de stof pleegt te worden verricht;

    d. de wijze waarop de onder b bedoelde werknemers bij hun arbeid aan de stof worden of kunnen worden blootgesteld;

    e. de maatregelen die zijn genomen ter naleving van artikel 4.9.

  • 7. Het zesde lid is niet van toepassing op categorie 3 voor de voortplanting vergiftige stoffen, bedoeld in punt 4.2.3 van bijlage VI bij Richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 196).

Artikel 4.3 Verpakking en etikettering

  • 1. Met betrekking tot de verpakking van een stof die gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van werknemers kan opleveren alsmede met betrekking tot de sluiting van die verpakking, is artikel 35, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Op de verpakking van een stof die krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen bij de aflevering en bij het ter aflevering voorhanden hebben moet worden geëtiketteerd, worden de aanduidingen die voor die stof bij of krachtens genoemde wet ten behoeve van de aflevering van die stof zijn voorgeschreven, opvallend en goed leesbaar vermeld, met uitzondering van de aanduidingen die betrekking hebben op de categorie «milieugevaarlijk».

  • 3. Op de verpakking van een stof als bedoeld in het eerste lid, waarop artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen niet van toepassing is, worden opvallend en goed leesbaar vermeld de naam van de stof en een aanduiding van de aard van het gevaar of de gevaren, verbonden aan die stof.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

Artikel 4.4 Voorkomen van ongewilde gebeurtenissen

  • 1. Indien stoffen aanwezig zijn die vanwege de eigenschappen van die stoffen of de omstandigheden waaronder die stoffen voorkomen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van werknemers kunnen opleveren, zijn zodanige voorzieningen getroffen dat het gevaar, dat zich met betrekking tot die stoffen een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden.

  • 2. Bij het verrichten van arbeid met stoffen als bedoeld in het eerste lid zijn zodanige voorzieningen getroffen, dat het gevaar, dat zich bij die arbeid een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing bij het verrichten van arbeid aan, dan wel het verwijderen van reservoirs, installaties, verpakkingen of andere zaken waarin zich stoffen dan wel restanten van die stoffen als bedoeld in die volzin bevinden.

  • 3. Voorts zijn zodanige voorzieningen getroffen dat in geval zich een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in het eerste, respectievelijk het tweede lid voordoet, de gevolgen daarvan zoveel mogelijk worden beperkt.

  • 4. In ruimten waarin de arbeid, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, wordt uitgevoerd, mogen stoffen in geen grotere hoeveelheden aanwezig zijn dan voor de bedrijfsvoering strikt noodzakelijk is. Evenmin mogen in die ruimten meer werknemers aanwezig zijn dan noodzakelijk is.

  • 5. Arbeid met of in de aanwezigheid van stoffen als bedoeld in het eerste lid mag slechts worden verricht door personen die in een zodanige lichamelijke en geestelijke toestand verkeren en op het gebied van die arbeid over een zodanige basiskennis beschikken, dat zij voldoende in staat zijn de daaraan verbonden gevaren te onderkennen en te voorkomen.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op het aanwezig zijn, het gebruiken, opslaan of vernietigen van bestrijdingsmiddelen, noch op het verwijderen of vernietigen van lege verpakkingen van bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

Artikel 4.5 Bijzondere maatregelen ter voorkoming van ongewilde gebeurtenissen

  • 1. Op plaatsen waar stoffen aanwezig zijn die op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen voldoen aan de criteria voor indeling in een of meer van de categorieën «ontplofbaar», «zeer licht ontvlambaar», «licht ontvlambaar», «ontvlambaar», «zeer vergiftig», «vergiftig», «sensibiliserend», «kankerverwekkend», «mutageen» en «voor de voortplanting vergiftig», bedoeld in artikel 34, tweede lid, van die wet, mag niet worden gerookt.

  • 2. Plaatsen waar stoffen aanwezig zijn die op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen voldoen aan de criteria voor indeling in een of meer van de categorieën «zeer vergiftig», «vergiftig», «kankerverwekkend», «mutageen» en «voor de voortplanting vergiftig», bedoeld in artikel 34, tweede lid, van die wet, mogen niet tevens als slaapplaats worden gebruikt noch mag daar voedsel of drank worden genuttigd of bewaard.

  • 3. Stoffen die op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen voldoen aan de criteria voor indeling in een of meer van de categorieën «zeer vergiftig», «vergiftig» en «bijtend», bedoeld in artikel 34, tweede lid, van die wet, worden afgesloten bewaard zodat zij niet in handen van onbevoegden kunnen geraken.

Artikel 4.6 Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie

  • 1. Indien kan worden vermoed dat werknemers bij verblijf in een ruimte kunnen worden blootgesteld aan stoffen in een zodanige mate dat daardoor gevaar bestaat voor verstikking, bedwelming of vergiftiging dan wel brand of explosie, mag een werknemer zich niet in die ruimte begeven voordat uit een adequaat onderzoek is gebleken of dat gevaar aanwezig is.

  • 2. Indien uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat het daar bedoelde gevaar aanwezig is, worden doeltreffende maatregelen genomen, zodat de werknemers die ruimte zonder gevaar voor verstikking, bedwelming of vergiftiging dan wel brand of explosie kunnen betreden en, in geval direct gevaar ontstaat, zij deze ruimte terstond kunnen verlaten. Indien dat niet mogelijk is en het toch noodzakelijk is om die ruimte te betreden, dan mag dat alleen indien arbeidsmiddelen worden gebruikt die het desbetreffende gevaar niet zelf kunnen veroorzaken alsmede persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar worden gesteld en worden gebruikt. Zo nodig worden de werknemers die de ruimte moeten betreden permanent van buitenaf geobserveerd.

Artikel 4.7 Veiligheid aan, op of in tankschepen

  • 1. Artikel 4.6 is niet van toepassing ten aanzien van de volgende werkzaamheden aan, op of in tankschepen van een bij ministeriële regeling aangewezen categorie:

    a. het schoonmaken,

    b. het onderhouden, herstellen of verbouwen,

    c. het geheel of gedeeltelijk slopen, waarbij gevaar bestaat voor brand, explosie, vergiftiging, verstikking of bedwelming.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden op veilige wijze verricht door of onder toezicht van een persoon die beschikt over voldoende deskundigheid.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden werkzaamheden aangewezen, die uitsluitend worden verricht, indien een deskundig persoon vooraf de gevaren voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers heeft beoordeeld en een verklaring heeft afgegeven die voldoet aan een bij ministeriële regeling vast te stellen model.

  • 4. De deskundige persoon, bedoeld in het derde lid, is in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid, dat is afgegeven door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling.

  • 5. Een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in het vierde lid wordt door Onze Minister of de door Onze Minister daartoe aangewezen instelling op schriftelijke aanvraag afgegeven, indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria. Bij die regeling wordt tevens bepaald welke gegevens bij een schriftelijke aanvraag worden verstrekt.

  • 6. Het certificaat van vakbekwaamheid kan worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend of verlengd dan wel ingetrokken, indien gegronde vrees bestaat dan wel is gebleken, dat niet of niet volledig wordt voldaan aan het bij of krachtens dit artikel bepaalde.

  • 7. Voor de afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid is een bij ministeriële regeling vast te stellen vergoeding verschuldigd.

  • 8. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld.

Artikel 4.8 Springstoffen

  • 1. Arbeid waarbij stoffen worden gebruikt voor het springen van objecten of materialen, wordt verricht volgens een vooraf opgesteld springplan dat een deugdelijke beschrijving bevat van de uit te voeren werkzaamheden, de daaraan verbonden gevaren en de wijze waarop deze gevaren zoveel mogelijk voorkomen of beperkt zullen worden.

  • 2. De arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon, die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht, dat is afgegeven door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling.

  • 3. Een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in het tweede lid wordt door Onze Minister of de door Onze Minister daartoe aangewezen instelling op schriftelijke aanvraag afgegeven, indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria. Bij die regeling wordt tevens bepaald welke gegevens bij een schriftelijke aanvraag worden verstrekt.

  • 4. Het certificaat van vakbekwaamheid kan worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend of verlengd dan wel ingetrokken, indien gegronde vrees bestaat dan wel is gebleken dat niet of niet volledig wordt voldaan aan het bij of krachtens dit artikel bepaalde.

  • 5. Voor de afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid is een bij ministeriële regeling vast te stellen vergoeding verschuldigd.

  • 6. Het in het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde springplan en certificaat van vakbekwaamheid zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 32 van de wet.

  • 7. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld.

Artikel 4.9 Arbeidshygiënisch regime

  • 1. Doeltreffende maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat werknemers bij hun arbeid kunnen worden blootgesteld aan stoffen in zodanige mate, dat schade kan worden toegebracht aan hun gezondheid of aan de werknemers hinder kan worden veroorzaakt.

  • 2. Ter naleving van het eerste lid zijn zodanige technische of organisatorische maatregelen genomen, dat het gevaar voor blootstelling zoveel mogelijk bij de bron daarvan wordt voorkomen, waaronder mede is begrepen het toepassen van stoffen waarbij de werknemers, gelet op de eigenschappen van die stoffen, de aard van de arbeid, de werkmethoden en de werkomstandigheden, aan zo weinig mogelijk gevaar voor hun gezondheid worden blootgesteld of waarbij aan de werknemers zo weinig mogelijk hinder wordt veroorzaakt.

  • 3. Voor zover het op doeltreffende wijze voorkomen van blootstelling door het nemen van maatregelen als bedoeld in het tweede lid redelijkerwijs niet mogelijk is en de blootstelling wordt veroorzaakt doordat de lucht op plaatsen, waar werknemers in verband met de arbeid verblijven, wordt verontreinigd door die stoffen, wordt de verontreinigde lucht op doeltreffende wijze afgevoerd.

  • 4. Voor zover het op doeltreffende wijze voorkomen van blootstelling door het nemen van maatregelen als bedoeld in het tweede lid redelijkerwijs niet mogelijk is en de blootstelling op andere wijze dan in het derde lid bedoeld wordt veroorzaakt, worden de volgende maatregelen genomen:

    a. de duur van de blootstelling is zoveel mogelijk beperkt;

    b. een stof is in geen grotere hoeveelheid aanwezig en het aantal blootgestelde werknemers is niet groter dan voor het verrichten van de arbeid strikt noodzakelijk is.

  • 5. Voor zover het op doeltreffende wijze afvoeren van de verontreinigde lucht, bedoeld in het derde lid, in verband met de aard van de arbeid of met de werkomstandigheden redelijkerwijs niet mogelijk is, worden de in het vierde lid vermelde maatregelen genomen.

  • 6. Wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om de blootstelling van werknemers te voorkomen of te beperken tot een voldoende laag niveau door middel van de in het vierde of vijfde lid bedoelde maatregelen, worden aan werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. Indien de werkzaamheden worden verricht met gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, mag dit niet blijvend op deze wijze geschieden en wordt de duur van het dragen daarvan voor ieder van deze werknemers tot het strikt noodzakelijke beperkt.

  • 7. Bij ministeriële regeling worden met betrekking tot in die regeling aangewezen stoffen waarden vastgesteld betreffende de grens, waarboven de concentratie of gemiddelde concentratie van die stoffen in de lucht op de arbeidsplaats waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, niet mag uitgaan.

  • 8. Bij overschrijding van een waarde als bedoeld in het zevende lid, worden onverwijld doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde.

  • 9. Zolang de maatregelen, bedoeld in het achtste lid, nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende bescherming leiden, mag de arbeid alleen worden voortgezet, indien doeltreffende maatregelen zijn genomen om schade aan de gezondheid van de werknemers te voorkomen.

  • 10. Dit artikel is niet van toepassing op:

    a. kankerverwekkende stoffen en processen als bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk;

    b. vinylchloridemonomeer als bedoeld in afdeling 3 van dit hoofdstuk;

    c. asbest en crocidoliet als bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk;

    d. lood en loodwit als bedoeld in afdeling 7 van dit hoofdstuk, en

    e. bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

Artikel 4.10 Ventilatie

  • 1. Indien op grond van artikel 4.9, derde lid, verontreinigde lucht wordt afgevoerd, is gelijktijdig voldoende toevoer van niet-verontreinigde lucht gewaarborgd.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:

    a. de kwaliteit van de lucht die wordt toegevoerd;

    b. de luchtcirculatie- of luchtverversingssystemen dan wel luchtreinigingsapparatuur die voor de toevoer van niet-verontreinigde lucht worden gebruikt;

    c. de controle en het onderhoud van de onder b bedoelde systemen of apparatuur.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden in het belang van de veiligheid of gezondheid gevallen aangewezen waarin het recirculeren van lucht is verboden of slechts is toegestaan met inachtneming van de bij die regeling te stellen voorschriften.

AFDELING 2 VOORSCHRIFTEN VOOR HET WERKEN MET KANKERVERWEKKENDE STOFFEN EN PROCESSEN

§ 1 Definities en toepasselijkheid

Artikel 4.11 Definitie kankerverwekkende stoffen en processen

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. richtlijn: Richtlijn nr. 90/394/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk (PbEG L 196);

b. kankerverwekkende stof:

1°. een enkelvoudige stof die moet worden geclassificeerd als een categorie 1 of 2 carcinogeen volgens de criteria van bijlage VI bij Richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 196), alsmede een stof als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn;

2°. een meervoudige stof die bestaat uit een of meer stoffen als bedoeld onder 1°, waarbij de concentratiegrens is vastgesteld in bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 196) en, voor zover het een stof betreft die in laatstbedoelde bijlage niet is opgenomen of zonder concentratiegrens is opgenomen, een stof waarbij de concentratiegrens is vastgesteld in bijlage I bij Richtlijn nr. 88/379/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 7 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid-staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 187) alsmede een meervoudige stof als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn;

c. kankerverwekkend proces: een proces als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn alsmede een stof die vrijkomt bij een proces als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn;

d. gevarenzone: plaats binnen een bedrijf of inrichting waar gevaar bestaat voor de gezondheid of veiligheid van werknemers als gevolg van blootstelling of de mogelijkheid van blootstelling aan kankerverwekkende stoffen en processen.

Artikel 4.12 Toepasselijkheid
  • 1. Deze afdeling is niet van toepassing op vinylchloridemonomeer. Op werkzaamheden met vinylchloridemonomeer is afdeling 3 van dit hoofdstuk van toepassing.

  • 2. Deze afdeling is niet van toepassing op asbest en crocidoliet als bedoeld in artikel 4.37. Op werkzaamheden met asbest en crocidoliet is afdeling 5 van dit hoofdstuk van toepassing.

  • 3. Deze afdeling is niet van toepassing op de volgende kankerverwekkende stoffen:

    a. geneesmiddelen als bedoeld in de Wet op de geneesmiddelenvoorziening;

    b. diergeneesmiddelen als bedoeld in de Diergeneesmiddelenwet;

    c. cosmetica als bedoeld in het Cosmeticabesluit (Warenwet);

    d. kankerverwekkende stoffen in de vorm van afvalstoffen waarop Richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194) of Richtlijn nr. 78/319/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 84) van toepassing is;

    e. bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

    f. munitie en springstoffen die in de handel worden gebracht om door explosie of door een pyrotechnisch effect een beoogde uitwerking hebben, en

    g. voedingsmiddelen en diervoeders in afgewerkte vorm, bestemd voor de eindgebruiker.

§ 2 Schriftelijke beoordeling en vastlegging van gegevens

Artikel 4.13 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie

Indien arbeid wordt verricht waarbij werknemers als gevolg van hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen en processen, worden met betrekking tot deze stoffen of processen die, gelet op de aard van de bedrijvigheid, met enige regelmaat aanwezig zijn of worden toegepast, in de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, in ieder geval de volgende gegevens opgenomen:

a. met betrekking tot de identiteit:

1°. in geval van een enkelvoudige stof: de chemische naam of namen dan wel het CAS-nummer of het nummer waaronder de stof is opgenomen in de lijst van stoffen, bedoeld in bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 196);

2°. in geval van een meervoudige stof: de handelsnaam of namen alsmede de chemische naam of namen en de gewichtspercentages van de component die aanleiding geeft tot indeling van de stof in de categorie carcinogeen;

3°. in geval van een proces: de beschrijving van het proces en de chemische naam van de stoffen die daarbij vrijkomen;

b. de reden waarom het gebruik van een kankerverwekkende stof of het toepassen van een kankerverwekkend proces voor het verrichten van de arbeid strikt noodzakelijk is en vervanging technisch niet uitvoerbaar is;

c. een aanduiding van de organisatorische eenheid of eenheden binnen het bedrijf of de inrichting waar een kankerverwekkende stof pleegt voor te komen of een kankerverwekkend proces pleegt te worden toegepast;

d. de benaming van het gevaar of de gevaren van de kankerverwekkende stof of het kankerverwekkende proces;

e. de hoeveelheid van de kankerverwekkende stof die per jaar pleegt te worden vervaardigd of gebruikt dan wel aanwezig pleegt te zijn in verband met de opslag respectievelijk de frequentie waarmee een proces per jaar pleegt te worden toegepast;

f. de soort arbeid die met de kankerverwekkende stof pleegt te worden verricht of waarbij het kankerverwekkende proces pleegt te worden toegepast;

g. het aantal werknemers dat aan een kankerverwekkende stof of proces pleegt te worden blootgesteld of kan worden blootgesteld;

h. de wijze waarop de onder g bedoelde werknemers aan een kankerverwekkende stof of proces plegen te worden blootgesteld of kunnen worden blootgesteld, en

i. de maatregelen die zijn genomen ter naleving van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.

Artikel 4.14 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie, beoordelen
  • 1. Voor alle arbeid waarbij werknemers aan kankerverwekkende stoffen of processen kunnen worden blootgesteld worden, in het kader van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, de aard, de mate en de duur van mogelijke blootstelling beoordeeld teneinde de gevaren voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers te kunnen bepalen. Bij de beoordeling wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met voorzienbare gebeurtenissen die kunnen leiden tot een aanzienlijke toename van de mate van blootstelling.

  • 2. Met betrekking tot de aard van de mogelijke blootstelling wordt in ieder geval bepaald aan welke kankerverwekkende stoffen en processen werknemers worden of kunnen worden blootgesteld, in welke situaties blootstelling zich kan voordoen en op welke wijze blootstelling kan plaatsvinden.

  • 3. Met betrekking tot de mate van blootstelling wordt in ieder geval bepaald wat het blootstellingsniveau is op de arbeidsplaats. Voor het doeltreffend vaststellen van het blootstellingsniveau wordt gebruik gemaakt van bestaande, geschikte meetmethodes voor kankerverwekkende stoffen, tenzij dit niveau door middel van andere methodes doeltreffend kan worden bepaald.

  • 4. Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de mogelijke versterkende effecten die al dan niet kankerverwekkende stoffen of processen op elkaar kunnen hebben.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

    a. de methoden waarmee het blootstellingsniveau, bedoeld in het tweede lid, doeltreffend wordt bepaald;

    b. het gebruik van bestaande geschikte meetmethoden voor blootstelling aan kankerverwekkende stoffen of processen;

    c. de wijze waarop meetresultaten worden beoordeeld en geregistreerd.

Artikel 4.15 Lijst van werknemers
  • 1. Er wordt een lijst bijgehouden van werknemers die belast zijn met werkzaamheden die blijkens de beoordeling, bedoeld in artikel 4.14, gevaar opleveren voor de veiligheid en de gezondheid, onder vermelding van de blootstelling die zij hebben ondergaan voor zover hierover gegevens beschikbaar zijn.

  • 2. Iedere werknemer heeft recht op inzage in de gegevens die in de lijst, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot hem zijn opgenomen.

§ 3 Grenswaarden en voorkomen of beperken van blootstelling

Artikel 4.16 Grenswaarden
  • 1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de grenswaarden waarboven het blootstellingsniveau of het gemiddelde blootstellingsniveau van kankerverwekkende stoffen en stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen niet mag uitgaan.

  • 2. Bij overschrijding van een waarde als bedoeld in het eerste lid worden onverwijld doeltreffende maatregelen genomen om die concentratie terug te brengen tot beneden die waarde.

  • 3. Zolang de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende bescherming leiden, mag de arbeid alleen worden voortgezet, indien doeltreffende maatregelen zijn genomen om schade aan de gezondheid van werknemers te voorkomen.

Artikel 4.17 Voorkomen van blootstelling; vervangen

Zodanige technische en organisatorische maatregelen zijn genomen dat het gevaar van blootstelling van werknemers aan kankerverwekkende stoffen en processen zoveel mogelijk bij de bron daarvan wordt voorkomen, met name door kankerverwekkende stoffen en processen, voor zover dit technisch uitvoerbaar is, te vervangen door stoffen of processen waarbij de werknemers, gelet op de eigenschappen van die stoffen of processen, de aard van de arbeid, de werkmethoden en de werkomstandigheden, niet of minder aan gevaar voor hun veiligheid of gezondheid worden blootgesteld.

Artikel 4.18 Voorkomen of beperken van blootstelling
  • 1. Voor zover uit de resultaten van de in artikel 4.14, eerste lid, bedoelde beoordeling blijkt dat er gevaar voor de gezondheid van de werknemers bestaat en dat het op doeltreffende wijze voorkomen van blootstelling door het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 4.17 technisch niet uitvoerbaar is, wordt het gevaar van blootstelling, voor zover dit technisch uitvoerbaar is, bij de bron daarvan voorkomen of teruggebracht tot een niveau waarop geen schade aan de gezondheid kan optreden, met name door de productie en het gebruik van kankerverwekkende stoffen of processen plaats te doen vinden in een gesloten systeem.

  • 2. Indien het voorkomen van blootstelling of het terugbrengen van blootstelling tot een niveau waarop geen schade aan de gezondheid kan optreden als bedoeld in het eerste lid technisch niet uitvoerbaar is, worden kankerverwekkende stoffen op doeltreffende wijze aan de bron verwijderd, onder meer door plaatselijke afvoer van de lucht, zo nodig aangevuld door algemene ventilatie, waarbij gelijktijdig voldoende toevoer van niet-verontreinigde lucht is gewaarborgd zonder dat hierbij gevaar ontstaat voor de volksgezondheid en het milieu.

  • 3. Indien de in het tweede lid bedoelde maatregelen technisch niet uitvoerbaar zijn, worden maatregelen genomen om blootstelling van werknemers te beperken tot een zo laag mogelijk niveau als technisch uitvoerbaar is door zoveel mogelijk mens en bron te scheiden.

  • 4. Wanneer het technisch niet uitvoerbaar is om de blootstelling van werknemers te voorkomen of te beperken tot een voldoende laag niveau door middel van de in het derde lid bedoelde maatregelen, worden aan werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. Indien de werkzaamheden worden verricht met gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, mag dit niet blijvend op deze wijze geschieden en wordt de duur van het dragen daarvan voor ieder van deze werknemers tot het strikt noodzakelijke beperkt.

Artikel 4.19 Beperken van blootstelling

In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers als gevolg van hun werk kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen of processen, worden de volgende maatregelen genomen om blootstelling van werknemers te voorkomen of te beperken tot een zo laag mogelijk niveau:

a. kankerverwekkende stoffen zijn in geen grotere hoeveelheid aanwezig en het aantal werknemers dat wordt of kan worden blootgesteld is niet groter dan voor het verrichten van de arbeid strikt noodzakelijk is;

b. de duur van de blootstelling wordt zoveel mogelijk beperkt;

c. de werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld zijn voldoende vertrouwd met de aard van hun werkzaamheden en hebben voldoende kennis van de gevaren die aan de blootstelling zijn verbonden en van de voorzieningen die getroffen zijn of door hen moeten worden getroffen om die gevaren te voorkomen of te beperken;

d. bij de arbeid zijn de noodzakelijke hygiënische voorzieningen getroffen;

e. voorkomen wordt dat gevarenzones worden betreden door anderen dan de werknemers of andere personen die de zones in verband met hun arbeid moeten betreden;

f. gevarenzones worden gemarkeerd door middel van waarschuwings- en veiligheidssignalen die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde;

g. zodanige voorzieningen zijn getroffen dat het gevaar dat zich bij de arbeid een ongewilde gebeurtenis voordoet zoveel mogelijk is vermeden;

h. zodanige voorzieningen zijn getroffen dat in geval zich bij de arbeid een ongewilde gebeurtenis voordoet de gevolgen daarvan zoveel mogelijk worden beperkt;

i. gebruik wordt gemaakt van doeltreffende middelen voor veilig opslaan, hanteren en vervoeren van kankerverwekkende stoffen door gebruik van hermetisch gesloten en duidelijk zichtbaar gekenmerkte houders, en

j. gebruik wordt gemaakt van doeltreffende middelen voor het veilig verzamelen, opslaan en verwijderen van afvalstoffen, met inbegrip van het gebruik van hermetisch gesloten en duidelijk zichtbaar gekenmerkte houders.

Artikel 4.20 Hygiënische beschermingsmaatregelen
  • 1. Zones zijn ingericht waar de werknemers zonder gevaar voor blootstelling kunnen eten en drinken.

  • 2. Indien kans op blootstelling bestaat wordt aan werknemers werkkleding ter beschikking gesteld die voldoet aan afdeling 1 van hoofdstuk 8 en die door de werknemers bij de arbeid steeds wordt gedragen.

  • 3. In aanvulling op artikel 3.22 wordt de werkkleding op een andere plaats opgeborgen dan de overige kleding.

  • 4. In aanvulling op artikel 3.23 zijn voor de werknemers doelmatige wasgelegenheden en doucheruimten beschikbaar.

  • 5. Persoonlijke beschermingsmiddelen worden volgens instructie op de daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik gecontroleerd.

Artikel 4.21 Onvoorziene toename van het blootstellingsniveau
  • 1. Indien zich een gebeurtenis voordoet die kan leiden tot een onvoorziene toename van het blootstellingsniveau, bedoeld in artikel 4.14, derde lid, worden de werknemers onverwijld hierover ingelicht en wordt er zorg voor gedragen dat zij zich verwijderen uit de gevarenzone.

  • 2. Indien zich een onvoorziene toename van het blootstellingsniveau voordoet, wordt de ondernemingsraad of worden, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers, onmiddellijk in kennis gesteld van de oorzaken van de toename, de hoogte van het blootstellingsniveau en van de maatregelen die worden genomen om de oorzaken weg te nemen en blootstelling zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

  • 3. Indien zich een onvoorziene toename van het blootstellingsniveau voordoet, mogen uitsluitend de werknemers of andere personen, belast met het uitvoeren van de noodzakelijke herstelwerkzaamheden, met gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, de gevarenzone betreden. Deze werknemers en andere personen mogen niet langer dan strikt noodzakelijk voor het herstel van de normale toestand in de desbetreffende zone aanwezig zijn.

  • 4. Voorkomen wordt dat anderen dan de in het derde lid bedoelde personen de gevarenzones betreden.

§ 4 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek

Artikel 4.22 Onderzoek
  • 1. Iedere werknemer die voor de eerste keer wordt belast met werkzaamheden die blijkens de beoordeling, bedoeld in artikel 4.14, gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid en gezondheid, wordt, in aanvulling op artikel 24a van de wet, in de gelegenheid gesteld om vóór de aanvang van die werkzaamheden een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.

  • 2. Indien bij een werknemer een afwijking wordt geconstateerd die het gevolg zou kunnen zijn van blootstelling aan kankerverwekkende stoffen of processen, worden werknemers, die op soortgelijke wijze zijn blootgesteld, tussentijds in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.

  • 3. Op verzoek van de werkgever of de betrokken werknemer wordt het arbeidsgezondheidskundig onderzoek opnieuw uitgevoerd. De resultaten van het hernieuwde onderzoek treden in de plaats van het daaraan voorafgaande.

  • 4. Een werknemer als bedoeld in het eerste lid wordt geïnformeerd over de wijze waarop hij na beëindiging van de blootstelling in de gelegenheid wordt gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.

Artikel 4.23 Uitvoering en inhoud van onderzoek
  • 1. Een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.22 wordt uitgevoerd door een arbodienst waaraan of ten behoeve waarvan een certificaat arbodienst is afgegeven.

  • 2. De arbodienst heeft recht op inzage in de in artikel 4.15 bedoelde lijst van blootgestelde werknemers. Hem staan voorts alle gegevens ter beschikking die hij nodig heeft om de blootstelling van de werknemers aan kankerverwekkende stoffen en processen te kunnen beoordelen en te kunnen adviseren over de periodiciteit en inhoud van het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.22, de te nemen preventieve maatregelen of persoonlijke beschermende maatregelen.

  • 3. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek vindt plaats met inachtneming van de praktische aanbevelingen, opgenomen in bijlage II bij de richtlijn.

Artikel 4.24 Dossiers en registratie
  • 1. De arbodienst houdt van iedere werknemer die een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.22 heeft ondergaan, een persoonlijk medisch dossier bij.

  • 2. Iedere werknemer heeft recht op inzage in het hem betreffende medisch dossier.

  • 3. De resultaten van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek worden, voorzien van een toelichting, in statistische, niet tot individuen herleidbare vorm ter kennis gebracht van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers.

  • 4. De resultaten van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek worden in passende vorm geregistreerd en voor iedere werknemer tot ten minste 40 jaar na beëindiging van diens blootstelling aan kankerverwekkende stoffen of processen bewaard, evenals de in artikel 4.15 bedoelde lijst van blootgestelde werknemers.

  • 5. In geval de werkzaamheden in het bedrijf of de inrichting van de werkgever gedurende de termijn van 40 jaar, bedoeld in het vierde lid, worden gestaakt, worden de in het vierde lid bedoelde documenten overgedragen aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet.

AFDELING 3 VINYLCHLORIDEMONOMEER

Artikel 4.25 Definities

In het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:

a. richtlijn: Richtlijn nr. 78/197/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid-staten inzake de bescherming van de gezondheid van werknemers die aan vinylchloridemonomeer zijn blootgesteld (PbEG L 197);

b. arbeid met vinylchloridemonomeer: vinylchloridemonomeer vervaardigen, terugwinnen, opslaan, afvullen, vervoeren of op andere wijze gebruiken dan wel vinylchloridemonomeer omzetten in vinylchloridepolymeer;

c. arbeidszone: de vaste plaats of plaatsen die een werknemer inneemt bij het verrichten van arbeid met vinylchloridemonomeer, met inbegrip van de ten behoeve van die arbeid tussen die plaatsen af te leggen weg.

Artikel 4.26 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie, meten

  • 1. Gedurende de arbeid met vinylchloridemonomeer wordt in het kader van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, de concentratie daarvan in de lucht op de arbeidsplaats op continue, permanent sequentiële of discontinue wijze gemeten.

  • 2. Metingen worden op continue of permanent sequentiële wijze verricht, indien vinylchloridemonomeer binnen de arbeidszone in vinylchloridepolymeer wordt omgezet en de arbeidszone zich in een gebouw bevindt.

Artikel 4.27 Meetpunt

Het meetpunt of de meetpunten is respectievelijk zijn zodanig gekozen, dat de gemeten concentraties van vinylchloridemonomeer zo representatief mogelijk en in geen geval te laag zijn voor de mate waarin een werknemer mag worden geacht in zijn arbeidszone aan vinylchloridemonomeer te worden blootgesteld.

Artikel 4.28 Meetinstrumenten

  • 1. De metingen worden verricht met behulp van instrumenten die ten minste een derde van de in artikel 4.30, eerste lid, eerste volzin, genoemde grenswaarde betrouwbaar kunnen registreren. De instrumenten worden regelmatig geijkt overeenkomstig methoden, voorgeschreven door de algemeen erkende regelen der techniek.

  • 2. Voor zover metingen worden verricht met behulp van instrumenten die niet uitsluitend de concentratie van vinylchloridemonomeer registreren, wordt de uitkomst beschouwd als totale registratie van vinylchloridemonomeer.

Artikel 4.29 Resultaten van metingen

De uitkomsten van metingen als bedoeld in artikel 4.26 worden schriftelijk vastgelegd met vermelding van de arbeidsplaatsen en tijdvakken waarop zij betrekking hebben. De uitkomsten worden desgevraagd ter beschikking gesteld van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers. De gegevens worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.30 Grenswaarde

  • 1. De gemiddelde uitkomst van continue of permanent sequentieel verrichte metingen mag, telkens berekend over een periode van een jaar, de grenswaarde van 3 ppm (delen per miljoen) niet overschrijden. De berekeningswijze geschiedt volgens de methode van het rekenkundig gemiddelde.

  • 2. Van discontinu verrichte metingen is het aantal zodanig dat met een statistische waarschijnlijkheid van ten minste 95% kan worden aangenomen dat de in het eerste lid genoemde grenswaarde niet zal worden overschreden. De berekeningswijze geschiedt volgens de methode van het rekenkundig gemiddelde. De uitkomst van zodanige metingen wordt beoordeeld met inachtneming van de hypothesen en berekeningen, bedoeld in bijlage I, onder 2, 3 en 4, bij de richtlijn. De gemiddelde uitkomst van de metingen mag, telkens berekend over een periode van een jaar, de in het eerste lid genoemde grenswaarde niet overschrijden.

  • 3. Indien op grond van metingen over een kortere periode dan een jaar met toepassing van de punten 2, 3 en 4 van de in het tweede lid genoemde bijlage, kan worden aangenomen dat de in het eerste lid genoemde grenswaarde zal worden overschreden, worden onmiddellijk voorzieningen getroffen om de concentratie van vinylchloridemonomeer te beperken. Daarna wordt opnieuw gemeten. Het treffen van voorzieningen als bedoeld in de eerste volzin mag eerst worden beëindigd, indien de in het eerste lid genoemde grenswaarde blijkens nieuwe metingen niet zal worden overschreden.

  • 4. Voor het berekenen van de uitkomsten, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden de uitkomsten buiten beschouwing gelaten van metingen, verricht tijdens een periode waarin een als abnormaal te beschouwen concentratie als bedoeld in artikel 4.31 optreedt.

Artikel 4.31 Bewakingssysteem

  • 1. In de arbeidszone is voorzien in een deugdelijk bewakingssysteem dat in werking moet zijn gedurende de arbeidstijd en dat waarschuwt zodra in de lucht van de arbeidszone een concentratie van vinylchloridemonomeer optreedt die, gelet op de aard van de arbeid, als abnormaal te beschouwen is. Een concentratie is als abnormaal te beschouwen als deze gelijk is aan of hoger is dan 30 ppm gemiddeld over twee minuten, 20 ppm gemiddeld over 20 minuten of 15 ppm gemiddeld over één uur.

  • 2. In geval van een als abnormaal te beschouwen concentratie als bedoeld in het eerste lid, worden onmiddellijk voorzieningen getroffen om de oorzaak van die concentratie te achterhalen en deze tot een normale concentratie terug te brengen.

  • 3. Van een abnormale concentratie als bedoeld in het eerste lid worden de datum alsmede de tijdstippen van begin en einde schriftelijk vastgelegd. Deze gegevens worden ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 4.32 Voorkomen of beperken van blootstelling

  • 1. Ter voorkoming van verontreiniging door vinylchloridemonomeer in de lucht van de plaats of plaatsen die een werknemer inneemt bij het reinigen, onderhouden of herstellen van technische apparatuur waarmee arbeid met vinylchloridemonomeer wordt verricht, worden alle maatregelen genomen die redelijkerwijs mogelijk zijn.

  • 2. Indien ondanks de genomen maatregelen het voorkomen van de verontreiniging niet mogelijk is, wordt bij de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden een zodanige werkwijze toegepast en vindt een zodanige afzuiging of verversing van lucht plaats, dat de concentratie van vinylchloridemonomeer op de in het eerste lid bedoelde plaats of plaatsen zo gering mogelijk is. De verontreinigde lucht wordt op veilige wijze afgevoerd of onschadelijk gemaakt.

Artikel 4.33 Lijst met blootstellingsgegevens

Zolang een werknemer aan een bedrijf of inrichting verbonden is voor het verrichten van arbeid met vinylchloridemonomeer, wordt op een lijst aantekening gehouden van gegevens over de aard van die arbeid en over de duur van zijn blootstelling aan vinylchloridemonomeer. De gegevens worden de werknemer op diens verzoek ter inzage verstrekt. De lijst wordt ten minste dertig jaar bewaard.

Artikel 4.34 Persoonlijke beschermingsmiddelen

In de gevallen waarin de concentratie van vinylchloridemonomeer die zich in de lucht van een arbeidszone bevindt, gelijk is aan of hoger is dan een van de in artikel 4.31 genoemde waarden alsmede in de gevallen waarin tijdens werkzaamheden aan technische apparatuur waarmee arbeid met vinylchloridemonomeer wordt verricht, de concentratie daarvan gelijk is aan of hoger is dan 8 ppm gemiddeld over één uur, worden persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld en gebruikt.

Artikel 4.35 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek

  • 1. Iedere werknemer wordt, in aanvulling op artikel 24a van de wet, vóór de aanvang van de arbeid met vinylchloridemonomeer in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan, dat gericht is op de gevaren voor de gezondheid, verbonden aan de blootstelling van vinylchloridemonomeer.

  • 2. Zolang de blootstelling aan vinylchloridemonomeer duurt, worden de betrokken werknemers ten minste éénmaal in de twee jaar opnieuw in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid te ondergaan.

  • 3. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt plaats met inachtneming van de richtlijnen voor het geneeskundig toezicht op de werknemers, opgenomen in bijlage II bij de richtlijn.

  • 4. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek wordt uitgevoerd door een arbodienst, waarvan of ten behoeve waarvan een certificaat arbodienst is afgegeven.

  • 5. De resultaten van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek worden in passende vorm geregistreerd en tot dertig jaar na de arbeid met vinylchloridemonomeer bewaard.

  • 6. Aan de arbodienst wordt inzage gegeven in de gegevens die op de in artikel 4.33 bedoelde lijst zijn opgenomen.

  • 7. Op verzoek van de werkgever of de betrokken werknemer wordt het arbeidsgezondheidskundig onderzoek opnieuw uitgevoerd. De resultaten van het hernieuwde onderzoek treden in de plaats van het daaraan voorafgaande.

AFDELING 4 BENZEEN

Artikel 4.36 Benzeenverbod

  • 1. Het gebruik van benzeen of van een product waarvan het gehalte aan benzeen meer dan 1 volume-procent bedraagt als oplos-, reinigings- of verdunningsmiddel is niet toegestaan, tenzij zulks geschiedt in een gesloten systeem of op een andere wijze waardoor in ten minste gelijke mate bescherming tegen blootstelling daaraan wordt geboden.

  • 2. Indien van benzeen of van een product als bedoeld in het eerste lid gebruik wordt gemaakt anders dan als oplos-, reinigings- of verdunningsmiddel, wordt dit zoveel mogelijk uitgevoerd in een gesloten systeem.

  • 3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van tetrachloorkoolstof, pentachloorethaan en 1.1.2.2.-tetrachloorethaan alsmede ten aanzien van een product waarvan het gehalte aan een van de vorengenoemde stoffen meer dan 1 volume-procent bedraagt.

  • 4. Voor zover het gebruik van benzeen, van tetrachloorkoolstof, pentachloorethaan en 1.1.2.2.-tetrachloorethaan op grond van dit artikel is toegestaan, is daarop afdeling 2 van dit hoofdstuk van toepassing.

AFDELING 5 ASBEST

§ 1 Definities

Artikel 4.37 Definitie asbest en crocidoliet
  • 1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. asbest: stoffen die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten:

    1°. actinoliet (Cas-nummer 77536–66–4);

    2°. amosiet (Cas-nummer 12172–73–5);

    3°. anthofylliet (Cas-nummer 77536–67–5);

    4°. chrysotiel (Cas-nummer 12001–29–5);

    5°. tremoliet (Cas-nummer 77536–68–6);

    b. crocidoliet: stoffen die het vezelachtige silicaat crocidoliet (Cas-nummer 12001–28–4) bevatten;

    c. asbesthoudende producten: producten die een of meer van de onder a genoemde vezelachtige silicaten bevatten;

    d. crocidoliethoudende producten: producten die het onder b genoemde vezelachtige silicaat bevatten;

    e. vezel: een deeltje dat langer is dan 5 micrometer, een breedte heeft van minder dan 3 micrometer en een lengte/breedteverhouding van meer dan 3/1.

  • 2. Stoffen of producten die zowel een of meer van de vezelachtige silicaten, bedoeld in het eerste lid, onder a, als het vezelachtige silicaat, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevatten, worden voor de toepassing van dit besluit aangemerkt als crocidoliet respectievelijk als crocidoliethoudende producten.

§ 2 Verbodsbepalingen

Artikel 4.38 Spuitverbod

Het is verboden asbest of asbesthoudende producten en crocidoliet of crocidoliethoudende producten te verspuiten.

Artikel 4.39 Crocidolietverbod
  • 1. Het is verboden crocidoliet of crocidoliethoudende producten te bewerken.

  • 2. Het is verboden crocidoliet of crocidoliethoudende producten te verwerken.

  • 3. Het is verboden crocidoliet of crocidoliethoudende producten in voorraad te houden.

Artikel 4.40 Uitzonderingen op het crocidolietverbod
  • 1. Artikel 4.39 geldt niet ten aanzien van:

    a. het uitvoeren van laboratorium-onderzoek aan crocidoliet en crocidoliethoudende producten;

    b. de opslag en verwerking van crocidoliethoudend afval.

  • 2. Artikel 4.39, eerste lid, geldt niet ten aanzien van:

    a. het maken van aanboringen of het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden aan crocidoliet en crocidoliethoudende producten;

    b. het slopen van gebouwen, constructies, apparaten, installaties en transportmiddelen waarin crocidoliet of crocidoliethoudende producten is respectievelijk zijn verwerkt en het verwijderen van crocidoliet of crocidoliethoudende producten hieruit.

  • 3. Artikel 4.39, derde lid, geldt niet ten aanzien van het ten behoeve van doorvoer naar een andere EER-lid-staat in voorraad houden van crocidoliet en crocidoliethoudende producten.

  • 4. Op de in het eerste lid, de in het tweede lid, onder a, en de in het derde lid omschreven werkzaamheden is paragraaf 6 van deze afdeling van toepassing.

  • 5. Op de in het tweede lid, onder b, omschreven werkzaamheden is paragraaf 5 van deze afdeling van toepassing.

Artikel 4.41 Asbestverbod
  • 1. Het is verboden asbest of asbesthoudende producten te bewerken.

  • 2. Het is verboden asbest of asbesthoudende producten te verwerken.

  • 3. Het is verboden asbest of asbesthoudende producten in voorraad te houden.

Artikel 4.42 Uitzonderingen op het asbestverbod
  • 1. Artikel 4.41 geldt niet ten aanzien van:

    a. het monteren, vervaardigen en in voorraad houden van asbestbevattende frictiematerialen voor zover deze handelingen betrekking hebben op:

    1°. de in de artikelen 2, tweede lid, 4 en 5 van het Besluit asbestvrije frictiematerialen Wet milieugevaarlijke stoffen omschreven situaties;

    2°. motorrijtuigen met een toegelaten massa groter dan 3500 kilogram;

    3°. motorrijtuigen met een toegelaten snelheid lager dan 50 kilometer per uur;

    b. het uitvoeren van laboratorium-onderzoek aan asbest en asbesthoudende producten;

    c. de opslag en verwerking van asbesthoudend afval;

    d. het gebruiken, vullen en in voorraad houden van asbesthoudende cylinders voor de opslag van acetyleengas die vóór 1 juli 1993 in het verkeer zijn gebracht.

  • 2. Artikel 4.41, eerste lid, geldt niet ten aanzien van:

    a. het maken van aanboringen of het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden aan asbest en asbesthoudende producten;

    b. het slopen van gebouwen, constructies, apparaten, installaties en transportmiddelen waarin asbest of asbesthoudende producten is respectievelijk zijn verwerkt en het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten hieruit.

  • 3. Artikel 4.41, derde lid, geldt niet ten aanzien van het ten behoeve van doorvoer naar een andere EER-lid-staat in voorraad houden van asbest en asbesthoudende producten.

  • 4. Op de in het eerste lid, het tweede lid, onder a, en het derde lid omschreven werkzaamheden zijn de paragrafen 3 en 4 van deze afdeling van toepassing.

  • 5. Op de in het tweede lid, onder b, omschreven werkzaamheden is paragraaf 5 van deze afdeling van toepassing. Voor zover bij categorieën van werkzaamheden als bedoeld in de vorige volzin, het blootstellingsniveau het actieniveau, bedoeld in artikel 4.44, niet overschrijdt, worden bij ministeriële regeling die categorieën aangewezen, als werkzaamheden, waarop een of meer bepalingen van paragraaf 5 van deze afdeling niet van toepassing zijn, indien wordt voldaan aan bij die regeling gestelde voorschriften.

§ 3 Voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende producten

Artikel 4.43 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie, beoordelen
  • 1. Bij arbeid waarbij gevaar voor blootstelling van werknemers aan asbeststof bestaat wordt in het kader van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, de aard, de mate en de duur van de blootstelling beoordeeld teneinde de gevaren voor de werknemers te kunnen bepalen.

  • 2. De beoordeling wordt, in aanvulling op artikel 4 van de wet, herzien indien er redenen zijn om aan te nemen dat de uitgevoerde beoordeling onjuist is.

  • 3. De ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over een beoordeling en over de resultaten daarvan.

Artikel 4.44 Gevolgen beoordeling

De voorschriften van deze paragraaf zijn van toepassing, indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.43, eerste en tweede lid, blijkt dat de concentratie van asbeststof in de lucht, waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, lager is dan een van de volgende actieniveaus:

a. 0,10 vezel per kubieke centimeter, berekend of gemeten over een referentieperiode van acht uur;

b. een gecumuleerde dosis van 6,00 vezeldagen per kubieke centimeter, berekend of gemeten over een periode van drie maanden.

Artikel 4.45 Voorkomen of beperken van blootstelling
  • 1. De concentratie van asbeststof in de lucht wordt zo laag mogelijk gehouden.

  • 2. Ter naleving van het eerste lid worden de volgende maatregelen genomen:

    a. de hoeveelheid asbest of asbesthoudende producten die in ieder afzonderlijk geval wordt gebruikt, wordt beperkt tot de kleinste hoeveelheid die redelijkerwijs mogelijk is;

    b. het vrijkomen van asbeststof in de lucht wordt voorkomen; indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt het stof zo dicht mogelijk bij de emissiebron verwijderd;

    c. het aantal werknemers dat aan asbeststof wordt of kan worden blootgesteld is zo klein mogelijk;

    d. gebouwen, installaties en uitrustingen die dienen voor het bewerken of het verwerken van asbest of van asbesthoudende producten worden zoveel mogelijk vrij van stof gehouden;

    e. asbest als grondstof wordt opgeborgen en vervoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking;

    f. afvalstoffen, ontstaan als gevolg van het bewerken of verwerken van asbest of van asbesthoudende producten, worden zo spoedig mogelijk verzameld en afgevoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, voorzien van een etiket met de duidelijke en goed leesbare vermelding dat de inhoud daarvan asbest bevat;

    g. bij het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden worden geen elektrisch of pneumatisch aangedreven verspanende werktuigen met een toerental hoger dan 100 omwentelingen per minuut of met een lineaire zaagsnelheid groter dan 25 meter per minuut gebruikt.

Artikel 4.46 Grenswaarde
  • 1. De concentratie van asbeststof in de lucht mag de grenswaarde van 0,30 vezel per kubieke centimeter, vastgesteld, berekend of gemeten over een referentieperiode van acht uur, niet overschrijden.

  • 2. Bij overschrijding van de in het eerste lid genoemde grenswaarde worden zo spoedig mogelijk doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde. Nadat de maatregelen zijn genomen wordt de concentratie gemeten overeenkomstig artikel 4.50, tweede lid. De ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel over de in de eerste volzin bedoelde maatregelen kenbaar te maken. Hen wordt vervolgens kennis gegeven van de resultaten van de metingen.

  • 3. Zolang de in het tweede lid bedoelde maatregelen om de concentratie terug te brengen nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende bescherming leiden, mag de arbeid op de betreffende arbeidsplaats alleen worden voortgezet indien de betrokken werknemers doeltreffend zijn beschermd tegen blootstelling aan asbeststof.

  • 4. Wanneer de blootstelling van de werknemers aan asbeststof redelijkerwijs niet met andere middelen kan worden beperkt dan met behulp van persoonlijke beschermingsmiddelen, mag dit niet bij voortduring op deze wijze geschieden en wordt de duur van het dragen daarvan voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke beperkt.

Artikel 4.47 Gevallen waarin overschrijding grenswaarde kan worden verwacht
  • 1. Indien, gelet op de aard van de werkzaamheden, overschrijding van de in artikel 4.46, eerste lid, genoemde grenswaarde kan worden verwacht en technische maatregelen ter beperking van de blootstelling van de werknemers redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn, mag tot het verrichten van deze werkzaamheden slechts worden overgegaan, indien doeltreffende maatregelen zijn genomen ter bescherming van de betrokken werknemers en de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers de gelegenheid is gegeven een oordeel over die maatregelen te geven.

  • 2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:

    a. het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen, waarbij de duur van het dragen daarvan tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt;

    b. het aanbrengen van waarschuwingsborden die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde, ter aanduiding dat een overschrijding van de in artikel 4.46, eerste lid, genoemde grenswaarde kan worden verwacht.

§ 4 Aanvullende voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende producten

Artikel 4.48 Schakelbepaling

Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.43, eerste en tweede lid, blijkt dat de concentratie van asbeststof in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, gelijk is aan of hoger is dan de beide in artikel 4.44 genoemde actieniveaus, gelden naast de voorschriften van paragraaf 3, tevens de in deze paragraaf genoemde voorschriften.

Artikel 4.49 Melding
  • 1. Aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van de wet wordt schriftelijk gemeld:

    a. de soorten asbest of asbesthoudende producten alsmede de hoeveelheden van ieder van deze soorten of producten die worden gebruikt, bewerkt of verwerkt;

    b. de werkzaamheden die met asbest of asbesthoudende producten worden verricht alsmede de werkmethoden;

    c. de vervaardigde producten.

  • 2. Indien het voornemen bestaat om in de gegevens, bedoeld in het eerste lid, belangrijke wijziging aan te brengen, wordt dit voornemen schriftelijk gemeld aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet.

  • 3. De op grond van het eerste en tweede lid gemelde gegevens worden ter kennis gebracht van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers.

Artikel 4.50 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie, meten
  • 1. De concentratie van asbeststof in de lucht waaraan de werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld wordt, in het kader van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, ten minste éénmaal in de drie maanden door middel van het nemen van monsters gemeten en voorts telkens wanneer zich een verandering in de werkmethoden en de omstandigheden van de blootstelling voordoet. Deze frequentie mag worden teruggebracht tot éénmaal per jaar, indien er geen verandering in de werkmethoden en de omstandigheden van de blootstelling heeft plaatsgevonden en uit de twee opeenvolgende voorafgaande metingen is gebleken dat de concentratie van asbeststof in de lucht niet meer bedroeg dan de helft van de in artikel 4.46 genoemde grenswaarde.

  • 2. De metingen en monsterneming worden uitgevoerd volgens een bij ministeriële regeling vast te stellen methode of wel een andere methode, indien deze gelijkwaardige resultaten oplevert.

  • 3. De resultaten van de op grond van het eerste lid uitgevoerde metingen worden, voorzien van een toelichting, ter kennis gebracht van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers.

  • 4. De metingen, bedoeld in het eerste lid, worden regelmatig volgens een tevoren opgesteld plan uitgevoerd, waarbij de monsterneming representatief is voor de blootstelling van de werknemers aan asbeststof. De ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel over de wijze van monsterneming kenbaar te maken.

  • 5. Indien werknemers op een zelfde plaats identieke of gelijksoortige taken verrichten en dientengevolge aan dezelfde gevaren worden blootgesteld, mag de monsterneming voor deze werknemers op groepsbasis worden uitgevoerd.

  • 6. De monsterneming wordt zodanig uitgevoerd dat hetzij door meting hetzij door berekening, gewogen in de tijd, de blootstelling van werknemers aan asbeststof kan worden vastgesteld die representatief is voor een referentieperiode van 8 uur.

  • 7. Het nemen van monsters wordt uitgevoerd door personeel dat de daartoe vereiste geschiktheid bezit. De daarop volgende monsteranalyse wordt uitgevoerd in laboratoria die adequaat toegerust zijn voor deze analyse alsmede ervaring hebben met de vereiste identificatietechnieken.

Artikel 4.51 Hygiënische beschermingsmaatregelen
  • 1. De plaatsen waar arbeid met asbest of asbesthoudende producten wordt verricht, worden duidelijk afgebakend en gemarkeerd door waarschuwingsborden die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde. Alleen werknemers die beroepshalve of uit hoofde van hun functie deze plaatsen moeten betreden, mogen daar worden toegelaten.

  • 2. Zones zijn ingericht waar de werknemers zonder gevaar voor besmetting door asbeststof kunnen eten en drinken.

  • 3. Werkkleding die door de werknemers bij de arbeid wordt gedragen wordt aan de werknemers ter beschikking gesteld. Deze kleding voldoet aan afdeling 1 van hoofdstuk 8.

  • 4. In aanvulling op artikel 3.22 wordt de werkkleding op een andere plaats opgeborgen dan de overige kleding.

  • 5. De werkkleding mag uitsluitend buiten het bedrijf of de inrichting worden gebracht indien dit geschiedt met het doel deze te laten reinigen in daartoe adequaat uitgeruste wasserijen. In dat geval wordt de werkkleding in een daartoe geschikte en gesloten verpakking vervoerd.

  • 6. In aanvulling op artikel 3.23 zijn voor de werknemers doelmatige wasgelegenheden en doucheruimten beschikbaar.

  • 7. Wanneer beschermende uitrusting wordt verstrekt, wordt deze op een daartoe aangewezen plaats bewaard en na ieder gebruik gecontroleerd en gereinigd. Defecte uitrusting mag niet worden gebruikt.

Artikel 4.52 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
  • 1. Vóór de aanvang van de blootstelling aan asbeststof worden de betrokken werknemers, in aanvulling op artikel 24a van de wet, in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan dat gericht is op de gevaren voor de gezondheid verbonden aan de blootstelling.

  • 2. Zolang de blootstelling aan asbeststof duurt, worden de betrokken werknemers ten minste éénmaal in de drie jaar opnieuw in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid te ondergaan.

  • 3. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, omvat in ieder geval een specifiek onderzoek van de borstkas en wordt uitgevoerd door een arbodienst waaraan of ten behoeve waarvan een geldig certificaat arbodienst is afgegeven.

  • 4. De resultaten van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek worden in passende vorm geregistreerd.

  • 5. Aan de arbodienst wordt inzage gegeven in de gegevens die in het in artikel 4.53 bedoelde register zijn vermeld.

  • 6. Op verzoek van de werkgever of de betrokken werknemer wordt het in dit artikel bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek opnieuw uitgevoerd. Het resultaat van het hernieuwde arbeidsgezondheidskundig onderzoek treedt in de plaats van het daaraan voorafgaande.

  • 7. Indien het resultaat van het in dit artikel bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek daartoe aanleiding geeft, worden doeltreffende maatregelen genomen om schade voor de gezondheid van de betrokken werknemer door blootstelling aan asbeststof te voorkomen.

Artikel 4.53 Registratie
  • 1. Van iedere werknemer die in verband met de arbeid wordt blootgesteld aan asbeststof wordt aantekening gehouden in een register, waarbij de aard en de duur van de arbeid alsmede de mate van de blootstelling worden vermeld.

  • 2. Iedere werknemer wordt in kennis gesteld van zijn persoonlijke gegevens in het register.

  • 3. De gegevens in het register worden, voorzien van een toelichting, in statistische, niet tot individuen herleidbare vorm, ter kennis gebracht van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers.

  • 4. De registers, bedoeld in het eerste lid, en in artikel 4.52, vierde lid, worden ten minste dertig jaar na het einde van de blootstelling aan asbest of asbesthoudende producten bewaard.

§ 5 Bijzondere bepalingen inzake het slopen van asbest, asbesthoudende producten, crocidoliet en crocidoliethoudende producten

Artikel 4.54 Slopen asbest en crocidoliet
  • 1. Op het slopen van gebouwen, constructies, apparaten, installaties en transportmiddelen waarin asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten is respectievelijk zijn verwerkt en bij het verwijderen van voornoemde stoffen of producten hieruit, zijn, met uitsluiting van de overige voorschriften van de paragrafen 3 en 4, de artikelen 4.45, eerste en tweede lid, onder b, c, d, f en g, 4.51, 4.52 en 4.53 van overeenkomstige toepassing alsmede de artikelen 4.46 en 4.47, met dien verstande dat voor de toepassing van beide laatstgenoemde artikelen ten aanzien van crocidoliet de in artikel 4.56, eerste lid, onder a, genoemde grenswaarde geldt.

  • 2. Voor de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden gelden bovendien de volgende bijzondere voorschriften:

    a. voordat met de werkzaamheden wordt begonnen zijn de locatie, de datum en het tijdstip waarop de werkzaamheden zullen worden verricht, tijdig gemeld aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet;

    b. de werkzaamheden worden verricht door of onder toezicht van een persoon, die in het bezit is van een diploma van een opleiding die door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling is gecertificeerd, dan wel in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid, dat is afgegeven door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling;

    c. voordat met de werkzaamheden wordt begonnen wordt een schriftelijk werkplan opgesteld, dat doeltreffende maatregelen bevat ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers.

  • 3. Een opleiding als bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt door Onze Minister of de door Onze Minister daartoe aangewezen instelling op schriftelijke aanvraag gecertificeerd, indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria. Bij die regeling wordt tevens bepaald welke gegevens bij een schriftelijke aanvraag worden verstrekt. Een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt door Onze Minister of de door Onze Minister daartoe aangewezen instelling op schriftelijke aanvraag afgegeven, indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria. De tweede volzin is van toepassing.

  • 4. Een opleiding kan het certificaat als bedoeld in het tweede lid, onder b, worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend of verlengd dan wel ingetrokken, indien gegronde vrees bestaat of is gebleken dat niet of niet volledig wordt voldaan aan het bij of krachtens dit artikel bepaalde. Een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in het tweede lid, onder b, kan worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend of verlengd dan wel ingetrokken, indien gegronde vrees bestaat of is gebleken dat niet of niet volledig wordt voldaan aan het bij of krachtens dit artikel bepaalde.

  • 5. Voor de afgifte van certificaten als bedoeld in het tweede lid, is een bij ministeriële regeling vast te stellen vergoeding verschuldigd.

  • 6. Het diploma of het certificaat van vakbekwaamheid en het werkplan zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet.

Artikel 4.55 Werkplan
  • 1. Het in artikel 4.54, tweede lid, onder c, bedoelde werkplan bevat:

    a. de maatregelen genoemd in artikel 4.47, tweede lid, alsmede, voor zover zulks redelijkerwijs uitvoerbaar is, de maatregel om eerst asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten te verwijderen alvorens andere slooptechnieken toe te passen;

    b. de maatregelen, bedoeld in artikel 4.45, eerste en tweede lid, onder b, c, d, f en g en artikel 4.51;

    c. de voorzieningen die worden getroffen om de plaats waar de werkzaamheden worden verricht af te schermen van de overige ruimten;

    d. de maatregel om metingen te verrichten overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 4.50, tweede lid, en om monsters te nemen overeenkomstig artikel 4.50, zevende lid, nadat de ruimte is gereinigd, teneinde vast te stellen of de concentratie van asbeststof in de lucht niet hoger is dan 1/20 van de in artikel 4.46, eerste lid, genoemde grenswaarde dan wel of de concentratie van crocidolietstof in de lucht niet hoger is dan 1/20 van de in artikel 4.56, eerste lid, onder a, genoemde grenswaarde;

    e. een beschrijving van de aard, duur en plaats van de werkzaamheden alsmede van de werkmethode;

    f. een beschrijving van de werktuigen, machines, toestellen en overige hulpmiddelen die bij de werkzaamheden worden gebruikt;

    g. de naam van de in artikel 4.54, tweede lid, onder b, bedoelde persoon.

  • 2. Het slopen of het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten dan wel van crocidoliet of van crocidoliethoudende producten wordt volgens het in het eerste lid bedoelde werkplan uitgevoerd.

§ 6 Bijzondere bepalingen inzake crocidoliet en crocidoliethoudende producten

Artikel 4.56 Crocidoliet
  • 1. Op het uitvoeren van laboratorium-onderzoek, het maken van aanboringen of het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden aan en het ten behoeve van doorvoer naar een andere EER-lid-staat in voorraad houden van crocidoliet en crocidoliethoudende producten alsmede op de opslag en verwerking van crocidoliethoudend afval zijn de voorschriften van paragraaf 3, met uitzondering van artikel 4.44, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen 4.46 en 4.47 de in dit artikellid onder a genoemde grenswaarde geldt. Op de in de eerste volzin omschreven werkzaamheden zijn bovendien de volgende bijzondere voorschriften van toepassing:

    a. de concentratie van crocidolietstof in de lucht waaraan de werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, mag de grenswaarde van 0,1 vezel per kubieke centimeter, vastgesteld, berekend of gemeten over een referentieperiode van acht uur niet overschrijden;

    b. de vrijgekomen crocidoliethoudende materialen mogen niet worden opgeslagen te zamen met crocidolietvrije materialen en worden zo spoedig mogelijk verzameld en afgevoerd overeenkomstig artikel 4.45, tweede lid, onder f.

  • 2. Indien bij het uitvoeren van de in het eerste lid omschreven werkzaamheden, crocidoliet of crocidoliethoudende producten wordt respectievelijk worden gesloopt of verwijderd, is naast deze paragraaf ook paragraaf 5 van toepassing.

§ 7 Bijzondere bepalingen inzake voorlichting en onderricht

Artikel 4.57 Voorlichting en onderricht
  • 1. Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar voor blootstelling aan asbeststof of crocidolietstof bestaat, wordt overeenkomstig een schriftelijk plan doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht gegeven over:

    a. de mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan asbeststof of crocidolietstof;

    b. de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte of crocidolietgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarden;

    c. de maatregelen inzake de persoonlijke en werkhygiëne;

    d. de maatregelen om de blootstelling aan asbeststof of crocidolietstof zo laag mogelijk te houden.

  • 2. Aan werknemers die asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten slopen of verwijderen wordt, in aanvulling op het eerste lid, overeenkomstig een schriftelijk plan, doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht gegeven over de aan voornoemde werkzaamheden verbonden gevaren voor de gezondheid en over de wijze waarop die gevaren zoveel mogelijk kunnen worden beperkt.

AFDELING 6 SPECIFIEKE GEZONDHEIDSSCHADELIJKE STOFFEN

Artikel 4.58 Propaansultonverbod

  • 1. Het is verboden propaansulton (CAS-nummer 1120–71–4) te vervaardigen of te gebruiken.

  • 2. Het is verboden propaansulton, anders dan ten behoeve van doorvoer, in voorraad te houden.

Artikel 4.59 Specifieke stoffenverbod

  • 1. Het is verboden de volgende stoffen te vervaardigen of te gebruiken:

    a. 2-naftylamine en de zouten daarvan (CAS-nummer 91–59–8);

    b. 4-aminodifenyl en de zouten daarvan (CAS-nummer 92–67–1);

    c. benzidine en de zouten daarvan (CAS-nummer 92–87–5);

    d. 4-nitrodifenyl (CAS-nummer 92–93–3).

  • 2. Het is verboden de in het eerste lid genoemde stoffen, anders dan ten behoeve van doorvoer, in voorraad te houden.

  • 3. De in het eerste en tweede lid vervatte verboden zijn niet van toepassing, indien de stoffen in een mengsel of oplossing aanwezig zijn in een concentratie die kleiner is dan 0,1 gewichtsprocent.

Artikel 4.60 Zandsteenverbod

  • 1. Het is verboden zandsteen te bewerken of te verwerken.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    a. op het bewerken of verwerken van zandsteen indien dit noodzakelijk is voor het behoud van monumenten als bedoeld in de Monumentenwet 1988;

    b. op het demonteren van zandsteen of zandsteendelen uit gebouwen, constructies of installaties, en

    c. op het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek met zandsteen.

  • 3. De in het tweede lid, onder a en b, bedoelde werkzaamheden worden verricht door een bedrijf of inrichting, dat is gecertificeerd door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling en dat over een zodanige deskundigheid beschikt, dat het bewerken of verwerken van zandsteen op een verantwoorde wijze wordt uitgevoerd.

  • 4. Een certificaat als bedoeld in het derde lid, wordt door Onze Minister of de door Onze Minister daartoe aangewezen instelling op schriftelijke aanvraag afgegeven. Het certificaat kan worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend of verlengd dan wel ingetrokken, indien gegronde vrees bestaat of is gebleken dat niet of niet volledig wordt voldaan aan dit artikel.

  • 5. Voor de afgifte van een certificaat is een bij ministeriële regeling vast te stellen vergoeding verschuldigd.

  • 6. Het certificaat is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet.

  • 7. Het is verboden zandsteen in voorraad te houden.

  • 8. Het zevende lid is niet van toepassing met betrekking tot:

    a. het in voorraad houden van zandsteen ten behoeve van de in het tweede lid, onder a, bedoelde werkzaamheden;

    b. de doorvoer van zandsteen;

    c. voorwerpen, welke geheel of ten dele uit zandsteen bestaan en welke voor hun bestemming gereed en volledig afgewerkt zijn.

  • 9. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot dit artikel.

Artikel 4.61 Zandstraalverbod

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    a. stralen: het met grote snelheid treffen van een voorwerp met korrels ten einde dat voorwerp te reinigen of te bewerken, met uitzondering van die bewerkingen waardoor een laag materiaal op het voorwerp wordt aangebracht;

    b. ontzanden: het stralen van een gietstuk ten einde dit te ontdoen van aanhangend vormzand.

  • 2. Het is verboden te stralen met een stof die aan kwarts of een andere vorm van vrij kristallijn siliciumdioxyde meer dan 1% bevat.

  • 3. Het ontzanden mag slechts plaatsvinden in voor dat doel bestemde gesloten toestellen of ruimten.

  • 4. Het bij het ontzanden ontstane stof moet op doelmatige wijze worden afgezogen, uit de luchtstroom afgescheiden en verzameld.

  • 5. De bij het ontzanden afgezogen lucht mag niet worden afgevoerd naar een ruimte waarin personen moeten verblijven.

Artikel 4.62 Toepasselijkheid

Voor zover de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 4.59, eerste en tweede lid, en 4.60, eerste en zevende lid, zijn toegestaan, is daarop afdeling 2 van dit hoofdstuk van toepassing.

AFDELING 7 LOOD EN LOODWIT

§ 1 Lood

Artikel 4.63 Definitie lood
  • 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt onder lood verstaan: metallisch lood en zijn ionverbindingen.

  • 2. Onder lood wordt niet verstaan: loodalkylen.

Artikel 4.64 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie, beoordelen
  • 1. Bij arbeid waarbij gevaar voor blootstelling van werknemers aan lood bestaat, worden, in het kader van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, de aard, de mate en de duur van de blootstelling beoordeeld teneinde het gevaar voor de werknemers te bepalen.

  • 2. De beoordeling wordt, in aanvulling op artikel 4 van de wet, herzien, indien er redenen zijn om aan te nemen dat de uitgevoerde beoordeling onjuist is.

  • 3. De ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers, wordt de gelegenheid gegeven een oordeel te geven over een beoordeling en over de resultaten daarvan.

Artikel 4.65 Eerste actieniveau loodgehalte in het bloed

Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.64, eerste en tweede lid, blijkt, dat het loodgehalte in het bloed van enige blootgestelde werknemer hoger is dan het bij ministeriële regeling vastgestelde eerste actieniveau met betrekking tot het loodgehalte in het bloed, worden, in aanvulling op artikel 24a van de wet, de werknemers, zo vaak als nodig is, in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan dat gericht is op het beperken van de gevaren voor de gezondheid verbonden aan de blootstelling aan lood. Artikel 4.74 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.66 Tweede actieniveau loodgehalte in het bloed, actieniveau concentratie van lood in de lucht

Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.64, eerste en tweede lid, blijkt dat:

a. het loodgehalte in het bloed van enige blootgestelde werknemer hoger is dan het bij ministeriële regeling vastgestelde tweede actieniveau met betrekking tot het loodgehalte in het bloed, of

b. de concentratie van lood in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld hoger is dan het bij ministeriële regeling vastgestelde actieniveau met betrekking tot de concentratie van lood in de lucht, zijn de artikelen 4.67 tot en met 4.76 van toepassing.

Artikel 4.67 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie, meten
  • 1. De concentratie van lood in de lucht waaraan de werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld wordt, in het kader van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, ten minste om de drie maanden gemeten. Deze frequentie mag in bij ministeriële regeling bepaalde gevallen worden teruggebracht tot éénmaal per jaar.

  • 2. De metingen, bedoeld in het eerste lid, zijn representatief voor de blootstelling van de werknemers aan lood. Zij worden uitgevoerd door het nemen van een of meer luchtmonsters en wel op een zodanige wijze, dat de vermoedelijke maximale blootstelling van de werknemers aan lood kan worden beoordeeld. De ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel te geven over de wijze van monsterneming.

  • 3. Indien werknemers op een zelfde plaats identieke of gelijksoortige taken verrichten en dientengevolge aan dezelfde gevaren worden blootgesteld, mag de monsterneming voor deze werknemers op groepsbasis worden uitgevoerd met dien verstande, dat in dat geval voor ten minste een op de tien werknemers een luchtmonster wordt genomen.

  • 4. Bij de eerste meting, nadat is geconstateerd, dat een van de in artikel 4.66 bedoelde actieniveaus is overschreden, bedraagt de totale duur van de monsterneming ten minste 4 uur. De totale duur van de monsterneming mag voorts niet minder dan 4 uur bedragen, indien de voorafgaande meting heeft geresulteerd in waarden met betrekking tot de concentratie van lood in de lucht, die hoger zijn dan die welke eerder zijn verkregen.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden de technische specificaties van de apparatuur met behulp waarvan de in dit artikel bedoelde metingen worden uitgevoerd, vastgesteld alsmede regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de luchtmonsters worden geanalyseerd.

Artikel 4.68 Luchtgrenswaarde
  • 1. De concentratie van lood in de lucht waaraan de werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, mag de bij ministeriële regeling daarvoor vastgestelde grenswaarde niet overschrijden. Bij die regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorgaande volzin.

  • 2. Bij overschrijding van de in het eerste lid bedoelde waarde worden zo spoedig mogelijk doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde. De ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel over de maatregelen te geven. Nadat de maatregelen zijn genomen wordt de concentratie gemeten overeenkomstig artikel 4.67.

  • 3. Zolang de in het tweede lid bedoelde maatregelen nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd of niet tot een doeltreffende bescherming leiden, mag de arbeid op de desbetreffende arbeidsplaats alleen worden voortgezet, indien doeltreffende maatregelen zijn genomen ter bescherming van de betrokken werknemers. Het tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Wanneer de blootstelling van de werknemers aan lood redelijkerwijs niet met andere middelen kan worden beperkt dan met behulp van persoonlijke beschermingsmiddelen, mag dit niet blijvend op deze wijze geschieden en wordt de duur van het dragen daarvan voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke beperkt.

  • 5. Indien bij bepaalde werkzaamheden overschrijding van de in het eerste lid bedoelde waarde kan worden verwacht en technische maatregelen ter beperking van de blootstelling van de werknemers redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn, mag tot het verrichten van deze werkzaamheden slechts worden overgegaan, indien doeltreffende maatregelen zijn genomen ter bescherming van de betrokken werknemers en de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers de gelegenheid is gegeven een oordeel over die maatregelen te geven.

  • 6. Bij incidenten die kunnen leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling van werknemers aan lood, worden de werknemers onverwijld van de desbetreffende arbeidsplaats verwijderd. Slechts de werknemers, belast met het uitvoeren van de noodzakelijke herstelwerkzaamheden, mogen met gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen de desbetreffende zone betreden.

Artikel 4.69 Registratie

De resultaten van de op grond van de artikelen 4.67 en 4.68 uitgevoerde metingen van de concentratie van lood in de lucht worden in passende vorm geregistreerd en voor iedere werknemer tot ten minste tien jaar na beëindiging van diens blootstelling aan lood bewaard. Zij worden, voorzien van een toelichting, ter kennis gebracht van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers.

Artikel 4.70 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek
  • 1. De werknemers worden, in aanvulling op artikel 24a van de wet, vóór of bij de aanvang van de blootstelling aan lood in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan, dat gericht is op het beperken van de gevaren voor de gezondheid die aan de blootstelling zijn verbonden. Dit arbeidsgezondheidskundig onderzoek omvat onder meer een meting van het loodgehalte in het bloed.

  • 2. Indien de werknemer gedurende minder dan een maand gevaar van hoge blootstelling loopt, mag de meting van het loodgehalte in het bloed worden vervangen door de meting van het delta-aminolevulinezuurgehalte in de urine (ALAU).

  • 3. De werknemers worden na de aanvang van de blootstelling aan lood ten minste éénmaal per jaar opnieuw in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid te ondergaan, met dien verstande dat de gelegenheid tot meting van het loodgehalte in het bloed ten minste tweemaal per jaar wordt gegeven. De frequentie waarmee de gelegenheid tot meting van het loodgehalte in het bloed wordt gegeven, mag in bij ministeriële regeling bepaalde gevallen worden teruggebracht tot éénmaal per jaar.

  • 4. Bij overschrijding van de in artikel 4.68 bedoelde waarde wordt de werknemers onverwijld de gelegenheid gegeven tot meting van het loodgehalte in het bloed, indien de dienst, bedoeld in artikel 4.74, zulks noodzakelijk oordeelt.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden de methoden vastgesteld, volgens welke het in dit artikel bedoelde loodgehalte in het bloed en het ALAU worden gemeten.

Artikel 4.71 Derde actieniveau
  • 1. Indien uit een overeenkomstig artikel 4.70 uitgevoerde meting van het loodgehalte in het bloed van een werknemer blijkt, dat dit gehalte hoger is dan het bij ministeriële regeling daarvoor vastgestelde derde actieniveau, doch lager dan de in artikel 4.72 bedoelde waarde, wordt de betrokken werknemer zo spoedig mogelijk in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.70, eerste lid te ondergaan, tenzij uit een nieuwe meting van het loodgehalte in het bloed, die binnen een maand na de eerdere meting wordt verricht overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 4.70, vijfde lid, blijkt dat het derde actieniveau niet meer wordt overschreden.

  • 2. Indien het resultaat van het in het eerste lid bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek daartoe aanleiding geeft, worden doeltreffende maatregelen genomen om schade aan de gezondheid van de betrokken werknemer door blootstelling aan lood te voorkomen.

  • 3. De betrokken werknemer wordt voorts met kortere tussenpozen dan in artikel 4.70, derde lid, is voorgeschreven, opnieuw in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.70, eerste lid te ondergaan, totdat het loodgehalte in zijn bloed lager is dan het in het eerste lid bedoelde actieniveau.

Artikel 4.72 Bloedgrenswaarde
  • 1. Indien uit een overeenkomstig artikel 4.70 of artikel 4.71 uitgevoerde meting van het loodgehalte in het bloed van een werknemer blijkt, dat dit gehalte de bij ministeriële regeling daarvoor vastgestelde grenswaarde overschrijdt, worden onverwijld doeltreffende maatregelen genomen om het loodgehalte terug te brengen tot beneden die waarde.

  • 2. De betrokken werknemer wordt binnen drie maanden na die meting opnieuw de gelegenheid gegeven tot meting van het loodgehalte in zijn bloed. Deze meting wordt uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 4.70, vijfde lid.

  • 3. Indien uit de in het tweede lid bedoelde meting blijkt, dat de in het eerste lid bedoelde waarde nog steeds wordt overschreden, mag de betrokken werknemer bij zijn arbeid slechts aan lood worden blootgesteld, indien deze blootstelling plaatsvindt op een andere arbeidsplaats, waar het blootstellingsgevaar minder groot is dan op zijn eerdere arbeidsplaats.

  • 4. De betrokken werknemer wordt voorts met kortere tussenpozen dan in artikel 4.70, derde lid, is voorgeschreven opnieuw in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 4.70, eerste lid te ondergaan.

  • 5. Op verzoek van de werkgever of de betrokken werknemer worden de in dit artikel bedoelde metingen van het loodgehalte in het bloed opnieuw beoordeeld. Deze beoordeling treedt in de plaats van de daaraan voorafgaande.

Artikel 4.73 ALAU-grenswaarde

Indien op grond van artikel 4.70, tweede lid, de meting van het loodgehalte in het bloed is vervangen door de meting van het ALAU en dit gehalte de bij ministeriële regeling daarvoor vastgestelde grenswaarde overschrijdt, worden onverwijld doeltreffende maatregelen genomen om het ALAU terug te brengen tot beneden die waarde.

Artikel 4.74 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek, arbodienst
  • 1. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek en de metingen van het loodgehalte in het bloed, bedoeld in de artikelen 4.70, 4.71 en 4.72 worden uitgevoerd door een arbodienst waaraan of ten behoeve waarvan een certificaat arbodienst is afgegeven.

  • 2. Aan de dienst worden alle gegevens ter beschikking gesteld die deze nodig heeft voor de beoordeling van de blootstelling van de werknemers aan lood, met inbegrip van de resultaten van de metingen van de concentratie van lood in de lucht.

  • 3. De dienst wordt in de gelegenheid gesteld om te adviseren over de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.68, derde en vijfde lid, 4.71, tweede lid, en 4.72, eerste en derde lid.

  • 4. Telkens wanneer op grond van de artikelen 4.70, 4.71 en 4.72 een arbeidsgezondheidskundig onderzoek of een meting van het loodgehalte in het bloed is uitgevoerd, wordt de betrokken werknemer in kennis gesteld van de resultaten daarvan alsmede van de betekenis van deze resultaten.

  • 5. De resultaten van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek en de metingen van het loodgehalte in het bloed worden in passende vorm geregistreerd en voor iedere werknemer tot ten minste tien jaar na beëindiging van diens blootstelling aan lood bewaard. De resultaten van de metingen van het loodgehalte in het bloed en van het ALAU, bedoeld in de artikelen 4.70, 4.71 en 4.72, worden, voorzien van een toelichting, in statistische, niet tot individuen herleidbare vorm, ter kennis gebracht van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers.

Artikel 4.75 Eten en drinken
  • 1. Zones zijn ingericht, waar de werknemers zonder gevaar voor besmetting door lood kunnen eten en drinken.

  • 2. Op zeer warme arbeidsplaatsen wordt drinkwater of een andere alcoholvrije drank aan de werknemers ter beschikking gesteld, en wel op zodanige wijze, dat daarbij geen besmetting door lood kan plaatsvinden.

Artikel 4.76 Hygiënische beschermingsmaatregelen
  • 1. Werkkleding die door de werknemers bij de arbeid wordt gedragen, wordt aan de werknemers ter beschikking gesteld. Deze kleding voldoet aan afdeling 1 van hoofdstuk 8.

  • 2. In aanvulling op artikel 3.22 wordt de werkkleding op een andere plaats opgeborgen dan de overige kleding.

  • 3. De werkkleding mag uitsluitend buiten het bedrijf of de inrichting worden gebracht, indien dit geschiedt met het doel deze te laten reinigen in daartoe adequaat uitgeruste wasserijen. In dat geval wordt de werkkleding in een gesloten verpakking vervoerd.

  • 4. In aanvulling op artikel 3.23 zijn voor de werknemers doelmatige wasgelegenheden en doucheruimten beschikbaar, indien de arbeid in een stoffige atmosfeer wordt verricht.

Artikel 4.77 Voorlichting

Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.64, eerste en tweede lid, blijkt, dat:

a. de concentratie van lood in de lucht, waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, hoger is dan het bij ministeriële regeling vastgestelde eerste actieniveau met betrekking tot de concentratie van lood in de lucht, of

b. het loodgehalte in het bloed van enige blootgestelde werknemer hoger is dan het bij ministeriële regeling vastgestelde eerste actieniveau met betrekking tot het loodgehalte in het bloed, wordt doeltreffende voorlichting gegeven over:

1°. de mogelijke gevaren van blootstelling aan lood voor de gezondheid, met inbegrip van de mogelijke gevaren voor de foetus en voor zuigelingen die borstvoeding krijgen;

2°. de noodzaak van het toezicht op het loodgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarden;

3°. de noodzaak van de meting van het loodgehalte in het bloed en van het ALAU en de daarvoor geldende grenswaarde;

4°. de maatregelen inzake de persoonlijke en werkhygiëne;

5°. de maatregelen om de blootstelling aan lood zo laag mogelijk te houden.

§ 2 Loodwit

Artikel 4.78 Loodwitverbod
  • 1. In afwijking van paragraaf 1 van deze afdeling is het verboden om loodwit, loodsulfaat of producten die een van deze stoffen als bestanddeel bevatten, te gebruiken bij het schilderen van binnenwerk van gebouwen of vaartuigen.

  • 2. Als stof in de zin van het eerste lid wordt niet beschouwd het loodsulfaat, dat bij de bereiding van chroomaatgeel is medegeprecipiteerd.

Artikel 4.79 Schriftelijke voorlichting

Aan werknemers die met loodhoudende materialen of producten schilderwerk verrichten, dat niet op grond van artikel 4.78 is verboden, wordt, in aanvulling op artikel 4.77, schriftelijk en adequaat voorlichtingsmateriaal verschaft over de bij die werkzaamheden in acht te nemen voorzorgsmaatregelen.

Artikel 4.80 Wasgelegenheden en doucheruimten

In afwijking van artikel 4.76, vierde lid, zijn voor de werknemers die werkzaamheden verrichten, bestaande uit het aanbrengen of verwijderen van loodhoudende materialen of producten, doelmatige wasgelegenheden en doucheruimten beschikbaar.

Artikel 4.81 Uitzondering

Deze paragraaf is niet van toepassing op verven waarvan het pigment in de droge stof ten hoogste 2 gewichtsprocenten aan lood bevat.

AFDELING 8 FOSFORLUCIFERS

Artikel 4.82 Definitie

Onder fosforlucifers wordt verstaan: lucifers waarin witte fosfor (CAS-nummer 12185–10–3) voorkomt.

Artikel 4.83 Fosforlucifersverbod

  • 1. Het is verboden fosforlucifers te vervaardigen.

  • 2. Het is verboden fosforlucifers in voorraad te houden, anders dan ten behoeve van doorvoer.

AFDELING 9 BIOLOGISCHE AGENTIA

§ 1 Definities en toepasselijkheid

Artikel 4.84 Biologisch agentia, celculturen en micro-organismen
  • 1. De afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op biologische agentia.

  • 2. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    a. biologische agentia: al dan niet genetisch gemodificeerde celculturen, menselijke endoparasieten en micro-organismen;

    b. celcultuur: het kunstmatig kweken van cellen van meercellige organismen;

    c. micro-organisme: een cellulaire of niet-cellulaire microbiologische entiteit met het vermogen tot vermenigvuldiging of tot overbrenging van genetisch materiaal;

    d. richtlijn: Richtlijn nr. 90/679/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 november 1990 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (PbEG L 374).

  • 3. Voor de toepassing van deze afdeling worden biologische agentia in de volgende categorieën onderscheiden:

    a. categorie 1: een agens waarvan het onwaarschijnlijk is dat het bij de mens ziekten zal veroorzaken;

    b. categorie 2: een agens dat bij mensen een ziekte kan veroorzaken en een gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers kan opleveren, maar waarvan het onwaarschijnlijk is dat het zich onder de bevolking verspreidt, terwijl er een effectieve profylaxe of behandeling bestaat;

    c. categorie 3: een agens dat bij mensen een ernstige ziekte kan veroorzaken en een groot gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers kan opleveren en waarvan het waarschijnlijk is dat het zich onder de bevolking verspreidt, terwijl er een effectieve profylaxe of behandeling bestaat;

    d. categorie 4: een agens dat bij mensen ziekten veroorzaakt en een groot gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers oplevert en waarvan het zeer waarschijnlijk is dat het zich onder de bevolking verspreidt, terwijl geen effectieve profylaxe of behandeling bestaat.

  • 4. In deze afdeling wordt uitgegaan van de categorie-indeling van biologische agentia zoals vastgesteld in bijlage III bij de richtlijn.

§ 2 Inventarisatie en evaluatie en gevolgen categorie-indeling

Artikel 4.85 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie

Indien een werknemer gerede kans loopt aan een of meer specifiek bij zijn arbeid voorkomende of naar verwachting voorkomende biologische agentia te worden blootgesteld, wordt, in het kader van de in artikel 4 van de wet bedoelde inventarisatie en evaluatie, de aard, de mate en de duur van de blootstelling beoordeeld teneinde het gevaar voor de werknemer te bepalen. Deze beoordeling geschiedt met inachtneming van met name:

a. de categorie of categorieën,waarin de biologische agentia waaraan werknemers kunnen worden blootgesteld, zijn ingedeeld;

b. informatie over ziekten die werknemers kunnen oplopen of al hebben opgelopen als gevolg van blootstelling aan biologische agentia;

c. mogelijke allergene of vergiftigingseffecten die de werknemers als gevolg van blootstelling aan biologische agentia ondervinden of kunnen ondervinden;

d. de resultaten van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld in artikel 4.91, alsmede de ziekten waarvan bekend is dat een werknemer hieraan lijdt en de medicijnen waarvan bekend is dat die door een werknemer worden gebruikt, een en ander in statistische, niet tot individuen herleidbare vorm.

Artikel 4.86 Gevolgen categorie-indeling
  • 1. Indien de arbeid gericht is op het werken met biologische agentia behorend tot categorie 2, 3 of 4 zijn de artikelen 4.87 tot en met 4.102 van toepassing .

  • 2. Indien uit de resultaten van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4.85, blijkt, dat werknemers bij het verrichten van andere arbeid dan die, bedoeld in het eerste lid, waaronder de in bijlage I bij de richtlijn genoemde werkzaamheden, een gerede kans lopen aan biologische agentia van categorie 2, 3 of 4 te worden blootgesteld, zijn de artikelen 4.87, 4.89, 4.91, 4.93, 4.95, 4.97, 4.98, 4.99, tweede lid, en 4.102 van toepassing.

  • 3. In alle, niet in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen, wordt bij de arbeid de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid in acht genomen en worden de noodzakelijke hygiënische voorzieningen getroffen.

§ 3 Maatregelen met betrekking tot de blootstelling

Artikel 4.87 Voorkomen of beperken van de blootstelling
  • 1. Doeltreffende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat werknemers tijdens hun arbeid kunnen worden blootgesteld aan biologische agentia in een zodanige mate dat schade kan worden toegebracht aan hun veiligheid of gezondheid.

  • 2. Ter naleving van het eerste lid worden zodanige technische of organisatorische maatregelen genomen, dat het gevaar voor blootstelling aan biologische agentia zoveel mogelijk bij de bron daarvan wordt voorkomen, waaronder mede is begrepen het toepassen van agentia waarbij werknemers, gelet op de eigenschappen van die agentia, de aard van de arbeid, de werkmethoden en de werkomstandigheden, aan zo min mogelijk gevaar voor hun veiligheid en gezondheid worden blootgesteld.

  • 3. Voor zover het op doeltreffende wijze voorkomen van blootstelling door het nemen van maatregelen als bedoeld in het tweede lid redelijkerwijs niet mogelijk is, worden de gevaren verbonden aan deze blootstelling zoveel als redelijkerwijs mogelijk is beperkt.

  • 4. Ter uitvoering van het derde lid worden ten minste de volgende maatregelen genomen:

    a. de duur van de kans op blootstelling wordt zoveel mogelijk beperkt;

    b. het aantal werknemers dat gevaar loopt aan een of meer biologische agentia te worden blootgesteld is niet groter dan voor het verrichten van de arbeid strikt noodzakelijk is;

    c. er worden collectieve beschermingsmaatregelen genomen en, wanneer dit geen of geen afdoende bescherming biedt, worden persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld;

    d. bij de arbeid wordt de grootst mogelijke ordelijkheid en zindelijkheid betracht om te voorkomen dan wel de kans te beperken dat een of meer biologische agentia buiten de arbeidsplaats terecht komen;

    e. biologische agentia worden zodanig bewaard en vervoerd en afvalstoffen worden op zodanige wijze verzameld, opgeslagen en verwijderd, zo nodig na passende behandeling en voorzien van een deugdelijk opschrift, dat de kans op blootstelling zoveel mogelijk wordt voorkomen alsmede wordt voorkomen dat zij in handen van onbevoegden kunnen geraken;

    f. indien noodzakelijk en technisch mogelijk wordt onderzoek gedaan naar de aanwezigheid op de werkplek van biologische agentia buiten de eerste fysieke omhulling;

    g. op de arbeidsplaats is een doeltreffende schriftelijke werkinstructie voor de werknemers voorhanden, waarvan ten minste deel uitmaken de bij de arbeid in acht te nemen procedures, waaronder een regeling voor het veilig omgaan met en het vervoeren van biologische agentia binnen het bedrijf of de inrichting alsmede een doeltreffend noodplan voor het geval zich ongevallen of incidenten met biologische agentia voordoen.

Artikel 4.88 Veiligheidssignalering

De plaatsen waar arbeid wordt verricht met biologische agentia worden duidelijk afgebakend en worden gemarkeerd met een signaal dat voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.

Artikel 4.89 Hygiënische beschermingsmaatregelen
  • 1. Doeltreffende maatregelen worden genomen zodat:

    a. de werknemers niet eten, drinken of roken op plaatsen waar gevaar bestaat voor blootstelling aan biologische agentia;

    b. werkkleding welke voldoet aan afdeling 1 van hoofdstuk 8, aan de werknemers ter beschikking wordt gesteld en bij de arbeid wordt gedragen;

    c. voor de werknemers, in aanvulling op artikel 3.23, doelmatige sanitaire voorzieningen beschikbaar zijn met inbegrip van douches, oogdouches en huidantiseptica;

    d. de aan de werknemer verstrekte persoonlijke beschermingsmiddelen op een daartoe aangewezen plaats worden bewaard en na ieder gebruik worden gecontroleerd en gereinigd;

  • 2. In aanvulling op artikel 3.22 worden de in het eerste lid bedoelde werkkleding en andere persoonlijke beschermingsmiddelen waarin of waarop zich biologische agentia bevinden of kunnen bevinden, op een andere plaats opgeborgen dan de overige kleding. Zij worden uitsluitend buiten het bedrijf of de inrichting gebracht indien dit geschiedt met het doel deze te laten reinigen, ontsmetten of vernietigen. In dat geval worden de werkkleding en andere persoonlijke beschermingsmiddelen in een daartoe geschikte en gesloten verpakking vervoerd.

Artikel 4.90 Registratie
  • 1. In een register wordt bijgehouden welke werknemers arbeid met biologische agentia van categorie 3 en 4 verrichten.

  • 2. In dit register wordt tevens per werknemer geregistreerd welke werkzaamheden hij heeft verricht en, voor zover dit te bepalen is, aan welk biologisch agens of welke biologische agentia hij als gevolg van deze werkzaamheden of als gevolg van een incident of ongeval, is of mogelijkerwijs is blootgesteld.

  • 3. Het in het eerste lid bedoelde register wordt ten minste tien jaar na de laatste blootstelling of mogelijke blootstelling bewaard.

  • 4. In geval een werknemer is blootgesteld of mogelijk is blootgesteld aan een biologisch agens dat infecties tot gevolg kan hebben die:

    a. naar bekend is hardnekkig of latent kunnen zijn;

    b. op basis van de huidige stand van de techniek naar verwachting eerst jaren later kunnen worden onderkend;

    c. een lange incubatietijd hebben;

    d. ondanks behandeling steeds weer terugkeren, of

    e. ernstige complicaties op lange termijn hebben, wordt het in het eerste lid bedoelde register een navenant langere tijd doch niet meer dan veertig jaar na de laatste blootstelling bewaard.

  • 5. Iedere werknemer heeft recht op inzage in de hem betreffende gegevens uit het register.

  • 6. Aan de dienst, bedoeld in artikel 4.91, vierde lid, wordt desgevraagd inzage verschaft in het register, genoemd in het eerste lid.

§ 4 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek

Artikel 4.91 Onderzoek en vaccins
  • 1. Iedere werknemer die arbeid verricht met biologische agentia wordt in aanvulling op artikel 24a van de wet, in de gelegenheid gesteld bij de aanvang van die arbeid een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.

  • 2. Iedere werknemer die een infectie of ziekte heeft opgelopen als gevolg van blootstelling aan een biologisch agens, wordt, in aanvulling op het eerste lid, tussentijds in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.

  • 3. Iedere werknemer die aan een zelfde biologisch agens is blootgesteld als gevolg waarvan een andere werknemer een infectie of ziekte heeft opgelopen, wordt, in aanvulling op het eerste lid, tussentijds in de gelegenheid gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.

  • 4. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek wordt uitgevoerd door een arbodienst waaraan of ten behoeve waarvan een certificaat arbodienst is afgegeven.

  • 5. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek vindt plaats met inachtneming van de praktische aanbevelingen, opgenomen in bijlage IV bij de richtlijn.

  • 6. Indien het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek daartoe aanleiding geeft, worden doeltreffende maatregelen genomen om schade voor de gezondheid van de betrokken werknemer door blootstelling aan biologische agentia te voorkomen.

  • 7. Voor zover mogelijk worden aan iedere werknemer die nog niet immuun is voor de biologische agentia waaraan hij is of waarschijnlijk zal worden blootgesteld, doeltreffende vaccins ter beschikking gesteld. Daarbij wordt bijlage VII bij de richtlijn in acht genomen.

  • 8. Op verzoek van de werkgever of de betrokken werknemer wordt het in dit artikel bedoelde onderzoek opnieuw uitgevoerd. Het resultaat van het hernieuwde onderzoek treedt in de plaats van het daaraan voorafgaande.

  • 9. Iedere werknemer heeft recht op inzage in het hem betreffende medisch dossier.

  • 10. De resultaten van het in dit artikel bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek worden in passende vorm geregistreerd en ten minste tien jaar na de laatste blootstelling of mogelijke blootstelling bewaard. In gevallen als bedoeld in artikel 4.90, vierde lid, worden de resultaten een navenant langere tijd doch niet meer dan veertig jaar bewaard.

  • 11. Iedere werknemer wordt geïnformeerd over de wijze waarop hij na beëindiging van de blootstelling in de gelegenheid wordt gesteld een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan.

§ 5 De ondernemingsraad

Artikel 4.92 Informatie in verband met ongeval of incident

De ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt respectievelijk worden op de hoogte gesteld van ieder ongeval of incident dat zich heeft voorgedaan, zich bijna heeft voorgedaan of zich mogelijkerwijs heeft voorgedaan met biologische agentia en dat heeft geleid tot het vrijkomen, net niet vrijkomen of mogelijkerwijs vrijkomen van een agens of agentia van categorie 2, 3 of 4. Daarbij worden tevens de oorzaken van het ongeval of incident meegedeeld, alsmede de maatregelen die zijn genomen of zullen worden genomen om de gevolgen te verhelpen en verdere ongevallen of incidenten te voorkomen.

Artikel 4.93 Overige informatie
  • 1. Desgevraagd wordt de ondernemingsraad, of worden, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers geïnformeerd over:

    a. de wijze waarop de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4.85, tot stand is gekomen en over het resultaat daarvan;

    b. de werkzaamheden waarbij de werknemers aan biologische agentia worden of kunnen worden blootgesteld;

    c. het aantal werknemers dat aan biologische agentia wordt of kan worden blootgesteld;

    d. de naam en de functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de veiligheid en de gezondheid op het werk;

    e. de genomen preventieve en beschermende maatregelen waaronder mede wordt verstaan de werkinstructie, bedoeld in artikel 4.87, vierde lid, de toegepaste arbeidsprocédés en werkmethoden;

  • 2. De ondernemingsraad heeft of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers hebben recht op inzage in de in dit artikel bedoelde informatie in statistische, niet tot individuen herleidbare vorm.

§ 6 Toezicht

Artikel 4.94 Kennisgeving
  • 1. Ten minste 30 dagen voordat voor de eerste maal arbeid met een of meer biologische agentia van categorie 2, 3 of 4 wordt verricht, wordt hiervan een schriftelijke kennisgeving gezonden aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet.

  • 2. Deze kennisgeving bevat ten minste de volgende gegevens:

    a. de naam en het adres van de werkgever;

    b. de naam en de functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de veiligheid en de gezondheid op het werk;

    c. de resultaten van de in artikel 4.85 bedoelde inventarisatie en evaluatie;

    d. de categorie of categorieën en soort of soorten waartoe het biologische agens of de biologische agentia behoort respectievelijk behoren;

    e. de voorgenomen beschermende en preventieve maatregelen.

  • 3. Met inachtneming van het eerste lid wordt tevens kennis gegeven van arbeid met ieder volgend nieuw biologisch agens van categorie 3 en ieder volgend biologisch agens van categorie 4.

  • 4. In afwijking van het eerste en derde lid wordt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar in geval alleen diagnostische arbeid wordt verricht, hiervan slechts in kennis gesteld, indien deze arbeid voor de eerste maal wordt verricht.

  • 5. De in dit artikel bedoelde kennisgeving wordt opnieuw gedaan, indien er in de procédés of procedures veranderingen hebben plaatsgevonden die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, waardoor eerdere kennisgevingen zijn achterhaald.

Artikel 4.95 Ongevallen of incidenten

Een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte gesteld van ieder ongeval of incident dat zich heeft voorgedaan en heeft geleid of mogelijkerwijs heeft geleid tot het vrijkomen van een of meer biologische agentia van categorie 3 of 4.

Artikel 4.96 Overdracht gegevens

In geval de werkgever de werkzaamheden beëindigt worden het in artikel 4.90 bedoelde register en de resultaten van het in artikel 4.91 bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek, in geval deze bij de werkgever berusten, overgedragen aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet.

§ 7 Bijzondere bepalingen in verband met andere dan diagnostische arbeid in de gezondheidszorg en in de diergeneeskunde

Artikel 4.97 Gezondheidszorg en diergeneeskunde
  • 1. In aanvulling op artikel 4.85 wordt bij de inventarisatie en evaluatie van gevaren, verbonden aan andere dan diagnostische arbeid in de gezondheidszorg en in de diergeneeskunde, aandacht besteed aan:

    a. de onzekerheid omtrent de aanwezigheid van biologische agentia en de daaraan verbonden gevaren bij patiënten of dieren en in monsters of materiaal van patiënten of dieren;

    b. de aan de aard van het werk verbonden gevaren.

  • 2. Bij de in het eerste lid bedoelde arbeid worden ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers doeltreffende maatregelen genomen. Deze bestaan in ieder geval uit:

    a. het opstellen en bekend maken van ontsmettings- en desinfectieprocedures aan de betrokken werknemers;

    b. het opstellen en bekend maken van procedures voor een veilige omgang met en verwijdering van met biologische agentia besmet afvalmateriaal.

Artikel 4.98 Beschermingsmaatregelen

In ruimten waar patiënten of dieren aanwezig zijn die besmet zijn of mogelijkerwijs besmet zijn met biologische agentia van categorie 3 of 4, worden de beschermingsmaatregelen, bedoeld in bijlage V kolom A, bij de richtlijn, getroffen.

§ 8 Speciale maatregelen in laboratoria, ruimten voor proefdieren en industriële procédés

Artikel 4.99 Beheersingsniveaus laboratoria en ruimten voor proefdieren
  • 1. In laboratoria en in ruimten waarin zich dieren bevinden die opzettelijk zijn besmet met biologische agentia van categorie 2, 3 of 4 dan wel dieren die drager zijn of mogelijk zouden kunnen zijn van biologische agentia van een van deze categorieën, worden, afhankelijk van de resultaten van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4.85, ten minste respectievelijk de beheersingsniveaus 2, 3 en 4 van bijlage V bij de richtlijn in acht genomen.

  • 2. Indien in de in het eerste lid bedoelde laboratoria arbeid wordt verricht met materiaal waarvan onzeker is of zich hierin biologische agentia van categorie 2, 3 of 4 bevinden en de arbeid niet is gericht op het werken met biologische agentia, wordt ten minste beheersingsniveau 2 van bijlage V bij de richtlijn in acht genomen.

Artikel 4.100 Beheersingsniveaus industriële procédés
  • 1. In geval biologische agentia van de categorie 2, 3 of 4 worden gebruikt in industriële procédés, worden, afhankelijk van de resultaten van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4.85, ten minste respectievelijk de beheersingsniveaus 2, 3 en 4 van bijlage VI bij de richtlijn in acht genomen.

  • 2. Van industriële procédés, bedoeld in het eerste lid, is sprake indien de arbeid is gericht op het werken met biologische agentia van categorie 2, 3 of 4 in reactorvaten van tien liter of meer.

Artikel 4.101 Beheersingsniveau van niet in bijlage III bij de richtlijn genoemde biologische agentia

Indien arbeid als bedoeld in deze paragraaf wordt verricht met biologische agentia die niet op grond van bijlage III bij de richtlijn in een van de in artikel 4.84, derde lid, bedoelde categorieën zijn ingedeeld, maar waarvan wel aanwijzingen bestaan dat deze agentia naar verwachting dienen te worden ingedeeld in categorie 3 of 4, wordt ten minste beheersingsniveau 3 van bijlage V respectievelijk VI bij de richtlijn in acht genomen.

§ 9 Bijzondere bepalingen inzake voorlichting en onderricht

Artikel 4.102 Voorlichting en onderricht

Aan werknemers die arbeid verrichten als bedoeld in artikel 4.86, eerste en tweede lid wordt voorlichting en onderricht gegeven, waarbij ten minste aandacht wordt besteed aan:

a. de mogelijke gevaren voor de gezondheid die zijn verbonden aan het werken met biologische agentia;

b. de te treffen voorzorgsmaatregelen om blootstelling te voorkomen;

c. de te nemen actie in geval zich een ongeval voordoet met biologische agentia;

d. de bestaande hygiënische voorschriften;

e. het dragen en gebruiken van werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen.

AFDELING 10 BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS

§ 1 Vervoer

Artikel 4.103 Uitzonderingen voor vervoermiddelen
  • 1. Artikel 4.3 is niet van toepassing voor zover de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing is.

  • 2. Artikel 4.7 is niet van toepassing op tankschepen die zich buiten Nederland bevinden.

  • 3. Afdeling 3 van dit hoofdstuk is niet van toepassing op arbeid verricht in respectievelijk op een luchtvaartuig, een zeeschip of een binnenvaartuig dan wel een voertuig op een openbare weg of spoor- of tramweg.

  • 4. Afdeling 5 van dit hoofdstuk is niet van toepassing op arbeid verricht in respectievelijk op een zeeschip dat zich buiten Nederland bevindt, tenzij dit redelijkerwijs kan worden gevergd.

§ 2 Jeugdigen

Artikel 4.104 Schakelbepaling
  • 1. In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk, gelden voor jeugdige werknemers tevens de in deze paragraaf genoemde voorschriften en verboden.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op jeugdige werknemers van 16 jaar en ouder die in het kader van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift geregelde beroepsopleiding of van een voor de toepassing van deze paragraaf bij ministeriële regeling daarmee gelijkgestelde beroepsopleiding, arbeid verrichten met een of meer van de in deze paragraaf genoemde stoffen en waarbij adequaat deskundig toezicht ter bescherming van de jeugdige werknemers is gewaarborgd.

Artikel 4.105 Arbeidsverboden voor gevaarlijke stoffen en biologische agentia
  • 1. Jeugdige werknemers mogen geen arbeid verrichten met stoffen die voldoen aan de krachtens de artikelen 34, derde lid, en 39 van de Wet milieugevaarlijke stoffen vastgestelde criteria voor indeling in een of meer van de categorieën «zeer vergiftig», «vergiftig», «sensibiliserend», «kankerverwekkend», «mutageen» en «voor de voortplanting vergiftig», alsmede stoffen die voldoen aan de bij of krachtens die wet vastgestelde criteria voor toekenning van een van de volgende R-zinnen:

    a. gevaar voor cumulatieve effecten (R33);

    b. gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling (R48).

  • 2. Jeugdige werknemers mogen geen arbeid verrichten met biologische agentia van categorie 3 of 4, bedoeld in afdeling 9 van dit hoofdstuk.

  • 3. Voorts mogen jeugdige werknemers geen arbeid verrichten aan of met kuipen, bassins, leidingen of reservoirs waarin zich een of meer van de in het eerste of tweede lid bedoelde stoffen of biologische agentia bevinden.

Artikel 4.106 Deskundig toezicht bij arbeid met gevaarlijke stoffen

Artikel 1.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op jeugdige werknemers die:

a. arbeid verrichten met stoffen die voldoen aan de krachtens de artikelen 34, derde lid, en 39 van de Wet milieugevaarlijke stoffen vastgestelde criteria voor indeling:

1. in een of meer van de categorieën, «ontplofbaar», «bijtend» en «irriterend»;

2. in de categorie «schadelijk», indien deze stoffen tevens voldoen aan de bij of krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen vastgestelde criteria voor toekenning van R-zin «onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten» (R40);

b. arbeid verrichten met persgassen, onder druk vloeibaar gemaakte gassen, door sterke temperatuurverlaging vloeibaar gemaakte gassen en opgeloste gassen;

c. arbeid verrichten aan of met kuipen, bassins, leidingen of reservoirs waarin zich een of meer van de onder a of b bedoelde stoffen of gassen bevinden;

d. artikelen die ontplofbare stoffen bevatten, vervaardigen of hanteren.

§ 3 Zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie

Artikel 4.107 Schakelbepaling

In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk gelden voor zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie tevens de in deze paragraaf genoemde voorschriften.

Artikel 4.108 Lood

Een zwangere werknemer en een werknemer tijdens de lactatie mogen niet worden verplicht arbeid te verrichten met lood en loodwit, bedoeld in afdeling 7 van dit hoofdstuk.

Artikel 4.109 Enige biologische agentia

Een zwangere werknemer mag niet worden verplicht arbeid te verrichten met de biologische agentia Toxoplasma en Rubellavirus, bedoeld in afdeling 9 van dit hoofdstuk, tenzij gebleken is dat zij hiervoor immuun is.

§ 4 Thuiswerkers

Artikel 4.110 Gevaarlijke stoffen

Thuiswerk met gevaarlijke stoffen is uitsluitend toegestaan met een of meer van de volgende stoffen:

a. stoffen die bij uitsluiting voldoen aan de krachtens de artikelen 34, derde lid, en 39 van de Wet milieugevaarlijke stoffen vastgestelde criteria voor indeling in de categorieën «schadelijk», «irriterend», «ontvlambaar» en «milieugevaarlijk», tenzij deze stoffen voldoen aan de bij of krachtens die wet vastgestelde criteria voor toekenning van een van de volgende R-zinnen:

1°. in droge toestand ontplofbaar (R1);

2°. vormt met metalen zeer gemakkelijk ontplofbare verbindingen (R4);

3°. ontploffingsgevaar door verwarming (R5);

4°. ontplofbaar met en zonder lucht (R6);

5°. reageert heftig met water (R14);

6°. kan ontplofbare peroxiden vormen (R19);

7°. vormt vergiftig gas in contact met water (R29);

8°. kan bij gebruik licht ontvlambaar worden (R30);

9°. vormt vergiftige gassen in contact met zuren (R31);

10°. vormt zeer vergiftige gassen in contact met zuren (R32);

11°. gevaar voor cumulatieve effecten (R33);

12°. onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten (R40);

13°. ontploffingsgevaar bij verwarming in afgesloten toestand (R44);

14°. gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling (R48), en

15°. kan schadelijk zijn via de borstvoeding (R64);

b. stoffen die aan geen van de krachtens de artikelen 34, derde lid, en 39 van de Wet milieugevaarlijke stoffen vastgestelde criteria voor indeling voldoen, tenzij deze stoffen de bijzondere gevaarsaanduidingen dragen, genoemd in bijlage II van hoofdstuk 1, onder B, onderdeel 2° of 6°, bij Richtlijn nr. 88/379/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 7 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid-staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 187).

Artikel 4.111 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie

Met betrekking tot de in artikel 4.110, onder a, genoemde stoffen, met uitzondering van stoffen die uitsluitend voldoen aan de krachtens de artikelen 34, derde lid, en 39 van de Wet milieugevaarlijke stoffen vastgestelde criteria voor indeling in de categorie «milieugevaarlijk», worden in de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, in ieder geval de volgende gegevens vermeld:

a. over de identiteit van die stoffen:

1°. in geval van een enkelvoudige stof: de chemische naam of namen en, indien van toepassing, het nummer waaronder de stof is opgenomen in de lijst van stoffen, bedoeld in bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid-staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 196) of in bijlage III bij Richtlijn nr. 78/631/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke bepalingen in de lid-staten inzake de indeling, verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (bestrijdingsmiddelen) (PbEG L 206);

2°. in geval van een meervoudige stof: de handelsnaam of namen alsmede de chemische naam of namen en de gewichtspercentages van de component of componenten die aanleiding geeft of geven tot indeling in een of meer van de categorieën, genoemd in artikel 4.110, onder a;

b. de benaming van het gevaar of de gevaren van de stof.

Artikel 4.112 Verpakking en etikettering
  • 1. Met betrekking tot de verpakking van een stof die gevaar voor de veiligheid en gezondheid kan opleveren alsmede met betrekking tot de sluiting van die verpakking, is artikel 35, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Op de verpakking van een stof, bedoeld in het eerste lid, worden de aanduidingen welke voor die stof op grond van het voldoen aan de criteria voor indeling in de categorieën, genoemd in artikel 4.110, onder a, ten behoeve van de aflevering van die stof bij of krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen zijn voorgeschreven, opvallend en goed leesbaar vermeld, met uitzondering van de aanduidingen die betrekking hebben op de categorie «milieugevaarlijk».

Artikel 4.113 Arbeidshygiënisch regime

Doeltreffende maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat thuiswerkers bij hun arbeid kunnen worden blootgesteld aan stoffen in zodanige mate, dat schade kan worden toegebracht aan hun gezondheid of dat aan thuiswerkers hinder kan worden veroorzaakt.

Artikel 4.114 Brandbestrijdingsmiddelen

Indien met brandgevaarlijke stoffen wordt gewerkt, zijn in aanvulling op afdeling 4 van hoofdstuk 2, aan de thuiswerker deugdelijke en doelmatige middelen voor het blussen of doven van een brand ter beschikking gesteld.

Artikel 4.115 Voorkomen, beperken van ongewilde gebeurtenissen
  • 1. Indien stoffen aanwezig zijn die gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van thuiswerkers kunnen opleveren, zijn zodanige voorzieningen getroffen dat het gevaar, dat zich met betrekking tot die stoffen een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden.

  • 2. Bij het verrichten van arbeid met stoffen als bedoeld in het eerste lid zijn zodanige voorzieningen getroffen, dat het gevaar, dat zich bij die arbeid een ongewilde gebeurtenis voordoet, zoveel mogelijk is vermeden.

  • 3. Voorts zijn in aanvulling op afdeling 4 van hoofdstuk 2 zodanige voorzieningen getroffen dat in geval zich een ongewilde gebeurtenis als bedoeld in het eerste respectievelijk het tweede lid voordoet, de gevolgen daarvan zoveel mogelijk worden beperkt.

HOOFDSTUK 5 FYSIEKE BELASTING

AFDELING 1 FYSIEKE BELASTING

Artikel 5.1 Definitie richtlijn

In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 90/269/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 mei 1990 betreffende de minimum veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor het handmatig hanteren van lasten met gevaar voor met name rugletsel voor de werknemers (PbEG L 156).

Artikel 5.2 Voorkomen gevaren

De arbeid wordt zodanig georganiseerd, de arbeidsplaats wordt zodanig ingericht, een zodanige productieen werkmethode wordt toegepast of zodanige hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen, worden gebruikt, dat de fysieke belasting geen gevaren met zich kan brengen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer.

Artikel 5.3 Beperken gevaren en inventarisatie en evaluatie

  • 1. Voor zover de in artikel 5.2 bedoelde gevaren redelijkerwijs niet kunnen worden voorkomen, wordt de arbeid zodanig georganiseerd, wordt de arbeidsplaats zodanig ingericht, wordt een zodanige productie- en werkmethode toegepast en worden zodanige hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen, gebruikt, dat die gevaren zoveel als redelijkerwijs mogelijk is worden beperkt.

  • 2. Bij de uitvoering van het eerste lid worden in het kader van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, met inachtneming van bijlage I bij de richtlijn, de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de fysieke belasting beoordeeld, waarbij met name gelet wordt op de kenmerken van de last, de vereiste lichamelijke inspanning, de kenmerken van de werkomgeving en de eisen van de taak.

Artikel 5.4 Zitgelegenheid

  • 1. Aan een werknemer die arbeid verricht, welke geheel of gedeeltelijk zittend kan worden uitgevoerd, is daartoe een doelmatige zitgelegenheid ter beschikking gesteld.

  • 2. Aan werknemers die arbeid verrichten, welke staande moet worden uitgevoerd, doch waarbij het arbeidsproces hun toelaat van tijd tot tijd te gaan zitten, is een voldoende aantal doelmatige zitgelegenheden ter beschikking gesteld.

Artikel 5.5 Voorlichting

  • 1. Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij sprake is van het handmatig hanteren van lasten wordt doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht gegeven over:

    a. de wijze waarop lasten gehanteerd worden;

    b. de aan het handmatig hanteren van lasten verbonden gevaren voor hun veiligheid en gezondheid en de te nemen maatregelen om deze gevaren zo veel mogelijk te beperken.

  • 2. Aan de betrokken werknemers wordt adequate informatie verstrekt over het gewicht van de te hanteren last en, wanneer het gewicht van de last niet gelijk verdeeld is, over het zwaartepunt of de zwaarste kant van die last.

Artikel 5.6 Bijlagen richtlijn

Met betrekking tot fysieke belasting worden de bijlagen I en II bij de richtlijn in acht genomen.

AFDELING 2 BEELDSCHERMWERK

Artikel 5.7 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. beeldscherm: een alfanumeriek of grafisch scherm, ongeacht het gebruikte afbeeldingsprocédé;

b. werkplek: het beeldscherm en het geheel van de daarbij behorende beeldschermapparatuur waarvan een werknemer gebruik maakt, met inbegrip van de onmiddellijke werkomgeving.

Artikel 5.8 Toepasselijkheid

  • 1. Deze afdeling is niet van toepassing op:

    a. bestuurdersplaatsen op machines;

    b. computersystemen die in de eerste plaats bestemd zijn voor gebruik door het publiek;

    c. zogenoemde draagbare systemen die niet aanhoudend worden gebruikt op een werkplek;

    d. rekenmachines, kassa's en andere apparatuur die voorzien zijn van een klein display voor gegevens of hoeveelheden, nodig voor het directe gebruik van die apparatuur;

    e. conventionele schrijfmachines met display.

  • 2. Voorts is deze afdeling niet van toepassing op arbeid waarbij een werknemer gewoonlijk minder dan twee uren per etmaal gebruik maakt van een beeldscherm.

Artikel 5.9 Inventarisatie en evaluatie

  • 1. In de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, wordt specifiek aandacht besteed aan de gevaren voor het gezichtsvermogen en die van de fysieke en psychische belasting als gevolg van arbeid aan een beeldscherm.

  • 2. Op basis van de uitkomsten van de in het eerste lid bedoelde inventarisatie en evaluatie worden doeltreffende maatregelen genomen om de desbetreffende gevaren te ondervangen, rekening houdend met de gevolgen van die gevaren en de onderlinge samenhang daartussen.

Artikel 5.10 Dagindeling van de arbeid

De arbeid aan een beeldscherm is zodanig georganiseerd dat deze arbeid telkens na ten hoogste twee achtereenvolgende uren wordt afgewisseld door andersoortige arbeid of door een rusttijd, zodanig dat de belasting van het verrichten van de arbeid aan een beeldscherm wordt verlicht.

Artikel 5.11 Maatregelen met betrekking tot de bescherming van de ogen en het gezichtsvermogen van de werknemers

  • 1. Iedere werknemer die voor de eerste keer belast wordt met arbeid aan een beeldscherm wordt, in aanvulling op artikel 24a van de wet, in de gelegenheid gesteld om vóór de aanvang van die arbeid een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. Dit onderzoek heeft in ieder geval betrekking op de ogen en het gezichtsvermogen.

  • 2. De werknemer wordt opnieuw in de gelegenheid gesteld een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, te ondergaan, indien zich bij hem gezichtsstoornissen voordoen die het gevolg kunnen zijn van het verrichten van arbeid aan een beeldscherm.

  • 3. Indien de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste en het tweede lid, dit vereisen, wordt de betrokken werknemer in de gelegenheid gesteld een oftalmologisch onderzoek te ondergaan.

  • 4. Indien de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, dit vereisen en normale oogcorrectiemiddelen niet kunnen worden gebruikt, worden aan de betrokken werknemer speciale, met de desbetreffende arbeid verband houdende, oogcorrectiemiddelen verstrekt.

  • 5. Het onderzoek, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, wordt uitgevoerd door een arbodienst waaraan of ten behoeve waarvan een certificaat arbodienst is afgegeven.

Artikel 5.12 Voorschriften voor de inrichting van werkplekken

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de werkplek en de wisselwerking tussen de gebruikte programmatuur en de werknemers.

AFDELING 3 BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS

§ 1 Vervoer

Artikel 5.13 Toepasselijkheid

Afdeling 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

a. bestuurdersplaatsen op een voertuig op een openbare weg of spoor- of tramweg;

b. computersystemen in een luchtvaartuig, een zeeschip of een binnenvaartuig dan wel een voertuig op een openbare weg of spoor- of tramweg.

§ 2 Thuiswerkers

Artikel 5.14 Toepasselijkheid

Op thuiswerk zijn de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.15 Werkplekvoorzieningen
  • 1. De arbeidsplaats van een thuiswerker is zodanig ingericht dat de arbeid zoveel mogelijk zittend op ergonomisch verantwoorde wijze kan worden verricht. Daartoe zijn een doelmatige zitgelegenheid en een doelmatig werkblad of een doelmatige werktafel ter beschikking gesteld.

  • 2. Indien de thuiswerker reeds uit eigen hoofde beschikt over de in het eerste lid bedoelde voorzieningen, behoeven deze niet alsnog ter beschikking te worden gesteld.

HOOFDSTUK 6 FYSISCHE FACTOREN

AFDELING 1 KLIMAAT

Artikel 6.1 Binnen- en buitenklimaat

  • 1. Het klimaat op de arbeidsplaats veroorzaakt geen schade aan de gezondheid van de werknemers. Voorts is het klimaat op de arbeidsplaats zo behaaglijk en gelijkmatig als redelijkerwijs mogelijk. Daarbij wordt rekening gehouden met de aard van de werkzaamheden die door de werknemers worden verricht en de fysieke belasting die het gevolg is van die werkzaamheden. Hinderlijke tocht wordt vermeden, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2. Indien door het klimaat op de arbeidsplaats toch schade aan de gezondheid van de werknemers kan ontstaan, worden persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. Indien de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen schade aan de gezondheid niet kunnen voorkomen, wordt de duur van de arbeid in een zodanige mate beperkt of wordt de arbeid met een zodanige frequentie afgewisseld door een tijdelijk verblijf op een plaats waar een klimaat heerst als bedoeld in het eerste lid, dat geen schade aan de gezondheid ontstaat.

Artikel 6.2 Luchtverversing

  • 1. Op de arbeidsplaats is voldoende niet verontreinigde lucht aanwezig.

  • 2. Luchtverversingsinstallaties zijn altijd bedrijfsklaar. Zij zijn voorzien van een controlesysteem dat storingen in de installatie signaleert voor zover dat noodzakelijk is voor de gezondheid van de werknemers.

AFDELING 2 VERLICHTING

Artikel 6.3 Daglicht en kunstlicht

  • 1. Arbeidsplaatsen en de directe toegangen daartoe zijn gedurende de aanwezigheid van de werknemers door daglicht, door kunstlicht of door beide voldoende en doelmatig verlicht.

  • 2. Het kunstlicht is zodanig aangebracht dat gevaar voor ongevallen is voorkomen.

  • 3. De voor kunstlicht gebruikte kleur mag de waarneming van de veiligheids- en gezondheidssignalering, bepaald bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8, niet wijzigen of benvloeden.

Artikel 6.4 Daglicht

  • 1. In een uitwendige scheidingsconstructie van een besloten ruimte waar overdag door iemand gemiddeld meer dan twee uur arbeid wordt verricht, zijn doorzichtige lichtopeningen aangebracht waardoor daglicht kan toetreden. Het gezamenlijk oppervlak van de lichtopeningen bedraagt ten minste 1/20 van het vloeroppervlak van die ruimte.

  • 2. De lichtopeningen mogen zich ook bevinden in de inwendige scheidingsconstructie van de besloten ruimte, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een andere besloten ruimte als bedoeld in het eerste lid of met een ruimte als bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 1, paragraaf 5.

  • 3. Het eerste of tweede lid geldt niet indien daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan. In dat geval wordt het vereiste minimum oppervlak aan lichtopeningen van 1/20 van het vloeroppervlak zo dicht mogelijk benaderd.

Artikel 6.5 Weren van zonlicht

In een besloten ruimte waar arbeid wordt verricht kan rechtstreeks invallend zonlicht worden geweerd.

AFDELING 3 GELUID

§ 1 Algemeen

Artikel 6.6 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. equivalent geluidniveau in dB(A): het energetisch gemiddelde geluidniveau gedurende een bepaalde beoordelingstijd, uitgedrukt in dB(A);

b. momentaan geluiddrukniveau in Pa: de niet-gewogen geluiddruk die wordt gemeten met een geluidniveaumeter in de stand «peak-hold», uitgedrukt in Pa;

c. geluiddosisniveau in dB(A): het energetisch gemiddelde geluidniveau gedurende een representatieve werkdag, uitgedrukt in dB(A).

§ 2 Geluidvoorschriften

Artikel 6.7 Nadere voorschriften inventarisatie en evaluatie, beoordelen en meten
  • 1. Op elke arbeidsplaats wordt in het kader van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, het geluidniveau beoordeeld en, indien nodig, gemeten teneinde te bepalen waar en in welke mate werknemers aan de in deze afdeling vastgestelde niveaus van schadelijk geluid kunnen worden blootgesteld.

  • 2. De beoordeling en de meting zijn representatief voor de blootstelling aan geluid op de arbeidsplaats gedurende de dagelijkse arbeidstijd. De beoordeling en de meting worden, in aanvulling op artikel 4 van de wet, volgens een schriftelijk vastgelegd tijdschema periodiek herhaald en in ieder geval herzien, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of er redenen zijn om aan te nemen dat de uitgevoerde beoordeling of meting onjuist is.

  • 3. De bij de meting gebruikte methoden en apparaten zijn aan de desbetreffende omstandigheden aangepast. Met name wordt daarbij gelet op de kenmerken van het te meten geluid en de omgevingsfactoren. De gebruikte methoden en apparaten zijn geschikt om te bepalen of de in deze afdeling vastgestelde niveaus van schadelijk geluid al dan niet worden overschreden.

  • 4. De ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de wijze van beoordeling en meting.

  • 5. De resultaten van de op grond van dit artikel uitgevoerde beoordelingen en metingen worden in passende vorm geregistreerd en gedurende ten minste tien jaar bewaard. De resultaten worden, voorzien van een toelichting, ter kennis gebracht van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers.

Artikel 6.8 Voorkomen of beperken van schadelijk geluid
  • 1. Machines, werktuigen, apparaten, installaties, vervoer- en transportmiddelen zijn van zodanige constructie, zijn zodanig ingericht, opgesteld of ondersteund en worden zodanig onderhouden, dat zij bij het in werking zijn op de arbeidsplaats geen equivalent geluidniveau veroorzaken hoger dan 85 dB(A) of een momentaan geluiddrukniveau hoger dan 200 Pa, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2. Het verrichten van werkzaamheden geschiedt zodanig, dat daarbij op de arbeidsplaats geen equivalent geluidniveau veroorzaakt wordt hoger dan 85 dB(A) of een momentaan geluiddrukniveau hoger dan 200 Pa, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3. Indien de uitzondering, genoemd in de laatste zinsnede van het eerste of tweede lid, van toepassing is, zijn doeltreffende voorzieningen getroffen, waardoor zoveel mogelijk wordt voorkomen dat de in het eerste en tweede lid genoemde geluidniveaus op de arbeidsplaats heersen, tenzij ook dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In het plan van maatregelen, bedoeld in artikel 4 van de wet, worden de desbetreffende voorzieningen vermeld.

  • 4. In gevallen waarin voorzieningen, getroffen op grond van het derde lid, de werknemers onvoldoende bescherming bieden tegen de in het eerste en tweede lid genoemde geluidniveaus en in gevallen waarin het treffen van vorenbedoelde voorzieningen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, worden doeltreffende maatregelen genomen om de blootstellingsduur alsmede het aantal werknemers dat aan de desbetreffende geluidniveaus wordt blootgesteld, zoveel mogelijk te beperken. Het derde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. In gevallen, waarin werknemers kunnen worden blootgesteld aan een equivalent geluidniveau op de arbeidsplaats van 80 dB(A) of hoger, worden persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende aantal beschikbaar gesteld. De persoonlijke beschermingsmiddelen bieden een demping van het geluid tot een equivalent geluidsniveau van 80 dB(A) of lager. Indien een zodanige demping technisch niet mogelijk is, wordt door de persoonlijke beschermingsmiddelen ten minste een demping van het geluid geboden tot beneden het equivalent geluidniveau van 90 dB(A). De betrokken werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel over de keuze van de soort persoonlijke beschermingsmiddelen kenbaar te maken.

  • 6. Bij overschrijding van het equivalent geluidniveau van 90 dB(A) of van het momentaan geluiddrukniveau van 200 Pa, worden door de werknemers de persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt. Het ongevalsgevaar als gevolg van het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen wordt zoveel mogelijk door doeltreffende maatregelen beperkt. Het vijfde lid, tweede tot en met vierde volzin, is van toepassing.

  • 7. De plaatsen waar overschrijding van ten minste een van de in het zesde lid genoemde geluidniveaus kan worden verwacht, zijn duidelijk afgebakend en gemarkeerd door signalen die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde. Alleen werknemers die beroepshalve of uit hoofde van hun functie deze plaatsen moeten betreden mogen daar worden toegelaten.

  • 8. De belanghebbende werknemers en, indien aanwezig de ondernemingsraad, worden, in geval toepassing wordt gegeven aan de uitzonderingen, bedoeld in de laatste zinsnede van het eerste en tweede lid, en de laatste zinsnede van de eerste volzin van het derde lid, in kennis gesteld van de redenen daarvan alsmede van de op grond van het derde lid getroffen voorzieningen en de op grond van het vierde lid genomen maatregelen.

  • 9. Op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt het in het eerste en tweede lid genoemde geluidniveau van 85 dB(A) vervangen door 80 dB(A).

Artikel 6.9 Weekgemiddelde

In gevallen waarin werknemers die bijzondere taken uitvoeren, in verband met het uitvoeren van deze taken moeten verblijven op een arbeidsplaats waar het niveau van het geluid van dag tot dag sterk varieert en het redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat de in artikel 6.8, derde en vierde lid, bedoelde voorzieningen en maatregelen getroffen respectievelijk genomen worden, gelden de volgende voorschriften:

a. het gemiddelde niveau van het geluid, berekend of gemeten over een periode van een week, mag het in artikel 6.8, eerste en tweede lid, genoemde equivalente geluidniveau niet overschrijden, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd;

b. periodiek, doch in ieder geval telkens indien er voor het geluid op de arbeidsplaats relevante veranderingen plaatsvinden in de arbeid of de omstandigheden waaronder deze arbeid wordt verricht, wordt gecontroleerd of nog voldaan wordt aan het onder a genoemde voorschrift.

Artikel 6.10 Audiometrisch onderzoek
  • 1. Werknemers die worden blootgesteld aan een geluiddosisniveau van 80 dB(A) worden, in aanvulling op artikel 24a van de wet, in de gelegenheid gesteld een audiometrisch onderzoek te ondergaan.

  • 2. Het audiometrisch onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd door een arbodienst waaraan of ten behoeve waarvan een certificaat arbodienst is afgegeven.

  • 3. Zolang de blootstelling aan het in het eerste lid genoemde geluidniveau duurt, worden de betrokken werknemers met tussenpozen van vier jaar of met kortere tussenpozen indien dit naar het oordeel van de arbodienst noodzakelijk is, opnieuw in de gelegenheid gesteld om een audiometrisch onderzoek te ondergaan.

  • 4. Aan de arbodienst wordt inzage gegeven in het register, bedoeld in artikel 6.7, vijfde lid, en wordt de gelegenheid geboden om te adviseren over de te nemen preventieve of persoonlijke beschermende maatregelen.

  • 5. De resultaten van het audiometrisch onderzoek worden gedurende ten minste 10 jaar bewaard.

  • 6. De betrokken werknemer wordt in kennis gesteld van de resultaten van elk audiometrisch onderzoek dat hij op grond van dit artikel heeft ondergaan.

Artikel 6.11 Voorlichting en onderricht

Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij overschrijding van het equivalente geluidniveau van 80 dB(A) of van het momentaan geluiddrukniveau van 200 Pa kan worden verwacht, worden doeltreffende voorlichting en doeltreffend onderricht gegeven over:

a. de mogelijke gevaren voor het gehoor als gevolg van blootstelling aan geluid;

b. de bestaande regelgeving met betrekking tot geluid en de op grond van deze regelgeving te nemen maatregelen;

c. de gevallen waarin persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking worden gesteld en de gevallen waarin en de wijze waarop de persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt;

d. de inhoud en betekenis van een periodiek te herhalen audiometrisch onderzoek en de gevallen waarin aan werknemers de gelegenheid wordt geboden om een dergelijk onderzoek te ondergaan.

AFDELING 4 STRALING

Artikel 6.12 Toestellen

  • 1. Toestellen die schadelijke, niet-ioniserende elektromagnetische straling kunnen uitzenden bestaan uit deugdelijk materiaal, zijn van deugdelijke constructie en verkeren in goede staat. Deze toestellen bevinden zich in een zodanige ruimte en zijn voorts zodanig ingericht, opgesteld of afgeschermd, dat bij het in werking zijn van die toestellen gezondheidsschade als gevolg van bedoelde straling zoveel mogelijk is voorkomen.

  • 2. Indien bij het in werking zijn van een toestel als bedoeld in het eerste lid, het gevaar van gezondheidsschade als gevolg van de straling ondanks de naleving van dat lid, niet of niet geheel kan worden voorkomen, worden zodanige organisatorische maatregelen getroffen dat bedoelde schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. Indien de organisatorische maatregelen de schade niet of niet voldoende kunnen voorkomen, worden persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld die door de werknemers bij de arbeid worden gebruikt.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen niveaus worden vastgesteld, waarboven voor de toepassing van dit artikel die straling wordt geacht schadelijk te zijn.

AFDELING 5 WERKEN ONDER OVERDRUK

Artikel 6.13 Definities en toepasselijkheid

  • 1. In het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:

    a. duikarbeid: het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een droge duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die droge duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk;

    b. caissonarbeid: het verrichten van arbeid in een ruimte die onder een druk van ten minste 104 Pa boven de atmosferische druk staat en geheel of gedeeltelijk door een vloeistof wordt omgeven alsmede het verblijf in en het transport van en naar die ruimte;

    c. overige arbeid onder overdruk: het verrichten van andere arbeid dan duik- of caissonarbeid in een ruimte onder een druk van ten minste 104 Pa boven de atmosferische druk met inbegrip van het verblijf in die ruimte.

  • 2. Deze afdeling is mede van toepassing op de arbeid in of op een zeeschip die in rechtstreeks verband staat met de te verrichten arbeid onder overdruk.

  • 3. Op duikarbeid met Self-Contained Underwater Breathing Apparatus (SCUBA), bestaande uit de instructie van sportduikers tot een duikdiepte van maximaal 50 meter, met een decompressietijd van ten hoogste 20 minuten en met een partiële zuurstofdruk in het ademgas van maximaal 1,4.105 PA, zijn uitsluitend de artikelen 6.14 en 6.15, eerste lid, onder a en b en d, van toepassing.

Artikel 6.14 Geschiktheid

Duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk worden verricht door een persoon, die in een zodanige lichamelijke en geestelijke toestand verkeert, dat hij in staat is de gevaren, die zijn verbonden aan de door hem te verrichten arbeid, te onderkennen en zo mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 6.15 Veiligheidsmaatregelen

  • 1. Indien duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk worden verricht, is met inachtneming van de stand van de techniek en rekening houdende met de specifiek te verrichten arbeid:

    a. nabij de plaats waar de arbeid wordt verricht een deugdelijke schriftelijke werkinstructie aanwezig die ten minste de door de werknemers te treffen veiligheidsvoorzieningen alsmede de noodprocedures bevat;

    b. aan de werknemers deugdelijk materieel dat in goede staat verkeert en voldoende ademgas van goede kwaliteit ter beschikking gesteld;

    c. nabij de plaats waar de arbeid wordt verricht een daartoe opgeleid persoon aanwezig die de werknemers adequaat medisch begeleiden kan;

    d. nabij de plaats waar de arbeid wordt verricht een adequate eerste-hulpuitrusting aanwezig.

  • 2. De in het eerste lid, onder c, bedoelde persoon kan terstond in contact treden met een arts, bekwaam in het behandelen van acute gevolgen voor de gezondheid als gevolg van het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk.

Artikel 6.16 Duikarbeid

  • 1. Duikarbeid wordt verricht door een of meer duikers, bijgestaan door een reserveduiker en een ploegleider.

  • 2. De duikers en de reserveduiker zijn in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid duikarbeid met betrekking tot de soort arbeid die zij verrichten, dat is afgegeven door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling.

  • 3. De reserveduiker verricht slechts duikarbeid bestaande uit het verlenen van hulp aan en het redden van in moeilijkheden geraakte duikers.

  • 4. Een ieder die duikarbeid heeft verricht, houdt hiervan aantekening in een persoonlijk duiklogboek. In dit logboek worden, naast de aard van de duikarbeid, ten minste het gevolgde duikschema inclusief het gevolgde decompressieverloop alsmede de verblijftijd in de vloeistof aangetekend.

  • 5. De ploegleider heeft, gelet op de te verrichten duikarbeid, voldoende kennis en ervaring om op die arbeid toezicht te houden.

  • 6. In afwijking van het eerste lid mag de ploegleider tevens als reserveduiker optreden, indien duikarbeid wordt verricht in een vloeistof die in overwegende mate uit water bestaat met een maximaal bereikbare diepte van 9 meter of een maximale stroomsnelheid van 0,5 meter per seconde en waarbij geen voorzienbare kans bestaat dat de duikers in die vloeistof in moeilijkheden raken.

  • 7. Indien duikarbeid wordt verricht, is de persoon, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder c, in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid duikmedische begeleiding, dat is afgegeven door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling.

  • 8. Het tweede lid, is niet van toepassing op degene, die in het kader van een opleiding die wordt georganiseerd door een krachtens artikel 6.17, eerste lid, aangewezen instelling, duikarbeid verrichten.

Artikel 6.17 Duikcertificaat en certificaat duikmedische begeleiding

  • 1. Het certificaat van vakbekwaamheid duikarbeid, bedoeld in artikel 6.16, tweede lid, en het certificaat van vakbekwaamheid duikmedische begeleiding, bedoeld in artikel 6.16, zevende lid, worden door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling op schriftelijke aanvraag afgegeven, indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria. Bij die regeling wordt tevens bepaald welke gegevens bij een schriftelijke aanvraag worden verstrekt.

  • 2. Het certificaat van vakbekwaamheid duikarbeid onderscheidenlijk het certificaat van vakbekwaamheid duikmedische begeleiding kan worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend of verlengd dan wel ingetrokken, indien gegronde vrees bestaat dan wel is gebleken, dat niet of niet volledig is voldaan aan het bij of krachtens dit artikel bepaalde.

  • 3. Voor de afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid duikarbeid onderscheidelijk een certificaat van vakbekwaamheid duikmedische begeleiding is een bij ministeriële regeling vast te stellen vergoeding verschuldigd.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gelijkstelling van in het buitenland afgegeven certificaten van vakbekwaamheid duikarbeid of certificaten van vakbekwaamheid duikmedische begeleiding met de certificaten, bedoeld in de artikelen 6.16, tweede lid, en 6.16, zevende lid.

Artikel 6.18 Compressiekamer duikarbeid

  • 1. Bij de plaats waar duikarbeid in water wordt verricht op een diepte van meer dan 15 meter of in een andere vloeistof onder een druk van 11/2 maal 105 Pa boven de atmosferische druk, is een geschikte compressiekamer, voorzien van een personensluis, aanwezig. De compressiekamer, waarvan de inrichting afhankelijk is van het aantal duikers en de aard van de werkzaamheden, biedt ten minste plaats aan twee personen.

  • 2. De compressiekamer wordt op de juiste wijze gebruikt.

Artikel 6.19 Caissonarbeid

  • 1. Caissonarbeid wordt door ten minste twee personen verricht.

  • 2. Ten minste 30 dagen vóór het verrichten van caissonarbeid wordt een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet hiervan schriftelijk in kennis gesteld, onder overlegging van een deugdelijk werkplan.

  • 3. Een caisson wordt gebouwd, geïnstalleerd, aangepast of gedemonteerd onder toezicht van een speciaal daarvoor aangewezen persoon.

  • 4. Caissons worden regelmatig door een speciaal daarvoor aangewezen persoon geïnspecteerd.

Artikel 6.20 Compressiekamer caissonarbeid

  • 1. Bij de plaats waar caissonarbeid wordt verricht onder een druk van meer dan 11/2 maal 105 Pa boven de atmosferische druk, is een geschikte compressiekamer, voorzien van een personensluis, aanwezig. De compressiekamer, waarvan de inrichting afhankelijk is van het aantal personen dat caissonarbeid verricht en de aard van de werkzaamheden, biedt ten minste plaats aan twee personen.

  • 2. De compressiekamer wordt op de juiste wijze gebruikt.

AFDELING 6 BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS

§ 1 Vervoer

Artikel 6.21 Uitzondering geluid

Afdeling 3 van dit hoofdstuk is niet van toepassing op zeeschepen en luchtvaartuigen. Op zeeschepen en luchtvaartuigen zijn uitsluitend de artikelen 6.22 en 6.23 van toepassing.

Artikel 6.22 Definitie

In deze paragraaf wordt onder equivalent geluidniveau in dB(A) verstaan: het energetisch gemiddelde geluidniveau gedurende een bepaalde beoordelingstijd, uitgedrukt in dB(A).

Artikel 6.23 Geluidvoorschriften zeeschepen en luchtvaartuigen
  • 1. Machines, werktuigen, apparaten, installaties aan boord van luchtvaartuigen en zeeschepen zijn van zodanige constructie, zijn zodanig ingericht, opgesteld of ondersteund en worden zodanig onderhouden, dat zij bij het in werking zijn op de arbeidsplaats geen equivalent geluidniveau veroorzaken hoger dan 85 dB(A), tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2. Het verrichten van werkzaamheden geschiedt zodanig, dat daarbij op de arbeidsplaats geen equivalent geluidniveau veroorzaakt wordt hoger dan 85 dB(A), tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3. Indien de uitzondering, genoemd in de laatste zinsnede van het eerste of tweede lid, van toepassing is, zijn doeltreffende voorzieningen getroffen waardoor zoveel mogelijk wordt voorkomen dat het in het eerste en tweede lid genoemde geluidniveau op de arbeidsplaats heerst, tenzij ook dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In het plan van maatregelen, bedoeld in artikel 4 van de wet, worden de desbetreffende voorzieningen vermeld.

  • 4. In gevallen waarin voorzieningen, getroffen op grond van het derde lid, de werknemers onvoldoende bescherming bieden tegen de in het eerste en tweede lid genoemde geluidniveaus en in gevallen waarin het treffen van vorenbedoelde voorzieningen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, worden doeltreffende maatregelen genomen om de blootstellingsduur alsmede het aantal werknemers dat aan de desbetreffende geluidniveaus wordt blootgesteld, zoveel mogelijk te beperken. Het derde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. In gevallen, waarin werknemers kunnen worden blootgesteld aan een equivalent geluidniveau van 80 dB(A) of hoger, worden persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende aantal beschikbaar gesteld.

  • 6. Bij overschrijding van het equivalent geluidniveau van 90 dB(A) worden door de werknemers de persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt.

  • 7. Op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt het in het eerste en tweede lid genoemde geluidniveau van 85 dB(A) vervangen door 80 dB(A).

Artikel 6.24 Andere uitzonderingen voor vervoermiddelen
  • 1. Op luchtvaartuigen waarvoor vóór 1 januari 1997 een Nederlands of daaraan gelijkgesteld bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven, zijn de artikelen 6.3, 6.4 en 6.5 niet van toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.

  • 2. Op zeeschepen die vóór 1 januari 1994 zijn gebouwd, zijn de artikelen 6.3 en 6.5 niet van toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.

  • 3. Artikel 6.4 is niet van toepassing op zeeschepen.

  • 4. Onder gebouwde zeeschepen wordt verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Schepenbesluit 1965 of, voor zover het zeegaande vissersvaartuigen betreft, artikel 2 van het Vissersvaartuigenbesluit.

  • 5. Op voertuigen op een openbare weg of spoor- of tramweg die vóór 1 januari 1994 zijn gebouwd, zijn de artikelen 6.3, 6.4 en 6.5 niet van toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.

§ 2 Justitiële inrichtingen

Artikel 6.25 Klimaat, daglicht en kunstlicht en luchtverversing

De artikelen 6.1, 6.2, 6.3 en 6.4 zijn niet van toepassing op arbeidsplaatsen in justitiële inrichtingen die vóór 1 september 1990 als zodanig in gebruik waren, voor zover de naleving daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

§ 3 Jeugdigen

Artikel 6.26 Schakelbepaling

In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk gelden voor jeugdige werknemers tevens de in deze paragraaf genoemde voorschriften en verboden.

Artikel 6.27 Arbeidsverboden werken onder overdruk en niet-ioniserende straling
  • 1. Jeugdige werknemers mogen geen duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk, bedoeld in artikel 6.13, verrichten.

  • 2. Jeugdige werknemers mogen geen arbeid verrichten met toestellen die schadelijke niet-ioniserende elektromagnetische straling kunnen uitzenden.

  • 3. Jeugdige werknemers mogen geen arbeid verrichten op een arbeidsplaats waar zij worden blootgesteld aan een equivalent geluidniveau van 90 dB(A) of hoger.

  • 4. Jeugdige werknemers mogen niet worden blootgesteld aan schadelijke trillingen.

§ 4 Zwangere werknemers

Artikel 6.28 Schakelbepaling

In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk gelden voor zwangere werknemers tevens de in deze paragraaf genoemde voorschriften.

Artikel 6.29 Werken onder overdruk

Een zwangere werknemer mag niet worden verplicht duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk, bedoeld in artikel 6.13, te verrichten.

§ 5 Thuiswerkers

Artikel 6.30 Daglicht en kunstlicht
  • 1. Op de arbeidsplaats zijn de nodige voorzieningen voor een doelmatige kunstverlichting aanwezig.

  • 2. Indien de thuiswerker reeds uit eigen hoofde beschikt over de in het eerste lid bedoelde voorziening, behoeft de thuiswerkgever deze niet alsnog ter beschikking te stellen.

HOOFDSTUK 7 ARBEIDSMIDDELEN EN SPECIFIEKE WERKZAAMHEDEN

AFDELING 1 TOEPASSELIJKHEID

Artikel 7.1 Bijzondere arbeidsmiddelen

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op arbeidsmiddelen die op een zodanige manier zijn gedemonteerd of gesloopt, dat zij niet op eenvoudige wijze weer in gebruik genomen kunnen worden.

Artikel 7.2 Arbeidsmiddelen met een CE-markering

  • 1. Een arbeidsmiddel wordt vermoed te voldoen aan de artikelen 7.4, eerste lid, 7.7, 7.10, 7.13, 7.14, 7.15, 7.16 en 7.20, tweede lid, indien het, overeenkomstig de daarvoor geldende EEG-richtlijnen, is voorzien van een CE-markering, vergezeld van een EG-verklaring van overeenstemming, en het arbeidsmiddel overeenkomstig de daarbij behorende gebruiksvoorschriften wordt gebruikt.

  • 2. Indien een arbeidsmiddel slechts voor een of meer onderdelen is voorzien van een CE-markering, vergezeld van een EG-verklaring van overeenstemming, wordt slechts ten aanzien van dat onderdeel respectievelijk die onderdelen vermoed dat het arbeidsmiddel voldoet aan de in het eerste lid genoemde artikelen.

AFDELING 2 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

Artikel 7.3 Geschiktheid arbeidsmiddelen

  • 1. Bij de keuze van de arbeidsmiddelen die de werkgever overweegt ter beschikking te stellen, wordt rekening gehouden met de uit de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, gebleken specifieke kenmerken van de arbeid, met de omstandigheden waaronder deze wordt verricht, met de op de arbeidsplaats al bestaande gevaren en met de gevaren die daaraan zouden kunnen worden toegevoegd door het gebruik van de desbetreffende arbeidsmiddelen.

  • 2. Om te voorkomen dat het gebruik van arbeidsmiddelen gevaren voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers oplevert, worden de nodige maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen die op de arbeidsplaats ter beschikking van de werknemers worden gesteld, uitsluitend gebruikt worden voor het doel, op de wijze en op de plaats waarvoor zij zijn ingericht en bestemd, alsmede dat zij geschikt zijn voor het uit te voeren werk of daartoe behoorlijk zijn aangepast.

  • 3. Voor zover het redelijkerwijs niet mogelijk is de gevaren bij het gebruik van de arbeidsmiddelen te voorkomen, worden zodanige maatregelen getroffen dat de gevaren zoveel mogelijk worden beperkt.

Artikel 7.4 Deugdelijkheid arbeidsmiddelen en ongewilde gebeurtenissen

  • 1. Een arbeidsmiddel bestaat uit deugdelijk materiaal en is van een deugdelijke constructie.

  • 2. Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst of ingericht, dat het gevaar van verschuiven, omvallen, kantelen, oververhitting, brand, ontploffen en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen. Artikel 3.17 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.5 Onderhoud, reparatie en reiniging van arbeidsmiddelen

  • 1. De nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen tijdens de gehele gebruiksduur door toereikend onderhoud in een zodanige staat worden gehouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen.

  • 2. Onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan een arbeidsmiddel worden slechts uitgevoerd wanneer het arbeidsmiddel is uitgeschakeld en drukloos of spanningloos is gemaakt. Indien dit niet mogelijk is, worden doeltreffende maatregelen genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing bij productie- en afstelwerkzaamheden met of aan het arbeidsmiddel.

  • 3. Een bij een arbeidsmiddel behorend onderhoudsboek wordt goed bijgehouden.

Artikel 7.6 Deskundigheid werknemers

Indien het gebruik van een arbeidsmiddel een specifiek gevaar voor de werknemers kan opleveren, worden doeltreffende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat:

a. het gebruik van dat arbeidsmiddel voorbehouden blijft aan werknemers die met het gebruik belast zijn;

b. de werknemers die belast zijn met het ombouwen, onderhouden, repareren of reinigen van dat arbeidsmiddel daartoe een specifieke deskundigheid en ervaring bezitten.

Artikel 7.7 Veiligheidsvoorzieningen in verband met bewegende delen van arbeidsmiddelen

  • 1. Indien bewegende delen van een arbeidsmiddel gevaar opleveren, zijn zij van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.

  • 2. De schermen of beveiligingsinrichtingen zijn stevig uitgevoerd, leveren geen bijzondere gevaren op, kunnen niet op eenvoudige wijze worden genegeerd of buiten werking worden gesteld, zijn op voldoende afstand van de gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel aangebracht en belemmeren het zicht op de arbeid zo weinig mogelijk.

  • 3. De schermen of beveiligingsinrichtingen zijn op een zodanige wijze aangebracht dat de noodzakelijke onderhouds- en reparatiewerkzaamheden op veilige wijze kunnen worden uitgevoerd. Daarbij wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de schermen of beveiligingsinrichtingen moeten worden gedemonteerd.

Artikel 7.8 Verlichting

In aanvulling op artikel 6.3 zijn werk- en onderhoudspunten van een arbeidsmiddel voldoende en doelmatig verlicht.

Artikel 7.9 Hoge en lage temperatuur

Zoveel mogelijk wordt voorkomen dat werknemers in de onmiddellijke nabijheid komen van een arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan met een zeer hoge of zeer lage temperatuur. Indien dat niet mogelijk is, zijn doeltreffende maatregelen genomen om aanraking van dat arbeidsmiddel dan wel van dat onderdeel daarvan te voorkomen.

Artikel 7.10 Alarmsignalen

Alarmsignalen van een arbeidsmiddel zijn gemakkelijk en duidelijk waarneembaar en als zodanig goed herkenbaar. Zij voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.

Artikel 7.11 Loskoppelen arbeidsmiddel

Een arbeidsmiddel beschikt over duidelijk herkenbare voorzieningen waarmee het van zijn krachtbronnen kan worden losgekoppeld. Het opnieuw aansluiten van het arbeidsmiddel op de krachtbron mag geen gevaar opleveren voor de werknemers.

AFDELING 3 ARBEIDSMIDDELEN MET EEN BEDIENINGSSYSTEEM

Artikel 7.12 Schakelbepaling

Op een arbeidsmiddel met een bedieningssysteem zijn naast de voorschriften van de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.

Artikel 7.13 Bedieningssystemen

  • 1. Een bedieningssysteem van een arbeidsmiddel is duidelijk zichtbaar en herkenbaar en is daartoe, waar nodig, op passende wijze van functionele aanduidingen voorzien.

  • 2. Een bedieningssysteem bevindt zich zoveel mogelijk buiten de gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel. De plaats van het bedieningssysteem levert geen extra gevaren op voor de werknemers.

  • 3. Indien een arbeidsmiddel in werking kan worden gesteld of kan worden gestopt op een plaats van waar dat arbeidsmiddel niet geheel kan worden gezien, wordt, om de betrokken werknemers te beschermen, telkens tijdig voor het inwerkingstellen of stoppen van dat arbeidsmiddel een signaal gegeven dat voldoet aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde.

  • 4. Een bedieningssysteem is veilig en levert ook bij onopzettelijke handelingen geen gevaar op voor de werknemers. Een storing of beschadiging van een bedieningssysteem mag eveneens geen gevaar opleveren voor de werknemers.

Artikel 7.14 In werking stellen van arbeidsmiddelen

  • 1. Een arbeidsmiddel kan uitsluitend in werking worden gesteld door een opzettelijk verrichte handeling met een daarvoor bestemd bedieningssysteem.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de werking van een arbeidsmiddel zodanig wordt gewijzigd, dat die wijziging gevaar oplevert voor de werknemers.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien het inwerkingstellen of wijzigen van de werking van een arbeidsmiddel behoort tot het normale programma van een automatische cyclus.

Artikel 7.15 Stopzetten van arbeidsmiddelen

  • 1. Een arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan kan op veilige wijze worden stopgezet.

  • 2. Wanneer een arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan is stopgezet, wordt de energietoevoer van het arbeidsmiddel of het onderdeel daarvan onderbroken.

  • 3. De opdracht tot het stopzetten van een arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan kan niet worden opgeheven door een opdracht tot starten van dat arbeidsmiddel of een onderdeel daarvan.

Artikel 7.16 Noodstopvoorziening

Een arbeidsmiddel beschikt over een noodstopvoorziening, indien dit met het oog op de gevaren van dat arbeidsmiddel en de normale tijd die nodig is om dat arbeidsmiddel stop te zetten noodzakelijk is.

AFDELING 4 AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN SPECIFIEKE ARBEIDSMIDDELEN EN WERKZAAMHEDEN

§ 1 Afstemming

Artikel 7.17 Schakelbepaling

Op de in deze afdeling genoemde specifieke arbeidsmiddelen en werkzaamheden zijn naast de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 3 van dit hoofdstuk tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.

§ 2 Algemene voorschriften

Artikel 7.18 Hijs- en hefwerktuigen
  • 1. Hijs- en hefwerktuigen met inbegrip van de daarbij behorende hulpstukken, onderdelen, bevestigingspunten, verankeringen en steunen, worden, afhankelijk van de feitelijke belasting, regelmatig doch in ieder geval na installatie en voordat zij voor de eerste maal in gebruik worden genomen op hun goede staat onderzocht. Bewijsstukken van deze onderzoeken zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van de wet.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op liften die zijn gekeurd overeenkomstig het Liftenbesluit I, dan wel het Besluit liften.

  • 3. Hijs- en hefwerktuigen zijn op of nabij de bedieningsplaats voorzien van een goed leesbare aanduiding die de voor dat werktuig toegelaten bedrijfslast of bedrijfslasten vermeldt.

  • 4. Een hijs- of hefwerktuig mag, behalve ten behoeve van beproeving, niet zwaarder worden belast dan de toegelaten bedrijfslast of bedrijfslasten noch zwaarder dan een veilig gebruik toelaat.

  • 5. Hijs- en hefwerktuigen worden bediend door personen die daartoe een specifieke deskundigheid bezitten.

Artikel 7.19 Hijskranen
  • 1. In aanvulling op artikel 7.18 wordt met betrekking tot een hijskraan met een bedrijfslast die gelijk of hoger is dan 2 ton, en die, na te zijn vervaardigd, ingrijpend te zijn hersteld of gewijzigd, voor de eerste maal in gebruik wordt genomen, onderzocht:

    a. met betrekking tot de hijskraan: de deugdelijkheid van materiaal, constructie, inrichting en stabiliteit, bij welk onderzoek de kraan doelmatig wordt beproefd;

    b. met betrekking tot de ondersteuning van de kraan: de ligging en draagkracht, de deugdelijkheid van materiaal en constructie alsmede de aanwezigheid en deugdelijkheid van beveiligingsmiddelen.

  • 2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op hijskranen die, na te zijn vervaardigd, voor de eerste maal in gebruik worden genomen en die overeenkomstig de bepalingen van het Besluit machines zijn voorzien van een CE-markering, vergezeld van een EG-verklaring van overeenstemming.

  • 3. Een hijskraan als bedoeld in het eerste lid en de ondersteuning van die kraan worden, voordat de kraan in gebruik wordt genomen, onderzocht op hun goede staat bij welk onderzoek de kraan doelmatig wordt beproefd:

    a. wanneer de kraan langdurig heeft stilgestaan of buiten gebruik is geweest, en

    b. zo dikwijls dit ter waarborging van een veilig gebruik van de kraan redelijkerwijs noodzakelijk is en in ieder geval ten minste eenmaal per jaar.

  • 4. Indien de hijskraan na demontage voor opstelling elders, aanstonds opnieuw is opgesteld, wordt de kraan, voordat deze in gebruik wordt genomen, op veilige werking onderzocht en beproefd.

  • 5. Onderzoeken en beproevingen als bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling.

  • 6. In de nabijheid van een hijskraan als bedoeld in het eerste lid bevindt zich een kraanboek. In dit boek zijn in ieder geval de resultaten van de op grond van het eerste, derde en vierde lid uitgevoerde onderzoeken en beproevingen op adequate wijze vermeld.

  • 7. Het kraanboek wordt desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van de wet.

  • 8. Bij ministeriële regeling kan met betrekking tot alle hijskranen dan wel met betrekking tot hijskranen die behoren tot een bij die regeling omschreven categorie, in afwijking van het vijfde lid, worden bepaald, welke van de onderzoeken en beproevingen, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling.

  • 9. Een instelling als bedoeld in het achtste lid, wordt door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling op schriftelijke aanvraag gecertificeerd, indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria met betrekking tot deskundigheid, onafhankelijkheid, uitrusting en organisatie. Bij die regeling wordt tevens bepaald welke gegevens bij een schriftelijke aanvraag worden verstrekt.

  • 10. Een certificaat als bedoeld in het negende lid, kan worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend of verlengd dan wel ingetrokken, indien gegronde vrees bestaat of is gebleken dat niet of niet volledig wordt voldaan aan het bij of krachtens dit artikel bepaalde.

  • 11. Voor de afgifte van een certificaat is een bij ministeriële regeling vast te stellen vergoeding verschuldigd.

Artikel 7.20 Hijs- en hefgereedschap
  • 1. Hijs- en hefgereedschap, anders dan touwwerk of staalkabels, is voorzien van een goed leesbare aanduiding die de werklast vermeldt.

  • 2. Hijs- en hefgereedschap mag niet zwaarder worden belast dan de werklast noch zwaarder dan een veilig gebruik toelaat.

  • 3. Hijs- en hefgereedschap wordt, afhankelijk van het gebruik, regelmatig doch in ieder geval bij het eerste gebruik op de arbeidsplaats en daarna ten minste eenmaal per jaar, door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling op zijn goede staat onderzocht en zo nodig beproefd.

  • 4. In aanvulling op het derde lid wordt kettingwerk zo dikwijls als voor een veilig gebruik nodig is:

    a. doelmatig beproefd, en

    b. afhankelijk van de materiaalsoort, aan een voor het betrokken materiaal geschikte warmtebehandeling onderworpen. Bedoelde beproevingen en warmtebehandelingen worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijk persoon, rechtspersoon of instelling welke beschikt over de daarvoor benodigde uitrusting.

  • 5. Bewijsstukken van de onderzoeken, beproevingen en warmtebehandelingen, bedoeld in het derde en vierde lid, zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van de wet.

Artikel 7.21 Werkzaamheden in liftschachten
  • 1. Indien zich in een schacht twee of meer liften bevinden, worden afdoende technische maatregelen genomen teneinde te voorkomen dat personen bij werkzaamheden in de schacht aan een van de liften, getroffen worden door onderdelen van een naastliggende lift.

  • 2. Indien het nemen van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet mogelijk is, wordt het in het eerste lid bedoelde gevaar voorkomen door stilzetting van de naastliggende lift.

Artikel 7.22 Vervoer van personen in werkbakken
  • 1. Met een hijs- of hefwerktuig dat uitsluitend is bestemd en ingericht voor het vervoer van goederen, mogen in de plaats van of te zamen met goederen geen personen worden vervoerd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van personen met behulp van een werkbak ten behoeve van het vanuit die werkbak verrichten van incidentele werkzaamheden van korte duur op plaatsen die moeilijk bereikbaar zijn, indien:

    a. toepassing van andere, meer geëigende middelen om die plaatsen te bereiken, grotere gevaren zou meebrengen dan het vervoer van personen met behulp van een werkbak als vorenbedoeld, of de toepassing van zodanige middelen redelijkerwijs niet kan worden verlangd;

    b. de werkbak zodanig is vervaardigd, ingericht, toegerust, bevestigd en in een zodanige staat van onderhoud verkeert alsmede zodanig wordt gebruikt, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk wordt voorkomen of beperkt, en

    c. het hijs- of hefwerktuig voldoende is toegerust om in combinatie met een werkbak te worden gebruikt.

Artikel 7.23 Transport en transportmiddelen
  • 1. Met een transportmiddel worden niet meer personen en wordt niet meer gewicht aan goederen tegelijk vervoerd dan een veilig gebruik toelaat.

  • 2. Met een transportmiddel worden geen personen vervoerd, tenzij het transportmiddel is uitgerust met daartoe geschikte zit- of staanplaatsen dan wel een voor personenvervoer geschikte laadruimte voor goederenvervoer.

  • 3. Gemotoriseerde transportmiddelen zijn voorzien van een deugdelijke inrichting waarmee signalen kunnen worden gegeven, die voldoen aan afdeling 2 van hoofdstuk 8.

  • 4. Gemotoriseerde transportmiddelen komen niet onverhoeds in beweging wanneer de bestuurder dat arbeidsmiddel verlaat of heeft verlaten.

  • 5. Gemotoriseerde transportmiddelen worden bediend door personen die daartoe een specifieke deskundigheid bezitten.

  • 6. Bij transport van werknemers over water worden doeltreffende maatregelen getroffen om de veiligheid van deze werknemers te waarborgen.

§ 3 Voorschriften bij het laden en lossen van schepen

Artikel 7.24 Toegang tot het schip
  • 1. In aanvulling op artikel 3.2 is de toegang tot een ruim van een schip of dek uitsluitend toegestaan door een vaste trap of, indien dit niet mogelijk is, een vaste ladder of klampen of voetopeningen van geschikte afmetingen, van voldoende sterkte en van een behoorlijke constructie dan wel andere deugdelijke toegangsmiddelen.

  • 2. De in het eerste lid genoemde toegangsmiddelen zijn, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, gescheiden van de luikopeningen.

Artikel 7.25 Luiken
  • 1. Luiken die met behulp van hijs- of hefwerktuigen worden geplaatst of verwijderd, zijn uitgerust met goed toegankelijke en geschikte bevestigingen voor het vastmaken van hijsgereedschap.

  • 2. Indien luiken niet onderling verwisselbaar zijn, zijn zij duidelijk gemerkt om aan te geven tot welke ruimopening alsmede op welke plaats zij behoren.

  • 3. Motorisch of hydraulisch bediende luiken en overige motorisch of hydraulisch aangedreven scheepsuitrusting worden uitsluitend geplaatst of verwijderd door een daartoe bevoegd persoon en indien dit op veilige wijze kan geschieden.

  • 4. Luikopeningen die niet zijn uitgerust met een doelmatig luikhoofd worden gesloten dan wel anderszins beveiligd zodra de laad- en loswerkzaamheden zijn beëindigd.

  • 5. Luiken worden niet geplaatst of verwijderd, indien er in het ruim onder de luikopening arbeid wordt verricht.

  • 6. Luiken die niet afdoende tegen verplaatsing zijn geborgd, worden verwijderd voordat met laad- en loswerkzaamheden wordt begonnen.

Artikel 7.26 Verwerken van goederen of materialen
  • 1. Het opslaan of overslaan, laden of lossen, stuwen of anderszins verwerken van goederen of materialen op de kade, in loodsen of in het schip, geschiedt op veilige en ordelijke wijze, rekening houdend met de aard van die goederen of materialen en de verpakking daarvan.

  • 2. Lasten worden niet opgelicht of neergelaten, tenzij zij op veilige wijze aan het hijs- of hefwerktuig zijn aangeslagen of anderszins bevestigd.

Artikel 7.27 Tuigplannen en bind- of hijsmiddelen
  • 1. Voor het veilig tuigen van laadbomen en het bijbehorende gerei zijn aan boord van het schip tuigplannen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aanwezig. De tuigplannen worden desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van de wet.

  • 2. Voor eenmalig gebruik bestemde bind- of hijsmiddelen worden niet opnieuw gebruikt.

Artikel 7.28 Containers

Tijdens het laden en lossen van containers zijn deugdelijke middelen aanwezig die de veiligheid van de werknemers bij het aanbrengen of verwijderen van de sjorringen van de containers waarborgen.

Artikel 7.29 Hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen
  • 1. In afwijking van de artikelen 7.18, eerste en tweede lid, 7.19 en 7.20, derde, vierde en vijfde lid, gelden voor hijs- en hefwerktuigen alsmede hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen, de volgende bepalingen.

  • 2. Hijs- en hefwerktuigen met inbegrip van de daarbij behorende hulpstukken, onderdelen, bevestigingspunten, verankeringen en steunen, en hijs- en hefgereedschappen worden, voordat zij voor de eerste maal in gebruik worden genomen en na iedere belangrijke wijziging of herstelling die van invloed kan zijn op de veiligheid alsmede, afhankelijk van de feitelijke belasting, regelmatig doch in ieder geval ten minste eenmaal per vijf jaar doelmatig beproefd en op hun goede staat onderzocht.

  • 3. Hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen worden, afhankelijk van de feitelijke belasting, regelmatig doch in ieder geval ten minste eenmaal per jaar op hun goede staat onderzocht.

  • 4. Hijs- en hefgereedschappen worden afhankelijk van het gebruik regelmatig op hun goede staat gecontroleerd.

  • 5. Beproevingen en onderzoeken als bedoeld in het tweede lid, worden uitgevoerd door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling. Onderzoeken en controles als bedoeld in het derde en vierde lid worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling.

  • 6. Van de beproevingen en onderzoeken, bedoeld in het tweede lid, worden door de aangewezen instelling, bedoeld in het vijfde lid, certificaten uitgereikt volgens een bij ministeriële regeling vastgesteld model.

  • 7. Aan boord van ieder schip wordt een register van hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen bijgehouden volgens een bij ministeriële regeling vastgesteld model, waarin de in het zesde lid bedoelde certificaten worden opgenomen. In het register worden de bedrijfslast of bedrijfslasten van de hijs- en hefwerktuigen, de werklast van de hijs- en hefgereedschappen alsmede de tijdstippen en de resultaten van de in het tweede en derde lid bedoelde beproevingen en onderzoeken vermeld. De tijdstippen en het resultaat van de in het vierde lid bedoelde controles worden vermeld indien bij de desbetreffende controles een defect is geconstateerd.

  • 8. Het register, bedoeld in het zevende lid, wordt desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van de wet.

  • 9. Voor de afgifte van een certificaat als bedoeld in het zesde lid, is een bij ministeriële regeling vast te stellen vergoeding verschuldigd.

Artikel 7.30 Gewichtsaanduiding op zware voorwerpen
  • 1. Stukken of voorwerpen die ten minste 1000 kilogram bruto wegen en die met een schip worden vervoerd zijn aan de buitenzijde op een duidelijke en duurzame wijze voorzien van een aanduiding van het gewicht van die stukken of voorwerpen.

  • 2. Bij vervoer van stukken of voorwerpen als bedoeld in het eerste lid mag, in plaats van het gewicht, zo nauwkeurig mogelijk het gewicht bij benadering worden aangeduid:

    a. indien de aard, samenstelling of afmeting van het stuk of het voorwerp een beletsel vormen om het juiste gewicht te bepalen;

    b. indien het gewicht als gevolg van klimaatsinvloeden aan aanmerkelijke veranderingen onderhevig is.

AFDELING 5 AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN VOOR BOUWPLAATSEN

§ 1 Afstemming

Artikel 7.31 Schakelbepaling

Op een bouwplaats zijn naast de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 4 van dit hoofdstuk tevens de voorschriften van deze afdeling van toepassing.

§ 2 Arbeidsmiddelen op de bouwplaats

Artikel 7.32 Bedienen van torenkranen, mobiele kranen en mobiele hei-installaties
  • 1. In dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. hijskraan: mechanisch aangedreven hijswerktuig dat ingericht en bestemd is om vrijhangende lasten te verplaatsen;

    b. torenkraan: torenvormige hijskraan waarvan het maximumbedrijfslastmoment 10 tm of meer bedraagt of de giek 20 m of hoger boven het vlak van de ondersteuning van de kraan bevestigd is;

    c. mobiele kraan: verrijdbare, niet aan een vaste baan gebonden hijskraan die geen torenkraan is en waarvan het maximumbedrijfslastmoment 10 tm of meer bedraagt, met uitzondering van:

    1. een op een voertuig bevestigde laadkraan die uitsluitend ingericht is of althans uitsluitend wordt gebruikt voor het laden en lossen van de laadbak van het voertuig of een samenstel van voertuigen, en

    2. een grondverzetmachine die ontgravingen maakt en direct daarop aansluitend leidingwerk in die ontgravingen legt of ten behoeve van het uitvoeren van grondverzetwerkzaamheden ondersteuningsschotten verplaatst;

    d. mobiele hei-installatie: verrijdbaar of verrolbaar werktuig dat ingericht en bestemd is om palen of andere langwerpige voorwerpen in de grond te maken, te drijven of daaruit te verwijderen alsmede om met een en ander rechtstreeks verband houdende verrichtingen uit te voeren, met inbegrip van het met een maximumbedrijfslastmoment van 10 tm of meer verplaatsen van lasten.

  • 2. Een torenkraan, mobiele kraan of mobiele hei-installatie mag slechts worden bediend door een persoon die:

    a. beschikt over een certificaat van vakbekwaamheid, dat is afgegeven door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling, of in het bezit is van een deskundigheidsbewijs waaruit blijkt:

    1. dat hij beschikt over een diploma van een opleiding tot machinist met betrekking tot arbeidsmiddelen van de betrokken soort, die is gecertificeerd door Onze Minister of een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling;

    2. dat, indien sedert de dagtekening van het diploma, bedoeld onder 1, meer dan zeven jaren zijn verstreken, hij gedurende ten minste tweezevende deel van de laatste zeven jaren ervaring heeft met de bediening van een arbeidsmiddel van de betrokken soort, of dat aan hem door een opleiding als bedoeld onder 1, niet langer dan zeven jaren tevoren een verklaring is uitgereikt, dat hij met goed gevolg is beoordeeld op het bedienen van een arbeidsmiddel van de betrokken soort, of

    b. in een zodanige lichamelijke en geestelijke toestand verkeert dat hij in staat is de aan de bediening van het betreffende arbeidsmiddel verbonden gevaren te onderkennen en te voorkomen.

  • 3. Het deskundigheidsbewijs is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid van de wet.

  • 4. Een opleiding als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1, wordt door Onze Minister of de door Onze Minister daartoe aangewezen instelling op schriftelijke aanvraag gecertificeerd, indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria. Bij die regeling wordt tevens bepaald welke gegevens bij een schriftelijke aanvraag worden verstrekt. Een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1, wordt door Onze Minister of de door Onze Minister daartoe aangewezen instelling op schriftelijke aanvraag afgegeven, indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria. De tweede volzin is van toepassing.

  • 5. Een opleiding kan het certificaat als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1, worden geweigerd of onder voorwaarden worden verleend of verlengd dan wel ingetrokken, indien gegronde vrees bestaat of is gebleken, dat niet of niet volledig wordt voldaan aan het bij of krachtens dit artikel bepaalde. Een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1, kan worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend of verlengd dan wel ingetrokken, indien gegronde vrees bestaat of is gebleken dat niet of niet volledig wordt voldaan aan het bij of krachtens dit artikel bepaalde.

  • 6. Voor de afgifte van een certificaat is een bij ministeriële regeling vast te stellen vergoeding verschuldigd.

  • 7. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot:

    a. het gelijkstellen van diploma's met diploma's als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1;

    b. het deskundigheidsbewijs, bedoeld in het tweede lid, onder a.

Artikel 7.33 Ladders en trappen

Ladders en trappen zijn voldoende sterk en stijf. Zij zijn stabiel opgesteld en zo nodig vastgezet en van een voldoende lengte, om in alle standen waarin zij worden gebruikt, een stevige steun voor handen en voeten te bieden.

Artikel 7.34 Steigers
  • 1. Het opbouwen, wijzigen en afbreken van een steiger geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundig persoon.

  • 2. De veiligheid van de constructie van een steiger wordt regelmatig door een ter zake deskundig persoon gecontroleerd doch in ieder geval vóór de ingebruikneming en verder na iedere wijziging in de constructie van de steiger, na iedere periode waarin de steiger niet is gebruikt, na abnormale weersomstandigheden alsmede na iedere andere gebeurtenis waardoor de veiligheid van de constructie van de steiger mogelijk is aangetast.

  • 3. Een steiger mag niet worden overbelast. Lasten worden zo gelijkmatig mogelijk over de steiger verdeeld.

  • 4. Verrijdbare steigers zijn beveiligd tegen ongewilde verplaatsingen.

Artikel 7.35 Grondverzet- en materiaalverladingsmachines
  • 1. Bestuurders en bedieners van grondverzet- en materiaalverladingsmachines bezitten daartoe een specifieke deskundigheid.

  • 2. Doeltreffende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat grondverzet- en materiaalverladingsmachines ongewild in uitgravingen of in het water terechtkomen.

Artikel 7.36 Apparaten onder druk

Apparaten onder druk worden afhankelijk van de aard en de mate van de daaraan verbonden gevaren periodiek op hun deugdelijkheid gecontroleerd.

AFDELING 6 BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS

§ 1 Vervoer

Artikel 7.37 Uitzonderingen voor vervoermiddelen
  • 1. Op luchtvaartuigen waarvoor vóór 1 januari 1997 een Nederlands of daaraan gelijk gesteld bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven, is artikel 7.13, derde lid, niet van toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.

  • 2. Op zeeschepen en binnenvaartuigen die vóór 1 januari 1994 zijn gebouwd, is artikel 7.13, derde lid, niet van toepassing, tenzij de naleving daarvan redelijkerwijs kan worden gevergd.

  • 3. Onder gebouwde zeeschepen wordt verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Schepenbesluit 1965, of voor zover het zeegaande vissersvaartuigen betreft, artikel 2 van het Vissersvaartuigenbesluit.

  • 4. De artikelen 7.18 en 7.20 zijn, voor zover het betreft tewaterlatingsmiddelen voor reddingsmiddelen en mechanische loodsladders, niet van toepassing op zeeschepen.

  • 5. Artikel 7.22, tweede lid, is niet van toepassing op laad- en losgerei aan boord van zeeschepen en binnenvaartuigen.

  • 6. Artikel 7.29 is niet van toepassing op vissersvaartuigen als bedoeld in artikel 1 van de Schepenwet.

§ 2 Jeugdige werknemers

Artikel 7.38 Schakelbepaling
  • 1. In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk gelden voor jeugdige werknemers tevens de in deze paragraaf genoemde voorschriften en verboden.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op jeugdige werknemers van 16 jaar en ouder die in het kader van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift geregelde beroepsopleiding of van een voor de toepassing van deze paragraaf bij ministeriële regeling daarmee gelijkgestelde beroepsopleiding, de in deze paragraaf bedoelde arbeid moeten verrichten en waarbij adequaat deskundig toezicht ter bescherming van de jeugdige werknemers is gewaarborgd.

Artikel 7.39 Deskundig toezicht

Artikel 1.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op jeugdige werknemers die:

a. arbeid verrichten, bestaande in het besturen van trekkers en het in rechtstreeks verband daarmee aan- of afkoppelen van aanhangwagens of werktuigen;

b. arbeid verrichten met wilde, giftige of andere dieren die gevaar opleveren;

c. dieren industrieel slachten;

d. op basis van stukloon ongevarieerde, zich in een kort tijdsbestek herhalende arbeid verrichten, en arbeid verrichten waarbij het tempo door een machine of lopende band op een zodanige wijze wordt beheerst dat de jeugdige werknemer zelf verhinderd wordt het tempo van de arbeid te beïnvloeden.

§ 3 Thuiswerkers

Artikel 7.40 Toepasselijkheid

Op thuiswerk zijn de afdelingen 1, 2 en 3 van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.41 Arbeidsmiddelen
  • 1. De voor de arbeid benodigde arbeidsmiddelen zijn, voor zover zij gevaar voor personen opleveren, voorzien van een doelmatige afscherming.

  • 2. De voor de arbeid benodigde arbeidsmiddelen met een bedieningssysteem zijn, zo dicht mogelijk bij de plaats van de persoon die het arbeidsmiddel bedient, voorzien van een zodanige inrichting dat dit arbeidsmiddel afzonderlijk, veilig en met zekerheid kan worden stilgezet en niet dan opzettelijk weer in beweging kan worden gebracht.

  • 3. De benodigde arbeidsmiddelen worden op de juiste wijze onderhouden en zonodig gerepareerd.

Artikel 7.42 Elektrische apparatuur
  • 1. Aan de voor de arbeid benodigde arbeidsmiddelen met een bedieningssysteem welke gevaren van elektrische aard met zich brengen, zijn doeltreffende beveiligingen aangebracht, waarvan de werking zoveel mogelijk onafhankelijk is van degene die dat arbeidsmiddel bedient.

  • 2. Indien het in verband met de werkzaamheden noodzakelijk is dat elektrische apparatuur moet worden aangesloten of anderszins leidingen of kabels moeten worden aangelegd, gebeurt dit op een juiste wijze opdat daarvan door de thuiswerker veilig gebruik kan worden gemaakt.

HOOFDSTUK 8 PERSOONLIJKE BESCHERMINGSMIDDELEN, VEILIGHEIDS- EN GEZONDHEIDSSIGNALERING EN HERKEURING

AFDELING 1 PERSOONLIJKE BESCHERMINGSMIDDELEN

Artikel 8.1 Algemene vereisten persoonlijk beschermingsmiddel

  • 1. Een door de werkgever aan de werknemer ter beschikking gesteld persoonlijk beschermingsmiddel is in overeenstemming met de betreffende bepalingen inzake ontwerp en constructie op het gebied van veiligheid en gezondheid, bedoeld in het Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen en het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover bedoeld persoonlijk beschermingsmiddel onder het toepassingsgebied van genoemde besluiten valt.

  • 2. In alle gevallen moet een persoonlijk beschermingsmiddel:

    a. geschikt zijn voor de te vermijden gevaren, zonder zelf een vergroot gevaar in te houden;

    b. beantwoorden aan de bestaande omstandigheden op de arbeidsplaats;

    c. afgestemd zijn op de ergonomische eisen en de vereisten met betrekking tot de gezondheid van de werknemers;

    d. na de nodige aanpassingen geschikt zijn voor de drager.

  • 3. Indien verschillende gevaren het tegelijkertijd dragen van meer dan één persoonlijk beschermingsmiddel noodzakelijk maken, zijn deze persoonlijke beschermingsmiddelen op elkaar afgestemd en blijven zij doelmatig tegen het betreffende gevaar of de betreffende gevaren.

  • 4. De keuze van het persoonlijk beschermingsmiddel en de wijze waarop dit gebruikt moet worden, met name wat betreft de duur van het dragen, worden bepaald afhankelijk van de ernst van het gevaar, de frequentie van de blootstelling aan het gevaar en de kenmerken van de arbeidsplaats van iedere werknemer afzonderlijk alsmede van de doelmatigheid van het persoonlijk beschermingsmiddel.

  • 5. Een persoonlijk beschermingsmiddel is in beginsel bestemd voor gebruik door één persoon. Indien de omstandigheden vereisen dat een persoonlijk beschermingsmiddel door meer dan één persoon gebruikt wordt, worden doeltreffende maatregelen genomen, opdat een dergelijk gebruik geen gezondheids- of hygiëneproblemen oplevert voor de onderscheiden gebruikers.

  • 6. Adequate gegevens over ieder persoonlijk beschermingsmiddel, nodig voor de toepassing van het eerste, tweede, derde en vierde lid, zijn in het bedrijf of de inrichting beschikbaar en worden zonodig doorgegeven.

  • 7. De persoonlijke beschermingsmiddelen mogen slechts voor de beoogde doeleinden worden gebruikt. Zij worden gebruikt overeenkomstig de gebruiksaanwijzing.

Artikel 8.2 Keuze persoonlijk beschermingsmiddel

Alvorens een persoonlijk beschermingsmiddel te kiezen maakt de werkgever, in het kader van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4 van de wet, een beoordeling van de uitrusting die hij voornemens is ter beschikking te stellen, teneinde na te gaan in hoeverre deze voldoet aan de in artikel 8.1, eerste, tweede en derde lid gestelde voorwaarden. Deze beoordeling omvat:

a. een inventarisatie en evaluatie van de gevaren die niet met andere middelen vermeden kunnen worden;

b. een omschrijving van de kenmerken die de persoonlijke beschermingsmiddelen moeten bezitten om de onder a vermelde gevaren te kunnen ondervangen, rekening houdend met eventuele gevaarsbronnen die de persoonlijke beschermingsmiddelen zelf kunnen vormen;

c. een inventarisatie en evaluatie van de kenmerken van de betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen die beschikbaar zijn, vergeleken met de onder b bedoelde kenmerken.

Artikel 8.3 Beschikbaarheid en gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen

  • 1. Indien gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van een werknemer op de arbeidsplaats aanwezig is of kan ontstaan, zijn voor de werknemers die aan dat gevaar blootstaan of kunnen blootstaan persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende aantal beschikbaar en wordt ervoor gezorgd dat die werknemers die middelen gebruiken.

  • 2. Persoonlijke beschermingsmiddelen worden onderhouden, gerepareerd en zindelijk gehouden. Voorts worden de noodzakelijke vervangingen voor het goed functioneren gedaan.

AFDELING 2 VEILIGHEIDS-EN GEZONDHEIDSSIGNALERING

Artikel 8.4 Algemene vereisten veiligheids- en gezondheidssignalering

  • 1. Ter voorkoming of beperking van gevaren voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers zorgt de werkgever ervoor dat, indien de gevaren op de arbeidsplaats of de gevaren van een arbeidsmiddel daartoe aanleiding geven, doeltreffende veiligheids- of gezondheidssignalering aanwezig is.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.

AFDELING 3 HERKEURING

Artikel 8.5 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. gekeurde werknemer: degene die een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 25 van de wet heeft ondergaan en waarvan het resultaat van dien aard is dat hij, op grond van het bij of krachtens dat artikel bepaalde, arbeid of bepaalde arbeid dan wel arbeid onder bepaalde omstandigheden niet of slechts met inachtneming van beperkende voorschriften mag verrichten;

b. de commissie: de Herkeuringscommissie Arbeidsomstandighedenwet, bedoeld in artikel 8.8, eerste lid.

Artikel 8.6 Verzoek tot herkeuring

Tegen het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 25 van de wet, kan de gekeurde werknemer een verzoek tot herkeuring indienen bij de commissie.

Artikel 8.7 Wijze van indiening

Het verzoek tot herkeuring wordt ingediend bij een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van de wet. Deze zendt de ingediende stukken, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, onverwijld toe aan de voorzitter van de commissie.

Artikel 8.8 Instelling en taak van de commissie

  • 1. Er is een Herkeuringscommissie Arbeidsomstandighedenwet.

  • 2. De commissie heeft tot taak zich uit te spreken over de verzoeken tot herkeuring die overeenkomstig artikel 8.6 zijn ingediend.

  • 3. De commissie bestaat uit drie leden en drie plaatsvervangende leden die door Onze Minister worden benoemd en ontslagen. De leden wijzen uit hun midden de voorzitter aan.

  • 4. De leden en hun plaatsvervangers zijn artsen die niet werkzaam zijn bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ten minste een van de leden alsmede diens plaatsvervanger is een bedrijfsarts die als zodanig staat ingeschreven in het register van erkende Sociaal-Geneeskundigen, tak arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst.

  • 5. De leden of hun plaatsvervangers nemen niet deel aan een zitting, beraadslaging of uitspraak, indien deze betrekking heeft op een gekeurde werknemer met wie zij in een medische, zakelijke of persoonlijke relatie staan of hebben gestaan.

  • 6. Voor iedere uitspraak van de commissie is een meerderheid van stemmen vereist.

  • 7. Het secretariaat van de commissie berust bij Onze Minister.

Artikel 8.9 Onderzoek

  • 1. De commissie stelt de werkgever van het verzoek tot herkeuring in kennis alsmede, indien het verzoek het resultaat betreft van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 25, vierde of vijfde lid, van de wet, Onze Minister respectievelijk een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van de wet.

  • 2. De commissie stelt degene die het arbeidsgezondheidskundig onderzoek heeft verricht, in kennis van het verzoek tot herkeuring en vraagt alle op het arbeidsgezondheidskundig onderzoek betrekking hebbende bescheiden op.

  • 3. De commissie onderwerpt de gekeurde werknemer opnieuw aan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek voor zover dat niet overbodig is.

  • 4. De commissie kan het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in het derde lid, geheel of gedeeltelijk opdragen aan een door haar aangewezen arts met wie de gekeurde werknemer niet in een medische, zakelijke of persoonlijke relatie staat of heeft gestaan.

  • 5. De commissie hoort de werkgever en andere personen voor zover dat noodzakelijk is.

Artikel 8.10 Uitspraak

De uitspraak wordt onverwijld ter beschikking gesteld van de gekeurde werknemer, zijn huisarts, de bedrijfsarts, degene die in eerste aanleg het arbeidsgezondheidskundig onderzoek heeft verricht alsmede van de werkgever voor zover de uitspraak verband houdt met de wet en met uitsluiting van gegevens van persoonlijke aard inzake de gekeurde werknemer. Indien het verzoek tot herkeuring het resultaat betreft van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 25, vierde of vijfde lid, van de wet, wordt het resultaat van de herkeuring tevens ter beschikking gesteld van Onze Minister respectievelijk een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van de wet.

Artikel 8.11 Bewaring van gegevens

  • 1. De commissie bewaart de op de herkeuring betrekking hebbende aantekeningen en andere stukken gedurende ten minste vijf jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij uitspraak heeft gedaan.

  • 2. Binnen een jaar na afloop van de in het eerste lid genoemde periode of, indien de gekeurde werknemer binnen die periode daarom schriftelijk heeft verzocht, binnen een jaar na dat verzoek vernietigt de commissie de bescheiden, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Vernietiging blijft evenwel achterwege voor zover dat in strijd is met de wet of dit besluit dan wel met enige andere wet.

Artikel 8.12 Inzagerecht

De commissie stelt de gekeurde werknemer zo spoedig mogelijk in de gelegenheid inzage te nemen in de op de zaak betrekking hebbende stukken en aantekeningen, behoudens voor zover dit de persoonlijke levenssfeer van een derde zou schaden. De commissie verstrekt de gekeurde werknemer desgevraagd tegen kostprijs afschrift van bedoelde stukken en aantekeningen.

AFDELING 4 BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS

§ 1 Onderwijs, burgerlijke openbare dienst, justitiële rijksinrichtingen en defensie

Artikel 8.13 Herkeuring
  • 1. In afwijking van de artikelen 8.6 tot en met 8.9, 8.11 en 8.12 wordt het verzoek tot herkeuring van de gekeurde werknemer, die werkzaam is in een onderwijsinrichting, in de burgerlijke openbare dienst, in een justitiële inrichting of als defensiepersoneel ingediend en behandeld overeenkomstig hetgeen bij of krachtens de op hem van toepassing zijnde rechtspositieregelingen omtrent herkeuring is bepaald.

  • 2. In afwijking van de eerste volzin van artikel 8.10 wordt, indien de gekeurde werknemer behoort tot het militair personeel, de uitspraak, bedoeld in artikel 8.10, onverwijld ter beschikking gesteld van de gekeurde werknemer, de militair arts die belast is met de geneeskundige verzorging van de gekeurde werknemer, de militair bedrijfsarts, degene die in eerste aanleg het arbeidsgezondheidskundig onderzoek heeft verricht alsmede van de werkgever voor zover de uitspraak verband houdt met de wet en met uitsluiting van gegevens van persoonlijke aard inzake de gekeurde werknemer.

§ 2 Vervoer

Artikel 8.14 Veiligheids- en gezondheidssignalering
  • 1. Afdeling 2 van dit hoofdstuk is niet van toepassing op de in of op een luchtvaartuig, een zeeschip of een binnenvaartuig dan wel een voertuig op de openbare weg, of spoor- of tramweg gebruikte veiligheids- of gezondheidssignalering, voor zover deze signalering op grond van enig ander wettelijk voorschrift is voorgeschreven.

  • 2. De in artikel 8.4 bedoelde veiligheids- of gezondheidssignalering wordt, indien daar reden toe is, in of op de vervoermiddelen, genoemd in het eerste lid, gebruikt, wanneer deze zich bevinden op het terrein van het bedrijf of de inrichting.

§ 3 Thuiswerkers

Artikel 8.15 Toepasselijkheid thuiswerkers

De afdelingen 1 en 3 van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op thuiswerk.

HOOFDSTUK 9 VERPLICHTINGEN, BESTUURSRECHTELIJKE BEPALINGEN EN OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

AFDELING 1 VERPLICHTINGEN VAN WERKGEVER, THUISWERKGEVER, WERKNEMER, THUISWERKER, ZELFSTANDIGE, OPDRACHTGEVER, ONTWERPENDE PARTIJ, UITVOERENDE PARTIJ EN LIFTEIGENAAR OF -BEHEERDER

Artikel 9.1 Verplichtingen van de werkgever

De werkgever is verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn gesteld, met uitzondering van de artikelen 1.25, 2.31, 2.32, 2.35, 2.36, 2.37, 2.39 en 7.21.

Artikel 9.2 Verplichtingen van de thuiswerkgever

De thuiswerkgever is verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke zijn opgenomen in de volgende artikelen:

a. van hoofdstuk 1: de artikelen 1.44 en 1.45;

b. van hoofdstuk 2: de artikelen 2.1, 2.8 tot en met 2.16 en 2.18 tot en met 2.24;

c. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.110 tot en met 4.115;

d. van hoofdstuk 5: de artikelen 5.1 tot en met 5.12 en 5.3.3.2;

e. van hoofdstuk 6: artikel 6.30;

f. van hoofdstuk 7: de artikelen 7.1 tot en met 7.16, 7.41 en 7.42;

g. van hoofdstuk 8: de artikelen 8.1 tot en met 8.3;

h. van hoofdstuk 9: artikel 9.10.

Artikel 9.3 Verplichtingen van de werknemer

  • 1. Indien op grond van het bepaalde bij of krachtens dit besluit persoonlijke beschermingsmiddelen of hulpmiddelen aan de werknemer ter beschikking zijn gesteld, is de werknemer verplicht die persoonlijk beschermingsmiddelen en hulpmiddelen overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften te gebruiken en zindelijk te houden. De vorige volzin is niet van toepassing op de gevallen, bedoeld in artikel 6.8, vijfde lid, eerste volzin.

  • 2. Voorts is de werknemer verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke zijn opgenomen in de volgende artikelen:

    a. van hoofdstuk 2: artikel 2.22;

    b. van hoofdstuk 3: artikel 3.5;

    c. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.1, 4.5, 4.6, eerste lid, 4.7, tweede en vierde lid, 4.8, tweede en zesde lid, 4.21, eerste en derde lid, 4.38, 4.39, eerste en tweede lid, 4.41, eerste en tweede lid, 4.45, tweede lid, 4.46, derde lid, 4.47, eerste lid, 4.51, vierde, vijfde en zevende lid, 4.54, zesde lid, 4.56, eerste lid, onder b, 4.58, eerste lid, 4.59, eerste lid, 4.60, eerste lid, 4.61, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 4.75, eerste lid, 4.76, tweede en derde lid, 4.78, 4.83, eerste lid, 4.86, derde lid, 4.87, vierde lid, onder d, en 4.89, eerste lid, onder a en d;

    d. van hoofdstuk 6: de artikelen 6.8, tweede lid, 6.14, 6.16 en 6.19, eerste lid;

    e. van hoofdstuk 7: de artikelen 7.5, tweede lid, 7.13, derde lid, 7.21, tweede lid, 7.22, eerste lid, 7.23, eerste en tweede lid, 7.24, eerste lid, 7.25, vijfde lid, en 7.32, tweede en derde lid.

  • 3. De in dit artikel genoemde verplichtingen voor werknemers zijn niet van toepassing op leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen.

Artikel 9.4 Verplichtingen van de thuiswerker

De thuiswerker is verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke zijn opgenomen in de volgende artikelen:

a. van hoofdstuk 1: artikel 1.46;

b. van hoofdstuk 4: artikel 4.110.

Artikel 9.5 Verplichtingen van zelfstandigen

Een ieder die werkgever noch werknemer is, is verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke zijn opgenomen in de volgende artikelen:

a. van hoofdstuk 2: artikel 2.39;

b. van hoofdstuk 3: de artikelen 3.4, 3.5, 3.39 en 3.40;

c. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.38, 4.39, 4.41, 4.45, eerste lid, 4.46, eerste lid, 4.54, 4.55, 4.56, eerste lid, onder a, 4.58, 4.59, 4.60, 4.61 en 9.2.1.6, eerste lid, onder a, sub 1° tot en met 4°, en onder b;

d. van hoofdstuk 6: de artikelen 6.16, 6.18, 6.19, eerste lid, en 6.20;

e. van hoofdstuk 7: artikel 7.4, eerste lid, voor zover het betreft landbouwtrekkers die 800 kg of meer wegen, en artikel 7.32, tweede en derde lid.

Artikel 9.6 Verplichtingen van de opdrachtgever

De opdrachtgever is verplicht tot naleving van de voorschriften welke zijn opgenomen in de artikelen 2.31 en 2.35.

Artikel 9.7 Verplichtingen van de ontwerpende partij

De ontwerpende partij is verplicht tot naleving van de voorschriften welke zijn opgenomen in de artikelen 2.32 en 2.36.

Artikel 9.8 Verplichtingen van de uitvoerende partij

De uitvoerende partij is verplicht tot naleving van de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 2.37.

Artikel 9.9 Verplichtingen van de lifteigenaar of -beheerder

De eigenaar of beheerder van een lift is verplicht tot naleving van de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 7.21.

AFDELING 2 BESTUURSRECHTELIJKE BEPALINGEN

§ 1 Vrijstelling of ontheffing

Artikel 9.10 Vrijstelling deskundigheidseisen arbodienst

Onze Minister kan, gedurende de periode dat de verlening van certificaten door hem geschiedt, op gezamenlijk verzoek van de betrokken, naar zijn oordeel representatieve verenigingen van werkgevers en van werknemers met volledige rechtsbevoegdheid al dan niet onder voorschriften bepalen, dat ten aanzien van een arbodienst die uitsluitend werkzaam is voor een bepaalde tak van bedrijf of beroep, andere eisen gelden met betrekking tot de deskundigheden dan in artikel 2.7 is voorgeschreven.

Artikel 9.11 Vrijstelling of ontheffing asbestverbod
  • 1. Vrijstelling of ontheffing van artikel 4.41, tweede lid, kan uitsluitend worden verleend in gevallen waarin het niet mogelijk is om andere, minder schadelijke of onschadelijke stoffen of producten te verwerken dan asbest of asbesthoudende producten.

  • 2. Vrijstelling of ontheffing van artikel 4.41, eerste en derde lid, kan uitsluitend worden verleend in gevallen waarin een vrijstelling of een ontheffing van artikel 4.41, tweede lid, wordt verleend.

Artikel 9.12 Vrijstelling asbestverbod

Op werkzaamheden waarvoor vrijstelling is verleend van artikel 4.41, zijn de paragrafen 3, 4 en 7 van hoofdstuk 4, afdeling 5 van toepassing.

Artikel 9.13 Ontheffing asbestverbod
  • 1. Bij een verzoek om ontheffing van artikel 4.41, eerste en tweede lid, worden in ieder geval de volgende gegevens overgelegd aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 van de wet:

    a. de soorten asbest of asbesthoudende producten alsmede de hoeveelheden van ieder van deze soorten of producten die zullen worden verwerkt en bewerkt;

    b. de werkzaamheden die met asbest of asbesthoudende producten zullen worden verricht alsmede de werkmethoden.

  • 2. Indien het verzoek om ontheffing betrekking heeft op het verwerken en bewerken van asbest of asbesthoudende producten ten behoeve van het vervaardigen van bepaalde producten, wordt bij het verzoek tevens het gegeven overgelegd welke producten vervaardigd zullen worden.

  • 3. Op werkzaamheden waarvoor ontheffing is verleend van artikel 4.41, zijn de paragrafen 3, 4, met uitzondering van artikel 4.49, en 7 van hoofdstuk 4, afdeling 5 van toepassing.

Artikel 9.14 Vrijstelling of ontheffing specifieke stoffenverbod

Vrijstelling of ontheffing van het in artikel 4.59, eerste lid, vervatte verbod kan slechts verleend worden voor:

a. het gebruik van de stoffen voor onderzoek en proeven, met inbegrip van analyse;

b. werkzaamheden die zijn gericht op de verwijdering van de stoffen die in een mengsel of oplossing aanwezig zijn in een concentratie die kleiner is dan 0,1 gewichtsprocent;

c. productieprocessen waarbij de stoffen in een gesloten procesinstallatie worden vervaardigd en daarin worden omgezet in andere stoffen, zonder dat de stoffen daarbij, anders dan voor zover dat noodzakelijk is voor de controle op het productieproces en het onderhoud van de procesinstallatie, tussentijds uit de procesinstallatie worden genomen.

Artikel 9.15 Vrijstelling specifieke stoffenverbod

In gevallen waarin van de in artikel 4.59 vervatte verboden vrijstelling is verleend worden:

a. indien het voornemen bestaat om een in de vrijstelling genoemde stof te vervaardigen, te gebruiken of in voorraad te houden, aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet schriftelijk de volgende gegevens gemeld:

1°. de identiteit van de stof die zal worden vervaardigd of gebruikt dan wel in voorraad zal worden gehouden;

2°. de hoeveelheid van de stof die per jaar zal worden vervaardigd of gebruikt dan wel in voorraad zal worden gehouden;

3°. de plaats waar de stof zal worden vervaardigd of gebruikt dan wel in voorraad zal worden gehouden;

4°. de vormen van arbeid die met de stof zullen worden verricht;

5°. het aantal werknemers dat bij de arbeid aan de stof zal kunnen worden blootgesteld;

6°. de wijze waarop en de mate waarin werknemers bij de arbeid aan de stof zullen kunnen worden blootgesteld;

7°. de maatregelen die zijn genomen om te voorkomen dat werknemers bij de arbeid aan de stof zullen worden blootgesteld;

b. indien het voornemen bestaat om een belangrijke wijziging aan te brengen in de omstandigheden die ten grondslag liggen aan de gegevens die zijn overgelegd op grond van het onder a bedoelde voorschrift, de daar bedoelde gegevens opnieuw schriftelijk gemeld aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet;

c. de gegevens die zijn overgelegd op grond van de in de onder a en b bedoelde voorschriften ter kennis gebracht van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers;

d. naast de gegevens die ter kennis worden gebracht op grond van het onder c bedoelde voorschrift, tevens al die gegevens verstrekt die nodig zijn om de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers doeltreffend in te lichten over de gevaren voor de gezondheid en de veiligheid die aan de stof zijn verbonden en de werkzaamheden die daarmee zullen worden verricht alsmede over de maatregelen die ter voorkoming van die gevaren worden genomen.

Artikel 9.16 Ontheffing specifieke stoffenverbod
  • 1. Bij een verzoek om ontheffing van de in artikel 4.59 vervatte verboden worden de in artikel 9.15, eerste lid, onder a, bedoelde gegevens overgelegd.

  • 2. In gevallen waarin van de in artikel 4.59 vervatte verboden ontheffing is verleend, wordt de ondernemingsraad of worden, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers, doeltreffend schriftelijk ingelicht over de gevaren voor de gezondheid en de veiligheid die aan de stof zijn verbonden en de werkzaamheden die daarmee zullen worden verricht alsmede over de maatregelen die ter voorkoming van die gevaren worden genomen.

Artikel 9.17 Vrijstelling of ontheffing geluidvoorschriften
  • 1. Vrijstelling of ontheffing van artikel 6.8, vijfde lid, derde volzin, kan uitsluitend worden verleend in gevallen waarin het redelijkerwijs niet mogelijk is om de blootstelling van werknemers te beperken tot het in artikel 6.8, eerste en tweede lid, genoemde equivalente geluidniveau en het technisch niet mogelijk is dat de persoonlijke beschermingsmiddelen een demping van het geluid bieden tot beneden het in artikel 6.8, zesde lid, genoemde equivalente geluidniveau.

  • 2. Aan een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat de persoonlijke beschermingsmiddelen een demping bieden tot een zo laag mogelijk geluidniveau.

  • 3. Vrijstelling of ontheffing van artikel 6.8, vijfde lid, eerste volzin, en zesde lid, kan uitsluitend worden verleend in gevallen waarin door werknemers bijzondere taken worden uitgevoerd en in verband met het uitvoeren van deze taken het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen een verzwaring van het totale gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers met zich brengt en dit gevaar redelijkerwijs niet door doeltreffende maatregelen kan worden beperkt.

  • 4. Aan vrijstellingen of ontheffingen, bedoeld in dit artikel, worden voorschriften verbonden om de duur en de mate van de blootstelling van de betrokken werknemers aan schadelijk geluid zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 9.18 Vrijstelling of ontheffing laden en lossen van schepen
  • 1. Vrijstelling of ontheffing van de artikelen 7.24 tot en met 7.28 kan uitsluitend worden verleend:

    a. ten aanzien van plaatsen waar het verkeer onregelmatig is;

    b. ten aanzien van binnenvaartuigen met een lengte van minder dan 55 meter, zeeschepen kleiner dan 500 GT of vissersvaartuigen als bedoeld in artikel 1 van de Schepenwet.

  • 2. Vrijstelling of ontheffing van artikel 7.29 kan uitsluitend worden verleend:

    a. ten aanzien van plaatsen waar het verkeer onregelmatig is;

    b. ten aanzien van binnenschepen met een lengte van minder dan 55 meter of zeeschepen kleiner dan 500 GT.

Artikel 9.19 Beperking vrijstellings- of ontheffingsmogelijkheid

Geen vrijstelling of ontheffing wordt verleend van de voorschriften en verboden, bedoeld in de volgende artikelen en de daarop berustende bepalingen:

a. van hoofdstuk 1: de artikelen van de afdelingen 8 en 9;

b. van hoofdstuk 2: de artikelen van de afdelingen 5 en 6;

c. van hoofdstuk 3: de artikelen van de afdelingen 2 en 3 en de paragrafen 4 en 5 van afdeling 5;

d. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.1, 4.4, 4.6, 4.9, met uitzondering van het negende lid, de artikelen van de afdelingen 2, 3 en 4, de artikelen 4.38, 4.39, 4.40, vierde lid, 4.42, vierde lid, de artikelen van de paragrafen 3, 4, 6 en 7 van afdeling 5, de artikelen van de afdelingen 7, 8 en 9 en de artikelen van de paragrafen 2 en 3 van afdeling 10;

e. van hoofdstuk 5: de artikelen van de afdelingen 1 en 2 en artikel 5.14;

f. van hoofdstuk 6: de artikelen van de afdelingen 1 en 2, artikel 6.8, eerste tot en met vierde lid, vijfde lid, tweede en vierde volzin, en zevende tot en met negende lid, en de artikelen van de paragrafen 3 en 4 van afdeling 6;

g. van hoofdstuk 7: de artikelen van de afdelingen 2 en 3, artikel 7.30 en de artikelen van de afdeling 5, met uitzondering van artikel 7.32 en paragraaf 2 van afdeling 6;

h. van hoofdstuk 8: de artikelen van de afdelingen 1 en 2;

i. van hoofdstuk 9: de artikelen 9.15 en 9.16.

Artikel 9.20 Duur van vrijstelling of ontheffing

Vrijstellingen of ontheffingen worden slechts verleend voor beperkte duur en worden in ieder geval ingetrokken wanneer de redenen waarom zij zijn verleend, zijn vervallen.

§ 2 Aanwijzing en eis tot naleving

Artikel 9.21 Aanwijzing
  • 1. Omtrent de naleving van de afdelingen 2, 3, 4 en 6 van hoofdstuk 1 alsmede artikel 2.37, tweede lid, kan een aanwijzing worden gegeven overeenkomstig artikel 35, eerste lid, van de wet.

  • 2. Bij het geven van een aanwijzing aan een werkgever of werknemer, waarop zowel afdeling 2 als afdeling 4 of 6 van hoofdstuk 1 van toepassing is, wordt het ter zake in afdeling 4 of 6 bepaalde in acht genomen.

  • 3. Bij het geven van een aanwijzing aan een werkgever of werknemer, waarop afdeling 4 of 6 van hoofdstuk 1 van toepassing is, wordt het ter zake in die afdeling bepaalde in acht genomen.

  • 4. Indien ten aanzien van een of meer bepalingen van dit besluit overeenkomstig artikel 35, eerste lid, van de wet een aanwijzing is gegeven, kan in die situatie van het betreffende voorschrift respectievelijk de betreffende voorschriften geen ontheffing meer worden verleend.

Artikel 9.22 Eis tot naleving
  • 1. Omtrent de wijze waarop de voorschriften, gesteld krachtens de artikelen 2, 4, eerste, tweede en negende lid, of artikel 24 van de wet, moeten worden nageleefd kan een eis worden gesteld overeenkomstig artikel 36, eerste lid, van de wet.

  • 2. Het eerste lid geldt niet in de gevallen, bedoeld in artikel 1.33.

  • 3. Het eerste lid geldt voorts niet ten aanzien van de volgende artikelen:

    a. van hoofdstuk 1: de artikelen 1.26 tot en met 1.32 en 1.34;

    b. van hoofdstuk 2: artikel 2.37, tweede lid;

    c. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, 4.38 tot en met 4.42, 4.58, 4.59, 4.60, eerste en zevende lid, 4.61, tweede lid, 4.78, 4.83, 4.105 en 4.110;

    d. van hoofdstuk 6: artikel 6.27.

  • 4. Bij het stellen van een eis aan een werkgever of werknemer, waarop zowel afdeling 2 als afdeling 4 of 6 van hoofdstuk 1 van toepassing is, wordt het ter zake in afdeling 4 of 6 bepaalde in acht genomen.

  • 5. Bij het stellen van een eis aan een werkgever of werknemer, waarop afdeling 4 of 6 van hoofdstuk 1 van toepassing is, wordt het ter zake in die afdeling bepaalde in acht genomen.

  • 6. Indien ten aanzien van een of meer bepalingen van dit besluit overeenkomstig artikel 36, eerste lid, van de wet, een eis tot naleving is gesteld, kan in die situatie van het betreffende voorschrift respectievelijk de betreffende voorschriften geen ontheffing meer worden verleend.

AFDELING 3 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

§ 1 Intrekking regelgeving

Artikel 9.23 Intrekking besluiten

1. De volgende besluiten worden ingetrokken:

a. het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938;

b. het Electrotechnisch Veiligheidsbesluit 1938;

c. het Veiligheidsbesluit-loodwit;

d. het Veiligheidsbesluit electrische schrikdraden;

e. het Landbouwveiligheidsbesluit;

f. het Veiligheidsbesluit Stuwadoorsarbeid;

g. het Zandsteenbesluit;

h. het Veiligheidsbesluit Binnenvaart;

i. het Zandstraalbesluit;

j. het Veiligheidsbesluit Tankschepen;

k. het Besluit verplichtstelling arbeidsveiligheidsrapport;

l. het Arbeidsomstandighedenbesluit burgerlijke openbare dienst;

m. het Arbeidsomstandighedenbesluit defensie;

n. het Loodbesluit;

o. het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet;

p. het Arbeidsomstandighedenbesluit Justitiële Rijksinrichtingen;

q. het Besluit verplichtstelling jaarplan;

r. het Veiligheidsbesluit restgroepen;

s. het Besluit specifieke gezondheidsschadelijke stoffen;

t. het Arbeidsomstandighedenbesluit onderwijs;

u. het Herkeuringsbesluit Arbeidsomstandighedenwet;

v. het Besluit beeldschermwerk;

w. het Besluit fysieke belasting;

x. het Besluit arbeidsplaatsen;

y. het Besluit arbeidsmiddelen;

z. het Arbeidsomstandighedenbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen;

aa. het Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering;

ab. het Besluit arbodiensten;

ac. het Besluit bedrijfshulpverlening Arbeidsomstandighedenwet;

ad. het Besluit kankerverwekkende stoffen en processen;

ae. het Besluit zwangere werkneemsters;

af. het Besluit biologische agentia;

ag. het Bouwprocesbesluit Arbeidsomstandighedenwet;

ah. het Arbeidsomstandighedenbesluit winningsindustrie in dagbouw;

ai. het Besluit thuiswerk;

aj. het Besluit arbeid onder overdruk.

2. De Arbeidsomstandighedenregeling vervoermiddelen wordt ingetrokken.

3. Het Arbeidsbesluit jeugdigen wordt ingetrokken.

4. Het Besluit spanninggevers voor schrikdraden wordt ingetrokken.

§ 2 Wijziging regelgeving

Artikel 9.24 Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet

Artikel 6, derde lid, van het >Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet1 wordt ingetrokken.

Artikel 9.25 Besluit ter uitvoering van de Wet arbeid gehandicapte werknemers

Het Besluit ter uitvoering van de Wet arbeid gehandicapte werknemers2 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6

Voor de toepassing van het tweede tot en met het vierde lid van artikel 6 van de wet treedt in de openbare dienst, tenzij de Wet op de ondernemingsraden van toepassing is, in de plaats van de ondernemingsraad: het overlegorgaan als bedoeld in artikel 1.6, tweede lid, onder b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

B. Na artikel 6 wordt een nieuw artikel 6a tussengevoegd, luidende:

Artikel 6a

Voor zover artikel II van de Wet van 13 april 1995, houdende regeling van de medezeggenschap van het overheidspersoneel in de Wet op de ondernemingsraden (Stb. 1995, 231) van toepassing is, treedt, uitsluitend voor ondernemingen waarop dat artikel betrekking heeft, voor de toepassing van artikel 6 van de wet in de plaats van de ondernemingsraad: het overlegorgaan als bedoeld in artikel 9.37a, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Artikel 9.26 Aanwijzingsbesluit bestuursorganen Wob en WNo

In de bijlage, bedoeld in de artikelen 1, onder a, en 2, onder b, van het Aanwijzingsbesluit bestuursorganen Wob en WNo3, letter K Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, vervalt punt 11 en komt punt 12 te luiden als volgt: Herkeuringscommissie Arbeidsomstandighedenwet als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Artikel 9.27 Besluit schiethamers

In artikel 7, eerste lid, van het Besluit schiethamers4, wordt de puntkomma na punt c vervangen door een punt en vervallen de letters d en e.

Artikel 9.28 Binnenschepenbesluit

Artikel 20, vierde lid, van het Binnenschepenbesluit5 vervalt.

Artikel 9.29 Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer

In de punten 5.2.4 en 12.2.4 van Bijlage 1, behorende bij het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer6 wordt «Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

Artikel 9.30 Besluit houtbewerkende bedrijven milieubeheer

In punt 21.2.3 van Bijlage 1, behorende bij het Besluit houtbewerkende bedrijven milieubeheer7 wordt «Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

Artikel 9.31 Mijnreglement continentaal plat

Het Mijnreglement continentaal plat8 wordt gewijzigd als volgt:

A. In artikel 96d worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

2. In het tweede lid wordt «het Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering, met uitzondering van de artikelen 3, derde lid, en 5 tot en met 17 van dat besluit,» vervangen door: hoofdstuk 8, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot derde tot en met zesde lid.

4. In het nieuwe vijfde lid wordt «het bij het tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 3, eerste en tweede lid van het Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering» vervangen door: de bij het tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaarde afdeling 2 van hoofdstuk 8 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

5. In het nieuwe zesde lid wordt «tweede, vierde, vijfde en zesde lid» vervangen door: tweede tot en met vijfde lid.

B. In artikel 152a worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

2. In het tweede lid wordt «het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet bepaalde, met uitzondering van paragraaf 7,» vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3. In het tweede lid, onder d, wordt «artikel 16 van het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet» vervangen door: artikel 4.52 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

4. In het derde lid wordt «het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

5. In het vierde lid wordt «Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

C. In artikel 152b worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «Loodbesluit» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

2. In het tweede lid wordt «het Loodbesluit bepaalde, met uitzondering van de artikelen 15, 18 en 19,» vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3. In het tweede lid, onder c, wordt «artikel 12, tweede en derde lid, van het Loodbesluit» vervangen door: artikel 4.74, tweede en derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

4. In het derde lid wordt «het Loodbesluit» vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

D. In artikel 152c worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «Besluit kankerverwekkende stoffen en processen» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

2. In het tweede lid wordt «het Besluit kankerverwekkende stoffen en processen bepaalde, met uitzondering van de artikelen 16, 18, 19 en 20 van dat besluit,» vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3. In het tweede lid, onder d, wordt «artikel 3, eerste lid, van het Besluit kankerverwekkende stoffen en processen» vervangen door: artikel 4.14, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

4. In het derde lid wordt «het Besluit kankerverwekkende stoffen en processen» vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

E. In artikel 154f worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «Besluit beeldschermwerk» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

2. In het tweede lid wordt «het Besluit beeldschermwerk, met uitzondering van de artikelen 7, 10, 11 en 12,» vervangen door: hoofdstuk 5, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3. In het tweede lid, onder c, wordt «artikel 5 van het Besluit beeldschermwerk» vervangen door: artikel 5.11 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

4. In het derde lid wordt «het Besluit beeldschermwerk» vervangen door: hoofdstuk 5, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Artikel 9.32 Mijnreglement 1964

Het Mijnreglement 19649 wordt gewijzigd als volgt:

A. In artikel 147a worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering» vervangen door; Arbeidsomstandighedenbesluit.

2. In het tweede lid wordt «het Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering, met uitzondering van de artikelen 3, derde lid, en 5 tot en met 17 van dat besluit» vervangen door: hoofdstuk 8, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot derde tot en met zesde lid.

4. In het nieuwe vijfde lid wordt «het bij het tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 3, eerste en tweede lid, van het Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering» vervangen door: de bij het tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaarde afdeling 2 van hoofdstuk 8 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

5. In het nieuwe zesde lid wordt «tweede, vierde, vijfde en zesde lid» vervangen door: tweede tot en met vijfde lid.

B. In artikel 234a worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

2. In het tweede lid wordt «het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet bepaalde, met uitzondering van paragraaf 7,» vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3. In het tweede lid, onder d, wordt «artikel 16 van het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet» vervangen door: artikel 4.52 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

4. In het derde lid wordt «het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet» vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

5. In het vierde lid wordt «Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

C. In artikel 234b worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «Loodbesluit» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

2. In het tweede lid wordt «het Loodbesluit bepaalde, met uitzondering van de artikelen 15, 18 en 19,» vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3. In het tweede lid, onder c, wordt «artikel 12 van het Loodbesluit» vervangen door: artikel 4.74 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

4. In het derde lid wordt «het Loodbesluit» vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

D. In artikel 234c worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «Besluit kankerverwekkende stoffen en processen» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

2. In het tweede lid wordt «het Besluit kankerverwekkende stoffen en processen bepaalde, met uitzondering van de artikelen 16, 18, 19 en 20 van dat besluit,» vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3. In het tweede lid, onder d, wordt «artikel 3, eerste lid, van het Besluit kankerverwekkende stoffen en processen» vervangen door: artikel 4.14, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

4. In het derde lid wordt «het Besluit kankerverwekkende stoffen en processen» vervangen door: hoofdstuk 4, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

E. In artikel 236f worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «Besluit beeldschermwerk» vervangen door: Arbeidsomstandighedenbesluit.

2. In het tweede lid wordt «het Besluit beeldschermwerk, met uitzondering van de artikelen 7, 10, 11 en 12,» vervangen door: hoofdstuk 5, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3. In het tweede lid, onder c, wordt «artikel 5 van het Besluit beeldschermwerk» vervangen door: artikel 5.11 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

4. In het derde lid wordt «het Besluit beeldschermwerk» vervangen door: hoofdstuk 5, afdeling 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Artikel 9.33 Arbeidstijdenbesluit

Het Arbeidstijdenbesluit10 wordt gewijzigd als volgt:

A. In artikel 5.15:1 wordt «artikel 212sexies, eerste lid, onderdeel c, van het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938» vervangen door: artikel 7.32, eerste lid, onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

B. In artikel 5.15:2 wordt «artikel 212sexies, tweede lid, onderdeel a, van het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938» vervangen door: artikel 7.32, tweede lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

§ 3 Overgangsrecht

Artikel 9.34 Arbeidsveiligheidsrapportage; bestaande installaties
  • 1. In afwijking van artikel 2.6 bedraagt de faseringsfactor voor op 1 januari 1994 reeds in werking gebrachte installaties die niet behoren tot een inrichting als bedoeld in artikel 1g van het Besluit risico's zware ongevallen tot 1 januari 1998: 5.

  • 2. Voor installaties als bedoeld in het eerste lid, is het arbeidsveiligheidsrapport aanwezig uiterlijk twee jaar na het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde faseringsfactor van kracht is.

  • 3. Indien de in het tweede lid bedoelde verplichting ten aanzien van een zelfde werkgever voor meer dan één installatie gaat gelden, wordt de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot een tweede en iedere volgende installatie telkens met drie maanden verlengd.

Artikel 9.35 Arbeidsveiligheidsrapportage; vervoer

Afdeling 2 van hoofdstuk 2 is tot 1 januari 2002 niet van toepassing op arbeid verricht in respectievelijk op een luchtvaartuig, een zeeschip of een binnenvaartuig dan wel een voertuig op een openbare weg of een spoor- of tramweg.

Artikel 9.36 Trekkerarbeid jeugdigen op openbare weg

Tot anderhalf jaar na het tijdstip waarop dit besluit in werking is getreden, zijn, in aanvulling op artikel 7.39, onder a, jeugdige werknemers die arbeid verrichten bestaande in het op de openbare weg besturen van trekkers en het in rechtstreeks verband daarmee aan- of afkoppelen van aanhangwagens of werktuigen, in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid, dat is afgegeven door een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling.

Artikel 9.37 Samenwerking, overleg en benadelingsbescherming in verband met overgangstermijn Wet op de ondernemingsraden

Voor zover artikel II van de Wet van 13 april 1995, houdende regeling van de medezeggenschap van het overheidspersoneel in de Wet op de ondernemingsraden (Stb. 1995, 231) van toepassing is, gelden, uitsluitend voor ondernemingen waarop dit artikel betrekking heeft, voor de toepassing van de wet, dit besluit en de daarop berustende bepalingen, de volgende bepalingen:

Artikel 9.37a Definities samenwerking en overleg
  • 1. In afwijking van de wet, dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voor de toepassing daarvan ten aanzien van arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst en arbeid verricht door justitieel personeel in justitiële inrichtingen, voor zover de Wet op de ondernemingsraden niet van toepassing is, voor «de ondernemingsraad» gelezen «het overlegorgaan».

  • 2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder overlegorgaan:

    a. een commissie waarmee op grond van hoofdstuk XI of hoofdstuk XIA van het Algemeen Rijksambtenarenreglement overleg wordt gevoerd;

    b. een commissie waarmee op grond van een overeenkomstige regeling als bedoeld onder a overleg wordt gevoerd.

Artikel 9.37b Aard en inhoud van het overleg
  • 1. Ten aanzien van de aard en inhoud van het overleg met een overlegorgaan, ten aanzien van de wijze waarop het overleg met een overlegorgaan wordt gevoerd en ten aanzien van de bevoegdheden van een overlegorgaan, is hoofdstuk XI respectievelijk XIA van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of hetgeen in een overeenkomstige regeling voor overheidspersoneel is bepaald, van toepassing.

  • 2. Voor zover de wet bepalingen bevat omtrent rechten van de ondernemingsraad of leden daarvan, waaromtrent de in het eerste lid bedoelde reglementen of regelingen geen bepalingen bevatten, is de wet van toepassing.

Artikel 9.37c Benadelingsbescherming
  • 1. In afwijking van artikel 19, tweede lid, van de wet is, voor zover ten aanzien van anderen dan ondernemingsraadsleden ter zake van benadeling artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing is, ten aanzien van degenen op wie het Algemeen Rijksambtenarenreglement van toepassing is, artikel 126d, eerste lid, van dit reglement van toepassing.

  • 2. Ten aanzien van degenen, bedoeld in het eerste lid, op wie een overeenkomstige regeling voor overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, is voor zover nodig het eerste lid van toepassing.

§ 4 Slotbepalingen

Artikel 9.38 Evaluatie

Onze Minister zendt binnen 5 jaar na inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.

Artikel 9.39 Wijziging bijlagen bij EG-richtlijnen

Een wijziging van een van de bijlagen bij een EG-richtlijn waarnaar in dit besluit wordt verwezen, gaat voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Artikel 9.40 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 9.41 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenbesluit.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 15 januari 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

J. M. M. Ritzen

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

De Staatssecretaris van Defensie,

J. C. Gmelich Meijling

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

W. Kok

Uitgegeven de vijfentwintigste februari 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Inhoudsopgave

HOOFDSTUK 1 DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED1
   
AFDELING 1DEFINITIES1
   
AFDELING 2SAMENWERKING, OVERLEG, ONTSLAG- EN BENADELINGSBESCHERMING EN NADERE REGELS5
   
AFDELING 3ONDERWIJS7
   
AFDELING 4BURGERLIJKE OPENBARE DIENST8
   
AFDELING 5VERVOER8
   
AFDELING 6JUSTITIËLE RIJKSINRICHTINGEN9
   
AFDELING 7DEFENSIE10
   
AFDELING 8JEUGDIGEN12
   
AFDELING 9ZWANGERE WERKNEMERS EN WERKNEMERS TIJDENS DE LACTATIE13
   
AFDELING 10THUISWERKERS14
   
HOOFDSTUK 2 ARBOZORG EN ORGANISATIE VAN DE ARBEID15
   
AFDELING 1JAARPLAN EN JAARVERSLAG15
   
AFDELING 2ARBEIDSVEILIGHEIDSRAPPORTAGE15
   
AFDELING 3ARBODIENSTEN17
   
AFDELING 4BEDRIJFSHULPVERLENING19
   
AFDELING 5BOUWPLAATSEN21
§ 1Definities en toepasselijkheid21
§ 2Algemene verplichtingen inzake bouwplaatsen en verplichtingen in verband met het ontwerp van een bouwwerk22
§ 3Verplichtingen in verband met de totstandbrenging van een bouwwerk24
   
AFDELING 6WINNINGSINDUSTRIEËN IN DAGBOUW26
   
AFDELING 7NACHTARBEID27
   
AFDELING 8BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS27
§ 1Vervoer27
§ 2Thuiswerkers27
   
HOOFDSTUK 3 INRICHTING ARBEIDSPLAATSEN28
   
AFDELING 1ALGEMENE VOORSCHRIFTEN28
§ 1Definities28
§ 2Algemene verplichtingen van de werkgever28
§ 3Voorzieningen in noodsituaties29
§ 4Inrichtingseisen30
§ 5Ontspanningsruimten en andere voorzieningen32
   
AFDELING 2AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN BOUWPLAATSEN34
   
AFDELING 3AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN WINNINGSINDUSTRIEËN IN DAGBOUW35
   
AFDELING 4AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN BENZINESTATIONS36
   
AFDELING 5BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS37
§ 1Onderwijs37
§ 2Vervoer37
§ 3Justitiële rijksinrichtingen37
§ 4Jeugdigen38
§ 5Zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie38
   
HOOFDSTUK 4 GEVAARLIJKE STOFFEN EN BIOLOGISCHE AGENTIA38
   
AFDELING 1ALGEMENE VOORSCHRIFTEN38
   
AFDELING 2VOORSCHRIFTEN VOOR HET WERKEN MET KANKERVERWEKKENDE STOFFEN EN PROCESSEN44
§ 1Definities en toepasselijkheid44
§ 2Schriftelijke beoordeling en vastlegging van gegevens45
§ 3Grenswaarden en voorkomen of beperken van blootstelling47
§ 4Arbeidsgezondheidskundig onderzoek49
   
AFDELING 3VINYLCHLORIDEMONOMEER50
   
AFDELING 4BENZEEN53
   
AFDELING 5ASBEST53
§ 1Definities53
§ 2Verbodsbepalingen54
§ 3Voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende producten55
§ 4Aanvullende voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende producten57
§ 5Bijzondere bepalingen inzake het slopen van asbest, asbesthoudende producten, crocidoliet en crocidoliethoudende producten59
§ 6Bijzondere bepalingen inzake crocidoliet en crocidoliethoudende producten61
§ 7Bijzondere bepalingen inzake voorlichting en onderricht61
   
AFDELING 6SPECIFIEKE GEZONDHEIDSSCHADELIJKE STOFFEN61
   
AFDELING 7LOOD EN LOODWIT63
§ 1Lood63
§ 2Loodwit68
   
AFDELING 8FOSFORLUCIFERS68
   
AFDELING 9BIOLOGISCHE AGENTIA68
§ 1Definities en toepasselijkheid68
§ 2Inventarisatie en evaluatie en gevolgen categorie-indeling69
§ 3Maatregelen met betrekking tot de blootstelling70
§ 4Arbeidsgezondheidskundig onderzoek72
§ 5De ondernemingsraad72
§ 6Toezicht73
§ 7Bijzondere bepalingen in verband met andere dan diagnostische arbeid in de gezondheidszorg en in de diergeneeskunde74
§ 8Speciale maatregelen in laboratoria, ruimten voor proefdieren en industriële procédés74
§ 9Bijzondere bepalingen inzake voorlichting en onderricht75
   
AFDELING 10BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS75
§ 1Vervoer75
§ 2Jeugdigen75
§ 3Zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie76
§ 4Thuiswerkers77
   
HOOFDSTUK 5 FYSIEKE BELASTING79
   
AFDELING 1FYSIEKE BELASTING79
   
AFDELING 2BEELDSCHERMWERK80
   
AFDELING 3BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS81
§ 1Vervoer81
§ 2Thuiswerkers81
   
HOOFDSTUK 6 FYSISCHE FACTOREN82
   
AFDELING 1KLIMAAT82
   
AFDELING 2VERLICHTING82
   
AFDELING 3GELUID83
§ 1Algemeen83
§ 2Geluidvoorschriften83
   
AFDELING 4STRALING85
   
AFDELING 5WERKEN ONDER OVERDRUK86
   
AFDELING 6BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS88
§ 1Vervoer88
§ 2Justitiële inrichtingen89
§ 3Jeugdigen90
§ 4Zwangere werknemers90
§ 5Thuiswerkers90
   
HOOFDSTUK 7 ARBEIDSMIDDELEN EN SPECIFIEKE WERKZAAMHEDEN90
   
AFDELING 1TOEPASSELIJKHEID90
   
AFDELING 2ALGEMENE VOORSCHRIFTEN91
   
AFDELING 3ARBEIDSMIDDELEN MET EEN BEDIENINGSSYSTEEM93
   
AFDELING 4AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN SPECIFIEKE ARBEIDSMIDDELEN EN WERKZAAMHEDEN94
§ 1Afstemming94
§ 2Algemene voorschriften94
§ 3Voorschriften bij het laden en lossen van schepen96
   
AFDELING 5AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN VOOR BOUWPLAATSEN98
§ 1Afstemming98
§ 2Arbeidsmiddelen op de bouwplaats98
   
AFDELING 6BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS100
§ 1Vervoer100
§ 2Jeugdige werknemers101
§ 3Thuiswerkers101
   
HOOFDSTUK 8 PERSOONLIJKE BESCHERMINGSMIDDELEN, VEILIGHEIDS- EN GEZONDHEIDSSIGNALERING EN HERKEURING102
   
AFDELING 1PERSOONLIJKE BESCHERMINGSMIDDELEN102
   
AFDELING 2VEILIGHEIDS-EN GEZONDHEIDSSIGNALERING103
   
AFDELING 3HERKEURING103
   
AFDELING 4BIJZONDERE SECTOREN EN BIJZONDERE CATEGORIEËN WERKNEMERS105
§ 1Onderwijs, burgerlijke openbare dienst, justitiële rijksinrichtingen en defensie105
§ 2Vervoer105
§ 3Thuiswerkers106
   
HOOFDSTUK 9 VERPLICHTINGEN, BESTUURSRECHTELIJKE BEPALINGEN EN OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN106
   
AFDELING 1VERPLICHTINGEN VAN WERKGEVER, THUISWERKGEVER, WERKNEMER, THUISWERKER, ZELFSTANDIGE, OPDRACHTGEVER, ONTWERPENDE PARTIJ, UITVOERENDE PARTIJ EN LIFTEIGENAAR OF -BEHEERDER106
   
AFDELING 2BESTUURSRECHTELIJKE BEPALINGEN108
§ 1Vrijstelling of ontheffing108
§ 2Aanwijzing en eis tot naleving111
   
AFDELING 3OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN111
§ 1Intrekking regelgeving111
§ 2Wijziging regelgeving112
§ 3Overgangsrecht116
§ 4Slotbepalingen117

NOTA VAN TOELICHTING

Deel I ALGEMEEN

§ 1 Inleiding

Vóór de totstandkoming van het onderhavige besluit was het overgrote deel van de concrete bepalingen op het gebied van arbeidsomstandigheden niet in de Arbeidsomstandighedenwet zelf opgenomen, maar in vele op die wet gebaseerde besluiten.

Het oudste op die wet gebaseerde besluit was het zogenoemde Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938, dat, zoals uit de citeertitel van het besluit al blijkt, van 1938 dateert. Na 1938 zijn nog vele andere besluiten met een groot aantal arbeidsbeschermende voorschriften tot stand gebracht. Het resultaat daarvan was ruim 1200 bepalingen, verspreid over 38 besluiten. Wie dat resultaat aan een kritische blik onderwierp kon, kort samengevat, tot geen andere conclusie komen dan dat het hier ging om een samenstel van regels, dat gebrekkig was in de onderlinge afstemming en dat deels verouderd, te gedetailleerd en complex was.

Een en ander maakte het noodzakelijk de op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde uitvoeringsbesluiten te herstructureren, op te schonen en te actualiseren, zonder daarbij het bestaande niveau van arbeidsbescherming aan te tasten. Daartoe zijn, bij het onderhavige besluit, alle bestaande op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde besluiten ingetrokken en vervangen door één nieuw geactualiseerd besluit, waarin minder detailvoorschriften zijn opgenomen en waarin bijzondere aandacht is besteed aan een heldere systematische indeling en een goede onderlinge afstemming van de voorschriften: het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De opzet van het Arbeidsomstandighedenbesluit is zodanig dat voor de bedrijven, veel meer dan thans, duidelijk zal zijn wat van hen verwacht wordt op het terrein van arbeidsomstandigheden; daarnaast zijn voor de toezichthoudende instanties betere condities voor een snelle en uniforme handhaving ontstaan. Kernbegrippen daarbij zijn een goede toegankelijkheid en een adequate onderlinge afstemming van de voorschriften.

Toezichthoudende instanties voor de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop gebaseerde regelgeving zijn de Arbeidsinspectie alsmede de Lucht- en Scheepvaartinspectie voor nader aangeduide werkzaamheden. In de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt de toezichthoudende instantie steeds aangeduid als: «(de) een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 32 (van de wet)». De daadwerkelijke aanwijzing van de ambtenaren van de Arbeidsinspectie heeft plaatsgevonden bij het Algemeen organisatie- en mandaatbesluit SZW 1995 en het Organisatie- en mandaatbesluit Arbeidsinspectie 1996. De aanwijzing van de ambtenaren van de Lucht- en Scheepvaartinspectie zal plaatsvinden in een afzonderlijk aanwijzingsbesluit, dat tijdig vóór de inwerkingtreding van dit besluit in de Staatscourant wordt gepubliceerd.

Met de opschoning en actualisering van de regelgeving wordt bereikt, dat de in het Arbeidsomstandighedenbesluit vervatte voorschriften beter aansluiten bij de huidige opvattingen omtrent de rol van de overheid op arbeidsomstandighedenterrein, te weten de vaststelling en handhaving van basisnormen (zie het Integraal Beleidsplan Arbeidsomstandigheden, kamerstukken II 1992/93, 22 959, nr. 1). Op het begrip basisnormen wordt nader ingegaan in paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

De herstructurering, opschoning en actualisering heeft tevens geleid tot een sterke vermindering van het aantal regels op het terrein van arbeidsomstandigheden: het voorliggende besluit bevat ongeveer 400 artikelen. Deze artikelen vloeien voor het overgrote deel voort uit door de Europese Gemeenschap (thans Europese Unie) respectievelijk de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) vastgestelde EG-richtlijnen respectievelijk verdragen. Door het in het Arbeidsomstandighedenbesluit gecreëerde overzichtelijke stelsel van regels zal het niveau van arbeidsbescherming, door de betere kenbaarheid en handhaafbaarheid van die regels, eerder toe- dan afnemen.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit is aangekondigd in de Begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 1994 (kamerstukken II 1993/94, 23 400-XV, nr. 2, blz. 45), in de Sociale Nota 1994 (kamerstukken II 1993/94, 23 402, nrs. 1–2, blz. 100) en in de Notitie «Meer werk, weer werk» (kamerstukken II 1993/94, 23 406, nr. 1, blz. 29). Ook in de Sociale Nota 1995 (kamerstukken II 1994/95, 23 902, nrs. 1–2, blz. 72) is melding gemaakt van het op handen zijnde Arbeidsomstandighedenbesluit.

Voorts is het belang van de totstandkoming van het Arbeidsomstandighedenbesluit nog eens onderschreven door het kabinet-Kok bij gelegenheid van de aanbieding aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van het rapport van de ministeriële Commissie marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit, «Maatwerk in bescherming» inzake de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet (kamerstukken II, 1994/95, 24 036, nr. 8). Naar de mening van het kabinet zal het Arbeidsomstandighedenbesluit niet alleen een forse verbetering van de wetgevingskwaliteit opleveren in termen van inzichtelijkheid en uitvoerbaarheid, maar zal door de aard van de normering (minder gedetailleerd) ook meer flexibiliteit en maatwerk voor werkgevers en werknemers ontstaan.

Het algemeen deel van de nota van toelichting is verder als volgt opgebouwd.

In paragraaf 2 wordt aandacht besteed aan de noodzaak om te komen tot het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Paragraaf 3 behandelt de structuur van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

In paragraaf 4 zijn enige aspecten in verband met de toegankelijkheid van het besluit opgenomen.

Paragraaf 5 gaat uitgebreid in op de inhoud van het onderhavige besluit. Daarbij komen alle internationale verplichtingen aan de orde, het aanvullende nationale beleid en de consequenties van de in het onderhavige besluit doorgevoerde actualisering.

Paragraaf 6 handelt over de bijzondere sectoren en bijzondere categorieën werknemers.

Paragraaf 7 behandelt de specifieke raakvlakken die er bestaan met de in de Arbeidsomstandighedenwet geregelde onderwerpen. In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van alle in dit besluit opgenomen bijzondere inventarisatie- en evaluatieverplichtingen, overleg- en informatieverplichtingen, arbeidsgezondheidskundige onderzoeken en certificeringsbepalingen. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan het begrip «redelijkerwijs».

Paragraaf 8 gaat over globale doelvoorschriften, beleidsregels en voorlichting.

In paragraaf 9 wordt aandacht besteed aan de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet.

In paragraaf 10 worden nog enige bijzondere aspecten met betrekking tot het Arbeidsomstandighedenbesluit besproken. Hier komt ook de relatie met het Bouwbesluit aan de orde.

In paragraaf 11 wordt ingegaan op de Arbeidsomstandighedenregeling die gelijktijdig met dit besluit in werking treedt.

In paragraaf 12 worden de adviezen die met betrekking tot het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn uitgebracht alsmede de reacties van overige belanghebbenden naar aanleiding van de voorpublicatie van dit besluit, behandeld.

In paragraaf 13 ten slotte komen de uitvoerings- en handhavingsaspecten en de uit het besluit voortvloeiende kosten voor overheid en bedrijfsleven aan de orde.

Deel II van de nota van toelichting bevat de artikelsgewijze toelichting.

De omvang van de nota van toelichting is, hoewel nog steeds aanzienlijk, ten opzichte van de bestaande situatie (verschillende toelichtingen bij de afzonderlijke, regelmatig gewijzigde, besluiten) in zeer belangrijke mate teruggebracht.

De voormalige nota's van toelichting zijn alle kritisch bekeken. Daarbij zijn uiteraard die delen daarvan gehandhaafd, die een motivering en uitleg van de regelgeving geven. De «winst» betreft met name de vele zogenoemde dubbelingen (dezelfde toelichting in verschillende sectorbesluiten); daarnaast konden veel passages over de inhoud en wijze van implementeren van EG-richtlijnen en de destijds verkregen adviezen daaromtrent worden geschrapt. Van belang is nog op te merken dat vele voorschriften, met name uit de oude sectorbesluiten zoals het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938, tot heden niet waren toegelicht. Ook het feit dat sommige besluiten vele malen waren gewijzigd – het evengenoemde Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 zelfs meer dan 30 maal – maakte het raadplegen van een toelichting tot heden bijzonder moeilijk.

§ 2 Noodzaak Arbeidsomstandighedenbesluit

§ 2.1 Structuur oude besluiten

De structuur van de op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde besluiten kan als volgt worden beschreven.

§ 2.1.1 Beschrijving oude structuur

De meest bekende besluiten waren de zogenoemde sectorbesluiten. Dit waren vijf omvangrijke besluiten waarin vele onderwerpen werden geregeld, maar die ieder voor zich slechts voor één bepaalde maatschappelijke sector betekenis hadden:

– het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 voor de industrie;

– het Landbouwveiligheidsbesluit (uit 1950) voor de landbouw;

– het Veiligheidsbesluit Stuwadoorsarbeid (eveneens uit 1950) voor de havensector;

– het Veiligheidsbesluit Binnenvaart (uit 1963) voor de binnenvaart, en

– het Veiligheidsbesluit restgroepen (uit 1990) voor de zogenoemde restgroepen; dit waren al die maatschappelijke sectoren die niet onder de werkingssfeer van één van de vier andere sectorbesluiten vielen.

Zoals gezegd, was in elk van deze sectorbesluiten een grote variëteit aan onderwerpen geregeld. Niet zelden was een onderwerp in elk van de vijf sectorbesluiten op exact dezelfde wijze geregeld. Een voorbeeld daarvan waren de voorschriften ter bescherming van werknemers tegen lawaaislechthorendheid (de zogenoemde geluidvoorschriften).

Het kwam ook voor dat hetzelfde onderwerp voor de verschillende sectoren verschillend was geregeld. Zo golden voor de industrie en de restgroepen andere voorschriften voor het werken met gevaarlijke stoffen dan voor de landbouw, de binnenvaart en de havensector.

Het merendeel van de overige besluiten had slechts betrekking op één bepaald onderwerp, maar gold wel voor alle maatschappelijke sectoren. Voorbeelden daarvan waren het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet, het Loodbesluit en het Besluit arbodiensten.

Ten slotte bestonden er afzonderlijke besluiten voor de in artikel 2 van de Arbeidsomstandighedenwet genoemde bijzondere sectoren, te weten het onderwijs (het Arbeidsomstandighedenbesluit Onderwijs), de overheid (het Arbeidsomstandighedenbesluit burgerlijke openbare dienst), de justitiële rijksinrichtingen (het Arbeidsomstandighedenbesluit Justitiële Rijksinrichtingen) en defensie (het Arbeidsomstandighedenbesluit Defensie). In deze besluiten was bepaald of er voor een betreffende sector aanvullende of afwijkende regels bestonden op het onderhavige terrein. Tevens was daarin aangegeven welke arbeidsbeschermende voorschriften voor een bepaalde sector niet van toepassing waren. Het kon hierbij zowel gaan om voorschriften die in de Arbeidsomstandighedenwet zelf waren opgenomen, als om voorschriften die in de op die wet gebaseerde besluiten waren vervat.

Voor één in artikel 2 van de wet genoemde sector, namelijk het vervoer, was geen algemene maatregel van bestuur vastgesteld, maar bestond een ministeriële regeling, waarin was aangegeven welke arbeidsomstandighedenvoorschriften niet op het vervoer van toepassing waren.

§ 2.1.2 Gebrekkige onderlinge afstemming

De vorenbeschreven structuur kan zonder meer als complex worden gekwalificeerd. Deze complexiteit werd nog vergroot door het feit dat vaak niet was geregeld hoe al die verschillende besluiten zich tot elkaar verhielden. Besluiten (en toelichtingen) gaven geen of een onduidelijk antwoord op vragen als:

– gelden voor de nog toegestane werkzaamheden met asbest alleen de voorschriften van het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet of zijn daarop bijvoorbeeld ook de voorschriften voor het werken met gevaarlijke stoffen, vervat in het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938, van toepassing?

– is voor de inrichting van een arbeidsplaats alleen het Besluit arbeidsplaatsen van belang of zijn er nog andere voorschriften in weer andere besluiten die daaraan iets toevoegen, en zo ja, welke zijn dat en wat voegen die toe aan het Besluit arbeidsplaatsen?

– gelden in een kantoor dat deel uitmaakt van een fabriek, de bepalingen over nooduitgangen van het Veiligheidsbesluit restgroepen (van toepassing op kantoren) of van het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938?

§ 2.1.3 Bijlagen bij EG-richtlijnen

Teneinde het beeld van de voorheen bestaande structuur van de arbeidsomstandighedenregelgeving compleet te maken, moet nog het volgende worden opgemerkt.

Naast de al genoemde 38 op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde besluiten, bevatten ook tal van bijlagen bij EG-richtlijnen vele arbeidsbeschermende voorschriften die niét in de op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde besluiten waren opgenomen, maar in die besluiten alleen van toepassing waren verklaard. Dit vergrootte de ontoegankelijkheid van deze besluiten. Een voorbeeld is de bijlage bij Richtlijn nr. 89/391/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (PbEG L 393). Het overgrote deel van de voorschriften die moeten worden nageleefd bij het gebruik van arbeidsmiddelen zoals machines, zijn in de bijlage bij de richtlijn opgenomen en niet in het oorspronkelijk ter uitvoering van die richtlijn opgestelde Besluit arbeidsmiddelen; in dat besluit werd alleen bepaald dat de betreffende bijlage-voorschriften moesten worden nageleefd.

§ 2.1.4 Gevolgen oude structuur

Het gevolg van deze ingewikkelde en dus ondoorzichtige structuur was, dat de regelgeving voor werkgevers en de toezichthoudende instanties moeilijk toegankelijk was.

Het resultaat was dat de ingewikkelde structuur van de bestaande regelgeving op arbeidsomstandighedenterrein, het doel van die regelgeving, te weten het realiseren van adequate arbeidsomstandigheden, niet naderbij bracht en soms zelfs belemmerde. Een voorbeeld kan een en ander wellicht nog verduidelijken. Voor het beantwoorden van de vraag met welke gevaarlijke stoffen niet gewerkt mocht worden, was raadpleging van een zevental besluiten noodzakelijk. Als er wel met een gevaarlijke stof gewerkt mocht worden dan gold, afhankelijk van de sector waarin met die stof gewerkt werd, het algemene regime van één van de vijf sectorbesluiten, of een of meer van de vele besluiten die betrekking hadden op een bepaalde categorie stoffen of een bepaalde stof.

Een ander gevolg van de eerdere structuur was, dat de regelgeving vele zogenoemde dubbelingen kende. Met name het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 en het Veiligheidsbesluit restgroepen bevatten voor vele onderwerpen exact dezelfde voorschriften. Klimaat, toestellen die niet-ioniserende straling uitzenden, zitgelegenheden, toiletten, werken met gevaarlijke stoffen en geluid zijn daarvan slechts enkele voorbeelden.

§ 2.2 Inhoud oude besluiten

§ 2.2.1 Verouderde voorschriften

Een deel van de op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde voorschriften was sterk verouderd. Dit kwam het meest duidelijk tot uitdrukking in de vijf sectorbesluiten. Vele van de daarin opgenomen voorschriften hadden betrekking op activiteiten die in Nederland praktisch niet meer plaatsvinden dan wel in het kader van de arbeidsbescherming niet meer relevant zijn. Zo kende het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 in artikel 1b een categorie-indeling van schadelijke werklokalen, waarin werd gesproken van bezembinden, het verwerken van zeegras in dekens en het zwingelen van hennep. Is dit voorbeeld nog betrekkelijk onschuldig, de regelgeving bevatte ook voorschriften die vanwege het feit dat ze verouderd waren, niet meer adequaat inspeelden op reële gevaren voor werknemers. De artikelen 2 tot en met 7 van het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 bijvoorbeeld, gaven voorschriften met betrekking tot de hoogte van werklokalen, waarin met gevaarlijke stoffen werd gewerkt. Deze voorschriften gingen nog uit van een verouderde en onjuist gebleken veronderstelling, dat alle gevaarlijke stoffen die vrijkomen, opstijgen en niet blijven hangen of neerslaan.

Het Landbouwveiligheidsbesluit (artikel 69), het Veiligheidsbesluit Binnenvaart (artikel 64), en het Veiligheidsbesluit Stuwadoorsarbeid (artikel 181) bevatten verouderde voorschriften inzake het werken met gevaarlijke stoffen. Op basis van deze voorschriften was het bijvoorbeeld niet mogelijk wettelijke grenswaarden voor de meest gevaarlijke stoffen vast te stellen. Het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 en het Veiligheidsbesluit restgroepen boden die mogelijkheid wel.

§ 2.2.2 Detaillering

Vele bepalingen in de diverse besluiten waren naar inhoud uiterst gedetailleerd.

Zo werden bijvoorbeeld de afmetingen van vele op de arbeidsplaats aanwezige voorzieningen zoals kledingbergplaatsen, trappen, ladders, leuningen en bedden in het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 (zie de artikelen 33 tot en met 54 van dat besluit) letterlijk tot op de centimeter geregeld. Het moge duidelijk zijn dat deze vorm van detaillering van weinig tot geen betekenis (meer) is voor de arbeidsbescherming.

Een bijkomend negatief aspect van detaillering kan zijn, dat daardoor de betreffende voorschriften eerder verouderd zijn dan wanneer gekozen zou worden voor een meer open en dus minder gedetailleerde formulering daarvan. De omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht, de wetenschap en de techniek veranderen immers vaak zo snel, dat een te gedetailleerd voorschrift al gauw verouderd is.

§ 2.3 Politieke en maatschappelijke context (het Integraal Beleidsplan Arbeidsomstandigheden)

Tot aan het begin van de jaren '80 was arbeidsomstandighedenbeleid vrijwel uitsluitend overheidsbeleid. Daarna is daarin op veel fronten verandering gekomen. Via de totstandkoming van de Arbeidsomstandighedenwet is de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor de arbeidsomstandigheden op ondernemingsniveau nadrukkelijk in beeld gekomen. Arbeidsomstandigheden hebben voorts een plaats gekregen in de collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Ook convenanten en afspraken op centraal niveau hebben op arbeidsomstandighedenterrein hun intrede gedaan.

In aansluiting op deze ontwikkelingen is in het Integraal Beleidsplan Arbeidsomstandigheden aangegeven waar de grens van de overheidsverantwoordelijkheid voor arbeidsomstandigheden ligt: de overheid is uitsluitend verantwoordelijk voor de vaststelling, bijstelling en handhaving van basisnormen. Onder basisnormen worden volgens het Integraal Beleidsplan Arbeidsomstandigheden verstaan:

– alle normen die voortvloeien uit internationale verplichtingen (EG-richtlijnen en door Nederland geratificeerde IAO-verdragen op arbeidsomstandighedenterrein), en

– alle normen die betrekking hebben op de belangrijkste arbeidsomstandighedenrisico's en een basisniveau van bescherming bieden tegen die risico's.

Voor alles wat geen basisnorm is of boven het basisniveau van bescherming uitstijgt is, zo stelt het Integraal Beleidsplan Arbeidsomstandigheden, niet de overheid primair verantwoordelijk maar de sociale partners.

Aangezien een substantieel deel van de op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde besluiten was verouderd, zal duidelijk zijn, dat in het licht van de huidige politieke en maatschappelijke context veel bepalingen thans als overbodig konden worden aangemerkt.

§ 2.4 Conclusies ten aanzien van de noodzaak van het Arbeidsomstandighedenbesluit

De structuur van de op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde besluiten maakte de daarin vervatte regelgeving ontoegankelijk. De onderlinge afstemming van de besluiten was gebrekkig. Voorts was de inhoud van die besluiten voor een substantieel deel verouderd en te gedetailleerd.

Met het oog daarop is het noodzakelijk geacht die besluiten te vervangen door één nieuw, voor het bedrijfsleven en de toezichthoudende instanties, goed toegankelijk en geactualiseerd besluit: het Arbeidsomstandighedenbesluit.

§ 3 Structuur van het Arbeidsomstandighedenbesluit

§ 3.1 Algemeen

Bij de opzet van het Arbeidsomstandighedenbesluit is gekozen voor een onderwerpsgewijze aanpak. Dit betekent dat per onderwerp een hoofdstuk is ontworpen, waarin alle voor dat onderwerp (zoals het werken met gevaarlijke stoffen of de inrichting van de arbeidsplaats) geldende voorschriften zijn opgenomen: de verboden, de algemene en bijzondere voorschriften, de uitzonderingen etcetera.

Ieder hoofdstuk geldt in principe voor alle maatschappelijke sectoren (bedrijven en overheid) en voor alle categorieën werknemers. Indien er voor een bepaalde sector of voor een bepaalde categorie werknemers aanvullende of afwijkende voorschriften bestaan, dan zijn ook die in hetzelfde hoofdstuk opgenomen. Indien (een deel van) een hoofdstuk niet geldt voor een bepaalde sector of categorie werknemers, dan is ook dat aangegeven in het betreffende hoofdstuk.

Als gevolg van deze opzet kan iedere werkgever (tot welke sector deze ook behoort) door raadpleging van het betreffende hoofdstuk gemakkelijk zien welke voorschriften op hem van toepassing zijn met betrekking tot het in dat hoofdstuk geregelde onderwerp.

Uiteraard is overwogen of het niet de voorkeur zou verdienen om het Arbeidsomstandighedenbesluit niet onderwerpsgewijs maar sectorgewijs in te delen. Denk bijvoorbeeld aan een indeling waarbij voor iedere sector afzonderlijk wordt geregeld welke arbeidsbeschermende voorschriften voor die sector gelden. Dus een hoofdstuk met alle arbeidsbeschermende voorschriften voor de industrie, een hoofdstuk met alle voorschriften voor de landbouw, een hoofdstuk met alle voorschriften voor de restgroepen etcetera.

De keuze voor een dergelijke indeling is echter alleen te rechtvaardigen, indien de noodzaak zou bestaan om met het oog op een adequate arbeidsbescherming voor iedere sector aparte en van elkaar verschillende arbeidsbeschermende voorschriften vast te stellen.

In de loop der jaren na de totstandkoming van het eerste sectorbesluit in 1938 voor de industrie, is echter steeds duidelijker geworden, dat het merendeel van de arbeidsbeschermende voorschriften nu al voor alle sectoren gelijkluidend is respectievelijk dat in de toekomst zonder bezwaar kan zijn.

In dit verband kan erop gewezen worden dat in de tot nu toe bestaande vijf sectorbesluiten al vele exact dezelfde voorschriften waren opgenomen. Daarnaast waren er vele voorschriften in deze besluiten, die weliswaar een iets andere formulering hadden, maar wel dezelfde strekking. Het verschil in formulering hing dan vaak samen met de verschillende tijdstippen waarop de betreffende voorschriften tot stand waren gebracht.

Bovendien waren er naast de vijf sectorbesluiten al een twintigtal andere «onderwerp-besluiten» zoals het Loodbesluit, die al voor alle sectoren golden. Met andere woorden: overeenstemming in de voorschriften voor de verschillende sectoren is regel, aanvullende of afwijkende voorschriften zijn uitzondering. Een sectorgewijze indeling van het Arbeidsomstandighedenbesluit zou dan ook leiden tot een zeer groot aantal «dubbelingen».

De keuze voor een onderwerpsgewijze indeling sluit overigens ook aan bij de benadering van de EG. Verreweg de meeste EG-richtlijnen op het terrein van arbeidsomstandigheden bevatten immers regelingen ten aanzien van bepaalde onderwerpen. Regelingen die in principe voor alle sectoren gelden.

§ 3.2 De hoofdstukindeling

§ 3.2.1 Algemeen

De hoofdstukindeling van het Arbeidsomstandighedenbesluit is als volgt:

– hoofdstuk 1: Definities en werkingssfeer;

– hoofdstuk 2: Arbozorg en organisatie van de arbeid;

– hoofdstuk 3: Inrichting arbeidsplaatsen;

– hoofdstuk 4: Gevaarlijke stoffen en biologische agentia;

– hoofdstuk 5: Fysieke belasting;

– hoofdstuk 6: Fysische factoren;

– hoofdstuk 7: Arbeidsmiddelen en specifieke werkzaamheden;

– hoofdstuk 8: Persoonlijke beschermingsmiddelen, veiligheids- en gezondheidssignalering en herkeuring;

– hoofdstuk 9: Verplichtingen, bestuursrechtelijke bepalingen en overgangs- en slotbepalingen.

§ 3.2.2 Korte aanduiding van de inhoud van de hoofdstukken

In hoofdstuk 1 zijn naast de noodzakelijke definitiebepalingen met name voorschriften opgenomen die betrekking hebben op de in artikel 2 van de Arbeidsomstandighedenwet genoemde bijzondere sectoren, te weten het onderwijs, de overheid, het vervoer, de justitiële rijksinrichtingen en defensie. Enerzijds gaat het daarbij om bepalingen waarin wordt geregeld of, en zo ja in hoeverre, de Arbeidsomstandighedenwet zelf voor deze sectoren geldt. Anderzijds gaat het om bepalingen waarin wordt geregeld of, en zo ja in hoeverre, het Arbeidsomstandighedenbesluit voor deze sectoren geldt. Ten slotte zijn in dit hoofdstuk enige algemene bepalingen opgenomen ten aanzien van jeugdigen, zwangeren en thuiswerkers.

In hoofdstuk 2 zijn de bepalingen opgenomen over het jaarplan, het jaarverslag, het arbeidsveiligheidsrapport, arbodiensten, bedrijfshulpverlening, de organisatie van de arbeid op de bouwplaats en in de winningsindustrieën in dagbouw en nachtarbeid.

In hoofdstuk 3 is aangegeven aan welke vereisten de inrichting van de arbeidsplaats moet voldoen. Daarbij komen onderwerpen aan de orde als vluchtwegen, nooduitgangen, kleedruimten en eerste-hulpposten. Naast deze algemene vereisten die voor alle arbeidsplaatsen gelden, bevat hoofdstuk 3 ook enige aanvullende vereisten voor arbeidsplaatsen in de bouw en de winningsindustrieën in dagbouw. Ten slotte bevat dit hoofdstuk nog een enkel inrichtingsvereiste voor benzinestations. Dit in verband met de bescherming van de daar werkzame werknemers tegen agressie en geweld op grond van artikel 3, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.

Hoofdstuk 4 bevat de bepalingen die betrekking hebben op het werken met gevaarlijke stoffen en biologische agentia. Naast enige algemene voorschriften voor het werken met gevaarlijke stoffen, bevat dit hoofdstuk tevens voorschriften over het werken met kankerverwekkende stoffen in het algemeen en met bepaalde kankerverwekkende stoffen zoals vinylchloridemonomeer, benzeen en asbest in het bijzonder. Daarnaast bevat dit hoofdstuk voorschriften voor het werken met lood, loodwit en witte fosfor, en aan het slot van het hoofdstuk voorschriften voor het werken met biologische agentia.

Hoofdstuk 5 bevat de voorschriften inzake fysieke belasting in het algemeen en het fysiek belastende beeldschermwerk in het bijzonder.

In hoofdstuk 6 zijn de voorschriften met betrekking tot de zogenoemde fysische factoren vervat. Het betreft hier onderwerpen zoals klimaat, verlichting, geluid, straling en (werken onder) overdruk.

In hoofdstuk 7 is geregeld aan welke voorschriften moet worden voldaan bij het gebruik en onderhoud van arbeidsmiddelen. Dit zijn alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten, transportmiddelen en gereedschappen.

Het betreft hier zowel algemene voorschriften die voor alle arbeidsmiddelen gelden als bijzondere voorschriften voor arbeidsmiddelen die over een bedieningssysteem beschikken en arbeidsmiddelen die in de bouw worden gebruikt. Dit hoofdstuk bevat tevens enkele voorschriften over bepaalde werkzaamheden waaraan specifieke gevaren zijn verbonden zoals onderhoud en reparatie van liften. Ook zijn in dit hoofdstuk bepalingen opgenomen over het laden en lossen van schepen.

In hoofdstuk 8 worden de persoonlijke beschermingsmiddelen, de veiligheids- en gezondheidssignalering en de herkeuring van werknemers geregeld.

In hoofdstuk 9 ten slotte zijn verplichtingen, bestuursrechtelijke bepalingen en overgangs- en slotbepalingen opgenomen. Het gaat hierbij met name om de verplichtingen van werkgevers en werknemers, de gevallen waarin de toezichthoudende instantie een aanwijzing kan geven of een eis tot naleving kan stellen en uiteraard de intrekking van alle op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde besluiten, ter vervanging waarvan het Arbeidsomstandighedenbesluit strekt.

In de artikelsgewijze toelichting zal nader op de genoemde hoofdstukken worden ingegaan.

§ 3.2.3 Indeling en volgorde van de hoofdstukken

Bij het indelen van onderwerpen in de diverse hoofdstukken en het bepalen van de volgorde van de hoofdstukken, is in grote lijnen aangesloten bij de indeling en volgorde van onderwerpen die de Arbeidsinspectie bij het uitoefenen van zijn toezichthoudende taak hanteert. De volgorde van de hoofdstukken sluit voorts aan bij enige belangrijke uitgangspunten die gehanteerd (behoren te) worden bij het voeren van een adequaat arbeidsomstandighedenbeleid in de onderneming. Zo worden in het Arbeidsomstandighedenbesluit eerst al die organisatorische voorzieningen en maatregelen behandeld die de noodzakelijke voorwaarden scheppen om tot adequate arbeidsomstandigheden te komen (hoofdstuk 2), en pas daarna de voorschriften over de inrichting van de arbeidsplaats zelf (hoofdstuk 3), gevolgd door de voorschriften ter voorkoming of beperking van de diverse categorieën gevaren die zich op de arbeidsplaats kunnen voordoen (de hoofdstukken 4 tot en met 7) en ten slotte als ultimum remedium in het kader van de arbeidsbescherming, de persoonlijke beschermingsmiddelen en de veiligheids- en gezondheidssignalering (hoofdstuk 8).

Bij de hoofdstukindeling is niet aangesloten bij de volgorde van de in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet gegeven opsomming van onderwerpen, omdat deze volgorde een betrekkelijk willekeurig karakter draagt.

Ook is afgezien van het gebruik van de begrippen veiligheid, gezondheid en welzijn om tot een hoofdstukindeling te komen. Over de vraag wat nu exact onder de begrippen veiligheid, gezondheid en welzijn dient te worden verstaan is immers zoveel discussie mogelijk, dat dit tot afbakeningsproblemen tussen deze drie begrippen leidt. Deze begrippen bieden dan ook geen deugdelijke basis voor een hoofdstukindeling.

§ 4 Algemene aspecten in verband met de toegankelijkheid van het besluit

§ 4.1 Identieke volgorde binnen de hoofdstukken

In ieder hoofdstuk zijn eerst de algemeen geldende voorschriften opgenomen, telkens gevolgd door de meer specifieke voorschriften. Zo zijn in hoofdstuk 4 van het besluit inzake het werken met gevaarlijke stoffen, allereerst de voorschriften opgenomen die in principe gelden voor alle gevaarlijke stoffen, daarna de voorschriften die alleen gelden voor een bepaalde categorie stoffen, gevolgd door voorschriften die uitsluitend voor één bepaalde stof gelden.

Indien een verplichting geldt om werknemers specifiek toegesneden voorlichting te geven over een deelonderwerp dat in een bepaald hoofdstuk behandeld wordt, dan is die verplichting altijd vervat in het laatste inhoudelijke artikel waarin dat deelonderwerp wordt behandeld (zie bijvoorbeeld artikel 6.11, dat handelt over voorlichting in verband met geluid).

Tevens is, voor zover nodig, telkens aan het eind van ieder hoofdstuk een aparte afdeling «bijzondere sectoren en bijzondere categorieën werknemers» opgenomen, waarin voor de in dat hoofdstuk geregelde materie wordt aangegeven of er bijzondere voorschriften gelden voor de in artikel 2 van de Arbeidsomstandighedenwet genoemde bijzondere sectoren dan wel voor bijzondere groepen werknemers.

In zo'n laatste afdeling van een hoofdstuk komen dan eerst de in artikel 2 van de Arbeidsomstandighedenwet genoemde bijzondere sectoren aan de orde en wel in de volgorde van dat wetsartikel, te weten onderwijs, overheid, vervoer, justitiële rijksinrichtingen en defensie. Daarna komen de bijzondere categorieën werknemers aan de orde. De volgorde daarbij is: jeugdigen, zwangere werknemers en thuiswerkers.

Indien geen of slechts in bepaalde situaties ontheffing of vrijstelling wordt verleend van een of meer in een bepaald hoofdstuk opgenomen voorschriften, dan is dat overigens geregeld in hoofdstuk 9, afdeling 2, paragraaf 1 van dit besluit.

§ 4.2 Wijze van afstemming

Juist omdat, zoals in paragraaf 2.1.2 van dit deel van de toelichting al is aangegeven, de voormalige besluiten deels een zeer gebrekkige onderlinge afstemming kenden, is in dit besluit bijzondere aandacht besteed aan een goede onderlinge afstemming van de betreffende voorschriften.

In iedere situatie waarin gerede twijfel kan bestaan over het antwoord op vragen als «zijn naast deze voorschriften over dit onderwerp nog andere voorschriften van toepassing?», en «gelden deze voorschriften ook voor deze groep werkgevers, stoffen of arbeidsmiddelen?», wordt daarop in dit besluit uitdrukkelijk antwoord gegeven. Dit geschiedt door middel van bepalingen met het opschrift «toepasselijkheid» of «schakelbepaling», indien het gaat om de toepasselijkheid of doorverwijzing van afdelingen of paragrafen. Indien het gaat om de toepasselijkheid van één voorschrift, dan wordt dat in het betreffende voorschrift zelf geregeld (zie bijvoorbeeld artikel 4.9, tiende lid).

§ 4.3 Bijlagen bij EG-richtlijnen

Bijlagen bij EG-richtlijnen op het terrein van arbeidsomstandigheden kunnen grofweg in twee categorieën worden ingedeeld.

In de eerste plaats zijn er bijlagen, waarin voorschriften zijn opgenomen die moeten worden nageleefd bij arbeid waarop de betreffende EG-richtlijnen betrekking hebben. Zoals in paragraaf 2.1.3 van dit deel van de toelichting al is aangegeven, waren die voorschriften van die bijlagen niet in de desbetreffende ter uitvoering van de EG-richtlijn opgestelde besluiten verwerkt, maar daarin alleen van toepassing verklaard. In het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn deze bijlagen bij EG-richtlijnen wél verwerkt. Anders gezegd: de voorschriften van die bijlagen zijn artikelen in het Arbeidsomstandighedenbesluit geworden. De justitiabele behoeft derhalve die bijlagen niet meer te raadplegen om te achterhalen welke voorschriften op hem van toepassing zijn. Zo zijn de vereisten waaraan de inrichting van de arbeidsplaats moet voldoen op grond van de daarover gegeven voorschriften in de bijlagen bij Richtlijn nr. 89/654/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG L 393), in hoofdstuk 3 van dit besluit verwerkt. Hetzelfde geldt voor de bijlagen bij de reeds eerdergenoemde Richtlijn nr. 89/655/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (PbEG L 393), Richtlijn nr. 92/57/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1992 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen (PbEG L 245), en Richtlijn nr. 92/104/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1992 betreffende de minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën in dagbouw (PbEG L 404).

Een tweede categorie bijlagen betreft bijlagen die opsommingen of lijsten bevatten waarin de in de betreffende richtlijnen opgenomen begrippen of normen nader worden aangeduid, geëxpliciteerd, dan wel ingevuld. Wat betreft de inhoud van deze bijlagen gaat het bijvoorbeeld om (indicatieve) opsommingen van onder meer agentia, procédés en werkzaamheden, waaraan aandacht moet worden besteed bij de inventarisatie en -evaluatie ten behoeve van jeugdigen of zwangere werkneemsters, niet-limitatieve lijsten van werkzaamheden welke beschouwd worden als bouwwerk en werkzaamheden die blootstelling aan een biologisch agens met zich mee kunnen brengen. Daarnaast zijn er bijlagen, waarin praktische aanbevelingen zijn opgenomen voor de medische controle van werknemers die blootstaan aan carcinogene stoffen of biologische agentia. Het betreft hier derhalve bijlagen, die een hulpmiddel vormen bij de naleving van de betreffende richtlijnverplichtingen, doch evenzeer verbinden als laatstbedoelde verplichtingen. De toepassing van deze bijlagen is op grond van de betreffende bepalingen in het onderhavige besluit immers verplicht. Omdat dergelijke bijlagen minder geschikt zijn om te worden opgenomen in een algemene maatregel van bestuur, blijft ook dit besluit naar dergelijke bijlagen verwijzen. Het betreft overigens slechts enkele bijlagen. Teneinde de kenbaarheid en toegankelijkheid van deze bijlagen te vergroten zullen deze bijlagen door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden gebundeld en als SZW-publicatie worden gepubliceerd en zonodig geactualiseerd.

§ 4.4 Uniform taalgebruik

Nu alle bestaande besluiten door één nieuw besluit worden vervangen, is uiteraard van de gelegenheid gebruik gemaakt om alle onnodige en dus verwarring oproepende verschillen tussen de in die besluiten gehanteerde terminologie op te heffen. Conform de Aanwijzingen voor de regelgeving zijn de artikelen zo kort en bondig mogelijk geformuleerd en in eenvoudige en moderne bewoordingen vervat.

§ 5 Inhoud van het Arbeidsomstandighedenbesluit

§ 5.1 Algemeen

Het Arbeidsomstandighedenbesluit vervangt alle 38 op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde besluiten, alsmede het op de Arbeidswet 1919 gebaseerde Arbeidsbesluit jeugdigen en de Arbeidsomstandighedenregeling vervoermiddelen. Het Arbeidsomstandighedenbesluit bevat, in plaats van meer dan 1200 bepalingen in de oude besluiten, circa 400 bepalingen. Van deze 400 bepalingen vloeit circa 90% rechtstreeks voort uit EG-richtlijnen en door Nederland geratificeerde IAO-verdragen. Voor de overige 10% geldt, dat die bepalingen noodzakelijk worden geacht in verband met de bijzondere gevaren die in het geding zijn zoals het asbestverbod (zie hoofdstuk 4 van het besluit), schadelijk geluid (zie hoofdstuk 6 van het besluit) en enige aanvullende voorschriften voor specifieke arbeidsmiddelen en specifieke werkzaamheden (zie hoofdstuk 7 van het besluit). Ook de in hoofdstuk 2 opgenomen regeling inzake arbodiensten en de bepalingen over thuiswerk vormen nationaal beleid. In de artikelsgewijze toelichting is meer exact aangegeven welke bepalingen voortvloeien uit internationale verplichtingen en welke bepalingen op basis van nationaal beleid zijn vastgesteld. Op de verhouding tussen de internationale en nationale voorschriften wordt, mede naar aanleiding van het in paragraaf 12 van het algemeen deel van deze toelichting opgenomen commentaar van de vertegenwoordigers van de werkgevers in de Commissie Arbeidsomstandigheden van de Sociaal-Economische Raad (SER) dienaangaande, nader ingegaan in paragraaf 5.3 van dit deel van de toelichting.

§ 5.2 Internationale verplichtingen

In het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn uiteraard al die reeds bestaande bepalingen opgenomen, die rechtstreeks voortvloeien uit EG-richtlijnen en door Nederland geratificeerde IAO-verdragen op het gebied van arbeidsomstandigheden. Een overzicht van deze verplichtingen, die volgens het Integraal Beleidsplan Arbeidsomstandigheden (procedureel gezien) altijd basisnormen zijn, is opgenomen in de navolgende paragrafen 5.2.1 (EG-richtlijnen) en 5.2.2 (IAO-verdragen).

Vanwege de omvang van deze opsomming zijn de internationale verplichtingen niet genoemd in de aanhef van dit besluit onder «gelet op». Door deze opsomming hier op te nemen wordt toch voldaan aan het voorschrift dat naar de geïmplementeerde EG-richtlijnen in de nationale uitvoeringsbepalingen wordt verwezen.

§ 5.2.1 EG-richtlijnen

Op het arbeidsomstandighedenterrein zijn de navolgende EG-richtlijnen tot stand gekomen. Bij dit besluit is een transponeringstabel gevoegd (zie bijlage I), waarin is aangegeven op welke wijze de hieronder genoemde EG-richtlijnen, voor zover de implementatietermijnen van deze EG-richtlijnen zijn verstreken, in het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn verwerkt.

1. Richtlijn nr. 78/610/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid-staten inzake de bescherming van de gezondheid van werknemers die aan vinylchloridemonomeer zijn blootgesteld (PbEG L 197), hierna te noemen de richtlijn vinylchloridemonomeer;

2. Richtlijn nr. 80/1107/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1980 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia op het werk (PbEG L 327), hierna te noemen de richtlijn chemische, fysische en biologische agentia;

3. Richtlijn nr. 82/501/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1982 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten (PbEG L 230), hierna te noemen de Seveso-richtlijn;

4. Richtlijn nr. 82/605/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juli 1982 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan metallisch lood en zijn ionverbindingen op het werk (PbEG L 247, eerste bijzondere EG-richtlijn in de zin van artikel 8 van Richtlijn nr. 80/1107/EEG), hierna te noemen de loodrichtlijn;

5. Richtlijn nr. 83/477/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 september 1983 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk (PbEG L 263, tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 8 van Richtlijn nr. 80/1107/EEG), hierna te noemen de asbestrichtlijn;

6. Richtlijn nr. 86/188/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 mei 1986 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan lawaai op het werk (PbEG L 137), hierna te noemen de geluidrichtlijn;

7. Richtlijn nr. 87/216/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 maart 1987 tot wijziging van Richtlijn nr. 82/501/EEG inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten (PbEG L 85);

8. Richtlijn nr. 88/364/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 juni 1988 ter bescherming van werknemers door een verbod van bepaalde specifieke agentia en/of bepaalde werkzaamheden (PbEG L 179, vierde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 8 van Richtlijn nr. 80/1107/EEG), hierna te noemen de richtlijn specifieke agentia;

9. Richtlijn nr. 88/610/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 november 1988 tot wijziging van Richtlijn nr. 82/501/EEG inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten (PbEG L 336);

10. Richtlijn nr. 88/642/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1988 tot wijziging van Richtlijn 80/1107/EEG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia op het werk (PbEG L 356);

11. Richtlijn nr. 89/391/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PbEG L 183), hierna te noemen de kaderrichtlijn.

De kaderrichtlijn bevat algemene minimumvoorschriften betreffende de wijze waarop de lid-staten de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk dienen te waarborgen. De tenuitvoerlegging van deze richtlijn heeft voornamelijk plaatsgevonden door middel van de Arbeidsomstandighedenwet. De kaderrichtlijn dient tevens als grondslag voor richtlijnen die betrekking hebben op specifieke gevaren op het gebied van de gezondheid en veiligheid op de arbeidsplaats. Ter uitvoering van het desbetreffende artikel 16 van deze kaderrichtlijn zijn thans dertien bijzondere richtlijnen vastgesteld. De bepalingen van deze richtlijnen gelden derhalve naast en als verbijzondering van de bepalingen van de kaderrichtlijn. Met betrekking tot de elfde bijzondere Richtlijn nr. 92/91/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 november 1992 betreffende de minimumvoorschriften ter verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen (PbEG L 348)) zij hier opgemerkt, dat deze richtlijn, gezien de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken voor dit beleidsterrein, niet door middel van de arbeidsomstandighedenwetgeving doch middels de mijnwetgeving is uitgevoerd;

12. Richtlijn nr. 89/654/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG L 393, eerste bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG), hierna te noemen de richtlijn arbeidsplaatsen;

13. Richtlijn nr. 89/655/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (PbEG L 393, tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG), hierna te noemen de richtlijn arbeidsmiddelen;

14. Richtlijn nr. 89/656/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 november 1989 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor het gebruik op het werk van persoonlijke beschermingsmiddelen door de werknemers (PbEG L 393, derde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG), hierna te noemen de richtlijn persoonlijke beschermingsmiddelen;

15. Richtlijn nr. 90/269/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 mei 1990 betreffende de minimum veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor het manueel hanteren van lasten met gevaar voor met name rugletsel voor de werknemers (PbEG L 156, vierde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG), hierna te noemen de richtlijn handmatig hanteren van lasten;

16. Richtlijn nr. 90/270/EEG van de Raad van 29 mei 1990 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot het werken met beeldschermapparatuur (PbEG L 156, vijfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG), hierna te noemen de richtlijn beeldschermwerk;

17. Richtlijn nr. 90/394/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk (PbEG L 196, zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG), hierna te noemen de carcinogenenrichtlijn;

18. Richtlijn nr. 90/679/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 november 1990 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (PbEG L 374, zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG), hierna te noemen de richtlijn biologische agentia;

19. Richtlijn nr. 91/322/EEG van de Commissie van 29 mei 1991 tot vaststelling van indicatieve grenswaarden ter uitvoering van Richtlijn nr. 80/1107/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia op het werk (PbEG L 177), hierna te noemen de richtlijn indicatieve grenswaarden;

20. Richtlijn nr. 91/382/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1991 tot wijziging van richtlijn 83/477/EEG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk (PbEG L 206, tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 8 van Richtlijn nr. 80/1107/EEG);

21. Richtlijn nr. 92/57/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen (PbEG L 245, achtste bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG), hierna te noemen de richtlijn tijdelijke en mobiele bouwplaatsen;

22. Richtlijn nr. 92/58/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften voor de veiligheids- en/of gezondheidssignalering op het werk (PbEG L 245, negende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG), hierna te noemen de richtlijn veiligheids- en gezondheidssignalering;

23. Richtlijn nr. 92/85/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (PbEG L 348, tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG), hierna te noemen de richtlijn zwangere werkneemsters;

24. Richtlijn nr. 92/104/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1992 betreffende minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën in dagbouw of ondergronds (PbEG L 404, twaalfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG), hierna te noemen de richtlijn winningsindustrieën in dagbouw of ondergronds;

25. Richtlijn 93/103/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (PbEG L 307, dertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn nr. 89/391/EEG).

Deze richtlijn is voor het overgrote deel uitgevoerd door middel van de Schepenwetgeving onder verantwoordelijkheid van de Minister van Verkeer en Waterstaat;

26. Richtlijn nr. 93/104/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PbEG L 307), hierna te noemen de richtlijn aspecten organisatie arbeidstijd.

Deze richtlijn is overigens slechts voor één element, te weten het arbeidsgezondheidskundig onderzoek van werknemers die 's nachts werkzaam zijn, van belang voor dit besluit (zie artikel 2.43). Het overgrote deel van deze richtlijn is door middel van de Arbeidstijdenwet uitgevoerd;

27. Richtlijn nr. 94/33/EEG van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk (PbEG L 216), hierna te noemen de richtlijn jongeren, en

28. Richtlijn nr. 95/63/EEG van de Raad van de Europese Unie van 5 december 1995 tot wijziging van Richtlijn 89/655/EEG betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (PbEG L 335, tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 89/391/EEG), hierna te noemen de wijzigingsrichtlijn arbeidsmiddelen.

Deze richtlijn moet uiterlijk op 5 december 1998 in de nationale wetgeving zijn geïmplementeerd en zal op een aantal plaatsen tot wijziging van dit besluit leiden.

Ten aanzien van twee ontwerp-EG-richtlijnen is inmiddels een gemeenschappelijk standpunt vastgesteld. Het betreft een wijziging van de Seveso-richtlijn, de zogenoemde Seveso-II-richtlijn, waarover een gemeenschappelijk standpunt is vastgesteld op 18 maart 1996 en een wijziging van de carcinogenenrichtlijn, waarvan het gemeenschappelijk standpunt dateert van 24 september 1996. Implementatie van deze EG-richtlijnen zal plaatsvinden na definitieve vaststelling daarvan.

Zoals uit de hiervoor gegeven opsomming blijkt, bestrijken de EG-richtlijnen het overgrote deel van de voor de arbeidsbescherming relevant geachte onderwerpen. Alleen al door de verwerking van deze richtlijnen in de Nederlandse regelgeving wordt, gelet op de inhoud van daarvan, voor de betreffende onderwerpen in het algemeen een adequaat niveau van arbeidsbescherming gerealiseerd.

§ 5.2.2 IAO-verdragen

Door Nederland zijn de navolgende IAO-verdragen op het terrein van arbeidsomstandigheden geratificeerd, dan wel is het voornemen hiertoe ter kennis van de Staten-Generaal gebracht.

1. IAO-Verdrag nummer 13 uit 1921 betreffende het gebruik van loodwit in verfstoffen;

2. IAO-Verdrag nummer 27 uit 1929 betreffende de aanduiding van het gewicht op grote stukken, vervoerd per schip;

3. IAO-Verdrag nummer 32 uit 1932 betreffende de bescherming tegen ongevallen van arbeiders werkzaam bij het laden en lossen van schepen (Trb. 1963, nr. 177);

4. IAO-Verdrag nummer 62 uit 1937 betreffende veiligheidsvoorschriften in de bouwnijverheid (Trb. 1951, nr. 23);

5. IAO-Verdrag nummer 155 uit 1981 betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu (Trb. 1982, nr. 100);

6. IAO-Verdrag nummer 162 uit 1986 betreffende veiligheid bij het gebruik van asbest (Trb. 1988, nr. 110)1, en

7. IAO-Verdrag nummer 174 uit 1993 betreffende het voorkomen van zware industriële ongevallen (Trb. 1993, 161)2.

Genoemde IAO-verdragen, met uitzondering van IAO-Verdrag nummer 32, zijn in het Arbeidsomstandighedenbesluit verwerkt. Het niet verwerken van IAO-Verdrag nummer 32 inzake het laden en lossen van schepen (stuwadoorsarbeid) hangt samen met het feit dat dit verdrag dermate gedetailleerd en verouderd is, dat verwerking ervan absoluut niet past in de huidige opzet van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Met het oog daarop is besloten genoemd verdrag op te zeggen onder gelijktijdige ratificatie van het meer moderne IAO-Verdrag nummer 152 over stuwadoorsarbeid uit 1979 (Trb. 1980, nr. 107). Op dit verdrag wordt nader ingegaan in de artikelsgewijze toelichting (deel II) bij hoofdstuk 7, afdeling 4, paragraaf 3 van dit besluit.

§ 5.3 Aanvullend nationaal beleid

Ofschoon door de verwerking van alle internationale verplichtingen in dit besluit in het algemeen al een adequaat niveau van arbeidsbescherming wordt geboden, is ervoor gekozen om hierin nog een aantal (al bestaande) aanvullende voorschriften op te nemen, welke niet voortvloeien uit deze verplichtingen.

De werkgeversvertegenwoordigers in de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER hebben kritische kanttekeningen geplaatst bij dit in het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen 10% aanvullend (al bestaand) nationaal beleid (zie hieromtrent paragraaf 12). Over de door deze vertegenwoordigers in dat verband genoemde onderwerpen kan het volgende worden opgemerkt.

Voor het in 1993 geïntroduceerde asbestverbod bestaan inhoudelijk zeer sterke argumenten, gezien de bijzondere risico's die verbonden zijn aan het werken met asbest (circa 600 asbestdoden per jaar). Maatschappelijk gezien zou het schrappen van het asbestverbod dan ook terecht op grote weerstand stuiten. Overigens kan nog worden opgemerkt dat Duitsland, Denemarken, Zweden en Italië in de afgelopen jaren eveneens een asbestverbod tot stand hebben gebracht.

Bij de uitvoering van de geluidrichtlijn heeft Nederland er in 1991 voor gekozen enigszins lagere niveaus (dus strengere regels) van schadelijk geluid vast te stellen dan waartoe deze richtlijn verplicht. Deze geluidniveaus sluiten aan bij de al eerder in Nederland vastgestelde geluidniveaus. Deze niveaus werden en worden nog steeds noodzakelijk geacht om de zeer omvangrijke categorie werknemers die bij de arbeid aan lawaai wordt blootgesteld, adequaat te kunnen beschermen tegen de als gevolg daarvan optredende beroepsziekte lawaaidoofheid. Volgens de meest recente schatting zijn in Nederland circa 900 000 werknemers blootgesteld aan schadelijk geluid, voornamelijk in de industrie, nutsbedrijven, bouw en wegenbouw. Met de lagere niveaus van schadelijk geluid hebben overigens destijds niet alleen de werknemersorganisaties, maar ook – voor zover het de belangrijkste niveaus betreft – de werkgeversorganisaties ingestemd. Lagere geluidniveaus gelden ook in Duitsland, Denemarken en Italië.

Op 1 januari 1994 is de wettelijke regeling inzake arbodiensten tot stand gekomen. Met de invoering van dit nieuwe stelsel van voor werkgevers verplichte deskundige ondersteuning op arboterrein door arbodiensten wordt beoogd, bij bedrijven de noodzakelijke voorwaarden te scheppen voor adequate arbeidsomstandigheden. Een tweede belangrijke doelstelling van deze nationale verplichting is de bijdrage aan de terugdringing van het ziekteverzuim. Op zich is de stelling van werkgeverszijde, dat de verplichte inschakeling van arbodiensten verder gaat dan waartoe de betreffende EG-richtlijn, in casu de kaderrichtlijn, verplicht, juist. Daartegenover staan de volgende feiten. De voormalige Arboraad heeft op 15 april 1993 (nr. R-2781a-mv/lm) unaniem ingestemd met dit stelsel, dat bovendien uitgebreid is behandeld in het parlement (kamerstukken II 1992/93, 22 898). Het stelsel kent voorts een overgangstermijn tot 1 januari 1998. Op het moment van inwerkingtreding van dit besluit bevinden we ons ongeveer halverwege de overgangstermijn. Evaluatie over de doeltreffendheid van het nieuwe stelsel is aan het parlement toegezegd. Daarbij zal expliciet de vraag worden meegenomen in hoeverre dit stelsel de mogelijkheid biedt – zonder het niveau van arbeidsbescherming aan te tasten – voor een minder intensieve rol van de overheid bij het toezicht op werkplekniveau in bedrijfstakken met een aantoonbaar goed functionerend arbozorgsysteem.

Het in verband met extra nationaal beleid door de werkgevers genoemde voorbeeld inzake tijdelijke en mobiele bouwplaatsen is inmiddels achterhaald. Na een debat daarover in het parlement is de desbetreffende regelgeving beperkt tot exact dezelfde voorschriften als waartoe de gelijknamige EG-richtlijn verplicht.

Over de regelgeving inzake de arbeidsveiligheidsrapportage kan worden opgemerkt, dat de kritiek van de werkgevers zich met name richt op de administratieve lasten die samenhangen met het opstellen van een arbeidsveiligheidsrapport. Deze verplichting is echter in de Arbeidsomstandighedenwet zelf opgenomen en niet in dit besluit. In het kader van het project heroriëntatie Arbeidsomstandighedenwet, waarop in paragraaf 9 van dit deel van de toelichting nader zal worden ingegaan, zal met inachtneming van de betreffende EG-verplichtingen op dit terrein, worden bezien in hoeverre de administratieve lasten op grond van deze verplichting kunnen worden teruggebracht.

Concluderend kan worden gesteld dat de argumenten van de vertegenwoordigers van de werkgevers het kabinet niet hebben overtuigd. De desbetreffende voorschriften zijn dan ook in het Arbeidsomstandighedenbesluit gehandhaafd.

Overigens is in dit besluit méér nationaal beleid opgenomen dan waarop de werkgeversvertegenwoordigers in de SER commentaar leveren. Zo vormt bijvoorbeeld ook de regelgeving over thuiswerk nationaal beleid. Deze regelgeving, die mede op aandrang van de Tweede Kamer tot stand is gekomen, is op 1 november 1994 in werking getreden. Doel van deze regelgeving is de arbeidsomstandigheden van thuiswerkers te verbeteren (kamerstukken II 1992/93, 23 172). De redenen waarom destijds voor specifieke regelgeving voor thuiswerkers is gekozen, zijn nog steeds valide. De omstandigheden waaronder thuiswerk wordt verricht zijn veelal slecht. De ruimten waarin thuiswerk plaatsvindt zoals woonhuizen, bijkeukens, garages en dergelijke, zijn doorgaans niet bedoeld en ingericht om daarin thuiswerk te verrichten. Daarnaast is bij thuiswerk geen direct toezicht door de werkgever op de veiligheid en de gezondheid bij het werk mogelijk, zoals dat wel kan in een fabriek of op kantoor. Ten slotte zijn er naast de thuiswerker doorgaans ook andere mensen, waaronder kinderen, in de woning aanwezig, voor wie extra gevaren kunnen ontstaan.

§ 5.4 Actualisering

§ 5.4.1 Algemeen

Ten aanzien van alle al bestaande regelgeving die niet rechtstreeks voortvloeit uit EG-richtlijnen of door Nederland geratificeerde IAO-verdragen is bezien, welke delen daarvan in het licht van de huidige politieke en maatschappelijke context als overbodig kunnen worden aangemerkt.

Hieronder is aangegeven wat de belangrijkste gevolgen van deze actualisering zijn.

§ 5.4.2 Vervallen verplichting: uitzicht

In het thans ingetrokken Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 en het Veiligheidsbesluit restgroepen was de verplichting opgenomen om op de arbeidsplaats daglicht- en uitzichtvoorzieningen aan te brengen. In het Arbeidsomstandighedenbesluit is het daglichtvereiste gehandhaafd (EG-verplichting), maar het uitzichtvereiste geschrapt. Deze beslissing is mede genomen tegen de achtergrond van het door het kabinet ingenomen standpunt (bijvoorbeeld in de Sociale Nota 1995), dat de overheid op het gebied van arbeidsomstandigheden alleen verantwoordelijk is voor de vaststelling, bijstelling en handhaving van basisnormen. Een (strafrechtelijk gesanctioneerd) voorschrift om voor uitzicht op de arbeidsplaats te zorgen wordt tegen deze achtergrond niet gewenst geacht.

Van de zijde van de werknemersvertegenwoordigers1 in de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER wordt daar tegenover gesteld dat het uitzichtvereiste zodanig belangrijk is voor werknemers, dat wetgeving op dit onderwerp niet gemist kan worden (zie hieromtrent paragraaf 12 van dit deel van de toelichting).

Hierover kan worden opgemerkt dat door de overheid niet wordt betwist dat het bij uitzicht om een belangrijk onderwerp op het terrein van arbeidsomstandigheden gaat, doch dat het de vraag is of de overheid uitzicht als arbeidsomstandighedennorm wettelijk en strafrechtelijk gesanctioneerd moet regelen. Uitzichtnormering in de arbeidsomstandighedenwetgeving stuit bovendien in de handhavingspraktijk van de Arbeidsinspectie op grote weerstand, omdat strikte toepassing van die norm ten aanzien van met name bestaande gebouwen veelal ingrijpende en dure bouwkundige aanpassingen tot gevolg heeft. Het aanbrengen van uitzichtvoorzieningen bij nieuwbouw daarentegen brengt vaak veel minder hoge kosten met zich.

Overigens zal door het handhaven van de bestaande nationale invulling van het – uit een EG-verplichting voortvloeiende – daglichtvereiste in de praktijk veelal uitzicht blijven bestaan. Voorgeschreven is namelijk, dat in een besloten ruimte waar overdag door iemand gemiddeld meer dan twee uur arbeid wordt verricht, in de uitwendige scheidingsconstructie van de desbetreffende ruimte doorzichtige lichtopeningen moeten worden aangebracht waardoor daglicht kan toetreden. Dit betekent feitelijk in het merendeel van de situaties uitzicht. Het oppervlak van die lichtopeningen is in het onderhavige besluit nader bepaald. Afwijking van deze regel is slechts mogelijk als toetreding van daglicht redelijkerwijs niet mogelijk is (onder omstandigheden bijvoorbeeld in een foto-ontwikkelcentrale). Het begrip «redelijkerwijs» is nader uitgewerkt in paragraaf 7.5 van dit deel van de nota van toelichting.

§ 5.4.3 Op andere wijze geregelde onderwerpen

In het kader van de actualisering van het Arbeidsomstandighedenbesluit is ten aanzien van de inhoud van het voormalige Veiligheidsbesluit-loodwit, het Veiligheidsbesluit tankschepen, de in het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 en het Veiligheidsbesluit restgroepen opgenomen meldingsverplichting voor gevaarlijke stoffen en enige andere onderwerpen geconcludeerd, dat die onderwerpen op een andere wijze dienen te worden geregeld. Op deze onderwerpen wordt thans afzonderlijk ingegaan.

§ 5.4.3.1 Het Veiligheidsbesluit-loodwit

Het Veiligheidsbesluit-loodwit van 8 augustus 1938, speelde in op de verplichtingen uit het IAO-Verdrag nr. 13 betreffende het gebruik van loodwit in verven. Dit verdrag is op 31 augustus 1929 in werking getreden. Het verdrag is door Nederland op 15 december 1939 geratificeerd.

Het loodwitbesluit had geen actuele betekenis meer en hoefde ten behoeve van het IAO-verdrag inzake loodwit niet te worden gehandhaafd. Alleen het in dat besluit opgenomen verbod op de toepassing van loodwit in verfproducten moest in het Arbeidsomstandighedenbesluit worden gehandhaafd (zie artikel 4.78). Voor zover het gebruik van loodwit nog is toegestaan bieden de algemene regels die gelden voor het werken met lood – en die ook van toepassing zijn op loodwit – een adequate arbeidsbescherming. Die regels zijn opgenomen in hoofdstuk 4, afdeling 7, paragraaf 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

§ 5.4.3.2 Het Veiligheidsbesluit tankschepen

Aanleiding tot dit besluit vormde de ramp welke in 1929 plaatsvond met het Engelse tankschip «Vimeira» tijdens herstelwerkzaamheden in de haven van Rotterdam. Op vrijwillige basis is lange tijd door toedoen van de havenautoriteiten in de grote gemeenten aan concept-veiligheidsregelingen voldaan. Na de explosie met het tankschip «Rona Star» in 1965 werd de roep om landelijk bindende regels sterker. Op 30 juli 1974 kwam het Veiligheidsbesluit tankschepen tot stand. Het besluit bevatte 23 artikelen. Dit besluit gaf (deels zeer) gedetailleerde nationale arbeidsbeschermende voorschriften inzake het schoonmaken, onderhouden, herstellen, verbouwen en geheel of gedeeltelijk slopen van tankschepen.

Bij de totstandkoming van dit besluit is ervoor gekozen de betreffende voorschriften op ministerieel niveau, dat wil zeggen bij de mede op dit besluit gebaseerde Arbeidsomstandighedenregeling, te regelen. In het onderhavige besluit is over dit onderwerp thans alleen nog bepaald, dat onderhouds-, herstellings-, verbouwings- en geheel of gedeeltelijke sloopwerkzaamheden aan, op of in tankschepen, worden verricht door of onder toezicht van een persoon die beschikt over voldoende deskundigheid. Deze deskundigheid moet voor bepaalde werkzaamheden blijken uit een verkregen certificaat van vakbekwaamheid. De wijze waarop een dergelijk certificaat kan worden verkregen is mede geregeld in genoemde Arbeidsomstandighedenregeling.

§ 5.4.3.3 Meldingsverplichting gevaarlijke stoffen

Artikel 188d van het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 bevatte een meldingsplicht voor door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen gevaarlijke vormen van arbeid bij het werken met gevaarlijke stoffen. Van deze bepaling, die sinds 1989 in het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 stond, is nooit gebruik gemaakt. Bij nader inzien lijkt een meldingsplicht ook niet effectief. Indien een bestaande stof plotseling gevaarlijk blijkt te zijn, is met goede (gerichte) voorlichting veel meer te bereiken dan met een meldingsplicht. Bekend is bovendien, dat meldingsverplichtingen in het algemeen slecht werken. Recent heeft zich met betrekking tot de gevaarsaspecten van het werken met keramische vezels de vraag voorgedaan of daarvoor niet een meldingsplicht moest worden ingevoerd. Dit bleek niet zinvol, omdat al grotendeels bekend was welke bedrijven daarmee werkten en werkgevers bij melding geen belang hebben. Gekozen is destijds voor een gerichte en succesvol gebleken voorlichtingscampagne. Nu de onderhavige meldingsplicht in de praktijk niet blijkt te werken en daarom niet wordt gebruikt, is deze vervallen.

In situaties waarin plotseling bekend wordt dat stoffen gevaarlijker blijken te zijn dan gedacht, kan bovendien gebruik worden gemaakt van artikel 33 van de Arbeidsomstandighedenwet. Dit artikel bepaalt, dat iedere werkgever en iedere arbodienst verplicht is desgewenst schriftelijk informatie te verstrekken aan de toezichthoudende instantie. Een desbetreffend verzoek van deze instantie, in casu de Arbeidsinspectie, aan alle of bepaalde groepen werkgevers of arbodiensten zal voldoende zijn om de benodigde informatie te verkrijgen. Deze verplichting is ook strafrechtelijk gesanctioneerd.

§ 5.4.3.4 Andere onderwerpen

In het kader van de actualisering van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn verder uiteraard geen onderwerpen meer geregeld, waarvan als vaststaand mag worden aangenomen dat de maatschappelijke relevantie ervan ontbreekt. Denk bijvoorbeeld aan bestaande regelingen betreffende apparaten die in Nederland niet meer gebruikt worden zoals acetyleenontwikkelaars (zie de artikelen 165, 168 en 169 van het voormalige Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938) of aan regelingen met betrekking tot situaties die zich heden ten dage niet meer voordoen. Het betreft een groot aantal bepalingen die met name in de verouderde sectorbesluiten voor de industrie, de binnenvaart, de landbouw en de stuwadoorssector waren opgenomen.

Verder zijn alle dubbele bepalingen vervallen. Niet alleen inhoudelijk bestonden er vele dubbelingen (hetzelfde onderwerp op dezelfde wijze in de verschillende besluiten geregeld), maar ook wetstechnisch was sprake van zelfde verplichtingen; zo was bijvoorbeeld in alle besluiten geregeld dat de werkgever verplicht was tot naleving van die besluiten. In de systematiek van het onderhavige besluit behoeft deze verplichting slechts eenmaal geregeld te worden. Ook hier gaat het om een aanzienlijk aantal bepalingen.

§ 5.5 Niveau van arbeidsbescherming

Afgezien van meer algemene doch minstens zo belangrijke verbeteringen met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het Arbeidsomstandighedenbesluit zoals een betere toegankelijkheid, een adequate onderlinge afstemming van de voorschriften en een hoogst noodzakelijke actualisering, kortom: een forse verbetering van de wetgevingskwaliteit die door de aard van de normering (minder gedetailleerd) meer flexibiliteit en maatwerk voor werkgevers en werknemers zal opleveren, heeft deze operatie ook een aantal verbeteringen met betrekking tot het niveau van arbeidsbescherming opgeleverd. Deze verbeteringen kunnen als volgt worden aangeduid:

Vangnetbepalingen

In het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn diverse zogenoemde «vangnetbepalingen» opgenomen, die door de toezichthoudende instanties gebruikt kunnen worden indien meer concrete voorschriften niet toepasbaar of (nog) niet voorhanden zijn, bijvoorbeeld omdat de (on)schadelijkheid van een stof of de gevaren van het gebruik van een recent ontwikkelde machine, nog niet vaststaan. Zo bevat bijvoorbeeld hoofdstuk 4 betreffende het werken met gevaarlijke stoffen de bepaling, dat bij het werken met gevaarlijke stoffen in alle gevallen de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid in acht moet worden genomen (artikel 4.1).

Vangnetbepalingen zijn met eenzelfde oogmerk geformuleerd ten aanzien van de (veilige) inrichting van arbeidsplaatsen (artikel 3.2) en het (veilig) gebruik van arbeidsmiddelen (afdeling 2 van hoofdstuk 7 van dit besluit).

Ruimere strekking begrip arbeidsplaats

In het thans ingetrokken Besluit arbeidsplaatsen was het begrip arbeidsplaats, voor zover het de inrichting daarvan betreft, beperkt tot het gebouw en het terrein van de onderneming. In het voorliggende besluit is aan dit begrip een ruimere strekking gegeven, en omvat het iedere plaats die in verband met de arbeid wordt gebruikt of pleegt te worden gebruikt (artikel 1.1, eerste lid, onder b). Dit betekent dat er geen twijfel meer hoeft te bestaan over de toepasselijkheid van dit besluit op werkzaamheden in de open lucht zoals wegwerkzaamheden, werkzaamheden aan hoogspanningsinstallaties en spoorwegwerkzaamheden.

Moderne gevaarlijke-stoffenregels algemeen van toepassing

De moderne regels over gevaarlijke stoffen golden op grond van de bestaande regelgeving alleen voor de industrie en de restgroepen. Voor de sectoren landbouw, stuwadoors en binnenvaart golden nog verouderde voorschriften ter zake. Op grond van dit besluit zijn de moderne regels over gevaarlijke stoffen (hoofdstuk 4) op alle maatschappelijke sectoren van toepassing.

Zitgelegenheid algemeen van toepassing

Zitgelegenheid was tot heden alleen geregeld voor de industrie en de restgroepen. In dit besluit is de bepaling over zitgelegenheid (artikel 5.4) op alle maatschappelijke sectoren van toepassing.

Klimaatbepalingen algemeen van toepassing

Tot heden bestonden er alleen voor de industrie en de restgroepen, overigens verouderde, bepalingen over binnen- en buitenklimaat. In dit besluit zijn de klimaatbepalingen (afdeling 1 van hoofdstuk 6) op alle maatschappelijke sectoren van toepassing. Daarbij is de verouderde L-index (waarbij grofweg temperaturen tussen 13 °C en 37 °C aanvaardbaar werden geacht) vervangen door een algemene behaaglijkheidsnorm, waardoor ook een inhoudelijke verbetering wordt bereikt: het klimaat op de arbeidsplaats moet thans zo behaaglijk en gelijkmatig mogelijk zijn. Een en ander is door middel van een beleidsregel nader ingevuld.

Daglichtbepaling algemeen van toepassing

Alleen voor de industrie en de restgroepen bestonden (complexe) bepalingen over daglicht. In het Arbeidsomstandighedenbesluit is een eenvoudiger daglichtbepaling opgenomen, die aansluit bij zowel de richtlijn arbeidsplaatsen als bij de terminologie van het Bouwbesluit. Het desbetreffende artikel 6.4 geldt voor alle maatschappelijke sectoren. Hoewel het onderhavige besluit geen uitzichtbepaling meer bevat, betekent het voldoen aan genoemde daglichtbepaling, dat feitelijk bijna altijd uitzicht bestaat.

Niet-ioniserende straling van toestellen algemeen van toepassing

Het voorkomen van (ioniserend) stralingsgevaar is geregeld in de Kernenergiewet. De bescherming tegen niet-ioniserende elektromagnetische straling welke door toestellen kan worden uitgezonden, was in de bestaande regelgeving alleen geregeld voor de industrie en de restgroepen. In dit besluit is de betreffende bepaling, artikel 6.12, op alle maatschappelijke sectoren van toepassing.

Moderne regels voor havenarbeid

De voorheen bestaande regels voor havenarbeid op grond van het Veiligheidsbesluit Stuwadoorsarbeid bevatten verouderde bepalingen ter uitvoering van het desbetreffende IAO-Verdrag nummer 32. In dit besluit zijn deze voorschriften vervangen door de meer moderne voorschriften van het IAO-Verdrag nummer 152. De ratificatie van dit verdrag, dat voor de Nederlandse havens – met name voor Rotterdam als grootste wereldhaven en belangrijke motor van de Nederlandse economie – een kwaliteitsverbetering van de havenarbeid betekent, is inmiddels ter hand genomen. Zie hieromtrent ook de artikelsgewijze toelichting bij hoofdstuk 7, afdeling 4, paragraaf 3 van dit besluit.

Vrijstellings- en ontheffingsmogelijkheid beperkt

Op grond van de thans ingetrokken regelgeving kon in principe van vrijwel iedere bepaling vrijstelling of ontheffing worden verleend. In dit besluit is die mogelijkheid beperkt. Met name vanwege het belang van de in dit besluit opgenomen voorschriften, is met betrekking tot een substantieel aantal daarvan bepaald, dat daarvan geen vrijstelling of ontheffing kan worden verleend. Zie hieromtrent de (artikelsgewijze) toelichting bij artikel 9.19 van dit besluit.

§ 6 De bijzondere sectoren en bijzondere categorieën werknemers

§ 6.1 Onderwijs, overheid, vervoer, justitiële rijksinrichtingen en defensie

Voor een aantal sectoren geldt, dat daarvoor niet zonder meer op dezelfde wijze als in het bedrijfsleven de gehele Arbeidsomstandighedenwet en de daarop gebaseerde regelgeving van toepassing kan zijn. Dit hangt samen met het specifieke karakter van een dergelijke sector dan wel met de specifieke belangen die daar in het geding zijn. Het gaat hier om de in artikel 2 van de Arbeidsomstandighedenwet genoemde sectoren.

Zo is bij onderwijs de grondwettelijke vrijheid van onderwijs aan de orde en is de positie van een leerling of student niet in alle opzichten vergelijkbaar met die van een werknemer. Voorts is de medezeggenschapsstructuur in het onderwijs een andere dan die in het bedrijfsleven.

Bij de (burgerlijke) overheid is onder meer een deels andere medezeggenschapsstructuur van belang. Daarnaast kan gewezen worden op de belangen van een goede taakuitoefening van politie en brandweer.

Voor justitiële rijksinrichtingen geldt dat daar rekening moet worden gehouden met de bijzondere (inrichtings)vereisten waaraan gevangenissen, huizen van bewaring en dergelijke moeten voldoen.

Ook het belang van de landsverdediging maakt het niet altijd mogelijk de arbeidsomstandigheden bij defensie op exact dezelfde wijze te regelen als in het bedrijfsleven.

De voormalige besluiten voorzagen derhalve in de noodzakelijke afwijkende of aanvullende voorschriften voor deze sectoren. Aangezien de noodzaak voor deze afwijkingen of aanvullingen nog steeds bestaat, zijn deze onverkort in het onderhavige besluit overgenomen.

Ook voor de vervoerssector geldt dat de uitzonderingen op grond van de voormalige Arbeidsomstandighedenregeling vervoermiddelen, onverkort zijn overgenomen in dit besluit.

§ 6.2 Jeugdigen, zwangeren en thuiswerkers

Het Arbeidsomstandighedenbesluit biedt in principe aan alle categorieën werknemers dezelfde arbeidsbescherming. In aanvulling daarop zijn in het besluit voor jeugdige werknemers, dat wil zeggen, werknemers jonger dan 18 jaar, enige aanvullende arbeidsbeschermende voorschriften opgenomen. Deze aanvullende voorschriften sporen met de desbetreffende richtlijn jongeren. In de artikelsgewijze toelichting bij afdeling 8 van hoofdstuk 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt uitgebreid op het regime voor jeugdigen ingegaan.

Ter bescherming van zwangere werkneemsters en werkneemsters tijdens de lactatie zijn in het besluit eveneens aanvullende voorschriften opgenomen. Deze voorschriften vloeien voort uit de richtlijn zwangere werkneemsters. In de artikelsgewijze toelichting bij afdeling 9 van hoofdstuk 1 van het besluit worden deze voorschriften nader besproken.

Het vorenstaande betekent, dat op jeugdige en zwangere werkne(e)m(st)ers niet alleen alle gewone voorschriften van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing zijn, maar tevens de in dit besluit opgenomen extra beschermende voorschriften.

Voor thuiswerkers is de hoofdregel dat het Arbeidsomstandighedenbesluit niet op hen van toepassing is, tenzij dat uitdrukkelijk is bepaald. Voor thuiswerkers geldt aldus een beperkt aantal specifiek op de thuiswerksituatie toegesneden voorschriften. Deze voorschriften zijn afkomstig uit het voormalige Besluit thuiswerk. In de artikelsgewijze toelichting bij afdeling 10 van hoofdstuk 1 van dit besluit wordt nader op het regime voor thuiswerkers ingegaan.

§ 7 Specifieke raakvlakken met de in de Arbeidsomstandighedenwet geregelde onderwerpen en in die wet voorkomende begrippen

In het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn een aantal onderwerpen en begrippen geregeld die ook in de Arbeidsomstandighedenwet zelf voorkomen. Het betreft hier de risico-inventarisatie en -evaluatie, het overleg tussen werkgever en werknemers, het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, certificatie en de zogenoemde redelijkerwijsclausule. In de navolgende paragrafen 7.1 tot en met 7.5 wordt de onderlinge samenhang tussen bedoelde onderwerpen en begrippen respectievelijk de betekenis daarvan, nader uiteengezet.

§ 7.1 De risico-inventarisatie en -evaluatie

In artikel 4 van de Arbeidsomstandighedenwet is de verplichting opgenomen tot het opstellen van een risico-inventarisatie en -evaluatie. Deze inventarisatie en evaluatie moet betrekking hebben op alle gevaren die de arbeid voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers met zich brengt. In artikel 4, eerste lid, van de wet is een niet-uitputtende opsomming gegeven van de gevaren die geïnventariseerd en geëvalueerd moeten worden. Over de (exacte) inhoud van de inventarisatie en evaluatie van gevaren geeft artikel 4 van de wet geen voorschriften.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn voor een aantal deelonderwerpen nadere inventarisatie- en evaluatievoorschriften gegeven. In deze nadere voorschriften (die overigens zonder uitzondering rechtstreeks voortvloeien uit EG-richtlijnen) wordt aangegeven welke elementen een inventarisatie en evaluatie met betrekking tot één specifiek, in dat voorschrift omschreven, gevaar dient te bevatten. Zo wordt bijvoorbeeld in artikel 4.13 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voorgeschreven, dat, indien arbeid met kankerverwekkende stoffen plaatsvindt, die inventarisatie en evaluatie in ieder geval gegevens dient te bevatten omtrent onder meer de identiteit van de kankerverwekkende stof waarmee gewerkt wordt.

In dit besluit zijn ten aanzien van de navolgende onderwerpen nadere voorschriften met betrekking tot de inventarisatie en evaluatie gegeven:

– jeugdigen (artikel 1.36),

– zwangere werknemers (artikel 1.41),

– gevaarlijke stoffen in het algemeen (artikel 4.2),

– kankerverwekkende stoffen en processen (artikelen 4.13 en 4.14),

– vinylchloridemonomeer (artikel 4.26),

– asbest (artikelen 4.43 en 4.50),

– lood (artikelen 4.64 en 4.67),

– biologische agentia (artikelen 4.85 en 4.97),

– thuiswerk met gevaarlijke stoffen (artikel 4 111),

– fysieke belasting (artikel 5.3),

– beeldschermwerk (artikel 5.9),

– geluid (artikel 6.7), en

– persoonlijke beschermingsmiddelen (artikel 8.2).

Indien wordt voldaan aan alle in dit besluit opgenomen nadere inventarisatie- en evaluatievoorschriften, betekent dit overigens niet dat daarmee automatisch volledig wordt voldaan aan de verplichting van artikel 4, eerste lid, van de wet. Artikel 4 van de wet heeft immers betrekking op álle gevaren die zich bij de arbeid voordoen, terwijl dit besluit slechts inventarisatie- en evaluatievoorschriften geeft ten aanzien van een beperkt aantal gevaren die zich in specifieke arbeidssituaties voordoen.

De werkgever kan op verschillende wijze aan de inventarisatie- en evaluatieverplichtingen op grond van artikel 4 van de wet en de hiervoor genoemde artikelen van dit besluit voldoen. Hij kan ervoor kiezen alle inventarisatie- en evaluatiegegevens in één document op te nemen of in een document de algemene risico-inventarisatie en -evaluatie op te nemen en voor de bij dit besluit voorgeschreven nadere inventarisatie- en evaluatiegegevens verwijzen naar daarvoor opgestelde afzonderlijke documenten.

§ 7.2 De overleg- en informatieverplichtingen

Het overleg tussen de werkgever en de (vertegenwoordiging van) werknemers over arbeidsomstandigheden is primair in de Wet op de ondernemingsraden geregeld. Daarnaast bevat de Arbeidsomstandighedenwet op tal van plaatsen aanvullende verplichtingen tot overleg tussen de werkgever en de (vertegenwoordiging van) werknemers of tot het verstrekken van informatie. Een voorbeeld hiervan is artikel 22, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. Dit artikellid schrijft voor dat de werkgever overleg pleegt met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers over de aanwijzing van bedrijfshulpverleners.

Ook in het Arbeidsomstandighedenbesluit is voor een aantal specifieke situaties de verplichting opgenomen tot overleg met of tot het verstrekken van informatie aan de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers. Al deze specifieke verplichtingen komen overigens rechtstreeks voort uit EG-richtlijnen. Een voorbeeld hiervan is artikel 6.7, vierde lid, van dit besluit, dat voorschrijft dat de werkgever de ondernemingsraad, of bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers de gelegenheid geeft een oordeel kenbaar te maken over de wijze van beoordeling en meting van het geluidniveau op de arbeidsplaats.

Bijzondere overleg- en informatieverplichtingen zijn in dit besluit te vinden:

– in hoofdstuk 2: artikel 2.15,

– in hoofdstuk 4: de artikelen 4.21, 4.24, 4.29, 4.43, 4.46, 4.47, 4.49, 4.50, 4.53, 9.15, 9.16, 4.64, 4.67, 4.68, 4.69, 4.74, 4.92 en 4.93, en

– in hoofdstuk 6: de artikelen 6.7 en 6.8.

§ 7.3 Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek

In artikel 24a van de Arbeidsomstandighedenwet is voor iedere werkgever de verplichting opgenomen om al zijn werknemers periodiek in de gelegenheid te stellen een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. Bij een dergelijk onderzoek gaat het om de beoordeling van al die gezondheidsaspecten die in verband (kunnen) staan met de werkzaamheden die een werknemer verricht en de risico's die aan die werkzaamheden verbonden zijn. In het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn op diverse plaatsen, op grond van het derde lid van artikel 24a van de wet, nadere voorschriften gegeven met betrekking tot bepaalde categorieën van werknemers die door de werkgever periodiek in de gelegenheid moeten worden gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. Het betreft met name de periodiciteit en de inhoud van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Al deze nadere voorschriften zijn afkomstig uit EG-richtlijnen. Een voorbeeld hiervan is artikel 5.11, dat bepaalt dat beeldschermwerkers door de werkgever periodiek in de gelegenheid moeten worden gesteld een oogonderzoek en een onderzoek naar het gezichtsvermogen te ondergaan.

Bijzondere arbeidsgezondheidskundige onderzoeken zijn in het besluit te vinden:

– in hoofdstuk 1: artikel 1.38,

– in hoofdstuk 2: artikel 2.43,

– in hoofdstuk 4: de artikelen 4.22, 4.35, 4.52, 4.65, 4.70, 4.71, 4.72 en 4.91,

– in hoofdstuk 5: artikel 5.11, en

– in hoofdstuk 6: artikel 6.10.

Het gaat hier om deelonderzoeken die slechts betrekking hebben op één specifiek gezondheidsrisico waaraan een bepaalde categorie werknemers kan worden blootgesteld. Indien wordt voldaan aan alle in dit besluit opgenomen nadere voorschriften betreffende het arbeidsgezondheidskundige onderzoek, betekent dit overigens niet dat daarmee automatisch volledig wordt voldaan aan de verplichting van artikel 24a, eerste lid, van de wet. Genoemd artikellid heeft immers betrekking op álle aan de arbeid verbonden gezondheidsrisico's en is dus ook zinvol voor werknemers die reeds in verband met één bepaald beroepsrisico arbeidsgezondheidskundig kunnen worden onderzocht. Iedere werknemer wordt op zijn werk nu eenmaal aan een grote hoeveelheid verschillende gezondheidsbedreigende factoren blootgesteld. De hiervoor omschreven categorieën van werknemers zoals bijvoorbeeld beeldschermwerkers, moeten dan ook door hun werkgever in de gelegenheid worden gesteld om niet alleen de hiervoor genoemde deelonderzoeken, maar ook het algemene arbeidsgezondheidskundige onderzoek te ondergaan.

De werkgever kan op verschillende wijzen aan de verplichting tot het beschikbaar stellen van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek op grond van artikel 24a, eerste lid, van de wet en de hiervoor genoemde nadere voorschriften van dit besluit voldoen. Hij kan ervoor kiezen alle onderzoeken in een keer aan te bieden of ieder onderzoek apart aan te bieden.

De werkgever is overigens alleen verplicht de werknemers een onderzoek aan te bieden. Voor de werknemers bestaat geen verplichting aan het onderzoek mee te werken.

§ 7.4 Certificatie

In de artikelen 31a en 31b van de Arbeidsomstandighedenwet is de mogelijkheid tot certificatie opgenomen ten aanzien van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregelde onderwerpen.

In dit besluit zijn ten aanzien van acht onderwerpen, op zoveel mogelijk uniforme wijze, certificatievoorschriften opgenomen. Het betreft:

– in hoofdstuk 2: artikel 2.15,

– in hoofdstuk 4: de artikelen 4.7, 4.8, 4.54 en 4.60,

– in hoofdstuk 6: artikel 6.17, en

– in hoofdstuk 7: de artikelen 7.19, 7.29 en 7.32.

Deze vorm van certificatie vervangt de voorheen in de afzonderlijke besluiten bestaande erkenningen. Inhoudelijk wijkt deze vorm van certificatie niet af van de bestaande erkenningen. Slechts de certificatie met betrekking tot het bewerken of verwerken van zandsteen (artikel 4.60) vormt in zekere zin een nieuwe verplichting. Het betreft hier feitelijk het omzetten van de bestaande, op het voormalige Zandsteenbesluit gebaseerde, ontheffingsvoorwaarden in een certificeringsregeling.

In de Arbeidsomstandighedenregeling zijn nader voorschriften met betrekking tot alle hierboven genoemde certificatieverplichtingen opgenomen.

De meer principiële discussie over certificatie zal plaatsvinden in het kader van de herorintatie op de Arbeidsomstandighedenwet (zie paragraaf 9 van dit deel van de toelichting).

§ 7.5 De redelijkerwijsclausule

Zowel in de Arbeidsomstandighedenwet zelf als in dit besluit wordt af en toe gebruik gemaakt van het begrip «redelijkerwijs». In situaties waarin dit begrip wordt gebruikt, zijn maatregelen vereist, tenzij zulks redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Deze clausule heeft tot doel om afweging van de veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbelangen tegen andere belangen, waaronder ook economische, mogelijk te maken. Bij de beoordeling of een beroep op de redelijkerwijsclausule kan worden gehonoreerd, zullen met name de technische, operationele en economische haalbaarheid van de maatregelen enerzijds worden afgewogen tegen de mate van het door de arbeid veroorzaakte gevaar voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn bij de arbeid anderzijds. Gezien het karakter van deze clausule is deze alleen daar geformuleerd waar te implementeren EG-regelgeving zulks toelaat.

Wat betreft het aspect van de technische haalbaarheid dienen werkgevers zich in beginsel te houden aan hetgeen overeenkomt met de algemeen erkende stand van de techniek en met de stand van de betreffende techniek in de betrokken bedrijfstak.

Bij operationele haalbaarheid gaat het om situaties waarbij bepaalde maatregelen toch niet worden genomen, omdat zij in een ander opzicht de arbeidsomstandigheden van de werknemers weer bedreigen of bijvoorbeeld de productkwaliteit substantieel beïnvloeden.

In situaties waarbij het treffen van maatregelen op financiële bezwaren stuit, zal in de praktijk met name rekening worden gehouden met «te hoge absolute kosten» en «verstoorde concurrentieverhoudingen». Algemeen uitgangspunt daarbij is, dat in beginsel het doelstellingenniveau niet ter discussie staat, maar dat toegespitst op de concrete situatie de uitvoeringsmodaliteit, de wijze waarop of het tijdpad waarin het doelstellingenniveau bereikt kan worden, ter discussie staan. De werkgever zal in ieder geval aannemelijk moeten maken dat zijn beleid planmatig is gericht op de verwezenlijking van de gewenste situatie.

Het inschatten van de redelijkheid van maatregelen is eerst en vooral, gezien de zelfwerkzaamheid, een taak van de werkgever. Uiteraard dient hierover overleg plaats te vinden met de (vertegenwoordigers) van de werknemers. Het ligt daarbij op de weg van de werkgever te beargumenteren waarom hij in een concrete situatie niet kan voldoen aan een in dit besluit gewenst doelstellingenniveau en om zonodig met alternatieven te komen. Daarbij zullen ook de deskundige werknemers, deskundige personen of diensten als bedoeld in artikel 17 van de wet, worden ingeschakeld. Indien er geen bevredigende oplossing kan worden bereikt, kan in het uiterste geval aan de Arbeidsinspectie een oordeel worden gevraagd.

§ 8 Globale doelvoorschriften, beleidsregels en voorlichting

§ 8.1 Globale doelvoorschriften

In de voorheen bestaande 38 besluiten waren vele gedetailleerde (en deels verouderde) voorschriften opgenomen die met name betrekking hadden op de inrichting van de arbeidsplaats en het gebruik en onderhoud van arbeidsmiddelen. In het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt ten aanzien van deze onderwerpen volstaan met een beduidend geringer aantal, iets algemener geformuleerde voorschriften. Deze algemener geformuleerde voorschriften bieden het bedrijfsleven de mogelijkheid om flexibeler in te spelen op snel veranderende productie- en werkmethoden. Het niveau van arbeidsbescherming daalt door deze verandering overigens niet. De voorschriften uit het Arbeidsomstandighedenbesluit hebben nog steeds betrekking op alle arbeidsplaatsen en alle arbeidsmiddelen en bieden nog steeds hetzelfde niveau van bescherming. In het Arbeidsomstandighedenbesluit is in tegenstelling tot de oude regelgeving echter geen poging gedaan om ieder arbeidsmiddel apart te regelen of voor iedere denkbare arbeidsplaats zoals een fabriek, kantoor of transportmiddel, aparte voorschriften te formuleren. Zo'n poging is ook tot mislukken gedoemd en zal uiteindelijk ook ten koste gaan van het niveau van arbeidsbescherming; er wordt bijvoorbeeld altijd wel een arbeidsmiddel vergeten. De kans op snelle veroudering van een dergelijke opzet van regelgeving is bovendien groot gebleken; er komen door de snelle technologische ontwikkelingen bijvoorbeeld telkens nieuwe (nog) niet geregelde arbeidsmiddelen bij, terwijl steeds meer wel geregelde arbeidsmiddelen niet meer worden gebruikt. Overigens werd in de tot nu toe bestaande regels op onderdelen ook al gebruik gemaakt van globale normen.

De Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER stemt weliswaar unaniem in met deze in het Arbeidsomstandighedenbesluit gekozen opzet, maar de werkgevers- en de werknemersvertegenwoordigers verbinden daar verschillende gevolgen aan (zie hieromtrent paragraaf 12 van dit deel van de nota van toelichting).

De werkgeversvertegenwoordigers benadrukken dat terughoudendheid moet worden betracht bij de nadere beleidsmatige invulling van de algemeen geformuleerde voorschriften in de vorm van beleidsregels. Zij zijn beducht voor het ontstaan van pseudo-wetgeving waarmee de met het ontwerp-besluit beoogde deregulering zou kunnen worden ondergraven.

De werknemersvertegenwoordigers benadrukken dat zonder een helder antwoord op de vraag, wanneer en op welke wijze in de praktijk wordt voldaan aan de algemeen geformuleerde voorschriften (de kenbaarheid van de regels), de arbeidsbescherming in het geding is. Dit antwoord dient volgens de werknemersorganisaties met name door middel van beleidsregels gegeven te worden.

§ 8.2 Beleidsregels

Een beleidsregel is een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. Het geeft bedrijven houvast bij de toepassing van wettelijke voorschriften en vergemakkelijkt de uitvoerende en handhavende taken van bestuursorganen. Zonder beleidsregels moet het bestuursorgaan een uitvoerings- of handhavingsbeschikking integraal motiveren. Zijn er beleidsregels vastgesteld, dan kan het bestuursorgaan ter motivering in beginsel naar die regel verwijzen. Wél moet daarbij altijd worden nagegaan of er bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot afwijking van de beleidsregel. Dit betekent onder meer, dat als een bedrijf langs een andere, dan in de beleidsregel neergelegde, weg een gelijkwaardig beschermingsniveau weet te realiseren, deze weg door het bestuursorgaan gerespecteerd moet worden. Daarmee is een beleidsregel een wat flexibeler instrument dan een wettelijk voorschrift.

Ten aanzien van de voorheen geldende arbeidsomstandighedenregelgeving hanteerde de Arbeidsinspectie vanouds Publicatiebladen, Concept-Publicatiebladen, Voorlichtingsbladen, Concept-Voorlichtingsbladen etcetera. Het gehele bestand omvatte zo'n 300 bladen. Ook hier is een grondige opschoning, modernisering en herstructurering doorgevoerd. Thans is een op het Arbeidsomstandighedenbesluit afgestemd nieuw stelsel van beleidsregels opgebouwd, ter nadere uitwerking van bepalingen van dat besluit, onder gelijktijdige intrekking van alle hiervoor genoemde bladen. De beleidsregels zullen voor de inwerkingtreding van dit besluit worden gepubliceerd in de Staatscourant. Gelijktijdig met het uitbrengen van deze beleidsregels zijn de hiervoor genoemde publicaties van de Arbeidsinspectie ingetrokken.

Beleidsregels blijven – hoewel er geen juridische verplichting tot vaststelling daarvan bestaat – noodzakelijk. Ze hebben een informatieve waarde voor werkgevers (met name het midden- en kleinbedrijf) respectievelijk werknemers, én dragen bij aan een uniforme handhavingspraktijk door de Arbeidsinspectie; daarnaast verlichten ze, zoals eerder opgemerkt, de motiverings- en bewijslast voor deze dienst. Beleidsregels vormen evenwel een onvoldoende geëigend instrument ter implementatie van EG-regelgeving.

Uiteraard zijn alleen beleidsregels opgesteld voor zover dat toegevoegde waarde heeft, noodzakelijk en mogelijk is gebleken. Door een te groot aantal beleidsregels zou de beoogde overzichtelijkheid van de nieuwe regelgeving immers in gevaar kunnen komen. Bij de vaststelling van beleidsregels is dan ook een zo terughoudend mogelijk beleid gevoerd.

In het algemeen kan worden gesteld dat beleidsregels op arbeidsomstandighedenterrein aan de orde zijn, wanneer sprake is van een globaal wettelijk voorschrift dat in de praktijk nadere invulling behoeft én waarvoor geldt dat een bepaalde invulling voor het merendeel van de praktijksituaties toepasbaar is.

Geen beleidsregels zijn nodig voor die globaal geformuleerde voorschriften, waarvan iedereen weet hoe het voorschrift in de praktijk behoort te worden uitgevoerd (bijvoorbeeld een doelmatig ingericht toilet), of in de gevallen waarin allerlei verschillende invullingswijzen naar hetzelfde niveau van arbeidsbescherming kunnen leiden. Daarnaast zijn er gevallen waarin het (nog) niet verantwoord is om met een nadere invulling te komen, omdat eerst nog de nodige beleidservaring moet worden opgedaan. Ten slotte is het niet efficiënt beleidsregels op te stellen ten aanzien van wettelijke voorschriften waarop slechts weinig frequent geïnspecteerd wordt.

Blijkens het advies van de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER over het Arbeidsomstandighedenbesluit hechten werknemersorganisaties groot belang aan een nadere uitwerking van globale normen in beleidsregels. Als voorbeelden worden onderwerpen genoemd zoals valgevaar en materiaaleisen met betrekking tot arbeidsmiddelen. Voor deze en andere onderwerpen worden gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit beleidsregels van kracht. De betreffende beleidsregels zijn op 16 oktober 1996 voor advies voorgelegd aan de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER. In dit besluit is op basis van deze adviesaanvraag telkens bij de betreffende artikelen aangegeven of het voornemen bestaat een beleidsregel vast te stellen.

§ 8.3 Voorlichting

Met betrekking tot de voorlichting over het Arbeidsomstandighedenbesluit en de daarop gebaseerde regelgeving is besloten deze in twee fasen te laten plaatsvinden. De eerste fase, die thans is afgesloten, betrof de periode kort voor de inwerkingtreding van het besluit; de tweede fase vangt op het moment waarop deze regelgeving in werking treedt en omvat de maanden daarna.

In de eerste fase zijn vooral intermediaire organisaties zoals arbodiensten, branche-organisaties en organisaties van werkgevers en werknemers, over de in voorbereiding zijnde herziene regelgeving geïnformeerd. Een speciaal daarvoor ontwikkeld infoblad is daarbij op grote schaal onder genoemde organisaties verspreid, teneinde hen zo goed mogelijk op de hoogte te houden van de laatste stand van zaken met betrekking tot de ontwerp-regelgeving. Daarnaast heeft de Arbeidsinspectie in deze periode tijdens diens reguliere bedrijfsbezoeken in voorkomende gevallen een informatieve rol ten aanzien van werkgevers en ondernemingsraadsleden vervuld. Daarvoor is eveneens ondersteunend materiaal ontwikkeld.

In de tweede fase zullen, naast de genoemde intermediaire organisaties, ook doelgroepen zoals werkgevers en ondernemingsraadsleden, worden geïnformeerd. Dit zal gebeuren door middel van actieve verspreiding van brochures, waarin vooral de systematiek van de nieuwe regelgeving aan bod komt. De Arbeidsinspectie zal in deze fase zijn informatieve rol tijdens bedrijfsbezoeken continueren alsmede schriftelijk materiaal verspreiden. Daarnaast zal de inwerkingtreding van de onderhavige regelgeving algemeen bekend worden gemaakt door middel van voorlichting aan de pers, waaronder de algemene media en de vakbladen op arboterrein.

§ 9 De heroriëntatie Arbeidsomstandighedenwet

§ 9.1 Inleiding

In de begroting van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het jaar 1994 (kamerstukken II, 1993/94, 23 400 XV, nr. 2, blz. 45) is opgemerkt dat de Arbeidsomstandighedenwet aan een algehele herziening toe is. Die wet, zo vermeldt de begroting, bevat meer dan alleen basisnormen en het bestaande instrumentarium van de Arbeidsinspectie is niet effectief genoeg om die basisnormen te kunnen handhaven. Daarnaast zijn de (straf)sancties te licht en gedateerd, zijn de vrijstellings- en ontheffingsmogelijkheden te ruim en is de werkingssfeer te beperkt.

De toentertijd ingestelde Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten, de zogenoemde commissie-Kortmann, heeft de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet destijds in haar werkprogramma opgenomen. Het onderzoek van de commissie heeft geresulteerd in het onder paragraaf 9.2.2 van dit deel van de toelichting kort samengevatte rapport «Van keurslijf naar keurmerk, wetgevingsbeleid voor veilig en gezond werk» van 15 september 1994 (CTW 94/12).

§ 9.2 Adviezen van de commissie-Kortmann en de ministeriële Commissie marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit

§ 9.2.1 Bestuurlijke boeten

Op 12 januari 1994 heeft de hiervoor al genoemde commissie-Kortmann advies uitgebracht over handhaving door bestuurlijke boeten (CTW 94/1). In dit advies wordt gepleit voor de introductie van het instrument bestuurlijke boete ten behoeve van de handhaving van een groot aantal tot nu toe via het strafrecht (Wet op de economische delicten) gesanctioneerde wetten. De belangrijkste overwegingen die aan het advies ten grondslag liggen zijn het terugdringen van de overbelasting van het Openbaar Ministerie, de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur voor de handhaving van bestuursrechtelijke wetgeving en het uitgangspunt dat strafrecht alleen als ultimum remedium gebruikt dient te worden.

De Arbeidsomstandighedenwet (en de daarop gebaseerde regelgeving) is in het advies van de commissie genoemd als één van de wetten die op korte termijn voor introductie van bestuurlijke boeten in aanmerking komt.

Dit advies, dat kan leiden tot belangrijke verbeteringen op het terrein van de rechtshandhaving, is door het vorige kabinet op hoofdlijnen overgenomen (kamerstukken II 1993/94, 23 400 VI, nr 48). Daarbij is ten aanzien van de arbeidsomstandighedenwetgeving geconstateerd dat de totstandkoming van het Arbeidsomstandighedenbesluit «welhaast een conditio sine qua non» voor de invoering van bestuurlijke boeten vormt.

§ 9.2.2 Van keurslijf naar keurmerk, wetgevingsbeleid voor veilig en gezond werk

Het reeds genoemde advies «Van keurslijf naar keurmerk, wetgevingsbeleid voor veilig en gezond werk» van de commissie-Kortmann, betreft de Arbeidsomstandighedenwet zelf (CTW 94/12). In dit rapport, dat op 15 september 1994 aan de voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer is aangeboden, wordt gepleit voor (meer) gebruik van privaatrecht, certificatie en financiële prikkels om tot adequate arbeidsomstandigheden te komen.

De commissie heeft blijkens het rapport waardering voor de forse opschoning van de arbeidsomstandighedennormen in het nieuwe, geïntegreerde Arbeidsomstandighedenbesluit, dat ten tijde van de totstandkoming van het rapport ter advisering lag bij de SER. Toch meent de commissie dat een stelsel dat in hoge mate steunt op bestuursrechtelijke normering, zeker op langere termijn onvoldoende zal bijdragen aan de actualiteit, de toepasbaarheid en de effectiviteit van de normen.

Volgens het rapport van de commissie scheppen vooral ontwikkelingen in het privaatrecht ruimte om de verantwoordelijkheid van arbeidsomstandigheden primair bij het bedrijfsleven te leggen. Hiertoe zou de infrastructuur voor normalisatie, certificatie en accreditatie verder moeten worden versterkt. Daarnaast zou het bedrijfsleven tot certificatie van de arbozorg aangezet kunnen worden door invoering van een arbokeurmerk. Aan certificatie moeten dan wel gevolgen verbonden worden. Hierbij moet hoofdzakelijk worden gedacht aan financiële prikkels zoals premiematiging bij aansprakelijkheidsverzekeringen voor bedrijven, premiedifferentiatie voor de sociale verzekeringen, versterking van de marktpositie door gebruik van het arbokeurmerk, en matiging van schadeplichtigheid bij civielrechtelijke aansprakelijkheid.

§ 9.2.3 Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (Rapport Maatwerk in bescherming)

Op 19 december 1994 heeft de ministeriële Commissie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit een werkgroep ingesteld, die de opdracht had bouwstenen aan te dragen voor een adviesaanvraag aan de SER over de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet (kamerstukken II, 1994/95, 24 036, nr. 1). Daarbij zijn de eerdergenoemde CTW-adviezen betrokken en is tevens bezien welke aanvullende of afwijkende opties met het oog op de marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit eventueel gewenst zijn.

Het rapport van de MDW-werkgroep, getiteld «Maatwerk in bescherming», is bij brief van 11 juli 1995 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden (kamerstukken II, 1994/95, 24 036, nr. 8).

De werkgroep doet voorstellen die op korte termijn gerealiseerd kunnen worden en voorstellen voor de op lange termijn na te streven situatie op het terrein van arbeidsomstandigheden (zowel ten aanzien van de Arbeidsomstandighedenwet zelf als het onderhavige besluit).

Wat betreft de korte termijn wordt aanbevolen de Arbeidsomstandighedenwet te vereenvoudigen en aan te passen teneinde de uitvoering en de handhaving daarvan te verbeteren. Het gaat daarbij onder meer om het schrappen van enkele wettelijke bepalingen die geen praktische betekenis hebben zoals de artikelen 8 en 15 van de wet inzake de begeleiding van jeugdige werknemers respectievelijk de instelling van arbocommissies, dan wel overlap vertonen met andere regels, zoals de opstelling van een jaarplan en jaarverslag op grond van de artikelen 4 respectievelijk 10 van de wet. De werkgroep beveelt tevens aan de verplichting tot het opstellen van een arbeidsveiligheidsrapport als bedoeld in artikel 5 van de wet, te stroomlijnen. Door bedoelde maatregelen kan een aanzienlijke vermindering van de administratieve lasten van werkgevers worden bereikt.

Daarnaast wordt voor de korte termijn voorgesteld om naast de strafrechtelijke handhaving, de Arbeidsinspectie de bevoegdheid te geven om bij overtredingen administratieve boetes op te leggen (het zogenoemde «lik op stuk»-beleid).

Met betrekking tot de aanbevelingen voor de lange termijn onderschrijft het kabinet de algemene denkrichting van de werkgroep, waarin de zorg voor goede arbeidsomstandigheden – meer dan thans het geval is – primair op de werkvloer door de werkgevers en werknemers ter hand moet worden genomen. De overheid blijft daarin een belangrijke rol vervullen bij het stellen van inhoudelijke normen voor situaties waar ernstige risico's voor de werknemers in het geding zijn. Het kabinet benadrukt in dit verband het belang van de verplichting van werkgevers om zich bij een gecertificeerde arbodienst aan te sluiten en de verplichting om het beleid ten aanzien van arbeidsomstandigheden schriftelijk vast te leggen in een risico-inventarisatie en -evaluatie. Daarnaast onderschrijft het kabinet het belang van de totstandkoming van het ontwerp-Arbeidsomstandighedenbesluit, dat niet alleen een forse verbetering van de wetgevingskwaliteit zal opleveren in termen van inzichtelijkheid en uitvoerbaarheid, maar tevens, als gevolg van de minder gedetailleerde normering, meer flexibiliteit en maatwerk voor werkgever en werknemers zal betekenen. Het kabinet stelt nadrukkelijk, dat bij de uitwerking van de door de werkgroep gedane voorstellen en aanbevelingen, aantasting van het beschermingsniveau op arbeidsomstandighedenterrein niet aan de orde is. Het gaat immers om veranderingen ten aanzien van de weg waarlangs casu quo het instrumentarium waarmee het doel «adequate arbeidsomstandigheden» het best kan worden gerealiseerd.

Kernelementen daarbij vormen de financiële prikkels in het kader van de sociale zekerheid en de verplichte aansluiting bij gecertificeerde arbodiensten met inachtneming van de blijvende verantwoordelijkheid van de overheid voor de inhoudelijke normering op dit terrein. Met een evenwichtige combinatie van deze instrumenten is, zo stelt het kabinet, een doeltreffende aanpak van het arbeidsomstandighedenbeleid te realiseren.

Met de werkgroep is het kabinet ten slotte van oordeel, dat een volledig privaat stelsel zoals voorgesteld in het betreffende CTW-advies van de commissie-Kortmann, moet worden afgewezen.

Over de heroriëntatie arbobeleid en Arbeidsomstandighedenwet is op 2 april 1996 advies gevraagd aan de SER. Bij deze adviesaanvraag zijn de hiervoor genoemde aanbevelingen van de MDW-werkgroep als uitgangspunten genomen. In de adviesaanvraag zijn de korte termijnvoorstellen van de werkgroep nader geconcretiseerd en uitgewerkt. Over de lange termijnvoorstellen is de SER gevraagd een algemeen oordeel te willen geven. Na ommekomst van het betreffende advies zal een voorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet worden opgesteld, dat naar verwachting in de loop van 1997 bij de Tweede Kamer zal worden ingediend.

§ 10 Enige onderwerpen nader beschouwd

§ 10.1 Beperkte delegatie

In de tot nu toe bestaande besluiten was voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid veelvuldig de mogelijkheid gecreëerd om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen zonder dat daarvan in alle gevallen gebruik is gemaakt. In het Arbeidsomstandighedenbesluit is die mogelijkheid beperkt. Met name in de gevallen waarin de noodzaak van nadere regels reeds in de huidige regelgeving is gebleken (bestaande ministeriële regelingen) en nog steeds bestaat, alsmede in situaties waarin tot het opstellen van die regels concrete uitgewerkte voornemens bestaan (zowel wat betreft de inhoud als wat betreft de termijn waarbinnen de nadere regels gesteld zullen worden), is deze mogelijkheid gehandhaafd.

§ 10.2 De relatie tussen het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Bouwbesluit

In 1983 heeft het eerste kabinet-Lubbers besloten tot uitvoering van het Actieprogramma deregulering (woning)bouwregelgeving (kamerstukken II, 1983/84, 17 937, nr. 7). Doel van dit actieprogramma is te komen tot een vereenvoudiging en uniformering van regelgeving op dit terrein. Eén van de onderdelen van het programma betreft het opstellen van een landelijk Bouwbesluit op grond van de Woningwet, waarin alle over rijks- en gemeentelijke regelgeving verspreide bouwvoorschriften worden samengebracht.

De totstandkoming van het Bouwbesluit vindt plaats in twee fasen. Fase I is in 1992 afgesloten met de inwerkingtreding van het Bouwbesluit voor onder meer woningen, logies- en kantoorgebouwen. In deze fase heeft afstemming tussen het Bouwbesluit en het destijds op grond van de Arbeidsomstandighedenwet bestaande Veiligheidsbesluit restgroepen plaatsgevonden voor met name kantoorgebouwen. Bij de evaluatie van het Bouwbesluit zal hieraan nadere aandacht worden besteed. In de thans in voorbereiding zijnde fase II worden de nadere voorschriften voor niet-tot-bewoning bestemde gebouwen (zoals gebouwen waarin arbeid wordt verricht) vastgesteld. Met name in deze fase dient afstemming met de voorschriften op grond van onder meer de Arbeidsomstandighedenwet zijn beslag te krijgen.

Een belangrijk uitgangspunt bij deze afstemmingsregeling is een zodanige inrichting van het Bouwbesluit, dat daarin mede de wettelijke bepalingen op het terrein van arbeidsomstandigheden, welke kunnen worden vertaald naar technische eisen aan gebouwen, worden opgenomen. Het gaat hier om voorschriften betreffende onder meer de veiligheid en stabiliteit van (arbeidsplaatsen in) gebouwen in het algemeen en die van vloeren, muren, ramen en deuren in het bijzonder, de brandveiligheid van gebouwen, de afmetingen en het luchtvolume van ruimten en de aanwezigheid van toiletten en urinoirs. Het voordeel van integratie van bedoelde bepalingen in het Bouwbesluit is evident: bij het voldoen aan deze bepalingen mag ervan uit worden gegaan dat in de fase van het gebruik van het gebouw, geen aanvullende technische eisen behoeven te worden gesteld op grond van het onderhavige besluit.

Een tweede belangrijk uitgangspunt is, dat afstemming van beide regelgevingscomplexen – mede met het oog op internationaalrechtelijke verplichtingen dienaangaande – niet mag leiden tot een verlaging van het beschermingsniveau van werknemers.

Als gevolg van verschillen in systematiek tussen het Bouwbesluit en dit besluit is afstemming niet zonder meer mogelijk gebleken. Bovendien is de afstemming van ontwerp-besluiten niet doelmatig. Met het oog hierop alsmede gezien het strikte tijdpad waarin de totstandkoming van fase II van het Bouwbesluit in het kader van het Actieprogramma is voorzien, is met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer afgesproken dat de afstemming op een later moment, derhalve na de totstandkoming van dit besluit, wordt geregeld. Opgemerkt kan nog worden dat inmiddels besloten is te komen tot een vereenvoudiging van het Bouwbesluit, ook wel conversie genoemd. Dit houdt in dat de voorschriften niet meer naar gebouwfunctie worden gerangschikt maar naar onderwerp, waarbij de zogenoemde prestatievoorschriften per gebouwfunctie in een tabel worden weergegeven. Deze conversie zal worden gemaakt zodra de inhoud van fase II is vastgesteld.

§ 10.3 De relatie tussen het Arbeidsomstandighedenbesluit en de regelgeving voor de mijnbouwsector

De mijnbouwsector is tot heden uitgesloten van de werkingssfeer van de Arbeidsomstandighedenwet (zie artikel 2, zevende lid, onder a). Voor de mijnbouwsector bestaat afzonderlijke regelgeving onder verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken in het Mijnreglement 1964 en het Mijnreglement continentaal plat. Op 23 september 1996 is een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakt om het toepassingsgebied van de Arbeidsomstandighedenwet uit te breiden tot de mijnbouwsector (kamerstukken II, 1996/97, 25 030). Deze wetswijziging zal bij de inwerkingtreding daarvan ook gevolgen hebben voor het onderhavige besluit. Met de inwerkingtreding van bovengenoemd wetsvoorstel wordt dit besluit immers ook van toepassing voor genoemde sector. In verband met het eigen karakter van de mijnbouwsector zullen in dit besluit te zijner tijd specifieke bepalingen voor deze sector worden opgenomen. Daarbij kan het voorts noodzakelijk blijken om onderdelen daarvan geheel of gedeeltelijk niet van toepassing te verklaren. Voornoemde wetswijziging voorziet in deze mogelijkheid. Het ligt in het voornemen het Staatstoezicht op de mijnen te belasten met het toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop gebaseerde regelgeving.

Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat ook het toepassingsgebied van de Wet op de gevaarlijke werktuigen wordt uitgebreid tot de mijnbouwsector.

§ 10.4 Harmonisatie en schoning EG-richtlijnen

Bij de totstandkoming van het Arbeidsomstandighedenbesluit is gebleken dat met name de EG-richtlijnen op het gebied van het werken met gevaarlijke stoffen gedetailleerd, complex en deels verouderd zijn. Aangezien Nederland in ieder geval verplicht is om de betreffende EG-richtlijnen in de Nederlandse regelgeving uit te voeren, zijn die EG-richtlijnen in hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit verwerkt. Nederland heeft, zoals ook aangegeven in de Sociale Nota 1995, reeds initiatieven ontwikkeld bij de Europese Commissie om tot harmonisatie en opschoning van met name de Europese regelgeving op het terrein van gevaarlijke stoffen te komen.

Dergelijke initiatieven zijn inmiddels ook ontplooid op Europees niveau door het door de Europese Commissie ingestelde Comité van onafhankelijke deskundigen voor wettelijke en administratieve vereenvoudiging, ook wel Molitor Comité genoemd. Dit Comité had als opdracht om te onderzoeken op welke wijze Europese regelgeving de groei van de werkgelegenheid en de verbetering van het concurrentievermogen van bedrijven in de Europese Unie bemoeilijkt. In haar op 22 juni 1995 uitgebrachte rapport constateert het Molitor Comité dat op diverse terreinen sprake is van overregulering en cumulatie van nationale en communautaire regelgeving. De administratieve lastendruk die daarvan het gevolg is heeft een negatief effect op de werkgelegenheid en het concurrentievermogen. Het Comité deed achttien algemene aanbevelingen ter verbetering van de kwaliteit van communautaire regelgeving, met een sterk accent op vereenvoudiging en deregulering. Daarnaast deed het Comité circa 100 aanbevelingen op een aantal specifieke terreinen, te weten de machinerichtlijn, levensmiddelenhygiëne, sociaal beleid waaronder arbeidsomstandigheden, milieuwetgeving, biotechnologie, overheidsopdrachten, bouwproducten en oorsprongregels.

De reactie van de Europese Commissie op het Molitor rapport is enigszins terughoudend; in haar commentaar van 12 december 1995 (Doc. 12 579/95) heeft zij de algemene voorstellen uit het rapport Molitor ondersteund, maar tegelijk geconstateerd dat deze overeenkomen met haar eigen beleid. Het oordeel van de Nederlandse regering over het rapport, dat aansluit bij het in paragraaf 9.2.3 van dit deel van de nota van toelichting genoemde project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit, is over het algemeen positief (kamerstukken II, 21501–01, nr. 78). Het Molitor-rapport zal eerst in de diverse Europese Raden worden besproken. Daarna is het in eerste instantie aan de Europese Commissie om te bepalen in hoeverre er concrete invulling aan de voorstellen wordt gegeven (initiatiefrecht). Wel lijkt in toenemende mate begrip te ontstaan voor de noodzaak om de onderhavige problemen in Europees verband aan te pakken.

§ 10.5 Evaluatie van het Arbeidsomstandighedenbesluit

In het Arbeidsomstandighedenbesluit is een evaluatiebepaling opgenomen (zie artikel 9.38). Doel van deze bepaling is het besluit binnen 5 jaar na de inwerkingtreding daarvan, op doeltreffendheid en effecten voor de praktijk te beoordelen. De evaluatie zal zich in het bijzonder richten op de beoogde effecten van de totstandkoming van dit besluit (betere toegankelijkheid en flexibiliteit, zonder daarmee het niveau van de arbeidsbescherming aan te tasten).

Een verslag van deze evaluatie zal aan de Staten-Generaal worden gezonden.

§ 11 De Arbeidsomstandighedenregeling

Als gevolg van de vervanging van alle, op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde bestaande besluiten door het Arbeidsomstandighedenbesluit, zijn ook de op deze bestaande besluiten gebaseerde ministeriële regelingen vervangen door één ministeriële regeling, de zogenoemde Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling heeft dezelfde indeling als het Arbeidsomstandighedenbesluit en zal op hetzelfde tijdstip in werking treden als dit besluit. De Arbeidsomstandighedenregeling zal begin 1997 worden gepubliceerd in de Staatscourant.

§ 12 Overleg, advisering en overige reacties

§ 12.1 De Sociaal-Economische Raad (Commissie Arbeidsomstandigheden)

§ 12.1.1 Het advies van de SER

Op 9 mei 1994 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER verzocht, advies uit te willen brengen over het ontwerp-Arbeidsomstandighedenbesluit en de daarbij gevoegde toelichting op hoofdlijnen. Op 9 februari 1995 heeft de SER zijn desbetreffende advies vastgesteld (nr. 95/31 I en II).

Het advies bestaat uit twee delen. Deel I bevat de standpuntbepaling van de commissie over het ontwerp-besluit in meer algemene zin. In deel II van het advies is het artikelsgewijze commentaar van de verschillende geledingen binnen de commissie over het ontwerp-besluit opgenomen.

De commissie constateert dat het ter advisering voorgelegde ontwerp-besluit niet op zichzelf staat, maar geplaatst moet worden in het kader van een aantal ontwikkelingen op het terrein van arbozorg en arboregelgeving. De commissie heeft het haar voorgelegde ontwerp-besluit mede beoordeeld tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen.

Met de minister is de commissie van oordeel dat de bestaande uitvoeringsbesluiten deels verouderd en complex zijn en dat de onderlinge afstemming gebreken vertoont. Zij meent dan ook dat er aanleiding is te komen tot een opschoning van verouderde en dubbele bepalingen. Ook stemt de commissie in met de voorgestelde bundeling van de huidige 38 uitvoeringsbesluiten in één Arbeidsomstandighedenbesluit en met de daarbij gemaakte keuze voor een onderwerpsgewijze indeling.

De voorgelegde herzieningsoperatie kan, volgens de commissie, worden gezien als een tussenstap in een proces van herziening van regelgeving op het terrein van arbeidsomstandigheden. Dit proces zal worden voltooid met de discussie over de aangekondigde heroriëntatie op en de mogelijke herziening van de Arbeidsomstandighedenwet. Delen van de commissie kennen aan deze tussenstap echter een verschillende betekenis toe.

De werknemersvertegenwoordigers constateren kort samengevat, dat de voorliggende herzieningsoperatie verder gaat dan de eerder in het vooruitzicht gestelde vereenvoudiging en opschoning van de bestaande besluiten. Een herziening, bestaande uit het samenbundelen van de huidige besluiten en van het schrappen van dubbele bepalingen en van duidelijk door de stand der techniek en de organisatie van het werk achterhaalde formuleringen, zou dit deel van de commissie nadrukkelijk hebben ondersteund. In het voorliggende ontwerp-besluit wordt echter, onder toepassing van een basisnormentoets, een verdergaande herziening voorgesteld, namelijk de schrapping van ook niet-dubbele bepalingen en de vervanging van meer of minder gedetailleerde bepalingen door globale bepalingen. Een dergelijke operatie stuit bij genoemde vertegenwoordigers op bezwaar. Volgens hen wordt daarmee in feite vooruitgelopen op de nog te voeren fundamentele discussie over de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet, in welk verband onder meer de nadere invulling van het begrip basisnorm aan de orde dient te komen. De werknemersvertegenwoordigers wijzen er daarbij onder meer op, dat eerder door de Commissie Arbeidsomstandigheden unaniem is uitgesproken, dat een fundamentele discussie over dit begrip van groot belang is met het oog op de consequenties voor toekomstige wet- en regelgeving.

Een inhoudelijke heroverweging van de arbeidsomstandighedenbesluiten vereist naar het oordeel van de werknemersvertegenwoordigers ook een zorgvuldige plaats- en functiebepaling van het Arbeidsomstandighedenbesluit binnen de context van het arbozorgstelsel als geheel, in welk verband een aantal met name genoemde onderwerpen aan de orde moet komen. Vooruitlopend op de genoemde nog te voeren discussie, wijst dit deel van de commissie al wel op het belang van nadere uitwerking van globale normen in beleidsregels; deze zijn immers een uitstekend instrument om in aanvulling op globale normen een concreet toepasbaar interpretatiekader te bieden, dat overigens ruimte laat voor alternatieve oplossingen mits deze aantoonbaar een ten minste gelijkwaardig beschermingsniveau bieden.

De werknemersvertegenwoordigers constateren voorts, dat als gevolg van de door de minister gevolgde procedure en de daarbij gemaakte keuzen alsmede door de bestaande onduidelijkheid over de toekomstige functie van beleidsregels, het bestaande niveau van bescherming in het geding is. In dit verband wijst dit deel op het feit dat in het voorgelegde ontwerp-Arbeidsomstandighedenbesluit een aantal concrete bepalingen is vervallen respectievelijk is vervangen door meer globale formuleringen.

Concluderend komen de werknemersvertegenwoordigers tot het oordeel, dat een herziening van de arbeidsomstandighedenbesluiten thans zich dient te beperken tot het bundelen en opschonen van de bestaande besluiten, in de zin van het schrappen van dubbele bepalingen en duidelijk door de stand der techniek achterhaalde formuleringen. Dit betreffen de puur technische aspecten van het project. Actuele bepalingen die niet aan deze voor schrapping gestelde kwalificaties voldoen, dienen naar het oordeel van genoemd deel van de commissie (vooralsnog) gehandhaafd te blijven. Hiermee wordt gedoeld op de meer inhoudelijke aspecten van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De werkgeversvertegenwoordigers in de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER komen tot een overwegend positief oordeel over het voorgelegde ontwerp-besluit. Dit oordeel is mede ingegeven door de (andere) visie die de werkgeversvertegenwoordigers hebben op het belang van een fundamentele discussie over het begrip basisnorm en op de feitelijke consequenties van het ontwerp-besluit voor het beschermingsniveau van werknemers. Afgezien van het feit dat, volgens deze vertegenwoordigers, met het ontwerp-besluit geen voorschot wordt genomen op de discussie over basisnormen, achten zij een abstracte discussie over het begrip basisnorm weinig zinvol. Voorts is dit deel van de commissie van oordeel dat het ontwerp-besluit in totaliteit geen fundamentele wijzigingen bevat en daardoor ook niet leidt tot een wezenlijke aantasting van het beschermingsniveau van werknemers.

De werkgevers constateren daarentegen dat het ontwerp-besluit vaak verder gaat dan hetgeen wordt voorgeschreven op grond van Europese- en IAO-regelgeving, die op zich al meer dan bescherming op minimumniveau bieden. Op enkele onderdelen is zelfs sprake van «nieuw» nationaal beleid. Er is volgens deze vertegenwoordigers derhalve geen sprake van terugdringing van bestaande regelgeving tot een (lager) basisniveau. Aldus bezien houdt de voorgestelde dereguleringsoperatie niet meer in dan een op moderne leest geschoeide omzetting van de bestaande arbeidsomstandighedenbesluiten in één geïntegreerd Arbeidsomstandighedenbesluit.

In het geschetste kader kunnen de werkgeversvertegenwoordigers in de Commissie Arbeidsomstandigheden de voorgestelde schrapping van een aantal thans geldende kwantitatieve normen onderschrijven. Deze schrapping, noch het laten vervallen van een aantal besluiten leidt volgens dit deel van de commissie tot een aantasting van het beschermingsniveau van werknemers. Dit deel meent veeleer dat alleen al de voorgestane doorzichtiger aanpak zal leiden tot een verhoging van het beschermingsniveau.

De werkgeversvertegenwoordigers wijzen er voorts op, dat door het ineenschuiven van de regelingen die voorheen voor specifieke sectoren golden, deze regelingen thans algemene gelding krijgen. In een aantal gevallen zijn de oorspronkelijk voor die specifieke sectoren geschreven bepalingen voor andere sectoren echter niet praktisch uitvoerbaar.

Hoewel het oordeel over het ontwerp-besluit in overwegende mate positief is, menen de werkgeversvertegenwoordigers dat de voorstellen, bezien vanuit de doelstelling van vereenvoudiging van regelgeving, op een aantal punten niet ver genoeg gaan. Ten slotte wijzen deze vertegenwoordigers op een aantal overlappingen en inconsequenties in het voorgelegde ontwerp-besluit.

De in deel II van het advies opgenomen specifieke commentaren van geledingen binnen de Commissie Arbeidsomstandigheden zijn niet inhoudelijk in commissie-verband besproken. Dit is enerzijds het gevolg van de spoed die bij de advisering diende te worden betracht; anderzijds is dit ingegeven door het feit dat aan de commentaren, zoals in deel I van het advies naar voren komt, verschillende visies op het ontwerp-besluit ten grondslag liggen. Over dit deel van het advies hebben de onafhankelijke leden van de commissie zich overigens niet uitgesproken.

§ 12.1.2 Reactie op het advies van de SER

Het kabinet is verheugd dat de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER er unaniem van overtuigd is dat de op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde besluiten deels verouderd en complex zijn en dat de onderlinge afstemming tussen die besluiten gebreken vertoont. Met het kabinet is de commissie van mening dat er voldoende aanleiding is om tot een opschoning van verouderde en dubbele bepalingen te komen. Met de daarbij gekozen opzet, één gebundeld besluit met een onderwerpsgewijze aanpak, stemmen de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers alsmede de onafhankelijke leden, zonder meer in.

Voor de beoordeling van het niet-unanieme deel van het SER-advies is het van belang onderscheid te maken tussen de puur technische aspecten van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de inhoudelijke en tot verdeeldheid in de SER leidende aspecten daarvan.

Met de technische aspecten van het Arbeidsomstandighedenbesluit, het schrappen van dubbele bepalingen en het laten vervallen van bepalingen waarvan de maatschappelijke relevante ontbreekt, stemt de SER in. Anders ligt dit bij enige inhoudelijke aspecten van het besluit. Deze aspecten hangen samen met de actualiseringsdoelstelling van dit besluit. In het kader van die doelstelling zijn niet alleen al die voorschriften komen te vervallen waarvan als vaststaand mag worden aangenomen dat iedere maatschappelijke relevantie ontbreekt, maar is er tevens naar gestreefd om de in het Arbeidsomstandighedenbesluit vervatte voorschriften beter te doen aansluiten bij de huidige opvattingen omtrent de rol van de overheid op arbeidsomstandighedenterrein, te weten de vaststelling en handhaving van basisnormen. Basisnormen zijn, zoals al eerder is aangegeven, die normen die een basisniveau van bescherming bieden tegen de belangrijkste arbeidsomstandighedenrisico's en normen die voortvloeien uit internationale verplichtingen.

Wat betreft de inhoudelijke aspecten van het besluit gaat het om de volgende punten:

– de verhouding internationale en nationale voorschriften, en

– de vervallen verplichtingen en de op een andere, meer moderne wijze geregelde onderwerpen.

Van de voorschriften van het voorgestelde Arbeidsomstandighedenbesluit vloeit circa 90% rechtstreeks voort uit internationale verplichtingen (EG/IAO). De overige 10% van het Arbeidsomstandighedenbesluit is bestaand nationaal beleid, waarin – overigens niet alleen door Nederland, maar ook door andere ons omliggende EG-lid-staten – extra arbeidsbescherming wordt geboden zonder dat daartoe internationale verplichtingen bestaan. De mogelijkheid om een hoger beschermingsniveau te kiezen is ook uitdrukkelijk in een aantal EG-richtlijnen opgenomen. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn het asbestverbod, de regels ter bescherming van werknemers tegen schadelijk geluid en de regelgeving inzake arbodiensten, die op 1 januari 1994 is ingevoerd. Op de verhouding tussen de internationale en nationale voorschriften is reeds nader ingegaan in paragraaf 5.1 van dit deel van de nota van toelichting. In paragraaf 5.3 is ook een reactie gegeven op de opmerkingen van de vertegenwoordigers van de werkgevers in de SER ter zake.

Bij de vervallen verplichtingen en de op een andere, meer moderne wijze geregelde onderwerpen gaat het met name om drie onderwerpen, te weten:

– het laten vervallen van de eerder geldende verplichting voor de werkgever om voorzieningen aan te brengen waardoor uitzicht naar buiten wordt verschaft;

– de algemenere formulering van een aantal voorschriften in het Arbeidsomstandighedenbesluit, en

– het oorspronkelijk voornemen om het zandsteen- en het zandstraalverbod te laten vervallen.

In paragraaf 5.4 van dit deel van de toelichting is, mede naar aanleiding van opmerkingen van de vertegenwoordigers van de werknemers in de SER, nader ingegaan op de actualiseringsdoelstelling van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de daaruit voortvloeiende consequenties voor de inhoud van het besluit (de vervallen verplichtingen (paragraaf 5.4.2) en op een andere wijze geregelde onderwerpen (paragraaf 5.4.3).

In paragraaf 8 is aandacht besteed aan de op een andere, meer moderne wijze geregelde onderwerpen (globale doelvoorschriften) en de wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven via beleidsregels en voorlichting. In paragraaf 8 is tevens een reactie gegeven op de opmerkingen van de werknemersvertegenwoordigers in de SER ter zake.

Op het oorspronkelijk voornemen om in het Arbeidsomstandighedenbesluit het zandsteen- en zandstraalverbod te vervangen door het arbeidshygiënische regime voor kankerverwekkende stoffen is veel kritiek geuit van de zijde van de werknemersvertegenwoordigers in de SER. Deze kritiek werd met name ingegeven door de zorg, dat het ter vervanging van genoemde verboden voorgestelde kankerverwekkende stoffenregime op grond van afdeling 2 van hoofdstuk 4 van dit besluit, in de praktijk niet of slecht zal werken. Daarmee zou dan te veel risico worden genomen met de gezondheid van de betrokken werknemers. Hierop is ook gewezen door het parlement in het kader van de zogenoemde voorhangprocedure (zie hieromtrent paragraaf 12.2 van dit deel van de nota van toelichting).

Hoewel er in het Arbeidsomstandighedenbesluit slechts in beperkte mate sprake is van een inhoudelijke deregulering (de actualiseringsdoelstelling), heeft dit voor de vertegenwoordigers van de werknemers toch aanleiding gegeven om het voorstel te beoordelen als onderdeel van een bredere ontwikkeling waarover men kritisch gestemd is. In die kritiek zijn de vertegenwoordigers van de werknemers gesteund door de onafhankelijke leden van de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER. Zij willen eerst over de bredere context van het arbeidsomstandighedenbeleid spreken. De aangekondigde adviesaanvraag aan de SER over de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet biedt daartoe de gelegenheid.

Over de relatie tussen de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet en de totstandkoming van het Arbeidsomstandighedenbesluit kan het volgende worden opgemerkt.

De heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet is een veel langduriger project dan het nu tot stand gekomen Arbeidsomstandighedenbesluit. De totstandkoming van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft een nuttige bijdrage geleverd aan de discussie over de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet. Met de voorheen bestaande, moeilijk toegankelijke uitvoeringsbesluiten als basis was het immers niet goed mogelijk om tot meer structurele veranderingen in de arbeidsomstandighedenwetgeving te komen; daarvoor was een deugdelijk vertrekpunt met betrekking tot de materiële inhoud van de arbeidsomstandighedenregelgeving noodzakelijk (het thans tot stand gekomen Arbeidsomstandighedenbesluit). Daarbij is natuurlijk niet uit te sluiten dat dit besluit na de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet op onderdelen wederom bijstelling behoeft, maar uitgaande van de geldende internationale regelgeving, kan dit slechts op onderdelen het geval zijn. In die zin doet de heroriëntatie van de Arbeidsomstandighedenwet nauwelijks iets toe of af aan dit besluit omdat dit besluit, zoals gezegd, voor circa 90% voortvloeit uit internationale verplichtingen.

Ten slotte is de opschoning, herstructurering en actualisering van de nu nog bestaande uitvoeringsbesluiten met het oog op de toegankelijkheid en daarmee de naleefbaarheid zodanig urgent geacht, dat dit besluit geen verder uitstel gedoogde.

Met betrekking tot deel II van het advies van de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER kan nog het volgende worden opgemerkt. Een groot aantal van de daarin gemaakte opmerkingen en wijzigingsvoorstellen door de afzonderlijke geledingen binnen de commissie is verwerkt in het besluit en de nota van toelichting. In de artikelsgewijze toelichting is telkens per hoofdstuk van het Arbeidsomstandighedenbesluit aangegeven, op welke wijze de aanbevelingen van de vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemers in de SER zijn verwerkt.

§ 12.2 De voorhangprocedure van het Arbeidsomstandighedenbesluit bij de Staten-Generaal

Mede op grond van artikel 20, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is op 19 oktober 1995 het ontwerp-Arbeidsomstandighedenbesluit met een hoofdlijnennota aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd (kamerstukken II 1995/96, 24 462, nr. 1). De Tweede Kamer kon zich, blijkens de behandeling van het ontwerp-besluit in de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 16 november 1995, op hoofdlijnen met de inhoud van het ontwerp-besluit verenigen en onderkende de daarmee beoogde verbeteringen ten aanzien van toegankelijkheid, doorzichtigheid en handhaafbaarheid. Wel werden door leden van de vaste commissie vragen gesteld betreffende de voorgenomen opheffing van het zandsteen- en zandstraalverbod, het laten vervallen van uitzichtnormering en de afstemming van de nationale voorschriften over de arbeidsveiligheidsrapportage en de internationale voorschriften ter zake (kamerstukken II 1995/96, 24 462, nr. 6).

Naar aanleiding van genoemd overleg is de verplichting tot het opstellen van een arbeidsveiligheidsrapport voor de vervoerssector tot 1 januari 2002 opgeschort (zie artikel 9.35). Voorts is de toelichting op artikel 7.5, derde lid, betreffende het goed bijhouden van een onderhoudsboek verduidelijkt. Ten slotte is een misverstand over een bepaling betreffende «douches in vrachtauto's» in dit besluit weggenomen.

Tijdens voornoemd overleg is voorts het geluidniveau in discotheken aan de orde gesteld. Hieromtrent kan het volgende worden opgemerkt. Voor discotheken gelden dezelfde voorschriften op het terrein van geluid als voor andere sectoren. De geluidregelgeving bevat een redelijkerwijs-clausule. Dit betekent dat aanpassing van het geluidniveau in discotheken, gelet op de aard van dergelijke gelegenheden, in redelijkheid niet kan worden gevergd. Wel moeten door de werknemers (disk-jockey's en bedienend personeel) persoonlijke beschermingsmiddelen worden gedragen. Van deze verplichting is op grond van EG-normering geen vrijstelling of ontheffing mogelijk. De tegenwoordige gehoorbeschermingsmiddelen kunnen echter worden gedragen zonder dat deze zichtbaar in het oor aanwezig zijn. Voorts bieden ze een dusdanige demping van het geluidniveau, dat voor de bediening noodzakelijke communicatie zelfs beter mogelijk is. Het niet dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen boven een geluidniveau van 90 dB(A) is een ernstige overtreding waarvoor het werk kan worden stilgelegd (geluidniveau's boven 90 dB(A) veroorzaken namelijk aantoonbare schade aan de gehoororganen). Via gerichte voorlichting aan de horecabranche wordt thans meer aandacht voor de geluidproblematiek in discotheken gevraagd.

Op 30 november 1995 is het ontwerp-besluit opnieuw aan de orde gesteld in een plenaire zitting van de Tweede Kamer. Daarbij bleken nog slechts op twee punten bezwaren te bestaan, te weten het voornemen tot opheffing van het zandsteen- en zandstraalverbod en het laten vervallen van uitzichtnormering in het Arbeidsomstandighedenbesluit (Handelingen II 1995/96, blz. 2601–2605).

Wat betreft het zandsteen- en zandstraalverbod is het van belang op te merken, dat in het ontwerp-besluit zoals dat aan het parlement was voorgelegd, was voorgesteld om het tot dan toe geldende zandsteen- en zandstraalverbod op grond van het Zandsteen- respectievelijk Zandstraalbesluit, te vervangen door het in afdeling 2 van hoofdstuk 4 van dit besluit opgenomen arbeidshygiënische regime voor kankerverwekkende stoffen.

Het Zandsteenbesluit bevatte een absoluut verbod op het bewerken, verwerken of voorhanden hebben van zandsteen. Het Zandstraalbesluit regelde een verbod op het stralen met een stof die aan kwarts of een andere vorm van vrij kristallijn siliciumdioxyde, meer dan 1% bevat. De gezondheidsrisico's bij het werken met zandsteen en bij zandstralen zijn relatief ernstig, te weten de longziekte silicose en kanker. Het ter vervanging van genoemde verboden aanvankelijk voorgestelde, ook voor andere kankerverwekkende stoffen geldende, arbeidsbeschermend regime voorziet in de verplichting om vervangende minder schadelijke of onschadelijke materialen c.q. stoffen of procédés toe te passen. Dit regime biedt eenzelfde niveau van arbeidsbescherming als de genoemde verboden en vormt uit een oogpunt van wetgeving een logischer benadering van de onderhavige kwartsproblematiek.

Over de voorgestelde opheffing van het zandsteen- en zandstraalbesluit alsmede over het laten vervallen van de verplichting om voor uitzicht te zorgen, zijn door de leden van de PvdA en D'66 een tweetal moties ingediend, waarin verzocht is de desbetreffende wettelijke regelingen te handhaven (kamerstukken II 1995/96, 24 462 nrs. 2 en 3). Voorts is door de VVD nog een motie ingediend met betrekking tot de terugdringing van de administratieve lastendruk bij de arbeidsveiligheidsrapportage (kamerstukken II 1995/96, 24 462, nr. 4). Deze motie, die het beleid van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondersteunt, is op 5 december 1995 door de Tweede Kamer aangenomen. Op 21 augustus 1996 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer hieromtrent nader bericht (kamerstukken II 1995/96, 24 036 nr. 27 en 24 462).

De motie over het wederom opnemen van het zandsteen- en zandstraalverbod is op 5 december 1995 door de Tweede Kamer aanvaard. Op 8 december 1995 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, onder uiteenzetting van voornoemde argumenten, de Tweede Kamer medegedeeld, aan deze motie geen uitvoering te zullen geven (kamerstukken II 1995/96, 24 462, nr. 5). Naar aanleiding van deze brief heeft op 17 januari 1996 opnieuw een algemeen overleg plaatsgevonden met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (kamerstukken II 1995/96, 24 462, nr. 7). Tijdens dit overleg stond niet het doel: optimale bescherming bij het werken met kwartshoudende materialen, ter discussie maar de weg waarlangs dit doel het beste kan worden bereikt. Niettegenstaande de door de Staatssecretaris aangevoerde argumenten bleef de kamer ook tijdens dit overleg van mening, dat het voorgestelde nieuwe regime voor het werken met zandsteen en zandstralen onvoldoende garanties zou bieden voor een zelfde mate van arbeidsbescherming als de meergenoemde verboden en bleef zij bij haar standpunt dat het zandsteen- en zandstraalverbod in stand moet blijven. Bovendien vond de kamermeerderheid handhaving van de huidige verboden inzichtelijker en maatschappelijk gezien een meer helder signaal dan het niet toelaten van zandstralen en zandsteenbewerking op basis van het algemene arbeidshygiënische regime voor kankerverwekkende stoffen. Bij brief van 18 maart 1996 (kamerstukken II 1995/96, 24 462, nr. 9) heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Voorzitter van de Tweede kamer der Staten-Generaal laten weten bereid te zijn, de onderhavige verboden alsnog in het ontwerp-besluit op te nemen, echter op een zodanige wijze, dat de huidige administratieve lasten als gevolg van het verlenen van ontheffingen voor het werken met zandsteen, worden weggenomen, door in de betreffende verbodsartikelen een uitzondering op te nemen voor dié werkzaamheden waarvoor nu standaard een ontheffing wordt verleend.

Het zandsteen- en zandstraalverbod is thans opgenomen in afdeling 6 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en aldaar ook toegelicht.

De op 30 november 1995 eveneens ingediende motie over uitzichtnormering, is door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met instemming van de Tweede Kamer, zo geïnterpreteerd dat hij ten behoeve van een mogelijke regeling in het Bouwbesluit, daartoe in overleg zal treden met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. In afwachting van de uitkomst van dit overleg is deze motie aangehouden.

Bij brief van 3 april 1996 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal meegedeeld, dat laatstgenoemde zijn mening over de uitzichtproblematiek deelt (kamerstukken II, 1995/96, 24 462, nr. 9).

Volgens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer behoeft namelijk niet elk doel, hoe goed dan ook, met een strafrechtelijk gesanctioneerd voorschrift te worden afgedwongen. Het hebben van uitzicht is naar zijn mening zo'n doel dat niet met regelgeving behoeft te worden afgedwongen. Daarbij gaat het volgens hem niet alleen om uitzicht in de arbeidssituatie, maar om uitzicht in het algemeen. Ook in de bouwregelgeving, zo meldt deze staatssecretaris, is ervoor gekozen het zogenoemde uitzicht-criterium en daaraan gekoppelde eisen te laten vervallen. Aan deze keuze liggen, naast de noties met betrekking tot marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit, de navolgende, door hem genoemde overwegingen ten grondslag.

Uit onderzoek is niet gebleken, dat het niet hebben van uitzicht schadelijk is voor de gezondheid. Daarnaast leidt realisatie van daglichttoetreding in de regel ook tot het naar buiten kunnen kijken. Voorts leidt een eis tot uitzicht tot onnodige beperkingen voor het architectonisch ontwerp zoals bijvoorbeeld voor atrium-gebouwen, en mogelijkheden voor ondergronds bouwen. Bovendien is Nederland niet gehouden ter implementatie van enige EG-richtlijn, uitzichtnormen vast te stellen. Ten slotte, zo stelt deze staatssecretaris, kan het realiseren van uitzicht in veel gevallen aan de markt zélf worden overgelaten. Gelet op de huidige wijze van bouwen en huisvesten, waarbij ondernemingsraden van te huisvesten organisaties veelal een belangrijke inbreng hebben, bestaat er zijns inziens geen aanleiding te veronderstellen, dat de markt gebouwen zal neerzetten waarin geen daglicht kan toetreden noch uitzicht bestaat. De markt zal immers gebouwen willen realiseren die verhuurbaar respectievelijk verkoopbaar zijn, en mitsdien om die reden rekening houden met de wensen van de gebruikers daarvan.

Alles overziende, blijft voornoemde staatssecrearis dan ook van mening dat er geen (zwaarwegende) argumenten zijn om uitzichtnormering bij of krachtens het Bouwbesluit te regelen. Daarnaast deelt hij de mening van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dat uitzichtnormering evenmin in het kader van de arbeidsomstandighedenregelgeving moet plaatsvinden. Om te voorkomen dat de eigenaar van een gebouw achteraf, na het ingebruiknemen daarvan, alsnog wordt geconfronteerd met verlangde bouwkundige aanpassingen, is het ongewenst dat de regels omtrent bouwkundige voorzieningen in Bouwbesluit respectievelijk Arbeidsomstandighedenbesluit uiteen gaan lopen. Hiertoe zijn in de artikelen 2 en 5 van de Woningwet ook voorzieningen opgenomen.

Naar aanleiding van deze brief heeft op 29 mei 1996 opnieuw een algemeen overleg met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid plaatsgevonden, waarbij tevens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aanwezig was (kamerstukken II 1995/96, 24 462, nr. 12). Zowel van de zijde van de kamer als van de zijde van het kabinet werden tijdens dit overleg de verschillende standpunten over dit onderwerp nog eens uiteengezet. De leden van de PvdA en D66 bleven daarbij van mening dat uitzicht moet worden geregeld. De leden van CDA en VVD gaven daarentegen aan, een wettelijke regeling ter zake, welke bovendien de ontwikkelingen op architectonisch gebied in de weg staat, overbodig te achten.

Vervolgens is op 27 juni 1996 wederom plenair over daglicht- en uitzicht in de Tweede Kamer gesproken (Handelingen II, 1995/96, blz. 6611–6614 en 6698). Daarbij werd allereerst de motie op stuknummer 24 462, nr 3 ingetrokken. Daarvoor in de plaats werden twee nieuwe moties ingediend. De motie op stuknummer 24 462, nr. 10 verzoekt de regering de uitzichtbepaling in het Arbeidsomstandighedenbesluit te moderniseren, in die zin, dat uitzicht moet worden geboden op de omgeving buiten het gebouw of op een overkapte binnenruimte van het gebouw, dat gedeeltelijk door glas is omsloten en tenminste twee verdiepingen hoog is. De motie op stuknummer 24 462, nr. 11 vraagt de regering een representatief onderzoek in te stellen naar oplossingsrichtingen en problemen die zich in praktijksituaties voordoen en naar de rol die ondernemingsraden daarbij spelen. Verder vraagt deze motie de regering de Tweede Kamer van bovenstaand onderzoek, met een evaluatie, op de hoogte te stellen. Nog dezelfde dag heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Tweede Kamer bericht laatste genoemde motie te zullen laten uitvoeren (kamerstukken II, 1995/96, 24 462, nr. 13). Beide moties zijn op 27 juni 1996 door de kamer aanvaard.

Op 26 september 1996 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer bericht zich nader te willen beraden op de uitvoering van de motie op stuknummer 24 462, nr. 10. Een beslissing omtrent de uitvoering van genoemde motie wil voornoemde Staatssecretaris pas nemen op het moment waarop de resultaten van het door de Tweede Kamer gevraagde onderzoek bekend zijn en met de kamer zijn besproken. Bij het gevraagde onderzoek zullen, zo berichtte voornoemde Staatsecretaris aan de kamer, zowel werkgevers als werknemers als ook ondernemingsraden worden betrokken. De resultaten van dat onderzoek zullen voor de kamer op een zodanig tijdstip beschikbaar zijn dat deze nog voor het zomerreces van 1997 kunnen worden besproken. Deze brief is tijdens de procedurevergadering van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 15 oktober 1996 voor kennisgeving aangenomen. Vooralsnog is derhalve, in afwachting van een op basis van de resultaten van het hiervoor genoemde onderzoek met de kamer nog te voeren open discussie over mogelijke aanpassingen van de regelgeving inzake daglicht en uitzicht, medio 1997, geen bepaling over uitzichtnormering in dit besluit opgenomen.

§ 12.3 Reacties op het Arbeidsomstandighedenbesluit naar aanleiding van de voorpublicatie in de Staatscourant

Op grond van artikel 20, tweede lid, en 24, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is de ontwerp-tekst van het voorliggende besluit voorgepubliceerd in de Staatscourant van 3 november 1995, nummer 214. Naar aanleiding hiervan zijn reacties binnengekomen van de NVB Federatie Nederlandse Vereniging Bedrijfshulpverlening, Bodebouw adviesbureau, de Vereniging van Energie-distributiebedrijven in Nederland en het Nederlands Olympisch Comité * de Nederlandse Sport Federatie.

De NVB Federatie Nederlandse Vereniging Bedrijfshulpverlening heeft met name bezwaar tegen het leggen van een verband tussen de risico-inventarisatie en -evaluatie en de bedrijfshulpverlening en tegen de rol die arbodiensten in dit kader vervullen.

Naar aanleiding hiervan zij opgemerkt, dat in de systematiek van het Arbeidsomstandighedenbesluit, evenals in het voormalige Besluit bedrijfshulpverlening Arbeidsomstandighedenwet, een directe koppeling is gelegd tussen de risico-inventarisatie en -evaluatie en het aantal bedrijfshulpverleners en hun opleiding, welke voortvloeit uit de in artikel 4 van de Arbeidsomstandighedenwet voorgeschreven risico-inventarisatie en -evaluatie. Teneinde misverstanden hierover te voorkomen is een en ander in de nota van toelichting verduidelijkt. Betreffende de rol van de arbodiensten bij bedrijfshulpverleningsadviezen is thans in de nota van toelichting vermeld dat ook andere deskundige instellingen en personen in deze een rol kunnen vervullen.

Bodebouw adviesbureau maakt bezwaar tegen het in de nota van toelichting bij artikel 2.26 genoemde bouwsombedrag van f 750 000,– voor bouwwerken waarbij een kennisgeving aan de Arbeidsinspectie moet worden gedaan en een veiligheids- en gezondheidsplan moet worden opgesteld.

Het bouwsombedrag beoogt echter niet meer dan een indicatie te geven van de in de vorm van mandagen geformuleerde omvang van een bouwproject. Het bedrag vormt in die zin dan ook geen absolute grens voor het al dan niet voldoen aan genoemde verplichtingen. Deze indicatie is overigens in overeenstemming met het rapport «het Bouwprocesbesluit en de woningbouw» van het Economisch Instituut voor de bouwnijverheid van 11 januari 1994. Genoemde indicatieve norm was ook reeds opgenomen in het Bouwprocesbesluit Arbeidsomstandighedenwet. Verder heeft Bodebouw adviesbureau gepleit voor een verduidelijking in de nota van toelichting van de risico-inventarisatie en -evaluatie als onderdeel van het veiligheids- en gezondheidsplan. Na de uitvoerige passages hierover in paragraaf 7.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting en de toelichting op artikel 2.27 betreffende het veiligheids- en gezondheidsplan wordt dit niet nodig geacht. Het zijn immers de feitelijke werkzaamheden en omstandigheden in een bedrijf, in casu de bouwlocatie, die bepalen hoe de risico-inventarisatie en -evaluatie eruit komt te zien.

De Vereniging Energiebedrijven Nederland is van mening dat de bepalingen met betrekking tot de elektrische veiligheid op arbeidsplaatsen een goede en normale uitoefening van bedrijfsactiviteiten door energiedistributiebedrijven belemmeren. Deze mening wordt niet gedeeld. De in dit besluit gehanteerde elektrotechnische begrippen zijn afkomstig uit bestaande normalisatienormen, waarmee nu reeds wordt gewerkt. De belangrijkste normalisatienormen worden met de inwerkingtreding van dit besluit ook in beleidsregels vastgelegd. Naar aanleiding van opmerkingen van genoemde vereniging is artikel 3.5, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit alsmede de toelichting daarop nog enigszins aangepast. Het werken onder (hoog)spanning ten slotte blijft in principe verboden. Wel is het mogelijk van deze bepaling vrijstelling of ontheffing te verlenen.

Het Nederlands Olympisch Comité * de Nederlandse Sport Federatie heeft verzocht om een vrijstelling voor sportverenigingen ten behoeve van de verplichte aansluiting bij een zogenoemde arbodienst. De verplichte aansluiting bij een arbodienst is geregeld in artikel 18, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet en geldt reeds vanaf 1 januari 1994. Het verzoek staat dan ook los van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Niettemin is door vele «kleine» werkgevers in een ander verband aandacht gevraagd voor de verplichte aansluiting bij arbodiensten. Naar aanleiding hiervan is de betreffende problematiek binnen het ministerie nader onderzocht. Dit heeft inmiddels geleid tot een adviesaanvraag aan de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER. Voorgesteld is om een nader in de adviesaanvraag aangeduide categorie «kleine» werkgevers vrij te stellen van de verplichting tot het opstellen van een risico-inventarisatie en -evaluatie en van de verplichte ondersteuning daarvan door een arbodienst.

Het Nederlands Olympisch Comité * de Nederlandse Sport Federatie is van deze adviesaanvraag op de hoogte gesteld.

§ 12.4 Het advies van de Raad van State

Het advies van de Raad van State is behandeld in het nader rapport, dat gelijktijdig met dit besluit en het advies van de Raad van State openbaar is gemaakt.

§ 13 Uitvoerings- en handhavingsaspecten en financiële lasten

In paragraaf 2.4 van dit deel van de nota van toelichting is ten aanzien van de op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde en thans ingetrokken regelgeving geconcludeerd dat deze regelgeving slecht toegankelijk was. Ook de onderlinge afstemming van de besluiten was gebrekkig. Voorts was de inhoud van die besluiten voor een substantieel deel verouderd en te gedetailleerd. Met het oog daarop is het noodzakelijk geacht die besluiten te vervangen door één nieuw, voor het bedrijfsleven en de toezichthoudende instanties, goed toegankelijk en geactualiseerd Arbeidsomstandighedenbesluit. De herstructurering, opschoning en actualisering van de bestaande regelgeving heeft tevens geleid tot een sterke vermindering van het aantal regels op het terrein van arbeidsomstandigheden. Het voorliggende besluit bevat ongeveer 400 artikelen. Deze artikelen vloeien voor het overgrote deel voort uit door de Europese Gemeenschap (thans Europese Unie) respectievelijk de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) vastgestelde EG-richtlijnen respectievelijk verdragen. Dit besluit zal niet alleen een forse verbetering van de wetgevingskwaliteit opleveren in termen van inzichtelijkheid en uitvoerbaarheid, maar zal door de aard van de normering (minder gedetailleerd) ook meer flexibiliteit en maatwerk voor werkgevers en werknemers opleveren.

Het besluit bevat arbeidsomstandighedenregelgeving voor alle werkgevers in Nederland. Dit betekent dat bijna 450 000 werkgevers met deze regelgeving te maken hebben. Daarnaast zijn enkele voorschriften opgenomen voor zelfstandigen. Van de in totaal circa 300 000 zelfstandigen in Nederland zal maar een zeer beperkt deel met deze regelgeving worden geconfronteerd. Dit betreft met name die zelfstandigen die werken met enige gevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld asbest) en zelfstandigen die werken in de bouw. De werkingssfeer van dit besluit wijkt niet af van de voorheen bestaande regelgeving. Ook de thans ingetrokken regelgeving heeft betrekking op alle werkgevers in Nederland en dezelfde categorie zelfstandig werkenden.

Het onderhavige besluit biedt het bedrijfsleven de mogelijkheid om flexibeler in te spelen op snel veranderende productie- en werkmethoden (meer maatwerk). Dit is mogelijk doordat in het besluit een beduidend geringer aantal, iets algemener geformuleerde voorschriften zijn opgenomen. Ook in de bestaande regels werd op onderdelen overigens al gebruik gemaakt van globale normen.

Dit besluit heeft ongetwijfeld positieve, doch moeilijk kwantificeerbare, effecten op de omvang van de financiële lasten, omdat thans alle arbeidsomstandighedenvoorschriften goed toegankelijk en geactualiseerd zijn opgenomen in één besluit. Een voorbeeld hiervan zijn de, uit het Europese recht voortvloeiende, inventarisatie- en evaluatieverplichtingen. Deze verplichtingen, die waren opgenomen in zeker 10 afzonderlijke besluiten zijn nu allemaal te vinden in dit ene besluit. In paragraaf 7.1 van dit deel van de toelichting is een compleet overzicht van alle inventarisatie- en evaluatieverplichtingen opgenomen. Hetzelfde geldt voor de overleg- en informatierechten zoals weergegeven in paragraaf 7.2 en het arbeidsgezondheidskundig onderzoek zoals opgenomen in paragraaf 7.3. De verdere financiële gevolgen voor het bedrijfsleven van dit besluit zijn beperkt, omdat de inhoud van de normering niet substantieel wijzigt. Als positief element voor het bedrijfsleven kan wel worden genoemd het niet meer in dit besluit opgenomen vereiste van uitzicht. De uitzichtnormering veroorzaakte bij strikte toepassing van die norm ten aanzien van met name bestaande gebouwen veelal ingrijpende en dure bouwkundige aanpassingen. Dat de administratieve lasten voor het bedrijfsleven nog verder kunnen worden teruggebracht blijkt het uit rapport van de MDW-werkgroep «Maatwerk in bescherming». Hieromtrent is, zoals in paragraaf 9.2.3 van het algemeen deel reeds aangegeven, op 2 april 1996 advies gevraagd aan de SER.

Het besluit heeft geen gevolgen voor de marktwerking. Alle werkgevers in Nederland zijn gehouden dezelfde arbeidsomstandighedenregels na te leven. Sociaal-economische effecten zijn van het Arbeidsomstandighedenbesluit nauwelijks te verwachten. Wel bevat het besluit meer mogelijkheden om jeugdigen, mits adequaat deskundig ondersteund, werkzaamheden te laten verrichten. Zie hieromtrent met name de toelichting bij afdeling 8 van hoofdstuk 1 van dit besluit.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft geen gevolgen voor het milieu.

Met betrekking tot de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van dit besluit kan worden opgemerkt dat het een forse verbetering van de wetgevingskwaliteit opleveren in termen van inzichtelijkheid en uitvoerbaarheid. Dit is voor alle bij de uitvoering van dit besluit betrokken partijen van groot belang (onder andere werkgevers, arbodiensten, Arbeidsinspectie en andere inspectiediensten en Openbaar Ministerie). Verwacht mag worden dat de spontane naleving van dit besluit ten opzichte van de bestaande onoverzichtelijke situatie zal worden vergroot. Dit zal mede worden veroorzaakt doordat introductie van dit besluit gepaard gaat met een gerichte voorlichtingscampagne. De toezichts- en sanctiemogelijkheden wijzigen met dit besluit op zich niet. Dit onderwerp komt aan de orde bij de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet (zie paragraaf 9.2.3 van dit deel van de nota van toelichting).

Dit besluit brengt geen wijziging in het handhavingsbeleid van de Arbeidsinspectie. De complexiteit van rechtsgedingen kan wel afnemen door het thans gecreëerde actueel en overzichtelijk stelsel van regels op het arbeidsomstandighedenterrein.

Controle op de naleving van dit besluit geschiedt primair door de Arbeidsinspectie. Daarnaast hebben op deelterreinen ook de Lucht- en Scheepvaartinspectie toezichthoudende taken. In sommige gevallen, namelijk bij bepaalde globaal geformuleerde normen, is de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid (bewijspositie) mede afhankelijk van het al of niet aanwezig zijn van beleidsregels (zie hiervoor paragraaf 8.). Tot slot kan nog worden opgemerkt dat de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het Arbeidsomstandighedenbesluit zal worden geëvalueerd (zie artikel 9.38).

Deel II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Definities en werkingssfeer

§ 1.1 De indeling van hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1 van dit besluit bevat tien afdelingen die inhoudelijk gezien in vier hoofdcategorieën zijn te onderscheiden:

a. definities (afdeling 1);

b. bepalingen over samenwerking, overleg, ontslag- en benadelingsbescherming en nadere regels (afdeling 2);

c. bepalingen ten aanzien van de bijzondere sectoren van de arbeid, bedoeld in artikel 2 van de Arbeidsomstandighedenwet (afdelingen 3 tot en met 7), en

d. bepalingen ten aanzien van bijzondere categorieën werknemers (afdelingen 8 tot en met 10).

Ad a. Afdeling 1 van dit hoofdstuk bevat een aantal definities die voor het gehele Arbeidsomstandighedenbesluit gelden. Bedoelde definities zijn nagenoeg allemaal afkomstig uit de voormalige op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde besluiten.

In afdeling 1 zijn naast algemene definities ook definities opgenomen voor bijzondere categorieën werknemers, te weten jeugdigen, zwangeren en thuiswerkers.

Wat onder een jeugdige werknemer moet worden verstaan is reeds in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet zelf geregeld, namelijk een werknemer jonger dan 18 jaar.

De definities van de begrippen zwangere werknemer en werknemer tijdens de lactatie zijn afkomstig uit het voormalige Besluit zwangere werkneemsters.

De definities van de begrippen thuiswerkgever, thuiswerker en thuiswerk zijn nieuw. In het voormalige Besluit thuiswerk werd nog het begrip werkgever gehanteerd. Om het onderscheid werkgever versus thuiswerkgever beter tot z'n recht te doen komen, is in dit besluit gekozen voor een afzonderlijke definitie van het begrip thuiswerkgever en daarmee ook voor afzonderlijke definities van de begrippen thuiswerker en thuiswerk.

Verder bevat deze afdeling definities met betrekking tot de bijzondere sectoren onderwijs, justitiële inrichtingen en defensie als bedoeld in artikel 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Ad b. In afdeling 2 van dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de samenwerking, het overleg, de ontslag- en benadelingsbescherming ten aanzien van de bijzondere sectoren onderwijs en defensie en de ontslagbescherming ten aanzien van de sectoren burgerlijke openbare dienst en justitiële inrichtingen.

Definities met betrekking tot samenwerking en overleg op grond van de Arbeidsomstandighedenwet waren tot op heden vervat in het Arbeidsomstandighedenbesluit onderwijs, het Arbeidsomstandighedenbesluit burgerlijke openbare dienst, het Arbeidsomstandighedenbesluit Justitiële Rijksinrichtingen en het Arbeidsomstandighedenbesluit defensie. In verband met het onderbrengen van de medezeggenschap van het overheidspersoneel in de (gewijzigde) Wet op de ondernemingsraden1, hebben deze definities, welke zijn opgenomen in artikel 1.6 van dit besluit, thans alleen betrekking op de sectoren onderwijs en defensie. Genoemde sectoren zijn op grond van de artikelen 53 en 53a van de Wet op de ondernemingsraden namelijk uitgezonderd van deze wet. Hetzelfde geldt voor de van die wet afwijkende medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 1.7, en de eveneens daarvan afwijkende regeling inzake de benadelingsbescherming, opgenomen in artikel 1.9 van dit besluit.

De in artikel 1.8 van dit besluit vervatte, eveneens van de Wet op de ondernemingsraden afwijkende ontslagbeschermingsregeling, geldt daarentegen voor alle genoemde (overheids)sectoren. Op grond van genoemde wet zal de ontslagbescherming van ambtenaren tijdens of wegens hun betrokkenheid bij een ondernemingsraad, overeenkomstig het in de publieke sector gebruikelijke systeem geregeld moeten worden. Voor een nadere toelichting op voornoemde artikelen wordt verwezen naar de betreffende paragrafen van deze toelichting.

Om invoering van de Wet op de ondernemingsraden bij de overheid zo soepel mogelijk te laten verlopen hoeft pas twee jaar na inwerkingtreding van deze wet, dat wil zeggen uiterlijk 5 mei 1997, aan de verplichting om een ondernemingsraad in te stellen te zijn voldaan. Uiteraard mag instelling eerder plaatsvinden. Pas met de instelling van de ondernemingsraad vervallen de op basis van de medezeggenschapsregelingen en -reglementen bij de overheid ingestelde dienst- en medezeggenschapscommissies. Tot dat moment blijven bedoelde regelingen bestaan. Een daartoe strekkende overgangsregeling in het kader van de onderhavige regelgeving is opgenomen in artikel 9.37 van dit besluit. De betreffende regeling komt overeen met die, welke in de voormalige sectorbesluiten ten aanzien van de burgerlijke openbare dienst respectievelijk justitiële inrichtingen met betrekking tot samenwerking en overleg waren opgenomen. Voor een toelichting op deze regeling wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Ad c. De afdelingen 3 tot en met 7 bevatten (nagenoeg) alle bepalingen uit het Arbeidsomstandighedenbesluit onderwijs, het Arbeidsomstandighedenbesluit burgerlijke openbare dienst, de Arbeidsomstandighedenregeling vervoermiddelen, het Arbeidsomstandighedenbesluit Justitiële Rijksinrichtingen en het Arbeidsomstandighedenbesluit defensie. Het betreft hier bepalingen in verband met de bijzondere positie van de desbetreffende sectoren.

Ad d. De afdelingen 8 tot en met 10 van dit hoofdstuk ten slotte bevatten algemene bepalingen met betrekking tot de voor dit besluit reeds genoemde bijzondere categorieën van werknemers, te weten jeugdigen, zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie, en thuiswerkers.

De in voornoemde afdelingen opgenomen voorschriften worden achtereenvolgens toegelicht in de paragrafen 1.2 tot en met 1.4 van dit hoofdstuk. In deze paragrafen wordt, waar nodig, tevens ingegaan op het met betrekking tot dit hoofdstuk naar voren gebrachte artikelsgewijze commentaar van de vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties in de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER als bedoeld in deel II van het betreffende SER-advies.

§ 1.2 Afdeling 1 (Definities)

§ 1.2.1 Definities algemeen

Mede naar aanleiding van het SER-advies is artikel 1.1 onderverdeeld in een aantal afzonderlijke clusters (de leden 1 tot en met 5). Hierdoor zijn de definities ten opzichte van de versie die aan de SER is voorgelegd beter toegankelijk geworden.

Door de vertegenwoordigers van de werknemers in de SER is gepleit voor een afzonderlijke definitie voor de vervoerssector alsmede voor een bepaling betreffende de toepasselijkheid van de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop gebaseerde regelgeving voor deze sector.

Dit advies is niet overgenomen omdat de Arbeidsomstandighedenwet zelf, in artikel 2, derde en vierde lid, reeds aangeeft wat onder de vervoerssector moet worden verstaan en tevens aangeeft dat de wet en de daarop gebaseerde regelgeving van toepassing zijn op de vervoerssector tenzij bij gezamenlijk besluit van Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat, in casu dit besluit, anders is bepaald.

Met betrekking tot de begrippen «bedrijf» en «inrichting» wordt thans, mede naar aanleiding van de opmerkingen van de vertegenwoordigers van de werknemers in de SER, dezelfde uitleg gehanteerd als in artikel 1, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. Aangezien genoemde begrippen alleen voor de Arbeidsomstandighedenwet zelf nader zijn uitgewerkt – artikel 1, zesde lid, van de wet geeft aan dat waar in de wet de woorden «bedrijf» en «inrichting» worden gebruikt om een plaats aan te duiden, dit mede omvat een andere plaats waar werknemers arbeid verrichten – is deze bepaling in artikel 1.1, zesde lid, van dit besluit hierin overgenomen. Hierdoor zijn de begrippen die in de wet en dit besluit worden gehanteerd, identiek.

Artikel 1.1, eerste lid, onder b (Arbeidsplaats)

De definitie van het begrip arbeidsplaats is iets ruimer dan de definitie die werd gehanteerd in het voormalige Besluit arbeidsplaatsen. In dit besluit was het begrip arbeidsplaats beperkt tot de arbeidsplaats in het gebouw of op het terrein van het bedrijf of de inrichting. In het onderhavige besluit is de arbeidsplaats gedefinieerd als: iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt gebruikt of pleegt te worden gebruikt. Dit betekent dat zowel de specifieke werkplek als bijvoorbeeld de ontspanningsruimte en het toilet tot de arbeidsplaats behoren. Door deze ruime definitie gelden bepalingen met betrekking tot bijvoorbeeld zindelijkheid, klimaat en lawaai voor alle hiervoor genoemde plaatsen.

Artikel 1.1, eerste lid, onder c (Arbeidsmiddelen)

Het begrip arbeidsmiddel is allesomvattend en sluit goed aan bij de term «hulpmiddel bij de arbeid» die onder meer in artikel 3, eerste lid, onder c en e, van de wet wordt gebruikt.

Een elektrische installatie valt niet onder het begrip arbeidsmiddel, omdat die uitsluitend dient ter voeding van arbeidsmiddelen. Een elektrische installatie is een onderdeel van een arbeidsplaats, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder b, van dit besluit. Ook installaties die voor de voortstuwing van vervoermiddelen dienen, vallen niet onder het begrip arbeidsmiddel.

Artikel 1.1, tweede lid, onder a (Bouwplaats)

Het begrip bouwplaats is een verbijzondering van het begrip arbeidsplaats als bedoeld in het eerste lid, onder b, van dit artikel. Onder bouwplaats wordt verstaan: elke tijdelijke of mobiele arbeidsplaats waar civieltechnische werken of bouwwerken tot stand worden gebracht, waarvan een niet-uitputtende lijst is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn tijdelijke en mobiele bouwplaatsen. Bedoelde lijst bevat een op tal van bouwactiviteiten betrekking hebbende opsomming van civieltechnische werken en bouwwerken. Blijkens die opsomming behoren daartoe niet alleen bouwwerken in het kader van de woning- en utiliteitsbouw, doch ook werken op het terrein van de aanleg van infrastructurele werken (grond-, weg- en waterbouw), het aanbrengen dan wel ontmantelen van installaties (in procesindustrie en (kern)energie-centrales), werken met betrekking tot onder- en bovengrondse kabel- en leidingnetten, en werkzaamheden in het kader van onderhoud, verbouw, renovatie, reiniging en sloop van gebouwen en bouwwerken.

De aanduidingen «tijdelijk» en «mobiel» in de omschrijving van bouwplaats hebben betrekking op de naar tijd beperkte duur en het niet-permanente karakter van de bouwarbeidsplaats. Een bouwplaats in de zin van dit besluit is dus iedere plaats waar bouwactiviteiten worden verricht die naar tijd en plaats wisselen. Scheepswerven en vliegtuigbouwfabrieken vallen op grond van die criteria derhalve buiten de definitie. Dit betekent dat de in dit besluit opgenomen (aanvullende) bepalingen voor tijdelijke of mobiele bouwplaatsen zoals opgenomen in afdeling 5 van hoofdstuk 2, afdeling 2 van hoofdstuk 3 en afdeling 5 van hoofdstuk 7 van dit besluit, daar niet gelden.

Artikel 1.1, tweede lid, onder b (Bouwwerk)

Vanwege het zelfstandige gebruik van het begrip bouwwerk in dit besluit, heeft in het onderhavige artikelonderdeel een afzonderlijke omschrijving daarvan plaatsgevonden, welke verwijst naar de in de omschrijving van bouwplaats gehanteerde begrippen ter zake en overeenstemt met de begripsomschrijving van de term bouwwerk als bedoeld in artikel 2, onder a van de richtlijn tijdelijke en mobiele bouwplaatsen. Opgemerkt wordt dat deze omschrijving afwijkt van de doorgaans in bijvoorbeeld de modelverordening 1992 gegeven begripsomschrijving van de term bouwwerk.

Artikel 1.1, tweede lid, onder c (Opdrachtgever)

Als opdrachtgever wordt beschouwd een ieder (natuurlijke of rechtspersoon) voor wiens rekening een bouwwerk wordt gerealiseerd. Het gaat daarbij om degene bij wie het initiatief tot de bouw ligt, die de eisen formuleert waaraan het op te leveren bouwwerk moet voldoen. Voorwaarde is tevens dat gehandeld wordt in de uitoefening van een beroep of bedrijf; dit ter onderscheid van de zogenoemde opdrachtgever-consument zoals gedefinieerd in artikel 1.1, tweede lid, onder d, van dit besluit.

Artikel 1.1, tweede lid, onder d (Opdrachtgever-consument)

Vanwege de bijzondere positie die de opdrachtgever-consument in het bouwproces inneemt, heeft in het tweede lid van artikel 1.1, onder d, een afzonderlijke omschrijving daarvan plaatsgevonden. Voor de meeste particuliere opdrachtgevers is een opdracht in de zin van (afdeling 5 van hoofdstuk 2 van) dit besluit een incidentele aangelegenheid, waar zij niet-beroepsmatig bij betrokken zijn. De opdrachten betreffen veelal (beperkte) verbouwingen aan een eigen woning, dan wel de koop van een tot woning bestemd huis door middel van de koop-aannemingsovereenkomst met een aannemer. Het is dan ook alleszins redelijk om deze categorie (bijzondere) opdrachtgevers niet te belasten met de verplichtingen die gelden voor de in dit besluit bedoelde personen en instellingen die zich regelmatig en veelal functioneel op het terrein van de bouw bewegen. De opdrachtgever-consument is mitsdien uitgezonderd van de verplichtingen zoals opgenomen in de artikelen 2.31 en 2.35 van dit besluit betreffende de wijze waarop de zorg voor arbeidsomstandigheden op een bouwplaats moet plaatsvinden.

Artikel 1.1, tweede lid, onder e en f (Ontwerpende- en uitvoerende partij)

In aansluiting bij het gangbare spraakgebruik in de bouw, is in afwijking van de richtlijn tijdelijke en mobiele bouwplaatsen, waarin het begrip bouwdirectie wordt gehanteerd, gekozen voor het gebruik van de begrippen ontwerpende-, respectievelijk uitvoerende partij.

De privaatrechtelijke verhoudingen tussen de onderscheiden partijen in de bouw worden met name beheerst door het contractenrecht. De inhoud van de meeste van deze contracten wordt in veel gevallen bepaald door algemene voorwaarden die door de betrokken belanghebbende organisaties zelf tot ontwikkeling zijn gebracht. Voor de ontwerpovereenkomsten kunnen bijvoorbeeld de Standaardvoorwaarden 1988 Rechtsverhouding Opdrachtgever-Architect (SR) en de Regeling van de verhouding tussen opdrachtgever en adviserend ingenieursbureau (RVOI 1987) worden genoemd. Voor de aannemingsovereenkomst gelden de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken (UAV 1989) als belangrijkste algemene voorwaarden met betrekking tot het uitvoeren van bouwwerken waarin (van de kant van de opdrachtgever) directie wordt gevoerd. Voor niet onder directie uit te voeren werken kunnen ten slotte de bij de Model Koop-/Aannemingsovereenkomst behorende Algemene Voorwaarden voor de koop en bouw van woningen (Model KA/AV) en de Algemene Voorwaarden voor aannemingen in het bouwbedrijf (AVA 1992) worden genoemd.

De toepasselijkheid van (afdeling 5 van hoofdstuk 2 van)het Arbeidsomstandighedenbesluit zal in een aantal gevallen een rol spelen bij de contractsluiting met de opdrachtgever; indien de opdrachtgever er bijvoorbeeld voor kiest om de aan hem opgelegde verplichtingen met betrekking tot het ontwerp van een bouwwerk op te dragen aan de ontwerpende partij, lijkt het met het oog op de bij (de artikelen 2.31 en 2.35 van) dit besluit aan de opdrachtgever opgelegde verantwoordelijkheid ter zake raadzaam om een en ander in het betreffende contract te regelen.

De begrippen coördinator voor de ontwerpfase en coördinator voor de uitvoeringsfase die alleen in hoofdstuk 2, afdeling 5, van dit besluit worden gebruikt, zijn gedefinieerd in artikel 2.23.

Artikel 1.1, derde lid, onder a (Winningsindustrie/delfstoffen/dagbouw)

Het begrip arbeidsplaats in de winningsindustrie is evenals het begrip bouwplaats, een verbijzondering van het begrip arbeidsplaats. De definitie is opgebouwd uit twee elementen. Voor de betekenis van het begrip arbeidsplaats in de omschrijving «iedere arbeidsplaats die direct of indirect verband houdt met de winningsindustrie in dagbouw», wordt verwezen naar artikel 1.1, eerste lid, onder b, van dit besluit.

Onder winningsindustrie in dagbouw wordt verstaan:

1°. elke industrie, die delfstoffen wint in de open lucht,

2°. prospectiewerkzaamheden verricht met het oog op deze winning, of

3°. delfstoffen gereed maakt voor de verkoop, met uitzondering van werkzaamheden in verband met de verwerking van deze delfstoffen.

De belangrijkste winningsindustrieën die onder laatstgenoemde definitie vallen, zijn de winning van mergel, zand, grond en grind, die plaats vindt in de open lucht: de zogenoemde dagbouw, in tegenstelling tot de winning van minerale grondstoffen zoals kali, steenkolen en ertsen, die voornamelijk ondergronds geschiedt, in mijnen en groeven. Dit laatste beleidsterrein behoort tot de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken en onttrekt zich derhalve aan het toepassingsgebied van dit besluit.

Bij de woorden «indirect verband» dient bijvoorbeeld gedacht te worden aan de op een winningsarbeidsplaats beschikbare ontspanningsruimten, kleedruimten en toiletten.

De definitie van delfstoffen is ontleend aan artikel 1 van de Mijnwet continentaal plat. Op de delfstoffen die daar worden uitgezonderd, te weten schelpen, grind, zand en klei, is dit besluit van toepassing.

Artikel 1.1, vierde lid, onder a (Fysieke belasting)

Onder fysieke belasting wordt verstaan, de door de werknemer in verband met de arbeid in te nemen werkhouding, uit te voeren bewegingen of uit te oefenen krachten, bestaande uit het zitten en staan dan wel het tillen, duwen, trekken, dragen of op een andere wijze verplaatsen of ondersteunen van een of meer lasten. Deze omschrijving wijkt enigszins af van die, welke in het voormalige Besluit fysieke belasting was opgenomen. In het onderhavige besluit is aan die laatstbedoelde omschrijving toegevoegd: «bestaande uit het zitten en staan dan wel uit het tillen, duwen, trekken, dragen of op een andere wijze verplaatsen of ondersteunen van een of meer lasten».

Naar aanleiding van de vraag van de werkgeversvertegenwoordigers in de SER naar de reden van deze uitbreiding, wordt opgemerkt dat door de thans voorgestelde definitie nog duidelijker wordt aangegeven wat onder fysieke belasting moet worden verstaan. Materieel gezien is deze definitie niet ruimer of beperkter dan die op grond van het voormalige Besluit fysieke belasting.

Of in een bepaald geval het lichaam wordt belast waarbij risico's voor de veiligheid en gezondheid van de werknemer kunnen ontstaan, is voor een deel afhankelijk van de belastbaarheid van de individuele werknemer. Deze belastbaarheid wordt onder andere bepaald door de constitutie en de conditie van deze werknemer. Ook is van belang te bedenken dat diverse delen van het lichaam een verschillende belastbaarheid hebben en dat naast individuele factoren vooral arbeidsgebonden factoren een rol spelen. Bij de toepassing van dit besluit dient de aandacht met name uit te gaan naar de factoren: zitten, staan, tillen en dragen (inclusief ondersteunen) alsmede duwen en trekken of op een andere wijze verplaatsen. Bij ieder van de in het onderdeel genoemde handelingen kan het lichaam zodanig worden belast dat deze belasting gevaar oplevert voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer.

Artikel 1.1, vierde lid, onder b (Persoonlijk beschermingsmiddel)

De definitie van het begrip persoonlijk beschermingsmiddel is overgenomen uit het voormalige Arbeidsomstandighedenbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen en komt overeen met het overeenkomstige begrip in de richtlijn persoonlijke beschermingsmiddelen. De belangrijkste persoonlijke beschermingsmiddelen waaraan in dit verband gedacht moet worden zijn: veiligheidshelmen, oog- en gezichtsbeschermers, gehoorbeschermers, adembeschermers, beschermende handschoenen, veiligheidsschoenen- en laarzen, beschermende kleding, reddingsvesten en beschermingsmiddelen tegen vallen.

Op het begrip persoonlijk beschermingsmiddel zijn vier uitzonderingen geformuleerd. Van belang is nog op te merken dat gewone en uniforme werkkleding (bedrijfskleding) die niet specifiek bedoeld is om de veiligheid en de gezondheid van de werknemer te beschermen, niet als persoonlijk beschermingsmiddel zijn gedefinieerd.

Artikel 1.1, vierde lid, onder c (Veiligheids- en gezondheidssignalering)

Op grond van artikel 8.4 van dit besluit moet de werkgever ervoor zorgen, indien de gevaren op de werkplaats daartoe aanleiding geven, dat doeltreffende veiligheids- of gezondheidssignalering aanwezig is ter voorkoming of beperking van gevaren voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers. Een en ander is nader ingevuld bij de op dit besluit gebaseerde Arbeidsomstandighedenregeling. Hierbij hebben de bijlagen bij de richtlijn veiligheids- en gezondheidssignalering, als uitgangspunt gediend.

Artikel 1.1, vijfde lid, onder a en b (Zwangere werknemer en werknemer tijdens de lactatie)

Op deze begrippen wordt ingegaan in de toelichting bij afdeling 9 van hoofdstuk 1 van dit besluit. Overigens wordt om wetstechnische redenen gesproken over zwangere werknemer en werknemer tijdens de lactatie. De Arbeidsomstandighedenwet kent blijkens artikel 1 van die wet alleen werknemers.

Artikel 1.1, vijfde lid, onder c, d en e (Thuiswerkgever, thuiswerker en thuiswerk)

Deze begrippen worden besproken in de toelichting bij afdeling 10 van dit hoofdstuk.

Artikel 1.1, zesde lid (Bedrijf en inrichting)

Door middel van het zesde lid is ervoor gezorgd dat aan de begrippen «bedrijf» en «inrichting» in dit besluit dezelfde betekenis toekomt als in de wet.

§ 1.2.2 Definities arbodiensten

Artikel 1.2, eerste lid, onder a tot en met d (Arbodiensten en deskundigen)

In artikel 1.2, eerste lid, onder a tot en met d, is een aantal definities opgenomen betreffende de arbodienst. Door het opnemen van deze definities is het mogelijk om de, onder meer in artikel 17 van de wet gehanteerde begrippen, voor de toepassing van dit besluit in te korten en te vereenvoudigen. Zo zijn de diverse deskundige werknemers of personen die worden omschreven in artikel 17, eerste lid, van de wet, in dit besluit gedefinieerd als deskundigen.

Over het certificaat arbodienst kan nog het volgende worden opgemerkt. Uit een verleend certificaat blijkt, aldus artikel 31a van de Arbeidsomstandighedenwet, dat wordt voldaan aan bepaalde bij of krachtens die wet gestelde voorschriften. Bij het certificaat arbodienst dient dan te zijn voldaan aan de voorschriften die de Arbeidsomstandighedenwet zelf ter zake stelt en de voorschriften die op basis van dit besluit met betrekking tot het certificaat arbodienst zijn gesteld.

Artikel 1.2, tweede lid, onder a en b (Interne arbodienst)

Met de onderhavige uitbreidende definitie van het begrip interne arbodienst wordt een grote vrijheid gegeven ten aanzien van de opzet en de organisatie van de deskundige ondersteuning door arbodiensten zoals voorgeschreven op grond van de artikelen 17 tot en met 20 van de Arbeidsomstandighedenwet. De werkgever is niet verplicht om één arbodienst in te richten of aan zijn bedrijf te verbinden, maar kan ook aan de wettelijke voorschriften voldoen door een zogenoemd samenwerkingsverband in te stellen. Daarbij kunnen twee situaties worden onderscheiden.

In de eerste plaats kan de werkgever het samenwerkingsverband volledig intern organiseren. Hij kan de activiteiten van een aantal verschillende deskundigen, onderdelen of diensten bundelen tot een gecoördineerd geheel. Zo kunnen bijvoorbeeld binnen een bedrijf bestaande afzonderlijke veiligheidsdiensten en bedrijfsgezondheidsdiensten blijven functioneren. De werkgever moet op grond van artikel 17, tweede lid, van de wet, wel zorgen dat de diverse deskundigen samenwerken.

Daarnaast kan de werkgever door middel van het samenwerkingsverband de binnen zijn arbeidsorganisatie ontbrekende deskundigheden extern betrekken, terwijl hij de binnen zijn organisatie bestaande expertise en deskundige ondersteuning zoals die bijvoorbeeld vorm heeft gekregen bij een interne veiligheidsdienst, in stand kan houden. De ontbrekende deskundigheid kan bij meerdere externe diensten worden betrokken.

Ook ten aanzien van het samenwerkingsverband gelden de beginselen van zorg op maat en geïntegreerde dienstverlening. Het samenwerkingsverband moet dan ook van een kwalitatief gelijk niveau zijn als een «gewone» interne of externe arbodienst. Het samenwerkingsverband met een of meer externe arbodiensten moet in een overeenkomst tussen werkgever en die externe arbodienst worden vastgelegd. Voor een nadere toelichting op de begrippen interne arbodienst en samenwerkingsverband wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.13 van dit besluit.

De definities voor onderwijs, justitiële inrichtingen en defensie, bedoeld in respectievelijk de artikelen 1.3, 1.4, en 1.5 van dit besluit, worden toegelicht in paragraaf 1.3.1.1: de Arbeidsomstandighedenwet en het onderwijs, 1.3.1.4: de Arbeidsomstandighedenwet en de justitiële inrichtingen, en 1.3.1.5: de Arbeidsomstandighedenwet en defensie.

§ 1.3 Afdelingen 2 tot en met 7 (De bijzondere sectoren, alsmede: samenwerking, overleg, ontslag- en benadelingsbescherming en nadere regels)

§ 1.3.1 Indeling van de bijzondere sectoren

De Arbeidsomstandighedenwet is in beginsel van toepassing op een ieder die in Nederland arbeid verricht. Artikel 2 van deze wet geeft de mogelijkheid ten aanzien van arbeid verricht in een aantal met name genoemde sectoren eigen regels te stellen. Het kan hierbij zowel gaan om afwijkende als om aanvullende bepalingen. Een en ander hangt samen met het specifieke karakter van zo'n sector dan wel met de specifieke belangen die daar in het geding zijn. Het betreft hier de volgende sectoren: onderwijs, burgerlijke openbare dienst (overheid), vervoer, justitiële inrichtingen en defensie.

Alle bepalingen die in de bijzondere besluiten op grond van artikel 2 van de wet waren opgenomen, zijn grotendeels vervat in de afdelingen 2 tot en met 7 van hoofdstuk 1 van dit besluit.

Wat betreft de systematiek van dit besluit geldt, dat indien een voorschrift dat betrekking heeft op een onderwerp dat geregeld is in een van de hoofdstukken van dit besluit, is uitgezonderd, deze uitzondering is opgenomen in de laatste afdeling van het hoofdstuk waarin het desbetreffende voorschrift is geregeld. Een voorbeeld daarvan is artikel 2.44, dat regelt dat de bepalingen over bedrijfshulpverlening niet gelden in, respectievelijk op een luchtvaartuig, een zeeschip of een binnenvaartuig dan wel een voertuig op een openbare weg of een spoor- of tramweg. Deze uitzondering staat derhalve niet in afdeling 5 van hoofdstuk 1, dat een bijzondere regeling inhoudt met betrekking tot het vervoer, maar in hoofdstuk 2 betreffende arbozorg en organisatie van de arbeid, waaronder de regels inzake bedrijfshulpverlening.

Bij de bespreking van de verschillende sectoren wordt onder meer – waar nodig – aandacht besteed aan de definities en, voor zover van toepassing, de van de Wet op de ondernemingsraden afwijkende medezeggenschapsstructuur in de betreffende sector. Hierbij zal worden verwezen naar de betreffende definitiebepaling van afdeling 1 van dit hoofdstuk, alsmede naar de bepalingen over samenwerking en overleg, ontslagbescherming en benadelingsbescherming als bedoeld in afdeling 2 daarvan.

Teneinde niet in een veelvuldige herhaling te vervallen zal bij de behandeling van de afzonderlijke sectoren daar waar mogelijk, worden terug- dan wel doorverwezen.

Achtereenvolgens wordt nu ingegaan op:

1. de Arbeidsomstandighedenwet en het onderwijs (paragraaf 1.3.1.1);

2. de Arbeidsomstandighedenwet en de burgerlijke openbare dienst (paragraaf 1.3.1.2);

3. de Arbeidsomstandighedenwet en het vervoer (paragraaf 1.3.1.3);

4. de Arbeidsomstandighedenwet en de justitiële inrichtingen (paragraaf 1.3.1.4) en

5. de Arbeidsomstandighedenwet en defensie (paragraaf 1.3.1.5).

§ 1.3.1.1 De Arbeidsomstandighedenwet en het onderwijs

De bijzondere positie van het onderwijs

Artikel 2, eerste lid, van de wet bepaalt, dat het bij of krachtens die wet bepaalde van toepassing is op de verrichtingen van leerlingen, studenten en werknemers in onderwijsinrichtingen voor zover daarin in verband met deze verrichtingen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid bestaat of kan bestaan.

De Arbeidsomstandighedenwet is in zijn algemeenheid geschreven voor het particuliere bedrijfsleven. De situatie in het onderwijs verschilt in een aantal opzichten met die van het bedrijfsleven. Zo mag de grondwettelijke vrijheid van onderwijs niet in het gedrang komen. Voorts is ook de positie van de leerling of student niet altijd en in dezelfde mate gelijk aan die van een werknemer. Een leerling of student staat niet in dezelfde verhouding ten opzichte van het bevoegde gezag als een werknemer in het onderwijs ten opzichte van de werkgever. Het leerproces is van een geheel andere aard dan het arbeidsproces. Ook mag niet vergeten worden dat het bij leerlingen en studenten om een naar leeftijd zeer gedifferentieerde groep gaat; iedere leeftijd brengt een andere verantwoordelijkheid met zich mee. Verder zij er op gewezen dat de medezeggenschapsstructuur in het onderwijs een andere is dan die op grond van de Wet op de ondernemingsraden. Een en ander noodzaakt tot afwijkende dan wel aanvullende regelgeving. Artikel 2, eerste lid, van de wet schept de mogelijkheid daartoe.

De regels voor de onderwijssector zijn primair vervat in afdeling 3 van hoofdstuk 1 van dit besluit, dat voorziet in afwijkende en aanvullende regels. De betreffende bepalingen komen inhoudelijk overeen met het voormalige Arbeidsomstandighedenbesluit onderwijs. Voorts is van belang artikel 1.3, van het besluit, waarin de definities met betrekking tot de verschillende onderwijsinrichtingen in het onderwijs zijn opgenomen, en afdeling 2 van hoofdstuk 1, dat bepalingen omtrent de samenwerking, het overleg, de ontslag- en benadelingsbescherming bevat. Daarnaast zijn in artikel 1.39, de voorschriften voor jeugdigen zoals opgenomen in afdeling 8 van hoofdstuk 1, niet van toepassing verklaard op leerlingen en studenten.

In de artikelen 3.41 en 8.13 is een tweetal afwijkende, respectievelijk aanvullende bepalingen betreffende ontspanningsruimten respectievelijk herkeuring opgenomen. Voor een toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Uitgangspunt bij de formulering van de afwijkende en aanvullende regels voor de onderwijssector is geweest om ook voor leerlingen en studenten en het daar werkzame personeel een met voor werknemers op grond van de Arbeidsomstandighedenwet vergelijkbaar niveau van arbeidsbescherming tot stand te brengen; de bepalingen ten aanzien van de onderwijssector beogen de bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet op de situatie in het onderwijs toe te spitsen.

Toepasselijkheid

Artikel 1.10, eerste lid, van dit besluit regelt de toepasselijkheid van de Arbeidsomstandighedenwet en van dit besluit op de verrichtingen van leerlingen, studenten en werknemers in onderwijsinrichtingen.

De werknemers in onderwijsinrichtingen zijn werkzaam in openbare dienst (openbare scholen) of in particulier verband (bijzondere scholen). De onderhavige regeling is van toepassing op alle werknemers ongeacht de aard van de dienstbetrekking. Hierbij moet goed voor ogen worden gehouden dat onderwijswerknemers die in burgerlijke openbare dienst werkzaam zijn, niet onder afdeling 4 inzake de burgerlijke openbare dienst, maar onder de onderhavige afdeling 3 van hoofdstuk 1 van dit besluit vallen.

Voor een goed begrip wordt nog opgemerkt dat waar in dit besluit sprake is van leerlingen, hieronder mede worden begrepen de in de Wet educatie en beroepsonderwijs genoemde deelnemers en de onder meer in de Wet op het voortgezet onderwijs genoemde cursisten. Er wordt tevens op gewezen dat waar in dit besluit sprake is van studenten hieronder mede worden begrepen de in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde auditoren en extraneï.

Bij de definiëring van het begrip onderwijsinrichting in artikel 1.3, eerste tot en met derde lid, van dit besluit, is aangesloten bij het onderscheid in onderwijsinrichtingen zoals dat wordt gehanteerd in de onderwijswetgeving. Bekostigde onderwijsinrichtingen zijn onderwijsinrichtingen die op grond van de onderwijswetten financiële middelen ter beschikking krijgen gesteld. Om hiervoor in aanmerking te komen zal een onderwijsinrichting aan bepaalde voorschriften moeten voldoen, bijvoorbeeld met betrekking tot de inhoud van het lesprogramma, medezeggenschap van de werknemers, leerlingen en studenten en dergelijke.

Door het Rijk aangewezen onderwijsinrichtingen ontvangen in beginsel geen geldelijke steun. De kwalificatie «aangewezen» bedoelt aan te geven dat opleiding en diploma's gelijkwaardig zijn aan opleiding en diploma's van bekostigde scholen.

De categorie van bekostigde en aangewezen onderwijsinrichtingen bevat in elk geval nagenoeg alle reguliere onderwijsinrichtingen voor basis-, speciaal-, (speciaal) voortgezet-, hoger en wetenschappelijk onderwijs. Ook de instellingen voor educatie en beroepsonderwijs moeten hieronder begrepen worden.

Het besluit kent (vooralsnog) alleen met betrekking tot de bekostigde en aangewezen onderwijsinrichtingen aanvullende en afwijkende bepalingen.

Voor de overige onderwijsinrichtingen – dit zijn de niet-bekostigde en de niet-aangewezen bijzondere onderwijsinrichtingen en de bedrijfsscholen – worden vooralsnog geen afwijkende dan wel aanvullende regels nodig geacht. Dit hangt onder meer samen met het feit, dat de medezeggenschapsstructuur in deze onderwijsinrichtingen niet afwijkt van die in het bedrijfsleven: de Wet op de ondernemingsraden is hier van toepassing. Deze overige onderwijsinrichtingen vallen wel onder artikel 2, eerste lid, van de wet. Nu dit besluit geen regels bevat voor deze onderwijsinrichtingen, is daarop de wet derhalve onverkort van toepassing.

Verschillende beroepsopleidingen kennen een theoretisch gedeelte dat in de instelling wordt gedoceerd, en een praktijkgedeelte waarbij de leerling op de werkplek veelal onder begeleiding aan het arbeidsproces deelneemt. Alleen voor het gedeelte in de instelling waarbij sprake is van verrichtingen (onder gezag), is sprake van een onderwijsinrichting in de zin van artikel 2, eerste lid, van de wet. Voor zover een leerling in een bedrijf arbeid verricht onder gezag, geldt de wet zoals die in dat bedrijf geldt, derhalve ofwel het particuliere regime ofwel het overheidsregime. Hetzelfde geldt uiteraard voor de leerkrachten: wanneer zij in verband met de opleiding leerlingen in een bedrijf begeleiden, is voor de tijd en werkzaamheden in dat bedrijf de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing zoals die voor dat bedrijf of die inrichting geldt.

Dit besluit heeft ook geen betrekking op de instellingen als genoemd in de Wet op de onderwijsverzorging. Het gaat hier niet om onderwijsinrichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet; de Arbeidsomstandighedenwet is op deze instellingen, die behoren tot de particuliere sector, geheel van toepassing.

Samenwerking, overleg, ontslag- en benadelingsbescherming

Algemeen

De medezeggenschapsstructuur in het bekostigde onderwijs is niet in de Wet op de ondernemingsraden geregeld. Voor het basis- en het voortgezet onderwijs, het speciaal- en het voortgezet speciaal onderwijs en de instellingen voor educatie en beroepsonderwijs is de medezeggenschap geregeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992, voor het hoger beroepsonderwijs en het universitair onderwijs in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. De in genoemde wetten vervatte medezeggenschapsregelingen worden onderstaand nader toegelicht.

Onderwijsinrichtingen met een medezeggenschapsraad

In beginsel is aan elke bekostigde onderwijsinrichting van basis- en voortgezet onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of hoger beroepsonderwijs en aan de instellingen voor educatie en beroepsonderwijs, een medezeggenschapsraad verbonden. De bij de Open Universiteit voorkomende personeelsraad en studentenraad worden met de medezeggenschapsraad gelijkgesteld (zie artikel 1.3, vierde lid, van dit besluit).

Het uitgangspunt bij het van toepassing verklaren van de Arbeidsomstandighedenwet op het onderwijs is geweest, dat dit niet zou mogen leiden tot een aantasting van de zorgvuldig gekozen verdeling van bevoegdheden in een onderwijsinstelling tussen bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad. Aan de medezeggenschapsraad komt een aantal rechten en bevoegdheden toe, welke zijn te vinden in de Arbeidsomstandighedenwet en in de betreffende onderwijswetgeving, te weten de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Een deel van de rechten en bevoegdheden die op grond van (artikel 14 van) de Arbeidsomstandighedenwet aan de werknemersvertegenwoordiging toekomen, heeft alleen betrekking op het verstrekken van informatie door de werkgever, de Arbeidsinspectie of de deskundige diensten. Deze zogenoemde interne rechten en bevoegdheden kunnen zonder meer rechtstreeks aan de medezeggenschapsraad worden toegekend, zonder in conflict te komen met de structuur van de medezeggenschapsregeling in het onderwijs. Artikel 1.11, eerste lid, van dit besluit, strekt hiertoe. Bedoelde informatierechten zijn dienstig voor een goed overleg tussen medezeggenschapsraad en bevoegd gezag; dit sluit aan bij het in artikel 5 van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 en artikel 10.19 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek aan de medezeggenschapsraad toegekende recht, alle aangelegenheden de school betreffende met het bevoegd gezag te bespreken.

Is er geen medezeggenschapsraad dan komen de desbetreffende rechten toe aan de belanghebbende werknemers of aan de meerderheid van belanghebbende werknemers dan wel aan de vakbonden.

In dit verband kan nog worden gewezen op artikel 1.11, tweede lid, van dit besluit, dat bepaalt dat voor de toepassing van artikel 1, achtste en negende lid, van de wet, de medezeggenschapsraad in de plaats treedt van de ondernemingsraad. Uit het achtste lid van artikel 1 vloeit voort dat voor het bij of krachtens de wet bepaalde, de afdelingen 3.6 (bekendmaking en mededeling van beschikkingen) en 4.1.2 (de voorbereiding tot het nemen van beschikkingen) van de Algemene wet bestuursrecht slechts van toepassing zijn op belanghebbende werknemers indien een ondernemingsraad ontbreekt. In andere gevallen neemt de ondernemingsraad de plaats van de werknemers in. In de Arbeidsomstandighedenwet rust de bekendmakingsplicht op de werkgever. In aansluiting hierop is, in afwijking van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, in het negende lid van de Arbeidsomstandighedenwet bepaald, dat bij het ontbreken van een ondernemingsraad van een beschikking zo spoedig mogelijk door de werkgever mededeling wordt gedaan aan de belanghebbende werknemers.

Ten aanzien van een aantal eertijds in de Arbeidsomstandighedenwet doch thans gedeeltelijk in de Algemene wet bestuursrecht geregelde ander rechten casu quo bevoegdheden is het destijds niet wenselijk geacht deze rechtstreeks toe te kennen aan de medezeggenschapsraad. Het betreft hier:

– het recht in de gelegenheid te worden gesteld zijn mening kenbaar te maken dan wel te worden gehoord (geregeld in afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht),

– het recht een verzoek om wetstoepassing te doen (artikel 40 van de Arbeidsomstandighedenwet), en

– het recht om een bezwaarschrift in te dienen (geregeld in hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht).

Een rechtstreekse toedeling van deze zogenoemde externe bijzondere rechten zou in strijd zijn met het karakter van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Deze wetten regelen namelijk de interne verhouding binnen de onderwijsinstelling. Het werd dan ook niet juist geacht de medezeggenschapsraad het recht te geven zich zonder meer tot de Arbeidsinspectie te wenden teneinde deze externe overheidsdienst in de besluitvorming in te laten grijpen. Een en ander was niet geregeld in de Arbeidsomstandighedenwet of het voormalige Arbeidsomstandighedenbesluit onderwijs, maar in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 en de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. De wet medezeggenschap onderwijs 1992 is op dit punt echter inmiddels gewijzigd. Op grond van artikel 15 van deze wet wordt thans door het medezeggenschapsreglement bepaald, hoe en op welke wijze deze rechten door de leden van de medezeggenschapsraad kunnen worden uitgeoefend.

Op bestuursniveau wordt overleg gevoerd in het Decentraal Georganiseerd Overleg (DGO) en het Instituuts Georganiseerd Overleg (IGO). Hierin zijn werkgevers en werknemers vertegenwoordigd. De verwijzing naar artikel 1.13 van dit besluit geeft nogmaals nadrukkelijk aan dat leerlingen en studenten geen deel uitmaken van deze overlegorganen. De reikwijdte van dit overleg is beperkt tot die aangelegenheden, welke van belang zijn voor de algemene rechtstoestand van de betreffende werknemers. Voor zover dit de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid betreft, kan hierover in het georganiseerd overleg worden gesproken. Dit is afhankelijk van de specifieke, plaatselijke situatie en kan van plaats tot plaats verschillen (zie artikel 1.11, derde lid, van dit besluit).

Universiteiten

Bij de onderwijsinrichtingen van wetenschappelijk onderwijs bestaan dienstcommissies. Artikel 9.58 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bepaalt, dat bij de centrale diensten dienstcommissies worden ingesteld. Ten behoeve van andere eenheden van beheer kunnen door het college van bestuur dienstcommissies worden ingesteld. Aangezien het college van bestuur de mogelijkheid heeft de uitoefening van zijn bevoegdheden in vergaande mate te mandateren aan het hoofd van een dergelijke eenheid van beheer, mag worden aangenomen dat bij de andere eenheden van beheer dienstcommissies zullen worden ingesteld, zowel ten behoeve van het ondersteunend en beheerspersoneel dat rechtstreeks is verbonden aan de betreffende eenheid van beheer, als ten behoeve van het wetenschappelijk, ondersteunend en beheerspersoneel dat lid is van een vakgroep die tot de faculteit behoort waarvoor die eenheid van beheer werkzaam is. Aldus is de mogelijkheid gegeven al de werknemers te betrekken in het overleg over de arbeidsomstandigheden. Waar geen dienstcommissies mochten zijn ingesteld, zal het college van bestuur in goed overleg met het plaatselijk orgaan van georganiseerd overleg de nodige voorzieningen treffen om de rechten en plichten van betrokkenen in het kader van het overleg tussen werknemers en dienstleiding over arbeidsomstandigheden te waarborgen. Hetgeen hierboven is opgemerkt met betrekking tot onderwijsinrichtingen met een medezeggenschapsraad ten aanzien van het Decentraal Georganiseerd Overleg en het Instituut Georganiseerd Overleg geldt evenzeer voor universiteiten (zie artikel 1.12 van dit besluit).

In artikel 1.6, tweede lid, onder a, van dit besluit, is een aparte definitie van het begrip dienstcommissie opgenomen om de positie van deze commissie gelijk te stellen aan die van de ondernemingsraad.

Zowel met betrekking tot de uitoefening van de genoemde interne als de externe rechten en bevoegdheden op grond van de Arbeidsomstandighedenwet geldt, dat deze worden uitgeoefend door de dienstcommissie. Een en ander volgt rechtstreeks uit artikel 1.6, eerste lid, van dit besluit.

Artikel 1.7, eerste lid, onder a, van dit besluit bewerkstelligt dat de aard, de inhoud en de wijze van overleg met onder meer de dienstcommissie wordt bepaald door de betreffende rechtspositieregeling, in casu het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, en niet wordt doorkruist door de Arbeidsomstandighedenwet. Dit betekent onder meer dat een dienstcommissie, voor zover ze instemmingsrecht heeft, dit ook heeft ten aanzien van de onderwerpen betreffende de veiligheid, de gezondheid en het welzijn. Het betekent tevens dat de beroepsregeling die in de desbetreffende rechtspositieregeling is voorgeschreven, voor gaat. In geval het hoofd van de diensteenheid en de dienstcommissie geen overeenstemming bereiken, is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als beroepsinstantie aangewezen. Voor zover de dienstcommissie op grond van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek geen beroepsmogelijkheid heeft, kan zij eventueel op grond van artikel 40 van de Arbeidsomstandighedenwet de Arbeidsinspectie verzoeken een aanwijzing te geven.

Artikel 1.7, tweede lid, van dit besluit beoogt uit te drukken dat de Arbeidsomstandighedenwet blijft gelden voor zover geen strijdigheid optreedt met het in het eerste lid in dit verband genoemde rechtspositiereglement.

In de Arbeidsomstandighedenwet wordt aan verschillende categorieën deskundige werknemers ontslagbescherming geboden overeenkomstig de regeling die op grond van artikel 21, derde tot en met vijfde lid, van de Wet op de ondernemingsraden voor onder meer kandidaat-ondernemingsraadsleden geldt. Men vergelijke artikel 15, achtste lid, en 19, tweede lid, juncto artikel 8, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. Daarnaast mogen werknemers, die op grond van artikel 17 van de wet door de werkgever zijn ingeschakeld hem bij te staan bij de zorg voor arbeidsomstandigheden, uit hoofde van een juiste taakuitoefening op dit terrein niet worden benadeeld in hun positie in het bedrijf. Ook voor de benadelingsbescherming is, voor zover het de geschillenregeling betreft, aangesloten bij de Wet op de ondernemingsraden (artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van die wet).

In het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek in samenhang met het Algemeen Rijksambtenarenreglement, is aan dienstcommissieleden een vergelijkbare rechtsbescherming geboden als aan ondernemingsraadsleden, zij het dat deze past binnen de systematiek van genoemde rechtspositieregelingen. Aan deskundigen op wie het Rechtspositiereglement Wetenschappelijk onderwijs en onderzoek van toepassing is, wordt derhalve op dezelfde wijze ontslagbescherming geboden als aan ondernemingsraadsleden dan wel dienstcommissieleden. Een en ander is geregeld in artikel 1.8, derde lid, van dit besluit. Een overeenkomstige ontslagbeschermingsregeling, opgenomen in het eerste lid van dit artikel, is van toepassing op deskundigen in de sector defensie, welke sector immers ook is uitgezonderd van de werkingssfeer van de Wet op de ondernemingsraden. Een dergelijke beschermingsregeling geldt echter tevens voor de sectoren burgerlijke openbare dienst en justitiële inrichtingen; op grond van artikel 21, zesde lid, van genoemde wet, is de bij dit artikel geregelde ontslagbescherming namelijk niet van toepassing op personen die krachtens publiekrechtelijke aanstelling werkzaam zijn. De ontslagbescherming van ambtenaren tijdens of wegens hun betrokkenheid bij een ondernemingsraad zal overeenkomstig het in de publieke sector gebruikelijke systeem, in casu het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek in samenhang met het Algemeen Rijksambtenarenreglement, geregeld moeten worden. Dienovereenkomstig zal de ontslagbescherming van deskundige werknemers als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet, eveneens in genoemde reglementen geregeld moeten worden.

De benadelingsbescherming op grond van de Wet op de ondernemingsraden is daarentegen wél van toepassing op de overheid, doch nÎet, gelet op de reikwijdte van deze wet, op de onderwijssector. In artikel 1.16 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek is voor de onderhavige deskundigen derhalve een zelfstandige voorziening ter zake opgenomen.

Uitzonderingen op de toepasselijkheid

Een aantal artikelen van de Arbeidsomstandighedenwet is niet van toepassing op onderwijsinrichtingen in het algemeen, dan wel op leerlingen en studenten in het bijzonder. Deze uitzonderingen zijn neergelegd in de artikelen 1.10, tweede lid, 1.13, 1.14 en 1.15, 1.39 en 3.41 van dit besluit.

Artikel 1.10, tweede lid (Toepasselijkheid)

De bepalingen betreffende de arbocommissie, de artikelen 15 en 23c, onder a, van de Arbeidsomstandighedenwet, voor zover geen betrekking hebbend op de bevordering van het overleg in de afdelingen van de onderwijsinrichting (werkoverleg), zijn niet van toepassing op onderwijsinrichtingen.

Artikel 1.13 (Uitzonderingen welzijn, horen en verzoek om wetstoepassing)

Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat het welzijn, voor zover betrekking hebbend op de arbeidsinhoudelijke bepalingen, niet van toepassing is op leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen. Dit om reden dat het arbeidsproces van een geheel andere orde is dan het leerproces.

Het tweede en derde lid bepaalt dat leerlingen en studenten worden uitgesloten van bepaalde rechten, te weten het horen (geregeld in afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht) en het verzoek om wetstoepassing (geregeld in artikel 40 van de Arbeidsomstandighedenwet). De achtergrond hiervan is niet, om rechten aan de betrokken groeperingen te ontnemen, maar om hen te beschermen tegen repercussies vanuit het instellingsbestuur of de docent. De leerling moet zich aan de wet, in casu de Arbeidsomstandighedenwet, houden, maar als hij dit niet doet, is er op grond van artikel 1.14 geen sanctie mogelijk. Er kan derhalve op grond van de Arbeidsomstandighedenwet geen beschikking worden getroffen waarover hij gehoord zou moeten worden. De mogelijkheid van santies is destijds bij de totstandkoming van de in deze afdeling opgenomen bepalingen uitgesloten, teneinde aan het pedagogisch proces geen afbreuk te doen. Binnen de school zijn immers voldoende mogelijkheden aanwezig om sancties ten aanzien van betrokkenen te treffen. Sancties in het kader van Wet op de economische delicten, die bovendien in het algemeen door de ouders behoren te worden voldaan, zijn daarom niet aan de orde. Bij de invoering van het voormalige Arbeidsomstandighedenbesluit onderwijs was het aanvankelijk de opzet bepaalde groepen studenten wél de verplichtingen van de Arbeidsomstandighedenwet op te leggen, maar een daarvoor benodigde wijziging van de Wet op de economische delicten bleek niet haalbaar. Tegen deze achtergrond is toen besloten alle leerlingen en studenten uit te sluiten van bedoelde verplichtingen. De consequentie hiervan was, dat hen als tegenhanger daarvan ook een aantal rechten op grond van de Arbeidsomstandighedenwet zoals de genoemde, onthouden moest worden.

Artikel 1.14 (Uitzondering werknemersverplichtingen)

De Arbeidsomstandighedenwet kent een strafrechtelijke aansprakelijkheid op het niet naleven van verplichtingen zowel voor werkgevers als voor werknemers. Overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet zijn aangemerkt als economische delicten in de zin van de Wet op de economische delicten. Op het niet nakomen hiervan is een strafsanctie gesteld. Nu leerlingen en studenten ook onder de werkingssfeer van de Arbeidsomstandighedenwet zijn gebracht zou dit betekenen, dat op het niet-nakomen van de op hen rustende verplichtingen, de Wet op de economische delicten van toepassing zou zijn. Voor leerlingen en studenten is dit een ongewenste situatie. Bedreiging van deze leerlingen en studenten met een strafsanctie zou de pedagogische didactische werkvormen binnen het onderwijs kunnen verstoren. In het onderwijs staan leerlingen en studenten feitelijk onder het gezag van de leiding van de onderwijsinrichting, tijdens de lesuren meestal in de persoon van de docent. De docent en de leidinggevenden beschikken over een scala van middelen om ongewenst gedrag van leerlingen en studenten te corrigeren; dit is ook het geval als leerlingen en studenten de veiligheid of gezondheid in gevaar (dreigen te) brengen. Het wordt niet verantwoord geacht om het op pedagogische uitgangspunten gebaseerde systeem zoals dat traditioneel in onderwijsinrichtingen functioneert, te verstoren door via de Arbeidsomstandighedenwet de Wet op de economische delicten van toepassing te laten zijn.

De tekst van artikel 2, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet laat evenwel niet toe, dat de verplichtingen op grond van deze wet wel gehandhaafd blijven, doch dat slechts de strafrechtelijke sanctie wordt opgeheven.

Om bovenstaande redenen zijn de verplichtingen die de Arbeidsomstandighedenwet aan de werknemers oplegt, in artikel 1.14 niet van toepassing verklaard op leerlingen en studenten. De gewenste gedragingen kunnen op een andere wijze bereikt worden, bijvoorbeeld door het opnemen van de verplichtingen in leerlingen- en studentenstatuten, schoolreglementen of andere binnen de onderwijsinrichtingen gehanteerde regelingen.

Artikel 1.15 (Uitzonderingen mentorschap, periodiek- en verplicht arbeidsgezondheidskundig onderzoek)

De bepaling betreffende het mentorschap als bedoeld in artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet, is niet van toepassing ten aanzien van leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen, omdat dit de bestaande verhoudingen in het onderwijs zou doorkruisen. Overigens zij opgemerkt dat artikel 8 vooralsnog geen betekenis heeft nu nog geen algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel is vastgesteld.

Gelet op het vormende karakter van het onderwijs dat niet specifiek gericht is op het opleiden tot een beroep, kunnen aan de toelating tot een opleiding door of vanwege de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen geen eisen worden gesteld met betrekking tot de gezondheid van leerlingen of studenten. De toegang tot een opleiding mag daarom ook niet afhankelijk zijn van de resultaten van een verplicht arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 25 van de Arbeidsomstandighedenwet. Het is alsdan tevens ongewenst om leerlingen en studenten gedurende hun opleiding periodiek in de gelegenheid te stellen een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan als bedoeld in artikel 24a van de wet. In artikel 1.15 van dit besluit worden de artikelen 24a en 25 van de wet (en daarmee tevens de bij of krachtens dit besluit ter uitvoering daarvan vastgestelde nadere regels) dan ook uitgezonderd voor leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen.

§ 1.3.1.2 De Arbeidsomstandighedenwet en de burgerlijke openbare dienst

De bijzondere positie van de burgerlijke openbare dienst

Zoals in paragraaf 1.3.1.1 met betrekking tot de bijzondere sector onderwijs al is opgemerkt, is de Arbeidsomstandighedenwet is in zijn algemeenheid geschreven voor het particuliere bedrijfsleven. Aangezien de burgerlijke openbare dienst, evenals de in de voorgaande paragraaf besproken onderwijssector, in een aantal opzichten wat betreft de aard, de organisatie, en de rechtspositie van het daarin werkzame personeel verschilt met het particuliere bedrijfsleven, bestaat ook hier de noodzaak tot afwijkende dan wel aanvullende regelgeving. Artikel 2, tweede lid, van de wet schept de mogelijkheid daartoe. Uitgangspunt is dat de afwijkende dan wel aanvullende regels er nimmer toe zullen leiden dat de arbeidsomstandigheden van het personeel in de burgerlijke openbare dienst ongunstiger worden dan die van personen werkzaam in de particuliere sector.

Genoemd artikel 2, tweede lid, bepaalt, dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot arbeid verricht in burgerlijke openbare dienst, regelen kunnen worden gesteld die afwijken van de Arbeidsomstandighedenwet of strekken ter aanvulling daarvan.

De regels voor de burgerlijke openbare dienst zijn primair vervat in afdeling 4 hoofdstuk 1 van dit besluit. De betreffende bepalingen komen inhoudelijk overeen met het voormalige Arbeidsomstandighedenbesluit burgerlijke openbare dienst, met uitzondering van de bepalingen betreffende de samenwerking en het overleg in verband met de eerdergenoemde onderbrenging van de medezeggenschap van het overheidspersoneel in de Wet op de ondernemingsraden.

Zoals in paragraaf 1.1 onder ad. b van deze toelichting reeds is aangegeven, blijven gedurende de in deze wet voorziene overgangsfase, de vorenbedoelde overlegbepalingen ten aanzien van dit personeel echter van toepassing. Uit een oogpunt van wetssystematiek zijn de betreffende bepalingen in de vorm van een overgangsregeling opgenomen in artikel 9.37 van dit besluit. Voor een toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Voor deze sector zijn voorts van belang de voorschriften inzake herkeuring als bedoeld in hoofdstuk 8, afdeling 4, paragraaf 1 van dit besluit.

Toepasselijkheid

Artikel 2, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet spreekt van arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst. Voor de betekenis van het begrip burgerlijke openbare dienst kan worden aangesloten bij de betekenis die dit begrip heeft in de Ambtenarenwet. Deze wet gebruikt het begrip openbare dienst ter aanduiding van de Staat in zijn werkzaamheden, dat wil zeggen in de werkzaamheid van zijn organen, diensten, instellingen en bedrijven (artikel 1, eerste en tweede lid, van de Ambtenarenwet). Op grond van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep behoren tot de openbare dienst ook de privaatrechtelijke lichamen die de Raad daartoe acht te behoren. Omdat de onderhavige regeling slechts nadere regels geeft voor zover dit noodzakelijk is gelet op de aard en de organisatie (alsmede – zolang instelling van de ondernemingsraad op grond van de Wet op de ondernemingsraden nog niet heeft plaatsgevonden – de overlegstructuur) van de burgerlijke openbare dienst en de rechtspositie van het overheidspersoneel, betekent dit in feite dat zij zich richt tot dat gedeelte van de openbare dienst waar de taken van de overheid als zodanig in het geding zijn zoals bijvoorbeeld bij de politie en de brandweer (of waar – eveneens zolang de instelling van een ondernemingsraad nog niet heeft plaatsgevonden een eigen overlegstructuur van toepassing is). Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met de eigen rechtspositie van het personeel.

In het verleden is de vraag gerezen of de Arbeidsomstandighedenwet ook van toepassing kan zijn ten aanzien van arbeid verricht door voor het leven benoemde, onafhankelijke ambtenaren zoals de leden van de rechterlijke macht, de Raad van State en de Algemene Rekenkamer. Vaststaat dat de aard van hun werkzaamheden bijzonder is, omdat zij hun werk in onafhankelijkheid verrichten. De vereiste onafhankelijkheid geldt echter alleen voor de inhoud van het werk en niet voor de omstandigheden waaronder het wordt verricht. Immers ook voor onafhankelijke ambtenaren geldt dat de doelstelling van de Arbeidsomstandighedenwet, te weten het bevorderen van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid, wordt onderschreven. Uiteraard maakt de Arbeidsomstandighedenwet geen inbreuk op de onafhankelijkheid die vereist is voor de inhoud van het werk. De zojuist gestelde vraag kan dan ook bevestigend worden beantwoord.

Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de Arbeidsomstandighedenwet, behoudens ten aanzien van arbeid aan boord van zeeschepen en luchtvaartuigen op grond van artikel 2, derde lid, van de wet, niet buiten de grenzen van Nederland van toepassing is. Zij geldt derhalve niet voor personeel in burgerlijke openbare dienst dat in het buitenland arbeid verricht zoals bijvoorbeeld het Nederlandse ambassadepersoneel. Overigens wordt ten aanzien van het overheidspersoneel dat in het buitenland werkzaam is, er al jaren naar gestreefd om zoveel mogelijk in de geest van de Arbeidsomstandighedenwet te handelen.

Artikel 2, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet beperkt zich tot arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst. Dit lid heeft geen betrekking op arbeid verricht in militaire dienst. Ten aanzien van arbeid verricht in militaire dienst is in artikel 2, vijfde lid, van de wet een afzonderlijke bepaling opgenomen. De werkzaamheden verricht in het kader van het onderwijs, het vervoer en de justitiële inrichtingen (geregeld in respectievelijk artikel 2, eerste, derde en vierde lid, van de wet), kunnen evenwel al dan niet in overheidsdienst worden verricht. Er zijn immers zowel openbare als bijzondere scholen en buschauffeurs kunnen zowel in dienst zijn van een gemeente als van een particulier bedrijf. Wat is dan rechtens?

Artikel 1.16 van dit besluit geeft een regeling ter zake. Op de algemene regel dat afdeling 4 van hoofdstuk 1 van toepassing is op arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst, kent dit artikel een drietal uitzonderingen. In de eerste plaats wordt een uitzondering gemaakt ten aanzien van verrichtingen van leerlingen en studenten en personeel in onderwijsinrichtingen. In de tweede plaats geldt een uitzondering ten aanzien van arbeid verricht in justitiële inrichtingen. Tot slot wordt arbeid, verricht door burgerpersoneel werkzaam bij het Ministerie van Defensie met inbegrip van de daaronder ressorterende diensten, instellingen en bedrijven, uitgezonderd.

Ontslagbescherming

De bij de Arbeidsomstandighedenwet geregelde ontslagbescherming van deskundigen, welke overeenkomt met de regeling die op grond van artikel 21, derde tot en met vijfde lid, van de Wet op de ondernemingsraden voor onder meer kandidaat-ondernemingsraadsleden geldt, zal overeenkomstig het in de publieke sector gebruikelijke systeem geregeld blijven. Een daartoe strekkende regeling is opgenomen in artikel 1.8, eerste en tweede lid, van dit besluit. Zoals in paragraaf 1.3.1.1 van deze toelichting reeds is opgemerkt, is deze regeling mede van toepassing op de overige bijzondere overheidssectoren, te weten het onderwijs, de justitiële inrichtingen en defensie. Voor een toelichting op deze regeling wordt kortheidshalve verwezen naar hetgeen in die paragraaf ter zake is gesteld.

In aanvulling daarop zij met betrekking tot het tweede lid van artikel 1.8 nog het volgende opgemerkt. Het tweede lid beoogt aan deskundigen op wie het Algemeen Rijksambtenarenreglement van toepassing is en die werkzaam zijn in de burgerlijke openbare dienst, waaronder het justitiële personeel, en op wie een eigen rechtspositieregeling, anders dan het Algemeen Rijksambtenarenreglement van toepassing is, voor zover nodig, eveneens ontslagbescherming te bieden.

Een ontslagbeschermingsregeling als bedoeld in artikel 126d, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, is onder meer niet nodig voor die gemeente-ambtenaren, waarvan het gemeentebestuur de model-regeling van het Centraal Orgaan (thans: College voor Arbeidszaken) heeft overgenomen.

Het Algemeen Ambtenarenreglement – naar het model van het Centraal Orgaan – kent, anders dan het Algemeen Rijksambtenarenreglement, een zogenoemd «gesloten» systeem van ontslaggronden. Dit betekent dat ontslag van een ambtenaar, ongeacht of hij in vaste of tijdelijke dienst is aangesteld, alleen dan mogelijk is, wanneer een van de limitatief in het reglement opgesomde ontslaggronden van toepassing is. Een bepaling zoals opgenomen in artikel 95 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement komt in het model-Algemeen Ambtenarenreglement dan ook niet voor. Komt in een gemeentelijke, provinciale of andere rechtspositieregeling een bepaling als bedoeld in artikel 95 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement toch voor, en is daarin niet voorzien in een ontslagbescherming die vergelijkbaar is met die van ondernemingsraadsleden, dan is het tweede lid van artikel 1.8 onverkort van toepassing.

Als gevolg van de gewijzigde Wet op de ondernemingsraden zijn de eertijds in het Arbeidsomstandighedenbesluit burgerlijke openbare dienst opgenomen bepalingen inzake de samenwerking en het overleg ten aanzien van deze sector vervallen. Voor zover op grond van genoemde wet nog geen ondernemingsraden zijn ingesteld, blijven zoals gezegd, bedoelde bepalingen met inbegrip van een bepaling inzake de benadelingsbescherming, van toepassing op grond van artikel 9.37 van dit besluit. Voor een toelichting op dit artikel zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Uitzonderingen op de toepasselijkheid

In afdeling 4 van hoofdstuk 1 van dit besluit zijn een tweetal uitzonderingen opgenomen met betrekking tot het in artikel 2, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet neergelegde uitgangspunt dat deze wet van toepassing is op arbeid verricht in de burgerlijke openbare dienst. Het betreft uitzonderingen met betrekking tot:

a. de politie en brandweer, en

b. de veiligheid van de staat.

Ad a. De politie en brandweer

Artikel 1.17 van dit besluit beoogt duidelijk te maken dat wanneer er tegenstrijdigheid van belangen ontstaat bij enerzijds het van toepassing zijn van bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet en anderzijds de taak van de overheid ten aanzien van het daadwerkelijk handhaven van de openbare orde, het opsporen van strafbare feiten en de repressieve taak op het gebied van de brand-, ongevals- of rampenbestrijding (over deze repressieve taak wordt hieronder nader ingegaan), deze laatste belangen prevaleren. Immers in deze situaties gaat het niet alleen om de veiligheid en de gezondheid van het overheidspersoneel bij hun werkzaamheden, maar dienen ook belangen van derden een rol te spelen bij het beoordelen van de totale situatie. Terwijl van de Arbeidsinspectie met name wordt verwacht zonodig op te treden in de relatie werkgever–werknemer, is hier een verderstrekkend belang aan de orde.

De hieronder geschetste uitzonderingen op de toepasselijkheid van artikel 11 en de artikelen 35, 36, 37 en 38 van de Arbeidsomstandighedenwet gelden ook voor de bijzondere sectoren vervoer, justitiële inrichtingen en defensie. Waar mogelijk wordt in de toelichting met betrekking tot genoemde sectoren verwezen naar de onderhavige paragraaf.

Artikel 11 van de Arbeidsomstandighedenwet beoogt gevaar voor andere personen dan werknemers te voorkomen. Deze bepaling luidt: «Indien bij of in rechtstreeks verband met de arbeid die de werkgever door zijn werknemers doet verrichten, in een bedrijf of een inrichting of in de onmiddellijke omgeving daarvan enig gevaar kan ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, moet de werkgever doeltreffende maatregelen nemen ter voorkoming van dat gevaar».

Hoewel uit de toelichting bij deze bepaling blijkt dat met name is gedacht aan het voorkomen van gevaar voor bijvoorbeeld andere personen dan werknemers in een bedrijf of inrichting en aan bijvoorbeeld omwonenden, sluit de tekst van deze bepaling een ruimere toepassing niet uit, zodat een nadere afbakening ten aanzien van bepaalde categorieën overheidspersoneel gewenst is. Met betrekking tot genoemd artikel kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat de politie of brandweer bij de uitoefening van haar (repressieve) taak niet kan voorkomen dat voor derden gevaar ontstaat voor hun veiligheid of gezondheid. Wel zijn er maatregelen getroffen om geen onnodig gevaar op te roepen. Deze maatregelen zijn vervat in de Ambtsinstructie voor politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar, welk besluit is gebaseerd op artikel 9 van de Politiewet 1993. Politieambtenaren zijn gehouden zich te gedragen overeenkomstig de voor hen geldende voorschriften. Aangenomen moet worden dat deze voorschriften voldoende zijn ter voorkoming van onnodig gevaar voor derden.

Ook ten aanzien van de artikelen 35 betreffende de aanwijzing door de Arbeidsinspectie bij het niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze naleven van voorschriften van de wet en voor zover zulks is bepaald, de daarop gebaseerde nadere regelgeving, en 36 inzake de eis tot naleving betreffende de wijze waarop voorschriften op grond van respectievelijk de artikelen 2, 4 en 24 van de Arbeidsomstandighedenwet moeten worden nageleefd, geldt dat eventuele aanwijzingen en eisen die gesteld worden, niet ten koste mogen gaan van het daadwerkelijk handhaven van de openbare orde en het opsporen van strafbare feiten in concrete situaties. Onmiddellijke actie kan immers geboden zijn. Bovendien behoort de wijze van aanpak in een bepaalde situatie primair tot de verantwoordelijkheid van de politie.

Hetgeen hierboven is vermeld geldt in nog sterkere mate ten aanzien van artikel 37 van de Arbeidsomstandighedenwet. Immers op grond van artikel 37 kan de Arbeidsinspectie bevelen dat personen niet in bepaalde plaatsen mogen blijven of dat werkzaamheden moeten worden gestaakt of niet mogen worden aangevangen als dit naar het redelijk oordeel van de betreffende inspectieambtenaar ernstig gevaar oplevert voor personen. Een dergelijk bevel werkt onmiddellijk, zij het dat zo'n bevel binnen drie dagen aan de President van de bevoegde Arrondissementsrechtbank moet worden voorgelegd ter bekrachtiging. Aangenomen mag worden dat een bevel tot stillegging slechts in zeer gevaarlijke situaties wordt gegeven. Het is echter inherent aan de taak van de politie zich onder omstandigheden in gevaarlijke omstandigheden te begeven en soms te blijven. Met name in precaire situaties is het ongewenst dat van de zijde van de Arbeidsinspectie zou worden geïntervenieerd.

Aangenomen mag worden dat het ter zake bevoegde gezag de voor die situatie nodige voorzorgsmaatregelen treft; vaststaat dat de verantwoordelijkheid voor het personeel alsmede voor derden in deze omstandigheden primair blijft berusten bij het betreffende bevoegde gezag. Tevens behoudt de Arbeidsinspectie een verantwoordelijkheid. Deze zal in dergelijke gevallen zeer zorgvuldig alle in het geding zijnde belangen moeten afwegen.

Artikel 38 van de Arbeidsomstandighedenwet geeft aan een individuele werknemer de bevoegdheid om met behoud van loon, het werk te onderbreken en de onderbreking voort te zetten indien en zolang er naar zijn redelijk oordeel ernstig gevaar is voor personen en het gevaar zo onmiddellijk dreigt, dat de Arbeidsinspectie niet tijdig kan optreden.

Deze bepaling geeft voorrang aan de veiligheid en gezondheid van de werknemer dan wel andere personen in het bedrijf, boven het onbelemmerd voortgaan van de werkzaamheden. Uitgangspunt daarbij is dat bij de beoordeling van de vraag of een werkonderbreking al dan niet terecht heeft plaatsgevonden, mede de taak van de betrokkene en de eventuele, inherent aan die taak verbonden verantwoordelijkheden voor de veiligheid en de gezondheid van andere personen, in aanmerking moeten worden genomen. Omdat het echter onomstotelijk vast moet staan dat wettelijke taken betreffende de handhaving en het herstel van de openbare orde, het opsporen van strafbare feiten en de repressieve taken op het gebied van de brand-, ongevals- of rampenbestrijding, prevaleren boven het individuele recht op werkonderbreking, is voor alle duidelijkheid een bepaling van deze strekking opgenomen.

Tot slot nog enige opmerkingen over het feit dat de onderhavige uitzondering zich beperkt tot dat gedeelte van de taak van de brandweer, dat betrekking heeft op het repressief optreden bij brand, ongevallen en rampen. Alleen dan immers zullen zich de onverwachte, concreet gevaarlijke situaties kunnen voordoen waarbij, als boven omschreven, belangen in het kader van de arbeidsomstandigheden moeten kunnen wijken voor het belang van een goede taakuitoefening.

Bij andere werkzaamheden van de brandweer zoals het beperken van brandgevaar of het voorkomen van brand, behoort de Arbeidsomstandighedenwet ten behoeve van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers en in overeenstemming met de doelstellingen van de in deze afdeling opgenomen bijzondere regeling voor de onderhavige sector, integraal te worden toegepast. Dat geldt ook voor het optreden bij oefeningen en andere gesimuleerde situaties. In zulke gevallen mogen er geen redenen zijn die het tijdelijk buiten werking stellen van een aantal instrumenten van de Arbeidsinspectie, van het recht op werkonderbreking of van de verplichting voor de werkgever om gevaar voor derden te voorkomen, zouden kunnen rechtvaardigen.

Met betrekking tot personeelsleden van een bedrijfsbrandweer, die geen arbeid verrichten in de burgerlijke openbare dienst, is afdeling 4 van hoofdstuk 1 niet van toepassing. Deze afdeling is evenmin van toepassing op werknemers van andere bij de ongevals- en rampenbestrijding betrokken organisaties dan de overheidsbrandweer en de politie. De vraag of ten behoeve van deze categorie werknemers die materieel soms in een vergelijkbare positie kunnen verkeren als werknemers van de overheidsbrandweer, eveneens in een speciale wettelijke regeling moet worden voorzien, is destijds door de Arboraad in zijn advies van 3 mei 1990 (nr. R-2150/vZ/edr) ontkennend beantwoord. Naar diens mening behoeft er voor deze groepen werknemers, wanneer de bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet op een redelijke wijze worden geïnterpreteerd, van conflicterende belangen en van belemmering van een goede taakuitoefening geen sprake te zijn. De Brandweerraad adviseerde destijds om de noodzaak van een dergelijke speciale regeling vooraf te doen gaan door een onderzoek (advies van 8 maart 1990, nr. RBR89/U2394).

De vertegenwoordigers van de werkgevers in de SER hebben gevraagd hoe het met dit onderzoek staat. In antwoord hierop wordt opgemerkt dat dit onderzoek door omstandigheden niet meer heeft plaatsgevonden. Inmiddels is wel duidelijk dat, hoewel zich in de praktijk met betrekking tot personeelsleden van een bedrijfsbrandweer en andere bij de ongevals- en rampenbestrijding betrokken organisaties dan de overheidsbrandweer en de politie, nimmer problemen hebben voorgedaan, ook hier een specifieke voorziening, analoog aan die voor de overheidsbrandweer, op zijn plaats is. In het kader van het in paragraaf 9.2.3 van het algemeen deel van de nota van toelichting genoemde project heroriëntatie arbobeleid en Arbeidsomstandighedenwet, zal deze problematiek, in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken, nader worden geregeld.

Ad b. De veiligheid van de Staat

Artikel 1.18 van dit besluit bevat een bijzondere bepaling met betrekking tot de toepasselijkheid van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met de veiligheid van de staat.

Bij de rijksdienst berusten gegevens waarvan kennisneming door niet-gerechtigden schade kan veroorzaken aan de veiligheid of het belang van de staat dan wel van zijn bondgenoten. De artikelen 98 en volgende van het Wetboek van Strafrecht bevatten strafbepalingen met betrekking tot verschillende vormen van schending van deze staatsgeheimen. Daar repressieve beveiliging alléén, gezien de belangen waar het om gaat, niet voldoende wordt geacht, is bovendien voorzien in een preventieve beveiliging. Zo zijn bij verordeningen van de minister-president, Minister van Algemene Zaken, vastgesteld in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, verschillende ambtelijke instructies in het leven geroepen, die bij de behandeling van deze staatsgeheime gegevens in acht genomen moeten worden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de Aanwijzingen voor de beveiliging van staatsgeheimen en vitale onderdelen bij de rijksdienst en het Voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst, alsmede verschillende voorschriften op het terrein van de verbindingsbeveiliging. Daarnaast zijn er bij of krachtens bondgenootschappelijke- of andere internationale overeenkomsten voorschriften vastgesteld, die regels stellen met betrekking tot de behandeling van staatsgeheimen en gegevens van internationale herkomst.

Personeel dat werkzaam is voor of ten behoeve van inlichtingen- en veiligheidsdiensten moet taken verrichten waarvan de goede uitvoering niet mag worden belemmerd door de toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet. Het is daarom noodzakelijk die bepalingen van de wet die een goede uitoefening van bovenbedoelde taken in de weg kunnen staan slechts in zoverre van toepassing te verklaren dat die goede taakuitoefening niet wordt belemmerd. Als mogelijk belemmerende bepalingen kunnen de artikelen 35, 36 en 37 van de wet worden aangemerkt. Bedoelde artikelen kunnen belemmerend werken bij de daadwerkelijke uitoefening van werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld personen die een gevaar kunnen vormen voor de staatsveiligheid moeten worden geobserveerd. Voorts kan in dit verband ook gedacht worden aan werkzaamheden ter voorkoming van een terroristische aanslag, verricht door ambtenaren genoemd in artikel 18 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Gelet op het bovenstaande is in het eerste lid van artikel 1.18 van dit besluit een bepaling opgenomen die de artikelen 35, 36 en 37 van de wet buiten toepassing verklaart, indien deze een goede uitoefening van de taken bedoeld in artikel 8, tweede lid onder a, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, belemmert.

Het tweede lid van artikel 1.18 strekt er toe, buiten twijfel te stellen dat deze voorschriften onverkort van kracht zijn bij de toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet op arbeid verricht in de rijksdienst. Dit betekent onder meer, dat slechts dié ambtenaren van de Arbeidsinspectie gerechtigd zijn tot kennisneming van staatsgeheime gegevens, ten aanzien van wie op grond van een veiligheidsonderzoek is vastgesteld dat voldoende waarborgen aanwezig kunnen worden geacht dat zij de aan hun functie verbonden plichten met betrekking tot de geheimhouding van deze gegevens naar behoren zullen volbrengen.

Het derde lid van artikel 1.18 beoogt de beveiliging van met name het operationele werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te waarborgen.

Voorop staat dat genoemde diensten niet uitgesloten zijn van de toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet. Wel dient deze toepassing haar begrenzing te vinden in de omstandigheid dat deze diensten de hun opgedragen taken slechts kunnen vervullen, indien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder die taak wordt vervuld, slechts bekend zijn aan de direct betrokkenen. In dit opzicht onderscheiden deze diensten zich wezenlijk van andere onderdelen van de rijksdienst. Dit bijzondere karakter van bedoelde werkzaamheden heeft erkenning gevonden in wettelijke regelingen. Gewezen wordt op artikel 14 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, op grond waarvan de hoofden van deze diensten belast zijn met de zorg voor de geheimhouding van de gegevens en de bronnen en met de zorg voor het waarborgen van de veiligheid van de personen van wier diensten gebruik wordt gemaakt. Voorts wordt gewezen op het feit, dat de gebouwen van enkele van deze diensten op grond van artikel II van de Wet bescherming staatsgeheimen in verband met de bescherming van staatsgeheimen zijn aangewezen als verboden plaats. Ook in de regeling van het parlementaire toezicht op deze diensten – uitgeoefend door de vaste commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten – ligt een erkenning van het bijzondere karakter besloten. Dit bijzondere karakter brengt met zich dat het eerste lid van artikel 1.18 onvoldoende garanties biedt voor de beveiliging van met name het operationele werk van deze diensten. Het tweede lid beoogt deze garantie wel te geven. Deze bepaling leidt er bijvoorbeeld toe dat een ambtenaar van de Arbeidsinspectie niet dan na overleg met het hoofd van een dienst als de onderhavige, de betreffende gebouwen mag betreden.

§ 1.3.1.3 De Arbeidsomstandighedenwet en het vervoer

De bijzondere positie van de vervoerssector

De in de Arbeidsomstandighedenwet neergelegde regels inzake de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid zijn in principe van toepassing op allen die arbeid verrichten. In artikel 2, vierde lid, van de wet is de mogelijkheid geopend om voor arbeid in, onderscheidenlijk op een vervoermiddel (vrachtauto, bus, auto, vliegtuig, helikopter, zeeschip, binnenvaartschip, trein, metro, tram en dergelijke) bepaalde regels op dit terrein geheel of gedeeltelijk niet van toepassing te verklaren. Tevens kunnen op basis van het vierde artikellid afwijkende of aanvullende regels voor deze sector worden vastgesteld. Deze laatste mogelijkheid is recent aan de wet toegevoegd door middel van een bij de Arbeidstijdenwet vastgestelde wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet. Hierbij is het oorspronkelijke derde lid van artikel 2, vernummerd tot vierde lid.

Voor een goed begrip wordt opgemerkt dat de Arbeidsomstandighedenwet onverkort van toepassing is op arbeid die geheel of gedeeltelijk plaatsvindt rondom, onderscheidenlijk aan een vervoermiddel zoals laden en lossen, aan- of verbouw en herstel-, sloop- dan wel onderhouds- of reinigingswerkzaamheden.

De bepalingen voor de vervoerssector zijn primair vervat in afdeling 5 van hoofdstuk 1 van dit besluit. In deze afdeling zijn de bepalingen opgenomen van de voormalige Arbeidsomstandighedenregeling vervoermiddelen, voor zover die bepalingen betrekking hebben op de werkingssfeer van de Arbeidsomstandighedenwet. Slechts indien een voorschrift met betrekking tot de in een van de hoofdstukken van dit besluit geregelde onderwerpen is uitgezonderd, is deze uitzondering opgenomen in de laatste afdeling van het hoofdstuk waarin het betreffende voorschrift is geregeld. Het betreft hier uitzonderingen met betrekking tot:

– de bedrijfshulpverlening (artikel 2.44);

– de inrichting arbeidsplaatsen (artikel 3.42);

– gevaarlijke stoffen (artikel 4 103);

– beeldschermwerk (artikel 5.13);

– fysische factoren (artikelen 6.21 tot en met 6.24), en

– arbeidsmiddelen (artikel 7.37).

Ten slotte kan nog gewezen worden op de overgangsmaatregel tot 1 januari 2002 in verband met de verplichting tot het opstellen van een arbeidsveiligheidsrapport in de vervoerssector (zie artikel 9.35).

Voor een toelichting op de uitzonderingen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2, derde – thans vierde – lid, van de wet, blijkt «dat slechts in gevallen waarin de geheel eigen aard van het betrokken vervoer zich verzet tegen de toepassing van de algemene voorschriften, gegeven bij of krachtens de voorgestelde wet, van de uitzonderingsmogelijkheid gebruik zal worden gemaakt» (Handelingen II, 1978/79, 14 497, no. 5, blz. 49). Bovendien mogen «afwijkende regelen er niet toe leiden dat voor de bedoelde categorie ongunstiger arbeidsomstandigheden gelden dan de algemeen geldende. Voor zover de eigen aard van het betrokken vervoer zulks toelaat, zullen de uitzonderingsregels voor de vervoerssector dan ook van gelijkwaardig niveau moeten zijn als de algemeen geldende» (Handelingen II, 1979/80, 14 497 no. 11, blz. 28).

Uitgangspunt is derhalve dat de Arbeidsomstandighedenwet in beginsel geheel van toepassing is op alle middelen van vervoer in alle vervoerssectoren. Handhaving van en medewerking aan de uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet geschiedt door de Arbeidsinspectie, de Luchtvaartinspectie en de Scheepvaartinspectie. Uitvoeringsproblemen die door toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet en de verschillende wettelijke vervoersregelingen kunnen ontstaan, zijn opgelost door middel van afspraken tussen de betrokken inspectiediensten. Deze afspraken zijn neergelegd in zogenoemde cordinatieregelingen, welke als bijlagen bij de aanwijzigingsregeling inzake toezichthoudende ambtenaren van de Lucht- en Scheepvaartinspectie in de Staatscourant zullen worden gepubliceerd.

De Lucht- en Scheepvaartinspectie zullen een zelfde handhavingsbeleid voeren als de Arbeidsinspectie ten aanzien van de handhaving en de uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet. Desgewenst en voor zover mogelijk zullen de andere inspectiediensten hun planning aanpassen aan de systematiek van de Arbeidsinspectie. Ad-hoc aansluiting bij deze systematiek wordt in overleg tussen deze diensten geregeld.

De Arbeidsomstandighedenwet is niet specifiek toegesneden op de vervoerssector, hetgeen een aantal praktische problemen oplevert. Een aantal van deze problemen is door middel van aanpassingen van de Arbeidsomstandighedenwet bij de Arbeidstijdenwet inmiddels opgelost. Bedoelde aanpassingen betroffen:

– de volledige toedeling van de toezichtsinstrumenten op grond van de Arbeidsomstandighedenwet aan de Lucht- en Scheepvaartinspectie;

– een wijziging van artikel 7, derde lid, van de wet, zodat jeugdige werknemers in de zeescheepvaart de voor hen relevante arbeids- en rusttijdenregeling krijgen uitgereikt;

– een uitbreiding van de werkingssfeer van de wet tot Nederlandse zeeschepen en luchtvaartuigen die zich in het buitenland bevinden (thans het derde lid van artikel 2), en

– een wijziging van artikel 2, derde lid, van de wet teneinde deze beter te doen aansluiten bij de afspraken die tussen de Ministers van Verkeer en Waterstaat en Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn gemaakt over de toepassing van de wet op het vervoer (thans het vierde lid van artikel 2).

Voor de overwegingen die hieraan ten grondslag hebben gelegen wordt verwezen naar de derde nota van wijziging bij de Arbeidstijdenwet (kamerstukken II 1994/95, 23 646 nr. 13).

(Extra) territoriale werking

De Nederlandse wetgeving heeft in beginsel territoriale werking. Dit betekent dat alle arbeid op Nederlands grondgebied onder de werking van de Arbeidsomstandighedenwet valt, ook als die arbeid wordt verricht aan boord van buitenlandse vervoermiddelen. In aanvulling daarop bepaalt artikel 3 van het Wetboek van Strafrecht: «De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt». Artikel 91 van het Wetboek van Strafrecht houdt in, dat vorenbedoelde voorschriften ook van toepassing zijn op feiten waarop bij andere wetten dan het Wetboek van Strafrecht straf is gesteld. De Arbeidsomstandighedenwet bevat een groot aantal voorschriften waarop in de Wet op de economische delicten straf wordt gesteld. Feiten, strafbaar gesteld in deze wet aan boord van Nederlandse vaartuigen en luchtvaartuigen buiten Nederland begaan, kunnen op deze manier eveneens worden vervolgd. Bedacht moet worden dat dit niet geldt voor strafbare feiten begaan aan boord van andere voertuigen.

Vóór de totstandkoming van eerdergenoemde wijziging van artikel 2, derde en vierde lid, van de wet, was het niet mogelijk de algemene toezichtsinstrumenten zoals de aanwijzing en de eis tot naleving (respectievelijk artikel 35 en 36 van de wet) aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig buiten Nederland te gebruiken. Hierdoor ontstond de vreemde situatie dat het opsporen van strafbare feiten begaan aan boord van Nederlandse zeeschepen en luchtvaartuigen mogelijk was, doch de (veelal) hieraan voorafgaande toezichtsinstrumenten aan boord van zeeschepen en luchtvaartuigen niet konden worden gehanteerd. Met meergenoemde wetswijziging is deze inconsequentie opgeheven. Artikel 2, derde lid (nieuw), bepaalt thans, dat de wet en de daarop gebaseerde regelgeving ook gelden ten aanzien van arbeid die geheel of gedeeltelijk buiten Nederland wordt verricht door personen, werkzaam aan boord van zeeschepen die op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren, alsmede op arbeid die voor een in Nederland gevestigde werkgever geheel of gedeeltelijk buiten Nederland wordt verricht door personen, werkzaam aan boord van luchtvaartuigen.

Omdat de Nederlandse wetgeving zich uitstrekt tot het gehele Nederlandse grondgebied en ieder die zich daar bevindt, is de Arbeidsomstandighedenwet in principe ook van toepassing op niet-Nederlandse voertuigen die zich op Nederlands grondgebied bevinden. Dit beginsel ligt ook ten grondslag aan de wetgeving in andere landen. Om te voorkomen dat voertuigen bij het interstatelijk verkeer telkens geconfronteerd worden met andere regels, zijn voor bepaalde voertuigen internationale afspraken hierover gemaakt: voor luchtvaartuigen is dit met name gebeurd in het Verdrag van Chicago; voor zeeschepen in verschillende verdragen van de Internationale Maritieme Organisatie, of de Internationale Arbeidsorganisatie.

De Arbeidsomstandighedenwet is op grond van artikel 94 van de Grondwet niet van toepassing voor zover deze in strijd is met internationale verdragen zoals de voornoemde. Aangezien deze internationale bepalingen slechts een beperkt terrein van de arbeidsomstandighedenwetgeving bestrijken, is in artikel 1.19, eerste respectievelijk vierde lid, van dit besluit bepaald, dat de Arbeidsomstandighedenwet in Nederland niet van toepassing is in onderscheidenlijk op een zeeschip, dat niet op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren of een luchtvaartuig dat niet in Nederland thuis behoort. Op grond van het tweede, respectievelijk vijfde lid van genoemd artikel geldt de wet echter, voor zover verdragen zulks toelaten, wel in onderscheidenlijk op een «niet-Nederlands» zeeschip of luchtvaartuig dat zich in Nederland bevindt, indien het betreft aanbouw, verbouwing, herstelling of sloping, dan wel onderhouds- of reinigingswerkzaamheden en hiermee verband houdende andere werkzaamheden. Hetzelfde geldt voor het laden en lossen van een «niet-Nederlands» zeeschip of luchtvaartuig. Dit in verband met het feit dat zulke arbeid in de meeste gevallen door Nederlandse werknemers wordt verricht. Voor zover het laden en lossen van een «niet-Nederlands» zeeschip echter plaatsvindt door de bemanningsleden van het schip zelf, hetgeen, anders dan bij luchtvaartuigen, niet ongebruikelijk is, geldt de Arbeidsomstandighedenwet op grond van het tweede lid van meergenoemd artikel, niet.

In artikel 1.19, eerste lid, van dit besluit, is van de gelegenheid gebruik gemaakt de omschrijving van het begrip «niet-Nederlands zeeschip», dat in de Arbeidsomstandighedenregeling vervoermiddelen was gekoppeld aan artikel 2 van de Schepenwet, in overeenstemming te brengen met de terminologie van artikel 2, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. Dit betekent noch een uitbreiding zoals de werkgeversvertegenwoordigers in de SER veronderstellen, noch een beperking zoals de vertegenwoordigers van werknemers in deze Raad menen, van de werkingssfeer van dit artikel.

Ten aanzien van buitenlandse wegvoertuigen, binnenvaartuigen en railvoertuigen op Nederlands grondgebied is de Arbeidsomstandighedenwet in beginsel van toepassing.

Toekomstige arbeidsomstandighedenregelgeving voor de vervoerssector

Ten aanzien van toekomstige regelgeving inzake veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met de arbeid in de vervoerssector zal, wanneer er sprake is van essentiële arbo-aspecten, worden afgewogen waar dergelijke regelgeving wordt opgenomen; in het Arbeidsomstandighedenbesluit of in de verkeers- en vervoerswetgeving. Hierover zijn destijds bij de totstandkoming van de Arbeidsomstandighedenregeling vervoermiddelen de navolgende afspraken gemaakt, die ook thans van toepassing zijn:

– Met betrekking tot door Verkeer en Waterstaat te initiëren vervoersregelgeving met essentiële arbo-aspecten, daaronder begrepen de regelgeving die voortvloeit uit internationale vervoersregelgeving, zal de Minister van Verkeer en Waterstaat het initiatief nemen tot tijdig interdepartementaal overleg. In het geval dat sprake is van essentiële arbo-problematiek zal de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER worden betrokken in de afweging in welke wetgeving een en ander dient te worden geregeld.

– Wanneer in gezamenlijk overleg is besloten dat vorenbedoelde regelgeving door middel van de Arbeidsomstandighedenwet zal worden uitgevoerd, vindt mede-ondertekening plaats door de Minister van Verkeer en Waterstaat.

– Regelgeving op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (niet voortvloeiend uit internationale vervoersregelgeving), van toepassing op het vervoer, komt tot stand in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat. Met betrekking tot deze regelgeving zal de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER zo nodig op de gebruikelijke wijze om advies worden gevraagd.

– De Minister van Verkeer en Waterstaat wordt in een zo vroeg mogelijk stadium (in elk geval bij het overleg op expert-niveau) betrokken bij de voorbereiding van arbeidsomstandigheden-regelgeving in EG-verband, die van toepassing zal zijn op het vervoer. De Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER zal, waar nodig, met betrekking tot deze regelgeving om advies worden gevraagd.

– De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal betrokken worden (eveneens op expert-niveau) bij de voorbereiding van EG-regelgeving op vervoersgebied, voor zover hierbij essentiële arbo-aspecten in het geding zijn.

Voor alle duidelijkheid wordt met betrekking tot de medebetrokkenheid van de Minister van Verkeer en Waterstaat nog het volgende opgemerkt.

Eventuele toekomstige wijzigingen van het onderhavige besluit, waarbij voor een of meer categorieën vervoermiddelen, een of meer voorschriften niet van toepassing worden verklaard dan wel aanvullende of afwijkende voorschriften worden vastgesteld, zijn mede gebaseerd op artikel 2, vierde lid, van de wet. Dit houdt in dat zij mede ondertekend worden door de Minister van Verkeer en Waterstaat. Hetzelfde geldt voor het eventueel laten vervallen van bestaande uitzonderingen voor een of meer categorieën vervoermiddelen dan wel het aanbrengen van wijzigingen in deze uitzonderingen. Voor alle overige eventuele toekomstige wijzigingen van dit besluit gelden de afspraken zoals deze hierboven zijn weergegeven en reeds waren opgenomen in de toelichting bij de Arbeidsomstandighedenregeling vervoermiddelen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de regels over medebetrokkenheid zoals deze zijn opgenomen in de aanwijzingen voor de regelgeving.

Toepasselijkheid

Artikel 1.19 van dit besluit regelt de toepasselijkheid van de Arbeidsomstandighedenwet op het vervoer. Zoals hierboven reeds is aangegeven, is de Arbeidsomstandighedenwet niet van toepassing op zeeschepen die niet op grond van de Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren en op luchtvaartuigen die niet in Nederland zijn geregistreerd. Deze uitzondering geldt, zoals hierboven reeds is vermeld, niet met betrekking tot aanbouw, verbouwing, herstelling of sloping dan wel onderhouds- of reinigingswerkzaamheden en hiermee verband houdende andere werkzaamheden in Nederland. Hetzelfde geldt voor het laden en lossen, met een uitzondering van het laden en lossen door leden van de bemanning van een «niet-Nederlands» zeeschip zelf. De onderhavige regeling volgt de destijds geldende Veiligheidswet 1934 en de nadien voor deze sector vastgestelde Arbeidsomstandighedenregeling vervoermiddelen.

Voor de toepassing van artikel 1.19 behoort een zeeschip in Nederland thuis, als het op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren. Voor de luchtvaartuigen is, in het vierde lid van dit artikel, aangesloten bij artikel 1, aanhef en onder f, van de Luchtvaartwet, waarin is bepaald dat onder buitenlandse luchtvaartuigen worden verstaan luchtvaartuigen ingeschreven in een buitenlands luchtvaartuigregister.

Het komt in de luchtvaart voor dat Nederlandse luchtvaartuigen door niet-Nederlandse werkgevers met een niet-Nederlandse bemanning worden gebruikt. De enige Nederlandse betrokkenheid ligt dan in de registratie van het luchtvaartuig in Nederland. Het is niet wenselijk dat in dergelijke situaties Nederlandse wetgeving van toepassing is, waarop door Nederlandse inspectie-organen toezicht moet worden uitgeoefend. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel 1.19, derde lid, aanhef. Deze regel leidt uitzondering als in een dergelijk luchtvaartuig arbeid wordt verricht door in meerderheid in Nederland woonachtige werknemers en in geval het gaat om het laden en lossen van een dergelijk luchtvaartuig in Nederland of sprake is van aanbouw, verbouwing, herstelling of sloping dan wel van onderhouds- of reinigingswerkzaamheden en hiermee verbandhoudende andere werkzaamheden aan deze luchtvaartuigen in Nederland. In deze situaties geldt de Arbeidsomstandighedenwet wel. Onder Nederlandse luchtvaartuigen wordt in artikel 1, aanhef en onder e, van de Luchtvaartwet verstaan: luchtvaartuigen, die zijn ingeschreven in een Nederlands luchtvaartuigregister of ten aanzien waarvan met betrekking tot de inschrijving artikel 4, tweede lid, van de Luchtvaartwet, toepassing heeft gevonden. «Ter beschikking is gesteld» kan duiden op verhuur, uitleen, lease of andere vorm, waarbij de niet-Nederlandse werkgever het luchtvaartuig in gebruik neemt. Voor de vraag of iemand woonachtig is in Nederland moet aansluiting worden gezocht bij artikel 10 en volgende van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Het tegenovergestelde van de voornoemde variant doet zich ook voor: een Nederlandse werkgever, die om hem moverende redenen een niet in Nederland geregistreerd luchtvaartuig in gebruik neemt, waarop hij met een Nederlandse bemanning gaat werken. Het gaat dan om een niet in Nederland geregistreerd luchtvaartuig, met als gevolg dat de Arbeidsomstandighedenwet niet van toepassing is, behoudens ten aanzien van laden en lossen, aanbouw, verbouwing, herstelling of sloping dan wel onderhouds- of reinigingswerkzaamheden en hiermee verband houdende andere werkzaamheden in Nederland.

Door de werkgeversvertegenwoordigers in de SER is ten aanzien van het Europese spoorwegverkeer een aparte voorziening bepleit, die er in de kern op zou moeten neerkomen dat de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop gebaseerde regelgeving (binnen Nederland) niet van toepassing is op arbeid in railvoertuigen, gestationeerd buiten Nederland, voor zover daar arbeid op wordt verricht door werknemers die hun standplaats buiten Nederland hebben. Met een dergelijke bepaling willen deze vertegenwoordigers voorkomen dat de Nederlandse Spoorwegen verantwoordelijk worden gesteld voor de kwaliteit van het materieel van buitenlandse maatschappijen dan wel dat Nederlandse voorwaarden gaan gelden voor materiaal van een buitenlandse maatschappij dat bediend wordt door personeel van buitenlandse spoorwegmaatschappijen.

Naar aanleiding hiervan kan worden vermeld, dat bij de voorgenomen evaluatie van de bestaande regelgeving met betrekking tot het vervoer, specifieke aandacht zal worden besteed aan de ontwikkelingen van het Europese spoorwegverkeer. Afhankelijk van de resultaten daarvan zal een eventuele aanpassing van de onderhavige regelgeving ter zake worden beoordeeld.

In reactie op de vraag van de werknemersvertegenwoordigers naar de stand van zaken van de evaluatie kan worden medegedeeld, dat in overleg met het Ministerie van Verkeer en Waterstaat op dit moment de opzet van een dergelijk onderzoek in voorbereiding is. Het ligt in de bedoeling de uitvoering van dit onderzoek in 1996 te laten plaatsvinden en de resultaten daarvan (mede) aan de SER te rapporteren.

Wat betreft de samenloop tussen de vervoersregeling zoals opgenomen in afdeling 5 van hoofdstuk 1 van dit besluit en de regelingen ten aanzien van de overige bijzondere sectoren zij het volgende opgemerkt.

Afdeling 5 heeft geen betrekking op arbeid verricht door defensiepersoneel. Hiervoor geldt afdeling 7 betreffende de defensiesector. Ten aanzien van het vervoer van gedetineerden kan worden opgemerkt dat hierop afdeling 6 betreffende justitiële inrichtingen toeziet. Dit laatste is geregeld in artikel 1.4, tweede lid, van dit besluit.

Samenloop tussen de vervoersregeling van afdeling 5 en de onderwijsregeling van afdeling 3 doet zich niet voor.

Om te voorkomen, dat voor de in afdeling 4 vastgestelde regeling ten aanzien van ambtenaren in de burgerlijke openbare dienst, werkzaam in, onderscheidenlijk op een vervoermiddel, een leemte in de regelgeving zou ontstaan waar het de samenwerking en het overleg met de werkgever betreft, geldt, dat deze ambtenaren bij werkzaamheden in, onderscheidenlijk op een voertuig zowel onder afdeling 5 als onder afdeling 4 vallen. De sector vervoer is dan ook niet genoemd in artikel 1.16 van laatstgenoemde afdeling.

Uitzonderingen op de toepasselijkheid

Artikel 38 van de Arbeidsomstandighedenwet betreffende het recht van de werknemer op werkonderbreking, kan in strijd komen met de wetgeving op het gebied van de luchtvaart en de zeevaart, waar (absolute) bevelsbevoegdheid is toegekend aan de gezagvoerder respectievelijk de kapitein. Het niet opvolgen van zo'n bevel is strafrechtelijk gesanctioneerd. Deze situatie is wezenlijk verschillend met het gezag dat iedere werkgever over zijn werknemers heeft. Om die reden kan dit artikel voor de luchtvaart en de zeevaart niet onverkort van toepassing zijn. Artikel 1.20 strekt hiertoe. Met de zinsnede die aanvangt met «voor zover» en doorloopt tot «Regeling Toezicht Luchtvaartwet» is bedoeld aan te geven, dat de niet-toepasselijkheid beperkt blijft tot de omstandigheid dat de werkonderbreking in strijd met de bevoegdheid van de gezagvoerder of kapitein komt. Voor het overige is artikel 38 van toepassing.

Om te voorkomen dat de kapitein respectievelijk de gezagvoerder, anders dan de onder zijn bevelsbevoegdheid werkzame werknemers, onder dezelfde omstandigheden wél een beroep op artikel 38 van de Arbeidsomstandighedenwet zouden kunnen doen, is in het tweede lid van artikel 1.20 bepaald, dat de kapitein en de gezagvoerder zelf evenmin een beroep op het recht op werkonderbreking kunnen doen, voor zover de toepassing van artikel 38 in strijd komt met de verplichtingen die voortvloeien uit het Wetboek van Koophandel, onderscheidenlijk de Regeling Toezicht Luchtvaart.

De in artikel 1.21 vervatte uitzonderingsbepaling ten aanzien van de inspectiediensten die voor de vervoerssector belast zijn met de opsporing van strafbare feiten, is geregeld in afdeling 4 inzake de burgerlijke openbare dienst. Het betreft hier immers overheidsorganen. Er is echter een categorie die niet onder bedoelde afdeling valt, namelijk de spoorwegpolitie, die deel uitmaakt van Beveiliging Services van de N.V. Nederlandse Spoorwegen en waarvan de functionarissen op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar NS Beveiliging Services 1995 zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.

Het mag niet worden uitgesloten dat een conflict van belangen ontstaat bij het van toepassing zijn van de artikelen 11, 35, 36, 37 en 38 van de Arbeidsomstandighedenwet en de uitoefening van de taken van de Spoorwegpolitie, welke verband houden met de opsporing van strafbare feiten. In dat geval prevaleren laatstbedoelde belangen boven de individuele rechten van de betreffende werknemer. Artikel 1.21 komt overeen met artikel 1.17, maar is om wetstechnische redenen anders geformuleerd.

Zoals reeds in het algemeen deel van deze nota van toelichting ter zake is vermeld, heeft afdeling 5 betrekking op de arbeid in, onderscheidenlijk op een voertuig. Op de arbeid van de Spoorwegpolitie buiten het railvoertuig is derhalve artikel 1.21 niet van toepassing.

§ 1.3.1.4 De Arbeidsomstandighedenwet en de justitiële inrichtingen

De bijzondere positie van de justitiële inrichtingen

Waar de Arbeidsomstandighedenwet is toegesneden op het bedrijfsleven en in het algemeen kan worden gesteld dat de arbeidsomstandigheden in de openbare dienst daarvan afwijken, kan van de arbeidssituatie in justitiële inrichtingen worden gezegd dat deze wel zeer specifiek is.

Op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, kunnen met betrekking tot arbeid in de justitiële inrichtingen regels worden gesteld die afwijken van het bij of krachtens die wet bepaalde of strekken tot aanvulling daarvan. Hierbij moet niet alleen gedacht worden aan situaties waarin het belang van de beveiliging van de justitiële inrichtingen afwijkende of aanvullende regelgeving nodig maakt. Ook andere belangen, bijvoorbeeld het belang van de juiste tenuitvoerlegging van een straf of van de goede interne gang van zaken in een justitiële inrichting kunnen zich verzetten tegen een onverkorte toepassing van de wet.

De regels voor de justitiële inrichtingen zijn primair vervat in afdeling 6 van hoofdstuk 1 van dit besluit. In deze afdeling zijn de bepalingen van het voormalige Arbeidsomstandighedenbesluit Justitiële Rijksinrichtingen (nagenoeg) overgenomen, voor zover deze bepalingen niet reeds zijn opgenomen in de afdelingen 1 of 2 van dit hoofdstuk.

Daarnaast zijn in de artikelen 3.43 en 3.44 betreffende kleedruimten respectievelijk vluchtwegen en nooduitgangen, 6.25 inzake klimaat, daglicht en kunstlicht en luchtverversing, en 8.13 inzake herkeuring, enige materiële aanvullende bepalingen ten aanzien van de onderhavige sector opgenomen. Voor een toelichting op deze artikelen zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Op grond van artikel 22 van de Beginselenwet gevangeniswezen berust het opperbeheer van de gevangenissen, de huizen van bewaring en de justitiële rijksinrichtingen voor verpleging van terbeschikkinggestelden bij de Minister van Justitie. Op grond van artikel 23 van diezelfde wet berust het dagelijks beheer bij de directeuren van de justitiële inrichtingen. Artikel 67 van de Wet op de jeugdhulpverlening bepaalt hetzelfde in andere bewoordingen met betrekking tot de rijksinrichtingen voor justitiële kinderbescherming.

Deze in beide voornoemde wetten neergelegde verantwoordelijkheid van de directeuren en van de Minister van Justitie dient bij toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet en haar uitvoeringsregelen onverlet te blijven.

Ook het gesloten karakter van de meeste justitiële inrichtingen kan in de weg staan aan een onverkorte toepassing van de hierbedoelde voorschriften. In justitiële inrichtingen zijn bijvoorbeeld specifieke bouwtechnische voorzieningen noodzakelijk die de bewegingsvrijheid van de justitiële genstitutionaliseerden, ook binnen de gebouwen, beperken.

Daarnaast zal met betrekking tot de in artikel 13 van de Arbeidsomstandighedenwet voorgeschreven samenwerking tussen werkgever en werknemers duidelijk zijn dat, waar het bij justitiële geïnstitutionaliseerden gaat om personen die van hun vrijheid zijn beroofd, in redelijkheid niet onder alle omstandigheden nakoming van de in dit artikel opgenomen verplichting kan worden verlangd.

Uitgangspunt echter bij de toepassing van de bij deze afdeling vastgestelde afwijkende bepalingen ten aanzien van justitiële inrichtingen is, dat de inbreuk die gemaakt wordt op het bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet bepaalde, in verhouding dient te staan tot de bijzondere situatie in deze inrichtingen.

Toepasselijkheid

Afdeling 6 van hoofdstuk 1 van dit besluit is van toepassing op justitiële inrichtingen. Onder het begrip justitiële inrichting wordt ingevolge artikel 1.4, eerste lid, onder c, van dit besluit, verstaan een gevangenis, huis van bewaring, of justitiële rijksinrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in de Beginselenwet gevangeniswezen of een rijksinrichting voor justitiële kinderbescherming als bedoeld in de Wet op de jeugdhulpverlening.

In artikel 1.4, tweede lid, van dit besluit is bepaald, dat onder een justitiële inrichting mede wordt verstaan het vervoer van geïnstitutionaliseerden van en naar de justitiële inrichting en alle andere arbeid die justitieel personeel verricht met gedetineerden en jeugdigen buiten de inrichting. Dit betekent dat bij het vervoer van geïnstitutionaliseerden in zogenoemde cellenbussen, de bepalingen betreffende de justitiële inrichtingen daarop van toepassing zijn. Daarnaast zijn ook de bijzondere bepalingen betreffende de vervoerssector van toepassing. Bij arbeid buiten de justitiële inrichting moet worden gedacht aan begeleiding door justitieel personeel van gedetineerden en jeugdigen, bijvoorbeeld bij bosarbeid en tijdens een verlof.

In justitiële inrichtingen wordt arbeid verricht door twee groepen, te weten het inrichtingspersoneel en de in de justitiële inrichtingen verblijvende gedetineerden en jeugdigen, hierna gemakshalve aangeduid met justitiële geïnstitutionaliseerden. Het personeel van de justitiële inrichtingen verricht arbeid krachtens publiekrechtelijke aanstelling in burgerlijke openbare dienst of onder gezag (artikel 1.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°). Bij arbeid onder gezag moet worden gedacht aan uitzendkrachten, stagiaires en dergelijke. In dit verband wordt opgemerkt dat arbeid verricht in burgerlijke openbare dienst als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de wet, uitgezonderd is van de werking van de bepalingen die voor deze bijzondere categorie geldt op grond van artikel 1.16, onder a, van dit besluit.

De regeling voor het personeel in justitiële inrichtingen komt inhoudelijk voor een groot deel overeen met de regeling die geldt voor de burgerlijke openbare dienst. De situatie van de geïnstitutionaliseerden vraagt evenwel bijzondere aandacht. Het betreft hier gedetineerden, dat wil zeggen personen die zijn ingesloten in huizen van bewaring, gevangenissen en justitiële rijksinrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden en voor jeugdigen. De vraag of en in hoeverre ten aanzien van deze personen sprake is van arbeid in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet kan als volgt worden beantwoord.

Het begrip arbeid heeft in de verschillende justitiële inrichtingen een zeer uiteenlopende betekenis. Volgens artikel 32 van de Beginselenwet gevangeniswezen zijn de gedetineerden die tot gevangenisstraf zijn veroordeeld, de gedetineerden in de justitiële rijksinrichtingen voor verpleging van terbeschikkinggestelden, alsmede de tot hechtenis of militaire detentie veroordeelden, verplicht de hun opgedragen arbeid te verrichten. Artikel 13 van het Besluit regels justitiële inrichtingen voor justitiële kinderbescherming bepaalt, dat de inrichting zorg draagt voor de arbeidstraining.

Niet-veroordeelde gedetineerden zoals preventief gehechtten, gegijzelden en in bewaring gestelde vreemdelingen in de huizen van bewaring, zijn niet tot arbeid verplicht. Het merendeel van deze categorie gedetineerden neemt in verband met het te verwerven loon echter wel deel aan de arbeid. Daarnaast komt het wel eens voor dat gedetineerden op eigen verzoek eenvoudige arbeid in hun cel verrichten. Alleen in de gevangenissen en huizen van bewaring kan gesproken worden van productiegerichte arbeid. In de justitiële rijksinrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden en de rijksinrichtingen voor justitiële kinderbescherming, heeft de arbeid veeleer een andere betekenis. De arbeid heeft daar een therapeutische of vormende functie. Daarnaast wordt arbeid verricht in het kader van een beroepsopleiding.

De vraag is, in welke gevallen nu sprake is van arbeid in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In bepaalde gevallen zal dit niet steeds duidelijk zijn. In het algemeen kan worden gesteld dat de wet van toepassing is indien de justitiële geïnstitutionaliseerden werkzaamheden verrichten in de in de justitiële inrichtingen aanwezige werkplaatsen, of als zij – in het kader van arbeid op cel, therapie, opleiding, recreatie of vorming – in de justitiële inrichtingen gebruik maken van gereedschappen, machines of andere hulpmiddelen die gevaren kunnen opleveren voor hun veiligheid, gezondheid of welzijn. Het gaat hier om georganiseerde activiteiten onder enigerlei vorm van toezicht.

In de gevallen waarin vanuit justitiële inrichtingen van het gevangeniswezen of de justitiële kinderbescherming arbeid wordt verricht bij en ten behoeve van particuliere werkgevers, dragen dezen uiteraard de verantwoordelijkheid voor de naleving van de op deze werkgevers van toepassing zijnde bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet. In dit verband kan bijvoorbeeld gedacht worden aan degenen die arbeid verrichten in het kader van de uitvoering van de straf van onbetaalde arbeid ten algemene nutte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht, ook wel alternatieve sanctie genoemd.

Gedetineerde militairen die verblijven in het Penitentiair Centrum Nieuwersluis vallen niet onder afdeling 6. Het complex Penitentiair Centrum Nieuwersluis is te onderscheiden in het Militair Penitentiair Centrum, zijnde een gevangenis en een huis van bewaring voor militaire gedetineerden, en het huis van bewaring De Vecht, bestemd voor volwassen mannelijke vreemdelingen jegens wie de bewaring als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet is bevolen, en volwassen mannelijke, tot hechtenisstraf veroordeelden, onder wie mede begrepen diegenen die vervangende hechtenis moeten ondergaan.

Zoals aangegeven in artikel 1.4, eerste lid, aanhef, en onder c, van dit besluit, blijven militaire gedetineerden buiten het bereik van dit besluit. Deze categorie gedetineerden valt onder de regeling zoals neergelegd in afdeling 7 van hoofdstuk 1. Dit laatste geldt ook voor het in de inrichting werkzame militaire personeel dat rechtstreeks onder genoemde afdeling valt (zie artikel 1.5, aanhef en onder a) en derhalve niet in artikel 1.4 hoefde te worden uitgezonderd.

De particuliere justitiële inrichtingen voor justitiële kinderbescherming en voor verpleging van ter beschikking gestelden vallen buiten het bereik van dit besluit, nu artikel 2, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet uitsluitend spreekt van gestichten als bedoeld in de Beginselenwet gevangeniswezen en van rijksjustitiële inrichtingen voor justitiële kinderbescherming. Voor de goede orde zij erop gewezen dat de Arbeidsomstandighedenwet reeds sinds 1983 van toepassing is op de particuliere justitiële inrichtingen. Het verschil in behandeling tussen beide categorieën in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet werd destijds gerechtvaardigd met verwijzing naar de verschillen in regimevoering tussen beide soorten justitiële inrichtingen. De gestrengheid van het regime in de justitiële rijksinrichtingen is groter, terwijl ook beveiliging daar een veel gewichtiger plaats inneemt, zo werd gesteld. Hetgeen hiervoor is opgemerkt gold evenzeer met betrekking tot de justitiële rijksinrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden ten opzichte van de particuliere justitiële inrichtingen waar ter beschikking gestelden zijn ondergebracht. Deze zienswijze, die ook weer aan dit besluit ten grondslag ligt, is aan een heroverweging toe. Ook in particuliere justitiële inrichtingen komen tegenwoordig strenge regimes voor en is optimale beveiliging van het grootste belang. Particuliere inrichtingen onderscheiden zich ter zake dan ook niet van de rijksinrichtingen. In de bij het Ministerie van Justitie in voorbereiding zijnde nieuwe Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (kamerstukken II 1993/94, 23 445, nrs. 1 en 2) en Penitentiaire beginselenwet (kamerstukken II, 1994/95, 24 263, nrs. 1 en 2) zal de rechtspositie van de ingeslotenen in particuliere inrichtingen en rijksinrichtingen dan ook (nagenoeg geheel) gelijkgesteld worden. In verband hiermee zal ook de Arbeidsomstandighedenwet respectievelijk dit besluit worden aangepast. Deze aanpassingen, die door de Minister van Justitie worden voorbereid, zullen in de loop van 1997 plaatsvinden. Overigens zal de Arbeidsinspectie in zijn handhavingsbeleid bij particuliere justitiële inrichtingen tot die tijd uiteraard rekening houden met de gestrengheid van het aldaar geldende regime.

Samenwerking, overleg en ontslagbescherming

Hetgeen hiervoor in de paragrafen 1.1 en 1.3.1.2 is opgemerkt over de gewijzigde medezeggenschapsregeling bij de overheid als gevolg van de gewijzigde Wet op de ondernemingsraden, geldt ook voor het personeel dat werkzaam is in justitiële inrichtingen krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de burgerlijke openbare dienst. Hetzelfde geldt voor de regeling ter zake van de ontslag- en benadelingsbescherming. Voor een algemene toelichting op deze regelingen wordt verwezen naar de betreffende uiteenzetting in deze paragrafen.

Met betrekking tot de verplichting tot samenwerking tussen werkgever en werknemers als bedoeld in artikel 13 van de Arbeidsomstandighedenwet kan nog het volgende worden opgemerkt. Een rechtens afdwingbare verplichting tot samenwerking tussen de werkgever en de gedetineerden en jeugdigen past niet in de beheersstructuur van de gesloten justitiële inrichtingen, omdat justitiële geïnstitutionaliseerden immers verplicht zijn de door of namens de directeuren gegeven aanwijzingen op te volgen. Om die reden is een afwijkende bepaling in de vorm van artikel 1.25 van dit besluit voor die categorie hier op zijn plaats. Het betreft hier derhalve een afwijking van artikel 13 van de wet en geen aanvulling op dit artikel zoals de werkgeversvertegenwoordigers in de SER denken.

Artikel 1.25 laat onverlet de specifieke verplichting van de directies en de justitiële geïnstitutionaliseerden om, waar het gaat om de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in de justitiële inrichtingen zoveel als de omstandigheden binnen de justitiële inrichtingen dat toelaten, samen te werken. In veel justitiële inrichtingen zijn de laatste jaren bepaalde vormen van overleg tussen de justitiële geïnstitutionaliseerden en de directies ontstaan. In een groot aantal gevangenissen en huizen van bewaring bijvoorbeeld, voeren de directies met een zekere regelmaat overleg met de door de gedetineerden gevormde verenigingen van gedetineerden of gedetineerdencommissies. Dit overleg is weliswaar vrijblijvend van aard aangezien geen regeling de directies daartoe verplicht, maar naast aangelegenheden van huishoudelijke aard komen ook de arbeidsomstandigheden in de inrichting aan de orde. Het ligt dan ook voor de hand dat de in artikel 13 van de Arbeidsomstandighedenwet voorgeschreven samenwerking wordt verwezenlijkt binnen de bestaande vormen van overleg tussen de directies en de justitiële geïnstitutionaliseerden.

Uitzonderingen op de toepasselijkheid

De redactie van artikel 2, vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet brengt met zich mee dat, indien vooraf geen aanvullende of afwijkende bepalingen zijn opgenomen, de Arbeidsomstandighedenwet onverkort van toepassing is op justitiële inrichtingen. Afdeling 6 van hoofdstuk 1 van dit besluit bevat een aantal bepalingen die uitzonderingen inhouden op de onverkorte toepasselijkheid van de Arbeidsomstandighedenwet. Deze uitzonderingen hebben betrekking op:

a. de veiligheid in justitiële inrichtingen;

b. de veiligheid van de staat;

c. de inventarisatie, evaluatie en het jaarplan en jaarverslag en

d. de samenwerking en het overleg.

Elk van de genoemde uitzonderingen wordt hieronder kort toegelicht.

Met betrekking tot het periodiek vrijwillig arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 24a van de wet, kan nog worden opgemerkt dat dit onderzoek in principe ook voor gedetineerden en jeugdigen geldt. In de praktijk, bij een gemiddelde detentieduur van 140 dagen, zal dit onderzoek echter nauwelijks worden uitgevoerd. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de periodiciteit van het onderzoek niet is geregeld en door de werkgever in overleg met het betreffende overlegorgaan wordt vastgesteld.

Ad a. De veiligheid in justitiële inrichtingen

Artikel 1.22, eerste lid, van dit besluit betreft de veiligheid in justitiële inrichtingen van het justitiële personeel.

Onverkorte toepassing van een aantal artikelen van de Arbeidsomstandighedenwet, te weten de artikelen 11, 35, 36, 37 en 38, is voor justitieel personeel in justitiële inrichtingen niet mogelijk.

Artikel 11 van de wet heeft, evenals bij de politie, een bijzondere betekenis in de justitiële inrichtingen. Ook hier geldt dat de inhoud van dit artikel geen belemmering mag opleveren voor de bevoegdheid van het personeel van de justitiële inrichtingen om in bepaalde gevallen geweld te gebruiken. Juist in de justitiële inrichtingen is het van groot belang ongeregeldheden zo snel mogelijk te beëindigen. De in een aantal justitiële inrichtingen van toepassing zijnde geweldsinstructies en aanverwante voorschriften met betrekking tot het aanwenden van geweld, waaronder het gebruik van vuurwapens, waarborgen de veiligheid van derden zoveel mogelijk. Deze materie is voor de penitentiaire inrichtingen en de justitiële rijksinrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden geregeld in de Geweldsinstructie gestichtspersoneel, besluit van 25 mei 1966, nr. GW 12, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 mei 1991, nr. 47988/91/DJ, de Regeling voor het gebruik van CS-traangas in de inrichtingen als bedoeld in de Beginselenwet gevangeniswezen, bekendgemaakt bij circulaire van 17 december 1985, nr. 730/385 en de beschikking van 4 augustus 1992 inhoudende een algemene instructie voor het vervoer van personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd, door medewerkers van het Ministerie van Justitie, bekendgemaakt bij circulaire van 18 november 1992, nr. 260414/92 DJ. In deze regelingen worden de beginselen van redelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit bij het toepassen van geweld met nadruk genoemd. Aldus wordt mogelijk gevaar voor derden, in casu bezoekers van een inrichting en personen die zich in de onmiddellijke omgeving van een inrichting bevinden, zoveel mogelijk beperkt. Het zal evenwel niet in alle gevallen te voorkomen zijn, dat de veiligheid en gezondheid van derden in gevaar wordt gebracht. De taak van de overheid om de orde en de rust in de justitiële inrichtingen daadwerkelijk te handhaven dient in die omstandigheden te prevaleren boven de onverkorte toepassing van de bepalingen, in casu artikel 11, van de Arbeidsomstandighedenwet.

De handhaving van de orde en veiligheid in de justitiële inrichtingen brengt ook ten aanzien van het aldaar werkzame personeel met zich mee, dat men zich uit hoofde van zijn functie in bepaalde omstandigheden in gevaarlijke situaties dient te begeven. Wanneer er in dergelijke situaties een belangentegenstelling ontstaat bij enerzijds de toepassing van de bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet en anderzijds de goede taakuitoefening van het personeel en de goede gang van zaken in de inrichting, prevaleren deze laatste belangen. Immers, in deze situaties gaat het niet alleen om de veiligheid en gezondheid van het personeel bij hun werkzaamheden, maar dienen ook de andere in het geding zijnde belangen een gewichtige rol te spelen bij het beoordelen van de situatie.

Ook met betrekking tot de artikelen 35 betreffende de aanwijzing door de Arbeidsinspectie bij het niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze naleven van voorschriften van de Arbeidsomstandighedenwet, en 36 inzake de eis tot naleving betreffende de wijze waarop voorschriften op grond van respectievelijk de artikelen 2, 4 en 24 van deze wet moeten worden nageleefd, geldt dat eventuele aanwijzingen en eisen die gesteld worden, het daadwerkelijk handhaven van de orde en veiligheid in de justitiële inrichtingen en het optreden bij andere onregelmatigheden, niet mogen belemmeren.

Hetgeen hiervoor is vermeld geldt in nog sterkere mate met betrekking tot artikel 37 van de Arbeidsomstandighedenwet. Immers op grond van dit artikel kan de Arbeidsinspectie bevelen dat personen niet in bepaalde plaatsen mogen blijven of dat werkzaamheden moeten worden gestaakt of niet mogen worden aangevangen als dit naar het redelijk oordeel van deze dienst ernstig gevaar oplevert voor personen. Een dergelijk bevel werkt onmiddellijk, zij het dat het bevel binnen drie dagen aan de president van de bevoegde arrondissementsrechtbank moet worden voorgelegd ter bekrachtiging. Aangenomen mag worden dat een bevel tot stillegging slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt gegeven. Het is immers inherent aan de taak van het personeel van de justitiële inrichtingen zich onder omstandigheden in gevaarlijke situaties te begeven en soms te blijven. Met name in precaire situaties is het ongewenst dat van de zijde van de Arbeidsinspectie zou worden geïntervenieerd. Aangenomen mag worden dat het ter zake bevoegde gezag de voor die situatie nodige voorzorgsmaatregelen treft; vaststaat dat de verantwoordelijkheid voor het personeel alsmede voor derden in deze omstandigheden primair blijft berusten bij de directeur van de inrichting of de Minister van Justitie.

Artikel 38 geeft aan een individuele werknemer de bevoegdheid met behoud van loon het werk te onderbreken en de onderbreking voort te zetten indien en zolang er naar zijn redelijk oordeel ernstig gevaar is voor personen en het gevaar zo onmiddellijk dreigt dat de Arbeidsinspectie niet tijdig kan optreden. Omdat wel vaststaat dat wettelijke taken ter zake van het handhaven en herstel van de orde en veiligheid in de justitiële inrichting, het optreden bij andere ongeregeldheden, en het waarborgen van het ongestoord verloop van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming van gedetineerden en jeugdigen, prevaleren boven het individuele recht op werkonderbreking, is op grond van artikel 1.22 van dit besluit ook ten aanzien van dit recht een reeks beperkingen van kracht.

Op grond van het vorenstaande zal duidelijk zijn, dat een optreden van de Arbeidsinspectie op grond van de artikelen 11, 35, 36, 37 en 38 van de wet, diep kan ingrijpen in de gang van zaken in de justitiële inrichtingen. Gezien de verantwoordelijkheid van de directeuren en de Minister van Justitie ter zake, dient een dergelijk ingrijpen dan ook bij voorkeur niet plaats te vinden dan na overleg met een van hen. De eigen verantwoordelijkheid van de Arbeidsinspectie blijft onverlet. Een en ander is nader uitgewerkt in het uitvoeringsbeleid van de Arbeidsinspectie. Via goede (procedure-)afspraken tussen deze dienst en justitiële inrichtingen kunnen ongewenste situaties in dit verband voorkomen worden. Het is tegen deze achtergrond niet wenselijk om in het besluit zelf een bijzondere procedureregeling op te nemen.

Artikel 1.22, tweede lid, van dit besluit heeft betrekking op de veiligheid in justitiële inrichtingen van gedetineerden en jeugdigen.

Onverkorte toepassing van een aantal artikelen van de Arbeidsomstandighedenwet, te weten de artikelen 32, zesde lid, 35, 36, 37 en 38, is in justitiële inrichtingen voor gedetineerden en jeugdigen niet mogelijk.

In het verlengde van hetgeen hiervoor met betrekking tot artikel 1.22, eerste lid, reeds is opgemerkt dient nog het volgende.

De justitiële geïnstitutionaliseerden zijn, afhankelijk van de inrichting waar men verblijft, in meerdere of mindere mate onderworpen aan regels van orde en tucht welke de veiligheid en de goede gang van zaken in die justitiële inrichtingen moeten waarborgen. In justitiële inrichtingen kunnen de directeuren disciplinaire straffen opleggen of maatregelen treffen ten aanzien van degenen die in die justitiële inrichtingen zijn opgenomen. Die straffen of maatregelen kunnen een vergaande beperking van de bewegingsvrijheid binnen de inrichting inhouden, in zoverre dat een gedetineerde of jeugdige in afzondering wordt geplaatst of niet mag deelnemen aan bepaalde gemeenschappelijke activiteiten in de inrichting. Daarnaast bestaat ten aanzien van preventief gedetineerden de mogelijkheid dat hen door de rechter-commissaris in strafzaken tijdens het gerechtelijk vooronderzoek of anders door het Openbaar Ministerie, beperkingen zijn opgelegd op grond van de artikelen 222 en 225 van de Invoeringswet Wetboek van Strafvordering. De directies van de justitiële inrichtingen, in casu de huizen van bewaring, zijn belast met de uitvoering van die bevelen. Ook in omstandigheden waarin sprake is van afzondering van een geïnstitutionaliseerde, kan sprake zijn van het verrichten van arbeid.

Veroordeelde gedetineerden in de gevangenissen en jeugdigen dienen de hun opgedragen werkzaamheden te verrichten. De arbeid is in veel justitiële inrichtingen, in het bijzonder in gevangenissen, een essentieel onderdeel van het regime. Tot stillegging van het werk in deze justitiële inrichtingen zal dan ook slechts om zwaarwegende redenen dienen te worden overgegaan.

In de inrichtingen waarin de justitiële genstitutionaliseerden verplicht zijn arbeid te verrichten, betekent het onderbreken van het werk een ernstige inbreuk op de orde en tucht in die justitiële inrichtingen. De directeuren van deze inrichtingen plegen op een dergelijke werkonderbreking onmiddellijk te reageren met een disciplinaire straf of maatregel. Deze bevoegdheid is onontbeerlijk voor de handhaving van de orde in die inrichtingen. Is een genstitutionaliseerde van mening dat hij ten onrechte is gestraft voor de werkonderbreking dan kan hij zich in de meeste gevallen wenden tot de beklag- en klachtencommissies uit de Commissies van Toezicht bij de justitiële inrichtingen. Aangezien de beklag- en klachtencommissies de mogelijkheid hebben om naast het horen van de klager en de directeur, mondeling of schriftelijk inlichtingen in te winnen bij andere personen, is het zeer wel denkbaar dat een ambtenaar van de Arbeidsinspectie wordt gehoord als de werkonderbreking verband houdt met de arbeidsomstandigheden in de inrichting. Aldus is een zorgvuldige toetsing van de gebruikmaking van het recht op werkonderbreking gewaarborgd, zonder dat de bevoegdheid van de directeuren met betrekking tot de orde en tucht in de justitiële inrichtingen wordt aangetast.

In tegenstelling tot hetgeen in het eerste lid van artikel 1.22 is bepaald, is in het tweede lid van dit artikel met betrekking tot artikel 11 van de Arbeidsomstandighedenwet geen aanvullende bepaling voor gedetineerden en jeugdigen opgenomen. Artikel 11 van de Arbeidsomstandighedenwet kan voor het personeel in de justitiële inrichtingen niet onverkort van toepassing zijn met het oog op het mogelijk gebruik van geweld bij het handhaven van de rust en orde. Voor gedetineerden en jeugdigen doet zich dit conflict van belangen niet voor. Om die reden is artikel 11 onverkort van toepassing op gedetineerden en jeugdigen.

Een ander verschil met artikel 1.22, eerste lid, betreft het in het tweede lid opgenomen artikel 32, zesde lid, van de wet. Op grond van dit artikellid is de Arbeidsinspectie verplicht zo spoedig mogelijk gehoor te geven aan een verzoek van een ondernemingsraad, een belangenvereniging van werknemers of een meerderheid van belanghebbende werknemers, een onderzoek in te stellen. Een overmatig, aan misbruik grenzend gebruik van dit recht zou kunnen leiden tot een aanzienlijke verstoring van de goede gang van zaken in een inrichting en werkt regime-ondermijnend. Gelet op de aard van de detentie is een dergelijke situatie zeker niet ondenkbaar. Een dergelijk gebruik van het recht een onderzoek te verzoeken, zou ook een onaanvaardbare taakverzwaring voor de Arbeidsinspectie betekenen. Dit alles heeft ertoe geleid dat de toepassing van artikel 32, zesde lid, geclausuleerd is. Wanneer het verzoek om een onderzoek een inbreuk betekent op de orde, de veiligheid of de goede gang van zaken in de inrichting, of op het ongestoord verloop van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming of op andere beperkingen die door de bevoegde autoriteiten zijn opgelegd, zal aan het verzoek geen gehoor worden gegeven. Deze beperking van artikel 32, zesde lid, biedt de Arbeidsinspectie alle mogelijkheden om op serieuze verzoeken wel in te gaan.

Ad b. De veiligheid van de staat

Met betrekking tot de regeling betreffende de veiligheid van de staat zoals neergelegd in artikel 1.23 van dit besluit, kan worden verwezen naar het voor de burgerlijke dienst geldende overeenkomstige artikel 1.18 van dit besluit, en de bij dat artikel gegeven toelichting. In aanvulling hierop wordt het volgende opgemerkt.

Het opnemen van een afwijkende bepaling in de onderhavige afdeling voor justitiële inrichtingen is geboden in verband met de mogelijkheid dat leden van terroristische organisaties of andere personen die een bedreiging vormen voor de veiligheid van de staat of van zijn bondgenoten, in een dergelijke inrichting worden opgenomen.

Ad c. Inventarisatie en evaluatie, jaarplan en jaarverslag

Met de in artikel 1.24, eerste lid, van dit besluit opgenomen afwijkende bepaling wordt beoogd bepaalde in de jaarplannen en -verslagen van de justitiële inrichtingen voorkomende gegevens, waarvan kennisneming door gedetineerden of jeugdigen met het oog op de veiligheid in de justitiële inrichtingen niet gewenst is, buiten hun bereik te houden. Hierbij kan worden gedacht aan bepaalde technische gegevens met betrekking tot de beveiliging van de inrichting.

In het tweede lid van artikel 1.24 is een beperking opgenomen met betrekking tot de verplichting om vooraf overleg te plegen over de inhoud van het jaarplan. Een rechtens afdwingbare verplichting tot overleg en samenwerking past niet in de beheersstructuur van de gesloten justitiële inrichtingen, waar geïnstitutionaliseerden de door de directeur gegeven aanwijzingen dienen op te volgen. In dit verband kan gewezen op artikel 1.25 betreffende de samenwerking en het overleg in deze inrichtingen.

In tegenstelling tot het bepaalde in artikel 1.22, eerste lid, van dit besluit, is de zinsnede «de goede gang van zaken» hier niet opgenomen. De reden hiervoor is dat een inbreuk op de goede gang van zaken soms hinderlijk kan zijn voor de inrichting, maar zeker niet zal leiden tot ernstig gevaar.

Ad d. Samenwerking en overleg

De afwijking die in artikel 1.25 van dit besluit is opgenomen ten aanzien van de verplichting tot samenwerking tussen werkgever en werknemers op grond van artikel 13 van de Arbeidsomstandighedenwet, is hiervoor reeds besproken.

§ 1.3.1.5 De Arbeidsomstandighedenwet en defensie

De bijzondere positie van defensie

De taakstelling van de krijgsmacht maakt het niet onder alle omstandigheden mogelijk de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van militairen op dezelfde wijze te kunnen behartigen als in de Arbeidsomstandighedenwet geschiedt. Hieraan ligt ten grondslag dat het uitvoeren van de taken van de krijgsmacht, welke zijn gericht op de bescherming van de integriteit van het eigen en bondgenootschappelijke gebied en het deelnemen aan crisisbeheersingsoperaties in internationaal verband, niet door een integrale toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet mag worden belemmerd. Artikel 2, zesde lid, van de wet schept de mogelijkheid daartoe. Uitgangspunt is evenwel dat desondanks gestreefd zal moeten worden naar maximale toepasbaarheid van deze wet en het realiseren van de daarin neergelegde doelstellingen.

Bij de opstelling van een regeling voor defensie is overwogen of – en zo ja, in hoeverre – de toepassing van de artikelen van de Arbeidsomstandighedenwet op arbeid verricht in militaire dienst zou leiden tot een onaanvaardbare belemmering van de taakuitvoering van de krijgsmacht. Een goede taakuitvoering ten behoeve van de verwezenlijking van de doelstelling van de krijgsmacht houdt in, dat aan hoge eisen met betrekking tot de organisatie, de werkprocedures en de inrichting van de arbeid moet worden voldaan. Bij de organisatie en werkprocedures van de krijgsmacht is ook arbeid verricht door burgerpersoneel van het Ministerie van Defensie betrokken. Met betrekking tot sommige aspecten van de taakuitvoering van de krijgsmacht is de arbeid, verricht door het burgerpersoneel van het Ministerie van Defensie zelfs nauw verweven met de arbeid verricht door militairen. Wanneer en voor zover de Arbeidsomstandighedenwet uit een oogpunt van een onbelemmerde taakuitvoering, niet of niet geheel van toepassing kan zijn op arbeid verricht door militairen, zal zulks – met name indien sprake is van de hiervoor bedoelde verwevenheid – ook moeten gelden ten aanzien van arbeid verricht door dit burgerpersoneel.

Het vorenstaande houdt in dat voor regelingen ter uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet het antwoord op de vraag of de werksituatie toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet toelaat bepalend is, en niet de status van het personeel, dat in die situatie functioneert.

De bepalingen voor de defensiesector zijn primair opgenomen in afdeling 7 van hoofdstuk 1 van dit besluit. De betreffende bepalingen komen inhoudelijk overeen met die op grond van het voormalige Arbeidsomstandighedenbesluit defensie, voor zover die bepalingen niet reeds zijn opgenomen in de afdelingen 1 of 2 van hoofdstuk 1. Voorts is een materiële aanvullende bepaling met betrekking tot herkeuring ten aanzien van de defensiesector opgenomen in artikel 8.13 van dit besluit. Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Artikel 1.28 van dit besluit bepaalt, dat de toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet geschiedt met inachtneming van internationale verplichtingen, uiteraard andere dan verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Een belangrijk deel daarvan bestaat uit NATO-standardization-agreements (Stanags). In deze Stanags zijn de in bondgenootschappelijk verband tot stand gekomen overeenkomsten ten behoeve van wederkerige steunverlening aan militaire eenheden en de daarbij noodzakelijke standaardisatievereisten vastgelegd. Bij de totstandkoming van nieuwe verplichtingen dienaangaande zal uiteraard rekening worden gehouden met de eisen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet.

Toepasselijkheid

De nauwe verwevenheid van arbeid verricht door burgerpersoneel bij het Ministerie van Defensie met die, verricht door militair personeel bij de taakuitoefening van de krijgsmacht heeft, zoals hiervoor is vermeld, tot de beleidsbeslissing geleid dat de werksituatie en niet de status van het personeel bepalend is voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in hoeverre, de Arbeidsomstandighedenwet geheel dan wel gedeeltelijk kan worden toegepast. In overeenstemming met die beslissing is destijds voorgesteld de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing te doen zijn op arbeid verricht door defensiepersoneel. Deze bepaling, die was opgenomen in artikel 2 van het voormalige Arbeidsomstandighedenbesluit Defensie, is onverkort overgenomen in artikel 1.26 van dit besluit. Op grond van de omschrijvingen als bedoeld in artikel 1.5, onder a, b en c, van dit besluit, betekent zulks dat de arbeid van alle militairen die als zodanig werkzaam zijn, en die van alle andere bij het Ministerie van Defensie werkzame personen die vallen onder het werknemersbegrip van de Arbeidsomstandighedenwet, onder de werkingssfeer van dit besluit vallen. Daarmee is de basis gelegd voor de vaststelling en uitvoering van één arbeidsomstandighedenregime voor het defensiepersoneel voor die situaties, waarin door de toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet of een deel ervan het risico zou worden gelopen dat de taakuitvoering van de krijgsmacht onaanvaardbaar zou worden belemmerd. Hierbij zij opgemerkt dat de inhoud van het hierbedoelde arbeidsomstandighedenregime afhangt van de beoordeling van de werksituaties in die zin, dat hoe meer de primaire taakuitvoering van de krijgsmacht op de voorgrond staat, hoe minder artikelen van de Arbeidsomstandighedenwet geheel of gedeeltelijk kunnen worden toegepast.

Samenwerking en overleg

De overleg- en medezeggenschapsregelingen bij het Ministerie van Defensie komen in grote lijnen overeen met die voor de burgerlijke openbare dienst. De thans ook voor deze overheidssector geldende Wet op de ondernemingsraden is echter niet van toepassing op het Ministerie van Defensie. Voor defensiepersoneel zal een medezeggenschapsregeling tot stand worden gebracht, die waar mogelijk aansluit bij de Wet op de ondernemingsraden voor het overheidspersoneel.

Er kan in dit verband een onderscheid worden gemaakt tussen het overleg met de centrales van overheidspersoneel en enkele tot het overleg toegelaten belangenverenigingen van dienstplichtigen, en de medezeggenschap waarin het overleg plaatsvindt met de rechtstreeks gekozen vertegenwoordigers van het personeel. Het overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand is geregeld in het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie. In dit overleg, dat met de centrales van overheidspersoneel en enkele militaire belangenverenigingen van dienstplichtigen wordt gevoerd, is een nader onderscheid te maken tussen het centraal gevoerde overleg en het decentraal gevoerde overleg. Het centraal gevoerde overleg geschiedt in het Sector Overleg Defensie. In dit overleg wordt over de rechtspositie en arbeidsvoorwaarden van militair personeel en burgerpersoneel gesproken. Het decentraal georganiseerd overleg vindt plaats bij de krijgsmachtdelen en de centrale organisatie in Bijzondere Commissies. Het overleg met de gekozen vertegenwoordigers van het personeel vindt plaats voor het burgerpersoneel in dienstcommissies (geregeld in hoofdstuk 11 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie) en voor het militaire personeel in onderdeelsoverlegorganen (geregeld in de Regeling onderdeelsoverlegorganen).

In het onderhavige besluit is een en ander tot uitdrukking gebracht in artikel 1.6, tweede lid, onder b.

Afdeling 2 geeft verder nog regels met betrekking tot de aard en de inhoud van het overleg en de ontslag- en benadelingsbescherming. Aangezien ervoor gekozen is om het overleg over arbeidsomstandigheden in te passen in de bij het Ministerie van Defensie bestaande overlegstructuur, zijn de met betrekking tot deze structuur vastgestelde overlegregelingen eveneens van toepassing verklaard op het bij de Arbeidsomstandighedenwet voorgeschreven overleg (artikel 1.7, eerste lid, onder b). De bedoelde voorschriften betreffen zowel de vraag welk overlegorgaan in voorkomend geval bevoegd is, als de vraag op welke wijze en met welke bevoegdheden dat overleg zal worden gevoerd.

De in artikel 1.8 neergelegde ontslagbescherming geldt ten aanzien van burgerambtenaren die voor onbepaalde tijd in tijdelijke dienst zijn aangesteld en aan wie door middel van opzegging ontslag kan worden verleend. Die opzegging is niet gebonden aan de gronden op basis waarvan ontslag kan worden verleend aan de in vaste dienst aangestelde burgerambtenaar. Ten aanzien van het militair personeel is het ontslag evenwel te allen tijde gebonden aan limitatief opgesomde ontslaggronden, zodat geen behoefte bestaat aan een overeenkomstige ontslagbescherming voor militairen.

De bij de Arbeidsomstandighedenwet voorziene benadelingsbescherming van deskundige werknemers als bedoeld in artikel 17 van deze wet, is voor het burgerpersoneel geregeld in artikel 144, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie. Voor militair personeel geldt een soortgelijke regeling, die is neergelegd in artikel 16 van de Regeling onderdeelsoverlegorganen.

Uitzonderingen op de toepasselijkheid

De redactie van artikel 2, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet brengt met zich dat, indien vooraf geen aanvullende of afwijkende bepalingen zijn opgenomen, de Arbeidsomstandighedenwet onverkort van toepassing is. Afdeling 7 bevat een aantal uitzonderingsbepalingen ter zake.

Definities

Alvorens de uitzonderingen voor de defensiesector te behandelen, wordt voor zover nodig, eerst ingegaan op de betekenis van een aantal ten aanzien van deze sector gehanteerde begrippen zoals omschreven in artikel 1.5 van dit besluit. Het gaat daarbij met name om de begrippen:

a. oefening;

b. bemand wapensysteem, en

c. eenheid met gereedstelling.

Ad a. Oefening

Van het begrip oefening als bedoeld in artikel 1.5, onder d, van dit besluit, wordt op grond van de veelheid van vormen waaronder in de krijgsmacht wordt geoefend geen uitputtende opsomming gegeven; wel worden hieronder enige voorbeelden gegeven.

Doel van het oefenen is, zoals uit de begripsomschrijving blijkt, het verwerven van de bedrevenheid in het uitvoeren van de oorlogstaken dan wel het opvoeren of onderhouden van die bedrevenheid, mede met het oog op een zo groot mogelijke overlevingskans in oorlogsomstandigheden. Gezien deze gerichtheid op het uitvoeren van de oorlogstaken zal dit oefenen altijd in meer of mindere mate onder oorlogsnabootsende omstandigheden plaatsvinden.

Voor het optreden onder oorlogsomstandigheden zijn onder meer kenmerkend de aspecten eenhoofdig leiderschap en prompte taakuitvoering alsmede het functioneren onder moeilijke en verslechterde omstandigheden. De te houden oefeningen worden door de bevoegde leiding in jaar-, kwartaal-, maand- of weekprogramma's gepland. Deze planning bevat tevens – in lesprogramma's, afzonderlijke orders of anderszins – het tijdstip van de aanvang en het einde van de oefening. In onvoorziene omstandigheden kan uiteraard door nadere orders daarvan worden afgeweken.

Bij het oefenen dient de praktijk van het uitvoeren van oorlogstaken zoveel mogelijk te worden benaderd. De commandant kan daartoe moeilijke en verslechterde omstandigheden bewust in het leven roepen, maar ook kan door hem ad hoc gebruik worden gemaakt van zich plotseling voordoende – bij voorbeeld klimatologische – op de oorlogssituatie gelijkende omstandigheden. Een dergelijk gebruik maken van zich plotseling voordoende omstandigheden mag echter nimmer zijn ingegeven door de wens verplichtingen van dit besluit niet na te komen; de beslissing een oefening in te lassen dient dan ook minstens op het niveau van compagnies- of squadronscommandant te worden genomen. Deze beslissing moet bovendien op de gebruikelijke wijze bekend worden gemaakt.

Het oefenen kan plaatsvinden in het kader van een opleiding aan een school of opleidingseenheid teneinde de paraatheid te testen of anderszins. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan gasmaskeroefeningen, velddienst, schietoefeningen en alarmoefeningen in kleiner of groter verband. Hierbij wordt opgemerkt, dat lessen niet onder de definitie van oefeningen worden begrepen en dat instructeurs bij oefeningen – met name in de opleidingssector – niet tot het aan de oefeningen deelnemende personeel behoren te worden gerekend. Dit is wel het geval, indien het personeel tot het organiek ingedeelde kader behoort – bijvoorbeeld bij eenheden binnen het Eerste Legerkorps – dan wel indien de instructeurs bijvoorbeeld bij opleidingseenheden of scholen – bij de op de oefening betrekking hebbende orders uitdrukkelijk als deelnemers aan de oefening zijn vermeld. Dezelfde criteria zijn ook van toepassing op hen die bij oefeningen ondersteunende diensten verrichten.

Hoewel nagenoeg uitsluitend militair personeel deelneemt aan oefeningen, kan niet volledig worden uitgesloten dat in een enkel geval burgerpersoneel van het Ministerie van Defensie mee-oefent. Ook met betrekking tot dit personeel geldt het voor oefeningen geldende Arbeidsomstandighedenregime.

Ad b. Bemand wapensysteem

Het begrip bemand wapensysteem als bedoeld in artikel 1.5, onder g, van dit besluit, is moeilijk te definiëren. Met het oog op toekomstige ontwikkelingen wordt geen opsomming gegeven. In verband met de complexiteit van vele wapensystemen is gekozen voor het begrip bemanning dan wel bediening. Dit is de bemanning of bediening die op, in of direct naast het wapensysteem dit systeem in bedrijf houdt. Het begrip wapensysteem dient daarbij in de meest ruime zin te worden uitgelegd; dat wil zeggen dat alle componenten van het systeem die voor het functioneren essentieel zijn daaronder worden begrepen. De bemanning dan wel bediening van het wapensysteem beperkt zich bovendien niet tot de organiek ingedeelde bemanning dan wel bediening; ook personeel dat (tijdelijk) dienst doet als bemanning dan wel tijdelijk een wapensysteem bedient wordt begrepen onder het begrip bemanning of bediening.

Onder gebruik van het wapensysteem wordt tevens verstaan de verplaatsing daarvan.

Ad c. Eenheid met gereedstelling

Onder de in artikel 1.5 onder h, van dit besluit bedoelde gereedstelling wordt in dit verband niét verstaan de permanente algemene gereedstelling van de gehele krijgsmacht in het kader van de bondgenootschappelijk aangegane verplichtingen. Wel wordt hieronder mede verstaan de gereedstelling die is opgelegd aan eenheden van de krijgsmacht die onder direct NAVO-bevel zijn geplaatst, de zogenoemde NATO Command Forces.

Uitzonderingen op de toepasselijkheid

In het navolgende worden de uitzonderingen ten aanzien van de defensiesector op de toepasselijkheid van de Arbeidsomstandighedenwet besproken. Deze betreffen achtereenvolgens:

a. de veiligheid van de Staat (artikel 1.27);

b. de algehele uitzondering bij het bestaan van een oorlogssituatie (artikel 1.29);

c. de partiële uitzondering van de artikelen 3, eerste lid, en 24 van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 1.30);

d. de partiële uitzondering van artikel 11 van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 1.31);

e. de partiële uitzondering van de artikelen 13, 14 en 16 van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 1.32);

f. de partiële uitzonderingen van de artikelen 35, 36 en 37 van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 1.33) en

g. de uitzondering van artikel 38 van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 1.34).

De toepasselijkheid van de wet in verband met de internationale verplichtingen op defensieterrein als bedoeld in artikel 1.28 van dit besluit, kwam hiervoor reeds aan de orde.

Ad a. De veiligheid van de Staat

Artikel 1.27 van dit besluit is gelijkluidend aan artikel 1.18 betreffende de burgerlijke openbare dienst en beoogt hetzelfde te bereiken. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar hetgeen in paragraaf 1.3.1.2 van deze toelichting onder het opschrift «Uitzonderingen op de toepasbaarheid, ad b. De veiligheid van de Staat» is vermeld. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

De artikelen 98 en volgende van het Wetboek van Strafrecht bevatten strafbepalingen met betrekking tot verschillende vormen van schending van staatsgeheimen. Daar repressieve beveiliging alléén, gezien de belangen waar het om gaat, niet voldoende wordt geacht, is bovendien voorzien in een preventieve beveiliging. Te denken valt aan de Aanwijzingen voor de beveiliging van staatsgeheimen en vitale onderdelen/objecten bij het Ministerie van Defensie (Ministeriële publicatie nr. 10–10 deel 3). Deze aanwijzingen stellen regels met betrekking tot de organisatie van de beveiliging, de rubricering van staatsgeheimen, het personeel, de behandeling van staatsgeheimen, de plaatsen waar staatsgeheimen en vitale onderdelen of objecten aanwezig zijn en de inbreuken op de beveiliging. De aanwijzingen bevatten deels een integrale overname, deels een afwijking van de Aanwijzingen voor de beveiliging van staatsgeheimen en vitale onderdelen bij de rijksdienst (Stcrt. 1989, 26) ten behoeve van de specifieke situatie van het Ministerie van Defensie. Daarnaast zijn er bij of krachtens bondgenootschappelijke of andere internationale overeenkomsten vastgestelde voorschriften, die regels stellen met betrekking tot de behandeling van staatsgeheime gegevens van internationale herkomst. Die voorschriften bevatten ook bepalingen over het al dan niet, of onder voorwaarden verlenen van toegang tot militaire objecten. Naleving van de bovengenoemde voorschriften en van het daaruit voortvloeiende inlichtingenveiligheidsbeleid bij het Ministerie van Defensie betekent dat de zorg voor de militaire inlichtingenveiligheid geen belemmering behoeft te vormen voor de toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet. Er behoeven dan ook geen andere, specifieke regels te worden getroffen. Artikel 1.27, eerste lid, heeft derhalve alleen een aanvullend karakter.

Datzelfde geldt voor het tweede lid van dit artikel; daarin is bovendien gewezen op de bronbescherming die in dit kader van bijzonder belang is.

Ad b. De algehele uitzondering bij het bestaan van een oorlogssituatie

Zoals reeds eerder is gesteld, is het uitgangspunt dat de Arbeidsomstandighedenwet ten aanzien van arbeid verricht door defensiepersoneel zoveel mogelijk van toepassing is, voor zover het belang van de landsverdediging zich daartegen niet verzet. In dat geval kunnen afwijkende bepalingen worden getroffen.

In tijd van oorlog, oorlogsgevaar of andere daaraan verwante of daarmee verband houdende buitengewone omstandigheden – er wordt hier gebruik gemaakt van de in de noodwetgeving gangbare formulering – wordt het Ministerie van Defensie geconfronteerd met tegenstrijdige belangen, namelijk het belang van de landsverdediging en het belang van toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet op arbeid verricht door defensiepersoneel. Aan het belang van de landsverdediging moet dan uiteraard voorrang worden verleend. Dit betekent dat uitvoering van de taak van de krijgsmacht zozeer prioriteit behoort te hebben, dat gelijktijdige realisering van de voorschriften die bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet zijn gesteld, niet mogelijk is. Immers de taakuitvoering van de krijgsmacht in tijd van oorlog, oorlogsgevaar of andere daaraan verwante of daarmee verband houdende buitengewone omstandigheden impliceert, dat de persoonlijke veiligheid, gezondheid en het persoonlijk welzijn van het personeel niet in dezelfde mate primair kunnen worden gesteld als dat in de Arbeidsomstandighedenwet wordt gedaan. Op grond hiervan is in artikel 1.29, onder a, van dit besluit bepaald, dat de Arbeidsomstandighedenwet in genoemde omstandigheden niet van toepassing is. Desondanks wordt er naar gestreefd het bovengenoemde uitgangspunt zoveel mogelijk te verwezenlijken.

Naast de in artikel 1.29, onder a, genoemde omstandigheden, is het ook in een aantal andere gevallen van overeenkomstig ernstige aard gewenst dat de Arbeidsomstandighedenwet niet van toepassing is. Bedoelde gevallen zijn opgenomen in onderdeel b van dit artikel. Hieronder zijn mede begrepen de verlening van bijstand door de krijgsmacht op grond van de artikelen 58 en 59 van de Politiewet 1993 of artikel 146, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, en de verlening van steun in het openbaar belang.

Onder verlening van steun in het openbaar belang wordt, mede in antwoord op de desbetreffende vraag van de werknemersvertegenwoordigers in de SER, verstaan verlening van steun in geval van een noodtoestand. Hierbij moet worden gedacht aan natuurrampen en calamiteiten zoals dijkdoorbraak en zeer omvangrijke branden en explosies. Recente voorbeelden van dergelijke gebeurtenissen zijn de overstromingen in 1993 en 1995 in het zuiden en midden van Nederland.

Het is evident dat onder dergelijke omstandigheden de steunverlening door de krijgsmacht niet kan en mag worden belemmerd. Het feit dat de Arbeidsomstandighedenwet in dergelijke gevallen niet van toepassing is, betekent uiteraard niet dat met de veiligheids- en gezondheidsbelangen van het defensiepersoneel geen rekening wordt gehouden. Integendeel, bij de inzet van defensiepersoneel in het kader van het openbaar belang worden geen onnodige risico's genomen en worden de veiligheids- en gezondheidsaspecten nauwlettend bewaakt. Overigens is het niet zo, dat in alle gevallen van inzet van defensiepersoneel bij de verlening van steun in het openbaar belang de Arbeidsomstandighedenwet niet van toepassing is. Zoals uit de formulering van artikel 1.29 blijkt, is daartoe een expliciete beslissing van de Minister van Defensie vereist. Een dergelijke beslissing is onderworpen aan politieke controle. Dit betekent, dat de Tweede Kamer kan ingrijpen op het moment dat wordt geoordeeld dat ten onrechte de werking van de Arbeidsomstandighedenwet buiten werking wordt gesteld.

Ad c. De partiële uitzondering van de artikelen 3, eerste lid, en 24 van de Arbeidsomstandighedenwet

De artikelen 3 en 24 van de Arbeidsomstandighedenwet hangen nauw met elkaar samen. In artikel 3 zijn in algemene zin de grondbeginselen neergelegd die met betrekking tot de zorg voor veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met de arbeid moeten worden toegepast. Op grond van artikel 24 kunnen in situaties, waar gezien de risico's dwingende en minimale voorzieningen noodzakelijk zijn, regels worden gesteld.

Toepassing van de bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet gestelde regels met betrekking tot arbeid verricht door defensiepersoneel mag, zoals eerder gesteld, geen onaanvaardbare belemmering van de landsverdediging tot gevolg hebben; dit betekent dat de operationele taakuitvoering van de krijgsmacht of eenheden daarvan niet mogen worden belemmerd.

Met inachtneming van dit uitgangspunt zijn in artikel 1.30, onder a, van dit besluit, de artikelen 3, eerste lid, en 24 van de wet en enige andere bij dit besluit gestelde regels ten aanzien van arbeid verricht door defensiepersoneel, uitgezonderd tijdens, voor en direct na oefeningen.

Met betrekking tot de achtergrond van deze uitzonderingen wordt mede naar aanleiding van de opmerking van de werknemersvertegenwoordigers in de SER, dat hen niet duidelijk is waarom de toepassing van deze artikelen zich niet verdraagt met het oorlogsnabootsende karakter van oefeningen, het volgende naar voren gebracht.

Doel en strekking van de Arbeidsomstandighedenwet is de arbeidsomstandigheden af te stemmen op de werknemer. De veiligheid, de gezondheid en het welzijn vormen hierbij de speerpunten. Het moge duidelijk zijn, dat in tijd van oorlog aan het belang van de landsverdediging voorrang moet worden verleend boven het belang van de (individuele) werknemer. Dit betekent dat in een zodanige situatie de omstandigheden waaronder het werk moet worden verricht niet kunnen worden aangepast aan de aspecten veiligheid, gezondheid en welzijn. Tijdens oefeningen worden oorlogsomstandigheden nagebootst. Er kan pas sprake zijn van een daadwerkelijk nabootsen van oorlogsomstandigheden, indien de situatie van oorlog zoveel als mogelijk wordt benaderd. Hieruit volgt dat aan een aantal van de bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet gegeven voorschriften niet zal kunnen worden voldaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het voorschrift dat de werknemer zijn werk naar eigen inzicht moet kunnen verrichten. Ook aan een aantal van de in de aanhef van het onderhavige artikel bedoelde technische eisen, zoals bijvoorbeeld de voorschriften met betrekking tot de toetreding van daglicht of met betrekking tot zitgelegenheden, lenen zich niet voor toepassing onder oorlogsnabootsende omstandigheden. Nu een en ander reeds op voorhand duidelijk is, heeft het invoeren van een redelijkerwijstoets zoals door deze vertegenwoordigers in dit verband is voorgesteld, geen meerwaarde ten opzichte van de voorgestelde formulering van het onderhavige artikelonderdeel.

Overigens betekent het voorgaande niet, dat tijdens oefeningen onnodige risico's worden genomen. Vanuit de verantwoordelijkheid van de Minister van Defensie voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van het defensiepersoneel wordt, ook tijdens oefeningen, een werkwijze overeenkomstig de strekking van de hiergenoemde artikelen van de Arbeidsomstandighedenwet gehanteerd. Het Ministerie van Defensie heeft daartoe eigen scherpe veiligheidsvoorschriften geformuleerd. Zo is er tijdens oefeningen altijd een arts aanwezig en moeten er bij bepaalde oefeningen altijd zwemvesten worden gedragen. Ten slotte wordt nog vermeld, dat oefeningen pas worden verricht na een lange opleiding. Dit enkele feit op zich betekent al een aanmerkelijke beperking van de veiligheidsrisico's.

Wat betreft de opvatting van de werknemersvertegenwoordigers, dat de zinsnede «direct voor of direct na een oefening» niet alleen vaag is doch ook onnodig omdat het tijdstip van het begin van een oefening immers heel goed precies bepaald kan worden, wordt opgemerkt, dat men zich bij een oefening altijd een oefendoel stelt, dat in de beschikbare tijd en ruimte gehaald moet worden. Ter bekorting van de benodigde tijd treft men veelal voorbereidingen om de gewenste startsituatie te scheppen. Deze voorbereidingen worden bedoeld met de zinsnede «direct voor de oefening». De werkzaamheden die worden verricht zijn bijvoorbeeld de opbouw van logistieke voorzieningen, het beladen dan wel gereedstellen van materieel, verplaatsingen, het inrichten van locaties, het innemen van posities en het voorbereiden van verbindingen. Deze voorbereidingen kunnen een oefenaspect op zich vormen, zonder direct als «oefening» te worden aangemerkt. Dit is afhankelijk van het uitvoerende niveau; voor een infanterie-eenheid gelden andere oefenaspecten dan voor een brigade, een divisie of een legerkorpsstaf. Na het bereiken van het oefendoel wordt de oefening afgesloten met «end lex» ofwel einde oefening. Vervolgens zullen de eenheden beginnen alle voorzieningen voorafgaand aan en tijdens de oefening aangebracht, te verwijderen, op te ruimen dan wel af te breken. Bij deze werkzaamheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het afbreken van de bij een rivierovergang gebruikte vlotten. Ook de verplaatsingen terug, maken niet altijd deel uit van de oefening. Deze afsluitende werkzaamheden worden bedoeld met de zinsnede «direct na de oefening». De voorbereidende en afsluitende werkzaamheden houden nauw verband met de daadwerkelijke oefening. Dit betekent dat tijdens deze werkzaamheden de bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet gestelde voorschriften niet volledig kunnen worden nageleefd. Ook tijdens deze werkzaamheden echter geldt de zorgplicht van de Minister van Defensie voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van zijn personeel. De daartoe vastgestelde eigen veiligheidsvoorschriften zijn dan ook tijdens de onderhavige werkzaamheden onverkort van toepassing.

Ten slotte zij er met betrekking tot de uitzondering ten aanzien van artikel 3 nog op gewezen dat deze, zoals door de werknemersvertegenwoordigers in de SER terecht is opgemerkt, uitdrukkelijk is beperkt tot het eerste lid van dit artikel. De in het tweede lid opgenomen verplichting om werknemers zoveel mogelijk te beschermen tegen sexuele intimidatie en agressie en geweld alsmede tegen de nadelige gevolgen daarvan, is derhalve onder alle omstandigheden van toepassing op de defensiesector. Deze aanvankelijke omissie in het aan de SER voorgelegde ontwerp-besluit is thans hersteld.

De geheel eigen eisen die gesteld worden aan militaire vaartuigen, militaire luchtvaartuigen en bemande wapensystemen zijn moeilijk verenigbaar met de in de aanhef van artikel 1.30 bedoelde regels. Voor die objecten zijn dan ook uitzonderingen gemaakt welke zijn opgenomen in onderdeel b van dit artikel.

Met betrekking tot de uitzondering als bedoeld in dit onderdeel onder 1°, zij opgemerkt dat afwijkingen van deze regels welke noodzakelijk zijn in verband met de bijzondere bouw, constructie, inrichting of uitrusting van de onderhavige vaartuigen en wapensystemen waardoor zij geschikt zijn voor hun specifieke gebruiksdoel, de operationele taakuitvoering, dan wel afwijkingen die onvermijdelijk zijn bij het technisch gebruik van deze objecten, reeds in de ontwerp- en ontwikkelingsfase daarvan moeten worden overwogen en gemotiveerd. In deze fase kan advies of commentaar worden gevraagd aan de Arbeidsinspectie. De afwijkingen zijn in feite bepaald door de – bij deze objecten behorende – technische en logistieke documentatie zoals bestekken, deviezen, technische tekeningen en uitrustingsbescheiden welke zijn vastgesteld door de Minister van Defensie, alsmede door de technische gebruiksvoorschriften zoals instructies en handleidingen, die door deze minister zijn uitgegeven. Een en ander laat de mogelijkheid van wijziging van de constructie, inrichting of uitrusting van de onderhavige objecten teneinde deze (meer) in overeenstemming te brengen met de bij dit artikel uitgezonderde bepalingen, onverlet. De Minister van Defensie zou daartoe opdracht kunnen geven, bijvoorbeeld naar aanleiding van een advies van de Arbeidsinspectie.

Indien oorlogsschepen, militaire luchtvaartuigen en bemande wapensystemen niet als zodanig worden gebruikt, dienen – gelet op de tekst van artikel 1.30, onderdeel b, onder 2° – de in de aanhef van dit artikel bedoelde regels in beginsel van toepassing te zijn, voor zover dit mogelijk is gegeven de bouw, constructie, inrichting en uitrusting van deze objecten. Dit betekent dat deze regels in ieder geval van toepassing zijn tijdens daarop of daaraan verrichte werkzaamheden bestaande uit of verband houdende met onderhoud, reiniging, herstelling, verbouwing en modificatie (bijvoorbeeld op een schip in het dok, een vliegtuig in de hangar en een tank in de werkplaats).

Wanneer oorlogsschepen varen en militaire luchtvaartuigen en bemande wapensystemen als zodanig daadwerkelijk in gebruik zijn, wordt voortdurend de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken verworven, opgevoerd of onderhouden. Gedacht kan worden aan het kunnen omgaan en manoeuvreren met deze objecten, die een eerste vereiste vormen voor het uitvoeren van oorlogstaken. In deze gevallen is er niet altijd sprake van een oefening in de zin van artikel 1.5, onder d, van dit besluit. Niettemin kan worden gesteld dat dan operationele taken worden uitgevoerd. Uit praktische overwegingen wordt onder het varen van oorlogsschepen mede begrepen het voor anker liggen, dat wil zeggen niet afgemeerd zijn aan een kade, en worden onder het feitelijk gebruik van militaire luchtvaartuigen behalve het vliegen ook de activiteiten direct daaraan voorafgaande en direct daarop volgende zoals het taxiën, begrepen.

In deze situaties geldt de uitzondering van artikel 1.30, omdat de toepassing van de daarin bedoelde regels de operationele taakuitvoering zou belemmeren.

Op grond van artikel 1.30, onderdeel b, onder 3°, van dit besluit, is het aan de Minister van Defensie om te beoordelen of de operationele taakuitvoering door de toepassing van de in de aanhef van artikel 1.30 bedoelde regels wordt belemmerd. Van een dergelijke belemmering kan onder meer sprake zijn bij assistentie in geval van calamiteiten, bij reddings- en opsporingsoperaties en bij bewakings- en beveiligingsdiensten, een en ander voor zover de bedoelde taken en omstandigheden niet vallen onder de werkingssfeer van artikel 1.29, van dit besluit, dat reeds gedurende de voorbereiding van die taken, dus voordat deze daadwerkelijk worden uitgevoerd, kan dwingen, niet alleen tot een beperking van de in artikel 1.30 bedoelde regels op het terrein van veiligheid, gezondheid en welzijn, maar van alle op dit terrein gestelde regels. Hierbij kunnen de factoren tijd en plaats een belangrijke rol spelen. Gedacht kan worden aan werkzaamheden in het kader van onderhoud, herstelling of modificatie van een militair vaartuig, militair luchtvaartuig, bemand wapensysteem of eenheid met gereedstelling, waardoor de meerbedoelde taken, bij onverkorte toepassing van de in artikel 1.30 bedoelde regels, niet tijdig zouden kunnen worden uitgevoerd.

De te volgen gedragslijn mag niet afhankelijk zijn van het subjectieve oordeel van degenen, die «op de arbeidsplaats» leiding geven zoals commandanten en diensthoofden, teneinde te voorkomen dat in vergelijkbare omstandigheden een verschillend beleid wordt gevoerd. Ten aanzien van een aangelegenheid als vorenbedoeld wordt overleg gevoerd met de betrokken Bijzondere Commissie Georganiseerd Overleg.

Omdat het begrip operationele taakuitvoering niet eenduidig kan worden gedefinieerd, moeten de gevallen waarin de operationele taakuitvoering door de toepassing van de in het onderhavige artikel bedoelde regels zou worden belemmerd, steeds vooraf worden vastgesteld en duidelijk geformuleerd. In die gevallen is de toepassing van deze regels dan uitgesloten.

De Minister van Defensie is verantwoordelijk zowel voor de onmiddellijke inzetbaarheid van de eenheden als voor de veiligheid en gezondheid van het betrokken personeel. De laatstbedoelde verantwoordelijkheid brengt met zich mee dat ook in de gevallen, waarin de hierbedoelde regels op het terrein van veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met de operationele taakuitvoering niet van toepassing zijn, de algemeen aanvaarde normen voor een veilige en gezonde werkwijze, welke bij die regels is voorgeschreven, door de Minister van Defensie zoveel mogelijk in acht zullen worden genomen.

Ad d. De partiële uitzondering van artikel 11 van de Arbeidsomstandighedenwet

Tot de wezenlijke taken van de krijgsmacht behoort het verrichten van politie-, bewakings- en beveiligingsdiensten en het verlenen van bijstand. Dit kan inhouden dat tevens burgerpersoneel van het Ministerie van Defensie wordt belast met een bewakings- of beveiligingstaak. Voorts is personeel van de Koninklijke Marechaussee belast met de uitoefening van de taken als genoemd in de artikelen 6, 58 en 60 van de Politiewet 1993, waaronder de zelfstandige uitoefening van de politietaak ten behoeve van de strijdkrachten, het verlenen van bijstand aan de politie ter handhaving van de openbare orde, voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie. Op grond van artikel 59 van de Politiewet 1993 kan ook bijstand worden gevergd van andere onderdelen van de krijgsmacht.

Uiteraard is het bovenvermelde personeel er mee bekend dat het voor de bedoelde taakuitoefening is aangewezen, en ook voor derden is uit de aard van de functie-uitoefening van dat personeel kenbaar, dat men met een functionaris te maken heeft die belast is met een bewakingstaak of met wachtdienst en dergelijke.

De aanwijzing van het personeel is gegrond op de aanstelling (bijvoorbeeld marechaussee- en burgerbewakingspersoneel) dan wel de beslissing van de Minister van Defensie (bijvoorbeeld verlening van militaire bijstand) dan wel de toepassing van door deze minister vastgestelde voorschriften (bijvoorbeeld aanwijzing van militair personeel voor het verrichten van wachtdiensten). Voor het militaire personeel geldt voorts dat het in de uitoefening van de taken in het kader van de Politiewet 1993 – met inachtneming van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 275) – geoorloofd is, om in voorkomend geval van de bij de betreffende dienstverrichting voorgeschreven geweldsmiddelen (bijvoorbeeld verschillende soorten vuurwapens) gebruik te maken. Dit houdt onder meer in dat ten aanzien van geweld – zowel wat betreft de noodzaak tot aanwending als ook de mate daarvan – niet het subjectieve oordeel van de betrokken functionaris doorslaggevend is, maar de objectieve maatstaven die in genoemde Ambtsinstructie zijn neergelegd.

Op grond van dezelfde overwegingen als die, welke gelden voor het uitsluiten van de werking van artikel 11 van de Arbeidsomstandighedenwet voor de burgerlijke openbare dienst, wordt ook voor defensiepersoneel dat met een of meer van de bovenvermelde taken is belast, de toepasselijkheid van artikel 11 van de Arbeidsomstandighedenwet ingeperkt. Of «een goede taakuitoefening niet wordt belemmerd» dient eveneens te worden vastgesteld, niet naar het subjectieve oordeel van de betrokken functionaris, maar op grond van de objectieve maatstaven zoals neergelegd in de reeds genoemde Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar. Voor het gebruik van geweld door militair personeel in de uitoefening van de bewakings- en beveiligingstaak is een rijkswet in voorbereiding. Het is de bedoeling de in het kader van deze rijkswet op te stellen geweldsinstructie voor militairen nauw aan te laten sluiten bij meergenoemde Ambtsinstructie.

Ad e. De partiële uitzondering van de artikelen 13, 14 en 16 van de Arbeidsomstandighedenwet

Toepassing van de bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet inzake de samenwerking en het overleg tussen de werkgever en de werknemer zoals neergelegd in de artikelen 13 (verplichting tot samenwerking tussen werkgever en werknemers), 14 (rechten van de ondernemingsraad) en 16 (werkoverleg) van de wet, wordt niet mogelijk geacht wanneer voorbereiding op de oorlogstaak plaatsvindt door middel van oefeningen. De motivering voor deze uitzondering, welke is opgenomen in artikel 1.32 van dit besluit, ligt in de noodzaak tijdens oefeningen – die immers plaatsvinden onder oorlogsnabootsende omstandigheden (zie de definitie van het begrip «oefening» in artikel 1.5, onder d) – niet te tornen aan het eenhoofdige leiderschap. Overigens wordt wat betreft eventuele besprekingen van arbeidsomstandighedenaspecten voor of na een oefening als hier bedoeld, verwezen naar de Regeling onderdeelsoverlegorganen en Hoofdstuk 11 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, die de mogelijkheid bieden, onderwerpen als de onderhavige aan de orde te stellen zonder dat daarover evenwel overleg wordt gevoerd als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet.

Ad f. De partiële uitzondering van de artikelen 35, 36 en 37 van de Arbeidsomstandighedenwet

Met betrekking tot oefeningen en eenheden met gereedstelling is de onmiddellijke inzetbaarheid van de krijgsmacht in het geding. Het handhaven van de onmiddellijke inzetbaarheid in het kader van oefeningen of van eenheden met gereedstelling is de uitsluitende verantwoordelijkheid van de Minister van Defensie. Strijd met dit uitgangspunt ontstaat door de onverkorte toepassing van de artikelen 35, 36 en 37 van de Arbeidsomstandighedenwet betreffende de bevoegdheid van de Arbeidsinspectie om respectievelijk een aanwijzing te geven, een eis tot naleving te stellen dan wel het werk stil te leggen bij onmiddellijk dreigend gevaar voor personen. Deze artikelen beogen immers hetzij indirect (artikel 35 en 36), hetzij direct (artikel 37) de gang van zaken in die situaties of met betrekking tot deze eenheden te benvloeden. Om die reden zijn op grond van artikel 1.33, eerste lid, van dit besluit, de artikelen 35, 36 en 37 van de wet in deze situaties uitgezonderd.

In antwoord op de vraag van de werknemersvertegenwoordigers in de SER, waarom een aantal gescreende ambtenaren van de Arbeidsinspectie niet de mogelijkheid zou kunnen hebben om bij oefeningen waarbij een zeer ernstig gevaar of bedreiging van de werknemer bestaat, de betreffende activiteiten stil te leggen of een eis tot naleving te stellen, wordt erop gewezen dat de uitoefening van de bij genoemde artikelen aan deze inspectiedienst toegekende bevoegdheden direct verband houden met de toepasselijkheid van de artikelen 3 en 24 van de wet. Nu laatstgenoemde artikelen op grond van het hiervoor besproken artikel 1.30, onder a, van dit besluit, niet van toepassing zijn direct voor, tijdens en direct na oefeningen, is reeds om die reden toepasselijkheid van de artikelen 35, 36 en 37 niet aan de orde.

Overigens is er, zoals reeds eerder gesteld, geen sprake van dat onredelijke gevaren of ernstige gezondheidsbedreigende situaties worden gecreëerd. Eigen scherpe veiligheidsvoorschriften zijn gesteld. Daarnaast is immer deskundig toezicht aanwezig en wordt zorggedragen voor een adequaat uitgeruste veiligheidsorganisatie (de zogenoemde scheidsrechterorganisatie). Dit alles heeft voor de defensiesector het gunstig bijkomend effect dat het daar werkzame personeel goed gemotiveerd is. En met goed gemotiveerd personeel wordt beter geoefend.

Wil de toepasselijkheid van artikel 3, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet en het onderhavige, mede op artikel 24 van de wet gebaseerde besluit, op oorlogsschepen, militaire luchtvaartuigen en bemande wapensystemen effect sorteren, dan moet de Arbeidsinspectie ook de bevoegdheid bezitten om ter zake een aanwijzing te geven dan wel een eis tot naleving te stellen. Wanneer oorlogsschepen varen en militaire luchtvaartuigen en bemande wapensystemen als zodanig in gebruik zijn, alsmede in de gevallen, waarin de operationele taakuitvoering van die eenheden anderszins noopt tot beperking van de toepasselijkheid van de in de aanhef van artikel 1.30 bedoelde regels op het terrein van veiligheid, gezondheid en welzijn, moeten ook de artikelen 35 en 36 van die wet buiten toepassing blijven. Deze uitzondering is opgenomen in het tweede lid van artikel 1.33. De operationele taakuitvoering is hier immers direct aan de orde. Aanwijzingen en eisen kunnen daarop rechtstreeks of indirect van invloed zijn. Zulks geldt a fortiori ten aanzien van de in artikel 37 van de Arbeidsomstandighedenwet geregelde bevoegdheid tot de stillegging van werk.

Voor een nadere toelichting op het vorenstaande zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 1.30 van dit besluit.

Het Wapen der Koninklijke Marechaussee is een onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht. Het personeel van het Wapen vormt derhalve defensiepersoneel in de zin van dit besluit. Politietaken zijn aan de Koninklijke Marechaussee opgedragen bij artikel 6, eerste lid, van de Politiewet 1993, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten. Bedoelde in het algemeen verscherpte politiële taken zijn speciaal aan dit krijgsmachtonderdeel toebedeeld vanwege haar militaire hoedanigheid, strakkere discipline en zwaardere uitrusting.

Over het algemeen beschermen deze taken zwaarwegende staatsbelangen en vereisen zij een onmiddellijke inzetbaarheid van het betreffende personeel. Het is voor de overheid – hoezeer ook oog hebbend voor de persoonlijke veiligheid en gezondheid van dit personeel – niet verantwoord deze onmiddellijke inzetbaarheid in gevaar te brengen.

Toepassing van de artikelen 35, 36 en 37 van de Arbeidsomstandighedenwet zou de uitvoering van deze taken op onaanvaardbare wijze kunnen beïnvloeden en zou zelfs volledig afbreuk kunnen doen aan de onmiddellijke inzetbaarheid. Op grond van artikel 1.33, derde lid, van dit besluit, zijn genoemde artikelen derhalve eveneens niet van toepassing op het personeel van het onderhavige krijgsmachtonderdeel.

Hierbij geldt echter de uitdrukkelijke restrictie, dat deze uitzondering alleen het personeel betreft, dat daadwerkelijk bezig is met de uitvoering van de bedoelde specifieke taken. Van deze daadwerkelijke specifieke taakuitvoering is alleen sprake, indien dat personeel tot de uitvoering van die specifieke taken is gecommandeerd, met andere woorden gedurende de tijd dat zij daadwerkelijk met de taakuitoefening bezig zijn. Uit de voor het personeel geldende «werkschema's» blijkt duidelijk welke personeelsleden gedurende welke tijd daadwerkelijk bezig zijn met de uitvoering van deze taken.

Het personeel van de Koninklijke Marechaussee verricht behalve de bijstand als bedoeld in artikel 1.7.4, onder b, van dit besluit, ook andere werkzaamheden gezamenlijk met de zogenoemde civiele politie. In het bijzonder wordt hierbij gedacht aan de door de Minister van Defensie te bepalen gevallen van de zogenoemde semi-permanente bijstand, waarbij speciaal daartoe aangewezen personeel van de Koninklijke Marechaussee voor langere tijd geheel geïntegreerd in de politiekorpsen van enige grote Nederlandse steden alle voorkomende diensten verricht, dit laatste onder de eindverantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken.

Het ligt voor de hand dat met betrekking tot deze gemeenschappelijk verrichte, niet incidentele werkzaamheden van het personeel van beide diensten, een identiek «arbeidsomstandighedenregime» geldt. In artikel 1.33, vierde lid, van dit besluit, is ten aanzien van de hierbedoelde arbeid door marechausseepersoneel geheel en al aansluiting gezocht bij de voor het politiepersoneel in artikel 1.17 van dit besluit opgenomen uitzonderingen van de artikelen 35, 36 en 37 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Ad g. De uitzondering van artikel 38 van de Arbeidsomstandighedenwet

De bevoegdheid tot werkonderbreking wordt in artikel 38 van de Arbeidsomstandighedenwet aan de werknemer verleend onder de voorwaarde dat er naar diens redelijk oordeel onmiddellijk dreigend gevaar aanwezig is. De positie van degene die op grond van zijn oordeel daaromtrent tot werkonderbreking overgaat, wordt voorts versterkt door de bewijslast met betrekking tot de redelijkheid van het oordeel te leggen bij hem die de redelijkheid in twijfel trekt.

Artikel 38 berust dan ook op de gedachte dat de bescherming van het individu in zijn rol van werknemer in het algemeen dient te prevaleren boven de onbelemmerde voortgang van de door deze verrichte werkzaamheden. Het goed functioneren van de krijgsmacht kan echter gevaar lopen indien het belang van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van het individu zou worden verabsoluteerd. In artikel 1.34 van dit besluit is dan ook bepaald, dat artikel 38 niet van toepassing is op militair personeel.

Er zijn namelijk zeer wel situaties voor te stellen denk bijvoorbeeld aan bijstand bij het handhaven van de openbare orde en rampenbestrijding alsmede aan activiteiten in het kader van crisisbeheersingssituaties waarin een andere belangenafweging aan de orde is, te weten een afweging van de bescherming van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van het individu, tegen wat zou kunnen worden samengevat als het algemeen militair en operationeel belang. Dit belang kan zodanig zijn dat aan de voortgang van (gevaarlijke) werkzaamheden de voorrang behoort te worden gegeven boven de veiligheid van het individu.

Een belangenafweging van deze aard behoort in de eerste plaats tot de taak van de militaire meerdere. De militaire meerdere heeft, onder een aantal beperkingen en voorwaarden, de bevoegdheid gekregen het resultaat van zijn belangenafweging af te dwingen met behulp van het (militaire) dienstbevel. De resultaten van deze belangenafweging kunnen uiteindelijk door de rechter worden getoetst. In artikel 28 van de Wet militair tuchtrecht is bepaald, dat de militair die een onrechtmatig bevel geeft aan een mindere, zich in strijd met de militaire tucht gedraagt. Dit betekent dat de bevelsgever aansprakelijk is voor de door hem genomen beslissing. Een en ander betekent overigens niet, dat een militair nimmer het werk zou kunnen onderbreken of een dienstbevel weigeren. Indien de bevolen gedraging onrechtmatig is, dient de militair het bevel niet op te volgen. In het Wetboek van Militair Strafrecht is voor dergelijke gevallen een uitdrukkelijke strafuitsluitingsgrond opgenomen. In artikel 131 van dit wetboek is namelijk bepaald, dat een feit, bedoeld in de artikelen 126 tot en met 130 betreffende het niet opvolgen van dienstbevelen, niet strafbaar is, indien de bevolen gedraging onrechtmatig is. Voorts is in het Wetboek van Militair Strafrecht een strafuitsluitingsgrond opgenomen voor de gevallen waarin de militair een bevel niet opvolgt, omdat hij de inhoud van het bevel te goeder trouw als onrechtmatig beschouwt. Deze strafuitsluitingsgrond is opgenomen in artikel 132 van het Wetboek: niet strafbaar is de militair die een feit begaat, genoemd in de artikelen 126 tot en met 128, indien hij de bevolen gedraging te goeder trouw als onrechtmatig beschouwde.

Aan het bezwaar van de werknemersvertegenwoordigers in de SER, die met betrekking tot de onderhavige uitzondering hebben aangegeven niet in te zien waarom in vredestijd de militaire werknemer niet het werk zou kunnen onderbreken indien naar maatstaven van redelijkheid gevaar voor personen aanwezig is, is gezien het vorenstaande dus reeds tegemoet gekomen in een ander kader. Dit (militaire) kader past beter bij de situatie van de krijgsmacht dan het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Dat het militaire dienstbevel niet geldt voor burgerpersoneel van het Ministerie van Defensie is het logisch gevolg van het feit dat het militaire straf- en tuchtrecht voor militairen geldt. Daarom wordt artikel 38 voor dit burgerpersoneel niet uitgezonderd.

§ 1.4 Bijzondere categorieën werknemers

§ 1.4.1 Algemeen

De afdelingen 8 tot en met 10 van hoofdstuk 1 van dit besluit bevatten algemene bepalingen met betrekking tot bijzondere categorieën van werknemers, te weten:

– jeugdigen werknemers (afdeling 8);

– zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie (afdeling 9), en

– thuiswerkers (afdeling 10).

§ 1.4.2 Afdeling 8 (Jeugdige werknemers)

Algemeen

Jeugdige werknemers – dat zijn op grond van artikel 1, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, werknemers jonger dan 18 jaar – vormen in dit besluit een bijzondere categorie werknemers. Voordat hierop nader wordt ingegaan is het van belang even stil te staan bij het begrip jeugdige werknemer zoals dat in de Arbeidsomstandighedenwet is gedefinieerd. De definitie van jeugdige werknemer in de Arbeidsomstandighedenwet wijkt namelijk af van de definitie van jeugdige werknemer zoals die in de Arbeidstijdenwet wordt gehanteerd. In de Arbeidstijdenwet wordt onderscheid gemaakt tussen een kind (een persoon beneden de 16 jaar) en een jeugdige werknemer (een werknemer van 16 of 17 jaar). Dit onderscheid brengt mee dat zowel een kind als een jeugdige werknemer die in het kader van de Arbeidstijdenwet toegestane arbeid verricht, een jeugdige werknemer wordt in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en dit besluit. Uitgangspunt van de Arbeidstijdenwet is dat een kind geen arbeid verricht (verbod van kinderarbeid). Daar waar het verrichten van arbeid door een kind op grond van de Arbeidstijdenwet toch is toegestaan, gelden naast de betreffende regels op grond van de Arbeidstijdenwet tevens de regels van dit besluit. Ook voor jeugdige werknemers in de zin van de Arbeidstijdenwet geldt, dat zij zowel aan de bij of krachtens die wet gestelde regels als aan de regels gesteld bij dit besluit moeten voldoen.

Bijzondere aandacht verdient de positie van een jeugdige werknemer van 12, 13, 14 of 15 jaar, die op grond van de Arbeidstijdenwet toegestane arbeid verricht. Een dergelijk kind geniet de arbeidsbescherming die in het onderhavige sluit is opgenomen. Zonder nadere regelgeving wijkt de arbeidsbescherming ten aanzien van een 12-, 13-, 14- of 15-jarige in principe niet af van de bescherming die geldt voor een 16- of 17-jarige. Wel vormt de leeftijd van de jeugdige werknemer in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet een bijzonder aandachtspunt voor de risico-inventarisatie en -evaluatie. Bij de vormgeving van het bij dit besluit voorgeschreven adequaat deskundig toezicht speelt de leeftijd van een jeugdige werknemer een zeer belangrijke rol. Bij iemand van 12, 13 of 14 jaar die voor het eerst niet-industriële hulparbeid van lichte aard verricht, zal de mate van toezicht immers vele malen intensiever zijn dan bij een 17-jarige die reeds de nodige arbeidservaring heeft opgedaan. Niettemin is ervoor gekozen niet met deze algemene regels te volstaan. Aan de Nadere regeling kinderarbeid op grond van de Arbeidstijdenwet, is bij de inwerkingtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit een bepaling toegevoegd, die er toe strekt, dat een kind van 12, 13, 14 of 15 jaar geen arbeid verricht waaraan bijzondere vereisten zijn gesteld voor jeugdige werknemers in het kader van dit besluit. Met andere woorden, de in dit besluit opgenomen bijzondere bepalingen voor jeugdige werknemers zien alleen toe op werknemers van 16 en 17 jaar. Kinderen van 12, 13, 14 of 15 jaar mogen dergelijke arbeid op grond van de Nadere regelen kinderarbeid derhalve niet verrichten. Het gaat in casu om de werkzaamheden die in dit besluit zijn opgenomen bij de artikelen 3.46, 4 106 en 7.39. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de in dit besluit opgenomen verboden werkzaamheden voor jeugdige werknemers uiteraard ook gelden voor kinderen in de zin van de Arbeidstijdenwet.

Jeugdige werknemers kenmerken zich in het algemeen door een geringer besef van gevaren, speelsheid, grotere beweeglijkheid, geringer verantwoordelijkheidsbesef en een geringere aandacht voor de persoonlijke gezondheid. Deze kenmerken manifesteren zich sterker naarmate de jeugdige werknemers jonger zijn. Daarnaast hebben deze werknemers doorgaans nog maar net het beschermde schoolmilieu verlaten en komen zij voor het eerst in aanraking met de minder op hen afgestemde inrichting van het arbeidsmilieu. Met al deze elementen moet rekening worden gehouden wanneer jeugdigen worden ingeschakeld in het arbeidsproces.

Daarnaast speelt het fysieke ontwikkelingsstadium waarin jeugdigen zich bevinden een rol. Mogelijke stoornissen in de groei als gevolg van bepaalde soorten van arbeid moeten uiteraard worden voorkomen. Anderzijds is het van groot belang dat ook jeugdigen een plaats in het arbeidsproces verwerven. Betaalde arbeid biedt immers economische zelfstandigheid en kan fungeren als instrument voor integratie in de samenleving en biedt de mogelijkheid tot zelfontplooiing.

Op arbeid door jeugdige werknemers was onder meer het op de Arbeidswet 1919 gebaseerde Arbeidsbesluit jeugdigen van toepassing. Dit besluit bevatte een aantal verbodsbepalingen ten aanzien van specifieke werkzaamheden. In 1988 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de toenmalige Arboraad toegezegd het Arbeidsbesluit jeugdigen over te zetten naar de Arbeidsomstandighedenwet. Op 5 september 1990 heeft daarover een eerste overleg plaats gevonden met de Agenda-commissie van deze Raad. De leden van deze commissie konden zich vinden in een systeem, waarbij arbeidsverboden zouden blijven bestaan voor werkzaamheden waarvan wetenschappelijk was vastgesteld, dat jeugdige werknemers daarbij meer risico's lopen in het lichamelijke groeiproces dan andere werknemers. Andere werkzaamheden zouden in zo'n systeem wel mogelijk gemaakt moeten worden, mits onder adequaat deskundig toezicht uitgevoerd. Deze werkzaamheden zouden aldus een bijdrage kunnen leveren aan de verdere ontwikkeling van deze werknemers zoals het opdoen van werkervaring en het verkrijgen van inzicht in het arbeidsproces.

Aanvankelijk was het de bedoeling, de werknemersvertegenwoordigers in de SER wijzen hier ook op, om speciaal voor jeugdigen toepasselijke bepalingen op te nemen in een aparte sectorale algemene maatregel van bestuur op basis van artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet. Deze opzet is echter achterhaald met het voorliggende Arbeidsomstandighedenbesluit. In dit besluit is per onderwerp een hoofdstuk ontworpen waarin alle voor dat onderwerp geldende voorschriften zijn opgenomen: de verboden, de algemene en bijzondere regels en de uitzonderingen, in dit geval de voor jeugdige werknemers aan het verrichten van bepaalde werkzaamheden verbonden gevaren. Bedoelde opzet voorkomt dat een werkgever eerst moet onderzoeken welke voor de werkzaamheden in zijn bedrijf of inrichting in het algemeen de toepasselijke regels zijn, en vervolgens of voor een bijzondere groep werknemers in zijn bedrijf of inrichting daarnaast nog bijzondere regels bestaan.

Bij de integratie van de bepalingen voor jeugdige werknemers in de arbeidsomstandighedenregelgeving is voorts aangesloten bij de richtlijn jongeren. Daarmee is de implementatie van deze richtlijn in de Nederlandse regelgeving, wat betreft het arbeidsomstandighedengedeelte, gerealiseerd. Implementatie van het arbeids- en rusttijdengedeelte heeft plaatsgevonden door middel van de Arbeidstijdenwet.

De algemene norm van artikel 6, eerste lid, van genoemde richtlijn ligt, zoals de werknemersvertegenwoordigers in de SER terecht veronderstellen, in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Arbeidsomstandighedenwet.

Uitgangspunt van het Arbeidsomstandighedenbesluit is dat het geldt voor alle werknemers, waaronder dus ook jeugdige werknemers worden begrepen. In afdeling 8 van hoofdstuk 1 van dit besluit zijn voor jeugdige werknemers enige aanvullende voorschriften opgenomen over de inventarisatie en evaluatie, de voorlichting, het deskundig toezicht en het arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Deze artikelen vloeien rechtstreeks voort uit de richtlijn jongeren (zie artikel 1.35). Op deze wijze worden jeugdige werknemers overeenkomstig het uitgangspunt van artikel 7, eerste lid, van deze richtlijn, beschermd tegen specifieke risico's op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn ten gevolge van een gebrek aan ervaring, doordat zij zich niet bewust zijn van werkelijke of mogelijke risico's of doordat hun ontwikkeling nog niet is voltooid.

De voornoemde aanvullende voorschriften zijn niet van toepassing op jeugdige leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen. Dit omdat het leerproces van een geheel andere orde is dan het arbeidsproces (zie artikel 1.39).

De vertegenwoordigers van de werknemers in de SER hebben kritiek op het in dit besluit opgenomen nieuwe regime voor jeugdige werknemers en pleiten voor de terugkeer van een groot aantal verboden voor deze categorie.

Van deze lijn is bewust afgezien. Het tot voor kort bestaande regime voor jeugdigen zoals neergelegd in het Arbeidsbesluit jeugdigen, kende vele verboden werkzaamheden voor jeugdigen. Het in het onderhavige besluit opgenomen regime bevat, in overeenstemming met de richtlijn jongeren, eveneens nog een substantieel aantal verboden werkzaamheden, doch minder dan op grond van het voormalige Arbeidsbesluit jeugdigen. Deze verboden werkzaamheden zijn opgenomen in de artikelen 4.105 en 6.27 van dit besluit. Tot anderhalf jaar na inwerkingtreding van dit besluit geldt bovendien nog het verbod op trekkerarbeid zoals opgenomen in artikel 9.36 van dit besluit. Voor een toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar de desbetreffende passages in de artikelsgewijze toelichting bij deze artikelen.

Met betrekking tot andere risico-volle werkzaamheden geldt dat die werkzaamheden door jeugdige werknemers alleen mogen worden verricht, indien het deskundig toezicht zodanig is georganiseerd dat de gevaren, die op grond van de in artikel 4, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet voorgeschreven risico-inventarisatie en -evaluatie aan die risico-volle werkzaamheden zijn verbonden voor jeugdige werknemers, kunnen worden voorkomen. Naast een aantal absolute verboden ten aanzien van bepaalde werkzaamheden, zijn dus alleen dié werkzaamheden waarbij het niet mogelijk is dat het deskundig toezicht zodanig is georganiseerd dat de uit de inventarisatie en evaluatie gebleken gevaren voor jeugdigen worden voorkomen, voor deze categorie werknemers verboden.

Het wordt wenselijk geacht dat de toegestane werkzaamheden een positieve bijdrage kunnen leveren aan de verdere ontwikkeling van jeugdige werknemers zoals het opdoen van werkervaring en het verkrijgen van inzicht in het arbeidsproces.

Het zal duidelijk zijn dat de mate van toezicht mede afhankelijk is van de leeftijd van de jeugdige werknemer. Naarmate een jeugdige werknemer jonger is zal het deskundig toezicht intensiever moeten zijn. Zonder daarbij een exacte leeftijd te kunnen en willen aangeven zal het deskundig toezicht op enig moment zo intensief zijn (permanente controle en begeleiding), dat in feite geen sprake meer is van het zelfstandig verrichten van werkzaamheden door de betreffende jeugdige werknemer waardoor deze (zelfstandige) werkzaamheden feitelijk verboden zijn.

Bij de hiervoor geschetste aanpak neemt de risico-inventarisatie, overeenkomstig het algemene arbeidsomstandighedenbeleid en de bepalingen op grond van de richtlijn jongeren, een belangrijke plaats in. Aan de hand van deze risico-inventarisatie moet zorg op maat geleverd worden aan jeugdige werknemers, met een accent op voorlichting, onderricht en deskundige begeleiding.

Ten slotte is door de hierboven uiteengezette wijze van integratie van het Arbeidsbesluit jeugdigen en rekening houdend met de bijzondere kenmerken van deze categorie, aangesloten bij de systematiek die in het Arbeidsomstandighedenbesluit ook voor andere categorieën van werknemers wordt gevolgd.

Specifieke bepalingen voor jeugdigen

Op grond van artikel 4 van de Arbeidsomstandighedenwet bestaat de verplichting voor werkgevers om in het kader van het voorgeschreven arbeidsomstandighedenbeleid alle gevaren voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn die de arbeid met zich brengt, schriftelijk te inventariseren en te evalueren. Vervolgens dient de werkgever eveneens schriftelijk vast te leggen welke maatregelen worden genomen om deze gevaren voor de werknemers zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In aanvulling op deze verplichting dient een werkgever – mede op grond van de richtlijn jongeren – op grond van artikel 1.36, eerste lid, van dit besluit, ten aanzien van in zijn bedrijf of inrichting werkzame jeugdige werknemers bijzondere aandacht te schenken aan de onder a tot en met g van dit artikellid genoemde punten. Deze punten moeten in hun onderlinge samenhang en relatie worden beschouwd en hebben met name betrekking op specifieke kenmerken van de jeugdige werknemers zelf zoals de leeftijd, het (fysieke en psychische) ontwikkelingsniveau en de kenmerken van het arbeidsproces.

De bijlage bij de richtlijn jongeren bevat een niet-limitatieve opsomming van agentia, procédés en werkzaamheden die specifieke risico's voor jeugdige werknemers met zich brengen. Bij de in het eerste lid van artikel 1.36 bedoelde inventarisatie en evaluatie dient aan deze specifieke risico's bijzondere aandacht te worden geschonken (zie artikel 1.36, tweede lid). Adequate bescherming van jeugdige werknemers vereist deze bijzondere aandacht, omdat deze categorie werknemers als gevolg van hun leeftijd, specifieke risico's loopt door een gebrek aan ervaring, onvoldoende bewustheid van aanwezige of mogelijke risico's en doordat hun ontwikkeling nog niet is voltooid.

Op grond van de richtlijn jongeren is de werkgever verplicht om jeugdige werknemers in te lichten over mogelijke risico's en over alle maatregelen ter bescherming van hun veiligheid en gezondheid. De risico's en maatregelen dienen op grond van het eerste en tweede lid van artikel 1.36, van dit besluit en het bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet daaromtrent bepaalde, te zijn opgenomen in de risico-inventarisatie en -evaluatie. Met betrekking tot het begrip «gebruik van arbeidsmiddelen», bedoeld in het eerste lid, onder e, van dit artikel, kan nog worden opgemerkt dat hieronder wordt verstaan iedere activiteit met betrekking tot een arbeidsmiddel.

Op grond van artikel 4, vierde lid, juncto 7, eerste lid, onder b, van de wet, moet de werkgever ervoor zorgen dat iedere werknemer, derhalve ook iedere jeugdige werknemer, desgewenst kennis kan nemen van de risico-inventarisatie en -evaluatie.

Deskundig toezicht is een sleutelbegrip in het kader van de bescherming van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van jeugdige werknemers die arbeid verrichten. Nu het, zoals hiervoor reeds is aangegeven, van groot belang wordt geacht dat jeugdigen een plaats in het arbeidsproces verwerven, wordt het niet opportuun geacht om ten aanzien van een groot aantal soorten van werkzaamheden wettelijke barrières op te werpen. Daar waar het mogelijk is dat deskundig toezicht de eventuele gevaren die de betreffende arbeid met zich brengt ondervangt, zal van deze mogelijkheid gebruik kunnen worden gemaakt om jeugdige werknemers deel te laten nemen aan het arbeidsproces en zich, ter ondersteuning van hun ontwikkeling, de nodige vaardigheden en verantwoordelijkheden eigen te maken (zie artikel 1.37). Hiermee wordt tevens voorkomen dat de betreffende werknemers, bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd, onvoorbereid arbeid gaan verrichten en daarmee door het gemis aan ervaring een potentiële risicogroep blijven.

Het Arbeidsbesluit jeugdigen kende overigens ook een vorm van deskundig toezicht; in het kader van een bij of krachtens wet geregelde of daarmee gelijkgestelde beroepsopleiding gold het verbod voor een aantal verboden werkzaamheden niet, mits «deskundig toezicht op de arbeid ter bescherming tegen gevaar voor de gezondheid of het leven in voldoende mate (werd) uitgeoefend».

Het eerste lid van artikel 1.37 van dit besluit schrijft voor dat het adequaat deskundig toezicht is afgestemd op de aard en de mate van de risico's die, blijkens de risico-inventarisatie en -evaluatie, aan de betreffende arbeid door jeugdigen zijn verbonden. Omdat er vele verschillende werksituaties denkbaar zijn is het niet mogelijk een volledige uitwerking te geven van het begrip adequaat deskundig toezicht. Er kunnen echter wel enkele algemene richtlijnen worden gegeven. Essentieel is bijvoorbeeld dat:

– de toezichthouder de mogelijkheid heeft om bij de samenstelling en toewijzing van de onderscheiden taken rekening te houden met de persoonlijke eigenschappen van de jeugdige persoon;

– hij zich ervan vergewist dat gepaste voorlichting en onderricht is gegeven zoals bedoeld in de artikelen 6 en 7 van de Arbeidsomstandighedenwet, alvorens een jeugdige te werk wordt gesteld;

– hij zich ervan vergewist dat de nodige beschermingsmiddelen aanwezig zijn en dat deze op de juiste manier door de jeugdige werknemer worden gebruikt of toegepast;

– hij aanwezig is in de nabijheid van de werkplek dan wel direct oproepbaar is;

– hij regelmatig de werkplek beoordeelt en verifieert of de gegeven voorlichting en introductie voldoende bij de jeugdige werknemer is overgekomen, en zonodig zorg draagt voor hernieuwde voorlichting en onderricht, al dan niet in aangepaste vorm;

– hij kan ingrijpen in het productieproces, zowel ten behoeve van de jeugdige zelf als daar waar het kan gaan om de veiligheid van andere werknemers.

Een en ander is mede afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige werknemer. Het toezicht zal met andere woorden in het algemeen intensiever moeten zijn naarmate de jeugdige werknemer jonger is. Indien deskundig toezicht niet zodanig kan worden georganiseerd dat de uit de inventarisatie en evaluatie gebleken gevaren zijn voorkomen, zijn op grond van artikel 1.37, tweede lid, van dit besluit, de betreffende werkzaamheden voor jeugdige werknemers verboden. Zo zal bij fysiek zware arbeid artikel 5.3 (Beperking gevaren en inventarisatie en evaluatie) moeten wijken voor artikel 1.37, tweede lid. De gevaren van fysiek zware arbeid moeten voor jeugdigen derhalve altijd worden voorkomen (artikel 5.2).

Artikel 24a van de Arbeidsomstandighedenwet voorziet in de algemene verplichting van de werkgever om zijn werknemers in de gelegenheid te stellen om periodiek een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. Ten aanzien van jeugdige werknemers is deze algemene verplichting, die naar aanleiding van opmerkingen van de vertegenwoordigers van de werkgevers in de SER meer in overeenstemming is gebracht met de richtlijn jongeren, in artikel 1.38 van dit besluit nader ingevuld.

§ 1.4.3 Afdeling 9 (Zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie)

Algemeen

Hoofdregel is dat het Arbeidsomstandighedenbesluit onverkort geldt voor zwangere werkneemsters en werkneemsters tijdens de lactatie.

Ter bescherming van de bijzondere positie van deze werkneemsters bevat dit besluit een aantal extra beschermende bepalingen ten aanzien van zwangeren. Naast een tweetal, in afdeling 9 opgenomen algemene verplichtingen ten aanzien van zwangere werkneemsters, gelden op grond van de hoofdstukken 3, 4 en 6 van dit besluit een aantal specifieke voorschriften betreffende de beschikbaarheid van rustruimten, het werken met de gevaarlijke stoffen lood en loodwit en enkele biologische agentia en het werken onder overdruk. Genoemde voorschriften zijn geregeld in respectievelijk de artikelen 3.48, 4 108, 4 109 en 6.29 van dit besluit. Voor een toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Genoemde bepalingen vloeien voort uit de richtlijn zwangere werkneemsters. Deze richtlijn bevat een aantal algemene bepalingen welke een zo groot mogelijke veiligheid en gezondheid tijdens de arbeid van de zwangere werkneemster beogen te waarborgen en de negatieve gevolgen van deze arbeid voor de zwangerschap en lactatie trachten te voorkomen. De voornoemde ter uitvoering van deze bepalingen in dit besluit opgenomen voorschriften zijn overgenomen uit het voormalige Besluit zwangere werkneemsters.

Daarnaast is in deze richtlijn een aantal bijzondere bepalingen opgenomen die op alle facetten zien van arbeid in verhouding tot zwangerschap, de periode na de bevalling en de periode van de lactatie. Genoemd kunnen worden nachtarbeid, zwangerschapsverlof, vrijstelling van arbeid ten behoeve van zwangerschapsonderzoek, ontslag tijdens de zwangerschap en bepalingen inzake de aan de arbeidsovereenkomst verbonden rechten. Hetgeen op grond van deze bepalingen is voorgeschreven was reeds gereguleerd in de Nederlandse wetgeving, waaronder de Arbeidswet 1919. Deze bepalingen zijn thans opgenomen in de Arbeidstijdenwet (artikel 4:5 en volgende). De betreffende bepalingen op grond van de Arbeidstijdenwet gelden dus naast de op grond van dit besluit vastgestelde voorschriften voor zwangere werkneemsters.

Bij de richtlijn zwangere werkneemsters behoren twee bijlagen. Bijlage I betreft een niet-limitatieve lijst van agentia, procédés en arbeidsomstandigheden die voor zwangere werkneemsters en werkneemsters tijdens de lactatie specifieke risico's voor hun veiligheid gezondheid kunnen opleveren en om die reden moeten worden betrokken in de door de werkgever te verrichten risico-inventarisatie en -evaluatie. Bijlage II omvat een niet-limitatieve lijst van agentia en arbeidsomstandigheden zoals lood en loodderivaten, bepaalde biologische agentia en atmosferen van aanzienlijke overdruk, die bij blootstelling blijkens de risico-inventarisatie en -evaluatie een dusdanig risico voor de veiligheid en de gezondheid van de onderhavige werkneemsters met zich brengen, dat zij niet mogen worden verplicht om werkzaamheden met deze agentia respectievelijk onder deze omstandigheden te (blijven) verrichten. De artikelen 4.108, 4.109 en 6.29 bevatten een regeling daaromtrent.

Definities

Artikel 1.1, vijfde lid, onder a en b, van dit besluit bevat de omschrijvingen van de begrippen zwangere werknemer en werknemer tijdens de lactatie.

Om een beroep te kunnen doen op de in afdeling 9 van hoofdstuk 1 en andere afdelingen van dit besluit opgenomen bijzondere beschermende maatregelen, moet de betrokken vrouw haar werkgever wel in kennis stellen van het feit dat zij zwanger is respectievelijk borstvoeding geeft. De wijze waarop zij dit doet is niet aan enig vormvereiste gebonden. Eerst nadat zij haar werkgever van betreffende situatie in kennis heeft gesteld bestaat de aanspraak op de bijzondere bescherming op grond van dit besluit. Het verdient dus aanbeveling dat een vrouw haar werkgever zo snel mogelijk van haar situatie en van de periode dat deze situatie naar verwachting voortduurt, in kennis stelt. Omdat nimmer met zekerheid is te zeggen hoe lang de betreffende situaties zich zullen voordoen, is de feitelijke situatie bepalend voor de toepasselijkheid van de onderhavige bepalingen. Hieraan moet echter nog worden toegevoegd dat bepaalde arbeid (bijvoorbeeld met sommige chemische agentia of met bepaalde biologische agentia) ook reeds gevaar voor de veiligheid en gezondheid van de vrouw of het ongeboren kind oplevert (miskraam, groeistoornissen of aangeboren afwijkingen), voorafgaande aan de conceptie of in de eerste weken van de zwangerschap. Op dat moment weet een vrouw zelf veelal nog niet (zeker) dat ze zwanger is of wil ze dat om haar moverende redenen nog niet aan haar werkgever kenbaar maken. In deze situaties kan, gelet op de definities, geen beroep worden gedaan op de betreffende beschermende bepalingen voor zwangere werknemers en werknemers tijdens de lactatie. De betrokken vrouw kan zich dan natuurlijk wel beroepen op de voor iedere werknemer geldende algemene bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet en dit besluit.

Bijzondere bepalingen

Uitgangspunt van de onderhavige regeling is dat een zwangere werkneemster en een werkneemster tijdens de lactatie zo veel mogelijk de gebruikelijke arbeid moet kunnen blijven verrichten, zonder dat die arbeid gevaren oplevert voor haar veiligheid en gezondheid en zonder dat deze arbeid een terugslag op de zwangerschap of lactatie veroorzaakt. Dit wil zeggen dat aan een vrouw noch aan haar ongeboren kind als gevolg van de door haar te verrichten arbeid, schade – bijvoorbeeld miskraam, groeistoornissen of aangeboren afwijkingen – mag worden toegebracht tijdens de zwangerschap en dat evenmin schade mag worden toegebracht aan de zuigeling tijdens de lactatie.

Blootstelling aan bepaalde toxische stoffen kan bijvoorbeeld effect hebben op de hoeveelheid en de kwaliteit van de borstvoeding en kan ook gevaren inhouden voor de zuigeling door de toxische stoffen die zich in de borstvoeding kunnen bevinden. De werkgever dient daarom (in overleg met de betrokken vrouw) de arbeid zodanig te organiseren, de arbeidsplaats zodanig in te richten, een zodanige productie- en werkmethode toe te passen dan wel zodanige hulpmiddelen te laten gebruiken dat de arbeid inderdaad veilig en gezond is voor de vrouw en haar (ongeboren) kind (zie artikel 1.42, eerste lid, van dit besluit).

Er zijn echter situaties denkbaar waarin redelijkerwijs van de werkgever niet kan worden verwacht dat hij de arbeid zodanig aanpast dat de zwangere werkneemster of de werkneemster tijdens de lactatie de gebruikelijke arbeid, op de oude voet, kan blijven voortzetten. Het tweede lid van artikel 1.42 schrijft alsdan voor dat, indien nakoming van het eerste lid redelijkerwijs niet mogelijk is, de werkgever moet streven naar een tijdelijke aanpassing van de arbeid door bijvoorbeeld een minder hoge productie te eisen, of door een tijdelijke aanpassing van de arbeids- en rusttijden (zie voor dit laatste ook de bepalingen van de Arbeidstijdenwet over vrouwelijke werknemers).

Indien ook deze voorziening redelijkerwijs niet mogelijk is, zo bepaalt het derde lid van genoemd artikel, dient de werkgever gedurende de periode dat dit nodig is de betrokken werkneemster andere werkzaamheden te laten verrichten. Als ten slotte ook dit redelijkerwijs niet mogelijk is dient hij haar op grond van het vierde artikellid, vrij te stellen van arbeid.

Door het gebruik van de term redelijkerwijs in het tweede en derde lid van het onderhavige artikel, is aangegeven dat een belangenafweging mag plaatsvinden. Op deze wijze wordt ruimte geboden om onbillijke situaties te vermijden. Dit houdt overigens niet in, dat de verplichting tot naleving van het eerste tot en met derde artikellid, lichtvaardig zou mogen worden opgevat. Aan een beroep op deze zogenoemde redelijkerwijsclausule zullen, zoals in paragraaf 7.5 van het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven, zwaarwegende belangen ten grondslag dienen te liggen, die het in de gegeven situatie rechtvaardigen, dat niet of niet geheel aan de betreffende verplichting wordt voldaan. Voor een nadere toelichting op deze clausule, het beroep daarop en de wijze waarop dit beroep door de Arbeidsinspectie wordt beoordeeld, wordt verwezen naar voornoemde paragraaf van het algemeen deel van deze toelichting.

Indien zoals gezegd, geen van de in artikel 1.42, tweede en derde lid, genoemde maatregelen afdoende bescherming biedt aan de betrokken vrouw, dient de werkgever haar op grond van het vierde lid van artikel 1.42, vrij te stellen van de arbeid. Deze situatie kan zich dus alleen voordoen wanneer, gelet op de door betrokkene verrichte arbeid en alle met die arbeid verband houdende omstandigheden, deze arbeid zoveel gevaren voor haar veiligheid of gezondheid oplevert of een zodanige verstoring van haar zwangerschap of lactatie kan veroorzaken, dat sprake is van een noodzaak tot het staken van die arbeid. Als ook uit medisch oogpunt bezien die noodzaak wordt bevestigd, zal gesproken kunnen worden van ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet. Dit artikel strekt ertoe dat recht op ziekengeld bestaat indien sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Wat onder «zijn arbeid» moet worden verstaan is in de Ziektewet zelf niet omschreven. Mede op basis van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep wordt dit begrip zodanig (individueel) geïnterpreteerd dat, bij de beoordeling van de vraag of arbeidsongeschiktheid wegens ziekte bestaat, met name rekening wordt gehouden met de aard van de door betrokkene verrichte arbeid als ook met alle met die arbeid verband houdende omstandigheden. Indien bijvoorbeeld een overheersend element van de arbeid is, dat deze 's nachts wordt verricht en er een medische noodzaak aanwezig is deze nachtarbeid te staken, zal zulks kunnen leiden tot de vaststelling dat sprake is van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte.

Door de inwerkingtreding van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte, is een eigen risicoperiode voor de werkgever (voorheen 2 of 6 weken) uitgebreid tot 52 weken. Bij deze eigen risico-periode moet een onderscheid worden gemaakt tussen uitkering bij ongeschiktheid die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling, en ongeschiktheid die geen verband houdt met zwangerschap of bevalling. Is er bij een zwangere werkneemster, voorafgaand aan de dag waarop zij aanspraak maakt op ziekengeld in verband met bevalling, sprake van ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid en vindt die ongeschiktheid haar oorzaak in de zwangerschap, dan bestaat op grond van artikel 29a, derde lid, van de Ziektewet recht op ziekengeld van de bevoegde uitvoeringsinstantie ter hoogte van haar dagloon. Het ziekengeld wordt in dat geval uitgekeerd vanaf de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Anders is het als de vrouw ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en de oorzaak daarvan niet gelegen is in zwangerschap of bevalling. Als deze vrouw zich bij haar werkgever ziek meldt moet de werkgever het verzuim, evenals alle andere ziekmeldingen, op grond van artikel 38 van de Ziektewet, uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschikheid van die werkneemster dertien weken heeft geduurd, melden bij de bevoegde uitvoeringsinstantie waarbij hij is aangesloten. De werkgever is op grond van artikel 1638c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek verplicht om aan zijn zieke werkneemster gedurende 52 weken van haar ziekte 70% van het naar tijdsruimte vastgestelde loon te betalen. De werkgever moet echter altijd ten minste het voor haar geldende minimumloon betalen. Werkgever en werknemer kunnen niet overeenkomen minder te betalen. Werkgever en werknemer kunnen nog wel bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement afspreken dat over de eerste twee ziektedagen geen loon wordt doorbetaald.

Over de wijze waarop aan artikel 1.42 kan worden voldaan is een beleidsregel voorgesteld.

Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat ook in artikel 4:5 van de Arbeidstijdenwet sprake is van aanpassing van de arbeids- en rusttijden van de zwangere werkneemster. Overigens kan de zwangere werkneemster op basis van de Arbeidstijdenwet de werkgever, ook indien daartoe geen medische noodzaak bestaat, verzoeken de arbeids- en rusttijden aan te passen.

Bij het bepalen van de wijze waarop de veiligheid en de gezondheid van de zwangere werkneemster, de werkneemster tijdens de lactatie en het (ongeboren) kind, zoveel mogelijk kan worden gewaarborgd, dient de werkgever op grond van artikel 1.41 van dit besluit, de gevaren die aan de arbeid van de betrokken werkneemster verbonden zijn te inventariseren en te evalueren overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. De werkgever dient hierbij bijlage I van de richtlijn in acht te nemen. In deze bijlage staat dat met een aantal met name genoemde agentia, te weten fysische (bijvoorbeeld trillingen, tillen van lasten, lawaai, extreme koude of hitte), lichamelijke (bewegingen, houdingen en verplaatsingen) en geestelijke belasting, biologische en chemische agentia, alsmede met bepaalde procédés en arbeidsomstandigheden, rekening dient te worden gehouden bij de beoordeling van de gevaren.

Blijkt uit de inventarisatie en evaluatie dat bepaalde arbeid een gevaar voor de veiligheid en gezondheid van de zwangere werkneemster of de werkneemster tijdens de lactatie oplevert of een verstoring van de zwangerschap of lactatie kan veroorzaken, dan betekent dit, dat de werkgever aan de hand van artikel 1.42 van dit besluit, de gevaren zoveel mogelijk dient te voorkomen. In het uiterste geval zal hij de betrokken werkneemster vrij moeten stellen van het verrichten van arbeid.

Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt, dat de te zijner tijd door de Europese Commissie vast te stellen richtsnoeren met betrekking tot risico-inventarisatie en -evaluatie als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn, door middel van beleidsregels bekendgemaakt zullen worden.

§ 1.4.4 Afdeling 10 (Thuiswerkers)

Algemeen

De Arbeidsomstandighedenwet is door de Wet van 14 februari 1994 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met thuiswerk (Stb. 156), van toepassing op alle vormen van thuiswerk. De in dit besluit opgenomen bepalingen met betrekking tot thuiswerk waren eerder opgenomen in het mede op grond van die wet vastgestelde Besluit thuiswerk.

De bepalingen over thuiswerk hebben, overeenkomstig het voormalige Besluit thuiswerk, een tweeledige functie. In de eerste plaats heeft een nadere invulling plaatsgevonden van het in de wet met betrekking tot thuiswerk omschreven werkgevers- en werknemersbegrip en is daarnaast het toepassingsgebied van de wet ten aanzien van thuiswerk nader gedefinieerd. In de tweede plaats zijn een aantal specifieke verplichtingen voor de werkgever en de werknemer (de thuiswerker) nader geregeld.

In artikel 1.1, vijfde lid, onder c en d, van dit besluit is de nadere omschrijving van het werkgevers- en werknemersbegrip met betrekking tot thuiswerk bepaald; de met betrekking tot het toepassingsgebied gegeven omschrijving van het begrip thuiswerk is opgenomen in artikel 1.1, vijfde lid, onder e.

Specifieke bepalingen inzake thuiswerk zijn behalve in afdeling 10 van hoofdstuk 1 van dit besluit, opgenomen in de artikelen 2.45, 4.110 tot en met 4.115, 5.14 en 5.15, 6.30, 7.40 tot en met 7.42 en 8.15. Genoemde voorschriften betreffen respectievelijk de bedrijfshulpverlening, het werken met gevaarlijke stoffen, voorzieningen met betrekking tot de (thuis)werkplek, daglicht en kunstlicht, arbeidsmiddelen en veiligheids- en gezondheidssignalering. Voor een toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Als hoofdregel met betrekking tot thuiswerk geldt, dat het Arbeidsomstandighedenbesluit niet van toepassing is op thuiswerk, tenzij dit uitdrukkelijk anders is bepaald (artikel 1.43, eerste lid). Indien een thuiswerker tevens een jeugdige werknemer is, zijn uitsluitend de bepalingen die voor de thuiswerker gelden van toepassing (artikel 1.43, tweede lid).

Door de vertegenwoordigers van de werknemers in de SER is aangedrongen op het laten vervallen van laatstgenoemd artikellid. Deze bepaling verdraagt zich naar de mening van deze vertegenwoordigers niet met de destijds gegeven toelichting bij het Besluit thuiswerk, waarin is gesteld dat het Arbeidsbesluit jeugdigen van toepassing is op thuiswerk.

Naar aanleiding hiervan wordt het volgende opgemerkt. Nu met de inwerkingtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit het Arbeidsbesluit jeugdigen is komen te vervallen, is nog eens kritisch bezien of in het onderhavige besluit naast het algemene regime, de aanvullende regels ter bescherming van jeugdigen en het afzonderlijke op de thuiswerksituatie toegesneden regime, ook nog een apart regime voor jeugdige thuiswerkers gewenst is, of dat voor jeugdige thuiswerkers kan worden volstaan met het algemene thuiswerkregime. Daarbij is het volgende overwogen.

Het Arbeidsbesluit jeugdigen bevatte vele verbodsbepalingen die betrekking hadden op situaties casu quo werkzaamheden die zich gewoonweg niet (kunnen) voordoen in de thuiswerksituatie. Dergelijke voorschriften hadden dan ook geen praktische betekenis voor de bescherming van de jeugdige thuiswerker. De bepalingen inzake lopende band-werk, het bedienen van hijskranen, heftrucks en grondverzetmachines zijn hiervan slechts enkele voorbeelden. Voor het overige bevatte het Arbeidsbesluit jeugdigen met name voorschriften inzake het werken met gevaarlijke stoffen.

De in dit besluit opgenomen voorschriften voor het werken met gevaarlijke stoffen in de thuiswerksituatie, biedt een beschermingsniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het inmiddels vervallen regime als bedoeld in het Arbeidsbesluit jeugdigen. Voorts is in dit verband nog van belang dat een cruciaal onderdeel van het in dit besluit vervatte regime voor jeugdigen wordt gevormd door het vereiste van het deskundig toezicht. Het behoeft geen betoog dat een regime, geënt op deskundig toezicht voor de normale werksituatie zinvol is en een adequaat beschermingsniveau biedt, maar voor de thuiswerksituatie niet realiseerbaar is.

Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om op jeugdige thuiswerkers het volledige thuiswerkregime van toepassing te doen zijn en derhalve niet te kiezen voor een afzonderlijk regime. Een dergelijk afzonderlijk regime zou ten slotte ook strijdig zijn met het oogmerk om de thuiswerkregels eenvoudig te houden en niet te veel werkgelegenheidsbelemmeringen op te werpen aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Definities

Met het oog op de leesbaarheid zijn in de onderdelen c, d en e, van artikel 1.1, vijfde lid, van dit besluit, afzonderlijke definities opgenomen voor thuiswerkgever, thuiswerker en thuiswerk.

Artikel 1, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, van de Arbeidsomstandighedenwet bepaalt, dat onder werkgever mede wordt verstaan degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander niet onder zijn gezag arbeid in een woning doet verrichten, in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen.

De definitie van thuiswerkgever in dit besluit geeft een nadere invulling van dit begrip. Kern in deze definitie is de overeenkomst tot aanneming van werk en de opdracht (voorheen: de overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten).

De overeenkomst tot aanneming van werk, de opdracht en de arbeidsovereenkomst zijn bij uitsluiting de drie overeenkomsten op basis waarvan arbeid tegen beloning kan worden verricht. De Arbeidsomstandighedenwet en het onderhavige besluit zijn van toepassing op alle vormen van thuiswerk, ongeacht het juridische karakter van de arbeidsverhouding die de thuiswerker met zijn werkgever heeft.

Wat betreft de formulering van artikel 1.1, vijfde lid, onder c, wordt het volgende opgemerkt. Degene die thuiswerk laat verrichten, moet dit doen «in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf». Deze zinsnede is geen aanduiding van plaats maar van een economische activiteit: bedoeld is aan te geven dat de opdracht moet passen in een groter economisch verband. Het gaat hier om een meer gebruikt begrip. Aldus wordt voorkomen dat relaties als die tussen een patiënt en zijn arts en een rechtzoekende en zijn advocaat, ook onder het begrip thuiswerk begrepen zouden worden. Feitelijk zal de bedoelde arbeid dikwijls in als kantoor ingerichte gedeelten van huizen worden verricht, maar nu de opdrachtgever, in casu de patiënt of de rechtzoekende, hiermee geen economische activiteit beoogt, vallen deze arbeidsrelaties buiten de werkingssfeer van artikel 2, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.

Voorts zijn uitgesloten diegenen die zelfstandig hun beroep uitoefenen en zich ook tegenover anderen hiertoe verplichten. Bedoeld zijn advocaten, artsen en dergelijke, wier opdrachtgevers wél een economische activiteit beogen zoals een advocaat die in opdracht van een bedrijf werkt. Als regel zullen deze personen voor verscheidene opdrachtgevers tegelijk werken.

Hoewel het begrip «zelfstandige» niet eenduidig in een – juridische – definitie is te vatten, kan wel met behulp van het noemen van algemene kenmerken die hun grondslag vinden in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, aan het begrip zelfstandige een invulling worden gegeven die in het kader van thuiswerk haar waarde heeft. Deze kenmerken zijn:

– het lopen van enig ondernemersrisico;

– de aanwezigheid van bedrijfskapitaal;

– het gebruik van eigen materiaal/gereedschap (werken met materiaal en gereedschap van de opdrachtgever zal veelal een aanwijzing zijn voor het ontbreken van zelfstandigheid);

– het hebben van verscheidene opdrachtgevers;

– het verband tussen de arbeid en het eigen bedrijf;

– uiterlijke omstandigheden (hiermee wordt gedoeld op de aanwezigheid van uiterlijke kenmerken van de eigen beleving van zelfstandig ondernemerschap zoals bijvoorbeeld inschrijving bij de Kamer van Koophandel, de aanwezigheid van een vorm van organisatie, het doorberekenen van de winst).

Geen van genoemde kenmerken is op zichzelf van doorslaggevende betekenis. Het betreft hier slechts aanwijzingen dat sprake zou kunnen zijn van zelfstandigheid.

Door toevoeging van de woorden «in de regel» wordt bereikt dat een incidentele opdracht van een derde de status van de thuiswerker niet wijzigt en wordt omgekeerd vermeden dat een «echte» zelfstandige in een toevallig wat slappe tijd ineens thuiswerker in de zin van dit besluit wordt.

Het toepassingsgebied van dit besluit op thuiswerk wordt nader bepaald door de definitie van het begrip thuiswerk.

Het is de bedoeling dat het onderhavige besluit uitsluitend betrekking heeft op thuiswerk en niet op andere vormen van arbeid verricht in woningen. Met de gekozen formulering van het begrip «werkgever» in artikel 1.1, vijfde lid, onder c, van het besluit, wordt voorkomen dat bepaalde arbeidsrelaties onder de werking van dit besluit komen te vallen. Hierboven werden al genoemd de arbeidsrelaties tussen een patiënt en zijn arts en een rechtzoekende en zijn advocaat, en zij die zelfstandig hun beroep uitoefenen.

Een derde categorie van arbeid wordt echter door de definitie van artikel 1, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, van de Arbeidsomstandighedenwet, noch door de definitie van artikel 1.1, vijfde lid, onder c, van dit besluit uitgesloten, terwijl feitelijk geen sprake is van thuiswerk. Gedoeld wordt hier op zogenoemde andere werkzaamheden verricht in woningen. In de eerste plaats moet daarbij gedacht worden aan arbeid verricht door onder meer monteurs, loodgieters en schilders, zijnde niet-zelfstandigen. De bedoelde werkzaamheden vinden niet alleen plaats in een woning, maar zijn onlosmakelijk verbonden met diezelfde woning. Op deze werkzaamheden waren de voormalige veiligheidsbesluiten van toepassing. Teneinde in deze situatie geen verandering te brengen, is in artikel 1.1, vijfde lid, onderdeel e, onder 1°, van dit besluit bepaald, dat onder thuiswerk niet wordt verstaan, arbeid verricht aan of ten behoeve van het vervaardigen, veranderen, herstellen, versieren, afwerken of op een andere wijze tot gebruik geschikt maken of meer geschikt maken of geschikt houden, van de woning.

In de tweede plaats wordt hier gedoeld op arbeid verricht door gezinshulpen, gezinsverzorgers en verplegers. Op de door deze werknemers verrichte arbeid waren eveneens de voormalige veiligheidsbesluiten van toepassing. Bedoelde arbeid is uitgezonderd in artikel 1.1, vijfde lid, onderdeel e, onder 2°.

Specifieke bepalingen

In het onderhavige besluit is ten aanzien van thuiswerk, zoals reeds vermeld, een aantal specifieke bepalingen opgenomen, die tot doel hebben dat thuiswerkers op een overeenkomstige mate van bescherming kunnen rekenen als andere werknemers. Het betreft hier met name de voorschriften inzake het werken met gevaarlijke stoffen, werkplekvoorzieningen, daglicht en kunstlicht en arbeidsmiddelen en elektrische apparatuur, zoals deze respectievelijk zijn vervat in de artikelen 4.110 tot en met 4.115, 5.14 en 5.15, 6.30 en 7.40 tot en met 7.42 van het besluit. Bij de vaststelling van deze voorschriften is mede rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van kinderen, ouderen en zieken in de woning van thuiswerkers.

Voor een toelichting op genoemde artikelen zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Uitgangspunt is dat de werkgever, evenals voor de werknemers in zijn bedrijf, moet zorgen voor goede arbeidsomstandigheden voor zijn thuiswerkers. In het algemeen geldt dat de bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet, afhankelijk van het soort bedrijf, meer of minder van betekenis zijn. Dit geldt in versterkte mate voor thuiswerksituaties. In de eerste plaats omdat woningen niet ontworpen zijn om arbeid in te (laten) verrichten en in de tweede plaats omdat het niet mogelijk is voor de werkgever om continu direct toezicht te houden op de werkplek.

Op grond van artikel 4 van de Arbeidsomstandighedenwet is de werkgever verplicht om de gevaren die de in zijn bedrijf verrichte werkzaamheden met zich brengen, schriftelijk te inventariseren en te evalueren. Door deze bepaling zijn werkgevers die thuiswerk laten verrichten verplicht om in deze risico-inventarisatie en -evaluatie expliciet aandacht te besteden aan de gevaren met betrekking tot thuiswerk. De vraag die in dit kader beantwoord moet worden is of het onderhavige productieproces geschikt is voor thuiswerk. Daarbij dient aandacht te worden geschonken aan eventuele extra risico's die kunnen bestaan voor andere aanwezigen in de woning zoals kinderen, zieken en ouderen. Tevens wordt daarbij aangegeven welke maatregelen worden genomen om eventuele risico's te voorkomen dan wel te beperken. Bij deze risico-inventarisatie- en evaluatie kunnen de beoogde deskundige diensten een belangrijke ondersteunende taak vervullen.

Aangezien de werkgever in de regel niet op de werkplek van de thuiswerker aanwezig is, dient hij de thuiswerker goed voor te lichten over de aard van diens werkzaamheden, de daaraan verbonden gevaren en het belang van de ter voorkoming van die gevaren genomen maatregelen voor de veiligheid en de gezondheid van hemzelf en anderen die zich in de woning bevinden (artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet). Onder thuiswerkers bevinden zich veel werknemers uit etnische minderheden, met name Turkse en Marokkaanse vrouwen. Het spreekt voor zich dat, om te voorkomen dat een onvoldoende kennis van de Nederlandse taal een negatieve invloed heeft op de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemer, de voorlichting in een voor deze te begrijpen taal moet worden verstrekt. Het is overigens aan te bevelen dat werkgevers gezamenlijk, bijvoorbeeld door de branche-organisatie, voorlichtingsmateriaal laten ontwikkelen.

De kosten die eventueel voortvloeien uit door de werkgever te nemen maatregelen zoals het verstrekken van een werktafel, werkstoel of verlichting als bedoeld in de artikelen 5.15 en 6.30 van het besluit, zijn voor zijn rekening. Dit is in overeenstemming met artikel 56 van de Arbeidsomstandighedenwet, waarin is bepaald, dat de kosten die zijn verbonden aan de naleving van de regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld, niet ten laste van de werknemer worden gebracht.

Zoals gezegd bevat hoofdstuk 1 van dit besluit in afdeling 10 nog een aantal inhoudelijke bepalingen betreffende de beschikbaarheid van gegevens, de voorraad en de melding van ongevallen. Over ieder van deze bepalingen volgt hieronder een korte uitleg.

De in artikel 1.44 opgenomen verplichting om een aantal gegevens over de thuiswerker beschikbaar te hebben betekent niet, dat daarvoor een aparte registratie moet worden bijgehouden. De werkgever dient er blijk van te geven aandacht te besteden aan de arbeidsomstandigheden van zijn werknemers. De Arbeidsinspectie kan dat controleren door deze gegevens bij een bedrijfsbezoek op te vragen. Daartoe kan de werkgever putten uit bestaande administraties of registraties die op schrift of in een computer worden bijgehouden.

De verplichting in een register aantekening te houden van een aantal gegevens, impliceert dat het register ter zake actueel moet zijn. Anderzijds betekent dat niet dat thuiswerkers die tijdelijk geen werkzaamheden verrichten, bijvoorbeeld als gevolg van ziekte, een verminderd werkaanbod of seizoenslapte, uit het register verwijderd kunnen worden. Ook thuiswerkers die alleen in verband met seizoenswerk worden ingeschakeld, dienen in het register te zijn opgenomen.

In verband met artikel 11 van de Wet persoonsregistraties zij nog vermeld, dat de Arbeidsinspectie krachtens artikel 33 van de Arbeidsomstandighedenwet bevoegd is tot inzage in deze gegevens.

Op grond van artikel 1.45 mag aan een thuiswerker geen grotere hoeveelheid grondstoffen, halffabrikaten en gerede producten in voorraad worden gegeven dan met het oog op de verrichte werkzaamheden noodzakelijk is. Met dit artikel wordt bereikt dat de thuiswerker en eventuele andere inwoners geen overmatige hinder ondervinden van de hoeveelheden grondstoffen, halffabrikaten en producten die in de woning moeten worden opgeslagen.

Uit de praktijk blijkt dat veel thuiswerkers last hebben van het feit dat ze grote hoeveelheden grondstoffen of producten moeten opslaan. Wanneer van bepaalde stoffen een te grote hoeveelheid in voorraad is, neemt de kans op ongelukken of ongewilde gebeurtenissen toe. De voorraad stoffen moet daarom in verhouding staan tot de te verrichten werkzaamheden. Zo nodig zal de werkgever vaker grondstoffen of producten moeten aanleveren.

Ten slotte is in artikel 1.46 van deze afdeling de melding van ongevallen geregeld. Deze bepaling vormt een aanvulling op artikel 9, eerste tot en met vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, op grond waarvan de werkgever verplicht is om (ernstige en overige) ongevallen en gebeurtenissen waarbij grote materiële schade is ontstaan, direct te melden bij een daartoe aangewezen ambtenaar van de Arbeidsinspectie, bedoelde ongevallen en gebeurtenissen bij te houden in een (intern) register en over de ongevallen een aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te zenden rapport op te stellen.

Omdat de werkgever als regel niet aanwezig zal zijn in de woning van de thuiswerker en dus geen volledig beeld zal kunnen hebben van de ongevallen die in de woning plaatsvinden, wordt de werknemer verplicht alle ongevallen bij de werkgever te melden. Teneinde een goed beeld van voorkomende ongevallen te verkrijgen, ligt het in de rede dat de thuiswerker tevens de ongevallen meldt die niet aan hem, maar aan andere aanwezigen in de woning zijn overkomen zoals bijvoorbeeld kinderen.

Op grond van artikel 9, vijfde lid, van de wet, is de werkgever voorts nog verplicht mogelijke beroepsziekten of andere schade aan de gezondheid bij de bedoelde ambtenaar van de Arbeidsinspectie te melden. Verwacht mag worden dat in verband met de voortgang van de werkzaamheden, de werkgever goed op de hoogte zal zijn van het ziekteverzuim en ziektepatroon van zijn werknemers en derhalve, zonder een nadere verplichting voor de werknemer ter zake, aan de desbetreffende verplichting zal kunnen voldoen.

Terzijde zij opgemerkt dat het ontstaan van lichamelijk letsel aan derden en van schade aan machines door toedoen van derden (maar ook door de thuiswerker zelf) om een civielrechtelijke afhandeling vraagt die mede afhankelijk is van eventuele afspraken hierover tussen de werkgever en de thuiswerker. Het maken van dergelijke afspraken is zeker aan te bevelen.

Ten slotte zij met betrekking tot de handhaving van de onderhavige thuiswerkvoorschriften het volgende opgemerkt.

Het toezicht van de Arbeidsinspectie op de naleving van deze voorschriften zal hoofdzakelijk bij de werkgever plaatsvinden. Zo is de werkgever op grond van artikel 1.44 van dit besluit, verplicht te registreren welke werkzaamheden hij door thuiswerkers laat verrichten, welke stoffen daarbij gebruikt worden en door welke thuiswerkers de werkzaamheden worden verricht. Bij een bedrijfsbezoek zal deze registratie de basis vormen voor het controlebeleid van de Arbeidsinspectie. Tevens zal de Arbeidsinspectie, net zoals in arbeidsorganisaties, steekproefsgewijs werkplekken van thuiswerkers bezoeken om te controleren of de werkplekken voldoen aan de eisen van de Arbeidsomstandighedenwet en dit besluit.

Hoofdstuk 2 Arbozorg en organisatie van de arbeid

§ 2.1 De indeling van hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2 van dit besluit regelt de wijze waarop de zorg voor arbeidsomstandigheden in een bedrijf moet worden georganiseerd. De betreffende voorschriften zijn opgenomen in de navolgende afdelingen:

– jaarplan en jaarverslag (afdeling 1);

– arbeidsveiligheidsrapportage (afdeling 2);

– arbodiensten (afdeling 3);

– bedrijfshulpverlening (afdeling 4);

– tijdelijke en mobiele bouwplaatsen (afdeling 5);

– winningsindustrieën in dagbouw (afdeling 6);

– nachtarbeid (afdeling 7), en

– bijzondere sectoren en bijzondere categorieën (afdeling 8).

De in genoemde afdelingen opgenomen voorschriften worden, na een inleiding in paragraaf 2.2, achtereenvolgens toegelicht in de paragrafen 2.3 tot en met 2.10 van dit hoofdstuk. In deze paragrafen wordt, waar nodig, tevens ingegaan op het met betrekking tot dit hoofdstuk naar voren gebrachte artikelsgewijze commentaar van de vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties in de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER als bedoeld in deel II van het betreffende SER-advies.

§ 2.2 Inleiding

Met de totstandkoming van de Arbeidsomstandighedenwet in 1980 is de verantwoordelijkheid voor de zorg voor arbeidsomstandigheden nadrukkelijk bij werkgevers en werknemers komen te liggen. De in het algemeen deel van de toelichting reeds genoemde veranderde opvattingen over de rol en positie van de overheid ten aanzien van arbeidsomstandigheden, de totstandkoming van verschillende EG-richtlijnen op dit terrein alsmede de problematiek rond ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, hebben deze ontwikkeling nog versterkt.

Om deze verantwoordelijkheid in de vorm van zelfwerkzaamheid op bedrijfsniveau te stimuleren en te ondersteunen, bevat de Arbeidsomstandighedenwet een aantal bepalingen van organisatorische aard die de noodzakelijke voorwaarden scheppen om tot een adequate zorg voor arbeidsomstandigheden te komen. De kern van deze bepalingen is dat de werkgever ervoor moet zorgen dat een systematische en preventieve aandacht voor arbeidsomstandigheden in zijn bedrijf gewaarborgd is. Dat kan op verschillende manieren. Voorop staat dat de werkgever kiest voor de aanpak die het beste past bij het eigen bedrijf. Bedrijven verschillen immers vaak aanzienlijk van elkaar. Niet alleen wat betreft de aard van hun werkzaamheden, hun grootte en structuur, maar vooral ook wat betreft hun cultuur. Met al deze elementen moet de werkgever bij het organiseren van de zorg voor arbeidsomstandigheden in zijn bedrijf rekening houden. De Arbeidsomstandighedenwet biedt dan ook geen blauwdruk voor de wijze waarop de arbozorg in een bedrijf moet worden ingericht, doch bevat de maatregelen om een kwalitatief en goed functionerend zorgsysteem te realiseren. Tot die maatregelen behoren:

– het voeren van een arbeidsomstandighedenbeleid als integraal onderdeel van het totale ondernemingsbeleid, dat onder meer gericht is op de preventie van ziekteverzuim (artikelen 3, 4, eerste lid, en 4a);

– het planmatig aanpakken van problemen met betrekking tot arbeidsomstandigheden door middel van een inventarisatie en evaluatie van bedrijfsrisico's en het op basis daarvan opstellen van een plan van maatregelen om de geconstateerde risico's te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken (artikel 4, eerste lid);

– het opstellen van een arbojaarplan en een arbojaarverslag (artikelen 4, zesde lid, en 10);

– het geven van voorlichting en onderricht aan (jeugdige) werknemers (artikelen 6 en 7);

– het samenwerken en overleg voeren met werknemers(vertegenwoordigers) (artikelen 13 tot en met 16 en de Wet op de ondernemingsraden);

– het inschakelen van deskundigen bij de uitvoering van de wettelijke verplichtingen op het terrein van arbeidsomstandigheden (artikelen 17 tot en met 19), en

– het aanwijzen van bedrijfshulpverleners (artikelen 23 tot en met 23a).

Hoofdstuk 2 van dit besluit bevat de met betrekking tot een aantal van bovengenoemde verplichtingen vastgestelde nadere voorschriften. Het gaat daarbij om voorschriften betreffende de verplichting tot het opstellen van een jaarplan en een jaarverslag, de aanwezigheid van een arbeidsveiligheidsrapport, de eisen ten aanzien van arbodiensten en de bedrijfshulpverlening en de wijze waarop de arbeid, verricht in de bedrijfstakken bouw en winningsindustrieën in dagbouw, moet worden georganiseerd.

Behalve nationaal beleid is er met betrekking tot een groot deel van deze voorschriften sprake van internationale invloeden in de vorm van EG-richtlijnen. Daarbij moet met name worden gedacht aan de kaderrichtlijn, die grote invloed heeft gehad op de regelgeving met betrekking tot arbodiensten en bedrijfshulpverlening.

Wat betreft de regelingen ten aanzien van de bouw en de winningsindustrieën in dagbouw kan gewezen worden op de richtlijn tijdelijke en mobiele bouwplaatsen en de richtlijn winningsindustrieën in dagbouw of ondergronds.

De regels over nachtarbeid zijn afkomstig uit de richtlijn aspecten organisatie van de arbeidstijd.

De regels met betrekking tot jaarplan, jaarverslag en het arbeidsveiligheidsrapport ten slotte zijn vooral nationaal bepaald. Het laatstgenoemde beleidsterrein heeft echter zodanig vorm gekregen, dat aangesloten wordt bij overeenkomstige Europese regelgeving zoals de Seveso-richtlijn. Genoemde richtlijn wordt echter fundamenteel herzien en wordt vervangen door de zogenoemde Seveso-II-richtlijn. De inhoud van deze richtlijn blijkt aanzienlijk beter aan te sluiten bij de nationale regelgeving inzake het arbeidsveiligheidsrapport, doch zal niettemin op een aantal punten tot wijziging daarvan nopen.

Met de regels inzake het arbeidsveiligheidsrapport wordt tevens uitvoering gegeven aan het IAO-Verdrag 174 betreffende de preventie van zware ongevallen in de industrie.

§ 2.3 Afdeling 1 (Jaarplan en jaarverslag)

§ 2.3.1 Algemeen

In artikel 4, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald dat in bedrijven die daartoe zijn aangewezen, het beleid, gericht op veiligheid, gezondheid en welzijn jaarlijks in de vorm van een schriftelijk plan voor een periode van ten minste één jaar moet worden vastgelegd.

De werkgever ten aanzien van wiens bedrijf een jaarplan als hier bedoeld is voorgeschreven moet eveneens een jaarverslag opmaken met betrekking tot de veiligheid, de bescherming van de gezondheid en de maatregelen ter bevordering van het welzijn van de werknemers in dat bedrijf of die inrichting (artikel 10 van de wet).

Op grond van artikel 2.1 van dit besluit gelden genoemde verplichtingen voor bedrijven of inrichtingen waarin 100 of meer werknemers in dienst van de werkgever werkzaam zijn. Het desbetreffende aanwijzingscriterium is overgenomen uit het voormalige Besluit verplichtstelling jaarplan.

Zowel het jaarplan als het jaarverslag zijn instrumenten ten behoeve van het proces van de beleidsvoering en het overleg daarover tussen de werkgever en de werknemers in een bedrijf.

Arbeidsorganisaties ontwikkelen veelal een beleid voor meerdere jaren dat meestal wordt neergelegd in een meerjarenbeleidsplan. Het arbojaarplan bevat de op basis van dat beleid en de daarin gestelde prioriteiten in een bepaald jaar te ondernemen concrete acties op het terrein van arbeidsomstandigheden. In aansluiting daarop dient in het arbojaarverslag te worden aangegeven wat in het desbetreffende jaar van de gestelde doelen is gerealiseerd (artikel 10, tweede lid, onder a, van de wet). Deze verplichting heeft mede ten doel om de beleidsvoornemens voor het komende jaar of de komende jaren bij te stellen aan de hand van de opgedane ervaringen. Op deze wijze vormt het jaarverslag weer een goede basis voor de opstelling van het nieuwe jaarplan. Het jaarplan en het jaarverslag moeten dan ook zoveel mogelijk in onderlinge samenhang worden bezien.

Wat in het jaarplan wordt opgenomen is in eerste aanleg ter beoordeling van de werkgever. In het algemeen kan gesteld worden dat het jaarplan alle beleidsvoornemens moet bevatten die betrekking hebben op de arbeidsomstandigheden in een bedrijf. Welke die beleidsvoornemens zijn, is sterk afhankelijk van de concrete bedrijfssituatie. Van betekenis daarbij is de relatie die bestaat tussen het arbobeleid en het jaarplan; het jaarplan vormt de schriftelijke weergave van het beleid gericht op arbeidsomstandigheden, zoals dat op grond van artikel 4, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, gevoerd moet worden. Dit betekent dat in het jaarplan in ieder geval wordt aangegeven met welke middelen en op welke wijze de voorgenomen beleidsdoelstellingen worden bereikt en hoe de daarbij onderscheiden bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn toegedeeld. Daarnaast verdient het aanbeveling om in het jaarplan al dié onderwerpen te behandelen die ook in het jaarverslag besproken zullen moeten worden.

In artikel 10, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is aangegeven welke onderwerpen in ieder geval in het jaarverslag aan de orde moeten komen. Een aantal van deze onderwerpen is op grond van het vijfde lid van dit artikel nader uitgewerkt in de mede op dit besluit gebaseerde Arbeidsomstandighedenregeling.

Op grond van genoemde regelingen moet de werkgever in het jaarverslag inlichtingen verschaffen over het gevoerde arbeidsomstandigheden- en ziekteverzuimbeleid, de samenwerking en het overleg met de werknemers(vertegenwoordigers) en de deskundige bijstand. Daarnaast moet aandacht worden besteed aan de voorlichting, het onderricht en de begeleiding van jeugdigen, de maatregelen die genomen zijn naar aanleiding van ongevallen, gebeurtenissen met grote materiële schade of aangetoonde dan wel vermoede beroepsziekten, en de door werknemers gemelde gevaren. Tevens moet melding worden gemaakt van de door de Arbeidsinspectie of een andere daartoe aangewezen ambtenaar gegeven aanwijzingen of gestelde eisen en de wijze waarop aan die eisen of aanwijzingen is voldaan. In het jaarverslag moet ten slotte ook een cijfermatig overzicht worden opgenomen van de ongevallen die in het bedrijf hebben plaatsgevonden, het arbeidsverzuim als gevolg van ongevallen en ziekte, en van de daarbij betrokken werknemers.

§ 2.3.2 Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2.1 (Verplichtstelling)

Uit de bewoordingen «in dienst van de werkgever» vloeit voort, dat voor de toepassing van het getalscriterium uitsluitend dié werknemers in aanmerking moeten worden genomen, die op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn (particuliere bedrijven) dan wel een publiekrechtelijke aanstelling hebben (overheid). Deeltijdwerkers tellen daarbij volledig mee. Alle andere personen zoals stagiaires en uitzendkrachten die in het bedrijf werkzaam zijn, tellen voor het verplichtstellingscriterium dus niet mee. Leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen zijn om dezelfde reden reeds uitgezonderd van deze verplichting.

De term bedrijf of inrichting moet in dit verband organisatorisch en niet ruimtelijk worden opgevat. Dit betekent dat een werkgever met 100 of meer werknemers, die op verschillende plaatsen arbeid doet verrichten, ook verplicht is om een jaarplan respectievelijk jaarverslag op te stellen.

Met betrekking tot een concern, waarin meer juridische werkgevers als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, arbeid doen verrichten zij opgemerkt, dat voor de toepassing van het getalscriterium uitsluitend wordt gekeken naar het aantal werknemers van iedere werkgever afzonderlijk.

Door de werknemersvertegenwoordigers in de SER is bepleit om de grens voor het opstellen van een jaarplan respectievelijk jaarverslag in het kader van de door de overheid benadrukte zelfwerkzaamheid van werkgevers en werknemers, te verleggen naar de voor het instellen van een ondernemingsraad geldende getalsgrens, te weten 35 of meer werknemers.

Onder verwijzing naar de aan dit besluit ten grondslag liggende doelstelling, namelijk herstructurering, opschoning en actualisering van de bestaande arbeidsomstandighedenregelgeving, is deze wens, die een nieuwe verplichting zou impliceren, niet overgenomen.

§ 2.4 Afdeling 2 (Arbeidsveiligheidsrapportage)

§ 2.4.1 Algemeen

Op grond van artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet moet in bedrijven, inrichtingen of delen daarvan, die behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, een arbeidsveiligheidsrapport aanwezig zijn. Achtergrond van deze bijzondere verplichting is vooral de schaalvergroting in met name de chemische procesindustrie, waarbij een zeer snelle groei van productie-, opslag- en vervoerseenheden van onder andere gevaarlijke stoffen heeft plaatsgevonden. Te zamen met de als gevolg van technologische ontwikkelingen steeds grotere en complexer wordende installaties in deze industrie, is er in de loop van de tijd een verhoogd ongevallenrisico ontstaan, waarbij grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen betrokken kunnen zijn.

Genoemde ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat met betrekking tot de zorg voor de arbeidsveiligheid een specifiek beleid is ontwikkeld in de vorm van een verplichte arbeidsveiligheidsrapportage. Het doel van deze verplichting is er in de eerste plaats op gericht om de werkgever bewust te maken van de gevaren die zich voor de werknemers in zijn bedrijf of inrichting kunnen voordoen. Daarnaast verschaft een arbeidsveiligheidsrapport aan de toezichthoudende instanties een beter inzicht in de desbetreffende bedrijfssituatie, waardoor een beter toezicht gewaarborgd is. Hoewel de regeling zich primair richt op de bescherming van de in het bedrijf of de inrichting aanwezige werknemers, wordt hiermee tevens de externe veiligheid (van omwonenden buiten de inrichting) gediend.

De nadruk op de relatie met de externe veiligheid houdt verband met de implementatie van de eerdergenoemde Seveso-richtlijn, die betrekking heeft op de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten, zowel voor de in de desbetreffende bedrijven of inrichtingen werkzame werknemers (interne veiligheid casu quo arbeidsveiligheid) als voor de omwonenden (externe veiligheid) en het milieu.

Deze richtlijn is in de Nederlandse wetgeving uitgevoerd door middel van de Arbeidsomstandighedenwet, de Rampenwet, de Brandweerwet en met name in het op basis van de Wet Milieubeheer vastgestelde Besluit risico's zware ongevallen. In laatstgenoemd besluit is in dit verband onder meer bepaald, dat houders van daartoe aangewezen inrichtingen een rapport inzake de externe veiligheid moeten opstellen. Een extern veiligheidsrapport bestaat uit een aantal algemene, voor de interne en externe veiligheid relevante beschrijvingen, die wat betreft hun inhoud grote gelijkenis vertoont met de gevraagde beschrijvingen in het algemene deel van het arbeidsveiligheidsrapport, alsmede een (kwantitatieve) risico-analyse.

In het specifieke deel van dit rapport wordt, met name in de gevraagde veiligheidsstudies, dieper ingegaan op alle interne veiligheidsaspecten. Het extern- en arbeidsveiligheidsrapport vormen te zamen het veiligheidsrapport zoals voorgeschreven op grond van de Seveso-richtlijn. In dit verband wordt nog opgemerkt, dat het arbeidsveiligheidsrapport, in tegenstelling tot het extern veiligheidsrapport als bedoeld in het Besluit risico's zware ongevallen, een vertrouwelijk document is dat te allen tijde eigendom blijft van het betrokken bedrijf. Overeenkomstig artikel 5, negende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet wordt het arbeidsveiligheidsrapport naar een vijftal betrokken (overheids)instanties gestuurd, te weten de regionale inspecteur van de volksgezondheid, het Stoomwezen B.V., het krachtens de Wet milieubeheer tot het verlenen van een vergunning bevoegde gezag en de besturen van de betrokken gemeente respectievelijk provincie.

Teneinde dubbel werk zoveel mogelijk te voorkomen is in het Besluit risico's zware ongevallen een coördinatiebepaling opgenomen, die de betrokken overheidsorganen verplicht hun activiteiten met betrekking tot de totstandkoming van het arbeidsveiligheidsrapport en het extern veiligheidsrapport zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.

De verplichting tot het opstellen van een arbeidsveiligheidsrapport kan gelden voor per categorie of individueel aan te wijzen bedrijven of inrichtingen, waarin zic