34 000 XVIII Vaststelling van de begrotingsstaten van Wonen en Rijksdienst (XVIII) voor het jaar 2015

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

   

blz.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

4

     

1.

Leeswijzer

4

     

2.

De beleidsagenda

6

 

Tabel belangrijkste mutaties

12

 

Tabel beleidsdoorlichtingen

13

 

Tabel garanties en achterborgstellingen

14

     

3.

De beleidsartikelen

19

 

Artikel 1. Woningmarkt

19

 

Artikel 2. Woonomgeving en bouw

29

 

Artikel 3. Kwaliteit Rijksdienst

39

 

Artikel 6. Uitvoering rijksvastgoedbeleid

43

     

4.

Begroting agentschappen

48

 

4.1 Logius

48

 

4.2 P-Direkt

54

 

4.3 Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR)

60

 

4.4 FMHaaglanden (FMH)

64

 

4.5 Shared Service Centrum-ICT Haaglanden (SSC-ICT Haaglanden)

69

 

4.6 Rijksgebouwendienst (RGD)

73

 

4.7 Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB)

82

 

4.8 Dienst van de Huurcommissie (DHC)

88

     

5.

Bijlagen

94

 

5.1 ZBO’s en RWT’s

94

 

5.2 Verdiepingsbijlage

96

 

5.3 Moties en toezeggingen

100

 

5.4 Subsidiebijlage

128

 

5.5 Evaluatie- en overig onderzoek

130

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. Begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten, en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Algemeen

Inleiding

Voor u ligt de begroting 2015 voor Wonen en Rijksdienst.

Sinds de departementale herindeling van het kabinet-Rutte-Asscher heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) naast de begroting van BZK (VII) een begroting voor Wonen en Rijksdienst (XVIII).

Verantwoord begroten

Op 20 april 2011 is de aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» in de Tweede Kamer behandeld (Kamerstukken II, 31 865, nr. 26).

De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de Minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien. In deze begroting zijn alle begrotingsartikelen ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, inclusief de aanpassing van de tabel «Budgettaire gevolgen van beleid.»

Groeiparagraaf

Met ingang van de begroting 2015 vervalt het extra-comptabel overzicht stedenbeleid.

Met ingang van de begroting 2015 wordt in de beleidsagenda een tabel opgenomen met de belastinguitgaven voor Wonen en Rijksdienst.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen.

De beleidsagenda

De beleidsagenda is een kernachtig overzicht van de hoofdlijnen van het beleid.

De beleidsagenda wordt afgesloten met 4 tabellen:

Tabel belangrijkste mutaties

In de beleidsagenda is een overzichtstabel opgenomen met de belangrijkste beleidsmatige mutaties.

Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

In de tabel de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen is per artikel voor de periode 2013–2019 opgenomen wanneer een beleidsdoorlichting is gerealiseerd of gepland. De aanvullende informatie wordt opgenomen in bijlage 5.5 «overzicht evaluaties».

Overzicht garanties en achterborgstellingen

In de beleidsagenda is een tabel «Garanties en Achterborgstellingen» opgenomen. Het betreft de hypotheekgarantie en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW).

Belastinguitgaven

In de beleidsagenda is een tabel opgenomen voor belastinguitgaven.

De beleidsartikelen

De begroting Wonen en Rijksdienst (XVIII) is opgebouwd uit de volgende artikelen:

Woningmarkt, Woonomgeving en bouw, Kwaliteit Rijksdienst en Uitvoering Rijksvastgoedbeleid.

Dit begrotingshoofdstuk is een programmabegroting en heeft geen apart centraal apparaatartikel. De apparaatuitgaven zijn opgenomen bij de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII).

Juridisch verplichte uitgaven/budgetflexibiliteit

Op grond van CW artikel 5, derde lid, onder c, moet in de begroting per beleidsartikel informatie worden opgenomen over de budgetflexibiliteit.

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt voor de programma-uitgaven vermeld welk deel daarvan juridisch is verplicht voor het jaar 2015. De peildatum van de gepresenteerde budgetflexibiliteit (juridisch verplicht) is 1 januari 2015. Voor 2015 wordt voor het eerst de juridische verplichting toegelicht op het niveau van financieel instrument als geheel. Dit komt voort uit de toezegging van de Minister van Financiën tijdens het Algemeen Overleg over Verantwoord Begroten van 6 maart 2013 (Kamerstukken II, 2012–2013, 31 865, nr. 50).

Begroting agentschappen

De begroting voor Wonen en Rijksdienst kent acht baten-lastenagentschappen, te weten Logius, P-Direkt, Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR), FMHaaglanden (FMH), Shared Service Centrum-ICT Haaglanden, Rijksgebouwendienst (RGD), Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) en de Dienst van de Huurcommissie (DHC).

2. BELEIDSAGENDA 2015 WONEN EN RIJKSDIENST (XVIII)

INLEIDING

Met de hervormingsagenda’s voor de woningmarkt en de rijksdienst is de richting voor de komende jaren bepaald. In 2015 wordt de ingeslagen weg vervolgd en het beleid uitgevoerd.

Het jaar 2015 staat in het teken van de uitvoering van verschillende hervormingen om de woningmarkt beter te laten werken: meer doorstroming in de sociale huurmarkt met behoud van betaalbaarheid, een groter aanbod van middeldure huurwoningen en een stabiele koopwoningmarkt met minder schulden. Het voornemen is per 1 januari 2015 ook de herziening van de Woningwet in werking te laten treden, die de focus van woningcorporaties legt op de zorg voor betaalbare woningen voor huishoudens met de laagste inkomens.

In 2015 wordt ook verder gewerkt aan de dienstverlenende, slagvaardige en kostenbewuste rijksdienst die het kabinet voor ogen heeft. Initiatieven die zijn gestart om geld te besparen en tegelijk kwaliteitswinst te boeken, worden uitgevoerd. In 2015 wordt verder gewerkt aan beheersing van de apparaatuitgaven en de wijze waarop de rijksdienst flexibeler kan inspelen op de benodigde capaciteit voor politieke prioriteiten. Het Rijksvastgoedbedrijf zet zich in om een kansrijke verkoopstrategie te ontwikkelen en uit te voeren. Transformatie en herbestemmen van de vastgoedportefeuille wordt hierin steeds belangrijker.

WONEN

In 2015 geeft het kabinet verder uitvoering aan de hervormingen op de woningmarkt, die zijn uiteengezet in het Regeerakkoord en het Woonakkoord, de Hervormingsagenda Woningmarkt en de brief over de implementatie van de Hervormingsagenda van 11 april 2014. Met de hervormingen heeft het kabinet helderheid geboden aan vragers en aanbieders, zodat het vertrouwen zich verder kan herstellen en de woningmarkt op orde kan komen.

De hervormingen richten zich op de breedte van de woningmarkt: een beter werkende huur- en koopmarkt met voldoende en betaalbare keuze voor verschillende inkomensgroepen, een helder corporatiestelsel met scherp toezicht, en voldoende ruimte voor investeringen.

De reeds doorgevoerde en geplande hervormingen op de woningmarkt zijn in lijn met de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie. Het kabinet kiest voor een evenwichtige balans tussen enerzijds het tempo van de hervormingsmaatregelen en anderzijds de stabiliteit op de woningmarkt en de inkomenspositie van huishoudens.

Koopmarkt: ruimte geven voor herstel

Sinds zijn aantreden heeft het kabinet belangrijke hervormingen op de koopmarkt gerealiseerd. Met de hervormingen wordt perspectief geboden op een stabiele koopwoningmarkt met minder schulden. Verschillende maatregelen zijn in gang gezet en worden in 2015 uitgevoerd.

Het kabinet komt mensen die na verkoop van hun huis met een restschuld te maken krijgen in 2015 extra tegemoet. Ook mensen die met tijdelijke dubbele woonlasten worden geconfronteerd, krijgen blijvend een steuntje in de rug.

  • Restschulden kunnen sinds 2014 onder strikte voorwaarden worden meegefinancierd onder de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Voor alle restschulden die tot 2018 ontstaan, geldt dat de rente over de financiering daarvan in plaats van 10 jaar voortaan tot maximaal 15 jaar voor de inkomstenbelasting aftrekbaar is. De restschuld telt daarbij niet mee in berekening van de Loan-to-Value-ratio (LTV).

  • De zogenaamde Verhuisregeling wordt permanent met 1 jaar verruimd. De (hypotheek)rente van de voormalige of toekomstige eigen woning is nu voortaan tot maximaal 3 jaar fiscaal aftrekbaar. Het blijft daarbij ook permanent mogelijk om, binnen de termijn van 3 jaar na het verlaten van de oude woning na afloop van een periode van tijdelijke verhuur, de (hypotheek)rente van de voormalige eigen woning weer af te trekken voor de inkomstenbelasting.

  • Het maximale leenbedrag ten opzichte van de waarde van de woning, de zgn. «Loan-to-Value-ratio» (LTV-ratio), wordt verder beperkt van 104% tot 103% per 1 januari 2015. De komende jaren wordt dit stapsgewijs verder verlaagd naar 100% in 2018.

  • Het maximale aftrektarief voor de kosten van eigenwoningschulden in de inkomstenbelasting wordt per 1 januari 2015 verlaagd van 51,5% tot 51%. Deze geleidelijke verlaging van het aftrektarief loopt door tot uiteindelijk een aftrektarief van 38% in 2042.

  • De opbrengsten van de verschillende hervormingen in het fiscale stelsel op de koopmarkt worden teruggesluisd naar de burger via verlagingen in de loon- en inkomstenbelasting. Het bereik van de derde schijf in de inkomstenbelasting wordt geleidelijk verlengd van € 56.531 naar € 66.086 in 2031. Het tarief van de tweede en derde schijf in de inkomstenbelasting wordt geleidelijk verlaagd naar 38% in 2042 en het tarief van de vierde schijf wordt geleidelijk verlaagd naar 49,5% in 2039.

  • Per 1 juli 2015 wordt de kostengrens van de Nationale Hypotheek Garantie teruggebracht van € 265.000 tot € 245.000. Deze stap is onderdeel van de stapsgewijze afbouw van de kostengrens tot € 225.000. Daarna wordt de kostengrens gekoppeld aan de gemiddelde woningwaarde.

Met de hervormingen biedt het kabinet helderheid aan partijen op de woningmarkt. De markt is gebaat bij duidelijkheid, zodat het herstel, waarvan thans tekenen zichtbaar zijn, zich kan doorzetten.

Huurmarkt: evenwichtig en bereikbaar

In 2015 krijgen verschillende maatregelen hun beslag om de beschikbaarheid van huurwoningen te verbeteren. Het kabinet zet in op meer doorstroming in de sociale huursector. Daarnaast wordt er ruimte gemaakt voor private partijen om te investeren in huurwoningen in de vrije huursector.

Voor de verbetering van de koopkracht van mensen met de laagste inkomens ontziet het kabinet de Huurtoeslag.

  • In 2015 wordt de Huurtoeslag niet aangepast. Het kabinet draait de voorgenomen bezuiniging op de Huurtoeslag van € 31 mln. per jaar (zie Kamerstukken II, 33 940 XVIII, nr. 2) voor de komende drie jaar (2015 t/m 2017) terug.

  • Er komt een aangepast woningwaarderingsstelsel, waarin de lokale marktsituatie (in de vorm van de WOZ-waarde) beter wordt meegewogen.

  • De verhuurderheffing wordt conform eerdere afspraken in 2015 verhoogd naar € 1,335 miljard.

  • De wettelijke mogelijkheden voor tijdelijke huurcontracten worden uitgebreid. Groepen die tegen knelpunten aanlopen zoals starters en jongeren, kunnen hiermee sneller aan een betaalbare huurwoning komen. In 2015 ligt daartoe een wetsvoorstel voor parlementaire behandeling voor.

  • De liberalisatiegrens voor huurwoningen wordt voor drie jaar bevroren. Dit vergroot de ruimte voor de vrije huursector, en verbetert gelijktijdig de betaalbaarheid in de sociale huurmarkt.

De verschillende maatregelen die gericht zijn op een beter werkende huurmarkt en op meer doorstroming, dragen tevens bij aan gezondere marktverhoudingen en kansen voor private investeerders op de geliberaliseerde huurmarkt.

In 2015 is er aandacht voor de woonwensen van specifieke groepen.

  • Het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting wordt in 2015 voortgezet.

  • Voor voldoende huisvesting voor ouderen heeft het kabinet een Transitieagenda langer zelfstandig wonen opgesteld.

  • In 2015 worden de bestuurlijke afspraken die zijn gemaakt voor meer en betere huisvesting van EU-arbeidsmigranten uitgevoerd. Dit gebeurt via de Nationale Verklaring die is afgesloten met gemeenten, sociale partners en huisvesters.

Stelselwijziging woningcorporaties: naar heldere taken en scherp toezicht

Beoogd wordt op 1 januari 2015 de herziening van de Woningwet in werking te laten treden.

  • De herziening legt de basis voor een focus van woningcorporaties op de kerntaken (de zorg voor betaalbare huisvesting voor huishoudens met lagere inkomens), een versterking van de lokale verankering van woningcorporaties en een adequaat intern en extern toezicht.

  • Het financieel toezicht op woningcorporaties wordt versterkt en rechtstreeks onder ministeriële verantwoordelijkheid gebracht.

Deze ingrijpende wijzigingen hebben aanzienlijke gevolgen voor de interne organisatie van woningcorporaties en de relatie tussen gemeenten, corporaties en andere stakeholders.

  • Vanaf 2015 zullen de maatregelen zich in het stelsel uitwerken. Het kabinet ziet toe op een soepele invoering en uitwerking van de stelselwijzigingen. Hierbij kunnen de uitkomsten van de parlementaire enquête woningcorporaties nog aanleiding geven tot aanvullende maatregelen.

Bouwen en duurzaamheid: ruimte voor de markt

Door versterking en verdere vernieuwing van de bouwsector sluit deze beter aan bij de wensen van bewoners en gebruikers van gebouwen; ook voor de duurzaamheid en energiezuinigheid van nieuw- en verbouw. Meerdere reeds getroffen maatregelen geven ruimte aan de markt.

  • Om de werkgelegenheid in de bouw te ondersteunen, blijven bij verbouwen en renoveren van woningen de arbeidskosten tot 1 juli 2015 onder het lage BTW-tarief vallen. Architecten en hoveniers vallen onveranderd onder de regeling.

  • Op het gebied van de bouwregelgeving worden in 2015 concrete stappen gezet. De kwaliteitsborging verbetert door verantwoordelijkheden duidelijker te beleggen en door onafhankelijke toetsing. Een wetsvoorstel hierover wordt eind 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden, en moet in 2015 in werking treden.

  • Het convenant Kantorenleegstand en het expertteam Kantoortransformatie ondersteunen de transformatie van leegstaande kantoren tot woonruimte.

  • In 2015 wordt een nieuw energielabel ingevoerd. Woningeigenaren krijgen met relatief weinig inspanning en kosten een goed beeld van de energieprestatie van hun huis en van mogelijke energiebesparende maatregelen.

  • In 2015 wordt gewerkt aan de uitvoering van de afspraken uit het Energieakkoord. Er gaat een financiële regeling van start voor energiebesparingprojecten door Verenigingen van Eigenaren (VvE’s). In 2014 is voor eigenaren-bewoners al het Nationaal Energiebespaarfonds ingesteld en voor verhuurders eveneens een revolverend fonds voor leningen voor energiebesparing.

Een leefbare woonomgeving: handvatten bieden aan lokale partijen

Het Rijk ondersteunt met kennis, regelgeving (of het wegnemen van knelpunten daarin) en experimenten lokale partijen bij het realiseren van een leefbare en veilige woonomgeving.

  • In 2015 worden de wijzigingen van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek, de Woningwet en de Huisvestingswet van kracht. Gemeenten krijgen zo meer middelen in handen om overlast en verloedering tegen te gaan.

  • Rotterdam-Zuid krijgt ondersteuning op het gebied van wetgeving en de aanpak van de fysieke problematiek.

  • Met de krimp- en anticipeerregio’s zijn afspraken gemaakt over de ondersteuning die zij krijgen bij het uitvoeren van hun ambities en keuzes op het terrein van wonen, voorzieningen en economische vitaliteit.

RIJKSDIENST

In 2013 is de Hervormingsagenda Rijksdienst (Kamerstukken II, 31 490, nr. 119) aan de Kamer aangeboden. De hierin beschreven ontwikkeling naar een meer slagvaardige, dienstverlenende en kostenbewuste rijksdienst is in volle gang. Met een mix van lopende en nieuwe initiatieven wordt geld bespaard en kwaliteitswinst geboekt:

  • Per 31 december 2014 wordt het programma Compacte Rijksdienst afgerond, waarmee concrete besparingen zijn en nog zullen worden bereikt. Enkele projecten uit dit programma rond de huisvesting en de totstandkoming van de datacenters kennen een langere doorlooptijd en werken door in het jaar 2015 en verder.

  • Vanaf 1 januari 2015 gaan de ICT shared service organisaties SSC-ICT Den Haag en SSC-ICT Den Haag pijler II (voormalig Gemeenschappelijk Dienstencentrum ICT) als één shared service organisatie verder.

  • P-Direkt is op het gebied van personeelszaken de administratieve dienstverlener van en voor de rijksdienst. Vanaf 1 januari 2015 zijn de budgetten van de basisdienstverlening voor P-Direkt gecentraliseerd bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Door centralisatie van de opdrachtgeverbudgetten bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt efficiency bereikt door vermindering van bestuurlijke drukte. Het opdrachtgeverschap richting P-Direkt komt in handen van één in plaats van elf ministeries.

  • Om de dienstverlening aan burgers en bedrijven te verbeteren zijn vele initiatieven en projecten opgezet. Overeenkomstige taken en processen tussen verschillende organisaties worden gebundeld met als doel een verbetering van de efficiency en van de kwaliteit van de dienstverlening.

  • Tot slot is er in 2015 blijvende aandacht voor de ontwikkeling van de uitgaven voor personeel en materieel en de wijze waarop de rijksdienst als organisatie flexibel kan blijven inspelen op nieuw opkomende maatschappelijke vraagstukken.

Strategisch personeelsbeleid Rijk

In 2015 wordt verder invulling gegeven aan het werkgeverschap Rijk. Hierbij wordt ingezet op interne en externe mobiliteit en flexibiliteit. Er zal CAO-overleg zijn over modernisering van de arbeidsvoorwaarden en duurzame inzetbaarheid.

  • Het Rijk investeert in een duurzaam arbeidsperspectief voor mensen met een arbeidsbeperking. De doelstelling is om in de periode eind 2015 tot eind 2017 respectievelijk 401, 868 en 1.336 extra banen te realiseren voor deze groep werknemers.

  • In 2015 zal een rijksbrede Ondernemingsraad (OR) worden ingesteld, met volwaardige bevoegdheden conform de Wet op de Ondernemingsraden (WOR). Stap voor stap zullen onderwerpen op het gebied van de rijksbrede bedrijfsvoering voor formele behandeling aan deze rijks-OR worden voorgelegd. Dit geschiedt in overleg met de SG’s en de medezeggenschap. De SG van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is de bestuurder die het overleg voert met de rijksbrede OR.

  • Bureau Algemene Bestuursdienst (ABD) bevordert en waarborgt de kwaliteit van de ambtelijke leiding en de top van de Nationale Politie. Daarnaast verleent Bureau ABD ook diensten aan publiekrechtelijke ZBO’s en grote gemeenten (G4). In 2015 krijgt de structurele uitwisseling met het Ministerie van Buitenlandse Zaken verder vorm.

  • In 2017 zijn vrouwen voor ten minste 30% vertegenwoordigd in (top)functies bij de rijksoverheid. Eén van de maatregelen om dit te bewerkstelligen is het positioneren van talent in de salarisschalen 13–15.

  • Er wordt ingezet op het versterken en moderniseren van management development (MD) binnen de rijksdienst. De gedachte hierachter is dat de kwaliteit van (top)managers een belangrijke factor is voor het goed functioneren van de rijksdienst. Bureau ABD zal zodoende het strategisch personeelsbeleid m.b.t. deze topmanagers prominent agenderen en zo ook verkennen welke mogelijke aanpassingen in de MD-systematiek en MD-organisatie dit vraagt.

Vastgoed

Per 1 juli 2014 is het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) van start gegaan. In het RVB komen de taken van de Dienst Vastgoed Defensie, de Rijksgebouwendienst, het Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf en de directie Rijksvastgoed van de ministeries van Defensie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties samen. Het RVB heeft de opgave vastgoed in te zetten voor de realisatie van doelen van de rijksoverheid. Het RVB doet dit in samenwerking met, en met oog voor de omgeving. Het RVB gebruikt 2015 om de nieuwe bedrijfsprocessen uit te werken en in te voeren, waardoor een efficiëntere werkwijze mogelijk wordt.

  • Het RVB beheert een vastgoedportefeuille met een brede diversiteit, zoals defensiegronden en -kazernes, gevangenissen, rijkskantoren, beheer van gronden en ingebruikgeving aan derden. Er zijn diverse plannen opgesteld over hoe tot 2020 omgegaan wordt met het rijksvastgoed: het masterplan DJI ten aanzien van de gevangenissen, de masterplannen voor rijkskantoren en het Herbeleggingsplan Vastgoed Defensie. Deze plannen geven richting aan het handelen van het RVB en bepalen welk vastgoed wordt verkocht, in welk vastgoedobject geïnvesteerd wordt en waar eventueel wordt gehuurd of aangekocht.

  • Naast het beheer van de vastgoedportefeuille staat het RVB voor een omvangrijke opgave om vastgoed af te stoten. Deze opgave vindt verspreid over een aantal jaren plaats. Bij het afstoten van vastgoed wordt eerst een brede waardebenadering toegepast waarbij zowel fysieke als politiek-bestuurlijke en maatschappelijke aspecten worden geïnventariseerd. Aan de hand van deze analyse wordt een verkoopstrategie bepaald die kan variëren van een eenvoudige rechtstreekse verkoop tot een gebiedsontwikkelingsproject.

  • De verkoopstrategie transformatie en/of herbestemmen wordt steeds belangrijker. Veel vastgoed van de rijksoverheid heeft met de huidige bestemming geen toekomst meer (bijvoorbeeld gevangenissen, militaire terreinen, maar ook kantoren). Het RVB gaat steeds vaker over tot het ontwikkelen, in overleg met medeoverheden, van visies voor toekomstig gebruik. Deze worden dan vertaald in planologische mogelijkheden in nauw overleg met gemeente/provincie. De meerwaarde hiervan is dat de planologische risico’s worden beperkt voor potentiële kopers waardoor zij een grotere kans op financiering hebben. Deze manier van verkopen in de huidige markt creëert meer kans op succes en geeft overheden vooraf een goede mogelijkheid om optimale invullingen te geven aan de behoefte van hun gemeente/regio. Zo krijgen rijksobjecten een volwaardige kans op een nieuw bestaan.

  • Bij beslissingen over gebouwen en gronden heeft het RVB oog voor de omgeving. Naast energiezuiniger maken van gebouwen, zet het RVB in op het vanaf 2019 (bijna) energieneutraal te bouwen en op het duurzaam opwekken van energie op rijksvastgoed. Samen met het compacter huisvesten en duurzaam inkopen, draagt het RVB bij aan de duurzaamheidsdoelstelling.

Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (ontvangsten, uitgaven en niet-belastingsontvangsten) (Bedragen x € 1.000)

Opbouw uitgaven (x € 1.000)
 

art. nr.

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

3.370.782

3.448.579

3.657.524

3.864.084

4.263.666

 

Mutaties 1e suppletoire begroting

 

137.412

116.766

39.154

– 56

– 13.805

– 70.097

               

Nieuwe mutaties:

             

Revolverend fonds

2.1

– 60.000

– 15.000

       

Revolverend fonds

2.4

60.000

15.000

       

Nieuw systeem energielabel

2.1

– 4.300

4.300

       

Huurtoeslag

1.1

 

31.040

31.040

31.040

   

Afschaffen ouderentoeslag

1.1

   

– 22.000

– 22.000

– 22.000

– 22.000

Overige mutaties

 

– 1.681

2.374

– 486

– 485

– 484

4.485.483

Stand ontwerpbegroting 2015

 

3.502.213

3.603.059

3.705.232

3.872.583

4.227.377

4.393.386

Opbouw ontvangsten (x € 1.000)
 

art. nr.

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

588.412

594.498

595.582

615.782

616.282

 

Mutaties 1e suppletoire begroting

 

31.048

26.250

31.050

32.550

32.550

32.550

               

Nieuwe mutaties:

             
               

Overige mutaties

 

92

700

0

0

0

616.482

Stand ontwerpbegroting 2015

 

619.552

621.448

626.632

648.332

648.832

649.032

Toelichting

Revolverend fonds

In het in 2013 gesloten woonakkoord is besloten tot het oprichten van een revolverend fonds voor verhuurders (RFE II). Het fonds voorziet verhuurders van goedkope financiering voor energiebesparende projecten binnen de gebouwde omgeving. In de jaren 2014 en 2015 is hiervoor in totaal € 75 mln. beschikbaar. Het fonds is als instrument binnen een separaat artikelonderdeel vormgegeven binnen de begroting van Wonen en Rijksdienst. Middels deze budgetneutrale herschikking worden de middelen van het fonds verantwoord op het juiste instrument.

Nieuw systeem energielabel

Als onderdeel van het SER energieakkoord wordt voor het vernieuwde energielabel een geheel nieuw systeem ontwikkeld. Als gevolg van recente inzichten over de planning van de ontwikkeling en uitrol van dit systeem, schuift € 4.3 mln. van de hiervoor geoormerkte budgetten door van 2014 naar 2015.

Huurtoeslag

Het kabinet heeft besloten de bij voorjaarsnota 2014 voorgenomen bezuiniging op de huurtoeslag van € 31 mln. vanaf 2015 niet door te voeren in 2015, 2016 en 2017.

Afschaffen ouderentoeslag

Het kabinet heeft besloten om per 2016 de verhoogde vrijstelling in box 3 voor ouderen (de oudoerentoeslag) af te schaffen. Deze maatregel leidt tot een lager beroep op de huurtoeslag van 22 mln. vanaf 2016.

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Agendering beleidsdoorlichtingen
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Artikel/operationele doelstelling

(planning)

Artikel 1. Woningmarkt

   

       

Artikel 2. Woonomgeving en bouw

             

2.1 Energie en bouwkwaliteit

 

         

2.2 Woningbouw

     

     

2.3 Kwaliteit woonomgeving

 

         

2.4 Revolverend fonds Energiebesparing Verhuurders 1

             

Artikel 3. Kwaliteit Rijksdienst

 

         

Artikel 6. Uitvoering rijksvastgoedbeleid

             

6.1 Doelmatige uitvoeringspraktijk van de Rijkshuisvesting 2

             

6.2 Bijdrage materieel activa2

             
X Noot
1

Artikel 2.4 is een nieuw artikelonderdeel. De beleidsdoorlichting van dit artikelonderdeel staat voor 2020 op de planning.

X Noot
2

De in artikel 6 vermelde verplichtingen en uitgaven hebben betrekking op de bedrijfsvoering van het Rijk met name op het terrein van de huisvesting en onroerend goed. Dit artikel wordt deels betrokken bij de evaluatie van het rijkshuisvestingsstelsel. Vanwege de introductie van het nieuwe rijkshuisvestingsstelsel in 2016 is deze evaluatie pas in 2018 gepland. Tegelijkertijd zal de sturing van het beleid en invulling opdrachtgeverschap met betrekking tot monumenten, Koninklijk Huis, AZ, en Hocosta’s worden geëvalueerd. Het deel van artikel 6 dat niet wordt betrokken bij de evaluatie van het rijkshuisvestingsstelsel bestaan grotendeels uit uitgaven als zakelijke lasten en beheer- en plankosten. Vanwege het niet-beleidsmatige karakter hiervan worden deze niet meegenomen in deze doorlichtingen. Volledigheidshalve wordt ook verwezen naar de toelichting op de budgetflexibiliteit.

Garanties

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2013

Geraamd te verlenen 2014

Geraamd te vervallen 2014

Uitstaande garanties 2014

Garantieplafond 2014

Geraamd te verlenen 2015

Geraamd te vervallen 2015

Uitstaande garanties 2015

Garantieplafond 2015

Totaal plafond

 

Art. 3

Hypotheekgaranties

132

0

21

111

356

0

12

99

356

356

 

Totaal

132

0

21

111

356

0

12

99

356

356

Hypotheekgaranties: het betreft de aflopende regeling Rijkshypotheekgaranties. Bij beschikking van 23 augustus 1974, nr. AB74/U1271, van de Minister van Binnenlandse Zaken, is de mogelijkheid geschapen om onder bepaalde voorwaarden een hypotheekgarantie te verlenen voor tijdige betaling van rente en aflossing op een hypothecaire geldlening, die in verband met de aankoop van een woning is afgesloten. Er zijn nog 4 garanties geldig. De laatste garantie vervalt in 2020. Het theoretische risico bedraagt € 99.000,–.

Voor deze garantie is geen begrotingsreserve aanwezig en wordt geen premie afgedragen als vergoeding voor de afgegeven garantie.

Er worden voor de jaren t/m 2016 geen uitgaven en ontvangsten op garanties verwacht.

Achterborgstellingen

Achterborgstelling: Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW)

Kengetallen (x € 1 mln.)

Ultimo 2013

Ultimo 2014

Ultimo 2015

Achterborgstelling

86.200

87.200

87.100

Bufferkapitaal

490

500

513

Obligo

3.200

3.309

3.301

Bron: Liquiditeitsprognose 2014–2018 WSW (jaarverslag 2013)

Toelichting

Zekerheidsstructuur WSW

Het WSW staat borg voor de leningen die woningcorporaties aantrekken voor de bouw en renovatie van sociale huurwoningen. Dit vergroot de toegang van corporaties tot de kapitaalmarkt en maakt dat zij financiering tegen lagere kosten kunnen aantrekken. Als een woningbouwcorporatie door het WSW niet meer als kredietwaardig wordt beschouwd en in liquiditeitsproblemen komt, dan wordt de achterborgstelling niet meteen aangesproken. Eerst wordt de betreffende corporatie gesaneerd door het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) 1. Indien het CFV geen afdoende sanering uitvoert, zal het WSW op basis van allereerst het eigen vermogen (€ 487 mln. ultimo 2013) en vervolgens de obligo’s die het WSW bij de deelnemende corporaties kan opvragen (€ 3,2 mld. ultimo 2013) de verplichtingen jegens financiers nakomen. Als het WSW dan nog steeds niet aan de verplichtingen kan voldoen, dan verstrekken het Rijk en de gemeenten renteloze leningen aan het WSW (ieder voor 50%).

Er wordt een jaarlijkse premie in rekening gebracht bij de woningbouwcorporaties die gebruik maken van het WSW, namelijk een percentage over de uitstaande leningen waarvoor het WSW zich borg heeft gesteld. Het tarief bedraagt 0,0276 procent per jaar. Dit percentage is in 2006 tot stand gekomen op basis van een meerjarige liquiditeitsprognose. Voor de achterborg wordt geen premie in rekening gebracht.

Tot op heden is het WSW nog nooit aangesproken op de borg en zijn corporaties altijd gesaneerd. Ook de achtervang door Rijk en gemeenten is nog nooit aangesproken.

Versterking risicobeheersing

Ojectief risicomanagement is de kerntaak van het WSW. Om die taak uit te oefenen hanteert het WSW een risicobeoordelingsmethodologie gebaseerd op industrie standaarden (S&P), rekening houdend met de specifieke kenmerken van de sector (zie website WSW). Hoewel er nog nooit een beroep is gedaan op de achtervang door Rijk en gemeenten en de kans daarop in de toekomst gezien de zekerheidsstructuur ook als zeer gering worden gezien, zijn enkele recente casussen wel aanleiding geweest om de risicobeheersing verder te versterken. Enkele maatregelen die in het kader van deze veranderagenda reeds genomen zijn, dan wel worden genomen:

  • Zowel het WSW als het CFV hebben hun systemen en normen voor risicomanagement en «early warning» aangescherpt. Risico’s voor de financiële stabiliteit van een corporatie komen zo eerder aan het licht, zodat ook eerder kan worden ingegrepen. De activiteiten gericht op een beter risicomanagement heeft het WSW gebundeld in het programma Challenge. Tevens heeft het WSW in 2012 de afdeling Bijzonder Beheer opgericht die corporaties met problemen gericht stuurt bij het nemen van de juiste maatregelen;

  • Er zijn door het Ministerie van BZK regels gesteld aan het gebruik van derivaten door corporaties. Deze beleidsregels zijn sinds 1 oktober 2012 van kracht. Het CFV houdt hierop toezicht en voert tevens «stresstesten» uit;

  • Vanaf 2011 is de Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang toegelaten instellingen van kracht. Dit betekent onder andere dat de WSW-borging voortaan alleen kan worden afgegeven op activiteiten van corporaties die als «dienst van algemeen economisch belang» (daeb) kunnen worden aangemerkt en niet op andere (commerciële) activiteiten;

  • Het WSW voert vanaf 2011 een Eigen Middelen beleid dat bepaalt welke middelen de deelnemende corporaties verplicht moet besteden aan borgbare investeringen, aflossingen van geborgde leningen en opbouw van de wettelijk geregelde liquiditeitsbuffer. Nadat een corporatie aan al haar verplichtingen heeft voldaan, mag zij het restant van de eigen middelen aanwenden voor niet-borgbare;

  • In de novelle op de herzieningswet die in voorbereiding is, wordt door beperking van het werkdomein bovendien ingezet op een kleiner «daeb»-deel van corporaties, waarbij voor het niet-daeb deel in principe commerciële (her)financiering geldt;

Verhouding tot garantiekader

Het kabinet heeft in mei 2014 besloten tot het uitvoeren van een verdiepende analyse naar de WSW. Daarbij zal de verhouding tot de verschillende elementen uit het garantiekader nader worden bezien. De analyse zal plaatsvinden tweede helft 2014, waarna hierover in de eerste helft van 2015 besluitvorming kan plaatsvinden. In het vervolg zal iedere vijf jaar een evaluatie van de garantieregeling plaatsvinden.

Achterborgstelling: Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW): Nationale Hypotheekgarantie

Kengetallen (x € 1 mln.)

Ultimo 2013

Ultimo 2014

Ultimo 2015

Achterborgstelling

163.756

169.211

172.909

Bufferkapitaal

799

758

700

Obligo

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Bron: Stichting WEW

Toelichting

Het WEW heeft een belangrijke rol ten aanzien van de financierbaarheid van het eigenwoningbezit. De stichting staat met de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) borg voor hypothecaire leningen die woningeigenaren afsluiten om hun huis te financieren, waarbij alleen leningen in aanmerkingen komen die aan de NHG-regels voldoen. Enkele belangrijke eisen zijn dat het hypotheekbedrag (inclusief bijkomende kosten) niet meer mag zijn dan de op dat moment geldende kostengrens 2 en dat wordt voldaan aan de Nibud-normen voor de verantwoorde verhouding tussen het inkomen en de hypotheeklasten. Indien de consument in betalingsproblemen komt en de woning verkocht moet worden, dan betaalt het WEW een eventuele restschuld aan de geldverstrekker (rekening houdend met de annuïtaire afloop van de garantie). Hiermee gaat de vordering over op het WEW. Het WEW kan de schuld van de voormalig eigenaar kwijtschelden als de woningeigenaar buiten de eigen schuld in de problemen is gekomen (door werkloosheid, echtscheiding, arbeidsongeschiktheid of het overlijden van de partner) en heeft meegewerkt aan beperking van de restschuld. Omdat verliezen voor de bank voor een belangrijk gedeelte zijn afgedekt, geldt voor hypotheken met NHG in praktijk een lagere rente. Door deze rentekorting dalen de maandelijkse hypotheeklasten, waardoor een eigenwoning meer toegankelijk wordt voor lagere inkomens.

De consument betaalt eenmalig een premie van 1,0% van het hypotheekbedrag, die in het buffervermogen van de stichting wordt gestort waaruit schades betaald worden. Volgens actuarieel onderzoek is het buffervermogen de komende jaren voldoende om toekomstige schades op te vangen. Indien het buffervermogen niet afdoende blijkt, dan verstrekt het Rijk en de gemeenten (ieder voor 50%) achtergestelde renteloze leningen aan het WEW. Voor hypotheken met een NHG die zijn verstrekt na 1 januari 2011 geldt dat het Rijk de volledige achtervang verzorgt. Per 1 januari 2015 zal een deel van de premie (0,15%) afgedragen worden aan het Rijk als vergoeding voor het achtervangrisico.

Toelichting op de cijfers

Op basis van de liquiditeitsprognoses van het WEW is de verwachting dat het fondsvermogen van het WEW de komende jaren zal afnemen. Deze ontwikkeling is het gevolg van de negatieve ontwikkeling van de prijzen van koopwoningen in de afgelopen jaren, de toegenomen werkloosheid en de hiermee samenhangende toename in aantallen en diepte van de verliezen. Hoewel tekenen van herstel zichtbaar zijn op de woningmarkt, wordt toch een verdere aanspraak op het fondsvermogen verwacht vanwege het na-ijl effect van de crisis op het waarborgfonds. Bij een aantrekkende woningmarkt zal het aantal woningverkopen toenemen, maar omdat veel woningen nog «onder water» staan, betekent dit ook een toename van het aantal transacties met een restschuld. Daarnaast is er sprake van een volume-effect, omdat in de afgelopen jaren meer garanties zijn verstrekt, mede door de tijdelijke verhoging van de kostengrens tot 350 duizend euro. Hierbij dient bedacht te worden dat het fonds juist is bedoeld en opgebouwd voor het opvangen van verliezen in een periode als deze.

Het gegarandeerd vermogen van het WEW neemt de komende jaren toe, omdat de instroom van nieuwe garanties hoger ligt dan de uitstroom. De verlaging van de kostengrens heeft een drukkend effect op deze toename. Hierbij is van belang dat het risico voor de stichting en het Rijk slechts in beperkte mate wordt bepaald door de hoogte van het gegarandeerde vermogen. Ten eerste staat tegenover de leningen de waarde van de desbetreffende woningen. Daarnaast betreft de borgstelling uitsluitend de betaling van de eventuele restschuld na een gedwongen verkoop. Tot slot speelt de kans op default een rol. Deze neemt af naarmate de lening langer loopt; de meeste defaults vinden in de eerste jaren van borgstelling plaats. Het WEW beschikt bovendien over een fondsvermogen voor het kunnen opvangen van verliezen.

Verhouding tot het garantiekader

In het vervolg zal iedere vijf jaar een evaluatie van de garantieregeling plaatsvinden. Daarbij zal ook de verhouding tot de verschillende elementen uit het garantiekader nader worden bezien.

Belastinguitgaven per departement

Belastinguitgaven

Jaren

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

             

Gedeeltelijke vrijstelling van inkomsten uit kamerverhuur

40

43

45

47

49

52

54

               

Overdrachtsbelasting

             

Vrijstelling overdrachtsbelasting stedelijke herstructurering

0

2

2

2

2

2

2

3. DE BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1. Woningmarkt

A Algemene doelstelling

Een vrij toegankelijke, vraaggerichte woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister voert de regie over een heldere verdeling van rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen op het terrein van wonen.

De Minister voert via regelgeving de regie ten aanzien van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de woningvoorraad op grond van de Huisvestingswet. De Minister voert de regie ten aanzien van het ontwikkelen van kaders om onrechtmatige bewoning tegen te gaan op grond van de Woningwet.

De Minister stimuleert in beleidsmatige zin de huisvesting van bijzondere aandachtsgroepen.

De Minister voert de regie ten aanzien van het scheppen van voorwaarden voor de betaalbaarheid van het wonen, onder meer via de Wet op de huurtoeslag, de huurprijsregulering en maatregelen ten aanzien van de koopwoningmarkt.

De Minister voert de regie over het beleid voor de koopwoningmarkt. Hieronder valt onder meer het beleid ten aanzien van de Nationale Hypotheekgarantie (NHG), de fiscale behandeling van de eigen woning, en de hypothecaire leennormen. Tevens draagt de Minister zorg voor het kapitaalmarktbeleid betreffende investeringen in de woningmarkt.

De Minister is verantwoordelijk voor het beleidsmatig vormgeven van het instrument huurtoeslag en het budgettair beheer hiervan op grond van de Wet op de Huurtoeslag. De uitvoering van de huurtoeslag is, op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR), onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën, belegd bij de Belastingdienst/Toeslagen. Deze dienst is ook verantwoordelijk voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de toeslag.

De Minister is verantwoordelijk voor het beleid ten aanzien van de verhuurderheffing. De uitvoering van de verhuurderheffing is, onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën, belegd bij de Belastingdienst.

De Minister is verantwoordelijk voor een adequate werking van de sociale huurwoningenmarkt. Het betreft het beleid en de regelgeving ten aanzien van het maatschappelijk presteren van woningcorporaties en het toezicht hierop. Voor de huisvesting van diegenen die moeilijkheden ondervinden bij het vinden van adequate huisvesting op de woningmarkt, spelen woningcorporaties een belangrijke rol, waarbij het huisvesten van huishoudens met een inkomen tot € 34.678 (inkomensgrens 2014) tot hun kerntaak behoort.

De Minister draagt zorg voor een adequate uitvoering van een laagdrempelige beslechting van huurgeschillen. In het Burgerlijk Wetboek (art. 7:249 t/m 7:261) is vastgelegd dat huurders en verhuurders een beroep kunnen doen op de Huurcommissie. De organisatie en werkwijze van de Huurcommissie, evenals de administratieve ondersteuning door de Dienst van de Huurcommissie (DHC), is vastgelegd in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw).

C Beleidswijzigingen

In de beleidsagenda is opgenomen, dat de verwachting is, dat de in 2012 bij de Eerste Kamer ingediende voorstellen voor een herziening van de Woningwet en de daarop volgende in 2014 bij de Tweede Kamer ingediende novelle januari 2015 in werking zullen treden. Dit zal leiden tot nieuwe wet- en regelgeving.

Deze wijzigingen hebben aanzienlijke gevolgen voor de betrokken partijen. Daarom zal al ruim voor inwerkingtreding van de wijzigingen op 1 januari 2015 gestart worden met een intensief communicatie- en voorlichtingstraject over de wijzigingen. Dit traject zal in 2015 worden voortgezet.

Mede ter ondersteuning van het lokale proces en om te bevorderen dat corporaties het maatschappelijk gebonden vermogen optimaal inzetten ten behoeve van de volkshuisvesting zal het kabinet in overleg met gemeenten en sociale verhuurders een prioritaire agenda voor woningcorporaties publiceren (Woonagenda sociale huursector, eerder aangeduid als «rijksbeleidskader»). Hiermee wordt beoogd landelijk geformuleerde opgaven, zoals het energiezuinig maken van de woningvoorraad, het passend huisvesten van ouderen en zorgbehoevenden, alsmede het huisvesten van de laagste inkomens met het oog op de betaalbaarheid op de lokale agenda van gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties te plaatsen. Het rijk zal monitoren of de landelijk geformuleerde opgaven gerealiseerd worden en zo mogelijk prestaties (laten) vergelijken.

Het financieel toezicht op woningcorporaties wordt versterkt en rechtstreeks onder ministeriële verantwoordelijkheid gebracht.

Voorzien is om één van de werkzaamheden van het huidige Centraal Fonds Volkshuisvesting – de sanering van corporaties – in mandaat over te dragen aan het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). Ook daarvoor worden vooruitlopend in 2014 voorbereidingen getroffen, die in 2015 zullen worden voortgezet.

Zoals in het regeerakkoord «Bruggen slaan» van 29 oktober 2012 is overeengekomen, dient het wettelijke bezoldigingsmaximum op grond van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) van 130% van de bezoldiging van een Minister naar 100% verlaagd te worden. In verband met deze verlaging zal ook de voor de woningcorporatiesector geldende regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting worden aangepast.

Conform toezegging aan de Eerste Kamer in december 2013 zal – mede op basis van consultatie van de sector – uitwerking worden gegeven aan de wooncoöperatie. Dit betreft een vorm van zelforganisatie van kopers en huurders gericht op gezamenlijke doelen, als nieuwe vorm van een toegelaten instelling met een wettelijke basis, al dan niet binnen de structuur van de huidige sociale huursector.

Met ingang van 2015 zal de liberalisatiegrens voor drie jaar worden bevroren, zodat de ruimte voor de vrije huursector wordt vergroot en de betaalbaarheid voor de sociale huursector wordt verbeterd. Op deze wijze wordt het interessanter voor marktpartijen om te investeren in het middensegment van de huurmarkt. Er komt een register voor nieuwbouwwoningen waarmee wordt geregeld, dat nieuwbouw gebouwd in de eerste vijf jaar na instelling van het register geliberaliseerd zal blijven.

Het kabinet vraagt ook in 2015 een financiële bijdrage van verhuurders voor het verminderen van de nationale schuld. De verhuurderheffing maakt deel uit van de maatregelen in het Woonakkoord. De verhuurderheffing wordt conform eerdere afspraken in 2015 verhoogd naar € 1,335 miljard.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 1 Woningmarkt

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)
   

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen:

2.900.728

3.211.961

3.377.405

3.499.807

3.676.749

3.835.258

4.000.659

                 

Uitgaven:

2.929.201

3.141.822

3.335.413

3.499.807

3.676.749

3.835.258

4.000.659

 

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
                 

1.1

Betaalbaarheid

2.922.871

3.133.576

3.328.246

3.492.640

3.669.582

3.828.091

3.993.492

 

Subsidies

61.971

23.278

16.815

12.688

11.888

11.610

11.610

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid

1.057

409

508

508

508

500

500

 

Bevordering eigen woningbezit

59.694

21.648

15.186

11.109

10.409

10.139

10.139

 

Woonconsumentenorganisaties

1.220

1.221

1.121

1.071

971

971

971

 

Opdrachten

778

1.006

617

617

617

625

625

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid

778

1.006

617

617

617

625

625

 

Inkomensoverdracht

2.846.103

3.096.644

3.296.844

3.467.453

3.645.900

3.805.060

3.970.460

 

Huurtoeslag

2.846.103

3.096.644

3.296.844

3.467.453

3.645.900

3.805.060

3.970.460

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

0

0

2.872

2.890

2.890

2.890

2.890

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid (Agentschap NL)

0

0

2.872

2.890

2.890

2.890

2.890

 

Bijdragen aan ZBO's / RWT's

13.300

10.665

10.291

8.586

7.881

7.500

7.501

 

Huurcommissie

13.300

10.500

9.976

8.271

7.566

7.185

7.186

 

Overige uitvoeringsinstanties

0

165

315

315

315

315

315

 

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

719

1.983

807

406

406

406

406

 

Overige uitvoeringsinstanties

719

1.983

807

406

406

406

406

                 

1.2

Onderzoek en kennisoverdracht

6.330

8.246

7.167

7.167

7.167

7.167

7.167

 

Subsidies

3.589

1.879

1.801

1.801

1.801

1.801

1.801

 

Samenwerkende kennisinstellingen e.a.

3.589

1.879

1.801

1.801

1.801

1.801

1.801

 

Opdrachten

2.711

6.367

5.366

5.366

5.366

5.366

5.366

 

Basisonderzoek en verkenningen

2.711

6.367

5.366

5.366

5.366

5.366

5.366

 

Bijdragen aan medeoverheden

30

0

0

0

0

0

0

 

experimenten en kennisoverdracht Wonen

30

0

0

0

0

0

0

                 

Ontvangsten:

407.994

490.330

501.116

507.900

510.000

510.500

510.700

D2 Budgetflexibiliteit

Het uitgavenbudget van artikel 1 is percentueel 100% juridisch verplicht door de grote omvang van het huurtoeslagbudget.

Subsidies

De subsidies zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft vooral in het verleden aangegane verplichtingen op basis van de Wet Bevordering Eigen Woningen.

Opdrachten

De opdrachten zijn gedeeltelijk juridisch verplicht. Uitgaven betreffen (onderzoeks-)opdrachten die inspelen op de beleidsactualiteit. Deze middelen worden aangewend voor de uitfinanciering van tot en met 2014 aangegane verplichtingen en bestuurlijke verplichtingen voor de periodiek terugkerende basisonderzoeken.

Inkomensoverdracht

Van het huurtoeslag budget 2015 is 100% juridisch verplicht. Jaarlijks wordt een verplichting aangegaan voor het gehele huurtoeslagbudget voor het begrotingsjaar.

Bijdragen aan baten-lastendiensten

De bijdragen aan baten-lastendiensten zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft verplichtingen die aangegaan zijn voor het uitvoeren van de BEW en EW regelingen.

Bijdrage aan ZBO’s/ RWT’s

De bijdrage aan ZBO’s/ RWT’s is 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse opdracht aan de Dienst van de Huurcommissie (DHC).

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

De bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken is voor 100% juridisch verplicht.

E Toelichting op de instrumenten
1.1 Betaalbaarheid

Subsidies

Beleidsprogramma betaalbaarheid

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voert in het kader van het programma Betaalbaarheid verschillende activiteiten uit voor de huurtoeslag, maar ook voor het monitoren en stimuleren van geschikte huisvesting voor ouderen. Een ander belangrijk onderdeel van het programma is het in beeld brengen en helpen voorkomen van risico’s van eigenwoningbezit en toezicht op woningbouwcorporaties.

Voor deze werkzaamheden verstrekt het Ministerie samen met huurders, verhuurorganisaties en andere partijen voor woningmarktontwikkeling subsidies en opdrachten aan diverse partijen.

Bevorderen Eigen Woningbezit (BEW)

Zoals gemeld aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 32 123 XVIII, nr. 74), is voor nieuwe toekenningen op grond van de Wet Bevordering Eigen Woningbezit geen budget meer beschikbaar. De meerjarig beschikbare middelen dienen uitsluitend tot betaling van in het verleden aangegane verplichtingen.

Om de financierbaarheid van het eigen woningbezit te borgen is het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties achtervang voor het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) die de uitvoering verzorgt van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG).

Woonconsumentenorganisaties

De Woonbond en de Stichting VACpunt Wonen ontvangen financiële bijdragen voor de uitvoering van een met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overeen gekomen programma van activiteiten op het gebied van kennisoverdracht, voorlichting en scholing. Doel is de positie van de woonconsument te versterken om recht te doen aan zijn positie op de woningmarkt.

Opdrachten

Beleidsprogramma betaalbaarheid

Onder subsidies is hier een toelichting voor opgenomen.

Inkomensoverdracht

Bij de huurtoeslag is voor de jaren 2014–2016 sprake van tekorten die in de jaren 2017–2019 omslaan in meevallers. De tekorten worden vooral veroorzaakt door de bij Begrotingsakkoord deels teruggedraaide afschaffing van de fiscale aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Dit vanwege de uitwerking op het belastbare inkomen. De meevaller in latere jaren wordt vooral veroorzaakt door een bijgestelde inflatieraming, die tot meevallers in de huurprijsontwikkeling leidt. Per saldo is voor de periode 2014–2019 sprake van een tekort van gemiddeld € 10 mln. per jaar. De oploop van de huurtoeslag in 2018 en 2019 met € 92 mln. in verband met de doorwerking van de boveninflatoire huurverhoging is hierin meegenomen. Daarnaast is sprake van een overschrijding van € 96,9 mln. op de huurtoeslag in 2013.

In totaal is het tekort € 155,2 mln, een gemiddeld tekort van € 31 mln. per jaar vanaf 2015. In het voorjaar is eerder aangekondigd dat de dekking binnen de huurtoeslag wordt ingepast. Het kabinet heeft echter besloten voor de jaren 2015, 2016 en 2017 het budget toe te voegen ter dekking van deze tekorten.

Het kabinet heeft besloten om per 2016 de verhoogde vrijstelling in box 3 voor ouderen (de ouderentoeslag) af te schaffen. Deze maatregel leidt tot een lager beroep op de huurtoeslag van € 22 mln. vanaf 2016.

Om inzicht te geven in de uitwerking van de huurtoeslag voor huurtoeslagontvangers tonen onderstaande grafieken het aandeel van de bruto huur dat per saldo (na aftrek van de huurtoeslag) nog netto door huurtoeslagontvangers is verschuldigd. Dit cijfer is berekend voor voorbeeldhuishoudens met een huur rond de diverse huurtoeslaggrenzen en met een minimuminkomen. Uit de grafieken blijkt dat het aandeel van de bruto huur dat door de huurtoeslagontvanger zelf netto nog betaald moet worden in de periode 2012–2015 is gedaald. De stijging tussen 2011 en 2012 voor huishoudens met een huur rond aftoppingsgrens of huurgrens heeft als achtergrond de in dat jaar doorgevoerde aanscherping van de kwaliteitskortingen. De daling vanaf 2012 heeft te maken met het feit dat de indexering van de eigen bijdrage in de huurtoeslag lager is dan de gemiddelde bruto-huurontwikkeling. De reden hiervoor is dat de indexering van de eigen bijdrage in de huurtoeslag geen rekening houdt met het harmonisatie-effect (het feit dat huren bij verhuizing sterker kunnen worden verhoogd) en dat de eigen bijdrage in de huurtoeslag wordt geïndexeerd met de netto-bijstandsontwikkeling (als deze lager is dan de huurontwikkeling).

Verhouding bruto en netto huur Eenpersoonshuishouden

Verhouding bruto en netto huur 						  Eenpersoonshuishouden

Verhouding bruto en netto huur Meerpersoonshuishouden

Verhouding bruto en netto huur 						  Meerpersoonshuishouden

Verhouding bruto en netto huur Eenpersoonshouden ouderen

Verhouding bruto en netto huur Eenpersoonshouden 						  ouderen

Verhouding bruto en netto huur Meerpersoonshuishouden ouderen

Verhouding bruto en netto huur Meerpersoonshuishouden 						  ouderen

Verhuurderheffing

In het Regeerakkoord is afgesproken, dat de verhuurderheffing op termijn evenredig wordt verhoogd met het gebruik van de huurtoeslag als gevolg van de maatregelen op de huurmarkt. Eén van deze maatregelen betreft de boveninflatoire huurverhogingen. Hierdoor loopt het beroep op de huurtoeslag vanaf 2018 op. In het Woonakkoord is de verhuurderheffing 2017 verlaagd ten opzichte van het Regeerakkoord en vastgelegd, dat de verhuurderheffing op termijn dezelfde bijdrage levert aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën als in het Regeerakkoord is opgenomen. Het kabinet gaat er van uit dat de heffing ook in de toekomst blijft bestaan en verder oploopt. Vanaf 2018 volgt de raming van de verhuurderheffing de reeks die in het Regeerakkoord is afgesproken.

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Beleidsprogramma betaalbaarheid

De bijdrage dient ter bekostiging van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland voor de uitvoering van de Regeling Bevordering Eigenwoningbezit.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Huurcommissie

Het werkterrein van de Huurcommissie wordt gevormd door het gereguleerde deel van de markt voor huurwoonruimte. Als huurders en verhuurders een geschil hebben over de hoogte van de huurprijs of van de servicekosten en er onderling niet uitkomen, doet de Huurcommissie op verzoek uitspraak in dergelijke geschillen. Sinds 2012 beslecht de Huurcommissie ook geschillen in het kader van de Wet op het overleg huurders verhuurder (WOHV).

De Huurcommissie werkt als opdrachtnemer van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Voor 2015 worden de onderstaande aantallen verondersteld en maximale behandeltermijnen nagestreefd.

Tabel 1.2 Kengetallen

Procedure

Aantallen 2015

Behandeltermijn 2015

Beslechting huurprijsgeschillen

8.375

90% afgerond binnen 4 maanden

Beslechting servicekostengeschillen

1.700

90% afgerond binnen 4 maanden

Beslechting van WOHV-geschillen

10

90% afgerond binnen 13 weken

Verklaringen over de redelijkheid van de huurprijs in het kader van behandeling van huurtoeslagaanvragen door de Belastingdienst

100

 

Totaal

10.185

Bron: Huurcommissie

Voor de doorlooptijden van huurgeschilbeslechting staat in de Uitvoeringswet Huurprijzen woonruimte een termijn van maximaal vier maanden. Omdat de Huurcommissie voor het halen van de doorlooptijd ook afhankelijk is van de medewerking van huurder en verhuurder (het verstrekken van de benodigde informatie, het meewerken aan onderzoek in de woning, aanwezigheid op de hoorzitting), kan de termijn van vier maanden niet in alle gevallen gerealiseerd worden. De wet kent de mogelijkheid om in die gevallen gemotiveerd een langere doorlooptijd te hanteren. Vandaar dat de norm van vier maanden gesteld is voor 90% van de huurprijsgeschillen.

Voor de geschilbeslechting op basis van de Wet op het overleg huurders verhuurder (WOHV) geldt een wettelijke termijn van acht weken met eveneens de mogelijkheid om gemotiveerd een langere doorlooptijd te hanteren. De ervaringen met de WOHV-geschillen leren, dat partijen hechten aan overleg onder auspiciën van de Huurcommissie, als gevolg waarvan de termijn van acht weken doorgaans niet gehaald wordt, zonder dat dit op bezwaren van betrokkenen stuit. Om deze reden is als streeftermijn voor 90% van de WOHV-geschillen 13 weken geformuleerd.

Voor nadere informatie over de Huurcommissie wordt verwezen naar de agentschapparagraaf 4.8.

Overige uitvoeringsinstanties

De bijdragen dienen ter bekostiging van een aantal uitvoeringsorganisaties waaronder het Centraal Fonds Volkshuisvesting.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Overige uitvoeringsinstanties

De bijdragen dienen ter bekostiging van een aantal uitvoeringsorganisaties waaronder de belastingdienst voor verstrekking van inkomensgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de inkomensafhankelijke huurstijging.

1.2 Onderzoek en kennisoverdracht

Subsidies

Samenwerkende kennisinstellingen (Nationaal kennisinstituut voor stedelijke en regionale ontwikkelingen) en overig onderzoek

In afstemming met de eigen activiteiten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt een gedeelte van het beschikbare budget ingezet voor activiteiten van het Nationaal kennisinstituut voor stedelijke en regionale ontwikkeling, Platform 31.

Overig onderzoek is noodzakelijk voor het onderbouwen van beleid, het verrichten van strategische verkenningen en het bieden van instrumenten aan andere partijen om hun rol en verantwoordelijkheden waar te maken.

Opdrachten

Basisonderzoek en kennisoverdracht

De activiteiten voor (basis)onderzoek en kennisoverdracht hebben betrekking op het terrein van Wonen en Bouwen. De ontwikkelingen op de woningmarkt vragen om actuele gegevens over de woningmarkt voor de basisonderzoeken, benchmarks en ondersteuning, alsmede doorrekening van beleid. Het budget wordt besteed aan onder meer verkenningen, monitoring en onderbouwen van beleid, dataverzamelingen en ramingsmodellen.

Ontvangsten

Zie de toelichting bij inkomensoverdracht.

Artikel 2. Woonomgeving en bouw

A Algemene doelstelling

Het stimuleren van burgers, decentrale overheden, instellingen en bedrijven tot het realiseren van een goede kwaliteit van woningen, gebouwen en andere bouwwerken. Belangrijke aspecten daarbij zijn de veiligheid en gezondheid van gebouwen, alsmede het streven om energie te besparen, waarmee tevens de woonlasten kunnen worden beperkt. Het bevorderen van de woningbouw waarbij aanbod vraaggericht tot stand komt, zodat dit veel meer gaat aansluiten bij de woonwensen van mensen. Het stimuleren van burgers en andere partijen om de leefbaarheid in steden en dorpen te bevorderen.

B Rol en verantwoordelijkheid

Op basis van de Woningwet (hoofdstuk V) is de Minister verantwoordelijk voor woningbouw, hetgeen de zorg omvat voor voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad. Het kabinet wil de sector stimuleren door innovatie te bevorderen, onnodige belemmeringen weg te nemen en waar mogelijk de mededinging te versterken, waardoor meer ruimte ontstaat voor kleinschalige, natuurlijke groei, het voorzien in eigen woningbehoefte, (collectief) particulier opdrachtgeverschap (CPO) en meegroei-, mantel- en meergeneratiewoningen.

Op basis van de Woningwet (artikel 120), de Wet milieubeheer (hoofdstuk 4) en de Kadasterwet is de Minister verantwoordelijk voor het stimuleren van energiebesparing en reductie van CO2-uitstoot binnen de sector gebouwde omgeving.

Op basis van de Woningwet (artikel 2) is de Minister verantwoordelijk voor het opstellen en het beheer van de bouwregelgeving en is hij stelselverantwoordelijk om hiermee de bouwkwaliteit te borgen door middel van regisseren en doen uitvoeren.

Op basis van de Woningwet (artikel 80a) draagt de Minister zorg voor de bevordering en ondersteuning van stedelijke vernieuwing. Dit geldt met name bij het leefbaar maken en houden van steden en dorpen, bijvoorbeeld aandachtswijken en krimp- en anticipeerregio’s. Belangrijke maatregelen zijn: het aanpassen van belemmerende wet- en regelgeving, advisering, kennisoverdracht, monitoring van resultaten en het aanspreken van medeverantwoordelijke departementen, met het oog op een integrale (gebiedsgerichte) aanpak. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten en vervolgens bij de provincie.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Kamerstukken II, 32 660, nr. 17) is opgenomen dat de nieuwbouwprogrammering grotendeels wordt overgelaten aan provincies en gemeenten. In de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad worden de bestaande verstedelijkingsafspraken onderdeel van de integrale aanpak voor deze gebieden. In de andere regio’s is er geen directe betrokkenheid meer van het Rijk bij de programmering van nieuwbouwwoningen.

C Beleidswijzigingen

In 2015 gaat een regeling van start voor energiebesparing door verenigingen van eigenaren (VvE’s) met een maximale inzet van 35 miljoen euro aan rijksgeld. Hiermee zal de regering ertoe bijdragen dat er een reguliere markt ontstaat voor leningen aan VvE’s voor energiebesparende maatregelen.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 2 Woonomgeving en bouw

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)
   

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen:

119.715

295.648

249.123

120.034

34.671

36.921

32.921

                 

Uitgaven:

38.102

177.168

101.623

41.034

34.671

231.921

232.921

 

Waarvan juridisch verplicht

   

72%

       
                 

2.1

Energie en bouwkwaliteit

16.883

97.799

63.490

19.110

13.467

211.447

212.647

 

Subsidies

12.605

87.625

44.860

9.160

4.000

202.300

203.800

 

Beleidsprogramma Energiebesparing

631

2.500

8.200

8.200

3.200

3.200

3.200

 

Beleidsprogramma bouwregelgeving

1.592

600

600

600

600

600

600

 

Energiebesparing verhuurders

0

600

400

300

200

198.500

200.000

 

Innovatieregelingen gebouwde omgeving

6.905

3.785

360

0

0

0

0

 

Revolverend fonds EGO

0

75.000

35.000

0

0

0

0

 

Tijdelijke regeling blok voor blok

50

140

300

60

0

0

0

 

Tijdelijke stimuleringsregeling energiebesparing

3.427

5.000

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

3.550

10.174

18.630

9.950

9.467

9.147

8.847

 

Beleidsprogramma Energiebesparing

2.531

8.185

16.538

7.857

7.337

7.017

6.717

 

Beleidsprogramma bouwregelgeving

1.019

1.989

2.092

2.093

2.130

2.130

2.130

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

728

0

0

0

0

0

0

 

Beleidsprogramma Energiebesparing

728

0

0

0

0

0

0

                 

2.2

Woningbouwproductie

15.177

17.103

8.920

7.843

7.285

6.555

6.355

 

Subsidies

360

25

200

200

200

200

0

 

Beleidsprogramma woningbouwproductie

360

25

200

200

200

200

0

 

Opdrachten

490

863

863

863

863

863

863

 

Beleidsprogramma woningbouwproductie

490

863

863

863

863

863

863

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

14.327

16.215

7.857

6.780

6.222

5.492

5.492

 

Beleidsprogramma woningbouwproductie (RVO.nl)

14.327

16.215

7.857

6.780

6.222

5.492

5.492

                 

2.3

Kwaliteit woonomgeving

6.042

4.266

13.813

13.681

13.519

13.519

13.519

 

Subsidies

2.543

2.188

0

0

0

0

0

 

Beleidsprogramma woonomgeving e.a.

2.543

2.188

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

1.425

1.778

13.813

13.681

13.519

13.519

13.519

 

Beleidsprogramma woonomgeving e.a.

1.425

1.778

3.813

3.681

3.519

3.519

3.519

 

Wijkverpleegkundigen

0

0

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

 

Bijdragen aan medeoverheden

2.074

300

0

0

0

0

0

 

Beleidsprogramma woonomgeving e.a.

2.074

300

0

0

0

0

0

                 

2.4

Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders

0

58.000

15.400

400

400

400

400

 

Leningen

0

57.800

15.000

0

0

0

0

 

Revolverend Fonds Energiebesparing verhuurders

0

57.800

15.000

0

0

0

0

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

0

200

400

400

400

400

400

 

Uitvoeringskosten Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders

0

200

400

400

400

400

400

                 

Ontvangsten:

2.056

91

91

91

91

91

91

D2 Budgetflexibiliteit

Het uitgavenbudget van artikel 2 is voor 72% juridisch verplicht.

Subsidies

De subsidies op het gebied van energiebesparing zijn deels juridisch verplicht dan wel bestuurlijk gebonden. Het Revolverend Fonds Energiebesparing is voor 100% juridisch verplicht. De subsidies bij het beleidsprogramma Woonomgeving zijn gedeeltelijk juridisch verplicht. Dit betreft ondermeer de subsidie voor het LSA en de integrale aanpak op de BES-eilanden.

Opdrachten

Het merendeel van de budgetten (opdrachten) voor de beleidsprogramma’s Energiebesparing Gebouwde Omgeving, Bouwregelgeving en Woningproductie is juridisch verplicht. Hetzelfde geldt voor de opdrachten voor het beleidsprogramma Woonomgeving.

Bijdragen aan baten-lastendiensten

De bijdragen aan baten-lastendiensten zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft verplichtingen die aangegaan zijn voor de uitvoeringsprogramma’s die de Rijksdienst voor Ondernemend NL uitvoert in opdracht van het Ministerie.

Leningen

De leningen in het kader van het Revolverend Fonds Energiebesparing verhuurders zijn volledig juridisch verplicht.

E Toelichting op de instrumenten
2.1 Energie en bouwkwaliteit

Beleidsprogramma Energiebesparing

In 2015 worden de activiteiten voortgezet ter uitvoering van de afspraken voor energiebesparing in de gebouwde omgeving uit het in 2013 gesloten Energieakkoord voor duurzame groei. Voor extra ondersteuning van gemeenten bij lokale energiebesparing stelt het kabinet voor 2014, 2015 en 2016 jaarlijks € 5 mln. beschikbaar.

Beleidsprogramma bouwregelgeving

Zie toelichting bij opdrachten.

Energiebesparing verhuurders

In 2015 wordt de uitvoering voortgezet van de stimuleringsregeling energieprestatie huursector van € 400 mln. voor investeringen van sociale verhuurders in energiebesparende maatregelen. De subsidies worden uitgekeerd in 2018–2019.

Innovatieregelingen gebouwde omgeving

In 2015 wordt voorzien in de financiële afwikkeling van het programma Energiesprong, waarmee is beoogd de markt voor te bereiden op het realiseren van energieneutrale nieuwbouw en zeer energiezuinige renovatie in woning- en utiliteitsbouw. Kennis en ervaringen die uit het programma voortkomen, worden overgedragen naar de betrokken partijen. Het innovatieprogramma Excellente Gebieden, gericht op zeer energiezuinige nieuwbouw en eveneens ondersteund door het Rijk, is in 2014 geëvalueerd en wordt afgerond in 2015.

Revolverend fonds energiebesparing (EGO)

Het kabinet geeft op het gebied van de financiering van energiebesparende maatregelen een impuls met revolverend fondsen voor energiebesparing van woningen (Kamerstukken II, 30 196, 2013–2014, nr. 223). In januari 2014 is een fonds voor eigenaren-bewoners gestart in de vorm van het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF) met een rijksbijdrage van € 75 mln. Met dit bedrag plus de bijdrage vanuit de markt komt er in totaal € 300 mln beschikbaar voor leningen voor eigenaren-bewoners. In 2014 is ook de start voorzien van een fonds voor verhuurders, met een rijksbijdrage van € 75 mln. De middelen van dit fonds worden verantwoord onder artikelonderdeel 2.4 Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders. In 2015 is tot slot een impuls van € 35 mln. voorzien voor energiebesparing door Verenigingen van Eigenaren. Daarmee bedraagt de totale rijksbijdrage € 185 mln. Een algemene uiteenzetting van de revolverende fondsen is opgenomen in Kamerstukken II, 30 196, nr. 249.

Tijdelijke regeling en green deals Blok voor blok

In 2015 eindigt de Tijdelijke regeling Blok voor blok, ingezet voor een kennis- en leertraject voor grootschalige energiebesparing in bestaande woningen op basis van veertien projecten, uitgevoerd door lokale en regionale partijen. Het programma Blok voor blok is in 2014 geëvalueerd in samenhang met de resultaten uit de programma’s Energiesprong en Gebieden Energieneutraal. (Kamerstukken II, 30 196, 2013–2014, nr. 249). Deze drie programma’s hebben een sterke impuls gegeven aan energiebesparing in de gebouwde omgeving. In het Energieakkoord voor duurzame groei is overeengekomen om deze impuls verder uit te bouwen en te versterken.

Opdrachten

Beleidsprogramma Energiebesparing

In 2015 worden de activiteiten voortgezet ter uitvoering van de afspraken voor energiebesparing in de gebouwde omgeving uit het Energieakkoord voor duurzame groei van 2013. Voor de uitrol van een indicatief energielabel is in 2014 en 2015 respectievelijk € 9,3 mln. en € 5,7 mln. beschikbaar. Begin 2015 zal het Rijk alle woningeigenaren die nog geen energielabel hebben een indicatief energielabel verstrekken dat via een webtool omgezet kan worden in een energielabel op basis van de Europese herziene EPBD-richtlijn.

Beleidsprogramma bouwregelgeving

De Minister is verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel van bouwregelgeving op grond van de Woningwet, in afstemming met de Europese regelgeving en normen. Dit stelsel wordt onder andere ondersteund met een aantal vaste jaarlijkse bijdragen aan NEN (Nederlands Normalisatie Instituut), Stichting Bouwkwaliteit (SBK), Helpdesk bouwregelgeving en de Adviescommissie toepassing brandveiligheidsvoorschriften.

In 2015 zal de uitvoering van de kerntaak «het wettelijk waarborgen van een maatschappelijk noodzakelijk minimum kwaliteitsniveau van bouwwerken» worden voortgezet op basis van een herziening van het Bouwbesluit 2012. Met betrekking tot de bouwregelgeving wordt in 2015 verder gewerkt aan ondermeer de herziening van het omgevingsrecht, minder eisen voor particulier opdrachtgeverschap en verbetering van de gemeentelijke toezichtinstrumenten. Daarnaast wordt gewerkt aan het verder in procedure brengen van een wetsvoorstel waarmee private instrumenten voor kwaliteitsborging een rol kunnen krijgen in het publieke stelsel in plaats van de gemeentelijke preventieve toets op de bouwtechnische aspecten van een gebouw en het toezicht tijdens de bouw hierop. Begin 2015 zal hiertoe een wetsvoorstel worden voorgelegd aan de Tweede Kamer, zodat de wet in 2015 in werking kan treden. Daarnaast wordt gewerkt aan het, waar mogelijk, versterken van de vraaggerichtheid in de bouwsector en van de positie van de bouwconsument. Waar noodzakelijk zal het wetsvoorstel over private instrumenten voor kwaliteitsborging in de bouw ook hier betrekking op hebben.

2.2. Woningbouwproductie

Opdrachten

Beleidsprogramma woningbouwproductie

Ook in 2015 wordt de woningproductie gestimuleerd door kennisoverdracht en andere vormen van ondersteuning, bijvoorbeeld door directe betrokkenheid van het Rijk bij verstedelijkingskeuzes en de programmering van nieuwbouwwoningen in de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Vernieuwing in de bouwsector zal gestimuleerd blijven worden en waar mogelijk zullen knelpunten in de relevante wet- en regelgeving worden weggenomen, zoals aangegeven in de brief van 27 november 2013: «Aanpak van knelpunten in het omgevingsrecht ten behoeve van de bouwpraktijk»» (Kamerstukken II, 33 118, nr. 10). Daartoe wordt een in samenwerking met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) breed expertteam opgezet om gemeenten te ondersteunen bij het verminderen van (lokale) regeldruk voor ondernemers. Lopende initiatieven als het Watertorenberaad en het Actieteam Ontslakken worden hierin opgenomen. Het streven is dit expertteam begin 2015 operationeel te hebben.

Eigenbouw («particulier opdrachtgeverschap») is een factor van toenemend belang. Eigenbouw valt goed te combineren met kleinschaligheid, omdat er geen grote voorinvesteringen hoeven te worden gedaan. Dit wordt door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ook in 2015 nadrukkelijk ondersteund door middel van het Expertteam Eigenbouw, dat gemeenten helpt bij het starten van projecten voor particulier opdrachtgeverschap in de woningbouw.

Om kantorenleegstand tegen te gaan door de ombouw naar permanente of tijdelijke woonruimte te bevorderen is in 2012 het Expertteam (kantoor-)Transformatie opgericht.

Het Expertteam heeft haar werkterrein inmiddels verruimd naar overig (maatschappelijk) vastgoed en gebiedsontwikkeling met nadruk op herbestemmen en transformatie en ondersteunt ook in 2015 gemeenten, eigenaren en overige betrokkenen bij het concreet in gang zetten van de transformatie van leegstaand vastgoed naar woonruimte. Daarnaast wordt samengewerkt met het Rijksvastgoed bedrijf (RVB) om vrijkomende rijkskantoren te herbestemmen.

In het kader van stedelijke vernieuwing zal het Rijk bijdragen om de voorwaarden te scheppen die nodig zijn voor lokale actoren – de gemeenten voorop – om de fysieke ingrepen te realiseren die binnen de lokale context nodig zijn voor een toekomstbestendige ontwikkeling van leefbare, vitale steden. Specifieke aandacht gaat daarbij uit naar de (goedkopere) particuliere woningvoorraad en in het bijzonder het functioneren van de Vereniging van Eigenaren (VvE’s) alsmede het ondersteunen van oplossingen voor funderingsherstel. In de op 12 juni 2014 verzonden brief over VvE’s (Kamerstukken II, 27 926, 2013–2014, nr. 226) is aangegeven welke acties hiervan door het Rijk en de verantwoordelijke partijen zullen worden ondernomen. De genoemde aanpassingen in de wet- en regelgeving zullen in 2015 aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

Samen met het Ministerie van I&M wordt verder gewerkt aan een wettelijke regeling voor Stedelijk herverkaveling in het kader van de Omgevingswet. Stedelijke herverkaveling betreft het slim ruilen van grondbezit tussen private partijen om woningbouw in stedelijk gebied mogelijk te maken. Rond de jaarwisseling 2014/2015 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over het onderzoek naar de financiële posities van grondbedrijven bij gemeenten. Daarnaast zal als uitvloeisel van de Tijdelijke Commissie Huizenprijzen (Kamerstukken II, 33 192, 2012–1013, nr. 12) onderzoek worden gedaan naar de effecten van zelfrealisatie.

Overeenkomstig de aanbeveling van de Tijdelijke Commissie Huizenprijzen (Kamerstukken II, 33 194, 2012–2013) en de reactie van het kabinet (Kamerstukken II, 33 194, 2013–2014) daarop, wordt jaarlijks met de Tweede Kamer gedebatteerd over de situatie op de woningmarkt en de ontwikkeling van de huizenprijzen en de daarop van invloed zijnde factoren. Daartoe ontvangt de Tweede Kamer jaarlijks, voorafgaand aan de begrotingsbehandeling, een overzicht van de voor de ontwikkelingen op de woningmarkt relevante indicatoren.

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

Beleidsprogramma woningbouw (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland)

De op dit instrument opgenomen middelen zijn bestemd voor de activiteiten die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.NL, voorheen Agentschap NL) in opdracht van het Ministerie van BZK uitvoert op het gebied van energiebesparing in de gebouwde omgeving, woningbouw en kwaliteit van de woon- en leefomgeving.

2.3 Kwaliteit woonomgeving

Subsidies

Beleidsprogramma woonomgeving

Het Landelijke Samenwerkingsverband Actieve bewoners (LSA) ontvangt in 2015 een subsidie voor het bevorderen van bewonersparticipatie. Daarnaast ontvangt het LSA subsidie om te experimenteren met het opzetten van wijkondernemingen in verschillende gemeenten. Deze ondernemingen voor en door bewoners richten zich op dienstverlening in de wijk of de regio. Ook de Landelijke Vereniging van Kleine Kernen (LVKK) ontvangt in 2015 subsidie. Hieruit worden ondermeer het Plattelandsparlement bekostigd, evenals diverse projecten gericht op het betrekken van burgers bij hun directe leefomgeving.

Opdrachten

Beleidsprogramma woonomgeving

Aanpak overlast

Over bestaand en nieuw wettelijk instrumentarium om overlast tegen te gaan wordt een kennis- en leertraject opgezet, onder andere in samenwerking met de VNG. Daarnaast worden de mogelijkheden voor een wijziging van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp) in 2015 bezien, waardoor gemeenten woningzoekenden voor vestiging kunnen screenen op overlastgevend en crimineel gedrag.

In 2015 wordt het experiment voor veiligheid en de aanpak van ondermijnende criminaliteit voortgezet. In 2013 is gestart met een leergroep en onderzoek in vier steden, deze wordt in 2015 uitgebreid met drie andere steden. Verder is het Ministerie van BZK partner in het Nationaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ) dat zich richt op wonen, werk en scholing. Het Rijk ondersteunt het NPRZ vanwege de grootschalige problematiek en ambities op fysiek en sociaal terrein en ondersteunt onder andere door het aanpassen van wet- en regelgeving.

Huisvesting aandachtsgroepen

Op het terrein van de huisvesting van studenten wordt uitvoering gegeven aan de doelstellingen van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting (LAS 2011–2016). Vanuit het Rijk wordt kennis en expertise landelijk gedeeld en knelpunten in wet- en regelgeving aangepakt en opgelost.

Het Rijk ondersteunt met de uitvoering van de Transitieagenda «Langer zelfstandig wonen» (mei 2014) de beweging dat ouderen langer zelfstandig willen wonen, met regie over eigen leven. De regionale en lokale opgave vragen om maatwerk, gezien de grote verschillen tussen de regio’s. Daarnaast is het Ministerie van BZK samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) verantwoordelijk voor het kennis- en experimentenprogramma Wonen en Zorg. Dit wordt uitgevoerd door Platform 31, Movisie en Kenniscentrum Wonen en Zorg van Aedes/Actiz.

Vanuit het programma Flexwonen en de Nationale Verklaring ondersteunt het Ministerie van BZK gemeenten, werkgevers en huisvesters bij de totstandkoming van meer en betere huisvesting in negen regio’s voor arbeidsmigranten. Doordat er voor arbeidsmigranten een groot tekort is aan tijdelijke huisvesting, leven zij vaak onder omstandigheden die niet aan wet- en regelgeving voldoen.

Leefbaarheid in de woonomgeving

In 2015 worden experimenten die de positie van de burgers versterken voortgezet. Het doel is ruimte te bieden aan maatschappelijke initiatieven die de leefbaarheid vergroten en meer maatschappelijk rendement op leefbaarheid te bereiken. Hierbij worden gemeenten, maatschappelijke organisaties en initiatiefnemers ondersteund en knellende wet- en regelgeving wordt aangepakt en opgelost. Ook wordt er geëxperimenteerd met open data en de Buurtwet, die burgers juridisch een positie geeft. Het Convenant met de filantropische sector wordt voortgezet en er wordt gezocht naar nieuwe financieringswijzen zoals Social Impact Bonds.

In overleg met steden, provincies, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties, burgers en bedrijven neemt het Rijk het initiatief tot het opstellen van een Agenda Stad. In vitale coalities wordt gewerkt aan de maatschappelijke opgaven en uitdagingen in het fysieke, sociale, ruimtelijke, economische en bestuurlijke domein in stedelijke regio’s.

Programma Bevolkingsdaling

Gemeenten, provincies, maatschappelijke organisaties, burgers en bedrijven zijn primair verantwoordelijk voor het oplossen van knelpunten als gevolg van bevolkingsdaling, vergrijzing en ontgroening. In 2015 ondersteunt het Ministerie van BZK de krimp- en anticipeerregio’s bij het opstellen van regionale uitvoeringsprogramma’s. Hiervoor worden verschillende instrumenten aangedragen, zoals de transitieatlas, experimenten en de Demowijzer. Het Rijk neemt, waar mogelijk, knelpunten in wet- en regelgeving weg.

Begin 2015 vindt een actualisatie van het interbestuurlijk actieprogramma plaats, waarbij wordt voortgebouwd op de conclusies van de beleidsdoorlichting en de midterm-review, evenals op de visie op regionale ontwikkeling waar in de motie Barth (EK 2013–2014 nr. 33 750) om is gevraagd.

Wijkverpleegkundigen

Voor van meer inzet van wijkverpleegkundigen in de aandachtswijken is in 2009 ter uitvoering van de motie Hamer (Kamerstukken II, 31 700, 2008–2009, nr. 15) structureel € 10 mln. per jaar beschikbaar gesteld binnen het programma Zichtbare Schakel (ZS). Doordat vanaf 1 januari 2015 de inzet van wijkverpleging (zowel de zorgtaken als de coördinerende en regisserende taken) is opgenomen in de Zorgverzekeringswet (Zvw), is er besloten de € 10 mln. voor 2015 te bundelen met de financiële middelen voor het stimuleringsprogramma Gezond in de Stad (GIDS). Beide projecten zijn gestart met de intentie om gemeenten te stimuleren de sociaaleconomische gezondheidsverschillen in (probleem)wijken aan te pakken. Bij ZS stond daarbij de rol van de wijkverpleegkundige centraal; bij GIDS is dit breder opgezet en wordt er gekeken naar hoe een verbinding gemaakt kan worden tussen gemeentelijke voorzieningen en eerstelijnszorg. GIDS richt zich op wijken met een lage statusscore volgens het SCP.

2.4 Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders

Leningen

Revolverend Fonds Energiebesparing verhuurders

Het Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders biedt laagrentende leningen voor het uitvoeren van renovaties aan woningen in de huursector (onder en boven de liberalisatiegrens) met een zeer hoge energiebesparingsambitie. Een voorbeeld hiervan zijn de zogenaamde «nul op de meter» woningen. Door in te zetten op ambitieuze projecten steunt het kabinet bouwers en installateurs bij de innovatie van hun producten en processen. Conform het in februari 2013 gesloten woonakkoord, kan voor maximaal 25% van de totale projectkosten een lening worden aangevraagd bij het fonds. Voor het overige gedeelte moet private financiering worden gevonden. Het streven is het fonds in het najaar van 2014 open te stellen voor aanvragen.

Tot en met 2015 is in totaal, inclusief uitvoeringskosten, € 75 mln. beschikbaar voor het fonds. Deze middelen kennen een revolverend karakter. De terugontvangsten (aflossingen en rente) worden niet geraamd, maar vloeien jaarlijks na realisatie terug in het fonds. Hierdoor komt ook na 2015 budget beschikbaar voor het uitzetten van nieuwe leningen.

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

Beleidsprogramma Energiebesparing

Betreft de uitvoeringskosten voor het Revolverend Fonds Energiebesparing verhuurders. De uitvoering is in handen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO.nl). De uitvoeringskosten worden doorberekend in de rente-opslag bij de te verstrekken leningen. Daarmee worden de uitvoeringskosten, afhankelijk van het verloop van het fonds, op termijn «terugverdiend» binnen de beleidsmiddelen.

Artikel 3. Kwaliteit Rijksdienst

A Algemene doelstelling

Een goed presterende rijksoverheid op het gebied van bedrijfsvoering en het bevorderen van de kwaliteit van het management van de Rijksdienst.

B Rol en verantwoordelijkheid

Voor een optimale beleidsvoorbereiding en -uitvoering moet de interne beheersing en sturing van de bedrijfsprocessen in rijksbreed verband op orde zijn. Deze bedrijfsprocessen moeten naast dienstbaar aan het beleid, ook effectief en doelmatig zijn. Daarvoor zijn heldere kaders nodig. De Minister voor Wonen en Rijksdienst regisseert, in samenwerking met de andere ministeries, de totstandkoming van deze kaders en brengt daarin meer samenhang, met als doel een beter bestuurbare en meer efficiënte bedrijfsvoering binnen de Rijksdienst.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst is verantwoordelijk voor de primaire arbeidsvoorwaarden van het Rijk. Daarnaast is de Minister eerstverantwoordelijke voor het rijksbrede beleid van de rijksbrede kaders op de terreinen: personeel, ICT, organisatie, huisvesting, inkoop, facilitaire dienstverlening en beveiliging. Binnen die kaders zijn de afzonderlijke ministeries zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst maakt werk van een kostenbewuste, dienstverlenende en slagvaardige overheid. Om invulling te geven aan het kostenbewustzijn hebben de ministeries een taakstelling op hun uitgaven voor materieel en personeel gekregen. De Minister toetst de intensiveringen op deze uitgaven om zo invulling te geven aan zijn verantwoordelijkheid voor beheersing hiervan.

Bureau ABD ondersteunt de departementen bij de kabinetsopdracht om in 2017 ten minste 30% vrouwen vertegenwoordigd te hebben binnen de ABD. Daarnaast verleent het bureau diensten aan nieuwe doelgroepen, zoals publiekrechtelijke ZBO’s en gemeenten (G4) en wordt verder vormgegeven aan de structurele uitwisseling met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ook verzorgt Bureau ABD enkele HR-diensten aan de kabinetsleden, waaronder de salarisadministratie.

Bovendien is de Minister voor Wonen en Rijksdienst werkgever voor de circa 70 managers op het hoogste niveau, daar waar het gaat om benoeming, arbeidsvoorwaarden en ontslag.

C Beleidswijzigingen

Op 22 mei 2013 is de Hervormingsagenda Rijksdienst aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 31 490 nr. 119). In de beleidsagenda zijn de belangrijkste punten uit de Hervormingsagenda Rijksdienst opgenomen.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 3 Kwaliteit Rijksdienst

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)
   

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen:

18.880

28.339

18.333

17.992

17.707

17.465

17.465

                 

Uitgaven:

20.959

28.339

18.333

17.992

17.707

17.465

17.465

 

Waarvan juridisch verplicht

   

60%

       
                 

3.1

Kwaliteit Rijksdienst

20.959

28.339

18.333

17.992

17.707

17.465

17.465

 

Subsidies

3.698

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

 

Fysieke Werkomgeving Rijk

298

0

0

0

0

0

0

 

Subsidie A&O-fonds

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

 

Opdrachten

9.108

11.498

8.920

8.837

8.902

8.789

8.789

 

Bedrijfsvoering Rijk

9.108

11.498

8.920

8.837

8.902

8.789

8.789

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

8.153

13.441

6.013

5.755

5.405

5.276

5.276

 

Arbeidsmarkt Communicatie

5.653

6.213

6.013

5.755

5.405

5.276

5.276

 

Bijdrage

0

7.228

0

0

0

0

0

 

Eigenaarsbijdrage

2.500

0

0

0

0

0

0

                 

Ontvangsten:

828

7.320

0

0

0

0

0

D2 Budgetflexibiliteit

Het uitgavenbudget van artikel 3 is voor 60% juridisch verplicht.

Dit is onder meer de subsidie aan het A&O fonds en de bijdrage voor Arbeidsmarkt Communicatie. Nog niet verplichte uitgaven bij de opdrachten bedrijfsvoering Rijk zijn beleidsmatig bestemd voor de rijksbrede bedrijfsvoering en de uitvoering van de Hervormingsagenda Rijksdienst in het bijzonder en worden gedurende het jaar hiervoor aangewend.

E Toelichting op de instrumenten
3.1 Kwaliteit Rijksdienst

Subsidies

Arbeidsmarkt- en opleidingenfonds (A&O-fonds)

De Minister voor Wonen en Rijksdienst verstrekt in 2015 een subsidie aan het A&O-fonds Rijk. Deze subsidie is onderdeel van de CAO-afspraken. Het fonds zet de subsidie in voor arbeidsmarktprojecten (zoals het project gezondheid en inzetbaarheid) binnen het Rijk die het bestuur van het A&O-fonds goedkeurt. Jaarlijks wordt hiervoor een beleidsplan gemaakt.

Opdrachten

Bedrijfsvoering Rijk

Om de kwaliteit van de Rijksdienst te verbeteren wordt in 2015 op het terrein van organisatie en personeel verder gewerkt aan het realiseren van in-, door- en uitstroom van rijksambtenaren. Het Van Werk Naar Werk (VWNW) beleid, vastgelegd in het akkoord afgesloten door de Minister voor Wonen en Rijksdienst en vakbonden van rijksambtenaren, vormt hierbij een belangrijke factor. Dit akkoord geldt tot 1 januari 2016. In 2015 zal, op basis van een evaluatie, met de bonden overlegd worden over eventuele bijstelling van dit akkoord. Bij de instroom van ambtenaren gaat specifiek aandacht uit naar het aantrekken en behoud van medewerkers met een arbeidsbeperking. Daarnaast wordt gewerkt aan de verdere flexibilisering van de rijksdienst om tijdig in te kunnen spelen op wijzigingen in het takenpakket (werken met pools, carrousels, variabele arbeidsrelaties).

Op het gebied van ICT wordt verder gewerkt aan de afronding van de ambities uit de I-strategie Rijk (Kamerstukken II, 26 643, nr. 216), te weten een meer samenhangende I-infrastructuur, een platform voor tijd-, plaats- en apparaatonafhankelijk werken en de beheersing van grote ICT-projecten. Het masterplan ICT-personeel wordt in 2015 uitgevoerd om gekwalificeerd en flexibel inzetbaar ICT-personeel te behouden voor de Rijksdienst. Extra aandacht zal besteed worden aan IT-security. Naast verscherpte aandacht voor de implementatie van de bestaande Baseline Informatiebeveiliging Rijk, zal een nieuwe versie van de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst (BIR) worden opgeleverd. Deze zal worden gebaseerd op de vernieuwde ISO-norm 27001/2 en de nieuwe richtsnoeren van het CBP. De nieuwe BIR wordt afgestemd met de Baseline Informatiebeveiliging Gemeenten.

De nieuwe generatie van de Digitale werkomgeving voor de Rijksdienst wordt fasegewijs geoperationaliseerd. Daarnaast wordt in 2015 migratie en sluiting van de oude datacenters naar de nieuwe (Rijks)Overheidsdatacenters verder uitgevoerd. Verder wordt de samenwerking op hosting en applicatierationalisatie gestart. De deelname van ZBO’s aan de datacentervoorziening Rijk wordt in gang gezet. Deze samenhangende datacentervoorziening zal in combinatie met een netwerkvoorziening voor het Rijk de basis gaan vormen voor de gesloten rijkscloud.

Op het gebied van inkoop streeft het Rijk met een compacte inkooporganisatie naar professioneel en verantwoord inkopen. De in 2014 gestarte inkooporganisaties (IUC’s) gaan daartoe in 2015 verder met het implementeren en doorontwikkelen van een effectieve en efficiënte inkoopdienstverlening voor de gebruikers bij de departementen. Op basis van haalbaarheidstudies voor de nieuwe inkoopcategorieën is besloten om in totaal voor 35 inkoopcategorieën daadwerkelijk rijksbreed categoriemanagement te gaan voeren. Randvoorwaarde voor een efficiënt inkoop- en aanbestedingsproces is verdergaande digitalisering. Het Rijk wil voor al zijn leveranciers een goede opdrachtgever zijn en wil daarbij bedrijven uitdagen het beste uit zichzelf te halen en te innoveren. Daarnaast maken milieucriteria, sociale voorwaarden en social return integraal onderdeel uit van de rijksbrede inkooppraktijk.

Onderzoek – in termen van scenario’s – zal worden gestart om te kunnen bepalen hoe de behoefte naar kantoorhuisvesting voor het Rijk zich op de lange termijn op hoofdlijnen kan gaan ontwikkelen qua volume, locatie en benodigde mate van flexibiliteit. Hierbij wordt gekeken naar de vraag voor rijkshuisvesting op lange termijn en wordt rekening gehouden met de implementatie van het nieuwe werken en de grenzen daarvan.

De rijksbrede kengetallen over de bedrijfsvoering staan vermeld in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (Kamerstukken II, 31 490, 2013, nr. 145).

Bijdragen aan agentschappen

Arbeidsmarkt Communicatie

Het Expertisecentrum Organisatie & Personeel (EC O&P) van Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk voert de rijksbrede arbeidsmarktcommunicatie uit. Daarnaast doen ze het functioneel beheer van de carrièresites overheid (CSO platform) en de regie over het technisch- en applicatiebeheer.

Artikel 6. Uitvoering rijksvastgoedbeleid

A Algemene doelstelling

Uitvoering geven aan rijksvastgoedbeleid door:

  • het verzorgen van de rijkshuisvesting van Hoge Colleges van Staat, het Ministerie van Algemene Zaken en het Koninklijk Huis, het beheren van monumenten die, naar hun aard, niet geschikt zijn voor rijkshuisvesting en het uitvoeren van het rijkshuisvestingsbeleid.

  • het realiseren van een optimaal financieel resultaat bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en vervreemden van materiële activa van/voor het Rijk voor de realisatie van rijksdoelstellingen.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister voor Wonen en Rijksdienst is op basis van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999 (KB), als opdrachtgever en uitvoerder verantwoordelijk voor:

  • de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken.

  • de huisvesting van het Koninklijk Huis, voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat.

  • het beheer en onderhoud van de monumenten die aan de Rijksgebouwendienst zijn toevertrouwd en die naar hun aard niet geschikt zijn voor de huisvesting van rijksdiensten.

  • de doelmatige uitvoeringspraktijk van de rijkshuisvesting binnen de wettelijke en afgesproken kaders.

Daarnaast is de Minister voor Wonen en Rijksdienst als uitvoerder op het terrein van rijksvastgoed verantwoordelijk voor:

  • het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover de verantwoordelijkheid voor dat beheer niet bij of krachtens de wet bij een of meer andere Ministers is gelegd.

  • de coördinatie van de samenwerking en afstemming tussen de diensten die onderdeel vormen van het rijksvastgoedstelsel, zowel in de regio als landelijk (regiefunctie). Ter bevordering van de samenwerking en afstemming tussen de diensten fungeert de Raad voor Vastgoed Rijksoverheid (RVR). Ter bevordering van de samenwerking en afstemming tussen de departementen ten aanzien van rijksvastgoed fungeert de Interdepartementale Commissie Rijksvastgoed (ICRV). De Minister draagt zorg voor de ondersteuning van de RVR en de ICRV en is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de rijks(brede) vastgoedportefeuillestrategie, die de ministerraad jaarlijks vaststelt.

  • de vertegenwoordiging namens het Rijk bij gebiedsontwikkelingsprojecten waarbij meervoudige rijksdoelstellingen aanwezig zijn. Ook hierbij wordt gestreefd naar een optimale inzet van (overtollige) rijksactiva en/of financiële bijdragen van het Rijk.

Verantwoordelijkheden overtollig vastgoed

De Minister voor Wonen en Rijksdienst verzorgt de ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) onroerende zaken van andere Ministeries. Voor zover er op basis van de huidige begrotingsregels van het kabinet sprake is van een generieke middelenafspraak met een Minister, wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door de betreffende Minister begroot en verantwoord op de eigen begroting.

Met ingang van 1 juli 2014 neemt het Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf overtollig vastgoed van andere departementen over tegen betaling vooraf. De (netto-)opbrengst uit verkoop van dit vastgoed aan derden wordt begroot en verantwoord in de agentschapsbegroting en agentschapsjaarrekening. Vastgoed dat voor 1 juli 2014 overtollig is gesteld, wordt nog volledig begroot en verantwoord door de betreffende Minister.

C Beleidswijzigingen

In 2015 zijn geen beleidswijzigingen gepland.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 6 Uitvoering Rijksvastgoedbeleid

Budgettaire gevolgen van beleid (bedragen x € 1.000)
   

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen:

0

154.884

147.690

146.399

143.456

142.733

142.341

                 

Uitgaven:

0

154.884

147.690

146.399

143.456

142.733

142.341

 

Waarvan juridisch verplicht

   

77%

       
                 

6.1

Een doelmatige uitvoeringspraktijk van de Rijkshuisvesting

0

58.473

56.611

56.858

55.229

55.101

54.966

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

0

58.473

56.611

56.858

55.229

55.101

54.966

 

Bijdrage aan Rgd voor huisv Koninklijk Huis, HoCoSta’s en AZ

0

37.905

37.761

37.296

38.699

38.571

38.871

 

Bijdrage aan Rgd voor monumenten

0

10.565

10.196

10.196

10.196

10.196

10.196

 

Bijdrage aan Rgd voor rijkshuisvesting

0

10.003

8.654

9.366

6.334

6.334

5.899

                 

6.2

Beheer materiele activa

0

96.411

91.079

89.541

88.227

87.632

87.375

 

Opdrachten

0

12.679

11.179

11.179

11.179

11.179

10.979

 

Beheer en plankosten

0

12.679

11.179

11.179

11.179

11.179

10.979

 

Bekostiging

0

59.674

59.585

59.073

59.048

58.999

58.942

 

Zakelijke lasten

0

59.674

59.585

59.073

59.048

58.999

58.942

 

Bijdragen aan baten-lastenagentschappen

0

24.058

20.315

19.289

18.000

17.454

17.454

 

Bijdrage RVOB

0

24.058

20.315

19.289

18.000

17.454

17.454

                 

Ontvangsten:

0

121.811

120.241

118.641

138.241

138.241

138.241

D2 Budgetflexibiliteit

Het uitgavenbudget van artikel 6 is voor 77% juridische verplicht.

De middelen voor het huisvesten van het Koninklijk huis, de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken zijn grotendeels belegd met vergoedingen voor lopende projecten waarover met de gebruikers afspraken zijn gemaakt. Het restant wordt als beleidsmatig gebonden beschouwd, omdat hiermee kleinere investeringen in de huisvesting worden gerealiseerd.

De middelen voor monumenten worden, voor zover ze niet juridisch zijn verplicht als beleidsmatig gebonden beschouwd, gezien de zorg die de Rijksgebouwendienst heeft voor deze monumenten. De middelen voor rijkshuisvesting worden, voor zover ze niet juridisch zijn verplicht, als beleidsmatig gebonden beschouwd. Dit is met name van belang voor de middelen voor de uitvoering van het programma FCIB (Functioneel Controleren, Inregelen en Beproeven), die door de betrokken departementen zijn overgeboekt naar dit artikel.

De middelen voor Beheer Materieel Activa Opdrachten in 2015 bedragen € 91,1 mln. Hiervan is 65% juridisch verplicht. Het gaat om betaling van zakelijke lasten aan lagere overheden. De juridische verplichting tot betaling van deze lasten berust op lokale belastingwetgeving.

Het niet-juridische verplichte deel van de totale uitgaven bedraagt in 2015 € 31,5 mln. Hiervan is € 11,2 mln. noodzakelijk voor de onderhoud en instandhouding van onroerende zaken van de Staat. Het restant ad € 20,3 mln. behelst de bijdrage van het moederdepartement aan het baten-lastenagentschap RVOB.

E Toelichting op de instrumenten
6.1 Doelmatige uitvoeringspraktijk van de Rijkshuisvesting

Bijdrage aan baten-lastendiensten

Bijdrage aan Rgd voor huisvesting Koninklijk Huis, HoCoSta’s en AZ

Deze bijdragen zijn bedoeld voor betalingen aan de Rijksgebouwendienst om de kosten te dekken van huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken. Voor het Koninklijk Huis betreft het de drie staatspaleizen: Paleis Noordeinde, het Koninklijk Paleis Amsterdam en Paleis Huis ten Bosch. In verband met de aankomende verhuizing van de Koning wordt dit jaar de renovatie van het paleis Huis ten Bosch ter hand genomen (zie voor meer informatie de agentschapparagraaf Rijksgebouwendienst). De investeringskosten voor een renovatie van een dergelijk monumentaal object liggen in de ordegrootte van € 4.000/5.000 per m2 BVO. In 2015 wordt ook het project «renovatie restauratieve en facilitaire ruimten Paleis Noordeinde» opgeleverd. Hiervoor zal aan het Rijksvastgoedbedrijf een gebruiksvergoeding van ca. € 0,6 mln. per jaar worden betaald.

Bovenstaande rijkshuisvesting valt buiten het huur-verhuurstelsel van het Rijk. Daarom worden de uitgaven niet op de begroting van de organisaties zelf, maar op de begroting van Wonen en Rijksdienst verantwoord.

Bijdrage aan Rgd voor monumenten

Er wordt bijgedragen aan de Rijksgebouwendienst voor het beheer en onderhoud van monumenten in bezit van de dienst. Dit betreft monumenten die naar hun aard niet geschikt zijn voor huisvesting van rijksdiensten. De Rijksgebouwendienst zet zich in voor het bevorderen van de gebruiksmogelijkheden en verhuurbaarheid van de monumenten.

Beoogde prestaties voor 2015 zijn:

Tabel gebruiksgraad monumenten

Kengetal

Basiswaarde

Peildatum

Streefwaarde

Periode

Gebruiksgraad monumenten zonder huisvestingsfunctie per jaarultimo

95%

2009

95%

2015

Bron: W&R/Rgd administraties: monumentencatalogus en contractadministratie.

Toelichting

Een deel van de monumenten zonder huisvestingsfunctie is naar hun aard niet geschikt voor gebruik, zoals gedenknaalden of grafmonumenten. Deze objecten zijn buiten de berekening van de gebruiksgraad gehouden.

Bijdrage aan Rgd voor rijkshuisvesting

De Rijksgebouwendienst draagt bij aan de realisatie van rijksdoelstellingen door te werken aan energiebesparing in de rijkshuisvesting, de duurzaamheid van de gebouwenvoorraad van het Rijk te verbeteren; de doelmatige werking van het rijkshuisvestingstelsel te bevorderen. En ook door bij te dragen aan de totstandkoming van de rijkswerkplek en uitvoering te geven aan professioneel publiek opdrachtgeverschap in de bouw. Dit gebeurt door middel van zorgvuldig en transparant aanbesteden, de coördinatie van publieke aanbestedende diensten en afstemming met de markt. En ook door werkzaamheden van de Rijksbouwmeester voor de bevordering en bewaking van de kwaliteit van de architectuur, voor de stedenbouwkundige inpassing en van de beeldende kunst. Dit komt tot uiting bij het tot stand brengen, het wijzigen en het beheren van gebouwen, werken en terreinen waarover de zorg van de Rijksgebouwendienst zich uitstrekt.

In 2015 worden de maatregelen voor Energiebesparing in het kader van FCIB (het Functioneel Controleren, Inregelen en Beproeven van klimaatinstallaties) voor tranche 2 (objecten met een publieksfunctie, zoals musea en gerechtsgebouwen) en tranche 3 (objecten met een (rijks)kantoorfunctie) afgerond. Met FCIB worden klimaatinstallaties in gebouwen zodanig ingeregeld, dat een optimaal thermisch comfort wordt bereikt bij een minimale verstoring van het bedrijfsproces en een zo laag mogelijk energieverbruik.

6.2 Beheer materiële activa opdrachten

Opdrachten

Beheer en plankosten (niet-rijkshuisvesting)

Het gaat hierbij om uitgaven voor onderhoud en beheer van de onroerende zaken. Beheerkosten zijn (externe) kosten in verband met ingebruikgeving en vervreemding, bijvoorbeeld energie-, beveiligings- en taxatiekosten.

Bekostiging

Zakelijke lasten

Het gaat hier om de betaling van door gemeenten en waterschappen opgelegde belastingen en heffingen op onroerende zaken in eigendom bij de Staat. Gedacht moet worden aan de onroerendzaakbelasting, waterschapsheffingen en rioolheffingen bij de onroerende zaken van de Staat. De uitgaven bestaan voor 80% uit gemeentelasten en voor 20% uit waterschapslasten.

Bijdragen aan baten-lastenagentschap

Bijdrage RVOB

Het betreft de bijdrage aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf voor de uitvoering van het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken die de Staat toebehoren en het vertegenwoordigen van het Rijk bij bepaalde gebiedsontwikkelingsprojecten. De uitvoering van het (privaatrechtelijk) beheer houdt hoofdzakelijk in: het verwerven, beheren, ontwikkelen en vervreemden van onroerende zaken. De diverse taakstellingen van de kabinetten Rutte I en Rutte II zijn in de bijdragen verwerkt.

Ontvangsten

Zakelijke lasten

Het merendeel van de ontvangsten betreft de vergoeding die het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf ontvangt vanuit de gebruiksvergoeding in het rijkshuisvestingsstelsel voor het betaalde eigenarendeel van de onroerendezaakbelasting. Daarnaast gaat het om terugbetalingen door de huurders van door het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf betaalde gebruikerslasten.

Ingebruikgevingen

Het gaat hierbij om de ingebruikgeving (verhuring) van de onroerende zaken van de Staat voor zover er voor de opbrengst uit ingebruikgeving geen middelenafspraak bestaat.

Het gaat hierbij om inkomsten uit verpachting, huur en verhuur jachtgenot.

Verkoop bodemmaterialen

Hieronder vallen de ontvangsten uit de verkoop van bodemmaterialen zoals zand.

Vervreemding

Het gaat hierbij om de vervreemding van de onroerende zaken van de Staat, voor zover voor de opbrengst uit vervreemding geen middelenafspraak bestaat.

Het betreft de inkomsten uit met name vervreemding van agrarische onroerende zaken en om vervreemding van overige onroerende zaken.

Veiling huurrechten benzinestations

Het betreft de ontvangsten uit de veiling van huurrechten van benzinestations langs rijkswegen.

4. DE BATEN-LASTENAGENTSCHAPPEN

4.1 Logius

Inleiding

Logius is als onderdeel van het directoraat-generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk (DGOBR), de regieorganisatie die samen met klanten, partners en leveranciers de e-overheid groot maakt. Dit doet Logius door te zorgen voor overheidsbrede, samenhangende ICT-producten. Hierbij gaat het om digitale dienstverlening aan burgers, aan bedrijven en tussen overheden. Logius stimuleert organisaties met een publieke taak om onze producten breed toe te passen en is verantwoordelijk voor het beheer en de verbetering van onze producten en diensten. Zo is Logius de drijvende kracht achter de digitale overheid. De missie van Logius luidt: «Logius, de dienst digitale overheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, biedt publieke dienstverleners een samenhangende ICT-infrastructuur, zodat burgers en bedrijven betrouwbaar, snel, groen en gemakkelijk elektronisch zaken met hen kunnen doen».

Logius heeft 4 taken:

  • 1) beheer en exploitatie van bestaande producten;

  • 2) inbeheername van nieuwe producten;

  • 3) doorontwikkeling;

  • 4) stimuleren van veilig gebruik.

1) Beheer en exploitatie van bestaande producten

Logius verzorgt het beheer en de exploitatie van overheidsbrede ICT-producten en -standaarden. Beheer en exploitatie hebben betrekking op het stabiel draaiend houden van een product en het (daadwerkelijk) beschikbaar stellen daarvan aan klanten. Vooraf vastgestelde dienstverleningsafspraken geven klanten inzicht in wat zij kunnen verwachten van de producten die Logius in beheer heeft.

2) Inbeheername van nieuwe producten

Bij de inbeheername van een nieuw product toetst Logius in hoeverre dit product voldoet aan de eisen om in beheer te worden genomen. Uitgangspunt is dat nieuwe producten passen in de missie van Logius en derhalve betrekking hebben op infrastructurele producten met een generiek karakter.

3) Doorontwikkeling

Logius is een beheerorganisatie; doorontwikkeling vindt daarom zo veel mogelijk buiten Logius plaats. Om in een vroeg stadium te kunnen sturen op gewenste functionaliteiten die nodig zijn voor optimaal beheer, verzorgt Logius veelal de tactische aansturing van doorontwikkelactiviteiten. Indien klanten een nieuwe functionaliteit op een bestaand product wensen en er is een beleidsopdrachtgever bereid zorg te dragen voor de financiering ervan, dan is er sprake van doorontwikkeling.

4) Stimuleren van veilig gebruik

De winst van een gemeenschappelijke beheerorganisatie als Logius komt pas echt van de grond als steeds meer overheidorganisaties gebruik maken van de producten van Logius. Logius onderhoudt daartoe contacten met (potentiële) klanten, inventariseert klantwensen, geeft voorlichting over (nieuwe) producten en zorgt voor de uitwisseling van best practices. Logius ondersteunt klanten in het stimuleren van het veilig gebruik door eindgebruikers (burgers en bedrijven). Een goede elektronische dienstverlening aan burgers en bedrijven is gebaat bij een brede inzet van de producten van Logius, niet alleen in aantal aansluitingen, maar ook in aantal processen en in het daadwerkelijk gebruik door klanten.

Speerpunten 2015

De ambitie van de overheid is om het digitale kanaal als primaire kanaal richting de burger en het bedrijfsleven in te zetten. Dit veroorzaakt komende jaren een forse toename van het gebruik van de producten en voorzieningen die Logius levert.

In 2015 is voor Logius verdere standaardisatie één van de belangrijkste sleutels voor de voortgezette structurele verbetering van het functioneren van de publieke sector. Zeker waar het daarbij om inzet van ICT gaat, zit Logius in het hart van die ontwikkeling. Niet de louter operationele kant van beheer, doorontwikkeling en verdergaand gebruik van overheidsbreed gestandaardiseerde ICT-oplossingen, maar het tot stand brengen en vervolgens in stand houden van overheidsbrede ICT standaarden en afsprakenstelsels staan daarbij voor Logius uiteindelijk centraal. Dat laatste is meer en meer de kerntaak van Logius. Dat impliceert voortgaande innovatie en bewaking van de steeds inniger samenhang tussen Logius en haar klanten, partners, medewerkers, middelen en processen.

Van Logius wordt in toenemende mate een leidende rol verwacht in het 7x24 operationeel weten van een steeds grotere verscheidenheid van samenwerkingsketens waarin ongestoorde en veilige massale elektronische informatie uitwisseling vitaal is.

Informatiebeveiliging blijft een zeer actueel en groeiend vraagstuk. Aanvallen en inbreuken op het ongestoord digitaal functioneren van Nederland, worden steeds complexer en ingenieuzer. Het beleid is erop gericht om de kwaliteit van informatiebeveiliging een impuls te geven. Een groot deel van de producten van Logius maken immers een integraal onderdeel uit van het primaire proces van de klanten.

Staat van baten en lasten

Baten-lastenagentschap Logius
Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
 

2013

Stand Slotwet

2014

Stand 1e suppletoire begroting

2015

2016

2017

2018

2019

Baten

             

Omzet moederdepartement

40.590

38.577

32.291

30.734

28.794

28.091

28.119

Omzet overige departementen

52.406

43.608

64.069

63.233

64.084

66.643

69.647

Omzet derden

7.035

10.885

7.772

8.383

7.936

7.997

8.064

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

33

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

100.064

93.070

104.132

102.350

100.814

102.731

105.830

               

Lasten

             

Apparaatskosten

96.650

92.864

101.057

98.076

95.339

96.656

99.755

– personele kosten

33.222

28.860

34.359

33.346

32.415

32.863

33.917

– waarvan eigen personeel

13.716

16.157

19.684

20.078

20.479

20.889

21.307

– waarvan externe inhuur

19.506

12.704

14.675

13.268

11.936

11.974

12.610

– materiële kosten

63.428

64.004

66.698

64.730

62.924

63.793

65.838

– waarvan apparaat ICT

0

2.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

– waarvan bijdrage SSO’s

0

2.000

0

0

0

0

0

Rentelasten

76

25

75

75

75

75

75

Afschrijvingskosten

1.298

1.381

3.000

4.200

5.400

6.000

6.000

– materieel

1.298

1.381

3.000

4.200

5.400

6.000

6.000

– waarvan apparaat ICT

0

1.381

0

0

0

0

0

– immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

– dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

98.024

94.270

104.132

102.350

100.814

102.731

105.830

               

Saldo van baten en lasten

2.040

– 1.200

0

0

0

0

0

Toelichting op baten en lasten

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van Logius is een kostendekkende exploitatie.

Voor het jaar 2015 zijn de lasten van de voorzieningen die in beheer zijn bij BZK gelijk gemaakt aan de beschikbare begrotingsgelden. Als gevolg hiervan wordt een rem gezet op zowel het beheer en de doorontwikkeling van de huidige voorzieningen (o.a. DigiD, MijnOverheid, Stelselvoorzieningen) als nieuwe ontwikkelingen (eID-stelsel en Kennisvoorziening). De lasten bedragen in 2015 € 104 mln. Het betreft de kosten die worden gemaakt voor de taken beheer en exploitatie € 91 mln. en doorontwikkeling € 13 mln.

Hieronder worden de grootste posten toegelicht.

De lasten voor het beheer van DigiD en DigiD machtigen zijn € 26,1 mln., waarvan € 1,1 mln. voor fraude. De lasten voor de stelselvoorzieningen (digikoppeling, digilevering, digimelding en stelselcatalogus) bedragen € 6,1 mln., Daarnaast zijn er nog enkele kleine voorzieningen zoals PKI Overheid € 1,2 mln., Diginetwerk € 1,2 mln., Webrichtlijnen, Overheid.nl en Samenwerkende catalogi.

De lasten van zowel voor het beheer als doorontwikkeling zijn voor MijnOverheid (berichtenbox) € 19,6 mln., Standard Business Reporting (SBR) € 18,4 mln., DigiInkoop € 8,7 mln., Haagse Ring € 3,2 mln., eHerkenning € 2,5 mln., Bureau Forum Standaardisatie € 2,1 mln., Supd@x € 2,1 mln. en overige voorzieningen € 4,0 mln.

De materiële lasten ad € 66,7 mln. bestaan uit de kosten die worden gemaakt voor het in stand houden van de netwerken, waaronder de contracten met leveranciers en uitbesteding. De personele lasten bedragen € 34,4 mln., waarvan € 14,7 mln. externe inhuur.

Kasstroomoverzicht

Baten-lastenagentschap Logius
Kasstroomoverzicht over het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
   

2013 Stand Slotwet

2014 Stand 1e suppletoire begroting

2015

2016

2017

2018

2019

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + depositorekeningen

53.470

0

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

2.

Totaal operationele kasstroom

7.657

1.381

3.000

4.200

5.400

6.000

6.000

 

-/- totaal investeringen

– 9

– 5.000

– 6.000

– 6.000

– 6.000

– 6.000

– 6.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 9

– 5.000

– 6.000

– 6.000

– 6.000

– 6.000

– 6.000

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

         
 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

0

         
 

Aflossingen op leningen (-/-)

– 2.098

– 1.381

– 3.000

– 4.200

– 5.400

– 6.000

– 6.000

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

0

5.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

4.

Totaal financieringskasstroom

– 2.098

3.619

3.000

1.800

600

0

0

5.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 miljoen euro)

59.020

0

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

Toelichting bij het kasstroomoverzicht

Operationele kasstroom

Het operationele kasstroomoverzicht toont de meerjarige ontwikkeling van de rekening courant. De kasstroom wordt bepaald door het jaarlijkse bedrijfsresultaat, de investeringen, aflossingen op leningen en overige financiële transacties.

Investeringskasstroom

Voor 2015 wordt de omvang van de investeringen geraamd op € 6 mln. Het grootste deel van de investeringen betreft investeringen ten behoeve van Digipoort OTP. Desinvesteringen worden niet verwacht.

Aflossingen op leningen

Deze bedragen betreffen de aflossingen van de aangegane leningen om investeringen te financieren.

Beroep op leenfaciliteit

Het beroep op leenfaciliteit omvat de door Logius bij het Ministerie van Financiën geleende bedragen. Het beroep op de leenfaciliteit wordt gedaan ter financiering van investeringen.

Doelmatigheid

Baten-lastenagentschap Logius
Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving Generiek Deel

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Kostprijzen per product (groep)

30

26

22

16

14

14

11

Tarieven/uur

96,2

97,0

96,2

96,2

96,2

96,2

96,2

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

143

171

194

194

194

194

194

Saldo van baten en lasten (%)

2,0%

– 1,3%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

Klanttevredenheid (KTO)

6,9

7,0

7,0

7,0

7,0

7,0

7,0

Specifiek deel ICT diensten

             

Omzet per productgroep (in %)

             

*Beheer & exploitatie

53%

94%

79%

79%

79%

79%

79%

*In beheername trajecten

3%

1%

0%

0%

0%

0%

0%

*Doorontwikkeling

5%

1%

21%

21%

21%

21%

21%

*Stimulering gebruik

0%

2%

0%

0%

0%

0%

0%

*Projecten

39%

2%

0%

0%

0%

0%

0%

DidiD

             

*Aantal aangesloten organisaties

617

625

640

660

680

700

700

*Aantal burgers met DigiD

11,0 mln.

9,2 mln.

12,0 mln.

12,5 mln.

13,0 mln.

13,0 mln.

13,0 mln.

*Aantal DigiD authenticaties

117 mln.

70 mln.

350 mln.

520 mln.

640 mln.

800 mln.

1.000 mln.

*Kostprijs per authenticatie

€ 0,11

€ 0,10

€ 0,08

€ 0,06

€ 0,05

€ 0,05

€ 0,04

PKI-Overheid

             

*Aantal nieuwe certificaatverstrekkers

0

0

0

1

0

0

0

Digipoort (OTP)

             

*Aantal aangesloten bedrijven

1.246

1.200

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

*Aantal berichten via Digipoort

74 mln.

80 mln.

83 mln.

83 mln.

83 mln.

83 mln.

83 mln.

Overige indicatoren**

             

Vragen/klachten

             

*Aantal vragen/klachten

2

2

2

2

2

2

2

*Snelheid van eerste reactie

3 dagen

3 dagen

3 dagen

3 dagen

3 dagen

3 dagen

3 dagen

*Snelheid van afhandeling

15 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

*Contract- en leveranciersmanagement

             

*Prijsbenchmark

n.v.t.

uitgevoerd

n.v.t.

uitgevoerd

n.v.t.

uitgevoerd

n.v.t.

Aantal inhuurkrachten vs. eigen medewerkers

48%

45%

40%

40%

40%

40%

40%

Proces inbeheername nieuwe producten

             

*Tijdigheid van overdracht/conform planning

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

*Operationeel conform klantverwachting

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Toelichting op de doelmatigheidsindicatoren

  • Indexcijfer kostprijs per product (groep) is gebaseerd op het gemiddelde verloop van de volwassen producten, te weten DigiD en de Digipoort OTP. Door een forse stijging van het aantal aangesloten organisaties neemt het gebruik fors toe. De kosten van de voorzieningen nemen niet evenredig toe. Dit heeft als gevolg dat de kostprijzen per eenheid flink dalen;

  • De tarieven per uur zijn de tarieven eigen personeel en gebaseerd op de handleiding overheidstarieven. Het streven is om voor structureel werk zoveel mogelijk ambtelijk personeel in te zetten. De doelstelling daarbij is het sturingspercentage terug te brengen naar 40%, waarbij verambtelijking alleen wordt ingezet indien er sprake is van structureel werk;

  • Klanttevredenheid: jaarlijks organiseert Logius een onderzoek naar klanttevredenheid met betrekking tot de dienstverleningsprestaties. De doelstelling is jaarlijks een score van 7 te halen. Dit is hoger dan de klanttevredenheid zoals deze in de markt is;

  • Benchmark: Het algemeen beleid van Logius is om elke twee jaar een benchmark uit te laten voeren over de volwassen voorzieningen die bij Logius in beheer zijn. Benchmarking is voor Logius een methode om op een objectieve wijze inzicht te verkrijgen in de marktconformiteit van haar dienstverlening, die van haar externe leveranciers en transparantie van de dienstverlening;

  • De stijging van het aantal DigiD authenticaties is het gevolg van een toename in het gebruik DigiD. Hierbij is ook rekening gehouden met de verdere stijging door gebruik via mijnoverheid.nl;

  • PKI Overheid: dit programma zorgt voor een betrouwbare elektronische communicatie binnen en met de Nederlandse overheid. Met behulp van PKI Overheid-certificaten wordt de informatie beveiligd. Verstrekkers van certificaten moeten voldoen aan wettelijke eisen.

4.2 P-Direkt

Inleiding

P-Direkt is het Shared Service Center HR-zaken van de Rijksdienst. Met het P-Direktportaal, Rijksportaal Personeel en het contactcenter P-Direkt bedient P-Direkt alle rijksambtenaren.

P-Direkt is een kenmerk van hoe de nieuwe Rijksdienst zich wil profileren: compact, betrouwbaar, efficiënt en innovatief.

P-Direkt biedt een gevarieerd pakket aan HR-services aan 123.000 rijksambtenaren. De diensten worden via het Rijksportaal Personeel en het P-Direktportaal aangeboden. Deze diensten zijn modern en gericht op zelfverantwoordelijkheid, vertrouwen en zelfbediening. De medewerker en manager kan zichzelf bedienen. Als hij dat wil, kan hij daarbij hulp krijgen van het contactcenter. De salarisbetaling en de personele informatievoorziening zijn belangrijke eindproducten.

De doelstellingen voor 2015 zijn:

1 Realisatie progamma Optimaal Verbinden

In 2012 startte P-Direkt samen met de Ministeries het programma «Optimaal Verbinden». Het doel van het programma is het gebruiksgemak te verbeteren en de managementondersteuning te verbeteren. Het programma draagt ook bij aan het realiseren van de nog onbenutte efficiencywinst in de HR-keten. De efficiencywinst bestaat naar verwachting uit € 5 mln. extra aan jaarlijkse besparingen op de personeelskosten en verdere kwaliteitswinst in de gehele dienstverleningsketen en per saldo een bezuiniging van 120 fte bij de Ministeries op de HR-Ondersteuners (HRO) populatie.

De dienstverleningsketen wordt geoptimaliseerd door samenvoeging van de schakels HR ondersteuner (departementale rol) en HR verwerker (rol bij P-Direkt) tot HR Servicemedewerker (HRS). Op deze manier zijn minder overdrachtsmomenten nodig en snellere doorlooptijden mogelijk, daalt het risico op fouten (in één keer goed) en reduceert de samenvoeging de kans op verwijzingen van kastje naar de muur. Dit betekent het onderbrengen van de gehele HR-administratie en gebruikersondersteuning bij P-Direkt.

Om te komen tot de nieuwe organisatie en werkwijzen is het programma verdeeld in 3 sporen: dienstverleningsprocessen, mens & organisatie en ICT. In 2013 is samen met medewerkers van de Ministeries gestart met de herontwerp van de processen en is een proactieve aanpak voor het personeel ontwikkeld. De ICT veranderingen vinden plaats vanaf 2014, nadat de processen zijn opgeleverd. In 2015 wordt de aansluiting van de Ministeries verder voorbereid zodat het in 2016 kan worden afgerond. De investering in de ontwikkeling van het programma is opgenomen in de meerjaren afschrijvingen vanaf 2016. De exploitatie van de dienstverlening is nog niet in de meerjarenbegroting opgenomen.

2 Project Rijksbreed Identiteits Management (RIdM)

Rijksbreed Identiteiten Management (RIdM) is een essentiële voorwaarde voor realisatie van de ambities van Compacte Rijksdienst, I-strategie en Hervormingsagenda. Toegang richt zich op het realiseren van een rijksbrede voorziening voor identiteitenbeheer («wie ben je») en autorisatiebeheer («wat mag je»). Daarmee wordt veilige fysieke en logische toegang gewaarborgd voor de juiste mensen tot de juiste generieke fysieke en digitale omgevingen. De ICBR stemde in maart 2014 in met het eindbeeld RIdM en het realiseren daarvan.

Opdrachtnemer voor het Rijksbrede Identiteiten Management (RIdM) is P-Direkt. Dit programma zorgt ondermeer voor een eenduidig register van alle identiteiten binnen de rijksoverheid en borgt daarmee een uniforme toegang tot generieke voorzieningen. Door het programma RIdM wordt het bijvoorbeeld mogelijk om, binnen 15 minuten na het scannen van het paspoort van een nieuwe medewerker, de beschikking te krijgen over generieke voorzieningen als Rijkspas of DWR account. Daarbij zorgt het programma RIdM dat deze voorzieningen niet langer Ministerie gebonden zijn, maar bij doorstroom of tijdelijke tewerkstelling, behouden kunnen blijven.

In het eerste kwartaal van 2015 zullen het Ministerie van SZW en het Ministerie van VWS verhuizen naar het Rijkskantoor «De Resident». DGOBR heeft opdracht gegeven aan P-Direkt om via het Residentproject de eerste stap van het rijksbreed identiteiten management (RIdM) te realiseren.

3 Vernieuwen en ontwikkelen van de dienstverlening.

P-Direkt blijft voortdurend de mogelijkheden onderzoeken naar nieuwe diensten voor haar klanten. Dit kan zowel individueel als door aansluiting bij andere rijksbrede ontwikkelingen. In 2014 is reeds gestart met de projecten Centrale archiefvoorziening personeelsdossiers, Interdepartementaal detacheren, Tijdschrijven en Roosterplanning. In 2015 zullen deze projecten verdere doorgang vinden.

4 De Bezuinigingstaakstelling Rutte I en II

De bezuinigingstaakstelling Rutte I is door het Ministerie van BZK doorvertaald naar P-Direkt voor een bedrag voor 2015 van € 1,871 mln. oplopend naar € 2,071 mln. structureel in 2016. Deze bezuiniging heeft P-Direkt in haar tarieven verwerkt met behoud van de afgesproken basis dienstverlening.

De bezuinigingstaakstelling Rutte II die ingaat per 2016 is door P-Direkt vertaald in het doortrekken van de efficiencytaakstelling tot 2019 met jaarlijks 1,5% en dat is ook zodanig in het tarief basis dienstverlening verwerkt.

Daarbij moet opgemerkt worden dat P-Direkt inmiddels vanaf 2008 alweer zo’n 6 jaar lang elk jaar 2 a 3% efficiënter werkt en dat zet druk op de organisatie. P-Direkt heeft de ambitie dit met een versterkte inzet van het interne LEAN-programma te realiseren.

De doorbelasting van de dienstverlening laat de komende jaren een verdere daling zien. Gerekend vanaf 2013 betekent dit voor de basis dienstverlening (95% van de totale dienstverlening) een daling van – 13,3% (– € 9,1 mln.). Deze daling komt ten goede aan de Ministeries die daarmee invulling kunnen geven aan de taakstellingen Rutte I en II.

Staat van baten en lasten

Baten-lastenagentschap P-Direkt
Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
 

2013 Stand Slotwet

2014 Vastgestelde begroting

2015

2016

2017

2018

2019

Baten

             

Omzet moederdepartement

5.126

4.558

67.096

70.011

68.578

66.955

65.621

Omzet overige departementen

66.846

69.295

4.437

1.718

1.601

1.484

1.367

Omzet derden

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

20

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

71.992

73.853

71.533

71.729

70.179

68.439

66.988

               

Lasten

             

Apparaatskosten

56.524

58.145

58.088

56.626

55.434

54.053

52.960

– personele kosten

33.796

34.304

34.711

34.302

33.372

32.175

31.324

– waarvan eigen personeel

26.565

24.493

26.536

25.893

25.250

24.607

23.964

– waarvan externe inhuur

7.231

9.811

8.175

8.409

8.122

7.568

7.360

– materiële kosten

22.728

23.841

23.377

22.324

22.062

21.878

21.636

– waarvan apparaat ICT

12.665

12.197

11.941

11.734

11.537

11.362

11.173

– waarvan bijdrage SSO’s

7.777

9.228

8.880

8.100

8.100

8.155

8.168

Rentelasten

3.173

3.100

1.696

1.452

1.094

736

378

Afschrijvingskosten

11.813

13.350

11.750

13.650

13.650

13.650

13.650

– materieel

64

86

75

75

75

75

75

– waarvan apparaat ICT

0

81

75

75

75

75

75

– immaterieel

11.749

13.264

11.675

13.575

13.575

13.575

13.575

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

– dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

71.510

74.595

71.533

71.729

70.179

68.439

66.988

               

Saldo van baten en lasten

482

– 742

0

0

0

0

0

Toelichting op baten en lasten

Ontwikkelingen – Centrale bekostiging

Het SGO heeft in het voorjaar van 2014 de voorstellen uit de pijlerprojecten Kwaliteit, Aansturing en Bekostiging voor SGO5, onderdeel Bekostiging P-Direkt aangenomen. Onderdeel van de voorstellen van de pijlergroep Bekostiging is om per 1 januari 2015 voor P-Direkt te werken met centrale bekostiging, waardoor het totale budget identificeerbaar op de rijksbegroting van BZK komt te staan. De betreffende structurele budgettaire reeksen van de Ministeries worden daartoe overgeheveld naar BZK. De Ministeries ontvangen geen factuur meer. Met het overhevelen van de budgetten van P-Direkt van de Ministeries naar het Ministerie van BZK, verandert ook de huidige plaats van de opdrachtgever. De opdrachtgeversrol van de Ministeries verdwijnt en is centraal neergelegd bij de centrale opdrachtgever BZK. De taken van de opdrachtgever staan beschreven in de regeling agentschappen van het Ministerie van Financiën en zijn nader uitgewerkt in het SGO5 project pijler Aansturing.

Saldo van baten en lasten

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van P-Direkt is een kostendekkende exploitatie en een vermogensbuffer van maximaal 5% van de gemiddelde omzet over de laatste drie jaar.

Apparaatskosten

De personeelskosten omvatten alle personele uitgaven van de ambtenaren in dienst en de gedetacheerde ambtenaren inclusief de kosten van uitzendkrachten en inhuur van externen.

De materiële kosten omvatten de directe inkoopkosten van de dienstverlening (cRMA, HRM-portaal, P-Direktportaal, SAP HR, Licenties en Contactcenter) en de uitgaven voor overige personele lasten, de normale huisvesting, communicatie, automatisering, kantoorkosten, verkoopkosten, adviesopdrachten en overige kosten ten behoeve van het apparaat. De personele kosten stijgen vanaf 2015 doordat de nieuwe dienstverlening «centrale archiefdiensten» aan het dienstverleningspakket van P-Direkt is toegevoegd.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op de financieringslasten voor de bij het Ministerie van Financiën aangegane leningen ten behoeve van de aanschaf van de licenties en de bouw van de dienstverlening.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten bestaan uit afschrijvingen van de investeringen in de immateriële en materiële vaste activa.

Kasstroomoverzicht

Baten-lastenagentschap P-Direkt
Kasstroomoverzicht over het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
   

2013 Stand Slotwet

2014 Vastgestelde begroting

2015

2016

2017

2018

2019

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + depositorekeningen

21.927

18.714

12.820

8.970

9.320

9.670

10.020

2.

Totaal operationele kasstroom

12.417

7.456

9.800

14.000

14.000

14.000

14.000

 

-/- totaal investeringen

– 1.261

– 10.000

– 10.000

0

0

0

0

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 1.261

– 10.000

– 10.000

0

0

0

0

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

– 1.000

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

0

1.000

0

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (-/-)

– 22.566

– 13.350

– 13.650

– 13.650

– 13.650

– 13.650

– 13.650

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

9.500

10.000

10.000

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

– 13.066

– 3.350

– 3.650

– 13.650

– 13.650

– 13.650

– 13.650

5.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 mln. euro)

20.017

12.820

8.970

9.320

9.670

10.020

10.370

Toelichting bij het kasstroomoverzicht

Voor 2015 wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit voor de te verwachten systeembouw voor onder andere het programma Toegang. Deze lening wordt bij aanvang van de dienstverlening in vijf jaar afgelost.

In 2015 en verder is sprake van een sluitende liquiditeitsbegroting waarin kasbetalingen worden gematched door de kasinkomsten.

Doelmatigheid

P-Direkt verbetert de doelmatigheid in de HR-kolom van de rijksoverheid en levert een bijdrage aan een slagvaardige rijksdienst. Naast deze «macro»- doelmatigheid streeft P-Direkt naar doelmatigheid van de eigen bedrijfsvoering. Door bundeling van taken van de bestaande dienstverlening uit de verschillende Ministeries binnen P-Direkt wordt een efficiencyslag gemaakt door verdere automatisering van taken.

Optimaal beheer bedrijfsvoering:

P-Direkt geeft uitvoering aan de doelmatigheidseis door bij een kwalitatief goede dienstverlening:

  • te sturen op een optimaal contractmanagement binnen de dienstverlening met leveranciers en afnemers. Onder andere door bij leveranciers afspraken te maken om de dienstverlening jaarlijks goedkoper af te nemen;

  • te sturen op het niveau van kostprijzen om inzichtelijkheid te bieden in het kostenverloop en de resultaten van de dienstverlening.

Kengetallen

P-Direkt werkt met een Producten en Diensten Gids (PDG) en servicelevels die zijn vastgesteld in overleg met de opdrachtgevers. De servicelevels zijn geen doel op zich, maar dienen als minimaal te realiseren normen. De opdrachtgevers mogen er op vertrouwen dat P-Direkt in de dienstverlening streeft naar een zo hoog mogelijke score. De opdrachtgevers worden maandelijks geïnformeerd over de gerealiseerde servicelevels. Samen met hen stelt P-Direkt vast of eventuele tekortkomingen hierin hebben geleid tot onoverkomelijke problemen. Op basis hiervan maakt P-Direkt afspraken voor de servicelevels in de volgende maand(en). Indien noodzakelijk zal P-Direkt de werkzaamheden (her)prioriteren en aanvullende verbetermaatregelen nemen. De invulling van de taakstellingen hebben vooralsnog geen invloed gehad op de het niveau van de servicelevels.

De score op de servicelevels wordt uitgedrukt in percentages of de score op een schaal van 1–10.

Baten-lastenagentschap P-Direkt
Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving Generiek Deel

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Kostprijzen per product (groep)

580

570

540,5

539,5

538

534,5

531,5

Verloop tarieven/uur (basisjaar 2011=100)

102

99,1

94,0

93,8

93,6

93,0

92,4

Aantal individuele arbeidsrelaties (IAR)

123.670

121.430

120.091

117.455

115.241

113.240

111.432

Totale omzet basisdienstverlening (x1.000)

68.384

67.688

64.927

63.338

62.007

60.478

59.234

Totale omzet overige + projecten (x1.000)

3.588

6.165

6.606

8.391

8.172

7.961

7.754

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

421

407

444

433

422

412

401

Saldo van baten en lasten (%)

0,67%

– 0,98%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

Medewerkerstevredenheid

nvt

7

nvt

7

nvt

7

nvt

Omschrijving Specifiek Deel ICT diensten

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Gebruikerstevredenheid

De mate waarin de gebruiker tevreden is over de dienstverlening

6,7

7

7

7

7

7

7

Tijdige afhandeling wijzigingen:

             

P-Direkt heeft de opdracht verwerkt voor afgesproken salarisbetaling

99,7%

95%

95%

95%

95%

95%

95%

P-Direkt handelt de aangeboden «kritische mutatieopdrachten binnen 5 werkdagen af (aanstelling, overplaatsing, ontslag)

 

95%

95%

95%

95%

95%

95%

Vraagafhandeling contactcenter:

             

P-Direkt handelt de vragen die per telefoon, email of post binnenkomen binnen 5 werkdagen af

94%

90%

90%

90%

90%

90%

90%

P-Direkt handelt de vragen die per email binnenkomen in 1 keer goed af

 

90%

90%

90%

90%

90%

90%

Klachtbehandeling: P-Direkt handelt de klachten volgens de klachtenprocedure binnen 5 dagen inhoudelijk af

100%

90%

90%

90%

90%

90%

90%

Responsetijden Contactcenter: de responstijd om de telefoon op te nemen is gemiddeld minder dan 30 seconden (na keuzemenu)

42 sec

30 sec

30 sec

30 sec

30 sec

30 sec

30 sec

Beschikbaarheid systeem: De P-Direktsystemen (P-Direktportaal, Rijksportaal Personeel en het personeelsdossier) zijn 7 dagen per week en 24 uur per dag beschikbaar. De servicewindow voor de systemen is van 8.00 uur tot 17.00 uur. Tijdens deze tijden geldt de beschikbaarheidsnorm

99,6%

98%

98%

98%

98%

98%

98%

Wet en regelgeving up to date. Men kan wijzigingen in de wet- en regelgeving binnen 2 weken na publicatie in de Staatscourant op het Rijksportaal Personeel raadplegen

100%

98%

98%

98%

98%

98%

98%

Betrouwbaarheid:

             

P-Direkt zorgt ervoor dat gegevens op tijd en juist worden opgeleverd (interfaces, rapportages)

 

98%

98%

98%

98%

98%

98%

P-Direkt verwerkt een deel van de aangeboden wijzigingen handmatig in het geautomatiseerde systeem. Deze worden op de juiste manier verwerkt volgens de opdracht

 

98%

98%

98%

98%

98%

98%

P-Direkt zorgt voor de juiste en volledige verwerking van wijzigingen die financiële gevolgen hebben

 

98%

98%

98%

98%

98%

98%

Doorlichting uitgevoerd cq. gepland in:

 

2014

         

4.3 Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk

Inleiding

Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR) is een multidisciplinaire uitvoerder en ontwikkelaar van dienstverlening op het gebied van bedrijfsvoering binnen het Rijk. Een organisatie die met haar expertise het Rijk helpt haar doelen en resultaten te realiseren. UBR heeft een breed aanbod aan diensten in huis en kan de afnemer daarom op bijna alle terreinen van de bedrijfsvoering van dienst zijn en integrale oplossingen bieden.

De Hervormingsagenda Rijk is mede aanleiding geweest het concept van de organisatie als geheel te herzien. Ook was het na een pioniersfase nodig de strategie en focus opnieuw te definiëren, om naar de toekomst een helder profiel te hebben van wat de organisatie het Rijk te bieden heeft. De 2 grote onderdelen die te onderscheiden zijn in de nieuwe organisatie zijn enerzijds dienstverlening en anderzijds het ontwikkelbedrijf.

In de tak dienstverlening is er de (reguliere) dienstverlening op het vlak van advisering, interim-, project- en programmamanagement, zowel in het P&O-domein als in de domeinen informatie en ICT, facilitair/huisvesting en inkopen. In het ontwikkelbedrijf worden complexe transities en implementaties op het gebied van rijksbrede bedrijfsvoering uitgevoerd.

Bij het opstellen van de begroting 2015 is uitgegaan van de 2014 tarieven waarbij rekening is gehouden met de generieke taakstellingen. Ingeval van grote structurele stijgingen van toeleveranciers zal UBR dit doorberekenen in de betreffende tarieven.

Ontwikkelingen

De activiteiten van UBR worden bekostigd uit de omzet gebaseerd op aan afnemers geleverde producten en diensten tegen jaarlijks vastgestelde tarieven (PxQ). Implementatie van kabinetsvoornemens rond lage loonschalen bij de onderdelen Rijksbeveligingsorganisatie (RBO), Interdepartementale Post- en KoeriersDienst (IPKD) en Vijfkeerblauw (VKB) leidt ook tot incidentele projectmatige en/of frictiekosten. Met de financiële gevolgen van het voorgenomen besluit tot het naar de markt brengen van de activiteiten van VKB is geen rekening gehouden in de begroting 2015.

Staat van baten en lasten

Baten-lastenagentschap UBR
Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
 

2013 Stand Slotwet

2014 Vastgestelde begroting

2015

2016

2017

2018

2019

Baten

             

Omzet moederdepartement

33.194

32.838

35.942

36.025

36.111

36.199

36.199

Omzet overige departementen

65.493

67.205

69.017

69.046

69.077

69.108

69.108

Omzet derden

2.010

7.602

4.063

4.096

4.129

4.163

4.163

Rentebaten

5

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

343

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

1.288

0

4.956

2.413

1.413

1.413

1.413

Totaal baten

102.333

107.645

113.977

111.580

110.730

110.883

110.883

               

Lasten

             

Apparaatskosten

106.761

106.805

107.626

107.810

107.997

108.437

108.474

– personele kosten

83.213

79.534

85.617

85.850

85.780

85.703

85.703

– waarvan eigen personeel

71.801

73.874

72.637

72.857

73.084

73.319

73.319

– waarvan externe inhuur

11.412

5.660

12.980

12.994

12.696

12.384

12.384

– materiële kosten

23.548

27.271

22.009

21.960

22.217

22.734

22.771

– waarvan apparaat ICT

3.323

6.818

5.502

5.490

5.554

5.684

5.693

– waarvan bijdrage SSO’s

8.621

9.282

9.474

9.495

9.516

9.538

9.538

Rentelasten

5

35

183

145

108

70

33

Afschrijvingskosten

909

410

1.213

1.213

1.213

963

963

– materieel

491

410

660

660

660

660

660

– waarvan apparaat ICT

 

0

0

0

0

0

0

– immaterieel

418

0

553

553

553

303

303

Overige kosten

2.154

0

4.956

2.413

1.413

1.413

1.413

– dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

2.154

0

4.956

2.413

1.413

1.413

1.413

Totaal lasten

109.829

107.251

113.977

111.580

110.730

110.883

110.883

               

Saldo van baten en lasten

– 7.496

394

0

0

0

0

0

Toelichting op baten en lasten

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van UBR is een kostendekkende exploitatie.

Baten

De eenheden die de grootste bijdrage in 2015 leveren aan de omzet en kosten bij zijn het EC O&P voor ca. € 47 mln., I-Interim Rijk voor ca. € 17 mln. en HIS voor ca. € 10 mln. De meerjarenontwikkeling van de omzet is een resultante van de verwachte toename van de reguliere productieafzet bij meerdere bedrijfseenheden als gevolg van uitbreiding van de interdepartementale klantenkring en/of aanpassing van het producten en dienstenaanbod op de vraag.

De afname van omzet derden is veroorzaakt doordat bij EC O&P € 3,2 mln. (betreft omzet Ministerie van BZK) abusievelijk is verantwoord onder omzet moederdepartement in plaats van omzet derden in de jaren 2015 tot en met 2019.

Voor de bezuinigingstaakstelling Rutte II zal UBR in samenspraak met haar klanten komen tot afspraken voor de invulling van de taakstelling. In de begroting gaat UBR ervan uit dat de vraaguitval uit hoofde van de additionele taakstelling zal worden gecompenseerd door de aansluiting van (onderdelen van) Ministeries die nog geen producten en diensten afnemen bij UBR.

Lasten

De generieke en additionele taakstellingen vragen van UBR, door het verlagen van de tarieven, ook een verlaging van de kosten. Door de verwachte organische groei en door besparende maatregelen te treffen, houdt UBR haar kostenniveau de komende jaren ongeveer op hetzelfde niveau. Besparingsmaatregelen zijn o.a. het verhogen van declarabiliteit, het verminderen van het aantal indirecte functies en efficiëntere interne bedrijfsvoering.

De externe inhuur voor UBR komt naar verwachting uit op € 12,9 mln. in 2015. De stijging van de exerne inhuur wordt veroorzaakt door het nieuwe business model dat in 2013 bij EC O&P is ingevoerd bij de onderdelen Workflow en Bedrijfsgeneeskundige dienst, waarbij gewerkt wordt met een kleine vaste bezetting en aangevuld met een grote flexibele schil van ZZP-ers conform afspraken in het ICOP. Tevens heeft de start van het VWNW-beleid geleid tot een explosieve groei van VWNW-onderzoeken door Workflow.

Bijzondere baten en lasten

De bijzondere lasten samenhangend met de lageloonschaalprojecten zijn voor 2015 geraamd op ca € 2,5 mln.; deze kosten zijn extern gefinancierd.

De overige bijzondere lasten in 2015 tot en met 2019 zijn de verwachte jaarlijkse mobiliteitskosten. Deze verwachte mobiliteitskosten zijn niet-tarief gefinancierd.

Kasstroomoverzicht

Baten-lastenagentschap UBR
Kasstroomoverzicht over het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
   

2013 Stand Slotwet

2014 Vastgestelde begroting

2015

2016

2017

2018

2019

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + depositorekeningen

19.450

19.773

16.814

16.927

15.640

14.352

12.815

2.

Totaal operationele kasstroom

– 4.563

804

1.213

1.213

1.213

963

963

 

-/- totaal investeringen

– 1.316

– 1.000

– 2.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

1.315

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 1

– 1.000

– 2.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

– 980

0

0

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

2.500

0

0

0

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (-/-)

– 98

– 298

– 1.100

– 1.500

– 1.500

– 1.500

– 1.500

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

0

1.000

2.000

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

1.422

702

900

– 1.500

– 1.500

– 1.500

– 1.500

5.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 miljoen euro)

16.308

20.279

16.927

15.640

14.352

12.815

11.279

Toelichting bij het kasstroomoverzicht

De investering van € 2 mln. in 2015 betreft voor € 1 mln. transportmiddelen bij IPKD en € 1 mln. overige materiële vaste activa bij de overige organisatieonderdelen van UBR.

Het hoge Rekening-courantsaldo ultimo 2015 wordt verklaard door omvangrijk geldverkeer bij enkele bedrijfseenheden. De ontwikkeling in het saldo van de rekening courant is een resultante van de ontwikkeling van de operationele kasstroom en de verwachte investeringen. In 2014 zal door UBR nog een beroep worden gedaan op de leenfaciliteit ter grootte van € 5,5 mln. Dit verklaart het bedrag aan aflossing op leningen.

UBR streeft ernaar bij een omvangrijke rekening-courantstand een beperkt beroep te doen op de leenfaciliteit. De opgenomen lening betreft dan ook alleen investeringen boven € 0,5 mln. Vanaf 2016 wordt er geen beroep gedaan op de leenfaciliteit. De investering van € 1 mln. zal worden gefinancierd uit het hoge Rekening-courantsaldo in de jaren 2016 t/m 2019.

Doelmatigheid

UBR levert als Shared Service Organisatie vele producten en diensten. Door de diversiteit van producten en diensten en de tarieven is gekozen voor een tweetal overall indicatoren voor de integrale kostprijzen en de verkooptarieven. Beide zijn door indexcijfers weergegeven (2011 = 100).

Baten-lastenagentschap UBR
Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving Generiek Deel

2013 Stand Slotwet

2014 Vastgestelde begroting

2015

2016

2017

2018

2019

Kostprijzen per product (groep) (indexcijfer)

106

99

100

99,5

99,5

99,5

99,5

Tarieven/uur (indexcijfer)

98,5

99

100

99,5

99,5

99,5

99,5

Omzet per FTE

122.801

125.612

120.996

121.024

121.056

121.091

121.091

               

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

820

857

901

902

903

904

904

               

Saldo van baten en lasten (%)

– 7,50%

0,37%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

               

Kwaliteitsindicator 1 – KTO

6,8

7,1

7,1

7,1

7,1

7,1

7,1

Kwaliteitsindicator 2 – MTO

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

Doorlichting uitgevoerd cq. gepland in:

 

2014

         

Toelichting op de doelmatigheidsindicatoren

Vanwege de taakstelling op basis van de tarieven van 2011 verlaagt UBR in de periode 2012 t/m 2016 haar tarieven jaarlijks. De generieke taakstelling is vertaald in jaarlijkse taakstellingsbedragen. UBR heeft de generieke taakstelling verwerkt door een verlaging van haar tarieven toe te passen. De verlagingen zijn berekend door de taakstellingsbedragen af te zetten in percentages van de omzet van 2011. De BTW verhoging van 2012 is verwerkt in de tarieven van 2013. UBR rekent externe kostenstijging door in haar tarieven. In 2014 zijn als gevolg hiervan de tarieven gemiddeld met 1,5% verhoogd.

De tarieven van UBR ontwikkelen zich volgens de trend van de bovenstaande indexcijfers. Om een nul resultaat te behalen, moeten de integrale kostprijzen dezelfde trend volgen als de tarieven.

Groei van UBR is geen doel op zich, maar zal organisch groeien als gevolg van het vollediger aansluiten van Ministeries. Hierdoor hoeven de Ministeries minder in eigen beheer uit te voeren dan wel uit te besteden in de markt.

4.4 FMHaaglanden

Inleiding

FMHaaglanden verzorgt de facilitaire dienstverlening voor de Ministeries Buitenlandse Zaken (BZ), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Infrastructuur en Milieu (IenM), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Veiligheid en Justitie (VenJ), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische zaken (EZ). Op termijn zullen ook Financiën (FIN) en Algemene Zaken (AZ) aansluiten.

FMHaaglanden levert producten en diensten op het gebied van gebouwbeheer, exploitatie, consumptieve diensten, risicobeheersing, schoonmaak, verhuizen, post en reprografie, verstrekken van inrichting, voorzieningen, vervoer, facility management en overige diensten. Middels een kostprijsmodel verdisconteert FMHaaglanden al zijn kosten via de producten aan de afnemers.

FMHaaglanden wil de professionele dienstverlener zijn voor rijksorganisaties in de regio Haaglanden, die gefaciliteerde rijkswerkplekken levert waardoor klanten comfortabel kunnen werken.

De volgende hoofddoelstellingen worden onderscheiden:

  • Het faciliteren van alle rijkorganisaties, uitgezonderd Defensie, binnen het verzorgingsgebied van de regio Haaglanden;

  • Het leveren van rijksbrede producten en diensten met eenduidige normen en uniforme doorbelasting;

  • Tevreden klanten en opdrachtgevers.

Ontwikkelingen

De komende jaren staan voor FMHaaglanden in het teken van nieuwe aansluitingen, het masterplan huisvesting, de samenwerking met facilitaire concerndienstverleners en de governance en sourcing van de Rijksbrede bedrijfsvoering (project SGO-5).

De realisatie van het masterplan huisvesting leidt tot veel mutaties in het verzorgingsgebied. Dit zal in de komende jaren gepaard gaan met relatief veel verhuisbewegingen tussen de diverse panden.

FMHaaglanden, Belastingdienst (BD), Dienst Justitiële inrichtingen (DJI) en Rijkswaterstaat (RWS) werken gezamenlijk toe naar een rijksbreed netwerk van facilitaire concerndienstverleners (ambitie 2020). Hiervoor is het samenwerkingsverband Landelijk Facilitair Management Overleg (LFMO) opgericht. De concerndienstverleners streven naar een gestandaardiseerd basispakket aan dienstverlening, één kostprijsmodel en een gelijke klantbenadering door de vier facilitaire concerndienstverleners vanaf 2015. FMHaaglanden zal in 2015 het grootste deel van de Rijksbrede Producten en Diensten Catalogus aanbieden in het verzorgingsgebied. Verder zijn de voorbereidingen voor een vaste verrekenprijs middels een gezamenlijk kostprijsmodel per 2016 in volle gang.

In het regeerakkoord is vanaf 2016 een taakstelling voor de Rijksdienst opgenomen. Het project SGO-5 is geïnitieerd om bij te dragen aan de toekomstige organisatie en sturing van de bedrijfsvoering bij het concern Rijk. Om het eindbeeld in 2016 te implementeren is in 2014 gestart met een aantal pilot Ministeries die samen met de SSO’s, waaronder FMHaaglanden, volgens het nieuwe governancemodel gaan werken. Daarnaast zal vanuit het deelproject bekostiging toegewerkt worden naar één verrekenprijs en uiteindelijk één centraal budget. FMHaaglanden is bezig met voorbereidingen om het eindbeeld in 2016 te realiseren. De effecten hiervan zijn op moment van schrijven nog niet te overzien en derhalve niet verwerkt in de ontwerpbegroting.

Staat van baten en lasten

Baten-lastenagentschap FMH
Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
 

2013 Stand Slotwet

2014

1e suppletoire begroting

2015

2016

2017

2018

2019

Baten

             

Omzet moederdepartement

30.645

17.336

16.882

16.890

16.898

16.906

16.914

Omzet overige departementen

86.008

91.255

97.961

98.008

96.055

96.101

96.147

Omzet derden

181

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

10

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

23

20

20

20

20

20

20

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

116.867

108.611

114.863

114.918

112.973

113.027

113.081

               

Lasten

             

Apparaatskosten

111.887

104.343

108.135

108.186

106.337

106.388

106.438

– personele kosten

29.598

33.646

30.446

30.461

26.478

26.492

26.507

– waarvan eigen personeel

23.958

27.752

23.946

23.961

23.478

23.492

23.507

– waarvan externe inhuur

5.640

5.894

6.500

6.500

3.000

3.000

3.000

– materiële kosten

82.289

70.697

77.689

77.726

79.859

79.895

79.932

– waarvan apparaat ICT

1.285

1.894

4.752

4.755

4.758

4.760

4.763

– waarvan bijdrage SSO’s

19.888

20.700

21.506

21.519

21.532

21.545

21.558

Rentelasten

472

549

557

558

554

554

554

Afschrijvingskosten

5.728

6.090

6.151

6.154

6.062

6.065

6.068

– materieel

5.728

6.090

6.151

6.154

6.062

6.065

6.068

– waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

– immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

20

20

20

20

20

20

– dotaties voorzieningen

0

20

20

20

20

20

20

– bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

118.087

111.002

114.863

114.918

112.973

113.027

113.081

               

Saldo van baten en lasten

– 1.220

– 2.391

0

0

0

0

0

Toelichting op baten en lasten

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van FMHaaglanden is een kostendekkende exploitatie. Een eventueel batig saldo zal aan het eigen vermogen worden toegevoegd; een eventueel surplus zal worden uitgekeerd aan de eigenaar.

In de ontwerpbegroting is geen rekening gehouden met de baten en lasten van de PPS constructie van Korte Voorhout 7, het pand waar het Ministerie van Financiën huisvest. Reden hiervoor is dat FMHaaglanden nog geen volledig inzicht heeft in de dienstverlening en de hiermee samenhangende baten en lasten.

In de begroting 2015 is de dienstverlening van EZ en AZ voor een volledig boekjaar meegenomen. In de cijfers van 2014 is voor AZ en EZ uitgegaan van respectievelijk zeven en elf maanden vanaf aansluiting.

Tot slot is de impact van de demarcatie RGD niet meegenomen in de begroting. Hierbij worden enkele onderdelen van producten die via FMHaaglanden worden aangeboden overgedragen aan de RGD. Dit traject is onderhanden en derhalve zijn de effecten op FMHaaglanden nog niet bekend.

FMHaaglanden werkt samen met de opdrachtgevers aan een versobering van het dienstverleningspakket. Doordat BZK heeft besloten een deel van Rutte II in te vullen als efficiency taakstelling is de taakstelling Rutte I ad 1.5% per jaar doorgetrokken over de jaren. Deze is zowel verwerkt in de baten als lasten. Dit is niet direct zichtbaar door wijzigingen in het verzorgingsgebied en de dienstverlening.

Omzet per productgroep:

  • Basis: het afgesproken pakket van producten en diensten dat de opdrachtgever afneemt van de opdrachtnemer en waarvoor de opdrachtgever een vaste prijs betaalt per vaste verrekeneenheid. De prijs (p) en de hoeveelheid (q) staan in principe gedurende het jaar vast. Bij substantiële wijzigingen in de dienstverlening zijn aanpassingen gedurende het jaar mogelijk. Het af te nemen volume (q) wordt in het jaar t-1 door de opdrachtgever bepaald;

  • Basis plus: producten en diensten waarvoor de opdrachtgever, afhankelijk van de hoeveelheid afgenomen producten en diensten, een prijs per artikel/product/dienst betaalt. De prijs (p) staat gedurende het jaar vast, de hoeveelheid (q) is afhankelijk van de vraag van artikelen/producten/diensten door de klant/opdrachtgever in het betreffende jaar;

  • Maatwerk: producten en diensten waarover tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer aparte afspraken worden gemaakt en waarvoor opdrachtnemer eerst een offerte uitbrengt aan opdrachtgever. Zowel de prijs (p) als de hoeveelheid (q) zijn dan ook vraag dan wel afname gestuurd;

  • Werkelijke kosten: producten die tegen de werkelijke gemaakte kosten bij de opdrachtgever in rekening worden gebracht. Zowel de prijs (p) en de hoeveelheid (q) zijn dan ook vraag dan wel afname gestuurd;

  • Overig: producten en diensten die buiten de productendienstencatalogus vallen van FMHaaglanden en zijn opgenomen in de specifieke dienstverleningsafspraken (DVA’s) met de opdrachtgever.

Personele kosten

De personele kosten omvatten alle personele uitgaven van de ambtenaren in dienst, gedetacheerde ambtenaren en kosten van uitzendkrachten en inhuur van externen. Vanaf 2017 vindt een verschuiving plaats van inhuur naar materiële kosten, immers de kosten voor de personele inzet van het consortium worden via het contract doorbelast als materiële kosten. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de verschuiving van BZ en IenM naar een PPS pand.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voor een belangrijk deel uit de directe inkoopkosten van de dienstverlening. Daarnaast vallen de kosten voor huisvesting, ICT en de servicekosten BZK onder deze post. Onder de uitsplitsing naar SSO’s hebben met name de kosten voor UBR een groot aandeel. Hierin zitten bijvoorbeeld de kosten voor RBO in de panden waar FMHaaglanden de dienstverlening verzorgt.

Rentelasten

Onder deze post zijn alle rentelasten opgenomen die verband houden met de financiering van materiële en immateriële vaste activa vanuit het Ministerie van Financiën.

Afschrijvingskosten

De overgenomen activa van de Ministeries is geactiveerd en worden conform de betreffende regelgeving afgeschreven. Voor nieuwe investeringen is dit eveneens van toepassing.

Kasstroomoverzicht

Baten-lastenagentschap FMH
Kasstroomoverzicht over het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
   

2013 Stand Slotwet

2014

1e suppletoire begroting

2015

2016

2017

2018

2019

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + depositorekeningen

22.853

7.391

7.151

7.151

7.151

7.151

7.151

2.

Totaal operationele kasstroom

– 3.738

3.679

4.913

5.472

5.542

5.366

5.602

 

-/- totaal investeringen

– 7.626

– 6.100

– 12.500

– 4.000

– 4.000

– 4.000

– 4.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

1.103

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 6.523

– 6.100

– 12.500

– 4.000

– 4.000

– 4.000

– 4.000

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

0

0

0

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (-/-)

– 5.201

– 3.919

– 4.913

– 5.472

– 5.542

– 5.366

– 5.602

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

0

6.100

12.500

4.000

4.000

4.000

4.000

4.

Totaal financieringskasstroom

– 5.201

2.181

7.587

– 1.472

– 1.542

– 1.366

– 1.602

5.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 miljoen euro)

7.391

7.151

7.151

7.151

7.151

7.151

7.151

Toelichting bij het kasstroomoverzicht

In 2015 is naast de aansluiting AZ en vervangingsinvesteringen rekening gehouden met de investeringen voor de inrichting van het pand waar SZW en VWS gaan huisvesten (Parnassusplein 5). Vanaf 2016 is het uitgangspunt dat er een gelijkmatig investeringsniveau is het beroep op de leenfaciliteit blijft hierdoor gelijk.

Doelmatigheid

Baten-lastenagentschap FMH
Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving Generiek Deel

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verloop tarieven basisdienstverlening (norm 2011)

             

Omzet per productgroep (pxq)

116.834

108.592

116.843

114.898

112.953

113.006

113.060

*Basis

81.711

86.703

91.447

91.502

89.557

89.610

89.664

*Basis+

5.577

5.972

8.791

6.791

6.791

6.791

6.791

*Maatwerk

18.675

2.203

2.188

2.188

2.188

2.188

2.188

*Werkelijk

9.178

10.878

11.175

11.175

11.175

11.175

11.175

*Overig

1.693

2.836

3.242

3.242

3.242

3.242

3.242

               

Saldo van baten en lasten (%)

– 1,0%

– 2,2%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

               

Personele kosten als % van de totale kosten

25,0%

30,3%

26,5%

26,5%

23,4%

23,4%

23,4%

Materiële kosten als % van de totale kosten

70,0%

69,7%

73,5%

73,5%

76,6%

76,6%

76,6%

               

Apparaatskosten (in €)

39.547

38.648

40.205

40.225

39.557

39.576

39.595

Klanttevredenheid

 

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Medewerkerstevredenheid

 

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

FTE-totaal (excl. Externe inhuur)

361

471

471

471

471

471

471

Toelichting op de doelmatigheidsindicatoren

Als gevolg van het nieuwe werken wordt dezelfde werkplek intensiever gebruikt. Een resultaat hiervan is dat ook de invulling van de dienstverlening wijzigt. De eenheid werkplek krijgt door het nieuwe werken een andere definitie. Deze definitie wordt vastgesteld in de Interdepartementale Commissie Facilitair en Huisvesting. De aanpassing van de definitie zal invloed hebben op de index «verloop tarieven basisdienstverlening». Omdat hierdoor het verloop van de tarieven een verkeerd beeld zal geven is deze niet meegenomen in de doelmatigheidsindicatoren.

Omdat FMHaaglanden een flexibele schil heeft gecreëerd middels de inhuur blijft het aantal fte gelijk. In de inhuurkosten en dus personeelskosten zal wel een dalende trend te zien zijn vanaf 2017.

4.5 SSC ICT Haaglanden

Inleiding

SSC-ICT Haaglanden is de rijksbrede shared service organisatie die de Compacte Rijksdienst ontzorgt met generieke en gemeenschappelijk ICT oplossingen. Per 1 januari 2015 wordt het baten-lastenagentschap GDI, de ICT organisatie van VenJ die per 1 januari 2014 is overkomen naar BZK, in SSC-ICT Haaglanden geïntegreerd. In 2015 wordt de dienstverlening van voormalig GDI en SSC-ICT Haaglanden volledig samengevoegd.

SSC-ICT Haaglanden levert generieke Rijksbrede toepassingen als Rijksportaal en de Samenwerkingsruimte.

Daarnaast verzorgt SSC-ICT Haaglanden voor de aangesloten Ministeries de telecommunicatie, hosting van bedrijfspecifieke applicaties en op de Digitale Werkplekomgeving Rijk (DWR) gebaseerde kantoorautomatisering. In 2015 betreft dit de Ministeries van AZ, BZK, FIN, IenM, VWS en SZW.

Naar verwachting wordt conform project 7 van de Compacte Rijksdienst de dienstverlening per 1 oktober 2014 verder uitgebreid met BZ en medio 2015 met EZ. De financiële verwerking hiervan zal na definitieve besluitvorming plaatsvinden in de eerstvolgende begroting.

SSC-ICT Haaglanden is in het kader van project 4 van de Compacte Rijksdienst aangewezen als dienstverlener voor het Overheids Data Center (ODC) voor de Haagse km2. Dit datacenter wordt naar verwachting eind 2014 door de bouwer opgeleverd, waarna in 2015 de exploitatie start. De hiermee verband houdende omzet en kosten zijn onderdeel van deze begroting. De migratie van de departementale datacenters naar het nieuwe Overheids DataCenter voor de Haagse vierkante kilometer (ODC DH KM2) betekent voor SSC-ICT Haaglanden een stijging van baten en lasten.

De bekostiging van SSC-ICT Haaglanden is volledig tarief gefinancierd. De generieke ICT wordt gefinancierd met een solidariteitstarief gebaseerd op aantal IAR’n per Ministerie. De gemeenschappelijke ICT wordt verrekend met tarieven per hoeveelheid afgenomen product. Het maatwerk wordt in rekening gebracht op basis van vooraf geoffreerde vaste prijzen of nacalculatie.

Staat van baten en lasten

Baten-lastenagentschap SSC-ICT Haaglanden
Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
 

2013 Stand Slotwet 1

2014

1e suppletoire begroting

2015

2016

2017

2018

2019

Baten

             

Omzet moederdepartement

35.663

29.536

28.000

27.000

27.000

27.000

27.000

Omzet overige departementen

80.636

155.390

150.000

147.000

147.000

147.000

147.000

Omzet derden

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

686

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

116.985

184.926

178.000

174.000

174.000

174.000

174.000

               

Lasten

             

Apparaatskosten

90.668

157.788

149.000

143.000

143.000

143.000

143.000

– personele kosten

39.908

86.833

85.000

84.000

82.000

82.000

82.000

– waarvan eigen personeel

22.996

48.543

51.000

53.000

55.000

55.000

55.000

– waarvan externe inhuur

16.912

38.290

34.000

31.000

27.000

27.000

27.000

– materiële kosten

50.760

70.955

64.000

59.000

61.000

61.000

61.000

– waarvan apparaat ICT

47.259

60.865

53.000

48.000

50.000

50.000

50.000

– waarvan bijdrage SSO’s

3.501

4.560

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Rentelasten

77

1.542

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Afschrijvingskosten

16.235

25.496

28.000

30.000

30.000

30.000

30.000

– materieel

16.235

25.496

28.000

30.000

30.000

30.000

30.000

– waarvan apparaat ICT

 

23.249

28.000

30.000

30.000

30.000

30.000

– immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

83

0

0

0

0

0

0

– dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

83

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

107.063

184.826

178.000

174.000

174.000

174.000

174.000

               

Saldo van baten en lasten

9.922

0

0

0

0

0

0

X Noot
1

Cijferbeeld betreft alleen SSC ICT.

Toelichting op baten en lasten

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van agentschap SSC-ICT is een kostendekkende exploitatie. Hierbij is rekening gehouden met de taakstelling op de tarieven.

Personele kosten

De personele kosten omvatten alle personele uitgaven van de ambtenaren in dienst, gedetacheerde ambtenaren en kosten van uitzendkrachten en inhuur van externen. Doordat wordt ingezet op verambtelijking, stijgen de kosten eigen personeel en dalen de externe inhuur kosten.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voor een belangrijk deel uit de directe inkoopkosten van de dienstverlening, zoals kosten voor de (reguliere) ICT-werkplek en hostingskosten voor applicaties. Daarnaast vallen de kosten voor huisvesting, ICT en de servicekosten Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onder deze post. Door efficiëntere inzet van materieel en scherpere inkoop hiervan dalen deze kosten de komende jaren.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op de financieringslasten van de bij het Ministerie van Financiën aangegane leningen voor de aanschaf van de voor de dienstverlening benodigde hard- en software en overige materiële vaste activa. De rente in deze begroting is bepaald met een rekenrente van 2%.

Afschrijvingskosten en specifieke ICT middelen

De afschrijvingen bestaan uit afschrijvingen van de investeringen in hard- en software en overige materiële vaste activa. De voor de generieke en gemeenschappelijke basis- en basisplusdienstverlening benodigde activa zijn in eigendom bij SSC-ICT Haaglanden. Voorzieningen die met projectgebonden rijksgelden, bijvoorbeeld Vernieuwing Rijksdienst, zijn gefinancierd worden niet geactiveerd. Specifieke ICT middelen zijn eigendom van de opdrachtgever. Door uitbreiding van bestaande dienstverlening en nieuwe dienstverlening zijn extra investeringen voorzien waarmee hogere afschrijvingslasten gepaard gaan.

Taakstelling

SSC-ICT Haaglanden heeft vanaf 2012 tot en met 2016 als taakstellig haar tarieven jaarlijks met 1,5% te laten dalen. Het in deze begroting geïntegreerde GDI heeft aanvullend een taakstelling op de tarieven van 2015 van 3,5%. Beide taakstellingen zijn in deze begroting verwerkt.

SSC-ICT Haaglanden realiseert de hiervoor benodigde kostenreductie door bij uitbreiding van de dienstverlening efficiency slagen te maken, door het beperken van de externe inhuur, door efficiëntere inzet van materiaal en het scherper inkopen hiervan.

Kasstroomoverzicht

Baten-lastenagentschap SSC-ICT Haaglanden
Kasstroomoverzicht over het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
   

2013 Stand Slotwet 1

2014

1e suppletoire begroting

2015

2016

2017

2018

2019

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + depositorekeningen

0

25.829

17.673

17.000

17.000

17.000

17.000

2.

Totaal operationele kasstroom

25.868

8.065

8.065

27.327

30.000

30.000

30.000

 

-/- totaal investeringen

– 19.168

– 35.996

– 30.000

– 32.000

– 32.000

– 26.000

– 26.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

2.411

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 16.757

– 35.996

– 30.000

– 32.000

– 32.000

– 26.000

– 26.000

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

– 25.450

0

0

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

7.332

0

0

0

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (-/-)

– 9.982

– 16.221

– 28.000

– 30.000

– 30.000

– 30.000

– 30.000

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

42.103

35.996

30.000

32.000

32.000

26.000

26.000

4.

Totaal financieringskasstroom

14.003

19.775

2.000

2.000

2.000

– 4.000

– 4.000

5.

Rekening courant RHB 1 januari 2015 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4) (noot: maximale roodstand 0,5 miljoen euro)

23.114

17.673

– 2.262

14.327

17.000

17.000

17.000

X Noot
1

Cijferbeeld betreft alleen SSC ICT.

Toelichting bij het kasstroomoverzicht

In het kasstroomoverzicht worden 3 geldstromen onderscheiden:

  • Het totaal operationele kasstroom is het saldo van ontvangsten van afnemers en betalingen aan personeel en crediteuren.

  • Bij het totaal investeringskasstroom zijn de uitgaven verantwoord die verband houden met de investeringen in materiële vaste activa. Dit betreft onder andere reguliere vervangingsinvesteringen en investeringen voor het Overheids Data Center.

  • Onder totaal financieringskasstroom is het saldo weergegeven van de van het Ministerie van Financiën voor de investeringen ontvangen leningen en de aflossingen daarop.

Al deze geldstromen verlopen via de bij de Rijkshoofdboekhouding aangehouden rekening courant. Dagelijks wordt hierop het saldo bijgeschreven van alle mutaties op de bankrekeningen van SSC-ICT Haaglanden.

Doelmatigheid

Baten-lastenagentschap SSC-ICT
Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving Generiek Deel

2013 1

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Taakstellende tariefverlaging

1,5%

1,5%

1,5%

1,5%

     

Verbetering kostprijzen infrastructuur componenten

 

1,0%

1,0%

1,0%

     

Verbetering kostprijzen werkplekcomponenten

 

1,0%

1,0%

1,0%

     
               

Kostprijs voor beheertaken (werkplektarief, exclusief datacenter)

1.875

1.850

1.822

1.795

1.795

1.795

1.795

               

Totale omzet per product of dienst

115.799

184.926

178.000

174.000

174.000

174.000

174.000

generiek (infrastructuur, rijksportaal en samenwerkfunctionaliteit, ODC DH km2)

14.431

14.100

14.000

14.000

14.000

14.000

14.000

gemeenschappelijk (basis kantoorautomatisering + hosting

83.992

110.000

108.000

106.000

106.000

106.000

106.000

specifiek (plusdiensten en maatwerk)

17.376

60.826

56.000

54.000

54.000

54.000

54.000

               

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

377,5

626

658

683

709

709

709

Aantal externe fte’s in % van de totale fte’s

 

44%

40%

37%

33%

33%

33%

               

Saldo van baten en lasten (%)

8,5%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

               

Verschil benchmarkvergelijking

 

2%

2%

2%

2%

2%

2%

               

Klanttevredenheid (KTO)

 

7

7

7

7

7

7

Medewerkertevrededenheid (MTO)

7

7

7

7

7

7

Omschrijving Specifiek Deel – ICT Diensten

2013*

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Beschikbaarheid (betrouwbaarheid) basisfunctionaliteit

100%

98%

98%

98%

98%

98%

98%

Geleverd binnen gestelde termijn

93%

90%

90%

90%

90%

90%

90%

Incidenten hersteld binnen afgesproken tijd

93%

90%

90%

90%

90%

90%

90%

Kwaliteit beantwoorden vragen

             

beantwoorden helpdeskvragen binnen afgesproken tijd

99%

95%

95%

95%

95%

95%

95%

direct beantwoorden helpdeskvragen

88%

80%

80%

80%

80%

80%

80%

X Noot
1

Cijferbeeld betreft alleen SSC ICT.

4.6 Rijksgebouwendienst

Inleiding

De Minister voor Wonen en Rijksdienst is verantwoordelijk voor de uitvoering van de rijkshuisvesting door de Rijksgebouwendienst en voor de kaderstelling voor het rijksbrede beleid op het terrein van de rijkshuisvesting, die vanuit het directoraat generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk wordt vormgegeven.

De Rijksgebouwendienst:

  • draagt bij aan het succesvol functioneren van zijn gebruikers door het bieden van efficiënte en effectieve huisvestingsoplossingen;

  • verzorgt voor de Minister voor Wonen en Rijksdienst de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken, de huisvesting van het Koninklijk Huis voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat en de instandhouding van de monumenten in beheer van de dienst;

  • draagt bij aan de studies en activiteiten van de Rijksbouwmeester zoals advisering over architectuur(beleid), stedenbouw, monumentenzorg en beeldende kunst;

  • is naast Rijkshuisvester, als Corporate Real Estate Manager, ook beheerder over het in de rijkshuisvesting geïnvesteerde vermogen en heeft een verantwoordelijkheid voor het in stand houden van het culturele erfgoed in de vorm van ruim 400 monumenten 3. Als Corporate Real Estate Manager adviseert de Rijksgebouwendienst over het aankopen, plannen en afstoten van rijkshuisvesting met als doel een bijdrage te leveren aan het primaire proces en het algemene resultaat van de rijksoverheid.

Exploitatie

Baten-lastenagentschap RGD
Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2015 (Bedragen x € 1.000)
 

2013 Stand Slotwet

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Baten

             

Omzet moederdepartement

22.060

19.848

18.850

19.562

16.530

16.530

16.095

Omzet overige departementen

1.355.306

1.258.720

1.221.996

1.224.295

1.209.535

1.212.223

1.176.915

Omzet derden

12.312

8.800

8.888

8.977

9.067

9.157

9.249

Rentebaten

997

Vrijval voorzieningen

12.447

Overige baten

34.698

12.300

10.706

10.813

10.921

11.030

11.141

Totaal baten

1.437.820

1.299.668

1.260.440

1.263.647

1.246.053

1.248.940

1.213.400

               

Lasten

             

Product Huisvesting

             

Apparaatskosten (netto)

68.531

70.916

70.981

70.389

68.104

67.215

61.119

Huren

255.253

237.785

240.163

230.588

216.766

210.788

208.783

PPS lasten

51.277

49.260

49.603

72.116

91.785

98.816

97.445

Rentelasten

282.222

234.949

232.055

243.815

244.179

235.559

228.532

Afschrijvingen

356.963

316.348

323.659

329.523

335.967

341.433

325.235

Onderhoud

134.199

140.095

139.501

132.989

129.691

130.452

129.901

Dotaties voorzieningen

33.337

40.400

14.035

12.641

12.763

12.367

12.487

Belastingen en heffingen

23.200

21.700

21.994

21.035

20.108

19.908

19.894

Investeringen buiten gebruiksvergoedingen

78.221

78.265

61.097

57.689

56.183

56.203

55.784

Overige producten

             

Services

37.860

36.000

34.340

34.683

35.030

35.381

35.734

Adviezen

11.631

11.390

11.322

11.251

11.384

11.517

11.653

Beleidsondersteuning

5.326

6.188

6.642

5.742

4.242

4.242

4.242

Overige lasten

85.727

30.150

20.806

21.014

16.073

16.233

16.396

Totaal lasten

1.423.747

1.273.446

1.226.198

1.243.476

1.242.275

1.240.114

1.207.204

               

Saldo van baten en lasten

14.073

26.222

34.242

20.171

3.777

8.826

6.196

Toelichting op baten en lasten

Omzet moederdepartement

De Minister voor Wonen en Rijksdienst betaalt de kosten voor het onderhoud van de monumenten in beheer van de Rijksgebouwendienst. De Minister is tevens opdrachtgever voor de Rijksgebouwendienst voor het leveren van ondersteuning aan het moederdepartement en voor de uitvoering van het rijksbeleid gerelateerd aan de rijkshuisvesting (zie artikel 6 van de begroting). Aan het moederdepartement worden de werkelijke kosten in rekening gebracht, inclusief de apparaatskosten die toegerekend worden aan deze (deel) producten.

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen omvat alle opbrengsten voor geleverde producten en diensten. Het gaat daarbij om ontvangen gebruiksvergoedingen, egalisatie, bijdragen voor kleine projecten, services, adviezen en vergoedingen voor verrichte taxaties.

Binnen het huur-verhuurstelsel voor rijkshuisvesting worden interne verhuurcontracten afgesloten tussen de Rijksgebouwendienst en de Ministeries. Op basis van de «Huurprijsmethodiek Rijksgebouwendienst» brengt de Rijksgebouwendienst een gebruiksvergoeding in rekening. De gebruiksvergoedingen van kantoren zijn sinds 2013 (met uitzondering van de jaarlijkse indexatie) bevroren op het niveau van 2012. Voor de specialties (voor zover het rijksonderdelen betreft) geldt bevriezing per 1 januari 2014 (eveneens met uitzondering van de jaarlijkse indexatie) op het niveau van 2013. Daartegenover staat dat de Rijksgebouwendienst nu verantwoordelijk is voor de uitvoering en instandhouding in die delen van de voorraad.

De huidige gebruiksvergoeding bij eigendomspanden bestaat uit componenten voor rente en afschrijving en één component voor de kosten van onderhoud, leegstand, belastingen en het apparaat van de Rijksgebouwendienst voor zover zich dat bezig houdt met rijkshuisvesting. Bij huurpanden bestaat de gebruiksvergoeding ten minste uit componenten voor de markthuur en apparaatskosten. Daarnaast zijn hier de opbrengsten van PPS-contracten opgenomen.

In de raming van de gebruiksvergoeding is rekening gehouden met het opleveren van nieuwe projecten en met de voorziene krimp van huisvesting van de overheid. Met ingang van 2016 wordt als onderdeel van een vernieuwd rijkshuisvestingstelsel de nieuwe beprijzing ingevoerd. Doelstelling is o.a. vereenvoudiging van het rijkshuisvestingstelsel. Het betreft een vaste m²-prijs voor kantoren per regio (Den Haag, Randstad, rest van Nederland). Voor de specialties wordt nog gewerkt aan de nieuwe beprijzingmethode per complex.

Sinds 2010 betaalt het moederdepartement naar analogie van het huur-verhuurstelsel, ook een gebruiksvergoeding voor de huisvesting van het Koninklijk Huis voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat, de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken. Deze organisaties betalen zelf geen gebruiksvergoeding voor hun huisvesting, maar worden betaald via de begroting van W&R, die verantwoordelijk is voor de huisvesting van de genoemde diensten.

De huurprijsmethodiek Rijksgebouwendienst heeft als uitgangspunt een (afgezien van de toegepaste indexering) constante huurprijs over de contractperiode. De jaarlijkse opbrengst is daarom een constante reeks, terwijl de kosten van rente en afschrijving per jaar variëren. Het verschil tussen de baten en lasten van rente en afschrijving wordt jaarlijks op contractniveau geëgaliseerd. In de balans is dit zichtbaar als een langlopende vordering op de gebruikers van de panden onder de post «egalisatierekening».

Met de invoering van de vaste m²-prijs voor kantoren per 1 januari 2016 vervalt deze werkwijze. De stand van de vordering op 31 december 2015 wordt met de Ministeries afgerekend. Voor specialties is nog niet besloten over de nieuwe beprijzing en de egalisatie.

Bij omzet departementen gaat het daarnaast ook om investeringen buiten gebruiksvergoeding (kleine, à fonds perdu gefinancierde