Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201331490 nr. 128

31 490 Vernieuwing van de rijksdienst

Nr. 128 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR WONEN EN RIJKSDIENST

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 juni 2013

Uw Kamer heeft afgelopen periode vier brieven ontvangen over de uitgewerkte plannen voor herhuisvesting van Defensie (Kamerstuk 32 733, nr. 47), Veiligheid en Justitie (Kamerstuk 29 628, nr. 348), het masterplan van de Dienst Justitiële Inrichtingen (Kamerstuk 24 587, nrs. 490 en 535) en de Rijkshuisvesting (tegelijkertijd met deze brief verzonden).

De rode draad in deze brieven is dat de overheid kleiner wordt, dat deze efficiënter wordt georganiseerd, dat er soberder normen worden gehanteerd en dat zich dit vertaalt in een aanmerkelijk geringere behoefte aan de verschillende vormen van de rijkshuisvesting.

Naar aanleiding van het Verslag Algemeen Overleg over rijkshuisvesting en rijksvastgoed d.d. 26 februari jl. heeft uw Kamer de motie De Vries (Kamerstuk 31 490, nr. 111) aangenomen. Hierin wordt de regering verzocht om:

  • 1. bij de uitwerking van de taakstelling door middel van tijdige en actieve coördinatie tussen alle betrokkenen organisaties te voorkomen dat de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Limburg en Zeeland per saldo onevenredig worden getroffen;

  • 2. voor 1 juli 2013 de per provincie uitgewerkte plannen voor herhuisvesting van rijksdiensten inclusief Defensie, politie, justitie, gevangeniswezen, UWV, Kamers van Koophandel, inspecties en andere ZBO’s aan de Kamer te sturen.

Met deze brief geef ik invulling aan deze moties. Na een terugblik op de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de afgelopen jaren, geef ik u een samenvatting van de reorganisaties bij de Rijksdienst. Dit mondt uit in een totaalbeeld van de werkgelegenheidseffecten van deze plannen per provincie, inclusief mijn conclusies over de evenredigheid daarvan.

Deze brief gaat in op de effecten van de taakstellingen tot en met het Kabinet Rutte I. De effecten van Rutte II zijn door de departementen nog niet zodanig concreet uitgewerkt, dat alle huisvestingseffecten al in beeld kunnen zijn (met uitzondering van masterplan DJI). Bij de invulling van de Rutte II taakstelling door de departementen, zal ik de huisvestingseffecten op dezelfde wijze behandelen als de effecten van alle taakstellingen t/m Rutte I.

In deze brief zijn de aanpassingen van het masterplan Dienst Justitiële Inrichtingen naar aanleiding van het debat daarover met uw Kamer van 6 juni jl. (Handelingen II 2012/13, nr. 92) verwerkt.

1. Ontwikkeling werkgelegenheid Rijksdienst in de afgelopen jaren

In 2009 is onderzocht hoe de vermindering van arbeidsplaatsen als gevolg van de invulling van de toenmalige taakstelling is verdeeld over de provincies, en is dit onderzoek naar de Kamer gestuurd (Kamerstuk 31 490, nr. 21). Aanleiding hiervoor was de motie Heijnen c.s. (Kamerstuk 31 490, nr. 13), om de taakstelling «niet onevenredig te doen neerslaan in de verschillende provincies in ons land en – als het enigszins kan – de provincies met de hoogste werkloosheid te ontzien». Op dit onderzoek is qua methodiek in deze brief zo veel mogelijk aangesloten.

Bijlage 11 geeft de ontwikkeling van de werkgelegenheid bij de Rijksdienst weer over de periode 2009–2012. Zowel de totale werkgelegenheid in Nederland, als de werkgelegenheid bij de Rijksdienst is in de periode 2009–2012 gedaald. De Rijksdienst levert ook iets minder bijdrage aan de totale werkgelegenheid in Nederland: dit percentage is gedaald van 3,7% in 2009 naar 3,4%2 in 2012. Verder valt op dat het percentage werkgelegenheid bij de Rijksdienst per provincie verschilt. Dit gegeven vormt voor mij de uitgangssituatie bij de beoordeling of er sprake is van een eerlijke verdeling van de krimp in werkgelegenheid.

2. Reorganisatie van de Rijksdienst

Bij de verschillende onderdelen van de Rijksdienst spelen diverse reorganisaties, die krimp en verplaatsingen tot gevolg hebben.

2.1. Defensie

Met de beleidsbrief Defensie uit 2011 (Kamerstuk 32 733, nr. 1) heeft mijn collega bewindspersoon van Defensie u geïnformeerd over de wijze waarop de noodzakelijke bezuinigingen bij het Ministerie van Defensie van in totaal circa € 1 mld. zullen worden ingevuld. Die bezuinigingen hebben tot gevolg dat de komende jaren ongeveer 12.000 functies komen te vervallen.

Als gevolg van deze bezuinigingen ondergaat Defensie de komende jaren belangrijke wijzigingen in de samenstelling en de omvang van de eenheden.

Gelijktijdig met het ontwikkelen van de nieuwe defensieorganisatie wordt

onderzocht op welke wijze de herbelegging/huisvesting hieraan een bijdrage kan leveren. Dit onderzoek heeft geleid tot het Herbeleggingsplan Vastgoed Defensie (Kamerstuk 32 733, nrs. 44, 47 en 69). De realisatie van dit plan wordt voorzien in de periode 2012–2019. De Kamer is afgelopen periode al over het herbeleggingsplan geïnformeerd.

2.2. Nationale Politie

Vorig jaar informeerde mijn collega bewindspersoon van Veiligheid en Justitie uw Kamer over het locatiebeleid voor de Nationale Politie, de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie (Kamerstuk 29 629, nr. 348).

De vorming van de Nationale Politie heeft gevolgen voor de werkgelegenheid en geografische spreiding daarvan. De grootste effecten zullen plaatsvinden in de niet-operationele sterkte van het korps. Daar vindt zowel een vermindering van de totale formatie plaats als ook een herschikking van deze formatie over geografische locaties in Nederland. Door de vorming van het korps, en de nieuwe inrichting van een aantal operationele taken, ontstaan mogelijk ook werkgelegenheidseffecten in de operationele sterkte. Daarbij gaat het met name om beperkte effecten door de bundeling en herschikking van samenhangende operationele taken binnen eenheden. Operationele taken worden in heel Nederland uitgevoerd en gehuisvest. Alleen de inrichting van de landelijke meldkamer organisatie op 10 locaties zal effecten hebben op de geografische verdeling van operationele taken. Na het afronden van het transitieaccoord wordt uitgewerkt hoe een en ander doorwerkt in de geografische verdeling operationele sterkte van de politie voor de meldkamers.

Medewerkers in de niet-operationele sterkte van het korps verrichten ondersteunende taken in het hele korps en op vele locaties in Nederland. Deze taken omvatten zowel de bedrijfsvoeringstaken als staftaken zoals secretariaten, administratieve ondersteuning en dergelijke. Op het hoofdbureau van het korps en in elke eenheid worden ondersteunende taken uitgevoerd. Daarnaast zal het Politie Diensten Centrum (PDC) het grootste deel van de ondersteunende taken uitvoeren op zowel de drie PDC locaties in de regio’s Zwolle, Rotterdam en Eindhoven (geconcentreerde PDC taken) als in zo’n 50 gemeenten in Nederland (gedeconcentreerde PDC taken).

2.3. Dienst Justitiële Inrichtingen

Het Masterplan van de Dienst Justitiële Inrichtingen (Kamerstuk 24 587, nr. 490 en 535) geeft invulling aan een financiële taakstelling oplopend tot € 271 mln. in 2018.

De financiële opgave wordt gerealiseerd door een aantal maatregelen:

  • Werken met goedkopere modaliteiten: invoering van een basisregime voor arrestanten en preventief gehechten, electronische detentie, op grotere schaal gebruik maken van meerpersoonscellen en verkorting van de gemiddelde behandelingsduur bij TBS

  • Reductie van capaciteit

  • Reductie van reservecapaciteit

  • Doorvoeren van tariefkortingen en kostprijsverlaging bij particuliere aanbieders

  • Overige maatregelen zoals kortingen op verschillende ondersteunende diensten en het hoofdkantoor.

De uitvoering van de maatregelen in dit Masterplan DJI leidt tot sluiting van inrichtingen en dit heeft aanzienlijke gevolgen voor het personeel van DJI. Thans werken bij DJI circa 16.000 medewerkers. Door sluiting van inrichtingen, wijziging in modaliteiten en bovengenoemde kortingen op ondersteunende diensten en het hoofdkantoor zijn er eind 2018 ca. 2000 fte. minder nodig dan eind 2012.

Ook zijn de effecten van het Masterplan DJI 2009 opgenomen: ca. 700 fte in 2013 en volgende jaren te sluiten Penitentiaire Inrichtingen.

2.4. Rechtspraak, Openbaar Ministerie en overige onderdelen Veiligheid en Justitie

De Rechtspraak kent 32 bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zittingsplaatsen sinds 1 januari 2013. De rechtspraaklocaties zijn veelal eigendomspanden. Om leegstand te vermijden en de VenJ-strafrechtketen te versterken wordt waar mogelijk VenJ-clustervorming nagestreefd. In voorkomende gevallen betreft dit met name het OM en/of de Raad voor de Kinderbescherming en/of NIFP, die worden gehuisvest in gerechtsgebouwen. Verder zullen 24 kantonlocaties worden gesloten.

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft een huisvestingsplan opgesteld dat voorziet in de concentratie op 10 hoofdlocaties en de aanwezigheid in 10 zittingsplaatsen van een rechtbank. Daarbij huurt het OM per zittingsplaats werkplekken zodat bij alle zittingen ter plaatse is voorzien in beschikbaarheid van officieren van justitie. Het OM kiest ook voor fysieke aanwezigheid in Veiligheidshuizen en ZSM-locaties (politiebureaus) en heeft het plaats-en-tijd-onafhankelijk werken sterk doorgevoerd, resulterend in een verdere daling van de werkplek normering. Het OM gaat hierdoor terug in ruimte van circa 180.000 m2 naar circa 90.000 m2.

2.5. Kantoorhuisvesting van het Rijk

Mijn ambtsvoorganger heeft in 2011 uw Kamer reeds geïnformeerd over de gevolgen van de verdere krimp van de departementen in de komende jaren voor de huisvesting van de Ministeries in Den Haag (Kamerstuk 31 490, nr. 71). Op basis van een uitgebreide analyse van de voor het Rijk meest doelmatige oplossing, heeft de Ministerraad in 2011 besloten om een aantal Ministeries in Den Haag gezamenlijk te huisvesten. De besparing hiervan zal de komende jaren oplopen tot circa € 62 miljoen per jaar, nog los van de besparingen van voorgaande kabinetten op de huisvesting in Den Haag. Dit plan is inmiddels in uitvoering.

De Ministerraad stelde op 30 september 2011 het kantorenlocatiebeleid vast. Besloten is om het Rijk, in verband met afnemende behoefte aan kantoorruimte, hoofdzakelijk te vestigen in de bestaande eigendomspanden van het Rijk. De behoefte aan kantoorruimte neemt af als gevolg van verscherpte huisvestingsnormen en een reductie van personeelsaantallen. Met de afstoot van overtollige panden wordt een besparing op de huisvestingskosten gerealiseerd van circa € 80 miljoen per jaar vanaf 2020 die ten goede komt aan de departementen ter invulling van de eerder opgelegde taakstellingen.

Het kantorenlocatiebeleid is uitgewerkt door per provincie een masterplan op te stellen. In een masterplan wordt inzichtelijk hoe per jaar tot en met 2020 het aanbod van rijkskantoren en de vraag van departementen naar rijkskantoren samen komen. In deze plannen zijn ook de inspecties, de rechtbanken en het Openbaar Ministerie meegenomen. Onlangs informeerde ik uw Kamer over het totaalbeeld van de huisvestingsconsequenties per provincie (tegelijkertijd met deze brief verzonden).

De motie Koopmans-Van der Burg (Kamerstuk 31 066, nr. 123) verzoekt de regering, overal waar rijksmiddelen in het geding zijn, zoals onder andere bij agentschappen en zbo's, te laten heroverwegen of nieuwbouw nodig is. De motie is een ondersteuning van het beleid. Huisvestingsvragen worden in eerste instantie binnen de huidige eigendomspanden beantwoord. Een mogelijkheid tot nieuwbouw kan alleen nog ontstaan als uit een businesscase blijkt dat alternatieven met eigendomspanden niet aantrekkelijk zijn.

2.6. Zelfstandige Bestuursorganen

In mijn reactie op de motie de Vries heb ik aangegeven dat Zelfstandige Bestuursorganen in hun aard meer op afstand staan van het Rijk en daarmee ook hun huisvestingsbeleid minder bepaald wordt door het rijksbrede beleid. Deze onderdelen van het Rijk zijn daarom niet meegenomen in de kwalitatieve analyses in de volgende hoofdstukken. Wel bevat bijlage 33 een beschrijving van welke organisatiewijzigingen en huisvestigingsbewegingen bij de Kamers van Koophandel en bij de vier grootste ZBO’s spelen.

Overigens is het relevant te benadrukken dat uw Kamer bij moties Koopmans-Heijnen (Kamerstuk 31 490, nr. 58) en Heijnen-Schouw (Kamerstuk 33 240 VII, nr. 9) heeft aangedrongen op de aansluiting van de ZBO’s bij de rijksbrede bedrijfsvoeringsinfrastuctuur en een fundamentele herziening van het stelsel van ZBO’s.

In het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst is hiermee een start gemaakt en deze beweging wordt in het kader van de Hervormingsagenda versterkt voortgezet en uitgebreid. De uitwerking daarvan is inmiddels ter hand genomen in het SGO project 4. De eerste resultaten van de verschillende onderdelen van dit project zijn inmiddels zichtbaar. Zodra de definitieve uitkomsten beschikbaar zijn, zal verdere besluitvorming worden voorbereid.

In bijlage 44 wordt ingegaan op de vraag welk deel van de totale huisvesting van de Rijksdienst is meegenomen in deze brief.

2.7. Relatie met krimpgebieden

In krimp- en anticipeergebieden is er vanwege bevolkingsdaling, daling van de beroepsbevolking, het afnemen van het aandeel jongeren in de bevolking en vergrijzing een extra grote opgave om de economische vitaliteit en de goedwerkende arbeidsmarkt te borgen. Dit is primair een verantwoordelijkheid van de desbetreffende gemeenten en provincies, in samenwerking met bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Vestigingen en werkgelegenheid van de Rijksoverheid spelen hierin een niet onbelangrijke rol. De aanwezigheid van de Rijksoverheid dient een zodanige schaal te hebben, dat die past bij benodigde voorzieningen van burgers en de behoeften van het lokale bedrijfsleven; denk daarbij bijvoorbeeld aan de Belastingdienst.

De krimp van de Rijksdienst is een logisch gevolg van de aan de Ministeries opgelegde taakstellingen. Bij de reorganisaties van de Rijksdienst, alsmede de optimalisering van de huisvesting, wordt rekening gehouden met de effecten op krimpregio’s (Kamerstuk 31 490, nr. 102 en 32 123 VII, nr. 35). Dit werkt in de krimpgebieden als volgt uit:

  • In Noordoost-Groningen vinden zo goed als geen wijzigingen plaats in de huisvesting van de Rijksdienst;

  • In de provincie Limburg is geen sprake van onevenredige werkgelegenheidseffecten; Zuid-Limburg verliest zo’n 100 fte’s op een totaal van 9.500 rijksambtenaren in die provincie. Daarnaast is sprake van verplaatsingen binnen de provincie;

  • De provincie Zeeland als geheel wint overigens substantieel aan werkgelegenheid door de komst van het Korps Mariniers naar Vlissingen. Er wijzigt niets aan vestigingen van Rijkswaterstaat, de Koninklijke Marechaussee en de Politie in Terneuzen. In Zeeuws-Vlaanderen vertrekt m.n. de Belastingdienst uit Terneuzen met een kleine 90 fte’s; dit najaar start het proces van verplaatsen van medewerkers van kantoor Terneuzen.

3. De totale werkgelegenheidseffecten per provincie

In onderstaande tabel zijn de werkgelegenheidseffecten per provincie bij Defensie, de Rechtspraak, de Nationale Politie, de Justitiële Inrichtingen en bij kantoorgebruikende organisaties van het Rijk, samengevat. Deze tabel is de som van de tabellen uit bijlage 25. De tabel bevat een overzicht van:

  • de huidige totale werkgelegenheid per provincie (peildatum 2012 o.b.v. gegevens CBS en LISA);

  • de huidige werkgelegenheid bij de Rijksdienst per provincie (peildatum 2012);

  • de relatieve werkgelegenheid bij de Rijksdienst als percentage van de totale werkgelegenheid per provincie;

  • de absolute afname van de werkgelegenheid bij de Rijksdienst in de periode 2013 tot 2020;

  • de relatieve afname van de werkgelegenheid bij de Rijksdienst in de periode 2013 tot 2020 als percentage van de totale werkgelegenheid per provincie;

  • de relatieve werkgelegenheid bij de Rijksdienst in 2020 als percentage van de totale werkgelegenheid per provincie.

De afname van de werkgelegenheid bij het Rijk is het gevolg van alle taakstellingen die afgelopen jaren in gang zijn gezet, waaronder de «Bekker-taakstelling» en de taakstellingen Balkenende IV en Rutte I.

TABEL 1: Werkgelegenheidsontwikkelingen per provincie

TABEL 1: Werkgelegenheidsontwikkelingen per provincie

In bijlage 4 worden de verschillen tussen het totaal aantal fte’s bij de Rijksdienst in de tabel 1 en bijlage 1 verklaard doordat een klein deel van de Rijksdienst (namelijk bepaalde specifieke rijkshuisvesting) niet is meegenomen in bovenstaande analyse.

4. De evenredigheid van de werkgelegenheidseffecten

De werkgelegenheid bij het Rijk als percentage van de totale werkgelegenheid neemt in de periode 2013–2020 neemt af van 3,4% naar 3,0%. Die daling is het gevolg van opgelegde taakstellingen, en derhalve voor mij een gegeven.

De relatieve daling van de werkgelegenheid bij het Rijk ligt in de provincies Groningen, Overijssel, Flevoland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg onder het gemiddelde van Nederland. In Zeeland is sprake van stijging van de werkgelegenheid bij het Rijk. De provincie Utrecht heeft een hoger dan gemiddelde afname (–0,5% in plaats van –0,3%), onder gelijktijdig behoud een veel hoger aandeel in de totale werkgelegenheid (4,4% i.p.v. landelijk gemiddelde van 3,0%).

Ten aanzien van de provincies Drenthe, Friesland, Noord-Holland en Gelderland zijn, mede na overleg met de lokale bestuurders, bijsturingsmaatregelen genomen om de onbalans bij deze provincies weg te nemen. Ik heb daarbij in overleg met mijn collega bewindspersonen toegewerkt naar de volgende initiatieven:

  • Het werkgelegenheidspercentage bij het Rijk blijft in de in uw motie genoemde provincie Drenthe boven het landelijk gemiddelde. Vanwege deze – toch nog bovengemiddelde – daling heb ik mijn collega bewindspersoon van EZ bereid gevonden om zijn plannen om met zijn kantoorhuisvesting deels uit Assen te vertrekken, te heroverwegen. Dit leidt tot behoud van werkgelegenheid in Drenthe van circa 300 arbeidsplaatsen. De kosten van deze maatregel hebben een effect op het besparingspotentieel van de masterplannen van circa € 3 mln. Verder behoudt Emmen 113 fte’s van de Belastingdienst en wordt het depot van het Nationaal Archief in Emmen uitgebreid. Deze bijstuurmaatregelen zijn reeds verwerkt in tabel 1.

    Ook mijn andere collega bewindspersonen hebben de mogelijkheden onderzocht om Drenthe te ontzien. Defensie zou werkgelegenheid vanuit Gelderland naar Drenthe kunnen verplaatsen, maar daarmee zou de onevenredigheid in Gelderland verder stijgen, dus dit is geen optie.

    Bij de verdere ontwikkelingen in de Rijksdienst zal ik nastreven dat het aandeel van de rijkswerkgelegenheid in de provincie Drenthe boven het landelijk gemiddelde van 3% blijft.

  • In uw motie wordt ook de provincie Friesland genoemd. De provincie verliest meer werkgelegenheid dan het gemiddelde. Het OM zal daarom tot 2016 circa 30 extra werkplekken aanhouden in Leeuwarden. Dit betreft enige landelijke diensten die in het kader van de ketensamenwerking met het CJIB in Leeuwarden moeten zijn gehuisvest. Voorts heeft de Staatssecretaris van Financiën aangegeven de vermindering van de Belastingdienst in Friesland aan passen zodat er geen sprake is van een vermindering van 8% maar nog slechts van 4% van de nu in Friesland beschikbare Belastingdienst werkplekken. Tenslotte zal de Minister van Defensie zich inspannen om de werkgelegenheid in Friesland waar mogelijk te behouden. Ik ben me ervan bewust dat hiermee de onbalans slechts gedeeltelijk is weggenomen. Het behoud van 80–100 werkplekken voor Friesland is opgenomen in tabel 1. Bij de verdere ontwikkelingen binnen de rijksdienst zal ik nastreven dat de onbalans structureel wordt weggenomen.

  • Dan de provincie Limburg. Naar aanleiding van de motie Van Vliet (Kamerstuk 31 066, nr. 124), waarin de regering wordt verzocht in het verlengde van eerdere aangenomen moties de sluiting van de kantoren in Venlo en Emmen te heroverwegen en eerst te kijken naar mogelijke maatregelen buiten de regio's, is na weging door mij van alle relevante aspecten besloten dat de Belastingdienst concentreert in Venlo met bijna 700 fte’s. Deze bijstuurmaatregelen zijn reeds verwerkt in tabel 1.

Met deze bijsturende maatregelen is invulling gegeven aan de motie de Vries.

Daarnaast speelt nog de onevenwichtigheid ten aanzien van Noord-Holland en Gelderland. Vanwege de onevenredige werkgelegenheidseffecten in de provincie Noord-Holland heb ik een aantal maatregelen onderzocht. In deze provincie hebben de Ministeries van Defensie en van Veiligheid en Justitie de grootste vestigingen. Daarom heb ik de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gevraagd om bij het aanpassen van zijn masterplan Dienst Justitiële Inrichtingen, bijzondere aandacht te schenken aan Noord-Holland (naast overigens Drenthe). Ten aanzien van Noord-Holland heeft hij besloten om twee penitentiaire inrichtingen niet te sluiten. Deze bijstuurmaatregelen zijn verwerkt in tabel 1.

Over de huisvestingsontwikkelingen en de krimpeffecten bij Defensie heeft uw Kamer reeds in een eerder stadium gesproken. Bij de Koninklijke Marine vindt een personeelsreductie plaats die in omvang overeenkomt met de algemene reductie bij Defensie. Vooral in Den Helder is dat merkbaar.

In de provincie Gelderland wordt de werkgelegenheidsdaling bij de Rijksdienst voor een groot deel verklaard door de krimp bij Defensie. Bijsturing hierop acht ik onrealiseerbaar vanwege het feit dat bijvoorbeeld militaire oefenterreinen nu eenmaal plaatsgebonden zijn en dat de krimp bij Defensie al een vaststaand feit is. Bij de Belastingdienst is sprake van verplaatsing van medewerkers vanuit kantoor Nijmegen vanaf dit najaar, grotendeels is dit binnen de provincie zelf.

De werkgelegenheidseffecten in de krimpgebieden acht ik niet onevenredig. In Noordoost-Groningen treden immers geen wijzigingen op, in Zuid-Limburg een – zeker ten opzichte van het gemiddelde in Nederland – marginale daling ten opzichte van de totale werkgelegenheid aldaar, en in Zeeuws-Vlaanderen is weliswaar sprake van een daling, maar de werkgelegenheid stijgt fors in het naastgelegen Zeeuwse landsdeel.

Het bovenstaande pakket aan bijsturingsmaatregelen acht ik – na intensief onderzoek en overleg met mijn collega’s en locale bestuurders – het maximaal haalbare op dit moment om de werkgelegenheidseffecten van alle in deze brief genoemde ontwikkelingen zo evenredig als mogelijk te verdelen.

De effecten van de krimp van de rijksdienst dient immers passend gemaakt te worden binnen de vaststaande realiteit van forse taakstellingen en van reeds met uw Kamer gemaakte afspraken over de primaire processen van de departementen. Bovendien stellen de primaire processen grenzen aan de maakbaarheid van Nederland; bij Defensie stellen eenheden soms specifieke eisen aan de oefenomgeving waardoor zij niet vrijelijk over Nederland verplaatst kunnen worden.

Vast staat voor mij ook dat verschuivingen in de vestigingen van rijksonderdelen blijvend plaats zullen vinden. Zoals ik heb aangegeven, zijn de taakstellingen van Rutte II nog niet in deze brief verwerkt (met uitzondering van masterplan DJI), omdat de plannen van de departementen op die taakstellingen in te vullen, nog niet voldoende concreet daarvoor zijn. Komende jaren wil ik daarom blijven sturen op de werkgelegenheidseffecten van nieuwe huisvestingsontwikkelingen van de Rijksdienst, en u daarover periodiek informeren.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Dit is exclusief bijzondere gebouwen. Zie bijlage 4.

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
4

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
5

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer