Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333605-XII nr. 1

33 605 XII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2012

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU (XII)

Aangeboden 15 mei 2013

Gerealiseerde uitgaven naar beleidsterrein voor 2012 (in € mln.)

Gerealiseerde uitgaven naar beleidsterrein voor 2012 (in € mln.)

Gerealiseerde ontvangsten naar beleidsterrein voor 2012 (in € mln.)

Gerealiseerde ontvangsten naar beleidsterrein voor 2012 (in € mln.)

INHOUDSOPGAVE

   

blz.

     

A.

ALGEMEEN

5

1.

Aanbieding en déchargeverlening

5

2.

Leeswijzer

9

     

B.

BELEIDSVERSLAG

13

3.

Beleidsprioriteiten

13

4.

Beleidsartikelen

28

 

Artikel 1 Water

28

 

Artikel 2 Ruimtelijke Ontwikkeling

38

 

Artikel 3 Wegen en Verkeersveiligheid

52

 

Artikel 4 Openbaar Vervoer en Spoor

64

 

Artikel 5 Mainports en Logistiek

78

 

Artikel 6 Klimaat, Lucht en Geluid

109

 

Artikel 7 Duurzaamheid

123

 

Artikel 8 Externe Veiligheid en Risico’s

131

 

Artikel 9 Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

137

 

Artikel 10 Handhaving en Toezicht

142

     

5.

Niet-beleidsartikelen

147

 

Artikel 97 Algemeen Departement

147

 

Artikel 98 Apparaat Kerndepartement

150

 

Artikel 99 Nominaal en Onvoorzien

152

     

6.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

153

     

C.

DE JAARREKENING

160

7.

Verantwoordingsstaten

160

 

7.1 De departementale verantwoordingsstaat 2012 van het ministerie van Infrastructuur en

160

 

7.2 De samenvattende verantwoordingsstaat 2012 van de agentschappen van het ministerie van Infrastructuur en Milieu

162

 

7.3 De departementale saldibalans per 31 december 2012

164

 

7.4 De balansen per 31 december 2012 van de agentschappen van het ministerie van Infrastructuur en Milieu

175

     

D.

BIJLAGEN

205

 

Toezichtrelaties en ZBO’s/RWT

205

 

Afgerond evaluatie en overig onderzoek

217

 

Overzicht niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijk personeel (externe inhuur)

220

 

Conversietabel begrotingsstanden

223

 

Rapportage behandeling correspondentie

226

 

Afkortingenlijst

227

DEEL A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

Aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, het jaarverslag met betrekking tot de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) over het jaar 2012 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Infrastructuur en Milieu decharge te verlenen over het in het jaar 2012 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2012;

  • b. het voorstel van de slotwet over het jaar 2012 die met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2012 met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2012 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2012, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2012 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

Voor u liggen het Jaarverslag 2012 van Infrastructuur en Milieu (IenM, Hoofdstuk XII). Het jaarverslag IenM verantwoordt de gerealiseerde prestaties en uitgaven van Rijksbegrotingshoofdstuk XII ten opzichte van de doelstellingen en de begrotingsstand.

Dit boekwerk bestaat uit de volgende onderdelen:

  • a. een algemeen deel;

  • b. het beleidsverslag 2012 van IenM;

  • c. de Jaarrekening 2012 van IenM;

  • e. de bijlagen.

Algemeen deel

Het algemeen deel bevat de aanbieding van het jaarverslag, het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer.

Het beleidsverslag 2012

In het beleidsverslag wordt ingegaan op de resultaten die in 2012 zijn geboekt. Het beleidsverslag bestaat uit vier onderdelen: het verslag over de beleidsprioriteiten, de beleidsartikelen, de niet-beleidsartikelen en de bedrijfsvoeringparagraaf.

Beleidsprioriteiten

In de paragraaf over de beleidsprioriteiten wordt verantwoording over de bereikte resultaten van de beleidsagenda in de begroting 2012 afgelegd. De beleidsmatige conclusie is steeds apart na iedere prioriteit opgenomen.

De beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen

Dit jaarverslag 2012 van het ministerie van IenM verantwoord de prestaties en uitgaven die omschreven zijn in de Begroting 2012. Bij 1e suppletoire begroting 2012 is de begroting 2012 echter naar een nieuwe IenM begrotingsstructuur geconverteerd. Hierover is de Kamer per brief geïnformeerd (Kamerstukken II, 2011/2012, 33 000, nr. 111). De conversie van begrotingsstructuur heeft indertijd plaatsgevonden om de departementale samenvoeging van voorheen VROM met voorheen V&W zo voorspoedig mogelijk te laten verlopen. De conversie heeft gevolgen voor de inrichting van het Jaarverslag 2012, voor wat betreft:

  • 1) De begrotingsstructuur. In de begrotingsstructuur van de 1e suppletoire 2012 heeft de realisatie plaatsgevonden. Om deze reden wordt ook verantwoording afgelegd in de structuur van de 1e suppletoire begroting 2012.

  • 2) De begrotingsstanden. Over de uitgaven, verplichtingen en ontvangsten van het gehele jaar 2012 wordt verantwoording afgelegd. De standen van de oorspronkelijke vastgestelde begroting 2012 zijn naar de nieuwe structuur van de 1e suppletoire begroting 2012 geconverteerd (zie bijlage D 4 voor conversietabel zoals ook reeds bij 1e suppletoire 2012 opgenomen). Deze standen vormen het vertrekpunt bij de verantwoording.

  • 3) De beleidsdoelstellingen. Bij een andere begrotingsstructuur horen ook andere beleidsdoelstellingen. In een brief aan de Kamer (Kamerstukken II, 2011/2012, 31 865, nr. 41 en nr. 42) zijn reeds de herijkte doelstellingen voor het jaar 2012 gemeld. Tevens is in deze brief opgenomen dat de betreffende doelstellingen nog tekstueel verfijnd zouden kunnen worden. Later in het jaar is op voorstel van de Kamer een 2e conversie van de begrotingsstructuur 2013 doorgevoerd, waarbij enige artikelen zijn opgesplitst.

    Bij het bepalen van de doelstelling bij een beleidsartikel voor het jaar 2012 is daarom in dit Jaarverslag:

    • De doelstelling uit de brief aan de Kamer in juni 2012 als uitgangspunt genomen.

    • De doelstelling uit de begroting 2013 overgenomen indien artikelen bij de 2e conversie één op één zijn overgegaan naar de begrotingsstructuur 2013. Dit is gedaan omdat in de begroting 2013 nog enige tekstuele verbeteringen zijn doorgevoerd naar aanleiding van overleg met onder andere de Algemene Rekenkamer.

    Alle doelstellingen die in het Jaarverslag 2012 zijn opgenomen, zijn dus eerder aan de Kamer voorgelegd.

  • 4) De prestaties, kengetallen en indicatoren. Over alle voorgenomen prestaties, kengetallen en indicatoren die in de begroting 2012 in VBTB (Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording) structuur worden genoemd, wordt conform VBTB-systematiek verantwoording afgelegd in de structuur van de 1e suppletoire 2012.

Onder de beleidsartikelen worden zowel de financiële als de niet-financiële gegevens gepresenteerd. Tevens is er informatie opgenomen over de gerealiseerde effecten en de geleverde concrete beleidsprestaties, waar mogelijk voorzien van prestatiegegevens. In de toelichting worden de gerealiseerde beleidsprestaties op hoofdproductniveau verantwoord.

De financiële informatie wordt gepresenteerd door middel van de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid», waarbij opmerkelijke verschillen tussen de budgettaire raming en de realisatie in het verslagjaar worden toegelicht. Om de hoeveelheid informatie te beperken is gekozen voor het hanteren van de hieronder aangegeven norm. Aan de hand van deze norm is bepaald of een verschil is toegelicht. Naar aanleiding van de aanbeveling van de Tijdelijke Commissie Onderhoud en Innovatie Spoor is de normering aangepast, waarbij geldt dat begrotingsbedragen boven de € 50 miljoen met een afwijking van meer dan € 5 miljoen ook worden toegelicht.

Norm bij te verklaren verschillen

Begrotingsbedrag

Verschil

< € 4,5 mln.

> 50%

€ 4,5 – € 22,5 mln.

> € 2,5 mln.

> € 22,5 mln.

> 10%

> € 50 mln.

> 5 mln

Dit houdt in dat die hoofdproducten, waarbij het verschil tussen het begrotingsbedrag en de realisatie kleiner is dan de aangegeven norm niet worden toegelicht. Een uitzondering hierop wordt gemaakt voor beleidsmatige relevante mutaties, deze worden ongeacht bovenstaande normering wel toegelicht.

Verder worden in afwijking van bovenvermelde norm die artikelen, waarop in de begroting 2012 geen of zeer geringe ontvangsten, uitgaven of verplichtingen zijn geraamd maar waar in 2012 wel relatief kleine bedragen op zijn gerealiseerd, niet apart toegelicht.

In de tabellen budgettaire gevolgen van beleid bij de (niet-) beleidsartikelen is een kolom geschrapt met zogenoemde slotwetmutaties. Deze kolom is namelijk niet conform Rijksbegrotingsvoorschriften. Bovendien beoogt het jaarverslag een overzicht van de belangrijkste mutaties op jaarbasis te geven. Slotwetmutaties krijgen hierbij evenveel aandacht als mutaties bij andere begrotingsmomenten. Voor meer specifieke verdieping in kleinere slotwetmutaties wordt verwezen naar de slotwetten van HXII en het IF. Deze documenten worden tegelijkertijd met de jaarverslagen naar de Kamer gezonden.

Als gevolg van de samenvoeging van voorheen VenW met voorheen VROM en de conversie naar een nieuwe artikelindeling, kan met de realisatiecijfers in de nieuwe artikelindeling niet verder worden teruggekeken dan het jaar 2011. De cijfers die in dit jaarverslag voor het jaar 2011 zijn opgenomen, zijn indicatief. Alleen voor het niet beleidsartikel «Apparaat van het kerndepartement» zijn geen indicatieve cijfers voor het jaar 2011 opgenomen. Voor de realisatiecijfers uit voorgaande jaren wordt u verwezen naar eerder gepubliceerde jaarverslagen.

Onder de niet-beleidsartikelen worden uitgaven, die niet zuiver of doelmatig kunnen worden toegerekend aan de beleidsartikelen, verantwoord.

Betreffende de niet-financiële informatie moet worden vermeld dat IenM bij het verkrijgen van deze indicatoren voor een deel afhankelijk is van verzameling door externe partijen zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De praktijk is zodanig dat deze gegevens in een aantal gevallen later beschikbaar komen. Dit leidt ertoe dat niet in alle gevallen de gegevens over het verslagjaar ten tijde van het opstellen van het jaarverslag beschikbaar waren

De bedrijfsvoeringsparagraaf

Deze paragraaf gaat in op de belangrijkste bedrijfsvoeringsontwikkelingen bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

De bedrijfsvoeringparagraaf heeft het karakter van een uitzonderingsparagraaf en bestaat uit vier onderdelen, te weten rechtmatigheid, totstandkoming beleidsinformatie, financieel en materieel beheer en overige aspecten van bedrijfsvoering. In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt tevens ingegaan op de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer en de maatregelen die IenM heeft getroffen om de bedrijfsvoering te verbeteren.

De Jaarrekening

De Jaarrekening bevat de volgende onderdelen:

  • de departementale verantwoordingstaat van IenM (een cijfermatige staat waarbij inzicht wordt gegeven in de financiële afwijkingen tussen de begroting en de realisatie op artikelniveau).

  • de samenvattende verantwoordingsstaten van de agentschappen KNMI, Rijkswaterstaat, Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) (een cijfermatige staat waarbij inzicht wordt gegeven in de financiële afwijkingen tussen de begroting en de realisatie per agentschap).

  • de departementale saldibalans van IenM met de daarbij behorende toelichting.

  • de balans per 31 december 2012, de staat van baten en lasten, het kasstroomoverzicht en de doelmatigheidskengetallen van de agentschappen.

Diverse bijlagen

Aan het jaarverslag zijn enkele bijlagen toegevoegd.

  • een overzicht inzake het toezicht op de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en de rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s).

  • Afgerond evaluatie en overig onderzoek.

  • Overzicht niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijk personeel (externe inhuur).

  • Conversietabel begrotingsstanden.

  • Rapportage behandeling correspondentie.

  • een afkortingenlijst.

Naast dit Jaarverslag, hoofdstuk XII van de Rijksbegroting, kent IenM ook een Jaarverslag over het Infrastructuurfonds (fonds A van de rijksbegroting), waarin de concrete projecten en programma’s staan. Met dit aparte fonds voor de infrastructuur wordt invulling gegeven aan de doelstellingen zoals genoemd in de Wet op het Infrastructuurfonds (Stb. 1993, nr. 319), te weten het bevorderen van een integrale afweging van prioriteiten en het bevorderen van continuïteit van middelen voor infrastructuur.

Groeiparagraaf

De indeling van de verantwoording 2012 heeft grote wijzigingen ondergaan ten opzichte van de jaarverantwoording 2011. Dit komt omdat bij 1e suppletoire 2012 een begrotingsconversie is doorgevoerd om de departementale samenvoeging van voorheen VROM met voorheen V&W zo vloeiend mogelijk te laten verlopen (zie ook begin van de leeswijzer). Bij deze begrotingsconversie is qua structuur reeds voorgesorteerd op de systematiek van Verantwoord Begroten. Omdat het jaarverslag 2012 zoveel mogelijk een spiegel van de begroting 2012 zou moeten zijn, is ervoor gekozen om wel te verantwoorden conform «oude» VBTB-beginselen. Het jaarverslag 2012 bevat dus transitiekenmerken, het jaarverslag 2013 zal volledig in Verantwoord Begroten stijl gepresenteerd worden.

De verantwoording van IenM is ook digitaal beschikbaar op www.rijksbegroting.nl.

DEEL B. BELEIDSVERSLAG 2012

3. BELEIDSPRIORITEITEN

1. Inleiding

Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft in 2012 volop gewerkt aan integrale oplossingen voor vraagstukken met betrekking tot bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Alle activiteiten waren gericht op versterking van de economie in combinatie met de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving. In dit beleidsverslag worden de belangrijkste resultaten uit 2012 toegelicht.

Met de openstelling van 131 kilometer nieuwe rijstroken, ingebruikname van de Hanzespoorlijn en een groot aantal nieuwe stations is de bereikbaarheid versterkt. Daarnaast is gewerkt aan innovatieve en creatieve manieren om beter gebruik te maken van de bestaande infrastructuur («Beter Benutten»). Acties op het gebied van ruimtelijke ordening stonden voor een belangrijk deel in het teken van de uitvoering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarmee het Rijk een stapje terug doet om medeoverheden, burgers en bedrijfsleven de ruimte te geven om zelf creatieve oplossingen ten uitvoer te brengen. Daarnaast is verder gewerkt aan de vernieuwing van het omgevingsrecht om procedures en besluitvorming te versnellen. Het milieubeleid is in 2012 voor een belangrijk deel vormgegeven in samenwerking tussen overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, met Green Deals als resultaat. Bijzondere aandacht is besteed aan het sluiten van de grondstoffenketens en vergroting van hergebruik van afval. Internationaal waren belangrijke momenten de wereldtop over duurzame ontwikkeling in Rio de Janeiro («Rio+20») en de klimaatconferentie in Doha, waar belangrijke stappen zijn gezet in de verdere uitbouw van het mondiale klimaatregime.

2. Mobiliteit en transport

2.1 Wegen en verkeersveiligheid

In 2012 is fors geïnvesteerd in aanleg, beheer en onderhoud van het wegennet. In totaal is 131 kilometer rijstroken opengesteld. De Tracéwet is per 1 januari 2012 in werking getreden, waardoor uiteindelijk de doorlooptijd van besluitvorming wordt teruggebracht. In de besluitvorming rond de projecten is aandacht voor overleg met regionale en lokale overheden en participatie van maatschappelijke organisaties. Dit is zichtbaar gemaakt bij de mijlpalen in de besluitvorming van projecten.

In 2012 is een aantal tracébesluiten vastgesteld, onder meer voor de A9 Omlegging Badhoevedorp en de N31 Harlingen. Verder is het Wegaanpassingsbesluit A28 Utrecht-Amersfoort vastgesteld. Voor een aantal projecten is de besluitvorming vertraagd. Zo is het project Nieuwe Westelijke Oeververbinding na de val van het kabinet Rutte I controversieel verklaard en is in overleg met de Tweede Kamer m.b.t. de Ring Utrecht afgesproken om een onafhankelijke onderzoek te doen naar de verbreding van de A27 bij Amelisweerd (commissie Schoof).

De snelheidsverhoging op de proeftrajecten is met ingang van 1 september 2012 definitief gemaakt. In totaal is op ca. 45% van het hoofdwegennet de maximumsnelheid per 1 september 2012 verhoogd naar 130 km/u, gedurende het gehele etmaal of in de avond en nachtperiode. Per 1 december 2012 is ook op de A2 tussen Vinkeveen en Maarssen de snelheid verhoogd naar 130 km/u.

In 2012 is de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid vastgesteld met 23 maatregelen door overheden, maatschappelijke organisaties en kennisinstituten om de stijgende trend ernstig verkeersgewonden te keren. De nadruk ligt op het verbeteren van de verkeersveiligheid van de risicogroepen ouderen, fietsers en jonge beginnende bestuurders. Daarnaast zijn het Alcoholslotprogramma en het experiment 2toDrive gestart.

2.2 Spoor en openbaar vervoer

Programma Hoogfrequent Spoor

In 2012 zijn de diverse maatregelen van PHS verder uitgewerkt:

De verschillende goederenstudies zijn afgerond. De resultaten en bevindingen zijn op 12 juli 2012 aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2012/13, 32 404, nr. 57).

De studies naar het integrale capaciteitsvraagstuk Amsterdam Centraal zijn afgerond. Besluitvorming hierover moet nog plaatsvinden, mede in relatie tot OV SAAL.

In juli 2012 is de globale uitwerking gepubliceerd van de vier tracévarianten die in het m.e.r.-onderzoek Oost-Nederland worden onderzocht

De minister van IenM heeft in 2012 de definitieve Notities Reikwijdte en Detailniveau (NRD’s) Rijswijk-Delft Zuid en Oost-Nederland vastgesteld; de ontwerp-NRD Meteren-Boxtel is gepubliceerd.

ProRail heeft de studies voor beschikkingsaanvraag van Doorstroomstation Utrecht afgerond.

Uitbreiding netwerk en nieuwe stations

Met ingang van de nieuwe dienstregeling die op 9 december 2012 is ingegaan, is de Hanzelijn tussen Lelystad en Zwolle in gebruik genomen, met nieuwe stations in Dronten en Kampen Zuid. De Hanzelijn is conform de overeengekomen scope gebouwd en gecertificeerd volgens de Europese richtlijnen voor hogesnelheidsverbindingen. Het project is door gunstige aanbestedingen en het uitblijven van voorziene risico’s ruim binnen het budget gerealiseerd.

Verder zijn in de nieuwe dienstregeling opgenomen de nieuwe stations Sassenheim, Halfweg-Zwanenburg en Westervoort. Daarnaast zijn de stations Almere Poort, Groningen Europapark, Hengelo Gezondheidspark en Hoevelaken geopend, en zijn aan de Merwede-Linge-Lijn een aantal stations toegevoegd. Opening van het station Maastricht Noord is uitgesteld tot medio 2013. De waterstand ter plaatse bleek hoger dan was aangenomen, wat aanpassingen in de bouwconstructie noodzakelijk maakte. Ook wat betreft de versterking van spoorverbindingen naar het buitenland zijn in 2012 stappen gezet. Dit betreft o.a. de verbindingen Arnhem-Emmerich-Düsseldorf en Heerlen-Herzogenrath-Aken.

Winterweer

De Tweede Kamer heeft in 2012 ingestemd met het gezamenlijke winterweerprogramma van NS, ProRail en IenM (Kamerstukken II, 2012/13, 29 984, nr. 306). Direct is gestart met de uitvoering van de maatregelen uit het programma, zoals wisselverwarming, het ontwikkelen van een besluitvormingsprocedure voor het aanpassen van de dienstregeling en verbetering van de reisinformatie. De implementatie ligt grotendeels op schema. In december 2012 is voor het eerst de dienstregeling conform de opgestelde procedure aangepast. De treindienst is daarmee, ondanks de winterse omstandigheden, landelijk niet ontregeld geraakt.

OV Chipkaart

Op 3 november 2011 is het Nationaal Vervoerbewijs (de strippenkaart) in de laatste regio’s afgeschaft. Op dat moment is ook het jaar «tariefrust» ten einde gekomen en geldt voor alle decentrale overheden tariefvrijheid, conform de Wp2000. NS heeft bij het uitfaseren van het papieren treinkaartje een zelfstandige verantwoordelijkheid. Het kabinet heeft hierin geen formele rol. In het traject naar de definitieve overgang naar de OV-chipkaart heeft NS een aantal belangrijke stappen gezet, zoals de introductie van nieuwe abonnementen die alleen op de OV-chipkaart verkrijgbaar zijn en specifiek beleid gericht op studenten om hen te laten reizen met de Studenten OV-chipkaart. Het einde van het papieren treinkaartje is voorzien eind 2013.

De nadere uitwerking van de aanbevelingen van de commissie-Meijdam is in 2012 ter hand genomen. In april heeft de heer Meijdam een voorstel gepresenteerd voor de opzet van een permanente structuur voor OV-chipkaart gerelateerde besluitvorming met een landelijk, en daarmee concessieoverstijgend, karakter. Vervolgens hebben vervoerders, overheden en consumentenorganisaties in november een intentieverklaring ondertekend om te komen tot een permanente structuur op vrijwillige basis. Parallel hieraan is gestart met de ontwikkeling van wetgeving en gesprekken met de aandeelhoudende vervoerders over de herpositionering van Trans Link Systems. Ten aanzien van de aanbevelingen over het dubbel opstaptarief is de heer Meijdam in overleg getreden met vervoerders en overheden.

Regionaal OV

In 2012 is het wetsvoorstel voor opheffing van de WGR+ regio's voor advies aan de Raad van State aangeboden. Het wetsvoorstel zal in 2013 voor behandeling aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Pas wanneer dit wetgevingstraject is afgerond zal de hiermee samenhangende decentralisatie van de BDU worden geëffectueerd. Met de inwerkingtreding van de initiatiefwet Aanbestedingsvrijheid OV grote steden hebben de vier grote steden per 1 januari 2013 de vrijheid gekregen zelf te kiezen om het OV in- of aan te besteden. Het wetsvoorstel lokaal spoor is in 2012 bij de Tweede Kamer ingediend.

2.3 Scheepvaart en havens

Om het vaarwegennet te versterken is een aantal voorkeursbeslissingen voor aanleg en uitbreiding genomen. De verkenning inzake de Volkeraksluizen is eind 2012 afgerond en besluitvorming wordt voorbereid. De werkzaamheden aan de schutsluis Zwartsluis zijn in 2012 gestart.

Het programma «Impuls Dynamisch Verkeersmanagement Vaarwegen» heeft in 2012 belangrijke tussenresultaten opgeleverd gericht op verbetering van informatiestromen en daarmee van de betrouwbaarheid en betere benutting van het vaarwegennet. Het programma wordt eind 2013 afgerond.

De lagere wetgeving t.b.v. de implementatie van het ILO Maritiem Arbeidsverdrag is afgerond, waarmee het level playing field van zeevarenden op Nederlandse schepen is gewaarborgd. Het wetsvoorstel voor een nieuw nationaliteitssysteem van zeeschepen, dat de flexibiliteit m.b.t. nationaliteit en registratie van zeeschepen moet vergroten, is aan de Tweede Kamer aangeboden.

Op het terrein van de piraterijbestrijding is verder gewerkt aan de verbetering van de beveiliging van de koopvaardijvloot onder Koninkrijksvlag, met behoud van het internationale level playing field als specifiek aandachtspunt.

De aanleg van Maasvlakte II is in een vergevorderd stadium. De zeewering is gesloten, de openbare weg- en spoorinfrastructuur is opengesteld en er is een start gemaakt met het toegankelijk maken voor zeeschepen. De natuurlijke ontwikkeling van de aangelegde natuurcompensatie wordt gemonitord. De beroepsprocedures voor de aanleg van extra natuur en recreatie zijn grotendeels afgerond.

De minister van IenM heeft, met instemming van de convenantpartners Gemeente Amsterdam en provincie Noord-Holland, een voorkeursbeslissing genomen ten aanzien van de zeesluis bij IJmuiden. Een projectbesluit wordt eind 2013 verwacht, waarna marktpartijen invulling kunnen geven aan het DBFM-contract.

Nederland en Vlaanderen hebben een akkoord bereikt over een grote nieuwe zeesluis bij Terneuzen. Een Nederlands-Vlaams projectteam is ingesteld en de planuitwerkingsfase is gestart.

2.4 Beter Benutten

Eind 2012 was 95% van alle plannen van aanpak met ruim 250 multimodale en innovatieve maatregelen geaccordeerd. Nagenoeg alle overige plannen zullen snel volgen. Met de uitvoering van de maatregelen is gestart. In elke regio is een uitvoeringsorganisatie in het leven geroepen waarin de betrokken organisaties (rijk, provincie, gemeenten, stadsregio’s en bedrijfsleven) deelnemen en zijn bestuurlijke trio’s opgericht van Minister, een CEO en een regionaal bestuurder) Het bedrijfsleven doet in alle regio’s actief mee. Mede daardoor krijgen werknemers meer mogelijkheden om buiten de spits te reizen. Met het bedrijfsleven zijn de eerste «slimme deals» gesloten. In deze deals treffen de publieke en private partijen samen maatregelen binnen hun eigen domein ter vermindering van de spitsdruk.

Vanuit de regionale programma’s zijn maatregelen in uitvoering genomen ter ondersteuning van de groeiambitie spoor (P+R, stedelijk OV, fietsstallingen). Spreiding over de dag is onderdeel van de werkgevers- en werknemersaanpak regionale programma’s.

De openingstijden van de spits- en plusstroken zijn verruimd: 39 plus- en spitsstroken worden bediend volgens het nieuwe regime. Dit heeft geleid tot positieve bereikbaarheidseffecten. Uit de eerste resultaten van de mobiliteitsprojecten blijkt dat de filedruk op specifieke trajecten afneemt. Ook bij nameting blijkt dat een groot aantal mensen het nieuwe reis gedrag blijft vertonen.

Op het gebied van Intelligente Transportsystemen (ITS) zijn plannen van aanpak voor de landelijke ITS clusters vastgesteld waarin rijk en regio samenwerken, is een ITS Action Plan naar EU en naar de Kamer verzonden (Kamerstukken II, 2011/12, 33 000 XII, nr. 143), is het programma van eisen van de landelijke clusters vastgesteld en is de marktconsultatie m.b.t. maatregelen Multimodale Reisinformatie afgerond.

In de bestuurlijke overleggen MIRT, najaar 2011, zijn concrete afspraken gemaakt over ruim 250 maatregelen in 10 regionale gebiedsprogramma’s. Daarbij gaat het om innovatieve maatregelen die zich richten op het verleiden van reizigers/verladers om de spits te mijden, ITS projecten, bevorderen van de ketenmobiliteit, fietsmaatregelen, en verruiming van de openstelling van spitsstroken en aanleg van nieuwe stroken.

Samen met het door de regio’s te investeren geld, is er op dit moment voor het programma Beter Benutten een totaalbedrag van ruim € 1,1 mld beschikbaar (prijspeil 2011).

2.5 Luchtvaart

De ministers van IenM en Defensie hebben in september 2012 de Luchtruimvisie vastgesteld en naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2011/12, 31 936, nr. 114). Hierin is onder meer een Beleidsagenda Luchtruim opgenomen. Het Rijk heeft de luchtverkeersdienstverleners opdracht gegeven te starten met de uitwerking en implementatie van de Luchtruimvisie. Hiertoe werken de luchtverkeersdienstverleners aan een Roadmap die medio 2013 zal worden opgeleverd.

De Beleidsagenda Luchtvaartveiligheid (2011–2015) is in 2012 verder uitgevoerd. In dit verband is onder meer met alle betrokken partijen een intensivering van de aanpak van vogelaanvaringen overeengekomen langs vier sporen. De vang- en dodingacties zijn in de tweede helft van juni afgerond. Om de foerageermogelijkheden te beperken is in totaal 1.500 hectaren graan versneld ondergeploegd. Om het aantal broed- rustgebieden en rustgebieden te beperken is nader onderzoek conform planning afgerond. Schiphol heeft de aanbesteding van de radarinstallatie afgerond.

De evaluatie van de regulering van de luchthaventarieven van Schiphol is afgerond en de resultaten zijn in april 2012 naar de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2011/12, 29 665, nr. 164). In deze brief is tevens een kabinetsstandpunt op hoofdlijnen opgenomen over de noodzakelijk geachte wijzigingen in de tariefregulering. De uitwerking hiervan is in 2012 ter hand genomen en zal in de eerste helft van 2013 worden afgerond.

Op 31 oktober 2012 liepen de twee experimenteerjaren met het nieuwe normen- en handhavingstelsel af. De resultaten van de evaluatie zullen worden besproken aan de Alderstafel en naar verwachting zal in het voorjaar van 2013 advies worden uitgebracht aan het Rijk. Hierna volgt politieke besluitvorming en het formele traject van de aanpassing van de regelgeving.

De kabinetsreactie op het Aldersadvies Lelystad is aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2011/12, 31 936, nr. 115). Daarnaast is de voorstudie over de vorm van luchtverkeersleiding Lelystad afgerond. Het kabinet komt in 2013 met een standpunt over verdere ontwikkeling van vliegveld Lelystad.

De luchtvaartsector is per 1 januari 2012 opgenomen in het Europese systeem van emissiehandel (ETS). De EU zet in op een mondiale oplossing. Binnen ICAO wordt gewerkt aan een mondiaal marktconform systeem voor reductie van CO2 uitstoot en een raamwerk voor nationale/regionale systemen vooruitlopend op de invoering van een mondiaal syteem. Besluitvorming wordt verwacht tijdens de ICAO Assemblee van september 2013

Het FABEC-verdrag dat een betere benutting van het Europees luchtruim als doel heeft, is in 2012 in werking getreden. Luchtruimontwerp en de organisatie van de dienstverlening vindt steeds meer plaats in FABEC-verband.

3. Ruimte

In maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Na bespreking met het parlement, is de uitvoering in juli 2012 gestart. Hiermee is een nieuwe koers ingezet in de ruimtelijke ordening. Provincies en gemeenten hebben meer ruimte gekregen, waardoor het Rijk zich volledig kan richten op het behartigen van ruimtelijke belangen van nationale en internationale betekenis, zoals het versterken van de internationale concurrentiepositie van Nederland, de nationale netwerken, de waterveiligheid en de milieukwaliteit. Bij het bieden van meer ruimte aan overheden, burgers en bedrijven hoort ook het vereenvoudigen van het omgevingsrecht, waarmee jaarlijks miljoenen euro’s kunnen worden bespaard. Naast deze koerswijziging bevat de SVIR een aanpassing van het ruimtelijk beleid aan de maatschappelijke opgaven van de komende periode, zoals de overgang naar duurzame energie, de demografische ontwikkelingen en de gevolgen van klimaatverandering.

3.1 Vereenvoudiging Omgevingsrecht

Omgevingswet

In 2012 heeft het kabinet verder gewerkt aan de vernieuwing van het omgevingsrecht. De vier prioritaire thema’s (versnelling procedures en besluitvorming, vermindering en integratie van planvormen, doelmatig onderzoek en meer afwegingsruimte voor bestuurders) en zes kerninstrumenten, zoals gepresenteerd in de brief aan de Tweede Kamer van maart 2012 (Kamerstukken II, 2011/12, 33 118, nr. 3), zijn dit jaar nader uitgewerkt. Over de aangekondigde instrumenten heeft in maart 2012 een internetconsultatie plaatsgevonden. Over concept wetteksten heeft in september en oktober een informele consultatie plaatsgevonden en zijn botsproeven uitgevoerd. De circa duizend punten die hieruit naar voren zijn gekomen zijn verwerkt in de wettekst. Een formele consultatie over de toetsversie van de Omgevingswet heeft in maart en april 2013 plaatsgevonden. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het traject «Nu al Eenvoudig Beter» gestart om inspirerende voorbeelden uit te wisselen van hoe ook met de nu geldende wetgeving eenvoudiger procedures en werkwijzen kunnen worden toegepast. Met dit traject wordt tevens een basis gelegd voor de implementatie en invoeringsbegeleiding van de Omgevingswet.

Crisis- en herstelwet

De Tweede Kamer heeft in juli 2012 met grote meerderheid ingestemd met de verlenging van de Crisis- en herstelwet (Chw) tot het moment dat deze opgaat in de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht. In maart 2013 heeft ook de Eerste Kamer het wetsvoorstel aanvaard. Verder zijn in 2012 de 3e en 4e tranche AMvB Chw in werking getreden. De 5e tranche AMvB is begin 2013 in werking getreden.

3.2 Ruimtelijke ordening

Met de inwerkingtreding van de aanvulling op het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening op 1 oktober 2012 is de juridische borging van alle ruimtelijke rijksbelangen uit de SVIR nagenoeg compleet. Eveneens op 1 oktober is de ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. Dit betekent dat overheden bij alle ruimtelijke plannen voor nieuwe stedelijke ontwikkeling moeten motiveren hoe een zorgvuldige afweging van het ruimtegebruik is gemaakt.

Er zijn stappen gezet om publieke geo-informatie eenvoudiger toegankelijk te maken. Het Rijk en mede-overheden hebben afspraken gemaakt over de realisatie van de grootschalige basiskaart Nederland. Het betreffende wetsvoorstel is in januari 2013 aan de Tweede Kamer gezonden. Ook bij het verder openbaar maken van ruimtelijke overheidsgegevens, in het kader van het open data beleid, is voortgang geboekt. Via de voorziening «Publieke Dienstverlening op de Kaart» (PDOK), in beheer bij het Kadaster, zijn inmiddels tientallen bestanden en kaarten als open data beschikbaar.

In juni 2012 zijn de resultaten van het actieprogramma Leegstand kantoren aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2011–2012, 33 000-XII, nr. 136) Met betrokken partijen is een Convenant getekend om tot een beter functionerende kantorenmarkt te komen. De gemaakte afspraken hebben onder meer betrekking op hergebruik, transformatie en sloop, verduurzaming en kennisontwikkeling ten aanzien van plancapaciteit.

Ten aanzien van ruimtelijke projecten en prioritaire regio’s is pas op de plaats gemaakt als gevolg van de bezuinigingen op het Infrastructuurfonds. Tijdens de BO MIRT ronde hebben Rijk en regio daarom vooral gesproken over de actualisatie van de gebiedsagenda’s en zijn slechts een beperkt aantal afspraken gemaakt over specifieke projecten, die geen financiële gevolgen hebben voor het Infrastructuurfonds.

De Actieagenda Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp (2013–2016) is in september naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2012–2013, 31 535, nr. 10). De Actieagenda is een interdepartementale samenwerking onder coördinatie van IenM en OCW. Centraal staat de versterking van de positie van het ontwerp en ontwerpers, binnen de veranderende verhoudingen tussen opdrachtgevers, ontwerpers en gebruikers en de urgente inrichtingsopgaven.

Vanwege de taakstelling op de budgetten schuift de besluitvorming over het programma RRAAM en OV SAAL, voorzien voor 2012, door naar 2013. De Bestuursovereenkomst ZuidasDok is op 9 juli 2012 ondertekend en op 22 augustus aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2011/12, 32 668, nr.A). Met de regio Noord-Brabant is overeenstemming bereikt over de start van een MIRT onderzoek. Dit onderzoek zal in ieder geval een uitwerking bevatten van de integrale gebiedsontwikkeling van Brainport Avenue 2 en de consequenties voor de bereikbaarheid op de lange termijn, onder meer van Eindhoven Airport.

Structuurvisie Mainport Amsterdam-Schiphol-Haarlemmermeer (SMASH): Rijk en regio hebben in maart 2012 besloten voorlopig niet te starten met het opstellen van een structuurvisie, maar eerst in een besloten proces de spanning tussen vliegen en wonen in beeld te brengen op basis van beleidsvarianten. Wanneer overeenstemming is bereikt over een samenhangende aanpak van woningbouw, hinderbeleid en restrictief verstedelijkingsbeleid zal worden gestart met het opstellen van een structuurvisie.

Structuurvisie ondergrond (STRONG): in de tweede helft van 2012 is besloten tot het verbreden van de scope van de Structuurvisie van de diepe ondergrond naar de gehele ondergrond. Dit heeft geleid tot een nieuwe organisatie en aanpak van STRONG. In 2013 worden, in nauwe samenwerking met andere overheden en andere betrokken partijen, de maatschappelijke opgaven voor de ondergrond in beeld gebracht. Dit zal leiden tot een kabinetsstandpunt in december 2013. Dit zal gebeuren in afstemming met het Deltaprogramma zoetwater, het MIRT en de Omgevingswet.

Structuurvisie Wind op land: de structuurvisie om, conform de motie-Dikkers (Kamerstukken II, 2011–2012, 29 023, nr. 134), 6.000 MW te realiseren is in maart 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden.

4. Water

In 2012 is voortvarend gewerkt aan de verbetering van de waterveiligheid, met de uitvoering van de grote projecten HWBP-2, Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken (Grensmaas en Zandmaas). Het HWBP-2 bestaat uit 89 versterkingsprojecten, inclusief de Zwakke Schakels. Eind 2012 voldeden 55 projecten aan de norm. 22 projecten bevonden zich in de planstudiefase en 9 projecten in de realisatiefase.

Op het gebied van beheer en onderhoud is in 2012 gestart met de eerste projecten in het kader van het Programma Stroomlijn ten behoeve van de beheersing van de hoogwaterveiligheid in het rivierengebied. Na de ondertekening van de bestuursovereenkomst Afsluitdijk is gestart met de planuitwerking voor de versterking van de Afsluitdijk.

In 2012 zijn er stappen gezet om een nieuw Hoogwaterbeschermingsprogramma op te starten. Momenteel vindt een aanvullende toetsronde plaats om een volledig beeld te krijgen van de veiligheidssituatie in Nederland. De resultaten hiervan zullen naar verwachting eind 2013 gereed zijn en kan een nieuwe programmering worden opgesteld.

De afspraken uit het Bestuursakkoord Water worden uitgevoerd. Hiermee wordt vanaf 2020 een structurele besparing van 750 miljoen euro gerealiseerd.

Rijk en waterschappen zullen vanaf 2014 gezamenlijk het Hoogwaterbeschermingsprogramma financieren. Dit is vastgelegd in het wetsvoorstel wijziging van de Waterwet (doelmatigheid en bekostiging hoogwaterbescherming), (Kamerstukken II, 2012/13, 33 465) dat in november 2012 aan de Tweede Kamer is aangeboden.

Het wetsvoorstel indirecte verkiezingen waterschappen is, aan de Tweede Kamer gezonden. Op verzoek van de Kamer is het voorstel aangepast en inmiddels aangenomen. Hiermee zijn de waterschapsverkiezingen met twee jaar uitgesteld. Conform de afspraken in het regeerakkoord Rutte-II is een nieuw wetsvoorstel in voorbereiding om de verkiezingen van de waterschappen gelijktijdig te laten plaatsvinden met de verkiezingen van de Provinciale Staten. Deze wetswijziging Kieswet is eind 2012 ter consultatie voorgelegd.

In het Deltaprogramma zijn de mogelijke strategieën voor de te nemen Deltabeslissingen verkend. In september 2012 is de 1e begroting van het Deltafonds aan de Tweede Kamer aangeboden.

Met het rapport Water in Beeld (Kamerstukken II, 2011/12, 27 625, nr. 268) is in mei aan de Tweede Kamer gerapporteerd over de uitvoering van het Nationaal Waterplan en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Belangrijkste conclusie is dat de uitvoering van de maatregelen uit de stroomgebiedbeheerplannen van 2009 op schema ligt. Dit is ook in voortgangsrapportages aan de Europese Commissie gemeld. Verder is gemeld dat een deel van de voorgenomen maatregelen in de rijkswateren is getemporiseerd als gevolg van afspraken in het Regeerakkoord uit 2010. Het Werkprogramma Stroomgebiedbeheerplannen 2015 is, na ter inzagelegging, vastgesteld. Tot slot is de inspraak op het document Belangrijke Waterbeheerkwesties gestart.

5. Milieu

5.1 Concrete initiatieven ondersteunen

Het kabinet heeft in 2012, in het kader van de agenda duurzaamheid (Kamerstukken II, 2011/12, 33 041, nr. 1), een aantal concrete stappen gezet naar verduurzaming van de samenleving en het creëren van een groene economie. Uitgangspunt hierbij is groei die het natuurlijk kapitaal van de aarde niet uitput en de economie versterkt.

IenM heeft 20 Green Deals gesloten met bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden. Hiermee is de gewenste verbreding van de Green Deals van energie naar biodiversiteit, mobiliteit, grondstoffen en water tot stand gekomen. Green Deals dragen bij aan het boeken van resultaten op de korte. De grootste winst zal op de langere termijn volgen wanneer een Green Deal bredere navolging krijgt.

Verder zijn stappen gezet om bedrijven te faciliteren door het creëren van een gelijk speelveld voor duurzame producten en diensten en het stimuleren van innovatie. Het gaat daarbij om het wegnemen van concrete belemmeringen in regelgeving of beleid die bedrijven in een specifieke sector ervaren. Zo zijn op het terrein van afvalregelgeving de regels voor nuttige toepassing van organische reststromen aangepast zodat deze stromen efficiënter kunnen worden ingezet voor hergebruik.

Het LEI en het RIVM hebben een website ontwikkeld met informatie over de belangrijkste beoordelingsmethoden voor duurzaamheid. Hiermee wordt voorzien in de behoefte van bedrijfsleven, overheden en maatschappelijke organisaties aan meer synergie en transparantie ten aanzien van duurzaamheidscriteria en beoordelingsmethoden voor duurzaamheid. In Nederland bestaan ongeveer 100 keurmerken op het gebied van milieu, dierenwelzijn en eerlijke handel. Milieu Centraal heeft als hulpmiddel voor de consument op haar website informatie geplaatst over op welke aspecten van duurzaamheid deze betrekking hebben en hoe en door wie dit wordt gecontroleerd.

Naar aanscherping van het middelenbeleid voor gewasbescherming in de glastuinbouwsector wordt nog onderzoek gedaan. In de 2e Nota duurzame gewasbescherming die voor het meireces naar de Tweede Kamer zal worden gestuurd zullen ook plannen t.a.v. de glastuinbouwsector zijn opgenomen.

Afval en grondstoffen

In mei 2012 is een rapport verschenen van een werkgroep van gemeenten en het afvalbedrijfsleven over het verhogen van de recycling van huishoudelijk afval. Hieruit komt naar voren dat ingrijpende maatregelen nodig zijn om de ambities zoals vastgelegd in de afvalbrief (Kamerstukken II, 2011/12, 32 852, nr. 1) te kunnen waarmaken. Een belangrijk onderdeel van het advies is de introductie van een gemeentelijke restafvaldoelstelling, waarop gemeenten kunnen worden afgerekend met een bonus/malus-systeem. Verder is volgens de werkgroep per materiaalstroom een ambitieuze doelstelling met een adequaat financieringssysteem nodig.

Bedrijfsleven, gemeenten en IenM hebben In 2012 is een nieuwe, 10-jarige raamovereenkomst verpakkingen getekend. Hiermee is de basis gelegd voor het sluiten van de kringloop van verpakkingsmaterialen en is de verantwoordelijkheid belegd waar deze thuishoort. De gekozen constructie bevordert de overgang naar een circulaire economie, doordat nu bij producenten de prikkel ligt om vooraf te bedenken of en zo ja welk verpakkingsmateriaal wordt gebruikt. Verder is een inventarisatie uitgevoerd van reeds lopende activiteiten voor afvalpreventie en hun effectiviteit. Deze inventarisatie is de eerste stap naar de totstandkoming van een nationaal afvalpreventieplan dat eind 2013 zal worden afgerond.

Om de voedselverspilling in huishoudens terug te dringen is in samenwerking met onder andere supermarkten een «foodbattle» georganiseerd. Deze had een regionaal karakter. Momenteel worden mogelijkheden onderzocht om dit initiatief op te schalen naar andere regio’s. De mogelijkheden voor het terugdringen van voedselverspilling bij cateraars zijn onderzocht. Met de branche worden afspraken gemaakt om deze mogelijkheden te benutten.

Om de grondstoffenvoorzieningszekerheid beter te borgen en de milieudruk van winning, productie, gebruik en afdanking van grondstoffen te reduceren is actief ingezet op verduurzaming van het grondstoffendomein en van productketens. Afval kan een kostbare grondstof zijn. In 2012 zijn voor een groot aantal materiaalstromen activiteiten ontplooid om meer grondstoffen uit afval te winnen en ketens zoveel mogelijk te sluiten:

  • Textiel: Green Deal gesloten over inzameling en uitbreiding van de mogelijkheden tot vezelherwinning.

  • Beton: Green Deal gesloten voor verduurzaming van de betonketen.

  • Aluminium: onderzoek naar de mogelijkheden voor aluminiumterugwinning uit afval is met positief resultaat afgerond; met de Vereniging Afvalbedrijven is een Green Deal gesloten over implementatie van de resultaten.

  • Papier en Karton: Green Deal gesloten over de toepassing van alternatieve grondstoffen; verder is een pilot «printerloos kantoor» gehouden.

  • Fosfaat: de uitvoering van het ketenakkoord fosfaatkringloop is voortvarend ter hand genomen. De gezamenlijke ambitie is om binnen twee jaar een markt voor gerecycled fosfaat te creëren en zo de fosfaatkringloop te sluiten. Momenteel worden regionaal verwerkingsroutes en concrete businesscases ontwikkeld tussen partijen om organische reststromen uit de landbouw (mest), de waterzuivering (zuiveringsslib) en uit de voedings- en genotmiddelenindustrie te verwerken en het fosfaat daarin te verwaarden tot nuttige te exporteren producten (zoals kunstmest). Nederland loopt hiermee vooruit op het voornemen van de Europese Commissie om in het kader van Resource Efficient Europe een Groenboek Fosfaat te publiceren.

  • Apparatuur: Wecycle en de NVRD zijn gestart met experimenten en onderzoeken om de inzameling van apparatuur te optimaliseren. Deze zullen in het voorjaar van 2013 worden afgerond.

Ammoniak

In 2012 is voorbereidend onderzoek gestart ter onderbouwing van aanpassing van de emissienormen voor ammoniak. Inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit waarin de aangepaste normen worden opgenomen is voorzien in 2014. Het gedoogbeleid voor stoppende bedrijven onder het Actieplan ammoniak nader ingevuld en per 1 januari 2013 in werking getreden.

Het kabinet is voornemens het Besluit huisvesting veehouderij aan te vullen met emissienormen voor fijn stof conform het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In 2012 is de voorbereiding gestart. Inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit is voorzien in 2014. Producenten van emissiereducerende technieken voor stallen hebben zich bereid getoond mee te werken aan certificering van hun technieken. Met producenten en certificerende instellingen wordt dit nu verder uitgewerkt. In 2013 zal duidelijk worden voor welke technieken er certificaten komen en hoe de markttoegang voor overige technieken er uit ziet.

Duurzame brandstoffen

Het kabinet maakt werk van benutting van groen gas. Met de hoeveelheid mest in Nederland is een aardige hoeveelheid energie op te wekken. IenM heeft hierbij de verantwoordelijkheid de milieuaspecten van winning, zuivering en inzet van groen gas in de gaten te houden. In biogas kunnen grote hoeveelheden zwavelwaterstof aanwezig zijn. Daarom heeft het versnellerteam groen gas in 2012 de aandacht gevestigd op de veiligheidsaspecten van productie en transport. Daarnaast is een onderzoek gestart naar de duurzaamheid van in Nederland opgewekt biogas.

Biomassa en biobrandstoffen

Met ingang van 1 januari 2013 is het gewijzigde Besluit hernieuwbare energie vervoer van kracht. Hierin is onder andere is de verbreding naar binnenvaart en luchtvaart geregeld, waardoor de hernieuwbare energie die in deze sectoren worden ingezet onder voorwaarden meetellen voor de verplichting hernieuwbare energie.

Op 17 oktober 2012 heeft de Europese Commissie een wijziging van de richtlijn hernieuwbare energie en de richtlijn brandstofkwaliteit gepubliceerd. Het kabinet heeft dit voorstel in het BNC-fiche (Kamerstukken II, 2012/13, 22 112 nr. 1515) verwelkomd als een goede eerste stap op weg naar een evenwichtig biobrandstoffenbeleid dat de impact van ILUC (Indirect Land Use Change) door de productie van biobrandstoffen minimaliseert. Nederland blijft zich inzetten om op termijn gedifferentieerde gewasspecifieke ILUC-factoren in beide richtlijnen op te nemen.

Nederland heeft zich bij de Europese Commissie ingespannen om te komen tot geharmoniseerde duurzaamheidseisen voor vaste biomassa in Europees verband. Naar verwachting komt de Europese Commissie begin 2013 met een voorstel hiertoe.

Met de energie-, afval-, en houtsector is de Green Deal Rapportage Duurzaamheid Vaste Biomassa overeengekomen. Hierin is afgesproken het aandeel duurzame energie te laten toenemen en op termijn alleen aantoonbaar duurzame biomassa in te zetten. Verder is afgesproken om te komen tot een jaarlijkse rapportage over de hoeveelheden biomassa, herkomst en de gerealiseerde broeikasgasreducties.

Klimaat

Op basis van de klimaatbrief 2050 (Kamerstukken II, 2011/12, 32 813 nr. 3) zijn beleidsopties ontwikkeld, pilots gestart en is gestart met het inventariseren en wegnemen van belemmeringen voor klimaatmaatregelen door bedrijven. Vóór de zomer van 2013 ontvangt de Tweede Kamer een routekaart. Hierin zal worden aangegeven hoe de verschillende sectoren kunnen bijdragen aan het realiseren van de broeikasgasdoelstelling voor 2050.

In het najaar van 2011 is de Lokale Klimaat Agenda «Werk maken van Klimaat, klimaatagenda 2011–2014» naar de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2011/12, 32 813 nr. 2). Inmiddels hebben zich 135 partijen (gemeenten, regio’s en waterschappen) aangesloten bij de Lokale Klimaatagenda. De glastuinbouw is in 2011 gestart met het CO2 vereveningssysteem glastuinbouw. Dit systeem moet ertoe leiden dat de CO2 emissie in de jaren lineair afneemt tot in 2020 de sector uiteindelijk een totale sectorale emissie heeft van 6,6 Mton CO2. Ten behoeve van dit systeem heeft de sector samen in 2012 een convenant met de overheid afgesloten.

5.2 Nationale inzet

De omvangrijke inkoop door het Rijk en andere overheden wordt ingezet om duurzame productie te bevorderen. In 2012 is verder gewerkt aan de implementatie van het advies van het bedrijfsleven over duurzaam inkopen. De kern van dit advies – duurzaam inkopen is niet allen het toepassen van criteria maar zorgen voor duurzaamheid in alle fasen van het inkoopproces – is uitgedragen naar de inkopende overheden en verwerkt in het instrumentarium dat ter ondersteuning van die overheden wordt aangeboden. Vanuit de verantwoordelijkheid voor duurzaam inkopen zijn de grootschalige initiatieven ter bevordering van innovatie gestimuleerd en is de regierol belegd bij de eerstaangewezen departementen.

Informatie over de leefomgeving is gemakkelijker toegankelijk gemaakt voor burgers met de oplevering in 2012 van de eerste versie van de Atlas Leefomgeving.

In het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) ter verbetering van de luchtkwaliteit is in 2012 fiscale stimulering van de aankoop van de schonere vrachtauto’s en bussen (Euro VI) gestart. Het doel van ruim 1.500 voertuigen in 2012 is door het beperkt beschikbare aanbod en de crisis helaas niet gehaald. De regeling loopt nog tot 31 december 2013, wanneer de Euro VI voertuigen verplicht worden. Op 1 oktober 2012 is de Subsidieregeling emissiearme taxi’s en bestelauto’s in werking getreden. Deze heeft betrekking op voertuigen die schoner zijn dan de gangbare Euro 5/Euro V-voertuigen. De fiscale stimulering van schone personenauto’s (Euro 6) is in 2012 voortgezet.

Na de afronding van Swung-1, dat betrekking heeft op rijksinfrastructuur, is in 2012 belangrijke voortgang geboekt in het overleg met IPO en VNG over de inhoud van de toekomstige geluidnormen voor overige infrastructuur, woningbouw en industrie. Naar verwachting zal in het eerste kwartaal van 2013 bestuurlijke overeenstemming bereikt worden, waarna de uitwerking van Swung-2 in wet- en regelgeving zal plaatsvinden.

De invoering van de herziening van het emissiehandelssysteem (ETS) is in 2012 afgerond en deels per 1 juli 2012 en deels per 1 januari 2013 in werking getreden. Met inhoudelijke inbreng van Nederland zijn de Europese handleidingen voor de uitvoering van onderdelen van het herziene emissiehandelsysteem gereed gekomen. In het kader van het ETS is in 2012 een nieuw nationaal toewijzingsbesluit voor de periode 2013–2020 vastgesteld. De Europese Commissie moet hierover nog een oordeel uitspreken. In de eerste helft van 2013 zullen besluiten worden genomen over de toewijzing aan nieuwkomers.

De Tweede Kamer heeft in 2012 het wetsvoorstel Basisnet aangenomen. Dit wetsvoorstel biedt een duurzaam handelingsperspectief het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en spoor, terwijl belangrijke ruimtelijke ontwikkelingen op verantwoorde wijze mogelijk blijven. Het wetsvoorstel ligt momenteel ter behandeling in de Eerste Kamer. Als het wetsvoorstel door de Eerste Kamer wordt aangenomen, zal het in 2013 in werking kunnen treden.

De vorming van een landsdekkend stelsel van Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD’s) is in 2012 nagenoeg afgerond. Van de 28 te vormen RUD’s waren er per 1 januari 2013 17 daadwerkelijk operationeel. De overige RUD’s zullen in de loop van 2013 operationeel worden. In deze RUD’s worden capaciteit en kennis gebundeld op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving, met behoud van regionaal maatwerk die tegemoet komt aan de plaatselijke economische structuur.

5.3 Internationale afspraken

Voor een kosteneffectief klimaatbeleid is het Europese emissiehandelssysteem (ETS) van cruciaal belang. De Europese Commissie heeft voorstellen gedaan voor zowel tijdelijke als structurele versterking van het ETS. In de discussie hierover vervult Nederland een koploperspositie. Het is helaas niet gelukt om in de Milieuraad Raadsconclusies aan te nemen over de Routekaart naar een koolstofarme economie. Wel zijn er Voorzitterschaps-conclusies over de Routekaart die de steun hebben van 26 lidstaten en de Commissie. Nederland ligt nog steeds op koers om in 2020 zijn bijdrage te leveren aan de Europese afspraak.

In Doha, Qatar, is eind 2012 een aantal noodzakelijke politieke stappen genomen in de verdere uitbouw van het mondiale klimaatregime. Er is een akkoord bereikt over een tweede, achtjarige, verplichtingenperiode onder het Kyoto-protocol (KP) en er is meer duidelijkheid ontstaan over het tijdschema naar een nieuw mondiaal klimaatarrangement in 2015, dat alle landen moet binden. Onder het KP verbindt de EU zich tot een reductie in 2020 van broeikasgassen van 20% ten opzichte van 1990. Met het oog op de uitbouw van een modern en effectief mondiale klimaatregime heeft Nederland gewerkt aan een gedachtegoed over mogelijkheden voor een meer dynamisch en toekomstbestendig klimaatarrangement voor na 2020, waarvan elementen ook reeds Europees zijn ingebracht. Nederland heeft zich internationaal ingezet voor het uitwerken van nieuwe, meer sectorbrede marktmechanismen onder het klimaatverdrag en een verantwoorde ontwikkeling van een raamwerk voor diverse soorten marktmechanismen. Internationaal maakt Nederland zich sterk voor een grotere betrokkenheid van het bedrijfsleven bij het klimaatbeleid. In 2012 is, onder andere tijdens vier door Nederland geïnitieerde bijeenkomsten, een actieve dialoog gevoerd met het internationale bedrijfsleven. Uitkomsten daarvan zijn meegenomen in de inzet van Nederland in de klimaatonderhandelingen. Verder heeft Nederland een actieve rol gespeeld in de Cartagena-dialoog. In Doha heeft Nederland zich officieel aangesloten bij de Climate and Clean Air Coalition (CCAC), een groep van inmiddels 25 landen en 25 instellingen waaronder de Europese Commissie, VN-instellingen en NGO’s, die zich richt op de aanpak van kortlevende, luchtvervuilende stoffen die van invloed zijn op zowel de luchtkwaliteit als op het klimaat.

Op 4 mei 2012 zijn de onderhandelingen over de herziening van het Gothenburg Protocol (VN-ECE) met succes afgerond en zijn nieuwe emissiereductiedoelstellingen voor 2020 afgesproken voor SO2, NOx, NH3, VOS en fijnstof (PM2,5). In de loop van 2013 zal het herziene Protocol ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Tweede Kamer.

De Europese Commissie heeft in 2012 het eco-innovation action plan gepubliceerd. Nederland heeft actief bijgedragen aan twee fora voor consultatie met stakeholders in Amsterdam en Lissabon. Met de resultaten hiervan kunnen Commissie en Lidstaten hun beleid sturen op de behoeften van de industrie. Diverse Nederlandse bedrijven hebben op deze fora hun strategieën voor resource efficiency laten zien en innovatieve technologieën getoond aan de Europese markt.

Tegen de verwachting in zijn de onderhandelingen over een voorstel van de Europese Commissie om de teelt van toegelaten genetisch gemodificeerde gewassen te beperken of te verbieden in 2012 nog niet afgerond. Afronding van de onderhandelingen wordt niet eerder dan eind 2013 verwacht.

In juni 2012 heeft in Rio de Janeiro de wereldtop over duurzame ontwikkeling plaatsgevonden. De Rio+20-conferentie richtte zich op groene economie in de context van duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding, en op het institutionele raamwerk voor duurzame ontwikkeling. Groene economie wordt in het slotdocument «The Future We Want» als concept omarmd, voor het eerst in VN-kader. Nederland heeft hier als voortrekker van de Europese delegatie op het terrein van de groene economie actief aan bijgedragen. Verder hebben de VN-lidstaten de duurzame ontwikkelingsdoelen (sustainable development goals, SDG’s) omarmd. Over de inhoudelijke SDG-thema’s werd echter nog geen overeenstemming bereikt. Over de Commission on Sustainable Development is besloten tijdens Rio+20 dat deze overgaat in een High Level Political Forum (HLPF). De modaliteiten van het HLPF worden in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties nader uitgewerkt. Ten aanzien van de verduurzaming van handelsketens en de financiering van ecologische innovaties zijn tijdens Rio+20 geen grote doorbraken bereikt. Wel is afgesproken dat er via een intergouvernementeel proces opties worden geïdentificeerd voor een effectieve financieringsstrategie voor de mobilisering en het effectief gebruik van middelen voor duurzame ontwikkeling.

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Artikel

Naam artikel

Titel onderzoek

2010

2011

2012

Vindplaats

           

Realisatie beleidsdoorlichtingen

1

Waterkwaliteit

Waterkwaliteit

 

X

 

http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/08/19/beleidsdoorlichting-waterkwaliteit.html

2

Ruimtelijke ontwikkeling

Ruimtelijke ontwikkeling

       

3

Wegen en Verkeersveiligheid

Leefomgeving

   

X

TK 32 861, nr 3

4

Spoor

Kabinetsreactie op parlementair onderzoek spoor

   

X

TK 32 707, nr 16

5

Luchtvaart

Geluidsisolatie Schiphol

     

GIS doorlichting in uitvoering

5

Scheepvaart

Nota Zeehavens

   

X

TK 32 861, nr 2

4. BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1. Water

A. Algemene beleidsdoelstelling

Het op orde krijgen en houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten en schoon (drink)water heeft.

B. Rol en Verantwoordelijkheden

De minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het integrale waterbeleid inclusief het deltaprogramma. De minister draagt zorg voor de afstemming van het waterbeheer op zee en voor de afstemming met de buurlanden over de bovenstrooms gelegen stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems. Daarnaast houdt de minister toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving en streeft daar de volgende doelen na:

  • Bestuurlijke organisatie en instrumentatie

    Het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium van het waterbeleid.

  • Waterveiligheid

    Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en rivierengebied volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn conform de Basiskustlijn 2001.

  • Waterkwantiteit/Waterkwaliteit

    Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en daartoe het hoofdwatersysteem zo te beheren dat wateroverlast en tekort voorkomen worden. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor een regionale afweging om zo het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden, zodat problemen met wateroverlast en tekort zoveel mogelijk voorkomen worden.

  • Het bereiken van een goede ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems en de Noordzee en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden, conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water.

  • Water in gebieden

    Het bevorderen van een volwaardige plek van waterbelang in ruimtelijke afwegingen. Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid met behulp van een gebiedsgerichte aanpak gericht op de gebieden met grote rijkswateren.

C. Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijhorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. Afwijkingen waren er op het gebied van een lagere realisatie van de uitgaven welke met name worden veroorzaakt door de financiële instrumenten opdrachten en subsidies. De lagere realisatie bij de opdrachten is te wijten aan vertragingen bij de uitvoering van het Omgevingsloket en het Nationaal Waterplan. Daarnaast zijn de activiteiten in het kader van de Waterbalans en Doelmatig Waterbeheer goedkoper uitgevoerd en was er bij de Topsector Water vertraging door het opstarten van een nieuw programma.

De lagere realisatie op het financieel instrument Subsidies wordt volledig veroorzaakt door het programma Partners voor Water (HGIS). De onderuitputting op dit programma wordt veroorzaakt door vertraging bij de werkzaamheden in de Deltalanden.

Verder is op basis van het in 2009 ingevoerde belastingstelsel voor de waterschappen door de Unie van Waterschappen een evaluatie uitgevoerd om het systeem transparanter en eenvoudiger te maken. Op basis van de evaluatie van de Unie is een ontwerpwetsvoorstel in consultatie gebracht. Mede op basis van de reacties is het wetsvoorstel niet verder in procedure gebracht. Het belangrijkste knelpunt, namelijk de tarieven ongebouwd, is daarna aangepakt via het amendement Dijkgraaf – Ortega Martijn [Kamerstukken II, 2011/12, 33 097, nr. 22]. Op dit moment zijn er geen voornemens voor een nieuwe wetswijziging.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

01 Water

 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 
 

2011

2012

2012

2012

 

Verplichtingen

72.119

48.402

39.139

9.263

1

Uitgaven

69.626

42.097

50.916

– 8.819

 

01.01 Algemeen waterbeleid

47.032

31.671

38.589

– 6.918

 

01.01.01 Opdrachten

19.074

2.116

5.160

– 3.044

2

01.01.02 Subsidies

9.757

10.355

14.286

– 3.931

 

– Partners voor Water (HGIS)

9.757

9.137

13.216

– 4.079

3

– Overige subsidies

 

1.218

1.070

148

 

01.01.03 Bijdragen aan baten-lastendiensten

18.201

19.200

19.143

57

 

– Bijdrage aan RWS

18.201

19.200

19.143

57

 

01.02 Waterveiligheid

18.661

2.591

3.442

– 851

 

01.02.01 Opdrachten

18.661

2.591

3.442

– 851

 

01.03 Waterkwaliteit en kwantiteit

247

5.937

5.738

199

 

01.03.01 Opdrachten

247

2.638

2.714

– 76

 

01.03.02 Subsidies

0

77

122

– 45

 

01.03.04 Bijdrage aan internationale organisaties

         

en medeoverheden

0

3.222

2.902

320

 

01.04 Grote opppervlaktewateren

3.686

1.898

3.147

– 1.249

 

01.04.01 Opdrachten

3.686

1.898

3.147

– 1.249

 

01.09 Ontvangsten

93

75

570

– 495

4

X Noot
1

Het betreft hier de conversiestand bij 1e suppletoire begroting 2012. Zie ook de leeswijzer.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Ad 1) De hogere realisatie van de verplichtingen wordt veroorzaakt door een verschuiving in de verplichtingenramingen uit de jaren 2014 en 2015 naar de jaren 2012 en 2013 ten behoeve van het HGIS project Partners voor Water. De betalingsverplichtingen voor dit HGIS project worden eerder vastgelegd dan waarmee in de begroting rekening is gehouden.

Ad 2) De financiering van de subsidie aan de stichting RIONED is naar het financiële instrument subsidies overgeheveld. Daarnaast is ook een bijdrage geleverd aan het Planbureau voor de Leefomgeving ten behoeve van «de Balans van de Leefomgeving» en aan de evaluatie Waterkwaliteit, waarvoor een budgetoverheveling heeft plaats gevonden.

Er is een structurele bijdrage aan het Omgevingsloket geleverd waarvoor een budgetoverheveling heeft plaatsgevonden naar artikel 2 (Ruimte) en verder is sprake van een vertraging bij de uitvoering van het Omgevingsloket waarvoor nog een incidentele bijdrage zou worden geleverd. Daarnaast is de uitvoering van de activiteiten in het kader van het Nationaal Waterplan vertraagd in verband met de val van Kabinet Rutte I.

Ad 3) De lagere realisatie op het financieel instrument Subsidies is volledig veroorzaakt door het programma Partners voor Water (HGIS). De onderuitputting op dit programma is veroorzaakt door vertraging bij de werkzaamheden in de Deltalanden en een beperkt aantal activiteiten gelieerd aan de Topsector Water.

Ad 4) In 2012 zijn minder EU-ontvangsten gerealiseerd dan was geprognosticeerd. Dit komt enerzijds doordat de EU niet veel EU-subsidies meer uitkeert omdat het budget bij de EU ook substantieel naar beneden is bijgesteld en anderzijds doordat projecten niet in aanmerking meer komen voor EU-subsidie.

01.01 Algemeen waterbeleid

01.01.01 Opdrachten

In 2012 zijn de doelstellingen van het in mei 2011 getekende Bestuursakkoord water (Kamerstukken II, 2011/12, 27 625, nr. 204) een stap dichterbij gekomen en is een deel van de acties afgerond. De nauwere samenwerking in de waterketen tussen gemeenten en waterschappen heeft verder vorm gekregen via (afspraken over) gezamenlijke beleidsvoorbereiding, investeringen en operationele samenwerking. Tevens is een besluit genomen over de instelling van een visitatiecommissie om de voortgang in alle regio’s scherp in beeld te brengen en de samenwerking te bevorderen op een duurzame en innovatieve manier. Het wetsvoorstel nieuw Hoog Water Beschermingsprogramma (nHWBP) is aan de Tweede Kamer verzonden en er is een gezamenlijk programmabureau nHWBP van Rijkswaterstaat en de waterschappen opgericht. In een nulmeting zijn de afspraken voor monitoring van het Bestuursakkoord vastgelegd (de samenvatting is opgenomen in Water in Beeld 2011) en de integratie en stroomlijning van plannen krijgt vorm in de Omgevingswet.

De massamediale campagne «Nederland leeft met Water» is stopgezet in 2012. Er wordt gewerkt aan een nieuwe communicatieaanpak in samenwerking met de waterpartners. Zoals toegezegd (Kamerstukken II, 2010/11, 30 825, nr. 79) was 2012 een overgangsjaar voor de programma’s «Leren voor Duurzame Ontwikkeling» en «Natuur en Milieu Educatie». Deze programma’s werden uitsluitend op basis van specifieke projecten gefinancierd. Via de Human Capital agenda uit het Bestuursakkoord Water wordt vormgegeven aan watereducatie.

In november 2012 is het Watermanagementcentrum geopend waarbij de Helpdesk Water de rol als kennistransferpunt vervult.

01.01.02 Subsidies

Het ministerie van IenM compenseert de waterschappen voor de kadastrale kosten. Deze compensatie werd ingevoerd na de verzelfstandiging van het Kadaster in 1994, waarbij de kosteloze informatievoorziening aan waterschappen kwam te vervallen. De compensatie wordt in het kader van de vereenvoudiging van de administratieve lasten bij doelmatig waterbeheer, waarbij verantwoordelijkheden (ook de financiële) bij de waterschappen neergelegd worden, en om invulling te geven aan de taakstelling subsidies uit het Regeerakkoord, in drie stappen afgebouwd. In 2013 vindt voor het laatst een vergoeding plaats voor een derde deel van de kosten.

Het programma Water Mondiaal is een belangrijk instrument bij het realiseren van de mondiale ambities. Door de krachten te bundelen en daarmee de internationale positie van de Nederlandse watersector te verbeteren wordt bijgedragen aan de oplossingen voor de wereldwaterproblematiek. De interdepartementale samenwerking tussen de ministeries van IenM, Buitenlandse Zaken (inclusief Directoraat-generaal Internationale Samenwerking (DGIS)) en Economische Zaken wordt gecontinueerd, onderdeel hiervan is het uitvoeringsprogramma Partners voor Water dat loopt tot en met 2015. De uitgaven worden via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gefinancierd.

01.01.03 Bijdrage aan batenlastendiensten

Er is budget gereserveerd voor de agentschapsbijdrage aan Rijkswaterstaat RWS voor beleidsonderzoek voortvloeiend uit de hiervoor genoemde operationele doelstellingen.

01.02 Waterveiligheid

01.02.01 Opdrachten

In 2012 is onder regie van het rijk een uitwerking gegeven aan vier overstromingsrisicobeheerplannen (ORBP’s), die voor de vier stroomgebieden Eems, Rijn, Maas en Schelde moeten worden opgesteld. Samen met rijkspartners en andere overheden is in 2012 opdracht gegeven voor ondersteuning bij het opstellen van risicokaarten en ORBP’s.

Conform besluitvorming (eind 2011) is samen met de gebiedsgerichte Deelprogramma’s gewerkt aan de verdere uitwerking van de waterveiligheidsnormen. Parallel aan de actualisering van de normering waterveiligheid is opdracht gegeven om te komen tot nieuwe concepten voor waterveiligheid. Er is een studie Deltadijken afgerond en openbaar gemaakt.

In 2012 is de ingangstoets voor het nHWBP afgerond. De aard en omvang van de opgave op basis van de derde ronde toetsing is in kaart gebracht. In 2012 is ook het wetsvoorstel opgesteld en aan de Kamer gezonden. Opdrachten zijn gegeven voor beleidsonderzoek en voor het organiseren van kennisuitwisselingbijeenkomsten ter voorbereiding van de vierde toetsing op waterveiligheid (2017). Op basis van technische ontwikkelingen en voortschrijdend inzicht wordt het wettelijk toetsinstrumentarium, te weten de Hydraulische Randvoorwaarden en het Voorschrift Toetsen op Veiligheid, geactualiseerd.

Meetbare gegevens

Onderstaande indicator geeft weer hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken, duinen en dammen die zorgen voor waterveiligheid in Nederland. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006 en 2011. (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 710, nr. 22).

Totsoordeel toestand primaire waterkeringen Nederland

Totsoordeel toestand primaire waterkeringen Nederland

Bron: Rijkswaterstaat, 2012

Bovenstaande cijfers zijn niet veranderd ten opzichte van het jaarverslag 2011. Een eerstvolgende toetsing wordt in 2017 uitgevoerd. Dit is conform Waterwet, waarin staat dat de toetsingen in ieder geval om de zes jaar gehouden moeten worden.

Kust

De indicator voor kust is het percentage raaien (gedeelte van de Nederlandse kust) waar op het moment van toetsing de zee (de kustlijn) structureel verder landwaarts ligt dan de te handhaven norm. Raaien zijn denkbeeldige lijnen, haaks op de kust, waarlangs de kust jaarlijks wordt gemeten.

Bron: Rijkswaterstaat, 2012

* Voor 2012 is uitgegaan van de uitgevoerde kuubs tot 1 november 2012, aangevuld met de verwachte realisatie t/m december 2012.

Het aantal raaien waarin de basiskustlijn (BKL) overschreden wordt mag maximaal 15% zijn; het streven is om het aantal BKL-overschrijdingen rond de 10 procent te houden. De BKL werd in 2012 minder dan 7,8 procent van de gevallen overschreden. Dit betekent dat met het suppleren van zand de kustlijn op orde wordt gehouden. Dit figuur geeft een overzicht van de hoeveelheden suppleties en het aantal BKL-overschrijdingen. Om de BKL en het kustfundament te kunnen handhaven wordt een suppletieprogramma uitgevoerd, waarbij in de periode 2009–2012 jaarlijks gemiddeld 10,7 miljoen m3 zand aan het kustfundament wordt toegevoegd.

01.03 Waterkwaliteit/kwantiteit

01.03.01 Opdrachten

Jaarlijks wordt de Kamer met de «Water in beeld» geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van maatregelen uit de stroomgebiedbeheersplannen van 2009. Daarnaast is in 2012 dezelfde informatie aan de Europese Commissie gerapporteerd, conform de vereisten van de richtlijn. De resultaten van de beleidsonderzoeken maken onderdeel uit van het Innovatieprogramma. In maart 2013 vindt een uitgebreide presentatie van de resultaten plaats. Daarnaast is de kennis via websites, rapportages en themadagen beschikbaar gesteld aan gebruikers. Het Innovatieprogramma is vermeld in het jaarverslag Infrastructuurfonds.

Vanuit de evaluatie van het Besluit bodemkwaliteit is in overleg tussen alle overheidspartijen en bedrijfsleven een voorstel tot verbetering van de regelgeving tot stand gekomen, dat leidt tot meer kwaliteit in en helderheid voor de uitvoeringpraktijk van waterbeheerders.

De Europese Kaderrichtlijn Mariene strategie (KRM) kent een 6-jarige plancyclus. Nu wordt gewerkt in de eerste plancyclus. Voor de Initiële Beoordeling (IB), de Goede Milieu Toestand (GMT) en bijbehorende indicatoren zijn diverse onderzoeken in 2012 afgerond. Op basis daarvan heeft het kabinet in oktober 2012 de Mariene Strategie voor het Nederlandse deel van de Noordzee 2012–2020, Deel I vastgesteld en aan de Tweede Kamer gezonden. Hierin zijn de IB, de beschrijvingen van GMT, de na te streven milieudoelen en daarbij behorende indicatoren vastgesteld, alsook de beleids- en kennisopgave tot 2020. Hierover is aan de Europese Commissie gerapporteerd. Verder zijn er eerste uitbestedingen gedaan voor het opstellen van een concept-monitoringprogramma (Mariene Strategie Deel II, besluitvorming 2014) en voor de Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse ten behoeve van het opstellen van het programma van maatregelen (Mariene Strategie Deel III, besluitvorming 2015) als uitwerking van de beleidsopgave, en voor de internationale afstemming in EU-verband en in het kader van het Verdrag inzake de bescherming van de mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (OSPAR-verdrag zie ook artikel over bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden).

1.03.02 Subsidies

Subsidie is verstrekt aan de Wageningen Universiteit IMARES voor het onderzoeksprogramma MEECE (Marine Environmental Evolution in a Changing Environment) en het onderzoeksprogramma MESMA. Eindproducten worden naar verwachting in 2013 opgeleverd.

01.03.04 Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden

Nederland is partij in de verdragen waarin de internationale riviercommissies voor de Rijn, Maas en Schelde zijn opgericht. Ook in 2012 heeft Nederland in deze commissies watervraagstukken, op het gebied van kwaliteit, droogte en overstroming, besproken. De jaarlijkse contributie is bijgedragen en ondersteuning in voorbereiding en de uitvoering van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden.

Met het (door EU verplicht) ontwerpen van de (nationale) mariene strategieën door EU lidstaten die tevens verdragspartij bij het al lang bestaande OSPAR zijn, is gezocht naar maximale synergie tussen KRM en OSPAR. Met name Nederland heeft zich hiervoor bij de verschillende OSPAR gremia succesvol proactief ingezet. Het toewerken naar een meer efficiënte en kosteneffectieve gemeenschappelijke monitoring stond centraal, evenals definities van de goede milieutoestand, maar ook het synchroniseren van de verschillende beoordelingsfasen.

2012 was het eerste jaar dat International Groundwater Resources Assessment Centre (IGRAC) als zelfstandige stichting functioneerde. Dit opbouwjaar was een uitdagend, maar succesvol jaar voor IGRAC. Er was een uitstekende samenwerking met UNESCO-IHP. De hoofdactiviteiten liggen op de beoordeling en monitoring van grensoverschrijdende grondwaterlichamen en het positioneren van IGRAC als wereldwijd grondwater centrum dat diensten aanbiedt die essentieel zijn voor een betrouwbare watervoorziening. Erkenning van internationale partners en financiers, zoals het GEF, is voor de toekomst van IGRAC van levensbelang. De samenwerking met IHE op gebied van capaciteitsopbouw is verder geprofessionaliseerd en versterkt de samenwerkingsrelatie van IenM met de 5 deltalanden, China, de Verenigde Staten en Caribisch Nederland.

% dagen dat stuwen en sluizen HWS beschikbaar zijn

Meetbare gegevens

De stuwen en sluizen in het hoofdwatersysteem zijn in 2012 99,9% beschikbaar geweest. Er is sprake van 99,9% als gevolg van een aantal storingen bij een sluis in Zeeland. Deze storingen zijn verholpen en hebben geen kritieke situaties opgeleverd.

Bron: Rijkswaterstaat, 2012

KRW-maatregelen BPRW(Stand van zaken februari 2013)

KRW maatregelen:

ABSOLUUT

%

Aantal:

233

100

In uitvoering:

114

48,9

Uitgevoerd:

54

23,2

Getemporiseerd:

60

25,8

Planvoorbereiding:

5

2,1

(Bron: Rijkswaterstaat 2013)

Deze tabel geeft aan hoe het staat met de uitvoering van het maatregelenprogramma uit de stroomgebiedbeheerplannen zoals opgenomen in het Beheersplan Rijkswateren (BPRW). Het gaat hierbij om de maatregelen uit het maatregelenprogramma voor de jaren 2010 t/m 2015. In 2013 is 49% van de maatregelen in uitvoering en is 23% uitgevoerd. Een kwart van de maatregelen is in 2011 getemporiseerd als gevolg van de taakstelling uit het regeerakkoord (Rutte I). Zie ook begroting 2013.

Bron: Rijkswaterstaat, 2013

01.04 Grote oppervlaktewateren

01.04.01 Opdrachten

  • Op de Noordzee wordt ecologische monitoringsonderzoek gedaan naar de effecten van het aanleggen van windenergie gebieden op zee. De eerste fase van het onderzoek, de zogenaamde «shortlist» is in 2012 afgerond. Resultaten met beleidsmatige conclusies zijn op 6 december 2012 aan de Tweede Kamer verzonden. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 A, nr. 22). Tevens wordt onderzoek verricht voor de aanwijzing van windenergiegebieden op zee. De aanwijzing van de windenergiegebieden Hollandse Kust en het gebied ten noorden van de Wadden is in 2012 niet opgestart, dit mede in verband met het aantreden van het nieuwe Kabinet. Wel is de Aanwijzingsprocedure voorbereid om begin 2013 van start te gaan. Ten slotte wordt een jaarlijkse bijdrage verstrekt voor het Noordzeeloket; een online loket voor informatie over de Noordzee. Dit is een doorlopende activiteit om betrokkenen bij het Noordzeebeleid op de hoogte te houden van de beleidsmatige en juridische kaders voor activiteiten op zee. Het informatieloket is van een update voorzien.

  • In het IJsselmeergebied wordt (buiten de activiteiten in het kader van het Deltaprogramma) onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor de noodzakelijke versterkingen van de Markermeerdijken.

  • De Markuitvraag ecologie Markermeer (verzoek van de Tweede Kamer tijdens Algemeen Overleg van 21 december 2011) is afgerond en de resultaten worden meegenomen in de Structuurvisie Rijk-regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM) voorjaar 2013. Zie verder: Derde Voortgangsrapportage Groot Project RRAAM en resultaten Marktuitvraag Ecologie, Kamerstukken II, 2011–2012, 31 089, nr 95. De startbeslissing voor de MIRT-verkenning Luwtemaatregelen Hoornse Hop (1e fase Toekomstbestendig Ecologisch Systeem (TBES)) is op 25 september 2012 genomen door de staatssecretaris van IenM. Besluitvorming over MarkerWadden (initiatief van Natuurmonumenten, mogelijk 2e fase TBES) is in voorbereiding gegaan in 2012.

  • Deelprogramma Zuidwestelijke Delta: In het bestuurlijk overleg van 29 mei 2012 is aangekondigd dat een rijksstructuurvisie voor de structurering van de besluitvorming over de samenhangende ontwikkeling van Grevelingen en Volkerak-Zoommeer wordt opgesteld. Tegelijkertijd is onder regie van de provincies het programma Gebiedsontwikkeling Grevelingen en Volkerak-Zoommeer gestart om te komen tot financiële arrangementen om de ambitie van de regio van een zout Volkerak-Zoommeer, beperkt getij terug op de Grevelingen en een open verbinding tussen beide bekkens, te kunnen verzilveren.

  • Schelde-estuarium: In 2012 is op grond van het verdrag Beleid en Beheer Schelde-estuarium een start gemaakt met de evaluatie van de Vlaams-Nederlandse samenwerking om te komen tot een duurzame balans tussen de belangen van een veilig, toegankelijk en natuurlijk Schelde-estuarium. Deze evaluatie zal tevens voorzien in een Agenda voor de Toekomst, waarin onder meer de verbinding met de lange termijndoelstellingen van het Deltaprogramma wordt gelegd. Door de Vlaams Nederland Schelde Commissie (VNSC) is najaar 2012 een (wetenschappelijk) symposium georganiseerd met het oog op de evaluatie van de Vlaams-Nederlandse samenwerking en de Agenda van de Toekomst. Het regeerakkoord voorziet alsnog in de ontpoldering van de Hedwigepolder. De betrekkingen met Vlaanderen en de Europese Commissie over dit dossier lijken zich hiermee weer te normaliseren.

  • In 2012 is de derde en laatste fase van de evaluatie van het functioneren van de watertoets uitgevoerd.

Hierin zijn de aanbevelingen uit de eerdere fasen om het functioneren van de watertoets in de praktijk te verbeteren uitgewerkt via een lerende evaluatie. Het Directeuren Water Overleg(DWO) heeft ingestemd met deze aanpak en aangegeven dat afgestemd moet worden met nieuwe beleidstrajecten zoals de Omgevingswet en het Deltaprogramma. Dat laatste zal naar verwachting de eerste helft van 2013 plaatsvinden tegelijk met een visievorming over de toekomst van de watertoets als sluitstuk van de evaluatie.

Extracomptabele verwijzingen

Overzicht uitgaven waterbeleid op het Infrastructuurfonds (x € mln)

Art. Omschrijving

realisatie 2012

art 11 Hoofdwatersystemen

583

art 16.02 Ruimte voor de rivier

175

art 16.03 Maaswerken

53

art 16.04 Apparaatsuitgaven RWS

18

art 16.05 Hoogwaterbeschermingsprogramma

107

Overzicht afgeronde onderzoeken

 

Titel/onderwerp

Artikelonderdeel

Start

Afgerond

Vindplaats

1b. Ander onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

Evaluatie Waterschapswet – belastingstelsel

1.01

2011

2012

http://www.uvw.nl/publicatie-details.html?newsdetail=20110610–15_eindrapport-taskforce-financien

 

Evaluatie van de effectiviteit van de Tijdelijke regeling eenmalige uitkering bestrijding regionale wateroverlast

1.03

2011

2012

http://www.agentschapnl.nl/programmas- regelingen/honderd-miljoen-euro-nbw

Artikel 2. Ruimtelijke ontwikkeling

Algemene beleidsdoelstelling

Een ruimtelijk beleid voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, waarin sprake is van regionaal maatwerk, waarin de gebruiker voorop staat, waarin investeringen scherp geprioriteerd worden en waarin ruimtelijke ontwikkelingen, milieu en mobiliteit met elkaar zijn verbonden.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies («decentraal, tenzij...») en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen zoals in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is vermeld. Voor deze inzet is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken («je gaat er over of niet»). Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan eenvoudigere regelgeving. Daarbij verwacht het Rijk dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving.

Externe factoren

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maken met een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Alleen zo kan Nederland zich economisch blijven meten met andere landen. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en ontwikkelingen van burgers en bedrijven.

Budgettaire gevolgen van beleid: Slotwet 2012 (Bedragen in EUR 1.000)

02 Ruimtelijke ontwikkeling

 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 
 

2011

2012

2012

2012

 

Verplichtingen

38.493

93.527

152.107

– 58.580

1

Uitgaven

148.555

117.259

181.778

– 64.519

 

02.01 Ruimtelijk Instrumentarium

19.803

23.767

19.587

4.180

 

02.01.01 Opdrachten

7.101

8.792

9.547

– 755

 

02.01.02 Subsidies

10.901

14.915

8.295

6.620

2

02.01.04 Bijdrage aan internationale organisaties

         

en medeoverheden

1.801

60

1.745

– 1.685

3

02.02 Geo informatie

27.227

28.968

39.396

– 10.428

 

02.02.01 Opdrachten

2.777

4.715

4.029

686

 

02.02.05 Bijdrage aan ZBO en RWT

24.450

24.253

35.367

– 11.114

 

– Basisregistratie grootschalige Topo (BGT)

 

0

12.990

– 12.990

4

– Basisregistratie Topo (BRT)

24.450

24.253

14.207

10.046

5

– Overige Bijdragen aan ZBO/RWT

 

0

8.170

– 8.170

6

02.03 Gebiedsontwikkeling

69.414

14.565

65.898

– 51.333

 

02.03.01 Opdrachten

8.515

1.245

2.211

– .966

 

02.03.02 Subsidies

 

211

0

211

7

02.03.04 Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden

60.899

13.109

63.687

– 50.578

 

– Bufferzones ILG

 

0

2.963

– 2.963

8

– Projecten BIRK

28.622

8.609

28.634

– 20.025

9

– Projectern Nota Ruimte

32.277

4.500

32.090

– 27.590

10

– Projecten Bestaand Rotterdams Gebeid

 

0

0

0

 

02.04 Ruimtegebruik bodem

32.111

49.959

56.897

– 6.938

 

02.04.01 Opdrachten

234

2.772

435

2.337

11

02.04.02 Subsidies

8.867

22.886

19.177

3.709

 

– Bedrijvenregeling

5.666

7.354

11.646

– 4.292

12

– Overige subsidies

3.201

15.532

7.531

8.001

13

02.04.04 Bijdrage aan internationale organisaties

         

en medeoverheden

11.140

12.300

27.285

– 14.985

 

– Meerjaren programma Bodem

6.502

0

13.374

– 13.374

14

– Programma Gebiedsgerichte instrumentarium

4.638

12.300

13.911

– 1.611

 

02.04.07 Bekostiging

11.870

12.001

10.000

2.001

 

– Uitvoering klimaat adaptie

11.870

12.001

10.000

2.001

 

02.09 Ontvangsten

11.689

5.770

934

4.836

15

X Noot
1

Het betreft hier de conversiestand bij 1e suppletoire begroting 2012. Zie ook de leeswijzer.

Toelichting op de financiële instrumenten

Ad 1) De lagere verplichtingen zijn voornamelijk veroorzaakt omdat er geen beroep is gedaan op de garantieregeling bodemsaneringskredieten MKB, waardoor € 65,344 miljoen aan verplichtingenruimte niet is benut.

Ad 2) Door het subsidiekarakter van een toekenning aan SVB/GBKN, (houders van de brongegevens met betrekking tot de grootschalige basiskaart van Nederland), die oorspronkelijk gebudgetteerd was als bijdrage ZBO en RWT (bij 02.02.05) moesten die alsnog worden toegekend bij dit instrument.

Ad 3) Dit is het gevolg van een herrubricering van het budget Deltaprogramma Nieuwbouw van het financiële instrument «Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden» naar «Opdrachten».

Ad 4, 5 en 6) De lagere uitgaven worden enerzijds verklaard als gevolg van vertraagde besluitvorming, en daaraan gekoppelde uitgaven, met betrekking tot de Basisregistratie en anderzijds door de aangegeven reden dat aanvankelijk gebudgetteerde bedragen met betrekking tot de opdrachten deels als subsidie zijn betaald, waarvoor budget is overgeboekt naar het financiële instrument «Subsidies».

Ad 7) De realisatie heeft betrekking op de bijdrage 2012 ten behoeve van het Regiecollege Waddengebied in de vorm van een incidentele subsidie.

Ad 8, 9 en 10) Het voor 2012 gebudgetteerde bedrag met betrekking tot de Bufferzones ILG is in 2012 niet tot besteding gekomen en aanvankelijk ingezet voor de dekking van kasversnellingen in het kader van opdrachten met betrekking tot gebiedsontwikkeling (02.03.01) maar bleek uiteindelijk niet in volle omvang daarvoor nodig. Tevens is in 2012 weer een aantal projecten, op grond van het Besluit Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) en Nota Ruimte projecten, gedecentraliseerd door de resterende budgetten in het Gemeenten- en Provinciefonds te storten. In totaal zijn daarmee de betreffende budgetten 2012 verlaagd met een kleine € 50 miljoen.

Ad 11) De hogere realisatie is veroorzaakt doordat bij de verdeling naar financiële instrumenten in de in de begroting 2012 onvoldoende budget apart is gezet voor opdrachten in het kader van Ruimtegebruik Bodem.

Ad 12 en 13) De lagere realisatie op de Bedrijvenregeling wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de incidentele subsidies Bodem vanaf 2012 onder de Overige subsidies worden verantwoord. De hogere realisatie van Overige subsidies is, naast de incidentele subsidies bodem, met name veroorzaakt door de subsidie aan de Commissie voor de Milieueffectrapportage (CieMER). Deze hogere realisatie wordt echter gedekt door de bijdragen van Economische Zaken EZ en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen OCW aan de CieMER.

Ad 14) De uitgavenverlaging op het financieel instrument «Bijdragen aan internationale organisaties en medeoverheden» is hoofdzakelijk veroorzaakt door de overboeking van bodemsaneringsmiddelen naar het Gemeente- en Provinciefonds (decentralisatie).

Ad 15) De ontvangsten komen voort uit eerder gegeven opdrachten. Bij de definitieve vaststelling/afwikkeling van deze opdrachten is gebleken dat een enkele partijen nog middelen moesten terugstorten.

02.01 Ruimtelijk instrumentarium

Artikelonderdeel

Optimaliseren van de ruimtelijke afweging

Doelbereiking

  • Stelselherziening omgevingsrecht: Begin 2012 is een kabinetsnotitie (Kamerstukken II, 2011–2012, 33 118, nr. 3 en Kamerstukken II, 2011–2012, 33 118, nr. 4) opgesteld waarin de visie op de stelselherziening omgevingsrecht wordt uitgelijnd en 6 instrumenten worden geïntroduceerd. Deze instrumenten zijn nader uitgewerkt en via informele consultatie getoetst. De Tweede Kamer is in december 2012 over de voortgang geïnformeerd (Kamerstukken II, 2011–2012, 33 118 nr. 6).

  • Het voorstel Permanent maken Crisis- en herstelwet is op 5 juli 2012 in de Tweede Kamer aangenomen. En wordt in het voorjaar 2013 in de Eerste Kamer besproken.

  • De eerste aanvulling op de Algemene maatregel van bestuur (Amvb) Ruimte is op 1 oktober 2012 in werking getreden. De digitalisering Wet ruimtelijke ordening is in 2012 verbreed naar andere wetten op het gebied van het omgevingsrecht en een koppeling van de Landelijke Voorziening Ruimtelijke Ordening Online (RO-Online) met andere aanpalende digitale registraties is gemaakt (en vice versa).

  • De eerste Monitor ruimtelijke ontwikkeling van het Planbureau van de Leefomgeving PBL is in 2012 verschenen1

  • Het programma Ontwerp & Politiek is één van de instrumenten om uitvoering te geven aan de Visie Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp (VARO). In 2012 heeft dit geresulteerd in:

    • Een leerstoel Ontwerp & Politiek voor onderwijs en onderzoek op actuele beleidsopgaven, vanuit het snijvlak van planning, ontwerp en politiek. Deze levert tevens een bijdrage aan de 5e Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (19 april tot en met 31 oktober 2013).2

    • Boekenreeks Design and Politics.

  • Ter voorbereiding op een te nemen besluit over de Olympische Spelen is in 2012 gewerkt aan een uitvoeringsprogramma voor het ruimtelijk plan voor de Olympische Hoofdstructuur (OHS) (Kamerstukken II, 2012/13, 30 234, nr. 53). Op basis van het nieuwe regeerakkoord wordt niet meer ingezet op het naar Nederland halen van de Olympische Spelen.

  • In 2012 is aan het programma «Ontwikkelagenda Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse (MKBA) gewerkt. Daarvoor zijn onderzoeken opgeleverd en krijgen betrokkenen bij MIRT-projecten een kennis- en leerprogramma aangeboden.3

  • In 2012 is de uitvoering van de acties op het gebied van de ruimtelijke ordening uit de Voortgangsrapportage Bevolkingsdaling voortgezet met aandacht voor de nieuwe krimpgebieden. De coördinatie van de Voortgangsrapportage wordt gecoördineerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).

  • IenM heeft in 2012 de decentrale overheden – met name gemeenten – geïnformeerd en ondersteund om de Amvb Ruimte te implementeren. Doorwerking van nationale belangen naar bestemmingsplannen is hierdoor bevorderd.

Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid

  • De Amvb Ruimte is in zijn geheel vastgesteld.

  • In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een motiveringseis opgenomen dat de voorkeursvolgorde voor verstedelijking regelt4.

  • Samen met het PBL is de Monitor Nota Ruimte omgevormd naar een monitor ruimtelijke ontwikkelingen.5

  • Op basis van de Randstadmonitor is een monitor concurrentiekracht opgesteld.6

  • Met de ontwikkeling van de Monitor van landschappelijke en cultuurhistorische waarden is gestopt, gezien de decentralisatie van het onderwerp naar de provincie.7

  • Er is een kennisinfrastructuur opgesteld die past bij de decentralisatie van het RO-beleid.

  • Op basis van de evaluatie van de huidige Visie Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp is op 1 juni 2012 door de Ministerraad de Actieagenda Architectuur en Ruimtelijk Ontwerpt (AAARO) (Kamerstukken II, 2012/13, 31 535, nr. 10) vastgesteld en op 18 juni 2012 verzonden aan de Tweede Kamer.

  • Standaardisatie van de inbreng van natuur, landschap en cultuurhistorie in MKBA.8

  • Ontwerpend onderzoek is in zes rijksprojecten (Zuidas, Groen Blauwe Delta, Rotterdam Zuid, Rijnmond-Drechtsteden, Olympische Hoofdstructuur, Knooppunten) in het kader van de vijfde Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (Making City) vorm gegeven in 2012.9

  • Een reeks activiteiten («Studio Unsollicited Architecture») is in samenwerking met het Nederlands Architectuur Instituut gerealiseerd.10

  • De ontwerpprijzen Europan, StedenbouwNU en de Rijksprijs Gouden Piramide zijn in 2012 uitgereikt.

Leefomgevingskwaliteit

  • De motie Dikkers verzocht de regering om prestatieafspraken met provincies te maken over 6.000 MW windenergie op land, deze op te nemen in de Structuurvisie Windenergie op Land en deze uiterlijk eind 2012 aan de Tweede Kamer te sturen. Omdat de afspraken met de provincies over de realisatie van 6.000 MW (motie Dikkers) niet tijdig in 2012 konden worden afgerond, zal de structuurvisie Wind op Land naar verwachting in 2013 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

  • In 2012 heeft onderzoek naar mogelijkheden voor de plaatsing van meer windmolens op waterkeringen plaatsgevonden. De conclusies vormen input in de nog uit te brengen rijksstructuurvisie windenergie op land.

  • Er is een verkenning gedaan naar het instrumentarium dat nodig is om de bouw van nieuwe windmolens te laten samengaan met sanering van oude molens in concentratiegebieden. Uit dit onderzoek is gebleken dat herstructurering van windmolens in eerste instantie een economisch vraagstuk is en niet een ruimtelijk probleem.

  • De nieuwe systematiek om windturbines te toetsen op radarverstoring is per 1 oktober 2012 in werking getreden. Dit is opgenomen in de ministeriële regeling voor militaire belangen op basis van artikel 2.6.9. van het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening).

  • In 2012 is de evaluatie gestart naar het aspect participatie. Het onderzoek is eind december 2012 afgerond, en zal binnenkort beschikbaar komen. De onderzoeksresultaten zullen worden betrokken bij de nieuwe Omgevingswet. Het onderzoek naar de relatie passende beoordeling en project-mer is nog niet gestart. Met de start is gewacht op de nieuwe natuurwet zoals gepubliceerd door het ministerie van EZ. Het onderzoek naar de gevolgen van de verschuiving van projecten van de C-lijst naar de D-lijst voor de periode 1 april 2011 tot 1 april 2012 is afgerond. De evaluatie van dat onderzoek loopt door in 2013.

  • De Europese Commissie heeft op 24 oktober 2012 het voorstel herziening mer-richtlijn gepubliceerd. De Nederlandse regering heeft op 7 december 2012 haar standpunt in het BNC-fiche (Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen) aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2012–2013, 22 112, nr. 1521). In het BNC-fiche staan een korte beschrijving van de inhoud en doelstelling van het voorstel en de behandeling in Brussel, de gevolgen voor Nederland en de Nederlandse inzet in de onderhandelingen.

  • Het beheer en actualiseren van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een het digitale loket is een doorlopende activiteit. In 2012 is bepaldend hoe het Omgevingsloket toekomstvast kan worden gebouwd en hoe een toekomstvisie op het omgevingsloket kan worden opgesteld. De besluitvormintg daarover zal naar verwachting begin 2013 plaatsvinden.

Indicatoren Ruimtelijke Bestemmingsplannen

Effectindicatoren

Basiswaarde oude Wet Ruimtelijke Ordening(Wro)

Waarde onder Nieuwe Wro

Peildatum

Streefwaarde 1

Periode

Realisatie

2012

Streefwaarde 2

Periode

Bron (Instantie; publicatie)

Actualiteit bestemmingsplannen/beheersverordeningen

63% verouderd

Alle gemeenten een actualiseringprogramma

2009

100% actueel

2013

Alle gemeenten verwachten dat op 1 juli 2013 hun bestemmingsplannen actueel zijn

100% digitaal

2019

Planbureau voor de Leefomgeving; Monitor Wro

Beschikbaarheid structuurvisies

Onderzoek IenM

28%

2010

75%

2013

Zie 1

100%

2020

IenM: VROM-Inspectie"Zicht op Structuurvisies»

Doorlooptijd bestemmingsplanprocedure

46 weken

17 weken

2009

< dan in 2009

2013

20 weken (2011)

< dan in 2009

2020

Planbureau voor de Leefomgeving; Monitor Wro

Provincies hebben de rijksbelangen geborgd in een provinciale verordening

0%

20%

2009

50%

2010

Zie 1

100%

2013

IenM

50%

2010

Waardering omgevingsrecht door gebruiker

Nulmeting moet nog plaatsvinden

– 

2011

– 

2015

Zie 2

– 

2020

IenM

De doorlooptijd van gebiedsontwikkelingsprojecten

Nulmeting moet nog plaatsvinden

– 

2011

– 

2015

– 

2020

Planbureau voor de Leefomgeving; Monitor Wro

Bron: PBL, 2012 Ex-durante evaluatie Wet ruimtelijke ordening: tweede rapportage

X Noot
1

Gebruik van Wro-instrumenten door de provincie in 2010 (in aantallen)

X Noot
2

«Omgevingsrecht: Eenvoudiger en Beter: Een Ketenbenadering», Sibolt Mulder, Michiel van Bruxvoort en Matthijs de Gier, 14 december 2011

 

Zienswijze

Reactieve aanwijzing

Beroep

Inpassingsplan

Proactieve aanwijzing

Structuurvisie

Verordening

Drenthe

6

0

0

0

0

2

0

Flevoland

4

0

0

1

0

1

0

Friesland

12

0

0

1

0

0

0

Gelderland

16

0

0

1

0

2

1

Groningen

25

4

1

0

0

0

0

Limburg

47

1

1

2

0

3

0

Noord-Brabant

144

15

2

1

0

1

1

Noord-Holland

11

0

0

4

0

1

1

Overijssel

7

6

0

0

0

4

0

Utrecht

10

0

2

0

0

0

0

Zeeland

12

0

0

1

0

0

1

Zuid-Holland

86

6

0

2

0

1

1

Windenergie1

Prestatie-indicator

Basiswaarde

Gerealiseerd 2012

Streefwaarde

Periode

Bron

Gerealiseerd vermogen wind op land

2000 MW (2007)

119 MW (totaal vermogen eind 2012: 2.163 MW)

6.000 MW

2020

Agentschap NL

X Noot
1

Het kabinet heeft als doel om in 2020 6.000 MW gerealiseerd vermogen. Het Rijk werkt hierbij samen met de provincies. IenM zoekt en creëert samen met de regio ruimte voor grootschalige windenergie projecten.

Vermeden CO2 uitstoot door gebruik windenergie

Effectindicator

Basisjaar

Stand1

Streefwaarde1

Periode

Streefwaarde

Periode

Bron

De vermeden CO2– uitstoot door gebruik windenergie

1968 kton (2007)

2.540 kton (2011)

vermindering CO2-uitstoot

2012

vermindering CO2-uitstoot

2020

CBS statline

X Noot
1

De vermeden CO2 uitstoot door het gebruik van windenergie is in 2012 toegenomen tot 2.540 kton en daarmee in lijn met het doel om vermindering van CO2 uitstoot te bewerkstelligen.

2.02 Geo informatie

Artikelonderdeel

Doelbereiking

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn geweest:

Optimaliseren van de ruimtelijke afweging

  • Invoering van verplicht gebruik door alle overheden van Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG); in 2012 zijn afnemers binnen en buiten de overheid gestart met het incorporeren van de BAG. Na controles bleek dat de BAG nog niet op alle aspecten de gewenste kwaliteit had. Daarom is er een kwaliteitstraject gestart door project BAG, Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (KING/VNG), Kadaster en de bronhouders dat in 2012 tot duidelijke verbeteringen leidde.

  • Inrichting shared service geo-informatie infrastructuur is in 2012 gerealiseerd. Kadaster, Rijkswaterstaat (RWS), Dienst Landelijk Gebied (DLG), Het Waterschapshuis, Geonovum en IenM werken in het Geo Diensten Collectief samen om door intensievere samenwerking een kwaliteits- en efficiencyslag te maken.11

  • Ter voorbereiding van de landelijke implementatie en daadwerkelijke realisatie Basisregistratie Grootschalige Topografie is het concept voor de Wet Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) voor advies naar de Raad van State (RvS) gezonden en is op 19 september 2012 een positief advies ontvangen. In 2012 is de voorbereiding van de transitie naar de BGT gestart onder andere door het oprichten van een samenwerkingsverband van bronhouders dat regie gaat voeren op de transitie en de ontwikkeling van de landelijke voorziening.

  • Er heeft voorbereiding plaatsgevonden van de landelijke implementatie en daadwerkelijke realisatie Basisregistratie Ondergrond;

  • In samenwerking met Geonovum is in 2012 gewerkt aan het meerjarige implementatieplan Inspire (met als doel dat de data annex 1 Europese richtlijn Inspire voldoen aan eisen conformiteit). 12

Meetbare gegevens

Indicatoren met betrekking tot Geo-informatie:

Effect

indicatoren

Basiswaarde

Peildatum

Streefwaarde 1

Periode

Streefwaarde 2

Periode

Realisatie 2012

Toelichting

1 Gebruik nationaal Georegister

Index is 100

1-1-2011

Index is > 100

2011

Gebruik relevante overheidsbestanden 100%

2014

75%

Nationaal Georegister opgenomen in loket PDOK. Gebruik groeit gestaag. Komende jaren worden geo-basisregistraties ook met PDOK/NGR ontsloten.

                 

2 Implementatie Inspire

Inspire-monitor indicatoren

15-5-2010

Beter dan 2010-

Beter conform Inspire

2013

Volledig Inspire Compliant

2016

nagenoeg 100 %

Ontwikkelingen vergen iets meer coördinatie. Wettelijke verplichting gerealiseerd op 1 data-item na.

3 Gebruik basis

registraties:

               

– BAG

0%

1-1-2011

10%

2011

>90%

2014

85%

Koppelingen met GBA 100% en met NHR 95%, Kadaster 85% met WOZ op schema.

– Overige

0%

1-1-2011

% > in 2011

2011

>90%

2014

>80%

Kadaster 100%; Topografie 100%; Grootschalige topografie in opbouw; Ondergrond in opbouw.

Bronnen: 1. Geonovum, 2. Geonovum en Rapportage EU en 3. Kadaster

2.03 Gebiedsontwikkeling

Artikelonderdeel

Doelbereiking

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn geweest:

Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid

  • Tijdens de Bestuurlijk Overleggen MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) hebben Rijk en regio vooral gesproken over de actualisatie van de gebiedsagenda’s en is slechts een beperkt aantal afspraken gemaakt over specifieke projecten. Deze hebben geen financiële gevolgen voor het Infrastructuurfonds. De afspraken in het kader van het MIRT(Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) zijn immers breder dan alleen financieel van aard. Door de bezuinigingen op het Infrastructuurfonds en het Deltafonds vanaf 2013 uit het aanvullend akkoord, was het ministerie genoodzaakt een pas op de plaats te maken (Kamerstukken II, 2011/12, 33 400-A, nr. 20).

  • De gedecentraliseerde projecten uit het Nota Ruimte budget zijn Dierenpark gemeente Emmen, IJsseldelta gemeente Kampen en Oude Rijnzone provincie Zuid-Holland.

  • De gedecentraliseerde projecten uit het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit zijn Hart van Zuid gemeente Rotterdam, Spoorzone Gemeente Tilburg, Inverdan gemeente Zaanstad en Traverse Dieren provincie Gelderland.

  • De Bestuursovereenkomst ZuidasDok is op 9 juli 2012 ondertekend en op 22 augustus 2012 is de Structuurvisie ZuidasDok aan de Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2011/12, 32 668, nr. 8).

  • In 2012 zijn door de gemeente Rotterdam met inzet van het Nota Ruimte Budget (NRB) onderdelen van Stadshavens gerealiseerd, waaronder deelprojecten in Merwe Vierhavens zoals het Dakpark. Hoewel de uitvoering van Stadshavens is vertraagd door de economische omstandigheden kan naar verwachting het NRB-subsidie binnen de voorgenomen planning worden uitgefaseerd. Eind 2012 is het programma NederLandBovenWater afgerond na drie onderzoeksjaren. De resultaten van het programma zijn opgenomen in een publicatie13Het project gebiedsontwikkeling nieuwe stijl heeft in april 2012 geleid tot een handreiking investeren in gebiedsontwikkeling nieuwe stijl. Deze handreiking zal de komende periode bij een selectie van projecten getoetst worden.

  • Rijk-Regio programma Amsterdam – Almere – Markermeer (RRAAM): Vanwege een forse taakstelling op de budgetten schuift de besluitvorming over het programma RRAAM en Openbaar Vervoer Schiphol, Amsterdam, Almere en Lelystad (OV SAAL) voorzien voor 2012, door naar 2013 (Kamerstukken II, 2011/12, 32 404, nr. 60).

  • Rijksstructuurvisie voor het gebied Haarlemmermeer/Schiphol: Rijk en regio hebben in maart 2012 besloten voorlopig niet te starten met het opstellen van een structuurvisie, maar eerst in een besloten proces de spanning tussen vliegen en wonen op basis van beleidsvarianten in beeld te brengen. Als Rijk en regio overeenstemming hebben over een samenhangende aanpak woningbouw, hinderbeleid en restrictief verstedelijkingsbeleid wordt gestart met het opstellen van een structuurvisie.

  • Waddenfonds: Zoals bepaald in het Bestuursakkoord Decentralisatie Waddenfonds (Kamerstukken II, 2011/12, 29 684, nr. 100 zijn bij 2e suppletoire begroting 2011 en Miljoenennota 2012 de beschikbare middelen overgeheveld naar het Provinciefonds en hiermee ter beschikking gesteld van de Waddenprovincies.

2.04 Ruimtegebruik bodem

Artikelonderdeel

Leefomgevingskwaliteit

Doelbereiking

  • In de tweede helft van 2012 is mede op aandringen van de decentrale overheden besloten tot het verbreden van de scope van de structuurvisie van de diepe ondergrond naar de gehele ondergrond. Dit heeft geleid tot een aanpassing in de organisatie en aanpak van STRONG (Structuurvisie Ondergrond). De verbreding zorgt voor een duurzaam en efficiënt gebruik van de ondergrond in relatie tot bovengrondse functies en de bevordering van innovatie. In de verbrede structuurvisie zal ook de beleidsvisie op geothermie de haar toekomende plaats krijgen. Onderdeel van de structuurvisie zal een afwegingskader zijn dat de andere overheden kunnen gebruiken voor hun vergunningverlening en de verdeling van baten-lasten. De Structuurvisie Ondergrond wordt eind 2013 in inspraak gebracht.

  • Per 1 februari 2012 is de aanpassingswet voor het terugbrengen van administratieve en uitvoeringslasten in werking getreden, met uitzondering van artikel 55ab. Het wetsvoorstel gebiedsgericht beheer is per 1 juli 2012 in werking getreden.

  • De Structuurvisie Buisleidingen is in oktober 2012 vastgesteld door de ministers van Infrastructuur en Milieu en Economische Zaken.

  • In de pilot Botlek wordt de mogelijkheid verkend om het grondwaterbeheer in de Botlek samen met de daar gevestigde bedrijven gebiedsgericht aan te pakken. Deze pilot loopt nog door in 2013; afhankelijk van de uitkomsten ervan wordt een convenant voor projectmatige aanpak van de grootschalige grondwaterverontreiniging in de Rotterdamse haven afgesloten.

  • Een groot deel van de aanbevelingen is in 2012 uitgewerkt in het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen. Dit besluit zal 1 juli 2013 in werking treden. De overige aanbevelingen hebben doorgewerkt in de resultaten van het onderzoeksprogramma Meer Met Bodemenergie; conceptprotocollen voor kwaliteitsborging en aanpassing van het Landelijk Grondwater Register met het oog op registratie van gesloten bodemenergiesystemen (1 juli 2013 gereed).

Meetbare gegevens leefomgevingskwaliteit – ruimtegebruik bodem

Meetbare gegevens

Door het kabinet is gekozen voor het zenden van een kwalitatief jaarverslag aan de Tweede Kamer. Daartoe is het spoor van jaarlijks gegevens verzamelen bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb) verlaten. Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) was hiermee belast. Het kwalitatief verslag over 2012 wordt voor de zomer 2013 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden.

Overzicht afgeronde onderzoeken
 

Titel/onderwerp

Artikelonderdeel

Start

Afgerond

Vindplaats

1a. Beleidsdoorlichting

         
           

1b. Ander onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

Architectuurbeleid

02.01

2011

2012

www.iabr.nl; publicaties

 

Ontwikkelagenda MKBA- Onderzoek «Omgevingskwaliteiten bij MIRT-projecten"

02.01

2011

2012

http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2012/10/04/omgevingskwaliteiten-bij-mirt-projecten.html

 

Ontwikkelagenda MKBA-«Werkinstructie van Grondexploitatie naar MKBA»

02.01

2011

2012

http://www.rws.nl/images/Werkinstructie%20GREX%20naar%20MKBA_tcm174–332390.pdf

 

Ontwikkelagenda MKBA-Onderzoek benchmark RRAAM

02.01

2012

2012

http://www.rraam.nl/Publicaties/Documenten+en+Publicaties+RRAAM/154107.aspx?t=RRAAM%20benchmark%20studie

 

Ontwikkelagenda MKBA- Presentatie MKBA RRAAM

02.01

2012

2012

http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brochures/2012/11/30/mkba-rraam.html

2. Overig onderzoek

         
 

Gideon monitoring

02.01

2012

2012

 
 

Hoe gebruikers het omgevingsrecht ervaren

02.01

2011

2012

Eenvoudiger en Beter: Een ketenbenadering, Sibolt Mulder, Michiel van Bruxvoort en Matthijs de Gier, 14 december 2011

 

Crisis- en Herstelwet

02.01

2012

2012

http://www.pbl.nl/publicaties/2012/ex-durante-evaluatie-wet-ruimtelijke-ordening-tweede-rapportage

 

Ruimtelijk beleid: Monitor Infrastructuur en Ruimte

02.01

2012

2012

http://www.pbl.nl/publicaties/2012/monitor-infrastructuur-en-ruimte-2012-nulmeting

 

Monitor ruimtelijke ontwikkelingen

02.01

2012

2012

www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/onderwerpen/nl0041-Monitor-Infrastructuur-en-Ruimte.html?i=40 

 

Monitor landschappelijke kwaliteiten

02.01

2012

2012

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/dossiers/nl0185-Nationale-Landschappen.html?i=12–148

 

Benchmark internationale concurrentiepositie

02.01

2011

2012

Onbekend

Beleidsconclusies

Voor de drie hoofddoelen (concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbare en veilige omgeving) heeft het Rijk in de SVIR van het ministerie IenM 13 nationale belangen benoemd. Per nationaal belang zijn in de monitor Infrastructuur en Ruimte, over het doelbereik van de SVIR,meerdere indicatoren opgenomen, aangevuld met een tiental indicatoren van de Mobiliteitsbalans en de Nationale Mobiliteitsmonitor en voor het losgelaten beleid van de Nota Ruimte de indicatoren met betrekking tot bundeling en verdichting van verstedelijking, en woningbouw in Nationale Landschappen en Rijksbufferzones. Het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) heeft deze monitor gemaakt in samenwerking met het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KIM) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In de toekomst zal ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) een bijdrage leveren.

De monitoring van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten is gestopt gezien de decentralisatie van het onderwerp naar de provincie.

Artikel 3. Wegen en Verkeersveiligheid

Algemene beleidsdoelstelling

Om weggebruikers snel, veilig, betrouwbaar en duurzaam van A naar B te laten reizen via de weg ontwikkelt, beheert en benut IenM het hoofdwegennet. Er wordt ingezet op samenwerking met decentrale wegbeheerders en er worden ontwikkelingen aan voertuigen en gedrag aangejaagd. Dit draagt bij aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

IenM werkt continu aan de verbetering van de veiligheid, bereikbaarheid en duurzaamheid op en rond de wegen. Het verkeersveiligheidsbeleid is gericht op vermindering van risico’s voor verkeersdeelnemers op de weg, het spoor en in het lokaal en regionale openbaar vervoer (OV) en heeft betrekking op verkeersongevallen en geweld en agressie in het verkeer. De Beleidsimpuls Verkeersveiligheid van IenM en de decentrale overheden is vastgesteld in het Bestuurlijk Koepeloverleg. IenM heeft in 2012 fors geïnvesteerd in de aanleg, beheer en onderhoud van het wegennet. In 2012 is 131 kilometer rijstroken opengesteld. De Tracéwet is per 1 januari 2012 in werking getreden, waardoor de doorlooptijd van besluitvorming is teruggebracht. In de besluitvorming rond de projecten is aandacht voor overleg met regionale en lokale overheden en participatie van burgers en maatschappelijke organisaties. Dit is zichtbaar gemaakt bij de mijlpalen in de besluitvorming van projecten. Daarnaast is nieuwe regelgeving gereed gekomen en zijn studies uitgevoerd voor verdere verbetering van het beleid. Voorbeelden van deze twee groepen zijn: implementatie van de Derde Rijbewijsrichtlijn (Kamerstukken I, 2011/12, 32 830, nr. A), eis tot nascholing voor de vakbekwaamheid van beroepschauffeurs en het in werking treden van onderliggende SWUNG-regelgeving.

Externe factoren

Doelen kunnen enkel worden bereikt door samenwerking met gebruikers/belangenorganisaties, andere overheden en het bedrijfsleven. De in het afgelopen jaar waargenomen stijging van het aantal verkeersgewonden kan worden omgebogen door met de andere overheden en belangenorganisaties de nadruk te leggen op het verbeteren van de verkeersveiligheid bij vooral de kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals ouderen en fietsers, conform de beleidsimpuls (Kamerstukken II, 2012/13, 29 398, nr. 340) in het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–2020 (Kamerstukken II, 2007/08, 29 398, nr. 120). Voor een goede bereikbaarheid wordt doorgegaan met de samenwerking met andere wegbeheerders en private partijen ten aanzien van verkeersmanagement. Dit is afgelopen jaar gebeurd in het kader van zowel Beter Benutten als de reguliere ontwikkeling van verkeersmanagement. De Europese besluitvorming en andere internationale ontwikkelingen zijn van belang. De Nederlandse ITS-strategie (Kamerstukken II, 2011/12, 33 000, nr. 143) is daarbij een voorbeeld van de actieve Nederlandse beïnvloeding van deze ontwikkelingen.

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

03 Wegen en verkeersveiligheid

 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 
 

2011

2012

2012

2012

 

Verplichtingen

20.062

35.312

47.576

– 12.264

1

Uitgaven

59.252

41.282

64.717

– 23.435

 

03.01 Netwerk

33.621

18.894

38.505

– 19.611

 

03.01.01 Opdrachten

18.174

11.791

20.219

– 8.428

2

03.01.02 Subsidies

9.179

3.957

14.426

– 10.469

3

– CO2 reductieplan

 

480

7.819

– 7.339

 

– Auto van de toekomst

 

3.477

545

2.932

 

– Overige subsidies

 

0

6.062

– 6.062

 

03.01.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

6.268

3.146

3.860

– 714

 

03.02 Veiligheid

25.631

22.388

26.212

– 3.824

 

03.02.01 Opdrachten

8.338

6.455

8.996

– 2.541

4

03.02.02 Subsidies

15.621

15.211

16.168

– 957

 

03.02.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

1.672

722

1.048

– 326

 

03.09 Ontvangsten

2.647

3.299

6.782

– 3.483

 
X Noot
1

Het betreft hier de conversiestand bij 1e suppletoire begroting 2012. Zie ook de leeswijzer.

Ad 1) Het betreft hier het saldo van een groot aantal mutaties, die veelal samenhangen met mutaties in de uitgavenramingen. Overboekingen van wegverkeer subsidies, Beter Benutten opdrachten en opdrachten verkeersveiligheid hebben het grootste aandeel in de verplichtingenverlaging.

Ad 2) De lagere realisatie wordt voornamelijk verklaard doordat een aantal overboekingen hebben plaatsgevonden.

Bij Miljoenennota 2013 heeft voor netwerk wegen een overboeking plaatsgevonden naar artikel 6 Klimaat, Lucht en Geluid ten behoeve van het beleidsterrein duurzame mobiliteit.

Bij 2e suppletoire begroting 2012 zijn lagere uitgaven op dit artikel gemeld in verband met een overboeking naar het Infrastructuurfonds. Er is toen aangegeven dat de kosten voor de verkeersborden voor het programma 130 kilometer/uur geen € 5 miljoen bedragen, zoals eerder aan de Kamer gemeld, maar uitkomen op € 7 miljoen. Dit heeft te maken met tegenvallende aanbesteding en extra kosten vanwege de aanpassing van rotatiepanelen bij spits- en plusstroken. Deze uitgaven wordt begroot en verantwoord op het Infrastructuurfonds, daarom heeft bij 2e suppletoire begroting een overboeking uit dit artikel naar het Infrastructuurfonds plaatsgevonden van € 2 miljoen.

Bij 2e suppletoire begroting is budget overgeboekt ten gunste van spoor voor de pilot ERMTS en het actieplan spoor.

Bij 2e suppletoire begroting is reeds gemeld dat de verlenging van de MKB-voucherregeling van het budget Beter Benutten ad € 1 miljoen is overgeboekt naar het artikel Openbaar Vervoer en Spoor.

Ad 3) Bij Miljoenennota 2013 heeft voor subsidies een overboeking plaatsgevonden naar artikel 6 Klimaat, Lucht en Geluid ten behoeve van het beleidsterrein duurzame mobiliteit.

Bij Miljoenennota 2013 heeft een technische mutatie plaatsgevonden van Hoofdstuk XII naar het Infrastructuurfonds waarmee een deel van de programma's Meer Veilig 3 en de kritische ontwerpelementen verkeersveiligheid (AKOE) worden bekostigd.

Ad 4) Zoals bij 2e suppletoire begroting gemeld zijn de lagere uitgaven hoofdzakelijk veroorzaakt door de lagere kosten die gemoeid zijn met de verkeersveiligheidcampagnes die door de Dienst Publiek en Communicatie (ministerie van Algemene Zaken) worden uitgevoerd.

03.01 Netwerk

Artikelonderdeel

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn geweest:

Algemene strategie en beleidsontwikkeling

  • De wetswijziging van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warv) is in 2012 door de Tweede Kamer behandeld. Behandeling door de Eerste Kamer is voorzien in 2013.

  • Het Meerjarenprogramma Ontsnippering14(MJPO) is verder uitgevoerd. In het Bestuurlijk Overleg MIRT is de programmering voor de gehele duur van het programma vastgesteld. Hierbij is het voorbehoud gemaakt voor de aanpak van de Robuuste Verbindingen en voor de Herziening van de Ecologische Hoofdstructuur15 (EHS). Wat betreft de grote maatregelen is gewerkt aan ecoducten, waarvan gereed zijn gekomen: Hattemse Poort, Hoog Veluwe, Hulshorst en Veluwezoom in Gelderland, Huis ter Heide in Utrecht en Beneden Geuldal in Limburg.

Beheer en onderhoud

Er zijn verdere voorbereidingen getroffen en effectinschattingen gemaakt van efficiency- en versoberingsmaatregelen in het beheer en onderhoud. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd via het Infrastructuurfonds 2013. Er wordt gestuurd op optimale prestaties van de rijkswegen met het oog op veiligheid, bereikbaarheid en duurzaamheid.

Benutten en aanleg weginfrastructuur

In 2012 is een groot aantal kleinere knelpunten, zoals aansluitingen op hoofd- en onderliggend wegennet, via de regionale inbreng in het programma Beter Benutten ingebracht. In de komende twee jaren worden die opgeleverd. Met de verruiming van de openingstijden van de plus- en spitsstroken eind 2011 is op een groot aantal trajecten de doorstroming in 2012 significant verbeterd (5 à 10%). De prijsvraag voor het in-car van de Praktijkproef Amsterdam (PPA) is afgerond en in 2012 is een begin gemaakt met de inzet van intelligente transportsystemen (ITS).

Weginfrastructuur voor het goederenvervoer

Er zijn enkele spoorwegovergangen bij bedrijventerreinen geschikt gemaakt voor passages met lange zware vrachtauto’s (LZV’s). Het programma om verzorgingsplaatsen op de belangrijkste verbindingen uit te breiden is gestart.

Beter Benutten

  • In 2012 zijn met alle 10 regio’s Bereikbaarheidsverklaringen getekend. Het betreft de regio’s Amsterdam, Rotterdam, Haaglanden, Midden Nederland (Utrecht), Brabant, Maastricht, Arnhem-Nijmegen, Groningen-Assen, Zwolle-Kampen en Twente. Onderdeel van de Bereikbaarheidsverklaring zijn de plannen van aanpak. In totaal is 95% van alle plannen van aanpak van de gebiedspakketten getekend. Ze bevatten ruim 250 multimodale en innovatieve (gedragsbeïnvloeding en ITS) projecten. Met het ondertekenen van de plannen van aanpak is de uitvoering in gang gezet.

  • In elke regio is een «uitvoeringsorganisatie» in het leven geroepen waarin de betrokken organisaties (rijk, provincie, gemeenten, stadsregio’s en bedrijfsleven) participeren en de afgesproken plannen van aanpak gaan uitvoeren. Het bedrijfsleven doet in alle regio’s mee. Mede daardoor krijgen werknemers meer mogelijkheden om buiten de spits te reizen. Met het bedrijfsleven zijn de eerste «slimme deals» gesloten. In deze deals treffen de publieke en private partijen samen maatregelen binnen hun eigen domein ter vermindering van de spitsdruk.

  • De openingstijden van de spits- en plusstroken zijn verruimd: 39 spits- en plusstroken worden volgens een nieuw regime bediend. Dit heeft geleid tot positieve bereikbaarheidseffecten (Kamerstuk 33 400 A, nr. 47).

  • De eerste resultaten van de 10 mobiliteitsprojecten tonen aan dat de filedruk op specifieke trajecten afneemt. Ook bij nameting blijkt dat een groot aantal personen het nieuwe gedrag blijft vertonen.

  • Op het gebied van Intelligente Transportsystemen (ITS) zijn plannen van aanpak voor de landelijke ITS clusters vastgesteld waarin rijk en regio samenwerken, is een ITS Action Plan naar EU en naar de Tweede Kamer verzonden (Kamerstuk 33 000, nr. 143), is het programma van eisen van de landelijke clusters vastgesteld en is de marktconsultatie met betrekking tot maatregelen Multimodale Reisinformatie afgerond.

Logistieke efficiëntie wegvervoer

  • Op verzoek van de ministers van IenM en EZ is het Adviescollege toetsing regeldruk (Actal) eind 2012 gestart met een onderzoek naar de regeldruk in de Topsector Logistiek. Bij de aanpak is ook Transport en Logistiek Nederland betrokken.

  • Voor de verbetering en bewaking van het vrije verkeer van goederen en het internationale level playing field (onder andere implementatie van herziene regels voor toegang tot het beroep en de markt) is de hiervoor noodzakelijke wijziging van de Wet wegvervoer goederen voorbereid. In overleg met de Vlaamse overheid is advies gegeven over de Nederlandse ervaringen met lange zware vrachtwagens (LZV’s) voor de voorgenomen Vlaamse LZV-proeven.

  • Nadat de conclusies over LZV-proeven positief zijn gebleken is de proefstatus van LZV’s eind 2012 vervallen. Het systeem met ontheffingen wordt voortgezet. Monitoring blijft plaatsvinden ten aanzien van ontwikkelingen voor de verkeersveiligheid.

  • De Derde Rijbewijsrichtlijn (Kamerstuk 32 830, nr. A) is geïmplementeerd in de Nederlandse regelgeving en treedt in 2013 in werking. De uitvoeringspraktijk van de uitvoerende organisaties (CBR, RDW en gemeenten) is aangepast aan de nieuwe regeling.

  • De eis van een periodieke nascholing vakbekwaamheid beroepschauffeurs is ingevoerd.

  • De actieplannen in het kader van de adviezen van de Commissie Noordzij zijn uitgevoerd.

  • Met een subsidie aan stichting VERN is getracht het imago van de logistieke sector te verbeteren met oog op verwachte personeelstekorten in de komende jaren, in het bijzonder chauffeurs en logistieke medewerkers.

Maatregelen energie en klimaat

  • Het Instituut voor Duurzame Mobiliteit heeft voor het bevorderen van duurzaam (rij)gedrag van automobilisten en vrachtwagenchauffeurs in 2012 diverse opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van projecten die energiebesparing in verkeer en vervoer opleveren.

  • De uitvoering van de Proeftuinen duurzame mobiliteit lopen conform planning. Twee proeftuinen zijn verlengd.

  • Truck van de Toekomst is eveneens met een jaar verlengd. Na een eerdere verlenging in 2011 om partijen de gelegenheid te bieden de trucks te kunnen aanschaffen (aanbod bleef achter bij vraag) is nu het ontoereikende aantal vulpunten het struikelblok voor het kunnen voldoen aan de eis een jaar lang te monitoren.

Maatregelen lokale luchtkwaliteit

  • In 2012 is uit onderzoek van TNO naar voren gekomen dat de praktijkemissies van de allereerste op de markt gebrachte Euro VI16 vrachtauto’s goed overeenkomen met de in 2011 aangescherpte testcyclus.

  • In 2012 zijn langs het hoofdwegennet locatiespecifieke maatregelen (luchtschermen) gerealiseerd om de lokale luchtkwaliteit te verbeteren.

  • In 2012 zijn subsidieregelingen voor het bevorderen van versnelde marktintroductie van schone motoren opengesteld (Euro VI vracht, Euro VI/6 bestel en taxi’s).

Maatregelen geluid

  • De onderliggende SWUNG-regelgeving is in 2012 afgerond en op 1 juli 2012 in werking getreden. Het nieuwe reken- en meetvoorschrift is geactualiseerd naar aanleiding van metingen aan wegdekken en voertuigen.

  • Naast voorbereiding is een start gemaakt met de uitvoering van het Meerjarenprogramma Geluidsanering17 (MJPG). Door middel van het MJPG worden hoge geluidbelastingen langs de rijksinfrastructuur aangepakt.

  • Het MJPG is opgenomen in het MIRT Projectenboek. De uitvoerders van dit programma zijn Rijkswaterstaat en ProRail. Gewerkt is aan het voorbereiden van de eerste saneringsplannen en aan de realisatie van geluidbeperkende innovatieve maatregelen op een aantal locaties.

  • Internationaal is ingezet op het aanscherpen van de Europese richtlijnen van geluidsemissie eisen die aan voertuigen worden gesteld.

  • In het kader van de Europese richtlijn omgevingslawaai zijn de geluidsbelastingkaarten rijkswegen en drukbereden hoofdspoorwegen vastgesteld en gepubliceerd.

Meetbare gegevens

Indicator: Acceptabele reistijd
 

Basiswaarde 2001

2007

2008

2009

2010

2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2020

Percentage waar de streefwaarde wordt gehaald1

86%

80%

80%

84%

83%

80%

92%

100%

Bron: Rijkswaterstaat/DVS, 2013

X Noot
1

De reistijd op een traject is acceptabel als de streefwaarde voor de reistijd wordt gehaald. De streefwaarde voor trajecten van het hoofdwegennet tussen steden is een reistijd in de spits van maximaal 1,5 keer de reistijd buiten de spits (referentiesnelheid 100 kilometer/uur). Op trajecten rond de vijf grote steden en trajecten op niet-autosnelwegen van het hoofdwegennet is de streefwaarde maximaal 2,0. Er zijn 188 trajecten (alle autosnelwegen binnen het hoofdwegennet). Hiervan zijn 82 trajecten onbemeten. Aangenomen is dat deze onbemeten trajecten voldoen aan de gewenste reistijd in de spits omdat dit de minst drukke trajecten zijn.

Toelichting:

Vanwege invoering in 2012/2013 bij Rijkswaterstaat van het Verkeerskundig Informatieproducten en Adviezen Systeem (VIAS) kan het voorkomen dat er andere cijfers in de verantwoording komen dan verwacht op basis van de tot nu toe gebruikte methodes. Om deze reden is het percentage trajecten met een acceptabele reistijd in 2011 aangepast van 80% naar 88%.

In 2012 is er een toename van het percentage trajecten waar de streefwaarde wordt gehaald van 88% in 2011 naar 92% in 2012. De toename wordt veroorzaakt door de effectiviteit van gerealiseerde projecten in de periode medio 2011 tot en met 2012. Daarnaast is er een zeer lichte afname van het gebruik van het hoofdwegennet met 0,1%, door tegenvallende economische groei.

Indicator: Voertuigverliesuren
 

2007

2008

2009

2010

2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2020

Voertuigverliesuren in files, index 2000 = 1001

157

158

140

149

122

105

Bestaat niet meer

Bron: Rijkswaterstaat/DVS, 2013

X Noot
1

Het Rijk had in de Nota Mobiliteit uit 2004 de ambitie de filezwaarte (in voertuigverliesuren) op het hoofdwegennet in 2020 terug te brengen tot het niveau van 1992. De Tweede Kamer heeft bij de behandeling van de Nota Mobiliteit aangeven dat ook op deze doelstelling moet worden gestuurd. Echter, sinds het vaststellen van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (Kamerstukken II, 2011/12, 32 660, nr. 50), opvolger van de Nota Mobiliteit en de MobiliteitsAanpak, is er geen streefwaarde meer voor deze indicator. De indicator wordt nog wel opgenomen vanwege het belang van deze beleidsinformatie.

Toelichting

Vanwege invoering in 2012 en 2013 bij Rijkswaterstaat van het Verkeerskundig Informatieproducten en Adviezen Systeem (VIAS) kan het voorkomen dat er andere cijfers in de verantwoording komen dan verwacht op basis van de tot nu toe gebruikte methodes. De voertuigverliesuren zijn in 2012 met 14,4% afgenomen ten opzichte van 2011; de index daalt hierdoor van 122 in 2011 naar 105 in 2012. Oorzaken van deze daling zijn de gerealiseerde projecten in de afgelopen periode en de lichte afname van de automobiliteit op hoofdwegen met 0,1% door lagere economische groei.

Indicator

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Waarde 2011

Realisatie 2012

Basiswaarde peildatum

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2 1

Bron: RWS/DVS 2012

               

0 knelpunten langs rijkswegen in 2015

Geluidsknelpunten langs hoofdwegen2

Bron: RWS/DVS 2013

12.000

12.000

12.000

12.000

7.500

7.500

7.000

12.000

0 in 2020

Aantal opgeloste MJPO knelpunten gesommeerd

Bron: RWS/DVS 2012

17

29

41

43

55

60

68

0

208 in 2010

X Noot
1

Voor lokale luchtkwaliteit geldt dat uiterlijk per 1 januari 2015 op alle locaties langs rijkswegen de grenswaarde voor NO2 gehaald moet worden. Tussenliggende waarden zijn niet vastgesteld. Voor PM10 wordt op alle locaties langs rijkswegen, na volledig gebruik van de wettelijke beginselen van blootstelling en toepasbaarheid, aan de grenswaarde voldaan die geldt vanaf 11 juni 2011.

X Noot
2

Het saneringsprogramma opheffen geluidsknelpunten langs spoor- en hoofdwegen is in 2011 van start gegaan. De geluidsknelpunten langs hoofdwegen (>65 dB Lden) worden opgelost, zoals in de Nota Mobiliteit geformuleerd. Voor 10% van de woningen zal de aanpak bestaan uit gevelisolatie en zal de belasting boven de 65 dB blijven. Indien mogelijk wordt nu al meteen bij reconstructie van een (spoor)weg om andere redenen dan geluid een geluidsknelpunt aangepakt.

Indicator: aantal opgeloste MJPO knelpunten
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Aantal opgeloste knelpunten MJPO

10

7

12

12

2

12

5

8

15

21

25

29

27

23

Totaal aantal

10

17

29

41

43

55

60

68

83

104

129

158

185

208

Bron: RWS/DVS, MJPO Jaarverslag 2012; verschijnt medio 2013.

De tabel geeft een indicatie van de planning van de aanpak van de MJPO-knelpunten en tevens een indicatie van de planning, zoals opgenomen in het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO) 200418.

Toelichting: Voor het oplossen van een knelpunt moeten soms meerdere maatregelen worden getroffen. Voor een groot aantal maatregelen is dit in een keer als opdracht in de markt gezet, waarbij de aannemer de ruimte is gelaten om de maatregelen te treffen. Daarnaast kan de komende besluitvorming over de begrenzing van de EHS tot aanpassing leiden.

03.02 Veiligheid

Artikelonderdeel

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn geweest:

Algemene strategie- en beleidsontwikkeling

  • Het jaarlijkse onderzoeksprogramma is uitgevoerd; het onderzoeksprogramma voor 2013 is opgesteld.

  • Internationale afstemming van verkeersveiligheidswetgeving en beleid:

    Door middel van bijwonen van bijeenkomsten (High Level Group) heeft afstemming plaatsgevonden over de hoofdlijnen van het verkeersveiligheidsbeleid. Daarnaast is regelmatig bilateraal contact geweest met de Europese Commissie over aspecten van verkeersveiligheidsbeleid. Tenslotte heeft Nederland regelmatig pro-actief meegepraat in Raadswerkgroepen over wetsvoorstellen.

  • Om invulling te geven aan de regiefunctie op het gebied van verkeersveiligheid wordt op basis van de Nota Mobiliteit en het Strategisch Plan Verkeersveiligheid samengewerkt aan het gezamenlijk met de decentrale overheden te behalen nationale verkeersveiligheidsdoelstelling.

  • Inzake de uitvoering van het Actieprogramma Verkeersveiligheid 2011–2012, het opstellen van het Actieprogramma Verkeersveiligheid 2013–2014 en het monitoren van de voortgang strategisch plan en het toetsen actualiteit strategisch plan is 2012 de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid (Kamerstuk 29 398, nr. 340) van IenM en decentrale overheden vastgesteld in het Bestuurlijk Koepeloverleg. De Beleidsimpuls is onder regie van het ministerie tot stand gekomen en beschrijft de maatregelen voor 2013 en verder om de stijgende trend van ernstig gewonden te keren. De focus ligt daarbij op het verbeteren van de veiligheid van de risicogroepen, zoals fietsers, ouderen en jonge beginnende bestuurders. De resultaten van de monitoring en toetsing door de SWOV19 (Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid) zijn gebruikt bij de uitwerking van de Beleidsimpuls en de keuze voor maatregelen. Het Kennisplatform Verkeer en Vervoer20 (KpVV) helpt de decentrale overheden met kennis en best-practices om de verkeersveiligheid te verbeteren.

Vereisten aan voertuig en technologie

Stimuleren van ontwikkeling van veiligere voertuigen:

  • Nederland participeert actief in het EU-wetgevingsproces omtrent voertuigen. Samen met de RDW is Nederland zowel in Geneve (UN-ECE) als Brussel actief in wetgevingsprocessen, specifiek over de APK en gemotoriseerde twee- en driewielers.

  • Nederland neemt deel aan (Europese) overleggen over de ontwikkelingen in de voertuigindustrie (European Road Transport Research Advisory Council eSafety).

  • Nederland heeft meerdere keren contact met EuroNCAP gelegd over veiliger voertuigen. Daarnaast is in het kader van het Fietsersairbagproject contact gezocht met binnen- en buitenlandse fabrikanten van auto-onderdelen(OEMs).

Gedragsbeïnvloeding

  • In het tweejaarlijkse actieprogramma op basis van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–2020 (Kamerstuk 29 398, nr. 120) worden specifieke maatregelen gericht op het goederenvervoer over de weg concreet gemaakt.

  • Met het oog op het bevorderen van een veiligheidscultuur in transportbedrijven zijn de opzet en pilotfase van Koers op Veilig afgerond. De sector heeft Koers op Veilig, conform afspraken, opgepakt.

  • Alle toezeggingen in het Actieplan «verbetering verkeersveiligheid motorrijders»zijn nagekomen. De voortgezette rijopleiding lijkt aantoonbaar tot een lager risico voor motorrijders te leiden.

  • Nederland heeft de derde rijbewijsrichtlijn (Kamerstuk 32 830, nr. A) geïmplementeerd.

  • De voor 2012 geplande publiekscampagnes uit het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid zijn uitgevoerd.

  • Voorlichting over de gevaren van deelname aan het verkeer bij gebruik van bepaalde medicijnen gebeurt onder andere via de website «Rijveiligmetmedicijnen.nl». In opdracht van IenM zorgt het Instituut voor verantwoord medicijngebruik ervoor dat deze website actueel is.

  • De procesevaluatie van het alcoholslot is van start gegaan.

  • Ten aanzien van de herziening van het rijbewijshuis:

    • De ministeries van IenM en VenJ hebben gewerkt aan de regelgeving betreffende de uitbreiding recidiveregeling ernstige verkeersdelicten met drugsdelicten. Tevens heeft er heeft regelmatig afstemming plaatsgevonden met diverse uitvoeringsinstanties (zoals het Openbaar Ministerie, Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) en RDW). Het wetsvoorstel is in 2012 na het advies van de Raad van State in de Tweede Kamer schriftelijk behandeld (Kamerstuk 33 346, nr. 2).

    • De werkzaamheden voor de aanpassing van de beginnersregeling van 3 naar 2 punten zijn in 2012 gestart.

    • Door ICT-aanpassingen van het Openbaar Ministerie is de puntenregistratie verbeterd.

    • Het CBR geeft in brieven over het alcoholslotprogramma (ASP) expliciet aan dat betrokkene rekening moet houden met de uitkomsten van het strafrecht.

  • Het wetsvoorstel ten behoeve van de invoering van de drugstester (voortouw bij het ministerie van VenJ) is naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 33 346, nr. 2).

  • De EU-richtlijn betreffende grensoverschrijdende handhaving is aangenomen. Onderdeel hiervan is het kunnen uitwisselen van kentekengegevens. Het Nederlandse EUCARIS systeem wordt hiervoor gebruikt door een aantal lidstaten.

Aanpassingen aan weginfrastructuur

  • Het programma met effectieve, niet MER-plichtige, infrastructurele maatregelen om de veiligheid op snelwegen en rijks-N-wegen te verbeteren is in 2011 gestart en heeft een looptijd tot en met 2014. De projecten zijn vastgesteld. Het betreft circa 120 projecten, waarvan de eersten inmiddels zijn opgeleverd. Vooralsnog worden de projecten volgens planning uitgevoerd.

  • De Europese Richtlijn voor het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur wordt op het betreffende deel van de rijkswegen toegepast. Het gaat hierbij om vier instrumenten, te weten de Verkeersveiligheidseffectberekening, de Verkeersveiligheidsaudit, de Verkeersveiligheidsinspectie en het Verkeersveiligheidsnetwerk management. De Europese Commissie is over de implementatie en de voortgang geïnformeerd.

Meetbare gegevens

Indicator: Ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

Basiswaarde 2002

2007

2008

2009

2010

2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Doelstelling 20201

aantal verkeersdoden

1.066

791

750

720

640

661

700

650

500

ernstig verkeersgewonden

16.100

16.600

17.600

18.600

19.200

20.100

14.380

 

10.600

aantal ziekenhuisgewonden

18.420

18.190

           

12.250

Bron: RWS/DVS, 2012

X Noot
1

De streefwaarden voor 2020 zijn onder de aanname van invoering van Anders Betalen voor Mobiliteit volgens het volledige scenario Nouwen.

Het aantal verkeersdoden en ernstig verkeersgewonden is ten tijde van het opstellen van het jaarverslag nog niet bekend.

De streefwaarde voor 2012 is berekend door lineaire interpolatie tussen de streefwaarde voor 2010 (750) en de doelstelling voor 2020.

Extracomptabele verwijzingen

Overzicht uitgaven op het Infrastructuurfonds (x € mln)

Art. Omschrijving

realisatie 2012

Art 12 Hoofdwegennet

2.660

Art 12.02 Servicepakket meer kwaliteit leefomgeving

567

Art 12.03 Innovatieprogramma Geluid en Lucht

6

Overzicht afgeronde onderzoeken

 

Titel/onderwerp

Artikelonderdeel

Start

Afgerond

Vindplaats

1. onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

         
           

1a. Beleidsdoorlichting

Vasthouden en versterken van de positie van het goederenvervoer

03.01

2011

 

In verband met de geheel nieuwe aanpak vh sectoraal beleid (topsectorenbeleid) is besloten om dit onderzoek uit te stellen.

 

Leefomgeving hoofdwegen

03.01

2011

2012

Kamerstukken II, 2012/13, 32 861, nr. 3

           

1b. Ander onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

Meerjarenvoorlichtingscampagne verkeersveiligheid

03.02

3-jaarlijkse monitoring

 

De eerstvolgende monitor verschijnt voorjaar 2013.

 

APK-frequentie

03.02

2011

2012

Kamerstukken II, 2011/12, 29 398, nr. 315

         

http://www.rdw.nl/nl/particulier/apk/Pages/default.aspx

 

Alcoholslotprogramma (ASP)

 

2012

 

Evaluatie ASP is in 2012 gestart.

Beleidsconclusies

Leefomgeving hoofdwegen (Kamerstuk 32 861, nr. 3)

Voor energie en klimaat is een groot aantal instrumenten ingezet. Naast bronbeleid is met name ingezet op innovatie om de transitie naar duurzamere mobiliteit te bewerkstelligen. In hoeverre de ingezette instrumenten een direct aantoonbare bijdrage hebben geleverd aan het behalen van de streefwaarde is niet altijd goed aantoonbaar. Zo kan bijvoorbeeld door het ontbreken van een specifieke indicator voor innovatie geen oordeel gegeven worden over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het stimuleren van innovatie. Hierdoor is maar beperkt inzicht te verkrijgen in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde energie- en klimaatbeleid voor verkeer en vervoer. Deze conclusie sluit aan bij de conclusie van de Algemene Rekenkamer 2006–2010 naar effectiviteit van het Nederlandse klimaat- en energiebeleid.

APK-frequentie (Kamerstuk 29 398, nr. 315)

Sinds 1 januari 2008 is de APK-frequentie verlaagd voor auto’s die op benzine of elektrische aandrijving rijden en dateren van na 31 december 2004. Achtergrond hiervan was lastenverlichting voor burgers en bedrijven doordat auto’s minder vaak naar de keuring hoeven. In de oude situatie was de frequentie 3-1-1-1 (na 3 jaar eerste keuring en vervolgens jaarlijks), in de nieuwe situatie 4-2-2-1. Tevens is voor auto’s van 30 jaar en ouder (zogenaamde klassiekers) de APK-frequentie gewijzigd van 3-1-1-1 naar 2-2-2-2. Voor auto’s op diesel en lpg is de frequentie niet veranderd.

In juli 2007 is de Kamer toegezegd om in 2011 de effecten van de genoemde frequentieverlaging te evalueren. De evaluatie is uitgevoerd door de Rijksdienst Dienst Wegverkeer (RDW) in nauwe samenwerking met relevante stakeholders in de voertuigbranche, waaronder BOVAG, RAI, EVO en ANWB. De voornaamste bevinding is dat bij 4- en 6-jarige benzineauto’s een, volgens de RDW relatief geringe, toename (15–25%) van het aantal gebreken per afmelding is geconstateerd. De RDW noemt de verlaagde frequentie als een oorzaak van de toename, maar ook de verbeterde melddiscipline en diffuse factoren als de economische crisis lijken een rol te spelen. De geconstateerde gebreken hebben betrekking op de onderdelen, waarop doorgaans bij de APK mankementen worden aangetroffen (met name verlichting, banden en remmen). Voor de categorie klassiekers was het aantal gekeurde auto’s te gering om een effect van de verminderde APK-frequentie te kunnen vaststellen. De RDW en de branchepartijen adviseren unaniem voorlopig geen wijzigingen in de APK-frequentie aan te brengen.

Gezien bovenstaande wordt nu geen wijziging van de APK-frequentie doorgevoerd. IenM zet zich in om te zorgen dat de verwachte nieuwe richtlijn geen onnodige extra lasten voor burgers en het bedrijfsleven met zich meebrengt.

De Europese Commissie heeft inmiddels een voorstel voor een andere frequentie van de APK uitgebracht, maar dit is nog onderwerp van onderhandeling.

Artikel 4. Openbaar vervoer en Spoor

Algemene beleidsdoelstelling

Reizigers en goederen veilig, betrouwbaar en snel te vervoeren, gericht op gemak en eenvoud, door zorg te dragen voor een optimaal OV-netwerk, optimaal goederenvervoer per spoor voor verladers en afnemers en een veilige en betrouwbare hoofdspoorweginfrastructuur dat op de toekomst gesneden is.

De doelen van het mobiliteitsbeleid:

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;

  • Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de reiziger en verlader voorop staan.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De implementatie van de uitvoeringsagenda van het kabinetsstandpunt ligt op schema. In 2012 zijn diverse maatregelen gerealiseerd.

Externe factoren

Ook in 2012 is economisch sprake geweest van een recessie. Dit heeft gevolgen voor de vraag naar vervoer.

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

04 Openbaar vervoer en Spoor

 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 
 

2011

2012

2012

2012

 

Verplichtingen

85.953

41.321

27.340

13.981

1

Uitgaven

100.483

64.164

56.010

8.154

 

04.01 Spoor

56.475

54.881

43.043

11.838

 

04.01.01 Opdrachten

5.983

8.768

2.738

6.030

2

04.01.02 Subsidies

50.368

46.061

40.228

5.833

3

– -Subsidies Contractsector

32.251

25.000

25.000

0

 

– Subsidie bodemsanering NS percelen

9.076

9.076

9.076

0

 

– Overige subsidies

9.041

11.985

6.152

5.833

 

04.01.04 Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden

124

52

77

– 25

 

04.02 Openbaar vervoer

44.008

9.283

12.967

– 3.684

 

04.02.01 Opdrachten

40.567

5.266

10.853

– 5.587

4

04.02.02 Subsidies

1.749

3.031

1.073

1.958

5

04.02.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

1.692

986

1.041

– 55

 

04.09 Ontvangsten

0

92

0

92

 
X Noot
1

Het betreft hier de conversiestand bij 1e suppletoire begroting 2012. Zie ook de leeswijzer.

Ad 1) De hogere verplichtingenrealisatie komt doordat een omvangrijke meerjarige verplichting is aangegaan voor de pilot ERTMS. Deze verplichting is na de 2e suppletoire begroting vastgelegd, aangezien de exacte kostenraming en het gewenste kasritme nog niet duidelijk waren. Daarentegen worden de verplichtingen weer iets verlaagd doordat onder andere het project boordcomputer taxi en het programma Nationale Data Openbaar Vervoer is vertraagd. Het netto effect is een hogere verplichtingenrealisatie.

Ad 2) Deze overschrijding is met name veroorzaakt door de kosten voor de pilot ERTMS (Utrecht-Amsterdam). De meerjarige raming was pas eind 2012 in beeld.

Ad 3) Deze overschrijding is met name ontstaan door de uitvoering van het actieplan groei op het spoor. Dit actieplan bevindt zich voor een groot gedeelte in een afrondende fase.

Ad 4) Deze onderschrijding is met name veroorzaakt door de vertraging van het programma Nationale Data Openbaar Vervoer (NDOV), en enkele betalingen welke pas in 2013 worden gerealiseerd.

Ad 5) De overschrijding op dit budget wordt met name veroorzaakt door een aanvullende subsidie in het kader van het Toezicht in het openbaar vervoer.

04.01 Spoor

Artikelonderdeel

Doelbereiking

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn geweest:

  • EU-richtlijnen in wet- en regelgeving

    Per 1 april 2012 zijn diverse spoorrichtlijnen (machinisten, interoperabiliteit, spoorwegveiligheid en liberalisering personenvervoer) geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving.

  • Voortgangsrapportages Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) inzake de problematiek van Stop Tonend Sein (STS) passages

    Aangezien de doelstelling voor 2010 (het aantal STS op jaarbasis te verlagen naar minder dan de helft van het aantal in 2003 en het risico op stoptonende seinpassages te verminderen tot 75% van het niveau in 2003) ook in 2012 nog niet is gehaald, heeft de Spoorbranche het Verbeterplan aanpak stoptonendseinpassages opgesteld en een Taskforce benoemd. Het Verbeterplan bestaat uit drie elkaar versterkende categorieën van maatregelen: 1.Verminderen van de kans op een rood sein door vereenvoudiging van de lay-out van de infrastructuur, planning en bijsturing; 2.Verminderen van de kans om door rood te rijden o.a. door alertering van machinisten 3.Verminderen van de gevolgen van door rood rijden via een extra investering in het vangnetsysteem Automatische Trein Beïnvloeding -Verbeterde versie (ATB-Vv) (Kamerstuk 29 893, nr. 133).

  • Eventuele herprioritering om risicovolle seinen te voorzien van ATB-Vv ((Kamerstuk 29 893, nr. 94 (Veiligheid van het railvervoer) en Kamerstuk 29 893, nr. 118 )).

    Bij brief van 4 mei 2012 (Kamerstuk 29 893, nr. 133) is de Kamer het Verbeterplan Stoptonendseinpassages aangeboden. In de kabinetsreactie op het onderzoek van de Tijdelijke Commissie Onderhoud en Innovatie spoor (Commissie Kuiken) is het principebesluit tot implementatie van het Europese beveiligingssysteem ERTMS (European Rail Traffic Management Systeem) kenbaar gemaakt. Voor de korte termijn wordt het Verbeterplan Stoptonend seinpassages uitgevoerd (Kamerstuk 32 707, nr.16). ATB-Verbeterde versie is een onderdeel van het Verbeterplan (Kamerstuk 29 893, nr. 133 en kamerstuk 29 893, nr. 137).

Jaarlijkse analyse: Trends in de veiligheid van het spoorwegsysteem in Nederland.

  • Op 17 december is het «nationale jaarverslag over de ontwikkeling van de veiligheid op het spoor» ten behoeve van het Europese Spoorwegbureau (ERA21) aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk 29 893, nr. 139). Dit is een verplichting die volgt uit de Europese Spoorwegveiligheidsrichtlijn. Om de Kamer tijdig over de ontwikkeling van de spoorwegveiligheid te informeren is op 9 juli 2012 het rapport «Railveiligheidsindicatoren 2011» aangeboden (Kamerstuk 29 893, nr 135). De indicatoren die in de begroting zijn opgenomen, komen overeen met de indicatoren in het nationale jaarverslag ten behoeve van de ERA.

Jaarrapportage Vermindering Suïcidaliteit 2010 (Kamerstuk 22 894, nr. 296)

  • De Derde Kadernota (Kamerstuk 29 984, nr. 306) hanteert als doelstelling het aantal zelfdodingen zo laag mogelijk te houden (oftewel ALARP, «As low as reasonably practicable»). Er is geen National Reference Value voor zelfdodingen. De nationale doelstelling ALARP wordt bepaald op basis van de genomen maatregelen van de afgelopen jaren. ProRail onderzoekt aanvullende maatregelen. In 2011 is het aantal suïciden (215) gestegen ten opzichte van 2010 (201). Over de laatste vijf jaar is een stijging van het aantal te zien (2011: 215; 2007: 193). Over 2012 zijn ten tijde van publicatie van dit Jaarverslag nog geen aantallen bekend. In 2012 heeft de spoorsector extra aandacht besteed aan de uitvoering van maatregelen om het aantal gevallen van zelfdodingen op het spoor te verminderen.

Beveiliging infrastructuur spoorwegen

Uitwerking en implementatie van het programma Security door ProRail.

  • De sector is aangesloten bij het Alerteringssysteem Terrorismebestrijding. ProRail heeft het programma security afgerond en een start gemaakt het aspect security de komende jaren binnen de jaarplannen veiligheid van de bedrijfseenheden te borgen. In haar beleidsverklaring Veiligheid en Milieu heeft ProRail de definitie veiligheid uitgebreid met security, conform de Derde Kadernota voor de Railveiligheid. Dit kan als het startpunt worden gezien binnen het VeiligheidsManagementSysteem van ProRail.

Algemene strategie en beleidsontwikkeling

  • Met het winterweer op 3 en 4 februari 2012 bleken de door ProRail en NS ingezette acties voor verbetering bij grote verstoringen niet afdoende te zijn. Daarom hebben NS en ProRail in samenwerking met IenM in juni 2012 een Winterweerprogramma opgesteld en aan de Kamer toegezonden (Kamerstuk 29 984, nr 306). De overdracht van de reisinformatie van ProRail naar NS is in november 2012 geëffectueerd.

  • In oktober 2012 is een eerste uitwerking van de Lange Termijn Spooragenda (LTSA) aan de Kamer gezonden (Kamerstuk 29 984, nr. 313). Tegelijkertijd hebben NS en ProRail geconcludeerd dat de samenwerking tussen hen beide beter kan. Het gezamenlijke onderzoek van NS en ProRail hierover is aan de Kamer gezonden (Kamerstuk 29 984, nr 333). Dit onderzoek en de visie, ambitie en doelen van de Spooragenda vormen de basis voor een algehele fundamentele Verbeteraanpak van NS en ProRail, waarbij de hele spoorketen van infrastructuur, dienstregeling en planning van materieel en personeel geoptimaliseerd wordt.

Modernisering en harmonisering van de regelgeving voor lokaal spoor

  • De Wet lokaal spoor is in 2012 ingediend bij de Tweede Kamer.

Aanleg en beheer en instandhouding en Beheer conform Spoorwegwet

  • Met de beheerconcessie heeft ProRail tot 1 januari 2015 de zorg gekregen voor een doelmatig en doeltreffend beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur. Voor een toelichting op de uitgaven aan en bestedingen door ProRail alsmede de daarmee gerealiseerde prestaties wordt verwezen naar artikel 13 in de verantwoording over het Infrastructuurfonds.

Herstelplan Spoor, tweede fase

  • Een aantal projecten uit het programma punctualiteits- en capaciteitsknelpunten (onderdeel van de tweede fase herstelplan) loopt nog door na 2012. Het resterende budget hiervoor is, in lijn met aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Onderhoud en Innovatie Spoor, bij de begroting 2013 overgeheveld van artikel 13.02 beheer, onderhoud en vervanging naar artikel 13.03 aanlegprojecten realisatie. De rapportage over deze projecten loopt voortaan via de reguliere MIRT-systematiek.

Beheer overig

  • Dit betreft onderwerpen die niet vallen onder de hoofdspoorweginfrastructuur, maar wel door ProRail worden beheerd en uitgevoerd, zoals fietsenstallingen bij de stations, tankplaten, studies capaciteitsmanagement en onderhoud transferruimtes. Verder betreft dit de voorbereiding van het in beheer nemen van toekomstige hoofdspoorweginfrastructuur. De uitgaven die in dit kader worden gedaan maken onderdeel uit van de jaarlijkse subsidie die ProRail ontvangt voor onderhoud en vervanging en worden daaronder ook verantwoord (artikel 13 IF).

Vervoer

Toezicht op de naleving van de concessieovereenkomst met High Speed Alliance (HSA) over het vervoer op de HSL-Zuid en de vervoerconcessie met NS voor het hoofdrailnet (HRN).

  • Zowel met HSA als met NS zijn op basis van hun verantwoordingsrapportages regelmatig voortgangsoverleggen en kwartaaloverleggen gehouden. HSA heeft in 2012 de dienstregeling over de HSL-Zuid verder uitgebreid. Gelet op het feit dat HSA nog niet over alle V250-treinen beschikt en zich nog trein-baan-integratie issues (onder andere communicatie, ERTMS) voordoen, wordt nog niet volledig conform de concessie gehandhaafd op zaken als punctualiteit en uitval.

Actieplan Groei op het Spoor22

  • Het Actieplan Groei op het Spoor was voorzien eind 2012 afgerond te worden. Een aantal maatregelen kent een doorloop in 2013. De aanleg van PenR-parkeerplaatsen heeft in 2012 al het beoogde aantal aan te leggen plekken van 10.000 behaald, maar zal worden voortgezet, omdat de beschikbare financiële middelen nog niet zijn uitgeput. Dit komt door de grote bereidheid vanuit de decentrale overheden en de NS om financieel bij te dragen.

Decentralisatie contractsectordiensten

  • In 2012 is de decentralisatie van Zwolle-Enschede in gang gezet en zijn nadere afspraken met de decentrale overheid gemaakt. Eind 2012 heeft de Tweede Kamer het besluit genomen dat uitsluitend twee Limburgse stoptrein lijnen (Roermond – Maastricht Randwyck en Sittard – Heerlen) gedecentraliseerd mogen worden.

Betrouwbaar en veilig

Verbetering van de punctualiteit en capaciteit op negen gedecentraliseerde spoorlijnen

  • Op de lijn Arnhem-Winterswijk zijn in 2012 de perronverlengingen en de snelwissel bij Didam opgeleverd. Voor het traject Zutphen-Winterswijk zijn de planstudie- én de realisatiebeschikking «verhogen vertreksnelheid Zutphen» verleend. Voor het traject Arnhem-Doetinchem is in 2012 de realisatiebeschikking «Dubbelspoor Wehl» verleend.

  • Snel via het programma «Ruimte voor de fiets»23 zijn in 2012 ruim 30.000 fietsparkeerplaatsen bij stations aangepakt. Er zijn 23.000 nieuwe plaatsen opgeleverd, 4.000 vervangende plaatsen, en ongeveer 3.200 plaatsen zijn van een benuttingssysteem voorzien. De verwachting voor 2012 was circa 20.000 fietsparkeervoorzieningen bij stations, waarvan 15.000 capaciteitsuitbreiding zijn en 5.000 plekken vervanging met als doel kwaliteitsverbetering.

Beter Benutten

  • Het Programma Hoogfrequent Spoor (PHS)24 is het spoorprogramma waarin Beter Benutten25 van het spoor een belangrijk onderdeel is. Voor nadere info over PHS verwijs ik naar de verantwoording over het Infrastructuurfonds 2012.

Logistieke efficiëntie spoorvervoer

  • Zie onder Optimalisering internationale spoorcorridors.

Implementatie in de nationale regelgeving van Technische Specificaties voor de Interoperabiliteit (TSI’s)

  • De regeling voor de indienststelling van Spoorvoertuigen is volledig geactualiseerd en aangepast aan de vigerende Europese, technische specificaties. Publicatie van de nieuwe regeling verscheen 1 april 2012. Daar zijn de nationale eisen voor ERTMS boordapparatuur per 1 november 2012 aan toegevoegd.

Bijdragen aan nieuwe EU-regelgeving door deelname aan werkgroepen van het spoorwegagentschap.

  • Er is aan de Europese Commissie advies uitgebracht over nagenoeg alle geïntegreerde versies conventioneel spoor en hogesnelheidsvervoer van de TSI’s. Op het gebied van veiligheid is er advies uitgebracht over het single safety certificate (onderdeel 4e spoorpakket), zijn er voorstellen gedaan voor aanpassing van de bijlagen van de machinistenrichtlijn, is voorgesteld af te zien van het gebruik van smart cards voor de machinistenvergunning en is er gewerkt aan een herziening van de CSM-Risico-analyse (Common Safety Methods)26 Nederland is in 2012 vicevoorzitter van het Bestuur geworden en heeft belangrijke bijdragen geleverd aan de totstandkoming van een meerjaren strategie van het Spoorweg Agentschap ERA. Medio 2012 zijn de onderhandelingen over de herziening van het 1e spoorpakket afgerond. De publicatie heeft in december 2012 plaats gevonden (EU Rl 2012/34).

Optimalisering internationale spoorcorridors

  • In 2012 zijn op ministerieel niveau afspraken tot stand gekomen voor de corridors Rotterdam-Genua en Rotterdam-Lyon voor het capaciteitsverdelingsproces en de oprichting van de «one-stop-shop» voor deze corridors. Beide corridors krijgen één loket waar doorlopende internationale goederenpaden kunnen worden aangevraagd. De bovengenoemde corridors hebben gewerkt aan de uitwerking van de spoorgoederencorridor-verordening. Onder meer wordt per corridor een implementatieplan uitgewerkt. Voor de corridors Rotterdam-Genua, Rotterdam-Lyon en Rotterdam-Polen/Litouwen is een marktstudie in gang gezet.

Exploitatie van de Betuweroute na september 2013

  • In 2012 hebben de aandeelhouders van Keyrail, zijnde ProRail, Havenbedrijf Rotterdam en Haven Amsterdam, in afstemming met IenM gewerkt aan een voorstel voor de nieuwe opdracht aan Keyrail. Dat voorstel is in november aangeboden aan de staatssecretaris en positioneert Keyrail als enig loket voor het spoorgoederenvervoer in Nederland.

Opwaardering van het European Rail Traffic Management System (ERTMS) van de Betuweroute naar versie 2.3.0d, die interoperabel is met het Europese net en de toekomstige ERTMS-locomotieven.

  • De software van de ERTMS in de infrastructuur van de A-15 van de Betuweroute is succesvol geüpgrade per 31 juni 2012. De ERTMS van de Betuweroute is nu ook geschikt om de locomotieven, die in te toekomst uitgerust worden met nieuwe software te ontvangen.

Gebruik en imago van het goederenvervoer

  • Om het spoorgoederenvervoer aantrekkelijk te houden gold voor 2012 een korting op de gebruiksvergoeding (ingroeiregeling). Daarnaast is een subsidieregeling gepubliceerd waarop partijen konden inschrijven om bundelingsvoorstellen te doen. Er is een groot aantal aanvragen ingediend. De beoordeling hiervan loopt.

Duurzaam personen- en goederenvervoer

Wijziging van de Wet Geluidhinder.

  • De wijziging van de Wet milieubeheer waarin deze wijzigingen zijn geïncorporeerd, is op 1 juli 2012 in werking getreden.

Uitvoeren van het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO)27 voor spoorwegen in de periode 2007 t/m 2018

  • In 2012 zijn de knelpunten Breukelen en Lievelde opgelost. Daarnaast is het eerste cluster kleine faunavoorzieningen aanbesteed en gegund.

Meerjarenprogramma geluidsanering spoor

  • ProRail is in 2012 gestart met de uitvoering van het Meerjarenprogramma geluidsanering spoor (MJPG spoor28).

Innovatieprogramma Geluid (IPG, Innovatie programma Geluid (fluistertrein), Life Cycle Costs (LCC) LL-blokken

  • In 2012 is de uitvoering voortgezet van het in 2007 afgeronde Innovatieprogramma Geluid (IPG, (fluistertrein)) waaronder:

  • Nieuwe maatregelen voor geluidsreductie als aantrekkelijk alternatief voor geluidsschermen.

  • In 2012 lag de focus voornamelijk op de internationale lobby, werkzaamheden in verscheidene werkgroepen van het International Union of Railways (UIC) alsmede de verwerking van de resultaten van het project EuropeTrain.

    Het vervolg van het uitvoeringsprogramma geluid emplacementen is opgenomen in het Beheerplan van ProRail en wordt naar aanleiding van adviezen van de commissie Kuiken vanaf 2013 opgenomen in het MIRT in plaats van in het Beheerplan.

Meetbare gegevens

Spoorveiligheid

Nr.

Risicodrager

Omschrijving indicator

Streefwaarde

NRV 2010

NRV 2011

MWA 2011

NRV 2012

MWA 2012

1.1

Reiziger

Aantal FWSI*[1] bij reizigers per jaar / jaarlijks aantal mld reizigertreinkilometers

Permanente verbetering

6,16

3,43

3,04

   

1.2

Reiziger

Aantal FWSI bij reizigers per jaar / jaarlijks aantal mld reizigerkilometers

Permanente verbetering

0,05

0,03

0,02

   

2

Personeel

Aantal FWSI bij personeel per jaar / jaarlijks aantal mld treinkilometers

Permanente verbetering;

Structureel top 4 in EU

4,52

1,27

1,15

   

3.1

Overweggebruiker

Aantal FWSI bij overweggebruikers per jaar / jaarlijks aantal mld treinkilometers

Permanente verbetering

114,5

106,92

85,79

   

3.2

Overweggebruiker

Aantal FWSI bij overweggebruikers / [(Aantal treinkilometers per jaar * aantal spoorwegovergangen) / lijnkilometers]

Permanente verbetering

123,7

117,02

94,79

   

4

Anderen

Aantal FWSI bij anderen per jaar / jaarlijks aantal mld treinkilometers

Permanente verbetering

0,21

2,38

8,72

   

5

Onbevoegden

Aantal FWSI bij onbevoegden per jaar / jaarlijks aantal mld treinkilometers

Permanente verbetering

7,2

4,09

4,22

   

6

Maatschappij (derden)

Aantal FWSI per jaar in totaal / jaarlijks aantal mld treinkilometers

Permanente verbetering

133

120,9

98,85

   

– FWSI = Fatalities and Weighted Serious Injuries = aantal doden + 0,1*aantal zwaargewonden

Toelichting:

De cijfers over 2012 zijn ten tijde van het opstellen van het jaarverslag nog niet bekend. Deze worden later apart aan de Tweede Kamer toegezonden.

[Onderstaande indicator vervangt met ingang van 2012 de indicator Beschikbaarheid hoofdspoorweginfrastructuur uit voormalig art 34.03, zie Begroting 2013, art. 16]

Indicator: Geleverde treinpaden
 

2007

2008

2009

2010

2011

Grenswaarde 2012

Realisatie 2012

Beschikbaarheid infrastructuur

99,40%

99,62%

99,51%

99,55%

99,39%

   

Geleverde treinpaden

     

97,80%

98,70%

98%

98,1%

Bron: ProRail, 2012

Toelichting:

Vanaf 1 januari 2008 wordt ProRail aangestuurd op output. Dat betekent dat de minister van IenM afspraken maakt met ProRail over de te realiseren prestaties op basis van een resultaatsverplichting. Die prestaties worden jaarlijks opgenomen in het Beheerplan29 van ProRail. De minister van IenM moet instemmen met onderdelen van het Beheerplan, waaronder de prestaties, en bespreekt het Beheerplan met de Tweede Kamer. De voor 2012 overeengekomen prestatie is gerealiseerd.

Indicator: Punctualiteit Hoofdrailnet (HRN)
 

Basiswaarde 2003

2007

2008

2009

2010

Grenswaarde Vervoerplan 2011

Realisatie 2011

Grenswaarde Vervoerplan 2012

Realisatie 2012

Indicator: 3 minuten punctualiteit HRN1

83,1%

87,0%

86,8%

86,6%

86,5%

is voor 2011 niet meer bepaald

89,6%

 

88,5%

Indicator: 5 minuten punctualiteit HRN

   

93%

92,8%

92,5%

93,0%

94,7%

93%

94,2%

Reizigerspunctualiteit

         

90%

91,5%

90%

91,5%

Klantoordeel op tijd rijden (% dat een 7 of hoger geeft)

         

52%

51%

53,0%

48,9%

Bron: Nederlandse Spoorwegen

X Noot
1

De 3-minuten-punctualiteit wordt nog wel gemeten, maar niet meer voorzien van een grenswaarde om NS op af te rekenen.

Toelichting:

NS heeft de prestatie-afspraken m.b.t. de feitelijke punctualiteit gehaald. Het klantoordeel is echter achtergebleven bij de betreffende prestatie-afspraak. Conform de handhavingssystematiek uit de Vervoerconcessie heeft IenM hiervoor een voorlopige boete opgelegd. NS krijgt de gelegenheid om in 2013 alsnog de afgesproken waarde te realiseren. Als dit niet lukt, moet NS de boete daadwerkelijk betalen.

Indicator Leefomgeving spoorwegen
 

Basiswaarde peildatum

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Waarde 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde peildatum 2

Geluidknelpunten langs spoorwegen

12.500 woningen

7.500 woningen

8.900 woningen

7.200 woningen

1

1

1

1

0 (in 2020)

Bron: ProRail

                 

Aantal opgeloste MJPO-knelpunten

0 in 2004

0

0

0

3

2

2

22

79 (in 2018)

Bron: RWS/DVS

                 
X Noot
1

Tot 2008 verschafte ProRail jaarlijks cijfers over de aantallen woningen die binnen de zones 70 dB of hoger lagen. Omdat er nog geen programma liep om deze knelpunten structureel aan te pakken werden daarna deze gegevens niet langer opgenomen. Rapportage zou pas plaatsvinden zodra het MJPG in werking zou treden. De wijziging van de Wet milieubeheer is per 1 juli 2012 in werking getreden (SWUNG 2) (Staatsblad, 2012, nr. 267) en het MJPG is op die datum formeel van start gegaan. Vanaf 2013 zal de indicator een goed beeld geven van de inspanningen om de geluidoverlast terug te dringen en kan deze weer worden opgenomen.

X Noot
2

De knelpunten Breukelen en Lievelde zijn opgelost

Toelichting:

Indicator: Aantal treinbewegingen per week op A 15-tracé van Betuwelijn

2009

2010

2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Streefwaarde 2013

Aantal treinbewegingen

220

400

450

600

480

800

Bron: KeyRail

Toelichting

De realisatie ten opzichte van de streefwaarde is als gevolg van de stagnerende economie niet gehaald.

Kengetal Sociale veiligheid NS

2007

2008

2009

2010

2011

Realisatie 2012

Klantoordeel veiligheid reizigers1, in %

76

78

78

78

79,1

78,3

Reizigers die slachtoffer/ooggetuige zijn geweest van tenminste één incident

28

26

24

28

25

2

Percentage NSR-medewerkers dat haar/zijn gevoel van veiligheid overdag in de werkomgeving met een 7 of hoger beoordeelt

91

3

91

3

4

4

Percentage NSR-medewerkers dat haar/zijn gevoel van veiligheid 's avonds in de werkomgeving met een 7 of hoger beoordeelt

63

3

60

3

4

4

Percentage NSR-medewerkers dat één of meerdere incidenten heeft meegemaakt

19

20

20

20

20

21

Bron: Nederlandse Spoorwegen, 2013

X Noot
1

In het Vervoerplan van de NS wordt voor sociale veiligheid, net als voor diverse andere zorggebieden, het klantoordeel gebruikt. Het klantoordeel veiligheid geeft een percentage en niet een cijfer. Het klantoordeel is het gewogen gemiddelde van de klantoordelen overdag en ’s avonds in de trein en overdag en ’s avonds op stations.

X Noot
2

Wordt niet jaarlijks door NS gemeten. NS houdt gemiddeld een keer per twee jaar een enquête onder medewerkers. Sociale veiligheid is een van de onderwerpen die aan bod komen.

X Noot
3

Ten tijde van het ter perse gaan van dit jaarverslag is realisatie 2012 nog niet beschikbaar. Komt medio mei 2013.

X Noot
4

Het percentage NSR-medewerkers dat haar/zijn gevoel van veiligheid ’s avonds en overdag in de werkomgeving met een 7 of hoger beoordeelt wordt door NS onderzocht in de enquête die gemiddeld een keer per twee jaar onder haar medewerkers wordt gehouden. De enquête wordt nog wel uitgevoerd, maar op een andere wijze waarin hierboven genoemde vraagstellingen niet meer voorkomen. IenM zal deze percentages daarom in het vervolg niet meer in deze tabel opnemen.

04.02 Openbaar vervoer

Artikelonderdeel

Doelbereiking

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn geweest:

Kennisdeling ten aanzien van maatregelen met decentrale overheden (KpVV).

  • Het kennisplatform Verkeer en Vervoer30 (KpVV) heeft ook in 2012 uitvoering gegeven aan kennisdeling met decentrale overheden. In 2012 is de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid van het ministerie van IenM en decentrale overheden vastgesteld in het Bestuurlijk Koepeloverleg. De Beleidsimpuls is onder regie van het ministerie tot stand gekomen. De resultaten van de monitoring en toetsing door de SWOV zijn gebruikt bij de uitwerking van de Beleidsimpuls en de keuze voor maatregelen. Het KpVV helpt de decentrale overheden met kennis en best-practices om de verkeersveiligheid te verbeteren.

Algemene strategie- en beleidsontwikkeling/Uitvoeren beleidskader Sociale Veiligheid OV (SVOV)

  • Voor het stads- en streekvervoer zijn de decentrale OV-autoriteiten primair verantwoordelijk. Er is verder uitvoering gegeven aan het vervolg Aanvalsplan Sociale Veiligheid OV. Er is tussen stads- en streekvervoerders, OV-autoriteiten en vakbonden een convenant sociale veiligheid ondertekend in juli 2012. De Taskforce Veiliger OV is op 9 juli 2012 opgeheven nu vrijwel alle zestien maatregelen zijn geïmplementeerd. Enkele initiatieven van de taskforce lopen nog langer door, zoals de pilot verbeterd toezicht waarbij toezichthouders flexibel en concessiegrensoverschrijdend zijn ingezet.

Algemene strategie en beleidsvorming

  • Eind 2012 zijn de concessies voor de Waddenveren nog niet definitief.

Experiment verlaging minimumleeftijd buschauffeurs

  • Het experiment is in het derde jaar. Voor de monitoring is een tweede tussenrapportage opgesteld.

Betrouwbaar en veilig

  • De Tweede Kamer is in oktober 2012 geïnformeerd over het voornemen om ILT te mandateren als handhavingsinstantie voor de Europese verordening voor passagiersrechten, die in 2013 in werking treedt. Het besluit van de minister van Justitie over de aansprakelijkheid is in procedure gebracht.

Borging van de publieke belangen in het taxivervoer

  • De nieuwe Taxiwet is van kracht. In 2012 heeft Amsterdam zijn gemeentelijke verordening gepubliceerd, die met ingang van mei 2013 van kracht zal worden. Ook Den Haag heeft zijn verordening gepubliceerd. IenM heeft bijstand verleend bij de totstandkoming van deze verordeningen. IenM heeft regelmatig overleg gevoerd met Koninklijk Nederlands Vervoer Taxi (KNV Taxi).

Gemakkelijk en comfortabel in gebruik

OV-chipkaart

  • In november 2011 is de nationale strippenkaart afgeschaft. Sinds die datum wordt de OV-chip overal in Nederland in het OV gebruikt. Ook bij de NS kan de OV-Chip gebruikt worden. Er is nog geen definitieve datum vastgesteld wanneer het papieren treinkaartje wordt afgeschaft en de poortjes op de stations worden gesloten. In 2012 is gewerkt aan een oplossing voor het «dubbelopstaptarief» en «enkelvoudig in- en uitchecken».

Project Nationale Data OV-gegevens (NDOV31)

  • De beschikbaarheid van de ov-data wordt door IenM gefaciliteerd. De actuele ov-data zullen naar verwachting begin 2013 beschikbaar komen.

Meetbare gegevens

Kengetallen Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer1
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Streefwaarde

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer

             

– Reizigers2

7,8

7,9

7,9

7,9

7,9

 

7,5

– Personeel3

nb

6,3

nb

6,5

nb

 

Onveiligheidsincidenten in en rond het OV in %

             

– Reizigers4

23

23

24

23

21

   

– Personeel5

nb

69

nb

64

nb

   
X Noot
1

Alle gegevens in de tabel hebben betrekking op het stads- en streekvervoer.

X Noot
2

Bron: KpVV – Klantenbarometer 2011

X Noot
3

Bron: KpVV – Reizigersmonitor, 2010

Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het voertuig.

X Noot
4

Dit is het ongewogen gemiddelde van de bus-, tram-, metro- en regionale treinreizigers, die ooggetuige en/of slachtoffer zijn geweest van één of meerdere incidenten.

X Noot
5

De cijfers over 2012 zijn ten tijde van het opstellen van het jaarverslag nog niet bekend

Kengetal Klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Algemeen oordeel

7,0

7,2

7,2

7,2

7,2

7,4

Informatie en veiligheid

7,3

7,5

7,5

7,5

7,5

7,6

Rijcomfort

7,0

7,2

7,2

7,2

7,3

7,4

Tijd en doorstroming

6,0

6,2

6,5

6,5

6,6

6,8

Prijs

6,3

6,5

6,3

6,3

5,9

6,2

Toelichting

De OV-Klantenbarometer heeft betrekking op al het openbaar vervoer dat wordt aangestuurd door de twaalf provincies en de zeven stadsregio’s.

Indicator Aanbestedingsgraad regionaal OV

Basiswaarde 2002

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Streefwaarde

Aanbestedingsgraad regionaal Openbaar Vervoer (excl. G3)

5%

56%

72%

92%

92%

92%

100%

100%

100%

G3-steden (A'dam, R'dam, Den Haag)

               

n.v.t.

Op 2 oktober 2012 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de initiatiefwet «Aanbestedingsvrijheid OV grote steden». De wet treedt op 1 januari 2013 in werking en biedt de stadsregio’s die de grote steden Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht omvatten, de keuze tussen openbare aanbesteding of inbesteding (aan een eigen vervoerbedrijf).

Op 14 maart 2012 heeft de stadsregio Rotterdam de concessie voor het busvervoer gegund aan RET met 9 december 2012 als ingangsdatum.

Het stadsgewest Haaglanden heeft op 23 mei 2012 de concessie voor het stedelijke busvervoer gegund aan HTMBuzz met als ingangsdatum 9 december 2012.

Kengetal Overzicht reizigerskilometers regionaal OV (x 1 miljard)

2007

2008

2009

2010

20111

Stadsregio's

3,6

3,6

3,7

3,9

4,1

Provincies

2,9

2,8

2,8

2,8

2,9

Totaal

6,5

6,4

6,5

6,7

7,0

Bron: WROOV (Werkgroep Reizigers Omvang en Omvang Verkopen)

X Noot
1

Cijfer 2011 nog gebaseerd op een raming

Toelichting

Alle cijfers zijn gebaseerd op modelmatige berekeningen. Pas na volledige invoering van de ov-chipkaart kunnen echte realisaties worden geteld.

De dip in de reizigerskilometers in 2008 heeft te maken met de acties en staking in het streekvervoer.

Het totaal aantal reizigerskilometers vertoont vanaf 2010 een positieve ontwikkeling. De groei is mede een gevolg van de invoering van de ov-chipkaart: minder zwartrijden in de metro en mogelijk ook minder «grijs» rijden (minder strippen afstempelen dan vereist).

Kengetallen taxi

Output

Verwachte ontwikkeling

Landelijke ontwikkeling relatief

4 grote steden

1. Waardering consument1 (gebruikers)

Verbetering

Constant hoog:

Iets lager dan het landelijk gemiddelde

       
   

2005: 7,2 (precies: 7,16)

2005: niet gemeten

   

2006: 7,2 (precies: 7,22)

2006: 7,2

   

2007: 7,2

2007: 7,1

   

2008: 7,3

2008: 7,4

   

2009: 7,2

2009: 7,2

   

2010: 7,5

2010: 7,2

   

2011: 7,8

2011: 7,1

   

2012: niet gemeten

2012: niet gemeten

       

2. Prijsontwikkeling

(straattaxi)2

Prijsdaling

   
   

2005: +1,7%

2005: + 1,6%

   

2006: + 1,9%

2006: + 2,6%

   

2007: + 3,9%

2007: + 3,6%

   

2008: 1,2 %

2008: – 24,6% tot + 6%

   

2009: varieert van 1,2% voor stadsrit en 1,1% voor buitenrit (2)

2009: varieert van 0,1% voor stadsrit en – 0,1% voor buitenrit (2)

   

2010: varieert van + 1,2% voor stadsrit en + 1,1 % voor buitenrit

2010: +0,2% voor een stadsrit en +0,4% voor een buitenrit

   

2011: stadsrit + 2,6%

buitenrit + 2,2,%

2011: stadsrit 0,0%

buitenrit – 0,4%

 

2012: niet gemeten

2012: niet gemeten

X Noot
1

Waardering consument:

–  Vier grote steden: Mysteryshopper Onderzoek 2011; TNS Consult.

–  Landelijke ontwikkeling: taximonitor gebruikers 2011; I&O Research.

X Noot
2

Prijsontwikkeling: Taxitarieven 2011: De ontwikkeling van de taxitarieven in de Nederlandse taximarkt in de periode 2007–2011; TNS Consult.

Toelichting

Jaarlijks heeft onderzoek plaatsgevonden naar zowel de waardering van de consument als de prijsontwikkeling van het taxivervoer. In 2012 hebben deze onderzoeken niet plaatsgevonden. De onderzoeken uit voorgaande jaren geven aan dat de verschillen van jaar op jaar betrekkelijk gering zijn.

Extracomptabele verwijzingen

Overzicht uitgaven op het Infrastructuurfonds (x € mln)

Art. Omschrijving

realisatie 2012

Art 13 Spoorwegen

2.185

Art 13 AKI-plan en veiligheidsknelpunten

6

Art 13.03 Ontsnippering

7

Art 13.03 Geluid sanering spoorwegen

0

Art 17.02 Betuweroute (realisatie)

9

Art 17.03 Hogesnelheidslijn

16

Art 17.04 Anders Betalen voor Mobiliteit

0

Overzicht afgeronde onderzoeken
 

Titel/onderwerp

Artikelonderdeel

Start

Afgerond

Vindplaats

1. onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

     

1a. Beleidsdoorlichting

BDU Verkeer en Vervoer

04.02

2010

2011

De evaluatie is uitgesteld, omdat de randvoorwaarden van de BDU in de kabinetsformatie zijn gewijzigd; zowel financieel als betreffende de bestuurlijke organisatie op decentraal niveau.

2. Overig onderzoek

Spoorveiligheid

04.01

jaarlijkse monitoring

www.ilent.nl/onderwerpen/transport/rail/publicaties/jaar_en_kwartaalrapporten/

 

OV-Klantenbarometer

04.02

jaarlijkse monitoring

www.ov-klantenbarometer.info

Spoorveiligheid

De conclusies naar aanleiding van het rapport «Railveiligheidsindicatoren 2011» zijn verwoord in de brief aan de Tweede Kamer van 9 juli 2012 (Kamerstuk 29 893, nr. 135). Op 17 december is het «nationale jaarverslag over de ontwikkeling van de veiligheid op het spoor» ten behoeve van het Europese Spoorwegbureau (ERA32) aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk 29 893, nr. 139). Dit is een verplichting die volgt uit de Europese Spoorwegveiligheidsrichtlijn.

OV-klantenbarometer

De conclusies van de OV-klantenbarometer zijn de verantwoordelijkheid van de decentrale overheden.

Artikel 5. Mainports en Logistiek

Algemene beleidsdoelstelling

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de mainports van de Nederlandse maritieme en luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam vervoersysteem en luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Luchtvaart:

  • De in 2011 opgetreden afvlakking van de groei van het luchtverkeer heeft zich in 2012 voortgezet, zodanig dat het daadwerkelijke niveau van de luchtverkeersdienstverlening ongeveer 4% is achtergebleven ten opzichte van het in het performance plan opgenomen niveau.

  • Een goede luchtzijdige bereikbaarheid is cruciaal voor de netwerkkwaliteit van Schiphol, de voorziene groei van Eindhoven en Lelystad en voor het voorzien in de militaire luchtruimbehoeften. Tevens geeft de Luchtruimvisie invulling aan de internationale afspraken volgend uit Single European Sky (SES) en Functional Airspace Block Europe Central (FABEC).

  • Internationaal ligt de veiligheid op een hoog niveau, maar de permanente verbetering lijkt de laatste jaren te stagneren. Deze trend is ook in Nederland herkenbaar. Ook uit het laatste advies van het adviescollege DEGAS (Dutch Expert Group Aviation Safety) over de ontwikkeling van veiligheid in het Nederlandse luchtvaartsysteem, komt dit beeld naar voren. DEGAS doet een aantal aanbevelingen ter verbetering van het luchtvaartsysteem. De eerste resultaten van een opgestarte studie naar de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit van Schiphol tussen 2011 en 2012 wijzen uit dat Schiphol ongeveer gelijke tred heeft gehouden met die van concurrerende luchthavens in Noordwest-Europa.

Maritiem:

  • In 2012 is gewerkt aan het volledig in lijn brengen van Nederlandse wetgeving met internationale maritieme verdragen. Dit is essentieel voor het onbelemmerd en veilig varen van schepen onder Nederlandse vlag in het buitenland. De positie van de Nederlandse vloot op de ranglijst van het Paris Memorandum of Understanding (MoU) is gedaald (van 18 naar 35). Dit komt door het toegenomen aantal aanhoudingen van schepen onder Nederlandse vlag bij inspecties in het gebied van het Paris MoU over Havenstaatcontrole. Een analyse naar de oorzaak daarvan is gestart.

  • Samen met de andere betrokken departementen is gewerkt aan de verbetering van de beveiliging van de koopvaardijvloot onder Koninkrijksvlag tegen piraterij, met het behoud van het internationale «level playing field» als specifiek aandachtspunt.

  • Als gevolg van de economische crisis is de toegevoegde waarde van het maritieme cluster afgenomen.

  • Er is een begin gemaakt met de invoering van het zogenoemde «maritiem single window», dat vooral de efficiency van de kustvaart en haar positie binnen het vervoerssysteem ten goede komt.

  • De maritieme sector heeft via de Innovation Council van de Stichting Nederland Maritiem Land een aantal succesvolle voorstellen ontwikkeld voor innovatieprojecten in het kader van het Topgebied Water. Deze kunnen bijdragen aan de veiligheids- en duurzaamheidsprestatie van de sector en daarmee aan de versterking van het Nederlands maritieme cluster.

  • De duurzaamheidsprestatie van de zee- en binnenvaart is in 2012 verbeterd. Dit blijkt onder andere uit de verminderde uitstoot van luchtverontreinigende stoffen en de toegenomen afgifte van scheepsafval in zeehavens.

Externe factoren

Samenwerking tussen overheden en met het bedrijfsleven is een essentiële succesfactor. Alleen op dergelijke wijze is het mogelijk op efficiënte wijze de expertise van de sector in te brengen, administratieve lasten te beperken en innovatieve oplossingen te ontwikkelen.

De economische crisis heeft een negatief effect gehad op maatregelen ter bevordering van de concurrentiekracht.

Het beleid draagt eraan bij dat de Nederlandse lucht-, zee- en binnenvaart voldoen aan de internationale eisen met betrekking tot veiligheid en duurzaamheid afkomstig van respectievelijk de International Civil Aviation Organisation (ICAO), de International Maritime Organisation (IMO), de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en de Europese Unie (EU). Een hoog veiligheids- en duurzaamheidsniveau kan de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse (lucht-) havens, luchtvaartmaatschappijen en rederijen positief beïnvloeden.

Voortgang in bepaalde internationale dossiers (bijvoorbeeld afspraken over EU CO2reductie door de zeevaart in de IMO) verliep soms traag vanwege grote belangentegenstellingen tussen deelnemende landen.

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

05 Mainports en logistiek

 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 
 

2011

2012

2012

2012

 

Verplichtingen

39.744

29.304

30.780

– 1.476

 

Uitgaven

65.069

42.566

52.901

– 10.335

 

05.01 Luchtvaart

50.728

36.354

42.904

– 6.550

 

05.01.01 Opdrachten

47.672

31.797

40.050

– 8.253

1

– Opdrachten GIS

41.474

27.565

27.734

– 169

 

– Overige opdrachten

6.198

4.232

12.316

– 8.084

 

05.01.02 Subsidies

1.825

3.210

1.674

1.536

2

05.01.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

 

48

0

48

 

05.01.04 Bijdrage aan internationale organisaties

         

en medeoverheden

1.231

1.299

1.180

119

 

05.02 Maritiem

14.341

6.212

9.997

– 3.785

 

05.02.01 Opdrachten

4.634

778

2.459

– 1.681

3

05.02.02 Subsidies

4.880

2.705

3.757

– 1.052

 

05.02.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

3.911

1.840

2.823

– 983

 

05.02.04 Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden

916

889

0

889

 

05.09 Ontvangsten

34.885

49.112

43.524

5.588

4

X Noot
1

Het betreft hier de conversiestand bij 1e suppletoire begroting 2012. Zie ook de leeswijzer.

Ad 1) Bij de conversie van de begroting bij 1e suppletoire 2012 is een deel van de geluidsisolatie-uitgaven voor in totaal € 2,959 miljoen ten onrechte toebedeeld aan Overige opdrachten. Dit betekent dat dit bedrag in mindering gebracht moet worden op de stand van de vastgestelde begroting van € 12,316 miljoen om de bedragen zuiver te kunnen vergelijken, waarmee het beschikbare budget uitkomt op € 9,357 miljoen met een realisatie van € 4,232 miljoen.

Het verschil tussen die twee bedragen is voor € 2,75 miljoen toe te schrijven aan vertraagde uitgaven voor de baandrempel Maastricht, de uitvoering van het amendement van het lid Dijkgraaf (Kamerstukken II, 2011–2012, 33 000 A, nr. 9) en de Luchtruimvisie. Er is verder voor € 0,970 miljoen budget overgeheveld voor het project SMASH, een bijdrage voor de MER Eindhoven (Defensie) en een bijdrage aan de NMa (EZ) ten behoeve van de Vervoerkamer Wet Luchtvaart. Het verschil wordt verder nog veroorzaakt doordat er minder onderzoek is verricht en minder is uitgegeven voor juridische ondersteuning

Ad 2) De hogere uitgaven bij subsidies zijn toe te schrijven aan de subsidies die verstrekt zijn in het kader van het Bestuursconvenant Reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol voor de subsidieregeling omploegen graanresten.

Ad 3) Het verschil wordt voor € 1 miljoen veroorzaakt door budgetoverboekingen (waaronder € 0,6 miljoen naar EZ/NMA vervoerkamer tbv loodsenwet) en voor € 0,6 miljoen doordat een aantal geplande kleinere onderzoeksopdrachten is vertraagd.

Ad 4) De hogere ontvangsten worden veroorzaakt door een afrekening in het kader van het Project Geluidsisolatie Schiphol (Progis).

05.01 Luchtvaart

Artikelonderdeel

Doelbereiking

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn geweest:

Externe veiligheid luchthavens

  • De actualisatie van de LIB-zones (Luchthavenindelingsbesluit) voor Schiphol: Het tweejarig experiment met het Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel is op 31 oktober 2012 geëindigd. Gedurende de uitvoering van het experiment zijn per kwartaal monitoringsrapportages uitgebracht. In het kader van de eindevaluatie is de Alderstafel gestart met de voorbereiding van een advies over de aanpassingen van de Wet Luchtvaart, het Luchthavenindelingsbesluit en in het Luchtverkeersbesluit Schiphol.

  • Het treffen van voorbereiding voor de regionale luchthavens van nationale betekenis om in 2014 luchthavenbesluiten te kunnen nemen conform de vereisten van de Wet Luchtvaart.

  • Het vaststellen van de omzettingsregeling in 2012 voor de luchthaven Eelde; voor de andere burgerluchthavens van nationale betekenis zijn de omzettingsregelingen in voorbereiding genomen.

Aankoop LIB veiligheidssloopzones Schiphol

  • De aankoop en sloop van de laatste objecten uit de veiligheidssloopzone van het LIB2004.

Verbetering veiligheid luchtvaart

  • Er is deelgenomen en inbreng geleverd bij Eurocontrol’s Safety Regulation Commission, de Regulatory Support Task Force en de European Aviation Safety Agency (EASA) over het Europese Safety Plan en de ontwikkelingen van het Safety Management Systeem.

  • Er is een bijdrage geleverd aan de voorbereiding van nieuwe regelgeving voor de veiligheid op en rond luchthavens, de vlieg- en rusttijden (Flight Time Limitation), de eisen aan de bemanning (Flight Crew Licensing), luchtverkeersmanagement en luchtverkeersleiders.

  • De implementatie van EU regelgeving ten aanzien van Piloten is ter hand genomen. Er is een voorstel voor wijziging van de luchtvaartwet naar de Tweede Kamer gestuurd. Tevens is de nationale regelgeving voor het veilig gebruik van de luchthavens in overeenstemming gebracht met de gewijzigde regelgeving van de International Civil Aviation Organisation (ICAO-regelgeving) en zijn de Nederlandse onderhouds- en operationele voorschriften vastgelegd voor luchtvaarttuigen die niet onder Europese regelgeving vallen.

  • De adviescommissie DEGAS (Dutch Expert Group Aviation Safety) heeft een evaluatie uitgevoerd naar de ontwikkeling van de veiligheid in alle onderdelen van het Nederlandse luchtvaartsysteem in de periode 2005–2011 en heeft hierover in maart 2012 een advies uitgebracht: «Remmende Voorsprong». De aanbevelingen van DEGAS zijn uitgewerkt en opgenomen in het veiligheidsmanagementsysteem van de Nederlandse luchtvaart.

  • De Beleidsagenda Luchtvaartveiligheid 2011–2015 wordt uitgevoerd.

  • De versterking van Just Culture krijgt vorm door het zogenaamde Casusoverleg, waarbij sector, inspectie, luchtvaartbeleid en het Openbaar Ministerie door goed overleg en het uitwisselen van argumenten duidelijkheid verschaffen in het soms nog grijze gebied van het melden van voorvallen en incidenten en het streven naar een permanente verbetering.

  • Het risico op vogelaanvaringen op en rond Schiphol is teruggedrongen: Op 16 april 2012 hebben alle betrokken overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen een Convenant ondertekend en afspraken gemaakt over een gezamenlijke uitvoering van maatregelen om het populatiebeheer te intensiveren en de Haarlemmermeer minder aantrekkelijk te maken als foerageergebied.

ICAO en EASA (HGIS)

  • Nederland heeft geparticipeerd in Europese werkgroepen (EASA) en in ICAO werkgroepen en heeft de permanente vertegenwoordiger bij ICAO ondersteund bij het opzetten van een mondiaal systeem voor het monitoren van afwijkende voorschriften.

Internationaal

  • Nederland heeft op het terrein van gevaarlijke goederen competentiegebaseerde trainingsmodules ontwikkeld die door ICAO zijn overgenomen in Annex 18. Nederland heeft eraan bijgedragen dat de verplichte (internationale) documentatie voor gevaarlijke goederen is vereenvoudigd, hetgeen een administratieve lastenverlichting voor de luchtvaartsector betekent.

Beveiliging luchtvaart

  • Eind 2012 is het EU-regelgevingstraject met betrekking tot de nieuwe maatregelen voor het meenemen van vloeistoffen (Liguids, Gels and Aerosols/LAGs) in de handbagage afgerond en in werking getreden. Verder is gewerkt aan een nadere uitwerking van de verdeling van bevoegdheden en wettelijke taken op het gebied van inflight security tussen de EU en EASA.

  • De beveiligingsplannen van de luchtvaartmaatschappijen en luchthavens die zijn voorgelegd door het ministerie van Veiligheid en Justitie zijn beoordeeld en goedgekeurd. Dankij deze afronding beschikken we over een veiligere luchtvaart.

  • Nederland heeft zorggedragen voor de beveiliging van de Luchtverkeersleidingsorganisaties, voor het luchtruim in Nederland en op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius, Saba).

    Nederland heeft invulling gegeven aan de Europese regelgeving door het introduceren van het security management system bij de Luchtverkeerleiding Nederland (LVNL). Dit systeem is ook goedgekeurd door de Nederlandse Luchtvaart Autoriteit.

  • De Europese Commissie heeft in 2012 een aanvang gemaakt met de Evaluatie van de European Programme for Critical Infrastructure Protection (EPCIP) richtlijn inzake (Europese) Vitale Infrastructuur. Deze evaluatie en vooral de gebruikte methode daartoe werd door de lidstaten, waaronder Nederland, kritisch ontvangen. Daardoor is in het uitbrengen van een gewijzigde EPCIP-richtlijn vertraging opgetreden.

  • In 2012 is de kostenefficiency van de beveiligingsmaatregelen op Schiphol gemonitord (Kamerstukken II, 2010/11, 31 936, nr. 84) op basis van in 2011 door Schiphol uitgevoerde bedrijfsinterne audit. Met de introductie van het Smart and Unpredictable Riskbased Entry (SURE)-concept door het Ministerie van Veiligheid en Justitie in 2012 is voor Nederland een vorm van kostenbeheersing in het domein van de aviation security geïntroduceerd.

Ontwikkeling luchthavens

  • Naar aanleiding van het Aldersadvies: Met de vaststelling en publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau Milieu-effectrapport is in 2012 een start gemaakt met de procedure voor de totstandkoming van het luchthavenbesluit en de vergunning voor het medegebruik door de burgerluchtvaart van de luchthaven Eindhoven.

  • ProRail heeft een verkennend onderzoek verricht naar de verbetering van de bereikbaarheid met het openbaar vervoer (ov) van de luchthaven Eindhoven. Naar aanleiding van dit onderzoek is een MIRT-onderzoek naar de gebiedsontwikkeling rondom Eindhoven gestart. De afspraken over de landzijdige bereikbaarheid (weg/ov) van Eindhoven Airport worden daarin meegenomen.

  • Luchtruimvisie Lelystad. De Lelystad luchthavenexploitant en luchthavenmaatschappijen zijn gestart met een nadere uitwerking van de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het Kabinetsstandpunt om gefaseerd een ontwikkeling naar 45.000 vliegbewegingen te realiseren, hoe deze ontwikkeling luchtzijdig kan worden ingepast, en met het vergaren van inzicht in de juiste product-markt combinatie. Daarna volgt het definitieve Aldersadvies over Lelystad.

  • In maart 2012 hebben partijen aan de Alderstafel vastgesteld dat voor de uitvoering van de afspraken uit het Aldersakkoord 2008 over het invoeren van CDA («continuous decend approach», glijvluchten) vluchten diverse opties zijn onderzocht, maar dat geen van die opties haalbaar is gebleken. Daarom is een alternatief pakket aan hinderbeperkende maatregelen opgesteld. De heer Alders heeft dit alternatieve pakket in december 2012 aan de staatssecretaris van IenM gestuurd. Bezien wordt onder andere de mogelijkheid om de experimenten met CDA’s aan te passen. Onder andere overeengekomen:

  • CDA’s vanaf 22.30 uur, tenzij de operatie zich hiertegen verzet (c.q. de capaciteit van de nachtprocedure op dat moment nog tekort schiet om het verkeersaanbod af te wikkelen). Het gaat hierbij om het toepassen van de bestaande, vanaf 23:00 uur gebruikte nachtprocedures.

  • De ontwikkeling van CDA’s in de schouders van de pieken overdag op de Aalsmeerbaan (36R) als secundaire baan.

  • Voor alle gebiedsgerichte projecten is in het Aldersconvenant Omgevingskwaliteit Schiphol een financiële bijdrage van in totaal € 20 miljoen toegezegd door de Stichting Leefomgeving Schiphol. Deze bijdrage is bedoeld voor projecten ter verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving in de Schipholregio. In december 2012 is het eerste project «Haarlemmerliede-Station Halfweg» opgeleverd.

  • Ook heeft de Stichting Leefomgeving Schiphol bij «schrijnende gevallen» een besluit genomen over de toekenning van de aanvraag.

    • Eind 2012 is de vierjaarlijkse evaluatie van de Aldersafspraken uit 2008 opgestart. Het tweejarig experiment met het Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel (NNHS) is op 31 oktober 2012 geëindigd. Gedurende de uitvoering van het experiment zijn per kwartaal monitoringsrapportages uitgebracht. De resultaten na het eerste jaar (zie tussentijdse evaluatie NNHS33) waren positief en in afwachting van het eindadvies van de Alderstafel aan het Kabinet zal volgens de regels van het nieuwe stelsel gevlogen blijven worden.

    • In het rijksprogramma Structuurvisie Mainport Amsterdam Schiphol Haarlemmermeer34 (SMASH) voor de Schipholregio is met inbreng van de luchtvaartsectoren en de regionale partijen gewerkt aan een verkenning voor de Schipholregio. Dit moet leiden tot prioritering van ruimteclaims rond Schiphol, het stimuleren van Schipholafhankelijke prioriteiten en het gericht verbeteren van de landzijdige bereikbaarheid van Schiphol per weg en spoor.

Regelgeving Regionale en Kleine Luchthavens

  • Op 6 juli 2011 is de wijziging van het aanwijzingsbesluit Rotterdam The Hague Airport onherroepelijk geworden; de geluidsruimte is geactualiseerd. Gestart is met de voorbereiding van de omzettingsregeling. In 2012 hebben voorbereidingen hiertoe plaatsgehad. De Raad van State heeft uitspraak gedaan in de beroepsprocedure tegen de beslissing op bezwaar inzake het aanwijzingsbesluit van de luchthaven Maastricht. Met deze uitspraak is het aanwijzingsbesluit van de luchthaven Maastricht, zoals gewijzigd met de beslissing op bezwaar van 27 oktober 2011, onherroepelijk geworden.

  • Voor de regionale luchthavens van nationale betekenis zijn voorbereidingen getroffen om in 2014 luchthavenbesluiten te kunnen nemen conform de vereisten van de Wet Luchtvaart. Voor de luchthaven Eelde is de omzettingsregeling in 2012 vastgesteld.

  • Aanloop naar de luchthavenbesluiten van Eelde en Maastricht en een eventueel luchthavenbesluit Twente: Besluitvorming over eventuele nieuwe decentralisering is niet aan de orde voordat voldoende duidelijkheid bestaat over de oplossing van het vraagstuk van de nationale capaciteit.

Luchtruim

  • Nederland heeft de ratificatieprocedure ter zake van het FABEC-verdrag (Functional Airspace Block Europe Central) in oktober 2012 voltooid. Het FABEC-verdrag is nog niet in werking getreden, omdat de ratificatieprocedure in België nog loopt. Het Europa-brede prestatie-sturingssysteem is per 1 januari 2012 in werking getreden. Als gevolg van de vermindering van het luchtverkeer wordt het voor 2012 gestelde kostenefficiëntiedoel ook in de Nederlandse en route heffingen zone niet gehaald. De in FABEC verband overeengekomen capaciteitsdoelstelling wordt wel gehaald.

  • De Luchtruimvisie en bijbehorende beleidsagenda zijn vastgesteld.

  • Het nominale Nederlandse en route tarief is licht gedaald, wat een verdere daling in reële termen (prijspeil 2009) inhoudt. De Luchtverkeerleiding Nederland (LVNL) heeft haar tarieven voor terminal met 2% en voor en route met 1% verlaagd ten opzichte van 2011.

  • De analyse en rapportage over de mogelijkheden om de gezamenlijke Airspace Flow Management Unit (AFMU) te optimaliseren is afgerond. De implementatie van de aanbevelingen is opgestart. Voorbereidingen zijn getroffen om in 2013 de eerste stappen te zetten in de verplaatsing van algemene militaire luchtverkeersleidingstaken naar de locatie van de LVNL op Schiphol Oost.

Marktordening en markttoegang

  • In het voortraject leidend tot de Raadsconclusies van 16 december 2012 over het externe EU beleid heeft Nederland een beleidsdocument opgesteld dat met de andere EU-lidstaten en de Commissie is gedeeld.

  • In 2012 is een aantal bilaterale luchtvaartverdragen afgesloten. Dit betreft Zambia, Congo-Brazzaville, Colombia, Japan, Kaapverdië, Mexico, Uruguay, Angola, Tanzania, Macedonië, Irak, Argentinië (zogenaamde «Agreed Minutes») en Qatar (eveneens «Agreed Minutes»). Daarnaast zijn de bestaande relaties met andere landen onderhouden en bestendigd.

  • De «Beleidsregel vergunningen voor geregeld en ongeregeld luchtvervoer» is opgesteld, met criteria voor de beoordeling van vergunningaanvragen voor het uitvoeren van luchtvervoer. Verder zijn routevergunningen verleend aan KLM (op Uruguay, Dominicaanse Republiek, Argentinië, Zimbabwe en Angola), aan Martinair (op Tanzania, Mexico, Uruguay, Japan, Zambia en Irak), aan Transavia (op Irak, Verenigde Arabische Emiraten en Kaapverdië) en aan TUI Arkefly (op Tanzania, Mexico, Dominicaanse Republiek en Malediven). Ook zijn vergunningen verstrekt voor charteroperaties op «leisure- bestemmingen».

  • Over de voorstellen van de Europese Commissie inzake het zogenaamde luchthavenpakket (grondafhandeling, procedures bij invoering van geluidsrestricties en slots) zijn door de EU Transportraad zogenaamde «algemene oriëntaties» vastgesteld.

  • In het najaar van 2012 is de jaarlijkse studie uitgevoerd naar de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit en de naleving van de staatsgaranties inzake netwerkontwikkeling. Gebleken is dat de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit op Schiphol tussen 2011 en 2012 ongeveer gelijke tred heeft gehouden met die van concurrerende luchthavens en dat op Schiphol sprake was van een sterkere ontwikkeling dan op Parijs Charles de Gaulle. Om te kunnen vaststellen of Schiphol een concurrerend kostenniveau heeft, vindt er jaarlijks een vergelijking plaats van de luchthavengelden, de ATC-heffingen en de overheidsheffingen op Schiphol en tien concurrerende luchthavens. De resultaten van de benchmark van 2012 laat zien dat Schiphol medio 2012 goedkoper is dan zeven andere Europese luchthavens.

Vergroting strategische en internationale oriëntatie

  • In 2012 heeft de ondersteuning van Nederland Distributieland zich beperkt tot deelname van IenM aan de Raad van Toezicht. In 2012 is het ministerie van IenM gestopt met de jaarlijkse subsidiering van de activiteiten van Nederland Distributieland. Logistiek is één van de negen topsectoren. In de Topsector Logistiek werken bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid gezamenlijk aan de logistieke concurrentiekracht van Nederland onder regie van het Strategisch Platform Logistiek (SPL). Het ministerie van IenM vertegenwoordigt de overheid in het SPL. Voor wat betreft het kennis- en innovatiedeel van de Topsector Logistiek is in april het innovatiecontract tot stand gekomen waarin de inhoudelijke en financiële afspraken tussen bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid zijn vastgelegd (Kamerstuk 32 637, nr. 32). De samenwerking van deze innovatiecontractpartners krijgt verder vorm in een Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI) dat in september 2012 is opgericht (Kamerstuk 32 637, nr. 48).Verder is onder leiding van het SPL in 2012 een stuurgroep Neutraal Logistiek Informatie Platform gestart voor een optimale beschikbaarheid en efficiënt (her)gebruik van informatie voor en door markt en overheid (open data platform).

  • Tevens zijn diverse pilots met synchromodaal transport opgestart en is het internationale kernnet logistiek ontwikkeld en gepubliceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ((SVIR)35, kamerstuk 32 660, nr. 50).

  • Het technologisch topinstituut Dinalog, dat het Nationale Innovatie Programma Logistiek en Supply Chain Management uitvoert, heeft in 2012 diverse projecten gehonoreerd en opgestart op het gebied van Research and Development (R&D), valorisatie en Human Capital.

Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3)

  • GIS-3 (Geluidsisolatie Schiphol fase 3) is in 2012 volledig afgerond.

Duurzame luchtvaart

  • Op grond van de resolutie van de 37ste International Civil Aviation Organization

  • (ICAO) Assemblee in 2010 en mede onder druk van de inwerkingtreding van het EU emissions trading system (EU ETS) is in 2012 in ICAO een proces gestart om een mondiaal marktconform systeem te ontwikkelen voor reductie van CO2– emissies door de luchtvaart.

  • Tengevolge van de inwerkingtreding van het EU ETS is in de eerste helft van 2012 veel tijd besteed aan de communicatie richting derde landen in verband met de handhaving van de richtlijn.

  • Als onderdeel van het programma van het milieucomité van ICAO Committee on Aviation Environmental Protection (CAEP) is een bijdrage geleverd aan de medio 2012 vastgestelde CO2– standaard voor vliegtuigen. Ook zijn voor verdere aanscherping van de geluidsnorm voor vliegtuigen de analyses afgerond.

  • Ten aanzien van de reductie van CO2– emissies is gerapporteerd in de State Action Plans.

Meetbare gegevens

Kengetal: Jaarlijkse TRG-score voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeersbesluit
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Grens

TRG score

6,3

6,36

6,55

6,62

6,057

6,118

6,47

6,486

9,72

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol (AAS) 2011

Het gebruiksjaar voor het berekenen van de TRG-score loopt van 1 november 2011 t/m 31 oktober 2012. Afgezet tegen de grenswaarde van 9,724 ton betekent dit dat op 31 oktober 2012 nog een TRG-ruimte van 3,234 ton beschikbaar was.

Indicator: Aantal aangekochte woningen en woonboten in de veiligheidssloopzones Schiphol
 

Tot en met 2009

Tot en met 2010

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2012 e.v.

Totaal

Aantal aangekochte woningen

43

45

2

1

 

13

59

Aantal aangekochte woonboten

14

14

0

0

 

0

14

Bron: Rijkswaterstaat Noord-Holland Voortgangsrapportage GIS nr 14,

De cijfers over 2012 zijn ten tijde van het opstellen van het jaarverslag nog niet bekend.

Kengetal: Aantal fatale ongevallen per miljoen vluchten
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Ongevalsratio wereldwijd

0,85

0,63

0,65

0,65

0,59

0,69

0,67

Ongevalsratio EASA operators

0,24

0,16

0,16

0,16

0,18

0,00

0,17

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2012

De cijfers over 2012 zijn ten tijde van het opstellen van het jaarverslag nog niet bekend.

Kengetal: aantal ernstige incidenten en ongevallen in NL en met Nederlandse luchtvaartuigen in het buitenland
 

Aantal ongevallen

   

Realisatie

 

2007

2008

2009

2010

2011

Commerciële verkeersvluchten

3

0

1

1

0

Helikopters

1

3

1

3

2

Privé / zakenluchtvaart

6

9

8

8

7

Zweefvliegtuigen

8

4

9

4

3

Hete luchtballonnen

0

1

1

1

1

           
 

Ernstige incidenten

   

Realisatie

 

2007

2008

2009

2010

2011

Commerciële verkeersvluchten

18

7

8

13

0

Helikopters

1

2

1

0

1

Privé / zakenluchtvaart

7

7

6

4

4

Zweefvliegtuigen

4

2

2

2

4

Hete luchtballonnen

1

1

0

0

0

           
 

Dodelijke slachtoffers

   

Realisatie

 

2007

2008

2009

2010

2011

Commerciële verkeersvluchten

0

0

9

0

0

Helikopters

0

1

0

4

0

Privé / zakenluchtvaart

3

0

5

0

3

Zweefvliegtuigen

1

0

1

0

0

Hete luchtballonnen

0

0

0

0

0

           
 

(Zwaar) gewonden

   

Realisatie

 

2007

2008

2009

2010

2011

Commerciële verkeersvluchten

3

0

66

1

0

Helikopters

2

0

0

1

0

Privé / zakenluchtvaart

0

0

2

1

1

Zweefvliegtuigen

5

0

1

0

0

Hete luchtballonnen

1

0

1

2

1

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2012

De cijfers over 2012 zijn ten tijde van het opstellen van het jaarverslag nog niet bekend.

Kengetal: Aantal bestemmingen waarnaar (>2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Waarde 2011

Waarde 2012

Amsterdam

258

246

253

263

271

266

Frankfurt

288

291

284

283

288

301

London Heathrow

181

177

171

165

174

176

Parijs Charles de Gaulle

260

273

272

271

268

256

Brussel

158

190

183

188

200

190

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat, januari 2012

Toelichting

In de tabel zijn de bestemmingen opgenomen waarvoor geldt dat deze meer dan 2x per jaar worden aangevlogen. Het aantal bestemmingen vanaf Schiphol is in 2011 gedaald met ca. 3% gestegen en vergelijkbaar met die vanaf Parijs Charles de Gaulle en Brussel.

Kengetal: Aantal vliegbewegingen per luchthaven ( x 1000)
 

Waarde 2005

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Waarde 2011

Waarde 2012

Amsterdam

405

423

436

428

391

386

420

423

Frankfurt

482

482

485

480

458

458

481

476

London Heathrow

472

471

476

473

460

449

476

471

Parijs Charles de Gaulle

514

533

544

551

518

492

507

491

Brussel

231

232

241

236

212

205

214

206

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2012

Toelichting

Op alle luchthavens is in 2012 het aantal vliegtuigbewegingen gedaald met uitzondering van Schiphol. Schiphol laat een licht groei zien. Ook in 2011 was de groei van het aantal vliegtuigbewegingen op Schiphol het hoogst.

Kengetal: Aantal passagiers in miljoenen per luchthaven
 

Waarde 2005

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Waarde 2011

Waarde 2012

Amsterdam

44

46

48

47

44

45

50

51

Frankfurt

52

53

54

53

51

53

56

57

London Heathrow

68

67

68

67

66

66

69

70

Parijs Charles de Gaulle

54

57

60

61

58

58

61

61

Brussel

16

17

18

19

17

17

19

19

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2012

Toelichting

In 2012 is het aantal passagiers op Schiphol slechts licht gestegen. Een beeld dat zich ook voordoet op de overige luchthavens.

Kengetal: Vrachttonnage per luchthaven (x 1000 ton)
 

Waarde 2005

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Waarde 2011

Waarde 2012

Amsterdam

1.450

1.527

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483

Frankfurt

1.864

2.031

2.074

2.021

1.808

2.199

2.133

1.986

London Heathrow

1.306

1.306

1.314

1.401

1.278

1.473

1.484

1.465

Parijs Charles de Gaulle

1.767

1.884

2.053

2.039

1.819

2.177

2.088

1.950

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2012

Toelichting

Op alle luchthavens is in 2012 sprake van een duidelijke afname die ligt tussen 1,5 tot 7%. Schiphol zit met ca. 3% in de middenmoot.

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd 2010

Gerealiseerd 2011

Gerealiseerd 2012

Streefwaarde 2020

Gerealiseerd aantal vliegtuigbewegingen t.o.v. plafond 510.000

390.000

386.000

420.000

423.000

510.000

 

76%

76%

82%

83%

100%

Bron streefwaarde: Luchtvaartnota, april 2009

Bron realisatie:Jaarcijfers Schipholgroep, januari 2013

Toelichting

In het convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol» (Kamerstukken II, 2008/09, 29 665, nr. 115)36 is tussen Schiphol en het Rijk overeengekomen dat op het moment dat 95 % van het plafond van 510.000 vliegtuigbewegingen op Schiphol gerealiseerd wordt de afspraken uit het convenant in werking treden. Het Rijk is verantwoordelijk voor het creëren van capaciteit op de luchthavens Eindhoven en Lelystad. De partijen aan de Alderstafel zijn in december 2012 tot de conclusie gekomen dat de oorspronkelijke afspraken over de invoering van CDA’s niet integraal kunnen worden uitgevoerd. Daarom is besloten een alternatief pakket aan hinderbeperkende maatregelen op te stellen, waaronder een versnelde uitvoering van de selectiviteitsmaatregelen: zo is de intentie om al bij 90% in plaats van bij 95% van de 510.000 vliegtuigbewegingen de (extra) regionale luchthavencapaciteit te kunnen inzetten ter ontlasting van Schiphol.

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd 2010

Gerealiseerd 2011

Gerealiseerd 2012

Streefwaarde 2015

Streefwaarde 2020

Luchthavencapaciteit Eindhoven

0

0

0

0

10 000

25 000

Luchthavencapaciteit Lelystad

0

0

0

0

25 000

45 000

Bron streefwaarde: kabinetsstandpunten bij Aldersadviezen Lelystad en Eindhoven

Bron realisatie: Luchthavenverkeersbesluiten Lelystad en Eindhoven

Toelichting

Op basis van het Aldersadvies Eindhoven heeft het kabinet in 2010 besloten tot uitvoering van de afspraken over het accommoderen op Eindhoven van 25.000 van de extra vliegtuigbewegingen.

In 2012 heeft de Alderstafel Lelystad haar advies uitgebracht. Het kabinet heeft besloten tot uitvoering van het advies waarbij de gecontroleerde ontwikkeling van Lelystad Airport in twee tranches centraal staat. Gestart wordt met een eerste tranche naar 25.000 vliegtuigbewegingen. De tweede tranche naar 45.000 vliegtuigbewegingen kan pas worden gebruikt na evaluatie van de effecten op de uitvoering van de businesscase, de invulling van de werkgelegenheidsambitie, de effecten op de duurzame landbouw en het vermijden van geluidhinder en de verstoring van natuur.

Regelgeving regionale en kleine luchthavens
Indicator: Stand van zaken aanwijzingen en beroepsprocedures regionale en kleine luchthavens (huidige wetgeving)

Veld

Stand van zaken/planning aanwijzing gereed

Beslissing Op Bezwaar

Beroep/RvS

Lelystad

2009

nvt

2011

Budel

Gereed

nvt

 

Ameland

Gereed

nvt

 

Hoogeveen

Gereed

nvt

 

Texel

Gereed

nvt

 

Terlet

Gereed

nvt

 

Seppe

Gereed

nvt

 

Noord-Oost polder

Gesloten

nvt

 

Teuge

Gereed

2009

2011

Maastricht

Gereed

2011

2012

Midden-Zeeland

Gereed

nvt

 

Eelde

Gereed

2010

2012

Rotterdam

2010

nvt

2011

Hilversum

Gereed

nvt

 

Drachten

Gereed

nvt

RvS = uitspraak Raad van State

Nvt = niet van toepassing; procedure is afgerond

Evt = mogelijk van toepassing; er is nog steeds mogelijkheid van beroep

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, januari 2013

Toelichting

Voor alle regionale luchthavens zijn in het verleden onder het regime van de (oude) Luchtvaartwet aanwijzingsbesluiten vastgesteld. In 2012 heeft de Raad van State in de beroepsprocedure ten aanzien van Groningen Airport Eelde beslist dat de baanverlenging is geoorloofd; daarmee is het aanwijzingsbesluit van Groningen Airport Eelde met een verlengde landingsbaan onherroepelijk geworden. In 2012 heeft de Raad van State uitspraak gedaan dat de beroepen tegen de beslissing op bezwaar inzake het aanwijzingsbesluit van de luchthaven Maastricht niet-ontvankelijk cq ongegrond zijn. Met deze uitspraak is het aanwijzingsbesluit van de luchthaven Maastricht, zoals gewijzigd met de beslissing op bezwaar van 27 oktober 2011, onherroepelijk geworden.

Indicator: Stand van zaken omzettings- en luchthavenbesluiten

Veld

Gereed

 

Luchthavenbesluit

Omzettingsbesluit

Midden-Zeeland

 

2012

Hoogeveen

 

2011

Teuge

 

2011

Seppe

 

2011

Budel

 

2011

Drachten

 

2011

Ameland

 

2011

Stadskanaal

 

2012

Terlet

 

2011

Hilversum

 

2012

Texel

 

2012

Maastricht

voor 2015

2013

Lelystad

voor 2015

2014

Rotterdam

voor 2015

2013

Groningen-Eelde

voor 2015

2012

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2013

Toelichting

Voor de burgerluchthavens van regionale betekenis zijn in de loop van 2012 de laatste omzettingsregelingen gerealiseerd. De luchthavenbesluiten of -regelingen voor deze luchthavens worden vervolgens door de provincies vastgesteld.

Voor de luchthavens van nationale betekenis worden met omzettingsbesluiten vooraleerst de bestaande aanwijzingsbesluiten van de burgerluchthavens omgezet naar de systematiek van de Wet Luchtvaart.

Voor de luchthaven Eelde is de omzettingsregeling in 2012 vastgesteld; voor de andere burgerluchthavens van nationale betekenis volgen de omzettingsregelingen in 2013 en 2014.

Kengetal: Gemiddelde vertraging per vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management (in minuten)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Taakstelling vanaf 2000 met herijking voor 2002–2006

2,8

2,44

2,08

1,72

1,4

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Gerealiseerd

3,1

1,8

1,2

1,2

1,3

1,4

1,6

1,9

1,2

2,8

1,1

0,63

Bron: Eurocontrol/CFMU, Performance Review Report 2013

(www.eurocontrol.int/prc/public/standard_page/doc_prr.html )

Toelichting

Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim. Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning en human resource management en geeft een beeld van de efficiëntie van het luchthavenbestel.

Indicator: Stand van zaken experimenten

Omschrijving experiment

Start

Besluit obv evaluatie

Bochtstraal Hoofddorp/Nieuw Vennep

2010

2011

Uitbreiden CDA's

2013

2014

Alternatief M17

2011

2012

Nieuw normen en handhavingsstelsel

2010

2013

Overige routemaatregelen

vanaf eind 2011

 

Bron: voor start: Staatscourant; voor besluiten: brieven aan de Tweede Kamer

Toelichting

De geplande experimenten komen voort uit de Aldersafspraken middellange termijn. IenM is verantwoordelijk voor de formele procedure (Artikel 8.23a Wet Luchtvaart). Voorwaarde hierbij is dat de Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol (CROS) bij advies heeft aangegeven dat het experiment een gunstig effect kan hebben op de hinderbeleving.

De partijen aan de Alderstafel zijn in december 2012 tot de conclusie gekomen dat de oorspronkelijke afspraken  over de invoering van Continuous Descent Approaches (CDA’s) niet integraal kunnen worden uitgevoerd. Aanvullende afspraken zijn gemaakt, onder andere om te starten met CDA’s vanaf 22.30 uur, tenzij de capaciteit dat niet toe laat.

Over maatregel 17, die voorziet in het verlengen van de nachtprocedure tot 06.30 uur in de ochtend, is afgesproken deze te continueren zolang het verkeersvolume dit toelaat.

De eindevaluatie van het experiment met het nieuwe normen -en handhavingsstelsel wordt in het voorjaar van 2013 verwacht. Daarna volgt de kabinetsreactie.

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

London Heathrow (LHR)

1

 

1

Parijs (Cdg)

2

 

2

Frankfurt (FRA)

3

 

3

Gatwick

6

 

6

Schiphol

7

< LHR, FRA, CDG

8

Zürich

4

 

4

München

5

 

5

Brussel

8

 

9

Madrid

9

 

7

Bron: SEO, Benchmark Luchthavengelden en Overheidsheffingen 2012

Toelichting

De benchmark 2012 laat zien dat Schiphol medio 2012 goedkoper is dan zeven andere Europese luchthavens, waaronder de grootste concurrenten Londen Heathrow, Parijs Charles de Gaulle en Frankfurt.

Kengetal: Aantal aangekochte en aan te kopen woningen in de geluidsloopzones Schiphol
 

Tot en met 2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Realisatie 2012

Streef- waarde 2012 ev

Totaal

>65 Ke

5

0

1

1

3

2

0

0

5

12

55 – 65 Ke

24

2

0

0

0

0

0

0

0

26

Totaal

29

2

1

1

3

2

0

0

5

38

Bron: Rijkswaterstaat, Voortgangsrapportage GIS nr. 16

Toelichting

De 16e voortgangsrapportage van het project Geluidsisolatie Schiphol is op 12 oktober 2012 aan de Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2011/2012, 26 959, nr. 139 37). De werkzaamheden voor fase 3 van het project zijn grotendeels afgerond.

Kengetal: De grenswaarde voor de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen in gram per ton Maximum take off weght (MTOW)
               

realisatie

grenswaarden

Stof

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2005 – 2009

vanaf 2010

CO

59,3

56,6

55,1

54,1

53,4

54,1

54,3

 

58,1

55,0

NOx

66,3

66,8

67,4

67,1

67,6

69,7

68,1

 

74,6

74,6

VOS

10,1

9,0

8,6

8,2

7,9

8,0

7,6

 

9,9

8,4

SO2

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

1,9

 

2,1

2,1

PM10

2,2

2,2

2,3

2,3

2,3

2,4

2,2

 

2,5

2,5

Bron: Luchthaven Schiphol.

De cijfers over 2012 zijn ten tijde van het opstellen van het jaarverslag nog niet bekend.

Kengetal: Geluidbelasting rond Schiphol

Periode

TVG

Gedurende het gehele etmaal

63,46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

54,44 dB(A)

Bron: Luchthavenverkeersbesluit 2004

05.02 Maritiem

Artikelonderdeel

Doelbereiking

De belangrijkste prestaties in 2012 zijn geweest:

Verbeteren veiligheid zeevaart

  • Er is een start gemaakt met de implementatie van het herziene Internationale Maritieme Organisatie / Standards of Training, Certification and Watchkeeping for Seafarers verdrag (IMO/STCW) over opleiding, certificering en wachtlopen) in de nationale wetgeving.

  • In overleg met sociale partners is besloten een goedkeuringswet van het IMO-verdrag inzake opleiding, certificering en wachtlopen in de visserij, het zogenaamde STCW-F 1995, aan de Staten-Generaal voor te leggen.

  • Nederland heeft een bijdrage geleverd aan de herziening van diverse EU-richtlijnen betreffende passagiersschepen (waaronder historische zeilschepen en personentenders voor de in aanbouw zijnde windparken in de Noordzee), met name in het Committee on Safe Seas. De onderhandelingen hierover zijn nog niet afgerond.

  • In Nederland zijn de knelpunten in huidige wet- en regelgeving met betrekking tot (de commerciële exploitatie van) schepen voor het vervoer van technici naar windmolenparken in de Noordzee onderzocht.

  • De veiligheidsrisico’s voor de scheepvaart op de Noordzee zijn in samenwerking met de sector geanalyseerd.

Verbeteren veiligheid zeehavens

  • Met behulp van het innovatieplan 2010–2020 hebben de Rijkshavenmeesters en het loodswezen gewerkt aan diverse innovaties in de veiligheidsketen. Er is een nieuwe loodsgeldtariefstructuur ontwikkeld, waarmee een eind komt om de omstreden afbouw van de kruisfinanciering. Deze tariefstructuur wordt per 1 januari 2014 ingevoerd.

Verbeteren veiligheid binnenwateren

  • Op het gebied van veiligheid op de binnenwateren is een constructieve dialoog gestart met de binnenvaartsector over vergroting van het veiligheidsbewustzijn. De risico top 5 heeft nadrukkelijk aandacht gekregen bij de handhavingsactiviteiten van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).

  • In het kader van de terugdringing van regeldruk is op Nederlands initiatief in de Centrale Rijnvaartcommissie afgesproken om nieuwe regelgeving en beleid expliciet te toetsen op nut en noodzaak alsmede kosten en baten en administratieve lasten voor het bedrijfsleven.

  • Op basis van het CEVNI-verdrag (Code européen des voies de navigation intérieure – Europese Code voor de Binnenvaart) wordt voortvarend gewerkt aan de totstandkoming van een uniform verkeersreglement voor alle Nederlandse binnenwateren.

  • Met de in internationaal verband lopende discussie rondom de invoering van River Information Services (RIS) wordt goede voortgang geboekt. Er wordt toegewerkt naar de verplichtstelling van zogenoemde inland Automatic Identification Systems (inland AIS) voor binnenschepen ter bevordering van de veiligheid op het water.

IMO (HGIS)

  • Nederland heeft deelgenomen aan vergaderingen van de IMO. De uitgaven (jaarlijkse contributie) worden via de Homogene Groep Internationale Samenwerking gefinancierd. Gezien de grote belangen voor Nederland als kuststaat, grote havenstaat en middelgrote vlaggenstaat, heeft Nederland zich in nauwe samenwerking met vertegenwoordigers uit de sector in de IMO actief ingezet om internationale regelgeving voor de zeevaart te beïnvloeden.

Beveiliging scheepvaart en zeehavens

  • In 2012 is de European Program for Critical Infrastructure Protection (EPCIP) road map opgesteld.

  • Nationaal (interdepartementaal en Plaform Piraterij) en internationaal (EU, IMO,Regional Cooperation Agreement on Combatting Piracy and Armed Robbery against ships in Asia (ReCAAP)) is ingezet op piraterijbestrijding.

  • De Focal Point functie in het kader van de Europese Verordening inzake beveiliging van zeeschepen en havens en de Richtlijn voor brede havenbeveiliging is ook in 2012 vervuld. Meer in het bijzonder is een uitgebreide EU security inspectie in Nederland voorbereid en gefaciliteerd.

Vaarweginfrastructuur

  • In 2012 zijn de onderhoudsbudgetten structureel verhoogd en zijn de vaarwegen onderhouden conform de afspraken over efficiency en versobering.

  • Via het Impulsprogramma beheer en onderhoud en het programma Nota Mobiliteit38 (NoMo)/Achterstallig Onderhoud Vaarwegen is voortvarend gewerkt aan het wegwerken van het achterstallig onderhoud.

  • Voor meer specifieke informatie over onderhoud en aanleg wordt verwezen naar artikel 15 van het Infrafonds.

  • Via de Quick Win regeling Binnenhavens is de ontwikkeling van binnenhavens door decentrale overheden ondersteund. In 2012 zijn er 3 projecten beschikt. Sinds 2009 zijn er nu 69 projecten beschikt voor een totaalbedrag van € 87 miljoen. In 2012 zijn er 9 projecten opgeleverd (waaronder de projecten in Bergen op Zoom, Veghel, Venlo, Leeuwarden, Groningen en Utrecht) waardoor het totaal aan opgeleverde projecten 27 is.

  • Naast de lopende twee tranches is begin 2012 de 3e tranche voor quick winprojecten in binnenhavens van start gegaan. In september 2012 is voor 4 projecten een rijksbijdrage toegekend: in Venray (€ 4 miljoen), Oss (€ 4 miljoen), Tiel (€ 0,7 miljoen) en Bergen op Zoom (€ 1,3 miljoen).

Verbetering marktwerking

  • In 2012 zijn het ministerie van IenM samen met de ministeries van Financiën (douane) en Economische Zaken intensief betrokken geweest bij het stroomlijnen van het logistieke proces in de zeehavens, gebundeld in het programma Single Window Handel en Transport.

  • Eind 2011 is een pakket voorstellen van de Europese Commissie verschenen, dat onder andere een voorstel voor een EU Richtlijn inzake de toekenning van concessies omvat. Overleg met de Nederlandse havensector heeft ertoe bijgedragen dat in de tekst van de Concessierichtlijn de uitgifte van haventerreinen expliciet van de richtlijn is uitgesloten. De Europese Ministerraad besluit hierover in het voorjaar van 2013.

  • In 2012 heeft een consultatieronde en een conferentie met alle actoren uit de havenwereld plaatsgevonden ten behoeve van het in 2013 uit te brengen Havenpakket, dat de Europese Commissie heeft aangekondigd in het vigerende Witboek Transport.

  • In verband met het beëindigen van de Nationale Havenraad (NHR) per 1 januari 2012 zijn publieke taken van de NHR belegd binnen het departement. De havenmonitor 2010, het jaarlijkse onderzoek naar de economische betekenis van de Nederlandse zeehavens, is in 2012 uitgevoerd.

Instandhouden en verbeteren infracapaciteit

  • Het Project Mainport Rotterdam (PMR) ligt op koers. In juli 2012 is de zeewering rond Maasvlakte 2 gesloten. In november is Maasvlakte 2 bereikbaar geworden voor schepen. De aanlegfase van de natuurcompensatie is afgerond en de natuurlijke ontwikkeling ervan wordt gemonitord. In mei 2012 heeft de opening plaatsgevonden van een deel van de Schiezone (50 ha van extra 750 ha recreatie- en natuurgebied). Door de uitspraken van de Raad van State eind juni en half juli 2012 is er voor het Buijtenland van Rhoon planologische duidelijkheid ontstaan. Eind december 2012 heeft de Raad van State een tussenuitspraak gedaan inzake de beroepsprocedures rondom het bestemmingsplan Vlinderstrik.

  • Voor de verruiming van de vaargeul van de Eemshaven naar de Noordzee wordt een milieueffectrapportage en een ontwerp tracébesluit opgesteld.

  • De 1e fase van de planstudie Zeetoegang IJmond is met een technisch en financieel haalbaar voorkeursbesluit juni 2012 afgerond. Fase twee van de planstudie, de planuitwerking, is direct na het voorkeursbesluit opgestart. Er wordt ingezet op mogelijke innovatieve financiering door middel van projectobligaties.

  • Op 19 maart 2012 zijn Nederland en Vlaanderen tot een akkoord gekomen over de bouw van een nieuwe zeesluis bij Terneuzen. Vervolgens is een Nederlands-Vlaams projectteam ingesteld en is de planuitwerkingsfase gestart. Tevens wordt gewerkt aan een verdrag om de samenwerking te formaliseren.

Logistieke efficiëntie zee- en kustvaart

  • De subsidiëring van de Stichting Nederland Maritiem Land (NML) heeft plaatsgevonden.

  • De kennismakingsstages aan boord van koopvaardij- en baggerschepen ter bevordering van de aanwas in het nautische onderwijs zijn ondersteund en uitgevoerd.

  • De implementatie van het International Labour Organisation (ILO) Maritiem Arbeidsverdrag Maritime Labour Convention ((MLC) 2006) is afgerond. Na de aanpassing van de Wet zeevarenden is ook de lagere regelgeving aangepast. Er is een start gemaakt met de MLC certificering.

  • Er is vooruitgang geboekt bij de voorbereiding van wetsvoorstellen ter goedkeuring en invoering van het Nairobi Internationaal Verdrag inzake het opruimen van wrakken. De EU en enkele van de EU lidstaten, waaronder Nederland, zijn partij geworden bij het 2002 Verdrag van Athene inzake zeevervoer van passagiers en hun bagage.

  • Het pilot project Shore Support (verhogen efficiency bemanningen) heeft een structureel vervolg gekregen en de beperking tot maximaal 25 reders is opgeheven.

Logistieke efficiëntie binnenvaart

  • Het Transitiecomité Binnenvaart heeft in 2012 verder gewerkt aan onder andere de integratie van de bestaande binnenvaartorganisaties tot één ketenbrede organisatie.

  • Ook is verder gewerkt aan uitvoering van de aanbevelingen uit het rapport van de binnenvaartambassadeur. Onder andere is een studie afgerond naar markttransparantie, is door de sector gewerkt aan voorstellen voor vergroening van de binnenvaart en is voortgang geboekt ten aanzien van ketenoptimalisatie in de containerbinnenvaart.

  • IenM heeft samen met de sector de praktijkexamens schipper en matroos geïntroduceerd, waardoor zij-instromers sneller aan de vereiste kwalificaties kunnen komen.

Duurzame zeevaart

  • Het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen is gewijzigd op grond van het nieuwe hoofdstuk 4 van Bijlage VI van het International Convention for the Prevention of Pollution from Ships (MARPOL)-verdrag, inzake CO2 reductie. De door Nederland gesteunde wens dat er bij voorkeur in IMO maatregelen worden genomen om de uitstoot van broeikasgassen (in het bijzonder CO2) te verminderen, is door de Europese Commissie aanvaard. Nederland heeft actief bijgedragen aan de discussie in IMO en het voorbereidende overleg in Brussel.

  • Er zijn afspraken met de Noordzeelanden gemaakt over uniforme implementatie en handhaving van het Ballastwaterverdrag in het Noordzeegebied.

  • De laatste twee van zes internationale richtlijnen behorend bij het Hong Kong Sloopverdrag zijn afgerond, te weten de «Guidelines for survey and certification» en de «Guidelines for inspection of ships».

  • In IMO is met succes geijverd voor een verbod op het uitvoeren van productieprocessen op zee, zodat de problemen (zoals de Probo Koala) bij de bron worden aangepakt.

Duurzame zeehavens

  • Van de 9 projecten, die in het kader van het subsidieprogramma Zeehaven Innovatieproject voor Duurzame Zeehavens een subsidiebeschikking hebben ontvangen, lopen er nog 7 door in 2013. Ten behoeve van de aankomende herziening van de Europese richtlijn havenontvangstvoorzieningen is richting Europese Commissie en tijdens bilaterale overleggen aangegeven dat Nederland voorstander is van aanscherping van deze richtlijn en van meer geharmoniseerde handhavings- en financieringssytemen.

  • Mede door subsidie van het ministerie van IenM heeft Stena Line een walstroominstallatie voor zeeschepen in gebruik genomen aan de kade van de terminal in Hoek van Holland.

Duurzame binnenvaart

  • Eind 2012 is op basis van een internationale vrijstelling het eerste (Nederlandse) binnenvaartschip op LNG gaan varen.

  • In 2012 is zowel nationaal als internationaal extra aandacht besteed aan de handhaving van deel B (verzameling, afgifte en inname van ladinggebonden afval) van het Scheepsafvalstoffenverdrag. Voor de inzameling van onder andere huisvuil, klein gevaarlijk afval (KGA) en overig afval zijn internationale afspraken omtrent de inzameling en financiering afgerond. Per 1 januari 2012 is het lozingsverbod in werking getreden voor het huishoudelijk afvalwater voor hotel- en passagiersschepen uitgerust voor meer dan 50 personen.

Meetbare gegevens

Kengetal: Aantal scheepvaartongevallen (inclusief vissersvaartuigen en recreatievaart) op het Nederlandse deel van de Noordzee (Nederlandse en buitenlandse vlag)
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Streef- waarde 2012

Zeer ernstige scheepvaartonge- vallen

1

1

0

0

1

1

0

 

Ernstige scheepvaartongevallen

4

2

6

3

7

9

   

Totaal

5

3

6

3

8

10

4

Een jaarlijkse vermindering

Bron: SOS database RWS-DVS, 2012

De gegevens over 2012 waren nog niet bekend toen dit jaarverslag bij Sdu Uitgevers werd aangeleverd.

Kengetal: Aantal doden en gewonden als gevolg van scheepsongevallen wereldwijd met in Nederland geregistreerde schepen onder Nederlandse vlag (inclusief vissersvaartuigen en exclusief de slachtoffers van persoonsgebonden (ARBO) ongevallen)
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Aantal doden

3

4

10

0

0

8

1

Aantal gewonden

8

1

8

1

8

14

7

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2012

Indicator: Aantal significante ongevallen1 met schepen op de Nederlandse binnenwateren (ook onder niet Nederlandse vlag) en aantal doden en gewonden
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Streefwaarde 2015

Aantal significante scheepsonge- vallen

96

123

150

127

121

164

159

115

Bron: Rijkswaterstaat, 2012

De gegevens over 2012 waren nog niet bekend toen dit jaarverslag bij Sdu Uitgevers werd aangeleverd.

[Onderstaand kengetal afkomstig uit voormalig artikel 33.02] – BINNENVAART

X Noot
1

Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de veiligheid op de Nederlandse binnenwateren wordt gebruikt gemaakt van het begrip «significant scheepsongeval». Hieronder worden ongevallen verstaan met grote (im)materiële of milieuschade.

Kengetal: Aantal doden en gewonden op schepen op de Nederlandse binnenwateren (ook onder niet Nederlandse vlag)
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Aantal doden

7

3

4

4

4

4

8

Aantal gewonden

49

54

30

51

56

45

63

Bron: Rijkswaterstaat, 2012

De gegevens over 2012 waren nog niet bekend toen dit jaarverslag bij Sdu Uitgevers werd aangeleverd.

Kengetal: Veiligheidsniveau bij sluizen en bruggen
 

2008

2009

2010

2011

Aantal significante scheepsongevallen bij bruggen

4

8

14

19

Aantal significante scheepsongevallen bij sluizen

14

7

18

9

Bron: Rijkswaterstaat, 2012

De gegevens over 2012 waren nog niet bekend toen dit jaarverslag bij Sdu Uitgevers werd aangeleverd.

Kengetal: Naleving door Nederlandse reders
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Percentages aanhoudingen/inspecties

2,75%

2,90%

1,76%

1,99%

1,24%

1,06%

1,83%

Positie Nederlandse vloot op internationale ranglijst

7

16

8

12

9

5

4

Bron: Jaarverslagen Paris Memorandum of Understanding; 2011

De gegevens over 2012 waren nog niet bekend toen dit jaarverslag bij Sdu Uitgevers werd aangeleverd.

Indicator: Gehercertificeerde beveiligingsplannen voor de totale haven
 

Basiswaarde 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2012

Aantal gehercertificeerde beveiligingsplannen voor de totale haven

17

0

0

0

0

17

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012

De gegevens over 2012 waren nog niet bekend toen dit jaarverslag bij Sdu Uitgevers werd aangeleverd.

Indicator: Gehercertificeerde beveiligingsplannen voor schepen & havenfaciliteiten
 

Basiswaarde 2004

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2014

Aantal gehercertificeerde beveiligingsplannen schepen

700

0

700

0

175

700

Aantal gehercertificeerde beveiligingsplannen havenfaciliteiten

350

10

3501

0

75

350

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012

De gegevens over 2012 waren nog niet bekend toen dit jaarverslag bij Sdu Uitgevers werd aangeleverd.

X Noot
1

cumulatief

Indicator: Passeertijd sluizen1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2011

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2012

Hoofdtransportas

63%

75%

68%

85%

67%

68%

85%

Hoofdvaarweg

84%

85%

81%

70%

79%

78%

75%

Overige vaarweg

92%

90%

88%

70%

92%

93%

70%

Bron: RWS/DVS, 2012

De gerealiseerde passeertijden op de Hoofdtransportassen (HTA) voldoen in 2012 niet aan de streefwaarden (68% i.p.v. 85%). Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door capaciteitsproblemen op de Zeeuwse achterlandverbindingen. Voor de sluizen op die corridor lopen dan ook MIRT-studies, gericht op het verbeteren van de toekomstige capaciteit. De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren overall gezien wel ruim voldoende.

X Noot
1

De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. Elk type vaartuig correspondeert met een te realiseren percentage passages. Dit normpercentage biedt inzicht in het percentage schepen dat is gepasseerd binnen de normtijd.

Kengetal: Ontwikkeling toegevoegde waarde Nederlandse zeehavens van 2003–2010 (in € miljard, lopende prijzen)
 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Directe toegevoegde waarde zeehavengebieden

18,2

19,8

22,4

23,1

24,9

26,5

20,5

21,8

In % van het BBP

3,8%

4,0%

4,4%

4,3%

4,4%

4,5%

3,6%

3,7%

Indirecte toegevoede waarde

9,6

9,8

10,6

11,7

13,0

13,8

11,9

13,3

In % van het BBP

2,0%

2,0%

2,1%

2,2%

2,3%

2,3%

2,1%

2,3%

Totale zeehavengerelateerde toegevoegde waarde

27,8

29,6

33,0

34,8

37,9

40,4

32,4

35,1

In % van het BBP

5,8%

6,0%

6,4%

6,4%

6,6%

6,8%

5,7%

6,0%

Bruto binnenlands product (BBP)

476,9

491,2

513,4

540,2

571,8

594,5

571,1

588,4

Bron: Erasmus universiteit Rotterdam (RHV BV), Havenmonitor 2010, Economische betekenis van de Nederlandse zeehavens, Rotterdam, mei 2012

De gegevens over 2012 waren nog niet bekend toen dit jaarverslag bij Sdu Uitgevers werd aangeleverd.

Kengetal: Ontwikkeling werkgelegenheid Nederlandse zeehavengebieden van 2003–2010 (in aantallen werkzame personen)
 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Directe werkgelegenheid zeehavengebieden

162.709

158.559

161.236

164.429

169.115

171.492

164.377

162.023

In % van totale Nederlandse werkgelegenheid

2,0%

1,9%

2,0%

2,0%

2,0%

2,0%

1,9%

1,9%

Indirecte werkgelegenheid