Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-2018nr. 57, item 31

31 Strafrechtelijke onderwerpen

Aan de orde is het VAO Strafrechtelijke onderwerpen (AO d.d. 08/02).

De voorzitter:

Aan de orde is het VAO Strafrechtelijke onderwerpen. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid van harte welkom. Ik geef de heer Van Oosten namens de VVD het woord.

De heer Van Oosten (VVD):

Voorzitter, dank u wel. We hebben een paar weken terug een algemeen overleg gehad over het strafrecht. Dat was volgens mij een goed verlopen algemeen overleg, maar er zijn twee thema's die bij mij toch het gevoelen opriepen van "goh, die zouden nog net wat meer aandacht mogen hebben dan ze in het algemeen overleg kregen". Daarom heb ik het voornemen om een tweetal moties in te dienen. De eerste motie ziet op het voorkomen dat zaken puur omwille van hun ouderdom niet meer zouden worden vervolgd. De tweede kwestie betreft het zogenaamde "lik-op-stukbeleid" in het kader van supersnelrecht. Ik lees de moties voor.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het rapport "Beproefd verzet" van de procureur-generaal bij de Hoge Raad staat dat veel zaken worden geseponeerd wegens ouderdom van de feiten;

constaterende dat de ouderdom van de zaak ook een effect kan hebben op de straftoemeting;

spreekt uit het uitermate onwenselijk te vinden als daders hierdoor hun straf ontlopen dan wel minder zwaar gestraft worden;

roept de regering op actie te ondernemen zodanig dat seponering of lagere straftoemeting puur wegens ouderdom van de zaak wordt voorkomen door aan te sturen op tijdige voortzetting van strafprocedures;

roept de regering tevens op de Kamer nog dit jaar te informeren welke stappen in dit kader zijn gezet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oosten, Groothuizen en Van Toorenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 409 (29279).

De heer Van Oosten (VVD):

Ik eindig, voorzitter, met de tweede en tevens laatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat supersnelrecht een goed instrument is om gesnapte criminelen zo snel mogelijk te berechten;

overwegende dat een snelle berechting — en mogelijk veroordeling - bijdraagt aan het veiliger maken van buurten doordat de crimineel zijn misdaden niet kan voortzetten;

overwegende dat voortvarend lik-op-stukbeleid kan bijdragen aan het rechtsvertrouwen;

roept de regering op het gebruik van supersnelrecht standaard onderdeel te laten zijn van de rechtshandhaving bij alle arrondissementsparketten en daartoe maatregelen te treffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Oosten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 410 (29279).

De heer Groothuizen (D66):

Ik begrijp de oproep van de heer Van Oosten zo dat hij zegt: waar het snel kan, moeten we dat vooral doen. Dat ben ik helemaal met hem eens. Moet ik hem zo begrijpen dat hij dan ook zegt: ik wil dat dit een onderdeel is voor de zaken die zich daarvoor lenen, in de volle breedte, dus waarbij het bewijs compleet is, het slachtoffer in positie is gebracht en alles gereed is? Het is dus niet zo dat dit een streven an sich wordt.

De heer Van Oosten (VVD):

Nee, maar neem het voorbeeld dat ik aandroeg bij het algemeen overleg. Wanneer een buurt een whatsappgroepje heeft gemaakt om de buurt veilig te houden in het kader van preventie, men met elkaar ziet dat zaken fout gaan en men bijvoorbeeld een inbreker op heterdaad snapt, dan vraag ik mij af wat voor juridische vraagstukken er nog zouden kunnen zijn. Ik zou graag zien dat zo'n zaak supersnel voor de rechter kan worden gebracht, zodat de buurt ook ziet dat zoiets niet onbestraft blijft.

De heer Groothuizen (D66):

Eens. Waar dat kan, moeten we het vooral doen. Vaak ligt het probleem volgens mij bij het slachtoffer, bijvoorbeeld omdat een vordering benadeelde partij er nog niet is of een psychologische rapportage moet worden opgemaakt. Als de heer Van Oosten zegt daar rekening mee te houden, dan kan ik hem daarin volgen.

De heer Van Oosten (VVD):

Vanzelf.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Nispen namens de SP.

De heer Van Nispen (SP):

Dank u wel. Zojuist heeft mijn collega van de VVD een motie ingediend die tot doel heeft om tegen te gaan dat er strafkorting kan worden opgelegd bij lange doorlooptijden. Die motie heeft onze sympathie. Ik had een soortgelijke motie voorbereid, die er erg veel op leek en ik dus niet in hoef te dienen. De SP vindt wel dat bij het bekijken van de oorzaken van lange doorlooptijden nadrukkelijk naar de capaciteit in de strafrechtketen gekeken moet worden. Dat staat niet in de motie. Als de minister straks de motie van commentaar voorziet, is mijn vraag of ook wordt gekeken naar de capaciteit. Want volgens mij is de capaciteit in de strafrechtketen wel degelijk een heel groot probleem.

Het is eigenlijk algemeen bekend dat er tekorten zijn bij de politie. Zie bijvoorbeeld de noodkreet van de recherche. Dat is niet alleen een inzicht van de recherche zelf of van de SP. Het leeft ook bij gemeenten, politieagenten, de politietop en het Openbaar Ministerie. Maar tot onze vreugde ook bij de CDA-leider, die wij op televisie in Buitenhof daarover goede dingen hoorden zeggen, namelijk dat ook het CDA nu vindt dat er extra geld moet komen voor veiligheid. Bovenop de verzachting van de bezuinigingen die in het regeerakkoord zit, komt er nu dus ook extra geld bij Voorjaarsnota. Maar omdat wij besluiten nemen in de Kamer en niet op televisie, dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door politie, justitie en gemeenten aandacht is gevraagd voor het belang van extra capaciteit bij de politie;

verzoekt de regering met een voorstel te komen om in de Voorjaarsnota extra geld uit te trekken voor veiligheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Kuiken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 411 (29279).

De heer Van Nispen (SP):

En ik reken natuurlijk op de hartelijke steun van alle partijen die ook vinden dat het belangrijk is om extra te investeren in veiligheid, het CDA natuurlijk voorop.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Markuszower namens de PVV.

De heer Markuszower (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Tijdens het algemeen overleg op 8 februari jongstleden is er onder andere gesproken over de levenslange gevangenisstraf. De PVV vindt dat de regering niet moet dansen naar de pijpen van het EHRM. Waarom niet? Omdat levenslang gestraften per definitie de meest brute en gevaarlijke moordenaars zijn, die helemaal geen perspectief op vrijlating moeten hebben. Daarom wil ik graag de volgende motie indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat alle levenslang gestraften 25 jaar na aanvang van de detentie in aanmerking kunnen komen voor re-integratieactiviteiten, waaronder verlof;

overwegende dat levenslang gestraften de gevaarlijkste criminelen zijn, waar de samenleving maximaal tegen beschermd zou moeten worden;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat levenslang gestraften nooit vrij kunnen komen en dus ook nooit op verlof kunnen gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Markuszower. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 412 (29279).

De heer Markuszower (PVV):

Dan heb ik nog een tweede motie, die ik graag in zou willen dienen. Die luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de bescherming van de samenleving vooropstaat en daarom niet kan worden vertrouwd op veroordeelde criminelen die zichzelf komen melden voor het ondergaan van de aan hen opgelegde straf;

van mening dat verdachten verplicht ter zitting dienen te verschijnen om verantwoording af te leggen aan de samenleving;

verzoekt de regering een verschijningsplicht ter zitting in het Wetboek van Strafvordering op te nemen voor verdachten van gewelds- en zedenmisdrijven;

verzoekt de regering voorts te regelen dat indien de rechter een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf oplegt, deze straf direct ten uitvoer wordt gelegd, zodat veroordeelden direct na een rechterlijke uitspraak naar de gevangenis kunnen worden overgebracht voor het ondergaan van de opgelegde straf,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Markuszower. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 413 (29279).

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik heb een vraag over die motie. Betekent dit dat iemand verplicht moet verschijnen, ook als het slachtoffer daar niet om vraagt of het zelfs niet wenselijk vindt?

De heer Markuszower (PVV):

Dat vind ik een heel goede vraag. Volgens mij heb ik daar in een eerder debat weleens met u over van gedachten gewisseld, als ik het me goed herinner. Mijn motie ziet niet toe op deze nuance, maar ik kan tijdens dit debat mondeling aan de minister meegeven dat mocht deze motie worden aangenomen, de minister die nuance op verzoek van het slachtoffer nog zou kunnen inbouwen. Het gaat immers om gewelds- en zedenmisdrijven. Maar in dit dictum zit die nuance niet. Ik wil de motie nu niet aanpassen, maar ik ga met u mee dat als een slachtoffer daar geen behoefte aan heeft, we dat niet moeten doordrukken. Mocht de motie worden aangenomen — ik hoop met uw steun, dan kan de minister die nuance aanbrengen, dan kan dat alsnog worden aangepast.

De voorzitter:

Dank u wel. Tot slot mevrouw Van Toorenburg namens het CDA.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter. Er gebeurt altijd veel na een AO, zo ook vandaag. We hebben het AO gehad, we hebben belangwekkende dingen gedeeld en wij hebben vanmorgen een petitie in ontvangst genomen van de Dienst Justitiële Inrichtingen en de FNV over echte criminaliteitscijfers, de cijfers van het gevangeniswezen, de WODC-cijfers, de prognosecijfers. Het is een vrij doorwrocht stuk dat maakt dat ik denk: we kunnen wel allerlei moties indienen — ik heb er ook één meeondertekend, allemaal prima — maar de fundamentele vraag is wat we nu eigenlijk aan het doen zijn ten aanzien van de strafrechtketen, de opsporing en de vervolging. Hoe zorgen we ervoor dat mensen die een delict hebben gepleegd, uiteindelijk daadwerkelijk worden berecht? Daar is deze petitie —een manifest bijna — heel erg belangrijk voor.

De heer Van Nispen en ik strijden hier samen al heel veel jaren voor. Ik was eigenlijk niet van plan om die strijd vandaag op te geven. Ik wil deze petitie doorgeleiden naar het kabinet en de minister om een heel doorwrochte reactie vragen. Ik weet dat dat niet nu kan, want hij zal dat met zijn collega op Justitie moeten bespreken. Ik vind het namelijk nogal wat, wat hierin staat. Ik zeg dit vandaag ook vooral, omdat ik weet dat alle ondernemingsraden van DJI hier hun handtekening onder gezet hebben. Behalve de ondernemingsraad van het hoofdkantoor, want dat mocht niet.

Dat is raar, voorzitter. We behandelen dit soort petities normaal gesproken in de procedurevergadering, maar ik wil er vandaag een bepaalde duiding aan geven. Ik doe dat mede namens de heer Van Nispen. Mag ik dit overhandigen aan de bode, aan u voorzitter, met het verzoek aan het kabinet om hier echt een uitvoerige reactie op te geven en alle zienswijzen daarin mee te nemen?

Voorts wil ik een analyse naar aanleiding van de stelling dat we straks uiteindelijk lege gevangenissen hebben, maar dat de criminaliteit niet daalt. De aangiftebereidheid daalt, maar niet de criminaliteit.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Van Nispen heeft een vraag.

De heer Van Nispen (SP):

Ik wil even onderstrepen dat het een zeer terecht punt is van collega van Toorenburg van het CDA. Inderdaad, daar stonden bijna alle ondernemingsraden verenigd met een ferme roep om een onderzoek naar de realiteit, naar de echte criminaliteit. Er moet dus niet alleen worden gekeken naar de mensen die aangifte doen, maar naar de echte criminaliteit. Die oproep steun ik van harte. En complimenten daarvoor.

Ik koppel daar nog wel een korte vraag aan. We hebben de fractievoorzitter van het CDA bij Buitenhof horen zeggen dat er extra geld naar veiligheid moet, ongeacht dit belangrijke onderzoek dat nog moet verschijnen. Ik mag er toch van uitgaan dat het CDA de motie van de SP en de Partij van de Arbeid om precies te doen wat de heer Buma zei, zal steunen?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

De motie zal ik niet steunen. Het gaat er mij om dat we er uiteindelijk geld bij krijgen. Dat doen we bij de Voorjaarsnota. Dat is de weg waarlangs wij het zullen doen. We zitten in een coalitie. Met alle respect, ik denk dat we onderling in de coalitie meer voor elkaar kunnen krijgen dan met een motie van de oppositie. Die weg ga ik dus niet bewandelen. Wij knokken voort, maar niet met een motie van de oppositie.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Ik had toch gehoopt dat goede voorstellen gesteund kunnen worden, en dat het niet zo veel uitmaakt of je nou in de oppositie of in de coalitie zit. Het gaat om een motie die precies zegt wat de heer Buma zei, namelijk om in de Voorjaarsnota extra geld uit te trekken voor veiligheid. Dat is precies wat de fractievoorzitter van het CDA zei. We nemen besluiten in de Kamer, en niet op televisie. Dus wat let nou het CDA, en overigens ook alle andere coalitiepartijen en oppositiepartijen; werkelijk iedereen die vindt dat er extra geld moet naar veiligheid — zoals de heer Buma ook zei bij Buitenhof — om precies deze motie, als die aanstaande dinsdag in stemming wordt gebracht, gewoon te steunen?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

De heer Van Nispen weet heel goed hoe het in de politiek gaat. Een motie is een verzoek aan de Kamer om zich ergens over uit te spreken. Het is eigenlijk een beetje raar om als oppositiepartij, nadat je een coalitiepartij hebt horen zeggen dat ze ergens voor gaat zorgen, als een soort haasje-over een puntje te maken door een motie in te dienen en vervolgens aan de coalitie te vragen die te steunen. Ik snap de verontwaardiging, maar ik denk dat de heer Van Nispen heel goed snapt wat ik zeg. Wij gaan er gewoon voor zorgen dat er geld bij komt. Dat is de opdracht. Dat is ook de noodzaak. Daar heb ik echt geen motie van de oppositie voor nodig.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik was juist blij verrast door de motie van de heer Van Nispen. Hij noemde de heer Buma ook helemaal niet; dat debatje hadden we eerder bij de regeling van werkzaamheden. Hij probeert nu een mogelijkheid te verzilveren door hier samen op te trekken om meer geld vrij te krijgen. Het kan toch niet zo zijn dat alleen omdat de motie van de SP komt, u haar inhoudelijk niet steunt? Dat zou toch raar zijn?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

O, voorzitter, wat is politiek toch een heerlijk spel. Daar hebben wij gewoon geen motie voor nodig. Die is namelijk compleet overbodig, want ze roept de Kamer op om iets te doen wat wij gewoon gaan doen. We kunnen heel lang over een motie van de SP praten, maar dat is gewoon niet het instrument waarmee je dingen voor elkaar kunt krijgen. De grap is dat GroenLinks is afgehaakt bij de coalitieonderhandelingen, terwijl ze dit soort dingen voor elkaar had kunnen krijgen. De SP wilde niet meedoen. Wij zitten in de coalitie. Wij gaan proberen het verschil te maken. Daar heb ik geen motie van de oppositie voor nodig.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Ik vind dit wel kwalijk. U zegt namelijk dat u helemaal niet gaat proberen om in de Kamer de beste meerderheden voor elkaar te krijgen. Ik snap heus wel dat jullie onderling overleggen binnen de coalitie, maar u zegt eigenlijk: "U mag niet meedoen, SP. U mag niet meedoen, GroenLinks. Wij bedisselen het, wij vertellen het u en we gaan er ook geen centimeter meer van afwijken". U zegt dat u helemaal niet meer gaat proberen een inhoudelijk debat te voeren over een motie. "Daar hebben we u helemaal niet bij nodig", zegt u ook nog tegen de oppositie, "dat bedisselen we lekker allemaal zelf in de achterkamers". Ik vind dat eerlijk gezegd echt een affront.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dan weet mevrouw Buitenweg niet hoe het gaat bij de Voorjaarsnota, want ook dat is gewoon een debat dat we met elkaar gaan voeren. Dat gaan we straks dus gewoon doen. Op dit moment hebben we daar geen motie voor nodig. We kennen onze momenten waarop we dit soort dingen regelen. Ik denk dat het goed is dat iedereen onze fractievoorzitter goed heeft gehoord. Dat is de toer die we zullen maken. Wij willen ervoor zorgen dat er bij de Voorjaarsnota extra geld komt om dit soort belangrijke zaken te doen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan kijk ik of de minister behoefte heeft aan een korte schorsing of dat hij direct kan antwoorden. U kunt direct antwoorden? Dat is fijn. Het woord is aan de minister.

Minister Grapperhaus:

Als u het goedvindt, mevrouw de voorzitter, zou ik toch graag meteen tot de beantwoording willen overgaan.

De voorzitter:

Ja.

Minister Grapperhaus:

De laatsten zullen de eersten zijn, zou ik bijna willen zeggen. Ik wilde beginnen met het punt dat mevrouw Van Toorenburg aanvoerde. Laat ik beginnen te zeggen dat ik mede namens mijn collega voor Rechtsbescherming toezeg dat wij zo rond het zomerreces met een reactie zullen komen op het stuk, de petitie. Daarin speelt ook mee dat er in dat stuk een aantal veronderstellingen wordt gedaan rondom onderzoeken die zijn gedaan. U weet dat we nu net onafhankelijke onderzoekscommissies hebben ingesteld om die onderzoeken te toetsen, dus op die manier.

Dat gezegd zijnde wil ik aanhaken bij een ander puntje dat door mevrouw Van Toorenburg en de heer Van Oosten is genoemd. Ik denk dat we in februari met elkaar op constructieve wijze een groot aantal strafrechtelijke onderwerpen bij de kop hebben gepakt. Het uitgangspunt van het kabinet, in ieder geval dat van de bewindslieden op Justitie, is om de strafrechtelijke onderwerpen de komende tijd ook echt op een systematische maar voortvarende wijze op te pakken. Dat is wel een beetje de bodem die ik wil leggen onder de reactie op de moties die zijn ingediend.

Ik begin dan met de motie van de heer Van Oosten op stuk nr. 409 over de doorlooptijden. Ik stel voorop dat een langere doorlooptijd soms niet te voorkomen is, omdat er nader onderzoek nodig is naar een verdachte of naar omstandigheden in een complexe zaak. Die langere doorlooptijd komt overigens lang niet altijd — die suggestie heeft de heer Van Oosten niet gedaan, maar die wordt nog weleens hier en daar gedaan — uit het opsporings- of vervolgingsapparaat. Vaak is de doorlooptijd langer omdat bijvoorbeeld de verdediging meer tijd nodig heeft.

De heer Van Oosten wees terecht op de conclusie van de pg bij de Hoge Raad dat de redelijke termijn in tamelijk eenvoudige zaken vaker dan incidenteel wordt overschreden. Het College van procureurs-generaal en ik vinden dat zeer ongewenst. In de beleidsreactie heb ik duidelijk gemaakt dat die bevinding absoluut aanleiding is om verder te kijken naar nog meer verbeteringen. Overigens heb ik toen ook gezegd: het OM is al met een verbeterprogramma gericht op doorlooptijden gestart. Zo zijn de kwaliteit van de schuldvaststelling en de reproduceerbaarheid daarvan verbeterd, waardoor een zaak na verzet niet volledig opnieuw behoeft te worden beoordeeld. Ik heb toegezegd uw Kamer in de eerste helft van dit jaar te informeren over de voortgang en resultaten van die maatregelen, die er dus al waren. Dan zijn we daar echt goed mee op gang. In het AO hebben we daarnaast nog gesproken over de principiële vraag of zaken wel geseponeerd zouden moeten worden alleen vanwege de ouderdom van het gepleegde feit. Daar is dat ongeschreven rechtsbeginsel dat strafzaken met gepaste spoed worden afgehandeld …

De voorzitter:

En het oordeel is?

Minister Grapperhaus:

Ik wil toch nog even iets zeggen. Het opportuniteitsbeginsel geeft gewoon aan dat je die doorlooptijd nu eenmaal moet meewegen. Als de motie bedoeld is als een oproep om de doorlooptijden verder terug te dringen, zodat het seponeren alleen vanwege de ouderdom van een zaak zo veel mogelijk wordt voorkomen, dan laat ik het oordeel aan de Kamer.

De heer Van Oosten heeft op stuk nr. 410 een motie ingediend over het gebruik van supersnelrecht. Ik wil daar het volgende over zeggen. Uit de beantwoording van de interruptie door de heer Van Oosten begrijp ik enigszins dat hij daarmee beoogt dat overal en meer soorten zaken supersnel zouden moeten worden afgedaan. Dan doelt hij niet op de OM-afdoening die nu in het standaardhandhavingsrepertoire van het Openbaar Ministerie zit. Als het inderdaad de bedoeling is dat overal in het land meer soorten zaken supersnel voor de rechter worden gebracht, dan zou ik de heer Van Oosten willen verzoeken de motie aan te houden, want collega Dekker en ik hebben al toegezegd dat we de Kamer over de pilots met snelle rechterlijke interventies en snelrecht door het OM een evaluatie zullen sturen. Daarbij zullen wij de Kamer ook informeren over de verdere aanpak. Dat komt in juno van dit jaar. Als ik de motie goed begrijp, zou ik dat zo willen voorstellen.

De heer Van Oosten (VVD):

Dan wil ik de motie aanhouden. Ik doe wel het verzoek om bij de evaluatie specifiek mee te nemen de oproep die ik in het dictum heb verwoord — daar gaat het mij namelijk om — dat het supersnelrecht standaard wordt meegenomen en wordt aangeboden bij de rechtshandhaving door de verschillende rechtbanken. Het moet standaard onderdeel gaan uitmaken van het pakket.

Minister Grapperhaus:

Ja, genoteerd.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Oosten stel ik voor zijn motie (29279, nr. 410) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Grapperhaus:

Dan is er een motie op stuk nr. 411 van de heer Van Nispen en mevrouw Kuiken met het verzoek om extra geld uit te trekken voor de veiligheid. Ik ben al bezig met plannen op basis van het regeerakkoord: 267 miljoen extra. Pas op basis van de Voorjaarsnota gaan we de discussie aan over de vraag of er met die inzet al of niet voldoende capaciteit is. In dat kader ontraad ik de motie.

De heer Van Nispen (SP):

De minister zegt: we gaan deze discussie voeren bij de Voorjaarsnota, maar deze motie verzoekt de regering extra geld voor veiligheid uit te trekken mét de Voorjaarsnota, zoals de heer Buma bij Buitenhof zei. Dan is het een vreemde reactie om te zeggen: we gaan die discussie dan pas voeren. Wij vragen de Kamer om nú een uitspraak te doen en de regering met een opdracht op pad te sturen om extra geld uit te trekken met de Voorjaarsnota. Zo werkt het met de begrotingen. En dan kunnen we inderdaad de discussie voeren of het genoeg is waar de regering mee komt.

Minister Grapperhaus:

De heer Van Nispen weet van het extra geld dat nu structureel ter beschikking is gesteld. Hij weet ook dat ik ermee bezig ben om dat geld qua capaciteitsinvulling de komende tijd in te delen. Dat is stap één die moet gebeuren. Als stap twee zullen we rondom de Voorjaarsnota met elkaar moeten gaan praten over de vraag of er in die Voorjaarsnota misschien toch nog meer capaciteit moet komen. Ik blijf die motie ontraden.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van Nispen (SP):

Nou, voorzitter, het is of het een, of het ander. Ofwel de minister zegt: ik ontraad de motie en ga dus eigenlijk niet doen wat Buma bij Buitenhof heeft beloofd. Dan was dat een losse flodder, waarvan de minister zegt: ik heb dat niet nodig, want we houden het zoals het is en er komt geen extra geld bij in de Voorjaarsnota. Of wij voeren nu de discussie en de Kamer zegt in meerderheid: we willen wel extra geld in de Voorjaarsnota voor veiligheid. Het is niet: de motie ontraden en we zien het allemaal wel. Nee, we vragen nú de Kamer om een uitspraak. De minister kan adviseren dat hij de motie niet nodig heeft, maar dan zegt hij: ik ga het niet doen, want ik laat het zoals het is en die 267 miljoen extra, die trouwens tegenover een heleboel bezuinigingen uit de vorige periode staat en daarom bijna wegvalt, is voldoende, dus ik ga niet doen wat Buma zei bij Buitenhof. Dat kan de minister ook zeggen.

Minister Grapperhaus:

Mevrouw de voorzitter, het spijt me, maar ik wijs de heer Van Nispen er toch weer op dat die 267 miljoen wel degelijk door mij bij diverse gelegenheden gekoppeld zijn aan eenheden fte's. Ik heb gezegd nu al 460, omdat ik al 100 miljoen hoe dan ook onvoorwaardelijk heb vrijgemaakt. Daarnaast is het geen losse flodder, integendeel, u heeft mij twee weken geleden ook horen zeggen dat ik de zorgen die zijn geuit over recherchecapaciteit begrijp en dat we ook daarnaar wel degelijk met elkaar aan het kijken zijn. Dus die zorgen zijn wel degelijk terecht, maar de vraag is nu of we een door u ingediende motie moeten gaan opvolgen om, bovenop die 267 miljoen, extra geld voor veiligheid in te zetten. We gaan nu eerst de komende weken verder met het inzetten van die extra capaciteit.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:

Dan had ik de motie-Markuszower op stuk nr. 413 ...

De voorzitter:

Stuk nr. 412.

Minister Grapperhaus:

412, excuus, van de heer Markuszower. Hij wil levenslang gestraften nooit vrij laten komen. Het ingezette beleid is nu juist nodig om de levenslange straf te kunnen blijven houden. Uiteraard wordt iemand niet zomaar in vrijheid gesteld, zeker niet iemand die levenslang gestraft is. Maar ook voor levenslang gestraften moet er op grond van allerlei internationaal verdragsrechtelijke regels en rechten van de mens een mogelijkheid zijn om, nadat een bepaalde zeer lange duur is uitgezeten, in vrijheid te worden gesteld, aan de hand van allemaal zeer strenge voorwaarden en toezicht. Ik ontraad de motie.

Dan kom ik nog op de tweede motie van de heer Markuszower, die op stuk nr. 413 over de verplichte verschijning. Daar wil ik erop wijzen dat mijn collega voor rechtsbescherming al heeft toegezegd om deze zomer met een voorstel in die trant te komen. Ik ontraad dus in dit verband de motie, want dat komt er al aan.

De heer Markuszower (PVV):

Volgens mij kwam de collega van de minister met een verschijningsplicht voor gevangenen die al in het gevang zitten en dan naar de rechter moeten. Deze motie ziet meer op verdachten die nog niet in de gevangenis zitten, maar gewoon vrij rondlopen in bijvoorbeeld Nederland en dan gewoon niet verschijnen op zitting.

Minister Grapperhaus:

Ik herhaal wat ik eerder heb gezegd. Collega Dekker, tot wiens beleidsterrein dit behoort, komt met een wetsvoorstel op dit onderdeel en het lijkt me dus erg dubbel werk om hier nu langs een andere weg ook nog naar te kijken. Ik ontraad dus de betreffende motie.

Ik dacht dat ik hiermee alle moties besproken heb.

De voorzitter:

Dank u wel.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit VAO. Over de ingediende moties zullen we volgende week dinsdag stemmen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.