Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-2018nr. 57, item 30

30 Dierziekten en antibioticabeleid

Aan de orde is het VAO Dierziekten en antibioticabeleid (AO d.d. 15/02).

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Grashoff.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Voorzitter. Ook hier ga ik het kort houden. Ik heb één motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat veehouders bij een uitbraak van dierziekten financiële compensatie krijgen voor hun schade uit het Diergezondheidsfonds (betaald door sector en overheid), maar omwonenden en bezoekers van veehouderijen die ernstig en langdurig ziek zijn geworden geen recht hebben op financiële compensatie;

overwegende dat voor burgers die ernstig ziek worden het vaak lastig te bewijzen is hoe en van welke veehouderij ze ziek zijn geworden, en dat daarom vaak schadevergoedingen uitblijven;

verzoekt de regering naar analogie van het Diergezondheidsfonds een schadefonds in te stellen voor mensen die langdurig en ernstig ziek zijn geworden door de uitbraak van dierziekten, en dit uiterlijk voor 1 januari 2019 aan de Kamer voor te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Grashoff. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 236 (29683).

Dank u wel. Dan de heer Geurts namens het CDA.

De heer Geurts (CDA):

Voorzitter. Ik heb twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de dierlijke sectoren bij een besmettelijke dierziekte-uitbraak te maken zullen hebben met sterke prijsdalingen omdat vlees van gevaccineerde dieren niet meer gewild zal zijn;

overwegende dat als Nederland niet in staat is om haar vaccinatiestrategie "voor het leven" verkocht te krijgen bij andere Europese landen, onze familie- en gezinsbedrijven aan dit voornemen ten onder gaan;

verzoekt de regering in overleg met de dierlijke sectoren mechanismen, bijvoorbeeld het treffen van een fiscale voorziening, te ontwikkelen om financiële afwaardering van producten van gevaccineerde dieren op te vangen, en de Kamer over de voortgang van dit overleg voor de begroting te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Geurts. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 237 (29683).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er maatschappelijke consensus is dat grootschalige doding van dieren bij uitbraken van besmettelijke dierziekten moet worden voorkomen;

overwegende dat producten van gevaccineerde dieren niet geëxporteerd zullen kunnen worden naar derde landen en dat dit tot disbalans op de markt zal leiden, waardoor de veehouder zijn dieren met forse verliezen zal moeten verkopen;

overwegende dat andere Europese landen tot ruiming, met daaraan gekoppelde compensatie, zullen overgaan, waardoor er oneerlijke concurrentie is tussen de lidstaten;

verzoekt de regering te streven naar een uniforme Europese regeling voor vaccinatie bij dierziekte-uitbraken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Geurts. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 238 (29683).

De heer Geurts (CDA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan mevrouw Arissen namens de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Arissen (PvdD):

Voorzitter. Ik heb twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de veehouderij nog altijd het laatsteredmiddelantibioticum voor de humane geneeskunde, namelijk colistine, gebruikt wordt;

constaterende dat uit onderzoek van Schrauwen e.a. (2017) bleek dat 24,8% van het geteste Nederlandse kippenvlees in 2015 positief getest werd op colistineresistentie en de onderzoekers constateerden dat dit zorgwekkend is;

constaterende dat er behalve bij kippen ook colistineresistentie is gevonden bij kalkoenen en kalveren;

constaterende dat het colistinegebruik in de veehouderij in het algemeen met 31% daalde in 2016, maar veranderingen in de kalkoen- en vleeskuikensector minimaal zijn, terwijl daar in 2015 het gebruik tot 700% gestegen is;

constaterende dat in 2016 een nieuwe vorm van colistineresistentie is ontdekt;

constaterende dat ook volgens het expertpanel van de SDa, de Autoriteit Diergeneesmiddelen, het colistinegebruik in de veehouderij verder omlaag moet;

constaterende dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) colistine heeft toegevoegd aan de lijst met kritische, belangrijke antibiotica met de hoogste prioriteit voor de volksgezondheid;

verzoekt de regering het gebruik van colistine in de veehouderij te verbieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Arissen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 239 (29683).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het gebruik van antibiotica in de veehouderij, waaronder colistine wordt gemonitord, maar daarbij niet wordt geregistreerd of het om intensieve bedrijven of biologische en/of extensieve bedrijven gaat;

constaterende dat registratie daarvan waardevol kan zijn voor onderzoek naar verschillen in antibioticagebruik en resistentie tussen intensieve bedrijven en biologische en/of extensieve bedrijven en het zoeken naar manieren om het antibioticagebruik in de veehouderij verder te verlagen;

verzoekt de regering biologische en/of extensieve veehouderijsystemen als

zodanig te laten labelen in databanksystemen ten behoeve van antibioticagebruikregistratie in de veehouderij,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Arissen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 240 (29683).

Mevrouw Arissen (PvdD):

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Futselaar namens de SP.

De heer Futselaar (SP):

Dank u wel, voorzitter. In het AO heb ik een gedachtewisseling gehad met de minister voor Medische Zorg en Sport over voorheen Q-support en de vraag: zou je wel of niet een permanent centrum voor zoönose moeten hebben? Daarop heeft de minister aangegeven dat hij dit bij voorkeur bij het RIVM wil leggen en dat men dit soort dingen daar breed zou moeten doen.

Ikzelf neig toch ernaar om te zeggen dat ik het liever in een apart instituut wil hebben. Maar ik zie ook wel dat een motie op dit moment niet zo veel kans heeft, dus die zal ik niet indienen. Ik zeg wel het volgende aan de minister: de volgende zoönose gaat er komen. We hopen allemaal van niet, maar in een zo dichtbevolkt en vee-intensief land als Nederland is dat vrijwel een zekerheid. Dan zullen we wel in de praktijk zien hoe het uitpakt. We hebben bij de Q-koorts gezien hoe het mis kan gaan. Als uw RIVM, of ons RIVM, dan niet klaar is voor de taak wat betreft communicatie en begeleiding van slachtoffers, dan zal ik hier wel staan met een voorstel. En dan verwacht ik misschien ook een iets positievere insteek wat dit betreft.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Moorlag. Nee? Dan ga ik naar de heer Graus, namens de PVV.

De heer Graus (PVV):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering in een aangenomen motie-Graus (29683, nr. 229) wordt verzocht te bezien welke fytotherapeutica, pre- en probiotica kunnen dienen ter aanvulling of vervanging van chemische middelen ter voorkoming van antibioticaresistentie bij zowel gezelschapsdieren als landbouwhuisdieren;

constaterende dat de vorige minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport reeds tijdens haar eerste ambtsperiode aan de indiener van deze motie heeft toegezegd pre-, probiotica en fytotherapeutica waar mogelijk in te zetten als preventief en curatief middel, ondersteuning en/of vervanging van chemische varianten zoals antibiotica, waardoor bacterieresistentie kan ontstaan;

voorts constaterende dat indiener eveneens de toezegging van voornoemde oud-minister mocht ontvangen dat pre-, probiotica en fytotherapeutica deel zouden uitmaken van het topsectorenbeleid;

verzoekt de regering, in lijn met door de regering gedane toezegging, bacterieresistentie te voorkomen en antibiotica waar mogelijk en medisch verantwoord te vervangen door pre-, probiotica en fytotherapeutica,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 241 (29683).

De heer Graus (PVV):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Graus (PVV):

Fijne avond.

De voorzitter:

Hetzelfde.

Ik kijk even naar de ministers, of ze al kunnen antwoorden. De laatste motie wordt gekopieerd. We wachten even een paar minuten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik verzoek iedereen te gaan zitten. We gaan verder. Het woord is aan de minister voor Medische Zorg en Sport.

Minister Bruins:

Dank u wel, voorzitter. Er waren twee vragen in mijn richting. Ten eerste is er de motie van het lid Grashoff op stuk nr. 236. Het dictum van de motie is: verzoekt de regering naar analogie van het Diergezondheidsfonds een schadefonds in te stellen voor mensen die langdurig en ernstig ziek zijn geworden door de uitbraak van dierziekten, en dit uiterlijk voor 1 januari 2019 aan de Kamer voor te leggen. Wij hebben deze discussie ook gevoerd in het AO. Dat het vorige kabinet en dit kabinet hebben besloten tot een tegemoetkoming voor Q-koortspatiënten, moet echt worden gezien als een uitzondering in een uitzonderlijke situatie. Ik merk daarbij nogmaals op dat de rechtbank nog eens heeft bevestigd dat de overheid geen verwijt is te maken, dus dat de vergoeding die wordt gegeven een onverplichte tegemoetkoming is. Uit deze twee dingen samen volgt wat mij betreft de conclusie dat het structureel maken van die tegemoetkoming in een zoönosefonds niet past bij het onverplichte karakter ervan. Om die reden ontraad ik de motie. Het kabinet is niet van plan om tot een structureel zoönosefonds te komen.

De heer Futselaar heeft mij gevraagd om een landelijk centrum voor zoönosen op te richten. Hij heeft dat niet in een motie gevraagd, maar hij vindt het wel belangrijk. Het klonk een beetje dreigend: de volgende zoönose gaat komen. Wat daar ook van zij, we hebben een RIVM, met een afdeling Zoönosen en Omgevingsmicrobiologie, dat goed op zijn taken is berekend en steeds leert van elke ervaring. Ook dat punt hebben we aangeraakt in het algemeen overleg. Het is belangrijk dat wij leren van eerdere ervaringen, hoe moeilijk die ook zijn. Het gaat dus niet alleen om het RIVM, dat wel die centrale taak heeft, maar ik hecht ook aan de rol van GGD's en van Regionale Arts Consulenten die voor een deel bij de GGD's werken en voor een deel bij het RIVM. Ik denk dat dergelijke consulenten een belangrijke rol spelen in de informatievoorziening. En ik denk echt dat wij hebben geleerd van de vorige keer. Ik hoop dat we het bewijs nooit hoeven leveren, want dat betekent dat de volgende zoönose niet gaat komen, maar dat is in de toekomst kijken.

Voorzitter, tot zover de vragen die aan mij zijn gesteld.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de minister van Landbouw.

Minister Schouten:

Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de motie op stuk nr. 237 van de heer Geurts, waarin de regering wordt gevraagd om een fiscale voorziening te treffen wanneer producten van gevaccineerde dieren niet meer afgezet kunnen worden. Ik hecht eraan te benadrukken dat de vaccinatiestrategie die wij hanteren in Nederland, samen met de sector is opgesteld en dat de sector die strategie ook heel graag wil. Mijn inzet is ook om bij dierziektebestrijding het doden van gezonde dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Zoals gezegd, is ook dat in samenspraak gebeurd. We hebben ons daarom ook sterk gemaakt voor het verankeren van de mogelijkheid van vaccinatie in de nieuwe Europese diergezondheidsverordening. Dat was geen sinecure, maar het is gelukt. De sector en de retail zijn zelf verantwoordelijk voor de markt en voor de daadwerkelijke afzet van producten van gevaccineerde dieren. Dit geldt ook voor het opzetten van een eventuele collectieve financiering om veehouders te compenseren voor waardevermindering van hun dieren of van hun producten. Het is namelijk indirecte schade, die valt onder het eigen risico van ondernemers. Het gesprek met verschillende stakeholders voor het verkrijgen van draagvlak en acceptatie faciliteer ik ook waar mogelijk. Ik ontraad deze motie daarom ook. Ik wil wel nader onderzoeken of er mogelijkheden zijn in bijvoorbeeld het instrumentarium van het GLB voor risicobeheer, zoals private verzekeringen en fondsen gevuld door het bedrijfsleven zelf. Deze motie vraagt echter om een fiscale voorziening. Ik ontraad deze motie.

De voorzitter:

De heer Geurts, een korte vraag.

De heer Geurts (CDA):

De minister geeft aan dat ze wel bereid is een nader onderzoek te doen binnen het GLB. Op welke termijn verwacht de minister dat te kunnen doen?

Minister Schouten:

Zoals de heer Geurts weet, zijn we nu bezig met een discussie over het GLB. Een onderdeel in die discussie is het risicobeheer. Ik wil daar dus wel inbrengen dat wat ons betreft ook gekeken moet worden naar dit soort mechanismen, dat private initiatieven daarbinnen ook mogelijk worden gemaakt. Die discussie loopt. We moeten natuurlijk het hele GLB nog gaan vormgeven. Daar wil ik het in mee laten lopen.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Schouten:

Dan de tweede motie van de heer Geurts, op stuk nr. 238, waarin de regering wordt verzocht te streven naar een uniforme Europese regeling voor vaccinatie bij dierziekte-uitbraken. Ik probeer de motie even goed te duiden. Wil de heer Geurts dat we met zijn allen deze vaccinatiestrategie gaan opleggen, of moet er een Europese compensatieregeling komen? Ik ga uit van het eerste. Ik zie dat dat zo is. Dan moeten we dus een Europese vaccinatiestrategie krijgen. Ik gaf net al aan dat het geen sinecure is geweest om onze eigen vaccinatieregeling geaccordeerd te krijgen. De dierziektebestrijding is ook echt nationaal maatwerk. Het hangt bijvoorbeeld af van de structuur van de sector en de veterinaire situatie. Zelfs daarbinnen is vaccinatie een keuze en geen verplichting. Als de motie inderdaad vraagt om een dergelijke Europese verplichting, zoals de heer Geurts aangeeft, moet ik haar ontraden. Er is gewoon geen draagvlak voor, maar we betrachten hierin ook echt nationaal maatwerk. Ik ontraad deze motie dus.

Dan de motie van Arissen op stuk nr. 239 over het verbieden van het gebruik van colistine in de veehouderij. Zoals ik in het AO al heb aangegeven, is het gebruik in Nederland in de afgelopen jaren sterk gedaald, namelijk tot 79% in de periode 2011-2016. Het colistinegebruik in Nederland is nu ook flink lager dan de norm die het EMA adviseert voor zorgvuldig colistinegebruik. EU-experts zijn van oordeel dat colistine in de veehouderij niet volledig gemist kan worden. Mijn inzet is erop gericht om het echt fors te verlagen. Daar zijn we ook echt hard mee bezig. Maar een compleet verbod gaat te ver en daarom ontraad ik deze motie.

In de tweede motie van mevrouw Arissen, op stuk nr. 240, wordt verzocht om biologische en/of extensieve veehouderijsystemen als zodanig te laten labelen in databanksystemen ten behoeve van antibioticagebruikregistratie in de veehouderij. Zoals ik al aangaf, is het beleid gericht op de reductie van het gebruik van antibiotica bij alle soorten bedrijven, over de volle breedte, ook met alle soorten houderijsystemen. Wij doen ook onderzoek naar de kritische succesfactoren, waarbij bijvoorbeeld onderscheid is gemaakt naar traag groeiende rassen. Het is niet nodig om in de databank een extra administratieve verplichting op te leggen aan bedrijven. Het beleid is op alle bedrijven gericht en niet op bepaalde bedrijven in het bijzonder. Er zit ook een suggestie in de motie dat het bij bepaalde soorten bedrijven, zoals biologische bedrijven, helemaal niet zou voorkomen, maar dat kan ik niet met zekerheid zeggen. Daarom wil ik ook niet dit soort onderscheid maken in de databanken. Ik ontraad daarom ook deze motie.

Dan de motie van de heer Graus op stuk nr. 241 over de pre- en probiotica en de vraag om antibiotica waar mogelijk en medisch verantwoord te vervangen. Het is niet aan de regering om te bepalen hoe pre- en probiotica worden ingezet. We verspreiden wel de kennis op dit vlak en we stimuleren ook het onderzoek, maar uiteindelijk is het de keuze van de veehouder zelf hoe hij een en ander gaat inzetten. Daarom ontraad ik ook deze motie.

De voorzitter:

Een korte vraag. De heer Graus.

De heer Graus (PVV):

Een korte vraag, mevrouw de voorzitter. Ik begrijp wat de minister zegt, maar de bacterieresistentie, de antibioticaresistentie, is wel echt mede een probleem van de regering. Van ons allemaal, maar ook van de regering. Daar gaat het om. Het Nationaal Fonds tegen Kanker is bijvoorbeeld al bezig met kurkuma. Laatst zei een oncoloog zelfs dat je dat in de toekomst in hoge doseringen bijna kan inzetten als een soort chemokuur. Waarom beginnen wij dan in de veehouderij niet met fytotherapeutica en pre- en probiotica, ook om bacterieresistentie te voorkomen?

Minister Schouten:

Zoals ik al heb aangegeven, zijn we natuurlijk wel bezig om die kennis te verspreiden en om onderzoek te stimuleren op dit vlak. Dus het is niet zo dat we daar niets in zien. Ik bedoel: daar zijn we ook echt actief mee bezig. Maar uiteindelijk is het wel de keuze van de veehouder om te bepalen wat er wordt ingezet. Wij proberen het vooral op een stimulerende manier voor het voetlicht te brengen.

De voorzitter:

Dank u wel.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit VAO. Over de ingediende moties zullen we volgende week dinsdag stemmen. Ik dank beide ministers en de Kamerleden.

De vergadering wordt van 19.17 uur tot 20.02 uur geschorst.