Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 12, item 12

12 Landbouw- en Visserijraad

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 10 oktober 2012 over de Landbouw- en Visserijraad.

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van EL&I van harte welkom.

De heer Van Gerven (SP):

Voorzitter. Ik begin met de moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, in Europa de onevenwichtige machtsbalans tussen (agrarische) ondernemers en afnemers aan de orde te stellen en zich in te spannen voor aanpak van misbruik van inkoopmacht als marktmacht en voor een betere rechtspositie voor (agrarische) ondernemers in met name het mededingingsrecht;

verzoekt de regering tevens, een ombudsman specifiek voor boeren, tuinders, vissers en andere zelfstandige ondernemers in Nederland in te stellen die klachten rondom oneerlijke handelspraktijken en inkoopmacht onderzoekt, die bemiddelt en die tevens op basis van de geïnventariseerde gevallen aanbevelingen richting politiek doet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Gerven en Geurts. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 644 (21501-32).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat het dood teruggooien van bijgevangen vis in zee moreel onwenselijk is;

overwegende dat Noorwegen met een discardverbod de hoeveelheid bijgevangen vis spectaculair heeft teruggebracht naar 2 tot 8%;

van mening dat maatregelen die het probleem bij de bron aanpakken door bijvoorbeeld selectiever te vissen zeer wenselijk zijn;

van mening dat hiernaast ook een discardverbod als kroon of sluitstuk op de maatregelen noodzakelijk is om selectief vissen op zo kort mogelijke termijn af te dwingen en innovatie te bevorderen;

verzoekt de regering, zich in Europa maximaal in te zetten om op de kortst mogelijke termijn een eind te maken aan de discards, dat wil zeggen het dood teruggooien in zee van bijgevangen vis, en daarbij het voorbeeld van Noorwegen voor ogen te houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 645 (21501-32).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

kennisnemende van het recente onderzoek van prof. Seralini in Toxicology, waarbij ratten die in tweejarige testen glyfosaat(RoundUp)maïs en -bestrijdingsmiddel toegediend kregen, in hoge mate kanker ontwikkelden;

kennisnemende van recent Chinees onderzoek van de Shanghai Jiao Tong Universiteit naar glyfosaat dat een neurodegeneratieve werking aantoont evenals een verband met de ziekte van Parkinson;

kennisnemende van het verhoogde aantal geboorteafwijkingen in gebieden waar veel glyfosaat gebruikt wordt zoals Paraguay en de Argentijnse staat Chaco;

verzoekt de regering, zich in Europa in te zetten voor een grondige en aantoonbaar onafhankelijke herbeoordeling van glyfosaat en glyfosaatgerelateerde gewassen waarbij alle onafhankelijke studies worden betrokken;

verzoekt de regering tevens, tweejarige tests als toelatingsvoorwaarde voor introducties van genetisch gemodificeerde organismen te bepleiten;

verzoekt de regering voorts, zich in Europa en Nederland actief te richten tegen nieuwe toelating van gewassen die de toepassing van glyfosaat verder zullen verspreiden totdat in langjarige testen de veiligheid bewezen is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 646 (21501-32).

Kan mijnheer Van Gerven ervoor zorgen dat hij voortaan echt binnen de twee minuten blijft? Hij is er nu ver overheen gegaan.

De heer Van Gerven (SP):

Wij gaan ons best doen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. De ChristenUnie is tegenstander van de discardban en aanlandplicht. Alle argumenten hiervoor zijn al vaak gewisseld. De Europese visserijsector is deze maand met een tegenvoorstel gekomen, in de vorm van een amendement op het kadervoorstel voor het gemeenschappelijke visserijbeleid. Een discardban zou volgens dit amendement alleen moeten worden ingezet als gericht beheerinstrument, als de natuurlijke aanwas van het visbestand wordt bedreigd en andere maatregelen onvoldoende hebben geholpen. De ChristenUnie roept de staatssecretaris op zich voor honderd procent in te zetten voor dit compromis, door het over te nemen, hiervoor draagvlak te zoeken en dit proactief in te brengen in de Visserijraad. Mijn fractiegenoot Arie Slob, die ik vandaag hier vervang, heeft daarom een motie van de heer Bosman meeondertekend. Deze zal zo worden ingediend.

De heer Bosman (VVD):

Voorzitter. Het was een mooi begin, zo'n eerste overleg van de Visserijraad, voor mij als nieuwe woordvoerder visserij. De staatssecretaris zei gelijk: mijnheer Bosman, ik ben het volledig met u eens. Veel mooier kan het natuurlijk niet worden. Als echter later blijkt dat er in zijn antwoorden wat licht ontstaat tussen datgene wat de VVD wil en wat de staatssecretaris wil, hebben wij toch enige zorg. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer zich via de motie-Dijkgraaf c.s. (32201, nr. 28) heeft uitgesproken voor het beperken van ongewenste bijvangsten, maar dat een absolute discardban met aanlandplicht onwenselijk en onuitvoerbaar is;

constaterende dat de Europese visserijsector een amendement heeft op het kadervoorstel voor het gemeenschappelijk visserijbeleid, waarbij voorkomen van discards vooropstaat en een discardban alleen ingezet wordt als gericht beheerinstrument, als ultimum remedium als de natuurlijke aanwas van het visbestand wordt bedreigd en andere maatregelen onvoldoende hebben geholpen;

verzoekt de regering, deze uitgestoken hand van de visserijsector aan te nemen, het compromisvoorstel van de visserijsector te omarmen en in te brengen in de Visserijraad,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bosman, Slob, Dijkgraaf en Geurts. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 647 (21501-32).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik dien de volgende moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Commissie en Mauritanië hebben onderhandeld over een nieuw visserijakkoord dat nog moet worden goedgekeurd door de Raad van Ministers en het Europees Parlement;

verzoekt de regering, voorafgaand aan de definitieve besluitvorming over een nieuw akkoord de evaluatie van het vorige visserijprotocol tussen de Europese Unie en Mauritanië openbaar te maken en naar de Kamer te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 648 (21501-32).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat diepzeesoorten zeer gevoelig zijn voor overbevissing omdat ze zich langzaam voortplanten en populaties daardoor moeilijk herstellen;

constaterende dat de verordening uit 2002 de problemen niet heeft opgelost, waardoor er sprake is van een te grote visserijdruk, vernietiging van kwetsbaar bodemleven en hoge bijvangsten;

verzoekt de regering, het voorzorgbeginsel te hanteren en zich ervoor in te zetten dat vangstquota in ieder geval niet hoger worden vastgesteld dan in wetenschappelijke adviezen verantwoord wordt geacht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 649 (21501-32).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de blauwvintonijn wordt bedreigd in zijn voortbestaan door de intensieve visserij en het jarenlang negeren van wetenschappelijke adviezen;

constaterende dat de bestandanalyses van de International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas (ICCAT) schattingen zijn die grote onzekerheden kennen en dat de illegale visserij op tonijn niet is meegenomen in deze analyses;

verzoekt de regering, zich in te zetten voor het minimaal handhaven van de huidige maatregelen en zich te verzetten tegen voorstellen om de vangstmogelijkheden voor blauwvintonijn te vergroten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 650 (21501-32).

Ik hoor dat de staatssecretaris graag wil dat er drie minuten wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Staatssecretaris Bleker:

Mevrouw de voorzitter. Het eerste wat in de motie van de heren Van Gerven en Geurts op stuk nr. 644 wordt verzocht, doen wij reeds. Dat betreft de motie-Dijkgraaf. In het tweede wat in de motie wordt verzocht, namelijk het instellen van een ombudsman ziet de regering geen brood. Wij hebben al talrijke ombudsmannen in Nederland. Nog een voor de tuinders en de boeren vinden wij niet nodig. Daarom ontraad ik de motie.

In de motie op stuk nr. 645 wordt de regering verzocht om zich in Europa maximaal in te zetten om op de kortst mogelijke termijn het Noorse voorbeeld te volgen waar het gaat om de discardban. Dat vind ik een te ongeclausuleerd invoeren van de discardban. Daar komt bij dat de Noorse visserij een andere visserij is dan die van tal van andere Europese landen. Het is veel minder een gemengde visserij. Ik vind dat hier de discardban te veel een doel op zich is in plaats van een middel in een totaalpakket. Ik ontraad om die reden de motie.

Bij de motie op stuk nr. 646 van de heer Van Gerven heb ik een verzoek aan de indiener. Zou het mogelijk zijn dat de heer Van Gerven deze motie aanhoudt? Dan komt er een separate brief over deze kwestie, die ik samen met collega Atsma naar de Kamer zal sturen. In die brief zal uitgebreid informatie worden gegeven over de stand der dingen en wanneer wat te verwachten is.

De heer Van Gerven (SP):

In de motie op stuk nr. 646 staan drie verzoeken. Het derde, laatste verzoek aan de regering is om zich actief te richten tegen nieuwe toelating van gewassen. De staatssecretaris komt met een reactie daarop. Mag ik dan ook van hem vernemen of er dan niet in de tussentijd al gewassen worden toegelaten in Nederland? Het is namelijk een actueel probleem.

Staatssecretaris Bleker:

Wij zullen die brief zo snel schrijven dat er in die tijdsspanne geen sprake zal zijn van formeel door ons toe te laten gewassen of wat dan ook. Er komt dus snel een reactie; snel en gedegen.

De heer Van Gerven (SP):

Dan wil ik alle drie mijn moties aanhouden.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Gerven stel ik voor, zijn moties (21501-32, nrs. 644, 645 en 646) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Bleker:

Voorzitter. Dan kom ik bij de motie van de heren Bosman, Slob, Dijkgraaf en Geurts op stuk nr. 647. Ik wil voor mijn oordeel over deze motie verwijzen naar de brief aan de Kamer van 29 juni 2012. Daarin heb ik verslag gedaan van de Visserijraad van 12 juni van datzelfde jaar en heb ik de inzet van Nederland verwoord ten aanzien van onder andere de aanlandingsplicht. Die inzet is geheel en al conform een eerder ingediende motie van ik meen de heer Dijkgraaf en anderen, namelijk de aanlandingsplicht als een middel, als een sluitstuk zien. Wij moeten de tijd nemen en het gefaseerd doen en de technologische middelen benutten voor de visserijsector. Een gefaseerde aanpak dus. Dat was onze inbreng. Maar in diezelfde Visserijraad zijn ook conclusies getrokken. Die algemene conclusies staan in de brief van 12 juni verwoord. Er was een gekwalificeerde meerderheid voor die conclusie. Er waren enkele landen, waaronder Nederland, die zich vanwege de formulering rond de aanlandingsplicht tegen die conclusies hebben verzet. Dat heb ik samen gedaan, zoals in de brief op pagina 3 staat, met Malta, Zweden, Slovenië, Portugal en Griekenland. Dat is toch een interessante rij om bij te horen. Wij hebben ons daartegen verzet vanwege de te vergaande bepalingen ten aanzien van de aanlandingsplicht. Desalniettemin zijn die conclusies van de Raad middels een gekwalificeerde meerderheid vastgesteld. Het nu inbrengen van het voorstel van de visserijsector, dat echt te laat is gekomen, is werkelijk mosterd na de maaltijd en werkt niet. Wij hebben die argumenten ook op 12 juni en eerder naar voren gebracht. Ik ben bereid om de motie als volgt te lezen: verzoekt de regering, de uitgestoken hand van de visserijsector maximaal te betrekken bij de uitwerking van het compromisvoorstel waarover besluitvorming in de Raad van Ministers heeft plaatsgevonden en die voorstellen van de Commissie ook in te brengen in de Visserijraad op het moment dat die uitwerking aan de orde is. Het is echter te laat en niet nodig om het voorstel als zodanig nu te omarmen als zijnde het Nederlandse voorstel. Dat is ook niet goed voor de sector, want het gaat nu om de uitwerking. Het is ook niet goed voor de vis, want het gaat uiteindelijk om het zo veel mogelijk beperken van het teruggooien van kansloze vis in zee.

De regering wil het voorstel van de visserijsector zoals verwoord door de heer Bosman maximaal benutten en betrekken bij de discussie over de uitwerking van het compromisvoorstel van 12 juni jongstleden. De thans voorliggende motie ontraad ik dus.

De voorzitter:

U raadt aan, de tekst van de motie te wijzigen in de tekst die u zojuist heeft gedicteerd?

Staatssecretaris Bleker:

Dat zou grote winst zijn, maar als de huidige formulering van de motie wordt gehandhaafd, ontraad ik de motie.

De voorzitter:

En als de motie wordt aangepast zoals u dat hebt gezegd?

Staatssecretaris Bleker:

Dan is het oordeel Kamer.

De heer Bosman (VVD):

"Omarmen" geeft wel wat ruimte. Daar heb ik absoluut geen moeite mee, want het is geen directe een-op-eenrelatie. Ik maak mij echter toch ernstig zorgen: de staatssecretaris beweegt zo nu en dan toch wat verder weg van het voorstel van de visserijsector. Hij zegt iedere keer dat het een sluitstuk is en dat het een dekkend middel moet zijn. Het zou echter een instrument moeten zijn dat sporadisch, alleen op bepaalde momenten, wordt ingezet.

Staatssecretaris Bleker:

De Kamer heeft bij de motie van de heer Dijkgraaf c.s. over de aanlandingsplicht zelf gezegd dat het een sluitstuk is en dat het als middel in het geheel moet worden ingezet. Zo hebben wij gehandeld tot en met 12 juni. Dat staat in de brief van 29 juni. Dit zou echt een andere positie van de Nederlandse regering met zich brengen. Die positie zou geen effect hebben, noch voor de sector, noch voor de visserij. De uitgestoken hand van de Nederlandse regering aan de Kamer is: formuleer de motie zo dat wij het voorstel van de visserijsector maximaal kunnen benutten bij de uitwerking van het voorstel dat in de conclusies van de Raad van 12 juni is vastgesteld. Daartoe ben ik bereid. Dat is effectief en beter voor de vis en de sector.

Als het woordje "openbaar" in de motie-Ouwehand op stuk nr. 648 wordt geschrapt, laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer. Ik ben dus bereid om de Kamer te informeren. Wij gaan echter niet over de genoemde documenten; we kunnen dus ook niet bepalen dat ze openbaar worden gemaakt. Het gaat er natuurlijk om dat de Kamer wordt geïnformeerd. Ik laat het aan de indiener om de motie op dat punt eventueel aan te passen. Wordt de motie niet aangepast, dan moet ik haar ontraden op basis van formele gronden. Wij mogen de stukken immers niet openbaar maken.

In de motie-Ouwehand op stuk nr. 649 wordt de regering verzocht het voorzorgsbeginsel te hanteren en zich ervoor in te zetten dat vangstquota in ieder geval niet hoger worden vastgesteld dan in wetenschappelijke adviezen verantwoord wordt geacht. In het algemeen beschouwen wij de wetenschappelijke adviezen als een heel belangrijke basis. Wij hanteren ook het voorzorgsprincipe, maar ik vind wel dat wij de ruimte moeten hebben om een quotum soms iets hoger te stellen dan in de wetenschappelijke adviezen wordt gemeld, zeker als er onzekerheidsmarges zijn. Er moet wel een afweging van belangen plaatsvinden. In het algemeen is de inbreng van Nederland gebaseerd op het voorzorgbeginsel en blijft Nederland zo dicht mogelijk bij de wetenschappelijke adviezen. Dit is echter te absoluut. Daarom ontraad ik de motie.

De motie-Ouwehand op stuk nr. 650 is ondersteuning van beleid. Het oordeel daarover laat ik aan de Kamer.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Hartelijk dank. De staatssecretaris heeft gelijk over mijn motie op stuk nr. 648. Hij kan er niet in zijn eentje voor zorgen dat de evaluatie openbaar wordt. Ik wil de motie daarom zo wijzigen dat de regering wordt verzocht zich er bij de Europese Commissie voor in te zetten dat de evaluatie openbaar wordt gemaakt. Voelt de staatssecretaris daarvoor?

Staatssecretaris Bleker:

Ja.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Prima. Dan wil ik de motie wijzigen. Ik zal dan op moeten schieten, want wij gaan zo stemmen.

De voorzitter:

Ja.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Hiermee is een einde gekomen aan de inbreng van de regering. Ik dank de staatssecretaris voor zijn komst naar de Kamer.

De vergadering wordt van 18.04 uur tot 18.20 uur geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde zijn de stemmingen. Heeft iedereen de presentielijst getekend? Zo niet, dan roep ik u op om dat zo snel mogelijk te doen. Heel veel mensen hebben dat wel gedaan en zij willen graag naar huis.

Ik kondig hierbij aan dat ik de stemmingen vandaag op een andere manier doe: ik inventariseer de partijen vanaf de rechterkant. Ik weet dat dit een shockerende mededeling is; ik begrijp uit het geroezemoes in de zaal dat ik haar van tevoren had moeten verspreiden.