Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 12, item 10

10 VAO Raad Buitenlandse Zaken

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 10 oktober 2012 over de Raad Buitenlandse Zaken.

De voorzitter:

Ik herhaal dat de spreektijden twee minuten bedragen, inclusief het voorlezen van de moties.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik maak het u makkelijk, want mijn motie heeft zo veel overwegingen dat ik die tijd hard nodig heb. Ik dien de motie in mede namens de leden Van Bommel, Van der Staaij, De Roon en Van Ojik.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat recente rapporten van Amnesty International duidelijk aangegeven dat mensenrechtenschendingen in Egypte nog altijd aan de orde van de dag zijn en dat daders, in het bijzonder van de politie en het leger, zelden worden bestraft;

constaterende dat er nog altijd geen sprake is van een onafhankelijk onderzoek naar het Maspero-slachtingincident en dat de legerleiding hierbij nadrukkelijk buiten schot blijft;

overwegende dat president Morsi weliswaar de legerleiding met vervroegd pensioen heeft gestuurd maar nu zelf ook veel macht naar zich toetrekt, wat onder andere blijkt uit het censureren en intimideren van kritische media en tegenstanders van de moslimbroeders;

overwegende dat volgens Human Rights Watch de conceptgrondwet die onlangs is gepresenteerd, blijk geeft van een beperking van de mensenrechten, in het bijzonder voor vrouwen, kinderen, godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting;

van mening dat er gezien het bovenstaande geen enkele inhoudelijke reden is voor de hervatting van de wapenexport naar Egypte en dat een hervatting hiervan in Egypte gezien kan worden als beloning voor het gevoerde beleid;

verzoekt de regering, onverkort vast te houden aan de uitvoering van de eerder aangenomen motie omtrent de stop op de wapenexport zolang Egypte geen ernst maakt met het beschermen van de eigen burgerbevolking;

verzoekt de regering tevens, zich ook in EU-verband hiervoor in te spannen zodat er sprake is van een eenduidig beleid en een level playing field voor de defensiegerelateerde industrie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Van Bommel, Van der Staaij en Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 1187 (21501-02).

Ik zie de heer Ten Broeke bij de interruptiemicrofoon staan. Hij mag één feitelijke vraag stellen.

De heer Ten Broeke (VVD):

Is het nu de bedoeling van deze motie, die uiteindelijk gaat over het leveren van radarapparatuur, om Egypte de mogelijkheid te ontnemen om te jagen op terroristen in de Sinaï? Dat is ook in het belang van bijvoorbeeld een land als Israël en heeft eigenlijk helemaal niets te maken met alle overwegingen die in dezelfde motie zijn opgenoemd. Moet ik het zo zien?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De motie is een half jaar geleden ook door de Kamer aangenomen. Toen hebt u tegengestemd; daarin bent u consequent. Ik vraag aan collega Ten Broeke of hij rapporten kan aanleveren waaruit blijkt dat de mensenrechtensituatie in de tussenliggende periode is verbeterd. Ik constateer dat dit niet het geval is en zie geen aanleiding tot iets anders dan doorgaan met een stop op de wapenexport.

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter ...

De voorzitter:

Ik vind het niet netjes ...

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Het was een retorische vraag, voorzitter.

De voorzitter:

Ik vind het echt niet netjes en ik hoop dat u het niet weer doet, maar ik ga toch niet het woord aan de heer Ten Broeke geven, maar wel aan de heer De Roon, voor één feitelijke vraag.

De heer De Roon (PVV):

Mijn naam is genoemd als één van de medeondertekenaars van de motie. Dat is toch niet juist. Ik heb wel aan de heer Voordewind laten weten dat ik mijn fractie positief zal adviseren over de motie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik had het wel zo geïnterpreteerd.

De voorzitter:

Uw naam zal niet onder de motie worden vermeld, mijnheer De Roon.

Het woord is aan de heer Omtzigt.

De heer Omtzigt (CDA):

De export van welke wapensystemen wil de heer Voordewind blokkeren met deze motie?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ook dat is een retorische vraag, want dat weet de heer Omtzigt heel goed. Het gaat om delen van radarsystemen, die ingezet worden zowel op zee als op het land. Dat geeft ons geen garantie dat ook deze onderdelen niet tegen de eigen burgerbevolking gebruikt kunnen worden. Wij hebben het een tijd geleden gehad over onderdelen die Nederland heeft geleverd voor rupsvoertuigen. Die rupsvoertuigen zijn toen ingezet tegen de eigen burgerbevolking, waarbij tientallen slachtoffers zijn gevallen. Niets garandeert ons dat niet ook deze wapensystemen tegen de eigen burgerbevolking worden ingezet. Wij hebben daarvoor geen garantie. Los daarvan vind ik het een niet te rechtvaardigen politiek signaal om nu de bewuste vergunning af te geven voor export naar Egypte, dat nog sterk onder leiding van de militairen staat.

Minister Rosenthal:

Mevrouw de Voorzitter. Laat ik van mijn kant zeggen dat er wat de regering betreft reden is om nu inderdaad een wapenexportvergunning te verlenen. Waar gaat het om? De heer Voordewind had het zojuist in zijn interventie over de rol van de militairen. Bij de bespreking destijds van de motie-Voordewind zoals die oorspronkelijk was geformuleerd, hebben wij het uitvoerig gehad over een springend punt in Egypte, namelijk de positie van de civiele autoriteiten ten opzichte van de militaire autoriteiten. Het is op dit ogenblik volstrekt duidelijk dat onder President Morsi de civiele autoriteiten de zaken aan zich hebben getrokken. Wij kunnen nu niet meer spreken over een militair bewind, dan wel over militairen die rechttoe, rechtaan macht uitoefenen over de civiele autoriteiten.

In de tweede plaats kan ik wijzen op het feit dat de geweldsactiviteiten tegen de bevolking notoir zijn afgenomen en in de derde plaats herhaal ik wat ik gisteren in het algemeen overleg al heb gewisseld, namelijk dat wij kunnen constateren dat er een decreet is van 8 oktober van President Morsi met een volledig pardon voor wat ik dan meer even gemakshalve de Tahir-activisten noem. Dat zijn er om en nabij de 1.000. Mag ik er in dat verband op wijzen dat de mensenrechtenorganisaties dat decreet van harte hebben toegejuicht? Zij vinden dat daarmee een wending ten goede plaatsvindt op het punt van de mensenrechtensituatie in Egypte.

Het gaat om een wapensysteem dat past bij de legitieme veiligheidsbehoefte van Egypte. Het betreft radarapparatuur voor maritieme surveillance en radarapparatuur die nadrukkelijk beoogt de grensbewaking, met name in het Sinaï-gebied, te verstevigen. De goederen worden geleverd via de Verenigde Staten, die een vergunning verleend hebben. Laat ik op dit punt ook nog in alle helderheid zeggen dat wij van onze kant natuurlijk navraag hebben gedaan bij de Israëlische autoriteiten. Zij zijn zeer bezorgd over de situatie in de Sinaïwoestijn en hebben mij meegedeeld dat zij groot voorstander zijn van verbeterde Egyptische capaciteiten op het gebied van de grensbewaking en radarsurveillance. De situatie wordt alsmaar zorgwekkender. Alles bij elkaar is er dus alle reden om over te gaan tot afgifte van de vergunning, conform de brief die ik op 8 oktober naar de Kamer heb gestuurd. Het zal duidelijk zijn dat ik de motie van de heer Voordewind ontraad.

De voorzitter:

Mijnheer Voordewind, u mag één feitelijke vraag stellen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik ben wel benieuwd op welke bronnen de minister zich baseert als hij zegt dat de mensenrechtenschendingen zijn afgenomen.

Minister Rosenthal:

Ik heb gemeld dat het decreet van president Morsi van 8 oktober tot zeer positieve reacties heeft geleid van mensenrechtenorganisaties. Zij zien daar een teken in dat de situatie in Egypte in elk geval op dat punt aan het verbeteren is. Dat is wat ik heb gezegd. Ik heb het niet alomvattend over de situatie gehad. Ik herhaal wat ik ook gisteren met nadruk heb gezegd: het is allerminst zo dat wij met de handen over elkaar kunnen gaan zitten tegenover Egypte wat de mensenrechtensituatie betreft. Ik heb ook gezegd dat ik die situatie zeker weer zal aankaarten als ik over anderhalve week in Caïro ben. Ik zie het afgeven van een wapenexportvergunning als een teken dat wij de ontwikkelingen in Egypte op een aantal belangrijke punten, niet in de laatste plaats de overgang naar een volledig burgerregime, moeten steunen en niet moeten tegengaan.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de ingediende motie zal later vandaag worden gestemd.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.