Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-1997nr. 41, pagina 3376-3377

Aan de orde zijn de stemmingen over twee moties, ingediend bij het debat over de gebitsprotheses, te weten:

- de motie-Marijnissen over het per 1 januari 1997 opnemen van gebitsprotheses in het ziekenfonds- en standaardpakket (24124, nr. 53);

- de motie-Oudkerk/Van Boxtel over het zo snel mogelijk opnemen van de gebitsprothese als wettelijke aanspraak in het kader van de ZFW (24124, nr. 54).

(Zie vergadering van 18 december 1996.)

De voorzitter:

Ik heb begrepen dat enkele leden heropening hebben gevraagd in verband met een heden binnengekomen brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Ik stel voor, aan dit verzoek te voldoen.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, bij deze heropening een maximale spreektijd van twee minuten te introduceren en daarbij de collega's te verzoeken, dit mogelijkerwijze terug te brengen tot één minuut.

Daartoe wordt besloten.

De heer Oudkerk (PvdA):

Mijnheer de voorzitter! Het is nog geen drie uur geleden dat wij een brief binnen hebben gekregen van de minister van Volksgezondheid, een brief over de gebitsprotheses. Het is niet de eerste brief, om het eufemistisch te zeggen, maar het is tot nu in ieder geval wel de beste. Immers, de brief regelt naar onze mening datgene waar wij eigenlijk al zo'n vier maanden lang aan hebben lopen sleuren en trekken, namelijk om voor die mensen die hun gebit gewoonweg niet meer konden betalen, dit in 1997 weer mogelijk te maken.

Voorzitter! Ik constateer drie dingen. Het eerste is dat het kabinet, als het onderzoek eind januari is afgerond – ik noem dit een onderzoek naar zelf verstopte paaseieren (en dat met de kerst), omdat ik denk dat ik wel weet wat er uitkomt – en er een groot aantal mensen is dat inderdaad het gebit niet meer kan betalen, dan op de kortst mogelijke termijn tot opname in het ziekenfondspakket wil overgaan. Ik constateer, voorzitter, ten tweede, dat als die groep onverhoopt toch kleiner mocht zijn, het kabinet een financiële tegemoetkoming voor die groep wil regelen. Het belangrijkste, voorzitter, is het derde punt. Hetgeen de minister gisterenavond in het debat nog afdeed met de opmerking dat zij het niet verantwoord vond, wordt in deze brief ten aanzien van beide regelingen toch enigszins anders gezegd, namelijk dat het kabinet zal kijken of de regeling hetzij in het pakket komt, hetzij gemaakt wordt in de zin van de financiële tegemoetkoming met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997. Dat betekent dat datgene waar wij de afgelopen maanden om hebben gevraagd – kunnen die mensen die het niet meer kunnen betalen, inderdaad gecompenseerd worden? – naar onze mening bij deze brief geregeld is.

Het kabinet concludeert aan het slot van de brief dat op grond van datgene wat er in de brief staat, de motie op stuk nr. 54 bij nader inzien in feite overbodig is. Nu, "bij nader inzien" komt in dit geval na één nacht slapen. Ik deel in dit geval de mening van het kabinet en dat betekent dat ik, als eerste ondertekenaar van de motie, de motie op stuk nr. 54 hierbij intrek.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Oudkerk/Van Boxtel (24124, nr. 54) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

De heer Van Boxtel (D66):

Voorzitter! In het licht van de eeuwigheid zijn die paar weken discussiëren met het kabinet de moeite waard geweest. Ik ben blij met deze brief; ook de D66-fractie schaart zich achter het intrekken van de motie.

De heer Lansink (CDA):

Voorzitter! Op deze laatste vergaderdag van dit toch mooie jaar wil ik geen tandenstoker zijn. Dat lijkt mij niet gepast. Ik had gisteren al opgemerkt dat de motie overbodig was. De minister is ook tot die bevinding gekomen, en nu ook de heer Oudkerk, naar ik aanneem, hoewel hij er veel woorden voor nodig had om dat te zeggen. Als hij niet tot die bevinding gekomen is, dan is hij lid geworden van de fractiewerkgroep nederlagenstrategie van de PvdA, waarin al een aantal leden zitting hebben genomen. Ik zal hen niet allemaal noemen, want het zijn allemaal aardig leden. Maar ik blijf van oordeel, in alle ernst, dat als wij echt iets voor de mensen willen doen – nadat ons alternatief niet kon – wij slechts één ding kunnen doen, namelijk vóór de motie van de heer Marijnissen stemmen, en dat zal de CDA-fractie dan ook doen.

De heer Marijnissen (SP):

Mijnheer de voorzitter! Na deze mededeling van de heer Lansink kon ik natuurlijk niet blijven zitten!

Na twee jaar ervaring met de tandzorg uit het ziekenfonds voor volwassenen, kunnen wij wel stellen dat wij in deze Kamer ontzettend veel uren aan deze materie hebben besteed. Rapporten zijn ons toegestuurd en de conclusies van die rapporten wezen alle in één richting, namelijk dat degenen die het goed menen met de mondhygiëne in Nederland slechts één conclusie kunnen trekken: het kunstgebit terug in het ziekenfonds. Vandaar ook de motie die ik heb ingediend; een motie die naadloos aansluit bij een motie die eerder door PvdA en D66 is ingediend, die een grote meerderheid in deze Kamer mocht krijgen en die het volgende uitsprak: er zijn twee mogelijkheden, ofwel financiële compensatie en daarvan heeft de minister gezegd dat zij er op voorhand niets in ziet, ofwel het kunstgebit terug in het ziekenfonds. Welaan, voorzitter, als het eerste niet kan, rest het tweede.

Voorzitter! De motie die gisteren door de heren Oudkerk en Van Boxtel is ingediend, is boterzacht. De brief die de minister vandaag naar de Kamer heeft gestuurd, is eveneens boterzacht. Ik wil een zin voorlezen: Het kabinet zal de mogelijkheid onderzoeken tot het verlenen van een vergoeding bij terugwerkende kracht tot 1 januari 1997. Daarom zal voortvarend aan het vinden van een verantwoorde oplossing worden gewerkt.

Mijnheer de voorzitter! Dit zijn geen harde toezeggingen. De opstelling van de fracties van de PvdA en D66 doet mij denken aan de man die zelf hoog en droog zit en die zegt tegen degene in de regen: weest u vooral blij dat het niet hagelt.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma (GroenLinks):

Mijnheer de voorzitter! Wij hebben vanmiddag om drie uur een brief gekregen van de minister van Volksgezondheid. Als je naar de inhoud van die brief kijkt, kun je je afvragen waarom wij, na maanden en nog eens maanden over deze kwestie te hebben gediscussieerd, zo'n slappe brief moesten ontvangen.

Voorzitter! Wij zullen in ieder geval de motie van de heer Marijnissen steunen, omdat die de enige weg aangeeft. Wij hebben altijd al gezegd dat de oplossingen van het kabinet geen oplossingen zijn voor onze fractie. De gebitsprothese moet gewoon terug in het ziekenfondspakket. Daar gaat het om, want daarmee zijn de mensen gebaat.

Mevrouw Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels):

Mijnheer de voorzitter! Het speet mij oprecht dat ik gisteravond niet bij de discussie kon zijn. Ik krijg nu gelukkig toch nog de gelegenheid om er iets over te zeggen.

De hele discussie met betrekking tot de gebitsprothese is in feit symbolisch geweest voor de hele discussie met betrekking tot de volksgezondheid. Wij vinden het allemaal nodig en wij willen het wel, maar als puntje bij paaltje komt, doen wij het toch maar niet. In de brief die wij vanmiddag van de minister hebben gekregen, vindt mijn fractie geen spijkerharde toezegging. Wij zullen derhalve de motie-Marijnissen op stuk nr. 53 blijven steunen.

De heer Verkerk (AOV):

Mijnheer de voorzitter! Soms is het beter om de kiezen maar op elkaar te houden. Toch wil ik hier enige ruimte tussen mijn boven- en ondergebit brengen. Het AOV zal de motie van de heer Marijnissen steunen. Natuurlijk zijn wij blij dat het kabinet uiteindelijk tot een enigszins andere visie is gekomen, maar de toezegging is niet spijkerhard en dus niet voor een kunstgebit geschikt.

De beraadslaging wordt gesloten.

In stemming komt de motie-Marijnissen (24124, nr. 53).

De voorzitter:

Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de SP, GroenLinks, de RPF, het CDA, de groep-Nijpels, het AOV en de CD voor deze motie hebben gestemd en die van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.