Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatscourant 2014, 34583Adviezen Raad van State

Advies Raad van State inzake het voorstel van wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen

Nader Rapport

20 november 2014

Nr. 585912

Directie Wetgeving en Juridische Zaken

Aan de Koning

Nader rapport inzake het voorstel van wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 20 juni 2014, nr. 527782, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 4 september 2014, nr. W03.14.0196/II, bied ik U hierbij aan.

De regering heeft er met veel genoegen kennis van genomen dat de Afdeling advisering van de Raad van State het nieuwe boek over de tenuitvoerlegging waardeert als een veelbelovende start van de algehele modernisering van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), die in de komende jaren haar beslag zal krijgen. Dit geldt evenzeer voor het oordeel van de Afdeling dat het wetsvoorstel een heldere en logische regeling geeft met de gekozen opzet van bundeling van de wettelijke regels over de tenuitvoerlegging in één Boek.

1. Betekeningsregeling

a. Aard en omvang van het probleem

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is in paragraaf 6.2 van de memorie van toelichting nader ingegaan op de hoeveelheid betekeningsopdrachten en de getalsmatige ontwikkelingen hierin, mede als gevolg van de vervanging van de transactie door de strafbeschikking. Tevens wordt in de genoemde paragraaf een toelichting gegeven op verbeteringen bij de feitelijke uitvoering van de betekening van gerechtelijke mededelingen.

b. De drie betekeningsficties

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling zijn de drie zogeheten betekeningsficties geschrapt uit dit wetsvoorstel. Dat wil zeggen dat thans niet de mogelijkheden worden voorgesteld van betekening i) aan anderen dan de geadresseerde die aanwezig op zijn geregistreerde adres, ii) aan de toegevoegde raadsman en iii) aan de werkgever, wat zou hebben te gelden als betekening in persoon.

2. Noodzaak en effectiviteit van de strafbaarstelling

a. De strafbaarstelling

Conform het advies van de Afdeling is het voorgestelde artikel 187a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) geschrapt uit het wetsvoorstel. Met het vervallen van de hierboven beschreven betekeningsficties is er geen reden meer voor strafbaarstelling van het opzettelijk niet aan de geadresseerde doen toekomen van een voor diegene in ontvangst genomen gerechtelijke mededeling. De memorie van toelichting is hierop aangepast.

b. Artikel 36o Sv

Met het vervallen van de betekeningsficties en de strafbaarstelling van artikel 187a Sr wordt ook de mogelijkheid van ‘terugplaatsen in de vorige fase van de procedure’ overbodig. Artikel 36o Sv is om deze reden geschrapt uit het wetsvoorstel. De memorie van toelichting is hierop aangepast.

3. Gijzeling in verband met opgelegde ontnemingsmaatregel

Het advies van de Afdeling over gijzeling bij het niet-nakomen van een ontnemingsmaatregel is opgevolgd. Het wetsvoorstel is zo gewijzigd dat op het moment dat de veroordeelde zijn betalingsverplichting bij een ontnemingsmaatregel niet voldoet, het openbaar ministerie de tenuitvoerlegging van de gijzeling niet meer zelfstandig kan bevelen maar hiertoe een vordering moet indienen bij de rechter. Hierin is de wettelijke regeling van gijzeling bij de ontnemingsmaatregel gelijkgesteld aan die van gijzeling bij een in een strafbeschikking opgelegde geldboete. Deze wijziging betreft met name de voorgestelde artikelen 6:4:19 en 6:6:26 Sv van het voorstel en de hierbij gegeven toelichting.

4. Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden

Met de vaste werkwijze van identiteitsvaststelling in de verschillende fasen van de strafprocedure zou in beginsel in geen geval meer onduidelijkheid hoeven te bestaan over de identiteit van degene die een vrijheidsstraf ondergaat. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is bij de Justitiële informatiedienst (voor de afgelopen 10 jaar) en het openbaar ministerie (voor de afgelopen 5 jaar) zorgvuldig nagegaan in hoeveel gevallen het huidige rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (artikel 579 e.v. Sv) feitelijk is toegepast. Dit blijkt in de afgelopen periode nul keer het geval te zijn geweest. Hieruit maken wij op dat de huidige wijze van identiteitsvaststelling inderdaad met voldoende zekerheid discussie over de identiteit van veroordeelden uitsluit. Het voorgestelde artikel over identiteitsvaststelling door de rechter in de fase van de tenuitvoerlegging (artikel 6:6:7 Sv) is geschrapt uit het wetsvoorstel en de memorie van toelichting is hierop aangepast.

5. Redactionele opmerkingen

De redactionele opmerkingen van de Afdeling zijn opgevolgd.

Naast bovenstaande wijzigingen die voortvloeien uit het advies van de Afdeling is van de gelegenheid gebruik gemaakt verbeteringen in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting door te voeren. Deze wijzigingen vloeien met name voort uit de ontwikkelingen in de periode sinds de voordracht van het wetsvoorstel. In het kader van de algehele modernisering van het Wetboek van Strafvordering is bijvoorbeeld besloten in het wetboek de indeling te gaan volgen die wordt voorgeschreven in de Aanwijzingen voor de regelgeving. In het voorgestelde boek over de tenuitvoerlegging is daarom reeds de indeling hoofdstuk > titel > afdeling > paragraaf doorgevoerd. Daarnaast zijn enkele technische punten uit de consultatieronde alsnog verwerkt. Tot slot zijn het wetsvoorstel en de memorie van toelichting doorgelopen op actualiteit en juistheid. Dit heeft geleid tot tekstuele verbeteringen en tot verwerking in het wetsvoorstel van samenloop die werd voorzien met wetsvoorstellen die inmiddels tot wet zijn verheven.

Ik moge U, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven.

Advies Raad van State

No. W03.14.0196/II

’s-Gravenhage, 4 september 2014

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 20 juni 2014, no.2014001209, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel voorziet erin de wetgeving rondom de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen te herzien. Doelstellingen zijn het sneller starten van de tenuitvoerlegging, het bevorderen van het daadwerkelijk tenuitvoerleggen en het goed informeren van alle relevante partners. Hiertoe wordt in de eerste plaats de directe verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging verschoven van het openbaar ministerie naar de minister van Veiligheid en Justitie. In de tweede plaats wordt een stroomlijning van de betekeningsregeling voorgesteld door drie nieuwe ‘betekeningsficties’ in te voeren. In die gevallen wordt de gerechtelijke mededeling niet fysiek (‘in persoon’) aan de geadresseerde uitgereikt, maar geldt de uitreiking wel als betekening ‘in persoon’. Ook introduceert het voorstel een strafbaarstelling voor degene die opzettelijk nalaat een gerechtelijke mededeling in weerwil van de op hem rustende verplichting, onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. Buiten deze wijzigingen wordt voorgesteld om de bepalingen over tenuitvoerlegging van sancties te concentreren in een nieuw boek 6 van het Wetboek van Strafvordering.

De Afdeling advisering van de Raad van State ziet dit nieuwe boek 6 als een veelbelovende start van de algehele modernisering van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).1 Het maakt een einde aan de lappendeken waarin bepalingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen verspreid waren over het Wetboek van Strafvordering én het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en het heeft een logische en heldere opzet. Niettemin maakt de Afdeling enkele opmerkingen. Deze betreffen met name de betekeningsregeling. In de eerste plaats gaat de toelichting onvoldoende in op de aard en omvang van het betekeningsprobleem. Voorts worden de betekeningsfictie met betrekking tot de huisgenoot, raadsman en werkgever ontoereikend gemotiveerd. Dit geldt in het bijzonder voor de fictie van betekening aan de werkgever. De Afdeling adviseert hiervan af te zien. De noodzaak en effectiviteit van de strafbaarstelling van het opzettelijk nalaten om een gerechtelijke mededeling aan de geadresseerde uit te reiken is eveneens onvoldoende aangetoond en de Afdeling adviseert ook daarvan af te zien. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.

1. Betekeningsregeling

In de toelichting wordt – terecht – gesteld dat de wettelijke regeling inzake de betekening2 en de uitvoering die hieraan wordt gegeven direct de efficiency van de strafrechtspleging beïnvloeden.3 Een rechtsgeldige betekening is onder meer van belang voor het moment waarop de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gaat lopen. Zo wordt een vonnis in beginsel alleen voor tenuitvoerlegging vatbaar na het verstrijken van een termijn van veertien dagen voor het instellen van hoger beroep indien de dagvaarding rechtsgeldig is betekend en op een wijze waaruit blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de zitting. In andere gevallen waarbij het vonnis in afwezigheid van de verdachte is gewezen, kan het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte bekend is met de einduitspraak.4 Concreet brengt dit mee dat wanneer de dagvaarding niet in persoon is betekend, na een bij verstek gewezen vonnis de mededeling van de uitspraak veelal alsnog in persoon aan de veroordeelde moet worden betekend.

Het wetsvoorstel voorziet in drie nieuwe ‘betekeningsficties’. In die gevallen wordt de gerechtelijke mededeling niet fysiek (‘in persoon’) aan de geadresseerde uitgereikt, maar aan een ander, waarbij de uitreiking wel geldt als betekening in persoon.

a. Aard en omvang van het probleem

In de toelichting wordt niet nader ingegaan op de aard en omvang van het probleem met betrekking tot de betekening in strafzaken. In dat verband wijst de Afdeling op het WODC-onderzoek uit 2005 ‘De betekening en executie van verstekvonnissen, Een onderzoek naar knelpunten in de praktijk’.

Aanleiding voor dit onderzoek was het gegeven dat veel van de bij verstek gewezen vonnissen op de plank blijven liggen, vanwege de onmogelijkheid om het vonnis in persoon te betekenen. Uit het onderzoek blijkt dat in de periode 2001–2003 126.083 verstekvonnissen van rechtbankzaken (dat is 35% van het totaal aantal vonnissen) na vijftien dagen nog niet onherroepelijk zijn geworden en dat uiteindelijk vijftien procent van alle gewezen vonnissen niet onherroepelijk is geworden.

Volgens het onderzoek gaat het om twee typen verdachten en veroordeelden. Ten eerste een groep van verdachten en veroordeelden die niet of niet correct staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) omdat zij veelvuldig van adres wisselt of het GBA-adres slechts als postadres gebruikt en feitelijk elders verblijft (bijv. daklozen, verslaafden of illegalen). Ten tweede een categorie notoire verkeersovertreders die de daadwerkelijke executie er willens en wetens op aan laat komen. Uit het onderzoek blijkt voorts dat de feitelijke uitvoering een belangrijk aspect is van het betekeningsprobleem en dat hierin nog veel lijkt te winnen.5 In de memorie van toelichting wordt hier nauwelijks op ingegaan. Evenmin wordt ingegaan op de specifieke kenmerken van verdachten/veroordeelden ten aanzien van wie zich betekeningsproblemen voordoen.

Daarnaast wijst de Afdeling op de beoogde bredere toepassing van de strafbeschikking die op termijn de transactie dient te vervangen. Daarmee zal naar verwachting een substantieel aantal zaken dat thans nog leidt tot een verstekvonnis op een veel eerder tijdstip onherroepelijk worden, namelijk op het moment dat de verdachte geen verzet instelt tegen de strafbeschikking.6 De strafbeschikking is juist bedoeld om te voorkomen dat ‘stilzitten’ van de verdachte loont: doordat de verdachte een transactievoorstel niet accepteert is het openbaar ministerie gehouden de verdachte te dagvaarden teneinde een verstekvonnis te kunnen executeren. Door de gefaseerde inwerkingtreding van de strafbeschikking zal het aantal verstekvonnissen vermoedelijk substantieel afnemen. Ook hierop gaat de toelichting niet in.

In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling in de toelichting nader in te gaan op de aard en omvang van de ‘betekeningsproblemen’.

b. De drie betekeningsficties

Er worden drie ficties voorgesteld die gelden als betekening ‘in persoon’. In de eerste plaats kan het stuk worden uitgereikt aan degene die zich op het GBA-adres of woonadres van de geadresseerde bevindt en zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. In de tweede plaats wordt voorgesteld dat bij een verdachte die op grond van de Wet op de rechtsbijstand gesubsidieerde rechtsbijstand ontvangt, maar die niet op zijn GBA- of woonadres is te bereiken, het stuk kan worden uitgereikt op het kantoor van de toegevoegde raadsman. Ten slotte kan, indien de geadresseerde niet bereikbaar is op het GBA-adres of woonadres, en evenmin bij de toegevoegde raadsman, het stuk uitgereikt worden aan de werkgever van de geadresseerde.

De Afdeling stelt in de eerste plaats vast dat met de voorgestelde betekeningsficties het doel van de betekening verder opschuift van het daadwerkelijk bereiken van de verdachte naar het bewerkstelligen van een formeel rechtsgeldige betekening in persoon, waarbij de fysieke uitreiking aan een ander dan de geadresseerde plaatsvindt. Van deze ficties zal naar de mening van de Afdeling geen stimulans uitgaan om het stuk in ontvangst te nemen en fysiek aan betrokkene te doen toekomen. Het laatste geldt temeer daar het opzettelijk nalaten van het doorgeven van het stuk strafbaar wordt gesteld.7

  • i. Betekening aan anderen dan geadresseerde op het GBA- of woonadres

    Op basis het huidige recht kan een gerechtelijke mededeling worden uitgereikt aan degene die zich op het woonadres van de geadresseerde bevindt, indien deze verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. Dit geldt echter niet als betekening in persoon. In de toelichting wordt gesteld dat van personen die zich op het adres van geadresseerde bevinden en die zich bereid verklaren om een officieel stuk door te geven aan de geadresseerde, kan worden verwacht dat zij dit ook daadwerkelijk doen.8 Daarom wordt voorgesteld dat een dergelijke uitreiking heeft te gelden als betekening aan persoon.9

    Deze motivering is naar het oordeel van de Afdeling ontoereikend. Er worden geen redenen gegeven waarom deze vorm van betekening nu wel als ‘in persoon’ kan gelden. Bovendien wordt op deze wijze een zware verplichting gelegd bij degene die zich op het adres van geadresseerde bevindt, wie dat ook moge zijn, indien deze persoon zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. De strafbaarstelling van het opzettelijk nalaten het stuk door te geven10 en de mogelijkheid te weigeren het stuk in ontvangst te nemen, zal ernstig afbreuk doen aan de effectiviteit van het voorstel.

    De Afdeling adviseert het voorstel om de betekening aan degene die zich op het woonadres van geadresseerde bevindt als betekening in persoon te laten gelden, dragend te motiveren en anders daarvan af te zien.

  • ii. Betekening aan de toegevoegd raadsman

    De gedachte achter dit voorstel is dat van een persoon die eenmaal in een strafvervolging is betrokken, mag worden verwacht dat hij zelf een zekere inspanning levert om zich op de hoogte te stellen van gerechtelijke mededelingen. De toegevoegd raadsman11 is verplicht de stukken in ontvangst te nemen en onverwijld aan zijn cliënt uit te reiken.12 De Afdeling heeft drie opmerkingen bij dit voorstel.

  • iia. Zoals ook de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) in zijn advies heeft opgemerkt leidt de introductie van deze verplichting voor de toegevoegd raadsman ertoe dat zijn positie en rol in strafzaken wijzigt. De raadsman is niet langer enkel rechtsbijstandsverlener, maar tevens – en van rechtswege – vertegenwoordiger van zijn cliënt. Het wordt mede afhankelijk van de raadsman of een verstekvonnis reeds binnen twee weken ten uitvoer kan worden gelegd. Een mogelijk gevolg is dat de raadsman zich eerder zal ‘onttrekken’ indien niet direct contact mogelijk blijkt met de cliënt. Weliswaar kan de raadsman nu ook in bepaalde gevallen als bepaaldelijk gemachtigde optreden, maar dat geldt niet van rechtswege.13 De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de wijziging van de positie van de raadsman in strafzaken als gevolg van het voorstel en op het risico van ‘onttrekking’ bij betekening aan de raadsman.

  • iib. In verband met het voorgaande is tevens de vraag wat de positie van de raadsman is aan wie de dagvaarding is uitgereikt, in het geval zijn cliënt niet op de zitting aanwezig is en hij geen contact met zijn cliënt heeft gehad. In het geval van de niet verschenen verdachte die zich ter zitting laat verdedigen door een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk gemachtigd te zijn, geldt in de rechtspraak een strikte normering. De raadsman die ter zitting niet uitdrukkelijk gemachtigd is, mag wel toelichten waarom de verdachte afwezig is; ook mag hij om aanhouding verzoeken met het oog op effectuering van het aanwezigheidsrecht. Als de raadsman niet gevolmachtigd is en de behandeling niet wordt aangehouden, wordt verstek verleend.14 De gedachte hierachter is dat de verdachte, voordat deze een machtiging verstrekt, een keuze maakt, onder meer wat betreft de aard en omvang van de handelingen die zijn raadsman namens hem heeft te verrichten.15 De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op het voorstel met betrekking tot de positie van de raadsman aan wie de dagvaarding is uitgereikt in relatie tot de geldende jurisprudentie met betrekking tot artikel 279 Sv.

  • iic. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft bepaald dat het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) ingelezen aanwezigheidsrecht van de verdachte een recht van hem in persoon betreft. Dat betekent dat bij het beschouwen van de modaliteit van betekenen aan – uitsluitend – de raadsman van belang is dat het aanwezigheidsrecht altijd voldoende gewaarborgd is als alleen de raadsman ter zitting verschijnt.16 In dit verband wordt in de toelichting gesteld dat wanneer de raadsman op de zitting aanwezig is, dit volgens het Hof in Straatsburg niet automatisch betekent dat de verstekbehandeling zonder meer acceptabel is. Geconcludeerd wordt dat het uiteindelijk aan de rechter is om op basis van de akte van uitreiking en een beschrijving van de door de justitiële autoriteiten ondernomen inspanningen te oordelen over de geldigheid van de uitreiking.17

    Gelet hierop acht de Afdeling het wenselijk de wettelijke regeling aan te passen teneinde het risico te voorkomen dat toepassing ervan leidt tot een schending van artikel 6 EVRM. In de zaak De Groot18 bijvoorbeeld achtte het Hof het aanwezigheidsrecht niet geschonden omdat de autoriteiten hadden getracht de appeldagvaarding uit te reiken op het adres dat de verdachte zelf had opgegeven aan de rechter-commissaris en dat de verdachte in persoon op de hoogte was gesteld van het feit dat hoger beroep was ingesteld en dus een appeldagvaarding kon ontvangen.19 Hoewel het hier niet om een adres van de raadsman ging dat door de verdachte was opgegeven, zou een wettelijke waarborg kunnen zijn dat aan de verdachte de keuzemogelijkheid wordt gegeven het adres van zijn raadsman op te geven. Ook in het onderzoeksproject Strafvordering 2001 is voorgesteld dat de verdachte ervoor kan kiezen het adres van zijn raadsman op te geven als adres waaraan voor hem bestemde stukken kunnen worden betekend.20 Deze keuzeoptie, die bovendien ook is genoemd in het rapport ‘Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief’, wordt in de toelichting niet besproken.21

    De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op jurisprudentie van het EVRM in dezen en op de mogelijkheid om uitreiking aan het adres van de raadsman afhankelijk te stellen van de keuze van de verdachte en het voorstel zo nodig aan te passen.

  • iii. Betekening aan werkgever

    Als derde fictie van betekening in persoon wordt voorgesteld de betekening aan de werkgever van de geadresseerde. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak acht dit voorstel ongewenst omdat de betekening aan de werkgever de privacy van de verdachte raakt. Dit wordt door het kabinet erkend en in reactie hierop is in de toelichting het voorstel getoetst aan het recht op privacy zoals dat is verankerd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Opgemerkt wordt dat voor de beoordeling van de subsidiariteit van belang is dat betekening aan de werkgever als laatste betekeningsmogelijkheid is opgenomen; zij staat enkel open als alle overige overheidsinspanningen zijn mislukt. In verband met de proportionaliteit wordt opgemerkt dat het gerechtelijk stuk afgesloten wordt uitgereikt en dat de aanleiding of inhoud niet bekend wordt gemaakt bij de werkgever. ‘Door deze invulling wordt op de minst ingrijpende wijze bereikt dat de gerechtelijke mededeling in persoon kan worden uitgereikt.’22

De omstandigheid dat de inhoud van het stuk niet bekend wordt gemaakt bij de werkgever neemt niet weg dat de betrokkene wel iets aan zijn werkgever en collega’s heeft uit te leggen nadat de politie op zijn werkplek een voor hem bestemd gerechtelijk stuk heeft afgeleverd. Niet aannemelijk is dat dit geheim zal blijven. Onder die omstandigheden dient deze wijze van betekenen te worden beschouwd als een onevenredige inbreuk op de privacy van de betrokkene en bovendien zal deze wijze van betekenen in veel gevallen een onevenredig zware last leggen op de verhoudingen tussen werkgever en werknemer.

Daarnaast voorziet het openbaar ministerie discussie over de vraag wanneer er (nog) sprake is van een arbeidsverhouding en of de werkgever redelijkerwijs het stuk aan de geadresseerde kon doen toekomen. In reactie hierop wordt in de toelichting gesteld dat bedoeld wordt het adres waar de betrokkene daadwerkelijk en met enige regelmaat verschijnt voor het uitvoeren van activiteiten in het kader van zijn werk. “Dit brengt mee dat waar sprake is van een werkrelatie op zeer onregelmatige basis, betekening op het adres van de werkgever niet in de rede ligt.”23 Deze toelichting neemt niet weg dat er in de praktijk gemakkelijk discussie zal ontstaan over de vraag of er sprake is van een arbeidsrelatie in de zin van de wet.24

Voorts geldt ook in dit geval dat er een zware verplichting wordt neergelegd bij een werkgever in de relatie met zijn werknemer (zie hierover nader punt 2 van dit advies)25

De Afdeling adviseert af te zien van de mogelijkheid van betekening aan de werkgever.

2. Noodzaak en effectiviteit van de strafbaarstelling

Sluitstuk van de voorgestelde betekeningsregeling vormt het voorgestelde artikel 187a Sr: hij die opzettelijk nalaat een gerechtelijke mededeling in weerwil van de op hem rustende verplichting, onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. Zowel de Raad voor de rechtspraak, het College van procureurs-generaal, de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming en de NOvA zijn kritisch over de noodzaak en effectiviteit van deze strafbepaling. In reactie hierop stelt het kabinet deze strafbaarstelling van groot belang te achten. Enerzijds om duidelijk te kunnen maken aan degene die het stuk voor een ander in ontvangst neemt dat op hem of haar een zware verplichting rust. Anderzijds is deze strafbaarstelling cruciaal voor de nieuw voorgestelde mogelijkheid om indien de geadresseerde de gerechtelijke mededeling niet heeft ontvangen de procedure terug te plaatsen in de stand voorafgaand aan die betekening zodat de verdachte alsnog in appel kan.26

a. De strafbaarstelling

Met betrekking tot het eerste punt -het duidelijk maken dat op de betrokkene een zware verplichting rust- merkt de Afdeling op dat dit niet toereikend is voor strafbaarstelling. Er gelden immers vele zware verplichtingen in het recht die niet strafrechtelijk zijn gesanctioneerd. Daarbij komt dat het hier om een ‘afgeleide’ strafrechtelijke verplichting gaat; de verplichting bestaat namelijk alleen indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard het stuk in ontvangst te nemen.

Voorts bevat de voorgestelde strafbaarstelling het ‘opzettelijk nalaten’ als subjectief bestanddeel. De Afdeling begrijpt dat onder opzet het voorwaardelijk opzet is begrepen. Dit zal tot bewijsproblemen leiden in de gevallen dat de verdachte stelt ‘vergeten’ te zijn om het stuk te overhandigen.

Ten slotte zal, zoals al eerder opgemerkt, de voorgestelde strafbaarstelling in combinatie met de mogelijkheid om ervoor te kiezen het stuk niet in ontvangst te nemen, er naar verwachting toe leiden dat minder personen zich bereid zullen verklaren het stuk in ontvangst te nemen dan in de situatie zonder strafbaarstelling. Dit doet ernstig afbreuk aan de doelstelling van het wetsvoorstel, namelijk het vergroten van het aantal rechtsgeldige betekeningen ‘in persoon’.

Gezien deze opmerkingen adviseert de Afdeling af te zien van de voorgestelde strafbaarstelling in artikel 187a Sr.

b. Artikel 36o Sv

In reactie op de kritiek op de betekeningsficties is een nieuw artikel 36o Sv in het voorstel opgenomen waarin wordt bepaald dat indien iemand wordt vervolgd voor het misdrijf omschreven in artikel 187a Sr en degene aan wie de gerechtelijke mededeling was geadresseerd het aannemelijk maakt bij de officier van justitie dat de mededeling hem niet tijdig heeft bereikt om een rechtsmiddel te kunnen aanwenden, de rechtsgevolgen vervallen die zijn verbonden aan de aangenomen betekening in persoon.

Ook zonder de strafbaarstelling kan de procedure worden teruggeplaatst in de stand voorafgaand aan die betekening, in het geval degene aan wie de gerechtelijke mededeling was gericht aannemelijk maakt dat de mededeling hem niet tijdig heeft bereikt. De Afdeling acht hiervoor toereikend dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat hij het stuk niet heeft ontvangen; de omstandigheid dat degene die het stuk in ontvangst heeft genomen wordt vervolgd wegens het niet nakomen van de verplichting is niet cruciaal voor de hervatting van de zaak voorafgaand aan de uitreiking aan die huisgenoot. Sterker nog: Dit voorgestelde wettelijke criterium is oneigenlijk nu het aan het openbaar ministerie is om die zaak al dan niet te vervolgen. Dit betekent dat door geen vervolging te starten wegens overtreding van artikel 187a Sr het openbaar ministerie het intreden van de rechtsgevolgen van betekening in persoon zelf in de hand heeft.

De Afdeling adviseert daarom het criterium in het voorgestelde artikel 36o Sv ‘indien iemand wordt vervolgd voor het misdrijf omschreven in artikel 187a Sr’ te laten vervallen.

3. Gijzeling in verband met opgelegde ontnemingsmaatregel

Voorgesteld wordt een meer uniforme regeling en toepassing van vrijheidsbeneming als pressiemiddel bij de inning van geldelijke sancties.27 Hiertoe wordt onder meer voorgesteld dat de rechter bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel de duur bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast.28 De duur bedraagt ten hoogste drie jaar.29 Over de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de gijzeling beslist vervolgens het openbaar ministerie.30

Op dit moment kan de rechter, indien de veroordeelde niet aan de betalingsverplichting voldoet en verhaal niet mogelijk is gebleken, op vordering van het openbaar ministerie verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang verlenen voor de duur van ten hoogste drie jaar.31 Het voorstel brengt met zich mee dat het niet langer aan de rechter, maar aan het openbaar ministerie is om te beslissen over de tenuitvoerlegging van de gijzeling, op het moment dat de veroordeelde niet aan zijn betalingsverplichting voldoet in verband met de opgelegde ontnemingsmaatregel.32 In de toelichting wordt gesteld dat dit op dit moment ook het geval is bij de vervangende hechtenis in het kader van de schadevergoedingsmaatregel.33

De Afdeling heeft twee kanttekeningen bij dit onderdeel. In de eerste plaats bedraagt de gijzeling in verband met de schadevergoedingsmaatregel ten hoogste één jaar terwijl de gijzeling naar aanleiding van de opgelegde ontnemingsmaatregel drie jaar kan duren. Gelet op dat verschil in duur van de vrijheidsbeneming die de gijzeling tot gevolg kan hebben, is de gelijkstelling van de procedure voor tenuitvoerlegging van de gijzeling zonder actuele en uitdrukkelijke rechterlijke beslissing niet zonder meer gerechtvaardigd. Weliswaar beveelt de rechter bij de uitspraak waarbij geldboete wordt opgelegd ook vervangende hechtenis voor het geval dat noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag plaatsvindt, maar die vervangende hechtenis bedraagt (ook) maximaal één jaar.34

In de tweede plaats merkt de Afdeling op dat de tot 2003 bestaande regeling van de bijzondere vervangende hechtenis bepaalde dat de rechter bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel de toepassing van de bijzondere vervangende hechtenis beval voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal volgde.35 Die vooraf opgelegde vervangende hechtenis leidde in de praktijk tot aanmerkelijke fricties, aldus de toelichting bij de Wet aanpassing ontnemingswetgeving:36 Het riep bij de magistratuur het beeld op van dubbele bestraffing. Naar aanleiding hiervan is de huidige procedure in de wet neergelegd. Die houdt in dat de rechter op het moment dat de veroordeelde zijn betalingsverplichting niet voldoet, verlof kan geven tot toepassing van lijfsdwang. Aan deze voorgeschiedenis wordt in de toelichting voorbijgegaan.

Gelet op de duur van de gijzeling en de voorgeschiedenis met betrekking tot de inmiddels vervallen bijzondere vervangende hechtenis, adviseert de Afdeling af te zien van tenuitvoerlegging door het openbaar ministerie van gijzeling in verband met het niet nakomen van de ontnemingsmaatregel.

4. Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden

Voorgesteld wordt om de bestaande regeling inzake het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden over te nemen.37 Doel is bij blijvende twijfel over de identiteit van degene die een vrijheidsstraf ondergaat, een rechter te laten beslissen over de identiteit van betrokkene. In de toelichting wordt gesteld dat deze regeling nauwelijks wordt toegepast. Tevens wordt gesteld dat door de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling en de toepassing daarvan, zeker in de fase van de tenuitvoerlegging, zich de vraag laat stellen of deze aparte rechtsgang nog relevant is.38 Er wordt echter niet gemotiveerd waarom ondanks deze twijfel toch wordt voorgesteld deze bestaande regeling over te nemen.

De Afdeling adviseert de noodzaak voor de voorgestelde regeling in de toelichting toe te lichten.

5. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State, J.P.H. Donner.

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no. W03.14.0196/II

  • In artikel I, onderdeel D, aan artikel 36a van het Wetboek van Strafvordering toevoegen: Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. (Conform onder meer het voorgestelde artikel 6:1:9, eerste lid, laatste zin).

  • In artikel I, onderdeel AA, na ‘In artikel 451a’ invoegen: eerste lid,.

  • De verhouding tussen de voorgestelde wijziging met betrekking tot de verlenging van de proeftijd van artikel 14b, vierde lid, Sr en het voorgestelde artikel 6:6:20, tweede lid, bezien.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en diverse andere wetten te wijzigen in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Boven artikel 27 wordt een opschrift ingevoegd, luidende:

EERSTE AFDELING ALGEMENE BEPALINGEN

B

Aan artikel 27a wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De verdachte wordt ten behoeve van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen gevraagd naar zijn elektronisch adres.

C

Boven artikel 30 wordt een opschrift ingevoegd, luidende:

TWEEDE AFDELING KENNISNEMING VAN PROCESSTUKKEN

D

Na artikel 36 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

DERDE AFDELING KENNISGEVING VAN GERECHTELIJKE MEDEDELINGEN
Artikel 36a

Indien op grond van dit wetboek een betekening, dagvaarding, oproeping, kennisgeving, aanzegging of andere mededeling is voorgeschreven, geschiedt deze op last van het openbaar ministerie dat de zaak opspoort, vervolgt of het laatst heeft vervolgd, tenzij de wet anders bepaalt. Het openbaar ministerie kan van een ieder vorderen de inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen.

Artikel 36b
  • 1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt door:

    • a. betekening;

    • b. toezending;

    • c. mondelinge mededeling.

  • 2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is, geschiedt betekening door uitreiking.

  • 3. Toezending geschiedt door aflevering van een gewone of aangetekende brief door een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 dan wel door een hiertoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen dienst of andere instelling van vervoer, dan wel door elektronische overdracht, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze.

  • 4. Een mondelinge mededeling wordt zo spoedig mogelijk in een proces-verbaal of op andere wijze schriftelijk vastgelegd.

Artikel 36c
  • 1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen behoeft alleen door betekening te geschieden in de bij de wet bepaalde gevallen. Dagvaardingen en aanzeggingen die aan het openbaar ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad zijn opgedragen, worden steeds betekend, tenzij de wet anders bepaalt.

  • 2. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen geschiedt in andere gevallen door toezending van een gerechtelijke mededeling, tenzij de wet bepaalt dat de kennisgeving mondeling wordt gedaan.

Artikel 36d
  • 1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt door een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 dan wel door een hiertoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen dienst of andere instelling van vervoer.

  • 2. De elektronische overdracht van een gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt met behulp van een hiertoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening.

  • 3. Het openbaar ministerie kan indien dit wenselijk is de uitreiking opdragen aan een ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel aan een andere ambtenaar of functionaris, voor zover die ambtenaar of functionaris daartoe bij ministeriële regeling is aangewezen.

Artikel 36e
  • 1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:

    • a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

    • b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

      • 1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

      • 2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde, dan wel,

      • 3°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, aan het adres van de raadsman die rechtsbijstand verleent aan de geadresseerde op grond van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel,

      • 4°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, noch gebruik maakt van rechtsbijstand, aan het adres van de van hem bekende feitelijke werkgever.

  • 2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,

    • a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op het adres, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° of 4°, bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. De raadsman, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 3°, is verplicht de aan zijn adres uitgereikte gerechtelijke mededeling in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. Deze uitreikingen gelden als betekening in persoon;

    • b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan het openbaar ministerie. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van de uitreiking aan het openbaar ministerie en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.

  • 3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.

  • 4. In het belang van een goede uitvoering van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.

Artikel 36f
  • 1. Voor de elektronische overdracht, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een bericht gezonden aan het elektronisch adres dat is opgegeven door degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is.

  • 2. Betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 36d, tweede lid.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Artikel 36g
  • 1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:

    • a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;

    • b. indien de verdachte bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;

    • c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.

  • 2. De verdachte kan het adres, bedoeld in het eerste lid, of het elektronisch adres, bedoeld in artikel 27a, derde lid, wijzigen.

  • 3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:

    • a. het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge artikel 36e wordt uitgereikt;

    • b. de verdachte, nadat hij bij een eerdere gelegenheid als bedoeld in het eerste lid een adres heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, bij een volgende gelegenheid uitdrukkelijk te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven;

    • c. de dagvaarding of oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon is uitgereikt.

  • 4. Bij de verzending, bedoeld in het eerste lid, wordt de voor de dagvaarding of oproeping geldende termijn in acht genomen.

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Artikel 36h
  • 1. Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:

    • a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;

    • b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;

    • c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;

    • d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;

    • e. de plaats van uitreiking;

    • f. de dag en het uur van uitreiking.

  • 2. Wordt met de gerechtelijke mededeling gehandeld overeenkomstig de tweede zin van artikel 36e, tweede lid, aanhef en onder b, dan vermeldt de akte de dag van aanbieding van het stuk aan het adres van degene voor wie het is bestemd.

  • 3. De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder d, vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  • 4. De vastlegging in een proces-verbaal van de mondelinge mededeling, bedoeld in artikel 36b, vierde lid, vermeldt in elk geval de in het eerste lid bedoelde gegevens.

  • 5. Het model van de akte wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij kunnen in het belang van een goede uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 36i
  • 1. Van iedere elektronische overdracht als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt langs elektronische weg vastgelegd:

    • a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;

    • b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;

    • c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;

    • d. het elektronische adres waaraan het bericht is gestuurd dat de gerechtelijke mededeling beschikbaar is gesteld voor elektronische overdracht;

    • e. de wijze waarop de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft;

    • f. de door de elektronische voorziening geregistreerde gegevens over de dag en het uur waarop de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, de mededeling heeft ingezien of opgehaald.

  • 2. De eisen waaraan de vastlegging van de elektronische overdracht moet voldoen, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij kunnen in het belang van een goede uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 36j
  • 1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een rechtspersoon, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt aan:

    • a. de woonplaats van de rechtspersoon, dan wel

    • b. de plaats van het kantoor van de rechtspersoon, dan wel

    • c. de woonplaats van een van de bestuurders.

  • 2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door uitreiking aan een van de bestuurders, dan wel aan een persoon die door de rechtspersoon is gemachtigd het stuk in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in persoon. Uitreiking aan deze personen kan geschieden op een andere plaats dan bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De uitreiking van een gerechtelijke mededeling als bedoeld in het tweede lid kan eveneens geschieden op een van de plaatsen omschreven in het eerste lid, aan ieder die in dienstbetrekking is van de rechtspersoon en die zich bereid verklaart de gerechtelijke mededeling te bezorgen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in persoon.

Artikel 36k
  • 1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt aan:

    • a. de plaats van het kantoor van de maatschap of vennootschap, dan wel

    • b. de woonplaats van een van de aansprakelijke vennoten.

  • 2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door uitreiking aan een van de aansprakelijke vennoten dan wel aan een persoon die door een of meer van hen is gemachtigd het stuk in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in persoon. Uitreiking aan deze personen kan geschieden op een andere plaats dan bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De uitreiking van een gerechtelijke mededeling als bedoeld in het vorige lid kan eveneens geschieden op een van de plaatsen, omschreven in het eerste lid, aan ieder die in dienstbetrekking is van de maatschap of vennootschap of van een aansprakelijke vennoot en die zich bereid verklaart de gerechtelijke mededeling te zullen bezorgen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in persoon.

  • 4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing bij de vervolging van een doelvermogen of rederij. In dit geval treden de bestuurders dan wel de boekhouder en de leden van de rederij in de plaats van de aansprakelijke vennoten.

Artikel 36l

Heeft de uitreiking niet overeenkomstig artikel 36j, tweede of derde lid, of artikel 36k, tweede of derde lid, kunnen geschieden, dan wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie zendt alsdan een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan het in de mededeling vermelde adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking.

Artikel 36m

Op de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een rechtspersoon, maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een doelvermogen of rederij zijn de artikelen 36b, 36c, 36d, 36e, tweede en vierde lid, 36f, 36g, 36h, eerste, derde en vijfde lid, 36i, 36n, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 36n
  • 1. De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.

  • 2. Indien de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, doch ter terechtzitting blijkt dat hij feitelijk op een ander adres verblijft, kan de rechter de oproeping van de niet verschenen verdachte bevelen.

  • 3. Indien aan de verzendplicht ingevolge artikel 36g niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:

    • a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel

    • b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.

Artikel 36o

Indien iemand wordt vervolgd voor het misdrijf omschreven in artikel 187a van het Wetboek van Strafrecht en degene aan wie de gerechtelijke mededeling was geadresseerd maakt aannemelijk bij de officier van justitie dat de mededeling hem niet tijdig heeft bereikt om een rechtsmiddel aan te kunnen wenden, vervallen de rechtsgevolgen die zijn verbonden aan de aangenomen betekening in persoon. De behandeling van de zaak wordt hervat vanaf het moment voorafgaand aan de in de vorige zin bedoelde betekening.

E

De artikelen 35 en 36 worden vernummerd naar 28a en 28b.

F

Aan artikel 51b wordt een zevende lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Het slachtoffer wordt ten behoeve van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen gevraagd naar zijn elektronisch adres.

G

In artikel 51j, vierde lid, wordt ‘artikel 591’ vervangen door: artikel 529.

H

De Tweede Afdeling A, Schadevergoeding, houdende de artikelen 89, 90, 91 en 93, vervalt.

I

Na artikel 127 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 127a

Onder Onze Minister wordt verstaan Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

J

Artikel 136, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.

K

Artikel 257d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na de eerste volzin een zin ingevoegd, luidende: Toezending van het afschrift kan tevens plaatsvinden door een elektronische overdracht als bedoeld in artikel 36b, derde lid.

2. In het vierde lid komt de eerste volzin te luiden ‘Toezending vindt plaats door elektronische overdracht of bij brief.’ en wordt ‘bij aangetekende brief’ vervangen door: door elektronische overdracht of bij aangetekende brief.

L

In artikel 257e, achtste lid, wordt ‘of de kantonrechter te brengen’ vervangen door: of de kantonrechter te brengen, ook in de gevallen waarin geen verzet is gedaan.

M

In Boek II, Titel IVA, vervalt, onder vernummering van de achtste afdeling tot zevende afdeling, de zevende afdeling.

N

In artikel 265, tweede lid, wordt ‘artikel 587, tweede lid,’ vervangen door: artikel 36d, derde lid,.

O

In artikel 361a wordt ‘een vordering als bedoeld in artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: een vordering als bedoeld in artikel 6:6:22, eerste lid,.

P

Aan artikel 365 wordt een zevende lid toegevoegd, luidende:

7. Het ondertekende vonnis wordt binnen veertien dagen na de uitspraak verstrekt aan het openbaar ministerie.

Q

In artikel 366a, tweede lid, vervalt: over de post.

R

Na artikel 366a wordt een artikel ingevoegd:

Artikel 366b
  • 1. De griffier verstrekt uit eigen beweging kosteloos een afschrift van het onherroepelijke vonnis of arrest aan de benadeelde partij die zich in het geding over de strafzaak heeft gevoegd. De benadeelde partij doet zelf het vonnis of arrest, voor zover dit haar vordering aangaat, ten uitvoer leggen op de wijze bepaald voor vonnissen in burgerlijke zaken. Indien het een mondeling vonnis geldt, geschiedt de tenuitvoerlegging uit kracht van een mededeling van de griffier, houdende afschrift van de aantekening van het vonnis, vermeldende de benadeelde partij, degene tegen wie en de rechter door wie het vonnis is gewezen, met aan het hoofd de woorden: ‘In naam van de Koning’.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de rechter de schadevergoedingsmaatregel, bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, heeft opgelegd en er bij gebreke aan voldoening van het verschuldigde bedrag gijzeling is toegepast terwijl de staat het resterende bedrag of een deel daarvan niet heeft uitgekeerd aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is.

S

In artikel 386, derde lid, vervalt: over de post.

T

In artikel 390, eerste lid, wordt ‘artikel 587, tweede lid,’ vervangen door: artikel 36d, derde lid,.

U

In artikel 404, derde lid, wordt ‘artikel 588a’ vervangen door: artikel 36g.

V

In artikel 408, eerste lid, onder d, wordt ‘artikel 588a’ vervangen door: artikel 36g.

W

Artikel 410a wordt als volgt gewijzigd.

1. In het tweede lid wordt ‘artikel 588a’ vervangen door: artikel 36g.

2. In het vierde lid wordt ‘artikel 557, eerste lid’ vervangen door: artikel 6:1:16, eerste lid.

X

In artikel 432, eerste lid, onder d, wordt ‘artikel 588a’ vervangen door: artikel 36g.

Y

In artikel 435, derde lid, wordt ‘In afwijking van artikel 586, eerste lid, tweede volzin,’ vervangen door ‘In afwijking van artikel 36c, eerste lid, tweede volzin,’ en vervalt: van een gewone of aangetekende brief over de post.

Z

In artikel 450, vierde lid, vervalt: als gewone brief over de post.

AA

In artikel 451a wordt ‘artikel 37d, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: artikel 6:2:16.

BB

De artikelen 480 en 482 vervallen.

CC

In artikel 489, tweede lid, wordt ‘77u of 77ee’ vervangen door ‘6:6:3 of 6:6:38’ en wordt ‘artikel 14i, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: artikel 6:6:4, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

DD

De artikelen 501 tot en met 505 vervallen.

EE

Artikel 509i vervalt.

FF

Van het VIERDE BOEK vervallen TITEL IIB, TWEEDE, DERDE EN VIERDE AFDELING, en TITEL IIC.

GG

De artikelen 529 tot en met 532 vervallen.

HH

Onder vernummering van Titel VIA van het Vierde Boek naar Titel VIB wordt na artikel 528 een Titel ingevoegd, luidende:

TITEL VIA SCHADEVERGOEDING EN ANDERE BIJZONDERE KOSTEN
Artikel 529
  • 1. Aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen wordt uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending van die kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden.

  • 2. Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak. De vaststelling geschiedt bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd, en wel door de rechter of raadsheer in de enkelvoudige kamer die de zaak heeft behandeld of, indien de behandeling van de zaak plaatsvond door een meervoudige kamer, door de voorzitter daarvan. De rechter of raadsheer geeft voor het bedrag van de vergoeding een bevelschrift van tenuitvoerlegging af.

  • 3. De behandeling van het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.

  • 4. Uitbetaling geschiedt door de griffier.

  • 5. Een en ander vindt overeenkomstige toepassing op de behandeling van een vordering als bedoeld in artikel 6:6:7, op de behandeling van vorderingen of beroep in het kader van de tenuitvoerlegging van een terbeschikkingstelling en op de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b.

Artikel 530
  • 1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.

  • 2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voor zover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.

  • 3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 496, eerste lid.

  • 4. De artikelen 529, tweede tot en met vijfde lid, 534 en 535 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.

Artikel 531
  • 1. De kosten van uitlevering of overbrenging van voorwerpen ingevolge een bevel van de rechter-commissaris of van de officier van justitie kunnen de betrokken persoon op de begroting van de rechter-commissaris of van de officier van justitie uit ’s Rijks kas worden vergoed.

  • 2. De kosten van het nakomen van een vordering tot het verstrekken van gegevens of tot het medewerking verlenen aan het ontsleutelen van gegevens krachtens de artikelen 126m, 126n, 126nc tot en met 126ni, 126t, 126u, 126uc tot en met 126ui en 126zja tot en met 126zp kunnen de betrokkene uit ’s Rijks kas worden vergoed. Hierbij kan een lager bedrag worden vergoed voor zover degene tot wie het bevel zich richt, niet de administratie heeft gevoerd en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers heeft bewaard als voorgeschreven in artikel 10 van Boek 2 en artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3. De rechter-commissaris of de officier van justitie geeft een bevelschrift van tenuitvoerlegging af.

Artikel 532

Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in artikel 333 of 335 doet, over de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Artikel 533
  • 1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kan de rechter, op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade welke hij tengevolge van ondergane verzekering, ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.

  • 2. Een vergoeding, als bedoeld in het voorgaande lid, kan ook worden toegekend voor de schade die de gewezen verdachte heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming die hij in het buitenland heeft ondergaan in verband met een door Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering.

  • 3. Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De behandeling van het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.

  • 4. De raadkamer is zoveel mogelijk samengesteld uit de leden die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten.

  • 5. Tot de toekenning is bevoegd het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd of zou worden vervolgd of anders het laatst werd vervolgd.

  • 6. Een verzoek om vergoeding van door de gewezen verdachte geleden schade kan ook door zijn erfgenamen worden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. Bij deze toekenning blijft een vergoeding van het door de gewezen verdachte geleden nadeel dat niet in vermogensschade bestaat achterwege. Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek of na instelling van hoger beroep is overleden, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.

Artikel 534
  • 1. De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

  • 2. Bij de bepaling van het bedrag wordt ook rekening gehouden met de levensomstandigheden van den gewezen verdachte.

  • 3. Indien de rechter beslist tot het toekennen van schadevergoeding, wordt het uit te keren bedrag verrekend met geldboeten en andere aan de Staat verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan de verzoeker bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld of tot betaling waartoe de verzoeker op grond van een jegens hem uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is, een en ander voor zover die nog niet door hem zijn voldaan.

  • 4. In plaats van het toekennen van schadevergoeding kan de rechter beschikken dat de dagen die de gewezen verdachte op grond van een bevel tot inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in detentie heeft doorgebracht – geheel of gedeeltelijk – in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van een uit anderen hoofde opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf.

  • 5. De beschikking wordt onverwijld aan de gewezen verdachte of aan zijn erfgenamen betekend.

Artikel 535
  • 1. Tegen de door de rechtbank genomen beslissing staat de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.

  • 2. Ten aanzien van den gewezen verdachte of zijne erfgenamen vinden de artikelen 447 tot en met 455 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen in die artikelen met betrekking tot den raadsman is bepaald, geldt voor hun advocaat.

  • 3. Artikel 534, vijfde lid, is van toepassing.

Artikel 536
  • 1. Voor het bedrag der schadevergoeding wordt door den voorzitter van het college een bevelschrift van tenuitvoerlegging afgegeven.

  • 2. Uitbetaling geschiedt door de griffier.

Artikel 537
  • 1. In de gevallen waarin een vordering tot tenuitvoerlegging, als bedoeld in artikel 6:6:21, eerste lid, of artikel 6:6:22, eerste lid, wordt afgewezen of het openbaar ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan de rechter die als laatste over de vordering heeft geoordeeld op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming die voorafgaand aan de beslissing op de vordering is ondergaan.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in de gevallen dat het gerechtshof in beroep de beslissing tot tenuitvoerlegging van de rechter of de rechter-commissaris vernietigt, of indien de zaak eindigt zonder oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bedoeld in artikel 38v, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3. De artikelen 533, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid, 534 en 536 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 538
  • 1. Indien als voorwaarde een waarborgsom is gestort, kan de rechter bij de beslissing bedoeld in artikel 6:6:22, eerste lid, voorts een beslissing nemen, krachtens welke die som geheel of gedeeltelijk aan de staat vervalt.

  • 2. Voor zover de waarborgsom niet krachtens de in het eerste lid bedoelde beslissing aan de staat is vervallen, wordt deze aan de veroordeelde teruggegeven. De teruggave geschiedt zodra vaststaat dat zodanige beslissing niet meer kan worden genomen, onverminderd de bevoegdheid van de rechter om te bevelen dat gehele of gedeeltelijke teruggave op een eerder tijdstip zal plaats hebben.

  • 3. De aanspraak op teruggave is niet overdraagbaar.

Artikel 539
  • 1. Indien na de vernietiging in cassatie van de onherroepelijke uitspraak geen straf of maatregel dan wel de maatregel, bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd, wordt, op verzoek van de gewezen verdachte of van zijn erfgenamen, wat betreft de ondergane straf of vrijheidsbenemende maatregel een schadevergoeding toegekend. De toekenning heeft plaats, voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, gronden van billijkheid aanwezig zijn op de voet van de artikelen 533 tot en met 536.

  • 2. Ten aanzien van de ondergane verzekering en van de ondergane voorlopige hechtenis vinden die artikelen overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien de gewezen verdachte bij het vernietigde arrest of vonnis is veroordeeld tot een vergoeding aan de benadeelde partij van de door het strafbare feit veroorzaakte schade kan bij de uitspraak in herziening worden bepaald dat reeds betaalde schadevergoedingen aan de gewezen verdachte worden vergoed. Deze kosten komen ten laste van ’s Rijks kas.

  • 4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op door de gewezen verdachte aan de benadeelde partij betaalde proceskosten.

II

In artikel 550 vervallen het eerste lid alsmede de aanduiding ‘2.’ voor het tweede lid.

JJ

Onder schrapping van de kop ‘Algemene bepaling’ wordt artikel 593 vernummerd tot artikel 135a en ingevoegd na artikel 135.

KK

Het ZESDE BOEK komt te luiden:

BOEK 6 TENUITVOERLEGGING
TITEL 1 ALGEMENE BEPALINGEN
EERSTE AFDELING TAKEN EN BEVOEGDHEDEN
Artikel 6:1:1
  • 1. De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en strafbeschikkingen geschiedt door Onze Minister.

  • 2. Het openbaar ministerie verstrekt daartoe de beslissing aan Onze Minister, uiterlijk veertien dagen nadat deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.

  • 3. Het openbaar ministerie voegt daarbij, in voorkomende gevallen, het advies van de rechter omtrent de tenuitvoerlegging.

Artikel 6:1:2

Voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, wordt de beslissing zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd.

Artikel 6:1:3

Bij de tenuitvoerlegging wordt rekening gehouden met de resocialisatie van de veroordeelde, de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden.

Artikel 6:1:4
  • 1. De uitoefening van een of meer bevoegdheden van Onze Minister kan schriftelijk door Onze Minister worden opgedragen aan een ambtenaar die werkzaam is onder zijn verantwoordelijkheid.

  • 2. De opgedragen bevoegdheid wordt in naam en onder verantwoordelijkheid van Onze Minister uitgeoefend.

  • 3. Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 6:1:5
  • 1. Onze Minister kan voor de tenuitvoerlegging de nodige algemene of bijzondere lasten geven aan de gerechtsdeurwaarders en aan de ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de militairen van de Koninklijke marechaussee, dan wel aan andere ambtenaren of functionarissen, voor zover zij door Onze Minister daartoe zijn aangewezen.

  • 2. Voor de tenuitvoerlegging aan boord van een Nederlands schip of zeevissersvaartuig dan wel op een overeenkomstig artikel 136a, tweede lid, aangewezen installatie kan de in het eerste lid bedoelde bijzondere last worden gegeven aan de schipper.

  • 3. Voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot inbeslagneming van aandelen en effecten op naam en tot inbeslagneming en teruggave van onroerende registergoederen wordt de in het eerste lid bedoelde bijzondere last gericht tot de gerechtsdeurwaarder.

  • 4. Artikel 146, tweede lid, is van toepassing ten aanzien van alle ambtenaren die de last geven en ten aanzien van alle ambtenaren die de gegeven last uitvoeren.

Artikel 6:1:6
  • 1. Een door Onze Minister gegeven last tot tenuitvoerlegging die strekt tot aanhouding van een verdachte of veroordeelde bevat:

    • a. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de aan te houden persoon;

    • b. een opgave van de beslissing of het bevel waarop de aanhouding steunt;

    • c. een vermelding van de plaats waarheen de aangehouden persoon moet worden overgebracht, of van de rechter of ambtenaar voor wie hij moet worden geleid.

  • 2. Degene die overeenkomstig de last een persoon heeft aangehouden, geleidt de aangehouden persoon onverwijld naar de plaats of voor de rechter of ambtenaar, in de last vermeld.

  • 3. Onze Minister wordt door degene die de aanhouding heeft verricht onverwijld in kennis gesteld van de aanhouding. Indien de aangehouden persoon beweert niet de persoon te zijn tegen wie het bevel is gericht en Onze Minister van oordeel is dat de identiteit van de persoon niet eenduidig kan worden vastgesteld, informeert Onze Minister het openbaar ministerie zodat het kan beslissen een vordering bedoeld in artikel 6:6:7 in te dienen.

  • 4. De aan te houden persoon kan buiten het rechtsgebied van een rechtbank worden aangehouden. De artikelen 539n en 539o zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:1:7
  • 1. De met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar kan ter aanhouding elke plaats betreden en doorzoeken.

  • 2. Met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon kan de officier van justitie, of, indien de artikelen de hulpofficier of de opsporingsambtenaar als bevoegd aanwijzen, deze ambtenaar, de in de artikelen 96 tot en met 102a, 125i tot en met 125m, 126g, 126j tot en met 126ni en 126ui bedoelde bevoegdheden toepassen, en kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de bevoegdheden van artikel 110 toepassen, met dien verstande dat:

    • a. een bevoegdheid slechts met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon wordt toegepast in geval de aan te houden persoon wordt vervolgd of is veroordeeld tot een vrijheidsstraf dan wel hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd voor een misdrijf van dezelfde ernst als waarvoor de bevoegdheid ingevolge het desbetreffende artikel mag worden toegepast;

    • b. een bevoegdheid die ingevolge het desbetreffende artikel alleen na een machtiging door de rechter-commissaris kan worden toegepast, met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon eveneens slechts na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris, wordt toegepast;

    • c. indien voor de toepassing van een bevoegdheid ingevolge het desbetreffende artikel een bevel of vordering is vereist, in geval van toepassing met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon het bevel of de vordering, voor zover relevant de gegevens bevat die daarin volgens de desbetreffende wetsartikelen moeten zijn opgenomen.

Artikel 6:1:8

De ambtenaar die is belast met de aanhouding van een persoon of met de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, stelt na aanhouding de identiteit van de persoon vast op de wijze bedoeld in artikel 27a.

Artikel 6:1:9
  • 1. Onze Minister kan van een ieder vorderen de inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van een vonnis, een arrest of een strafbeschikking. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Onze Minister is verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de tenuitvoerlegging en de verstrekking daarvan aan de personen en instanties die met de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing zijn belast.

Artikel 6:1:10
  • 1. Het openbaar ministerie kan bij of onverwijld na het verstrekken van een beslissing als bedoeld in artikel 6:1:1, tweede lid, advies geven aan Onze Minister over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen besluiten. Het advies wordt uitgebracht vanwege het belang van de resocialisatie van de veroordeelde, de belangen van het slachtoffer en zijn nabestaanden, de veiligheid van de samenleving of een ander zwaarwegend algemeen belang.

  • 2. Indien omstandigheden tijdens de tenuitvoerlegging daartoe aanleiding geven, kan het openbaar ministerie ambtshalve of op verzoek van Onze Minister een advies als bedoeld in het eerste lid alsnog uitbrengen of een uitgebracht advies aanvullen.

Artikel 6:1:11
  • 1. Onze Minister is bevoegd de tenuitvoerlegging van geldboeten waarvoor geen gratie kan worden verleend te beëindigen indien hij van oordeel is dat met de voortzetting daarvan geen redelijk doel wordt gediend.

  • 2. Indien Onze Minister hiertoe besluit wordt dit schriftelijk medegedeeld aan de veroordeelde.

Artikel 6:1:12
  • 1. Alle kosten van de tenuitvoerlegging komen, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, ten laste van de staat.

  • 2. Al hetgeen door de tenuitvoerlegging wordt verkregen, komt ten bate van de staat, met uitzondering van hetgeen door de tenuitvoerlegging van de maatregel, genoemd in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, wordt verkregen.

Artikel 6:1:13
  • 1. Onze Minister verrekent een aan een verdachte of veroordeelde uit te keren bedrag met aan de staat dan wel een slachtoffer of diens nabestaanden verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan de veroordeelde bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld of tot betaling waartoe de veroordeelde op grond van een jegens hem uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is, een en ander voor zover die nog niet door hem zijn voldaan.

  • 2. Indien Onze Minister toepassing geeft aan het bepaalde in het eerste lid, stelt hij de veroordeelde hiervan in kennis.

Artikel 6:1:14
  • 1. Voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald zijn de bepalingen uit dit Boek van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en strafbeschikkingen die op grond van Titel VIII A van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht zijn opgelegd aan jeugdige personen.

  • 2. Onze Minister kan voor de tenuitvoerlegging van de in het eerste lid bedoelde beslissingen het advies van de raad voor de kinderbescherming inwinnen omtrent de plaats van de tenuitvoerlegging.

Artikel 6:1:15
  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze afdeling. Deze nadere regels zien in elk geval op:

    • a. het geven van een last tot aanhouding;

    • b. het uit te oefenen toezicht op de naleving;

    • c. het advies van het openbaar ministerie over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen besluiten.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van bevoegdheden die door Onze Minister zijn opgedragen aan ambtenaren die werkzaam zijn onder zijn verantwoordelijkheid.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften tot nadere regeling van de werkzaamheden van reclasseringsinstellingen met betrekking tot de naleving van bij of krachtens de wet aan verdachten en veroordeelden opgelegde voorwaarden vastgesteld.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de staat geldbedragen, verkregen uit de tenuitvoerlegging van geldboetes, op een daarbij vast te stellen grondslag en naar daarbij vast te stellen regelen ten goede laat komen aan een rechtspersoon die krachtens het publiekrecht is ingesteld.

TWEEDE AFDELING AANVANG, SCHORSING, BEËINDIGING EN TENUITVOERLEGGINGSTERMIJN
Artikel 6:1:16
  • 1. Voor zover niet anders is bepaald, mag geen rechterlijke beslissing ten uitvoer worden gelegd, zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist.

  • 2. Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, kan ten uitvoer worden gelegd nadat de veroordeling, als bedoeld in artikel 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, onherroepelijk is geworden.

  • 3. Is een mededeling als bedoeld in artikel 366 voorgeschreven, dan kan de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest geschieden na de betekening van die mededeling. Bij vonnissen of arresten bij verstek gewezen, waarbij zodanige mededeling niet behoeft te geschieden, kan de tenuitvoerlegging geschieden na de uitspraak. Door hoger beroep of beroep in cassatie wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort.

  • 4. De laatste volzin van het derde lid geldt niet:

    • a. voor bevelen bij het vonnis of arrest verleend die dadelijk uitvoerbaar zijn;

    • b. indien naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat het rechtsmiddel na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is aangewend, tenzij op verzoek van degene die het middel heeft aangewend, en na zijn verhoor, indien hij dit bij het verzoek heeft gevraagd, de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank anders bepaalt.

Artikel 6:1:17
  • 1. De tenuitvoerlegging van de strafbeschikking kan pas geschieden veertien dagen na de uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking, tenzij afstand wordt gedaan van de bevoegdheid verzet te doen.

  • 2. Door verzet tegen de strafbeschikking wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort, tenzij naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat het verzet na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is gedaan. Bij de behandeling van het verzet kan de rechter op verzoek van de verdachte bepalen dat de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking wordt geschorst of opgeschort. De schorsing of opschorting van de tenuitvoerlegging neemt een einde indien het verzet niet ontvankelijk wordt verklaard.

  • 3. De proeftijd van een aanwijzing het gedrag van de verdachte betreffend loopt niet gedurende de tijd dat degene rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Artikel 6:1:18
  • 1. De proeftijd van een voorwaarde bij een veroordeling waarbij de rechter heeft bepaald dat een door hem opgelegde straf geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, begint op de dag dat het vonnis of arrest onherroepelijk is geworden danwel op de dag van de uitspraak indien de rechter dadelijke uitvoerbaarheid beveelt. Indien de veroordeelde en het openbaar ministerie voor de dag dat het vonnis of arrest onherroepelijk is geworden aangeven af te zien van aanwending van een rechtsmiddel, gaat de proeftijd in op de vijftiende dag nadat de uitspraak is gedaan.

  • 2. De proeftijd van een voorwaarde bij een voorwaardelijke invrijheidstelling gaat in op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De proeftijd is gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, maar bedraagt ten minste een jaar. Op vordering van het openbaar ministerie kan de rechter de proeftijd met ten hoogste twee jaren verlengen.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde proeftijden lopen niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Artikel 6:1:19
  • 1. De termijn van de terbeschikkingstelling loopt niet gedurende de tijd dat:

    • a. de ter beschikking gestelde die van overheidswege wordt verpleegd uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;

    • b. de ter beschikking gestelde met voorwaarden rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;

    • c. de ter beschikking gestelde die van overheidswege wordt verpleegd, langer dan een week achtereen ongeoorloofd afwezig is uit de instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden;

    • d. de ter beschikking gestelde met voorwaarden langer dan een week achtereen ongeoorloofd afwezig is uit de instelling waarin hij krachtens de voorwaarde is opgenomen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onder a, loopt de termijn van de terbeschikkingstelling wel indien de ter beschikking gestelde:

    • a. krachtens een last als bedoeld in artikel 6:2:8 of ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Penitentiaire beginselenwet in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden of in een ander psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, tenzij hij langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit die instelling of dat ziekenhuis;

    • b. nadat de termijn van de terbeschikkingstelling een aanvang heeft genomen, in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, tenzij hij langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit dat ziekenhuis.

Artikel 6:1:19a

De termijn van de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders loopt niet:

  • a. gedurende de tijd dat aan degene aan wie deze is opgelegd, uit anderen hoofde zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is;

  • b. zodra degene die in een inrichting geplaatst is, langer dan een dag ongeoorloofd afwezig is.

Artikel 6:1:20

Een straf of maatregel wordt niet ten uitvoer gelegd na de dood van de veroordeelde, met uitzondering van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Artikel 6:1:21
  • 1. Na het verstrijken van de tenuitvoerleggingstermijn wordt de straf of maatregel niet ten uitvoer gelegd.

  • 2. De tenuitvoerleggingstermijn is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering.

Artikel 6:1:22
  • 1. De tenuitvoerleggingstermijn gaat in op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak of de strafbeschikking ten uitvoer kan worden gelegd.

  • 2. Bij ongeoorloofde afwezigheid van een veroordeelde die zijn straf in een inrichting of instelling ondergaat, begint een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn op de dag na die waarop de ongeoorloofde afwezigheid aanving. Bij herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling begint een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn op de dag na die van de herroeping.

  • 3. De tenuitvoerleggingstermijn loopt niet gedurende de bij de wet bevolen schorsing of opschorting van de tenuitvoerlegging, noch gedurende de tijd dat de veroordeelde, zij het ook ter zake van een andere strafrechtelijke beslissing, rechtens zijn vrijheid is ontnomen, noch gedurende de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

  • 4. Indien een geldboete wegens een overtreding is opgelegd en in de uitspraak dan wel de strafbeschikking is bepaald dat het bedrag daarvan in gedeelten mag worden voldaan, dan wel Onze Minister aan de veroordeelde op diens verzoek uitstel van betaling heeft verleend of betaling in termijnen heeft toegestaan, wordt de tenuitvoerleggingstermijn voor deze geldboete verlengd met twee jaren.

  • 5. De tenuitvoerleggingstermijn loopt niet gedurende de tijd dat de tenuitvoerlegging aan een vreemde staat is overgedragen, zolang Onze Minister van de autoriteiten van die staat geen mededeling, houdende een beslissing omtrent de overname van de tenuitvoerlegging, heeft ontvangen.

  • 6. Indien, nadat de tenuitvoerlegging door een vreemde staat is overgenomen, die staat afstand doet van zijn recht tot tenuitvoerlegging ten behoeve van Nederland, begint een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn op de dag waarop Onze Minister de mededeling van de autoriteiten van die staat omtrent de afstand heeft ontvangen.

  • 7. De tenuitvoerleggingstermijn loopt ten aanzien van veroordelingen tot betaling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, onder a tot en met c, van de Faillissementswet niet gedurende de tijd dat de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op de veroordeelde van toepassing is.

Artikel 6:1:23

Een straf of maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd na overdracht van de strafvervolging aan een vreemde staat overeenkomstig de bepalingen van de derde afdeling van Titel X van het Vierde Boek, tenzij de autoriteiten van de staat die de strafvervolging had overgenomen op die beslissing terugkomen of mededelen dat geen strafvervolging wordt ingesteld dan wel een ingestelde vervolging is gestaakt.

DERDE AFDELING TOEZICHT OP DE TENUITVOERLEGGING
Artikel 6:1:24
  • 1. De raad voor de kinderbescherming heeft tot taak toezicht te houden op de uitvoering van reclasseringswerkzaamheden met betrekking tot jeugdigen, en is in dat kader bevoegd de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg danwel, indien het minderjarigen betreft, een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, aanwijzingen te geven.

  • 2. In door Onze Minister aan te wijzen gevallen kan de raad voor de kinderbescherming de stichting inschakelen voor vrijwillige begeleiding van een jeugdige.

TITEL 2 VRIJHEIDSBENEMENDE STRAFFEN EN MAATREGELEN
EERSTE AFDELING OPNEMING, AANVANG, ONDERBREKING EN INVRIJHEIDSTELLING
Artikel 6:2:1
  • 1. De opneming van een persoon tegen wie een bevel tot vrijheidsbeneming of een veroordelend vonnis of arrest ten uitvoer wordt gelegd, in een daartoe bestemde inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden danwel artikel 1 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen geschiedt op grond van:

    • a. hetzij het bevel tot aanhouding, inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis,

    • b. hetzij het veroordelend vonnis of arrest of een uittreksel daarvan,

    • c. hetzij de last tot tenuitvoerlegging van Onze Minister.

  • 2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder c, doet de ambtenaar, die de last heeft gegeven, het bevel tot voorlopige hechtenis of inverzekeringstelling of, ingeval van tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf, het veroordelend vonnis of arrest of een uittreksel daarvan ten spoedigste toekomen aan het hoofd of de directeur van de in het eerste lid bedoelde inrichting.

  • 3. In geval van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, opgelegd bij een mondeling vonnis, geschiedt de in het eerste lid van dit artikel bedoelde opneming op grond van:

    • a. hetzij het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel daaruit;

    • b. hetzij het aan het dubbel van de dagvaarding of de oproeping gehechte stuk, dan wel een afschrift daarvan, houdende aantekening van het mondelinge vonnis;

    • c. hetzij de last tot tenuitvoerlegging van Onze Minister, dan wel een afschrift daarvan.

  • 4. In het geval, bedoeld in het derde lid, onder c, doet de ambtenaar die de last heeft gegeven, hetzij het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel daaruit, hetzij het aan het dubbel van de dagvaarding of oproeping gehechte stuk, dan wel een afschrift daarvan, houdende aantekening van het mondelinge vonnis, ten spoedigste toekomen aan het hoofd of de directeur van de inrichting.

Artikel 6:2:2

De gevangenisstraf en de hechtenis gaan in:

  • a. ten aanzien van veroordeelden die zich in voorlopige hechtenis bevinden ter zake van het feit waarvoor zij veroordeeld zijn, op de dag waarop de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden;

  • b. ten aanzien van andere veroordeelden, op de dag van de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak.

Artikel 6:2:3
  • 1. Indien na de einduitspraak maar voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk geworden vonnis of arrest, houdende veroordeling tot vrijheidsstraf, de veroordeelde is gaan lijden aan een psychische stoornis, kan het gerecht opschorting van de tenuitvoerlegging bevelen.

  • 2. De opschorting wordt bevolen, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoekschrift van de raadsman van de veroordeelde. Ten aanzien van den raadsman gelden de bepalingen van de Derde Titel van het Eerste Boek.

  • 3. Na het herstel van de veroordeelde wordt op vordering van het openbaar ministerie het bevel tot opschorting door hetzelfde gerecht ingetrokken.

  • 4. Indien, ondanks de psychische stoornis van de veroordeelde, de tenuitvoerlegging van een andere straf mogelijk is, wordt de curator op de gewone wijze tot voldoening aan het vonnis of arrest uitgenodigd. Indien de veroordeelde nog geen curator heeft, wordt deze zo nodig voor dit doel benoemd op vordering van het openbaar ministerie.

  • 5. Ten aanzien van de vervangende straf zijn het eerste tot en met derde lid van toepassing.

Artikel 6:2:4
  • 1. Onze Minister kan op verzoek van de betrokkene, het openbaar ministerie of ambtshalve de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf onderbreken.

  • 2. Ten aanzien van de beslissingen omtrent de onderbreking van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf is hoofdstuk XIII van de Penitentiaire beginselenwet van toepassing. Ten aanzien van de beslissingen omtrent de onderbreking van de tenuitvoerlegging van jeugddetentie is Hoofdstuk XV van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing.

Artikel 6:2:5
  • 1. De invrijheidstelling geschiedt door de directeur van de inrichting:

    • a. op de laatste dag van de straftijd;

    • b. zodra de geldigheid van het bevel tot vrijheidsbeneming ophoudt;

    • c. op bevel tot invrijheidstelling van Onze Minister.

  • 2. Behoudens het bepaalde in het vierde lid vindt de invrijheidstelling in alle gevallen uiterlijk plaats op het ogenblik waarop de straftijd verstrijkt.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt, in gevallen waarin ten aanzien van een gedeelte van de straf door de rechter is bepaald dat deze geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, met dat gedeelte alleen rekening gehouden voor zover de tenuitvoerlegging daarvan door de rechter is gelast.

  • 4. Invrijheidstelling geschiedt binnen drie uur na het tijdstip waarop het bevel van Onze Minister tot invrijheidstelling de directeur van de inrichting heeft bereikt. Indien de verdachte of veroordeelde op dat tijdstip nog niet in de penitentiaire inrichting is teruggekeerd, begint de termijn van drie uur te lopen vanaf het moment van terugkeer in de penitentiaire inrichting

Artikel 6:2:6

Indien de veroordeelde meer dan één straf achtereenvolgens moet ondergaan, worden zij voor de toepassing van artikel 6:2:5, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, als één straf aangemerkt en zo enigszins mogelijk aaneensluitend ten uitvoer gelegd. In dat geval worden geheel onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen gezamenlijk, met uitzondering van vervangende hechtenis die moet worden ondergaan, als één vrijheidsstraf aangemerkt voor de toepassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Artikel 6:2:7
  • 1. De tijd die door de tot gevangenisstraf of hechtenis veroordeelde in het buitenland in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie is doorgebracht ingevolge een Nederlands verzoek om overlevering of uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van deze straf, komt in mindering op de ten uitvoer te leggen straf.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een voorwaardelijke invrijheidstelling, tenzij die tijd, met toepassing van artikel 68, eerste lid, laatste volzin, reeds in mindering is gebracht op een andere straf die de veroordeelde heeft ondergaan.

Artikel 6:2:8
  • 1. Een veroordeelde tot gevangenisstraf die wegens de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens of een psychische stoornis daarvoor in aanmerking komt, kan worden geplaatst in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden. In dat geval zijn de artikelen 6:2:16 en 6:2:17 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien een veroordeelde tot gevangenisstraf tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd, wordt op regelmatige tijdstippen beoordeeld of de veroordeelde dient te worden geplaatst in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden.

  • 3. De last tot plaatsing ingevolge het eerste lid of de beëindiging daarvan, kan enkel door Onze Minister worden gegeven na een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines – waaronder een psychiater – die de betrokkene hebben onderzocht.

  • 4. Tegen de beslissing tot plaatsing, de beslissing tot beëindiging daarvan en de beslissing tot niet plaatsing in afwijking van het advies van de rechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de veroordeelde binnen vier weken nadat die beslissing aan hem is medegedeeld beroep instellen bij de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming. Hoofdstuk XVI van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De overplaatsing en het beroep daartegen van de veroordeelden geschieden overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de overplaatsing en het beroep daartegen van ter beschikking gestelden ten aanzien van wie een bevel tot verpleging van overheidswege is gegeven.

  • 6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de tot hechtenis of vervangende hechtenis veroordeelde.

Artikel 6:2:9
  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze afdeling.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het op last van Onze Minister plaatsen van een veroordeelde tot gevangenisstraf in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden, indien deze wegens de gebrekkige ontwikkeling of psychische stoornis van zijn geestvermogens daarvoor in aanmerking komt, en de beëindiging daarvan.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde nadere regels die worden gesteld met betrekking tot het onderbreken van de tenuitvoerlegging betreffen in elk geval de voorwaarden waaraan een betrokkene moet voldoen om hiervoor in aanmerking te komen, de bevoegdheid tot en de wijze van verlening alsmede de voorwaarden die hieraan kunnen worden verbonden.

  • 4. De in het eerste lid bedoelde nadere regels die worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of een veroordeelde tot gevangenisstraf alsmede tot de maatregel van ter beschikking stelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden geplaatst in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden betreffen in elk geval de frequentie van de beoordelingen, de te volgen procedure, waaronder de advisering door gedragsdeskundigen, en de wijze waarop de beoordelingen dienen plaats te vinden.

TWEEDE AFDELING VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING
Artikel 6:2:10
  • 1. De veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten hoogste twee jaren, wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf eenderde deel is ondergaan.

  • 2. De veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde deel daarvan heeft ondergaan.

  • 3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien:

    • a. de rechter heeft bepaald dat een gedeelte van de vrijheidsstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd;

    • b. de rechter heeft gelast dat de niet ten uitvoer gelegde straf of een gedeelte daarvan alsnog ten uitvoer wordt gelegd omdat enige gestelde voorwaarde niet is nageleefd;

    • c. de veroordeelde een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

  • 4. In afwijking van het eerste en het tweede lid kan Onze Minister bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling op een eerder tijdstip plaatsvindt in het geval van de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf in Nederland, indien de veroordeelde op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld, als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen.

  • 5. Artikel 6:2:5 is van overeenkomstige toepassing op een voorwaardelijke invrijheidstelling.

Artikel 6:2:11
  • 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de algemene voorwaarden dat:

    • a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en

    • b. de veroordeelde, voor zover aan de voorwaardelijke invrijheidstelling bijzondere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid worden gesteld:

      • 1°. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

      • 2°. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

  • 2. Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen daarnaast bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde worden gesteld.

  • 3. De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden:

    • a. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;

    • b. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;

    • c. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;

    • d. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;

    • e. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

    • f. opneming van de veroordeelde in een zorginstelling gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;

    • g. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;

    • h. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;

    • i. het deelnemen aan een gedragsinterventie;

    • j. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd heeft te voldoen.

  • 4. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden verbonden.

  • 5. Het openbaar ministerie neemt de beslissing omtrent het stellen van bijzondere voorwaarden.

  • 6. De directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering adviseren omtrent de te stellen bijzondere voorwaarden. Het advies dat het openbaar ministerie op grond van artikel 6:1:10 heeft gegeven over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen besluiten dient als advies omtrent de te stellen bijzondere voorwaarden.

  • 7. Het openbaar ministerie kan de gestelde bijzondere voorwaarden aanvullen, wijzigen of opheffen. Zodanige wijziging wordt de veroordeelde terstond schriftelijk medegedeeld.

Artikel 6:2:12
  • 1. Voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden uitgesteld of achterwege blijven indien:

    • a. de veroordeelde op grond van de gebrekkige ontwikkeling of psychische stoornis van zijn geestvermogens is geplaatst in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden en zijn verpleging voortzetting behoeft;

    • b. is gebleken dat de veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen, welke misdraging kan blijken uit:

      • 1°. ernstige bezwaren of een veroordeling ter zake van een misdrijf;

      • 2°. gedrag dat tijdens de tenuitvoerlegging van de straf meermalen heeft geleid tot het opleggen van een disciplinaire straf;

    • c. de veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan onttrekt of hiertoe een poging doet;

    • d. door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt dan wel indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven;

    • e. de vrijheidsstraf die ten uitvoer wordt gelegd, voortvloeit uit een onherroepelijke veroordeling door een buitenlandse rechter en de tenuitvoerlegging overeenkomstig het toepasselijke verdrag is overgenomen, voor zover de mogelijkheid van uitstel of achterwege blijven van voorwaardelijke invrijheidstelling de instemming van de buitenlandse autoriteit met de overbrenging heeft bevorderd.

  • 2. Voorwaardelijke invrijheidstelling kan tevens worden uitgesteld of achterwege blijven, indien de feiten of omstandigheden als genoemd in het eerste lid, onder b, c of d, zich hebben voorgedaan gedurende de periode die ingevolge artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, op de vrijheidsstraf in mindering wordt gebracht.

Artikel 6:2:13

Voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd. Indien de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk is herroepen, wordt de veroordeelde, nadat hij het alsnog ten uitvoer te leggen gedeelte van de vrijheidsstraf heeft ondergaan, opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

Artikel 6:2:14
  • 1. Onze Minister kan bepalen dat voor een bepaalde periode en voor bepaalde categorieën gedetineerden de voorwaardelijke invrijheidstelling op een eerder tijdstip kan plaatsvinden in verband met een tekort aan plaatsen voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen in penitentiaire inrichtingen.

  • 2. Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid, wordt daarvan mededeling gedaan in de Staatscourant. Van de plaatsing in de Staatscourant wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

  • 3. Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid, wordt het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling met niet meer dan drie maanden vervroegd.

  • 4. De periode, bedoeld in het eerste lid, is niet langer dan zes maanden. De toepassing van het eerste lid kan door Onze Minister te allen tijde worden beëindigd. Indien Onze Minister voortzetting van de toepassing van het eerste lid noodzakelijk acht, kan de periode eenmaal worden verlengd met zes maanden. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:2:15

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze afdeling. Deze nadere regels betreffen in elk geval de totstandkoming van de beslissingen omtrent het stellen, aanvullen, wijzigen of opheffen van bijzondere voorwaarden.

DERDE AFDELING VERPLEGING VAN OVERHEIDSWEGE EN TER BESCHIKKING STELLING
Artikel 6:2:16
  • 1. Ter beschikking gestelden kunnen worden verpleegd in door Onze Minister aangewezen particuliere instellingen, in beheer bij een in Nederland gevestigde rechtspersoon, danwel rijksinstellingen.

  • 2. De verpleging geschiedt bij voorkeur in een particuliere instelling.

Artikel 6:2:17

Onze Minister ziet erop toe dat de ter beschikking gestelde die van overheidswege wordt verpleegd de nodige behandeling krijgt. Hij kan met betrekking tot bepaalde verpleegden aan het hoofd van de instelling bijzondere aanwijzingen geven in het belang van de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen; de veiligheid van de samenleving in acht wordt genomen en de belangen van slachtoffers worden gediend.

Artikel 6:2:18
  • 1. Indien de duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege is verstreken zonder dat een last tot hervatting van de verpleging van overheidswege is gegeven, eindigt de terbeschikkingstelling van rechtswege. Beëindiging van de terbeschikkingstelling vindt niet plaats dan nadat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest.

  • 2. Een terbeschikkingstelling vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij dezelfde persoon wederom ter beschikking wordt gesteld.

Artikel 6:2:19
  • 1. Onze Minister kan de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege beëindigen ten aanzien van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

  • 2. Toepassing van het eerste lid kan slechts geschieden ten aanzien van een vreemdeling voor wie door Onze Minister een passende voorziening in het land van herkomst is geregeld, gericht op in ieder geval vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar en die daadwerkelijk uit Nederland is uitgezet.

  • 3. Aan de beëindiging wordt de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling Nederland verlaat en niet naar Nederland terugkeert.

  • 4. Indien Onze Minister het voornemen heeft om toepassing te geven aan het bepaalde in het eerste lid, stelt hij de veroordeelde van dit voornemen in kennis. Onze Minister kan over het voornemen tot toepassing van het eerste lid advies vragen aan het openbaar ministerie. In dat geval wordt het advies gevoegd bij de kennisgeving van het voornemen aan de veroordeelde.

  • 5. Tegen het voornemen van Onze Minister bedoeld in het vierde lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving hiervan een bezwaarschrift indienen bij het gerecht, dat in hoogste feitelijke instantie de tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie heeft opgelegd.

  • 6. Het in het vijfde lid bedoelde gerecht onderzoekt zo spoedig mogelijk na ontvangst van een tijdig ingediend bezwaarschrift of Onze Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kan komen. De veroordeelde wordt bij het onderzoek gehoord, althans opgeroepen. Indien niet blijkt dat de veroordeelde reeds een raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bureau rechtsbijstandvoorziening last tot toevoeging van een raadsman. De artikelen 21 tot en met 25 zijn van overeenkomstige toepassing. Van zijn beslissing stelt het gerecht Onze Minister en de veroordeelde schriftelijk in kennis.

VIERDE AFDELING INRICHTING VOOR STELSELMATIGE DADERS
Artikel 6:2:20
  • 1. Plaatsing van degene aan wie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is opgelegd, geschiedt in een door Onze Minister aangewezen inrichting voor stelselmatige daders.

  • 2. De kosten van de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel komen ten laste van gemeenten die deelnemen aan de tenuitvoerlegging daarvan.

Artikel 6:2:21

Onze Minister kan de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders te allen tijde beëindigen.

Artikel 6:2:22

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze afdeling. Deze nadere regels zien in elk geval op de kosten van de tenuitvoerlegging van de maatregel die ten laste van de gemeenten komen.

VIJFDE AFDELING MAATREGEL VAN PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR JEUGDIGEN
Artikel 6:2:23
  • 1. De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eindigt voorwaardelijk na twee jaar, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 6:6:32. De termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. De maatregel vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij aan de betrokkene wederom de maatregel of de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd.

  • 2. De termijn van de maatregel loopt niet:

    • a. gedurende de tijd dat aan de veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;

    • b. wanneer de veroordeelde langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit de plaats die voor de tenuitvoerlegging van de maatregel is aangewezen;

    • c. wanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in het eerste lid en artikel 6:6:32.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, kan Onze Minister de maatregel te allen tijde, na advies te hebben ingewonnen van de raad voor de kinderbescherming, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen.

TITEL 3 VRIJHEIDSBEPERKENDE STRAFFEN, MAATREGELEN EN VOORWAARDEN
EERSTE AFDELING TAAKSTRAFFEN
Artikel 6:3:1
  • 1. De termijn binnen welke de taakstraf moet worden voltooid bedraagt achttien maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis dan wel negen maanden na het onherroepelijk worden van de strafbeschikking.

  • 2. De termijn binnen welke de taakstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Artikel 6:3:2
  • 1. Het openbaar ministerie kan de opgelegde straf wijzigen wat betreft de aard van de te verrichten werkzaamheden, bedoeld in artikel 22c, eerste lid, derde volzin, van het Wetboek van Strafrecht, indien het van oordeel is dat de veroordeelde de taakstraf niet geheel overeenkomstig de opgelegde straf kan of heeft kunnen verrichten. Het openbaar ministerie benadert daarbij zo veel mogelijk de opgelegde straf. Het openbaar ministerie geeft hiervan kennis aan de veroordeelde.

  • 2. Het openbaar ministerie doet deze kennisgeving zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde betekenen. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie is verricht, alsmede de straf zoals deze voor het overige nader is vastgesteld.

Artikel 6:3:3
  • 1. Indien de tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit of het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht, wordt vervangende hechtenis toegepast, tenzij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die zich na het opleggen van de taakstraf hebben voorgedaan, zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard.

  • 2. Indien een gedeelte van de te verrichten taakstraf is voldaan, vermindert de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.

  • 3. Het openbaar ministerie geeft kennis aan de veroordeelde dat vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze kennisgeving wordt zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde betekend. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie is verricht, alsmede het aantal dagen vervangende hechtenis.

Artikel 6:3:4

Een beslissing als bedoeld in de artikelen 6:3:2 en 6:3:3, eerste lid, kan worden genomen tot drie maanden na afloop van de termijn waarbinnen de taakstraf op grond van artikel 6:3:1 dan wel artikel 6:6:24, tweede lid, moet zijn voltooid.

Artikel 6:3:5

Indien naar het oordeel van Onze Minister de opgelegde taak naar behoren is verricht, stelt Onze Minister de veroordeelde hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.

Artikel 6:3:6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze afdeling. Deze nadere regels betreffen in elk geval de inhoud van de taakstraf, de tenuitvoerlegging van de taakstraf en de rechten en plichten van degene die een taakstraf moet verrichten.

TWEEDE AFDELING GEDRAGSAANWIJZINGEN
Artikel 6:3:7
  • 1. Het openbaar ministerie kan de termijn verlengen die is gesteld bij een overeenkomstig artikel 257a gegeven aanwijzing.

  • 2. Indien binnen drie jaren na voldoening van een bedrag of overdracht van voorwerpen, als bedoeld in artikel 257a, derde lid, onder c, of in artikel 511c blijkt dat dit een hogere waarde vertegenwoordigt dan de som van het werkelijke voordeel verkregen door middel of uit de baten van het strafbare feit of soortgelijke feiten, beveelt Onze Minister – hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de gewezen verdachte of veroordeelde – de teruggave van een geldbedrag gelijk aan het verschil.

DERDE AFDELING JEUGD – TAAKSTRAF EN GEDRAGSBEÏNVLOEDENDE MAATREGEL
Artikel 6:3:8
  • 1. De termijn binnen welke de in de taakstraf opgelegde arbeid moet zijn verricht bedraagt ten hoogste negen maanden indien niet meer dan honderd uren is opgelegd en overigens ten hoogste achttien maanden.

  • 2. De termijn binnen welke een in de taakstraf opgelegd leerproject plaatsvindt bedraagt ten hoogste negen maanden indien niet meer dan honderd uren is opgelegd en overigens ten hoogste achttien maanden.

Artikel 6:3:9
  • 1. De raad voor de kinderbescherming heeft tot taak de voorbereiding en de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van taakstraffen. Over de wijze waarop de veroordeelde de taakstraf uitvoert, kan het openbaar ministerie inlichtingen inwinnen bij de raad voor de kinderbescherming. Het openbaar ministerie kan diens medewerking inroepen en hem de nodige opdrachten geven. De raad voor de kinderbescherming is bevoegd aanwijzingen te geven aan de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, wanneer het de tenuitvoerlegging van een taakstraf door de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, betreft.

  • 2. Artikel 6:3:2 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de wijziging niet geschiedt dan nadat de raad voor de kinderbescherming en de veroordeelde zijn gehoord.

Artikel 6:3:10
  • 1. Indien de tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit of het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht, wordt vervangende jeugddetentie of hechtenis toegepast, tenzij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die zich na het opleggen van de taakstraf hebben voorgedaan, zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard. Het openbaar ministerie geeft hiervan kennis aan de veroordeelde en de raad voor de kinderbescherming.

  • 2. Indien een gedeelte van de te verrichten taakstraf is voldaan, vermindert de duur van de vervangende jeugddetentie naar evenredigheid. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag vervangende jeugddetentie zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.

  • 3. Indien de veroordeelde bij aanvang van de tenuitvoerlegging de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, kan de vervangende jeugddetentie worden ten uitvoer gelegd als vervangende hechtenis, indien het vonnis dit bepaalt.

  • 4. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde betekend. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie is verricht, alsmede het aantal dagen vervangende jeugddetentie.

Artikel 6:3:11

Een beslissing of een bevel krachtens artikel 6:3:2, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 6:3:10, eerste lid, kan slechts worden genomen of gegeven binnen drie maanden na afloop van de termijn waarbinnen de arbeid moet zijn verricht of waarbinnen het leerproject moet zijn gevolgd.

Artikel 6:3:12
  • 1. De termijn van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige gaat in nadat de rechterlijke uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.

  • 2. De instellingen of organisaties, bedoeld in het derde lid van artikel 77w, van het Wetboek van Strafrecht, stellen voor de uitvoering van het programma een plan vast dat is afgestemd op de problematiek van de veroordeelde.

  • 3. De stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, heeft tot taak de voorbereiding en de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Bij de tenuitvoerlegging van de maatregel stelt de stichting de identiteit van de veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid. Over de wijze waarop de veroordeelde de maatregel uitvoert, kan Onze Minister inlichtingen inwinnen bij de stichting. Indien de jeugdige ten tijde van de tenuitvoerlegging van de maatregel de leeftijd van zestien jaren bereikt of heeft bereikt, kan de rechter bepalen dat de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel geschiedt door een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 6:3:14.

  • 4. De termijn van de maatregel loopt niet gedurende de tijd dat aan de veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is.

Artikel 6:3:13
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de verstrekking van rijkswege van een bijdrage in de bekostiging van de voorbereiding en uitvoering van:

    • a. projecten als bedoeld in de artikelen 77e en 77f, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht,

    • b. taakstraffen als bedoeld in artikel 77h, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, en

    • c. maatregelen betreffende het gedrag van de jeugdige als bedoeld in artikel 77h, vierde lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafrecht.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze afdeling. Deze nadere regels zien in elk geval op:

    • a. de inhoud van de taakstraf, de tenuitvoerlegging van de taakstraf en de rechten en plichten van de tot een taakstraf veroordeelde. Daarbij kan van het aantal uren dat een leerproject kan duren, genoemd in artikel 77m, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht worden afgeweken indien de aard van het leerproject daartoe aanleiding geeft.

    • b. de eisen waaraan bij de tenuitvoerlegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige het plan, de programma’s en de instellingen of organisaties belast met de voorbereiding en de ondersteuning van de maatregel moeten voldoen, alsmede op de werkwijze van deze instellingen of organisaties.

VIERDE AFDELING TOEZICHT EN AANHOUDING
Artikel 6:3:14
  • 1. Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van:

    • a. bijzondere voorwaarden die zijn gesteld bij:

      • 1°. uitstel van de beslissing of vervolging plaats moet hebben;

      • een kennisgeving van niet verdere vervolging,

      • 3°. schorsing van de voorlopige hechtenis;

      • 4°. een veroordeling waarin de rechter heeft bepaald dat de straf of maatregel of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd;

      • 5°. onderbreking of voorwaardelijke beëindiging van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel;

      • 6°. verlening van gratie.

    • b. maatregelen en aanwijzingen die het gedrag van de verdachte of de veroordeelde betreffen;

    • c. de bijkomende straf van ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden en het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen, indien de rechter opdracht tot het houden van toezicht heeft gegeven.

  • 2. Indien de rechter reclasseringstoezicht heeft bevolen, geeft Onze Minister een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen stichting of reclasseringsinstelling opdracht het toezicht op de naleving te houden en de verdachte of de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Het openbaar ministerie en Onze Minister kunnen ambtshalve een opdracht als bedoeld in de eerste zin geven of, indien daartoe aanleiding is, de opdracht aan een andere aangewezen reclasseringsinstelling geven.

  • 3. De onder toezicht gestelde is verplicht medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Bij het houden van toezicht stelt de gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert of de reclasseringsinstelling de identiteit van de veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.

  • 4. De stichting of reclasseringsinstelling licht het openbaar ministerie in over het gehouden toezicht. Indien blijkt dat de veroordeelde een in het eerste lid bedoelde voorwaarde, straf, maatregel of aanwijzing niet naleeft, niet meewerkt aan het toezicht, of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan het openbaar ministerie en Onze Minister.

  • 5. De officier van justitie kan van een ieder vorderen de inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving, bedoeld in het eerste lid. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:3:15
  • 1. Indien ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een voorwaarde, maatregel of aanwijzing als bedoeld in artikel 6:3:14 niet wordt nageleefd en aannemelijk is dat de rechter vrijheidsbeneming zal bevelen, kan het openbaar ministerie de aanhouding van de verdachte of veroordeelde bevelen.

  • 2. Indien het bevel van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier de aanhouding bevelen. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan het openbaar ministerie.

  • 3. Indien Onze Minister van oordeel is dat ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een voorwaarde, maatregel of aanwijzing als bedoeld in artikel 6:3:14 niet wordt nageleefd, informeert Onze Minister het openbaar ministerie hierover.

  • 4. Van de aanhouding wordt onverwijld kennis gegeven aan Onze Minister. Indien het de aanhouding betreft van een ter beschikking gestelde aan wie proefverlof is verleend, beslist Onze Minister zo spoedig mogelijk omtrent de vrijlating, dan wel de beëindiging van het proefverlof.

TITEL 4 GELDELIJKE STRAFFEN EN MAATREGELEN
EERSTE AFDELING INNING VAN GELDBOETES EN SCHADEVERGOEDINGSMAATREGELEN
Artikel 6:4:1
  • 1. Onze Minister bepaalt de dag of – in geval van toepassing van artikel 24a van het Wetboek van Strafrecht – de dagen waarop de betaling van een geldboete of een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en de administratiekosten uiterlijk moet geschieden. Onze Minister licht de veroordeelde hierover tijdig in. De verdachte behoeft niet nader te worden ingelicht indien in de strafbeschikking is vermeld op welke dag of dagen de betaling uiterlijk moet geschieden.

  • 2. Onze Minister kan uitstel van betaling verlenen of betaling in termijnen toestaan. Indien artikel 24a van het Wetboek van Strafrecht is toegepast, kan Onze Minister op verzoek van de veroordeelde schriftelijk een voor hem gunstiger regeling van de betaling toestaan.

Artikel 6:4:2
  • 1. Onze Minister maant de veroordeelde schriftelijk aan tot betaling indien het bedrag dat moet worden betaald ingevolge een voor tenuitvoerlegging vatbare geldboete of maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en de administratiekosten niet in zijn geheel binnen de daarvoor gestelde termijn is voldaan. Het bedrag wordt daarbij, in het geval de veroordeling of strafbeschikking onherroepelijk is geworden, van rechtswege verhoogd met € 20. Onze Minister wijst de veroordeelde op het bepaalde in het tweede lid.

  • 2. Is het overeenkomstig het eerste lid verhoogde bedrag na verloop van de bij de aanmaning gestelde termijn geheel of ten dele onbetaald gebleven, dan wordt het bedrag, dan wel het nog verschuldigde gedeelte daarvan, van rechtswege verder verhoogd met een vijfde, doch ten minste met € 40.

  • 3. Zodra een verhoging krachtens het eerste lid is ingetreden, wordt het bedrag dat in termijnen of gedeelten mocht worden betaald onmiddellijk in zijn geheel opeisbaar.

  • 4. In gevallen waarin Onze Minister, nadat de veroordeelde reeds in verzuim was, alsnog uitstel van betaling heeft verleend, dan wel betaling in termijnen heeft toegestaan, vinden het eerste tot en met derde lid geen toepassing, zolang de veroordeelde zijn verplichtingen volgens de getroffen nadere regeling nakomt.

  • 5. Betalingen door de veroordeelde aan de staat gedaan, worden geacht in de eerste plaats te strekken tot voldoening van een opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, vervolgens tot krachtens het eerste en tweede lid ingetreden verhogingen, de administratiekosten en ten slotte tot voldoening van een opgelegde geldboete.

  • 6. De verhoging op grond van het eerste of tweede lid van het ingevolge de maatregel bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht verschuldigde bedrag vervalt aan de staat. Indien de veroordeelde voor een misdrijf niet of niet volledig binnen acht maanden na de dag waarop het vonnis of arrest, waarbij deze maatregel is opgelegd, onherroepelijk is geworden, aan zijn verplichting heeft voldaan, keert de staat het resterende bedrag uit aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is. De staat verhaalt het uitgekeerde bedrag, alsmede de krachtens het eerste lid ingetreden verhogingen, op de veroordeelde.

Artikel 6:4:3
  • 1. Bij gebreke van volledige betaling binnen de ingevolge artikel 6:4:1 bepaalde termijn wordt het verschuldigde bedrag, vermeerderd met de verhogingen voorzien in artikel 6:4:2, en de administratiekosten, na voorgaande schriftelijke waarschuwing, op de voorwerpen van de veroordeelde verhaald. In verband met het verhaal kan woonplaats worden gekozen bij Onze Minister.

  • 2. Onze Minister kan afzien van het nemen van verhaal.

  • 3. Is volledig verhaal onmogelijk gebleken of daarvan met toepassing van het tweede lid afgezien, dan wordt, na voorgaande schriftelijke waarschuwing, de vervangende vrijheidsstraf ten uitvoer gelegd.

  • 4. Tenzij de veroordeelde hier te lande geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, wordt tot tenuitvoerlegging van vervangende vrijheidsstraf niet overgegaan dan nadat veertien dagen zijn verstreken sedert de dag waarop de in het voorgaande lid bedoelde waarschuwing aan hem is verzonden.

  • 5. Degene te wiens laste verhaal plaatsvindt is de kosten daarvan verschuldigd, ook indien de strafbeschikking, het vonnis of het arrest na het instellen van verzet, hoger beroep of beroep in cassatie daartegen wordt vernietigd.

Artikel 6:4:4
  • 1. Op voorwerpen, inbeslaggenomen op grond van artikel 94a, geschiedt verhaal op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering krachtens het onherroepelijke vonnis of arrest of de onherroepelijke strafbeschikking waarbij de geldboete, de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

  • 2. Dit vonnis of arrest of deze strafbeschikking geldt als de titel bedoeld in artikel 704, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Betekening van deze titel aan de veroordeelde en, zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze, kan plaatsvinden door betekening van een kennisgeving inhoudende de bij het vonnis of arrest dan wel de strafbeschikking opgelegde straf, voor zover voor het nemen van verhaal van belang.

  • 3. Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de inbeslaggenomen voorwerpen zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.

Artikel 6:4:5
  • 1. Op voorwerpen van de veroordeelde die niet op grond van artikel 94a in beslag zijn genomen geschiedt verhaal krachtens een dwangbevel, medebrengende het recht om die goederen zonder vonnis aan te tasten. Verhaal kan mede worden genomen op voorwerpen als bedoeld in artikel 94a, derde en vierde lid, die niet reeds voor het onherroepelijk worden van het vonnis, het arrest of de strafbeschikking in beslag zijn genomen.

  • 2. Het dwangbevel wordt in naam van de Koning uitgevaardigd door Onze Minister. Het wordt ten uitvoer gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter.

  • 3. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan niet worden geschorst dan door een verzet, hetwelk evenwel nimmer gericht zal kunnen zijn tegen het vonnis, het arrest of de strafbeschikking, waarbij de geldboete of de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht werd opgelegd. Verzet wordt gedaan bij een met redenen omkleed verzetschrift. Het verzetschrift wordt binnen twee weken na de betekening van het dwangbevel ingediend bij de rechtbank van het arrondissement, waartoe de rechter behoort, die de straf heeft opgelegd. In geval van een strafbeschikking wordt het bezwaarschrift ingediend bij het gerecht dat van het daartegen gerichte verzet kennis heeft genomen of, indien verzet zou zijn gedaan, daarvan kennis had kunnen nemen. De behandeling van het verzet door de raadkamer vindt plaats in het openbaar. De beschikking van de raadkamer wordt onverwijld aan de veroordeelde betekend. Tegen de beschikking kan door de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd binnen veertien dagen daarna en door de veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening, beroep in cassatie worden ingesteld. De veroordeelde is in zijn beroep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht, dat de beschikking heeft gegeven, of tot hetwelk de rechter, van wie de beschikking afkomstig is, behoort. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk.

  • 4. Ten aanzien van derden, die bij een inbeslagneming van voorwerpen daarop geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben, zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.

  • 5. De kosten van verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de geldboete, onderscheidenlijk de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, verhaald op de veroordeelde. Onder de kosten van verhaal zijn begrepen de invorderingskosten.

Artikel 6:4:6
  • 1. Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:

    • a. inkomsten in geld uit arbeid van de veroordeelde;

    • b. pensioenen, wachtgelden en andere uitkeringen waarop de veroordeelde aanspraak heeft;

    • c. het tegoed van een rekening bij een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarover de veroordeelde te eigen bate mag beschikken, alsmede, indien de bank en de veroordeelde in samenhang met die rekening een overeenkomst inzake krediet zijn aangegaan, op uit het ingevolge die overeenkomst verstrekte krediet.

  • 2. Verhaal met toepassing van het vorige lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving van Onze Minister. De kennisgeving bevat een voor de uitoefening van verhaal voldoende aanduiding van de persoon van de veroordeelde, en vermeldt welk bedrag uit hoofde van de veroordeling nog verschuldigd is, bij welke rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de geldboete of de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij wordt verstrekt aan degene onder wie verhaal wordt genomen, en nadat verhaal is genomen toegezonden aan het adres dat de veroordeelde heeft opgegeven. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de kennisgeving gezonden naar het in de basisregistratie personen vermelde adres. Indien de brief ook op het in de basisregistratie personen opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de kennisgeving geacht aan de veroordeelde bekend te zijn.

  • 3. Door de verstrekking van de kennisgeving is degene onder wie verhaal wordt genomen, verplicht tot betaling aan de staat van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor zover de veroordeelde op hem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. Onze Minister bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot betaling vervalt zodra het uit hoofde van de veroordeling verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer twee jaren na de dag van de verstrekking van de kennisgeving zijn verstreken.

  • 4. Degene onder wie verhaal wordt genomen kan zich niet ten nadele van de staat beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijn schuld door betaling of door verrekening met een tegenvordering dan in de gevallen waarin hij daartoe ook bevoegd zou zijn geweest bij een op het tijdstip van de betekening overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelegd beslag onder derden. Indien een andere schuldeiser op de vordering waarop verhaal wordt genomen, beslag heeft gelegd, is artikel 478 van dat Wetboek van overeenkomstige toepassing. Het verhaal wordt voor de toepassing van de artikelen 33 en 301 van de Faillissementswet met een beslag onder derden gelijkgesteld.

  • 5. Indien verhaal is genomen op vordering van de veroordeelde tot periodieke betalingen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, zijn de artikelen 475a tot en met 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Iedere belanghebbende kan zich binnen zes weken na de toezending aan de veroordeelde van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed bezwaarschrift verzetten tegen het verhaal. Artikel 6:4:5, derde lid, is op dit verzet van overeenkomstige toepassing.

  • 7. De kosten van verhaal krachtens dit artikel worden op gelijke voet als de geldboete, onderscheidenlijk de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, verhaald op de veroordeelde. Onder de kosten van verhaal zijn begrepen de invorderingskosten.

  • 8. Verhaal zonder dwangbevel kan niet worden genomen als de veroordeelde valt onder de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in Titel III van de Faillissementswet.

Artikel 6:4:7
  • 1. Indien vervangende hechtenis wordt toegepast in het geval dat het ingevolge een voor tenuitvoerlegging vatbare geldboete verschuldigde bedrag noch volledig is betaald, noch volledig is verhaald, vermindert de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid met het gedeelte van het verschuldigde bedrag dat is voldaan. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.

  • 2. Het eerste lid is ook van toepassing in gevallen waarin de betaling geschiedt nadat reeds een deel van de vervangende hechtenis ten uitvoer is gelegd.

  • 3. Indien ter zake van het strafbare feit waarvoor de vervangende hechtenis wordt bepaald of ten uitvoer gelegd tevens gijzeling is toegepast, wordt de tijd die in gijzeling is doorgebracht in mindering gebracht op de vervangende hechtenis.

Artikel 6:4:8
  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de tenuitvoerlegging van een geldboete of een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften hebben in ieder geval betrekking op de plaats en wijze van betaling, de termijn waarbinnen die betaling moet zijn geschied, de verantwoording van de ontvangen geldbedragen, alsmede op de kosten van verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen.

  • 2. De in het vorige lid bedoelde voorschriften hebben wat betreft de tenuitvoerlegging van strafbeschikkingen, vonnissen of arresten, houdende oplegging van een geldboete, voorts betrekking op de administratiekosten.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de uitkering van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden, door de staat aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is gedurende een in deze algemene maatregel van bestuur te bepalen tijd wordt beperkt tot slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven. Bij algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald dat aan de uit te keren bedragen een bovengrens van € 5.000 of hoger wordt gesteld met dien verstande dat deze bovengrens niet geldt voor de uitkering aan slachtoffers van een gewelds- of zedenmisdrijf.

TWEEDE AFDELING ONTNEMING VAN WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL
Artikel 6:4:9

Indien een maatregel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, vinden de artikelen 6:4:1, 6:4:3, eerste en tweede lid, 6:4:4 tot en met 6:4:6, en 6:4:8, overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:4:10
  • 1. Bij gebreke van volledige betaling binnen de ingevolge artikel 6:4:1, tweede lid, bedoelde termijn kan krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, een onderzoek worden ingesteld naar het vermogen van de veroordeelde.

  • 2. Het onderzoek is gericht op de vaststelling van de omvang van het vermogen van de veroordeelde waarop verhaal kan worden genomen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3. De vordering is met redenen omkleed en vermeldt de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, het bedrag dat de veroordeelde ter voldoening daarvan reeds heeft betaald en of er een vordering als bedoeld in artikel 6:6:27, eerste lid, is gedaan.

  • 4. De rechter-commissaris verleent de machtiging, bedoeld in het eerste lid, indien:

    • a. de hoogte van de resterende betalingsverplichting van aanzienlijk belang is, en;

    • b. er aanwijzingen bestaan dat aan de veroordeelde voorwerpen toebehoren waarop krachtens artikel 6:4:9 verhaal kan worden genomen.

  • 5. De machtiging geldt voor ten hoogste zes maanden en kan op vordering van de officier van justitie telkens met een zelfde duur worden verlengd, totdat de maximale duur van twee jaren is bereikt.

  • 6. De rechter-commissaris waakt tegen nodeloze vertraging van het onderzoek. De officier van justitie verschaft eigener beweging of op verzoek van de rechter-commissaris de benodigde inlichtingen.

  • 7. Indien de officier van justitie oordeelt dat het onderzoek is voltooid of dat er voor de voortzetting daarvan geen grond bestaat, sluit hij het onderzoek bij schriftelijk gedagtekende beschikking. Een afschrift van de beschikking wordt aan de veroordeelde tegen wie het onderzoek was gericht betekend. De officier van justitie stelt de rechter-commissaris van het eindigen van het onderzoek op de hoogte.

  • 8. Het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde eindigt voorts:

    • a. indien de geldigheidsduur van een ingevolge het eerste lid verleende machtiging is verstreken;

    • b. indien de veroordeelde alsnog aan diens betalingsverplichting heeft voldaan.

Artikel 6:4:11
  • 1. Ten behoeve van het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde is de opsporingsambtenaar bevoegd, bij bevel daartoe van de officier van justitie, in het belang van het onderzoek:

    • a. van eenieder te vorderen op te geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen hij onder zich heeft of heeft gehad, die toebehoren of hebben toebehoord aan degene tegen wie het onderzoek is gericht;

    • b. van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, te vorderen bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens, in de zin van artikel 126nc, tweede lid, van een persoon te verstrekken;

    • c. aan iedere aanbieder van een communicatiedienst een vordering te doen gegevens te verstrekken ter zake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruik van een communicatiedienst in de zin van artikel 126la;

    • d. een persoon stelselmatig te volgen of stelselmatig de aanwezigheid of het gedrag van een persoon waar te nemen;

    • e. zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, te betreden dan wel een technisch hulpmiddel aan te wenden teneinde die plaats op te nemen, aldaar sporen veilig te stellen of aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen teneinde de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen.

  • 2. Op de vordering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 126a, derde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Op de vordering bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is artikel 126nc, derde tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder d, een technisch hulpmiddel kan worden aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met diens toestemming.

  • 5. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder d, een besloten plaats, niet zijnde een woning, kan worden betreden zonder toestemming van de rechthebbende.

  • 6. Op het bevel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is artikel 126g, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 7. De opsporingsambtenaar kan in afwachting van de komst van de deurwaarder de maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om voor verhaal vatbare voorwerpen veilig te stellen. Deze maatregelen kunnen de vrijheid van personen die zich ter plaatse bevinden beperken.

Artikel 6:4:12
  • 1. Een bevel van de officier van justitie als bedoeld in artikel 6:4:11, alsmede een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking daarvan, wordt schriftelijk gegeven. Aan een schriftelijk bevel staat gelijk een mondeling bevel dat onverwijld op schrift is gesteld.

  • 2. Een bevel kan worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of ingetrokken.

  • 3. Het bevel vermeldt:

    • a. de naam van de veroordeelde;

    • b. de geldigheidsduur van het bevel;

    • c. voor zover nodig, de wijze waarop aan het bevel toepassing wordt gegeven.

  • 4. Indien een besloten plaats wordt betreden, vermeldt het bevel voorts:

    • a. de plaats waarop het bevel betrekking heeft;

    • b. bij toepassing van artikel 6:4:11, eerste lid, onderdeel e, voorts het tijdstip waarop of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.

  • 5. De opsporingsambtenaar maakt van de uitvoering van het bevel proces-verbaal op. Het proces-verbaal vermeldt:

    • a. de gegevens, bedoeld in het derde en vierde lid;

    • b. de wijze waarop aan het bevel uitvoering is gegeven;

    • c. de gegevens die naar aanleiding van een bevel of op een vordering zijn verstrekt;

    • d. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden genoemd in artikel 6:4:11 is voldaan.

  • 6. Indien een bevel mondeling is gegeven en een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking van een bevel, als bedoeld in het tweede lid, niet op schrift is gesteld, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.

Artikel 6:4:13
  • 1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek, bedoeld in artikel 6:4:11, eerste lid, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.

  • 2. Artikel 126nd, tweede tot en met vierde lid en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:

    • a. de gegevens bedoeld in artikel 126nd, derde lid;

    • b. de naar aanleiding van de vordering verstrekte gegevens;

    • c. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd.

  • 4. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in het eerste lid, betrekking kan hebben op gegevens die pas na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Indien een vordering betrekking heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, wordt de vordering beëindigd zodra de verwerking niet meer in het belang van het onderzoek is. Van een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken.

  • 6. De officier van justitie kan indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert bepalen dat degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.

  • 7. De officier van justitie kan indien het belang van het onderzoek dit vordert bij of terstond na de toepassing van het eerste of het vierde lid, degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken dan wel deze kennis ter beschikking te stellen. Dit bevel wordt niet gegeven aan de veroordeelde. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:4:14
  • 1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker in de zin van artikel 126la.

  • 2. Artikel 126n, eerste lid, tweede volzin, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De officier van justitie doet van de vordering, bedoeld in het eerste lid, proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:

    • a. de naam van de veroordeelde;

    • b. indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon omtrent wie gegevens worden gevorderd;

    • c. de gegevens die worden gevorderd;

    • d. indien de vordering betrekking heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, de periode waarover de vordering zich uitstrekt.

  • 4. Artikel 126n, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:4:15
  • 1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, in de zin van artikel 126la, wordt opgenomen.

  • 2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gegeven na voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. De artikelen 126m, derde en vierde lid, en 126ma zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het bevel wordt gegeven voor een duur van ten hoogste vier weken. Naast de gegevens bedoeld in artikel 6:4:12, derde lid, vermeldt het bevel:

    • a. zo mogelijk het nummer of een andere aanduiding waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd, en:

    • b. voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker, en:

    • c. de aard van het technisch hulpmiddel of de technische hulpmiddelen waarmee de communicatie wordt opgenomen.

  • 4. De officier van justitie kan, indien de in het eerste lid bedoelde communicatie wordt opgenomen, indien het belang van het onderzoek dit vordert, tot degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de communicatie, de vordering richten medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door hetzij deze kennis ter beschikking te stellen, hetzij de versleuteling ongedaan te maken. De vordering wordt niet gericht tot de veroordeelde. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De vordering, bedoeld in het vierde lid, kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.

  • 6. Artikel 6:4:12, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:4:16
  • 1. Indien het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde is geëindigd, zijn de artikelen 126bb en 126dd van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Zodra twee maanden zijn verstreken nadat het onderzoek is geëindigd en aan de betrokkenen mededeling, bedoeld in artikel 126bb is gedaan, draagt de officier van justitie ervoor zorg dat processen-verbaal en voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend en die zijn verkregen met toepassing van de in de artikelen 6:4:10 tot en met 6:4:15 genoemde bevoegdheden, worden vernietigd. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.

Artikel 6:4:17
  • 1. Indien het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 511c een schikking met de verdachte of veroordeelde aangaat, bepaalt hij de termijn waarbinnen aan de termen van die schikking moet worden voldaan. Tot dat tijdstip is de termijn waarbinnen ingevolge artikel 511b, eerste lid, een vordering aanhangig moet zijn gemaakt geschorst. Door voldoening aan die termen vervalt het recht tot indiening van de vordering of is, indien die vordering reeds is ingediend, de zaak van rechtswege geëindigd.

  • 2. Indien na voldoening aan die termen blijkt van omstandigheden die de toepasselijkheid van de maatregel, bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zouden hebben uitgesloten, kan de gewezen verdachte of veroordeelde het openbaar ministerie verzoeken om teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen.

  • 3. Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, kan niet meer worden gedaan nadat drie jaren zijn verstreken sedert de dag waarop het bedrag of het laatste gedeelte daarvan, is betaald.

Artikel 6:4:18

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in deze afdeling.

DERDE AFDELING BEVEL GIJZELING
Artikel 6:4:19
  • 1. Het openbaar ministerie beslist over toepassing van het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde indien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 niet mogelijk blijkt bij een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, dan wel bij een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden.

  • 2. Het openbaar ministerie neemt bij het bepalen van de duur van de toe te passen gijzeling hetgeen door de rechter is bepaald in acht en houdt rekening met gedeeltelijke betalingen die door de veroordeelde zijn verricht en met verhaal dat reeds ingevolge de artikelen 6:4:4, 6:4:5, 6:4:6 is genomen.

  • 3. Gijzeling wordt niet toegepast indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.

  • 4. De gijzeling eindigt indien de veroordeelde alsnog het verschuldigde bedrag volledig voldoet. De gijzeling kan te allen tijde worden beëindigd door Onze Minister.

  • 5. De toepassing van gijzeling heft de verschuldigdheid niet op.

VIERDE AFDELING STORTING WAARBORGSOM
Artikel 6:4:20
  • 1. Indien bij een bevel als bedoeld in artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht storting van een waarborgsom als bijzondere voorwaarde is gesteld, vinden de artikelen 6:1:1, 6:4:1, eerste lid en tweede lid, eerste zin, 6:4:3, vijfde lid, en 6:4:8 overeenkomstige toepassing.

  • 2. Voor de storting wordt in geen geval een langere termijn gesteld dan drie maanden, te rekenen van de dag waarop het vonnis of het arrest voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.

  • 3. Teruggave van de waarborgsom geschiedt op aanwijzing van Onze Minister.

TITEL 5 BIJKOMENDE STRAFFEN
Artikel 6:5:1
  • 1. Indien niet in beslag genomen voorwerpen verbeurd zijn verklaard, dan wel openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de veroordeelde is bevolen, vinden de artikelen 6:1:1 en 6:4:1, eerste en tweede lid, en 6:4:4, vijfde lid, overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien binnen de daarvoor bepaalde termijn noch uitlevering van de voorwerpen noch betaling van de geschatte waarde plaats heeft, dan wel de kosten van openbaarmaking niet worden betaald, vinden de artikelen 6:4:3, 6:4:5 en 6:4:6 overeenkomstige toepassing.

  • 3. Verbeurdverklaring van vorderingen wordt ten uitvoer gelegd door betekening van de uitspraak aan de schuldenaar.

Artikel 6:5:2

Op de betaling van de in artikel 36, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, bedoelde kosten voor de openbaarmaking van een uitspraak zijn artikel 24c van dat wetboek en de artikelen 6:4:2 en 6:4:7 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:5:3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in deze Titel.

TITEL 6 RECHTERLIJKE BESLISSINGEN INZAKE DE TENUITVOERLEGGING
EERSTE AFDELING ALGEMEEN
Artikel 6:6:1
  • 1. Indien een rechter overeenkomstig de bepalingen van dit Boek een beslissing kan nemen inzake de tenuitvoerlegging, is – tenzij in deze Titel anders is bepaald – tot het nemen van deze beslissing bevoegd het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet. Tenzij anders is bepaald kan de rechter deze beslissing ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op verzoek van de veroordeelde nemen.

  • 2. In de gevallen waarin de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit en de behandeling van een beslissing als bedoeld in het eerste lid op vordering van het openbaar ministerie gelijktijdig geschiedt met de behandeling van het feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd, is het gerecht bevoegd dat kennis neemt van dat feit.

  • 3. In het geval van de tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing is tot het nemen van een beslissing als bedoeld in het eerste lid tevens het gerecht bevoegd dat het verlof tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, heeft verleend, danwel het gerecht in het arrondissement waar toezicht wordt gehouden op de naleving van de aan de veroordeelde opgelegde verplichtingen.

  • 4. Indien het gerecht dat kennis neemt van de zaak zich onbevoegd acht of van oordeel is dat een goede rechtsbedeling dit vereist, verwijst het de zaak naar het gerecht dat deze naar zijn oordeel behoort te berechten.

  • 5. Indien het gerecht beslist op een verzoek van de veroordeelde, wordt dit verzoek door de griffier ter kennis gebracht van het openbaar ministerie, dat daarop zo spoedig mogelijk een conclusie neemt.

  • 6. Onze Minister kan het openbaar ministerie informeren over omstandigheden die aanleiding kunnen geven een vordering bedoeld in het eerste lid in te dienen. Het openbaar ministerie informeert Onze Minister in deze gevallen of een vordering is ingediend.

  • 7.

    • a. De zaak wordt behandeld en beslist door een enkelvoudige kamer.

    • b. In afwijking van het bepaalde onder a, wordt de zaak behandeld en beslist door een meervoudige kamer indien:

      • 1°. de vordering van het openbaar ministerie strekt tot vrijheidsbeneming van een jaar of meer;

      • 2°. de rechter die kennisneemt van de zaak aanstonds oordeelt dat deze door een meervoudige kamer moet worden behandeld;

      • 3°. de zaak op grond van het tweede lid wordt behandeld door een meervoudige kamer.

    • c. De rechter-commissaris neemt spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging.

Artikel 6:6:2

Elke bevoegdheid die bij deze Titel wordt toegekend aan de veroordeelde, komt mede toe aan diens raadsman.

Artikel 6:6:3
  • 1. Het openbaar ministerie zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het gerecht toe. De rechter bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij de summiere kennisneming van de stukken de rechter aanleiding geeft de vordering of het verzoek zonder behandeling niet-ontvankelijk te verklaren.

  • 2. Het openbaar ministerie doet de veroordeelde en, indien daarvan sprake is, degene die met reclasseringstoezicht is belast, tot bijwoning van de zitting oproepen, onder betekening van de vordering of de conclusie aan de veroordeelde.

  • 3. Voor het onderzoek wordt aan de veroordeelde, zo hij geen raadsman heeft, door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman toegevoegd.

  • 4. De veroordeelde en degene die met reclasseringstoezicht is belast, kunnen vóór de aanvang van het onderzoek kennisnemen van de stukken. Indien de zaak bij de kantonrechter wordt behandeld, geldt hetzelfde ten aanzien van een bijzonder daartoe door de veroordeelde gemachtigde. Het bepaalde bij en krachtens artikel 32 is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde zijn bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De artikelen 260, 263 en 264 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Indien de veroordeelde op het tijdstip dat de zaak dient, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, zijn de artikelen 495b tot en met 498, 504 en 505 van overeenkomstige toepassing. Heeft hij de leeftijd van zestien jaren nog niet bereikt, dan is tevens artikel 503 van toepassing.

Artikel 6:6:4
  • 1. Voor zover niet in dit wetboek anders is bepaald, vindt het onderzoek ter openbare terechtzitting plaats, overeenkomstig het bepaalde in artikel 269.

  • 2. Het openbaar ministerie is bij het onderzoek tegenwoordig en wordt ter zake gehoord.

  • 3. De veroordeelde en, indien daarvan sprake is, degene die met reclasseringstoezicht is belast kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn en worden alsdan gehoord. De veroordeelde kan zich door een raadsman of, indien de zaak bij de kantonrechter wordt behandeld, door een bijzonder daartoe door de veroordeelde gemachtigde, doen bijstaan.

  • 4. In gevallen waarin de behandeling van de zaak niet gelijktijdig geschiedt met de behandeling van een feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd, vinden de artikelen 268, tweede en derde lid, 270 tot en met 277, 278, tweede lid, 281, 284, eerste lid, 286 tot en met 297, 299 tot en met 301, 309 tot en met 311, 315, 316, 318, 319, 320, eerste en tweede lid, 322, 324, 325 tot en met 327a, 330, 345, eerste en derde lid, en 346 overeenkomstige toepassing.

  • 5. De in het vierde lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt.

  • 6. Het openbaar ministerie en de veroordeelde zijn bevoegd gedurende het onderzoek wijziging te brengen in de vordering of de conclusie, onderscheidenlijk het verzoek.

Artikel 6:6:5
  • 1. De rechterlijke beslissingen op grond van deze Titel zijn met redenen omkleed en worden in het openbaar uitgesproken.

  • 2. De inhoud van de in het eerste lid bedoelde beslissingen worden onverwijld vanwege het openbaar ministerie schriftelijk medegedeeld aan de veroordeelde. Indien de beslissing een wijziging van gestelde bijzondere voorwaarden bevat of indien bij de beslissing alsnog bijzondere voorwaarden worden gesteld, bevat de kennisgeving tevens de gestelde voorwaarden, alsmede de datum van ingang van de voorwaarden. Indien daarvan sprake is, wordt de mededeling tevens gedaan aan degene die met reclasseringstoezicht is belast dan wel bij de beslissing daarvan wordt ontheven, en aan het hoofd van de instelling waar een ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt de mededeling van beslissingen waartegen een rechtsmiddel openstaat, aan de veroordeelde betekend. Daarbij wordt kennis gegeven van het rechtsmiddel dat tegen de beslissing openstaat en van de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend.

Artikel 6:6:6

De rechter die kennisneemt van het beroep kan, gehoord het openbaar ministerie, een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een straf of maatregel opheffen of schorsen.

Artikel 6:6:7
  • 1. Indien iemand die tot het ondergaan van een vrijheidsbenemende straf of maatregel is aangehouden, ontkent de veroordeelde te zijn, of indien daaromtrent ondanks de verklaring van de aangehoudene dat hij de veroordeelde is twijfel blijft bestaan, en de identiteit niet op de wijze van artikel 27a kan worden vastgesteld, beslist de rechter op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de aangehoudene of diens raadsman, of hij al of niet de veroordeelde is.

  • 2. Voor het onderzoek wordt aan de aangehoudene, zo hij geen raadsman heeft, door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman toegevoegd.

  • 3. Indien de rechter de identiteit van de veroordeelde vaststelt, wordt de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel geacht te zijn aangevangen op het tijdstip van de vrijheidsbeneming. Indien de rechter de identiteit niet vaststelt, gelast hij de invrijheidstelling van de aangehoudene.

Artikel 6:6:8

Een rechterlijke beslissing als bedoeld in deze Afdeling is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen, voor zover in deze Titel niet anders is bepaald.

TWEEDE AFDELING VRIJHEIDSBENEMENDE STRAFFEN EN MAATREGELEN
Artikel 6:6:9
  • 1. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat er op een van de gronden genoemd in artikel 6:2:12 reden is de voorwaardelijke invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of achterwege te laten, dient het onverwijld een daartoe strekkende schriftelijke vordering in.

  • 2. In de gevallen, bedoeld in artikel 6:2:6 is tot kennisneming van de vordering bevoegd het gerecht dat in eerste aanleg heeft geoordeeld ter zake van het feit waarvoor de langste onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijke lengte zijn rechtbanken gelijkelijk bevoegd.

  • 3. De vordering, bedoeld in het eerste lid, dient uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling te zijn ontvangen op de griffie van het gerecht. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering ontvankelijk, indien het aannemelijk maakt dat een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, zich pas nadien heeft voorgedaan.

  • 4. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan telkens opnieuw met een bepaalde termijn worden uitgesteld dan wel, nadat zij is uitgesteld, achterwege blijven. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Hangende de beslissing van het gerecht wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.

Artikel 6:6:10
  • 1. Indien het gerecht de vordering van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 6:6:9 toewijst, bepaalt hij, indien de voorwaardelijke invrijheidstelling met een bepaalde termijn wordt uitgesteld, de periode waarvoor uitstel wordt verleend.

  • 2. Indien het gerecht de vordering geheel of gedeeltelijk afwijst, bepaalt hij op welk tijdstip de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld.

  • 3. Het gerecht kan in zijn beslissing omtrent de vordering adviseren omtrent aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden bijzondere voorwaarden.

Artikel 6:6:11
  • 1. Indien de ter beschikking gestelde een gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, is de rechter met inachtneming van de bepalingen van de tweede afdeling van Titel IIA van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht bevoegd te beslissen:

    • a. tot verlenging van de terbeschikkingstelling met voorwaarden met een jaar of twee jaren al dan niet onder wijziging, aanvulling of opheffing van een voorwaarde;

    • b. tot verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met een jaar of twee jaren;

    • c. tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar of twee jaren en tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege;

    • d. gedurende de looptijd van de terbeschikkingstelling: dat de verpleging van overheidswege wordt hervat;

    • e. gedurende de looptijd van de terbeschikkingstelling: dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd;

    • f. gedurende de looptijd van de terbeschikkingstelling: dat de verpleging van overheidswege voorwaardelijk wordt beëindigd, indien het proefverlof van een ter beschikking gestelde ten minste twaalf maanden onafgebroken heeft voortgeduurd, zonder dat in deze periode de terbeschikkingstelling is verlengd;

    • g. gedurende de looptijd van de terbeschikkingstelling met voorwaarden: de voorwaarden te wijzigen, aan te vullen of op te heffen.

  • 2. De rechter die de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigt, stelt ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. De artikelen 38, tweede lid, en 38a van het Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De rechter kan in afwijking van artikel 6:2:18, eerste lid, tweede volzin, ten aanzien van een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege beëindigen onder de voorwaarde dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert.

  • 4. De rechter die de terbeschikkingstelling verlengt met een jaar of twee jaren kan tevens de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigen. Beëindiging van de terbeschikkingstelling vindt niet plaats dan nadat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest.

  • 5. De terbeschikkingstelling herleeft, indien de vreemdeling de voorwaarde niet naar Nederland terug te keren, niet naleeft. In dat geval kan de rechter een last tot hervatting van de verpleging van overheidswege geven. De termijn van de terbeschikkingstelling begint te lopen op het tijdstip waarop de vreemdeling is aangehouden. Indien tussen de datum van uitzetting van de veroordeelde en de datum van indiening van de vordering door het openbaar ministerie een periode van drie jaar of meer is gelegen, is artikel 37, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 6. De terbeschikkingstelling die op grond van het vijfde lid is herleefd, eindigt van rechtswege, indien de officier van justitie een vordering als bedoeld in het vijfde lid heeft ingediend en de rechter deze heeft afgewezen.

Artikel 6:6:12
  • 1. Een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling kan niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand vóór het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen, worden ingediend.

  • 2. De vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling kan eveneens worden ingediend indien het openbaar ministerie binnen vier maanden voor het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen, een vordering indient die strekt tot het alsnog van overheidswege verplegen van de ter beschikking gestelde dan wel de hervatting daarvan.

  • 3. Een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling die later dan één maand vóór het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, is niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van de ter beschikking gestelde, verlenging van de terbeschikkingstelling eist.

  • 4. In afwachting van een beslissing van de rechter wordt de ter beschikking gestelde die rechtens zijn vrijheid is ontnomen, niet in vrijheid gesteld. In het geval dat een vordering tot verlenging wordt toegewezen na de dag waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zou zijn geëindigd indien geen vordering tot verlenging was ingediend, gaat de nieuwe termijn niettemin op die dag in.

  • 5. In het geval, bedoeld in het derde lid, dient het openbaar ministerie, wanneer van het verzuim is gebleken na het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop is geëindigd, naast de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling, onverwijld een vordering tot voorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling in bij de rechter-commissaris.

  • 6. Indien op grond van artikel 6:3:15 de aanhouding van de ter beschikking gestelde is bevolen, dient het openbaar ministerie, naast een vordering strekkende tot het alsnog van overheidswege verplegen van de ter beschikking gestelde dan wel een vordering tot hervatting van de verpleging van overheidswege, onverwijld een vordering tot het voorlopig alsnog van overheidswege verplegen dan wel een vordering tot voorlopige hervatting van de verpleging van overheidswege in bij de rechter-commissaris.

  • 7. Indien de ter beschikking gestelde een door de rechter gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd en geen toepassing wordt gegeven aan het zesde lid, of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, kan de rechter-commissaris, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot tijdelijke opname van de ter beschikking gestelde geven voor de duur van maximaal zeven weken in een door de rechter aangewezen instelling. De tijdelijke opname kan door de rechter-commissaris op vordering van het openbaar ministerie met ten hoogste zeven weken worden verlengd. Een tijdelijke opname kan plaatsvinden zonder bereidverklaring van de ter beschikking gestelde.

  • 8. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na de indiening van de vordering, bedoeld in het vijfde, zesde of zevende lid. In afwachting van de beslissing wordt de ter beschikking gestelde niet in vrijheid gesteld.

  • 9. De ter beschikking gestelde wordt zo mogelijk, maar in elk geval achteraf door de rechter-commissaris gehoord.

  • 10. De beslissing van de rechter-commissaris is dadelijk uitvoerbaar.

Artikel 6:6:13
  • 1. Indien de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, worden bij de vordering tot verlenging overgelegd:

    • a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies afkomstig van het hoofd of de directeur van de inrichting;

    • b. een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de ter beschikking gestelde.

  • 2. Indien de ter beschikking gestelde niet van overheidswege wordt verpleegd, wordt bij de vordering overgelegd een recent opgemaakt, met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van de reclassering en van een psychiater, die zelf de ter beschikking gestelde heeft onderzocht.

  • 3. Indien het openbaar ministerie een verlenging vordert waardoor de totale duur van de terbeschikkingstelling een periode van zes jaar of van een veelvoud van zes jaar te boven gaat, legt het bij de vordering tevens over een recent opgemaakt advies van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines – waaronder een psychiater – gezamenlijk, dan wel adviezen van ieder van hen afzonderlijk. Deze gedragsdeskundigen mogen op het ogenblik waarop zij het advies uitbrengen en ten tijde van het onderzoek dat zij daarvoor verrichten niet verbonden zijn aan de inrichting waarin de ter beschikking gestelde wordt verpleegd. Het voorgaande vindt geen toepassing indien de ter beschikking gestelde weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk maken de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel ieder van hen afzonderlijk over de reden van de weigering rapport op. Het openbaar ministerie legt zo mogelijk een ander advies of rapport omtrent de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een verlenging van de terbeschikkingstelling, aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen, over.

  • 4. De ter beschikking gestelde kan in het geval, bedoeld in het derde lid, op last van Onze Minister, voor een periode van ten hoogste zeven weken ter observatie worden overgebracht naar een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd. Het verblijf in de instelling geldt als verpleging van overheidswege. De last tot overbrenging wordt niet gegeven dan nadat de ter beschikking gestelde en zijn raadsman ter zake zijn gehoord althans daartoe in de gelegenheid zijn gesteld. Artikel 273, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de last tot hervatting van de verpleging van overheidswege betrekking heeft op een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, en tussen de datum van uitzetting van de veroordeelde en de datum van indiening van de vordering door het openbaar ministerie een periode van drie jaar of meer is gelegen.

  • 6. Indien de vordering tot verlenging wordt ingediend binnen twee maanden na de beslissing in beroep op de beslissing waarbij de terbeschikkingstelling met een jaar is verlengd, behoeft bij de vordering geen advies als bedoeld in het eerste lid, onder a, te worden overgelegd

Artikel 6:6:14
  • 1. Voor de beslissingen bedoeld in artikel 6:6:11 vindt het onderzoek van de zaak door de rechter zo spoedig mogelijk plaats, doch in elk geval binnen twee maanden na ontvangst van de vordering dan wel de conclusie van het openbaar ministerie. Indien een bevel tot voorlopige verpleging dan wel een bevel tot voorlopige hervatting van de verpleging is gegeven, vindt het onderzoek in elk geval binnen één maand na ontvangst van de vordering plaats.

  • 2. De rechter kan indien hij ernstig gevaar voor de geestelijke gezondheid van de ter beschikking gestelde vreest, bepalen dat het inzien van geneeskundige en psychologische rapporten de ter beschikking gestelde persoonlijk niet is toegestaan. De ter beschikking gestelde kan een reclasseringsmedewerker, arts of advocaat, dan wel iemand die van de rechter bijzondere toestemming heeft verkregen, machtigen om die rapporten in te zien.

  • 3. De rechter hoort de ter beschikking gestelde en zijn raadsman, alvorens te beslissen. Indien de ter beschikking gestelde niet in staat is voor het onderzoek te verschijnen, zal een van de rechters vergezeld door de griffier hem op zijn verblijfplaats horen. Indien de ter beschikking gestelde zich ophoudt in een ander arrondissement, kan de rechter het verhoor overdragen aan een rechter in dat arrondissement.

  • 4. Indien zich na de indiening van de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de rechter niet binnen de gestelde termijn kan voldoen aan de voorgeschreven hoorplicht, wordt op de vordering tot verlenging besloten binnen twee maanden nadat het beletsel om aan de hoorplicht te voldoen, is weggevallen.

  • 5. Indien de rechter in geval van verlenging van de terbeschikkingstelling voorwaardelijke beëindiging van de verpleging overweegt en hij het voor de vorming van zijn eindoordeel noodzakelijk acht zich nader te doen voorlichten omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van de ter beschikking gestelde in het maatschappelijk verkeer zou kunnen geschieden, kan hij met gelijktijdige verlenging van de verpleging zijn beslissing voor ten hoogste drie maanden aanhouden.

Artikel 6:6:15
  • 1. De rechter kan na het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

  • 2. Indien de rechter bij het opleggen van de maatregel niet beslist tot een tussentijdse beoordeling dan wel beslist tot een beoordeling na een jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, kan de veroordeelde na zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel verzoeken om een tussentijdse beoordeling. In de overige gevallen kan een verzoek worden gedaan na zes maanden na het onherroepelijk worden van de beslissing om niet tussentijds te beoordelen of van de beslissing dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel is vereist.

  • 3. Het openbaar ministerie bericht de rechter binnen de door de rechter bepaalde termijn over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Bij het bericht is gevoegd een verklaring van de directeur van de inrichting omtrent de stand van de uitvoering van het verblijfsplan van de veroordeelde.

  • 4. Indien de rechter naar aanleiding van de in het derde lid bedoelde inlichtingen beslist dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel niet langer is vereist, beëindigt hij deze met ingang van een door hem te bepalen tijdstip. De maatregel blijft van kracht zolang de beslissing niet onherroepelijk is.

Artikel 6:6:16
  • 1. Het openbaar ministerie, de ter beschikking gestelde en degene die is geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders kunnen binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen:

    • a. de beslissing tot verlenging van de terbeschikkingstelling;

    • b. de beslissing tot verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;

    • c. de beslissing tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege;

    • d. de beslissing tot hervatting van de verpleging van overheidswege;

    • e. het bevel dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege wordt verpleegd

    • f. de beslissing tot voortzetting of beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

  • 2. Indien de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling is toegewezen, doch artikel 6:6:14, vijfde lid, is toegepast, kan tegen de beslissing tot verlenging slechts gelijktijdig met de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege beroep worden ingesteld.

  • 3. De artikelen 409, eerste lid, 410, 449, eerste lid, 450 tot en met 454, 455, eerste lid, en 6:6:3, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:6:17
  • 1. Op het onderzoek door het gerechtshof zijn de artikelen 6:6:3, tweede, derde en vierde lid, 6:6:4, 6:6:5, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien het gerechtshof echter, na kennisneming van de stukken van het geding, van oordeel is, dat het beroep kennelijk niet ontvankelijk of ongegrond is, kan het gerechtshof, nadat het de advocaat-generaal, de ter beschikking gestelde en diens raadsman heeft gehoord, zonder nader onderzoek op het beroep beslissen.

  • 3. De voorzitter kan, hangende de beslissing, de verpleging van overheidswege voorlopig beëindigen wanneer de vordering tot verlenging door de rechtbank is afgewezen.

Artikel 6:6:18

Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. Het bevestigt de beslissing van de rechter of doet, met vernietiging daarvan, wat de rechter had behoren te doen.

Artikel 6:6:19

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in deze afdeling. Deze nadere regels zien in elk geval op:

  • a. de procedure van verlenging van de terbeschikkingstelling;

  • b. de procedure van de voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging.

DERDE AFDELING VRIJHEIDSBEPERKENDE STRAFFEN, MAATREGELEN EN VOORWAARDEN
Artikel 6:6:20
  • 1. Indien op grond van het Wetboek van Strafrecht of het Wetboek van Strafvordering een proeftijd is verbonden aan een opgelegde straf of maatregel, of de tenuitvoerlegging daarvan, kan de rechter:

    • a. de proeftijd verkorten of verlengen;

    • b. gedurende de proeftijd of gedurende de tijd dat deze is geschorst in de gestelde bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt wijziging brengen, deze voorwaarden opheffen of alsnog bijzondere voorwaarden stellen;

    • c. de opdracht aan een reclasseringsinstelling om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden geven, alsnog geven, wijzigen of opheffen.

  • 2. De verlenging van de proeftijd, bedoeld in het eerste lid, onder a, bedraagt bij voorwaarden bij een veroordeling tot een straf of maatregel waarvan de rechter heeft bepaald dat deze geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, ten hoogste de termijn die maximaal aan de proeftijd kan worden verbonden en ten hoogste eenmaal één jaar indien de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen zijn toegepast.

Artikel 6:6:21
  • 1. De rechter-commissaris is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke en vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen. Dit betreft de beslissingen tot:

    • a. de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf of maatregel;

    • b. schorsing van de voorwaardelijke invrijheidsstelling;

    • c. de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de in het vonnis bepaalde vervangende hechtenis die ten uitvoer wordt gelegd iedere keer dat de veroordeelde zich niet houdt aan de vrijheidsbeperkende maatregel;

    • d. de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de in het vonnis bepaalde vervangende jeugddetentie of hechtenis voor het geval dat de jeugdige zich niet houdt aan de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.

  • 2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid wordt onverwijld ingediend indien op grond van artikel 6:3:15 de aanhouding van de veroordeelde is bevolen. In dat geval wordt tegelijkertijd een vordering als bedoeld in artikel 6:6:22, eerste lid, ingediend.

  • 3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na de indiening van de vordering. De veroordeelde wordt zo mogelijk door de rechter-commissaris gehoord. De artikelen 40 en 191 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.

  • 5. De beslissing van de rechter-commissaris is dadelijk uitvoerbaar.

  • 6. Indien de rechter-commissaris de vordering bedoeld in het eerste lid afwijst, beveelt hij de invrijheidstelling van de aangehouden veroordeelde, dan wel de hervatting van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling.

  • 7. Indien vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie wordt bevolen, wordt de vrijheidsbeneming hangende de beslissing van de rechter-commissaris geheel in mindering gebracht op de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie.

Artikel 6:6:22
  • 1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van:

    • a. de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden;

    • b. het alsnog geheel of gedeeltelijk moeten ondergaan van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd.

  • 2. In plaats van het op grond van het eerste lid, onder a, bevelen van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, kan de rechter de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten. De artikelen 6:3:1 tot en met 6:3:6 en de artikelen 22b tot en met 22k van het Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Een vordering als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend indien het openbaar ministerie oordeelt dat de veroordeelde een gestelde voorwaarde of opgelegde maatregel niet naleeft of niet heeft nageleefd, en er niet met een waarschuwing kan worden volstaan.

  • 4. Het onderzoek vindt zo spoedig mogelijk plaats. Indien de rechter-commissaris op grond van artikel 6:6:21, eerste lid, een beslissing heeft genomen, vindt het onderzoek in elk geval plaats binnen een maand na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde vordering.

  • 5. Indien het onderzoek volgt op een aanhouding, hoort de rechter de veroordeelde alvorens te beslissen. De artikelen 40 en 191 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 6. De rechter kan het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging en het bevel tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling, verleend door de rechter-commissaris, opheffen.

Artikel 6:6:23
  • 1. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter bedoeld in artikel 6:6:21, eerste lid, onder c en d, en in artikel 6:6:22, eerste lid, onder b, tegen die beslissingen beroep instellen.

  • 2. De voorzitter kan hangende de beslissing het bevel tot tenuitvoerlegging ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, opheffen.

  • 3. De artikelen 6:6:16, derde lid, 6:6:17, eerste en tweede lid, en 6:6:18 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:6:24
  • 1. Tegen de kennisgevingen bedoeld in de artikelen 6:3:3, derde lid, en 6:3:10, vierde lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechter.

  • 2. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. Indien de rechter het bezwaarschrift gegrond verklaart, geeft hij in zijn beslissing het aantal uren taakstraf aan dat nog moet worden verricht en binnen welke termijn de taakstraf moet worden voltooid.

Artikel 6:6:25
  • 1. Binnen veertien dagen nadat de gewezen verdachte of veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing op een overeenkomstig artikel 6:3:7, tweede lid, gedaan verzoek, kan hij een bezwaarschrift indienen bij het gerecht ter griffie waarvan het bedrag is voldaan of het voorwerp is overgedragen.

  • 2. Het bezwaarschrift kan ook worden ingediend nadat dertig dagen zijn verstreken sedert de indiening van het verzoek, waarop nog niet is beslist.

  • 3. Indien de rechter het bezwaarschrift gegrond acht, beveelt het de teruggave van het verschil bedoeld in artikel 6:3:7, tweede lid. Indien het te betalen bedrag was verhoogd omdat het bedrag niet binnen de daarvoor gestelde termijn geheel was voldaan, vervalt deze verhoging van rechtswege.

VIERDE AFDELING GELDELIJKE STRAFFEN EN MAATREGELEN
Artikel 6:6:26
  • 1. Het openbaar ministerie kan een vordering instellen om te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde toe te passen indien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 niet mogelijk blijkt bij een in een strafbeschikking opgelegde geldboete.

  • 2. De vordering bedoeld in het eerste lid, wordt ingesteld bij de rechter in het arrondissement waar het adres is van degene aan wie in een strafbeschikking de geldboete is opgelegd, waarvoor verhaal is gezocht. Als het adres van degene aan wie de geldboete is opgelegd, wordt aangemerkt het in de basisregistratie personen vermelde adres alsmede het adres dat de verdachte bij het doen van verzet heeft opgegeven. Indien degene aan wie de geldboete is opgelegd niet als ingezetene staat ingeschreven in de basisregistratie personen, kan de vordering tevens bij de rechtbank Noord-Nederland worden ingesteld.

  • 3. De rechter bepaalt de duur van de gijzeling. Die duur beloopt ten minste één dag en ten hoogste een week per strafbaar feit. Voor elke volle € 25 van het bedrag waarvoor verhaal is gezocht, wordt niet meer dan één dag opgelegd.

  • 4. Bij de beoordeling van de vordering houdt de rechter rekening met gedeeltelijke betalingen die door de veroordeelde zijn verricht en verhaal dat reeds ingevolge de artikelen 6:4:4, 6:4:5, 6:4:6 is genomen.

  • 5. De vordering wordt niet toegewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.

  • 6. De gijzeling eindigt indien de veroordeelde alsnog het verschuldigde bedrag volledig voldoet. De gijzeling kan te allen tijde worden beëindigd door Onze Minister.

  • 7. De toepassing van gijzeling heft de verschuldigdheid niet op.

Artikel 6:6:27
  • 1. De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie, of op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde of van een benadeelde derde, het in de opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden. Is het bedrag reeds betaald of verhaald, dan kan de rechter bevelen dat het geheel of gedeeltelijk zal worden teruggegeven of aan een door hem aangewezen derde zal worden uitgekeerd. Het bevel laat ieders recht op het teruggegeven of uitgekeerde bedrag onverlet.

  • 2. Indien blijkt dat een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel, geeft de rechter een beschikking strekkende tot vermindering of teruggave, ten minste gelijk aan het verschil.

  • 3. Het openbaar ministerie en de verdachte onderscheidenlijk de benadeelde derde worden gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij – bij een tweede of volgende verzoek van de verdachte onderscheidenlijk de benadeelde derde – dit verzoek kennelijk ongegrond is.

  • 4. De vordering en het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kunnen niet meer worden gedaan nadat drie jaren zijn verstreken sedert de dag waarop het bedrag, of het laatste gedeelte daarvan, is betaald of verhaald.

  • 5. De rechter kan ambtshalve bevelen dat de maatregel, hangende zijn beslissing, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Het bevel wordt onverwijld ter kennis gebracht van Onze Minister.

Artikel 6:6:28
  • 1. Binnen veertien dagen nadat de gewezen verdachte of veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing op een overeenkomstig artikel 6:4:17, tweede lid gedaan verzoek, kan hij een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank waarbij de officier van justitie is geplaatst.

  • 2. Het bezwaarschrift kan ook worden ingediend wanneer dertig dagen zijn verstreken sedert de indiening van het verzoek en inmiddels daarop niet is beslist.

  • 3. Acht de rechtbank het bezwaarschrift gegrond, dan beveelt zij de teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

  • 4. De behandeling van het bezwaarschrift vindt plaats in het openbaar.

VIJFDE AFDELING JEUGD
Artikel 6:6:29
  • 1. De rechter die de straf heeft opgelegd kan te allen tijde de jeugdige aan wie een jeugddetentie is opgelegd, voorwaardelijk in vrijheid stellen.

  • 2. In geval van een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt een proeftijd bepaald van ten hoogste twee jaren. De duur van de proeftijd en de gestelde voorwaarden worden de veroordeelde in persoon betekend. De artikelen 77y, derde lid, 77z, 6:3:14, 6:6:20 en 6:6:22 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:6:30

De straf van jeugddetentie kan door de rechter op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een van de straffen genoemd in artikel 9, eerste lid, van het Wetboek van het Strafrecht indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf geheel of gedeeltelijk zou moeten plaatsvinden nadat de veroordeelde de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt en deze naar het oordeel van de rechter niet meer voor een zodanige straf in aanmerking komt.

Artikel 6:6:31
  • 1. Indien geen of geen volledige betaling van het bedrag van een geldboete heeft plaatsgevonden en geen of geen volledig verhaal mogelijk is, kan de rechter die de straf heeft opgelegd het nog te betalen bedrag op vordering van het openbaar ministerie vervangen door jeugddetentie of op verzoek van de veroordeelde vervangen door een taakstraf. Indien de rechter gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van het tweede lid van artikel 77l van het Wetboek van Strafrecht, kan hij de duur van de eerder opgelegde vervangende jeugddetentie ook wijzigen, tenzij deze reeds is aangevangen.

  • 2. De taakstraf, bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd in evenredigheid met het nog verschuldigde bedrag. De artikelen 6:3:2, 6:3:5, 6:3:8 tot en met 6:3:11 en 6:3:13, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing. De straf kan slechts worden opgelegd zolang de veroordeelde de leeftijd van achttien jaren niet heeft bereikt.

  • 3. Indien de veroordeelde bij aanvang van de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, kan deze worden ten uitvoer gelegd als vervangende hechtenis, indien het vonnis of de beslissing op grond van het eerste lid dit bepaalt.

  • 4. De duur van de vervangende jeugddetentie of vervangende hechtenis is ten minste één dag en ten hoogste drie maanden. Voor elke volle € 15 van de nog te betalen geldboete wordt niet meer dan één dag opgelegd. Door betaling van het nog te betalen bedrag vervalt de vervangende jeugddetentie of de vervangende hechtenis. Artikel 6:4:7, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Artikel 27, derde en vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is bij veroordeling tot een geldboete van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:6:32
  • 1. De rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de termijn, bedoeld in artikel 6:2:23, eerste lid, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel. De artikelen 6:6:11 en 6:6:12 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. In de gevallen waarin de maatregel is verlengd, eindigt de maatregel voorwaardelijk een jaar voordat de maximale duur van de maatregel wordt bereikt. De rechter geeft in de beslissing tot verlenging van de maatregel aan wanneer de maatregel, behoudens verdere verlenging, onvoorwaardelijk eindigt. Artikel 6:2:23, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Op de beslissing tot verlenging van de maatregel waarbij de maximale duur van de maatregel zal worden bereikt, is artikel 77s, tweede en vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Artikel 77s, eerste lid, onder b en c, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Een vordering tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt bij de rechtbank behandeld door de meervoudige kamer.

  • 5. Bij de vordering worden overgelegd:

    • a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies afkomstig van het hoofd of de directeur van de inrichting, en

    • b. een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde.

  • 6. De maatregel kan zonder advies, bedoeld in het vijfde lid, onder a, worden verlengd indien dit advies door gebrek aan medewerking van de veroordeelde niet kan worden uitgebracht.

  • 7. Artikel 6:1:1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:6:33
  • 1. De voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan door de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, worden verlengd. De rechter bepaalt de duur van de verlenging.

  • 2. De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel bedraagt ten hoogste twee jaar. De termijn van de voorwaardelijke beëindiging loopt niet wanneer de veroordeelde zich langer dan een week onttrekt aan het toezicht.

  • 3. Tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel kan de in het eerste lid bedoelde rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde:

    • a. bijzondere voorwaarden stellen die het gedrag van de veroordeelde betreffen;

    • b. aan een andere instelling dan die welke daarmee tevoren was belast, de begeleiding van de veroordeelde opdragen;

    • c. indien de veroordeelde zich niet heeft gedragen naar de aanwijzingen bedoeld in artikel 77ta, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht bevelen dat de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke beëindiging wordt teruggeplaatst in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, dan wel, indien de veroordeelde inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet dan wel een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

  • 4. De rechter bepaalt de duur van een terugplaatsing als bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Deze duur kan de duur van de voorwaardelijke beëindiging niet overschrijden en bedraagt ten hoogste een jaar. Bij herhaalde terugplaatsing kan de totale duur van de terugplaatsingen de maximale duur van een jaar niet overstijgen. Een terugplaatsing kan maximaal twee keer worden toegepast.

  • 5. Indien de rechter bijzondere voorwaarden stelt, als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter de werking van de bijzondere voorwaarden kan beperken tot een in de beslissing te bepalen tijdsduur binnen de termijn waarmee de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd.

  • 6. De rechter die voorwaarden heeft gesteld in het verband van een voorwaardelijk opgelegde maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, kan op vordering van het openbaar ministerie, indien een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, alsnog de tenuitvoerlegging van de maatregel bevelen.

  • 7. Indien ten aanzien van de veroordeelde een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is gegeven, eindigt de maatregel onvoorwaardelijk.

  • 8. De artikelen 6:3:15, 6:6:22 en 6:6:23 zijn van overeenkomstige toepassing. Indien het openbaar ministerie de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, dient het onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in het derde lid, bij de rechter.

Artikel 6:6:34
  • 1. De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen die is verlengd tot de in artikel 6:6:32, tweede lid, bedoelde duur van zeven jaren, kan door de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie worden omgezet in de maatregel, bedoeld in artikel 37a, van het Wetboek van Strafrecht, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de omzetting in die maatregel eist.

  • 2. De beslissing tot omzetting geldt als een last als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. De rechter geeft daarbij het bevel, bedoeld in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht. De artikelen 37, tweede en derde lid, en 37a van het Wetboek van Strafrecht, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Met de omzetting eindigt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen onvoorwaardelijk.

  • 4. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen:

    • a. voordat de maatregel voorwaardelijk eindigt op de wijze, bedoeld in artikel 6:6:32, tweede lid;

    • b. tijdens de voorwaardelijke beëindiging, bedoeld in artikel 6:6:33, eerste en tweede lid.

  • 5. Bij de beslissing betrekt de rechter:

    • a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies afkomstig van het hoofd of de directeur van de inrichting, en

    • b. een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde

Artikel 6:6:35
  • 1. Indien het gedrag van de veroordeelde daartoe aanleiding geeft of wijziging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige in het belang is van de ontwikkeling van de veroordeelde, kan de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, beslissen dat de maatregel een andere invulling krijgt.

  • 2. De rechter beslist slechts tot een andere invulling van de maatregel, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van de raad voor de kinderbescherming.

  • 3. Artikel 77w, tweede lid, eerste volzin, derde tot en met negende lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing op de beslissing tot wijziging van de maatregel, met dien verstande dat in het in artikel 77w, tweede lid, derde volzin, van dat wetboek bedoelde geval, voor de andere invulling van de maatregel advies wordt gevraagd van een gedragsdeskundige of van de reclasseringsinstelling die met de uitvoering van de maatregel is belast.

Artikel 6:6:36
  • 1. Indien op grond van artikel 77wc van het Wetboek van Strafrecht vervangende jeugddetentie wordt toegepast en reeds een gedeelte van de maatregel ten uitvoer is gelegd, vermindert de duur van de vervangende jeugddetentie naar evenredigheid.

  • 2. Artikel 6:3:10 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Artikel 6:3:15 is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid kan de rechter op vordering van de officier van justitie de tijdelijke opneming in een justitiële jeugdinrichting bevelen in het geval de jeugdige niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel meewerkt.

  • 5. De tenuitvoerlegging van de tijdelijke opneming schorst de termijn van de maatregel. De maximale aaneengesloten duur van de tijdelijke opneming in de jeugdinrichting bedraagt vier weken. De tijdelijke opneming kan ten hoogste tweemaal tijdens de looptijd van de maatregel worden bevolen, ook in het geval waarin de maatregel is verlengd.

Artikel 6:6:37
  • 1. Indien het gedrag van de veroordeelde daartoe aanleiding geeft en verlenging in het belang is van de ontwikkeling van de veroordeelde, kan de rechter de termijn van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, op vordering van het openbaar ministerie, eenmaal verlengen voor ten hoogste dezelfde tijd als waarvoor de maatregel was opgelegd. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel.

  • 2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid, die later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, is niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de verdere ontwikkeling van de jeugdige de verlenging van de maatregel eist.

  • 3. Bij de vordering worden overgelegd:

    • a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed advies, afkomstig van de raad voor de kinderbescherming;

    • b. een afschrift van de aantekeningen omtrent het gedrag van de veroordeelde, afkomstig van de instelling of organisatie die belast is met de uitvoering van de maatregel.

  • 4. In de beslissing omtrent de verlenging geeft de rechter aan waaruit de verlenging van de maatregel bestaat. De verlenging kan inhouden dat het programma waaraan de veroordeelde deelneemt wordt verlengd. De verlenging kan ook inhouden dat de veroordeelde deelneemt aan een door de rechter aan te wijzen programma in een daarbij aan te wijzen inrichting of dat de veroordeelde een door de rechter aan te wijzen ambulant programma zal volgen onder begeleiding van een in de beslissing aangewezen organisatie.

  • 5. Artikel 77wa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:6:35 en 6:6:36 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:6:38
  • 1. De volgende beslissingen worden bij beschikking genomen, nadat de veroordeelde en indien deze minderjarig is, ook degenen die het gezag over hem uitoefenen, zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen:

    • a. de beslissing tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

    • b. de beslissing tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

    • c. de beslissing tot verlenging van de termijn van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.

  • 2. De artikelen 6:6:3 en 6:6:4 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen binnen veertien dagen na de beslissingen bedoeld in het eerste lid beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De artikelen 6:6:16 tot en met 6:6:18 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Voor zover niet anders is bepaald, worden alle dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere schriftelijke mededelingen aan de minderjarige verdachte tevens ter kennis gebracht van zijn ouders of voogd, alsmede van zijn raadsman.

  • 5. Alle dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere mededelingen aan ouders of voogd vinden enkel plaats indien deze een bekende verblijfplaats binnen Nederland hebben. Aan samenwonende ouders wordt slechts één stuk uitgereikt.

TITEL 7 GRATIE
Artikel 6:7:1 Sv
  • 1. Gratie kan worden verzocht en verleend ter zake van door de Nederlandse strafrechter onherroepelijk opgelegde:

    • a. hoofdstraffen en bijkomende straffen;

    • b. maatregelen van onttrekking aan het verkeer, ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en vrijheidsbeperking.

  • 2. Gratie kan voorts worden verzocht en verleend ter zake van:

    • a. een gevangenisstraf die door het Internationaal Strafhof is opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof en waarvan de tenuitvoerlegging in Nederland geschiedt overeenkomstig artikel 67 of 68 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof;

    • b. een gevangenisstraf die krachtens een rechterlijke beslissing in een vreemde staat is opgelegd, en in Nederland ten uitvoer te leggen met toepassing van artikel 43 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen of na ongegrondverklaring van een bezwaarschrift ingediend krachtens artikel 35 van die wet;

    • c. sancties opgelegd in een andere lidstaat van de Europese Unie en in Nederland ten uitvoer te leggen met toepassing van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie en de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties.

  • 3. Geen gratie kan worden verleend van onvoorwaardelijke geldboeten tot en met een bedrag van € 340.

Artikel 6:7:2
  • 1. Een verzoekschrift om gratie schort de tenuitvoerlegging of ingang van de straf waarvan gratie wordt verzocht en waarvan de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen, op in de gevallen, waarin het verzoek betrekking heeft op een onherroepelijk vonnis of arrest met een veroordeling tot:

    • a. een vrijheidsstraf van zes maanden of minder;

    • b. een vrijheidsstraf van zes maanden of minder die voorwaardelijk is opgelegd en waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen ingevolge het niet naleven van een gestelde voorwaarde;

    • c. een taakstraf.

  • 2. Een verzoekschrift om gratie schort voorts de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel op in de gevallen, waarin een jaar na het onherroepelijk worden van de rechterlijke beslissing waarvan gratie wordt verzocht, de tenuitvoerlegging, anders dan op verzoek van de veroordeelde, nog niet is aangevangen.

Artikel 6:7:3 Sv

Artikel 6:7:2 blijft buiten toepassing indien:

  • a. de veroordeelde ongeoorloofd afwezig is;

  • b. de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, hetzij uit hoofde van de rechterlijke beslissing waarbij de vrijheidsstraf waarvan gratie wordt verzocht werd opgelegd, hetzij uit anderen hoofde krachtens rechterlijke beslissing in Nederland of in een vreemde staat;

  • c. het verzoekschrift om gratie betrekking heeft op een of meer straffen of maatregelen ten aanzien waarvan reeds eerder op een verzoekschrift om gratie is beschikt;

  • d. het verzoekschrift wordt ingediend op het tijdstip dat de veroordeelde tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zich bevindt op het grondgebied van een vreemde staat welke een Nederlands verzoek om zijn uitlevering in behandeling heeft genomen of met het oog daarop zijn voorlopige aanhouding heeft gelast;

  • e. het verzoek betrekking heeft op straffen of maatregelen, waarvan de tenuitvoerlegging aan een vreemde staat is overgedragen.

Artikel 6:7:4
  • 1. Onze Minister doet mededeling aan de veroordeelde van het ingaan van de opschorting van de tenuitvoerlegging die is verbonden aan het indienen van een verzoekschrift.

  • 2. Indien een verzoekschrift om gratie van een vrijheidsstraf, van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege of van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is ingediend, zonder dat de wet daaraan de opschorting van de tenuitvoerlegging verbindt, kan Onze Minister niettemin bepalen dat de tenuitvoerlegging wordt opgeschort of geschorst zolang op het verzoek niet is beschikt. Hij doet daarvan mededeling aan de veroordeelde.

  • 3. De opschorting of schorsing gaat in op het moment dat de veroordeelde kennis heeft gekregen van de mededeling, bedoeld in het eerste of het tweede lid. De opschorting of schorsing duurt totdat op het verzoekschrift is beslist.

  • 4. Onze Minister draagt na de mededeling, bedoeld in het eerste of tweede lid, zorg dat de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel waarvan gratie is verzocht, wordt opgeschort of geschorst overeenkomstig de te dien aanzien geldende wettelijke voorschriften.

Artikel 6:7:5

Een verzoekschrift om gratie dat van een derde afkomstig is wordt buiten verdere behandeling gelaten, indien blijkt dat degene aan wie de straf of maatregel is opgelegd, niet met het verzoek instemt. Deze instemming is niet vereist voor een ambtshalve door het openbaar ministerie ingediend verzoekschrift om gratie.

Artikel 6:7:6

Verzoeken strekkende tot vermindering, verandering of kwijtschelding van andere door de Nederlandse strafrechter opgelegde maatregelen dan genoemd in artikel 6:7:1, eerste lid, onderdeel b, worden in handen gesteld van de autoriteit, die wettelijk bevoegd is de tenuitvoerlegging van die maatregelen te beëindigen of de daarbij opgelegde verplichtingen te wijzigen of te niet te doen, ten einde daarop te beslissen.

Artikel 6:7:7
  • 1. Indien gunstig wordt beschikt op een verzoekschrift om gratie ter zake van een straf of maatregel, waarvan de tenuitvoerlegging reeds is aangevangen of voltooid, wordt het bedrag van de betaalde geldboete of van het reeds betaalde gedeelte van het door de rechter vastgestelde bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel teruggegeven.

  • 2. Voorwerpen die verbeurd zijn verklaard of aan het verkeer zijn onttrokken, worden na een gunstige beslissing op een verzoekschrift om gratie van die straf of maatregel door de bewaarder teruggegeven. Artikel 119, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:7:8

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze Titel. Deze nadere regels zien in elk geval op het tijdstip van de aanvang van de tenuitvoerlegging, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 6:7:2.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

De artikelen 11 en 13 vervallen.

B

Artikel 14b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De rechter kan de proeftijd verkorten of deze eenmaal verlengen. De verlenging geschiedt met ten hoogste twee jaren.

2. Het vijfde lid vervalt.

C

Artikel 14c wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onder b, onderdeel 2°, komt te luiden:

  • 2°. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het vijfde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. De rechter kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.

  • 6. Gedurende de proeftijd of gedurende de tijd dat deze is geschorst kan de rechter in de gestelde bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in hun werking binnen de proeftijd zijn beperkt wijziging brengen, deze voorwaarden opheffen, alsnog bijzondere voorwaarden stellen en een opdracht als bedoeld in het vijfde lid, geven, wijzigen of opheffen.

D

Artikel 14d vervalt.

E

Artikel 14e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid (oud) wordt ‘het op grond van artikel 14d’ vervangen door: hierop.

2. Het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.

F

De artikelen 14f tot en met 16, 19 en 22a vervallen.

G

In artikel 22b, tweede lid, onder 2°, wordt ‘artikel 22g’ vervangen door: artikel 6:3:3 van het Wetboek van Strafvordering.

H

Artikel 22c, derde en vierde lid, vervalt.

I

Artikel 22d, vierde lid, vervalt.

J

De artikelen 22e tot en met 22k vervallen.

K

Artikel 23, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Hij die tot een geldboete is veroordeeld, betaalt het vastgestelde bedrag binnen de door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te stellen termijn aan de staat.

L

Artikel 24b vervalt.

M

Artikel 24c, vierde, vijfde en zesde lid, vervalt.

N

Artikel 26 vervalt.

O

In artikel 27, eerste en vierde lid, wordt ‘artikel 578b van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering.

P

Artikel 27a vervalt.

Q

Aan artikel 28 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De rechter kan aan een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving door de veroordeelde van de ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden en het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen.

R

Artikel 32 vervalt.

S

Artikel 34, derde lid, komt te luiden:

  • 3. De artikelen 24c en 25 en de artikelen 6:4:2 en 6:4:7 van het Wetboek van Strafvordering vinden overeenkomstige toepassing.

T

Artikel 35 vervalt.

U

Artikel 36, derde lid, vervalt.

V

Artikel 36a vervalt.

W

Artikel 36e, tiende lid, komt te luiden:

  • 10. De rechter bepaalt bij de oplegging van de maatregel de duur dat met toepassing van artikel 6:4:19 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast. Bij het bepalen van de duur wordt voor elke volle € 25 van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste drie jaar.

X

Artikel 36f wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde en vijfde lid komen te luiden:

  • 4. Artikel 24a is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De rechter bepaalt bij de oplegging van de maatregel de duur dat met toepassing van artikel 6:4:19 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast. Bij het bepalen van de duur wordt voor elke volle € 25 van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste één jaar.

2. Het zesde en zevende lid vervallen.

Y

De artikelen 37c tot en met 37e vervallen.

Z

Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt de tweede volzin.

2. Het vijfde lid dat begint met ‘In het geval als bedoeld’ vervalt.

3. Onder vernummering van het negende lid tot achtste lid, vervalt het achtste lid.

AA

Artikel 38a, derde lid, vervalt.

BB

De artikelen 38b, 38c, 38f, 38g, 38h, 38i, 38k, 38l, 38la, 38lb, 38o, 38q, 38r, 38s, 38t, 38u, 38x en 38ij vervallen.

CC

In artikel 38e, tweede lid, wordt ‘of artikel 38c’ vervangen door: , of artikel 6:6:11, eerste lid, onder e, van het Wetboek van Strafvordering.

DD

Artikel 38j, derde lid, vervalt.

EE

Aan artikel 38n wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij het opleggen van de maatregel beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

FF

Artikel 38p wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid vervalt de laatste zin.

2. Het zevende lid vervalt.

GG

In artikel 38v vervalt het vijfde lid, onder vernummering van het zesde lid tot vijfde lid.

HH

Artikel 74, vierde lid komt te luiden:

4. Op de in het tweede lid, onder f, bedoelde voorwaarde is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 22b, 22c, eerste lid, en de artikelen 6:1:8, 6:3:1, vierde lid, en 6:3:6 van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot taakstraffen, van overeenkomstige toepassing. De onbetaalde arbeid of het leerproject wordt binnen een termijn van negen maanden na instemming met de voorwaarde voltooid.

II

De artikelen 75, 76 en 76a vervallen.

JJ

Artikel 77 komt te luiden:

  • 1. Het recht tot strafvordering vervalt door de overdracht van de strafvervolging aan een vreemde staat overeenkomstig de bepalingen van de derde afdeling van Titel X van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering.

  • 2. In het geval, bedoeld in het vorige lid, herleeft het recht tot strafvordering, indien de autoriteiten van de staat die de strafvervolging had overgenomen op die beslissing terugkomen of mededelen dat geen strafvervolging wordt ingesteld dan wel een ingestelde vervolging is gestaakt.

KK

Artikel 77f, derde lid, vervalt.

LL

In artikel 77i, derde lid, wordt ‘De artikelen 26 en 27 zijn’ vervangen door: Artikel 27 is.

MM

De artikelen 77j en 77k vervallen.

NN

Artikel 77l, derde tot en met zevende lid, vervalt.

OO

In artikel 77m vervallen, onder vernummering van het vierde lid tot derde lid en het zesde en zevende lid tot vierde en vijfde lid, het derde, vijfde, achtste en negende lid.

PP

Artikel 77n, vierde lid, vervalt.

QQ

De artikelen 77o, 77p, 77q, 77t, 77tb en 77u vervallen.

RR

Artikel 77s wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. De maatregel geldt voor de tijd van drie jaar.

2. Het achtste en negende lid vervallen.

SS

Artikel 77ta wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde tot tweede lid, vervalt het tweede lid.

2. In het tweede lid (nieuw) wordt ‘artikel 77s, zevende lid, en artikel 77t, tweede lid,’ vervangen door: Het bepaalde in de artikelen 6:2:23, tweede lid, en 6:6:32, van het Wetboek van Strafvordering.

TT

Artikel 77v vervalt.

UU

Artikel 77w wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid vervalt de laatste volzin.

2. In het negende lid vervalt de laatste volzin.

3. Onder vernummering van het twaalfde tot tiende lid vervallen het tiende en elfde lid.

VV

De artikelen 77wb, 77wd en 77wf vervallen.

WW

Artikel 77wc, derde tot en met zevende lid, vervallen.

XX

In artikel 77y vervalt het derde lid.

YY

In artikel 77za vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid.

ZZ

Artikel 77aa komt te luiden:

  • 1. De rechter kan aan een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, of, in bijzondere gevallen en na overleg met een dergelijke rechtspersoon, aan een particulier persoon, opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

  • 2. De rechter kan, indien de veroordeelde ingevolge artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek onder toezicht is gesteld, aan een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg opdragen aan de veroordeelde ter zake van de naleving der bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen.

  • 3. Indien de jeugdige de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, kan de rechter een in artikel 14c, vijfde lid, bedoelde reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van het toezicht en de begeleiding, bedoeld in het eerste en tweede lid.

AAA

De artikelen 77cc, 77cca, 77dd, 77ee, 77ff en 77hh vervallen.

BBB

Artikel 88 komt te luiden:

Artikel 88

Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.

CCC

In artikel 90quinquies wordt ‘artikel 37d, eerste lid’ vervangen door: artikel 6:2:16, eerste lid.

DDD

Na artikel 187 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 187a

Hij die opzettelijk nalaat een gerechtelijke mededeling in weerwil van de op hem ter uitvoering van artikel 36e, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering rustende verplichting, onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

EEE

Artikel 369 vervalt.

ARTIKEL III

De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. De beschikking vermeldt de dag waarop krachtens artikel 23 de sanctie en de administratiekosten uiterlijk moet zijn voldaan. Tevens vermeldt de beschikking een beschikkingsnummer en de door Onze Minister bepaalde wijze waarop de sanctie, alsmede de verhogingen die krachtens artikel 23, tweede lid, en artikel 25 op de administratieve sanctie vallen, indien deze niet tijdig wordt voldaan, dient te worden voldaan.

B

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6
  • 1. Tegen de oplegging van de administratieve sanctie kan degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie.

  • 2. Onverminderd artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt het beroepschrift de geboortedatum, de geboorteplaats en het geboortejaar van degene die het beroep heeft ingesteld, het nummer van zijn giro- of bankrekening, indien degene die heeft, en het nummer van de beschikking, bedoeld in artikel 4, vierde lid.

C

Artikel 11, derde lid, eerste volzin, komt te luiden: De zekerheid wordt door de indiener gesteld bij Onze Minister, hetzij op de door Onze Minister voorgeschreven wijze, hetzij anderszins door overboeking op de rekening van Onze Minister.

D

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Met de inning van de administratieve sanctie en de administratiekosten is Onze Minister belast.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Een ieder is verplicht desgevorderd onverwijld aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken welke naar het redelijk oordeel van Onze Minister noodzakelijk zijn ten behoeve van de toepassing van het eerste lid van dit artikel. De artikelen 217 en 218 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De officier van justitie kan de inning van een opgelegde administratieve sanctie laten eindigen, indien hij van oordeel is dat met de voortzetting daarvan geen redelijk doel wordt gediend.

E

In artikel 23, tweede lid, Wahv wordt ‘indien deze niet tijdig geheel wordt voldaan’ vervangen door: indien de sanctie en de administratiekosten niet tijdig geheel worden voldaan.

F

Artikel 24 komt te luiden:

Artikel 24

Degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, is tot betaling van het ingevolge artikel 23 verhoogde bedrag verplicht binnen vier weken nadat Onze Minister hem een aanmaning heeft toegezonden, over de gewone post of op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze.

G

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Indien degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd nalatig blijft de sanctie, de administratiekosten en de daarop gevallen verhoging geheel te voldoen binnen de in de aanmaning gestelde termijn van vier weken, wordt het inmiddels verschuldigde bedrag van rechtswege verder verhoogd met honderd procent van het bedrag van de sanctie en de daarop inmiddels gevallen verhoging, en kan door Onze Minister verhaal worden genomen op de goederen, de inkomsten en het vermogen van degene aan wie een administratieve sanctie is opgelegd, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 26 en 27.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Door Onze Minister kan verhaal worden genomen gedurende drie jaar nadat ten aanzien van de administratieve sanctie een onherroepelijke beslissing is genomen.

H

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het dwangbevel wordt in naam des Konings uitgevaardigd door Onze Minister. Het wordt ten uitvoer gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter.

2. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. De griffier brengt het verzetschrift en de daarop betrekking hebbende stukken ter kennis van Onze Minister, ten einde hem in de gelegenheid te stellen daarover de nodige opmerkingen te maken. Onze Minister stelt de betrokken gerechtsdeurwaarder ervan in kennis dat verzet is gedaan. De kantonrechter geeft zo spoedig mogelijk na afloop van deze termijn, na zo nodig degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd te hebben gehoord, althans opgeroepen om te verschijnen, zijn met redenen omklede beschikking, welke onverwijld aan degene die het verzet heeft gedaan en aan Onze Minister wordt medegedeeld. De artikelen 13a en 13b zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid, en met dien verstande dat hetgeen in die artikelen met betrekking tot de officier van justitie is bepaald, geldt voor Onze Minister.

I

Artikel 26a, wordt als volgt gewijzigd:

1. De eerste zin van het eerste lid komt te luiden: Onze Minister, alsmede degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, kunnen tegen de beschikking van de kantonrechter binnen twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van de kantonrechter hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

2. In het tweede lid wordt ‘storting’ vervangen door: overboeking.

3. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Op de behandeling van het hoger beroep zijn de artikelen 16 tot en met 20c van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister zich bij de behandeling van het hoger beroep door een gemachtigde laat vertegenwoordigen.

4. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. De artikelen 13a en 13b, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid, en 20d, eerste en derde lid, zijn op de beschikking van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen in die artikelen met betrekking tot de officier van justitie is bepaald, geldt voor Onze Minister.

J

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Verhaal met toepassing van het eerste lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving van Onze Minister. De kennisgeving bevat een voor de uitoefening van verhaal voldoende aanduiding van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, en vermeldt welk bedrag uit hoofde van de beschikking nog verschuldigd is, dan wel bij welke rechterlijke uitspraak de administratieve sanctie is opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij wordt verstrekt aan degene onder wie verhaal wordt genomen, en nadat verhaal is genomen toegezonden aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven of, indien dat niet mogelijk is en de gedraging waarvoor de administratieve sanctie is opgelegd heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, aan het adres dat is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de kennisgeving gezonden naar het in de basisregistratie personen vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de basisregistratie personen opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de kennisgeving geacht aan de betrokkene bekend te zijn.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Door de verstrekking van de kennisgeving is degene onder wie verhaal wordt genomen, verplicht tot onverwijlde betaling aan Onze Minister van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor zover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd op hem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. Onze Minister bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot betaling vervalt zodra het uit hoofde van de beschikking verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer acht weken na de dag van verstrekking van de kennisgeving zijn verstreken.

3. De eerste zin van het vierde lid komt te luiden: Degene onder wie verhaal wordt genomen, kan zich niet tegenover Onze Minister beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijn schuld aan degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd door betaling of door verrekening met een tegenvordering dan in de gevallen waarin hij daartoe ook bevoegd zou zijn geweest bij een op het tijdstip van de betekening overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelegd beslag onder derden.

4. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Iedere belanghebbende kan binnen zes weken na de verzending van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed verzetschrift verzet doen tegen het verhaal. Artikel 26, derde tot en met negende lid, en artikel 26a zijn van overeenkomstige toepassing.

K

In het eerste en derde lid van artikel 28 wordt ‘De officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland’ vervangen door: De officier van justitie.

L

Artikel 28a komt te luiden:

Artikel 28a

Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, kan Onze Minister het rijbewijs innemen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. Onze Minister kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. De inneming van het rijbewijs duurt ten hoogste vier weken.

M

Artikel 28b komt te luiden:

Artikel 28b

Indien niet of niet volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 26 en 27 heeft plaatsgevonden, kan Onze Minister het voertuig waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden buiten gebruik stellen of, indien dit voertuig niet wordt aangetroffen, een soortgelijk voertuig waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, vermag te beschikken. Onze Minister kan tot uiterlijk vijf jaar nadat de opgelegde administratieve sanctie onherroepelijk is geworden van zijn bevoegdheid gebruik maken. De buitengebruikstelling duurt ten hoogste vier weken.

N

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

1. De eerste zin van het eerste lid komt te luiden: Indien degene wiens voertuig buiten gebruik kan worden gesteld door Onze Minister niet terstond voldoet aan het overeenkomstig artikel 23, tweede lid, en artikel 25 verhoogde bedrag van de administratieve sanctie, is Onze Minister bevoegd het voertuig op kosten van de betrokkene naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen.

2. De eerste zin van het tweede lid komt te luiden: Onze Minister is tevens bevoegd om in het in het eerste lid bedoelde geval aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden.

3. De eerste zin van het derde lid komt te luiden: Indien twaalf weken na de aanvang van de buitengebruikstelling de rechthebbende zijn voertuig niet heeft afgehaald, wordt hij geacht zijn recht op de zaak te hebben opgegeven en is Onze Minister bevoegd het voertuig om niet aan een derde in eigendom te doen overdragen, te doen verkopen of te doen vernietigen.

O

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Degene wiens rijbewijs kan worden ingenomen door Onze Minister, is verplicht op eerste vordering van Onze Minister het rijbewijs in te leveren op een door Onze Minister te bepalen tijdstip en aan te wijzen plaats.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien aan de verplichting tot inlevering van het rijbewijs niet wordt voldaan, is Onze Minister bevoegd dat rijbewijs op kosten van de in het eerste lid bedoelde persoon te doen inleveren. Afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

3. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Onze Minister doet van het tijdstip, bedoeld in het eerste en in het tweede lid, onverwijld mededeling aan de beheerder van het rijbewijzenregister in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Onze Minister doet op gelijke wijze mededeling van het tijdstip waarop het rijbewijs is teruggegeven.

P

Artikel 36, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Indien het verzetschrift wordt ingetrokken omdat Onze Minister geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzetschrift is tegemoetgekomen, wordt het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door Onze Minister. In de overige gevallen kan Onze Minister, indien het verzet wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.

ARTIKEL IV

Artikel 49, zevende lid, van de Advocatenwet komt als volgt te luiden:

  • 7. Artikel 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL V

De Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 7a wordt ‘artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht’, vervangen door: artikel 6:6:32, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

B

In artikel 63, eerste lid, onder g, wordt ‘artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht’, vervangen door: artikel 6:6:32, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL VI

De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt ‘artikel 37d, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: artikel 6:2:16, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

2. In onderdelen c en f wordt ‘artikel 37d, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: artikel 6:2:16, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

3. In onderdeel e wordt ‘artikel 37d, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: artikel 6:2:16, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

4. In onderdeel i wordt ‘artikel 37b of 38c van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: ‘artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht of artikel 6:6:11, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

B

In artikel 4 wordt ‘artikel 37b of 38c van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: “artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht of artikel 6:6:11, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL VII

Artikel 42, derde lid, tweede zin, van de Gerechtsdeurwaarderswet, komt te luiden: Artikel 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL VIII

De Gratiewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘het openbaar ministerie dat is belast met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing’ vervangen door: het openbaar ministerie dat de voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing heeft verstrekt aan Onze Minister.

2. In het derde lid wordt ‘het openbaar ministerie dat met deze tenuitvoerlegging is belast’ vervangen door: het openbaar ministerie dat de voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing heeft verstrekt aan Onze Minister.

B

In artikel 3, tweede lid, wordt ‘artikel 560 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: artikel 6:7:5 van het Wetboek van Strafvordering.

C

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot vijfde tot en met achtste lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid geldt dat indien het meerdere verzoekschriften betreft die betrekking hebben op dezelfde veroordeelde en die tegelijkertijd worden ingediend, kan worden volstaan met het inwinnen van het advies van het gerecht dat de langste of hoogste straf of maatregel heeft opgelegd. Het desbetreffende gerecht brengt één advies uit over alle verzoekschriften en kan daartoe andere gerechten om advies vragen.

2. In het zesde lid (nieuw) wordt ‘vierde lid’ vervangen door: vijfde lid.

3. In het zevende lid (nieuw) wordt ‘toepassing van artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: toepassing van artikel 6:3:3 van het Wetboek van Strafvordering.

D

In artikel 5, vierde lid, wordt ‘waarbij het openbaar ministerie de aantekening heeft geplaatst dat het wil adviseren over te nemen besluiten inzake de verschillende vormen van te verlenen vrijheden aan de gedetineerde’ vervangen door: waarbij het openbaar ministerie een advies als bedoeld in artikel 6:1:10 van het Wetboek van Strafvordering heeft gegeven.

E

In artikel 6, eerste lid, en artikel 9 wordt ‘verslag van het openbaar ministerie’ vervangen door ‘advies van het openbaar ministerie’.

F

In artikel 19, eerste lid, wordt ‘559a van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: 6:7:4 van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL IX

Artikel 41, vierde lid, van de Loodsenwet, komt te luiden:

  • 4. Artikel 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL X

Artikel 14, eerste zin, van de Noodwet rechtspleging, komt te luiden: Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan bepalen, dat de beslissingen in strafzaken van bepaalde gerechtshoven, of rechtbanken, niettegenstaande de artikelen 6:1:16, 6:7:1 tot en met 6:7:5 van het Wetboek van Strafvordering, ten uitvoer kunnen worden gelegd.

ARTIKEL XI

In artikel 13a van de Opiumwet wordt ‘de artikelen 33 tot en met 35 en 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: de artikelen 33 tot en met 34 en 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:1:10 van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XII

De Overleveringswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 60, derde lid, van de Overleveringswet, wordt ‘de artikelen 564 tot en met 568 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 6:1:6, 6:1:7, 6:1:9, 6:1:15, 6:2:1 en 6:3:14 van het Wetboek van Strafvordering.

B

In artikel 65 wordt ‘569 en 570 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: 6:2:5 van het Wetboek van Strafvordering.

C

In artikel 67, tweede lid, wordt ‘de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 529 en 530 van het Wetboek van Strafvordering.

D

In artikel 68 wordt ‘de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 36b tot en met 36e, 36g, 36h en 36n van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XIII

De Penitentiaire beginselenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Onder verlettering van onderdelen h en i tot onderdelen g en h, vervalt in artikel 9, tweede lid, onderdeel g.

B

Artikel 10, tweede lid, komt te luiden:

  • 10. In bijzondere gevallen kan gijzeling als bedoeld in de artikelen 6:4:19 en 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 28 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in een gevangenis ten uitvoer worden gelegd.

ARTIKEL XIV

Artikel 16, derde lid, onder c, van de Postwet 2009 komt te luiden:

  • c. de uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in de artikelen 36b, tweede lid, en 36d, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XV

In artikel 35b, vierde lid, van de Scheepvaartverkeerswet wordt ‘de artikelen 587 en 588 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 36d en 36e of 36f van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XVI

In artikel 3.22, derde lid, onder b, van de Telecommunicatiewet, wordt ‘artikel 565, tweede lid’ vervangen door: artikel 6:1:7.

ARTIKEL XVII

De Uitleveringswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 53, derde lid, wordt ‘de artikelen 564–568 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 6:1:6, 6:1:7, 6:1:9, 6:1:15, en 6:2:1 van het Wetboek van Strafvordering.

B

In artikel 57 wordt ‘, 569 en 570 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: en 6:2:6 van het Wetboek van Strafvordering.

C

In artikel 59, tweede lid, wordt ‘de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 529 en 530 van het Wetboek van Strafvordering.

D

In artikel 60 wordt ‘de artikelen 585 tot en met 588, 589 en 590 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 36b tot en met 36e, 36h, 36i en 36n van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XVIII

De Uitvoeringswet Internationaal Strafhof wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 9 wordt ‘de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 36b tot en met 36e, 36h, 36i en 36n van het Wetboek van Strafvordering.

B

In artikel 56, derde lid, wordt ‘artikel 558 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: artikel 6:7:1 van het Wetboek van Strafvordering.

C

In artikel 64, tweede lid, wordt ‘556’ vervangen door: 6:1:5.

D

In artikel 69, tweede lid, wordt ‘De artikelen 15 tot en met 15l van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: De artikelen 537, 6:1:15, 6:1:18, 6:2:5 tot en met 6:2:7, 6:2:10 tot en met 6:2:15, 6:3:14, 6:3:15, 6:6:1, 6:6:3, 6:6:4, 6:6:9, 6:6:10 en 6:6:21 tot en met 6:6:23 van het Wetboek van Strafvordering.

E

In artikel 82, zesde lid, wordt ‘artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 6:4:9 en 6:6:27 van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XIX

In artikel 5 van de Uitvoeringswet verdrag biologische wapens wordt ‘de artikelen 33-35 en 36a-36c van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: de artikelen 33, 34, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:1:12 van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XX

In artikel 105, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt ‘de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 36b tot en met 36e, 36h en 36n van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXI

Artikel 180, van de Wegenverkeerswet 1994, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 557, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: artikel 6:1:16, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

2. In het derde lid wordt ‘de artikelen 587 en 588 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 36d en 36e van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXII

Artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Bij veroordeling wegens een strafbaar feit, omschreven in het eerste, tweede of vierde lid, kan de rechter tevens de schuldige de bijkomende straf van betaling van een bedrag van ten hoogste € 2.723 aan het Waarborgfonds Motorverkeer opleggen. De artikelen 24a en artikel 24c, vierde tot en met zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:4:2 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

2. In het achtste lid, wordt ‘de artikelen 561, eerste, tweede en derde lid, 572, eerste, tweede en vierde lid, 573, 575 en 576 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 6:1:1, 6:1:2, 6:4:1, 6:4:3, 6:4:5, 6:4:6 en 6:4:8 van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXIII

In artikel 53, tweede lid, onder e, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen wordt ‘of artikel 38c van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: of artikel 6:6:11 van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXIV

In artikel 8, tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt ‘artikel 38c van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: of artikel 6:6:11 van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXV

In artikel 13 van de Wet internationale misdrijven wordt ‘De artikelen 76 en’ vervangen door: Artikel 6:1:21 van het Wetboek van Strafvordering en.

ARTIKEL XXVII

In artikel 11.13, derde lid, van de Wet luchtvaart wordt ‘artikel 557, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: artikel 6:1:16, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXVIII

Artikel 68, derde lid, tweede zin, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg komt te luiden: Artikel 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering, de tweede volzin van het eerste lid en de tweede volzin van het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XXIX

In artikel 10, tweede lid, van de Wet op de economische delicten, wordt ‘artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 6:4:9 en 6:6:27 van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXX

In artikel 128, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie wordt ‘een aanwijzing geeft inzake de opsporing of vervolging van strafbare feiten’ vervangen door ‘een aanwijzing geeft betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie’.

ARTIKEL XXXI

In artikel 44a, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand, wordt ‘artikel 591a, tweede lid,’ vervangen door: artikel 530, tweede lid,.

ARTIKEL XXXII

Artikel 33, vierde lid, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, komt te luiden:

  • 4. Artikel 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XXXIII

Artikel 102, tweede zin, derde zin, van de Wet op het notarisambt komt te luiden: Artikel 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XXXIV

In artikel 27 van de Wet overgang bijzondere rechtspleging wordt ‘artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXXV

De Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 13d, tweede lid, wordt ‘556 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering.

B

In artikel 31a, vierde lid, wordt ‘artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 6:4:9 en 6:6:27 van het Wetboek van Strafvordering.

C

In artikel 36, tweede lid, wordt ‘het derde lid van artikel 575’ vervangen door: het derde lid van artikel 6:4:5.

D

In artikel 40, tweede lid, wordt ‘de artikelen 14b, vierde lid, 14d, eerste lid, en artikel 16 van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: de artikelen 6:1:15, 6:1:18 en 6:3:14.

E

In artikel 62, wordt ‘de artikelen 564–568 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 6:1:6, 6:1:7, 6:1:9, 6:1:15 en 6:2:1 van het Wetboek van Strafvordering.

F

In artikel 66 wordt ‘, 569 en 570 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: en 6:2:5 van het Wetboek van Strafvordering.

G

In artikel 67 wordt ‘591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: 529 en 530 van het Wetboek van Strafvordering.

H

In artikel 68 wordt ‘de artikelen 585 tot en met 588, 589 en 590 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 36b tot en met 36e, 36h en 36n van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXXVI

In artikel 16, derde lid, van de Wet tarieven in strafzaken wordt ‘artikel 591, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: artikel 529, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXXVII

De Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel f, onder 4°, wordt de puntkomma vervangen door een punt.

2. In onderdeel n vervalt ‘, tenzij in deze wet uitdrukkelijk anders is bepaald.’ en wordt de punt aan het slot vervangen door een puntkomma

3. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

o. Onze Minister:

Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

B

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

Bevoegd tot erkenning met het oog op tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat van de Europese Unie opgelegde beslissing, houdende een geldelijke sanctie of een beslissing tot confiscatie, is de officier van justitie bij het arrondissement Noord-Nederland. Onze Minister is bevoegd tot tenuitvoerlegging van deze beslissing.

C

In artikel 5 wordt ‘is de officier van justitie bij het arrondissementsparket te Leeuwarden’ vervangen door: zijn de officier van justitie bij het arrondissement Noord-Nederland en Onze Minister.

D

In de artikelen 9, tweede lid, 17, eerste, tweede en vijfde lid, 19, 23, tweede lid, 31, eerste lid, derde lid, vijfde lid, en zesde lid, en 33, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder c, wordt ‘officier van justitie’ telkens vervangen door: Onze Minister.

E

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt in de onderdelen a en b achter ‘uitspraak’ ingevoegd: of beschikking.

2. In het tweede en derde lid wordt ‘officier van justitie’ vervangen door: Onze Minister.

F

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de artikelen 561 en 572, 573, eerste en tweede lid, 574 tot en met 576 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 6:1:1, 6:1:2, 6:4:1, 6:4:3, 6:4:4, 6:4:5, 6:4:6 en 6:4:8 van het Wetboek van Strafvordering.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien de ten uitvoer te leggen beslissing is opgelegd bij beschikking en betrekking heeft op gedragingen in strijd met de verkeersregels, met inbegrip van overtredingen van de rij- en rusttijdenwetgeving en van de wetgeving inzake gevaarlijke goederen zijn, in voorkomend geval, de artikelen 28 tot en met 30 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement Noord-Nederland bevoegd is de vordering tot het verlenen van de machtiging tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling te behandelen.

3. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 3. De officier van justitie en Onze Minister kunnen de tenuitvoerlegging opschorten gedurende de periode die nodig is om de ten uitvoer te leggen beslissing te laten vertalen.

G

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘de officier van justitie’ vervangen door: Onze Minister.

2. Het vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Wordt de hoogte van het verschuldigde bedrag op grond van het eerste of derde lid aangepast, dan stelt de officier van justitie respectievelijk Onze Minister de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hiervan onverwijld schriftelijk in kennis.

H

In artikel 13a, tweede lid, en artikel 24a, tweede lid, wordt ‘niet geweigerd’ vervangen door: niet op grond van het eerste lid geweigerd.

I

In artikel 15, eerste lid, wordt ‘Artikel 575, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: Artikel 6:4:5, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

J

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en het vijfde lid wordt ‘de artikelen 574 tot en met 576’ vervangen door ‘de artikelen 6:4:4 tot en met 6:4:6’.

2. In het zesde lid wordt ‘Artikel 24c, tweede tot en met vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: Artikel 24c, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:4:7 van het Wetboek van Strafvordering.

3. In het zevende lid wordt ‘Artikel 564 is’ vervangen door: De artikelen 6:1:5 en 6:1:12 zijn.

4. In het negende lid wordt ‘de officier van justitie’ vervangen door: Onze Minister.

K

In artikel 21 wordt ‘de officier van justitie’ vervangen door: de officier van justitie of Onze Minister.

L

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onder a, komt te luiden:

  • a. strekt tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, wordt de beslissing overeenkomstig de artikelen 6:4:9, eerste lid, en 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering, ten uitvoer gelegd;

2. In het eerste lid, onder b, wordt ‘de artikelen 577 en 577a’ vervangen door: artikel 6:5:1.

3. In het tweede lid wordt ‘de artikelen 561, 572, 573, eerste en tweede lid, en 574 tot en met 576’ vervangen door: de artikelen 6:1:1, 6:1:2, 6:4:1, 6:4:2, 6:4:3, 6:4:4, 6:4:5, 6:4:6 en 6:5:1.

M

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, wordt aan artikel 24, eerste lid, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet in overeenstemming is met de beslissing en niet aan het verzoek, bedoeld in artikel 7, tweede lid, is voldaan.

N

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden: De tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie kan worden opgeschort indien:.

2. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘de officier van justitie’ vervangen door: Onze Minister.

3. Onder verlettering van onderdelen c tot en met e tot onderdelen b tot en met d, vervalt het eerste lid, onderdeel b.

4. Het eerste lid, onderdeel c (nieuw) komt te luiden:

  • c. vertaling van de beslissing tot confiscatie nodig wordt geacht;

5. In het tweede lid wordt ‘De officier van justitie’ vervangen door: Onze Minister.

O

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt ‘lager is dan € 10.000,–’ vervangen door: lager is dan of gelijk is aan € 10 000,–.

2. In het tweede lid wordt ‘De officier van justitie’ vervangen door: Onze Minister.

3. In het vijfde lid wordt ‘De Minister van Justitie’ vervangen door: Onze Minister.

P

In artikel 34, tweede en derde lid en artikel 35, tweede lid, wordt ‘De Minister van Justitie’ vervangen door: Onze Minister.

Q

In artikel 36 wordt ‘de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van Strafvordering’ vervangen door: de artikelen 36b tot en met 36e, 36g, 36h en 36n van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXXVIII

Artikel 3:14 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid wordt ‘artikel 14f van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door ‘artikel 6:6:20 van het Wetboek van Strafvordering’ en wordt ‘artikel 14g, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: artikel 6:6:1 van het Wetboek van Strafvordering.

2. In het zesde lid wordt ‘artikel 15i, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: artikel 6:6:1 van het Wetboek van Strafvordering.

3. In het zevende lid wordt ‘artikel 22c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: artikel 6:3:1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

4. In het achtste lid wordt ‘de artikelen 22f, derde lid, en 22g, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht’ vervangen door: artikel 6:6:24 van het Wetboek van Strafvordering.

ARTIKEL XXXIX

De Zeevaartbemanningswet wordt als volgt gewijzigd.

A

Artikel 55n, derde lid, tweede zin, komt te luiden: Artikel 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel 55o, vierde lid, tweede zin, komt te luiden: Artikel 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XL

De wijziging van artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op veroordelingen tot vrijheidsstraf die zijn uitgesproken voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.

ARTIKEL XLI

Indien het bij koninklijke boodschap van ... [PM datum] ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten in verband met het gebruik van elektronische processtukken [PM Kamerstuknummer], tot wet is of wordt verheven, en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als deze wet, komt artikel I, onderdeel Y, van deze wet als volgt te luiden:

Y

Artikel 450 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid, vervalt: als gewone brief over de post.

2. Er wordt een zevende lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Indien bij het aanwenden van de rechtsmiddel, bedoeld in het eerste lid, gebruik is gemaakt van de elektronische voorziening, bedoeld in het vierde lid, geschiedt de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen, bedoeld in de derde afdeling van Titel II van het Eerste Boek, in hoger beroep of beroep in cassatie door toezending door elektronische overdracht als bedoeld in artikel 36b, derde lid. Indien de toezending door elektronische overdracht van de oproeping van de veroordeelde om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen niet binnen drie dagen na het aanwenden van het rechtsmiddel geschiedt, is de eerste volzin niet van toepassing.

ARTIKEL XLII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL XLIII

Deze wet wordt aangehaald als: Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

De Minister van Veiligheid en Justitie,

MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

I. Algemeen deel

79

1.

Inleiding

79

2.

Adviezen over het wetsvoorstel

81

3.

Een nieuw Boek 6: Tenuitvoerlegging

83

3.1.1

Opbouw Boek 6

83

3.1.2

Systematische nummering

86

3.1.3

Gefaseerde inwerkingtreding en lagere regelgeving

86

4.

Optimale tenuitvoerlegging

86

4.1

Tenuitvoerlegging als onderdeel van de strafrechtsketen

86

4.2

Doelstellingen van de tenuitvoerlegging

87

4.2.1

Snellere tenuitvoerlegging

87

4.2.2

Daadwerkelijke tenuitvoerlegging

88

4.2.3

Goed informeren van partners buiten de strafrechtsketen

89

5.

Verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging

89

5.1

Tenuitvoerlegging: minister en openbaar ministerie

90

5.2

Taken van de Minister van Veiligheid en Justitie

91

5.2.1

Departementale regie

91

5.2.2

Administratie- en InformatieCentrum Executieketen (AICE)

92

5.2.3

Bevoegdheid beëindiging tenuitvoerlegging niet-gratieerbare beslissingen

93

5.2.4

Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

94

5.3

Taken van het openbaar ministerie

95

5.3.1

Vorderen vervolgbeslissingen, vrijheidsbenemende dwangmiddelen

95

5.3.2

Invloed openbaar ministerie op procedure en inhoud tenuitvoerlegging

96

5.3.3

Advisering door het openbaar ministerie

98

5.3.4

Stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling

100

5.3.5

Toezicht op de naleving

101

5.3.6

Informeren van slachtoffers en nabestaanden door het openbaar ministerie

101

5.4

Taken van de politie

102

5.4.1

Taken ten behoeve van de tenuitvoerlegging

102

5.4.2

Aansturing uitvoering executietaak

103

5.5

Taken van de reclassering

104

5.6

De rechter

105

5.7

Tenuitvoerlegging jeugdsancties

106

6.

Betekening

107

6.1

Rechtsvergelijkend onderzoek naar betekening

107

6.2

Centrale coördinatie betekening

109

6.3

Elektronische kennisgeving van gerechtelijke stukken

109

6.3.1

Elektronische betekening

109

6.3.2

Elektronische toezending

110

6.4

Eén betekeningsregeling voor alle rechtsgebieden?

111

6.5

Overige wijzigingen van de betekeningsregeling

111

6.6

Betekening en het EVRM

113

7.

Financiële en administratieve consequenties

116

     

II. Artikelsgewijs

117

Bijlage 1: Transponeringstabel nieuw Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering

177

Bijlage 2: Transponeringstabel bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering

181

Bijlage 3: Transponeringstabel bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht

184

I. Algemeen deel

1. Inleiding

Dit wetsvoorstel strekt ertoe de huidige wetgeving rondom de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen te herzien. Pas na daadwerkelijk uitvoering te hebben gegeven aan een strafrechtelijke beslissing is een strafbaar feit definitief afgedaan. De tenuitvoerlegging vormt hiermee na de opsporing, vervolging en berechting het wezenlijke sluitstuk van de strafrechtsketen. De ambitie van het kabinet is de strafrechtsketen doelmatiger te laten functioneren en de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen te optimaliseren (regeerakkoord VVD-PvdA; Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 15, blz. 25). In 2012 constateerde de Algemene Rekenkamer in haar rapport ‘Prestaties in de strafrechtketen’ dat de strafrechtsketen onvoldoende presteert. Tevens werd geconstateerd dat er aan de oplossing van veel knelpunten in de strafrechtsketen met veel energie werd gewerkt, maar dat de onderlinge samenhang ontbrak. Op basis van dit rapport en een rapport over doorlooptijden in de strafrechtsketen (bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 29 279, nr. 133) hebben wij besloten meer centraal te gaan sturen op de strafrechtsketen en lopende initiatieven te bundelen voor een betere samenhang en regie op lopende verbeteringstrajecten (Kamerstukken II 2012/13, 33 173, nr. 6 over het programma versterking prestaties strafrechtsketen (VPS)). Deze inspanningen zijn gericht op het versterken van de prestaties van de gehele strafrechtsketen. Specifiek voor de fase van de tenuitvoerlegging is eerder – in 2011 – begonnen met de noodzakelijke verbeteringen in het zogeheten programma uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen (USB) (Kamerstukken 2011/12, 33 000 VI, nr. 11 en 29 279, nrs. 147, 156 en 165). In het regeerakkoord is het belang van deze verbeteringen nogmaals benadrukt.

Doelstellingen voor de tenuitvoerlegging zijn het sneller starten van de tenuitvoerlegging, het daadwerkelijk tenuitvoerleggen van straffen en het goed informeren van alle relevante partners binnen en buiten de strafrechtsketen. Daarnaast willen wij ook in de fase van tenuitvoerlegging en bij de beëindiging van straffen en maatregelen de positie van slachtoffers en nabestaanden versterken. Een voorwaarde voor het bereiken van deze doelen is dat de regie op en de samenwerking binnen de uitvoeringsketen wordt versterkt. Om dit te realiseren wordt onder meer de coördinatie van de feitelijke tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen centraal belegd bij een uitvoeringsdienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, te weten het Centraal Justitieel Incassobureau (verder: CJIB). De regie op de tenuitvoerlegging komt bij de Minister van Veiligheid en Justitie te liggen. Hiertoe wordt voorgesteld de Minister van Veiligheid en Justitie wettelijk te belasten met de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het openbaar ministerie – thans nog formeel belast met de tenuitvoerlegging – verstrekt in de nieuwe situatie alle voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen aan de minister (voorgesteld artikel 6:1:1 Sv). Daarnaast blijft het openbaar ministerie verantwoordelijk voor specifieke taken binnen de tenuitvoerlegging, zoals het waar dat nodig is in het kader van de tenuitvoerlegging aanbrengen van zaken bij de strafrechter, teneinde deze een vervolgbeslissing te laten nemen. Deze bevoegdheidsverdeling en de verdergaande centralisatie sluit aan bij de praktijk, waarbij de formele verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging en de feitelijke tenuitvoerlegging steeds verder uit elkaar zijn komen te liggen (zie nader paragraaf 5.1). Deze centralisatie bevordert de regie op de tenuitvoerlegging als onderdeel van de strafrechtsketen en draagt bij aan een efficiënte strafrechtspleging als geheel.

Naast de verschuiving van de verantwoordelijkheid worden met dit wetsvoorstel enkele andere inhoudelijke wijzigingen in de tenuitvoerlegging voorgesteld. Dit betreft onder meer een stroomlijning van de huidige betekeningsregeling, waarmee het mogelijk wordt gemaakt gerechtelijke mededelingen elektronisch te betekenen. Verder wordt voorgesteld de minister de bevoegdheid te geven de tenuitvoerlegging van niet-gratieerbare beslissingen – zoals onherroepelijke geldboetevonnissen onder de € 340 – te staken indien met de verdere tenuitvoerlegging daarvan geen redelijk doel wordt gediend. Daarnaast wordt wettelijk voorzien in termijnen waarbinnen het vonnis moet zijn verstrekt aan de Minister van Veiligheid en Justitie (het CJIB), zodat snel met de ten uitvoerlegging kan worden gestart. Een vierde voorbeeld van een inhoudelijke wijziging is dat wordt voorgesteld de standaardtermijn waarbinnen een taakstraf moet worden uitgevoerd te verlengen, onder schrapping van de mogelijkheid deze termijn eenmaal te verlengen.

Buiten deze inhoudelijke wijzigingen beogen wij de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging van sancties en thans versnipperd zijn te vinden in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering zoveel mogelijk bij elkaar te brengen in één nieuw boek binnen het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv). Hiertoe wordt het huidige Boek V van het Wetboek van Strafvordering integraal opnieuw vastgesteld. Het voorgestelde nieuwe ‘Boek 6 – Tenuitvoerlegging’ kent een systematische nummering en een nieuwe indeling waarbij per sanctiesoort de voor de tenuitvoerlegging relevante bepalingen in aparte Titels zijn samengebracht. Deze clustering betekent onder meer dat bepalingen uit andere wetten die zien op de tenuitvoerlegging van specifieke straffen, worden opgenomen in de algemene strafprocesrechtelijke regeling. Dit betreft met name bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). Waar mogelijk zijn bij deze clustering wettelijke procedures geüniformeerd. Dit is vooral aan de orde bij rechterlijke beslissingen tijdens de tenuitvoerlegging. De verwachting is dat het verminderen van specifieke procedures – zoals bijvoorbeeld bij de reacties op een geconstateerde schending van vrijheidsbeperkende voorwaarden en sancties, bij beslissingen in het kader van de terbeschikkingstelling (TBS) en bij beslissingen op bezwaar – leidt tot een afname van administratieve verplichtingen. Bovendien wordt voorzien in een zekere mate van uniformering hetgeen eveneens bijdraagt aan de vermindering van administratieve verplichtingen. De voorgestelde herziening behelst tot slot modernisering van het taalgebruik van de huidige bepalingen die veelal stammen uit de periode van totstandbrenging van het wetboek, de jaren 20 van de vorige eeuw. De herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging is hiermee één van de belangrijke onderdelen in de beoogde verdergaande modernisering en herstructurering van het huidige Wetboek van Strafvordering (wetgevingsprogramma VPS; Kamerstukken II 2012/13, 29 279, nr. 156, blz. 2).

Deze memorie van toelichting is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de adviezen die zijn ontvangen over een concept van dit wetsvoorstel. De nieuwe regeling van de tenuitvoerlegging – het voorgestelde nieuwe Boek 6 Sv – komt in hoofdstuk 3 aan de orde. In hoofdstuk 4 bespreken wij de beoogde verbeteringen van de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen. Dit betreft zowel organisatorische als wettelijke veranderingen. In hoofdstuk 5 worden de achtergrond en de gevolgen van de verschuiving van de formele verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van openbaar ministerie naar de Minister van Veiligheid en Justitie uitgewerkt. De wijzigingen van de betekeningsregeling worden toegelicht in hoofdstuk 6. De financiële paragraaf vormt het slot van het algemeen deel van deze toelichting (hoofdstuk 7). In het artikelsgewijs deel van de memorie van toelichting wordt per wijzigingsbepaling een toelichting gegeven.

2. Adviezen over het wetsvoorstel

Over het concept van dit wetsvoorstel is advies gevraagd aan de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), de Nationale politie, het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie, de drie reclasseringsorganisaties (3RO), de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) en de raad voor de kinderbescherming (RvdK). Aan de Rvdr, de Nationale politie, het openbaar ministerie, de 3RO en de RvdK is in de consultatieronde expliciet de vraag voorgelegd om in het schriftelijk commentaar aandacht te besteden aan de uitvoeringsconsequenties die het in consultatie gegeven conceptwetsvoorstel zal hebben. In deze paragraaf zal kort de algemene strekking van de ontvangen adviezen worden beschreven. Op specifieke opmerkingen zal nader worden ingegaan op de plaatsen waarop de opmerkingen betrekking hebben.

De doelen van het wetsvoorstel om strafrechtelijke beslissingen met behoud van kwaliteit en zorgvuldigheid daadwerkelijk en snel ten uitvoer te leggen en betrokken instanties daarover goed te informeren, worden door alle adviesorganen gesteund. De Raad voor de rechtspraak verwelkomt bijvoorbeeld de doelstelling de tenuitvoerlegging te versnellen. De politie ziet in het wetsvoorstel een bijdrage aan meer efficiënte tenuitvoerlegging en daarmee een goede aanzet voor het verbeteren van de prestaties van de strafrechtsketen als geheel. Effectieve wetgeving en daadkrachtige voortzetting van verbeteringsvoorstellen – zoals in het beleidsprogramma bij dit wetsvoorstel – is door de politie zeer gewenst. De 3RO onderschrijft het doel van het wetsvoorstel en spreekt waardering uit voor de wijze waarop het ontwerp van het wetsvoorstel in samenspraak met de uitvoeringsinstanties tot stand is gekomen. De RSJ kan zich vinden in de doelstelling van het wetsvoorstel bij te dragen aan een voortgaand streven naar adequate en snelle tenuitvoerlegging. De RSJ benadrukt hierbij – terecht – het belang van waarborgen voor kwaliteit; het versnellen van procedures mag er niet toe leiden dat deze aan zorgvuldigheid inboeten. De NOvA onderschrijft de geformuleerde doelstellingen voor de tenuitvoerlegging, als wezenlijk sluitstuk van de strafrechtsketen.

Tot ons genoegen wordt de gekozen opzet waarbij de voorschriften over de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen worden samengebracht in één nieuw Boek, eveneens breed onderschreven. De NVvR oordeelt bijvoorbeeld dat het wetsvoorstel leidt tot een overzichtelijk, systematisch en helder opgebouwd Wetboek van Strafvordering. De Raad voor de rechtspraak geeft op dit punt aan dat de nieuwe regeling de leesbaarheid en overzichtelijkheid van de thans versnipperde regeling ten goede komt. De NOvA staat positief tegenover het voorstel de tenuitvoerlegging te concentreren en te uniformeren. Zij verwacht dat dit kan bijdragen aan het bereiken van de benoemde doelen van het wetsvoorstel. Het openbaar ministerie, dat met zeer veel interesse kennis heeft genomen van het uitgebreide wetsvoorstel, acht het concentreren van alle bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Het komt – aldus het openbaar ministerie – de overzichtelijkheid en de toegankelijkheid van de wettelijke regeling zeker ten goede. De 3RO lijkt de voorgestelde opbouw op het eerste gezicht een heldere indeling en een logische keuze. Hierbij plaatst de 3RO als kanttekening dat juist de artikelen die zien op de taken van de reclassering in de huidige wetgeving minder verspreid staan dan in het wetsvoorstel, wat het voor de reclassering lastiger maakt de toepasselijke regels te vinden. Conform het advies van de 3RO op dit punt zijn in het voorgestelde nieuwe Boek 6 de artikelen over de tenuitvoerlegging zo veel mogelijk per sanctiemodaliteit geclusterd. De RSJ acht het samenbrengen van over verschillende regelingen verspreid geraakte onderdelen en het daarbij bevorderen van een eenvormige regeling een goede zaak. Voor de RSJ is dit niet alleen vanuit het perspectief van wetsystematiek van belang, maar ook vanuit het bereiken van een grotere toegankelijkheid van regelgeving, wat eveneens gunstig is uit het oogpunt van rechtsbescherming.

Het college van procureurs-generaal heeft met instemming kennis genomen van het voorstel om de Minister van Veiligheid en Justitie in plaats van het openbaar ministerie wettelijk te belasten met de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. De hierbij horende nieuwe formele verdeling van taken en bevoegdheden in het kader van de tenuitvoerlegging heeft eveneens de instemming van het openbaar ministerie. Deze in het wetsvoorstel vastgelegde verdeling sluit beter aan bij de huidige uitvoeringspraktijk waarin vooral departementale uitvoeringsdiensten de daadwerkelijke tenuitvoerlegging verzorgen en neemt onduidelijkheden in de aansturing van de voor de uitvoering verantwoordelijke ketenpartners weg. De Raad voor de rechtspraak verzoekt in zijn advies de memorie van toelichting aan te vullen met een nadere onderbouwing van de noodzaak en de effectiviteit van de voorgenomen verschuiving. Specifiek wordt door de Raad aandacht gevraagd voor de invulling van de departementale regiefunctie en de positie van het openbaar ministerie. De nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling heeft de instemming van de politie. De politie constateert hierbij dat de aansturing wordt gecentraliseerd. Hierbij onderschrijft de politie de wenselijkheid dat met het wetsvoorstel belangrijke operationele bevoegdheden bij het openbaar ministerie behouden blijven. De 3RO kan zich goed vinden in bij de verdeling van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging gemaakte keuzes en de versterking van de departementale regiefunctie die de voorgestelde verschuiving van de verantwoordelijkheid met zich meebrengt. De NOvA heeft bezwaren tegen de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van openbaar ministerie naar de Minister van Veiligheid en Justitie. Dit draagt volgens de NOvA namelijk het risico in zich dat beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging meer dan nu het geval is politiek worden beïnvloed. De RSJ constateert dat het met zoveel woorden toebedelen van de tenuitvoerlegging aan de minister duidelijkheid schept over diens verantwoordelijkheid daarvoor, niet in de laatste plaats in diens verhouding tot de hem controlerende volksvertegenwoordiging. Voor zover deze klaarheid in lijnen de werkelijkheid beter weerspiegelen is dit volgens de RSJ een goede zaak. De RSJ ziet aan de andere kant dat beslissingen in de sfeer van de tenuitvoerlegging (nog) meer dan nu onder invloed kunnen komen van politieke meningsvorming en verhoudingen in de Tweede Kamer. Naar aanleiding van deze adviezen wordt in hoofdstuk 5 uitvoeriger ingegaan op de achtergrond van de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging, de taakverdeling tussen openbaar ministerie en minister en de wijze waarop de centrale regie vanuit het ministerie vorm krijgt. Hierbij komt tevens aan de orde de wijze waarop wordt omgegaan met het risico van een grotere politieke inmenging in het algemene tenuitvoerleggingsbeleid en in individuele beslissingen inzake tenuitvoerlegging. Op deze plek merken wij ter relativering reeds op dat de meer ingrijpende beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging die thans aan de officier van justitie of de rechter zijn om te nemen – zoals beslissingen over vrijheidsbeneming of de inzet van ingrijpende dwangmiddelen- met dit wetsvoorstel aan de officier of rechter blijven, en dat deze beslissingen veelal (in beroep) aan de onafhankelijke rechter kunnen worden voorgelegd. Van belang is verder dat de huidige praktijk leert dat bij (media-)gevoelige zaken de Minister of de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie reeds in het parlementair debat verantwoording aflegt over het justitieel optreden in het algemeen en in individuele gevallen. Dit is ook passend bij de eindverantwoordelijkheid die de bewindspersoon hiervoor draagt.

Een ander onderwerp dat vermelding verdient in deze weergave van de algemene strekking van de ontvangen adviezen, zijn de wijzigingen die worden voorgesteld voor de regeling van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen, de betekeningsregeling. De adviezen zijn voor dit onderwerp op te splitsen in enerzijds adviezen over de introductie van de mogelijkheid van elektronische betekening en anderzijds de overige voorgestelde wijzigingen, met name de betekening aan andere personen dan de geadresseerde, die hebben te gelden als betekening in persoon.

De gedachte om gerechtelijke stukken ook langs elektronische weg te kunnen toesturen en betekenen wordt door de meeste adviesorganen positief ontvangen. Hetzelfde geldt voor het elektronisch ondersteunen van de fysieke uitreiking van gerechtelijke mededelingen. De Raad voor de rechtspraak vindt dat digitale betekening voor de hand ligt gelet op de digitalisering van de samenleving in het algemeen, maar ook van de rechtspraak in het bijzonder. De mogelijkheid van betekening aan iemands e-mailadres wordt toegejuicht. De Raad voor de rechtspraak stelt in dit verband meerdere vragen ter verduidelijking van de voorgestelde werkwijze. De NVvR vindt deze elektronische betekeningen met voldoende waarborgen omkleed en ziet geen bezwaar in deze mogelijkheid. De politie acht de efficiëntere aanpak die elektronische betekening mogelijk maakt een goede ontwikkeling. De NOvA juicht de ontwikkeling van elektronische betekening toe, maar uit enkele zorgen over de veiligheid van betekening langs elektronische weg. Het college van procureurs-generaal van het openbaar ministerie stelt voorop dat het aanbeveling verdient de betekeningsvoorschriften te herzien. De huidige betekeningsvoorschriften stammen uit een tijd dat moderne communicatievoorzieningen niet voorhanden waren. De elektronische communicatiemiddelen waarover de meeste burgers thans beschikken, is maatschappelijk inmiddels van grotere betekenis dan de bezorging van stukken per gewone post. Deze veranderde tijden nopen naar het oordeel van het college tot verdergaande modernisering van de betekeningsvoorschriften. In de paragraaf in deze memorie van toelichting over elektronische betekening (§ 6.3) wordt de door de Raad voor de rechtspraak, de NOvA en het openbaar ministerie gevraagde nadere toelichting gegeven.

In het kader van de wijzigingen die worden voorgesteld voor de ‘papieren’ betekening benadrukt de Raad voor de rechtspraak het belang dat zoveel mogelijk is gewaarborgd dat de verdachte op de hoogte komt van een zittingsdatum of van een te executeren straf of maatregel. Voor zover het wetsvoorstel beoogt het aantal gevallen dat door een ongeldige betekening problemen ontstaan terug te dringen, verdient het volgens de Raad voor de rechtspraak steun. De Raad voor de rechtspraak vraagt zich af of de voorgestelde wijzigingen voldoende hun oorsprong vinden in gebreken in de huidige praktijk. Het wetsvoorstel lijkt volgens de Raad te weinig oog te hebben voor de punten waarop het in de voorgestelde praktijk zou kunnen ‘misgaan’ en wat daarvan de gevolgen kunnen zijn. Specifiek wordt de notie genoemd dat het in het strafprocesrecht vaak voorkomt dat verdachten en veroordeelden liever geen kennis nemen van voor hen bestemde mededelingen. De politie constateert dat de wijziging die het mogelijk maakt ook andere diensten te belasten met betekeningsopdrachten kan zorgen voor een lastenvermindering bij de politie. De exacte effecten hiervan zijn nog niet duidelijk, maar deze lijken volgens de politie op voorhand gunstig. De NOvA kan niet instemmen met de voorgestelde stroomlijning van de betekeningsregeling. Het grootste deel van het advies van de Adviescommissie Strafrecht van de NOVA richt zich op dit onderdeel van het conceptwetsvoorstel. Tegen de achtergrond van de betekenis en de invloed van het EVRM worden de betekeningsficties die gelden als betekening in persoon (betekening aan huisgenoot, toegevoegd raadsman en werkgever) nader beschouwd. Op grond van deze beschouwing is de NOvA tegenstander van de invoering van de voorgestelde betekeningsficties en de voorgestelde strafbaarstelling van het niet doorgeven van een voor een ander in ontvangst genomen mededeling (artikel 187a Sr). De RSJ is niet in alle opzichten overtuigd van de werkbaarheid van de gekozen oplossing. De NVvR meent onder meer dat de gevolgen van betekening in persoon voor de rechtsgang, wanneer deze betekening is geschied aan de raadsman of de huisgenoot, niet voor risico van de verdachte kunnen komen. Naar aanleiding van de kritische adviezen over dit onderdeel van het wetsvoorstel is de onderbouwing in deze memorie van toelichting uitgebreid en de voorgestelde nieuwe regeling aangescherpt. Zo is een correctiemogelijkheid gecreëerd voor die gevallen dat betekening in persoon heeft plaatsgevonden door uitreiking aan iemand anders dan de geadresseerde zelf, maar de gerechtelijke mededeling de verdachte of veroordeelde buiten zijn schuld toch niet heeft bereikt doordat degene die de mededeling in ontvangst heeft genomen deze niet onverwijld heeft doen toekomen aan de geadresseerde. In een dergelijk geval vervallen de rechtsgevolgen die waren verbonden aan de – ten onrechte – aangenomen betekening in persoon (voorgesteld artikel 36o Sv).

Ten slotte verdient vermelding dat dit conceptwetsvoorstel gedurende een periode van drie maanden voorwerp is geweest van internetconsultatie. Via www.internetconsultatie.nl is aan een ieder de mogelijkheid geboden te reageren op het concept van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting. Van deze mogelijkheid is beperkt gebruik gemaakt. Naast enkele betrokken burgers heeft PostNL haar zienswijze ingebracht. De door PostNL gemaakte opmerkingen zien op de wijziging van de betekeningsregeling. PostNL benadrukt ten eerste het belang van het betrouwbaar en volgens de wettelijke voorschriften uitreiken van gerechtelijke stukken. Dit belang onderschrijven wij. Mede naar aanleiding van dit advies wordt in het hoofdstuk van deze memorie van toelichting over de betekening meer aandacht besteed aan dit belang, de wijze waarop in de voorgestelde nieuwe uitvoeringspraktijk gerechtelijke stukken doelmatig èn zorgvuldig worden uitgereikt en de (rechterlijke) controle die hierop plaatsvindt. Ten tweede wijst PostNL op de samenhang met het Wetsvoorstel modernisering UPD van de Minister van Economische Zaken. In dat wetsvoorstel wordt – onder meer – voorgesteld de betekening van gerechtelijke stukken uit de zogeheten Universele Post Dienst (UPD) te halen. Dit voorstel houdt kort gezegd in dat PostNL niet meer verplicht zal zijn deze dienst aan te bieden. De regeling van de UPD staat los van de met dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van de betekeningsregeling. Om deze reden is het advies van PostNL ter zake onder de aandacht gebracht van het Ministerie van Economische Zaken, zodat dit kan worden betrokken bij de voorbereiding van het Wetsvoorstel modernisering UPD.

Op de overige inhoudelijke onderdelen van de veelal uitgebreide adviezen die zijn uitgebracht bij dit omvangrijke wetsvoorstel wordt in deze memorie van toelichting ingegaan op die plaatsen waar de onderwerpen waarover is geadviseerd, worden belicht. De redactionele opmerkingen van de adviesorganen zijn overgenomen.

3. Een nieuw Boek 6: Tenuitvoerlegging

Dit wetsvoorstel ziet op de nieuwe wettelijke regeling voor de tenuitvoerlegging. De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wordt met dit wetsvoorstel geconcentreerd en geüniformeerd binnen de strafrechtelijke wetgeving. Beoogd wordt met dit wetsvoorstel een logisch-systematische opbouw te geven voor de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging. Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven zijn veel van de adviesorganen uitgesproken positief over de voorgestelde opzet. De procureur-generaal van het parket bij de Hoge Raad concludeert in een recente publicatie (prof.mr. J.W. Fokkens, Sancties, aflevering nr. 3, 2014) eveneens dat de concentratie van de nu nog over verschillende wetten verspreide bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging een zonder meer positief verschil betekent. Door de met dit voorstel doorgevoerde scheiding tussen enerzijds de regeling van de verschillende straffen en maatregelen, opgenomen in het Wetboek van Strafrecht, en anderzijds de tenuitvoerlegging daarvan, geregeld in het Wetboek van Strafvordering, wordt voor de tenuitvoerlegging een meer heldere grens getrokken tussen het materiële en het formele gedeelte van het strafrecht (zie ook Nijboer 1987, De doolhof van de Nederlandse strafwetgeving, Groningen: Wolters Noordhoff, blz. 19, 94–95). De reden dat het huidige Vijfde Boek over de tenuitvoerlegging wordt vervangen door een Boek 6 (en niet een Boek 5) is dat sinds 1 november 2013 een Boek 5 over internationale en Europese strafvorderlijke samenwerking is ingevoegd (Kamerstukken 33 422; Stb. 2013, 250).

3.1.1 Opbouw Boek 6

Het voorgestelde nieuwe Boek 6 kent zeven titels. Na de algemene bepalingen in de eerste titel – die in beginsel gelden voor alle ten uitvoer te leggen strafrechtelijke beslissingen en voor het toezicht op alle strafrechtelijk opgelegde vrijheidsbeperkingen – wordt in de tweede tot en met de vijfde titel aangesloten bij het karakter van de straf of maatregel, achtereenvolgens vrijheidsbenemend (titel 2), vrijheidsbeperkend (titel 3), geldelijk (titel 4) en bijkomend (titel 5). Met deze volgorde wordt de opsomming van straffen in artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht gevolgd. In de zesde titel staan de rechterlijke beslissingen die tijdens de tenuitvoerlegging aan de orde kunnen zijn. Bestaande procedures zijn in deze titel gebundeld en vereenvoudigd. De zevende en tevens laatste titel ziet op de strafvorderlijke bepalingen over het verzoeken en verlenen van gratie. Door deze stelselmatige opbouw en de gekozen systematische nummering (zie nader de volgende paragraaf) kan eenvoudiger dan thans het van toepassing zijnde recht worden gevonden. Hieronder wordt voor elke titel kort de inhoud en opbouw nader toegelicht. De eerste transponeringstabel die als bijlage bij deze memorie van toelichting is gevoegd, kan worden gezien als gedetailleerde inhoudsopgave van het nieuwe Boek 6.

De eerste titel bevat de algemene bepalingen. De eerste afdeling van deze titel betreft de taken en verantwoordelijkheden die minister en openbaar ministerie hebben tijdens de tenuitvoerlegging en de algemene uitgangspunten die gelden voor de tenuitvoerlegging. Dit is de afdeling waar de in hoofdstuk 5 beschreven nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling tussen minister en openbaar ministerie haar belangrijkste wettelijke neerslag krijgt. Deze afdeling bepaalt verder de bevoegdheden die ten behoeve van de tenuitvoerlegging kunnen worden ingezet, de registratie die voor de tenuitvoerlegging wordt gevoerd, de mogelijkheid van de minister om de tenuitvoerlegging van niet-gratieerbare beslissingen te staken en ten wiens laste en bate de tenuitvoerlegging komt. Voor de tenuitvoerlegging van jeugdsancties gelden op grond van deze afdeling dezelfde voorschriften als bij volwassenen, tenzij bij of krachtens wet anders is bepaald. Indien er afwijkende voorschriften voor jeugdigen en jongvolwassenen gelden, wordt dit expliciet bepaald in de andere titels van het nieuwe Boek 6 Sv. In de tweede afdeling van de eerste titel staan de voorschriften over de aanvang, opschorting en beëindiging van de tenuitvoerlegging. Deze bepalingen gelden voor alle ten uitvoer te leggen strafrechtelijke straffen en maatregelen. De derde en laatste afdeling handelt over het toezicht op de tenuitvoerlegging van jeugdsancties.

De tweede titel ziet op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen, maatregelen en dwangmiddelen. Dit betreft de hoofdstraffen gevangenisstraf en hechtenis (artikel 9, eerste lid, onder a, onderdelen 1° en 2°, Sr), de jeugddetentie, de maatregelen plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, verpleging van overheidswege, ter beschikking stelling (verder: TBS; Tweede afdeling, Titel IIA, Sr), plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (verder: ISD; Derde afdeling, Titel IIA, Sr) en de maatregel van plaatsing in een justitiële jeugdinrichting. Voor de straffen bevat de eerste afdeling onder meer de gronden voor opneming in de penitentiaire inrichting en de wijze waarop het moment van invrijheidstelling wordt bepaald. De tweede afdeling bevat de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, het onderdeel van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf dat thans in het Wetboek van Strafrecht is geregeld (huidig artikel 15 e.v. Sr). De bepalingen in de derde, vierde en vijfde afdeling van de tweede titel – over de tenuitvoerlegging van de TBS-maatregel, de ISD-maatregel en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen – zijn eveneens overgeheveld uit het Wetboek van Strafrecht. De bepalingen zien ook op de TBS met voorwaarden en op de TBS waarvan het bevel tot verpleging voorwaardelijk is beëindigd, die – gelet op het karakter van beide – ook als vrijheidsbeperkende maatregelen kunnen worden aangemerkt. Deze titel is niettegenstaande het belang van de vrijheidsbenemende sancties redelijk beperkt in omvang doordat – gezien de omvang, de complexiteit en het specifieke karakter van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming – voor de bepalingen dienaangaande gekozen is voor concentratie in de Beginselenwetten (Penitentiaire beginselenwet, Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden). In de verhouding tussen de Beginselenwetten en het Wetboek van Strafvordering is met deze herziening geen wijziging beoogd.

De derde titel ziet op vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen. Het grootste deel van deze titel bevat regels over de tenuitvoerlegging van taakstraffen. De bepalingen voor de uitvoering van taakstraffen voor volwassen staan in de eerste afdeling, die voor jeugdigen staan – samen met de bepalingen over de gedragsbeïnvloedende maatregel – in de derde afdeling. De tweede afdeling betreft de gedragsaanwijzingen die een officier van justitie in een strafbeschikking kan geven. Voor de goede orde merken wij op dat de tenuitvoerlegging van bijzondere voorwaarden, die eveneens een vrijheidsbeperkend karakter hebben, niet in deze titel wordt geregeld. Reden hiervoor is dat dergelijke voorwaarden altijd zijn gekoppeld aan een andere sanctie; de voorwaarde vormt de stok achter de deur om de veroordeelde tot gedragsverandering te brengen. De reactie die volgt op het niet naleven van deze (bijzondere) voorwaarden is geregeld in de zesde titel, aangezien altijd een rechterlijk oordeel over de geconstateerde schending nodig is.

De vierde titel ziet op geldelijke straffen en maatregelen. De eerste afdeling van de vierde titel geeft de algemene wettelijke regeling voor de inning van de verschuldigde geldbedragen. Hierbij kan naast de inning van geldboetes, opgelegd door rechters, officieren van justitie, bevoegde bestuursorganen of (buitengewoon) opsporingsambtenaren, worden gedacht aan de inning van een schadevergoedingsmaatregel of wederrechtelijk verkregen voordeel (ontnemingsmaatregel). De tweede afdeling betreft enkele specifieke bepalingen met betrekking tot de ontnemingsmaatregel. Dit betreft met name de bevoegdheden die ten behoeve van het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde kunnen worden ingezet. De derde afdeling ziet op een specifiek op geld gericht onderdeel van de tenuitvoerlegging, de storting van een waarborgsom die als bijzondere voorwaarde is gesteld.

De vijfde titel ziet op de bijkomende straffen die de strafrechter kan opleggen. Dit betreft op grond van de limitatieve opsomming van artikel 9, eerste lid, onder b, Sr: ontzetting uit bepaalde rechten, verbeurdverklaring en openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Voor deze bijkomende straffen gelden van oudsher slechts een aantal specifiek voorschriften voor de tenuitvoerlegging; dit komt tot uitdrukking doordat deze titel slechts uit drie bepalingen bestaat.

In de zesde titel worden de rechterlijke beslissingen samengebracht die in het kader van de tenuitvoerlegging kunnen worden genomen. Indien tijdens de tenuitvoerleggingsfase een oordeel van de rechter nodig is, geeft deze titel de te volgen procedure en de gevolgen van de genomen vervolgbeslissing. Juist voor deze rechtsbescherming voor personen die de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel ondergaan geldt dat deze thans versnipperd over het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering is te vinden. Het samenbrengen en vereenvoudigen van deze procedures zorgt voor efficiënter werken. In de opbouw van deze Titel wordt op hoofdlijnen de opbouw van het Boek gevolgd door te starten met een algemene afdeling en vervolgens per afdeling de verschillende sanctiesoorten terug te laten keren: vrijheidsbeneming (tweede afdeling), vrijheidsbeperking (derde afdeling), geldelijke straffen en maatregelen (vierde afdeling). Voor de jeugdsancties wordt een aparte afdeling voorgesteld (vijfde afdeling). In deze afdelingen zijn met elkaar vergelijkbare procedures zoveel mogelijk samengevoegd en opnieuw uitgeschreven. Hiermee wordt beoogd meer eenvormigheid in de rechtsbescherming te bereiken. Deze herstructurering komt direct sterk naar voren in de eerste afdeling waar algemene voorschriften voor rechterlijke beslissingen tijdens de tenuitvoerlegging worden gegeven. Deze voorschriften betreffen onder meer welke rechter bevoegd is, wie aan die rechter een oordeel mogen vragen, de voorbereiding en de procedure van het onderzoek ter terechtzitting en de aanwezigheid van veroordeelde, raadsman, getuigen en deskundigen. Als algemene regel geldt dat tegen deze beslissingen in de fase van de tenuitvoerlegging geen rechtsmiddel openstaat, tenzij anders bepaald. In deze eerste afdeling is ook een bepaling (artikel 6:6:7 Sv) opgenomen die hetzelfde doel heeft als het – in de huidige praktijk nauwelijks toegepaste – rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste vonnissen (artikel 579 e.v. Sv). Het doel van dit rechtsgeding tot herkenning is bij blijvende twijfel over de identiteit van degene die een vrijheidsstraf ondergaat een rechter te laten beslissen over de identiteit van de betrokkene. Door de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling en de toepassing daarvan, in de opsporing en vervolging, maar zeker ook tijdens de tenuitvoerlegging, laat zich de vraag stellen of deze aparte rechtsgang nog relevant is. Vooralsnog is er echter voor gekozen om dit aparte rechtsgeding niet te schrappen, maar als een aparte beslissing op te nemen in deze eerste afdeling van de nieuwe Titel 6. In de tweede afdeling worden de specifieke beslissingen en procedures in het kader van de terbeschikkingstelling opnieuw vastgesteld. De hiervoor gemaakte opmerking dat de rechtsbescherming tijdens de tenuitvoerlegging thans versnipperd over het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering is te vinden, geldt in het bijzonder voor de terbeschikkingstelling. In de voorgestelde nieuwe afdeling worden de bestaande regelingen – met behoud van de bestaande mogelijkheden om een vervolgbeslissing aan de rechter te verzoeken – uniform en overzichtelijk opnieuw vastgesteld. Tegen beslissingen die kunnen leiden tot een (langere) vrijheidsbeneming staat beroep open. Op een vergelijkbare wijze wordt in de tweede afdeling de rechterlijke reactie op niet-naleving van voorwaarden en andere vrijheidsbeperkende sancties in één regeling gevat in plaats van een aparte regeling per type sanctie.

De zevende en tevens laatste titel bevat de strafvorderlijke gratieregeling. De Gratiewet is de inhoudelijke regeling van de procedure van een gratieverzoek. In het Wetboek van Strafvordering wordt geregeld welke vonnissen in aanmerking kunnen komen voor gratie en wat het effect van een gratieverzoek is op de tenuitvoerlegging. Door gratieverlening vervalt de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging, zonder dat de daaraan ten grondslag liggende rechterlijke beslissing wordt aangetast. Gratie vormt hiermee niet zozeer onderdeel van de tenuitvoerlegging als wel het einde van de gevolgen van de rechterlijke beslissing. Om deze reden zijn de strafvorderlijke gratiebepalingen geheel aan het einde van het wetboek geplaatst.

De BES-wetgeving wordt niet gewijzigd met dit wetsvoorstel. Redenen hiervoor is dat voor de strafprocesrechtelijke kant voor de BES, Aruba, Sint-Maarten en Curaçao is gekozen voor een zo uniform mogelijke regeling, omdat er één Hof is dat alle zaken in hoger beroep afdoet en omdat de populatie van deze eilanden zeer gering van omvang is en de tenuitvoerlegging hierdoor zijn eigen karakteristieken heeft en houdt.

3.1.2 Systematische nummering

Onderdeel van de herziening van het Boek over de tenuitvoerlegging is het (stapsgewijs) doorvoeren van een nieuwe nummering van de artikelen in het Wetboek van Strafvordering. Zoals reeds in het kader van de wet ter implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L 294) (Stb. 2013, 250) is opgemerkt, is door de wijzigingen van het Wetboek in de loop der tijd de doorlopende nummering van het Wetboek in toenemende mate ondoorgrondelijk geworden. Ter adstructie wijzen wij op enkele van de meest exotische artikelnummers: artikel 126ui, artikel 126zga en de artikelen 509i bis, 509j bis en 509u bis. Van de artikelen beginnend met 126 bestaan er inmiddels meer dan tachtig (artikel 126 tot en met 126ii), van de artikelen beginnend met 552 bestaan er meer dan zestig (artikel 552 tot en met 552iie). Het laatste artikel van het Wetboek van Strafvordering is artikel 593, terwijl het gehele Wetboek bijna 950 artikelen kent. Om deze redenen stellen wij een nieuwe nummering voor waarin op het niveau van de verschillende titels wordt doorgenummerd. Dit brengt mee dat in het artikelnummer het nummer van het boek en van de titel waar het artikel is ondergebracht, tot uitdrukking komt (boek : titel : artikel). Met de voorgestelde nummering wordt de moeizame nummering van ingevoegde bepalingen – voor nu – beëindigd. Daarnaast zal op grond van het nummer van de bepaling eenvoudiger zijn af te leiden waarop deze ziet. Bij artikelnummer 6:2:4 zal bijvoorbeeld in de toekomst direct duidelijk zijn dat het gaat om een artikel dat ziet op de tenuitvoerlegging (boek 6) van een vrijheidsbenemende straf of maatregel (Titel 2). Als hulpmiddel worden in het wetsvoorstel de getallen die terugkeren in de artikelnummers in Arabische cijfers opgenomen (Boek 6; Titel 2) en de overige cijfers met letters uitgeschreven (eerste afdeling). In de Wet van 5 juni 2013 tot implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L 294)(Stb. 2013, 250) is met het nieuwe Boek V een aanvang genomen met de nieuwe, uit drie cijfers bestaande nummering. Deze wordt met dit wetsvoorstel voortgezet. Beoogd is te gelegener tijd alle artikelen van het Wetboek van Strafvordering op deze wijze te hernummeren. De voorgestelde nieuwe wijze van nummering gaf de om advies gevraagde instanties geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

3.1.3 Gefaseerde inwerkingtreding en lagere regelgeving

Uit de inwerkingtredingbepaling – het laatste artikel van het wetsvoorstel – vloeit voort, dat het tijdstip van inwerkingtreding van de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Van deze gefaseerde inwerkingtreding kan gebruik worden gemaakt als dit voor de uitvoering van de nieuwe wettelijke regeling noodzakelijk is.

Deze wetswijziging en de beoogde optimalisatie van de tenuitvoerlegging raakt ook lagere regelgeving zoals algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en beleidsregels. Deze gedelegeerde nadere regels worden parallel aan de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel voorbereid zodat deze op hetzelfde moment als (onderdelen van) het wetsvoorstel in werking kunnen treden.

4. Optimale tenuitvoerlegging

De organisaties die bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen een wezenlijke rol spelen – het openbaar ministerie, de rechtspraak, de politie, de 3RO, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en zijn uitvoeringsorganisaties CJIB, Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), Justitiële informatiedienst, – werken samen aan het verbeteren van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Voor een beter functioneren van de tenuitvoerleggingsketen is wijziging van wet en regelgeving met betrekking tot de tenuitvoerlegging noodzakelijk. In het vorige hoofdstuk is de voorgestelde concentratie en uniformering van de strafrechtelijke wetgeving over de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen in een nieuw Boek 6 in het Wetboek van Strafvordering toegelicht. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de tenuitvoerlegging als onderdeel van de strafrechtsketen en op de – onder meer door de Algemene Rekenkamer – gesignaleerde tekortkomingen in de uitvoering (paragraaf 4.1). In paragraaf 4.2 beschrijven wij de doelen voor de tenuitvoerlegging en de structurele organisatorische wijzigingen die hiervoor worden doorgevoerd.

4.1 Tenuitvoerlegging als onderdeel van de strafrechtsketen

Voor een doeltreffend werkende strafrechtsketen moeten plegers van strafbare feiten niet alleen worden opgespoord, vervolgd, berecht en bestraft. Het gaat er uiteindelijk om dat plegers van strafbare feiten hun straf daadwerkelijk en volledig ondergaan. De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen begint bij de beslissing van de rechter, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar en eindigt bij het aflopen van de strafrechtelijke titel als de gevangenisstraf is uitgezeten, de maatregel is beëindigd, de taakstraf is uitgevoerd, de geldboete is betaald, aan de strafbeschikking is voldaan of de proeftijd bij gestelde voorwaarden is verstreken. In de fase van de tenuitvoerlegging moeten de betrokken justitiële partijen elkaar – als ketenpartners – informeren over elke stap in de strafrechtelijke procedure om te voorkomen dat zaken niet conform de geldende wet- en regelgeving of vanwege ondoelmatigheid de strafrechtsketen verlaten. Een dergelijke ongewenste uitstroom zou immers kunnen leiden tot rechtsongelijkheid en tot schade aan de geloofwaardigheid van de strafrechtspleging. Vanuit onder meer het resocialisatiebelang van de veroordeelde en het belang van de veiligheid van de samenleving is daarnaast nodig dat de strafrechtsketen er zorg voor draagt dat partners buiten de uitvoeringsketen van strafrechtelijke beslissingen, zoals gemeenten, zorginstellingen maar bovenal ook slachtoffers en nabestaanden, tijdig en correct worden geïnformeerd over de veroordeelde en de tenuitvoerlegging van diens straf. In het voorgestelde artikel 6:1:3 Sv wordt de algemene opdracht om bij de tenuitvoerlegging rekening te houden met deze belangen in de wet vastgelegd.

In 2012 constateerde de Algemene Rekenkamer in haar rapport ‘Prestaties in de strafrechtketen’ dat de strafrechtsketen onvoldoende presteert. Tevens werd geconstateerd dat er aan de oplossing van veel knelpunten in de strafrechtsketen met veel energie werd gewerkt, maar dat de onderlinge samenhang ontbrak. Op basis van dit rapport en het WODC-rapport over doorlooptijden in de strafrechtsketen (bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 29 279, nr. 133) hebben wij besloten meer centraal te gaan sturen op de strafrechtsketen en lopende initiatieven te bundelen voor een betere samenhang en regie op lopende verbeteringstrajecten (Kamerstukken II 2012/13, 33 173, nr. 6 over het programma versterking prestaties strafrechtsketen (VPS)). Deze inspanningen zijn gericht op het versterken van de prestaties van de gehele strafrechtsketen (Kamerstukken II 2011/12, 29 279, nr. 147; 2012/13, 29 279, nr. 156). Doelstellingen van het kabinet voor het presteren van de strafrechtsketen zijn dat doorlooptijden omlaag gaan, meer strafzaken worden afgedaan, de belangen van het slachtoffer en nabestaanden een belangrijke plaats hebben, de ongewenste uitstroom in de strafrechtketen wordt teruggedrongen en de kwaliteit van de afdoening van zaken wordt verbeterd. In 2011 is gestart met de noodzakelijke verbeteringen, specifiek voor de fase van de tenuitvoerlegging, het einde van de strafrechtsketen (Kamerstukken II 2011/12, 33 000 VI, nr. 11 over het programma uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen (USB)). Het huidige kabinet zet de ingezette versterking en optimalisering van de tenuitvoerlegging voort, als onderdeel van het verbeteren van de prestaties van de strafrechtsketen als geheel. In het regeerakkoord is het belang van deze verbeteringen nogmaals benadrukt. Tevens is in het regeerakkoord een taakstelling voor een doelmatige strafrechtsketen opgenomen. De mede met dit wetsvoorstel beoogde verbeteringen van de doelmatigheid in de tenuitvoerlegging dragen bij aan het realiseren van deze taakstelling (zie over de financiële en administratieve consequenties van het wetsvoorstel hoofdstuk 7).

4.2 Doelstellingen van de tenuitvoerlegging

Alle ketenpartners in de tenuitvoerlegging hebben gezamenlijk specifieke doelstellingen geformuleerd voor de fase van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Deze doelstellingen die uitvoering krijgen in het programma USB en die samenhangen met dit wetsvoorstel, worden in onderstaande paragrafen kort toegelicht.

4.2.1 Snellere tenuitvoerlegging

Door een strafrechtelijke beslissing zo snel mogelijk uit te voeren, ontstaat een duidelijkere relatie tussen het gepleegde strafbare feit, de berechting en de straf. In het voorgestelde artikel 6:1:2 Sv wordt voortvarende tenuitvoerlegging als doel gesteld. Dit is van belang voor de geloofwaardigheid van het strafrechtsysteem en het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat. Voor de fase van de tenuitvoerlegging is de concrete doelstelling de tijd tussen de strafrechtelijke beslissing (bijvoorbeeld een onherroepelijke rechterlijke uitspraak of strafbeschikking) en de daadwerkelijke start van de tenuitvoerlegging zo kort mogelijk te laten zijn. Op dit moment zitten daartussen soms maanden. Door afspraken tussen de ketenpartners over efficiëntere samenwerking wordt het proces versneld en de termijn verkort. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het sneller oproepen van veroordeelden tot een vrijheidsstraf zich zelf te melden bij de penitentiaire inrichting, om afspraken omtrent het sneller verstrekken van de ten uitvoer te leggen beslissing en om het sneller starten van het toezicht door de reclassering. Voorgesteld wordt in de wet vast te leggen dat het openbaar ministerie uiterlijk veertien dagen nadat de beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden deze aan de minister verstrekt voor de tenuitvoerlegging (artikel 6:1:1, tweede lid, Sv). Voor door of onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie uitgevaardigde strafbeschikkingen geldt dat deze termijn zonder meer haalbaar is. Voor rechterlijke beslissingen geldt dat deze termijn haalbaar is voor het openbaar ministerie op het moment dat de rechtspraak het vonnis spoedig vrijgeeft. Hiertoe is thans door de rechtspraak in het strafprocesreglement van de rechtbanken (Stcrt. 2010, 20926) vastgelegd dat het vonnis binnen vijftien dagen wordt geregistreerd in het bedrijfsprocessensysteem en dat alle zaken waarin vonnis is gewezen en waartegen geen rechtsmiddel is aangewend uiterlijk vijftien dagen na de uitspraak naar het arrondissementsparket worden gezonden. Met dit wetsvoorstel wordt bepaald dat een ondertekend vonnis binnen veertien dagen na de uitspraak aan het openbaar ministerie wordt verstrekt (artikel 365, zevende lid, Sv). Deze gecombineerde termijnen zorgen ervoor dat de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen doorgaans binnen dertig dagen ter hand kan worden genomen. De Raad voor de rechtspraak ziet er een toegevoegde waarde in dat dit onderdeel van de procedure een wettelijke verplichting wordt. Het openbaar ministerie onderschrijft in zijn advies het streven van deze bepaling om de ten uitvoer te leggen beslissingen snel bij de executerende instantie terecht te laten komen. Het advies van het openbaar ministerie om de termijnen voor rechtspraak en openbaar ministerie volledig gelijk te trekken door aan te sluiten bij de datum van de uitspraak in plaats van bij de datum van ondertekening is opgevolgd. Het College van procureurs-generaal wijst er in zijn advies op dat het in de praktijk zal kunnen voorkomen dat de bedoelde termijnen niet worden gehaald. Zo is bijvoorbeeld het openbaar ministerie afhankelijk van het door de rechter tijdig toezenden van de beslissing in zodanige vorm dat deze ten uitvoer kan worden gelegd. Hierop vindt een administratieve controle plaats voordat het openbaar ministerie de beslissing aan de minister verstrekt voor de tenuitvoerlegging. Het College merkt op dat door het in het Wetboek van Strafvordering opnemen van deze termijnen de indruk zou kunnen ontstaan dat de veroordeelde op grond van termijnoverschrijding met succes bezwaar tegen de tenuitvoerlegging kan maken. Dat is niet het geval. Aan het overschrijden van deze termijnen door de rechtspraak of het openbaar ministerie zijn geen strafprocessuele consequenties verbonden. De registratie van de termijn waarbinnen een vonnis wordt vrijgegeven leidt wel tot nuttig inzicht om dit administratief proces waar nodig te bespoedigen. In zijn advies vraagt het College bij dit onderdeel ten slotte aandacht voor de beslissingen die direct na de uitspraak onherroepelijk of uitvoerbaar zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als de veroordeelde en de officier van justitie ter terechtzitting afstand doen van het recht om hoger beroep in te stellen of als het een sanctie betreft waarvoor de rechter dadelijke uitvoerbaarheid heeft bevolen. In die gevallen zullen de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen direct ter beschikking moeten worden gesteld ten behoeve van de tenuitvoerlegging, geheel los van de hierboven bedoelde termijn van tweemaal veertien dagen. Daarover zijn afzonderlijke afspraken gemaakt tussen de rechtspraak, het openbaar ministerie en de betrokken uitvoeringsdiensten.

Een andere versnelling waarop wordt ingezet is het sneller nemen van vervolgbeslissingen als een opgelegde straf niet (goed) wordt uitgevoerd of een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd door de veroordeelde. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de situatie dat een veroordeelde een taakstraf niet naar behoren uitvoert zodat vervangende hechtenis moet volgen, of om de situatie dat een veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, maar zich niet houdt aan een gestelde voorwaarde zodat herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden gevorderd bij de rechter. Dergelijke beslissingen dienen snel te worden genomen en uitgevoerd om effectief te kunnen fungeren als stok achter de deur. In de uitvoering wordt met een centrale administratie onder de verantwoordelijkheid van de minister beoogd de doorlooptijden om te komen tot een (nieuwe) rechterlijke beslissing te verkorten (zie paragraaf 5.2.2); met dit wetsvoorstel worden dergelijke vervolgbeslissingen in de tenuitvoerlegging op één plek uniform geregeld (Titel 6).

4.2.2 Daadwerkelijke tenuitvoerlegging

Onder een daadwerkelijke tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wordt ten eerste verstaan dat de opgelegde sanctie inderdaad en geheel ten uitvoer wordt gelegd. Personen die zijn veroordeeld moeten hun straf ondergaan. De in artikel 6:1:1, eerste lid, Sv bij de Minister van Veiligheid en Justitie neergelegde verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging behelst een verplichting tot tenuitvoerlegging. Voorkomen moet worden dat de tenuitvoerlegging van opgelegde straffen niet start danwel dat veroordeelden na hun opgelegde straffen gedeeltelijk te hebben uitgevoerd uit het gezichtsveld van de betrokken instanties verdwijnen. Dergelijke uitval die plaatsvindt zonder dat hieraan een formele beslissing ten grondslag ligt – en die definitief wordt na ommekomst van de termijn van de executieverjaring – achten wij onaanvaardbaar. Om dergelijke uitval zoveel mogelijk te reduceren wordt zowel – zoals hierboven beschreven – gewerkt aan de snelheid van de aanvang van de tenuitvoerlegging als aan de mate van zekerheid van de tenuitvoerlegging. Om te zorgen dat veroordeelden openstaande vrijheidsstraffen ondergaan, zijn maatregelen getroffen die leiden tot extra inzet op het opsporen van veroordeelden die zich onvindbaar proberen te maken voor justitie en politie (Kamerstukken II 2012/13, 33 400 VI, nr. 90). Deze extra inzet betreft zowel de reguliere opsporing door de politie, als de intensieve opsporing door de politie en het gespecialiseerde Team Executie Strafvonnissen (verder: TES) voor zaken van grote maatschappelijke ernst of met een aanzienlijk strafrestant. Voor principale vrijheidsstraffen is de concrete doelstelling dat in 2016 bij minimaal 92 procent de tenuitvoerlegging gaande of afgerond is 24 maanden nadat een beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. In 2019 zou dit bij minimaal 95 procent van de principale vrijheidsstraffen het geval moeten zijn (Kamerstukken II 2012/13, 29 279, 165).

Bij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging gaat het er in de tweede plaats om dat de uitvoering van de sanctie overeenkomstig de genomen strafrechtelijke beslissing en veilig verloopt. Opgelegde sancties moeten vanzelfsprekend worden uitgevoerd zoals door de rechter of de officier van justitie is besloten. Bij de discretionaire beslissingen die tijdens de tenuitvoerlegging kunnen worden genomen over de wijze van tenuitvoerlegging moet door de uitvoerende instanties rekening worden gehouden met de resocialisatie van de veroordeelde, de belangen van het slachtoffer of zijn nabestaanden en de veiligheid van de samenleving (voorgesteld artikel 6:1:3 Sv). Op het moment dat een van de genoemde belangen in het gedrang komt of dreigt te komen moeten de betrokken organisaties, zoals openbaar ministerie, reclassering en gevangeniswezen met elkaar afstemmen om te komen tot een goede afweging. Dergelijke afstemming tussen de organisaties die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging speelt bijvoorbeeld bij het verlenen van vrijheden aan gedetineerden door de directeur van een penitentiaire inrichting. De huidige wijze waarop op dit soort momenten informatie wordt uitgewisseld, wordt in een gezamenlijke ketenaanpak verbeterd om te zorgen dat degene die verantwoordelijk is voor het nemen van de vervolgbeslissing kan beschikken over de voor die beslissing relevante informatie. Daarnaast kunnen – zoals de RSJ terecht opmerkt in zijn advies – organisaties zoals reclassering en politie zelfstandig blijven adviseren, in onderlinge afstemming danwel onafhankelijk van elkaar. In dit verband kan ook worden gewezen op de nieuwe algemene mogelijkheid van het openbaar ministerie om de minister ten behoeve van de tenuitvoerlegging te adviseren (artikel 6:1:10 Sv; paragraaf 5.3.3).

4.2.3 Goed informeren van partners buiten de strafrechtsketen

De veiligheid van de samenleving en het slachtoffer staan ook bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen centraal. Slachtoffers en nabestaanden mogen erop rekenen dat zij tijdens de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende strafrechtelijke beslissingen niet rauwelijks worden geconfronteerd met een veroordeelde. Slachtoffers, hun directe omgeving en de samenleving moeten er op kunnen vertrouwen dat de veroordeelde tijdens het ondergaan van zijn straf geen directe bedreiging vormt. Gemeenten hebben er belang bij dat bij de terugkeer van plegers van ernstige strafbare feiten rekening wordt gehouden met de maatschappelijke onrust die kan ontstaan als gevolg van die terugkeer. Om deze redenen moet informatie uit het justitiedomein over veroordeelden die terugkeren in de vrije maatschappij tijdig en correct beschikbaar zijn voor publieke instanties zoals gemeenten, moet de verstrekte informatie goed aansluiten op de behoeften van het lokale zorg- en veiligheidsnetwerk en moeten slachtoffers of nabestaanden tijdig worden geïnformeerd. Zo worden slachtoffers en nabestaanden – indien zij dit wensen – ingelicht over verleend verlof of over de datum van het ontslag uit detentie (zie over het informeren van slachtoffers en nabestaanden door het openbaar ministerie ook paragraaf 5.3.6). Gemeenten dienen beter op de hoogte te worden gesteld van specifieke behoeften van ex-gedetineerden, zodat de resocialisatieactiviteiten tijdens detentie aansluiten op de onder gemeentelijke verantwoordelijkheid geboden nazorg in de vrije maatschappij. Vanuit hun verantwoordelijkheid op het gebied van de openbare orde en veiligheid kan de burgemeester eveneens op de hoogte worden gesteld van de (tijdelijke) terugkeer in de maatschappij van zware gewelds- en zedendelinquenten, in die gevallen dat de openbare orde of de lokale veiligheid in het gedrang kan komen (Bestuurlijke informatievoorziening justitiabelen (BIJ); Kamerstukken II 2012/13, 28 684, nr. 383). Bij het informeren van burgemeesters in het kader van de informatievoorziening BIJ speelt de Justitiële informatiedienst een cruciale rol; de Justitiële informatiedienst verwerkt detentie-informatie van DJI, checkt eventuele relevante adreswijzigingen in de basisregistratie persoonsgegevens, meldt gemeenten in voorkomende gevallen over de terugkeer van genoemde justitiabelen en monitort deze meldingen. Deze rol past bij de belangrijke taak die de Justitiële informatiedienst heeft, te weten het verstrekken van gegevens ten behoeve van een integer en integraal persoonsbeeld in de strafrechtsketen. Integer persoonsbeeld wil zeggen dat informatie over personen in de strafrechtsketen gekoppeld is aan de juiste persoon. Integraal persoonsbeeld wil zeggen dat alle informatie over verdachten en veroordeelden voor zover een bepaalde functionaris in de strafrechtsketen die nodig heeft om een beslissing te kunnen nemen (‘need to know’) snel en efficiënt toegankelijk is. Om partijen buiten het justitiedomein in elke fase van de strafrechtspleging goed te kunnen informeren is de beschikbaarheid van betrouwbare en complete informatie binnen de strafrechtsketen een cruciale voorwaarde. Op het informeren van partijen buiten de strafrechtsketen voor andere doelen dan de strafrechtspleging is – zoals de RSJ opmerkt in zijn advies – privacywetgeving van toepassing. Politiegegevens en justitiële gegevens kennen een zogeheten ‘gesloten verstrekkingsregime’: dergelijke strafrechtelijke gegevens worden alleen verstrekt voor zover dat bij of krachtens de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is geregeld. Op de ontvangers van deze gegevens rust een wettelijke geheimhoudingsplicht. Op de organisatorische inrichting van de tenuitvoerlegging en de informatievoorziening wordt in het volgende hoofdstuk ingegaan.

5. Verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging

Voor het realiseren van de in het vorige hoofdstuk beschreven doelen achten wij meer centrale regie op de executieketen nodig. Vanuit een heldere verdeling van de taken en verantwoordelijkheden van de verschillende ketenpartners kan centraal worden gestuurd op de gewenste prestaties. In de eerste paragraaf wordt kort ingegaan op de ontwikkeling van de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van openbaar ministerie naar minister. Bij deze beschrijving is gebruik gemaakt van het recente proefschrift van dr. S. Meijer (Openbaar ministerie en tenuitvoerlegging, Universiteit Tilburg 2012, blz. 19 e.v.). Vervolgens wordt in paragraaf 5.2 ingegaan op de voorgestelde centrale, directe verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie voor de tenuitvoerlegging. Vervolgens wordt in dit hoofdstuk per direct betrokken organisatie ingegaan op de gevolgen die deze verschuiving van openbaar ministerie naar minister heeft voor het bepalen en het verwezenlijken van het uitvoeringsbeleid. Dit betreft achtereenvolgens het openbaar ministerie (paragraaf 5.3), de politie (paragraaf 5.4), de reclassering (paragraaf 5.5) en de rechtspraak (paragraaf 5.6). In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk wordt apart stilgestaan bij de tenuitvoerlegging van jeugdsancties.

5.1 Tenuitvoerlegging: minister en openbaar ministerie

Het eerste Nederlandse Wetboek van Strafvordering, uit 1838, bevatte een verplichting voor officieren van justitie tot uitvoering van rechterlijke bevelen en andere rechterlijke beslissingen. De ambtenaren van het openbaar ministerie waren als vertegenwoordigers van de Koning bij de rechtbanken belast met alles wat tot de uitvoerende macht kon worden gerekend. Voor de uitvoering van de uitgesproken beslissingen, kon het openbaar ministerie lokaal de hulp inroepen ‘der openbare, burgerlijke, of der gewapende macht’. Sinds de inwerkingtreding van het huidige Wetboek van Strafvordering in 1926 wordt de tenuitvoerlegging geregeld in artikel 553 e.v. Sv. Oorspronkelijk luidde de bepaling: ‘De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt op last van het openbaar ministerie bij het gerecht dat de beslissing heeft gegeven of tot hetwelk de rechter van wien de beslissing afkomstig is, behoort.’ In 1953 is ingevoegd dat de tenuitvoerlegging door het openbaar ministerie geschiedt ‘overeenkomstig door onze Minister van Justitie te stellen richtlijnen’. In januari 1999 is het huidige artikel 553 Sv in werking getreden: ‘De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt door het openbaar ministerie dan wel op voordracht van deze door Onze Minister’. Beide wijzigingen volgden uit de ontwikkeling dat de tenuitvoerlegging in toenemende mate werd overgenomen door landelijke diensten die onder de verantwoordelijkheid van de minister ressorteren (Kamerstukken II 1948/49, 1189, nr. 3, blz. 14; Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, blz. 19). Bij de behandeling van de Beginselenwet gevangeniswezen in 1953 ging het primair om de centrale tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen. In 1999 ging het – bij de vaststelling van de Penitentiaire beginselenwet – naast de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties, waarvoor de minister reeds direct verantwoordelijk is, ook om de tenuitvoerlegging van vermogensstraffen. De tenuitvoerlegging van de geldsancties is met de oprichting van het CJIB in 1992 eveneens een landelijke aangelegenheid geworden. Deze centralisatie is sindsdien verder gegaan, zodat thans de tenuitvoerlegging van de hoofd- en bijkomende straffen van artikel 9 Sr nagenoeg geheel centraal wordt uitgevoerd door of aangestuurd vanuit het CJIB. De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen geschiedt al met al momenteel formeel op last van het openbaar ministerie, maar is feitelijk een taak van de administratie geworden. Zoals het openbaar ministerie in zijn advies aangeeft wordt met het wetsvoorstel voortgebouwd op deze ontwikkeling. Door de minister direct verantwoordelijk te maken voor de tenuitvoerlegging, kan het openbaar ministerie zich richten op zijn kerntaken, te weten de opsporing en vervolging van strafbare feiten ter handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde. De voor de verbetering van de prestaties van de uitvoeringsketen noodzakelijke centrale regie op de tenuitvoerlegging kan vanuit de hierop gerichte taken van het openbaar ministerie onvoldoende vorm krijgen. Uitgangspunt bij de nieuwe vormgeving van de tenuitvoerleggingsketen is dat bij de tenuitvoerlegging betrokken organisaties kunnen excelleren in hun kerntaak. Op dit moment ligt het beheer en de aansturing van organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering bij de minister, denk aan de Dienst Justitiële Inrichtingen, het CJIB en Justid. Het ligt in de rede de minister, naast deze verantwoordelijkheid voor het beheer, de verantwoordelijkheid voor het te voeren beleid en de uitvoering daarvan te geven. Dit maakt betere sturing op de in de tenuitvoerlegging te behalen resultaten mogelijk. Dat de administratie de beste aangewezene is de verantwoordelijkheid voor de uitvoering te dragen past ook bij het gegeven dat het gaat om een vaststaande beslissing van rechter of officier van justitie, die op de meest doelmatige en doeltreffende wijze moet worden uitgevoerd. Het voorgestelde artikel 6:1:1 Sv geeft beter dan het huidige artikel 553 Sv de verdeling van bevoegdheden weer. De tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen geschiedt door de Minister van Veiligheid en Justitie; het openbaar ministerie is exclusief verantwoordelijk voor de verstrekking aan de minister van voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbare beslissingen. Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de belangen van slachtoffers en nabestaanden adviseert het openbaar ministerie bij de overdracht van de beslissing waar nodig de minister over de wijze van tenuitvoerlegging en de beslissingen die in dat kader moeten worden genomen (voorgesteld artikel 6:1:10 Sv). Daarnaast houdt het openbaar ministerie specifieke taken binnen de tenuitvoerlegging, waaronder het aanbrengen van zaken bij de strafrechter teneinde deze een vervolgbeslissing te laten nemen, die op haar beurt weer conform wordt uitgevoerd door de minister. Op deze taken van het openbaar ministerie wordt in paragraaf 5.3 ingegaan.

5.2 Taken van de Minister van Veiligheid en Justitie

Met dit wetsvoorstel wordt de Minister van Veiligheid en Justitie met de tenuitvoerlegging belast. Deze directe verantwoordelijkheid stelt de minister in staat zicht te hebben op de gehele tenuitvoerleggingsketen en centraal te sturen op een snelle en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Om de directe verantwoordelijkheid voor zowel het beleid als individuele zaken te kunnen dragen wordt de minister bevoegd algemene en bijzondere lasten te geven aan degene aan wie de feitelijke tenuitvoerlegging door hem is opgedragen – net als thans het openbaar ministerie een algemene of bijzondere last kan geven aan die personen of instanties (artikel 6:1:5 e.v. Sv). Beslissingen tijdens de fase van tenuitvoerlegging worden in de nieuwe situatie door of namens de minister genomen, voor zover niet uit de wet voortvloeit dat de desbetreffende beslissing door een rechter of door het openbaar ministerie moet worden genomen. Beslissingen door de rechter zijn in elk geval aan de orde bij beslissingen die tot (hernieuwde) vrijheidsbeneming van de veroordeelde leiden (met dit wetsvoorstel geclusterd in Titel 6 van Boek 6 Sv).

De directe verantwoordelijkheid van de minister brengt verder met zich dat de beleids- en beheersmatige sturing van de tenuitvoerlegging vanuit het ministerie vorm krijgt (paragraaf 5.2.1). Ten behoeve van de tenuitvoerlegging en de gerichte sturing daarop is per 1 januari 2014 bij het CJIB onder verantwoordelijkheid van de minister een administratie- en informatiecentrum ingericht dat coördineert dat de organisaties die zijn belast met de feitelijke tenuitvoerlegging kunnen beschikken over de gegevens die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging (paragraaf 5.2.2).

Voorgesteld wordt dat de minister ook direct verantwoordelijk wordt voor de tenuitvoerlegging (inning en incasso) van sancties die zijn opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: Wahv). Nu dit formeel geen strafrechtelijke maar administratiefrechtelijke beslissingen betreft, wordt deze keuze separaat nader toegelicht in paragraaf 5.2.4.

5.2.1 Departementale regie

De directe verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de Minister van Veiligheid en Justitie – zoals die volgt uit het voorgestelde artikel 6:1:1 Sv – werkt door in de organisatie van het ministerie. Om de departementale regiefunctie voor de tenuitvoerlegging goed te kunnen vervullen wordt één directeur-generaal van het ministerie aangewezen als ketenregisseur. De ketenregisseur zal namens ons de samenwerking tussen de partijen die een taak hebben in de tenuitvoerlegging stimuleren en condities scheppen voor een goede samenwerking tussen deze ketenpartners.

De departementale regiefunctie valt uiteen in een aantal specifieke taken. Ten eerste betreft dit de verantwoordelijkheid voor het organiseren en voorbereiden van strategische en tactische overleggen tussen de ketenpartners over de uitvoering binnen de keten. Door middel van deze overlegstructuur wordt gezamenlijk met de ketenpartners de regie op de tenuitvoerlegging gevoerd, verbeteringen bepaald en strategische kaders uitgezet. De tweede taak is het behandelen en bewerken van gegevens over de uitvoering. Deze keteninformatie dient als basis voor de sturing van de tenuitvoerlegging. Op basis van de inzichten uit deze informatie over de prestaties van de tenuitvoerlegging worden knelpunten benoemd en voorstellen tot verbetering gedaan. Het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (WODC) meet structureel de prestaties op de zogeheten kritieke prestatie-indicatoren (kpi’s). In totaal betreft dit zeven hoofdindicatoren waarop de prestaties worden gemonitord voor geldelijke sancties (geldboetes, schadevergoedingsmaatregelen en ontnemingsmaatregelen), vrijheidsbenemende sancties (straffen en maatregelen), justitiële voorwaarden (veroordelingen en invrijheidstellingen met bijzondere voorwaarden) en taakstraffen. Aan deze prestaties heeft de keten streefnormen voor de tenuitvoerlegging verbonden. De derde taak betreft de vorming van tenuitvoerleggingsbeleid en het waar nodig initiëren van verbeterprojecten. Het opstellen van beleidsregels over de tenuitvoerlegging zoals thans door het openbaar ministerie gebeurt, zal in de nieuwe situatie behoren tot de taken die binnen het ministerie worden uitgevoerd. De huidige Aanwijzing executie van het openbaar ministerie (Stcrt. 2013, 5107) zal in de nieuwe situatie dus grotendeels komen te vervallen en enkel nog die onderdelen bevatten die zien op de taken die het openbaar ministerie behoudt, zoals het instellen van vorderingen bij de strafrechter en het adviseren van de minister over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen beslissingen (paragraaf 5.3). Hetgeen in de Aanwijzing executie van het openbaar ministerie vervalt, zal – voor zover dit niet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is geregeld – worden bepaald in het departementaal beleid. Naar aanleiding van het advies van de politie kunnen wij op dit punt bevestigen dat in het belang van een effectieve uitvoering goed de samenhang tussen het overblijvende deel van de Aanwijzing Executie en de departementale beleidsregels wordt bewaakt. Het moet gaan om een eenduidig en uitvoerbaar stelsel aan nadere regels dat geen extra administratieve lasten mee zal brengen. Tot slot zal invulling worden gegeven aan de regiefunctie van de minister door horizontale en verticale ketencontrol. Onder horizontale ketencontrol wordt verstaan het onderling afstemmen van de activiteiten van de betrokken partijen om te zorgen dat de doelstellingen worden bereikt. Tevens gaat het om het zorgen dat alle betrokken partijen over voldoende budget beschikken om de geplande taken uit te kunnen voeren. Ten slotte houdt de horizontale control in dat de geplande prestaties van de keten worden gevolgd (monitoring). Verticale control krijgt vorm in een jaarlijkse cyclus van planning en control per ketenpartner.

Op bovenstaande wijze wordt de regie-, beleids- en beheersfunctie van de minister voor de tenuitvoerlegging ingevuld. Deze organisatorische veranderingen en de vastlegging van de directe formele verantwoordelijkheid van de minister in de wet vormen een bestendiging van het hiervoor genoemde programma uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen (USB) waarin onder meer de feitelijke overgang van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie naar de Minister van Veiligheid en Justitie die vanaf 1 januari 2014 vorm krijgt, is voorbereid. De mogelijkheid om vooruitlopend op de voorliggende wetswijziging op deze wijze te werken aan de versterkte departementale regie op de tenuitvoerlegging wordt geboden door het huidige artikel 553 Sv, dat bepaalt dat de tenuitvoerlegging op voordracht van het openbaar ministerie door de minister kan geschieden.

Zowel de RSJ als de Raad voor de Rechtspraak, als de NOVA hebben in hun adviezen de zorg geuit dat de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen door de verschuiving van de verantwoordelijkheid naar de Minister van Veiligheid en Justitie meer in de politieke sfeer komt te liggen. Door de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging direct bij de Minister van Veiligheid en Justitie te beleggen wordt een heldere verantwoordingslijn neergezet, waarbij de minister zich aan het parlement verantwoordt over het gevoerde overheidsbeleid. De parlementaire geschiedenis toont dat deze politieke verantwoording op het gebied van de tenuitvoerlegging reeds onder de huidige verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie geschiedt en dat deze op een goede en opbouwende wijze gestalte krijgt. Zo heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zich afgelopen tijd verantwoord over individuele casussen – zoals bijvoorbeeld Saban B., Benno L. en Volkert van der G. – en over het algemeen tenuitvoerleggingsbeleid – zoals bijvoorbeeld op het gebied van de terbeschikkingstelling, van de inning van financiële sancties (waaronder verkeersboetes) en van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Deze politieke debatten hebben er niet toe geleid dat beslissingen in individuele gevallen politiek zijn beïnvloed, maar wel dat het beleid en de wetgeving ter zake goed tegen het licht zijn gehouden en waar nodig aangepast.

5.2.2 Administratie- en InformatieCentrum Executieketen (AICE)

Om de departementale regie op de uitvoeringsketen optimaal te kunnen invullen, is het van belang over voldoende keteninformatie te beschikken. Cruciaal onderdeel van de nieuwe regie op de keten is dan ook de positionering van het CJIB als Administratie en InformatieCentrum voor de Executieketen, het AICE. Het AICE is per 1 januari 2014 gestart als onderdeel van het CJIB. Het CJIB heeft ruime ervaring in het verschaffen van inzicht in de processen en het duiden van dit inzicht. Daarnaast heeft het CJIB thans reeds een grote rol in het routeren van strafrechtelijke beslissingen en is het een landelijk opererende organisatie, waardoor het snel de taken en rol van het AICE zal kunnen invullen. Het AICE heeft als uitvoeringsinstantie van de Minister van Veiligheid en Justitie een coördinerende rol bij het informeren van de met de tenuitvoerlegging belaste ketenpartners over alle door hen ten uitvoer te leggen strafrechtelijke beslissingen. Passend bij de huidige feitelijke situatie en bij de voorgestelde directe verantwoordelijkheid van de minister voor de tenuitvoerlegging (paragraaf 5.1) zal het AICE deze taken namens de minister uitvoeren.

De start van de tenuitvoerlegging in de keten begint bij de ontvangst van een strafrechtelijke beslissing door de minister. Het openbaar ministerie is verantwoordelijk voor de volledige en tijdige aanlevering van deze beslissingen (paragraaf 5.1; artikel 6:1:1, tweede lid, Sv). Deze verantwoordelijkheid betreft ook die strafrechtelijke beslissingen die in de praktijk rechtstreeks bij het AICE worden aangeleverd door de politie en bestuursorganen. Het AICE zorgt er namens de minister voor dat de feitelijke tenuitvoerleggingsorganisaties, zoals het CJIB, de DJI, de reclassering en de politie, tijdig vernemen dat de desbetreffende beslissing ten uitvoer moet worden gelegd, zodat zij daartoe kunnen overgaan. Het AICE geeft dus namens de minister een last tot tenuitvoerlegging of aanhouding (artikelen 6:1:4 tot en met 6:1:6 Sv). De politie geeft in haar advies aan het een goede ontwikkeling te vinden dat dergelijke opdrachten vanuit één centraal punt worden gegeven. De overgang van zaaks- naar meer persoonsgericht werken maakt het voor de politie mogelijk om een persoon eenmaal aan te spreken voor meerdere executieopdrachten. Dit uitgangspunt van individualisering van de tenuitvoerlegging spreekt ook de RSJ aan. Ook de Raad voor de Rechtspraak lijkt het AICE een toegevoegde waarde te hebben als het gaat om het meer zicht hebben op de uitvoering vanuit de gedachte dat alle ten uitvoer te leggen beslissingen dezelfde route volgen en met het oog op de beoogde samenwerking met de Justitiële informatiedienst en koppeling met registers als het Justitieel documentatiesysteem en Strafrechtketendatabank. Cruciaal voor de snelle start van de tenuitvoerlegging is dat het openbaar ministerie de eigen beslissingen, de onder zijn verantwoordelijkheid genomen beslissingen en de rechterlijke beslissingen snel en volledig voor de tenuitvoerlegging verstrekt aan de minister (zie ook paragraaf 4.2.1). Ook bij zich aandienende vervolgbeslissingen tijdens de tenuitvoerlegging – bijvoorbeeld als iemand zich niet aan bijzondere voorwaarden houdt of de inning van een geldboete niet slaagt – zorgt het AICE namens de minister voor de juiste routering en informatiedeling tussen de betrokken ketenpartners.

Door daarnaast bepaalde administratieve taken in de tenuitvoerlegging te centraliseren bij het AICE, bijvoorbeeld het berekenen van ontslagdata van gedetineerden niet meer door de afzonderlijke justitiële inrichtingen te laten doen, neemt de kwaliteit en de inzichtelijkheid van de gevoerde administraties toe en kunnen de andere uitvoeringsorganisaties zich concentreren op hun kerntaak, in dit verband de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. De verwachting is dat deze focus op kerntaken leidt tot een snellere start van de tenuitvoerlegging, tot minder administratieve uitval in de keten en tot een betere informatievoorziening naar partners binnen en buiten de strafrechtsketen. De centrale administratie en informatievoorziening namens de minister vereenvoudigt verder het bewaken van de naleving van wettelijke termijnen en andere voorschriften (artikel 6:1:9 Sv).

In zijn rol als administratie- en informatiecentrum vormt het AICE een belangrijke basis voor de hierboven beschreven regie-, beleids- en beheersfunctie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Alle partners in de executieketen werken op dit moment toe naar de (geautomatiseerde) aansluiting op het AICE. Het CJIB zal in de rol van het AICE – zoals vermeld – zorgen dat organisaties en personen die zijn belast met de feitelijke tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen van begin tot einde worden geïnformeerd over de taken die zij moeten uitvoeren. AICE zal bij de uitoefening van zijn taken nadrukkelijk samenwerken met de Justitiële informatiedienst, de organisatie die namens de minister de verschillende justitiële ketens voorziet van een integer en integraal persoonsbeeld en die de belangrijkste registraties binnen de strafrechtsketen beheert, te weten de justitiële documentatie (JDS), de strafrechtketendatabank (SKDB) en het centraal digitaal depot (CDD+). Doordat de routering van alle ten uitvoer te leggen beslissingen, de zogeheten strafcomponenten, langs het AICE voert, ontstaat meer zicht en grip op de uitvoering. Een en ander biedt ook de mogelijkheid lopende zaken in onderling verband en op persoonsniveau te bezien. Deze procesinformatie is op alle werkniveaus in de keten van belang. Doel van de nieuwe infrastructuur is dat de noodzakelijke informatie aan elke speler in de keten, op maat, tijdig en juist wordt geleverd of beschikbaar wordt gesteld. Tijdens de tenuitvoerlegging is dit bijvoorbeeld van belang op het moment dat een rechter directe invrijheidstelling van iemand in voorlopige hechtenis beveelt, om na te kunnen gaan of de betrokkene niet nog op een andere titel vast moet blijven (zie hierover nader artikel 6:2:5 Sv en de hierbij gegeven toelichting in het artikelsgewijs deel). Informatie over openstaande straffen kan ook van belang zijn in de opsporings- en vervolgingsfase. Indien uit informatie over eerdere zaken bijvoorbeeld duidelijk wordt dat iemand – anders dan hij of zij beweert – nooit een in een strafbeschikking opgelegde taakstraf uitvoert, ligt directe dagvaarding meer in de rede dan nogmaals een strafbeschikking inhoudende een taakstraf uit te vaardigen. In paragraaf 5.3.2 worden enkele andere voorbeelden gegeven hoe raadpleging van de centrale informatie over de tenuitvoerlegging bij het AICE invloed kan hebben op beslissingen van het openbaar ministerie.

Kort gezegd, de centrale organisatie van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen in het AICE moet leiden tot optimaal zicht en grip op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het AICE vormt als partner in het proces van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen de spin in het web van de administratieve werkstromen van alle ketenpartners. De start van het AICE is beoogd per 1 januari 2014. Vanaf die datum zal het AICE in fases steeds meer de administratie en de informatievoorziening van de tenuitvoerlegging op zich nemen. Hiervoor geldt – evenals voor de in de vorige paragraaf beschreven departementale regiefunctie – dat de inrichting van deze nieuwe organisatie reeds mogelijk is onder de huidige verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie.

5.2.3 Bevoegdheid beëindiging tenuitvoerlegging niet-gratieerbare beslissingen

In de gratieregeling in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen dat géén gratie mogelijk is voor onvoorwaardelijke geldboetevonnissen van onder de € 340 (huidig artikel 558, eerste lid, Sv). Deze ondergrens van oorspronkelijk fl. 500 is in 1996 in de wet opgenomen. In 2002 is dit bedrag op grond van de prijs- en inkomensontwikkeling verhoogd naar fl. 750 (Kamerstukken II 27 798). Reden voor deze uitsluiting was ten eerste dat het gelet op het consumptieniveau het voor veroordeelden niet onoverkomelijk moet worden geacht bedragen van deze relatieve hoogte te voldoen. Daarnaast pleitte voor uitsluiting van deze categorie de afweging van het belang van de veroordeelde bij kwijtschelding van de geldboete tegen de last en kosten van de procedure volgens welke een beslissing op een gratieverzoek wordt voorbereid. Gratie wordt immers verleend bij koninklijk besluit na advies van een rechter en met inachtneming van de bij Gratiewet gestelde voorschriften (artikel 122 Grondwet), waaronder de mogelijkheid van advisering door het openbaar ministerie (artikel 5 Gratiewet). Bovendien is voor het verslag van het openbaar ministerie in de regel een onderzoek van de politie benodigd, waarin voor zover mogelijk wordt nagegaan of de bijzondere omstandigheden die door de veroordeelde in zijn verzoekschrift om gratie zijn aangevoerd feitelijke grondslag hebben. Om deze redenen – die nog steeds gelden – is de relatief zware gratieprocedure gereserveerd voor gratieverzoeken die betrekking hebben op een substantiële straf (Kamerstukken II 1994/95, 23 960, nr. 3, blz. 3).

Het openbaar ministerie heeft in het kader van deze herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging naar voren gebracht dat ook met de (verdere) tenuitvoerlegging van deze (relatief geringe) geldboetevonnissen in voorkomende gevallen geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Tot recent nam het openbaar ministerie in dergelijke schrijnende gevallen contact op met het CJIB om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 561, derde lid, Sv, om uitstel van betaling te verlenen tot ommekomst van de tenuitvoerleggingstermijn (voorgesteld artikel 6:4:1 Sv). Deze praktijk van ‘oplegging ter verjaring’ was buitenwettelijk en wordt daarom gestopt voor die zaken waarbij gratie mogelijk is (zie paragraaf 5.3.2). Het blijft echter een gegeven dat er uitzonderlijke gevallen zijn waarin het maatschappelijk wenselijk is dat ook de relatief lichte geldboetevonnissen van minder dan € 340 om overwegende redenen niet (verder) ten uitvoer worden gelegd. Het gaat dan niet om één door de rechter opgelegde geldboete van minder dan € 340, maar vaak om meerdere van dergelijke relatief geringe door de rechter opgelegde geldboeten, meestal voor overtredingen. Dit is met name aan de orde bij overlastveelplegers en bij veroordeelden tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD), bij wie de tenuitvoerlegging van dergelijke geldboetevonnissen thans in voorkomende gevallen wordt opgeschort. Deze opschorting geschiedt vaak op verzoek van ketenpartners zoals grote gemeenten om ingezette zorgtrajecten of re-integratie tijdens en na de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel niet te verstoren. Met de tenuitvoerlegging van deze relatief kleine geldboetevonnissen is niet altijd meer een redelijk doel gediend, namelijk als aan de afgesproken (zorg)voorwaarden is voldaan of de maatregel is afgerond en recidive is uitgebleven. Om deze reden wordt thans voorgesteld te voorzien in een bevoegdheid voor de Minister van Veiligheid en Justitie om voor die straffen en maatregelen waarvoor op basis van de wettelijke regeling geen gratie kan worden verleend de tenuitvoerlegging te beëindigen indien hij van oordeel is dat met de voortzetting daarvan geen redelijk doel wordt gediend (voorgesteld artikel 6:1:11 Sv). Het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie heeft met instemming kennisgenomen van de praktische wijze waarop in dit nieuwe artikel invulling wordt gegeven aan de bestaande behoefte om in voorkomende gevallen de tenuitvoerlegging te staken van beslissingen die niet onder de gratieregeling vallen, zoals geldboetevonnissen onder de € 340. Naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie is in de voorgestelde formulering van deze ‘hardheidsclausule’ gekozen voor dezelfde formulering als bij het voorgestelde nieuwe vierde lid van artikel 22 Wahv. Met het criterium ‘dat met de voortzetting van de tenuitvoerlegging geen redelijk doel wordt gediend’ wordt aangesloten bij de gratiegrond van artikel 2, onder b, van de Gratiewet. In de gevallen waarin het openbaar ministerie thans zou kiezen voor de afgesloten weg van opleggen ter verjaring, kan onder de voorgestelde regeling een verzoek aan de minister worden gericht om de tenuitvoerlegging te staken. De RSJ stemt in zijn advies in met deze ‘gratiëring’ van geringe geldboetes door de minister. Indien de minister op grond van daartoe op te stellen departementale beleidsregels gebruik maakt van deze bevoegdheid wordt de veroordeelde hierover schriftelijk geïnformeerd. Voorzien is dat de raad voor de rechtspraak jaarlijks – via het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie – een rapportage ontvangt van de gevallen waarin de minister gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. Tot slot benadrukken wij graag dat deze bevoegdheid van de minister geen recht voor veroordeelden creëert en dat een op deze grond staken van de tenuitvoerlegging geen gevolgen heeft voor de justitiële documentatie van de betrokkene.

Naast deze bevoegdheid van de minister om in bijzondere gevallen de tenuitvoerlegging van deze niet-gratieerbare sancties te beëindigen, krijgt het openbaar ministerie op grond van dit wetsvoorstel de mogelijkheid om – eveneens op vergelijkbare gronden als waarop gratie kan worden verleend – geldelijke sancties die zijn opgelegd in Wahv- en strafbeschikkingen tijdens de fase van tenuitvoerlegging kwijt te schelden (artikel 22, vierde lid, Wahv; artikel 257e Sv). Dit inhoudelijk ingrijpen door het openbaar ministerie in de tenuitvoerlegging van eigen beslissingen is beschreven in paragraaf 5.3.2.

5.2.4 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

Het CJIB verzorgt de tenuitvoerlegging van op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften opgelegde geldelijke sancties thans in naam van de officier van justitie. In zijn rol van het AICE heeft het CJIB op persoonsniveau inzicht in alle openstaande sancties, strafrechtelijk en Wahv. Gezien de sterke procedurele overeenkomsten tussen de inning van strafrechtelijke geldsancties en de inning van Wahv-sancties, en de centrale rol die het CJIB bij beide vervult, wordt voorgesteld de Minister van Veiligheid en Justitie ook te belasten met de inning van de Wahv-sancties. De voorgestelde wijzigingen van de Wahv die volgen uit deze nieuwe verantwoordelijkheid voor de minister, zien op die taken die thans reeds (volledig) door het CJIB worden uitgevoerd, zoals de inning en incasso van de opgelegde sanctie; het openbaar ministerie blijft verantwoordelijk voor het administratief beroep en bezwaar, voor de procesvertegenwoordiging bij de kantonrechter en – in hoger beroep – bij het gerechtshof en voor het instellen van een vordering tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling (vergelijk paragraaf 5.3.1).

Naast de wijzigingsbepalingen die beter deze feitelijke verdeling van verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden bij de uitvoering van de Wahv weergeven, worden voor de Wahv enkele wijzigingsvoorstellen gedaan die verband houden met andere ontwikkelingen, zoals het in de toekomst niet meer gebruiken van een papieren acceptgiro, het vermelden van het op de beschikking vermelde nummer bij het instellen van beroep bij de officier van justitie en de verdergaande centrale behandeling door het openbaar ministerie van op grond van de Wahv opgelegde administratieve sancties. In het artikelsgewijze deel van deze toelichting worden deze meer technische wijzigingen nader toegelicht. Aan de voorgestelde wijziging die samenhangt met de stroomlijning van de betekeningsregeling wordt nader aandacht besteed in paragraaf 6.5 van deze memorie van toelichting.

5.3 Taken van het openbaar ministerie

Met de nieuwe bepaling van artikel 6:1:1 Sv wordt beoogd een duidelijke scheiding aan te brengen tussen enerzijds de totstandkoming van een strafrechtelijke beslissing in Nederland en de verstrekking hiervan door het openbaar ministerie, en anderzijds de uitvoering daarvan door de minister. Het openbaar ministerie houdt echter tijdens de tenuitvoerleggingsfase bepaalde bevoegdheden en mogelijkheden om de wijze van tenuitvoerlegging door de minister, de administratie te beïnvloeden. De RSJ geeft in zijn advies in zijn algemeenheid aan er geen bezwaar tegen te hebben dat het openbaar ministerie specifieke taken houdt binnen de tenuitvoerlegging. De NVvR vraagt in zijn advies naar de toekomstige rol van de executieofficieren en -advocaten-generaal als aanspreekpunt bij de parketten. Doordat het openbaar ministerie onder de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling meerdere taken behoudt in de tenuitvoerlegging – waaronder het indienen van vorderingen bij de rechter en het (nader) adviseren over de wijze van tenuitvoerlegging, blijven er binnen het openbaar ministerie officieren van justitie met voldoende expertise op het executieterrein aanwezig als aanspreekpunt en intern adviseur. De suggestie van het openbaar ministerie om een schematische weergave van de nieuwe verdeling van taken en bevoegdheden in de memorie van toelichting op te nemen is niet overgenomen. De taken en bevoegdheden volgen uit de tekst van het wetsvoorstel. Naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie wordt in de navolgende deelparagrafen ter verduidelijking uitgebreider ingegaan op de (grotendeels ongewijzigde) taken van het openbaar ministerie en de samenhang met de nieuwe bevoegdheden van de minister.

5.3.1 Vorderen vervolgbeslissingen, vrijheidsbenemende dwangmiddelen

De minister kan niet zelfstandig optreden bij de strafrechter. Indien de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing daartoe aanleiding geeft, beslist het openbaar ministerie op basis van door de minister verstrekte informatie of zaken al dan niet worden aangebracht bij de strafrechter. De bevoegdheden die het openbaar ministerie thans in het kader van de tenuitvoerlegging uitoefent bij de strafrechter, worden niet gewijzigd met dit wetsvoorstel. Het openbaar ministerie blijft verantwoordelijk voor het aanbrengen van zaken waar de strafrechter een beslissing over de tenuitvoerlegging dient te nemen. In zijn advies beschrijft het College van procureurs-generaal op grond van welke overwegingen een zaak door de Minister van Veiligheid en Justitie kan worden overgedragen aan het openbaar ministerie. Deze beschrijving aan de hand van een voorbeeld over een vordering tot gijzeling in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) maken wij graag de onze. Een dergelijke gijzelingsvordering is – zoals het openbaar ministerie terecht aangeeft – enkel zinvol als andere middelen aantoonbaar niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. In het geval van de Wahv gaat het om een dwangbevel, buitengebruikstelling van het voertuig en inname van het rijbewijs, voordat de zaak door de minister, het CJIB, wordt overgedragen voor beslissing door het openbaar ministerie over het indienen van een vordering gijzeling. Met het College van procureurs-generaal achten wij het van belang te bevorderen dat bij de tenuitvoerlegging van de lichtere sancties al het mogelijke door de uitvoeringsinstanties wordt gedaan om tenuitvoerlegging te realiseren zonder dat het openbaar ministerie en de rechter worden ingeschakeld. Daarmee kan worden voorkomen dat het openbaar ministerie en de zittende magistratuur onnodig worden belast, en dat betrokkenen onnodig als pressiemiddel de vrijheid wordt benomen.

Naast de strafrechter is ook de RSJ een bevoegde rechterlijke instantie, namelijk voor beroep tegen beslissingen door of namens de Minister van Veiligheid en Justitie genomen bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen of maatregelen. Naast de strafrechter en de RSJ wordt in voorkomende gevallen ook de voorzieningenrechter bij beslissingen over de tenuitvoerlegging betrokken (op de rol van de rechter tijdens de tenuitvoerlegging wordt nader ingegaan in paragraaf 5.6). De procedures bij de RSJ en de voorzieningenrechter worden door of namens de minister gevoerd.

Ten behoeve van de tenuitvoerlegging dient op gezette tijden gebruik te worden gemaakt van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden en vrijheidsbenemende dwangmiddelen. Wat betreft de opsporingsbevoegdheden moet met name worden gedacht aan de bevoegdheden die met de tenuitvoerlegging belaste opsporingsambtenaren kunnen toepassen om de verblijfplaats vast te stellen van de persoon die moet worden aangehouden om zijn straf te ondergaan (voorgesteld artikel 6:1:7 Sv; huidig artikel 565 Sv). Dit betreft een deelverzameling van de (bijzondere) opsporingsbevoegdheden die in het kader van de opsporing kunnen worden ingezet. Omdat deze bevoegdheden ingrijpen in het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkenen, is het veelal de officier van justitie die (na machtiging van de rechter-commissaris) het bevel geeft tot de inzet ervan. Daarnaast gaat het om de opsporingsbevoegdheden die op bevel van de officier van justitie kunnen worden ingezet ten behoeve van het onderzoek naar het vermogen van een veroordeelde in het kader van een ontnemingsmaatregel (voorgesteld artikel 6:4:11 Sv; huidige artikel 577bb Sv). Het openbaar ministerie wijst er in zijn advies terecht op dat het inzetten van deze bijzondere opsporingsbevoegdheden uitdrukkelijk voorbehouden blijft aan het openbaar ministerie. In paragraaf 5.4 wordt uiteengezet hoe binnen de politieorganisatie de inzet van de opsporingsbevoegdheden is georganiseerd. Wat betreft de inzet van dwangmiddelen gaat het om de inzet van het vrijheidsbenemende dwangmiddel gijzeling (huidige artikelen 577c Sv, 578b Sv (voorgesteld artikelen 6:4:19 en 6:6:26 Sv); 28 Wahv). De inzet van deze dwangmiddelen geschiedt door of op vordering van de officier van justitie. Tot de inzet van de niet-vrijheidsbenemende dwangmiddelen die kunnen worden ingezet zonder rechterlijke tussenkomst wordt op grond van dit wetsvoorstel de minister bevoegd. Dit betreft – indien niet volledig verhaal heeft kunnen plaatsvinden – het innemen van het rijbewijs (artikelen 28a en 30 Wahv) en het buitengebruikstellen van een voertuig van de betrokkene (artikelen 28b en 29 Wahv).

Voor de tenuitvoerlegging van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de ontnemingsmaatregel, geldt het volgende. Het openbaar ministerie is verantwoordelijk voor de vordering en de inhoud van de ontnemingsmaatregel, inclusief het onderzoek naar het vermogen van de verdachte en het mogelijk leggen van conservatoir beslag. Indien de strafrechter een ontnemingsmaatregel oplegt wordt de desbetreffende rechterlijke uitspraak – net als alle andere strafrechtelijke beslissingen – door het openbaar ministerie aan de minister verstrekt voor de tenuitvoerlegging. De minister is verantwoordelijk voor de feitelijke ontneming, die wordt uitgevoerd door het CJIB. In de fase van de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel kan een strafrechtelijk executie onderzoek (SEO) worden gevorderd door het openbaar ministerie (artikel 577ba Sv, voorgesteld artikel 6:4:10 Sv). Dit onderzoek is erop gericht inzicht te verkrijgen in het vermogen van de veroordeelde waarop verhaal kan worden genomen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. De bevoegdheden die in het SEO kunnen worden ingezet (artikel 577bb Sv, voorgesteld artikel 6:4:11 Sv) zijn vergelijkbaar met de bijzondere opsporingsbevoegdheden die worden ingezet bij een strafrechtelijk onderzoek. Het openbaar ministerie blijft – zoals hierboven beschreven – met dit wetsvoorstel ongewijzigd verantwoordelijk voor dit onderzoek en de vorderingen die in dit kader worden ingesteld. Zoals het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderschrijft in zijn advies, vindt tussen het openbaar ministerie en het CJIB afstemming plaats over de gevallen waarin het openbaar ministerie actief betrokken is bij de inning van de maatregel. Die afstemming is in elk geval te voorzien in gevallen waarin mogelijk wordt overgegaan tot het vorderen van een SEO, maar kan ook aan de orde zijn bij andere gevallen waarin maatwerk is vereist. Afstemming tussen openbaar ministerie en CJIB is hiermee niet beperkt tot de relatief grote ontnemingen. Ook bij specifieke zaken kan de reguliere inning van de opgelegde ontnemingsmaatregel de aandacht van het openbaar ministerie behoeven (bijvoorbeeld omdat andere zaken die inmiddels lopen tegen de veroordeelde zouden kunnen worden verstoord door een plots verschijnende gerechtsdeurwaarder). Zoals het openbaar ministerie in zijn advies beschrijft strekt de samenwerking op dit punt tot optimalisering van de beschikbare executie-instrumenten ten dienste van effectuering van opgelegde ontnemingsmaatregelen.

5.3.2 Invloed openbaar ministerie op procedure en inhoud tenuitvoerlegging

Opgelegde straffen dienen daadwerkelijk en voortvarend ten uitvoer te worden gelegd (zie ook paragraaf 4.2.1 over de doelstellingen van de tenuitvoerlegging). Het algemene beleid voor de tenuitvoerlegging moet om deze reden zo min mogelijk in individuele gevallen worden doorkruist. Het openbaar ministerie kan echter goede gronden hebben om ook na de overdracht van de strafrechtelijke beslissing aan de minister voor tenuitvoerlegging in specifieke gevallen invloed uit te willen uitoefenen op de wijze van tenuitvoerlegging. De mogelijkheden tot ingrijpen in de tenuitvoerlegging door een officier van justitie volgen in de huidige situatie uit de wettelijke verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de tenuitvoerlegging en zijn vastgelegd in de Aanwijzing executie van het openbaar ministerie (Stcrt. 2013, 5107). Onder de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling zullen sommige van deze mogelijkheden onder het beleid van de minister gaan vallen en worden vastgelegd in departementale beleidsregels (zie ook paragraaf 5.2.1). In dit verband kan onder meer worden gedacht aan hoe om te gaan met veroordeelden met medische problemen. In het onderstaande worden kort de mogelijkheden geschetst die het openbaar ministerie behoudt om in het belang van de opsporing, het slachtoffer, nabestaanden of de veroordeelde of in het algemeen belang in individuele gevallen de tenuitvoerlegging dwingend te beïnvloeden. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen procedureel en inhoudelijk ingrijpen en tussen ingrijpen in beslissingen van opsporingsambtenaren en officieren van justitie en in rechterlijke beslissingen.

Procedureel ingrijpen in de tenuitvoerlegging door het openbaar ministerie kan bijvoorbeeld inhouden dat in een beperkt aantal gevallen (de start van) de tenuitvoerlegging met enkele weken of maanden wordt vertraagd of versneld. Aangezien het wettelijk uitgangspunt is dat strafrechtelijke beslissingen voortvarend ten uitvoer worden gelegd (voorgesteld artikel 6:1:2, huidig artikel 561, eerste lid, Sv) is voor dit beïnvloeden van individuele gevallen van tenuitvoerlegging door het openbaar ministerie een zwaarwegende reden vereist. Ter adstructie volgt hieronder een beschrijving van enkele voorbeeldsituaties bij vrijheidsbenemende sancties. Indien in een lopend strafrechtelijk onderzoek het vanuit een zwaarwegend opsporingsbelang onwenselijk is dat een betrokkene op dat moment wordt aangehouden om een openstaande straf uit te zitten, kan zijn aanhouding op verzoek van de officier van justitie of de advocaat-generaal worden uitgesteld. Een dergelijk verzoek van het openbaar ministerie kan ook volgen uit de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde en zijn omgeving. Een voorbeeld hiervan is dat iemand met een openstaande gevangenisstraf verblijft in een afkickkliniek en daar goed werkt aan zijn verslavingsprobleem. Om te voorkomen dat de politie hem tijdens de behandeling uit de kliniek haalt, kan de aanhouding en tenuitvoerlegging worden opgeschort tot na beëindiging van de opname in de kliniek. Het belang van een slachtoffer of zijn nabestaanden kan meebrengen dat een veroordeelde direct na het onherroepelijk worden van het vonnis wordt aangehouden om zijn straf te ondergaan. Met opschorting van de tenuitvoerlegging kan in voorkomende gevallen ook worden vooruitgelopen op een beslissing op een ingediend gratieverzoek waarvan de verwachting is dat dit zal worden ingewilligd (bijvoorbeeld vanwege detentieongeschiktheid). Alleen in dit laatste geval leidt het uitstel van de tenuitvoerlegging ook – indien het gratieverzoek wordt ingewilligd – tot afstel. Alle overige straffen waarvan de tenuitvoerlegging op verzoek van het openbaar ministerie tijdelijk wordt opgeschort, worden vervolgens alsnog ten uitvoer gelegd. Dit uitstel is uiteraard alleen aan de orde in die gevallen waarin niet reeds uit de wet opschortende werking van het gratieverzoek voortvloeit (voorgesteld artikel 6:7:2 Sv; huidig artikel 558a Sv).

Een dergelijk ingrijpen in het tempo van de tenuitvoerlegging hoeft niet op bezwaren te stuiten zolang dit op zichzelf niet leidt tot een verlichting of verzwaring van de ten uitvoer te leggen sanctie. Het uitgangspunt dat de straf geheel ten uitvoer wordt gelegd, blijft immers intact. Op het moment dat het openbaar ministerie het tempo van de tenuitvoerlegging van een opgelegde sanctie wenst te beïnvloeden, wordt dit schriftelijk en met redenen omkleed door de betrokken officier van justitie of advocaat-generaal kenbaar gemaakt aan het CJIB, in zijn rol als het AICE (zie nader paragraaf 5.2.1). Voordat een besluit wordt genomen over versnelling of vertraging van de tenuitvoerlegging, vindt overleg plaats tussen het AICE en het openbaar ministerie. In dit overleg wordt de noodzaak tot ingrijpen in de desbetreffende zaak bezien in samenhang met de informatie die beschikbaar is over eerdere zaken en eventuele andere openstaande zaken van de betrokkene. Dit totaaloverzicht van hetgeen bekend is over de betrokkene, kan de voorgenomen beslissing tot ingrijpen van de officier van justitie in het voorliggende geval beïnvloeden. Indien de officier van justitie na dit overleg bij zijn verzoek blijft, zorgt het AICE voor de gevraagde vertraging of versnelling van de tenuitvoerlegging van de sanctie door de instantie aan wie de feitelijke tenuitvoerlegging is opgedragen. De suggestie van de RSJ deze procedurele mogelijkheid van het openbaar ministerie expliciet in de wet te regelen zodat veroordeelden weten dat zij in voorkomende gevallen het openbaar ministerie om opschorting kunnen vragen, is niet overgenomen. Een dergelijk ingrijpen in het tempo van de tenuitvoerlegging kan namelijk worden beschouwd als een concrete invulling van de in artikel 6:1:10 Sv expliciet geregelde adviesmogelijkheid van het openbaar ministerie, waarvoor beleidsmatig is bepaald dat een advies van het openbaar ministerie over het tempo van tenuitvoerlegging op de hierboven beschreven wijze wordt opgevolgd.

Naast dit procedurele ingrijpen in de tenuitvoerlegging is het in uitzonderlijke situaties denkbaar dat het openbaar ministerie de inhoud van de ten uitvoer te leggen beslissing zou willen wijzigen. Voor zover het beslissingen betreft die door de officier van justitie of onder het gezag en de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie zijn genomen, kan het openbaar ministerie deze tijdens de tenuitvoerlegging wijzigen of intrekken. Hierbij gaat het om buitengerechtelijke afdoeningen met strafbeschikkingen of administratieve sancties op grond van de Wahv. De officier van justitie kan deze door de officier van justitie of de (buitengewoon) opsporingsambtenaar opgelegde sancties ambtshalve ― zonder dat er beroep tegen de Wahv-beschikking of verzet tegen de strafbeschikking is ingesteld ― intrekken of wijzigen. Dit wordt met dit wetsvoorstel expliciet geregeld in het vierde lid van artikel 22 van de Wahv respectievelijk het achtste lid van artikel 257e Sv. Ook hiervoor geldt dat het kunnen beschikken over een overzicht van alle executie-informatie van de betrokkene de beslissing van de officier in het concrete geval kan beïnvloeden. Het CJIB zal in zijn rol als het AICE op persoonsniveau volledig zicht hebben op de lopende zaken. Een belangrijke rol van het AICE bij de tenuitvoerlegging is om alle betrokken partijen, waaronder het openbaar ministerie, te voorzien van de complete executie-informatie die nodig is om beslissingen, zoals bovengenoemde, op te kunnen baseren.

Voor rechterlijke beslissingen geldt dat deze niet inhoudelijk door het openbaar ministerie kunnen worden gewijzigd; het openbaar ministerie kan niet besluiten te stoppen met de tenuitvoerlegging van (onderdelen van) een door de rechter opgelegde straf of maatregel. In het stelsel van de wet ligt namelijk besloten dat onherroepelijk door de rechter opgelegde sancties ten uitvoer moeten worden gelegd (de zogeheten ‘executieplicht’). Voor het kwijtschelden van (een deel van) de door de rechter opgelegde sanctie staat alleen de weg van gratie open. De (buitenwettelijke) praktijk waarin het openbaar ministerie bij hoge uitzondering het CJIB verzocht een straf niet ten uitvoer te leggen, zodat de executietermijn werd overschreden (‘opleggen ter verjaring’) wordt in dit verband door wijziging van de hierboven genoemde Aanwijzing executie beëindigd voor die straffen waarbij gratie mogelijk is. De 3RO brengt in haar advies onder de aandacht dat het ‘opleggen ter verjaring’ ook positieve bijdragen heeft geleverd aan de tenuitvoerlegging, namelijk aan het succes van de invoering van de maatregel van (voorwaardelijke) ISD; anders dan bij ‘opleggen ter verjaring’ kan bij gratie namelijk niet op voorhand aan de veroordeelde worden gegarandeerd dat meewerken aan de maatregel van (voorwaardelijke) ISD tot kwijtschelding van openstaande straffen zal leiden. In reactie merken wij op dat in die gevallen dat na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel met de tenuitvoerlegging van eerdere strafrechtelijke beslissingen geen redelijk doel meer wordt gediend – bijvoorbeeld omdat dreigt dat ingezette zorgtrajecten of re-integratie van iemand die een (voorwaardelijke) ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen, worden verstoord, verschillende wettelijke wegen openstaan om de tenuitvoerlegging te kunnen staken. Een en ander is hierbij afhankelijk van degene die de sanctie heeft opgelegd en van de aard en omvang van de opgelegde sanctie. Waar het gaat om rechterlijke beslissingen staat gratie voorop. Wezenlijk onderdeel van de gratieprocedure is het inwinnen van het advies van de rechter (artikel 122 van de Grondwet). Dat dus – zoals 3RO in haar advies opmerkt – bij gratie geen sprake kan zijn van garanties is juist, en zo hoort het ook. Voor die rechterlijke beslissingen waarbij geen gratie mogelijk is, wordt met dit wetsvoorstel een bevoegdheid van de minister voorgesteld om in bepaalde gevallen de tenuitvoerlegging te staken van strafrechtelijke beslissingen waarvoor op grond van het voorgestelde artikel 6:7:1 Sv geen gratie kan worden verzocht en verleend. Op deze hardheidsclausule en de verhouding tot de gratieprocedure is ingegaan in paragraaf 5.2.3. Bij beslissingen van het openbaar ministerie en opsporingsambtenaren kan het openbaar ministerie overgaan tot intrekking of wijziging, zoals hierboven in deze paragraaf is beschreven.

Specifiek voor taakstraffen kent de wet in artikel 22f Sr een aparte bevoegdheid aan het openbaar ministerie toe om wel – na het onherroepelijk worden van de beslissing – de aard van de te verrichten werkzaamheden te wijzigen indien de veroordeelde de taakstraf niet geheel overeenkomstig de opgelegde straf kan of heeft kunnen verrichten. Van deze mogelijkheid om een taakstraf inhoudelijk te wijzigen wordt slechts sporadisch gebruik gemaakt. Namelijk alleen wanneer vanuit de aard van het delict een specifieke taakstraf is opgelegd (bijvoorbeeld werken in een revalidatiecentrum na dronken rijden) en deze taakstraf niet beschikbaar of anderszins niet haalbaar blijkt (bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid). Indien dit zich thans voordoet – met name bij jeugdtaakstraffen – wordt door de reclassering of de raad voor de kinderbescherming naar een alternatieve taakstraf waarbij de afwijking van de aanvankelijk opgelegde straf zo beperkt mogelijk blijft. Het openbaar ministerie beslist of de oorspronkelijk opgelegde taakstraf vanwege de overmacht bij de betrokkene of het niet (meer) beschikbaar zijn van de specifiek opgelegde taakstraf kan worden vervangen door het door de reclassering voorgelegde alternatief. De reclassering wordt via het AICE geïnformeerd over deze nieuwe strafrechtelijke beslissing.

Dit zijn de mogelijkheden die het openbaar ministerie heeft om direct en dwingend in te grijpen in de wijze van tenuitvoerlegging. Daarnaast kan het openbaar ministerie op diverse momenten adviseren over de wijze van tenuitvoerlegging. Hierop ziet de volgende paragraaf.

5.3.3 Advisering door het openbaar ministerie

In het wetsvoorstel wordt een bevoegdheid voor het openbaar ministerie opgenomen om de minister te adviseren over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen beslissingen (artikel 6:1:10 Sv). Deze bevoegdheid dient het in paragraaf 4.2.3 vanuit het perspectief van de tenuitvoerlegging beschreven belang van een goede informatiedeling in de strafrechtsketen. Voor een tenuitvoerlegging die naast de persoon van de veroordeelde en de aard van het gepleegde strafbare feit rekening houdt met de belangen van slachtoffers, nabestaanden en de samenleving is het nodig dat degene die namens de minister besluiten neemt over de wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel, naast de justitiële documentatie van de betrokkene, kan beschikken over alle informatie die relevant is voor het inschatten van mogelijke risico’s van schending van de belangen van slachtoffers of nabestaanden of het ontstaan van maatschappelijke onrust die met het te nemen besluit gepaard gaan. Deze informatiebehoefte gaat verder dan alleen de eigen ervaringen die de beslissende organisatie met de betrokkene heeft. Ook de ervaringen en de professionele oordelen van andere partijen binnen en buiten de strafrechtsketen met en over de persoon van de veroordeelde kunnen tijdens de tenuitvoerlegging van belang zijn bij besluiten over bijvoorbeeld het verlenen van vrijheden aan een veroordeelde, en de voorwaarden die hierbij of bij een voorwaardelijke invrijheidstelling worden gesteld. Concreet kan het gaan over een risicoanalyse van de reclassering, of een beschrijving van de politie of een gemeentebestuur over de maatschappelijke onrust die mogelijk als gevolg van de terugkeer van de pleger van het strafbare feit kan ontstaan. Het opleggen van gerichte bijzondere voorwaarden zoals een gebieds- of contactverbod kunnen dan naast gedragsverandering van de veroordeelde bijdragen aan het voorkómen dat deze verstoring van de openbare orde zich herhaalt doordat slachtoffers of nabestaanden in hun eigen omgeving worden geconfronteerd met de betrokkene. Deze informatie kan ook relevant zijn voor het bepalen van de duur van de proeftijd van de veroordeelde. Ook het gedrag en de houding van de veroordeelde in de gevangenis zijn mede bepalend bij het nemen van een besluit over het verlenen van eventuele vrijheden aan een gedetineerde. Tijdens de detentie kan bijvoorbeeld blijken dat de gedetineerde zich gewelddadig gedraagt, psychische problemen heeft of ongewenst contact zoekt met slachtoffers of nabestaanden. Het streven is dergelijke relevante informatie die elk van de partijen in de strafrechtsketen verzamelt over de betrokkene, beschikbaar te stellen aan de functionarissen die op een later moment belast zijn met het nemen van (vervolg)beslissingen.

Het openbaar ministerie heeft een belangrijke rol bij dit exclusief volgen van personen door de strafrechtsketen. Dit start bij de leiding die het openbaar ministerie geeft aan de opsporing door de politie en de vervolgingsbeslissing die de officier van justitie neemt op basis van de aangedragen feiten en omstandigheden. Bij het formuleren van de strafeis op de zitting houdt de officier van justitie rekening met de aard van het gepleegde strafbare feit, de persoon van de verdachte, zijn strafrechtelijk verleden, de omstandigheden van het geval en de belangen van het slachtoffer, nabestaanden en de samenleving. In de strafeis werkt dus de in het zaaksdossier opgenomen persoonsgebonden informatie door die is aangeleverd door bijvoorbeeld politie, gemeenten, reclassering, slachtoffers of nabestaanden. Nadat de strafrechter iemand heeft veroordeeld, geeft het openbaar ministerie de uitspraak vrij voor tenuitvoerlegging. Dit is tevens een kantelmoment voor de bedoelde informatieverzameling en informatiedeling rondom de veroordeelde. In de beoogde nieuwe situatie waarin de Minister van Veiligheid en Justitie belast is met de tenuitvoerlegging, eindigt op dat moment immers de directe betrokkenheid van het openbaar ministerie (zie nader paragraaf 5.1, en paragraaf 5.3.1). Vanuit zijn exclusieve rol als verstrekker van voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen brengt het openbaar ministerie advies uit aan de minister in díe gevallen waarin het openbaar ministerie op basis van het verloop van de opsporing, vervolging en berechting en de persoonsgebonden informatie uit deze fasen van oordeel is dat er bij de veroordeelde specifieke risicofactoren aanwezig zijn die tijdens de tenuitvoerlegging van belang zijn voor de wijze waarop de straf ten uitvoer wordt gelegd. Dit zal met name aan de orde zijn bij ernstige strafbare feiten met een grote maatschappelijke impact. In dit advies van het openbaar ministerie komt de voor de tenuitvoerlegging relevante informatie over de persoon van de veroordeelde uit eerdere fasen uit de strafrechtsketen tot uitdrukking. Het advies van het openbaar ministerie stelt hiermee de minister en de onder hem ressorterende uitvoeringsorganisaties die als primaire taak de tenuitvoerlegging hebben, in staat strafrechtelijke beslissingen zo optimaal mogelijk uit te voeren. Het advies dat het openbaar ministerie op grond van artikel 6:1:10 Sv uitbrengt vormt hiermee ook de basis voor de latere beslissing van het openbaar ministerie over het stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling en voor de beslissing over het al dan niet toepassen van elektronisch toezicht (voorgesteld artikel 6:2:11, zesde lid, Sv).

Uitgangspunt is dat het openbaar ministerie zoveel mogelijk een volledig inhoudelijk advies uitbrengt – met de voor de tenuitvoerlegging relevante persoonsgebonden informatie en professionele oordelen over de veroordeelde – op of in aansluiting op het moment dat de strafrechtelijke beslissing voor tenuitvoerlegging wordt verstrekt aan de minister. Het onverwijld uitbrengen van een zo volledig mogelijk inhoudelijk advies past bij de kwalitatief hoogwaardige beslissingen die het openbaar ministerie voor de tenuitvoerlegging overdraagt aan de minister. Indien daartoe aanleiding is, kan het openbaar ministerie een uitgebracht advies op een later moment aanvullen of actualiseren. Dit vervolgadvies kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien de maatschappelijke onrust en de media-aandacht als gevolg van de zaak op het moment van de verstrekking van de ten uitvoer te leggen beslissing nog volop in beweging zijn of bij relevante wijzigingen in de omstandigheden van een slachtoffer of nabestaanden. Dergelijke signalen kunnen bijvoorbeeld bij het openbaar ministerie terecht komen via de politie, slachtofferhulp, de reclassering of de gemeente, tijdens lokale afstemming die het openbaar ministerie heeft in een Veiligheidshuis of het driehoeksoverleg. Een dergelijk nader advies van het openbaar ministerie kan ambtshalve worden uitgebracht of in reactie op een daartoe strekkend verzoek van de minister. Dit laatste zal met name spelen op het moment dat de verantwoordelijke uitvoeringsinstantie voor een te nemen vervolgbeslissing wil kunnen beschikken over de actuele omstandigheden en daaruit voortvloeiende risico’s. Anders dan de RSJ verwachten wij dus niet dat dit nadere advies voornamelijk op verzoek van de minister of de inrichtingsdirecteur zal volgen.

In het voorgestelde artikel 6:1:10 Sv en de nadere regels die op grond van het artikel 6:1:15 Sv bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld, krijgt deze adviesrol van het openbaar ministerie vorm. Hierbij wordt voortgebouwd op de huidige executie-indicator, in artikel 1, sub c, van de Penitentiaire maatregel gedefinieerd als ‘de aantekening van het openbaar ministerie bij het aanbieden van een vonnis ter executie aan de Minister van Veiligheid en Justitie waarin wordt aangegeven dat het openbaar ministerie wil adviseren over te nemen besluiten inzake de verschillende vormen van te verlenen vrijheden aan de betreffende justitiabele’. Dat op grond van dit voorstel onverwijld na de behandeling van de zaak een oordeel moet worden gevormd over mogelijke risico’s op schending van de belangen van slachtoffers of nabestaanden of het ontstaan van maatschappelijke onrust tijdens de tenuitvoerlegging komt de kwaliteit van de advisering ten goede. Ten opzichte van de executie-indicator zorgt de nieuwe werkwijze ervoor dat niet op een later moment alle relevante informatie opnieuw moet worden verzameld en beoordeeld. Dit vermindert de administratieve lasten. Naast dat het streven is dat het openbaar ministerie zo spoedig mogelijk na de verstrekking van de rechterlijke uitspraak aan de minister een compleet inhoudelijk advies uitbrengt, is in deze bepaling ten opzichte van de executie-indicator aangevuld dat de minister de officier van justitie kan verzoeken om alsnog advies uit te brengen of het eerder uitgebrachte advies aan te vullen (tweede lid). Deze aanvullingen kunnen ook actualiseringen zijn. De aanleiding voor een dergelijk verzoek zal met name voortvloeien uit informatie over de gedetineerde vanuit de Dienst Justitiële Inrichtingen of de reclassering.

5.3.4 Stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling

Sinds juli 2008 is de regeling van vervroegde invrijheidstelling vervangen door de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling. De bijzondere voorwaarden die in dit kader worden gesteld maken onderdeel uit van de wijze waarop een door de rechter opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd. Gelet op de nieuwe verdeling van taken en bevoegdheden tussen het openbaar ministerie en de Minister van Veiligheid en Justitie bij de tenuitvoerlegging is daarom overwogen de beslissing over de voorwaardelijke invrijheidstelling en de daarbij te stellen bijzondere voorwaarden bij de minister te beleggen. Op meerdere gronden is echter gekozen het vaststellen van bijzondere voorwaarden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie te laten. Hierbij kan ten eerste worden gedacht aan de samenhang met het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden door het openbaar ministerie en de ingrijpende gevolgen voor de veroordeelde op het moment dat de gestelde voorwaarden worden overtreden. Daarnaast is bij deze keuze van belang dat het onderdeel van het openbaar ministerie dat het stellen en wijzigen van deze bijzondere voorwaarden verzorgt, de Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling (CVvi), goed functioneert. De keuze deze taak bij het openbaar ministerie te laten wordt in de uitgebrachte adviezen gesteund door het openbaar ministerie, de Raad voor de rechtspraak, de NOvA, de 3RO en de RSJ.

De feitelijke tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen geschiedt van oudsher onder de verantwoordelijkheid en in naam van de minister, door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Omdat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling pas geldt voor gevangenisstraffen van meer dan een jaar (huidig artikel 15, eerste lid, Sr; voorgesteld artikel 6:2:10 Sv) heeft de DJI in alle gevallen dat het stellen van bijzondere voorwaarden aan de orde is kennis over en ervaring met de individuele gedetineerden en hun detentiegeschiedenis. Voor de overgang van de gedetineerde naar de vrije maatschappij is van belang dat met de gestelde bijzondere voorwaarden nauw wordt aangesloten op het verloop van de detentie van de veroordeelde en de maatregelen en interventies die tijdens die detentie hebben plaatsgevonden. Dit geldt zeker ook voor de voorwaarden die zijn gesteld aan elektronisch toezicht op een veroordeelde. Bij het in het kader van de tenuitvoerlegging stellen van bijzondere voorwaarden moet – net als bij alle beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging – rekening worden gehouden met de resocialisatie van de veroordeelde, de belangen van het slachtoffer of zijn nabestaanden en de veiligheid van de samenleving. Deze belangenafweging wordt expliciet vastgelegd in het voorgestelde artikel 6:1:3 Sv. Voor het maken van een goede afweging tussen deze belangen door het openbaar ministerie zijn naast het advies van de directeur van de penitentiaire inrichting ook de risicoanalyse en de adviezen die worden uitgebracht door de reclassering van belang. Om deze reden wordt voorgesteld dat de reclassering in alle gevallen adviseert over de te stellen bijzondere voorwaarden (voorgesteld artikel 6:2:11 Sv). Voor de advisering bij het stellen van bijzondere voorwaarden wordt in het kader van het beter betrekken van slachtoffers in de fase van tenuitvoerlegging ook bezien hoe – in zeer ernstige zaken – Slachtofferhulp Nederland een bijdrage kan leveren aan de advisering door de reclassering. De RSJ stelt in zijn advies dat voorwaardelijke invrijheidstelling betrekking heeft op een fase na de tenuitvoerlegging. De voorwaardelijke invrijheidstelling maakt echter onderdeel uit van de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf. De titel voor de vrijheidsbeneming blijft bestaan, op het moment dat een bijzondere voorwaarde wordt overtreden, wordt deze immers hervat. Op advies van de 3RO vermelden wij in dit verband dat de gedachte is dat de reclassering bij de genoemde zeer ernstige zaken een actieve rol speelt door voor haar advies aan het openbaar ministerie contact op te nemen met het slachtoffer via Slachtofferhulp Nederland. Op deze manier wordt bewerkstelligd dat slachtoffers en Slachtofferhulp Nederland niet rechtstreeks adviseren over te stellen voorwaarden, maar dat de belangen van het slachtoffer via het advies van de reclassering een plaats krijgen in de beslissing, net als de resocialisatie van de veroordeelde en de veiligheid van de samenleving.

Het uitgangspunt van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling is dat alle veroordeelden met een straf van meer dan een jaar in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin de veiligheid van de samenleving slechts voldoende kan worden gewaarborgd door de detentie voort te laten duren. In dergelijke gevallen kan de voorwaardelijke invrijheidstelling worden uitgesteld of geheel achterwege blijven (huidig artikel 15d Sr; voorgesteld artikel 6:2:12 Sv). Van groot belang voor de effectiviteit en geloofwaardigheid van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling is verder dat het overtreden van een gestelde voorwaarde niet zonder gevolgen blijft. De rechter beslist – ook in de nieuwe situatie – op vordering van het openbaar ministerie over het uitstellen of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling en over het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat er reden is de voorwaardelijke invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of achterwege te laten, dient het openbaar ministerie een daartoe strekkende vordering in. Indien de minister in het verloop van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf daartoe aanleiding ziet, informeert hij het openbaar ministerie over de omstandigheden die aanleiding kunnen vormen voor het indienen van een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het openbaar ministerie beslist over het indienen van een dergelijke vordering bij de rechtbank (voorgesteld artikel 6:6:1, zesde lid, Sv).

5.3.5 Toezicht op de naleving

Het toezicht op de naleving van vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen, gedragsaanwijzingen en voorwaarden is nauw verbonden met de aanhouding van de veroordeelde (artikel 6:3:15 Sv) en de vordering die het openbaar ministerie indient bij de rechter op het moment dat het openbaar ministerie van oordeel is dat de opgelegde vrijheidsbeperking niet wordt nageleefd (artikelen 6:6:21 en 6:6:22 Sv). Het openbaar ministerie blijft om deze reden ook in de nieuwe situatie verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving (artikel 6:3:14 Sv). Dit toezicht betreft ten eerste de naleving van de verschillende voorwaarden die in verschillende fases van het strafproces – dus ook buiten de fase van de tenuitvoerlegging – kunnen worden gesteld, zoals voorwaarden bij schorsing van de voorlopige hechtenis (artikel 80 Sv), bij een voorwaardelijk sepot (artikel 167, tweede lid, Sv), bij een kennisgeving van niet verdere vervolging (artikel 244, derde lid, Sv), bij een voorwaardelijke veroordeling (artikel 14c, tweede lid, en artikel 77x Sr), bij een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (verder: ISD) (artikel 38p Sr), bij terbeschikkingstelling met voorwaarden (artikel 38 Sr), bij een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging (artikel 38j Sr), bij een voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 15a, tweede lid, Sr), en bij voorwaardelijke gratie (artikel 13 Gratiewet). Daarnaast gaat het om het toezicht op zelfstandige vrijheidsbeperkende interventies, zoals de door de officier van justitie opgelegde gedragsaanwijzingen (in een strafbeschikking op grond van artikel 257a, derde lid, onderdeel e, of op grond van artikel 509hh Sv), de handhaving van het toezicht op de bijkomende straf van ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden of het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen (artikel 32 Sr) en de door de rechter opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, waarvoor geldt dat de politie een belangrijke rol heeft bij het toezicht (artikel 38v Sr).

5.3.6 Informeren van slachtoffers en nabestaanden door het openbaar ministerie

Op basis van de huidige wet- en regelgeving is het openbaar ministerie verantwoordelijk voor het informeren van slachtoffers en nabestaanden over het verloop van de zaak. Daarbij staan het slachtoffer of zijn eventuele nabestaanden centraal. Het openbaar ministerie informeert slachtoffers en nabestaanden, indien gewenst in daartoe aangewezen gevallen en in ieder geval indien sprake is van delicten waarbij zij op de zitting een verklaring kunnen afleggen over de gevolgen van het strafbare feit (artikel 51e, vierde lid, Sv), over de invrijheidstelling en eventueel verlof van de verdachte of de veroordeelde. Slachtoffers worden ook geïnformeerd over de inning van de aan hen toegewezen schadevergoeding. Dit laatste gebeurt sinds 2006 door het CJIB, in opdracht en in naam van het openbaar ministerie.

Dit wetsvoorstel wijzigt niets aan de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor het informeren van slachtoffers en nabestaanden. Vanuit de nieuwe verantwoordelijkheid van de minister voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, zou kunnen worden overwogen de Minister van Veiligheid en Justitie te belasten met de informatieverschaffing aan het slachtoffer en nabestaanden over het verloop van de tenuitvoerlegging. Daarmee zou de eerder genoemde scheiding tussen de totstandkoming van de strafrechtelijke beslissing en de verstrekking hiervan door het openbaar ministerie enerzijds, en de uitvoering daarvan door de minister anderzijds, ook op het punt van het informeren van slachtoffers en nabestaanden worden doorgevoerd. Voor het slachtoffer en nabestaanden is het echter van belang dat zij te maken krijgen met een beperkt aantal contactpersonen; één aanspreekpunt voor informatie over het verloop van de strafzaak ongeacht de fase waarin deze zich bevindt, heeft hierbij de voorkeur. Vanuit dit belang van één loket voor het slachtoffer en de bij het openbaar ministerie opgebouwde infrastructuur en kennis is er voor gekozen de integrale verantwoordelijkheid voor het informeren van slachtoffers en nabestaanden in alle fasen van het strafproces, inclusief de tenuitvoerlegging, bij het openbaar ministerie te laten. Ook van dit onderdeel van de verdeling van taken en bevoegdheden in het kader van de tenuitvoerlegging heeft het College van procureurs-generaal met instemming kennisgenomen.

Voorwaarde voor het goed kunnen informeren is dat de benodigde informatie door de ketenpartners aan het openbaar ministerie wordt aangeleverd. Het openbaar ministerie kan hierbij gebruik maken van de verschillende informatiebronnen binnen de strafrechtsketen. Naast het AICE is in dit verband vermeldenswaardig dat er een Informatieportaal Justitiabelen (INJUS) is ontwikkeld. Dit portaal, in beheer bij de Justitiële informatiedienst verschaft degenen die daartoe bevoegd zijn geautomatiseerd toegang tot informatie over justitiabelen. Dit portaal is bestemd voor organisaties binnen de strafrechtsketen, voor partijen die slachtoffers of nabestaanden informeren en voor instanties die vanuit hun publieke functie deze informatie over personen in de strafrechtketen nodig hebben en op grond van geldende wet- en regelgeving mogen ontvangen. Bij het laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gemeenten, in het kader van BIJ (zie paragraaf 4.2.3).

5.4 Taken van de politie

De politie heeft in het kader van de tenuitvoerlegging meerdere taken. De omvang en inhoud van deze taken, in paragraaf 5.4.1 kort beschreven, wijzigen niet met dit wetsvoorstel. Met de komst van de Nationale politie (Stb. 2012, 315) en de met dit wetsvoorstel beoogde directe verantwoordelijkheid van de minister voor de tenuitvoerlegging wijzigt wel de wijze waarop de politie wordt aangestuurd op de executietaak. In dit verband heeft de politie in haar advies aangegeven dat zij graag krachtig de reeds ingezette maatregelen ter verbetering van de prestaties in de tenuitvoerlegging wil voortzetten. Middels de in paragraaf 5.2.1 beschreven departementale regie zal de minister de regie voeren over de verbetering van de prestaties in de strafrechtketen en de daarvoor noodzakelijke verbetermaatregelen. In paragraaf 5.4.2 komen de afspraken aan bod die in het kader van de uitvoering van de executietaak worden gemaakt tussen minister en korpschef.

5.4.1 Taken ten behoeve van de tenuitvoerlegging

De werkzaamheden die de politie verricht ten behoeve van de tenuitvoerlegging vallen onder de basistaak van de politie en zijn thans onder te verdelen in gerichte executie, ongerichte executie en toezicht op de naleving.

Bij de gerichte executie gaat het om executieopdrachten voor veroordeelden met een bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. Hierbij valt te denken aan een opdracht tot de inzet van het dwangmiddel gijzeling op grond van de Wahv of een arrestatiebevel voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Van dergelijke executieopdrachten worden er per jaar ongeveer 270.000 via het CJIB aan de politie verstrekt. Het grootste deel hiervan – meer dan 200.000 – ziet op de uitvoering van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Daarnaast kan in het verband van de gerichte executie worden gewezen op de betekeningsopdrachten die de politie uitvoert. Uitgangspunt is dat de politie vanuit de beoogde centrale coördinatie van betekenen door het AICE geen op zichzelf staande gerichte opdrachten meer krijgt aangeboden, omdat de betekening primair gebeurt door de post of een andere door de minister aangewezen dienst (zie paragraaf 6.2). Indien echter spoedige betekening in persoon noodzakelijk is, bijvoorbeeld om een zitting doorgang te kunnen doen laten vinden, kan de politie worden ingezet om de dagvaarding of de oproeping tijdig in persoon te betekenen. Dit geldt ook voor de gevallen waarin de betekening samenloopt met een andere executieopdracht die de politie al in uitvoering heeft.

De zogeheten ongerichte executie ziet op de afhandeling van zaken van personen zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. Deze personen worden in het landelijke opsporingsregister van de politie (verder: OPS) gesignaleerd. Het kan gaan om principale vrijheidsstraffen, vervangende hechtenis ter zake van omgezette taakstraffen, geldboetevonnissen, schadevergoedingsmaatregelen, lijfsdwang ter zake ontnemingsmaatregelen, gijzeling ter zake strafbeschikkingen, buitengebruikstelling van een voertuig of gijzeling ter zake Wahv-sancties en aanhouding ter betekening van een rechterlijke beslissing. Voor deze OPS-zaken is het de verantwoordelijkheid van elke opsporingsambtenaar om – waar mogelijk – na te gaan of een persoon die op enige wijze in aanraking komt met de politie, nog openstaande straffen heeft. Dergelijke toevallige aanhoudingen kunnen ook voortvloeien uit gerichte acties, zoals gecombineerde controles op alcohol- en drugsgebruik, belastingachterstanden, onderhoud van het voertuig, openstaande straffen, etc. Op basis van de aard van het delict en de zwaarte van de openstaande straf wordt een selectie gemaakt van zaken waarvoor intensiever wordt opgespoord. Dit gebeurt door de inzet van de rechercheteams binnen elke regio en door het Team Executie Strafvonnissen (TES). Voor de inzet van het TES geldt dat het AICE namens de minister zaken voor tenuitvoerlegging overdraagt aan het TES in geval het zaken betreft met openstaande vrijheidsstraffen van 120 dagen of meer waarbij het verblijfadres van de veroordeelde onbekend is of het vermoeden bestaat dat de veroordeelde zich in het buitenland bevindt. Vanaf openstaande vrijheidsstraffen van driehonderd dagen is er sprake van actieve opsporing door het TES.

Voor de goede orde merken wij op dat in de toekomst het hierboven geschetste onderscheid tussen gerichte en ongerichte executie komt te vervallen. Dit komt doordat de inrichting van de gegevensuitwisseling tussen het CJIB/AICE en de politie zal gaan wijzigen. Het AICE zal niet meer èn executieopdrachten registreren in het OPS èn gerichte executieopdrachten verstrekken. In plaats daarvan zal de politie in één systeem zicht gaan krijgen op alle uitstaande executieopdrachten.

Het derde type taak dat de politie heeft in het kader van de tenuitvoerlegging is bij het houden van toezicht op de naleving van opgelegde vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen. Hierbij moet met name worden gedacht aan de handhavingsbijdrage die de politie levert bij het dagelijks toezicht dat de reclassering houdt op de naleving van vrijheidsbeperkende bijzondere voorwaarden gesteld bij een voorwaardelijke veroordeling of bij een voorwaardelijke invrijheidstelling. Bij signalen van mogelijke schendingen neemt de politie veelal eerst contact met de reclassering in die gevallen waarin de reclassering is belast met het feitelijk toezicht. Daarnaast heeft de politie een rol bij het toezicht op door de rechter opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen (bedoeld in artikel 38v Sr) en bij door een officier van justitie met een strafbeschikking (artikel 257a Sv) of in een gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast (artikel 509hh Sv) aan de verdachte gegeven gedragsaanwijzingen. Op het moment dat de opsporingsambtenaar – al dan niet op aangeven van degene die wordt beschermd door de straf of maatregel – een overtreding van de opgelegde vrijheidsbeperking constateert, kan vervolgens de betrokkene worden aangehouden en voor de officier van justitie worden geleid voor een vervolgbeslissing. Voor de afstemming tussen politie, reclassering en openbaar ministerie zijn door het openbaar ministerie beleidsregels opgesteld (‘Aanwijzing voorwaardelijke vrijheidsstraffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden’; Stcrt. 2013, 5108). Voor de volledigheid merken wij op dat – net als in de huidige regeling – in het voorgestelde artikel 6:3:15 Sv de hulpofficier van justitie de aanhouding kan bevelen indien het bevel van de officier van justitie niet kan worden afgewacht.

5.4.2 Aansturing uitvoering executietaak

De tenuitvoerlegging is op grond van dit wetsvoorstel de directe verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. De minister kan voor de tenuitvoerlegging algemene en bijzondere lasten geven aan de politie (voorgesteld artikel 6:1:5 Sv). De algemene lasten, het te voeren beleid, betreffen de in de vorige paragraaf beschreven taken van de politie en de verwezenlijking daarvan. Op grond van deze bevoegdheid worden verder jaarlijks afspraken gemaakt tussen het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de politieorganisatie. Deze jaarlijkse afspraken over de tenuitvoerlegging zien op de te behalen concrete resultaten en worden aan de Tweede Kamer gezonden. De Nationale politie heeft geadviseerd niet alleen met de politie, maar met alle ketenpartners prestatieafspraken te maken. Sturing op resultaten van de keten als geheel vindt onder meer plaats via de in paragraaf 5.2.1 beschreven systematiek van kritieke prestatie-indicatoren (kpi’s). Met de kpi’s wordt structureel inzicht verkregen in de ketenprestaties ten aanzien van de doelstellingen in de tenuitvoerlegging. Indien het presteren van de keten achterblijft bij de gezamenlijk vastgestelde streefnormen worden zoveel mogelijk concrete knelpunten van de met de tenuitvoerlegging belaste instanties weggenomen om de geambieerde verbetering van het presteren te realiseren. Vanuit de in dezelfde paragraaf beschreven departementale regierol worden naast deze verbetermaatregelen prestatieafspraken gemaakt met verschillende organisaties, waaronder de reclasseringsorganisaties (verticale sturing). Het openbaar ministerie is betrokken bij het maken van de afspraken met de politie, omdat in de dagelijkse praktijk de officier van justitie de beperkte recherchecapaciteit van de politie in de regio verdeelt tussen de opsporings- en de tenuitvoerleggingstaken. Dit zijn allebei taken in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De behaalde resultaten worden – net als in de huidige situatie – maandelijks centraal in kaart gebracht zodat binnen de politieorganisatie (van bovenaf) gericht en tijdig kan worden bijgestuurd op het moment dat behaalde prestaties achterblijven bij de gestelde normen.

Binnen de Nationale politie is de executietaak binnen verschillende onderdelen belegd. Dit is ook zo opgenomen in het inrichtingsplan van de Nationale politie (Kamerstukken II 2012/13, 29 628, nr. 346). Zoals gezegd is de tenuitvoerlegging geen specialisme binnen de politie, maar een basistaak. De tactische uitvoering van de executietaak wordt gedaan door de eenheden die de basis politiezorg bieden, de basisteams, of indien nodig door zwaardere teams zoals arrestatieteams. Daarnaast zijn er regionale eenheden die de coördinatie van de executietaken verzorgen en is er – tot slot – het reeds genoemde TES, dat zich richt op de opsporing van de meest prioritaire zaken uit het opsporingsregister. De minister kan voor de tenuitvoerlegging opdrachten geven aan onder andere politieambtenaren (6:1:5 Sv; huidig artikel 556, eerste lid, Sv). Ten behoeve van de tenuitvoerlegging kan de ambtenaar die belast is met een tenuitvoerleggingstaak voor de aanhouding van de persoon iedere plaats betreden en doorzoeken. Voor de vaststelling van de plaats van de gezochte persoon kan de opsporingsambtenaar gebruik maken van de bevoegdheden, benoemd in de voorgestelde bepaling 6:1:7 Sv, het huidige artikel 565 Sv. Indien toepassing van een bevoegdheid dat vereist, wordt de zaak voorgelegd aan een officier van justitie die beslist over de inzet van de bevoegdheid of over het indienen van een daartoe strekkende vordering bij de rechter-commissaris.

5.5 Taken van de reclassering

De taken van de reclassering op het gebied van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen liggen in het verlengde van haar reclassering in het strafproces en betreffen het verzorgen van het dagelijks toezicht op de naleving van vrijheidsbeperkende voorwaardelijke sancties, de plaatsing naar forensische zorg, de tenuitvoerlegging van taakstraffen en het aanbieden van gedragsinterventies en het verstrekken van inlichtingen en adviezen daarover aan de bevoegde autoriteiten. Deze controlerende, begeleidende en adviserende taken worden door de drie door de minister erkende reclasseringsorganisaties uitgevoerd, te weten de Stichting Reclassering Nederland (RN), de Stichting Verslavingsreclassering GGZ (SVG) en het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering (LdH J&R), en worden hieronder op hoofdlijnen beschreven. Op de rol van de jeugdreclassering wordt ingegaan in paragraaf 5.7 over jeugdsancties.

In paragraaf 5.3.5 van deze memorie van toelichting hebben wij toegelicht dat het openbaar ministerie belast blijft met al het toezicht op de naleving van vrijheidsbeperkende sancties. Op grond van deze wettelijke verantwoordelijkheid draagt het openbaar ministerie – via het AICE – aan de reclassering op het feitelijk toezicht te verzorgen op de naleving van voorwaarden en zelfstandige vrijheidsbeperkende interventies. De voorwaarden die worden gesteld aan de deelname van de veroordeelde aan de vrije samenleving – naast de algemene voorwaarde dat niet opnieuw een strafbaar feiten wordt gepleegd – zijn controlerend of gedragsbeïnvloedend van aard. Bij het eerste kan worden gedacht aan een gebiedsverbod, een contactverbod of een verbod op het gebruik van verdovende middelen, bij het tweede bijvoorbeeld aan verplichte deelname aan een behandeling of gedragsinterventie. De periode dat de reclassering opdracht heeft toezicht te houden op de naleving kan verschillen. Dit is afhankelijk van de wettelijke basis en de aard en inhoud van de ten uitvoer te leggen voorwaarde of interventie. Bij een veroordeling waarbij een deel van de sanctie voorwaardelijk is opgelegd, bedraagt de proeftijd bijvoorbeeld in beginsel ten hoogste drie jaar (in uitzonderingsgevallen ten hoogste tien jaar), bij een voorwaardelijke invrijheidstelling is de proeftijd primair afhankelijk van de duur van de opgelegde vrijheidsstraf. Het toezicht kan – ook omdat in voorkomende gevallen verlenging door de rechter mogelijk is – een relatief lange periode bestrijken. In dit verband wijzen wij ook op het Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en Wetboek van Strafvordering in verband met het laten vervallen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, het verlengen van de proeftijden van de voorwaardelijke invrijheidstelling en de invoering van een langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel voor ter beschikking gestelden en zeden- en geweldsdelinquenten (Kamerstukken II 2013/14, 33 816). Op grond van dat wetsvoorstel komt de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege bij de terbeschikkingstelling te vervallen, waardoor langduriger – en indien noodzakelijk levenslang – toezicht mogelijk wordt.

Als blijkt dat iemand die onder toezicht is gesteld de bijzondere voorwaarden niet naleeft of zich niet houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, bericht de reclassering dit – net als nu reeds het geval is – aan de minister (AICE) en aan het openbaar ministerie. De melding aan het AICE dient om de administratie rondom de tenuitvoerlegging compleet te houden op persoonsniveau. Bij het bericht aan het openbaar ministerie geeft de reclassering tegelijk advies over de reactie die naar het oordeel van de reclassering zou moeten volgen op de geconstateerde schending. Het openbaar ministerie beslist op basis van de schending en dit advies tot het al dan niet bij de rechter vorderen van tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de sanctie.

De verantwoordelijkheid van de reclassering voor de tenuitvoerlegging van taakstraffen houdt zowel het zorgdragen voor voldoende werkprojecten als het zorgdragen voor het toezicht tijdens de uitvoering van de taakstraf in. Voor de start van de tenuitvoerlegging vindt een intakegesprek plaats tussen de reclassering en degene die de taakstraf moet uitvoeren. Tijdens dit gesprek worden de regels van de taakstraf uitgelegd en wordt bekeken wanneer de veroordeelde zijn taakstraf gaat uitvoeren en op welke werkplek. Er zijn diverse projectplaatsen van de reclassering, zoals arbeid in het bos of in de groenvoorziening of op bestaande projectplaatsen, zoals in een ziekenhuis of een verpleeghuis. Op basis van het intakegesprek wordt een taakstrafovereenkomst getekend. Als de veroordeelde de hierin gemaakte afspraken niet nakomt, volgt doorgaans eerst een waarschuwing van de reclassering. Bij herhaalde of ernstiger overtredingen of bij een anderszins niet of niet naar behoren verrichte taakstraf wordt – in het geval de taakstraf door de rechter is opgelegd – door het openbaar ministerie overgegaan tot het bevelen van vervangende hechtenis (voorgesteld artikel 6:3:3 Sv). Indien de taakstraf door de officier van justitie is opgelegd in een strafbeschikking, wordt de zaak bij onvolledige uitvoering van de taakstraf geretourneerd naar de officier van justitie en wordt in beginsel alsnog overgegaan tot dagvaarding.

In het geval dat een rechter – als onderdeel van een straf of maatregel – aan iemand met een psychische of psychiatrische stoornis (ambulante) forensische zorg oplegt, zorgt de reclassering voor het namens de Minister van Veiligheid en Justitie plaatsen naar deze forensische zorg, alsmede het houden van toezicht daarop en het verschaffen van inlichtingen daarover aan de bevoegde autoriteiten.

In het kader van de tenuitvoerlegging is de reclassering – tot slot – verantwoordelijk voor het verzorgen van gedragsinterventies. Deze wetenschappelijk erkende interventies die beogen het gedrag van de veroordeelde blijvend positief te beïnvloeden kunnen tijdens de detentieperiode of als opgelegde voorwaarde worden uitgevoerd. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om training van cognitieve vaardigheden, agressietraining of een leefstijltraining.

Tot slot vermelden wij dat doordat de reclassering in alle fasen van het strafproces betrokken is bij verdachten en veroordeelden, zij over veel relevante gegevens over de persoon van de betrokkene beschikt. Dit zorgt ervoor dat de reclassering naast de hierboven beschreven uitvoerende taken ook een belangrijke adviesfunctie heeft, ook tijdens de tenuitvoerleggingsfase (zie bijvoorbeeld artikel 6:2:11 Sv over het advies van de reclassering over het stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling), waarbij wordt voortgebouwd op de adviezen van de reclassering over de persoon van de verdachte en de omstandigheden van het delict tijdens de vervolging en de berechting.

5.6 De rechter

De tenuitvoerlegging hoort wezenlijk bij rechterlijke uitspraken in strafzaken. De rechter die een straf of maatregel oplegt moet erop kunnen rekenen dat deze sanctie daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd. Op de minister rust dan ook de plicht om de rechterlijke beslissingen die hij via het openbaar ministerie ontvangt ten uitvoer te leggen. Voorgesteld wordt in de wet vast te leggen dat de rechtspraak zorgt dat binnen veertien dagen na de uitspraak het ondertekende vonnis wordt aangeleverd bij het openbaar ministerie (artikel 365, zevende lid, Sv). Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.2.1, over het belang van een snelle tenuitvoerlegging.

Tijdens de tenuitvoerlegging kan de rechtspraak op meerdere momenten en op meerdere manieren in beeld komen. Voorgesteld wordt dat de rechter in zijn uitspraak een advies kan meegeven over de wijze van tenuitvoerlegging (voorgesteld artikel 6:1:1, derde lid, Sv). De Raad voor de rechtspraak vindt dit positief omdat dit aansluit bij de gedachte dat de rechter zelf in bepaalde gevallen het beste voor ogen heeft wat met de tenuitvoerlegging van de beslissing wordt beoogd. Zoals de Raad voor de rechtspraak terecht opmerkt is het een verantwoordelijkheid van de rechter zich reeds bij het nemen van zijn beslissing rekenschap te geven van de (wijze van de) tenuitvoerlegging; een genomen beslissing moet immers niet alleen juridisch juist, maar ook praktisch uitvoerbaar zijn en een strafdoel dienen. Dit sluit naadloos aan bij de in hoofdstuk 4 van deze memorie van toelichting beschreven doelstellingen van de tenuitvoerlegging. De RSJ acht het denkbaar dat het openbaar ministerie in zijn advies bij de beslissing gaat reageren op het advies van de rechter. Dit gevaar van ‘napleiten’ – zoals de RSJ het noemt – achten wij zeer klein. Het advies ziet immers enkel op de wijze van tenuitvoerlegging en raakt niet aan de hoogte, de zwaarte of het karakter van de opgelegde sanctie. Na de rechterlijke uitspraak is het de verantwoordelijkheid van de minister te zorgen dat de beslissing op een juiste manier – rekening houdend met een eventueel advies van de rechter of het openbaar ministerie en de in artikel 6:1:3 Sv genoemde belangen – ten uitvoer wordt gelegd. Bij het routeren door het AICE van de opdracht tot tenuitvoerlegging naar de dienst die feitelijk is belast met de uitvoering van de beslissing wordt het rechterlijk advies mede verstrekt. De voorgestelde adviesmogelijkheid voor de rechter heeft hiermee uitvoeringsconsequenties voor het openbaar ministerie, het AICE en de met de feitelijke tenuitvoerlegging belaste instantie. De routering van het rechterlijk advies zal plaatsvinden conform de in paragraaf 5.2.2 beschreven algemene routering en infrastructuur van het AICE. Voorkomen dient te worden dat het advies leidt tot handmatige invoer bij het AICE; een dergelijke papierstroom zou nopen tot extra controle op de juistheid van de verwerking en haaks staan op de doelstellingen de tenuitvoerlegging snel en zeker te laten plaatsvinden. Tot slot is in dit verband van belang op te merken dat – anders dan bij door de rechter opgelegde sancties die conform die beslissing ten uitvoer moeten worden gelegd – van het advies van de rechter over de wijze van tenuitvoerlegging kan worden afgeweken, als opvolging van het advies tot problemen in de uitvoering leidt. Hiertegen staat geen rechtsmiddel open.

Meest wezenlijke rechterlijke betrokkenheid in de tenuitvoerlegging is het nemen van vervolgbeslissingen die de rechter op grond van Titel 6 van het voorgestelde Boek 6 ambtshalve kan, danwel op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een veroordeelde of zijn raadsman moet nemen. Welke rechter bevoegd is voor deze vervolgbeslissingen tijdens de tenuitvoerlegging is, is in de huidige wetgeving op diverse plekken geregeld. Zowel in het Wetboek van Strafrecht, als in het Vierde en Vijfde Boek van het Wetboek van Strafvordering worden de vervolgbeslissingen van de strafrechter geregeld. In titel 6 van Boek 6 worden de procesregels bij de vervolgbeslissingen bij de tenuitvoerlegging samengebracht. De bevoegde rechter kan zijn de rechter-commissaris, de kantonrechter, de raadkamer, de rechtbank, de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van de zaak, de rechter die de sanctie heeft opgelegd, de rechter in hoger beroep; tot het nemen van sommige beslissingen is exclusief de penitentiaire kamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden bevoegd. Met de voorgestelde nieuwe zesde titel van Boek 6 wordt deze bevoegdheid eenduidiger geregeld in artikel 6:6:1 Sv. De Raad voor de rechtspraak merkt in dit verband op dat in het kader van dit wetsvoorstel niet de algemene vraag naar de wenselijkheid van een executierechter aan de orde behoeft te komen. Hetzelfde geldt voor de procedurele voorschriften die gelden voor de behandeling van de zaak. De huidige ruim 45 regelingen voor de verschillende rechtsgangen voor het verkrijgen van een vervolgbeslissing van de rechter tijdens de tenuitvoerlegging worden teruggebracht tot minder dan tien verschillende procedures, geclusterd naar type beslissing. Tot slot is vermeldenswaardig dat de rechtspraak altijd om advies wordt gevraagd als een gratieverzoek wordt ingediend (artikel 122 van de Grondwet).

Volledigheidshalve vermelden wij hier dat in artikel 6:2:8 Sv de bevoegdheid van de RSJ is geregeld te oordelen over klachten over (over)plaatsing en terugplaatsing naar respectievelijk een TBS-kliniek en de gevangenis. Hiervoor is in paragraaf 3.1.1 en 5.3.1 al ingegaan op het hybride systeem van rechtsbescherming bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen.

5.7 Tenuitvoerlegging jeugdsancties

De huidige algemene verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de tenuitvoerlegging geldt voor alle opgelegde sancties. In het strafprocesrecht wordt op dit punt geen onderscheid gemaakt tussen het algemene strafrecht en het jeugdstrafrecht. De hierboven in paragraaf 5.1 beschreven nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling geldt dus eveneens voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen die betrekking hebben op jeugdigen. Voor zover er niet bij of krachtens de wet een afwijkende regeling voor jeugdigen of jongvolwassenen geldt, zijn op grond van het voorgestelde artikel 6:1:14 Sv de algemene bepalingen voor de tenuitvoerlegging ongewijzigd van toepassing op de tenuitvoerlegging van jeugdsancties.

De bijzondere bepalingen voor jeugdige personen (Titel VIII A van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht) bepalen welke straffen en maatregelen aan jeugdigen kunnen worden opgelegd. Ten opzichte van het algemene strafrecht zijn er specifieke straffen en maatregelen voor jeugdigen. Te denken valt hierbij aan de jeugddetentie en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) die vrijheidsbeneming in een justitiële jeugdinrichting met zich brengen. Vrijheidsbenemende sancties worden net als bij volwassenen door de DJI uitgevoerd. Jeugdigen worden daarbij in justitiële jeugdinrichtingen geplaatst en niet in het gevangeniswezen.

De specifieke voorschriften die gelden voor de tenuitvoerlegging van jeugdsancties en die thans zijn opgenomen in de genoemde Titel VIII A worden overgenomen in het nieuwe Boek 6 Sv, waarin alle bepalingen over de tenuitvoerlegging worden samengebracht. Het openbaar ministerie vindt het verplaatsen van deze bepalingen begrijpelijk vanuit de wens om bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging te concentreren. Als kanttekening plaatst het openbaar ministerie hierbij dat de formeel- en materieelrechtelijke bepalingen die specifiek gelden voor jeugdigen thans bij elkaar staan en met dit wetsvoorstel worden verspreid. De vraag wordt hierbij opgeworpen of dit niet leidt tot onnodig verlies aan overzichtelijkheid en toegankelijkheid. Naar ons oordeel is dit niet het geval. Zoals in hoofdstuk 3 over de opzet van het nieuwe Boek 6 is beschreven zorgt de concentratie voor de tenuitvoerlegging voor een duidelijker scheiding tussen de regeling van verschillende straffen en maatregen in het materiële strafrecht en de procedurele regels in het strafprocesrecht, zoals beoogd met het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. Hierbij komt dat de tenuitvoerlegging van jeugdsancties in doorsnee procedureel niet wezenlijk verschilt van de tenuitvoerlegging van volwassensancties. Daar waar van afwijking sprake is kan dit in de nieuwe regeling relatief eenvoudig worden geregeld als uitzondering op de algemene regels. Buiten deze meer systematische overwegingen ondersteunen twee inhoudelijke ontwikkelingen het niet apart regelen van de tenuitvoerlegging van jeugdsancties.

De eerste ontwikkeling waarop wij doelen is de invoering van het adolescentenstrafrecht (Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht (Stb. 2013, 485)). Doel van het adolescentenstrafrecht is het bevorderen van passende sanctionering van jongeren en jongvolwassenen in de leeftijd van 15 tot 23 jaar, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsfase van de jongere of jongvolwassene. De leeftijdsgrens voor de toepassing van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen gaat van 21 naar 23 jaar. De mogelijkheid om volwassenenstrafrecht toe te passen bij 16- en 17-jarigen blijft gehandhaafd. Door het bevorderen van een structurele afweging of jeugdstrafrecht of volwassenenstrafrecht geëigend is bij deze doelgroep, wordt meer flexibiliteit gerealiseerd in de sanctietoepassing. Een toename van de flexibiliteit – en daarmee de variëteit – in de sanctietoepassing heeft ook consequenties voor de tenuitvoerlegging, die daarop moet zijn toegesneden. Zo heeft de nieuwe wet bijvoorbeeld tot gevolg dat niet in alle gevallen de jeugdreclassering het reclasseringstoezicht dient uit te voeren bij de toepassing van jeugdstrafrecht, maar de rechter ook kan besluiten om aan de volwassenenreclassering de opdracht te geven de reclasseringswerkzaamheden uit te voeren bij een 16- of 17-jarige. Andersom zal het mogelijk zijn juist ten aanzien van de jongvolwassenen ten aanzien van wie het jeugdstrafrecht wordt toegepast, de toezichthoudende en begeleidende taak door de gecertificeerde jeugdreclasseringsinstelling te laten verrichten. Bij deze grotere flexibiliteit in de tenuitvoerlegging voor jongeren, jongvolwassenen en volwassenen past dat de verschillende voorschriften bij elkaar worden geregeld.

Als tweede relevante ontwikkeling noemen wij de ZSM-werkwijze, die momenteel landelijk wordt uitgerold (Kamerstukken II 2013/14, 29 279, nr. 177). ZSM staat voor Zo Snel, Slim, Selectief, Simpel, Samen en Samenlevingsgericht Mogelijk en is gericht op het snel, selectief en zorgvuldig routeren en afhandelen van strafzaken bij veel voorkomende criminaliteit van volwassenen èn jeugdigen. Op ZSM-locaties zijn naast het openbaar ministerie en de politie ook de reclassering, Slachtofferhulp Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig. Doel is na aanhouding van een verdachte zo spoedig mogelijk te beslissen over het afdoeningstraject. De officier van justitie zal hierbij zowel over jeugdige als volwassen verdachten beslissen. Dit kan ook gaan om beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging. Naast gespecialiseerde jeugdofficieren zullen andere officieren van justitie dus ook vaker beslissen in zaken over jeugdigen. Ook hiervoor is dienstig dat de tenuitvoerlegging van jeugdsancties onderdeel uitmaakt van de algemene regeling.

In de uitvoering van jeugdsancties zijn andere partijen betrokken dan in de uitvoering van volwassenensancties. Het gaat in het bijzonder om de raad voor de kinderbescherming en de bureaus jeugdzorg die de jeugdreclasseringstaak uitvoeren.

De raad voor de kinderbescherming coördineert de uitvoering van de taakstraffen voor jeugdigen – zowel werk- als leerstraffen – en heeft een bijzondere taak in de tenuitvoerlegging van jeugdsancties, te weten de zogenaamde casusregie. De casusregie volgt uit de toezichthoudende taak van de raad voor de kinderbescherming op de uitvoering van jeugdreclasseringswerkzaamheden. Dit toezicht is vastgelegd in het huidige artikel 77hh Sr, dat op basis van het voorliggende wetsvoorstel wordt overgenomen in het nieuwe boek 6 Sv (voorgesteld artikel 6:1:24 Sv). Bij deze toezichthoudende taak hoort ook een aanwijzingsbevoegdheid van de raad voor de kinderbescherming jegens de organisaties die de jeugdreclasseringswerkzaamheden uitvoeren (artikel 6:1:24, eerste lid, Sv). Doel van de genoemde casusregie door de raad voor de kinderbescherming is het bevorderen van de samenhang tussen de verschillende activiteiten van de ketenpartners in het jeugdstrafrecht om te komen tot een snelle, vroegtijdige en consequente reactie op het gedrag van de jeugdige. Daarbij gaat het zowel om de inhoudelijke samenhang als om het toezien op de naleving van door de eigen organisatie en door de jeugdreclassering afgesproken termijnen en procedures. De centrale administratie en informatievoorziening die bij het AICE wordt gerealiseerd draagt hieraan bij.

De Bureaus Jeugdzorg voeren de jeugdreclassering uit. Jeugdreclassering biedt begeleiding van en toezicht op jeugdige plegers van strafbare feiten in het kader van verschillende modaliteiten in extramuraal, voorwaardelijk kader, zoals een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie of een schorsing van de preventieve hechtenis. In het kader van de decentralisatie van de jeugdzorg vallen de taken van de jeugdreclassering vanaf 2015 onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Dit is ingevoerd bij de Wet van 1 maart 2014 tot het stellen van regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Jeugdwet) (Stb. 2014, 105). Feitelijk zal de jeugdreclasseringstaak worden uitgevoerd door daartoe gecertificeerde instellingen.

Het AICE heeft zicht op alle ten uitvoer te leggen beslissingen (paragraaf 5.2.2) en zendt op grond daarvan de beslissing door aan de instantie die (een deel van) de opgelegde straf ten uitvoer moet leggen. Tijdens de tenuitvoerlegging bewaakt het AICE namens de minister de naleving van uit de wet voortvloeiende termijnen. Bij deze taken wordt door het AICE vanzelfsprekend waar nodig onderscheid gemaakt tussen de tenuitvoerlegging van jeugd- en volwassenensancties.

6. Betekening
6.1 Rechtsvergelijkend onderzoek naar betekening

Om tot tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing over te kunnen gaan moet in beginsel of de dagvaarding of de mededeling van de uitspraak in persoon bekend zijn gemaakt. Duidelijk moge zijn dat hiermee de regeling van de betekening en de beoogde daadwerkelijke en snelle tenuitvoerlegging nauw met elkaar samenhangen. Om deze reden wordt erop gestuurd reeds de dagvaarding zoveel mogelijk in persoon te betekenen. Dit leidt tot kortere doorlooptijden, minder registraties in het opsporingsregister, minder belasting van de politie (bijvoorbeeld doordat minder betekeningen op het laatste moment nog in persoon moeten gebeuren) en tot minder zaken die door het niet onherroepelijk worden van de beslissing niet ten uitvoer kunnen worden gelegd. De betekeningsregeling is echter niet alleen van belang voor de tenuitvoerlegging. Voor personen die zijn betrokken in een strafrechtelijke procedure is het van belang op de hoogte te kunnen zijn van de voortgang in die procedure, in het bijzonder om zich tegen de beschuldigingen te kunnen verweren. Het is een formeel vereiste dat de verdachte of veroordeelde op de hoogte wordt gesteld van gerechtelijke mededelingen. Omdat gerechtelijke mededelingen op verschillende momenten in strafzaken moeten worden betekend, wordt voorgesteld de gewijzigde betekeningsregeling niet – zoals thans – in het Boek over de tenuitvoerlegging op te nemen, maar in het Eerste Boek, en wel in de Tweede Titel, over De verdachte (artikelen 27 en verder Sv). Betekening houdt in dat gerechtelijke stukken op de bij de wet voorgeschreven wijze bekend moeten worden gemaakt aan verdachten of veroordeelden. Het openbaar ministerie is belast met het doen van alle wettelijk voorgeschreven mededelingen, tenzij bij wet voor specifieke mededelingen anders is bepaald (huidig artikel 555, voorgesteld artikel 36a Sv). Het openbaar ministerie acht deze argumentatie juist, evenals het handhaven van de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de kennisgevingen.

De wettelijke regeling van de betekening en de uitvoering die hieraan wordt gegeven maken onderdeel uit van de eisen die aan een behoorlijk strafproces worden gesteld en beïnvloeden direct de efficiëntie van de strafrechtspleging. Van een wettelijk correcte betekening, een rechtsgeldige betekening, hangt namelijk af of een bepaalde fase in het strafproces kan beginnen of niet. Zo kan een terechtzitting niet plaatsvinden zonder rechtsgeldige betekening van de dagvaarding aan de verdachte (artikel 278 Sv). Een rechtsgeldige betekening is ook van belang voor het moment waarop de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gaat lopen. Zo wordt een vonnis in beginsel alleen voor tenuitvoerlegging vatbaar na het verstrijken van de termijn van veertien dagen voor het instellen van hoger beroep indien de dagvaarding niet alleen rechtsgeldig is betekend, maar ook op een wijze waaruit blijkt dat de verdachte van de zitting op de hoogte is (betekening in persoon). In andere gevallen waarbij het vonnis in afwezigheid van de verdachte is gewezen, kan het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak bekend is aan de verdachte (artikel 408 Sv). Concreet brengt dit mee dat indien de dagvaarding rechtsgeldig, maar niet in persoon is betekend, na een bij verstek gewezen vonnis de mededeling van de uitspraak veelal alsnog in persoon aan de veroordeelde moet worden medegedeeld of betekend om de beroepstermijn te laten aanvangen.

Tegen deze achtergrond hebben wij door de Erasmus Universiteit Rotterdam een rechtsvergelijkend onderzoek laten uitvoeren naar de regeling en de praktijk van de betekening van gerechtelijke stukken in strafzaken (‘Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief’, P.A.M. Mevis e.a., in opdracht van het Wetenschappelijk onderzoek- en documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (WODC), september 2012). De doelstelling van het onderzoek was te inventariseren welke regelingen inzake betekening in een aantal andere landen bestaan en die mogelijkerwijze een bijdrage kunnen leveren aan verbetering en versnelling van de betekening. En daarmee aan de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen in Nederland. In het bijzonder is hierbij onderzocht welke mogelijkheden er elders in Europa bestaan voor elektronische betekening van stukken in het strafrecht. Dit past tevens binnen het voornemen van dit kabinet om het contact tussen overheid en burger zoveel mogelijk digitaal, en dus zo weinig mogelijk op papier, te laten verlopen (Kamerstukken II 2012/13, 26 643, nr. 280).

Na een eerste beoordeling van welke landen het met name de moeite waard zou zijn om de wettelijke regeling in kaart te brengen (quick scan), hebben de onderzoekers zich toegespitst op de regelingen en de praktijk in België, Duitsland, Engeland, Noorwegen en Zwitserland. In het onderzoek is ook geïnventariseerd in hoeverre de voorzieningen, mede gelet op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (verder: EVRM) en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM), in de betreffende landen acceptabel en werkbaar zijn.

De conclusies van de onderzoekers (idem, blz. 174 e.v.) maken duidelijk dat alle onderzochte landen een eigen balans hebben gevonden tussen enerzijds een praktisch werkbare betekeningsregeling en anderzijds voldoende rechtsbescherming voor de betrokkene. De onderzoekers merken in dit verband op dat de betekeningsregeling niet los is te zien van de wetssystematiek en de rechtscultuur van de onderzochte landen. Meer concreet zijn door de onderzoekers enkele conclusies getrokken die van belang zijn voor de Nederlandse regeling. In de paragrafen hieronder wordt ingegaan op het gevolg dat door ons aan deze conclusies is gegeven. Daarnaast zijn bij de voorgestelde wijzigingen de aanbevelingen betrokken die volgden uit verschillende onderzoeken van het openbaar ministerie naar gebreken in de huidige praktijk van de betekening.

6.2 Centrale coördinatie betekening

Voor de onderzoekers staat voorop dat het voor een adequate betekening van het grootste belang is dat reeds in het voorbereidend onderzoek ‘iemand’ (een dienst, een functionaris) het belang van betekening onderkent en de uitvoering ervan tot zijn verantwoordelijkheid rekent. Voor het opsporen van een adres waar de verdachte kan worden bereikt, moet deze verantwoordelijke adequate en voldoende, feitelijke middelen en desnoods dwangmiddelen, kunnen inzetten. Voor de Nederlandse praktijk is hiervoor geen wetswijziging nodig, maar een investering in de uitvoeringspraktijk. De onderzoekers vatten dit samen in de kop ‘Betekenen moet je doen’ (idem, blz. 178). Deze conclusie bevestigt de waarde en relevantie van de reeds in gang gezette ontwikkeling dat het CJIB in zijn rol van het AICE centraal de coördinatie van alle betekeningsopdrachten gaat verzorgen in opdracht van het openbaar ministerie. Centrale coördinatie van het betekenen levert op dat op een gestandaardiseerde wijze wordt gewerkt en gericht wordt gestuurd op de betekeningsopdrachten. Hierbij wordt – zoals hierboven genoemd – gestuurd op het zoveel mogelijk in persoon betekenen van dagvaardingen omdat dit leidt tot kortere doorlooptijden, minder registraties in het opsporingsregister, minder belasting van de politie en minder zaken die door het niet onherroepelijk worden van de beslissing niet ten uitvoer kunnen worden gelegd. Binnen de algemene beleidsmatige inzet van betekening in persoon zijn – in lijn met de in paragraaf 6.6 beschreven rechtspraak van het EHRM – de hierop gerichte inspanningen het grootst bij ernstiger zaken. Een bijkomend voordeel van de coördinatie van betekenen door het AICE – dat ook het overzicht heeft over alle beslissingen die ten uitvoer moeten worden gelegd – is dat contactmomenten met de verdachte of veroordeelde beter worden benut. Op het moment dat een betekening in persoon plaatsvindt, kunnen bijvoorbeeld mogelijk ook openstaande geldsancties worden geïnd. Ook het omgekeerde kan zich overigens voordoen: op het moment dat een geldelijke of andere sanctie wordt voldaan, kunnen eventuele gerechtelijke mededelingen worden uitgereikt.

6.3 Elektronische kennisgeving van gerechtelijke stukken

De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen geschiedt op grond van de wet door betekening, door toezending of door mondelinge mededeling (artikel 36b Sv). Met dit wetsvoorstel wordt voorzien in de mogelijkheid van elektronische betekening en van elektronische toezending.

6.3.1 Elektronische betekening

Elektronische betekening blijkt in alle door de onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam nader onderzochte landen mogelijk op basis van hun wettelijke regeling. De onderzoekers constateren echter dat in deze landen in de regel (nog) geen gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid. Het spaarzame gebruik van de geboden mogelijkheden van elektronische communicatie hangt er voornamelijk mee samen dat elektronische betekening afhankelijk is van de medewerking van de verdachte of de veroordeelde. Indien een betrokkene niet wil worden gevonden en dus niet reageert op de elektronisch verzonden gerechtelijke mededeling, wordt altijd teruggevallen op de fysieke (papieren) betekening in persoon. In die zin blijft de basisregistratie personen (voorheen de gemeentelijke basisadministratie) leidend en biedt elektronische betekening geen oplossing voor de ‘moeilijke gevallen’. Naar verwachting zal elektronische betekening wel parallel aan de toename van de digitale communicatie tussen burger en overheid in belang groeien (Kamerstukken II 2012/13, 26 643, nr. 280). Rekening houdend met deze conclusie wordt in dit wetsvoorstel elektronische mededeling op twee niveaus mogelijk gemaakt. Deze wijzigingen betreffen zowel het doen van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen als aan rechtspersonen.

Het eerste, meest vergaande niveau is de voorgestelde mogelijkheid van volledig elektronische betekening (artikel 36b, tweede lid, Sv). Op basis van instemming van de betrokkene ontvangt hij op het door hem opgegeven e-mailadres een notificatie dat hij kan inloggen in een beveiligde omgeving om kennis te nemen van aan hem gerichte stukken. In dit verband vraagt de Raad voor de Rechtspraak of ieder willekeurig e-mailadres kan worden opgegeven en of dit ook het e-mailadres van een ander kan zijn. Er is geen centrale overheidsregistratie waarin e-mailadressen zijn gekoppeld aan specifieke personen, zodat er enkel kan worden nagegaan of het opgegeven adres een geldig e-mailadres is. Van belang hierbij is dat de e-mailnotificatie weinig meer bevat dan een hyperlink naar de genoemde beveiligde omgeving. Om in te kunnen loggen moet de verdachte of veroordeelde zich digitaal identificeren met een authenticatiemiddel dat voldoet aan de eisen die binnen de in Europees verband ontwikkelde standaarden worden gesteld (voorgesteld artikel 36f Sv). Binnen het huidige Europese raamwerk (STORK) betekent dit dat zal worden aangesloten bij niveau 3. Dit niveau biedt een hoge mate van zekerheid voor de verificatie van de geclaimde identiteit van de gebruiker, zoals de NOvA terecht opmerkt. Hierbij kan worden gedacht aan het gebruik van DigiD waarbij niet alleen een gebruikersnaam en wachtwoord worden vereist, maar ook een sms-controle (DigiD midden, zie www.digid.nl). Bij de afgifte van een DigiD wordt een e-mailadres gekoppeld aan een burgerservicenummer. Voor online identificatie door bedrijven en overheden kan worden gedacht aan eHerkenning (zie www.eherkenning.nl). Beoogd is dat het systeem het moment registreert waarop de betrokkene inlogt en dus de aangeboden gerechtelijke stukken kan inzien. Pas na dit inloggen in de beveiligde omgeving is sprake van (elektronische) betekening in persoon. De betrokkene ontvangt nadat geautomatiseerd is vastgesteld dat is ingelogd een tweede e-mailnotificatie. Dit e-mailbericht bevat overeenkomstige gegevens als de akte van uitreiking die wordt opgemaakt van een fysieke uitreiking (artikel 36i Sv). De vastlegging van de elektronische overdracht wordt opgeslagen en waar nodig toegevoegd aan het strafdossier. Elke elektronische betekening geldt als betekening in persoon. Grootschalige toepassing van deze volledig elektronische betekening leidt uiteraard tot een aanzienlijke besparing ten opzichte van de huidige betekening in persoon van papieren stukken. Betrokkenen zijn niet verplicht tot inloggen om kennis te nemen van aan hun gerichte gerechtelijke mededelingen. Door de steeds grotere beschikbaarheid van technologische voorzieningen en de efficiëntievoordelen die volgen uit de plaats- en tijdonafhankelijkheid van elektronische betekening is niettemin de verwachting dat hiervan in toenemende mate gebruik zal worden gemaakt, zowel door professionele partijen zoals advocatenkantoren en grote bedrijven, als door verdachten en veroordeelden die graag op de meest eenvoudige manier of onopvallend vanachter de computer kennis willen nemen van gerechtelijke mededelingen. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het belang van de verdachte om kennis te nemen van gerechtelijke mededelingen kan wijzigen naarmate de procedure verder loopt; zo kan er wel belang worden gehecht aan kennisneming van het strafdossier, maar minder aan een veroordeling die ten uitvoer zal worden gelegd. In reactie op een vraag in het advies van de Raad voor de Rechtspraak merken wij op dat de voorkeur uitgaat naar elektronische in plaats van fysieke betekening. Iemand die zijn elektronische adres opgeeft is daarmee echter niet gevrijwaard van fysieke betekening. Als bijvoorbeeld vanuit eerdere ervaringen met de verdachte of veroordeelde niet wordt verwacht dat iemand zal inloggen of er om andere redenen – zoals spoed – aanleiding is om iemand fysiek in persoon op te zoeken, dan wordt de elektronische betekening overgeslagen om vertraging te voorkomen. De beoordeling van wat een redelijke termijn is voor het pogen van elektronische betekening en wanneer wordt overgegaan tot fysieke betekening is ter beoordeling van de instantie die verantwoordelijk is voor de kennisgeving van de mededeling. Elektronische betekening is verder niet aan de orde op het moment dat iemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen. De RSJ geeft in zijn advies aan ervan uit te gaan de betekening in persoon ten aanzien van ingeslotenen altijd ook daadwerkelijk aan de veroordeelde is. Dit is inderdaad het geval. Aan iemand die is ingesloten, worden gerechtelijke mededelingen fysiek overhandigd aan de geadresseerde zelf. De in het voorgestelde artikel 36e, eerste lid, onder a (huidig artikel 588 Sv) voor deze gevallen gegeven opdracht van betekening in persoon krijgt dus ook niet de vorm van elektronische betekening in persoon. Het AICE dat het overzicht heeft over de lopende tenuitvoerlegging en dat de betekeningsopdrachten centraal coördineert, draagt hiervoor zorg.

Het tweede niveau is de elektronische ondersteuning van de fysieke betekening. Dit houdt in dat nog steeds iemand op pad gaat om de stukken te betekenen, maar dat de akte die wordt opgemaakt van de uitreiking van de stukken elektronisch geschiedt, inclusief de handtekening die onder de akte van uitreiking wordt geplaatst (artikel 36h Sv). Door elektronische formulieren in een handcomputer te gebruiken wordt het maken van fouten bij het opmaken van de akte tot een minimum beperkt en kunnen de opgemaakte aktes van uitreiking veel sneller dan nu centraal worden verwerkt. Dit leidt tot een meer betrouwbare en snellere uitvoering van betekeningsopdrachten.

6.3.2 Elektronische toezending

In beginsel gaat bij de toezending van deze mededelingen de verplichting vanuit de overheid niet verder dan dat het stuk op de juiste wijze is verzonden. Er hoeft niet te worden vastgesteld of het stuk ook daadwerkelijk in persoon is ontvangen door de geadresseerde (verzendtheorie). In het algemeen kan worden gesteld dat aan toe te zenden stukken minder vergaande rechtsgevolgen zijn verbonden dan aan te betekenen stukken. Op het moment dat een geadresseerde gebruik wil maken van de geboden elektronische mogelijkheden, zijn de praktische verschillen tussen toezending en betekening echter gering. Bij elektronische toezending van een kennisgeving zal namelijk feitelijk worden uitgegaan van de ontvangst- in plaats van de verzendtheorie door dezelfde werkwijze als bij elektronische betekening te volgen; de geadresseerde ontvangt een e-mailnotificatie, met een hyperlink naar een beveiligde omgeving met daarin het stuk. Het enig verschil is dat aan het kennisnemen van deze stukken minder hoge eisen hoeven te worden gesteld. Binnen de systematiek van DigiD betekent dit dat geen sms-verificatie vereist zou zijn voor het inloggen. Verder stelt het systeem ook hier automatisch vast dat de geadresseerde heeft ingelogd en de toegezonden stukken heeft kunnen openen. In die zin verschilt – voor geadresseerden die gebruik maken van de geboden elektronische voorzieningen – elektronische toezending dus niet wezenlijk van elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen. Dit is echter niet van belang voor de rechtsgevolgen; er hoeft immers niet te worden vastgesteld dat het toe te zenden stuk is ontvangen door de geadresseerde, nu wordt uitgegaan van de verzendtheorie.

6.4 Eén betekeningsregeling voor alle rechtsgebieden?

De onderzoekers hebben op grond van hun onderzoek de indruk dat de strafrechtelijke betekening baat zou kunnen hebben bij een gemeenschappelijke regeling voor alle rechtsgebieden, het civiele recht, het bestuursrecht en het strafrecht (rapport ‘Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief’, P.A.M. Mevis e.a., blz. 179, 180). Als het rechtssysteem namelijk uitgaat van één regeling, worden afwijkingen per rechtsgebied eerder als uitzondering op de algemenere regels gezien. Een dergelijke uitzondering vraagt als er sprake is van één uniforme regeling om extra doordenking en motivering. Denken vanuit een algemene regeling die in principe zou moeten kunnen gelden voor verschillende rechtsgebieden, biedt volgens de onderzoekers het voordeel dat vormen van betekening die in een bepaald rechtsgebied naar regeling of toepassing vanzelfsprekend zijn, gemakkelijker ‘doordringen’ als vormen van betekening in andere rechtsgebieden.

Met name voor het strafrecht – waarin de verdachte of de veroordeelde niet altijd belang heeft bij een succesvolle betekening – lijkt dit van belang. In de rechtssystemen van andere landen wordt de betekening aan anderen dan de aangetroffen verdachte, bijvoorbeeld betekening aan zijn procesvertegenwoordiger, ook in het strafprocesrecht gemakkelijker geaccepteerd. Betekening als een rechtsgebiedoverstijgend fenomeen is voorts mogelijk van belang bij de ontwikkeling van de elektronische betekening. Algemene regeling daarvan kan voorkomen dat de technische inrichting van de elektronische betekening in regelgeving en praktijk per rechtsgebied verschilt. Om deze redenen wordt parallel aan dit wetsvoorstel verkend of op termijn een uniforme, eenvormige betekeningsregeling in het Nederlandse recht wenselijk en haalbaar is. Dit vindt plaats binnen de ontwikkelingen van het procesrecht die thans in het privaatrecht en het bestuursrecht in gang zijn gezet in het kader van de innovatieagenda voor de rechtspraak (Kamerstukken II 2012/13, 29 279, 164).

6.5 Overige wijzigingen van de betekeningsregeling

Buiten de in paragraaf 6.3 beschreven voorstellen die verband houden met de elektronische mogelijkheden bij de uitreiking van gerechtelijke stukken, worden nog enkele inhoudelijke wijzigingen voorgesteld.

Dit betreft ten eerste de plaats van de regeling in het wetboek. Zoals wij aan het begin van dit hoofdstuk reeds hebben aangestipt wordt voorgesteld de regeling van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen op te nemen in het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering, omdat het doen van dergelijke mededelingen niet beperkt is tot de fase van tenuitvoerlegging. In een nieuwe afdeling in de titel over de verdachte (artikelen 36a tot en met 36o Sv) worden de kennisgevingen aan natuurlijke personen en die aan rechtspersonen samengebracht. Dit dient vooral de overzichtelijkheid van de regeling van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen.

Een tweede wijzigingsvoorstel betreft de diensten die gerechtelijke mededelingen kunnen uitreiken. De huidige regeling gaat uit van uitreiking door de post of door ambtenaren die door de Minister van Veiligheid en Justitie zijn aangewezen. Voorgesteld wordt dat ook andere door de minister aangewezen ambtelijke diensten of particuliere vervoerders kunnen worden belast met de betekening van gerechtelijke mededelingen. Dit maakt de inzet mogelijk van gespecialiseerde vervoersbedrijven of ambtelijke diensten. Het AICE zal als centrale coördinator van de betekening (paragraaf 6.2) resultaatgerichte afspraken maken of contracten sluiten met de vervoerders die de betekeningsopdrachten zullen uitvoeren. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om de vergoeding voor een betekening in persoon hoger te laten zijn dan de vergoeding voor een andersoortige rechtsgeldige betekening. Dit prijsverschil kan voor de uitvoerende organisatie(s) een belangrijke stimulans zijn om extra inspanningen te leveren voor het realiseren van een uitreiking in persoon, bijvoorbeeld door meerdere malen, ook in de avonduren of in de weekenden langs te gaan bij het adres van de geadresseerde.

Ten derde zien de inhoudelijke wijzigingen van de betekeningsregeling op de personen aan wie kan worden betekend en in welke gevallen dit heeft te gelden als betekening in persoon. Voor deze wijzigingen geldt dat deze geïnspireerd zijn door het hierboven genoemde onderzoek naar modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief.

Op basis van het huidige recht kan de gerechtelijke mededeling worden uitgereikt aan degene die zich op het woonadres van de geadresseerde bevindt, indien deze zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde door te geven (artikel 588, derde lid, onder a, Sv). Dit geldt echter niet als betekening in persoon, zodat – ook al wordt de mededeling bijvoorbeeld door de partner van de geadresseerde in ontvangst genomen – na een bij verstek gewezen vonnis de mededeling van de uitspraak veelal alsnog in persoon aan de veroordeelde moet worden medegedeeld of betekend om de hoger beroepstermijn te laten aanvangen. Van personen die zich op het adres van de geadresseerde bevinden en die zich bereid verklaren een officieel stuk direct door te geven aan de geadresseerde, kan worden verwacht dat zij dit ook daadwerkelijk doen. In de nieuwe betekeningsregeling wordt daarom voorgesteld dat een dergelijke uitreiking heeft te gelden als betekening in persoon (artikel 36e, tweede lid, onder a, Sv). Tegelijk wordt voorgesteld dat degene die de uitreiking doet altijd vraagt naar het identiteitsbewijs van degene die het gerechtelijk schrijven in ontvangst neemt en daarbij verklaart het stuk te overhandigen aan de geadresseerde. Bij het opmaken van de akte van uitreiking wordt het nummer van het getoonde identiteitsbewijs genoteerd. Doordat dit wordt vastgelegd, kan er zo nodig worden teruggegaan naar deze persoon om te vernemen wat er met het uitgereikte stuk is gebeurd. Naast deze wettelijke waarborgen wordt ook in de uitvoering gezorgd voor zorgvuldige uitreiking van gerechtelijke mededelingen. Zo krijgen degenen die de fysieke uitreiking verzorgen gerichte instructie dat niet wordt betekend aan anderen dan de geadresseerde als sprake is van een locatie waar bewoners kortstondig verblijven of snel wisselen (zoals in een opvanghuis of een studentenhuis), of als er anderszins redenen zijn voor twijfel over de oprechtheid van de bereidverklaring de gerechtelijke mededeling door te geven. Het verbinden van rechtsgevolgen aan een betekening van stukken aan iemand die zich bevindt op het adres van de geadresseerde is in diverse andere landen binnen de Europese Unie staande praktijk, zoals het rechtsvergelijkend onderzoek laat zien voor Duitsland, Noorwegen en Zwitserland (idem, blz. 196, 197).

Voor het voorstel om gerechtelijke mededelingen aan een (toegevoegde) raadsman te kunnen uitreiken geldt dat uit het rechtsvergelijkend onderzoek naar voren is gekomen dat binnen Europa in elk geval Engeland, Zwitserland en Duitsland deze mogelijkheid kennen (idem, blz. 15). De gedachte achter dit voorstel is dat van een persoon die eenmaal in een strafvervolging is betrokken, mag worden verwacht dat hij zelf een zekere inspanning levert om zich op de hoogte te stellen van gerechtelijke mededelingen. De verdachte heeft tot op zekere hoogte een eigen verantwoordelijkheid om zich bereikbaar te houden voor justitie. Indien hij een e-mailadres opgeeft voor het ontvangen van gerechtelijke mededelingen (artikel 27a Sv), ontvangt hij daarop in beginsel een notificatie dat er een gerechtelijke mededeling voor hem is. Dit is een laagdrempelige manier om kennis te kunnen nemen van stukken in zijn zaak. Indien hij geen e-mailadres opgeeft, maar wel zijn adres laat registreren in de basisregistratie personen bij de gemeente, de gemeentelijke basisadministratie, of indien zijn feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is bij de autoriteiten, worden de gerechtelijke mededelingen daar uitgereikt. Personen hebben vaak belang bij het juist geregistreerd staan in deze administratie, bijvoorbeeld in verband met belastingen en uitkeringen (en voor het niet waarheidsgetrouw actueel houden hiervan kan een bestuurlijke boete van € 325 worden opgelegd (artikel 4.17 van de Wet basisregistratie personen)). In het geval de betrokkene geen bekend adres heeft, spant de overheid zich verder in om de betrokkene actief te informeren over de (volgende stap in de) procedure. Voorgesteld wordt dat bij een verdachte die op grond van de Wet op de rechtsbijstand gesubsidieerde rechtsbijstand krijgt, maar die niet op de hiervoor genoemde adressen te bereiken is, gerechtelijke mededelingen kunnen worden uitgereikt op het kantoor van de toegevoegde raadsman. Door de verschillende stappen die moeten worden doorlopen voordat aan de toegevoegde raadsman kan worden betekend, betreft het een klein aandeel van het totaal aan te betekenen stukken. Doordat dit verdachten en veroordeelden kan betreffen die niet altijd eenvoudig te bereiken zijn en deze uitreiking aan de raadsman geldt als betekening in persoon, kan het voorstel wel een relevante bijdrage leveren aan de kennisgeving van gerechtelijke stukken. De raadsman is verplicht het betekende stuk te overhandigen aan de geadresseerde. De verdachte moet er – zoals aangegeven – rekening mee houden dat er gerechtelijke mededelingen voor hem komen. De NVvR vindt het feit dat het wellicht verdedigbaar is dat de omstandigheid dat een raadsman zijn cliënt niet kan bereiken, kan worden aangemerkt als een omstandigheid die voor rekening van de verdachte behoort te komen, niet afdoen aan het bezwaar dat aan deze betekeningsfictie (vergaande) rechtsgevolgen voor de verdachte of veroordeelde worden verbonden.

Indien de geadresseerde niet bereikbaar is via e-mail, noch op een adres in de basisadministratie, noch op een bekende feitelijke woon- of verblijfplaats, noch bij een toegevoegde raadsman, wordt – tot slot – geprobeerd de gerechtelijke mededeling uit te reiken op het adres van de werkgever van de geadresseerde. Bedoeld wordt het adres waar de betrokkene daadwerkelijk en met enige regelmaat verschijnt voor het uitvoeren van activiteiten in het kader van zijn werk. Er moet dus een reële kans zijn de geadresseerde daar fysiek aan te treffen zodat betekening in persoon kan plaatsvinden. Dit brengt mee dat waar sprake is van een werkrelatie op zeer onregelmatige basis, betekening op het adres van de werkgever niet in de rede ligt. Een controle hierop vindt – als alle andere betekeningsmogelijkheden niet zijn geslaagd – ten eerste administratief plaats. De aard van het werkverband, waaronder het aantal uren en het soort contract wordt administratief nagegaan. Werkgevers zijn bekend bij de overheid via de polisadministratie bij het UWV, een basisadministratie, waaruit het CJIB in zijn rol van het AICE gegevens kan vorderen namens het openbaar ministerie (voorgesteld artikel 36a, tweede volzin, Sv). Indien de geadresseerde zelf niet wordt aangetroffen in de bedrijfsruimte, kan de mededeling worden uitgereikt aan daar werkzame personen die zich bereid verklaren het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. Vanzelfsprekend betreft het een gesloten envelop die geen indicatie geeft van de inhoud van de mededeling en die wordt beschermd door het briefgeheim. Van deze collega’s of leidinggevenden die zich bereid verklaren een dergelijk officieel stuk direct door te geven aan de geadresseerde, kan worden verwacht dat zij dit ook daadwerkelijk doen. Anders lopen zij het risico vervolgd te worden op grond van het voorgestelde artikel 187a Sr. Deze uitreiking geldt in de voorgestelde regeling eveneens als betekening in persoon. Het rechtsvergelijkend onderzoek heeft laten zien dat in elk geval ook Noorwegen rechtsgevolgen verbindt aan de betekening van stukken op de werkplek aan de werkgever, leidinggevende of andere aanwezige personen met een aanstelling (idem, blz. 197). De inhoud van de mededeling wordt – zoals hierboven is vermeld – niet bekend bij degene bij de werkgever die de mededeling in ontvangst neemt voor de geadresseerde. Niettemin is het – zoals de Raad voor de rechtspraak in zijn advies benoemt – denkbaar dat uitreiking van een gerechtelijke mededeling op het adres van de werkgever nadelige consequenties heeft voor de werkrelatie van een verdachte of veroordeelde met een baan. Betekening bij de werkgever komt om deze reden alleen als laatste optie in beeld, namelijk als alle andere mogelijkheden om de verdachte of veroordeelde in persoon te bereiken hebben gefaald. Op de vereiste proportionaliteit van het voorstel wordt nader ingegaan in paragraaf 6.6, Betekening en het EVRM.

Indien de betekening bij geen van de hier genoemde gelegenheden slaagt, gaat de gerechtelijke mededeling terug naar het openbaar ministerie en wordt – net als nu – een afschrift gestuurd aan het adres in de gemeentelijke basisadministratie (indien bekend). Hiervan wordt aantekening gemaakt op de akte van uitreiking. Op grond van een dergelijke rechtsgeldige betekening van een dagvaarding kan de zaak op de terechtzitting worden behandeld. Indien de verdachte echter niet verschijnt en bij verstek wordt veroordeeld, moet – zoals reeds enige malen gememoreerd – de mededeling van de uitspraak alsnog in persoon bekend worden gemaakt aan de veroordeelde.

De beschreven wijzigingen hebben een aantal doelmatigheidsvoordelen. Zo zal de uitbreiding van de gevallen waarin een betekening geldt als ‘betekening in persoon’ (via elektronisch overdracht, aan een persoon aanwezig op de bekende feitelijke woon- of verblijfplaats, bij de rechtsbijstandverlener, op het adres van de werkgever) ertoe leiden dat meer dagvaardingen rechtsgeldig worden betekend. Dit zorgt voor een vermindering van het aantal gevallen waarin de mededeling van de uitspraak in persoon aan de veroordeelde hoeft te worden medegedeeld en dus voor een verminderde werklast voor justitie. Dat voor een straf die bij verstek is opgelegd in een zaak waarbij de dagvaarding rechtsgeldig is betekend, de mededeling van de uitspraak niet in persoon aan de veroordeelde hoeft te worden medegedeeld om de termijn voor het instellen van hoger beroep te laten aanvangen, zodat de uitspraak na veertien dagen onherroepelijk wordt en ten uitvoer kan worden gelegd, zorgt voor een verkorting van de doorlooptijden in de strafrechtsketen; de uitvoering van de straf kan immers sneller starten.

De overige voorgestelde wijzigingen van de betekeningsregeling vloeien direct of indirect voort uit de hierboven beschreven inhoudelijke wijzigingen en worden in het artikelsgewijs deel van deze toelichting uitgewerkt.

6.6 Betekening en het EVRM

In het rechtsvergelijkend onderzoek is in beeld gebracht in hoeverre de voorzieningen die er in de onderzochte landen zijn voor de kennisgeving van gerechtelijke stukken acceptabel en werkbaar zijn, gelet op het EVRM en de rechtspraak van het EHRM. Voor geen van de onderzochte landen blijkt dat de inrichting van de regelgeving en de praktijk van aspecten van de betekening in strafzaken in strijd zijn met het EVRM-recht. De algemene conclusie van de onderzoekers is dat er geen al te grote belemmeringen zijn in de zin dat bepaalde modaliteiten reeds op voorhand moeten worden uitgesloten omdat zij in het geheel of in het merendeel van de gevallen in EVRM-context voor het EHRM niet acceptabel zijn (rapport ‘Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief’, P.A.M. Mevis e.a., blz. 169).

Voor een beschouwing van de betekenis van het EVRM voor de kennisgeving van gerechtelijke stukken is van belang dat noch uit het EVRM, noch uit de jurisprudentie van het EHRM rechtstreeks eisen voortvloeien over hoe de betekening van gerechtelijke stukken in strafzaken er uit moet zien. De regeling daarvan is aan de verdragsstaten. De rechten die het EVRM aan de verdachte toekent zijn op onderdelen wel afhankelijk van de betekening van gerechtelijke stukken in strafzaken. Hierbij gaat het met name om de in artikel 6, derde lid, EVRM expliciet opgenomen rechten van verdachten over bijvoorbeeld het informeren van de verdachte over de tegen hem ingebrachte beschuldiging, en het in artikel 6, derde lid, EVRM door het EHRM ingelezen algemene recht op aanwezigheid van de verdachte bij zijn berechting. Dit aanwezigheidsrecht is niet absoluut; verstekveroordelingen zijn mogelijk. De overheid is niet verplicht verdachten op een zitting te doen verschijnen als deze zelf niet voldoende moeite doen betrokken te zijn in de procedure (EHRM 10 april 2003, Nunes Dias tegen Portugal, zaaknummer 69829/01). Om het aanwezigheidsrecht te kunnen uitoefenen, moet de verdachte op de hoogte kunnen zijn van de terechtzitting. De overheid heeft hiertoe een inspanningsplicht. Die inspanningsplicht brengt met zich dat de overheid in alle strafzaken daadwerkelijk, op een actieve wijze, inspanningen dient te leveren ten einde de verdachte te bereiken over de komende terechtzitting (idem, blz. 175). Het EHRM heeft in de aan hem voorgelegde gevallen aangenomen dat onder omstandigheden ook op de verdachte een zekere inspanningsplicht rust om kennis te nemen van zijn zaak. Verdachten die zelf geen moeite doen om bereikbaar te zijn dan wel zich actief onbereikbaar houden voor de verschillende inspanningen die de overheid zich troost om de verdachte te informeren, kunnen niet zonder meer succesvol klagen dat hun aanwezigheidsrecht is geschonden op het moment dat het de overheid niet gelukt is hem te bereiken (EHRM 23 februari 1999, De Groot tegen Nederland, zaaknummer 34966/97, NJ 1999, 641; EHRM 16 december 1992, Hennings tegen Duitsland, zaaknummer 68/1991/320/292; EHRM 2 oktober 2007, Weber tegen Duitsland, zaaknummer 30203/03). Bij de beoordeling van dergelijke zaken door het EHRM hangt veel af van de omstandigheden van het concrete geval. Indien een verdachte niet op de terechtzitting aanwezig was en er bovendien onzekerheid bestond over de vraag of de verdachte zich bewust was van het feit dat er een procedure tegen hem aanhangig was, neemt het Hof als beoordelingskader voor het antwoord op de vraag of sprake is van een eerlijk proces in acht in hoeverre de overheid inspanningen heeft geleverd om contact met de verdachte te zoeken en op welke wijze die inspanningen in dat geval zijn vormgegeven. Daarbij is van belang dat aan de verplichting van de overheid om de verdachte op de hoogte te stellen van het feit dat er een strafzaak tegen hem gaat lopen, een zwaarder belang wordt toegekend naarmate het delict, waarvan de verdachte wordt beschuldigd, ernstiger is en de daarop gestelde straf hoger ligt (rapport ‘Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief’, P.A.M. Mevis e.a., blz. 152). Een bijkomende voorwaarde die het EHRM stelt naast de inspanningsplicht de verdachte te bereiken, is dat indien de verdachte niet vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting, die verdachte zijn zaak feitelijk nogmaals, maar dan in zijn aanwezigheid, moet kunnen laten behandelen in een full re-trial (idem, blz. 187; EHRM 12 februari 1985, Colozza tegen Italië, zaaknummer 9024/80). Bij een verstekveroordeling is de tijdige kennisgeving van de uitspraak aan de veroordeelde dus van belang voor het geven van deze mogelijkheid van een ‘fresh determination’. Ook hiervoor geldt dat dit voor het EHRM niet een absoluut recht is. Als een verdachte op de juiste wijze op de hoogte was gesteld van zijn proces en van de datum van de terechtzitting en zijn afwezigheid duidelijk aan hemzelf te wijten is, kan een mogelijkheid van een inhoudelijke behandeling in hoger beroep aan de bij verstek veroordeelde worden onthouden (EHRM 14 juni 2011, Medenica tegen Zwitserland, zaaknummer 20491/92; rapport ‘Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief’, P.A.M. Mevis e.a., blz. 188).

Het bovenstaande laat zich als volgt samenvatten. Het EVRM stelt geen materiële eisen aan een betekeningsregeling. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt geen beoordeling van de nationale regeling als zodanig, het gaat om de inspanningen die de overheid in het concrete geval op basis van die regeling heeft geleverd om de verdachte juist en tijdig te informeren, zodat hij zijn aanwezigheidsrecht heeft kunnen uitoefenen in eerste aanleg of in hoger beroep. In het navolgende wordt stilgestaan bij elementen uit de rechtspraak van het EHRM die relevant zijn voor de voorgestelde materiële wijzigingen van de Nederlandse betekeningsregeling.

Voor de elektronische betekening geldt dat er tot op heden geen uitspraken bekend zijn waarin het Europese Hof zich heeft gebogen over het gebruik van elektronische middelen in het kader van kennisgevingen van gerechtelijke mededelingen. Als het gebruik van een e-mailadres dat de verdachte uitdrukkelijk voor het doel van het doen van gerechtelijke mededelingen ter beschikking stelt, helpt om de inhoudelijke doelen van adequate betekening te realiseren, zal het EHRM zich volgens de onderzoekers daartegen allicht niet verzetten (idem, blz. 169). Voor de thans voorgestelde wijziging die elektronische betekening mogelijk maakt, geldt dat deze geheel afhankelijk is van de vrijwillige medewerking van de betrokkene; de verdachte moet zelf een e-mailadres opgeven en kan er zelf voor kiezen om al dan niet in te loggen na de ontvangst van de notificatie. Van strijdigheid met het EVRM van de voorgestelde regeling voor de elektronische kennisgeving van gerechtelijke mededeling zal dus geen sprake zijn omdat in deze situatie bij niet verschijnen van de verdachte in de regel mag worden aangenomen dat hij afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

De vraag of betekening aan een ander dan de verdachte zelf, zoals betekening aan iemand aanwezig op het adres van de geadresseerde, van zijn werkgever of van zijn raadsman kan gelden als betekening aan de verdachte zelf, is op grond van het EVRM-recht niet in algemene zin te beantwoorden. Zoals gezegd hangt veel af van de toepassing van de regeling in de praktijk en ook van de mate waarin er een zekere correctiemogelijkheid is voor de verdachte als het stuk hem niet bereikt heeft en hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt (idem, blz. 168). Het rechtsvergelijkend onderzoek laat in elk geval zien dat diverse landen de mogelijkheid kennen te betekenen aan anderen die aanwezig zijn in de woning of de bedrijfsruimte van de geadresseerde. Voor de nader onderzochte landen Duitsland, Noorwegen en Zwitserland geldt dat aan deze betekening aan een ander in de regel een rechtsgevolg is verbonden (zoals bij het Nederlandse betekenen in persoon). Het onderzoek toont verder dat in elk geval ook in Ierland, Litouwen, Luxemburg, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije aan anderen in de woning of bedrijfsruimte kan worden betekend (idem, blz. 24 tot en met 27). Voor de plaatsen waar wordt gepoogd het gerechtelijk schrijven uit te reiken geldt dat dit een adres uit de gemeentelijke basisadministratie of een adres waarvan bekend is dat de geadresseerde er daadwerkelijk woont of werkt. Met de voorgestelde nieuwe regeling wordt vereist dat degene die op die adressen het stuk in ontvangst neemt, zich bereid verklaart het stuk door te geven aan de geadresseerde. De gegevens van zijn identiteitsbewijs worden genoteerd op de akte van uitreiking. De vrijwillige medewerking en het vastleggen van de identiteit zijn extra garanties dat de gerechtelijke mededeling bij de geadresseerde terechtkomt. Het staat de huis- of bedrijfsgenoot vrij om niet mee te willen werken aan de doorgeleiding van het stuk aan de geadresseerde. Op het moment dat degene het stuk in ontvangst neemt en zich bereid heeft verklaard het stuk aan de geadresseerde te doen komen, heeft hij zichzelf echter hiertoe verplicht en is het niet meer vrijblijvend. Gezien het belang van gerechtelijke mededelingen en de consequenties die voor de geadresseerde zijn verbonden aan het in persoon in ontvangst nemen door degene die op het adres (in de basisregistratie, van de bekende woon- of verblijfplaats of van de werkgever) wordt aangetroffen, wordt voorgesteld het niet onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen strafbaar te stellen (artikel 187a Sr). Met deze strafbaarstelling wordt op dit punt aansluiting gezocht bij de Duitse regeling. In Duitsland waar het in ontvangst nemen van het gerechtelijk stuk om dit door te geven verplicht is, maakt diegene die dat niet doet zich daarmee namelijk onder omstandigheden schuldig aan het misdrijf van ‘Urkundenunterdrückung’ (artikel 274 van het Strafgesetzbuch) (idem, blz. 59). De RSJ, het openbaar ministerie, de Raad voor de rechtspraak en de NVvR zijn in hun adviezen kritisch over deze nieuwe strafbepaling. Wij achten deze strafbaarstelling echter van groot belang. Enerzijds om duidelijk te kunnen maken aan degene die het stuk voor een ander in ontvangst neemt dat op hem of haar een zware verplichting rust. Anderzijds is deze strafbaarstelling cruciaal voor de nieuw voorgestelde mogelijkheid om indien de geadresseerde de gerechtelijke mededeling niet heeft ontvangen de procedure terug te plaatsen in de stand voorafgaand aan die betekening, zodat de verdachte alsnog in appel kan (zie artikel 36o Sv en de daarbij gegeven toelichting). Anders dan het openbaar ministerie in zijn advies lijkt te veronderstellen richt de strafbaarstelling zich niet op de raadsman, maar op degenen die een gerechtelijke mededeling voor een ander in ontvangst nemen, en daarbij verklaren deze zonder vertraging aan de geadresseerde door te geven. De NVvR vindt betekening aan de werkgever ongewenst omdat deze vorm raakt aan de privacy van de verdachte. Het openbaar ministerie voorziet discussie over de vraag of de arbeidsverhouding nog wel bestaat en of de werkgever redelijkerwijs het stuk aan de geadresseerde kan doen toekomen. Betekening aan de werkgever raakt inderdaad meer dan de overige betekeningsvormen aan de persoonlijke levenssfeer van de verdachte of veroordeelde. Artikel 10 van de Grondwet vereist dat een dergelijke beperking bij of krachtens de wet wordt gesteld. De thans voorgestelde wettelijke regeling moet tevens voldoen aan de vereisten die artikel 8, tweede lid, EVRM stelt aan inmenging van de overheid in het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven. Voor de beoordeling van de subsidiariteit van het voorstel is van belang dat betekening aan de werkgever als laatste betekeningsmogelijkheid is opgenomen; enkel als alle overige overheidsinspanningen om een gerechtelijke mededeling aan de verdachte of veroordeelde uit te reiken zijn mislukt, wordt hiertoe overgegaan. Nodig is hierbij ook dat feitelijk vaststaat dat er een arbeidsrelatie bestaat, niet alleen uit de geraadpleegde registers, maar ook uit de uitlatingen van de werkgever die – als de geadresseerde niet op het werkadres wordt aangetroffen – zich bereid verklaart de mededeling in ontvangst te nemen en door te geven. Voor een beoordeling van de proportionaliteit van het voorstel van betekening via de werkgever moet worden gekeken naar de verhouding tussen de uitwerking in de praktijk en het belang dat met het voorstel wordt gediend. Vastgesteld kan worden dat de inbreuk op de belangen van de betrokkene beperkt is doordat alleen als laatste mogelijkheid betekening bij de werkgever in aanmerking komt en het gerechtelijk stuk afgesloten wordt uitgereikt; de aanleiding of inhoud van de mededeling wordt niet bekend bij de werkgever. Door deze invulling wordt op de minst ingrijpende wijze bereikt dat de gerechtelijke mededeling in persoon kan worden uitgereikt. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachten en veroordeelden die niet geregistreerd staan in de daartoe bestemde administraties en ook anderszins niet bereikbaar zijn gebleken, is naar het oordeel van het kabinet in verhouding tot het legitieme doel dat wordt gediend; een doelmatige strafrechtspleging is een zwaarwegend algemeen belang voor de Nederlandse samenleving. Hiermee is voldaan aan de vereisten die artikel 8, tweede lid, EVRM stelt aan inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven.

Betekening kan volgens het Europese Hof onder voorwaarden ook plaatsvinden aan de raadsman van de verdachte. Als betekening heeft plaatsgevonden via de raadsman, dan dient de raadsman zijn cliënt te informeren. De overheid is volgens het Hof echter verantwoordelijk voor het eerst richten van haar inspanningen op het de verdachte daadwerkelijk zelf op de hoogte stellen van het proces en de datum van terechtzitting (idem, blz. 169). In de beoogde praktijk is – net als nu – de primaire inzet de gerechtelijke mededeling aan de geadresseerde zelf te overhandigen. Indien dit ondanks herhaalde inspanningen niet slaagt en er geen verblijfplaats van de geadresseerde bekend is, wordt uitgeweken naar de mogelijkheden van betekening aan anderen dan de geadresseerde die wel geldt als betekening in persoon. Degene aan wie (in persoon) wordt betekend kan op grond van de gewijzigde Nederlandse regeling ook de op grond van de Wet op de rechtsbijstand toegevoegde raadsman zijn. In aansluiting op de rechtspraak van het EHRM zal bij afwezigheid van de verdachte, maar aanwezigheid van de raadsman niet zonder meer kunnen worden geconcludeerd dat de verdachte heeft afgezien van zijn aanwezigheidsrecht (idem, blz. 167). Wanneer er wel een raadsman aanwezig is, betekent dat volgens het EHRM namelijk niet automatisch dat de verstekbehandeling zonder meer acceptabel is (EHRM 28 augustus 1991 F.C.B. tegen Italië, zaaknummer 12151/86; EHRM 12 februari 1985, Colozza tegen Italië, zaaknummer 9024/80; EHRM 21 september 1993, Kremzow tegen Oostenrijk, zaaknummer 12350/86). Het is uiteindelijk aan de rechter om op basis van de akte van uitreiking en een beschrijving van de door de justitiële autoriteiten ondernomen inspanningen te oordelen over de geldigheid van de uitgebrachte dagvaarding of andere gerechtelijke mededelingen. Hierbij is ook de ernst van het delict waarvan degene wordt beschuldigd een relevante factor, waarbij geldt dat hoe ernstiger de beschuldiging, hoe meer zekerheid er moet zijn dat de verdachte daadwerkelijk is bereikt.

7. Financiële en administratieve consequenties

Met dit wetsvoorstel gaat de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging over van het openbaar ministerie naar de Minister van Veiligheid en Justitie. Zoals hierboven is toegelicht betreft dit vooral een wettelijke verankering van de bestaande uitoefening van taken en bevoegdheden in het kader van de uitvoering door uitvoeringsinstanties van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Omdat de feitelijke taakuitoefening voor het grootste deel gelijk blijft, zijn de financiële gevolgen van de voorgestelde wijzigingen voor de uitvoeringspraktijk in die zin beperkt.

Groter zijn de consequenties die voortvloeien uit de in hoofdstuk 4 beschreven optimalisatie van de tenuitvoerlegging en de doelen die hierbij worden gesteld. Gerelateerd aan dit wetstraject loopt er een programma binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het hierboven reeds genoemde programma Uitvoeringsketen Strafrechtelijke Beslissingen (Kamerstukken II 2012/13, 29 279, nr. 156, blz. 6). In dit programma wordt gewerkt aan de tenuitvoerlegging van de eerder beschreven verantwoordelijkheidsverschuiving en worden een aantal verbetertrajecten uitgevoerd. De business case bij het programma laat zien waar capaciteit vrij zal komen en waar aanvullende capaciteit is vereist. Veiligheid en Justitie draagt er zorg voor dat het programma USB zodanig wordt uitgevoerd dat de vrijkomende capaciteit bij deze verantwoordelijkheidsverschuiving toereikend is om benodigde capaciteit elders beschikbaar te krijgen. Hierbij geldt als randvoorwaarde dat er géén beroep op aanvullende middelen nodig zal zijn. Doel van het programma is de snelle en zekere tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en het goed informeren van betrokkenen zodat de gehele tenuitvoerleggingsketen wordt versterkt. De activiteiten van het programma richten zich op de wijze waarop deze doelen worden gerealiseerd in de uitvoering. Dit is voor een groot deel een gescheiden traject van het wetsvoorstel. De overdracht van administratieve taken van justitiële uitvoeringsinstanties aan het AICE en het ontwikkelen en aanpassen van geautomatiseerde systemen bij de politie, het openbaar ministerie, de rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), het CJIB en het AICE, zorgen voor een efficiëntere inrichting van de tenuitvoerlegging. Met name het centraal beleggen van een aantal administratieve taken zal een besparing opleveren in de keten. Zo brengt de functie van het AICE mee dat de administratieve werklast op de tien arrondissementsparketten substantieel wordt verminderd. Op landelijke schaal betreft het binnen het openbaar ministerie ongeveer 20 fte’s in 2016. In samenhang met de vrij vallende fte’s bij het OM zal € 1,8 miljoen worden herschikt binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor de extra taken bij het CJIB / AICE. De overdracht van de taken ten aanzien van de berekening van ontslag- en verlofdata van DJI naar het AICE zal bij DJI fte’s besparen. Daarnaast zorgt de centrale aansturing van het AICE op de ontslag- en verlofdata dat efficiënter zal worden gewerkt. Ook hier zal herschikking binnen Veiligheid en Justitie plaatsvinden. De overige voorziene kosten van € 2 miljoen worden gedekt binnen de begroting van Veiligheid en Justitie.

Doel van de veranderingen is de politie, de reclasseringsorganisaties, het CJIB en de DJI in staat te stellen zich te kunnen concentreren op de feitelijke tenuitvoerlegging van straffen. Met een verbeterd en efficiënter executieproces waarmee ketenpartners zich meer kunnen richten op hun kerntaken, kunnen straffen sneller worden ten uitvoer gelegd en zal de uitval in de keten worden verminderd. Tegen deze achtergrond hebben de executiepartners in gezamenlijkheid streefnormen vastgesteld waarmee deze verbetering tastbaar wordt. Voor 2016 is voor principale vrijheidsstraffen als doelstelling vastgelegd dat in minimaal 92 procent de tenuitvoerlegging binnen 24 maanden is gestart of afgerond. In 2019 moet dit percentage nog hoger zijn, met als stip op de horizon een percentage van 95 procent (brief aan de Tweede Kamer van de Minister en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Kamerstukken II 2012/13, 29 279, nr. 165, blz. 4).

Met een volledig zicht van het AICE op de ten uitvoer te leggen beslissingen wordt op basis van een zogeheten integraal persoonsbeeld bewerkstelligd dat sancties volgordelijk en efficiënt worden uitgevoerd. Zo zal bij het AICE straks bij de aanlevering van een executeerbare beslissing onmiddellijk zichtbaar zijn of, en zo ja, welke andere straffen jegens een veroordeelde nog openstaan, waarmee sneller en beter tot executie kan worden overgegaan. Nu komt het bijvoorbeeld voor dat pas bij ontslag uit detentie blijkt dat betrokkene nog een geldboete heeft openstaan. Het openbaar ministerie behoeft niet langer vonnissen in strafcomponenten op te splitsen en met meer ketenpartners uit te wisselen: alle procesinformatie wordt eenduidig en exclusief via het AICE gerouteerd. Een opdracht voor een taakstraf vanuit het openbaar ministerie naar de reclassering wordt centraal via het AICE gerouteerd. De reclassering behoeft niet langer uit te zoeken met welk parket hierover moet worden gecommuniceerd. De politie beschikt over een landelijk beeld van alle signaleringen waarmee executie-opdrachten beter kunnen worden uitgevoerd, en samenloop van opdrachten bij meerledige straffen wordt voorkomen. De opdracht tot het verrichten van een taakstraf is zinledig zolang een veroordeelde nog een gevangenisstraf uitzit.

De financiering van de activiteiten in het kader van het programma USB vindt voor het grootste plaats binnen de voor het programma gereserveerde gelden (artikel 34 van de begroting van Veiligheid en Justitie) en voor een beperkt deel binnen de afzonderlijke begrotingen van de betrokken ketenpartners; alle binnen de totale begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De vormgeving van de sturing van de tenuitvoerlegging wordt gefinancierd uit de structurele, ketenbrede besparing die voortvloeit uit de overdracht van administratieve taken aan het AICE en door de betere aansluiting van de geautomatiseerde systemen die voor de tenuitvoerlegging binnen de strafrechtsketen worden gebruikt. Deze efficiëntiewinsten dragen daarnaast bij aan de efficiencytaakstelling voor de gehele strafrechtsketen (regeerakkoord VVD-PvdA; Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 15, blz. 49).

De realisatie van de verschillende hierboven genoemde veranderingen in de uitvoering en de voorbereiding van de gevolgen van de voorgestelde wetswijzigingen zullen stapsgewijs in de periode tot en met 2016 plaatsvinden. Dit is het gevolg van een iteratieve aanpak. Het betreft een omvangrijke operatie die van grote invloed is op de informatievoorziening binnen de strafrechtsketen en gevoelige en specialistische werkprocessen betreft. Zoals ook het openbaar ministerie in zijn advies aangeeft, zullen nieuwe IT-voorzieningen voorafgaand aan implementatie ketenbreed moeten worden getest. Dit vraagt niet alleen om zorgvuldige collectieve afstemming van IT-planningen, maar ook om het zorgvuldig in ketenverband bewaken van de IT-voortgang. Het AICE is – als onderdeel van het CJIB – vanaf 1 januari 2014 gestart met het geleidelijk oppakken van zijn activiteiten. In 2014 en 2015 zal de interface OM-AICE dusdanig worden geautomatiseerd en geoperationaliseerd dat de uitvoering sterk kan worden versneld en verbeterd en dat uitval in de tenuitvoerleggingsketen wordt voorkomen. In de periode 2014–2016 worden de IT-voorzieningen tussen AICE en de andere uitvoeringsorganisaties in aansluiting op deze interface aangepakt. De financiering daarvan vindt plaats binnen de voor het programma gereserveerde gelden en afzonderlijke begrotingen van de betrokken ketenpartners. Dit kan binnen het bestaande wettelijk kader waarin de tenuitvoerlegging de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie is. Vanaf 2014 routeert het AICE de eerste strafrechtelijke beslissingen, zoals de principale vrijheidsstraffen en andere rechterlijke beslissingen naar de uitvoerende organisaties. Op termijn zal het AICE alle ten uitvoer te leggen strafrechtelijke beslissingen routeren.

II. Artikelsgewijs

Artikel I – Wetboek van Strafvordering
Onderdelen A, B, C, D, F en G – Kennisgeving van gerechtelijke mededelingen (Betekening)

De wettelijke regeling van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen wordt in deze onderdelen verplaatst van het huidige Zesde Boek over de tenuitvoerlegging, naar een nieuwe afdeling in de Tweede Titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering. De titel over de verdachte wordt hiertoe in drie afdelingen opgedeeld. De eerste afdeling bevat algemene bepalingen over het slachtoffer en omvat de artikelen 27 tot en met 29a (onderdeel A). Aan artikel 27a, over het vaststellen van de identiteit van de verdachte, wordt ten behoeve van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen toegevoegd dat aan een verdachte wordt gevraagd naar een elektronisch adres waarop hij gerechtelijke mededelingen wil ontvangen (onderdeel B). Een vergelijkbare bepaling wordt voorgesteld voor het slachtoffer (artikel 51b, zevende lid, Sv; onderdeel G). De artikelen 35 en 36 over het horen van een verdachten en over de verklaring dat een zaak is geëindigd worden in deze afdeling opgenomen (onderdeel E). De tweede afdeling die wordt gecreëerd ziet op de kennisneming van processtukken en loopt van artikel 30 tot en met artikel 36 (onderdeel C). De derde afdeling – artikelen 36a tot en met 36o – ziet op de (verplaatste) regeling van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen.

Reden voor de verplaatsing is dat het betekenen van een gerechtelijke mededeling in voorkomende gevallen weliswaar randvoorwaardelijk is om over te kunnen gaan tot de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing, maar het kennis geven van gerechtelijke mededelingen zelf geen tenuitvoerleggingshandeling is. Het openbaar ministerie is en blijft onder de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling voor de tenuitvoerlegging dan ook belast met deze kennisgevingen (voorgesteld artikel 36a Sv; huidig artikel 555 Sv). Op de achtergrond van de voorgestelde wijzigingen in de betekeningsregeling – vooral het mogelijk maken van elektronische betekening – en de coördinerende rol die het CJIB hierbij gaat vervullen namens het openbaar ministerie, is nader ingegaan in hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Artikel 36a (artikel 555; nieuw Sv) – openbaar ministerie verantwoordelijk

De eerste volzin van dit artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 555 Sv. Er zijn enkel enige taalkundige moderniseringen doorgevoerd. Strekking van de bepaling is – kort gezegd – dat alle wettelijk voorgeschreven mededelingen op last van het openbaar ministerie worden gedaan. Er is een tweede volzin toegevoegd die ertoe strekt dat het openbaar ministerie inlichtingen kan vorderen die nodig zijn voor de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn voor het achterhalen van de feitelijke woon- of verblijfplaats of van de werkgever van de verdachte of veroordeelde.

Artikel 36b (artikel 585 Sv) – betekening, toezending, mondelinge mededeling

Dit artikel correspondeert met het huidige artikel 585 Sv. Het eerste lid wordt niet gewijzigd. Aan het tweede lid wordt toegevoegd dat bij betekening van een gerechtelijke mededeling de uitreiking ook elektronisch kan geschieden. Bij elektronische overdracht wordt de volgende werkwijze gevolgd. De betrokkene ontvangt op het door hem opgegeven e-mailadres (voorgesteld artikel 27a, derde lid, Sv) een notificatie dat hij kan inloggen in een beveiligde omgeving om kennis te nemen van aan hem gerichte stukken. Voor de identificatie op de website waarop de gerechtelijke mededeling worden aangeboden, zal gebruik worden gemaakt van DigiD (zie www.digid.nl) of een vergelijkbare authenticatiedienst. Hierbij wordt aangesloten bij het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering. Voor het inloggen met DigiD zal voor de betekening naast het standaardgebruik van een gebruikersnaam en wachtwoord de extra controle van een per sms ontvangen code worden vereist (STORK 3). In de aldus beveiligde omgeving kan de betrokkene kennis nemen van de aan hem gerichte gerechtelijke stukken. Het systeem zal het moment registreren waarop de betrokkene kennis kan nemen van de aangeboden stukken. De betrokkene ontvangt op dat moment een tweede e-mailnotificatie. Dit e-mailbericht bevat de gegevens genoemd in het voorgestelde artikel 36i Sv, onder meer de autoriteit die het gerechtelijke schrijven uitstuurt, het nummer van het schrijven, de persoon aan wie is uitgereikt en de dag en het uur van de uitreiking. Deze betekening door elektronische overdracht wordt vastgelegd en waar nodig toegevoegd aan het strafdossier. Elektronische betekening geldt als betekening in persoon.

De tweede volzin van het tweede lid maakt duidelijk dat in het geval betekening door elektronische overdracht mogelijk is, dat de voorkeur heeft. Betekening door elektronische overdracht is onmogelijk in het geval degene die de mededeling moet ontvangen geen e-mailadres heeft opgegeven. Daarnaast kan betekening door elektronische overdracht onmogelijk blijken doordat niet binnen een redelijke termijn wordt gereageerd op de aan het opgegeven e-mailadres verzonden notificatie. Wat een redelijke termijn is, is ter beoordeling aan het openbaar ministerie en kan afhankelijk zijn van de urgentie van de mededeling, maar bijvoorbeeld ook van eerdere ervaringen met het doen van mededelingen aan de geadresseerde. Als bij eerdere gelegenheden is gebleken dat de geadresseerde wel zijn e-mailadres heeft opgegeven, maar daarna nooit gebruik heeft gemaakt van de elektronische voorziening, kan de termijn heel kort zijn of elektronische betekening zelf geheel worden overgeslagen.

Het derde lid ziet op de toezending van gerechtelijke mededelingen. Ten opzichte van het huidige artikel wordt gewijzigd dat toezending niet alleen door aflevering door de post, maar door alle postvervoerbedrijven, zoals bedoeld in de Postwet 2009, en door andere door de minister bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diensten kan gebeuren. Deze wijziging komt overeen met de hieronder toegelichte wijziging van artikel 36d, eerste lid, Sv, over de uitreiking van gerechtelijke mededelingen. Aan de bestaande mogelijkheid van aflevering van een brief is de mogelijkheid toegevoegd van toezending door elektronische overdracht. Aan toezending worden in de wet lagere eisen gesteld dan aan betekening van gerechtelijke mededelingen. Voor de elektronische toezending is niettemin – net als bij de elektronische betekening – voorzien in gebruik van een omgeving waarop me