Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201329279 nr. 165

29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 165 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juli 2013

In mijn brief van 23 november 2012 (Kamerstuk 29 279, nr. 156) heb ik u geïnformeerd over de voortgang in de versterking van de prestaties van de strafrechtketen. Daar ben ik ingegaan op twee belangrijke voorwaardenscheppende maatregelen, namelijk aanpassing van wetgeving en digitalisering. Daarnaast heb ik een aantal maatregelen toegelicht die leiden tot een betere informatievoorziening, inzicht in ketenprestaties, aanpak van ongewenste uitstroom en slimmer werken in de keten.

In deze brief licht ik, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, toe welke ambities ik heb om de prestaties van de strafrechtketen te versterken. Ik licht toe wat ik met de strafrechtketen in 2016 heb bereikt, welke doelstellingen ik de komende jaren hieraan koppel en welke aanvullende maatregelen ik met het oog hierop tref.

Ambities en doelstellingen

De strafrechtketen moet met behulp van innovatieve werkwijzen, vakmanschap en heterdaadkracht strafzaken sneller, slimmer, beter en transparanter afhandelen. Mijn ambities zijn:

  • méér strafzaken succesvol afhandelen;

  • personen die zijn veroordeeld hun straf daadwerkelijk laten ondergaan;

  • verdachten sneller recht doen en daders effectiever straffen;

  • de belangen van het slachtoffer in de strafrechtketen een belangrijker plaats geven.

In 2016 heb ik de prestaties van de strafrechtketen aanzienlijk versterkt. Ik heb dan het volgende bereikt:

  • 1. de ongewenste uitstroom van zaken is geminimaliseerd:

    • a. méér zaken worden succesvol afgerond en

    • b. veroordeelden ondergaan hun straf daadwerkelijk;

  • 2. 2. de in-, door- en uitstroom van zaken in de keten is inzichtelijk en transparant;

  • 3. digitale informatie-uitwisseling, ook met de advocatuur en de burger is de norm in de keten;

  • 4. de doorlooptijden zijn aanzienlijk verkort;

  • 5. het aangifteproces is een hoogwaardig dienstverleningsproces waarbij de burger eenvoudig aangifte kan doen en snel en effectief wordt geholpen;

  • 6. het Wetboek van Strafvordering en relevante wetgeving zijn aangepast.

Hieronder formuleer ik per onderwerp concrete doelstellingen en ga ik in op de maatregelen die ik neem om deze doelstellingen te bereiken.

1 Minimaliseren ongewenste uitstroom

Zoals in mijn brief van 23 november 2012 staat heb ik een kwalitatief onderzoek (bureau AEF, zie bijlage1) laten doen naar hoe en waar in de keten zaken ongewenst uitstromen. Dit onderzoek is gebaseerd op interviews met functionarissen uit de praktijk, bij de ketenorganisaties. Hieronder ga ik eerst in op de algemene bevindingen en aanbevelingen van AEF. Daarna ga ik in op de doelstellingen die ik heb vastgesteld om de ongewenste uitstroom tegen te gaan en op de maatregelen die ik tref om ze te realiseren.

In het rapport komt een aantal oorzaken voor ongewenste uitstroom naar voren. Zo is bijvoorbeeld de Aanwijzing voor de opsporing onvoldoende toegesneden op de dagelijkse praktijk2, is het selectieproces om zaken wel of niet verder de keten te laten instromen niet eenduidig georganiseerd en stranden sommige aangiften omdat de kwaliteit onvoldoende is. In de executiefase speelt met name de vindbaarheid van de veroordeelde een rol. In de fase van vervolging en berechting komt nauwelijks ongewenste uitstroom voor.

AEF beveelt aan om:

  • 1. zorg te dragen voor een sluitende verantwoording van de in-, door- en uitstroom binnen en tussen de ketenpartners;

  • 2. fora te organiseren om afstemming over procesuitvoering tussen de schakels te bevorderen;

  • 3. te investeren in de kwaliteit en ondersteuning van personeel rond de selectie van zaken en schakelpunten.

Ik neem deze aanbevelingen onverkort over. Op de uitvoering van de eerste aanbeveling kom ik in paragraaf 2 terug. De twee andere aanbevelingen zijn hieronder verwerkt in de doelstellingen die ik heb vastgesteld om de ongewenste uitstroom te minimaliseren.

Verder ontwikkel ik afstemmingfora op andere plekken in de keten, zoals het Administratie- en Informatiecentrum in de executiefase. Hieronder ga ik in op de doelstellingen die ik heb vastgesteld om de ongewenste uitstroom te minimaliseren.

a Meer zaken succesvol afronden: doelstellingen

Ongewenste uitstroom van zaken moet worden voorkomen. Daarom is het van belang dat volstrekt helder is aan welke criteria een zaak moet voldoen voordat deze doorstroomt naar de volgende ketenpartner en wanneer welke ketenpartner voor een zaak verantwoordelijk is.

Ik heb dan ook de volgende doelstellingen vastgesteld:

  • Medio 2014 zijn er tussen politie en OM afspraken gemaakt waardoor duidelijkheid bestaat over de criteria op basis waarvan de politie zaken kan «uitscreenen» of vroegtijdig mag beëindigen. Tevens is er duidelijkheid over de wijze waarop de nakoming van deze afspraken door beide organisaties is geborgd.

  • In 2016 vindt de overdracht van zaken plaats conform vooraf gemaakte afspraken en criteria tussen de ketenpartners.

Met het oog hierop werkt het OM in overleg met de politie aan een herziening van de Aanwijzing voor de opsporing. Ik verwacht dat het College van procureurs-generaal nog voor het einde van 2013 de nieuwe Aanwijzing zal vaststellen. Ook wordt gewerkt aan herziening van het sepotbeleid, mede in het licht van de invoering van BOSZ bij alle parketten. Dit «zicht op zakensysteem» geeft inzicht in het aantal en de soorten onderhanden zaken, inclusief genomen beslissingen. Politie en OM kunnen zo op de in-, door- en uitstroom van zaken sturen.

Het nieuwe beleid houdt in dat het OM altijd verantwoordelijk is voor beslissingen over het al dan niet vervolgen van verdachten. OM en politie maken samen concrete afspraken over de registratie van de status van verdachten en zaken en het informeren van aangevers. Een en ander zal medio 2014 landelijk zijn geïmplementeerd. In aansluiting op de nieuwe Aanwijzing en afspraken tussen OM en politie worden ook afspraken gemaakt met de overige ketenpartners gemaakt over de overdracht van zaken. Uiterlijk in 2016 worden de gemaakte afspraken met de overige ketenpartners (zoals ZM en executieorganisaties) uitgevoerd.

Deze doelstellingen zijn gericht op procesafspraken. In samenhang daarmee investeer ik de komende jaren fors in de verhoging van de kwaliteit van politiefunctionarissen die de afspraken uitvoeren. Het gaat om functionarissen belast met de aangiftebeoordeling en -weging, de herkenning van opsporingsindicaties en de communicatie hierover richting aangevers. Ik verbeter zo sterk de kwaliteit van de aangiften en processen-verbaal, zodat het aantal zaken dat de strafrechtketen instroomt en succesvol wordt afgerond aanzienlijk wordt vergroot. Daartoe investeer ik ook in de kwaliteit van de hulpofficieren van justitie die een schakelfunctie vervullen tussen politie en OM. Daarnaast werk ik aan een plan voor de instelling van een hulpofficier «nieuwe stijl» met extra taken die zich richten op het bevorderen van de structurele afstemming met ketenpartners van de politie. Deze functionaris zal voor een deel binnen ZSM (zie volgende paragraaf) werkzaam zijn. ZSM is – zoals AEF stelt – een voorbeeld van een succesvol afstemmingsforum.

Op korte termijn stuur ik u een brief over de verbetering van het aangifteproces, waarin ik nader inga op bovengenoemde investeringen in de politie.

Een concrete kwantitatieve doelstelling om het aantal zaken dat ongewenst uitstroomt tegen te gaan kan pas worden geformuleerd nadat de omvang van de zaken die ongewenst uitstromen bekend is. Het WODC doet hiernaar nu onderzoek. Na afronding van dit onderzoek zal ik in de eerste helft van 2014 deze kwantitatieve doelstelling vaststellen.

b Veroordeelden hun straf daadwerkelijk laten ondergaan

Voor de executiefase is er al zicht op de zaken die ongewenst uitstromen en is het mogelijk een kwantitatieve doelstelling te formuleren.

Uit het onderzoek van AEF blijkt dat een deel van de ongewenste uitstroom in de executiefase plaatsvindt. Per brief d.d. 25 februari 2013 van de Staatssecretaris van VenJ bent u geïnformeerd3 over de oorzaken van deze ongewenste uitstroom. In deze brief is inzicht gegeven in de omvang van de openstaande vrijheidsstraffen, het huidige beleid en de nieuwe maatregelen die genomen worden om het aantal openstaande (niet geëxecuteerde) vrijheidsstraffen te beperken. Tevens is aangekondigd dat er extra wordt ingezet op de opsporing van veroordeelden. Dit gebeurt bijvoorbeeld door de inzet van de politie op het doorlichten van specifieke zaken die enige tijd in het Opsporingsregister staan.

Een deel van de personen die nog een vrijheidsstraf heeft openstaan maakt zich (tijdelijk) onvindbaar voor politie en justitie. Een zaak kan als de persoon echt onvindbaar is of niet kan worden opgespoord (omdat hij bijvoorbeeld in het buitenland verblijft4) uiteindelijk verjaren. Daarnaast zijn er zaken die gedeeltelijk ten uitvoer worden gelegd, bijvoorbeeld als het gaat om veroordeelde criminele vreemdelingen. Ook deze zaken verjaren uiteindelijk. Dit is de reden dat de uitval in de executieketen niet geheel tot nul gereduceerd kan worden. Mijn ambitie en die van de Staatssecretaris is wel om de uitval in dit deel van de keten zo veel mogelijk te reduceren. Van belang is namelijk dat personen die zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf deze straf daadwerkelijk ondergaan. Om deze ambitie te bewerkstellingen richt ik mij zowel op de snelheid van de aanvang van de tenuitvoerlegging als de mate van zekerheid van de daadwerkelijk tenuitvoerlegging.

Op dit moment is bij 87% van de principale vrijheidsstraffen binnen 24 maanden de tenuitvoerlegging gaande of afgerond. In 2016 verwacht ik een substantiële verbetering te realiseren. Daarom heb ik de volgende doelstelling vastgesteld:

  • In 2016 is bij minimaal 92% van de principale vrijheidsstraffen de tenuitvoerlegging gaande of afgerond na 24 maanden.

In de brief van 25 februari 2013 worden de maatregelen genoemd waarmee deze verbetering wordt gerealiseerd. Met de betrokken ketenpartners is daarnaast afgesproken dat het percentage in 2019 nog hoger moet liggen. Als stip aan de horizon zie ik dat in 2019 bij minimaal 95% van de principale vrijheidsstraffen de tenuitvoerlegging gaande of afgerond is na 24 maanden. Om dit te realiseren zijn naar verwachting aanvullende verbetermaatregelen nodig. Deze verbetermaatregelen worden in kaart gebracht. Hierbij wordt nadrukkelijk ook gekeken naar maatregelen in eerdere fasen in de strafrechtketen, die een uiteindelijk effect hebben in de executiefase.

Ook voor de executiefase wordt een afstemmingsforum gecreëerd, het Administratie- en Informatiecentrum in de executiefase.

2 De stroom van zaken in de keten inzichtelijk en transparant maken

Uit de onderzoeken naar ongewenste uitstroom van AEF en de Algemene Rekenkamer blijkt dat er onvoldoende inzicht is in de prestaties van de keten en dat over de prestaties in onvoldoende mate vooral in de opsporingsfase verantwoording kan worden afgelegd.

Ik heb daarom de volgende doelstelling vastgesteld:

  • In 2016 is de in- uit-, retour- en doorstroom van zaken volledig te verantwoorden en te verklaren.

Zoals ik in mijn brief van 23 november 2012 heb toegelicht wordt de strafrechtketenmonitor, een instrument dat de prestaties van de keten periodiek inzichtelijk maakt, ingrijpend verbeterd. Nog dit jaar heb ik op hoofdlijnen inzicht in de in- en uitstroom van zaken bij de afzonderlijke organisaties (inclusief voorraden en doorlooptijden). De monitor over de executieketen verschaft mij informatie over de prestaties in de executieketen met betrekking tot het sneller en zekerder tenuitvoerleggen van strafrechtelijke beslissingen en het beter informeren van slachtoffers en nabestaanden, gemeenten en zorginstellingen over (ex)-justitiabelen. De komende tijd worden de informatiestromen van de ketenpartners verder op elkaar afgestemd, zodat zaakstromen ook ketenbreed volledig te verantwoorden en te verklaren zijn.

3 Digitale informatie-uitwisseling, ook met de advocatuur en de burger is de norm in de keten

Digitalisering is een belangrijke voorwaarde om strafzaken sneller, slimmer, beter en transparanter af te wikkelen. Met behulp van digitale voorzieningen kunnen dossiers sneller beschikbaar worden gesteld, administratieve lasten sterk worden verminderd en zaakstromen beter worden gevolgd. Digitale voorzieningen dragen er toe bij dat de kwaliteit van zaaksafhandeling wordt vergroot en dus ongewenste uitstroom wordt tegen gegaan. Zo biedt de handhaving per handcomputer (zie hieronder) technische mogelijkheden – zoals het nemen van foto’s bij parkeerovertredingen- waarmee de bewijslast wordt versterkt. Tenslotte draagt digitaal werken ook bij aan het vergroten van inzicht in de in-, door- en uitstroom van zaken in de strafrechtketen.

Ik wil dat de strafrechtketen op zo kort mogelijk termijn wordt gedigitaliseerd en heb daarom de volgende doelstelling vastgesteld:

  • De norm is dat in 2016 processtukken in de strafrechtketen digitaal beschikbaar worden gesteld.

Concreet houdt dit in dat OM, rechtspraak en de partners in de executiefase (CJIB, JustID en 3RO) in 2016 processtukken digitaal uitwisselen. De politie is met volle kracht bezig de eigen informatievoorziening op orde te brengen. Dit is een noodzakelijke voorwaarde om de politie in 2016 aan te laten sluiten op de digitale uitwisseling tussen de partners van de keten.

Daarnaast zijn er in 2016 voorzieningen gerealiseerd ten behoeve van de digitale uitwisseling van processtukken door het OM en de Rechtspraak met de burger en de advocatuur. Hoewel digitale uitwisseling in 2016 de norm is, zal op verzoek de communicatie met de burger ook nog in papieren vorm plaatsvinden.

De digitale uitwisseling van processtukken vormt een eerste stap in het volledig digitaal werken in de strafrechtketen. De informatie- en procesarchitectuur van de keten – die digitaal werken mogelijk maakt – wordt vóór 2016 gerealiseerd. De implementatie van alle stappen is een langdurig proces en loopt ook na 2016 door.

Op korte termijn wordt ook de handhaving op straat grotendeels gedigitaliseerd. Op het gebied van de veelvoorkomende overtredingen, zoals verkeersovertredingen en feiten die met een strafbeschikking kunnen worden afgedaan, hoeven naar verwachting vanaf ultimo 2014 geen papieren bonnen meer te worden overhandigd. Bij wet wordt het mogelijk gemaakt om de handhaving met behulp van een handcomputer digitaal te laten verlopen.

Het digitaal werken van de politieagent op straat wordt de komende tijd verder ontwikkeld, waarbij – in aansluiting op de plaatsing van identificatiezuilen in arrestantencomplexen en wijkbureaus – met behulp van een handcomputer (smartphone) een verdachte sneller en beter kan worden geïdentificeerd. Met de smartphone kunnen in de nabije toekomst verschillende informatiesystemen van de politie ter plekke worden bevraagd, wat ten goede komt van de kwaliteit en snelheid van de strafrechtelijke handhaving. Deze nieuwe en innovatieve werkwijze heeft daarnaast een zeer positief effect op de vermindering van de administratieve lasten en op het opsporen van veroordeelden. Door deze integrale bevraging is het namelijk voor de politieagent gelijk zichtbaar of een persoon nog een strafrechtelijke beslissing heeft openstaan.

4 De doorlooptijden aanzienlijk verkorten

Zoals ik u onder meer in de brief van 23 november 2012 schreef wil ik de doorlooptijden van strafzaken aanzienlijk verkorten. Verdachten moeten immers sneller recht worden gedaan en daders effectiever gestraft. De overgrote meerderheid van de strafzaken die de keten instromen betreft standaardzaken, waardoor hier dan ook meeste tijdswinst wordt behaald. Ik had daarom reeds de volgende doelstelling geformuleerd:

  • In 2015 wordt twee derde van de standaardzaken binnen een maand afgehandeld.

Ik wil dat een standaardzaak binnen vier weken met een besluit tot een strafbeschikking of een uitgesproken vonnis in eerste aanleg wordt afgedaan. Standaardzaken kunnen ook – bijvoorbeeld – met een geldboete op buitengerechtelijke wijze worden afgedaan. In de volgende voortgangsbrief aan het einde van dit jaar zal ik u over de ontwikkeling van de doorlooptijden nader informeren.

Hieronder ga ik in op de belangrijkste maatregelen die ik tref om de doorlooptijden te versnellen. Deze maatregelen richten zich niet alleen op standaardzaken maar ook op meer complexe strafzaken en zaken in hoger beroep. Hieronder ga ik in op ZSM, snelrecht en de overige maatregelen van de rechtspraak om tot versnelling van werkprocessen te komen.

ZSM

De invoering van de ZSM-werkwijze, dik in mijn brief van november al de motor van de verandering noemde, betekent een belangrijke kwaliteitsimpuls voor de afhandeling van zaken op het gebied van veelvoorkomende criminaliteit. Met een slimme, snelle en directe behandeling van verdachten wordt de strafrechtelijke slagkracht versterkt en ontstaan selectieve, betekenisvolle en efficiënte interventies aan de voorkant van de strafrechtketen.

In het derde kwartaal van dit jaar zal de ZSM-werkwijze over heel Nederland zijn uitgerold. Alle regio’s werken dan met een operationele ZSM-locatie waar volgens een uniforme werkwijze standaardzaken worden beoordeeld en afgedaan. Vanaf dat moment zal het OM naar verwachting 75% van de strafzaken via de ZSM-werkwijze ontvangen. Van deze 75% zal naar verwachting weer 75% door middel van de ZSM-werkwijze worden afgedaan. Dit betreft ongeveer 140.000 van de 250.000 zaken op jaarbasis. Aangezien naar verwachting ruim 80% van de zaken die met de ZSM-werkwijze worden afgedaan binnen een maand voor de eerste maal worden beoordeeld5, en ruim 40% zelfs binnen een dag, zullen de doorlooptijden van standaardzaken hiermee aanzienlijk kunnen worden verkort.

De ZSM-werkwijze wordt nu doorontwikkeld tot een «versie 2.0». Deze verankert de bijdrage van de ketenpartners van OM en politie aan de doelmatige en betekenisvolle afhandeling van standaardzaken. Door OM en politie wordt tevens gewerkt aan voorstellen om te komen tot eenvoudige administratieve producten. De verwachting is dat hierdoor – naast de beoogde kwalitatieve verbetering – ook een beperking van de administratieve lasten voor de politie zal optreden.

Snelrecht

Voor de zaken die niet binnen ZSM kunnen worden afgedaan, of waarin een verdachte verzet aantekent tegen de door het OM opgelegde strafbeschikking, werken Rechtspraak en OM samen om snelle opvolging bij de rechter te laten plaatsvinden. Dit moet leiden tot landelijke afspraken die erin moeten voorzien dat ZSM-zaken zo veel mogelijk uiterlijk binnen een nog nader te bepalen aantal weken op een politierechterzitting worden afgedaan. Zaken die zich daarvoor lenen worden via een supersnelrecht- of snelrechtzitting (binnen drie respectievelijk 17 dagen) afgedaan. De overige zaken binnen een aantal weken daarna. In de samenwerking tussen de Rechtspraak en het OM worden op lokaal niveau nu al diverse initiatieven ontplooid om een snelle rechterlijke opvolging van ZSM-zaken te realiseren.

Versnelling werkprocessen rechtspraak

Naast de ZSM-werkwijze en het snelrecht worden bij verschillende rechtbanken pilotprojecten gestart gericht op verkorting van de doorlooptijden. Deze betreffen vooral de appointering6 van nieuw aangebrachte en aangehouden strafzaken, de agenda-afstemming met het OM, het kabinet van de rechter-commissaris, afspraken met procespartijen, sturing op een samenhangende dossier- en zaakslogistiek, het organiseren van een kwaliteitstoets op de door partijen voor de zitting aangeleverde stukken en het monitoren van de doorlooptijden van strafzaken. De projecten moeten uitmonden in een uniforme werkwijze op het gebied van organisatie en bedrijfsvoering die bij alle gerechten kan worden geïmplementeerd.

Daarnaast worden de werkprocessen voor de afdoening van zaken in hoger beroep verbeterd en versneld. In het najaar van 2012 zijn in de regio’s Rotterdam en Den Haag door het OM en de rechtbanken, het Hof en Reclassering Nederland projecten gestart die moeten leiden tot een versnelde afdoening van High Impact Crime-zaken. Een snellere uitspraak in hoger beroep komt tegemoet aan de belangen van het slachtoffer en zal het instellen van hoger beroep met als inzet het verkrijgen van uitstel ontmoedigen. Het project «A12» (in het ressort Arnhem) pakt de synchronisatieproblemen tussen rechtbank en gerechtshof aan om zo de doorlooptijden na instellen van het appel terug te brengen. Kern van het project is dat het hof de planning en appointering over het hele traject regisseert en ter plaatse bij de rechtbank de registratie en behandeling van het dossier reeds ter hand neemt.

5 Het aangifteproces is een hoogwaardig dienstverleningsproces waarbij de burger eenvoudig aangifte kan doen en snel en effectief wordt geholpen

De stroom van zaken in de strafrechtketen moet inzichtelijk en transparant zijn om de prestaties te kunnen verbeteren. Van wellicht nog groter belang is dat dit inzicht en deze transparantie ook wordt geboden aan de burger – veelal slachtoffer – die aangifte doet van een strafbaar feit. Die heeft er immers recht op te weten wat er met de aangifte gebeurt. Ik wil bereiken dat de strafrechtketen meer rekening houdt met – en zich opener opstelt – naar burger en slachtoffer. Ik heb daarom in mijn brief 20 november 20127 uiteengezet wat ik richting aangevers ga doen om hen over de opvolging en resultaten terug te koppelen. Afhankelijk van de zwaarte van het delict vindt deze terugkoppeling plaats. Vooral bij high impact crimes is de persoonlijke terugkoppeling van grote betekenis. Zo worden aangevers van woninginbraken sinds 1 januari 2013 binnen maximaal twee weken geïnformeerd over de voortgang van de behandeling van hun aangifte. Voor alle aangevers van high impact crimes is de volgende doelstelling geformuleerd:

  • In 2014 ontvangen alle aangevers van high impact crimes binnen maximaal twee weken een persoonlijke terugkoppeling.

Zoals ik al eerder in deze brief aangaf ontvangt u van mij op korte termijn een brief over de verbetermaatregelen ten aanzien van de aangifte. Deze brief gaat niet alleen in op de versterking van de verwerking en selectie van aangiften en overdracht van aangiften naar het opsporingsproces, maar ook op de versterking van de dienstverlening bij de intake van de aangifte.

De maatregelen moeten er niet alleen voor zorgen dat de ongewenste uitstroom van zaken wordt teruggedrongen maar ook dat burgers en bedrijven meer vertrouwen hebben in de dienstverlening van de politie. Hierdoor komen er meer zaken bij de politie terecht.

Uiteraard is verbetering van het aangifteproces niet het enige dat wordt gedaan om de belangen van het slachtoffer een belangrijke plaats in de strafrechtketen te geven. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 22 februari 2013 zijn visie op het slachtofferbeleid uiteengezet in een brief aan uw Kamer8. Hij beschrijft vijf beleidsdoelen die richting geven aan het (verbeteren van het) slachtofferbeleid en de maatregelen die hij daartoe, samen met de organisaties in de justitiële keten neemt. Eén van die vijf doelen is gericht op erkenning, zorgvuldige bejegening en adequate informatie voor slachtoffers, vanaf het moment van het eerste contact met de politie. Om slachtoffers tijdig en volledig te informeren over hun rechten, het verloop van hun zaak en de mogelijkheden voor hulp (in een taal die zij begrijpen) werken de ketenorganisaties gezamenlijk aan de introductie van een eenduidige informatievoorziening tussen de keten en het slachtoffer, zowel digitaal als telefonisch en – in ernstige zaken – via persoonlijke contacten. Vooruitlopend hierop is bij het OM het Slachtoffer Informatie Portaal voor hoger beroepzaken als pilot van start gegaan. Dit portaal biedt slachtoffers van een strafbaar feit de mogelijkheid om online de status van de strafzaak te volgen. Het is de bedoeling dat die dienst op termijn ook beschikbaar komt voor de eerste lijn en voor het informeren van het slachtoffer over het afzien van opsporing of het inzenden van het proces-verbaal door de politie.

6 Wetgeving

Een van de belangrijkste maatregelen die een positieve bijdrage levert aan vrijwel alle doelstellingen is de herstructering van (kern-)onderdelen van het Wetboek van Strafvordering en andere wetgeving. De wetgeving wordt ingezet om de regels en lasten te verminderen en zal een bijdrage leveren aan de versnelling van de doorlooptijden, het verminderen van administratieve lasten, de vereenvoudiging en stroomlijning van procedures en het digitaliseren van de strafrechtsketen. Ik streef er naar dat in 2016 het hiervoor ingestelde wetgevingsprogramma is afgerond. Hieronder treft u de stand van zaken aan van de wetgevingstrajecten.

Het wetsvoorstel uitbreiding gronden voorlopige hechtenis (33 360) is aanhangig bij de Eerste Kamer. De mogelijkheid een verdachte in voorlopige hechtenis te nemen tot aan de zitting, mits die zitting binnen 17 dagen wordt gehouden, kan zowel een positieve bijdrage leveren aan een snelle rechterlijke beslissing, als aan een snellere tenuitvoerlegging van die rechterlijke beslissing. Het gaat dan om de groep ergerlijke misdrijfplegers in de openbare ruimte of tegen personen in de uitoefening van een publieke taak.

Het wetsvoorstel digitale handhaving veelvoorkomende overtredingen wordt volgende week bij uw Kamer ingediend. Het wetsvoorstel versterking presterend vermogen van de politie bevindt zich bij de Afdeling Advisering van de Raad van State voor advies. Beide wetsvoorstellen beogen de administratieve lasten voor de politie te verminderen.

In voorbereiding zijn het wetsvoorstel digitaal strafdossier, dat de wettelijke grondslag voor het digitale strafdossier regelt, en het wetsvoorstel herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, met de algehele herziening van Boek 5 van het Wetboek van Strafvordering over de tenuitvoerlegging. Deze wetsvoorstellen zullen deze zomer voor consultatie aan de ketenpartners worden gezonden. Laatstgenoemd concept-wetsvoorstel bevat ook een herziening en modernisering van de betekeningsvoorschriften, waarmee wordt beoogd sneller een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing te verkrijgen. Onder meer wordt digitale betekening mogelijk gemaakt. Ook het concept-wetsvoorstel dadelijke tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen zal deze zomer in consultatie gaan.

Dit najaar wordt gestart met een aantal wetsvoorstellen dat onder meer leidt tot de herstructurering van (kern)onderdelen van het Wetboek van Strafvordering.

Het gaat daarbij om de regelingen van de opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen, het onderzoek ter terechtzitting, het hoger beroep en de internationale rechtshulp.

Een van de wetsvoorstellen die betrekking hebben op de herstructurering van de opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen, zal zien op de regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden. Sinds de inwerkingtreding van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden op 1 februari 2000 kent het Wetboek van Strafvordering in de artikelen 126g e.v. een groot aantal bevoegdheden die voordien niet in de wet geregeld waren, zoals de stelselmatige observatie en infiltratie. Daarnaast modificeerde deze wet bevoegdheden die wel reeds in de wet geregeld waren (zoals de telefoontap). Conform de structuur van deze wetgeving is hierna het arsenaal aan bevoegdheden, gekoppeld aan diverse inzetcriteria en vormen van criminaliteit, verder uitgedijd. Het is noodzakelijk om deze wetgeving voor de praktijk overzichtelijker te maken en de administratieve verrichtingen die de uitvoering van de wetgeving met zich meebrengt te verminderen, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het waarborgkarakter van deze voorschriften. De regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden zal daarom in het kader van het wetgevingsprogramma worden herzien en gestroomlijnd. Beoogd wordt de regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden eenvoudiger en toegankelijker vorm te geven. Gezien het bijzondere belang van deze vormen van opsporing heb ik mr. dr. J.T.K. Bos als raadadviseur in algemene dienst met de voorbereiding van dit wetgevingstraject belast.

Strafrechtketen na 2016

Hiervoor zijn diverse maatregelen beschreven die worden getroffen om concrete doelstellingen te bereiken waarmee de prestaties van de strafrechtketen in 2016 aanzienlijk zijn verbeterd. Maar ik kijk verder dan 2016.

Na 2016 zal de strafrechtketen zich moeten blijven ontwikkelen om de prestaties verder te verbeteren. Daarom werk ik met de ketenpartners aan een «plan Strafrechtketen 2025». Dit gebeurt in de vorm van een denktank onder leiding van de directeur NFI.

In het plan wordt een consistent en gezamenlijk toekomstbeeld van het gewenste functioneren van de strafrechtsketen in 2025 geschetst. In het plan zal tenminste aandacht worden besteed aan het stroomlijnen van operationele processen binnen de strafrechtsketen en het optimaal benutten van technologische mogelijkheden om de keten efficiënter en effectiever te laten functioneren. Over het plan zal ik uw Kamer in de eerste voortgangsrapportage van 2014 berichten.

Financiële gevolgen doelmatiger strafrechtketen

Met de uitvoering van de in deze brief genoemde maatregelen zal de keten doelmatiger functioneren. In het Regeerakkoord is hiermee rekening gehouden en is een efficiëntietaakstelling «doelmatiger strafrechtketen» opgenomen. Door een betere aansluiting van en samenwerking tussen de verschillende schakels in de keten worden efficiëntiewinsten gerealiseerd. In mijn brief van 17 mei 2013 over de nadere uitwerking van de budgettaire opgave Veiligheid en Justitie, heb ik aangegeven in de nu voorliggende brief terug te komen op de uitwerking van de efficiëntiewinst van € 30 miljoen in 2014, oplopend tot 60 miljoen vanaf 2015.

De efficiëntietaakstelling wordt in 2014 ingevuld met een aantal ketenbrede verbetermaatregelen. Zo levert het centraal verwerken van flitsboetes, waar dat nu nog decentraal gebeurt, een efficiëntere verwerking van boetes en hogere boeteontvangsten op. Ook zullen de digitaliseringsinitiatieven, waaronder de digitale uitwisseling van processtukken (zie ook paragraaf 4) tot besparingen leiden.

Op dit moment wordt onderzocht hoe de aanvullende meerjarige invulling van de efficiëntietaakstelling precies kan worden uitgevoerd. Doel is om tot ketenbrede besparingsvoorstellen te komen, ter dekking van de meerjarige efficiëntietaakstelling, die zullen bijdragen aan een doelmatiger strafrechtketen.

Eind 2013 zal ik u naar verwachting kunnen berichten over de nadere uitwerking van de meerjarige invulling van de efficiëntietaakstelling.

Samenvattend en vervolg

In deze brief heb ik mijn ambities ten aanzien van de prestaties van de strafrechtketen toegelicht, de doelstellingen die ik in het licht van deze ambities heb geformuleerd en de maatregelen die ik tref om deze doelstellingen te bereiken. De volgende concrete verbeteringen van de strafrechtketen zullen de komende jaren achtereenvolgens worden gerealiseerd:

  • ZSM is in 2013 landelijk uitgerold;

  • Vanaf 2014 ontvangen alle aangevers van high impact crimes binnen maximaal twee weken een persoonlijke terugkoppeling en kan de handhaving op straat zonder papieren bonnen plaatsvinden;

  • In 2015 wordt twee derde van de standaardzaken binnen een maand afgehandeld;

  • In 2016 is de norm dat procestukken binnen de keten digitaal worden uitgewisseld, is de in- uit-, retour- en doorstroom van zaken volledig te verantwoorden en te verklaren en is het Wetboek van Strafvordering en andere wetgeving aangepast.

Ik zal u halfjaarlijks informeren over de algemene voortgang van de in deze brief beschreven doelstellingen en maatregelen op het gebied van de versterking van de prestaties van de strafrechtketen.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Zo houdt de Aanwijzing onvoldoende rekening met het strafrecht als ultimum remedium; sommige zaken kunnen bijvoorbeeld beter door middel van mediation of civiel recht worden afgedaan.

X Noot
3

Kamerstuk 33 400 VI, nr. 90,

X Noot
4

Een Europees Arrestatie Bevel wordt alleen toegepast bij openstaande vrijheidsstraffen van 120 dagen of meer.

X Noot
5

Een eerste beoordeling kan bijvoorbeeld inhouden het opleggen van een strafbeschikking of het besluit om een zaak voor te laten komen voor de (snel-)rechter.

X Noot
6

Dag- en tijdsbepaling van zaken op zitting

X Noot
7

Kamerstuk 29 682, nr. 340

X Noot
8

Kamerstuk 33 552, nr. 2