Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201329628 nr. 346

29 628 Politie

Nr. 346 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 december 2012

Op 26 juni jl. zond ik u het concept-inrichtingsplan van de nationale politie (Kamerstuk 29 628, nr. 322). Het concept-inrichtingsplan en het concept-realisatieplan zond ik tevens aan betrokken partijen ter consultatie met het verzoek om een schriftelijke reactie. Daarnaast heb ook ik zelf vele gesprekken gevoerd over de concept-plannen met de Centrale Ondernemingsraad in oprichting, de politievakbonden en de regioburgemeesters en de voorzitter van het college van procureurs-generaal. Het laatste gesprek hierover heb ik nog op 3 december jl. gevoerd.

Uit de consultatie zijn vele – soms ook kritische – opmerkingen, suggesties en wijzigingsvoorstellen voortgekomen, op hoofdlijnen maar ook op detailniveau. Waar mogelijk zijn deze verwerkt in de nu door mij vastgestelde plannen. Als rode draad uit de consultatie ervaar ik steun voor de richting die ik met de nationale politie ben ingeslagen.

Het spreekt voor zich dat ik niet alle opmerkingen en suggesties heb kunnen verwerken, bijvoorbeeld indien deze afwijken van afspraken met het parlement, indien deze naar mijn oordeel niet bijdragen aan een effectieve en efficiënte inrichting van de organisatie, of indien deze het (werkings)vragen betroffen die naar hun aard niet in beide plannen thuishoren. Het spreekt ook voor zich dat in de daadwerkelijke realisatiefase vanaf 1 januari 2013 nog vele stappen moeten worden gezet, die eventueel zouden kunnen leiden tot bijstelling van de plannen. De vorming van nationale politie is een zodanige operatie dat werkendeweg bijstellingen mogelijk moeten blijven. Indien dit nodig blijkt zal dat gebeuren in overleg met betrokken partijen.

Nadat ik ook van de Centrale Ondernemingraad in oprichting van de politie positief advies had gekregen heb ik het inrichtingsplan en het realisatieplan vastgesteld. Ik bied u deze plannen hierbij aan1. Tevens treft u aan, zoals ik in het Algemeen Overleg van 22 november jl. heb toegezegd, de door mij ontvangen reacties op de consultatie van het concept inrichtingsplan en concept realisatieplan alsmede mijn antwoordbrieven aan de geconsulteerde partijen1.

Ik heb er alle vertrouwen in dat op basis van deze plannen een politieorganisatie tot stand komt die bijdraagt aan het veiliger maken van Nederland, die meer professionele ruimte biedt voor de politiemedewerkers en die het gezag een organisatie geeft die adequaat in staat is de opdrachten van het gezag uit te voeren.

Bij brief van 8 november jl. heeft u mij verzocht uw Kamer bij het aanbieden van het inrichtingsplan in te gaan op de reactie van de politiebonden op het conceptinrichtingsplan, alsmede nader in to gaan op het boek «Het Nationale Politiekorps» van de heer prof. dr. C. Fijnaut in relatie tot het inrichtingsplan.

Aan deze verzoeken voldoe ik graag. Ten aanzien van de reactie van de politiebonden verwijs ik u kortheidshalve naar de bijgaande brief die ik aan de voorzitters van de politievakbonden heb verstuurd in antwoord op hun consultatiereactie.

Naar aanleiding van het verzoek om, in aanvulling op mijn eerdere reactie (TK, 2012–2013, 29 628 nr. 331), nader in te gaan op het boek «Het nationale politiekorps» van de heer prof. dr. C. Fijnaut in relatie tot het inrichtingsplan merk ik ten eerste op dat de schrijver zich een groot voorstander toont van nationale politie. Nationale politie is daarbij geen doel maar een middel om te komen tot een efficiëntere, effectievere en kwalitatief betere politiezorg.

In zijn boek heeft de heer Fijnaut enkele kanttekeningen geuit bij de beoogde structuur van het landelijke korps als ook bij het concept-inrichtingsplan voor de nationale politie. Zo geeft hij wat betreft de structuur aan dat hij het weinig gelukkig vindt dat de regionale indeling van het korps is gebaseerd op de nieuwe herziene gerechtelijke kaart en de onderverdeling daarvan in districten en basiseenheden. Zijn voorkeur gaat uit naar een korps dat districtsgewijze is opgehangen aan de 25 grote gemeenten. Een korps dat in zijn visie slechts twee lagen kent, een landelijke en een districtelijke.

Ik merk op dat een dergelijke structuur van de nationale politie, zoals voorgesteld door de heer Fijnaut, niet mogelijk is binnen de kaders van de Politiewet 2012. De wet bepaalt immers (artikel 25 lid 1) dat er een regionale eenheid is in ieder arrondissement van de herziene gerechtelijk kaart. Ook bepaalt de wet dat de regionale eenheden zijn ingedeeld in districten en basisteams (artikel 37 lid 2). Juist over deze kaders heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden met alle stakeholders van de politie, zoals de gezagsdragers, en natuurlijk ook met de beide Kamers der Staten-Generaal. Juist het feit dat zo uitgebreid overleg heeft plaatsgevonden over deze kaders en het feit dat zij in de wet zijn opgenomen, geef het maatschappelijke belang weer van deze kaders.

De heer Fijnaut oordeelt dat het concept-inrichtingsplan voor de nationale politie een stuk leesbaarder en begrijpelijker is geschreven dan het Ontwerpplan. Hij geeft daarbij aan dat het feit dat de politie in de breedte en in de hoogte op een uniforme manier wordt georganiseerd een meer vlotte interne horizontale en verticale samenwerking mogelijk maakt en als vanzelf ook de externe samenwerking met andere instellingen bevordert, zowel nationaal al internationaal. Om die reden moet het korps in zijn ogen op een gestructureerde, coherente, doelmatige, doeltreffende en ook innovatieve manier belangrijke maatschappelijke problemen aan kunnen pakken. Als kritische kanttekening daarbij geeft de heer Fijnaut aan dat het beter ware geweest wanneer de taakuitvoering en het beheer op het subnationale niveau niet waren verdeeld over drie niveaus (regionale eenheden, districten en basisteams) maar waren gebundeld op één enkel niveau: dat van de 25 districten die zijn opgehangen aan de 25 grote gemeenten. Zoals ik hierboven reeds heb ik al aangegeven past deze structuur niet binnen de wettelijke kaders. Daarnaast moet ik opmerken dat er kennelijk sprake is van een misverstand. Het beheer over het landelijke korps ligt alleen op het landelijke niveau, niet op het niveau van de regionale eenheden, de districten en de basisteams zoals de heer Fijnaut suggereert. In mijn ogen is eenheid van beheer een belangrijke voorwaarde om de eenheid van de nationale politie te kunnen garanderen. Het misverstand is er wellicht in gelegen dat een deel van het beheer wel gedeconcentreerd wordt uitgevoerd, teneinde nabijheid van die uivoering bij de operatie te bewerkstelligen.

Belangrijk punt van kritiek van de heer Fijnaut is tenslotte dat, in het kort samengevat, de basisteams te klein zijn om zelfstandig de basispolitietaken te kunnen uitvoeren en dat de regionale eenheden juist weer te groot zijn en te ver van de eerstelijns politietaak af zijn georganiseerd. Anders is zijn oordeel over de samenstelling van de landelijke eenheid die in zijn ogen op onderscheiden vakgebieden volkomen beantwoorden aan wat op (inter)nationaal niveau nodig is.

Wat betreft de omvang van de basisteams wil ik opmerken dat deze groter is dan in het huidige regionale bestel en dat de indeling van de basisteams de instemming heeft van de betrokken gezagsdragers. Juist vanwege de grote afstand tussen het niveau van de regionale eenheden en de basisteams zijn bepaalde taken op districtelijk niveau georganiseerd. Ook deze indeling heeft overigens de instemming van de betrokken gezagsdragers.

Hoewel ik ervan overtuigd ben dat de in het inrichtingsplan opgenomen structuur van het landelijke korps een goede «blauwdruk» vormt voor de realisatie van het landelijke korps zal ik er kritisch op blijven dat de met de realisatie van het landelijke korps beoogde doelstellingen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Ik sta daarin overigens niet alleen. Ook de gezagsdragers, de burgers, de instellingen die met de politie samenwerken, de gemeenteraden en uw Kamer zullen de prestaties van de politie nauwkeurig volgen. Aan het feitelijk functioneren van de politie kan de kwaliteit van het landelijke korps pas echt afgemeten worden. Waar nodig zullen aanpassingen in de inrichting plaatsvinden. De Politiewet 2012 tenslotte bepaalt dat, onder andere, de doeltreffendheid en de effecten van het politiewerk in de praktijk zullen worden geëvalueerd. Deze evaluatie zal binnen drie jaar na inwerkingtreding van de wet plaatsvinden in de regionale eenheid Oost-Nederland en binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de wet voor heel Nederland.

De minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer