Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2011-2012
Kamerstuk 33240-XIII nr. 1

Gepubliceerd op 15 mei 2012



33 240 XIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie 2011

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE (XIII)

Aangeboden 16 mei 2012

Gerealiseerde verplichtingen van EL&I verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

Gerealiseerde verplichtingen van EL&I verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

Gerealiseerde uitgaven van EL&I verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

Gerealiseerde uitgaven van EL&I verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

Gerealiseerde ontvangsten van EL&I verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

Gerealiseerde ontvangsten van EL&I verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x 1 mln)

INHOUDSOPGAVE

     

blz.

       

A.

ALGEMEEN

7

1.1

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

7

1.2.

Leeswijzer

11

       

B.

HET BELEIDSVERSLAG

14

1.3.1

De Beleidsprioriteiten

14

       

1.3.2

De Beleidsartikelen

28

 

1.

Goed functionerende economie en markten in Nederland en Europa

28

 

2.

Een sterk innovatievermogen

36

 

3.

Een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat

48

 

4.

Doelmatige en duurzame energiehuishouding

61

 

5.

Internationale economische betrekkingen

73

 

8.

Economische analyses en prognoses

84

 

9.

Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

87

 

10.

Elektronische communicatie en post

90

 

31.

Duurzaam Ondernemen

99

 

32.

Agrarische Ruimte

113

 

33.

Natuur

115

 

34.

Landschap en Recreatie

124

 

35.

Voedselkwaliteit en Diergezondheid

128

 

36.

Kennis en Innovatie

134

 

37.

Bodem, water en reconstructie zandgebieden

142

       

1.3.2

De Niet-beleidsartikelen

144

 

21.

Algemeen

144

 

22.

Nominaal en onvoorzien

147

 

38.

Nominaal en onvoorzien

148

 

39.

Algemeen

149

       

1.3.3.

De Bedrijfsvoeringsparagraaf

152

       

C.

JAARREKENING

156

1.4.1.

Departementale verantwoordingsstaat

156

 

Samenvattende verantwoordingsstaat inzake Baten-lastendiensten van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

158

1.4.3.

Toelichting bij de samenvattende verantwoordingsstaat inzake Baten-Lastendiensten

159

 

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

159

 

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

163

 

Dienst Regelingen (DR)

169

 

Agentschap NL (AGNL)

173

 

Agentschap Telecom (TL)

180

 

Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA)

185

1.4.4

Saldibalans voormalig EZ per 31 december 2011

190

1.4.5

Saldibalans voormalig LNV per 31 december 2011

199

       

D.

BIJLAGEN

208

1.

Toezichtsrelaties en ZBO’s/RWT’s

208

2.

EU-bijlage

222

3.

Overzicht niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijke personeel (externe inhuur)

228

4.

Lijst van afkortingen

230

A. ALGEMEEN

1.1 AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, het departementale jaarverslag van het jaar Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (XIII )

over het jaar 2011 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie decharge te verlenen over het in het jaar 2011 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeesvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2011;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2011 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2011, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2011 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlenign door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

1.2. Leeswijzer

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Opbouw jaarverslag;

  • 2. Integratie waarderings- en presentatiegrondslagen;

  • 3. Groeiparagraaf;

  • 4. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens;

  • 5. Prestatiegegevens.

1. Opbouw jaarverslag

Met de Incidentele Suppletoire Begroting 2011 (TK, 2010–2011, 32 609 XIII) zijn de oorspronkelijke begrotingen van het voormalige Ministerie van Economische Zaken (EZ/hoofdstuk XIII) en het voormalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV/hoofdstuk XIV) samengevoegd tot één begroting van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). Vandaar dat in dit jaarverslag nu ook één verantwoording kan worden afgelegd.

Met instemming van het Ministerie van Financiën is besloten om de daadwerkelijke consolidatie van de financiële administraties van voormalig EZ en LNV per 1 januari 2012 te realiseren. Als gevolg hiervan zijn in het jaarverslag twee saldibalansen opgenomen en is in de toelichting de benaming van de voormalige departementen aangehouden. Uiteraard vallen alle balansposten onder de verantwoordelijkheid van EL&I.

Het jaarverslag bevat een beleidsverslag, een jaarrekening en een aantal bijlagen. Deze bevatten informatie over het in 2011 gevoerde beleid van het Ministerie van EL&I.

In de begroting 2011 van EZ zijn in de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen de verplichtingen gespecificeerd per operationele doelstelling. In het EL&I jaarverslag 2011 wordt in de tabellen «budgettaire gevolgen van beleid», conform de Rijksbegrotingsvoorschriften, de realisatie gespecificeerd voor de uitgaven per operationele doelstelling.

In het beleidsartikel 33 (natuur) is een overzicht opgenomen van alle begrotingsmutaties in 2011 met betrekking tot het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG).

Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen in de realisatie versus de vastgestelde begroting 2011 wordt een ondergrens van € 3 mln gehanteerd. In sommige gevallen, waar politiek relevant, worden ook posten toegelicht beneden deze ondergrens.

2. Integratie waarderings- en presentatiegrondslagen

Het Ministerie van EL&I is bezig met de integratie van de beide voormalige departementen EZ en LNV. Op grond van de gestelde prioriteiten is in 2011 de integratie van diverse processen, systemen en kaders van voormalig EZ en voormalig LNV gerealiseerd, deels vindt realisatie in 2012 plaats. Bij de financiële verslaglegging vindt, op grond van besluitvorming in januari 2012, harmonisatie voor een aantal waarderings- en presentatiegrondslagen in 2012 plaats. Voor 2011 wordt nog gehandeld conform de bestendige gedragslijnen. Hierdoor zijn er in de jaarrekening 2011 enkele verschillen in de toegepaste waarderings-en presentatiegrondslagen. Het gaat om de volgende onderwerpen:

  • terugontvangsten op eerder in het jaar verrichte uitgaven verantwoordt voormalig EZ in mindering op de uitgaven, voormalig LNV verantwoordt deze terugontvangsten als ontvangst (niet in mindering van bezwaar), tenzij het om grotere bedragen gaat;

  • de baten-lastendiensten van voormalig EZ nemen in de balans een voorziening op voor jubileumuitkeringen, de baten-lastendiensten van voormalig LNV doen dit niet;

  • de baten-lastendiensten van voormalig EZ hanteren een ruimer omzetbegrip, waardoor zij in een aantal gevallen ook programmagelden als omzet verantwoorden, de baten-lastendiensten van voormalig LNV doen dit niet.

In de saldibalans presenteert EL&I de volledige cijfers in tegenstelling tot de voorschriften van de RBV waar afronding tot op duizend euro wordt voorgesteld.

3. Groeiparagraaf

In het Wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2010 van LNV heeft de staatssecretaris van EL&I toegezegd dat in het jaarverslag 2011 nadere beleidsconclusies en beleidsprestaties worden geformuleerd. In het beleidsprioriteitendeel van het beleidsverslag wordt verantwoording afgelegd over de beleidsprioriteiten van EL&I en de belangrijkste concrete beleidsresultaten in 2011. In de beleidsartikelen treft u nadere financiële- en beleidsinformatie aan over de verschillende beleidsterreinen, onderverdeeld per algemene doelstelling en operationele doelstellingen.

4. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens

Het jaarverslag bevat zowel financiële als niet-financiële gegevens. Deze gegevens zijn aan verschillende controlenormen onderhevig. De controle van financiële informatie is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de Comptabiliteitswet 2001 en de Rijksbegrotingsvoorschriften 2012 (RBV). De controle van beleidsinformatie en informatie over de bedrijfsvoering is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de RBV. Ter borging van de betrouwbaarheid van de informatie inzake de prestatiegegevens in de begroting en het jaarverslag, heeft de Auditdienst net als in voorgaande jaren een audit uitgevoerd.

Op grond van artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (Stb. 2006, 95) dient in het jaarverslag een overzicht opgenomen te worden van medewerkers die in het verslagjaar meer verdiend hebben dan het gemiddelde belastbare loon van de ministers. Dit gemiddelde belastbare jaarloon is voor 2011 vastgesteld op € 193 000. In 2010 was dit eveneens € 193 000. Voor het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is geen sprake van medewerkers met een hoger gemiddeld belastbaar loon dan hiervoor vermeld.

5. Prestatiegegevens

Voor het opnemen van prestatiegegevens in de beleidsartikelen is het «comply or explain»-beginsel van toepassing. Dit houdt in dat er kan worden afgeweken van de bepaling om het beleid met kwantitatieve indicatoren meetbaar te maken, mits wordt uitgelegd waarom dit niet zinvol of relevant is.

In de beleidsartikelen is een combinatie van prestatiegegevens opgenomen van kengetallen die inzicht bieden in relevante ontwikkelingen op het betreffende beleidsterrein en prestatie-indicatoren die inzicht geven in het bereiken van specifieke resultaten op instrumentniveau.

Zoals aangegeven in de oorspronkelijke begroting 2011 van EZ kan voor operationele doelstelling 1 in artikel 5 (Een open internationaal handels- en investeringsverkeer en een versterkte, duurzame, internationale economische rechtsorde) geen prestatiegegevens worden geformuleerd.

Ook onder de operationele doelstelling 31.11 (Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat) zijn geen prestatiegegevens opgenomen. In de oorspronkelijke begroting van LNV voor 2011 waren onder deze operationele doelstelling drie indicatoren opgenomen op het gebied van regeldruk. Het regeldrukbeleid is sinds het aantreden van het nieuwe kabinet vernieuwd. Er is geen aparte administratieve lasten of toezichtlasten reductiedoelstelling meer voor 2011. De rijksbrede doelstelling voor administratieve lasten is nu een netto reductie van 10% in 2012 ten opzichte van begin 2011. Het kabinet heeft de reductiedoelstelling voor nalevingskosten eveneens vernieuwd. Dit betekent dat vanaf begin 2011 niet meer is gemonitord op de doelstellingen, zoals die zijn opgenomen in begroting 2011. Dit geldt ook voor de indicator «administratieve lasten vermindering door EL&I als vakdepartement (cumulatief)» in artikel 3 onder de operationele doelstelling 2 (Stimuleren meer en beter ondernemerschap).

Zoals aangegeven in de oorspronkelijke begroting 2011 van LNV wordt voor de beleidsartikelen 32, 33, 34 en 37 verwezen naar de jaarlijks (nog te verschijnen) voortgangsrapportage over het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG).

Voor informatie over de voortgang van de Ecologische Hoofdstructuur (artikel 33) in 2011 wordt verwezen naar de nog te verschijnen voortgangsrapportages van het groot project Ecologische Hoofd Structuur (EHS) en de Natuurmeting op kaart.

B. HET BELEIDSVERSLAG

1.3.1 De Beleidsprioriteiten

Inleiding

2011 was het jaar van de fusie tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en het Ministerie van Economische Zaken (EZ). Dit jaarverslag rapporteert dan ook voor de laatste keer volgens de artikelen die gebruikelijk waren vóór de fusie. Dat neemt niet weg dat de thema’s van het voormalige Ministerie van EZ en het voormalige Ministerie van LNV in dit verslag al verregaand zijn geïntegreerd.

De missie van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie luidt als volgt: Het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie staat voor een ondernemend Nederland, met een sterke internationale concurrentiepositie en met oog voor duurzaamheid. We zetten ons in voor een uitstekend ondernemersklimaat. Door de juiste randvoorwaarden te creëren en door ondernemers de ruimte te geven om te vernieuwen en te groeien. Door aandacht te hebben voor onze natuur en leefomgeving. Door samenwerking te stimuleren tussen onderzoekers en ondernemers. Zo bouwen we onze topposities in landbouw, industrie, diensten en energie verder uit en investeren we in een krachtig en duurzaam Nederland.

1. Economische ontwikkelingen in 2011

De Nederlandse economie is in 2011 tot stilstand gekomen. Door onzekerheden in de eurozone, koopkrachtdaling en onzekerheden op de huizenmarkt daalde het consumentenvertrouwen naar een historisch laag niveau. Als gevolg hiervan besteedden consumenten minder, wat een effect had op de economische groei. Over 2011 was deze groei slechts 1,2%. In het begin van het jaar was de kwartaal-op-kwartaalgroei nog 0,7%. Deze daalde naar 0,2% in het tweede kwartaal, om vanaf het derde kwartaal om te slaan in een krimp van het bruto binnenlands product van 0,2%. De daaropvolgende krimp van 0,7% in het vierde kwartaal betekende dat Nederland in de tweede helft van 2011 officieel in recessie belandde.

Ook een teruglopende wereldgoederenhandel had een effect op de economische groei. De voor Nederland zo belangrijke wereldgoederenhandel is gedurende het jaar per saldo nauwelijks gegroeid. Waar in 2010 de uitvoergroei nog bijna 11% bedroeg, daalde deze in 2011 naar een krappe 4%. De export groeide in de eerste helft van het jaar, maar kromp in de tweede helft. Door druk op haar financiën, kon de overheid haar bestedingen met slechts 0,4 procent laten stijgen. Al deze factoren droegen bij aan het terugvallen van de economische groei.

Vanwege zorgen over hun financiële situatie en vermogensverliezen daalde het consumentenvertrouwen in 2011 naar een zeer laag peil. In lijn met dit lage vertrouwen hielden consumenten hun hand op de knip, waardoor de invloed van de consumentenbestedingen op de groei van het bruto binnenlands product in alle kwartalen negatief was. De huishoudens deden in totaal 0,9% minder consumptieve bestedingen.

Het jaar begon goed. Mede dankzij het zachte winterweer waren het de investeringen die de groei in het eerst kwartaal omhoog stuwden en een merkbaar deel van de groei over heel 2011 hebben bewerkstelligd. In de laatste drie kwartalen van het jaar krompen de investeringen. Toch is in 2011 per saldo 5,6% meer geïnvesteerd dan in 2010.

De meeste sectoren groeiden in 2011. Na omvangrijke krimp had in 2010, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), de bouw de sterkste groei (4,5%) en daarnaast presteerde ook de industrie met 3,4% groei bovengemiddeld. De sectoren cultuur, recreatie en dergelijke alsmede de delfstoffenwinning krompen, respectievelijk met 0,3% en 7,9%. Mild winterweer verklaart waarom de gassector in toegevoegde waarde gekrompen is: er werd minder verstookt.

2. Nederland internationaal sterk positioneren: inzetten op de top

Het kabinet heeft in 2011 een nieuw bedrijvenbeleid ingezet. Uitgangspunt is dat de overheid niet stuurt met regels en subsidies, maar dat Nederlandse bedrijven de ruimte krijgen om te ondernemen, te investeren, te innoveren en te internationaliseren. Want niet de overheid maar ondernemers benutten economische kansen en creëren daarmee economische groei, werkgelegenheid en welvaart.

De ambitie van het bedrijvenbeleid is:

  • 1. Nederland in de top 5 van kenniseconomieën in de wereld (in 2020);

  • 2. Nederland in de top tien van wereldranglijsten internationale handel;

  • 3. Stijging van de Nederlandse R&D-inspanningen naar 2,5% van het BBP (in 2020);

  • 4. Topconsortia voor Kennis en Innovatie waarin publieke en private partijen participeren voor meer dan € 500 mln waarvan tenminste 40% gefinancierd door het bedrijfsleven (in 2015).

Het nieuwe bedrijvenbeleid richt zich op versterking van de topsectoren van de Nederlandse economie 1 en houdt effectief in (i) minder subsidies in ruil voor lagere belastingen, (ii) minder en eenvoudiger regels, (iii) ruimere toegang tot bedrijfsfinanciering, (iv) betere benutting van de kennisinfrastructuur door het bedrijfsleven, (v) betere aansluiting van fiscaliteit, onderwijs en diplomatie op de behoefte van het bedrijfsleven, en (vi) meer economische diplomatie en heldere afspraken met marktpartijen. De gouden driehoek van ondernemers, onderzoekers en de overheid werkt gezamenlijk aan het opstellen van dit beleid. Kern van de aanpak is dat de behoefte van ondernemers (zowel grootbedrijf, als het midden- en kleinbedrijf) en onderzoekers centraal staat (vraagsturing). De overheid inspireert, faciliteert en brengt partijen bij elkaar en borgt uiteraard publieke belangen. De topsectoren van de Nederlandse economie kunnen zich alleen door samenwerking tussen ondernemers, onderzoekers en de overheid blijvend onderscheiden op de wereldmarkt.

Tien topteams hebben in 2011 ambitieuze agenda’s opgesteld voor de versterking van hun sector. Het kabinet heeft in september 2011 aangegeven de agenda’s op hoofdlijnen over te nemen 2 en een groot aantal maatregelen te nemen om de randvoorwaarden voor topsectoren en overige bedrijven te versterken, onder andere innovatiefonds MKB+ en RDA/RDA+ (zie paragraaf 3). In december 2011 hebben de topteams ambitieuze voorstellen voor innovatiecontracten en human capitalagenda’s neergelegd. In de innovatiecontracten verwoorden alle partijen – het bedrijfsleven, de wetenschap en de kennisinstellingen en de overheid – hun bereidheid om de kennis- en innovatieagenda’s verder uit te werken, alsmede hun (financiële) inzet om bij te dragen aan een excellente privaat-publieke kennisinfrastructuur voor de topsectoren (inclusief ICT en Bio-Based Economy). Een essentieel onderdeel van de innovatiecontracten wordt gevormd door de topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI), die moeten zorgen voor bundeling van excellente privaat-publieke samenwerking in de topsectoren (i.c. regie, netwerkvorming en kennisverdeling). De human capitalagenda’s bevatten o.a. een analyse van de behoefte aan human capital in de topsector, een gezamenlijke visie op het onderwijs (van vmbo tot wo en scholing) dat daarvoor nodig is en afspraken over bijdragen van onderwijs en bedrijfsleven aan de uitvoering van de agenda.

Ook stond 2011 in het teken van de decentralisatie van het regionaal economisch beleid. In dit kader zijn verschillende instrumenten gedecentraliseerd zoals het bedrijventerreinenbeleid en een deel van de middelen voor Sterke Regio’s. Er is eenmalig € 34,8 mln uitgekeerd aan de decentrale overheden (de zogeheten zachte landing van de Pieken in de Delta regeling).

Het kabinet is erg tevreden met de energie en dynamiek die de topsectorenaanpak in 2011 teweeg heeft gebracht. Ondernemers en onderzoekers willen graag de schouders onder het beleid zetten en zijn juist ook in economisch zware tijden bereid om te blijven investeren in onderzoek en innovatie. De innovatiecontracten zullen in het voorjaar van 2012 ondertekend worden door het bedrijfsleven, wetenschap en kennisinstellingen en de overheid.

In 2011 werd nogmaals bevestigd dat de wereld om ons heen in hoog tempo verandert. Ondanks de tegenvallende groei in de ontwikkelde markten groeiden de opkomende markten gestaag verder. Dat dwingt ons te zoeken naar nieuwe afzetmarkten en ons aan te passen aan de nieuwe machtsverhoudingen. In 2011 is een begin gemaakt met het opstellen van op maat gemaakte programma’s op internationaal gebied per topsector, die in 2012 afgerond en geïmplementeerd worden. Daarnaast is stevig ingezet op economische diplomatie. In veel opkomende markten, waaronder de BRIC-landen, heeft de overheid een grotere grip op de economie dan in de ontwikkelde markten en kunnen goede contacten met de overheid, via het postennetwerk en handelsmissies, een doorslaggevende rol spelen. Het doel is dan ook het vergroten van markttoegang, het verbeteren van het level playing field en het oplossen van belemmeringen voor het Nederlandse bedrijfsleven op internationale markten. In 2011 is een interdepartementale werkgroep economische diplomatie opgericht waarin de kansen, projecten en problemen voor het Nederlandse bedrijfsleven worden geïnventariseerd. Deze inventarisatie voedt onder andere de strategische reisagenda. De bewindslieden zijn zeven maal op handelsmissie naar het buitenland gereisd, om daar persoonlijk deuren te openen voor het bedrijfsleven. Deze missies, naar onder andere Rusland, Brazilië en Vietnam, hebben voor de deelnemende bedrijven hoogwaardige contracten opgeleverd. Het beleid is niet alleen naar buiten gericht. In 2011 heeft de NFIA voor een recordwaarde van € 1,47 mld aan buitenlandse investeringen naar Nederland gehaald.

De belangrijkste resultaten in 2011 waren:

  • In de tweede helft van 2011 zijn de agenda’s in de vorm van innovatiecontracten en human capitalagenda’s opgesteld en in december 2011 aan de minister van EL&I aangeboden. In totaal gaat het om een bedrag van ruim € 1,5 mld per jaar aan privaat commitment.

  • De instituten voor toegepast onderzoek (TNO, DLO en GTI’s), de instellingen voor fundamenteel onderzoek en de universiteiten hebben in 2011 een belangrijke rol gespeeld bij het tot stand komen van de innovatiecontracten en de human capital agenda’s. Hiermee heeft EL&I mede invulling gegeven aan zijn nieuwe verantwoordelijkheid vanuit het regeerakkoord.

  • NFIA heeft in 2011 193 projecten van buitenlandse investeringen naar Nederland gehaald. Dit aantal was een record en deze projecten vertegenwoordigen een waarde van maar liefst € 1,47 mld en 4 358 arbeidsplaatsen.

  • In 2011 heeft het Cluster Strategische Acquisitie twee hoogwaardige, kennisintensieve buitenlandse investeringen naar Nederland gehaald. Dit zijn de eerste 2 projecten van de voorgenomen 15 projecten in de jaren 2010–2013.

  • Er zijn zeven handelsmissies geweest in 2011. Deze missies, naar onder andere Rusland, Brazilië en Vietnam, hebben voor de deelnemende bedrijven hoogwaardige contracten opgeleverd.

  • In 2011 is de beleidsbrief «Buitenlandse Markten, Nederlandse kansen» 3 aangeboden aan de Tweede Kamer. Deze brief presenteerde de hoofdlijnen van het nieuwe beleid voor internationaal ondernemen, dat in 2012 uitgerold zal worden.

3. Ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie

Ondernemerschap en innovatie zijn de drijvende krachten achter de Nederlandse economie. Goede randvoorwaarden voor ondernemerschap en innovatie zijn van groot belang, daarom creëert EL&I een excellent innovatieklimaat dat Research & Development-investeringen (R&D) van nationale en internationale bedrijven in Nederland aanjaagt. Twee kenmerkende prestatie-indicatoren voor de Nederlandse economie zijn verbeterd in 2011. In het World Competitiveness Report van het World Economic Forum (WEF) is Nederland gestegen van de achtste naar de zevende plaats en de positie van Nederland binnen de EU27-landen op Innovation Union Scoreboard van de Europese Commissie verbeterde van de negende plek in 2010 naar de zevende plek in 2011.

Via de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) wordt het aantrekkelijk gemaakt om te investeren in R&D-personeel. De R&D-loonkosten kunnen worden afgetrokken via de WBSO. EL&I heeft per 1 januari 2012 een R&D-aftrek geïntroduceerd. De Research & Development Aftrek (RDA) is een extra aftrekpost op inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting voor niet-loonkosten en investeringen die betrekking hebben op de in-huis R&D. De regeling heeft een budget oplopend van € 250 mln in 2012 tot € 500 mln in 2015. Deze aanpassingen zijn een uitvoering van hervorming 3, een nieuw bedrijvenbeleid, op de lijst met hervormingen en stelselherzieningen. Deze hervorming wordt verder toegelicht in de beleidsartikelen 2, 3 en 5.

Daarnaast heeft EL&I in 2011 een fonds opgericht om voldoende financiering (zowel risicokapitaal als kredieten) te krijgen voor innovatieve ondernemingen. Het fonds richt zich daarbij in belangrijke mate op startende en snelgroeiende bedrijven. Per 1 januari 2012 is het Innovatiefonds MKB+ van start gegaan. Investeringen uit dit fonds moeten bij succes weer worden terugbetaald, zodat het geld weer in nieuwe innovaties kan worden geïnvesteerd. EL&I trekt hiervoor tot en met 2015 ruim € 500 mln uit en werkt bij de inrichting van het Innovatiefonds MKB+ nauw samen met belanghebbenden en financiers uit het bedrijfsleven. Om het innovatiekrediet meer toegankelijk voor het MKB te maken, is de ondergrens voor het innovatiekrediet verlaagd en is het plafond van de Borgstellingsregeling voor het MKB (BMKB) tot € 1 mld verhoogd. Hiermee is in 2011 een record van € 909 mln aan garanties verstrekt.

In 2011 heeft dit kabinet een administratieve lastenvermindering gerealiseerd van in totaal € 503 mln voor het bedrijfsleven. Belangrijke maatregelen die gerealiseerd zijn: het vervangen van veel milieuvergunningen door algemene regels, het vereenvoudigen van belastingaangiften en een vereenvoudigde declaratiesystematiek in de zorg. Daarnaast heeft het kabinet in 2011 een nationaal kader vastgesteld voor de vermindering van inhoudelijke nalevingskosten van wet- en regelgeving. Deze kosten zullen aan het eind van de kabinetsperiode per saldo met € 200 mln zijn verlaagd.

Ondernemers moeten makkelijk toegang hebben tot de overheid voor informatie en advies. De Kamers van Koophandel (KvK) en Syntens zullen worden samengevoegd onder de noemer Ondernemersplein. In 2011 heeft EL&I een start gemaakt met deze modernisering en stroomlijning van de informatie-, voorlichtings- en ondersteuningsinfrastructuur op het gebied van ondernemerschap en innovatie. Met het uitwerken van het digitale Ondernemersplein is in 2011 een start gemaakt. Vanaf 2012 is er sprake van een korting van 10% op de heffing die de KvK ondernemers jaarlijks in rekening brengt. Met ingang van 2013 zal deze heffing volledig worden afgeschaft en wordt er overgegaan op begrotingsfinanciering.

EL&I heeft een nieuwe aanbestedingswet opgesteld, die het aanbestedingsproces effectiever en simpeler maakt en het MKB meer ruimte geeft om mee te dingen naar opdrachten. De Aanbestedingswet is in 2011 aangepast middels een nota van wijziging om de toegang van kleine ondernemers tot overheidsopdrachten nog verder te verbeteren. Uiteindelijk heeft de Tweede Kamer de Aanbestedingswet aangenomen in februari 2012.

Eind 2011 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voorgenomen wijzigingen inzake de uitvoering van de universele postdienst (UPD) 4. Op basis van een uitgevoerde evaluatie naar gedrag van gebruikers en naar de kosten is voorgesteld het aantal verplichte bezorgdagen per week terug te brengen van zes naar vijf. Hiertoe wordt een wetwijziging voorbereid, waarbij ook het (ex ante) toezicht op de postmarkt wordt bezien.

In 2011 heeft EL&I een start gemaakt met de samenvoeging van de NMa, OPTA en de Consumentenautoriteit tot de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De doelstelling voor de nieuwe toezichthouder is het vergroten van de welvaart (op korte en langere termijn) door het bevorderen van het concurrentievermogen van het bedrijfsleven en het versterken van de positie van de consument. Het wetsvoorstel voor de samenvoeging van de NMa, OPTA en de Consumentenautoriteit tot de ACM is in 2011 opgesteld en in het voorjaar 2012 ingediend bij de Tweede Kamer.

Op het gebied van telecom is het New Regulatory Framework (NRF)– het gewijzigde Europese reguleringskader voor de telecomsector – door de Tweede Kamer behandeld. Daarin wordt onder andere netneutraliteit geregeld dat er voor zorgt dat aanbieders van internettoegang geen diensten of toepassingen op het internet mogen vertragen of blokkeren. Een andere maatregel in het NRF is het verplichten van transparantie over internetverkeer door aanbieders van internettoegang. Ook wordt het gebruikers gemakkelijker gemaakt om van aanbieder te wisselen. Daarnaast is in augustus 2011 door een wijziging van het Nationaal Frequentieplan het digitaal dividend (de 800 MHz band) bestemd voor mobiele communicatiediensten. In 2011 zijn voorbereidingen getroffen voor de uitgifte van de vergunningen voor de 800-, 900- en 1 800 MHz band, alsmede vergunningen voor enkele kavels in de 2,1 GHz en 2,6 GHz band. Hierdoor zal de concurrentie toenemen op de mobiele telefoniemarkt. De vergunningen worden in 2012 uitgegeven en de start van de veiling is voorzien voor eind oktober 2012.

Op het gebied van veilige en betrouwbare telecominfrastructuren is in het kader van de Digitale Agenda.nl onder andere gewerkt aan de oprichting van een clearinghouse voor de aanpak van botnets. Dit clearinghouse zal in 2012 worden ingericht door de telecomaanbieders. De Digitale Agenda.nl focust op de vraag hoe ICT slim kan worden ingezet voor groei en welvaart en welke randvoorwaarden daarvoor nodig zijn.

De belangrijkste resultaten in 2011 waren:

  • De nieuwe fiscale R&D-stimuleringsregeling Research & Development Aftrek (RDA) is in 2011 ontwikkeld en op 1 januari 2012 in werking getreden. Het WBSO-budget is in 2011 structureel met € 233 mln en incidenteel met € 155 mln verhoogd. Het aantal participerende bedrijven in de WBSO is gegroeid van 19 450 in 2010 naar 20 530 in 2011.

  • Het Innovatiefonds MKB+ is opgezet en op 1 januari 2012 van start gegaan. Het Innovatiefonds MKB+ geeft een belangrijke impuls aan de financiering van innovatie bij vooral MKB-bedrijven.

  • In 2011 is de vernieuwde regeling voor de Innovatie Prestatie Contracten (IPC’s) in werking getreden. Met de tender in 2011 zijn 30 IPC-aanvragen met in totaal 454 MKB-bedrijven gehonoreerd.

  • De omvang van de private R&D-uitgaven, die ondersteund zijn met het Innovatiekrediet, bedroeg in 2011 € 143,5 mln.

  • Medio 2011 is het plafond van de borgstellingregeling voor het MKB (BMKB) met hulp van Europa verhoogd tot € 1 mld.

  • In 2011 is besloten dat er vanaf 2012 sprake is van een korting van 10% op de heffing die de KvK ondernemers jaarlijks in rekening brengt.

  • In 2011 is uitgewerkt dat er per 1 januari 2012 inspectievakantie zijn bij de rijkstoezichthouders. Hierdoor zullen bedrijven minder regelmatig geïnspecteerd worden als hier geen aanleiding toe is en gaan de administratieve lasten voor bedrijven en burgers omlaag.

  • In 2011 is het wetsvoorstel ter implementatie van het gewijzigde nieuwe Europese regelgevingskader voor Telecommunicatie (NRF) in Nederlandse wetgeving door de Tweede Kamer behandeld en zal in het voorjaar van 2012 behandeld worden door de Eerste Kamer.

4. Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur

Welvaart en welzijn in Nederland gaan verder dan een uitmuntend ondernemingsklimaat. De p van profit is onlosmakelijk verbonden met de p van planet en de p van people. Daarbij gaat het om een duurzame economische ontwikkeling, een aantrekkelijke directe leefomgeving en natuur en voldoende bescherming voor consumenten.

EL&I heeft in oktober 2011 de Green Deals gesloten met de samenleving. In de eerste tranche zijn er 59 deals gesloten en vervolgens in de tweede tranche is dit aangevuld met nog 11 deals. Door een Green Deal met de samenleving aan te gaan, wil EL&I knelpunten oplossen en samen met ambitieuze partijen laten zien dat verduurzaming van energie mogelijk én economisch aantrekkelijk is. Het gaat om concrete initiatieven, die als voorbeeld kunnen dienen voor andere partijen en daarmee de totale markt in beweging zetten. Het kan om eenduidige deals gaan; bijvoorbeeld het bevorderen van restwarmtebenutting bij een industrie of extra energiebesparing in de glastuinbouw. Er zijn ook meer complexe deals zoals die met Noord Nederland waar tal van onderwerpen van groen gas tot elektrisch rijden en -varen aan de orde komen. Ook de tegenprestatie van de overheid is heel divers. Veelal bestaat die uit ondersteuning met kennis en expertise, maar ook uit hulp bij het wegnemen van financiële en juridische knelpunten.

Doel van de Green Deal is laten zien dat groen en groei hand in hand gaan. De Green Deals beperken zich niet alleen tot energie, maar omvatten ook duurzaamheid in den brede. Naast energie zijn ook duurzaam ondernemen, mobiliteit, duurzaam inkopen, afval en de lokale klimaat agenda pijlers binnen de Green Deal. Een duurzame samenleving komt niet vanzelf tot stand, maar is ook zeker niet door enkel een overheid met subsidies te creëren. Een duurzame samenleving vraagt om een gezamenlijk traject van maatschappij en overheid. Sinds het afsluiten van de deals zijn alle partijen hard aan de slag gegaan met de uitoefening van de deals. De eerste concrete resultaten worden in 2012 verwacht.

Duurzaamheid is een belangrijke cross-over tussen verschillende topsectoren en in toenemende mate een belangrijke factor voor de concurrentiekracht van bedrijven. De topsectoren zien kansen in de transitie naar een biobased economy. EL&I onderschrijft de kansrijkheid van dit thema. Ambitie is dat Nederland in de top 3 van de wereld komt op het gebied van biobased economy en dat Nederland de toegangspoort tot Europa wordt voor groene grondstoffen. Binnen het Topsectoren beleid is biobased een dwarsdoorsnijdend thema. Dit vindt zijn weerslag in het Businessplan en het Kennis- en Innovatiecontract Biobased Economy. In het kader van de Green Deals zijn 10 biobased gerelateerde deals ingediend, zoals bijvoorbeeld Green Deal voor de realisatie van een biobased park waar verschillende bedrijven fysiek gekoppeld zijn voor het verwaarden van plantaardig restmateriaal uit de tuinbouw en GFT-afval in de gemeente Westland. Daarnaast is de samenwerking met geprefereerde «BBE-landen" verder vormgegeven en is bijgedragen aan de totstandkoming van de EU-visie op de biobased economy. Samen met de ministeries Infrastructuur en Milieu en Buitenlandse Zaken is er, wereldwijde, aandacht voor een duurzame biomassavoorziening. Via het Biorenewables Business Platforms zijn een viertal grotere businesscases ontwikkeld. Een voorbeeld is de businesscase om eiwitten uit algen te halen ten behoeve van veevoeder.

In 2011 is met het Interprovinciaal Overleg (IPO) een akkoord gesloten over de decentralisatie van het natuurbeleid. Hiermee geeft EL&I uitvoering aan het Regeerakkoord. In het akkoord zijn afspraken verankerd over de wijze waarop de herijkte Ecologische Hoofdstructuur (EHS) door de provincies zal worden gerealiseerd en het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) wordt afgerond. De herijkte EHS moet in 2021 gerealiseerd zijn. Tevens is in 2011 in samenspraak met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties het wetsvoorstel voor de nieuwe wet natuurbescherming tot stand gekomen. Dit wetsvoorstel verankert de decentralisatie, draagt bij aan vermindering van de administratieve lasten en handhaaft adequate natuurbescherming.

Het Rijk is na decentralisatie verantwoordelijk voor het internationale netwerk van natuurgebieden, Natura2000. Via de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is ingezet op het optimaliseren van ruimte voor het bedrijfsleven rondom Natura2000-gebieden. In september 2011 heeft de Staatssecretaris de nieuwe aanpak van Natura2000 in een tienpuntenplan aan de Tweede Kamer verwoord 5. De formele vaststelling van de aanwijzingsbesluiten voor Natura2000-gebieden is op verzoek van de Tweede Kamer aangehouden.

De opname van de mogelijkheid om via collectieven de doelstellingen op het gebied van agrarisch natuurbeheer te bereiken is een belangrijk resultaat en succes voor Nederland. Het kabinet is van mening dat een collectieve aanpak zal leiden tot een samenhangende aanpak van agro-milieubeheer en daarmee tot een groter aanbod van publieke goederen. Ook kan een collectieve aanpak leiden tot vereenvoudiging en vermindering van administratieve lasten. EL&I heeft in 2011 vier voorbeeldprojecten gefaciliteerd waarin een collectieve aanpak is gerealiseerd. De Europese Commissie heeft hiervan met veel belangstelling kennisgenomen en dit laten terugkomen in de wetgevingsvoorstellen.

In 2011 is het belang van duurzaam ondernemen onderstreept door het advies van de Taskforce Biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen, die het bedrijfsleven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en overheid oproept om te zorgen dat het biodiversiteitverlies tot staan wordt gebracht door te zorgen dat per saldo geen verlies optreedt (No Net Loss).

Steeds meer bedrijven willen maatschappelijk verantwoord ondernemen, daarom heeft EL&I zich in 2011 ingezet voor eerlijke handel. Met de vernieuwde OESO-richtlijnen voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) vraagt het ministerie van EL&I aandacht van Nederlandse bedrijven voor mens en milieu in het buitenland. Veel Nederlandse bedrijven hebben wat dat betreft internationaal een goede reputatie. Ieder jaar staan vele Nederlandse bedrijven zoals Air France-KLM, DSM, Philips en PostNL boven aan de Dow Jones Sustainability Index. De implementatie van de risicobenadering (het Ruggie raamwerk) in de nieuwe richtlijnen is echter ook voor het Nederlandse bedrijfsleven nog een opgave, waar het ministerie van EL&I bij zal ondersteunen.

De belangrijkste resultaten in 2011 waren:

  • In 2011 heeft EL&I 59 Green Deals afgesloten met de samenleving. De Green Deals helpen burgers, bedrijven, mede-overheden en andere organisaties plannen voor verduurzaming tot uitvoering te brengen.

  • Aanvullend werd in 2011 een tweede tranche van 11 Green Deals op het gebied van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen afgesloten. Zo brengt EL&I economie en natuur in verbinding.

  • Het onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur tussen de Rijksoverheid en het IPO is gesloten.

  • In mei 2011 zijn de herziene OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen op gebied van MVO aangenomen. Nederland was, via het voorzitterschap van de werkgroep, nauw betrokken bij deze herziening.

5. Werken aan een toekomstbestendige landbouwproductie en energievoorziening

Een zekere energievoorziening en een duurzame landbouwproductie zijn onlosmakelijk verbonden met onze duurzame welvaart in de toekomst. Het gaat om betrouwbaarheid, zekerheid en duurzaamheid. En om de cruciale bijdrage die deze sectoren leveren aan onze economische groei.

5.1 Een duurzame landbouwproductie

De Nederlandse topsector Agro & Food is nauw verweven met de internationale economie. De toegevoegde waarde in de Agro & Food sector, ongeveer 10% van het Bruto Nationaal Product, wordt in sterke mate gerealiseerd via onze handel met het buitenland. Het merendeel (80%) van de Agro & Food-export blijft gericht op de EU-markt, waarbij Duitsland onze belangrijkste handelspartner is. De totale waarde van de agrarische export nam toe van € 66,6 mld in 2010 naar € 72,8 mld in 2011. Nederland is daarmee nog steeds de tweede Agro & Food-exporteur in de wereld. De importwaarde van agrarische producten groeide in 2011 met maar liefst 18%.Het agrarische handelsoverschot bedroeg in 2011 € 24,5 mld, meer dan 60% van het totale Nederlandse handelsoverschot. De topsector Agro & Food is van groot belang voor Nederland. EL&I zet zich daarom in voor een toekomstbestendige en duurzame sector.

Onder de leiding van oud-minister Alders is er in 2011 een maatschappelijke dialoog over de intensieve veehouderij gehouden in Nederland. Naar aanleiding van deze dialoog is er een nieuwe visie ontwikkeld op de toekomst van de intensieve veehouderij. In deze visie staat dat de huidige intensieve veehouderij en melkveehouderij moeten transformeren naar een zorgvuldige duurzame veehouderij 6. Een toekomstbestendige veehouderij is gebaseerd op wettelijke vereisten en basisnormen die door de overheid worden geborgd. Daarnaast komt een duurzame en zorgvuldige veehouderij tegemoet aan maatschappelijk geuite wensen en behoeften van burgers en consumenten, die bereid zijn daarvoor te betalen of daaraan op een andere wijze een bijdrage willen leveren. Het initiatief voor de verduurzaming ligt bij de markt en de ketens. Alleen een integrale ketengestuurde verduurzaming van de veehouderij kan een lokaal ingepaste veehouderij succesvol maken. Bij deze lokale inpassing spelen mede-overheden een belangrijke rol. Met een sterke ketenbenadering onderscheidt de sector zich binnen Europa. Tevens wordt een wettelijke voorziening voorbereid om indien nodig een grens te stellen aan de maximum omvang van veehouderijen op een locatie.

Samen met het bedrijfsleven, met name de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO) en de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV), hebben EL&I en Infrastructuur en Milieu (I&M) een visie voor het mestbeleid 7 uitgewerkt. Er wordt een benadering gekozen vanuit een economisch en innovatief perspectief die, binnen de milieudoelstellingen, meer ruimte biedt voor ondernemerschap. EL&I speelt hiermee in op de innovatieve kracht van bedrijven. Zo moet bijvoorbeeld, om de te grote milieudruk van het overschot weg te nemen, een percentage van dit overschot verplicht voor mestverwerking worden aangeboden. Deze verplichting bevordert het van de grond komen van duurzame mestverwerking in Nederland en innovaties op dat vlak. Het is de bedoeling dat dierlijke mest weer wordt gezien als een waardevolle grondstof.

In het Platform Verduurzaming Voedsel werken brancheorganisaties in de gehele voedselketen samen met EL&I aan het versnellen van verduurzaming. In 2011 heeft het Platform 19 innovatiepilots goedgekeurd, waarin bedrijven werken aan concrete verbeterstappen op het gebied van duurzaamheid. De overheidsinzet was daarbij ruim € 1,1 mln. De bedrijven investeerden ruim € 2,2 mln. Daarnaast heeft het Platform het Informatiesysteem Verduurzaming Voedsel opgezet, een website waar bedrijven aangeven welke inspanningen zij doen en welke resultaten zij bereiken op het gebied van duurzaamheid. De website www.duurzamereten.nl wordt begin 2012 voor het publiek opengesteld.

In 2011 zijn de laatste stappen gezet in de fusie tussen de Plantenziektenkundige Dienst, de Algemene Inspectie Dienst en de Voedsel en Waren Autoriteit. Op 1 januari 2012 is de fusie afgerond en is de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit gestart (NVWA). De NVWA houdt toezicht op de naleving van wet- en regelgeving door bedrijven en instellingen. De missie van de NVWA luidt: De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit bewaakt de veiligheid van voedsel en consumentenproducten, de gezondheid van dieren en planten, het dierenwelzijn en handhaaft de natuurwetgeving. Het verhogen van de naleving is het handhavingsdoel van de NVWA.

2011 stond voor het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) in het teken van de publicatie van GLB-wetgevingsvoorstellen voor 2014–2020. Een voor Nederland belangrijk punt van de GLB-voorstellen is vereenvoudiging van de wet- en regelgeving. Nederland heeft samen met Denemarken in maart 2011 een lijst met vereenvoudigingsvoorstellen aan de Landbouwraad gepresenteerd en aan de Commissie gezonden. Deze lijst werd door 24 andere lidstaten gesteund. Vereenvoudiging blijft een belangrijk punt voor Nederland in de lopende onderhandelingen. Nederland zal het komende jaar met andere lidstaten samenwerken om concrete voorstellen te doen en uit te werken.

In de aanloop naar de discussie over de herziening van het Europese Visserijbeleid heeft het kabinet zijn standpunt over de herzieningsvoorstellen van de Europese Commissie bepaald. Het kabinet ondersteunt de doelstelling van de Europese Commissie die is gericht op duurzaam gebruik en instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen in zee. Niet alleen in de EU-wateren overigens, maar ook daarbuiten. Voor het kabinet is het eveneens van groot belang dat er toekomstperspectief wordt geboden aan de visserijsector, die duurzaam, rendabel en maatschappelijk geaccepteerd opereert. Ook dient het nieuwe visserijbeleid eenvoudig, doeltreffend, uitvoerbaar en handhaafbaar te zijn. Het nieuwe Europese Visserijbeleid zal dan ook een oplossing moeten bieden voor een aantal structurele problemen in de Europese en Nederlandse visserij.

In 2011 is met het oog op het exportbelang volop ingezet op het openhouden van markten in het kader van de EHEC-crisis en het Schmallenbergvirus.

De Stichting Diergeneesmiddelen Autoriteit (SDa) is in 2011 opgestart voor de centrale registratie van het antibioticagebruik en zij heeft enkele rapportages opgeleverd, onder meer over de streefwaarden voor verantwoord antibioticumgebruik in de Nederlandse dierhouderij. Uit de zgn. Maran-rapportages van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) in 2011 komt het beeld naar voren dat de reductiedoelstelling van 20% van het antibioticumgebruik in 2011 is gehaald. Vele maatregelen zijn door het bedrijfsleven en de overheid genomen. De overheidsmaatregelen betreffen onder meer de uitvoering van een onderzoek naar de versterking van de positie van de dierenarts (en eventueel ontkoppeling van voorschrijven en verkoop antibiotica), de aanpassing van de diergeneesmiddelenregelgeving en de aanscherping van de handhavingsmaatregelen. In samenwerking met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is medio 2011 een interdepartementale projectstructuur ingesteld voor de uitwerking van een integrale aanpak van het antibioticabeleid.

In het kader van verbetering van dierenwelzijn en de aanpak van misstanden in de fokkerij is in 2011 onder meer de visie op de fokkerij gepresenteerd, de Amvb gezelschapsdieren naar de Kamer verzonden en de Wet Dieren in de Eerste Kamer behandeld en aangenomen.

Het groen onderwijs heeft met het bedrijfsleven in 2011 de vragen vanuit de topsectoren Agro&Food en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen uitgewerkt in een gezamenlijke Human Capital Agenda. Deze agenda draagt bij aan het verbeteren van de aansluiting – kwalitatief en kwantitatief – tussen onderwijs en bedrijfsleven ten behoeve van de topsector agenda's en het vergroten van de aantrekkingskracht van sectoren op (toekomstige) werknemers door het verbeteren van het beroepsperspectief. In 2012 staat omzetting hiervan in gezamenlijke acties centraal. Uit het Onderwijsverslag van de Inspectie blijkt dat het groen onderwijs vakinhoudelijk goed op de kaart staat. Dit biedt een goede basis voor de bijdrage door het groene onderwijs aan het topsectorenbeleid. Vooral het MBO, HBO en WO scoren goed als het gaat om studierendement, internationale gerichtheid en internationale ranking van wetenschappelijk onderzoek. Punt van aandacht blijft de gemengde en theoretische leerweg binnen het VMBO. De AOC-Raad is samen met de instellingen aan de slag om de knelpunten weg te nemen.

De belangrijkste resultaten in 2011 waren:

  • In het eerste ijkjaar 2011 is de reductiedoelstelling van 20% voor het antibioticumgebruik opgesteld door de Taskforce Werner Antibioticaresistentie volgens de ramingen met 32% ruimschoots behaald. Daarnaast is met het oog op transparant gebruik bij Productschapverordeningen de registratie van antibioticum voor veehouders per september 2011 verplicht gesteld. Dit geeft tevens inzicht in het voorschrijfgedrag van de dierenarts.

  • De Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit SDa heeft streefwaarden voor het antibioticumgebruik per de diersector opgesteld en heeft toegang tot de registratiegegevens. Dit maakt benchmarking mogelijk evenals corrigerende maatregelen tegen grootverbruikers.

  • In 2011 zijn de laatste stappen gezet in de fusie tussen de Plantenziektenkundige Dienst, de Algemene Inspectie Dienst en de Voedsel en Warenautoriteit. De handhaving en het toezicht op correct gebruik door de NVWA is aangescherpt met extra financiële middelen.

  • Op het terrein van voedselveiligheid is verder invulling gegeven aan modernisering van de vleeskeuring. Ook is nieuwe wetgeving op het gebied van dierlijke bijproducten geïmplementeerd, waarbij door vereenvoudiging van de regelgeving de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven is teruggebracht.

  • Nieuwe mestvisie en nieuwe toekomstvisie op de intensieve veehouderij.

  • Het Center voor Greenports en het center voor Biobased Economy zijn aan de slag gegaan. Deze hebben een landelijke werking, waarbij onderwijs, onderzoek, bedrijfsleven en overheid samen de kar trekken op een inhoudelijk thema.

  • Het Sectorplan Hoger Agrarisch Onderwijs van de groene hbo instellingen is gereed gekomen. Met deze gezamenlijke afspraken inzake profilering, zwaartepuntvorming en prioritering opleidingsaanbod wordt invulling gegeven aan het gedachtengoed van de cie Veerman (toekomstbestendigheid hoger onderwijs) en de Strategische Agenda Hoger Onderwijs van het kabinet.

5.2 Een toekomstbestendige energievoorziening

De ambitie van EL&I is om de energiehuishouding duurzamer te maken en minder afhankelijk te zijn van steeds schaarser wordende fossiele brandstoffen. Daarbij moet er geprofiteerd worden van de sterke energiesector in Nederland. EL&I wil de middelen ter beschikking voor het uitbreiden van het aandeel hernieuwbare energie zo effectief mogelijk inzetten zodat de Europese doelstellingen worden gerealiseerd. Via de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) stimuleert EL&I de productie van de meest efficiënte hernieuwbare energieopties. In aanvulling op de SDE is in een Green Deal met de energiesector afgesproken dat bij- en meestook van biomassa in kolencentrales zonder nieuwe subsidies blijft plaatsvinden.

In 2011 heeft EL&I een verbeterde versie van de SDE-regeling in het leven geroepen, de SDE+. Hiermee geeft het kabinet invulling aan hervorming 2, duurzame energie, op de lijst met hervormingen en stelselherzieningen. Deze hervorming wordt toegelicht in beleidsartikel 4, Doelmatige en duurzame energiehuishouding. Hiermee stimuleert EL&I de productie van hernieuwbare energie. De SDE+ verdeelt het jaarlijks beschikbare budget niet meer vooraf over de verschillende technologieën, maar laat technologieën concurreren onder één budgetplafond. De goedkoopste technologieën komen het eerst in aanmerking voor budget. Zo draagt de SDE+ bij aan het zo kosteneffectief mogelijk bereiken van de 2020-doelstelling. De SDE+ is niet alleen beschikbaar voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, maar ook voor hernieuwbare warmte en groen gas.

Kernenergie is een belangrijk onderdeel van de energiemix en is een mogelijke overbrugging naar een duurzame energievoorziening. In februari 2011 heeft de minister van EL&I de hoofdlijnen van de randvoorwaarden voor een nieuwe kerncentrale in een brief aan de Tweede Kamer bekend gemaakt 8. Vervolgens zijn ook de noodzakelijke extra middelen in de begroting vrijgemaakt om deze randvoorwaarden nader in te vullen, zodat de rijksoverheid zich kan voorbereiden op de komst van een aanvraag voor een vergunning in het kader van de Kernenergiewet. Eind 2011 heeft Delta echter bekendgemaakt om, in afwachting van het vinden van partners, de investeringen in de voorbereidingen op de komst van een nieuwe kerncentrale op te schorten.

In het Energierapport is toegezegd te komen tot een herziening van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 is in 2011 afgerond, tot versterking van de werking van de gasmarkt, verbetering van de voorzieningszekerheid en houdende regels met betrekking tot de voorrang voor duurzame elektriciteit, alsmede enkele andere wijzigingen van deze wetten.

In het najaar van 2011 is de voortgangsrapportage Gasrotonde 2011 aan de Tweede Kamer aangeboden 9. Uit deze rapportage blijkt dat de handel in gas, de transportcapaciteit en de gasopslagcapaciteit zijn toegenomen in de periode 2009–2011. Zo is in 2011 de eerste LNG importterminal in Nederland in gebruik genomen, waarmee Nederland aansluiting vindt op de wereldmarkt voor gas.

De belangrijkste resultaten in 2011 waren:

  • De SDE+ regeling is voor de eerste keer opengesteld met een budget van € 1,5 mld 740 projecten hebben subsidie toegekend gekregen, waarvan 12 wind op land projecten, 678 zonne-energieprojecten, 20 biomassa projecten, 26 groen gas projecten en 4 groen gas hubs. Daarmee was deze openstelling een succes. Hiermee kunnen circa 600 000 huishoudens van duurzame elektriciteit verzien worden.

  • In 2011 is de parlementaire behandeling van de novelle over slimme meters afgerond en is gestart met de implementatie van de wetten waarin het marktmodel is vastgelegd. Per 1 januari 2012 is de uitrol van slimme meters begonnen.

  • Met het oog op de stralingsbescherming zijn in 2011 in het kader van de Kernenergiewet verder 304 vergunningen verleend en 1 623 meldingen afgehandeld voor niet-nucleaire toepassingen van radionucliden. Tevens is een systeem opgezet voor de erkenning en registratie van stralingsdeskundigen.

  • Om hergebruik mogelijk te maken en de hoeveelheid hoog radioactief afval te verminderen is een vergunning verleend voor het transport van afgewerkte splijtstof van de kerncentrale in Borssele ten behoeve van de opwerking in Frankrijk.

  • In 2011 is een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de bestaande Warmtewet.

  • De consultatie van het concept wetsvoorstel Wet Voorraadvorming Aardolieproducten heeft plaatsgevonden in 2011. In 2012 zal de parlementaire behandeling plaatsvinden.

  • De rijkscoördinatieregeling voor het windpark Zuidlob (122 MW) is voltooid. Dit park gaat vanaf 2012 aan 90 000 huishoudens elektriciteit leveren.

  • Taskforce intelligente netten heeft haar visie «op weg naar intelligente netten in Nederland» opgeleverd en de subsidieregeling voor proeftuinen intelligente netten is gestart.

  • Plan van aanpak elektrisch rijden in de versnelling met de ambitie om in 2015 in Nederland een internationale testmarkt van 15 000–20 000 auto's en bijbehorende laadinfrastructuur te realiseren.

Kerncijfers 2011

Macro-economische ontwikkelingen
 

2008

2009

2010

2011

Feitelijke groei BBP

Bron: CPB, (CEP 2012)

1,9%

– 3,9%

1,7%

1,2%

Arbeidsproductiviteit per gewerkt uur in de marktsector (groei)

Bron: CPB, (CEP 2012)

0,5%

– 3,1%

3,0%

1,5%

Groei bruto bedrijfsinvesteringen

Bron: CPB, (CEP 2012)

7,1%

– 18,2%

– 1,4%

7,2%

Het Nederlandse bedrijfsleven
 

2008

2009

2010

2011

Totaal aantal bedrijven in Nederland1

Bron: EIM, kennissite MKB en Ondernemerschap

844 450

845 875

857 603

863 982

Aantal starters2

Bron: EIM, kennissite MKB en Ondernemerschap

79 263

70 300

78 097

82 562

Aantal bedrijfsbeëindigingen

Bron: EIM, kennissite MKB en Ondernemerschap

50 567

62 800

60 252

65 438

Percentage MKB bedrijven dat de laatste drie jaar nieuwe producten op de markt heeft gebracht

Bron: EIM, kennissite MKB en Ondernemerschap

27%

30%

31%

25%3

X Noot
1

De cijfers voor de jaren 2009 en 2010 zijn geactualiseerd ten opzichte van de cijfers zoals opgenomen in het EZ-jaarverslag 2010.

X Noot
2

Definitie volgens het EIM: het beginnen van een nieuwe economische activiteit door een man/vrouw die nog geen onderneming heeft.

X Noot
3

Het cijfer voor 2011 is gebaseerd op bedrijven tot 250 medewerkers en eerdere jaren voor bedrijven tot 100 medewerkers.

1.3.2 De Beleidsartikelen

1. Goed functionerende economie en markten in Nederland en Europa

Algemene doelstelling

Het versterken van het duurzaam economisch groeivermogen van Nederland door bevordering van het functioneren van de economie en markten.

Economische ontwikkelingen in 2011

In 2011 heeft Nederlandse economie onder invloed van de Europese schuldencrisis en het mede daaruit resulterende lage consumentenvertrouwen matige groei van 1,2% laten zien.

Gedurende het jaar nam de economische groei af. De kwartaal-op-kwartaalgroei daalde van 0,7% in het eerste kwartaal, naar 0,2% in het tweede kwartaal, om in het derde kwartaal om te slaan in een krimp van het bruto binnenlands product van 0,2%. De daaropvolgende krimp van 0,7% betekende dat Nederland in de tweede helft van 2011 officieel in recessie belandde. De voor Nederland belangrijke wereldgoederenhandel is gedurende het jaar per saldo nauwelijks gegroeid. De uitvoergroei daalde dan ook van bijna 11% in 2010 naar een krappe 4% in 2011. De export groeide in de eerste helft van het jaar, maar kromp in de tweede helft. Van de overheidsbestedingen lijkt nauwelijks een impuls te zijn uitgegaan: zij stegen met 0,4%. In lijn met het lage consumentenvertrouwen was de invloed van de consumentenbestedingen op de groei van het bruto binnenlands product in alle kwartalen negatief. De huishoudens deden 0,9% minder consumptieve bestedingen. Voor de investeringen begon het jaar goed, mede dankzij het zachte winterweer. Het waren dan ook de investeringen die de groei in het eerst kwartaal omhoog stuwden en een merkbaar deel van de groei over heel 2011 hebben bewerkstelligd. In de laatste drie kwartalen van het jaar krompen de investeringen. Toch is in 2011 per saldo 5,6% meer geïnvesteerd dan in 2010.

De meeste sectoren groeiden in 2011. Na omvangrijke krimp in 2010 had de bouw de sterkste groei, 4,5%. Ook de industrie presteerde met 3,4% groei bovengemiddeld. Cultuur, recreatie en dergelijke alsmede de delfstoffenwinning krompen, respectievelijk met 0,3% en 7,9%. Mild winterweer verklaart waarom de gassector in toegevoegde gekrompen is: er werd minder verstookt.13

De inzet van EL&I in 2011 werd getekend door de Europese schuldencrisis. Om herstel te bevorderen zette het kabinet in op het versterken van het groei- en concurrentievermogen en het versterken van budgettair en macro-economisch toezicht in de EU.

EL&I heeft in 2011 de noodzaak om het vergroten van het verdienvermogen van de EU proactief uitgedragen. De minister-president alsmede de minister van EL&I hebben gezamenlijk met gelijkgestemde lidstaten diverse brieven gestuurd aan de voorzitter van Europese Commissie en president van Europese Raad over het versterken van het Europese groei- en concurrentievermogen (en meer specifiek over de digitale interne markt, interne dienstenmarkt en regeldruk). In de brieven zijn concrete mogelijkheden gepresenteerd voor verbeteringen met betrekking tot open markten, dienstenmarkt, de (digitale) interne markt en innovatie.

EL&I zette zich ook in voor het versterken van groei- en concurrentievermogen binnen de Europa 2020-strategie voor duurzame groei en banen. Eind april 2011 is in dit kader het Nationaal Hervormingsprogramma gepresenteerd met een overzicht van knelpunten en beleidsvoornemens voor groei. De Raad heeft hierop voor Nederland vier gebieden aangewezen waarop actie noodzakelijk is: overheidsfinanciën, pensioenen, arbeidsmarkt en innovatie. Eind november 2011 publiceerde de Europese Commissie de Annual Growth Survey, met daarin vijf prioriteiten voor groeiversterking in 2012.

In 2011 is het budgettaire toezicht in de EU aangescherpt door maatregelen uit het zogenaamde «six pack», die in december 2011 in werking zijn getreden. Vanwege de grensoverschrijdende risico’s heeft EL&I zich in 2011 sterk ingezet voor strikt toezicht op macro-economische onevenwichtigheden. Dit is een prioriteit voor EL&I. De macro-economische onevenwichtighedenprocedure, die voorziet in toezicht op en correctie van deze onevenwichtigheden, is eind 2011 in werking getreden.

Ook heeft Nederland zich het afgelopen jaar actief ingezet om de Europese interne markt te versterken. De Europese Commissie publiceerde eind 2010 de Single Market Act, waarin zij twaalf prioritaire acties presenteerde om de interne markt een nieuwe impuls te geven en onnodige belemmeringen weg te nemen. Daarvan staan voor Nederland centraal de spoedige totstandkoming van het Europese octrooi, de versterking van de interne markt voor diensten en de totstandkoming van de digitale interne markt. Nederland heeft zich intensief ingezet om de onderhandelingen over het unitair octrooi succesvol af te sluiten.

Ten aanzien van de Europese dienstenmarkt is het proces van wederzijdse evaluatie afgerond en zijn de zogenaamde performance checks in het kader van de Dienstenrichtlijn gestart. Lidstaten en de Europese Commissie onderzoeken daarbij hoe verschillende relevante richtlijnen – zoals de dienstenrichtlijn, e-commerce-richtlijn en de richtlijn beroepskwalificaties – in de praktijk werken, bezien vanuit het perspectief van de dienstverlener.

In nationale context heeft EL&I, in haar streven naar optimale marktordening en het bevorderen van mededinging, gewerkt aan gedragsregels voor de overheid (Markt en Overheid), aan de totstandkoming van het wetsvoorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet en het daarbij horende aanvullend beleid en was zij betrokken bij het verbeteren van de werking van specifieke markten zoals de gezondheidszorg, landbouw en financiële dienstverlening. Daarnaast heeft zij ter versterking van het markttoezicht in Nederland een wetsvoorstel tot samenvoeging van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) en Consumentenautoriteit afgerond.

Private normen spelen een belangrijke rol in het economisch verkeer. Er is daarom een kabinetsvisie uitgebracht over de rol van de overheid bij normalisatie 14.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Kengetal

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Gemiddeld werkloosheid in januari (%)1:

       

Nederland

2,8

4,1

4,3

Nvt

EU-27

7,9

9,5

9,5

Nvt

         

Index of Economic Freedom2:

       

Nederland

77

75

73,3

>70

Europees gemiddelde

66,3

66,8

66,1

 
X Noot
2

http://www.heritage.org/index/country/Netherlands Heritage Foundation, website geraadpleegd op 25 januari 2012. Publicatie is van november 2011, Europees gemiddelde op basis van eigen berekeningen.

De score van Nederland in de Index of Economic Freedom van de Heritage Foundation is omlaag gegaan, net als het Europees gemiddelde. Het is gelukt om een score boven 70 punten te behouden en daarmee de in de begroting opgenomen streefwaarde te realiseren.

Nederland behaalde een mindere score op het gebied van een «beperkte overheid» en op de indicator voor handelsvrijheid (tarieven en nontarifaire handelsbarrières). De overheid heeft haar bestedingen laten stijgen en het belastingregime is relatief complexer geworden. Daarnaast werden er betere scores behaald op de gebieden van arbeidsvrijheid (werkloosheidsbetalingen, beperking op lonen, uren en ontslagen), monetaire vrijheid (inflatie, vrije prijsvorming), fiscale vrijheid (belastindruk).

Op de gebieden van financiële vrijheid (overheidsbezit, regulering en buitenlandse toegang bankensector), investeringsvrijheid  (toegang voor buitenlandse investeerders), vrijheid om zaken te doen (barrières voor het oprichten, overdragen en beëindigen van een bedrijf) en eigendomsrecht (bescherming, handhaving en uitblijven confiscatie en dergelijke) waren de scores vergelijkbaar met voorgaande jaren.

De gegevens voor het kengetal «BBP in euro per capita» voor Nederland en de EU-27 zoals opgenomen in de begroting 2011 zijn niet meer beschikbaar bij Eurostat. Dit kengetal is derhalve uit het overzicht gehaald.

De data voor het kengetal «structurele arbeidsproductiviteit mutaties per jaar» zoals opgenomen in de begroting 2011 zijn niet beschikbaar. Dit kengetal is ook de tabel gehaald.

De kengetallen «naleving Europese aanbestedingsrichtlijnen in % inkoopvolume» die waren opgenomen in de begroting 2011 zijn niet opgenomen in het jaarverslag. Door het uitblijven van de verplichting middels wet, kan geen volledigheid van de cijfers worden gegarandeerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

(Bedragen x € 1 000)

1 Goed functionerende economie en markten in Nederland en Europa

Realisatie

vastgestelde begroting 2011

Verschil 2011

 

2008

2009

2010

2011

   

Verplichtingen

74 879

79 986

84 660

89 759

87 172

2 587

Uitgaven

77 264

80 377

91 480

92 452

87 034

5 418

programma

18 937

18 812

22 601

24 951

27 207

– 2 256

OD 1: Optimale marktordening en mededinging bevorderen

16 739

16 583

19 688

22 003

24 303

– 2 300

– Bijdrage aan Metrologie

14 946

15 081

14 112

14 923

14 635

288

– Raad Deskundige Nationale Standaard

101

143

64

26

60

– 34

– PIANOo Programma

1 4131

3 5301

2 572

6 057

7 522

– 1 465

– Markt en Overheid

       

540

– 540

– Bijdrage aan Nederlands Normalisatie Instituut

   

868

565

906

– 341

– Raad voor Accreditatie

   

168

169

174

– 5

– Bijdrage instituten (oud)

1 329

1 350

1 317

263

266

– 3

– Prijzenwet

363

9

587

 

200

– 200

             

Algemeen

2 198

2 229

2 913

2 948

2 904

44

– Onderzoek en Ontwikkeling

2 198

2 229

2 913

2 948

2 904

44

             

Apparaat

58 327

61 563

68 878

67 501

59 827

7 674

– Personeel EP

7 796

8 032

5 284

4 796

5 329

– 533

– Personeel Marktwerking

   

2 426

3 071

2 515

556

– Personeel PIANOo

2 4821

2 5431

4 735

4 034

2 345

1 689

– NMa/DTe2

45 081

47 902

49 725

49 575

43 064

6 511

– Consumentenautoriteit

5 450

5 629

6 708

6 025

6 574

– 549

             

Ontvangsten

33 626

19 319

37 126

30 501

43 204

– 12 703

Ontvangsten NMa

28 549

1 638

10 049

3 345

4 600

– 1 255

High Trust

 

13 391

22 369

21 443

31 100

– 9 657

Ontvangsten apparaat NMa

 

230

301

160

 

160

Ontvangsten Energiekamer

2 727

2 855

3 126

4 080

4 719

– 639

Fees NMa

1 933

1 197

1 262

1 444

2 785

– 1 341

Ontvangsten Consumentenautoriteit

371

9

20

28

 

28

Diverse ontvangsten

47

         
X Noot
1

PIANOo programma en personeel werd t/m 2009 op artikel 21 verantwoord.

X Noot
2

NMa is inclusief de ZBO NMa

Toelichting op de programma-uitgaven/verplichtingen

Operationele doelstelling 1: Optimale marktverordening en mededinging bevorderen

Goed functionerende markten zijn de motor voor economische groei. Het Ministerie van EL&I heeft met het oog op het belang van de consument en eindgebruiker de marktwerking en de mededinging bevorderd via onder meer de Mededingingswet en de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) en de totstandkoming van het wetsvoorstel voor een nieuwe Aanbestedingswet.

Instrumenten en activiteiten

Mededinging

De aanpassing van de Mededingingswet die kleine ondernemers meer ruimte biedt voor samenwerking is in werking getreden. De aanpassing van de Mededingingswet ter invoering van gedragsregels voor de overheid (Wet Markt en Overheid 19 is door de Eerste Kamer aangenomen en een bij deze wet behorende algemene maatregel van bestuur 20 is voorbereid met het oog op inwerkingtreding in 2012.

In vervolg op de evaluatie van de NMa in 2010 21 is onderzoek gedaan naar het verbod op misbruik van een economische machtspositie. Ook is de kans van slagen van een gedragscode ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken onderzocht. Samen met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is de Wet Luchtvaart geëvalueerd. De Tweede Kamer wordt begin 2012 geïnformeerd over deze onderzoeken.

De NMa houdt toezicht op de naleving van de Mededingingswet en enkele sectorspecifieke wetten 22. Ter uitwerking van het kabinetsbesluit om de NMa, OPTA en Consumentenautoriteit samen te voegen, is een wetsvoorstel tot instelling van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) voor advies aan de Raad van State voorgelegd. In dit kader is ook gewerkt aan een wetsvoorstel ter stroomlijning en vereenvoudiging van de procedures, taken en bevoegdheden van de ACM. Hierin wordt ook bezien of strafrechtelijke handhaving van de Mededingingswet wordt geïntroduceerd. Beide wetsvoorstellen worden in 2012 ingediend bij de Tweede Kamer.

Aanbesteden

Het wetsvoorstel Aanbestedingswet 23 is erop gericht dat de overheid op een transparante en effectieve manier inkoopt tegen de beste prijs-kwaliteitverhouding, waarbij ondernemers een goede en eerlijke kans maken op overheidsopdrachten. Het wetsvoorstel heeft tevens tot doel om de naleving van het aanbesteden nog verder te verbeteren. In lijn met de afspraken uit het Regeerakkoord is in 2011 een nota van wijziging ingediend om de toegang van het midden- en kleinbedrijf en zelfstandigen zonder personeel tot overheidsopdrachten verder te verbeteren. De behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is voorzien in 2012. Ook is in 2011 verder gewerkt aan het aanvullend beleid, waaronder de Gids Proportionaliteit. De implementatie van het aanvullend beleid is mede afhankelijk van de parlementaire behandeling van de Aanbestedingswet en zal in 2012 worden voorgezet.

TenderNed wordt het basissysteem voor elektronisch aanbesteden van de overheid. Het aankondigingen-platform (fase 1) is in 2011 opgeleverd en deze module is op 9 november 2011 gelanceerd. Dit betekent dat aanbestedende diensten al hun openbare aankondigingen op TenderNed kunnen publiceren. In het wetsvoorstel Aanbestedingswet is een bepaling opgenomen die aanbestedende diensten verplicht de openbare nationale en Europese opdrachten aan te kondigen via TenderNed. De verplichting in het wetsvoorstel Aanbestedingswet om alle openbare aanbestedingen op TenderNed te publiceren is nog niet in werking getreden. Om die reden zijn er geen realisatiegegevens over 2011 met betrekking tot de indicator «gebruik elektronisch systeem voor aanbesteden wordt gemeengoed bij de overheid» die in de begroting 2011 was opgenomen. Op 23 januari 2012 waren er op TenderNed 263 aankondigingen gepubliceerd waarvan 55 nationaal en 208 Europees.

Metrologiewet

De evaluatie van de instellingen die wettelijke taken uitvoeren op grond van de Metrologiewet is afgerond en wordt begin 2012 aan de Tweede en Eerste Kamer aangeboden. De gewenste effecten voor de maatschappij van certificering, keuring en toezicht op grond van de Metrologiewet zijn bereikt in de evaluatieperiode. De taakinvulling van de toezichthouder Verispect is beoordeeld als doeltreffend en doelmatig. De taakinvulling van de aangewezen instanties en de sectorspecifieke toezichthouders Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Staatstoezicht op de Mijnen is beoordeeld als doeltreffend.

In 2011 is het rapport verschenen over het functioneren van de Richtlijn 2004/22/EC betreffende meetinstrumenten. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot wijzigingen in de richtlijn.

De herziening van de Europese metrologische richtlijnen op basis van verordening 765/2008 is eind 2011 van start gegaan. Dit proces loopt door in 2012. Na de herziening van de richtlijnen zal de Metrologiewet daarop worden aangepast.

Operationele doelstelling 2: Vergroten vertrouwen van consumenten

Informatie en handhaving

Door middel van zelfregulering kunnen individuele geschillen die ontstaan tussen consumenten en ondernemers vaak worden opgelost. Daar waar sprake is van collectieve inbreuken op het consumentenrecht kan de Consumentenautoriteit (CA) optreden. De prioriteiten voor 2011 stonden vermeld in de agenda van de CA voor 2010 en 2011. Deze is in januari 2010 openbaar gemaakt 24. Het jaarverslag van de CA over 2011 wordt voor 1 juni 2012 aan de Staten-Generaal gezonden.

Wel kan al worden gemeld dat de website ConsuWijzer, het informatieloket van de CA, NMa en de OPTA, in 2011 opnieuw tot beste overheidswebsite is uitgeroepen.

Prestatie-Indicatoren
 

Realisatie 2009

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Percentage consumenten dat weet van bestaan ConsuWijzer

2%

5%

6%

Aantal bezoeken op website ConsuWijzer

2 000 000

2 262 000

2 000 000

Klanttevredenheid ConsuWijzer (schaal van 1–10)

7,3

7,4

7

Bron: Blauw Research, Klanttevredenheid ConsuWijzer 2011, in opdracht van de CA en de Rijksvoorlichtingsdienst, Den Haag 2011

Uit bovenstaande cijfers komt naar voren dat de naamsbekendheid van ConsuWijzer sterk is vergroot; weliswaar is deze nog niet op de streefwaarde van 6%, maar geconcludeerd kan worden dat toch forse stappen zijn gezet. Deze realisatiegegevens van deze indicatoren worden eens per twee jaar gemeten, vandaar dat de realisatie 2010 niet in de tabel is opgenomen.

In de begroting 2011 waren ook een aantal kengetallen opgenomen die een beeld schetsen hoe consumenten tegen een aantal zaken die hen betreffen aankijken. Hieronder zijn de cijfers over 2010 gegeven; die van 2011 zijn nog niet beschikbaar 25.

Markt en consumenten prestaties Nederland; kengetallen

Consumentenbeleid

EU 27 (2010)

NL (2009)

NL

(2010)

Percentage consumenten dat zich voldoende beschermd acht

57%

64,4%

69%

Percentage consumenten dat verkopers/providers vertrouwt

65%

67,3%

77%

Percentage dat bij verkopers heeft geklaagd

13%

6,9%

12%

Percentage consumenten tevreden met klachtenafhandeling

52%

51,1%

56%

Percentage consumenten dat het makkelijk vindt om via zelfregulering geschillen op te lossen

48%

38,9%

51%

Consumenten Omgevingsindex

61

61

66

Bron: Europees Scorebord Consumentenmarkten

In de internationale vergelijking op een aantal issues die raken aan het vertrouwen van consumenten, scoort Nederland relatief hoog. De Omgevingsindex geeft een samengesteld beeld op verschillende indicatoren die te maken hebben met het consumentenvertrouwen.

Positie van de consument versterken in Nederland en Europa

Naast het verstrekken van informatie en advies aan consumenten stond 2011 in het teken van het versterken van de juridische positie van de consument.

In het najaar van 2011 zijn de onderhandelingen over een Richtlijn Consumentenrechten afgerond. De implementatie is inmiddels gestart. Hoewel niet op alle deelonderwerpen het gewenste resultaat van zoveel mogelijk eenduidige en gestroomlijnde Europese regelgeving is bereikt, zijn hier toch voor zowel consumenten als (in de Europese Unie actieve) ondernemers belangrijke stappen gezet.

De modernisering van de Pandhuiswet 1910 is in 2011 ter hand genomen en akkoord bevonden door het kabinet. Begin 2012 wordt het wetsvoorstel aangeboden aan de Raad van State voor advies. In de loop van 2012 zal het daartoe strekkende wetsvoorstel dat beoogt de positie van de goederen belenende consument te versterken, aan de Tweede kamer worden aangeboden.

In 2011 is door consumentenorganisaties of brancheverenigingen geen beroep gedaan op het Ministerie van EL&I om het proces naar de totstandkoming van nieuwe geschillencommissies te faciliteren.

In februari 2011 heeft de Europese Commissie een publieke consultatie «naar een coherente Europese aanpak van collectieve acties» openbaar gemaakt. Nederland heeft hier eind april 2011 op gereageerd 26.

Toelichting apparaatsuitgaven

Apparaat Nederlandse Mededingenautoriteit (NMa) / Dienst Toezichtenergie (DTe)

Het verschil tussen de oorspronkelijk vastgestelde begroting en de realisatie (€ 6,5 mln) komt vrijwel geheel voort uit de toekenning van de loon- en prijsbijstelling, bijdragen vanuit het Ministerie van I&M voor uitvoering van toezichtsactiviteiten inzake de Drinkwater- en Vervoerswetten en het feit dat in het verleden aangegane verplichtingen sneller tot betaling zijn gekomen dan verwacht. Tevens moest een schadevergoeding van € 3 mln betaald worden aan een bedrijf dat partij was in een fusiebesluit uit 2003. Dit besluit is door de rechter vernietigd. De middelen betreffende deze onderwerpen zijn bij tweede suppletoire begroting 2011 in de raming verwerkt.

Toelichting op de programmaontvangsten

High Trust

Op basis van de verwachte gezamenlijke boeteontvangsten in 2011 van de toezichthouders van EL&I uit hoofde van «high trust», is de raming bij tweede suppletoire begroting 2011 neerwaarts bijgesteld met € 13 mln tot € 18 mln. Ten opzichte van deze raming is de uiteindelijke realisatie hoger uitgekomen (€ 21,4 mln). Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de extra boeteontvangsten uit de fietsen- en bouwsector als gevolg van de einduitspraken door het College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake prijsafspraken en kartelvorming in betreffende sectoren. Deze eerder dan verwachte einduitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) en de hieruit volgende ontvangsten waren bij tweede suppletoire begroting niet voor 2011 voorzien.

Fees Nederlandse Mededingenautoriteit (NMa)

In 2011 heeft de NMa minder concentratiemeldingsbesluiten en vergunningsbesluiten ontvangen dan oorspronkelijk geraamd. Voor deze besluiten worden fees gerekend aan marktpartijen van € 15 000 respectievelijk € 30 000. Op basis van de verwachte aantallen is de raming «fees» bij tweede suppletoire begroting 2011 reeds neerwaarts bijgesteld met € 1,2 mln.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderzoek onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Effectenonderzoek

ex-post

Evaluatieonderzoek Metrologiewet

1.1

2010

2011

TK, 33 159, nr. 1

 

PIANOo

1.1

2010

2011

TK, 30 501, nr. 33

 

Nalevingsonderzoek aanbesteden

1.1

2011

2012

 
 

Wet handhaving consumentenbescherming

1.2

2010

2011

TK, 33 070, nr. 1

Evaluatieonderzoek Metrologiewet

Een toelichting bij deze afgeronde evaluatie is opgenomen onder de eerste Operationele Doelstelling. De evaluatie Bijdrage NMI/Verispect is opgegaan in het Evaluatieonderzoek Metrologiewet

Aanbestedingsbeleid

Professioneel en Innovatief Aanbesteden Netwerk voor Overheidsopdrachtgevers (PIANOo), het expertisecentrum voor aanbesteden, heeft als taak de professionaliteit van het aanbesteden door alle overheden in Nederland te vergroten. In 2011 heeft een evaluatie plaatsgehad naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van de taakvervulling van PIANOo. Mede naar aanleiding van de evaluatie is de instellingstermijn van PIANOo voor een nieuwe periode van drie jaar verlengd.

Nalevingsonderzoek aanbesteden

Dit onderzoek wordt afgerond in 2012.

Consumentenbeleid

In 2011 is de evaluatie van de Wet handhaving consumentenbescherming afgerond en zijn de Staten-Generaal daarover geïnformeerd. Mede op basis van deze evaluatie bestaat het voornemen om het duaal stelsel van handhaving door de Consumentenautoriteit af te schaffen en in zijn geheel over te gaan tot bestuursrechtelijke handhaving.

2. Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie

Het verslagjaar 2011 is een overgangsjaar geweest waarin, in samenspraak met het bedrijfsleven en de kennisinstellingen, een nieuwe beleidsfilosofie voor de versterking van het innovatievermogen van de Nederlandse economie is uitgewerkt. Die filosofie houdt in dat complexe specifieke subsidies worden vervangen door generieke fiscale Research and Development (R&D)-instrumenten en kredieten en dat met specifieke beleidsmaatregelen de topsectoren worden versterkt. Het laatste gebeurt onder andere door publieke kennis beter ten goede te laten komen aan innovatie in de topsectoren. In februari 2011 zijn de hoofdlijnen van het nieuwe beleid door het kabinet beschreven in de eerste bedrijfslevenbrief «Naar de top». Daarna zijn door de topteams van de topsectoren voorstellen gedaan, wat in september 2011 door het kabinet is beantwoord met de tweede bedrijfslevenbrief «Naar de top; het bedrijfslevenbeleid in actie(s)». Die tweede bedrijfslevenbrief vormde de opmaat voor het opstellen van innovatiecontracten door bedrijven en kennisinstellingen in de laatste maanden van 2011. In het voorjaar van 2012 zullen de innovatiecontracten worden getekend. Gedurende 2011 zijn verder de generieke instrumenten Innovatiefonds MKB+ en de nieuwe fiscale R&D-stimuleringsregeling Research & Development Afrek (RDA) ontwikkeld, om begin 2012 in werking te kunnen treden. Hiermee ligt het nieuwe bedrijfslevenbeleid op koers.

Nederland heeft veel sterke punten, onder andere excellente wetenschappelijke en technologische kennis en internationaal toonaangevende topsectoren. Het gaat er nu om dat dat zich vertaalt in een sterk innovatieve economie, met hoge investeringen in R&D en innovatie en hoge innovatieprestaties. Het Innovation Union Scoreboard, waarin Nederland in 2011 een 7e positie heeft binnen de EU-27-landen, leert dat Nederland vooral op die punten zwaktes kent. De resultaten van het nieuwe beleid zullen pas de komende jaren zichtbaar kunnen worden.

Externe factoren

De innovatieprestaties van de Nederlandse economie staan sterk onder invloed van externe factoren. De innovatiegraad van bedrijven en het succes van innovaties worden sterk bepaald door (internationale) marktontwikkelingen en strategische afwegingen die bedrijven daarbij maken. In de afgelopen jaren heeft de economische terugval als gevolg van de kredietcrisis een neerwaarts effect gehad op de investeringen in innovatie. Dat is zichtbaar bij de R&D-uitgaven van bedrijven. In 2010 liggen die (in absolute zin) nog 3% onder het niveau van 2008. Over 2011 zijn nog geen R&D-cijfers beschikbaar.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Kengetal

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

1. Innovation Union Scoreboard

           

Positie van Nederland binnen EU27-landen1

10e

10e

10e

9e

8e

7e

Bron: Europese Commissie, Innovation Union Scoreboard 2011, 2012 voor realisaties over de periode 2007–2011; Europese Commissie, Innovation Union Scoreboard 2010, 2011 voor realisatie over 2006.

 

2. R&D-uitgaven private sector als % van het BBP 2

           

Nederland

1,01

0,96

0,89

0,86

0,87

nnb

EU27-gemiddelde

1,19

1,20

1,21

1,26

1,25

nnb

OESO-gemiddelde

1,61

1,64

1,69

1,68

nnb

nnb

             

3. R&D-uitgaven publieke sector als % van het BBP2

           

Nederland

0,87

0,85

0,88

0,96

0,96

nnb

EU27-gemiddelde

0,65

0,66

0,68

0,75

0,76

nnb

OESO-gemiddelde

0,65

0,65

0,65

0,72

nnb

nnb

Bron voor R&D-uitgaven private en publieke sector: R&D-statistieken van CBS, Eurostat en OECD. Cijfers voor Nederland: CBS, StatLine databank, 2012; cijfers voor EU27-gemiddelde: Eurostat, Statistics Database, 2012; cijfers voor OECD-gemiddelde: OECD, Main Science and Technology Indicators 2011/2, 2012.

 

4. Aangevraagde Europese octrooien per miljoen personen van de beroepsbevolking3

           

Nederland

855

808

827

756

666

632

EU27-gemiddelde

249

257

267

252

271

261

Bron: European Patent Organisation, European patent applications filed with the EPO ( http://www.epo.org/about-us/statistics/patent-applications.html ) voor aantal aangevraagde Europese octrooien en AMECO database van Europese Commissie voor omvang van de beroepsbevolking.

 

5. Aandeel innoverende bedrijven in het MKB

           

Nederland

24%

24%

nnb

             

6. Aandeel innoverende bedrijven in het MKB dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke en /of private partijen

           

Nederland

34%

36%

nbb

Bron voor kengetallen betrekking hebbend op innoverende bedrijven: innovatie-enquêtes van CBS; cijfers over 2010 verkregen van CBS, voor andere jaren te ontlenen aan StatLine-databank (de cijfers komen tweejaarlijks beschikbaar, over de even jaren).

X Noot
1

Het Innovation Union Scoreboard is de opvolger van het European Innovation Scoreboard. De methodiek daarin verschilt van de methodiek zoals die ten tijde van de begroting voor 2011 gold in het European Innovation Scoreboard, bij deze eerdere methodiek had Nederland in de jaren 2004–2009 een stabiele 11e positie.

X Noot
2

Het betreft hier de sector van uitvoering van R&D en niet de sector van financiering van R&D. De cijfers over 2009 en 2010 zijn voorlopig. Bij het cijfer over 2010 geldt dat zowel de omvang van de R&D-uitgaven in de teller als de omvang van het bruto binnenlands product (BBP) in de noemer nog voorlopig is. Bij het cijfer over 2009 is alleen het BBP in de noemer nog voorlopig. In de begroting voor 2011 is voor de R&D-uitgaven in de private sector als % van het BBP het getal 0,88 opgenomen voor 2008. Het definitieve cijfer hiervoor komt uit op 0,89, vanwege een lichte neerwaartse bijstelling door het CBS van het BBP. Cijfers over 2011 voor Nederland en het EU27-gemiddelde komen beschikbaar in november 2012. Cijfers voor het OESO-gemiddelde kennen een grotere vertraging. In de zomer van 2012 (naar verwachting in juli) komt het OESO-gemiddelde over 2010 beschikbaar, een jaar later het OESO-gemiddelde over 2011

X Noot
3

De hier weergegeven cijfers over 2006–2009 wijken in geringe mate af van de cijfers die eerder in de begroting voor 2011 zijn weergegeven. Zowel het aantal aangevraagde Europese octrooien in de teller als de omvang van de beroepsbevolking in de noemer is licht bijgesteld ten opzichte van de gegevens die beschikbaar waren ten tijde van de begroting voor 2011.

Toelichting

In het Innovation Union Scoreboard van de Europese Commissie zijn de innovatieprestaties van EU-landen gemeten aan de hand van 24 indicatoren. Een samengestelde indicator geeft de positie van een land weer bij het totaal van die indicatoren. Bij die samengestelde indicator is Nederland gestegen van een 9e positie in 2010 naar een 7e positie in 2011. Nederland scoort bovengemiddeld bij onder andere de publieke R&D-uitgaven, het aantal publiek-private co-publicaties, het aantal aangevraagde octrooien, de omvang van licentie- en patentopbrengsten uit het buitenland en het aantal geregistreerde handelsmerken. Nederland heeft een benedengemiddelde score bij onder andere de private R&D-uitgaven, het aantal (technologisch) innoverende MKB-bedrijven, het aantal bedrijven dat niet-technologische veranderingen heeft doorgevoerd en de omzet die bedrijven behalen met nieuwe en verbeterde producten.

De R&D-uitgaven in de private sector bedroegen volgens voorlopige cijfers van het CBS 0,87% van het BBP in 2010. Dat percentage is licht gestegen ten opzichte van 2009. In de private en publieke sector tezamen zijn de R&D-uitgaven gestegen van 1,82% naar 1,83% van het BBP. Dat percentage blijft nog sterk achter bij de doelstelling van 2,5% van het BBP die het kabinet hiervoor het afgelopen jaar heeft geformuleerd in het Nationaal Hervormingsprogramma (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 21 501-20, nr. 531).

De kengetallen brengen ook tot uitdrukking dat Nederland internationaal zeer hoog scoort bij het aantal aangevraagde Europese octrooien. De hoge score op Europese octrooien is mede het gevolg van de aanwezigheid in Nederland van de hoofdkantoren van enkele kennisintensieve bedrijven. De sterke positie van Nederland is de laatste jaren wel verzwakt. Voor de jaren 2009–2010 kan dat hoofdzakelijk worden toegeschreven aan een strategische verandering in de bedrijfsactiviteiten van Philips, dat voor een sterkere focus op medische apparatuur heeft gekozen. Hierdoor zijn er minder octrooien aangevraagd op het gebied van consumentenelektronica. In 2011 is het aantal aangevraagde octrooien bij Philips slechts licht gedaald. Er is nader onderzoek nodig voor een verklaring van de daling die zich in dat jaar bij andere bedrijven heeft voorgedaan. Dat zal in samenwerking met Octrooicentrum NL worden uitgevoerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

2 Een sterk innovatievermogen (bedragen x € 1 000)
 

Realisatie

vastgestelde begroting 2011

Verschil 2011

 

2008

2009

2010

2011

   

Verplichtingen

580 719

955 149

784 322

969 465

890 520

78 945

Uitgaven

552 026

673 344

728 971

878 128

809 210

68 918

programma

488 653

603 668

647 654

796 086

736 915

59 171

OD 1: Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen en benutten

93 968

108 806

120 591

116 154

123 786

– 7 632

– Innovatievouchers

15 630

14 934

20 001

13 490

16 549

– 3 059

– Innovatie Prestatie Contracten

26 157

26 117

32 067

30 207

24 072

6 135

– Innovatiekredieten

2 500

16 905

19 102

35 786

39 328

– 3 542

– Syntens

32 740

32 967

33 038

32 506

32 786

– 280

– Eurostars

558

1 298

2 243

4 165

6 100

– 1 935

– Seed

15 590

16 560

14 081

 

4 951

– 4 951

– SKB

793

25

59

     

OD 2: Topprestaties op innovatiethema’s

381 584

482 212

520 770

675 929

607 569

68 360

– Innovatieprogramma’s1

116 696

158 255

214 221

228 650

218 507

10 143

– Kenniswerkers/High Tech Topprojecten

 

42 833

70 421

20 032

 

20 032

– Lucht- en ruimtevaart

73 656

99 381

88 728

133 072

88 843

44 229

– Institutioneel onderzoek

65 867

46 367

61 999

211 116

214 177

– 3 061

– Internationaal innoveren

54 086

33 958

22 099

12 467

3 964

8 503

– Overig2

71 279

101 418

63 302

70 592

82 078

– 11 486

             

Algemeen

13 101

12 650

6 293

4 003

5 560

– 1 557

– Bijdragen aan diverse organisaties

6 908

8 168

2 931

677

2 423

– 1 746

– Onderzoek en Ontwikkeling

6 193

4 482

3 362

3 326

3 137

189

             

Apparaat

63 371

69 678

81 313

82 041

72 295

9 746

– Personeel Innovatie

6 204

5 686

5 098

4 928

6 431

– 1 503

– Bijdrage aan Agentschap NL

57 167

63 992

76 215

77 113

65 864

11 249

             

Ontvangsten

172 151

197 737

180 311

44 462

42 519

1 943

Ontvangsten Rijksoctrooiwet

32 053

33 394

31 287

31 596

29 212

2 384

Ontvangsten innovatiekredieten

       

469

– 469

Ontvangsten Eurostars

   

443

1 060

1 250

– 190

Ontvangsten TOP

18 669

8 069

7 575

5 412

10 000

– 4 588

Ontvangsten luchtvaartkredietregeling

   

278

1 861

 

1 861

Diverse ontvangsten

6 530

4 096

12 057

4 533

1 588

2 945

Ontvangsten uit het FES fonds

114 899

152 178

128 672

     
X Noot
1

Inclusief Subsidietaakstelling.

X Noot
2

Overig bestaat met name uit Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma’s, bijdrage aan instituten en overige kredieten.

Toelichting op de verplichtingen

De hogere verplichtingenrealisatie wordt voor het grootste gedeelte verklaard door:

  • De ophoging voor nanotechnologie € 125 mln in verband met de vertraagde committering van NanonextNL (FES project High Tech Systemen en Materialen).

  • Daarnaast is de verplichtingenruimte voor het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium opgehoogd, omdat in verband met de overgang van het penvoerderschap van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu naar het Ministerie van EL&I, het in 2010 niet meer is gelukt om de verplichting voor het jaar 2011 aan te gaan (€ 25 mln). Deze verplichting is daarom in 2011 aangegaan.

  • Ook is € 23 mln budget overgekomen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor de Maatschappelijke Innovatie Agenda-veiligheid.

  • Tevens is het verplichtingenbudget voor het ruimtevaartproject Tropomi (€ 30 mln) opnieuw beschikbaar gesteld, omdat de start van de C/D fase een jaar vertraagd is doordat de onderhandelingen langer duurden.

Toelichting op de programma-uitgaven

Operationele doelstelling 1: Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen en benutten

Innovatievouchers

De lagere realisatie met € 3 mln bij de subsidieregeling Innovatievouchers wordt veroorzaakt doordat deze regeling in 2011 is stopgezet vanwege het kabinetsbesluit om het aantal subsidieregelingen te verminderen. Er zijn in 2011 geen nieuwe vouchers uitgegeven. Het voor 2011 gereserveerde budget is toegevoegd aan het budget voor de Innovatie Prestatie Contracten waardoor die regeling verruimd kon worden. De vouchers uit 2010 konden tot midden 2011 ingewisseld worden. Er is om die reden geen realisatie 2011 opgenomen voor dit instrument.

Prestatiegegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Verzilveringspercentage innovatievouchers

62,3%1

60,8%1

Programma beëindigd

Bron: Agentschap NL

X Noot
1

De cijfers van 2009 en 2010 zijn aangepast tov het jaarverslag 2010

Innovatie Prestatie Contracten (IPC’s)

De hogere realisatie bij de Innovatie Prestatie Contracten (IPC’s) wordt onder andere veroorzaakt door het overgehevelde budget vanuit Innovatievouchers en doordat het ritme van uitfinancieren is gewijzigd in 2011. Voorheen werden subsidieverzoeken in 3 jaar uitbetaald, dat is gewijzigd naar volledige uitbetaling in het jaar waarin de aanvraag is toegekend.

In 2011 is het IPC verplichtingenbudget van € 26 mln verhoogd tot een totaal van € 30 mln. Er is in 2011 een tender uitgezet van € 15 mln. Hiermee werden 30 IPC-aanvragen met in totaal 454 MKB-bedrijven gehonoreerd. Verder zijn er 25 aanvragen voor Verkenning van samenwerking toegekend met een budget van € 0,7 mln en 6 Verkenningen Internationale samenwerking voor een totaalbedrag van eveneens € 0,7 mln. De streefwaarde voor 2011 van 150 bedrijven is daarmee ruimschoots bereikt en is in lijn met de verhoging van het budget.

Prestatiegegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Aantal betrokken bedrijven bij IPC’s

623

824

452

150

Bron: Agentschap NL

Seed

De verlaagde realisatie wordt veroorzaakt door het overhevelen van middelen naar artikel 3 waar de Seed-regeling nu wordt geraamd en verantwoord.

Innovatiekredieten

Bij het Innovatiekrediet wordt een indicator gebruikt die aangeeft hoeveel private R&D-uitgaven er worden ondersteund met innovatiekredieten. De streefwaarde hiervan voor 2011 is vastgesteld op € 137 mln. Op basis van de toegekende innovatiekredieten in 2011 is een indicator-waarde bereikt van € 144 mln. Door een grotere financiële bijdrage vanuit de ondernemingen dan de voorziene 35 % is deze streefwaarde overtroffen.

Prestatiegegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Omvang van de private R&D-uitgaven ondersteund met een innovatiekrediet

€ 111 mln

€ 144 mln

€ 144 mln

€ 137 mln

Bron: EL&I

Syntens

Syntens is het landelijk netwerk dat tot doel heeft het Midden en Klein Bedrijf aan te zetten tot succesvol innoveren. Syntens geeft voorlichting, activeert en ondersteunt op het gebied van innovatie. Syntens had per ultimo september ruim 5 000 bedrijven geactiveerd en ruim 16 000 voorgelicht. Het percentage nieuwe klanten lag rond de 40%. In 2011 heeft Syntens een actieve rol gespeeld bij de IPC-regeling door ondersteuning van IPC-penvoerders en IPC-deelnemers. In 2011 is het besluit genomen om Syntens te fuseren met de Kamers van Koophandel en tot één ZBO Ondernemerspleinen te komen per januari 2014. De voorbereidingen voor deze fusie zijn in 2011 gestart. Innovatiestimulering zal een van de wettelijke taken van het nieuwe Zelfstandig Bestuursorgaan worden. Het klanttevredenheidscijfer voor Syntens is in 2011 uitgekomen op een 7,9. Dit is in overeenstemming met het streefcijfer voor 2011.

Prestatiegegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Klanttevredenheid Syntens

7,9

8,0

7,9

8,0

Bron: Klanttevredenheidsonderzoek Syntens, Jaarrapport 2011

Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)

De WBSO is de verzamelnaam voor de faciliteit afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en de aftrek speur- en ontwikkelingswerk in de Wet inkomstenbelasting. Het totale WBSO-budget bedroeg in 2011 € 878 mln. Daarvan was € 8 mln voor de aftrek voor zelfstandigen. Het budget voor de afdrachtvermindering is in 2011 structureel verhoogd met € 233 mln om het gestegen gebruik van de regeling te accommoderen. Daarnaast is er in 2011 incidenteel € 155 mln beschikbaar gesteld, waarvan € 60 mln in het kader van lastenverlichting. Het incidentele budget is ingezet om alle parameters van de WBSO op het niveau van de crisismaatregelen in 2010 te handhaven. Het aantal participerende bedrijven in de WBSO is gegroeid van 19 450 in 2010 naar 20 507 in 2011. Daarbij is het aantal aanvragers dat gebruik maakt van de startersfaciliteit gedaald van 4 180 in 2010 naar 4 040 in 2011.

Prestatiegegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Aantal aanvragers met toegekende WBSO

16 620

19 450

20 507

16 620

Aantal aanvragers met toegekende WBSO dat van de startersfaciliteit gebruik maakt

3 430

4 180

4 040

3 430

Bron: Agentschap NL

Operationele doelstelling 2: Topprestaties op innovatiethema’s

Topprestaties op innovatiethema’s

2011 heeft in het teken gestaan van de uitwerking van het nieuwe bedrijvenbeleid en de topsectorenaanpak. Voor de negen topsectoren, inclusief de doorsnijdende thema’s nanotechnologie, ICT en biobased economy, zijn lange termijn actie agenda’s opgesteld. Door middel van voorstellen voor innovatiecontracten (opgeleverd ultimo 2011) is op vraaggestuurde wijze (door topteams bestaande uit bedrijven, Midden- en Kleinbedrijf, kennisinstellingen en de overheid) een koers neergezet voor het vergroten van het innovatief vermogen. Een essentieel onderdeel hiervan wordt gevormd door de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s). Deze bouwen voort op succesvolle privaatpublieke samenwerkingsverbanden. In het voorjaar van 2012 zal besluitvorming plaatsvinden over de PPS-constructies in innovatiecontracten die daarmee worden verankerd in het bredere bedrijfslevenbeleid.

Instrumenten en activiteiten

Innovatieprogramma’s

Het nieuwe beleid betekent ondermeer minder subsidies en meer fiscale instrumenten, een ruimere toegang tot bedrijfsfinanciering en een betere benutting van de kennisinfrastructuur door het bedrijfsleven. Investeringen in innovatieprogramma's zijn in 2011 sterk afgebouwd. De netwerken uit de programma's komen terug in de innovatiecontracten van de topsectoren, die daarmee het belang van veel PPS-programma's onderstrepen.

Prestatiegegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Aantal deelnemers in innovatieprogramma's1

4 100

6 100

6 150

4 000

Totale R&D investeringen in innovatieprogramma’s (of programmatische aanpak)2

€ 743 mln

€ 593 mln

€ 374 mln

€ 450 mln

Bron: Agentschap NL

X Noot
1

Het aantal van 6 150 is een behoudende schatting van het aantal partijen dat betrokken is bij de innovatieprogramma’s, inclusief deelnemers aan workshops et cetera. Dit getal geeft een indicatie van de omvang van het totale netwerk dat met de innovatieprogramma’s wordt versterkt.

X Noot
2

Dit betreft de totale R&D-investeringen in innovatieprogramma’s (de totale publieke en private investeringen in R&D in 2011 zoals zichtbaar binnen de regelingen (inclusief Technologische Topinstituten) van de innovatieprogramma’s. De streefwaarde voor 2011 is niet gehaald, omdat een belangrijk deel van de programmatische aanpak (de subsidietenders) in 2011 is stopgezet.

De overheid als opdrachtgever voor innovatie

In 2011 heeft de eerste meting van de rijksbrede prestatie-indicator voor de overheid als innovatiebevorderende klant plaatsgevonden. Hieruit kwamen precies 20 innovatiegerichte aanbestedingen conform de streefwaarde. Het kabinet heeft in 2011 besloten om zich vanaf 2012 te richten op het besteden van 2,5% van het totale inkoopbudget van rijks- en locale overheid aan innovatiegericht inkopen. Dit is een richtgetal en geen formele streefwaarde. De formele streefwaarde blijft 20 innovatiegerichte aanbestedingen. Het bereiken van de 2,5% wordt gestimuleerd via acht boegbeeldprogramma’s op inkoopthema’s, in relatie tot het topsectorenbeleid.

In 2011 zijn 2 Small Business Innovation Research (SBIR) programma’s gestart. Dat is minder dan in 2010. In dat jaar zijn vier departementale SBIR’s gestart en 10 haalbaarheidsstudies voor de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) SBIR. In deze kabinetsperiode zijn geen nieuwe gelden meer beschikbaar.

Prestatiegegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Aantal door de aanbestedende dienst uitgevoerde innovatie gerichte aanbestedingen

nnb

26

20

Bron: PIANOo: Expertisecentrum aanbestedenI

Kenniswerkers/High Tech Topprojecten

Vanwege een langdurige staatssteunprocedure kon een High Tech Topproject niet meer in 2010 worden uitgefinancierd. In het kader van deze overlopende verplichting heeft de betaling in 2011 plaatsgevonden.

Lucht- en ruimtevaartbeleid

De hogere uitgaven worden veroorzaakt door een versnelling van € 14,8 mln in de kasuitgaven voor diverse lopende ruimtevaartposten (General Budget & Kourou en ARTES) op verzoek van European Space Agency (ESA) en € 9 mln voor de uitfinanciering van lopende verplichtingen van het voormalige Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR), die door het Ministerie van EL&I zijn overgenomen. Tevens was de kasbehoefte voor de C/D fase van TROPOMI in 2011 hoger dan geraamd (€ 21 mln).

Het specifieke luchtvaartbeleid van de beleidsperiode (2006–2010) is niet gecontinueerd en ook de programma's zijn niet voortgezet. Luchtvaart wordt ondergebracht onder de topsector High Tech Systemen en Materialen. Echter voor een aantal Strategische Research Programma’s, de Subsidie Ontwikkeling Vliegtuigbouw en de Civiele Vliegtuig Ontwikkelings (CVO)-programma’s zijn er nog lopende projecten ondersteund. Via het CVO zijn (in verband met overloop vanuit 2010) 5 projecten gehonoreerd, met een totaal krediet van € 23,2 mln.

Wat betreft ruimtevaart zijn de relevante mutaties toegelicht in de programma uitgaven. De geo-return bedroeg in 2011 1,09.

Prestatiegegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Ruimtevaart geo-return

1,15

1,09

1,09

1,15

Bron: ESA

Internationaal innoveren

Bij Eureka is er voor € 8,3 mln meer aan kasbetalingen verricht op verplichtingen die meerdere jaren waren aangegaan.

Overig

De verlaagde realisatie betreft met name de aanpassing van de kasraming voor Besluit Subsidie Investeringen Kennisinfrastructuur (€ 6,8 mln) waarop minder declaraties zijn ontvangen dan oorspronkelijk geraamd en het stopzetten van de Innovatie Samenwerking Kredietregeling (€ 3,7 mln).

Europees programma: 7e kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7)

In 2011 is onder het 7e kaderprogramma een groot aantal nieuwe oproepen voor projectvoorstellen voor excellent onderzoek en voor grensoverschrijdende onderzoekssamenwerking en technologische ontwikkeling geplaatst. Nederland heeft de relatief grote participatie in het kaderprogramma weten te behouden. Van 2007 tot en met 2011 hebben Nederlandse organisaties ongeveer € 1 600 mln aan subsidie toegezegd gekregen. Van het totale KP7-budget ging 6,7% naar Nederlandse onderzoekers. Dit is hoger dan op basis van de Nederlandse bijdrage aan de EU te verwachten is (5,0%). Dit komt neer op een retour van 6,7%. Van dit bedrag is circa € 900 mln gegaan naar toegepast onderzoek dat aansluit bij de topsectoren. Van het bedrag dat Nederland retour heeft ontvangen, ging 20% naar het Nederlandse bedrijfsleven (8% groot bedrijfsleven en 12% MKB). De deelname van het Nederlandse bedrijfsleven aan het kaderprogramma is daarmee gestegen ten opzichte van eerdere jaren. Deelname van het bedrijfsleven blijft echter een punt van aandacht, zowel in Nederland als binnen de gehele EU. Eind 2011 heeft de Commissie haar voorstel gepresenteerd voor het Europese programma voor de financiering van onderzoek en innovatie van 2014 tot en met 2020, genaamd «Horizon 2020: het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie». Dit programma zal zich richten op het versterken van de kennisbasis en de concurrentiekracht en het oplossen van grote maatschappelijke uitdagingen.

Bijdrage aan TNO/GTI’s (institutioneel onderzoek)

Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is als gevolg van het Regeerakkoord verantwoordelijk geworden voor TNO en de Grote Technologische Instituten (GTI's). Als gevolg hiervan zijn de middelen voor TNO, Deltares, Marin en NLR van OCW en I&M naar de begroting van EL&I overgebracht. Het jaar 2011 stond voor TNO en de GTI's in het teken van de vormgeving en invulling van de rol van het toegepaste onderzoek in het bedrijfslevenbeleid van dit kabinet en met name in het tot stand komen van de Innovatiecontracten voor de topsectoren. De reeds langer bestaande vraagsturing is in 2011 onderdeel hiervan geworden. Enkele meer specifieke punten zijn:

  • TNO is betrokken bij alle topsectoren. Daarnaast heeft TNO zijn mondiale betrokkenheid vergroot door onder meer een vestiging in Quatar ten behoeve van technologische ondersteuning van de oliewinning en als bruggenhoofd voor samenwerking en export en de initiëring van een kenniscentrum voor duurzame energie op Aruba. Tevens is de impactmeting op het Strategisch Plan 2007–2011 gereed gekomen.

  • NLR is, naast het werk voor Defensie, betrokken bij de topsectoren High Tech en Logistiek. Een grote investering in 2011 betrof de upgrading van de Nederlands-Duitse windtunnel in Marknesse.

  • Marin heeft in 2010 vanuit het FES middelen toegezegd gekregen voor de upgrading van een grote onderzoeksfaciliteit. Hiervoor zijn in 2011 nog betalingen verricht. Deze faciliteit is inmiddels in gebruik genomen. Marin zet zich actief in voor de topsector water (i.c. innovatiecontract maritiem).

  • Deltares is betrokken bij de topsector water. Deltares heeft in 2011 het Strategisch Plan voor de periode 2012–2015 geformuleerd, waarin wordt ingespeeld op de uitgangspunten van de topsectorenaanpak, bijvoorbeeld op terreinen zoals waterveiligheid en beschikbaarheid van water en grondstoffen.

Prestatiegegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Klanttevredenheid cofinanciers bij kennisontwikkeling TNO

7,6

7,2

nnb1

7,6

Bron: Klanttevredenheidsonderzoek TNO

X Noot
1

De realisatie 2011 komt rond 1 mei beschikbaar

Netwerk Innovatie Attachés (voormalig netwerk van Technisch Wetenschappelijk Attachés)

Het Netwerk Innovatie Attaché werkt aan het verbeteren van het innovatievermogen van Nederland door kennisintensieve samenwerking van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties met het buitenland te bevorderen. Daarbij concentreert het zich op de internationalisering van de innovatiecontracten van de topsectoren en speelt het in op nieuwe technologische ontwikkelingen die voor de Nederlandse kenniseconomie en de hele innovatieketen van belang zijn.

Prestatiegegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Klanttevredenheid IA Netwerk

8,5

8,7

7,5

Bron: AgNL EVD Internationaal, Klanttevredenheidsonderzoek 3e kwartaal 2011

Kennisbescherming

Op initiatief van (onder meer) Nederland hebben Raad en Europees Parlement een besluit tot samenwerking op het terrein van het unitair octrooirecht vastgesteld. De besluitvorming over de daaruit voortvloeiende Verordening voor een unitair octrooi en een verdrag voor gemeenschappelijke octrooirechtspraak is inmiddels in een vergevorderd stadium.

Met het oog op de wijziging van de staatkundige inrichting van het koninkrijk is de octrooi- en merkenwetgeving aangepast en is de wet merken BES tot stand gekomen die van toepassing is in Caribisch Nederland. Het Beneluxbureau voor de Intellectuele Eigendom voert deze wet voor Nederland uit.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

De mutatie in het kader van de baten-lastendiensten betreft het budget voor de kosten voor uitvoering van regelingen door Agentschap NL. Het gaat daarbij voornamelijk om de overheveling van de uitvoeringskosten vanuit de beleidsbudgetten voor Eureka, HTAS EVT en het Innovatiekrediet.

Toelichting op de ontvangsten

Ontvangsten technische ontwikkelingsprojecten (TOP)

De lagere ontvangstenrealisatie wordt veroorzaakt doordat er minder is terugbetaald op in het verleden verstrekte kredieten voor technische ontwikkelingsprojecten (TOP). De hoogte van deze ontvangsten is afhankelijk van het commerciële succes van de projecten en daarmee moeilijk te voorspellen.

Diverse ontvangsten

De hogere ontvangstenrealisatie wordt voor het grootste gedeelte veroorzaakt door terugontvangsten van Agentschap NL in verband met de eindafrekening 2010.

Prestatiegegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Klanttevredenheid NL-OC

7,8

7,7

7,8

7,8

Bron: Marketresponse research & consultancy

Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderzoek onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Kennisbescherming: evaluatie IE-beleid

2.2

2011

2012

 

Effectenonderzoek ex post

WBSO

2.1

2011

2012

 
 

Innovatievouchers

2.1

 
 

Actieprogramma Technopartner

2.1

2012

2012

 
 

Innovatiekrediet

2.1

2012

2012

 
 

Vraagsturing TNO/GTI’s

2.2

2010

2011

TK, 32 637 nr. 2

 

Programmatische aanpak (Innovatieprogramma’s)

2.2

2011

2012

TK, 31 985 nr. 7

 

Innovatieprogramma Food and Nutrition

2.2

2011

2012

TK, 31 985 nr. 7

 

Innovatieprogramma Point One

2.2

2011

2012

TK, 31 985 nr. 7

 

Stichting Technische Wetenschappen

2.2

2011

2011

TK, 33 000 nr. 167

 

Syntens

2.2

2012

2012

 

Overig evaluatieonderzoek

Launching Customer/ Innovatiegericht inkopen

2.2

     

Toelichting

  • Kennisbescherming: evaluatie IE-beleid. De opdracht voor de evaluatie is in 2011 verstrekt na het doorlopen van de Europese aanbestedingsprocedure. Vanwege de complexiteit van het onderwerp was het rapport eind 2011 nog niet afgerond. Het eindrapport wordt in de eerste helft van 2012 verwacht.

  • WBSO: de opdracht voor de evaluatie is in 2011 verstrekt na het doorlopen van de Europese aanbestedingsprocedure. Vanwege de complexiteit van het onderwerp was het eindrapport eind 2011 nog niet gereed. Het eindrapport is in de eerste helft van 2012 gereed.

  • Innovatievouchers: aanvankelijk was het voornemen om de innovatievouchers te evalueren in 2011. Besloten is echter om dat niet te doen aangezien de regeling in 2011 is stopgezet.

  • Technopartner: in 2010 hebben de laatste toekenningen plaatsgevonden onder de vlag van het Actieprogramma TechnoPartner. Om ook enige resultaten van die laatste toekenningen mee te kunnen nemen en daarmee de kwaliteit van de eindevaluatie te vergroten, is besloten de eindevaluatie van 2011 te verplaatsen naar 2012.

  • Innovatiekrediet: beoogd was het onderzoek eind 2011 te starten. Er is besloten het onderzoek uit te stellen omdat er prioriteit is gegeven aan het opzetten van de nieuwe regeling innovatiefonds MKB+ die begin 2012 van start is gegaan. Onderzoek wordt gestart begin 2012 en zal naar verwachting in 2e helft van 2012 worden afgerond.

  • Programmatische aanpak: er is een evaluatie uitgevoerd van de Programmatische aanpak (het geheel van de innovatieprogramma’s) en bovendien zijn twee programma’s afzonderlijk geëvalueerd; Food en Nutrition en Point One. De resultaten zijn meegenomen in de brief over de innovatiecontracten die 2 april naar de Kamer is gestuurd, TK, 32 637, nr. 32.

  • Stichting Technische Wetenschappen (STW): conform de aankondiging in de EZ-begroting 2010 (TK, 32 123 XIII nr. 2, vergaderjaar 2009–2010) en de melding in het Jaarverslag EL&I 2010 (TK, 32 710 XIII nr. 1, vergaderjaar 2010–2011) is STW in 2011 geëvalueerd. In verband met de brede heroverwegingen is de start van dit onderzoek destijds uitgesteld.

  • Syntens: de evaluatie van Syntens is uitgesteld tot 2012 in verband met het Kabinetsvoornemen om Syntens per 1 januari 2014 te fuseren met de Kamers van Koophandel tot één organisatie Ondernemerspleinen. De vorige evaluatie van Syntens vond plaats in 2007 en is in februari van 2008 aan de Tweede Kamer gemeld (TK, 31 200 XIII nr. 47).

  • Launching Customer/Innovatiegericht inkopen: het aangekondigde onderzoek wordt niet meer uitgevoerd.

3. Een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat

Algemene doelstelling

De fundamenten van het Nederlandse ondernemingsklimaat zijn ten opzichte van het buitenland goed op orde en de afgelopen jaren op onderdelen verbeterd 36. Zo kent Nederland een relatief hoge arbeidsproductiviteit en arbeidsparticipatie, een relatief hoog opgeleide beroepsbevolking en een relatief lage werkloosheid. Verder vertoont het ondernemerschap in Nederland al jaren een stijgende trend. Zo is het aantal personen dat zelfstandig ondernemer is geworden in Nederland de afgelopen jaren toegenomen en ook verbeterd ten opzichte van het buitenland, Nederland is zelfs ondernemender dan de VS. Ook zijn we koploper in de EU op het gebied van aankomende en startende ondernemers 37. Op de ranglijst van het World Economic Forum (WEF)38 is Nederland in 2011 gestegen van een 8e naar een 7e plaats. De ambitie is echter om een top 5 positie te bereiken. Het nieuwe bedrijvenbeleid van dit kabinet geeft hier invulling aan. Met dit beleid schept het kabinet de ruimte voor bedrijven – groot en klein – om te ondernemen, te innoveren, te investeren en te exporteren. Dit gebeurt door overbodige en knellende regels te schrappen, door te zorgen voor goede financieringsmogelijkheden, een laagdrempelige toegang voor ondernemers tot informatie en advies en minder specifieke subsidies in ruil voor lastenverlichting. Hiernaast richt het bedrijvenbeleid zich op versterking van de topsectoren van de Nederlandse economie. Dit gebeurt door een nieuwe aanpak, waarin de gouden driehoek van ondernemers, onderzoekers en de overheid gezamenlijk werken aan het oplossen van knelpunten en het benutten van kansen. Ondernemers en onderzoekers zitten aan het stuur, de overheid inspireert, faciliteert en brengt partijen bij elkaar en borgt uiteraard publieke belangen. Tien topteams hebben in 2011 ambitieuze agenda’s opgesteld voor de versterking van hun sector. Het kabinet heeft op 13 september 2011 aangegeven de agenda’s op hoofdlijnen over te nemen en de topteams gevraagd om hun agenda’s verder uit te werken en te concretiseren. Eind 2011 hebben de topteams in dit kader voorstellen ingediend voor human capitalagenda’s en innovatiecontracten.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Kengetallen

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie

2011

Ambitie

Global Competitiveness Index

     

Ambitie In 2020 een top-5-positie

– Positie van Nederland

10e

8e

7e

 

Bron: World Economic Forum, Global Competitiveness Report 2011–2012, 2011

       

Investeringsquote van bedrijven

       

– Nederland1

Bron: CPB

14,1%

13,5%

14½%

 

Doing Business Index

Wereldbank

       

– Positie van Nederland

29e

29e

31e

 

Bron: Doing Business report 2011

       

Ondernemersquote

Bron: EIM

       

– Nederland2

12,1%

12,2%

12,2%

 

– EU-15-gemiddelde

12,1%

nnb

nnb

 

Bron: Internationale benchmark ondernemerschap, 2011

TEA-index

       

– Nederland

7,2%

7,2%

8,2%

 

Bron: GEM, Global Entrepreneurship Monitor, 2011

Aandeel snelle groeiers

Realisatie 2003/2006

Realisatie 2004/2007

Realisatie 2005/2008

 

Nederland

7,2%

11,0%

13,0%

 

Bron: EIM, Internationale benchmark ondernemerschap, 2011

X Noot
1

De cijfers van 2009 en 2010 zijn aangepast ten opzichte van jaarverslag 2010, naar aan leiding van herziene cijfers van het CPB

X Noot
2

2010 betreft een tweede schatting, 2011 een eerste schatting

Toelichting

Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de top-10 volgens de Global Competitiveness Index (GCI) van het World Economic Forum (WEF). De ambitie is echter om een top-5 positie te bemachtigen. Dat is nog niet bereikt, maar in 2011 zijn we gestegen naar plaats 7. Op de Doing Business Index van de Wereldbank is Nederland 2 plaatsen gezakt, voornamelijk omdat het ondernemingsklimaat in andere landen sneller is verbeterd dan in Nederland.

De ondernemersquote (het aandeel ondernemers in Nederland) is gestegen van 10,7% in 2004 naar 12,2% in 2011. Het aantal personen dat zelfstandig ondernemer is, is sterker toegenomen dan in andere EU-landen en ligt nu rond het EU-gemiddelde. De Total Entrepreneurial Activity (TEA) index (het aandeel aankomende en startende ondernemers) is in 2011 gestegen naar 8,2%, daarmee scoren we wereldwijd een 3e plaats. Onderzoek van Van Stel en Van Praag 41 heeft uitgewezen dat Nederland nu rond het optimale niveau zit qua aantal ondernemers. De komende jaren zal de nadruk dan ook meer komen te liggen op kwalitatieve aspecten van ondernemingen.

De ondernemersquote en de TEA-index meten vooral de kwantiteit van het ondernemerschap. Om een beeld te krijgen meer kwalitatieve aspecten van het ondernemerschap kijken we naar de investeringsquote en het aandeel snelle groeiers. Juist ondernemingen die investeren en groeien blijken een positief effect te hebben op economische groei en werkgelegenheid. De investeringen door Nederlandse bedrijven zijn gestegen in 2011. Het CPB verwacht dat de investeringen licht zullen stijgen naar 14¾% in 2012, hoewel dit gezien de dalende conjunctuur in de praktijk lager uit zou kunnen gaan vallen. Het aantal snelle groeiers is na de forse stijging vorig jaar ook dit jaar gestegen naar 13,0%. Internationaal gezien scoren we echter nog steeds middelmatig, waar we een aantal jaar geleden nog fors achterliepen. Dit laat zien dat het ondernemings- en vestigingsklimaat ook voor groeiende ondernemingen is verbeterd de afgelopen jaren.

Budgettaire gevolgen van beleid

3. Een excellent ondernemings- en vestigingsklimaat (bedragen x € 1 000)
 

Realisatie

vastgestelde begroting 2011

Verschil 2011

 

2008

2009

2010

2011

   

Verplichtingen

1 143 996

1 183 684

1 867 285

1 343 832

2 252 034

– 908 202

Waarvan garantieverplichtingen

624 488

862 412

1 459 543

1 192 913

1 935 000

– 742 087

Uitgaven

319 739

415 862

372 707

415 372

490 134

– 74 762

programma

300 741

392 801

345 954

386 269

471 817

– 85 548

OD 1: Bevorderen level playing field

19 802

24 062

19 863

19 517

37 969 

– 18 452

– Borgstellingsregeling Scheepsnieuwbouw (garantieverplichting)

       

 9 000

– 9 000

– Innovatieregeling Scheepsbouw

6 254

5 646

5 762

10 079

9 500

579

– BSRI

13 112

18 093

14 006

9 438

19 469

– 10 031

– Codema-regeling

436

323

95

     

– OD 2: Stimuleren meer en beter ondernemerschap

53 921

143 287

133 845

153 140

179 761

– 26 621

– BBMKB (garantieverplichting)

30 204

55 561

64 534

73 605

27 377

46 228

– Groeifinancieringsfaciliteit/GO (garantieverplichting)

 

48 123

8 750

14 308

72 000

– 57 692

– Microkredieten

4 973

9 930

5 151

851

4 928

– 4 077

– Actieplan Veilig Ondernemen

453

2 867

17 447

8 224

3 508

4 716

– Ondernemerschap en Onderwijs

2 645

12 816

21 151

16 768

17 933

– 1 165

– Valorisatie

     

11 198

15 298

– 4 100

– Seed

     

10 507

25 295

– 14 788

– Bevorderen Ondernemerschap

6 841

6 164

10 459

10 730

7 656

3 074

– Bijdragen aan instituten

8 805

7 826

6 353

6 167

4 781

1 386

– Afwikkeling BBH-regeling

1 4831

1 2171

9751

782

985

– 203

OD 3: Benutten van gebiedsgerichte economische kansen in (inter)nationaal concurrerende clusters

219 419

217 813

186 503

204 711

250 810

– 46 099

– Pieken in de Delta 2

29 444

65 165

100 530

107 393

165 876

– 58 483

– Europese structuurfondsprogramma’s

37 655

16 873

33 328

59 437

41 762

17 675

– Bedrijventerreinen

15 212

37 741

24 331

2 784

27 929

– 25 145

– Regionale ontwikkelingsmaatschappijen

8 616

31 841

7 751

8 034

7 295

739

– Andere gebiedsgerichte bijdragen

110 684

47 702

3 066

8 642

7 898

744

– Toerisme

17 808

18 491

17 497

18 421

17 650

771

– Subsidietaakstelling

       

– 17 600

17 600

             

Algemeen

7 599

7 639

5 743

8 901

3 277

5 624

– Onderzoek en Ontwikkeling

7 599

7 639

5 743

8 901

3 277

5 624

             

Apparaat

18 996

23 060

26 753

29 103

18 317

10 786

– Personeel Ondernemen

12 317

13 122

13 823

16 824

13 442

3 382

– Bijdrage aan Agentschap NL

6 679

9 938

12 930

12 279

4 875 

7 404

             

Ontvangsten

40 215

56 109

108 405

77 797

105 772

– 27 975

Ontvangsten ruimtelijk economisch beleid

2 282

3 247

13 082

24 822

 

24 822

Ontvangsten BBMKB

26 753

20 106

26 519

32 674

25 230

7 444

Ontvangsten Groeifinancieringsfaciliteit/GO

556

2 382

9 662

15 156

68 000

– 52 844

Ontvangsten garantieregeling Scheepsbouw

       

10 000

– 10 000

Ontvangsten uit het FES fonds

2 645

19 816

53 548

     

Diverse ontvangsten

7 978

10 559

5 594 

5 146

2 542

2 604

Ontvangsten oud beleid

2 584 1)

862 1)

548 1)

     
X Noot
1

Afwikkeling BBH-regeling en ontvangsten oud beleid werden t/m 2010 op artikel 23 verantwoord.

X Noot
2

Inclusief budget Sterke Regio’s en Nota Ruimte-projecten

Toelichting op de verplichtingen

De lagere realisatie bij de verplichtingen wordt voor het grootste gedeelte veroorzaakt door:

  • Geen realisatie bij de Borgstellingsregeling Scheepsnieuwbouw (€ 1 mld). Eind 2010 heeft de Europese Commissie (EC) ingestemd met een gewijzigde opzet van de oorspronkelijke regeling. De gestelde voorwaarden werden echter als te zwaar gezien en hebben in 2011 tot nader overleg met de EC geleid. Als gevolg daarvan is tot nu toe geen gebruik gemaakt van de regeling.

  • Bij de BMKB is het garantieplafond in 2011 opgehoogd in verband met de toegenomen vraag naar het instrument tijdens de laagconjunctuur en de verruimde voorwaarden van de regeling (€ 144 mln).

  • Verder is er een bijstelling geweest bij de Garantie Ondernemingsfinanciering. De bijstelling bij de GO betreft enerzijds het opnieuw beschikbaar stellen van onbenutte garantieruimte uit 2010 in 2011 bij Miljoenennota. Hiervan is € 268 mln benut in 2011.

Toelichting op de programma-uitgaven

Operationele doelstelling 1: Bevorderen level playing field

Om te zorgen voor een eerlijk speelveld (level playing field) heeft EL&I in 2011 gewerkt aan het wegnemen van marktverstoringen als gevolg van het optreden van overheden. Het gaat hier bijvoorbeeld om de inzet in EU- en WTO-verband (zie ook artikel 1 en 5), maar ook om specifieke (bilaterale) contacten en interventies in binnen- en buitenland. De zorg voor een eerlijk speelveld is ook een belangrijk thema in de agenda's van de topsectoren (onder andere Agro&Food, Chemie en High Tech Systems en Materialen). Als reactie hierop heeft het kabinet onder andere besloten om de capaciteit van het Meldpunt Handelsbelemmeringen (voorheen Crashteam Oneerlijke Concurrentie) te vergroten (zie artikel 5), nationale koppen op EU-regelgeving op te sporen en te verwijderen en te zorgen dat er geen nationale koppen bijkomen. In aanvulling op deze algemene lijn is het soms ook noodzakelijk om de verstoring op nationaal niveau te repareren via gerichte maatregelen. In 2010 gold dit specifiek voor de defensiegerelateerde industrie en de scheepsbouw, waar mede door specifieke instrumenten ongewenste verstoringen in het speelveld van deze sectoren zijn tegengegaan. Hierdoor kon de orderportefeuille in deze sectoren op peil blijven. Ook heeft het kabinet als gevolg van de agenda van de topsector chemie zich in 2011 ingezet op verbetering van de werking van het Emission Trading System (ETS).

Borgstellingsregeling Scheepsnieuwbouw

De oorzaak van het niet realiseren van uitgaven en ontvangsten is dat eind oktober 2010 de Europese Commissie heeft ingestemd met een gewijzigde opzet van de regeling. In 2011 heeft met banken en de scheepsbouwsector overleg plaatsgevonden over, de door de Europese Commissie aangegeven, voorwaarden. Op basis van dit overleg is aan de Europese Commissie gevraagd om herziening van de voorwaarden. Voorzien wordt dat de Europese Commissie hierover begin 2012 uitsluitsel geeft.

Innovatieregeling Scheepsbouw

In 2011 zijn in het kader van de Subsidieregeling Innovatieve Zeescheepsbouw 9 aanvragen gehonoreerd met een totale subsidie van € 4,2 mln. Het beschikbare budget is hiermee volledig uitgeput. Hiermee wordt bij de Nederlandse scheepswerven voor € 56 mln aan scheepsbouwinnovatieprojecten gerealiseerd. Deze innovatieprojecten zijn onderdeel van orders met een totale omzet van bijna € 330 mln.

Besluit Subsidies Regionale Inversteringsprojecten (BSRI)

De lagere realisatie bij de BSRI is veroorzaakt door 1) opgelopen vertraging bij de projectrealisatie (4 projecten), 2) voorkeur van de subsidieaanvrager om af te rekenen bij definitieve vaststelling in een later jaar (2 projecten) en 3) definitieve subsidievaststelling in behandeling (3 projecten).

Defensie Industrie Strategie (DIS)

De DIS (TK, 31 125 nr. 1, verzonden 27 augustus 2008) beschrijft de mogelijkheden van de overheid om een bijdrage te leveren aan de positie van de Nederlandse defensie gerelateerde industrie in nationale en internationale netwerken voor de ontwikkeling, productie en instandhouding van defensiematerieel. Hierbij zetten zowel het Ministerie van EL&I als het Ministerie van Defensie zich in voor een open, concurrerende internationale markt voor defensiematerieel, het bevorderen van de mogelijkheden voor de Nederlandse defensie gerelateerde industrie en het versterken van de concurrentiekracht van deze industrie op kansrijke gebieden.

Hoewel de tijdshorizon van de DIS 10 jaar is nopen de internationale ontwikkelingen, de beleidsbrief «Defensie na de kredietcrisis: een kleinere krijgsmacht in een onrustige wereld» en de implementatie van de EU-richtlijn 2009/81/EEG in de Aanbestedingswet op het terrein van Defensie en Veiligheid tot een evaluatie en actualisatie van de DIS.

Compensatiebeleid

Met het compensatiebeleid wordt verzekerd dat de aanschaf door het Ministerie van Defensie van buitenlands defensiematerieel voor 100% wordt gecompenseerd met orders voor de Nederlandse industrie. Hierbij streeft EL&I naar een zo hoog mogelijk percentage opdrachten voor het defensie gerelateerde bedrijfsleven. De implementatie van de EU-richtlijn 2009/81/EEG in de Aanbestedingswet op het terrein van Defensie en Veiligheid zal tot een aanpassing van het compensatiebeleid leiden.

In 2011 is voor € 388 mln aan compensatieverplichtingen ingevuld, waarmee het 5-jaars voortschrijdende gemiddelde komt op € 532 mln. Vanwege het projectmatige karakter vertoont de gerealiseerde compensatie een schommeling over opeenvolgende jaren.

Prestatie-Indicatoren

Basiswaarde

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Gerealiseerde invulling compensatieverplichtingen

€ 557

(520) mln

€ 552

(566) mln

€ 482

(548) mln

€ 388

(532) mln

Minimaal € 450 mln gemiddeld over 5 jaar

Bron: Compensatie administratiesysteem EL&I

De indicator geeft het bedrag weer waarmee buitenlandse industriële partijen, door middel van bestedingen bij Nederlandse bedrijven, hun verplichtingen hebben vervuld jegens EL&I ter compensatie van aanschaffingen van buitenlands materieel door het ministerie van Defensie ( ) =5 jaars voortschrijdend gemiddelde.

Operationele doelstelling 2: Stimuleren meer en beter ondernemerschap

Het gaat goed met ondernemerschap in Nederland. De ontwikkelingen van de afgelopen jaren tonen aan dat het beleid gericht op het wegnemen van drempels en stimuleren van kansen zijn vruchten afwerpt. In 2011 is gewerkt aan het zorgen voor financiering voor ondernemers, en het opzetten van de ondernemerspleinen, waar ondernemers op één adres al hun overheidszaken kunnen regelen.

Besluit Borgstellingskrediet Midden- en Kleinbedrijf (BMKB)

De uitgaven en ontvangsten van de BMKB zijn in 2011 hoger dan geraamd. De hogere uitgaven zijn te wijten aan een hoger aantal faillissementen als gevolg van de economische en financiële crisis, waardoor in het verleden aangegane borgstellingsverplichtingen nu leiden tot schadedeclaraties. De hogere ontvangsten zijn het gevolg van de hogere benutting van de regeling in 2011, waardoor er ook meer afsluitprovisie voor borgstellingskredieten wordt ontvangen.

Medio 2011 is het plafond voor borgstellingskredieten verhoogd tot € 1 mld, waarvan € 909 mln ofwel 91% is uitgeput. De streefwaarde van 80% benutting van het oorspronkelijk plafond van € 765 mln is daarmee ruimschoots gehaald. De benutting hangt samen met de ontwikkeling van de conjunctuur en de risicoperceptie van de banken.

Prestatie-indicatoren

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

BMKB-Benutting (in procenten)

81%

75%

92%

91%

Minimaal 80%

Bron: AgentschapNL

Groeifinancieringsfaciliteit / Garantie Ondernemersfinanciering (GO)

De benutting van de Groeifinancieringsfaciliteit is net als in voorgaande jaren laag. De uitgaven (schades) zijn daarom ook lager. De oorzaken voor de structureel lage benutting worden onderzocht in de beleidsevaluatie die in november 2011 is gestart. De benutting van de GO is lager dan voorzien en ook lager dan het voorgaande jaar. Hierdoor zijn minder premies ontvangen, waardoor de schades en afstorting aan de interne reserve (lees: uitgaven) ook lager uitvallen.

Van het garantiebudget Groeifinancieringsfaciliteit van € 170 mln voor 2011 is € 11,7 mln benut; de streefwaarde van € 80 mln benutting is daarmee niet gehaald. In 2011 is € 255,2 mln aan garanties onder de GO gefiatteerd.

Prestatie-indicatoren

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Groeifinancieringsfaciliteit – jaarlijks bedrag aan afgesloten financieringscontracten

€ 23 mln

€ 10 mln

€ 25 mln

€ 12 mln

€ 80 mln

Bron: AgentschapNL

Microfinanciering

Voor kleine bedrijven en startende ondernemers is het zogenaamde microfinancieringsbeleid ontwikkeld. Microfinanciering bestaat uit een krediet tot € 35 000. Daarnaast krijgt de ondernemers begeleiding voor de start en coaching na de start van het bedrijf.

Juni 2011 is de evaluatie inclusief een besluit over voortzetting van de twee pilots om microkrediet landelijk beschikbaar te maken naar de Kamer gestuurd 46. Qredits is na afloop van de pilotperiode nog actief en zal vanaf november 2011 gedurende één jaar kredieten tot € 50 000 verstrekken. Om dit mogelijk te maken heeft EL&I een aanvullende subsidie van € 1,8 mln verleend aan stichting Microfinanciering en Ondernemerschap Nederland in de zomer van 2011. Het betreft een investeringssubsidie, om een business case voor coaching op te zetten, die zich vanaf medio 2014 zelf kan bedruipen.

De SZW-borgstellingsregeling was een tijdelijke regeling en is per 1 januari 2011 tot een eind gekomen.

In 2011 heeft Qredits 1 000 kredieten verstrekt. Dit is een verdubbeling van het aantal kredieten in 2010. Vanwege o.a. de kwaliteit van de ondernemersplannen heeft Qredits minder kredieten kunnen verstrekken dan de ambitie was, namelijk 1 200. Met de intensivering van de subsidie aan stichting Microfinanciering en Ondernemerschap Nederland zal er meer en betere begeleiding voor de start gerealiseerd worden, zodat de kwaliteit van de aanvragen zal toenemen.

Prestatie-indicatoren

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Jaarlijks aantal verleende microkredieten

510

574

1 000

1 200

Bron: Qredits

Valorisatie, Onderwijs en Ondernemerschap

Programma Valorisatie heeft als doel meer en betere economische en maatschappelijke benutting van (met name) publiek gefinancierde kennis en richt zich op alle kennisdomeinen. De huidige Subsidieregeling Kennisexploitatie (SKE, onderdeel van TechnoPartner programma) en Centers of Enterpreneurship (CoE, onderdeel van actieprogramma Onderwijs en Ondernemen) regeling zijn hierin opgegaan. De subsidieregeling is per 1 juni 2010 opengesteld en gepubliceerd met een budget van € 25 mln voor het jaar 2010. In jaar 2011 is er opnieuw een budget van € 25 mln gepubliceerd. Er zijn in 2011 in totaal negen valorisatieplannen ingediend, waarvan vijf plannen gehonoreerd voor bij elkaar € 25 mln. Doordat het aantal ontvangen aanvragen bij Valorisatie is achter gebleven bij de oorspronkelijke raming zijn er in 2011 minder uitgaven gerealiseerd.

De afgelopen jaren is er een stevige basis gelegd in het onderwijs, vooral in het MBO en het hoger onderwijs, om jonge mensen te stimuleren in hun ondernemerschap en ondernemendheid. Hieraan heeft een stevige investeringsimpuls van de overheid ten grondslag gelegen, met name via de regelingen «Onderwijs Netwerk Ondernemen» en «Centers of Entrepreneurship». In het MBO is vanaf het schooljaar 2011 – 2012 het ondernemerschap via een certificeerbare eenheid (CE) ondernemerschap verankerd in de landelijke kwalificatiestructuur. De Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) is in 2011 gestart met de ontwikkeling van een bijzondere kenmerk «Ondernemendheid» in het hoger onderwijs. Vanaf 2012 kunnen opleidingen/instellingen het bijzonder kenmerk «Ondernemendheid» definitief aanvragen bij de NVAO.

Op 6 oktober heeft het kabinet haar ambities op het gebied van onderwijs en ondernemen aan de Tweede Kamer gestuurd.

Prestatie-indicatoren

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Aantal nieuwe technostarters dat voortkomt uit de SKE-regeling

197

494

4281

2102

180

Aantal participaties dat vanuit Seed-fondsen wordt gedaan in technostarters

33

23

291

322

30

Bron: AgentschapNL

X Noot
1

Herziene cijfers ten aanzien van indicatoren jaarverslag 2010

X Noot
2

Voorlopig cijfer, nog niet alle rapportages en participaties zijn ontvangen

Seed

Er zijn in 2011 voldoende aanvragen ingediend, maar de ingediende (fonds)voorstellen waren veelal kwalitatief niet voldoende of onvolledig. Van de 11 aanvragen zijn er 3 gehonoreerd voor een totaalbedrag van € 12 mln. Voornaamste knelpunt bij de andere aanvragen is dat zij meer tijd nodig hebben om privaat kapitaal aan te trekken. De verwachting is dat in 2012 deze voorstellen voor een groot deel wel van de grond komen.

Groeiversneller

In 2011 is een mid-term evaluatie gehouden door het Programma Groeiversneller in samenwerking met het CBS. Uit de evaluatie blijkt dat ondernemers die in 2009 aan het programma «groeiversneller» begonnen, in dat jaar 22 % meer omzet maakten dan ondernemers in de controlegroep. Ook de gemiddelde toename van het aantal medewerkers (+8 %) is veelzeggend. Daarnaast lieten de deelnemende ondernemers meer groei in het buitenland zien (+55 %) en gaven ze meer uit aan innovatie en productontwikkeling (+45 %).

Veiligheid

De regeling Veiligheid Kleine Bedrijven was ook in 2011 succesvol. De hogere realisatie wordt veroorzaakt doordat bedrijven sneller hun veiligheidsmaatregelen hebben getroffen en de subsidieaanvragen daarvoor hebben ingediend. Eerder was juist de verwachting dat dit langzamer zou verlopen.

Reeds half oktober was de subsidie voor alle 10 000 beveiligingsscans aangevraagd. De evaluatie van de regeling is in 2011 uitgevoerd en zal in het eerste kwartaal 2012 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

In 2011 zijn alle 13 pilotprojecten Winkelstraatmanagement in uitvoering genomen. Met een bijdrage van EL&I hebben 12 gemeenten in samenwerking met ondernemers een winkelstraatmanager aangesteld voor een periode van minimaal 2 jaar. In 2011 is ook begonnen met kennisuitwisseling om de winkelstraatmanagers zo effectief mogelijk te laten opereren richting ondernemers en gemeenten. Deze kennis en ervaring wordt gebundeld in een handboek winkelstraatmanagement dat in de eerste helft van 2012 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Verder zijn circa 55 nieuwe bedrijfsinvesteringszones (BIZ) experimenten gerealiseerd, waarmee het voor ondernemers mogelijk wordt om gezamenlijk te investeren in een veilige en aantrekkelijke bedrijfsomgeving waarbij alle ondernemers meebetalen. Dit brengt het totaal op ongeveer 90.

Tot slot is de regeling Aanpak Urgente Bedrijvenlocaties geëvalueerd. Deze zal, samen met een brochure over lokale samenwerking voor veiligheid, in 2012 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Met deze regeling zijn 43 subsidies verleend aan publiek private samenwerkingen voor beveiligingsprojecten op bedrijventerreinen en winkelgebieden waar de onveiligheid een acute bedreiging vormde en waar een snelle en kordate aanpak noodzakelijk was.

Verminderen regeldruk

Het regeldrukbeleid is sinds het aantreden van het nieuwe kabinet vernieuwd. Er is geen aparte departementale Administratieve Lasten-reductiedoelstelling meer voor 2011. De rijksbrede doelstelling is nu een netto reductie van 10% in 2012 ten opzichte van begin 2011.

In 2011 is voor de totale rijksoverheid een administratieve lastenvermindering gerealiseerd van in totaal € 503 mln, zijnde een reductie van per saldo 6,7% van de totale administratieve lasten. Belangrijke maatregelen die gerealiseerd zijn: het vervangen van veel milieuvergunningen door algemene regels, het vereenvoudigen van belastingaangiften en een vereenvoudigde declaratiesystematiek in de zorg. Het verschil ten opzichte van de geraamde reductie wordt verklaard doordat invoering van het wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering van het BV recht met een jaar is doorgeschoven.

Prestatie-indicatoren

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie

2011

Streefwaarde 2011

Administratieve lasten vermindering

door EL&I als vakdepartement (cumulatief)

– 6,2%

– 18,0%

– 21,8%

vervallen

– 31,5%

Bron: EL&I

Operationele doelstelling 3: Benutten van gebiedsgerichte economische kansen in (inter)nationaal concurrerende clusters

Om regio’s te laten bijdragen aan de versterking van de concurrentiekracht en ter verbetering van het vestigingsklimaat richtte EL&I zich op economische structuurversterking in top- en grensregio’s. Leidraad hierbij is het bedrijvenbeleid van het kabinet waarin de samenwerking met en tussen decentrale overheden, bedrijven en kennisinstellingen een centrale plek inneemt. Na een economische visie op de lange termijnontwikkeling van Mainport Rotterdam werd in 2011 met een economische visie voor de Noordvleugel van de Randstad en een reactie op de visie en uitvoeringsagenda Brainport 2020 het belang van beleidsaandacht voor de topregio’s beschreven. Als uitwerking van de visie op de Mainport Rotterdam presenteerde het Havenbedrijf Rotterdam in 2011 de Havenvisie 2030. Bij het benutten van gebiedsgerichte economische kansen speelden een instrument als de Europese Structuurfondsen een belangrijke rol. Met name de middelen voor de innovatieprioriteit voor de huidige periode zijn bijna volledig gecommitteerd. Daarnaast stond 2011 in het teken van de decentralisatie van het regionaal economisch beleid waaronder een eenmalige uitkering van in totaal € 34,8 mln aan de decentrale overheden (de zogeheten zachte landing van de Pieken in de Delta regeling).

Gebiedsgericht Economisch Beleid

Het gebiedsgerichte economische beleid richtte zich in 2011 op het verbinden van regionale inspanningen met het bedrijvenbeleid van het kabinet ter versterking van de nationale topsectoren. Daarnaast zijn in het kader van de decentralisatie van het regionaal economisch beleid verschillende instrumenten (middelen) gedecentraliseerd zoals het bedrijventerreinenbeleid en een deel van de middelen voor Sterke Regio’s.

Pieken in de Delta

De lagere realisatie wordt voor grootste gedeelte veroorzaakt door het decentraliseren van een aantal projecten naar verschillende gemeenten en provincies, door middel van overhevelingen naar het Gemeente- en Provinciefonds. De regeling Pieken in de Delta, die bestond van 2006 tot 2010, is niet verlengd. In deze periode heeft de regeling bijgedragen aan verbeterde samenwerking tussen overheden, bedrijven en kennisinstellingen, versterking van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en het ontstaan van nieuwe producten en diensten. In 2011 is bijvoorbeeld het project viPps van start gegaan. viPps is een life sciences project dat de uitwisseling van kennis op het gebied van infectieziekten die schadelijk zijn voor mens en dier bevordert. Een ander voorbeeld is Dinalog Lab, een lab waar logistieke bedrijven samenwerken aan het ontwikkelen van nieuwe logistieke concepten om een abrupte overgang te voorkomen is met de decentrale overheden uit de verschillende landsdelen (Noord, Oost, Zuid, Noordvleugel en Zuidvleugel) een eenmalige uitkering overeengekomen van in totaal € 34,8 mln, de equivalent van circa de helft van het budget dat jaarlijks voor Pieken in de Delta beschikbaar was. De decentrale overheden zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van de middelen. Zuid Oost Nederland heeft er voor gekozen om de middelen bij de najaarstender 2010 van Pieken in de Delta te voegen. Hierdoor zijn goede projecten, die anders door gebrek aan middelen afgewezen zouden worden, toch gehonoreerd.

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Gevraagde subsidie als percentage van het budget per regio

178%

200%

Programma beëindigd

100%

Totale projectkosten als percentage van de totale beschikbare subsidie per regio

326%

286%

Programma beëindigd

300%

Bron: Agentschap NL

Sterke Regio’s

Voor vier regio’s is de vorige kabinetsperiode € 125 mln beschikbaar gesteld uit het FES, bedoeld voor ambitieuze investeringen die het internationale vestigingsklimaat versterkten door het beschikbaar stellen van nieuwe technologieën, gezamenlijke faciliteiten of vergroting van de bereikbaarheid.

Van een aantal ten tijde van de Wet FES goedgekeurde projecten wordt de verantwoordelijkheid overgedragen aan decentrale overheden.

Van Sterke regioprojecten die niet zijn goedgekeurd ten tijde van de Wet FES is de besluitvorming belegd bij EL&I. Drie projecten zijn in deze fase goedgekeurd, te weten Groen Gas hub Wijster, Rotterdam Cool Port en verduurzaming Waddenglas. Rotterdam Cool Port betreft een knooppunt van modaliteiten in de haven van Rotterdam om de aanvoer, op- en overslag van koelcontainers zo efficiënt mogelijke te kunnen laten verlopen. In het kader van de decentralisatie van het regionaal economisch beleid is met de landsdelen Noord en West afgesproken dat middelen voor deze drie projecten per decentralisatie uitkering beschikbaar worden gesteld. De middelen voor deze projecten daarvoor zijn overgedragen aan de decentrale overheden.

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Uitgelokte investeringen

€ 173 mln

€ 205 mln

Programma beëindigd

€ 375 mln

Bron: EL&I

Structuurfondsen/ Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling (EFRO)-cofinanciering

Bij het benutten van gebiedsgerichte economische kansen speelden de Europese Structuurfondsen in 2011 een belangrijke rol. Zo ontving het Nederlands Centrum voor Elektronen Nanoscopie (NeCEN), een consortium van de belangrijkste Nederlandse universiteiten en onderzoeksinstellingen op het gebied van life sciences, een EFRO subsidie voor een tweede cryo transmissie elektronenmicroscoop. Hiermee kunnen wetenschappers in Leiden meer details van celstructuren zichtbaar maken dan tot nu toe in Nederland mogelijk was. Een ander project dat Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling (EFRO) subsidie ontving heeft tot doel robottechniek te ontwikkelen voor primaire productiebedrijven in de tuinbouw, door middel van experimenten met innovatieve pilots in de witlofsector. De structuurfondsenprogramma’s verliepen in 2011 opnieuw succesvol. Hierdoor werden meer reeds toegekende Rijkscofinancieringsmiddelen opgevraagd in 2011 wat heeft geleid tot grotere kasuitputting dan geraamd. Met name de innovatieprioriteit liep zeer goed, de beschikbare middelen voor de periode 2007–2013 zijn bijna volledig gecommitteerd. De overige twee prioriteiten, het aantrekkelijk maken van steden en regio’s als vestigingsplaats voor mensen en bedrijven, lopen volgens planning. 2011 heeft daarnaast beleidsmatig in het teken gestaan van de onderhandelingen over de toekomst van het cohesiebeleid in Europa.

De meest recente vastgestelde cijfers omtrent uitgelokte investeringen betreffen 2010.

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2015

Uitgelokte investeringen (exclusief rijkscofinanciering) (cumulatief) 1

€ 759 mln

€ 1 200 mln

nnb 2

€ 324 mln

Bron: Jaarverslagen MA’s D2-programma’s

       

Grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden (projecten) (cumulatief)

161

207

nnb

770

Bron: projectenlijst websites D3-programma’s

       
X Noot
1

De realisatiewaarden betreffen de aangegane committeringen

X Noot
2

Gegevens komen in juni 2012 beschikbaar

Bedrijventerreinen

Besloten is tot de decentralisatie van het bedrijventerreinenbeleid. Met de decentralisatie ligt de verantwoordelijkheid voor de regie en toezicht op de uitvoering van het beleid nu bij de provincies. De afspraken convenant Bedrijventerreinen 2010–2020 blijven van kracht tot en met 2013. Door decentralisatie van een aantal Toppers en de middelen voor bedrijventerreinen en door vertraging in de uitvoering van overige Topper-projecten vallen de uitgaven in 2011 lager uit

Toerisme

In 2011 was er sprake van een groei van de inkomende reismarkt. In 2011 bezochten op basis van een voorlopige schatting 11,3 miljoen buitenlandse verblijfsgasten ons land (bron: CBS). Dat is een nieuw record. EL&I bevordert het inkomend toerisme door middel van de internationale marketing en congreswerving van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC). Mede dankzij de inspanningen van het NBTC hebben in de periode 2008–2011 ruim 42 miljoen buitenlandse bezoekers ons land bezocht.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Personeel Ondernemerschap

Door een aantal personele verschuivingen binnen het ministerie zijn er op artikel 3 meer uitgaven gerealiseerd op het onderdeel personeel.

Bijdrage aan Agentschap NL

De uitgaven voor Agentschap NL zijn hoger dan geraamd in de oorspronkelijk vastgestelde begroting omdat jaarlijks uit de geraamde budgetten voor de regelingen die in uitvoering zijn bij het Agentschap de nodige middelen worden vrijgemaakt ter financiering van de uitvoeringskosten.

Daarnaast is een vordering die uit de afrekening over 2010 voortvloeide ingezet ter dekking van de opdracht 2012 en verrekend met het eerste voorschot voor 2012.

Toelichting op de ontvangsten

Ruimtelijk Economisch Beleid

Vanwege de eindafrekening van oude Europese programma’s zijn er middelen terugontvangen van verschillende provincies.

Besluit Borgstellingskrediet Midden- en Kleinbedrijf (BMKB)

Zie toelichting bij de uitgaven.

Groeifinancieringsfaciliteit/Garantie Ondernemingsfinanciering

Zie toelichting bij de uitgaven.

Garantieregeling Scheepsnieuwbouw

Zie toelichting bij de uitgaven.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort Onderzoek

Onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Effectonderzoek ex post

BMKB

3.2

2009

2011

TK, 31 311, nr. 82

 

Pilot Microkredieten (Financiering)

3.2

2010

2011

TK, 31 311, nr. 80

 

Subsidieregelingen Aanpak Urgente Bedrijfslocaties en Subsidieregeling Bestrijding Winkelcriminaliteit

3.3

2010

2011

Zie toelichting

 

Subsidieregeling Innovatieve Zeescheepsbouw

3.1

2012

2012

 
 

Evaluatie NBTC

3.3

2011

2011

TK, 26 419, nr. 46

 

Handelsregisterwet 2007

3.1

2011

2012

 
 

Groeifaciliteit

3.2

2011

2012

 

Overig evaluatie onderzoek

Kenniscentrum MVO

3.2

2010

2010

TK, 26 485, nr. 102

 

Onderzoek Expertgroep Bedrijfsfinanciering

3.2

2011

2011

TK, 31 311, nr. 82

Toelichting

  • Zoals eerder in het jaarverslag EL&I 2010 (TK, 32 710 XIII nr. 1, vergaderjaar 2010–2011) gemeld wordt de aangekondigde beleidsdoorlichting «Benutten van gebiedsgerichte economische kansen» gecombineerd met het OESO onderzoek «Territorial review of spatial economic policy in the Netherlands».

  • In de begroting 2011 stond al vermeld dat de aangekondigde beleidsdoorlichting «Bevorderen level playing field» wordt gecombineerd met de evaluatie van de subsidieregeling Innovatieve Zeescheepsbouw.

  • Subsidieregelingen Aanpak Urgente Bedrijfslocaties en Subsidieregeling Bestrijding Winkelcriminaliteit: evaluatie is afgerond en wordt in de eerste helft van 2012 aan de Tweede Kamer aangeboden.

  • Subsidieregeling Innovatieve Zeescheepsbouw (SIZ): evaluatie van de SIZ heeft in 2011 niet plaatsgevonden omdat dat het laatste jaar van de SIZ zou zijn. Intussen heeft de Europese Commissie het steunkader verlengd tot en met 2013. Evaluatie zal nu plaatsvinden in 2012.

  • De afronding van de evaluatie Handelsregisterwet wordt 2012.

4. Doelmatige en duurzame energiehuishouding

Algemene doelstelling

Een doelmatige en duurzame energiehuishouding

In het energierapport 2011 heeft het kabinet zijn lange termijn visie op het energiebeleid bekend gemaakt. Het uitgangspunt van het energierapport is een economische en internationale aanpak waarbij de kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven bij verduurzaming van de energiehuishouding voorop staan. Het energierapport onderstreept het belang van duurzame energiehuishouding en mindere afhankelijkheid van schaarse fossiele brandstoffen waarbij meer geprofiteerd moet worden van de sterke Nederlandse energiesector.

Externe factoren

Internationalisering, investering in winning van olie en gas en de ontwikkeling van nieuwe (duurzame) technologieën hebben een grote invloed op de energievoorziening en de prijs van energie op langere termijn. Op de kortere termijn spelen ook geopolitieke ontwikkelingen en de stand van de wereldeconomie een belangrijke rol. 2011 is een jaar waarin met name de laatste twee factoren de energiemarkten en -prijzen sterk hebben beïnvloed. Onzekerheid over de gevolgen van de onrust in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. De geopolitieke ontwikkelingen hebben er aan bijgedragen dat de olieprijs in 2011 op een hoger niveau lag. Daarbij speelde ook mee dat de energievraag, met name door de nog steeds sterke economische groei in Azië, op peil bleef en pas recent is gaan dalen.

De economische crisis leidde in 2009 tot een verminderde vraag naar elektriciteit, terwijl 2010 een herstel liet zien van de vraag naar elektriciteit met 1,5%. Het Nederlandse elektriciteitsverbruik is in 2011 nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van het jaar ervoor. Het stroomverbruik liet in 2011 aanvankelijk een stijging zien, maar was in de afgelopen maanden vanwege verder uitblijven van economisch herstel langzaam aan het dalen (bron: www.tennet.org)

Ook in 2011 was er sprake van lage prijzen voor CO-2 emissierechten in de EU. Dit is nadelig voor rentabiliteit van investeringen in duurzame energie en energiebesparing.

De markten in Noord West Europa zijn meer en meer met elkaar verbonden. Beslissingen in andere lidstaten kunnen ook gevolgen hebben voor de stabiliteit en betaalbaarheid van de energievoorziening in omringende landen. Concreet voorbeeld is de Duitse beslissing om te stoppen met kernenergie. Dientengevolge zullen alle 17 Duitse kerncentrales met een totale capaciteit van ruim 20 GW in de periode tot 2022 worden gesloten. In 2011 zijn 8 kerncentrales met een totale capaciteit van ruim 8 GW definitief uit bedrijf genomen. De productie uit de kerncentrales wordt gecompenseerd door productie uit andere centrales in Duitsland en door importen uit omringende landen, waaronder Nederland.

Kengetallen

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie

2011

Energie-intensiteit (toe/M €’oo)

       

Nederland

172

174

nnb

nnb

EU-27

167

165

nnb

nnb

Bron: Eurostat

Toelichting

De energie-intensiteit geeft inzicht in het energieverbruik en energie-efficiëntie. Het wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het bruto binnenlands energiegebruik (in ton olie equivalenten) en het bruto binnenlandse product (BBP in miljoenen euro’s; constante prijzen 2000). De waarden voor 2010 en 2011 zijn nog niet beschikbaar aangezien de statistieken van Eurostat met enkele jaren vertraging worden gepubliceerd.

Kengetallen

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie

2011

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden

Bron: TNO

36 mld m3

34 mld m3

32 mld m3

28,4 mld m3  1

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

13

15

12

181

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

14

28

35

291

4. Productie aardgas totaal

Bron: TNO

79 mld m3

74 mld m3

86 mld m3

73 mld m3 1

5. Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

Bron: Netbeheer Nederland

22 min

26,5 min

34 min

23 min

6. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,47

1,39

1,33

1,391

7. Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

97,0

61,5

79,5

111,31

8. Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als percentage van het zevende EU kaderprogramma thema energie

Bron: AgNL

8,3%

7,5%

6,8%

7,4%

X Noot
1

dit betreffen voorlopige waarden

Toelichting

  • 1 t/m 4) In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1,2,3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EL&I stelt de randvoorwaarden middels een concurrerend mijnbouwklimaat, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.

  • 5) Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit.

  • 6 t/m 7) De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollar-koers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.

  • 8) De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007. De realisatie 2011 heeft betrekking op de periode 2007 t/m 2010. Het retourpercentage in KP7 energie voor Nederland is 7,4%. Dit is ruim boven de Nederlandse bijdrage aan het kaderprogramma thema energie van circa 5%. Bron: «Nederland in KP7», AgentschapNL, 2011.

Budgettaire gevolgen van beleid

4 Doelmatige en duurzame energiehuishouding (bedragen x € 1 000)
 

Realisatie

vastgestelde begroting 2011

Verschil 2011

 

2008

2009

2010

2011

   

Verplichtingen

1 213 516

1 949 003

8 194 747

3 174 394

334 493

2 839 901

Waarvan garantieverplichtingen

93 440

 

324 000

     

Uitgaven

686 227

1 097 668

1 082 797

1 046 540

1 408 098

– 361 558

programma

641 250

1 045 489

1 027 659

990 614

1 376 429

– 385 815

OD 1: Optimale ordening en werking van de energiemarkten

5 945

33 092

8 812

4 487

10 000

– 5 513

– Stadsverwarming

5 945

33 092

8 812

4 487

10 000

– 5 513

OD 2: Bevorderen van de voorzieningszekerheid

86 795

97 272

91 144

93 663

96 970

– 3 307

– Doorsluis COVA-heffing

83 334

93 464

88 646

89 292

93 000

– 3 708

– Leningen COVA (garantieverplichting)

           

– Beheer Mijnschadestichtingen

4

6

   

91

– 91

– Onderzoek en ontwikkeling bodembeheer

3 309

3 654

2 354

3 997

2 789

1 208

– Bijdrage aan diverse instituten

148

148

144

374

1 090

– 716

OD 3: Verduurzaming van de energiehuishouding

531 049

892 085

911 082

879 345

1 258 360

– 379 015

– Energie-innovatie

53 255

59 611

68 421

57 184

123 000

– 65 816

– Transitiemanagement

16 019

20 598

31 440

16 146

24 884

– 8 738

– Duurzame energie

398 081

700 747

697 592

716 367

924 345

– 207 978

– Duurzame warmte

 

9 447

24 145

19 756

31 000

– 11 244

– Straling

     

3 196

4 358

– 1 162

– Overige uitgaven duurzame energie

2 627

636

82

4 033

164

3 869

– CO2-reductieplan/Joint Implementation

20 325

53 471

12 399

13 079

38 773

– 25 694

– Carbon Capture and Storage

 

2 983

21 047

12 352

67 200

– 54 848

– Bijdrage aan ECN

40 742

44 592

55 956

37 232

44 636

– 7 404

             

Algemeen

17 461

23 040

16 621

13 119

11 099

2 020

– Bijdrage aan Algemene Energie Raad

337

109

297

 

89

– 89

– Diverse programma-uitgaven energie

12 112

8 334

8 223

8 223

8 111

112

– Onderzoek en Ontwikkeling

3 124

2 831

4 068

3 273

1 999

1 274

– BSIK

1 888

11 766

4 033

1 623

900

723

             

Apparaat

44 980

52 179

55 137

55 929

31 669

24 260

– Personeel Energie

9 167

9 834

10 809

12 887

12 272

615

– Bijdrage aan Agentschap NL

30 752

37 387

38 246

36 668

13 829

22 839

– Bijdrage aan NVWA

     

389

 

389

– SODM

5 061

4 958

6 082

5 985

5 568

417

             

Ontvangsten

8 338 406

9 540 591

5 790 691

11 299 393

10 049 911

1 249 482

Ontvangsten COVA

83 334

93 464

88 646

89 292

93 000

– 3 708

Aardgasbaten

10 469 653

11 012 889

7 657 541

11 165 588

9 900 000

1 265 588

Bijdrage aan het FES fonds

– 2 382 980

– 1 724 134

– 2 313 831

     

Ontvangsten zoutwinning

2 050

3 831

2 443

2 379

1 761

618

Ontvangsten uit het FES fonds

116 594

128 176

238 060

     

Diverse ontvangsten

49 754

26 365

117 832

42 135

55 150

– 13 015

Toelichting op de programma-uitgaven/verplichtingen

Operationele doelstelling 1: Optimale ordening en werking van de energiemarkten

Om ervoor te zorgen dat leveranciers efficiënt produceren, afnemers een efficiënte prijs betalen en vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar af worden gestemd, creëert de overheid de randvoorwaarden voor een concurrerende energiemarkt. Daarnaast zorgt de rijksoverheid voor een doeltreffend reguleringskader voor het netbeheer om zo te bereiken dat de netten de markt tegen redelijke tarieven en voorwaarden faciliteren.

Warmtewet

In 2011 is een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de bestaande Warmtewet. De parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel zal in 2012 worden voortgezet.

Wet Marktmodel

In februari 2011 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de novelle en het wetsvoorstel Marktmodel, met als doel de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas te verbeteren. Hiermee is besloten tot invoering van de slimme meter met keuzevrijheid voor consumenten als uitgangspunt. Aansluitend is lagere regelgeving vastgesteld, zodat de kleinschalige uitrol van de slimme meter per 1 januari 2012 van start is gegaan. Om informatie te verkrijgen voor de geplande besluitvorming waarmee per 1 januari 2014 overgegaan wordt tot de grootschalige uitrol heeft de NMa een consumentenbarometer en een monitor van marktaspecten voorbereid. Daarnaast heeft Agentschap NL opdracht gekregen om de potentiële energiebesparing en de ontwikkeling van aan de slimme meter gerelateerde energiediensten in beeld te brengen.

EU-wetgeving met betrekking tot het derde liberaliseringpakket energiemarkt

Het wetvoorstel ter implementatie van het derde pakket energie richtlijnen is medio 2011 naar de Tweede Kamer gestuurd. In september 2011 heeft de Tweede Kamer hierover verslag uitgebracht, waarna de minister in november 2011 een nota naar aanleiding van het verslag en een nota van wijziging bij de Kamer heeft ingediend. Naar verwachting wordt het wetstraject in de eerste helft van 2012 afgerond. Met de energierichtlijnen wordt een beter werkende interne markt voor gas en elektriciteit beoogd. Deze interne markt heeft tot doel keuzevrijheid te bieden aan consumenten, zowel particulieren als ondernemingen, nieuwe kansen voor economische groei te creëren en de grensoverschrijdende handel te bevorderen. Belangrijke onderwerpen in dit wetsvoorstel betreffen intensivering van grensoverschrijdende samenwerking tussen Transmission System Operators (TSO’s) en toezichthouders, versterking van de onafhankelijkheid van de toezichthouder, aanvullende regelgeving met betrekking tot gesloten distributienetten en aanscherping van consumentenbeleid.

De integratie van de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt

De Nederlandse markt raakt meer en meer geïntegreerd binnen de Noordwest Europese markt. Nadat eind 2010 de elektriciteitsmarkten van de Benelux, Frankrijk en Duitsland zijn gekoppeld, is begin 2011 ook de Scandinavische markt aangesloten. Met de ingebruikname van de Britned kabel in april 2011 is ook het Verenigd Koninkrijk toegevoegd. In een geïntegreerde energiemarkt kunnen nationale veranderingen in de energievoorziening van invloed zijn op omringende landen. Betere afstemming en coördinatie van nationale besluiten ten aanzien van de energievoorziening is hierdoor meer noodzakelijk geworden. Het Duitse besluit om af te stappen van kernenergie raakt ook de omringende landen en is hier een voorbeeld van. Naar aanleiding hiervan heeft de Europese Commissie, met steun van Nederland, eind 2011 een nieuw EU coördinatie platform hiertoe opgericht.

Prestatie-Indicatoren

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit:

         

– HHI

2 279

2 285

2 263

2 330

1 800 – 2 500

– C3

81%

81%

81%

84%

Daling

2. Concentratiegraad in de retailsector gas:

         

– HHI

2 104

2 187

2 158

2 300

1 800 – 2 500

– C3

79%

76,4%

79%

82%

Daling

Bron: Energiekamer NMA

         

Toelichting

Indicator: De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1 800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1 800 en 8 000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt. Met betrekking tot de C3 en HHI hanteert de Nederlandse mededingingsautoriteit (NMa) ieder jaar twee meetmomenten, te weten juni en december. De C3 en HHI per 1 juli 2011 zijn beide gestegen ten opzichte van de cijfers per 1 juli 2010 zoals opgenomen in het jaarverslag. Dit is het gevolg van een overname van een middelgrote speler door één van de drie grote marktpartijen. Hierdoor zijn de marktaandelen op de kleinverbruikersmarkt van beide spelers samengevoegd.

Toelichting op de programma-uitgaven

Stadsverwarming (OEPS regeling)

De gerealiseerde uitgaven waren in 2011 lager dan het begrote bedrag. Het begrote bedrag was gebaseerd op de uitwerking van bepaalde risico’s die in 2011 niet zijn gematerialiseerd.

Operationele doelstelling 2: Bevorderen van de voorzieningszekerheid

Mijnbouwwet

De implementatie van de Europese CCS-richtlijn (CCS staat voor Carbon Capture hetgeen CO2-afvang en -opslag betekent) in de Nederlandse wetgeving is per 16 september 2011 voltooid. De aanvraag van een vergunning voor de opslag van CO2 bij Barendrecht is door de NAM ingetrokken. In behandeling is een aanvraag van Taqa Exploration voor CO2-opslag in het voorkomen P18–4 (de aanduiding van het veld dat ligt in het offshore blok P18).

Aan het eind van het jaar lag de opslagvergunning in het kader van de Rijkscoördinatie Regeling (RCR) ter inzage. Tevens is – conform de richtlijn – advies gevraagd aan de Europese Commissie. Dit advies wordt medio februari 2012 verwacht.

In de begroting 2011 werd aangegeven dat de randvoorwaarden voor het behoud van potentiële opslaglocaties zullen worden bepaald en verwerkt in voorstellen voor aanpassing van de Mijnbouwwetgeving. Besloten is om dit mee te nemen in de structuurvisie voor de ondergrond, waarvan het ontwerp eind 2012 gereed zal zijn. (uitvoering ligt bij het Ministerie van I&M) In dit traject wordt ook bekeken op welke wijze de mijnbouwwet aangepast moet worden, om aansluiting op deze structuurvisie mogelijk te maken.

In vervolg op de ramp met het booreiland Deepwater Horizon in de Golf van Mexico is de Europese Commissie op 7 november 2011 met een voorstel voor een verordening gekomen om in het belang van veiligheid en milieu regels te stellen aan de offshore opsporing en winning van olie en gas. Met de behandeling van het voorstel is in de Raadswerkgroep een begin gemaakt. De behandeling wordt in 2012 voortgezet.

Ook in 2011 zijn weer veel aanvragen om vergunningen voor de opsporing van aardwarmte ontvangen. Een herbezinning heeft plaatsgevonden op de criteria voor de technische en financiële capaciteiten waaraan aanvragers moeten voldoen. Dit heeft geleid tot een opschorting van de activiteiten rond aanpassing van de wetgeving die op aardwarmte van toepassing is.

Op 1 juli 2011 is op de website www.nlog.nl de definitieve classificatie van fallow-gebieden gepubliceerd ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Convenant ter bevordering van de opsporing en ontwikkeling van de olie- en gasreserves en de opslag van stoffen op het Nederlands deel van het continentaal plat. Tevens is ingevolge artikel 32a, eerste lid, van de Mijnbouwwet voor de landzijde een inventarisatie gepubliceerd van inactieve gebieden.

Rijkscoördinatieregeling

Afgelopen jaar is gewerkt aan talrijke projecten: De politieke besluitvorming Noordring heeft plaatsgevonden, Noord-West vindt komende tijd plaats, politieke besluitvorming Zuid-West heeft in 2011 ook plaatsgevonden. In het kader van COBRA kabel is gewerkt aan een milieueffectrapportage (MER). Windprojecten groeiden in aantal afgelopen jaar, met betrekking tot gaswinning onder de Waddenzee vindt begin 2012 voorbereiding van besluitvorming plaats.

Crisisbeleid

De nieuwe Wet Voorraadvorming Aardolieproducten is niet ingediend voor parlementaire behandeling. Wel heeft in 2011 consultatie van het concept wetvoorstel plaatsgevonden en zijn naar aanleiding van deze consultatie meerdere overleggen gevoerd met betrokken partijen over hun bezwaren. In 2012 zal de parlementaire behandeling plaatsvinden, de beoogde implementatiedatum is 1 januari 2013.

Operationele doelstelling 3: Verduurzaming van de energiehuishouding

Uitgangspunt op de middellange termijn zijn de doelstellingen 20% CO2 reductie en 14% duurzame energie productie in 2020. Om dat te bereiken volgt EL&I meerdere sporen: bevorderen van energiebesparing, bevorderen van CO2 emissie reductie, reguleren van een veilige toepassing van kernenergie, bevorderen van voor duurzame energie relevante innovatie en het stimuleren van duurzame energieproductie. Dit kabinet zet hierbij specifiek in op groene economische kansen en realiseert zich dat daarvoor de kennis, kunde en vooral de creativiteit van de samenleving nodig is om met oplossingen te komen. Daarvoor heeft dit kabinet in 2011 de eerste 75 Green Deals met de samenleving gesloten. De Green Deals helpen burgers, bedrijven, mede-overheden en andere organisaties plannen voor verduurzaming tot uitvoering te brengen. Met de Green Deals worden specifieke (vaak niet financiële) knelpunten weggenomen, bijvoorbeeld in wet- en regelgeving, het verzorgen van een goede en objectieve informatievoorziening of het voorzien in goede samenwerkingsverbanden. In de praktijk blijken vaak eenvoudige oplossingen zoals een betere samenwerking tussen de overheid en bedrijven het realiseren van nieuwe projecten te bevorderen.

Prestatie-indicator

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Duurzame elektriciteitsproductie

Bron: CBS

7,5%

9,0%

8,9%

9,5%1

nnb

Duurzame energieproductie

Bron: CBS

3,5%

4,2%

3,8%

nnb

nnb

CO2 -uitstoot industrie/energie

Bron: SenterNovem

109,2 Mton

109,2 Mton

109,2 Mton

109,2 Mton

109,2 Mton

– waarvan: absoluut plafond sector industrie/energie voor bedrijven die vallen onder de broeikasemissierechten 2008–2012

Bron: SenterNovem

86,8 Mton

86,8 Mton

86,8 Mton

86,8 Mton

86,8 Mton

Vermeden CO2 -uitstoot voor 2012 via Joint-Imlementation (JI) en gegroende Assigned Amount Units (AAU’s)

Bron: AgNL

onbekend

5,2 Mton

3,1 Mton

3,6 Mton

4 Mton

X Noot
1

dit betreft een voorlopige waarde

  • 1) Het aandeel duurzame elektriciteit bedraagt in 2010 9,1%. Daarmee voldoet Nederland aan de Europese verplichting. Op grond van voorlopige cijfers tot en met het 3e kwartaal 2011 kan een streefwaarde van 9,5% voor 2011 worden aangehouden.

  • 2) Het aandeel duurzame energie is in 2010 ten opzichte van 2009 gedaald van 4,2% naar 3,8%. Het CBS geeft aan dat de oorzaak ligt in een hoger energieverbruik in 2010 (noemereffect) en een lagere bijmenging van biobrandstoffen in het wegverkeer dan in 2009: de wet staat toe dat leveranciers de bijmengverplichting flexibel mogen invullen, het ene jaar meer dan wat verplicht is, het andere jaar minder.

  • 4) De doelstelling voor de vermeden CO2-uitstoot is 20 Mton, te realiseren over de periode 2008–2012. In 2010 is 3,1 Mton geleverd, die gerealiseerd zijn in 2009 en in 2011 is 3,6 Mton geleverd, die gerealiseerd zijn in 2010. (De ambitie voor beide jaren lag op 4 Mton). In 2010 is dus iets minder geleverd dan verwacht, daarentegen is in 2011 meer geleverd. Op het totaal liggen we goed op koers.

Energie-innovatie

In 2011 is het topsectorenbeleid van start gegaan. Dit heeft geresulteerd in een innovatiecontract energie op hoofdlijnen, waarin kennisinstellingen en bedrijfsleven in de energiesector een gezamenlijke onderzoeks- en innovatieagenda presenteren. Begin 2012 wordt dit innovatiecontract definitief gemaakt en tot uitvoering gebracht. Met het oog op het nieuwe topsectorenbeleid is besloten een deel van de voor 2011 begrootte energie-innovatiemiddelen door te schuiven naar volgende jaren om deze zodoende volgens de nieuwe filosofie van vraagsturing te kunnen inzetten. Dit heeft er onder andere toe geleid dat er in 2011 geen budget is gepubliceerd voor de Energie Onderzoek Subsidie regeling (EOS).

De energietransitie is de verandering van het Nederlandse energiesysteem dat momenteel nog voor het overgrote deel rust op het gebruik van fossiele brandstoffen naar een systeem dat veel zuiniger is en in grote mate draait op hernieuwbare energiebronnen. Die transitie is noodzakelijk vanwege de economie en het broeikaseffect en geeft Nederland kansen voor nieuwe bedrijvigheid en een gezonde leefomgeving. Op dit onderdeel worden de uitgaven verantwoord voor met name de Unieke Kansen Regeling (UKR) en het Unieke Kansen Programma (UKP). De UKR stimuleert projecten waarin Nederlandse marktpartijen en niet-marktpartijen samen werken aan de transitie naar een duurzame energiehuishouding. De nadruk bij de Unieke Kansen Regeling ligt op versnelde marktintroductie van technieken op het gebied van energiebesparing en energieneutraal wonen, bij de UKP gaat het om scholen en kantoren.

De lagere kasuitgaven zijn het gevolg van het feit dat projecten vertraging hebben oplopen als gevolg van externe invloeden (onder andere financiële crisis/verslechterende woningmarkt).

In 2011 is een Green Deal gesloten met MKB Nederland over concrete stappen op het gebied van energiebeparing in het midden- en kleinbedrijf. Deze Green Deal is de opvolger van het Energiecentrum MKB.

Duurzame energie

De afwijking ten opzichte van de stand van de tweede suppletoire begroting bij de MEP (€ 34 mln) is vooral toe te schrijven aan lagere energieproductie dan eerder geraamd bij de onderdelen Wind Op Land (het heeft in 2011 aanzienlijk minder gewaaid dan normaal) en grootschalige bij- en meestook van biomassa (als gevolg van onderhoud aan betrokken centrales). De onderbesteding bij de SDE ten opzichte van de tweede suppletoire begroting (€ 9 mln) is vanwege het feit dat de realisatie van een aantal projecten trager verloopt dan eerder geraamd.

Conform het Regeerakkoord is de SDE per 1 januari 2011 geëindigd en omgevormd naar een efficiëntere SDE+. Doel is het zo goedkoop mogelijk invullen van het Europese duurzame energie doel (14% in 2020).

1 juli 2011 is de SDE+ voor de eerste keer opengesteld met een budget van € 1,5 mld De openstelling is succesvol verlopen. De introductie van concurrentie binnen de SDE+ heeft gewerkt: het overgrote deel van de ondernemers heeft subsidie aangevraagd in de vrije categorie voor een lager basisbedrag. In 2011 is aan 740 projecten SDE+ subsidie toegekend. Het gaat om 12 wind op land projecten, 678 zonne-energieprojecten, 20 biomassa projecten (hernieuwbare elektriciteit en warmte), 26 groen gas projecten en 4 groen gas hubs. De projecten dragen voor circa 0,43% bij aan het Europese duurzame energiedoel in 2020.

De lagere uitgaven op het onderdeel duurzame energie (€ 207,9 mln) hebben betrekking op de Subsidieregeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) (€ 67 mln) en Stimuleringsregeling voor Duurzame Energieproductie (SDE) (€ 141 mln).

De kasuitgaven en de verdeling over de jaren voor de MEP en SDE projecten zijn bij 1e suppletoire begroting opnieuw geraamd, mede met gebruikmaking van ramingen van het Agentschap NL, de uitvoerder van beide regelingen. Als gevolg hiervan heeft een meerjarige kasherschikking plaatsgevonden waarbij de uitgaven voor 2011 met € 58 mln zijn verlaagd (MEP € 8 mln, SDE € 50 mln).

Daarnaast zijn bij tweede suppletoire begroting de ramingen voor de MEP en SDE verder verlaagd. Bij de MEP betrof het een bedrag van € 25 mln met name vanwege lagere productie bij  wind- en biomassa projecten onder andere als gevolg van hoge biomassaprijzen. Bij de SDE betrof het een bedrag van circa € 82 mln vanwege  een verschuiving van de startdatum van de productie van verschillende projecten en vertraging in de Brusselse goedkeuring van de subsidieverleningen aan de windparken in de Noordoostpolder.

Duurzame warmte

In lijn met het Energierapport en het advies van de Topsector Energie, is in juli 2010 besloten de subsidiëring van duurzame warmte-installaties voor bestaande woningen in 2011 niet langer voort te zetten. Met ingang van 2012 wordt duurzame warmte als subsidiabele categorie aan de SDE+ toegevoegd. Bij eerste suppletoire begroting heeft compensatie plaats gevonden voor het meer declareren van middelen uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) bij Slotwet 2010 dan er oorspronkelijk geraamd stond voor duurzame warmte (– € 8 mln). Bij tweede suppletoire begroting is vanwege de beëindiging van de subsidieregeling voor duurzame warmte-installaties voor bestaande woningen in 2011 de uitgavenraming met € 15 mln naar beneden bijgesteld. De afwikkeling van de regeling loopt sneller dan gedacht, hierdoor zijn de uitgaven in 2011 uiteindelijk hoger uitgevallen dan geraamd.

Overige uitgaven duurzame energie

Bij tweede suppletoire begroting zijn de Programmamiddelen voor het dossier Elektrisch Rijden overgeheveld van het Ministerie van I&M naar het Ministerie van EL&I (€ 3,8 mln).

CO2-reductieplan/Joint Implementation

De lagere uitgaven bij Joint Implementation worden veroorzaakt door een ongunstig investeringsklimaat, waarbij ook sprake is geweest van een faillissement. Hierdoor zijn de investeringen bij projecten in het buitenland op het gebied van reductie van broeikasgasemissie lager uitgekomen dan geraamd.

Carbon Capture and Storage (CCS)

Een groot deel van de geplande uitgaven 2011 voor het Carbon Capture Storage ROAD-project zijn vertraagd als gevolg van later aangaan van grote contracten. De voor 2011 geplande uitgaven van € 56 mln zijn daarom bij eerste suppletoire begroting doorgeschoven naar 2012 en 2013.

Naast de in de begroting 2011 beschreven activiteiten op het vlak van CCS heeft Nederland in mei 2011 een CCS-demonstratieproject voor de Europese subsidieregeling NER300 in Brussel ingediend (TK vergaderjaar 2010–2011 31 239, nr. 119). De Europese Commissie zal eind 2012 haar selectieprocedure hebben afgerond.

Bijdrage aan Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)

Er heeft bij eerste suppletoire begroting 2011 compensatie plaatsgevonden voor het meer declareren van FES-middelen bij Slotwet 2010 dan er oorspronkelijk geraamd stond (– € 5 mln). Verder verloopt het Advanced Dutch Energy Materials Innovation Lab (ADEM) programma (een onderzoeksprogramma dat zich richt op onderzoek-en infrastructuur) trager dan verwacht. Hierdoor heeft in 2011 geen bevoorschotting plaatsgevonden voor dit programma.

Kernenergie

Het kabinet wil in deze kabinetsperiode één of meer vergunningen verlenen voor de bouw van een kerncentrale die aan de vereisten voldoet. Deze vereisten voor een kerncentrale zijn uitgewerkt in een randvoor-waardenbrief die in februari 2011 naar de Kamer is verzonden.

Op 14 maart werd in Fukushima in Japan een complex van zes kerncentrales getroffen door een aardbeving gevolgd door een tsunami. Vier van de zes kerncentrales op het complex werden zwaar beschadigd.

In Nederland is het EPAn-crisisteam (Eenheid Planning en Advies nucleair) geactiveerd en zijn de mogelijke gevolgen van deze ramp voor Nederland in kaart gebracht. Kabinet en Tweede Kamer werden bijna wekelijks geïnformeerd.

In samenwerking met het RIVM zijn inschattingen gedaan over de te verwachten fall out. Vliegtuigen en schepen, en hun lading, die vanuit Japan Nederland bezochten zijn op radioactieve besmettingen gecontroleerd.

Al tijdens de crisisperiode is op Europees niveau het plan vormgegeven om veiligheidsonderzoeken, zogenaamde «stresstests», uit te laten voeren bij de diverse nucleaire inrichtingen in Europa. Het verslag over de kerncentrale Borssele is beoordeeld en de rapportage is naar de EU gezonden.

De kerncentrale in Borssele zal ten gevolge van het onderzoek een aantal aanvullende maatregelen treffen waardoor de kerncentrale nog veiliger zal worden.

Stresstest

Ten gevolge van de ramp in Fukushima is de kerncentrale in Borssele aan een zogenaamde stresstest onderworpen. De uitkomsten van de stresstest van Borssele worden in Europees verband beoordeeld, waarbij Nederland de uitkomsten van stresstesten van andere Europese kerncentrales zal gaan beoordelen.

Er is voor gekozen om op termijn de andere nucleaire inrichtingen in Delft, Petten en Almelo ook aan een stresstest te onderwerpen.

Kengetallen

Basiswaarde

Peildatum

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

1. Radon in woningen

Stralingsniveau in nieuwbouwwoningen uit de periode 1990–1995

’90–’95

nnb–1

nnb–1

nnb–1

1,5 mSv/jaar bij continue verblijf

Bron: RIVM

           

2. Straling lucht en water

De bronlimiet is 0,1 mSv/jaar

jaarlijks

23 mensSV2

30 mensSV2

nnb

Totale straling blijft onder het achtergrondniveau van 1mSv (kosmische straling, straling uit de bodem en medische bronnen)

Bron: RIVM

           
X Noot
1

Onderzoek (survey) besloeg periode van 1994 tot en met 2003. Deze survey is gestart omdat ontdekt was dat met de meetapparatuur in de survey van ’85 tot ’94 naast radon ook thoron gemeten werd, waardoor radon-waarden hoog leken. In 2012 zal opdracht gegeven worden voor een vierde survey van 3 000 woningen gedurende een jaar.

X Noot
2

Realisatiecijfers zijn in dat jaar gemeten waarden. Straling terugdringen kan alleen door menselijke bronnen (dus niet uit van nature in de bodem voorkomende stoffen en uit de kosmos) stralingsvrij (opheffen) of stralingsarm te maken. In 2000 zijn twee kunstmestfabrieken gesloten aan de Nieuwe Waterweg, waardoor de emissie naar water nagenoeg 0 werd.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bijdrage aan Agentschap NL

Voor de uitvoering van subsidieregelingen (onder andere Stadsverwarming en SDE) en het programma (Smart Grids) in 2011 door Agentschap NL is bij tweede suppletoire begroting € 21 mln aan kasmiddelen overgeheveld naar de bijdrage aan Agentschap NL. Deze mutatie is het gevolg van de verplichting aan Agentschap NL voor de uitvoering in 2011 die eind 2010 is aangegaan en waarvoor eveneens een overheveling vanuit programmamiddelen (OD1 en OD3) heeft plaatsgevonden.

Toelichting op de ontvangsten

Aardgasbaten

De aardgasbaten laten een meevaller zien ten opzichte van de raming in de begroting. Dit komt voornamelijk door het aantrekken van de gasprijzen. In de begroting werd uitgegaan van een spotmarktprijs van gas van 18 cent per kubieke meter terwijl de realisatie uitkwam op 23 ct/m3. Gasprijzen op basis van oliepariteit vielen ook hoger uit: het CPB-scenario voor de olieprijs en dollarkoers ging uit van respectievelijk 75 $ per vat en 1,25 $ / Euro, terwijl de realisatie 111 $ per vat en 1,39 $ / Euro bedroeg. Hiernaast viel de uiteindelijke productie in 2010 hoger uit, onder andere door het koude najaar, waardoor extra inkomsten over deze extra productie in 2011 ontvangen zijn.

Diverse ontvangsten

Dit betreft de ontvangsten uit de veilingen van CO2 uitstootrechten. De realisatie is lager dan geraamd omdat de CO2 prijs in 2011, onder andere door de slechte economische omstandigheden en een groot aanbod van rechten, sterk is gedaald. In 2011 zijn er twee veilingen geweest (eind oktober en eind november), waarbij in totaal 4 miljoen CO2-uitstootrechten geveild zijn. De totale opbrengst bedraagt € 36,7 mln en is hiermee lager dan oorspronkelijk geraamd.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Effect onderzoek ex post

Elektriciteits- en gaswet

4.1

2011

2012

 
 

Energie Onderzoek Subsidie Regeling (EOS)/Duurzame Energie Nederland (DEN A)

4.3

2011

2011

Ecofys en Harmelink. December 2011

 

Stralingsbescherming

4.3

2011

2012

 

Toelichting

Het evaluatieonderzoek EOS/DEN A leidt tot de volgende hoofdconclusies:

  • DEN A en EOS hebben bijgedragen aan de verbetering van de kennispositie in Nederland en de toepassing van nieuwe energietechnologieën;

  • Een groot deel van de uitgevoerde projecten heeft vervolg gekregen;

  • Over het algemeen zijn de middelen van de programma’s doelmatig ingezet;

  • Het monitoren van de effectiviteit van beide programma’s heeft te wensen overgelaten.

5. Internationale economische betrekkingen

Algemene doelstelling

Verbeteren van het klimaat voor internationale handel en investeringen en vergroten van de Nederlandse internationale participatie om de concurrentiekracht van de Nederlandse economie te vergroten.

Nederland heeft een zeer open economie en is daarmee sterk afhankelijk van het buitenland. Daardoor had Nederland in 2011 te maken met een aantal uitdagingen. De groei van de wereldhandel nam in 2011 sterk af, na het ingezette herstel in 2010. Ook de groei in een aantal belangrijke afzetmarkten stond onder druk, onder andere door de aanhoudende crisis in Europa en de budgettaire problemen in de VS. Dat is een risico, want internationale handel en investeringen zorgen voor meer concurrentie, productiviteit en innovatie.

In 2011 werd nogmaals bevestigd dat de wereld om ons heen in hoog tempo verandert. Ondanks de tegenvallende groei in de ontwikkelde markten groeiden de opkomende markten gestaag verder. Dat dwingt ons te zoeken naar nieuwe afzetmarkten en ons aan te passen aan de nieuwe machtsverhoudingen. Onze economie profiteerde afgelopen jaar nog onvoldoende van de kansen die nieuwe markten en sectoren bieden. Meer dan driekwart van de Nederlandse uitvoer ging naar de traditionele ontwikkelde markten, voornamelijk Europa. De Nederlandse export naar de vier BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China) samen is nog altijd minder dan de export naar Italië.

Daarom zijn er flinke stappen gezet om het internationale beleid van het Ministerie van EL&I er op te richten Nederland beter aan te sluiten op de nieuwe markten en sectoren om daar de kansen te kunnen verzilveren. Op 24 juni 2011 is in de Ministerraad de brief «Buitenlandse Markten, Nederlandse kansen» geaccordeerd, een product van de ministeries van EL&I en Buitenlandse Zaken. Deze brief presenteerde de hoofdlijnen van het nieuwe internationaal economisch beleid ten behoeve van het bedrijfsleven weer. Het nieuwe beleid kent minder subsidies, meer economische diplomatie en heldere afspraken met de brancheorganisaties over de rolverdeling tussen de overheid en marktpartijen; 2012 wordt een overgangsjaar waarin een aantal van de huidige programma’s wordt omgebouwd en een begin wordt gemaakt met de nieuwe manier van werken.

In 2011 is stevig ingezet op economische diplomatie. In veel opkomende markten, waaronder de BRIC-landen, heeft de overheid een grotere grip op de economie dan in de ontwikkelde markten en kunnen goede contacten met de overheid, via het postennetwerk en handelsmissies, een doorslaggevende rol spelen. De topsectoren van de Nederlandse economie kunnen zich alleen door samenwerking tussen ondernemers, onderzoekers en de overheid blijven onderscheiden op de wereldmarkt. In 2011 is een begin gemaakt met het opstellen van op maat gemaakte programma’s op internationaal gebied per Topsector, die in 2012 afgerond en geïmplementeerd worden. Voorts is in 2011 besloten dat bestaande subsidieregelingen ten dele vervangen worden door een gezamenlijk actieplan over het optreden in het buitenland. Daarvan maken ook economische missies onderdeel uit.

Bij het internationaal economisch beleid is ook gekeken naar (voormalige) ontwikkelingslanden. Nederlandse bedrijven kunnen een bijdrage leveren aan ontwikkelingsvraagstukken op het gebied van water en voedselvoorzieningszekerheid en kunnen daarbij rekenen op overheidssteun.

Niet alleen in handel, maar ook in internationale investeringen werd de internationale koppositie van Nederland in 2011 onderschreven. Nederland is een grote investeerder in het buitenland en een van de grootste ontvangers van binnenkomende investeringen. Dat is mede te danken aan het goede vestigingsklimaat en de inspanningen van NFIA (Netherlands Foreign Investment Agency). Ook zijn er in 2011 door NFIA verdere stappen gezet richting steeds hoogwaardigere investeringen en is er bijzondere aandacht geweest voor het vestigingsklimaat.

Ook op multilateraal niveau heeft het Ministerie van EL&I zich ingezet voor Nederlandse bedrijven. Bijvoorbeeld in de Europese Unie (EU), de belangrijkste markt voor de export. De crisis heeft het belang van een goed functionerend Europa onomstotelijk vastgesteld. Nederland heeft zich steeds ingezet voor een evenwichtige groei en een zo breed mogelijke interne markt.

Daarnaast blijft de World Trade Organisation (WTO) onverminderd van belang, ondanks de impasse in de Doha onderhandelingen eind 2011. Het Ministerie van EL&I heeft zich in 2011 ingezet voor vrije wereldhandel door het sluiten van handelsakkoorden, zoals onlangs met Zuid-Korea. Daarnaast zijn de onderhandelingen over een EU-akkoord met Peru en Colombia in maart 2011 afgerond en deze worden naar verwachting in 2012 ondertekend. Ook is in WTO-verband de overheidsaanbestedingenovereenkomst (GPA) herzien en gemoderniseerd. Hierdoor krijgt het bedrijfsleven in de EU de mogelijkheid om mee te dingen naar overheidsaanbestedingen met een totale marktwaarde van € 500 mld in onder meer VS, Japan en Zuid-Korea. Tot slot kan ook de toetreding van Rusland tot de WTO een flinke impuls voor de Nederlandse economie betekenen. Dit bindt de laatste grote ongebonden economie aan de WTO-regels en hiermee wordt een transparant en voorspelbaar handelsklimaat in een belangrijke Nederlandse handelspartner verstevigd.

Ten slotte heeft het Ministerie van EL&I zich ingezet voor de versterking van de effectiviteit van het normatief kader waarbinnen Nederlandse ondernemingen in het buitenland zaken doen. In mei 2011 zijn de herziene Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) aangenomen. De strekking van het raamwerk van de (voormalig) speciale vertegenwoordiger van de Verenigde Naties voor Bedrijfsleven en Mensenrechten, prof. John Ruggie, is in deze vernieuwde OESO Richtlijnen opgenomen. Op 12 december 2011 heeft het Ministerie van EL&I, in samenwerking met VNO-NCW een conferentie georganiseerd over de relevantie voor het Nederlandse bedrijfsleven van het Ruggie-raamwerk en de vernieuwde OESO -2- Richtlijnen.

Externe factoren

Het herstel van de wereldhandel zwakte vorig jaar af. De wereldhandel in goederen groeide in 2011 met 6½%, na een groei van 15,2% in 2010. In lijn met de wereldhandel groeide ook de Nederlandse uitvoer minder hard dan in 2010. De Nederlandse uitvoer van goederen steeg volgens het CPB met 6½% in 2011 en de invoer met 6¼%.

Voor 2012 verwacht het CPB een groei van de relevante wereldhandel van 3½%. De wereldhandel is van groot belang voor onze economie: volgens de vuistregel van het CPB leidt 4% groei van de relevante wereldhandel tot 1% groei BNP.

Kengetallen

Kengetallen

2009

2010

20111

Ambitie

2011

De positie van Nederland op de wereldranglijst:

       

Export van goederen

5

5

nnb

Top 10

Bron: WTO World Trade Report 2011

       

Import van goederen

7

7

nnb

Top 10

Bron: WTO World Trade Report 2011

       

Export van diensten

10

9

nnb

Top 10

Bron: WTO World Trade Report 2011

       

Import van diensten

9 (gedeelde plaats Spanje)

8

nnb

Top 10

Bron: WTO World Trade Report 2011

       

Uitgaande stand directe buitenlandse investeringen

5

7

nnb

Top 10

Bron: UNCTAD Stat

       

Inkomende stand directe buitenlandse investeringen

8

8

nnb

Top 10

Bron: UNCTAD Stat

       

nnb = nog niet bekend

X Noot
1

Het World Trade Report 2012 met daarin de cijfers voor 2011 en de UNCTAD-cijfers voor 2011 zullen in juli 2012 beschikbaar zijn.

Budgettaire gevolgen van beleid

5 Internationale economische betrekkingen (bedragen x € 1 000)
 

Realisatie

vastgestelde begroting 2011

Verschil 2011

 

2008

2009

2010

2011

   

Verplichtingen

129 645

150 378

148 875

111 817

140 784

– 28 967

Waarvan garantieverplichtingen

10 080

         

Uitgaven

128 065

123 101

130 470

124 783

128 912

– 4 129

programma

121 039

116 814

123 980

72 897

110 512

– 37 615

OD 1: Een open internationaal handels- en investeringsverkeer en een versterkte, duurzame, internationale economische rechtsorde

4 176

4 528

4 282

4 876

4 007

869

– Bijdrage aan diverse organisaties

4 176

4 528

4 282

4 876

4 007

869

OD 2: Bevorderen internationaal ondernemen

48 457

30 7287

36 498

23 075

19 389

3 686

– Prepare2start

7 276

9 030

9 161

11 310

8 800

2 510

– 2 Explore

4 666

2 560

5 789

619

1 217

– 598

– SENO/GOM

10 080

         

– Instrumentele uitgaven Agentschap

5 559

6 601

5 925

5 634

5 483

151

– Acquisitie van buitenlandse bedrijven

3 370

1 528

1 682

1 924

1 846

78

– TA-OM

440

         

– CBIN netwerk

7 593

         

– Trustfunds

2 796

1 041

500

     

– Programma Uitzending Managers

2 530

1 941

2 251

 

217

– 217

– Overig (wereldexpo)

743

5 834

10 723

3 374

1 676

1 698

– Overig NHGIS (Programma Internationalisering Beroepsonderwijs)

3 404

2 030

467

214

150

64

– Exportfinanciering

 

163

       

OD 3: Het gericht ondersteunen van het bedrijfsleven in kansrijke sectoren op buitenlandse markten

30 285

32 819

33 735

43 419

53 027

– 9 608

– Overig programmatische aanpak

6 213

13 124

10 173

11 961

14 217

– 2 256

– Package4Growth

 

277

5 035

13 686

23 200

– 9 514

– 2g@there

   

8 944

11 155

10 281

874

– Programma Samenwerking Opkomende Markten

24 072

19 418

9 583

6 617

5 329

1 288

             

Algemeen

38 121

48 739

49 465

1 527

34 089

– 32 562

– Bijdrage DG BEB aan Agentschap NL

36 309

46 537

47 273

 

32 234

– 32 234

– Beleidsondersteuning

1 812

2 202

2 192

1 527

1 855

– 328

             

Apparaat

7 027

6 289

6 490

51 884

18 400

33 484

– Personeel BEB

7 027

6 289

6 490

6 745

6 136

609

– Bijdrage aan Agentschap NL

     

45 139

12 264

32 875

             

Ontvangsten

17 201

5 413

4 869

9 094

11 815

– 2 721

Ontvangsten gemengde kredieten

1 988

1 973

1 539

1 637

681

956

Ontvangsten uit garanties

10 348

         

Ontvangsten ten behoeve van de Transitiefaciliteit

     

7 000

10 000

– 3 000

Diverse ontvangsten

4 864

3 440

3 329

457

1 134

– 677

Toelichting op de verplichtingen

De onderuitputting is voornamelijk toe te schrijven aan twee instrumenten. Op het instrument «Overig Programmatisch Pakket» bestaat de onderuitputting uit € 5,5 mln. Daarnaast onderuitputting op het instrument Package4Growth, zowel op het ODA als Non-ODA gedeelte. De onderuitputting betrof respectievelijk € 8,1 mln en € 15,9 mln.

Package4Growth betreft een tijdelijk crisisinstrument wat in 2009 voor 4 jaar in de begroting is opgenomen met als initiële stand 20 mln per jaar. In 2011 is een aanvang gemaakt met de omvorming van het instrument van Package4GRowth naar CoInvesteringsFaciliteit(CIF). Dit heeft tot gevolg gehad dat, in afwachting van het nieuwe instrument,  in 2011 voor het NON-ODA gedeelte slechts budget is vrijgegeven om de reeds ingediende aanvragen 2010 te kunnen afwikkelen. Voor het ODA gedeelte is een budget van € 2 mln vrijgegeven. Het nieuw ontwikkelde instrument zal naar verwachting medio februari 2012 gepubliceerd worden. Bij Miljoenennota en Najaarsnota 2011 zijn  hiertoe reeds aanpassing op de initiële begroting opgenomen van € 5,9 mln op het ODA-gedeelte en € 14 mln op het Non-ODA gedeelte.

Toelichting op de programma-uitgaven

Markt en Spelregels

Operationele doelstelling 1: Een open internationaal handels- en investeringsverkeer en een versterkte, duurzame, internationale economische rechtsorde

Handelsakkoorden en internationale economische rechtsorde

De onderhandelingen over een vrijhandelsakkoord tussen de Europese Unie en Zuid-Korea zijn succesvol afgerond en op 1 juli 2011 voorlopig inwerking getreden. Het Nederlandse bedrijfsleven plukt nu reeds de voordelen van tariefverlaging en versoepeling van de handelsregels. Het Ministerie van EL&I heeft op 15 september 2011 speciaal voor het Nederlandse bedrijfsleven en de Kamers van Koophandel een seminar georganiseerd en toegelicht wat het akkoord precies inhoudt.

In WTO-verband is een concreet resultaat de herziening en modernisering van de overheidsaanbestedingenovereenkomst (GPA). Dit levert het EU-bedrijfsleven (dus ook Nederland) toegang op om mee te dingen naar een totale markt van € 500 mld aan overheidsaanbestedingen.

De afronding van een ambitieus, evenwichtig en ontwikkelingsvriendelijk akkoord in het kader van de WTO Doha ronde is niet gelukt. De onderhandelende landen hebben (nog) geen overeenstemming kunnen vinden over de veelheid van onderwerpen. Specifiek luidt de vraag of opkomende markten als Brazilië, China en India wel voldoende markttoegang geven. De Verenigde Staten vindt van niet en de eerder genoemde landen van wel. Deze posities gaan naar verwachting het komende jaar niet wijzigen. De Doha ronde zit in een impasse.

De afronding van een aantal lopende Investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO’s) verloopt ook moeizaam. Zo is in de onderhandelingen met Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Qatar nog weinig vooruitgang geboekt en heeft Marokko nog steeds niet de vertalingverschillen opgelost. Oman weigert – ondanks herhaaldelijke pogingen om de nieuwe EU recht situatie uit te leggen – nog steeds het aanvullende Protocol met betrekking tot vrije kapitaaltransfer clausule te ondertekenen.

Maatschappelijk verantwoord en duurzaam ondernemen

Het Ministerie van EL&I heeft namens de Nederlandse overheid intensief bijgedragen aan de versterking van het normatief kader voor Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) via de herziening van de Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Deze zijn op 25 mei 2011 aangenomen tijdens de ministeriële vergadering van de OESO in Parijs.

Ook heeft het Ministerie van EL&I namens de Nederlandse overheid er op aangedrongen dat de strekking van het raamwerk van de (voormalig) speciale vertegenwoordiger van de Verenigde Naties voor Bedrijfsleven en Mensenrechten, prof. John Ruggie, onverkort in de vernieuwde OESO Richtlijnen zou worden opgenomen.

Er is een aanvang gemaakt met het nader concretiseren van wat deze IMVO-kaders betekenen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Op 12 december 2011 heeft het Ministerie van EL&I, in samenwerking met VNO-NCW een conferentie georganiseerd over de relevantie voor het Nederlandse bedrijfsleven van het Ruggie-raamwerk en de vernieuwde OESO Richtlijnen.

Controle op de uitvoer van strategische goederen

Mede naar aanleiding van de onrust in Noord-Afrika en het Midden-Oosten werd in het voorjaar van 2011 besloten tot een aantal aanpassingen in het wapenexportbeleid. In een Kamerbrief van 10 juni 2011 70 werd aangegeven dat bij de toetsing van aanvragen aan het mensenrechtencriterium niet alleen naar de feitelijke inzet van de betrokken goederen bij mensenrechtenschendingen gekeken zal worden, maar ook naar het risico van mogelijke toekomstige inzet daarbij. Verder zal de systematiek van de doorvoercontrole naar Duits voorbeeld worden aangepast, en zal een scherpe selectie van belangrijke besluiten versneld en voorzien van een uitgebreide toelichting aan de Kamer worden gestuurd.

In het najaar van 2011 passeerde het ontwerp voor een Wet strategische diensten de Tweede en de Eerste Kamer, zodat deze wet per 1 januari 2012 in werking kon treden. Met deze wet worden zowel reeds bestaande als enkele nieuwe controles op diensten in relatie tot strategische goederen geregeld. Het gaat hierbij om diensten zoals overdracht van programmatuur of technologie door elektronische communicatiemiddelen, om technische bijstand die ten goede kan komen aan massavernietigingswapenprogramma’s of raketprogramma’s, en om het verlenen van tussenhandeldiensten ten behoeve van wapentransacties en bepaalde transacties in dual use goederen in en tussen derde landen.

Het volledig geautomatiseerd systeem voor de administratie en behandeling van vergunningaanvragen voor strategische goederen is nog in ontwikkeling. Het streven is dat het systeem in de loop van 2012 operationeel wordt.

Operationele doelstelling 2: Bevorderen internationaal ondernemen (inkomend en uitgaand)

Basis pakket

Instrumenten & activiteiten

Economische Diplomatie

Economische missies

Het doel van economische diplomatie is het vergroten van markttoegang, het verbeteren van het level playing field en het oplossen van belemmeringen voor het Nederlandse bedrijfsleven op internationale markten. In 2011 is een interdepartementale werkgroep economische diplomatie opgericht waarin de kansen, projecten en problemen voor het Nederlandse bedrijfsleven worden geïnventariseerd. Deze inventarisatie voedt onder andere de strategische reisagenda. De bewindslieden zijn dan ook zeven maal op handelsmissie naar het buitenland getogen, om daar persoonlijk deuren voor te openen voor het bedrijfsleven. Deze missies, naar onder andere Rusland, Brazilië en Vietnam, hebben voor de deelnemende bedrijven hoogwaardige contracten opgeleverd.

Accountmanagement/Dutch Trade Board (DTB)

In 2011 heeft het ministerie van EL&I middels halfjaarlijkse gesprekken op hoogambtelijk niveau met grote, toonaangevende bedrijven gesproken over de kansen en belemmeringen die zij internationaal tegenkomen.

Waar wenselijk en mogelijk is, in samenwerking met het postennet, gerichte ondersteuning aan deze bedrijven bij hun buitenlandse activiteiten gegeven (maatwerk).

Middels deze bilaterale gesprekken droeg EL&I ook in 2011 bij aan het proactief en structureel afstemmen van de internationale speerpunten van grote internationaal opererende Nederlandse bedrijven en de prioriteiten van het Kabinet op het terrein van internationaal ondernemen.

In 2011 heeft ook frequent overleg plaatsgevonden met de Dutch Trade Board (DTB). De doelstelling van de DTB is het versterken van de concurrentiekracht van Nederlandse ondernemingen in het buitenland. Belangrijke onderwerpen van gesprek in 2011 waren de gevolgen van de eurocrisis voor de Nederlandse handel, de invulling van de internationale component van de topsectoren, stroomlijning van het publiek private handelsbevorderende netwerk en de positie van Nederland op de BRIC landen. Voor wat betreft de strategische reisagenda wordt ingezet op een optimale afstemming met het bedrijfsleven en de decentrale overheid, in de vorm van een samenwerkingsovereenkomst.

Meldpunt handelsbelemmeringen

Net als in 2010 wist het bedrijfsleven in 2011 het Meldpunt Handelsbelemmeringen (voorheen crashteam) te vinden. Het Meldpunt Handelsbelemmeringen registreerde 23 nieuwe zaken in 2011. Bij de behandeling wordt onder meer samengewerkt met het betrokken bedrijf en de Nederlandse ambassade in het betreffende land. Het gaat veelal om zaken die een lange behandeltermijn vragen, bijvoorbeeld vanwege de complexiteit van een zaak, of vanwege het feit dat het lastig kan zijn van buitenlandse (overheids)partijen een (adequate) reactie te krijgen. Dat is dan ook de reden dat er van de in 2011 aangemelde zaken tot op heden twee met succes konden worden afgesloten. Het Meldpunt heeft in 2011 voorts het eigen registratiesysteem geëvalueerd en de aanzet gegeven tot een nieuw registratiesysteem.

Inzet postennet

Om optimaal vertegenwoordigd te zijn in kansrijke groeimarkten is het aantal Netherlands Business Support Offices (NBSO) in het buitenland in 2011 uitgebreid. Zo is sinds mei 2011 een NBSO in Houston operationeel, is de opening van NBSO Barcelona voorbereid, en besloten tot de opzet van een NBSO in Jeddah. Deze uitbreiding is binnen de bestaande budgetten gerealiseerd. Het ministerie heeft in 2011 een nieuw beleidskader opgesteld dat voorziet in versterkte dienstverlening aan het bedrijfsleven en economische diplomatie door het postennetwerk. Daartoe wordt de dienstverlening van de landbouwraden, innovatie-attaché»s en de economische afdelingen van ambassades in prioriteitslanden geïntegreerd. Bovendien wordt er gestreefd om binnen de economische afdeling nog meer synergie te creëren. Evenals in 2010 zijn in 2011 visumaanvragen van betrouwbare zakenlieden versneld afgehandeld.

In een klanttevredenheidsonderzoek over de dienstverlening van het gehele postennet in 18 economisch belangrijke landen is een gemiddelde beoordelingsscore van 8,3 gemeten 71.

Prestatie-indicatoren

2008

Peildatum

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Aantal instellingen in het klantenbestand van de EVD gedeeld door het aantal internationaal actieve bedrijven1

42%

Februari 2008

49%

59%

45%

X Noot
1

Passend met de (verdere) implementatie van resultaatgerichte sturing wordt niet meer gestuurd op «bereik» (in aantallen), maar wordt onder andere gestuurd op bruikbaarheid en toegankelijkheid van de dienstverlening uitgedrukt in een indicator Klanttevredenheid. De business monitor (bestand internationaal actieve bedrijven) die benodigd is om de metingen omtrent «bereik» uit te voeren, is kostbaar en is zodoende niet meer aangekocht.»

Regeling Internationaal Ondernemen: Prepare2Start

Indicator: aantal bedrijven dat op basis van Prepare2Start-internationaliseringsplan internationaal is gaan ondernemen.

Prestatie-indicator

2008

2009

2010

2011

Streefwaarde

2011

Aantal bedrijven dat op basis van Prepare2Start – internationaliseringsplan internationaal is gaan ondernemen

349

434

525

811

600

Bron: Agentschap NL

Programma Uitzending managers (PUM)

In het kader van een bezuinigingstaakstelling op het instrumentarium voor internationaal ondernemen is de subsidie van EL&I aan PUM per 1 januari 2011 stopgezet. Het jaar 2011 is gebruikt om lopende contracten af te ronden (afbouwfase). Met het oog op de stopzetting van de subsidie met ingang van 2011 kan het gerealiseerde percentage niet meer worden vergeleken met de in de begroting 2011 opgenomen streefwaarde.

Holland Branding

De adviezen van de Topsectoren zijn in het algemeen zeer positief over de Holland Branding strategie en roepen op tot intensivering van het instrument in het kader van de internationale agenda. Positionering heeft in 2011 in nauwe coördinatie met het Ministerie van Buitenlandse Zaken plaatsgevonden.

In 2011 is de verbinding gelegd met sportsector-beleid en het mogelijke bid voor de Olympische Spelen van 2028. Holland Branding is ingezet om ons land als sterk sportland en als thuisbasis van belangrijke sport producten en -diensten te positioneren. Dit is tevens een uitstekende uitgangspositie om Nederland op den duur eventueel als organisator van de Olympische Spelen neer te zetten.

Expo Yeosu

Voor de Nederlandse deelname aan de wereldtentoonstelling 2012 in Yeosu, Zuid Korea, zijn de voorbereidingen in 2011 gestart. De contracten voor het ontwerp en de exploitatie van het paviljoen zijn door een Nederlandse partij gewonnen. Voor de bouw is een lokaal bedrijf gevonden. De Nederlandse Nationale Dag zal op 18 juni 2012 plaatsvinden.

Acquisitie

Via het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) haalt EL&I buitenlandse investeringen naar Nederland. In 2011 ondersteunde NFIA 193 projecten. Deze projecten zijn goed voor € 1,47 mld aan investeringen en 4 358 (behouden en nieuwe) arbeidsplaatsen. 2011 was dan ook een absoluut topjaar voor NFIA, dat hiermee heeft voldaan aan de kwantitatieve streefwaarden voor 2011.

In 2011 is bijzondere aandacht besteed aan hoogwaardige investeringen. In 2011 heeft NFIA extra aandacht besteed aan het vestigingsklimaat voor buitenlandse bedrijven. Zo is een uitgebreide enquête uitgevoerd onder in Nederland gevestigde buitenlandse bedrijven. Ook heeft NFIA input verzameld op fiscaal gebied en impulsen gegeven voor bijvoorbeeld de kennismigrantenregeling en de voorzieningen voor expats.

Deze focus vanuit het Ministerie van EL&I past in het Kabinetsbeleid dat zich richt op de topsectoren en op strategische investeringen binnen deze sectoren; zo had 28% van de projecten van NFIA in 2011 een hoogwaardig karakter 73. 52% van de projecten is afkomstig uit Azië. Op de tweede plaats komt Noord-Amerika (26%). De staatssecretaris van het Ministerie van EL&I heeft tijdens de handelsmissie naar Brazilië in november 2011 aangekondigd dat in 2012 een NFIA kantoor in Brazilië zal worden geopend.

In het kader van het Investor Development-programma worden buitenlandse bedrijven die reeds in Nederland zijn gevestigd, nog beter en frequenter geïnformeerd over de Nederlandse wet- en regelgeving. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de regionale acquisitiepartners.

Het acquisitiebeleid heeft in 2011 verdere impuls gekregen door implementatie van de adviezen vanuit de topsector Hoofdkantoren. Zo is een start gemaakt met de Regiegroep Acquisitie & Vestigingsklimaat en zijn al eerste stappen gezet voor het opzetten van een pool van topmanagers van buitenlandse bedrijven in Nederland.

In 2011 is de naam van de Strategische Acquisitie Unit (SAU) gewijzigd in het Cluster Strategische Acquisitie (CSA). Via een zogenaamde Mid Term Review zijn in 2011 de activiteiten van het CSA geëvalueerd. Belangrijkste conclusies waren dat het instrument een duidelijke meerwaarde heeft en dat het interim doel, te weten het binnenhalen van één acquisitie per pilot-sector is gehaald. Van de voorgenomen 15 hoogwaardige, kennisintensieve buitenlandse investeringen in de jaren 2010–2013, zijn er in 2011 twee afgerond.

Voorts werd duidelijk dat de uitvoering verbetering behoeft waar het gaat om de aansturing en het afrekenen van doelen; dat er beter tussen de verschillende onderdelen van de NFIA kan worden samengewerkt; dat de efficiency van de experts vergroot kan worden en dat de terugkoppeling aan de sectoren verbeterd kan worden. Naar aanleiding van de Mid Term Review is NFIA/CSA gevraagd de aanpak van het CSA te integreren in de reguliere werkzaamheden van de NFIA.

Prestatie-indicatoren

Basiswaarde

Peildatum

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Aantal aangetrokken Projecten door NFIA

100

2006

155

155

193

150

Bron: AGNL

           

Investeringsbedrag aangetrokken projecten NFIA (in € mln)

500

2006

€ 3 142

€ 956

€ 1 472

€ 500

Bron: AGNL

           

Aantal arbeidsplaatsen aangetrokken investeringen buitenlandse bedrijven

2 300

2006

3 887

3 793

4 358

2 500

Bron: AGNL

           

Aandeel projecten in sleutelgebieden & hoogwaardige

activiteiten

   

21%

27%

28%

15%

Operationele doelstelling 3: Het gericht ondersteunen van het bedrijfsleven in kansrijke sectoren op buitenlandse markten

Programmatisch pakket

Instrumenten & activiteiten

2g@there

In 2011 zijn 8 nieuwe programma’s gestart. In voorgaande jaren gestarte programma’s liepen in 2011 door indien deze aantoonbaar tot het binnenhalen van grote orders kunnen leiden. Diverse deelnemende bedrijven en kennisinstellingen hebben ook in 2011 weer successen geboekt, bijvoorbeeld in de maritieme sector en agro-food sector in India, binnen het Oekraïne zuivelprogramma en binnen de glastuinbouw in Kenia en Ethiopië.

In 2011 werd het 2g@there programma geëvalueerd door Pricewaterhouse Coopers Advisory N.V. De onderzoeksvraag was in hoeverre het 2g@there programma bijdraagt aan het wegnemen van (institutionele) belemmeringen op buitenlandse markten voor Nederlandse bedrijven. Uit de bevindingen blijkt dat 2g@there over het algemeen effectief, relevant en efficiënt is gebleken. De aanbevelingen uit deze evaluatie zullen worden meegenomen in de opzet van het nieuwe publiekprivate samenwerkingsprogramma Partners for International Business dat vanaf februari 2012 zal starten.

Government2Government (G2G)

2011 was het laatste jaar dat het G2G programma als losstaand instrument werd aangeboden door het Agentschap NL. Het programma was oorspronkelijk gericht op overheid-tot-overheid samenwerking met landen met uitzicht op EU toetreding. Het Government2Government (G2G) was in 2011 gericht op het wegnemen van institutionele belemmeringen en het verbeteren van de uitvoering of handhaving van beleid, met name in opkomende markten. In totaal werden in 2011 81 Government2Government (G2G) projecten gestart (51 projecten onder G2G-EL&I en 31 projecten onder G2G-milieu). Voorbeelden zijn:

  • Rusland: Training in RU-NL veterinary inspection services

  • India: Developing a master plan for innovating design education

  • Brazilië: Executive Programme Aviation and Airport Development

  • Turkije: Inland Waterways

  • Oekraïne: Customs procedures in the Dutch-Ukrainian trade relation

Met Government2Government (G2G) activiteiten werd bijgedragen aan het verbeteren van markttoegang voor het Nederlands bedrijfsleven. Vanaf 2012 zal G2G als module worden opgenomen binnen de publiek private aanpak van het programma Partners for International Business. Daarmee worden G2G activiteiten nog strategischer ingezet om bedrijven uit met name de topsectoren te helpen bij het wegnemen van belemmeringen bij internationaal zakendoen.

Package4Growth (P4G)

De onderuitputting op dit instrument kent twee redenen.

Package4Growth is een instrument op India en China, waarvoor in 2009 middelen zijn toegevoegd aan de EZ-begroting. Omdat de faciliteit nog vormgegeven moest worden, was geen kasritme van uitfinanciering bekend. Hierdoor wijkt de feitelijke realisatie of van het oorspronkelijk vastgelegd begrotingsbedrag.

In 2011 is een aanvang gemaakt met de omvorming van het NON-ODA gedeelte binnen het instrument. Het Non-ODA gedeelte binnen Pack4Growth zal overgaan in het instrument CoInvesteringsFaciliteit (CIF). Dit heeft tot gevolg gehad dat in 2011 voor dit gedeelte slechts budget is vrijgegeven om de reeds ingediende aanvragen 2010 te kunnen afwikkelen. Dit heeft ook geleid tot een lagere kasbelasting.

In lijn met het Kabinetsbeleid is begin 2011 besloten om de subsidies voor investeringen en ordersubsidiëring onder Package4Growth stop te zetten en een groot deel van de resterende beleidsgelden aan te wenden voor een investeringsfaciliteit. In 2011 is veel zorg besteed aan de ontwikkeling van deze co-investeringsfaciliteit die in het 1e kwartaal 2012 gelanceerd zal worden. Als gevolg daarvan is de prestatie-indicator verlaagd van 112 naar 61.

In 2011 stond voor Package4Growth slechts de subsidieregeling Kennisverwerving open voor aanvragen van bedrijven. Met deze subsidieregeling kunnen bedrijven een externe adviseur inhuren om specifieke kennis te verkrijgen die voor hun positionering van belang is. In 2011 zijn voor deze regeling 57 aanvragen ontvangen, waarvan 44 gehonoreerd zijn. In 2011 zijn bovendien 5 investeringsprojecten goedgekeurd die in 2010 waren ingediend. Wegens tegenvallende belangstelling voor de investeringsregeling is de prestatie-indicator van 61 subsidies niet geheel behaald. De subsidieregeling Kennisverwerving, die in 2010 is gelanceerd, geniet echter duidelijk de belangstelling van het Nederlandse MKB.

Prestatie-indicatoren

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Aantal startende clusters op kansrijke markt-sector combinaties

13

14

Aantal bedrijven dat door ondersteuning van P4G de Chinese en/of Indiase markt (verder) betreedt

49

112

Bron: AGNL

Toelichting apparaatuitgaven

In de ontwerpbegroting 2011 is de bijdrage aan Agentschap NL opgenomen onder de uitgaven geraamd onder Operationele Doelstelling 2. Bij tweede suppletoire wet 2010 zijn alle bijdragen aan baten-lastendiensten onder de materiële apparaatsuitgaven gebracht. Hierdoor is de realisatie van de uitgaven 2011 verantwoord onder de uitgaven apparaat.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Effectonderzoek ex post

Programmatisch pakket (2g@there, G2G)

5.3

2011

2012

TK, 31 985 nr. 7

Toelichting

De evaluatie Programmatisch pakket (2g@there, G2G) stond gepland voor start en afronding in 2012, de evaluatie heeft nu plaatsgevonden in 2011. De resultaten van deze evaluatie zijn 13 maart 2012 aan de Tweede Kamer aangeboden.

8. Economische analyses en prognoses

Algemene doelstelling

Een breed vertrouwde bron van beleidsrelevante economische analyse zijn.

Al het werk van het CPB heeft als doel bij te dragen aan de beleidsvorming, zowel nationaal als internationaal. Het meest bekend zijn de ramingen. Het CPB heeft in 2011 wederom vier reguliere ramingen gepubliceerd. Zoals gebruikelijk is in het voorjaar het Centraal Economisch Plan verschenen en op Prinsjesdag de Macro Economische Verkenning. In juni en december verschenen korte tussentijdse updates, waarbij de decemberraming op uitzonderlijk veel belangstelling kon rekenen, als gevolg van de verslechterde economische vooruitzichten. Naast boeken over arbeidsmarktflexibiliteit en een kosteneffectiviteitsanalyse van de toekomstige inrichting van de Afsluitdijk, verscheen in november het boek Europa in Crisis, een publieksgericht boek over de Europese schuldencrisis, dat samen met Uitgeverij Balans werd uitgegeven. Ook werd een samenwerkingverband gestart met de Brusselse economische denktank Bruegel, om de internationale zichtbaarheid van het CPB te vergroten en de Europese beleidsdiscussie eerder te kunnen betrekken in de Nederlandse beleidsanalyse.

Het jaar stond vooral in het teken van vernieuwing. De website werd geheel vernieuwd, de papieren kwartaal Nieuwsbrief werd vervangen door een maandelijkse elektronische nieuwsbrief en de publicatiereeksen gingen op de schop. Er zijn nu vier reeksen: CPB Boeken, CPB Discussion papers (gericht op een wetenschappelijk publiek), CPB Notities (met antwoorden op speciale verzoeken om doorrekening in de regel van departementen of de politiek) en CPB Policy Briefs. Deze laatste reeks is nieuw en heeft als doel beleidsmakers te informeren over een voor hen relevant onderwerp met een kort en helder geschreven stuk. In 2011 heeft het CPB-onderzoek, naast de drie genoemde boeken, geresulteerd in 14 CPB Policy Briefs, 34 CPB Notities en 36 CPB Discussion Papers.

Ook de organisatie van het CPB werd aangepast, voornamelijk om inhoudelijke redenen. Er werd teruggegaan van zes naar vijf sectoren en van 20 naar 15 programma’s. In de loop van het jaar werd de omvang van de taakstelling van het huidige kabinet duidelijk, hetgeen resulteert in een volgende reorganisatie die in de komende jaren zijn beslag gaat krijgen.

Gezien de vele reacties op de publicaties, zowel in rechtstreekse contacten met politici, ambtenaren, wetenschappers en andere publieke actoren, als in de media worden de analyses en prognoses breed ontvangen en gebruikt door de regering, het parlement en overige maatschappelijke organisaties. Daarmee is de doelstelling ruimschoots bereikt.

Externe factoren

De belangrijke externe factor waarmee het CPB werd geconfronteerd was de taakstelling van het huidige kabinet. Daarbij werd er door regering en parlement in sterke mate een beroep op het CPB gedaan. Dat blijkt uit de toename van het aantal notities, maar ook uit het verzoek om de economische verkenning tot 2015 te actualiseren en te publiceren bij het CEP 2012.

Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 8 Economische analyses en prognoses (bedragen x € 1 000)
 

Realisatie

Vastgestelde Begroting 2011

Verschil 2011

 

2008

2009

2010

2011

   

Verplichtingen (totaal)

13 580

14 586

14 931

13 964

12 997

967

Uitgaven (totaal)

13 580

14 586

14 931

13 964

12 997

967

– Apparaatuitgaven CPB

13 580

14 586

14 931

13 964

12 997

967

             

Ontvangsten (totaal)

2 065

2 570

2 073

2 256

1 643

613

Het verschil tussen de realisatie en de oorspronkelijke vastgestelde begroting bedraagt bijna € 1 mln. De hogere uitgaven betroffen onder meer compensatie van loonkosten in verband met langdurig afwezigen en een loon- en prijsbijstelling van € 0,35 mln. Daarnaast heeft met betrekking tot de extern gefinancierde projecten een desaldering van € 0,6 mln plaatsgevonden. De voorbereiding op de verhuizing van het Centraal Plan Bureau naar de locatie Bezuidenhoutseweg 30 bracht € 0,15 mln aan uitgaven met zich mee.

Het verschil bij de ontvangsten (€ 0,6 mln) is geheel toe te schrijven aan extra ontvangsten in het kader van extern gefinancierde projecten.

Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen x € 1 000)
 

Raming 2011

Realisatie 2011

 

Formatie1

Gemiddelde prijs

Gemiddelde Bezetting1

Gemiddelde

prijs

CPB- personeel

130,5

82,9

128,4

90,0

CPB- materieel

130,5

16,7

128,4

18,8

X Noot
1

formatie en gemiddelde bezetting inclusief vacatures; exclusief tijdelijk personeel en Young Professional.

De gemiddelde prijs per fte op personeel en materieel is hoger dan geraamd. De reden voor deze stijging is dat in 2011 extra budget is uitgekeerd voor zowel loon- en prijsbijstelling als voor compensatie in verband met langdurige afwezigen. Daarnaast is extra budget ontvangen omdat er meer externe projecten zijn uitgevoerd dan dat oorspronkelijk was geraamd (€ 1,6 mln). Tevens zijn in 2011 extra materiële uitgaven verricht ter voorbereiding op de verhuizing om het Centraal Plan Bureau uitgekeerd. Dit extra budget is omgezet in uitgaven die leiden tot een hogere gemiddelde prijs.

Prestatie-indicatoren

In onderstaande tabel worden de prestatie-indicatoren weergegeven, voorzien van bijbehorende streefwaarden zoals opgenomen in de begroting 2011, en de realisatiewaarden over 2011.

Kritische succesfactor

Prestatie-indicator

Streefwaarde

Realisatie 2011

1. Een goede beoordeling van de kwaliteit van het CPB

1a. Evaluatie kwalitatief functioneren CPB door een visitatiecommissie

1a. Elke 5 à 6 jaar evaluatie, Oordeel goed

1a. n.v.t.

(laatst uitgevoerd in 2010)

 

1b. Evaluatie kwalitatief functioneren CPB door een toetsgroep van beleidsmakers

1b. Elke 5 à 6 jaar evaluatie, Oordeel goed

1b. n.v.t.

(eerst volgende rond 2013)

2. Een goede beoordeling van CPB-producten

2a. Projectevaluatie van elk project >3 maanden

2a. Oordeel goed, evenwicht

tussen inzet en resultaat

2a. gerealiseerd, doelgerichtheid blijft aandachtspunt

 

2b. Aantallen publicaties die aan wetenschappelijke standaarden voldoen

2b. 10 Discussion Papers en 9 artikelen in wetenschappelijke tijdschriften

2b. 36 Discussion Papers en 22 artikelen in wetenschappelijke tijdschriften

3. Specifieke klanten en het brede publiek bedienen met relevante ramingen en analyses

3a. Mate van tevredenheid CPC en CEC-departementen over het CPB-werkplan en de CPB-jaarrapportage

3a. Positieve waardering werkplan en jaarrapportage op hoofdlijnen

3a. Overwegend zeer tevreden. Commentaar met name van ministeries beperkt.

 

3b. Percentages persberichten bij CPB-publicaties

3b. Persberichten bij 90% van de CPB Documenten en Bijzondere Publicaties

3b. 90% ruimschoots gehaald

 

3c. Aandacht in de landelijke pers n.a.v. CPB-persberichten

3c. Artikelen in ≥ 2 landelijke dagbladen bij ≥ 75% van de CPB-persberichten

3c. 75% ruim-schoots gehaald in FD, AD, Volkskrant, NRC, Telegraaf

 

3d. Expertrol in landelijke pers

3d. Ten minste 1x per maand expertrol terugzien in publiciteit

3d. Ruim gehaald

 

3e. Leesbaarheid van publicaties en persberichten d.m.v. onderzoek onder journalisten.

3e. Elke 3 jaar, Oordeel goed

3e. niet van toepassing

(komt in 2012 weer aan de orde)

4. Internationaal als toonaangevend worden beschouwd

4. Aantal verwijzingen naar CPB-publicaties in working papers van OECD, IMF en EC

4. Minimaal 15 keer per jaar

4. 44

a Centrale Plancommissie en Centraal Economische Commissie.

9. Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

Algemene doelstelling

Het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken.

Het outputprogramma van het CBS zoals opgenomen in het Jaarplan voor 2011 van het CBS is gerealiseerd.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Prestatie-indicatoren

In onderstaande tabel staan de prestatie-indicatoren weergegeven voorzien van bijbehorende streefwaarden, zoals opgenomen in de begroting 2011, en de realisatiewaarden.

Prestatie-indicator

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

1. Realisatie van de publicatie-kalender

Persberichten: 92%

Eurostat: 93%

Persberichten: 91%

Eurostat: 93%

Persberichten: 94%

Eurostat: 93%

Persberichten: 90%

Eurostat: 90%

2. Aantal formele correcties op publicaties

0 persberichten met correctie

0 persberichten met correctie

1

persbericht met correctie

Maximaal 3 persberichten per jaar met correctie

3. Afwijking van voorlopige en definitieve cijfers

       

a. economische groei

2 kwartalen < 0,75% voor het jaar 2006.

4 kwartalen < 0,75% voor het jaar 2007.

4 kwartalen < 0,75% voor het jaar 2008.

Voor minstens drie kwartalen van het jaar moet de afwijking minder zijn dan 0,75 procentpunt.

b. internationale handel

98% afwijkingen < 4%

92% afwijkingen < 4%

98% afwijkingen < 4%

80% van de afwijkingen moet minder zijn dan 4%.

c. bevolkingsgroei

12 maanden met afwijking < 4 000

Gecumuleerd jaar-totaal:

800

12 maanden met afwijking < 4 000

Gecumuleerd jaar-totaal:

2 623

12 maanden met afwijking < 4 000

Gecumuleerd jaar-totaal:

820

Voor minstens 8 maanden moet de afwijking minder zijn dan 4 000 én

de afwijking van het gecumuleerd jaartotaal moet minder dan 16 000 zijn.

4. Administratieve lastenverlaging/ reductie enquête-druk

Definitief cijfer 2009: € 19,8 mln

Definitief cijfer 2010: € 19,0 mln

(Voorlopig) cijfer 2011: nog niet bekend.

De administratieve last door enquêtedruk voor het bedrijfsleven mag in 2011 niet meer bedragen dan de lastendruk in 2010.

Toelichting administratieve lastenverlaging/reductie enquêtedruk

Het CBS produceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie die onder andere inzicht biedt in het functioneren van de samenleving en de economie in het bijzonder. Het CBS betrekt daarvoor de benodigde basisgegevens zoveel mogelijk uit bestaande registraties. Deze registraties zijn echter niet voldoende waardoor uitvraag bij bedrijven noodzakelijk blijft.

Het CBS verzamelt de gegevens op een zodanige manier dat de administratieve lasten voor ondernemingen en instellingen zo laag mogelijk zijn. Uit de cijfers blijkt dat de feitelijke, door het CBS veroorzaakte, administratieve lastendruk al jaren achtereen daalt. Bedroeg deze lastendruk in 2009 € 19,8 mln, in 2010 was de lastendruk met bijna € 0,8 mln gedaald. Het voornemen van het CBS om ook in de komende periode een verdere vermindering van lastendruk te realiseren, sluit aan bij de in het Regeerakkoord aangekondigde ambitie van het kabinet om in 2012 een administratieve lastenreductie van 10 procent te realiseren ten opzichte van 2010 en binnen vier jaar een reductie van in totaal 25 procent. Ook zet het CBS fors in op vermindering van de beleefde lastendruk, in intensieve samenwerking met ondernemers en ondernemersorganisaties, zoals via de Adviesraad Berichtgevers.

Budgettaire gevolgen van beleid

9 Voorzien in maatschappelijk behoefte aan statistieken (bedragen x € 1 000)
 

Realisatie

vastgestelde begroting 2011

Verschil 2011

 

2008

2009

2010

2011

   

Verplichtingen

182 467

195 420

192 269

191 676

 187 431

4 245

Waarvan garantieverplichtingen

           

Uitgaven

182 467

195 420

192 269

191 676

187 431

4 245

             

Ontvangsten

           

Bijdrage aan het CBS

Het verschil tussen de oorspronkelijk vastgestelde begroting en de realisatie 2011 ad € 4 mln is voornamelijk ontstaan door de toevoeging van middelen voor Sociaal Flankerend Beleid, extra statistische werkzaamheden in het kader van Caribisch Nederland en voor loon- en prijscompensatie.

Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs

bedragen x € 1 000
 

Raming 2011

Realisatie 2011

 

Formatie

Gemiddelde prijs

Gemiddelde bezetting

Gemiddelde prijs

CBS-personeel

2 018

68,4

1 964

69,3

CBS-materieel

2 018

31,5

1 964

28,3

Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp

AD

Start

Afgerond

Vindplaats

Overig evaluatie onderzoek

De doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van het CBS (artikel 39 Kaderwet, voorheen artikel 82 CBS-wet).

9

2011

2011

TK, 25 268 nr. 74

De doelmatigheid van het CBS heeft zich positief ontwikkeld in de onderzoeksperiode 2004–2009. Bij een relatief geringe stijging van de input, heeft het CBS een relatief grote stijging van de output gerealiseerd. De kwaliteit en relevantie van de gegevensverzameling is goed geborgd en de administratieve lastendruk in de onderzoeksperiode is verlaagd met 14%. Verder wordt geconstateerd dat de Centrale Commissie voor de Statistiek haar toezichttaak goed heeft ingevuld.

10. Elektronische communicatie en post

Algemene doelstelling

Nederland behoort wereldwijd tot de top met breedbandinfrastructuur dankzij concurrentie op en tussen meerdere netwerken. Door convergentie kunnen diensten als televisie, bellen en internet via meerdere netwerken worden afgenomen en ontstaan nieuwe gebruiksvormen uit combinaties van die toepassingen (zoals tv kijken via internet).

Voor post geldt dat de postmarkt in 2009 is geliberaliseerd. De tarieven voor zakelijke gebruikers zijn aanzienlijk gedaald en PostNL heeft concurrentie gekregen. Aan dit doel zijn voor de rest geen kwantitatieve of kwalitatieve doelstellingen verbonden. Tot 2011 waren er vier landelijke postvervoerders voor geadresseerde post, waarvan twee spelers zich in de loop van 2011 hebben teruggetrokken van de Nederlandse markt voor geadresseerde post. De gehele postmarkt  zit in zwaar weer door teruglopende volumes als gevolg van digitalisering.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Kengetallen

Realisatie

2009

Realisatie 2010

Realisatie

2011

Streefwaarde 2011

1. Plaats van Nederland t.o.v. andere landen op de mondiale Information Society Index ranglijst

Bron: ISI

Negende positie

Twaalfde positie

Twaalfde positie

Stijgend

2. Positie Nederland t.o.v. andere OESO-landen m.b.t. aantal breedbandaansluitingen per 100 inwoners

Bron: OESO

Tweede positie

Eerste positie

Eerste positie

Minimaal tweede positie

3. Concentratie deelmarkten (HHI)

Bron: TNO

Mobiele telefonie:

3 874

(stand Q3 2009)

Mobiele telefonie:

3 802

(stand Q4 2010)

Mobiele telefonie:

3 711

(stand Q3 2011)

Dalend

4. Overkomstduur brieven binnen 24 uur

Bron: OPTA

94,8%

92,9%

nnb

Behoud 95% of meer binnen 24 uur

5. Positie Nederland t.o.v. andere EU-lidstaten m.b.t. gebruik van ICT door het bedrijfsleven

Bron: CBS

3e positie

Geen gegevens beschikbaar

Geen gegevens beschikbaar

Minimaal tweede positie

6. Penetratiegraad van TDAB radio-ontvangers in huishoudens

Bron: TNO

Verwaarloosbaar

Verwaarloosbaar (< 1%)

Verwaarloosbaar

(< 1%)

Streefwaarde 2016: 50% van de huishoudens heeft ten minste 1 TDAB radio-ontvanger

Toelichting

  • 1) Nederland is eerder op de ranglijst gedaald naar de 12de positie, omdat andere landen (onder andere in Azië) relatief meer investeren in ICT R&D en toepassing (zowel overheid als bedrijfsleven). Deze trend is onveranderd en werkt zwaar door in de ISI-index.

  • 3) Het kengetal «Herfindahl Hirschman Index (HHI) Breedband internettoegang» zoals opgenomen in de oorspronkelijke begroting 2011 is door wisselende grondslagen en door enorme bewegingen in de markt (overnames van ISP's door vooral KPN) nietszeggend geworden. Dit kengetal is daarom vervallen.

    Het kengetal «Herfindahl Hirschman Index (HHI) Mobiele telefonie» over geheel 2011 (stand Q4) komt in juni 2012 beschikbaar. De huidige realisatie (3 711) is de stand van het derde kwartaal (Q3).

  • 4) Het Kengetal over 2009 is een voorlopig cijfer omdat Post NL dit cijfer formeel heeft aangevochten (volgens Post NL moet het cijfer 95,2% zijn). Deze rechtszaak loopt nog. Het kengetal «Overkomstduur brieven binnen 24 uur» over 2011 komt begin 2013 beschikbaar

  • 5) De CBS-publicatie is een enquête en kijkt terug in de tijd. Voor het meten van het gebruik van ICT door het bedrijfsleven zijn niet ieder jaar nieuwe gegevens beschikbaar.

  • 6) Het kengetal «Penetratiegraad van TDAB radio-ontvangers in huishoudens» wordt door TNO geleverd aan het CBS ten behoeve van de CBS-uitgave «De Digitale Economie». Realisatiecijfers 2010 en 2011 betreffen voorlopige cijfers.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

10 Elektronische communicatie en post (bedragen x € 1 000)
 

Realisatie

vastgestelde begroting 2011

Verschil 2011

 

2008

2009

2010

2011

   

Verplichtingen

74 355

91 369

89 413

105 945

83 279

22 666

Uitgaven

66 627

84 788

91 935

86 699

89 834

– 3 135

programma

51 805

64 942

71 718

68 025

70 349

– 2 324

OD 1: Een efficiënt werkende communicatie- en postmarkt

3 204

4 384

4 463

3 907

6 083

– 2 176

– Bijdrage aan internationale organisaties

1 519

2 010

2 293

1 982

2 501

– 519

– Bijdrage aan OPTA

1 685

2 374

2 170

1 925

3 582

– 1 657

OD 3: Realiseren van de economische en maatschappelijke meerwaarde van ICT-toepassingen en diensten voor burgers, bedrijven en overheid

37 106

49 351

53 774

46 248

52 583

– 6 335

– Programma Implementatie ICT-agenda

15 130

24 738

17 364

21 018

27 171

– 6 153

– ICT-flankerend beleid en administratieve lasten

19 353

21 309

34 874

24 818

24 893

– 75

– ICT&MKB

2 218

3 304

1 536

412

519

– 107

– Kenniswijk

405

         
             

Algemeen

11 495

11 207

13 481

17 870

11 683

6 187

– Beleidsvoorbereiding en evaluaties

11 495

11 207

13 481

17 870

11 683

6 187

             

Apparaat

14 821

19 845

20 216

18 673

19 485

– 812

– Personeel Kerndepartement

7 335

7 751

8 245

7 411

7 108

303

– Bijdrage aan Agentschap NL

   

239

262

 

262

– Bijdrage aan Agentschap Telecom (inspectie)

4 631

5 529

6 009

5 268

6 505

– 1 237

– Bijdrage aan Agentschap Telecom (secretaris generaal)

2 855

6 565

5 723

5 732

5 872

– 140

             

Ontvangsten

2 713

254

27 095

52 232

26 400

25 832

Ontvangsten uit het FES fonds

1 463

         

Diverse ontvangsten

1 250

254

27 095

52 232

26 400

25 832

Toelichting op de programma-uitgaven/verplichtingen

Operationele doelstelling 1: Een efficiënt werkende communicatie- en postmarkt

In het kader van operationele doelstelling 1 zijn in 2011 meer verplichtingen aangegaan dan oorspronkelijk was geraamd. Deels door een committering van € 1,1 mln aan de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) voor het oplossen van ontvangstklachten (verplaatsing van een mast) en een committering van € 7,14 mln aan de Stichting Regionale Omroep Overleg & Samenwerking (ROOS) ter subsidiëring van de uitrol van een digitaal zendnetwerk. Daarnaast is een bedrag van € 5,5 mln gecommitteerd en betaald aan Radiocorp ter compensatie van de te late afgifte van de FM-vergunning (schikkingsbedrag rechtszaak). Ook met dit bedrag was geen rekening gehouden in de begroting 2011.

Regelgeving en Europese coördinatie

Implementatie nieuwe Europese regelgevingskader voor Telecommunicatie

In 2011 is de implementatie van het nieuwe Europese regelgevingskader voor Telecommunicatie in Nederlandse wetgeving door de Tweede Kamer afgerond. Het wetsvoorstel zal begin 2012 door de Eerste Kamer worden behandeld. Daarna zal alle regelgeving naar verwachting in mei 2012 in werking treden. Tegelijkertijd moet lagere regelgeving worden afgerond.

Roaming

De huidige Europese roamingverordening loopt medio 2012 af. Momenteel is nog een discussie gaande met de Europese Commissie gericht op de toekomstige besluitvorming omtrent voortzetting van deze verordening. EL&I is van opvatting dat concurrentie bepalend zou moeten zijn voor de prijsvorming. Indien het daaraan mocht schorten dan is regulering noodzakelijk. Deze moet voldoende bescherming bieden aan Europese consumenten tegen excessieve prijsvorming bij roaming.

Telecom- en postmarkt

Netneutraliteit

In het kader van de herziening van het Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector is netneutraliteit opgenomen in het wetsvoorstel ter wijziging van de Telecommunicatiewet (TK, 32 549). Dit omvat dat aanbieders van internettoegang transparant moeten zijn over hoe zij hun netwerkverkeer behandelen. In aanvulling daarop is opgenomen dat aanbieders van internettoegang, behoudens enkele uitzonderingen, geen diensten of toepassingen op het internet mogen belemmeren of vertragen. Directe aanleiding voor deze aanvullende wetgeving was dat meerdere mobiele telecomaanbieders innovatieve concurrerende diensten (zouden willen) belemmeren.

Zicht op de uitrol van breedbandige netwerken

De voortgang van de uitrol van breedbandige netwerken wordt in kaart gebracht met een jaarlijkse Breedbandmonitor. De eerste monitor wordt in 2012 gepubliceerd.

Frequentie- en antennebeleid

Integrale aanpassing Nationaal Frequentieplan (NFP)

De voorgenomen integrale aanpassing van het Nationaal Frequentieplan (ter implementatie van het wetsvoorstel naar aanleiding van de nota Frequentiebeleid 2005) is opgeschoven als gevolg van de opgetreden vertraging van de parlementaire behandeling van het betreffende wetsvoorstel. Het nieuwe NFP zal naar verwachting in 2013 worden afgerond en gepubliceerd.

Toezicht op emissie van elektromagnetische velden van zendmasten

Er is in 2011 nog geen verbetering van het toezicht op de emissie van elektromagnetische velden van zendmasten gerealiseerd. In 2011 is gezocht naar een aanpak die past binnen het bestaande wetgevende kader, waarmee deze aanpak eenvoudiger is te realiseren. Dit heeft tot nieuwe inzichten geleid. De oplossing met dit verbeterde toezicht, in een beleidsregel uitgewerkt, zal in de eerste helft van 2012 worden gepubliceerd en vanaf dat moment worden geëffectueerd.

Herziening R&TTE richtlijn

In de begroting 2011 was voorzien dat in 2011 de Europese Commissie het initiatief zou nemen om de richtlijn voor radioapparatuur en de wederzijdse erkenning van conformiteit (R&TTE richtlijn) te herzien die betrekking heeft op radio- en randapparatuur. De Europese Commissie heeft dit initiatief echter nog niet genomen in 2011. De voorbereidingen zijn in 2009 gestart en de herziening van de richtlijn wordt nu in de eerste helft van 2012 verwacht.

Prestatie-Indicatoren

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Streefwaarde

2013

Het aantal vergunningscategorieën ten behoeve van het gebruik van frequentiebanden

46

46

45

42

Bron: Agentschap Telecom

Toelichting

In 2011 is de vergunningscategorie «Alarm, Radiobeveiligingsinstallatie» afgeschaft. De faciliteiten onder deze categorie zijn volledig overgenomen door alarmeringstoepassingen in het vergunningsvrije domein.

De doelstelling is om het aantal vergunningscategorieën terug te brengen van een referentiewaarde van 47 naar 42 in een periode van vijf jaar. Dit heeft tot gevolg dat gebruiksmogelijkheden van frequenties worden verruimd en wordt aangesloten bij veranderende marktomstandigheden en technologische ontwikkelingen.

Nummers en internetdomeinnamen

Eenvoudiger overstap naar andere aanbieder in geval van Machine-to-Machine (M2M) toepassingen

Voor communicatie tussen apparaten, denk hierbij aan het uitlezen van slimme energiemeters, worden telefoonverbindingen gebruikt. Het is voor eindgebruikers van deze Machine-to-Machine (M2M) toepassingen kostbaar om over te stappen door het gebruik van nummers in de randapparatuur die zijn gebonden aan openbare telecomnetwerken. In 2011 is op internationaal terrein (Conférence européenne des administrations des postes et télécommunications, CEPT, en International Telecommunication Union, ITU) verkend hoe voor bedrijven in deze sector mogelijkheden kunnen worden vergroot om over te stappen naar andere telecomaanbieders. Omdat deze verkenning mondiaal plaatsvindt, kost deze meer tijd dan verwacht. In 2012 wordt meer duidelijkheid verwacht over de uitkomsten en het vervolgtraject.

Operationele doelstelling 2: Een veilig en betrouwbaar elektronisch- en postnetwerk

Netwerk- en informatiebescherming

Weerbaarheid tegen uitval energie en telecom/ICT

Het traject CapaciteitsAnalyse Elektriciteit en Telecom (CAET) heeft langer geduurd dan was gepland. Van de laatst betrokken sectoren (drinkwater, olie en openbaar bestuur) zijn de rapportages nog in 2011 opgesteld, maar heeft bespreking van de aanbevelingen nog niet plaatsgevonden. Het traject CAET wordt in april 2012 afgesloten met een brede bijeenkomst voor alle betrokken sectoren waarin de bevindingen en «best practices» nog eens worden gedeeld.

Bescherming privacy internetgebruiker

Een meldplicht voor datalekken is opgenomen in de wijziging van de Telecommunicatiewet (implementatiewet), die nu in de Eerste Kamer ligt. Tevens zullen, ter implementatie van de Bijzondere Privacyrichtlijn, de regels met betrekking tot het gebruik van zogenaamde cookies aangepast worden. Om te komen tot een geharmoniseerde toepassing van de nieuwe regels rond het gebruik van cookies in de diverse lidstaten van de Europese Unie, is Eurocommissaris Kroes in gesprek met het Europese bedrijfsleven over de praktische invulling van de regels.

Operationele doelstelling 3: Realiseren van de economische en maatschappelijke meerwaarde van ICT-toepassingen en diensten voor burgers, bedrijven en overheid

In het kader van operationele doelstelling 3 zijn in 2011 meer verplichtingen aangegaan dan oorspronkelijk was geraamd, omdat een deel van de opdracht aan Agentschap NL voor 2011 per abuis niet in 2010 was vastgelegd. Dat is alsnog (voor € 5,1 mln) in 2011 gebeurd.

Instrumenten en activiteiten

Op 17 mei 2011 is de Digitale Agenda.nl aan de Tweede Kamer gestuurd. Deze agenda zet de ambities neer wat betreft inzet van ICT voor groei en welvaart en de hiervoor benodigde randvoorwaarden. De Digitale Implementatie Agenda.nl die op 13 december aan de Tweede Kamer is gestuurd beschrijft hoe deze ambities te realiseren. Daarnaast wordt in deze agenda aangeven hoe over de voortgang van de acties zal worden gerapporteerd.

Digitale Economie & maatschappij

Programma Implementatie ICT-agenda (PRIMA)

EL&I is coördinerend ministerie en beheert de gelden die voor PRIMA (Programma Implementatie ICT-agenda) worden uitgegeven. PRIMA betreft een interdepartementaal programma, waaruit een project alleen kan worden gefinancierd, wanneer een departement ook eigen middelen inbrengt. Als penvoerend departement is EL&I voor de betalingen op PRIMA grotendeels afhankelijk van de betalingen en declaraties van de overige betrokken departementen. In 2011 is hiervoor minder opgevraagd dan geraamd.

COMMIT

Dit kabinet zet in op het omzetten van R&D – kennis dus – in kunde en in kassa. En het wil de totale R&D – privaat en publiek – laten stijgen tot 2,5 procent van het BBP in 2020. EL&I stimuleert alle ondernemers in Nederland om te investeren in vernieuwende producten, diensten en processen. Dat doet EL&I met risicokapitaal, met innovatiekrediet en met fiscale instrumenten. En dat is op 16 november 2011 gebeurd met de lancering van het ICT-onderzoeksprogramma COMMIT. COMMIT is een voorbeeld van het bedrijfslevenbeleid nieuwe stijl, waarin ondernemers, onderzoekers en overheden samen achter het stuur zitten. Een vierjarig onderzoeksprogramma van € 110 mln, waarvan 55 procent wordt betaald door het bedrijfsleven en 45 procent uit het budget komt vanuit de overheid.

COMMIT is gebouwd op drie pijlers, namelijk «informatie», «kleine computers» en «grootschalige rekendiensten» en valt uiteen in 16 projecten. Daarbinnen gaan kennisinstellingen, bedrijven en non-profit-organisaties samen aan de slag met ICT-producten en diensten. Zoals voor huisartsen, die medische gegevens snel en veilig willen laten onderzoeken. Zoals met technieken om digitale opnamen van opsporingscamera’s te scannen. En zoals met mogelijkheden om GPS en andere satellietgegevens te gebruiken in de precisielandbouw. Zo gaat COMMIT bijdragen aan innovatieve producten en diensten waarmee Nederland zijn economische groei kan aanjagen en waarmee we tegelijkertijd een antwoord kunnen geven op grote maatschappelijke vraagstukken.

Digitale dienstverlening voor bedrijven

Slim geregeld, goed verbonden (SGGV)

Voor het programma SGGV (Slim geregeld, goed verbonden) zijn in 2011 drie casussen afgerond en overgedragen aan de ketenpartijen. Ultimo 2011 heeft het programma acht casussen afgerond en vier casussen in uitvoering. In totaal zullen tot en met 2012 15 tot 20 ketenprojecten gerealiseerd worden.

Ondernemingsdossier

In 2011 is gestart met de invoering van het Ondernemingsdossier in drie branches: horeca, recreatie en rubber- en kunstofindustrie. Naast het bedrijfsleven zijn ook overheidsorganisaties op het Ondernemingsdossier aangesloten.

e-Factureren

Het project e-Factureren werd verlengd tot 2014. Het doel om in 2011 10% van het totaal aantal facturen aan de rijksoverheid elektronisch te ontvangen en te worden verwerkt is gehaald. Door de inzet van de overheid als «launching customer» is in de markt een onomkeerbaar proces in gang gezet: steeds meer bedrijven versturen hun facturen voortaan elektronisch. Het gebruik van Digipoort als centraal aanleverpunt voor elektronische facturen aan de overheid speelt een belangrijke rol in het bereiken van de doelstellingen. De oorzaak aan leverancierszijde is vooral de complexiteit van de koppeling met Digipoort waardoor de business case alleen aantrekkelijk is voor de heel grote leveranciers van het Rijk en aan overheidszijde kost het meer tijd om de back-office processen af te stemmen op ontvangst en automatische verwerking van e-facturen. EL&I droeg samen met BZK de aanloopverliezen van Digipoort om het gebruik te stimuleren en het «early adopter» probleem te vermijden. Voor bedrijven is het verzenden van e-facturen via de Digipoort gratis en overheden betalen een marktconforme prijs voor het gebruik. Het opdrachtgeverschap voor e-factureren via de Digipoort is door EL&I per 31 december 2011 overgedragen aan BZK. EL&I richt zich na 2011 vooral op het stimuleren van de markt.

SBR

De belastingdienst is in 2011 begonnen de verplichtstelling van SBR te starten in 2013 voor inkomensbelasting en vennootschapsbelasting van ondernemers.

Antwoord voor Bedrijven

De overheid werkt aan een moderne elektronische voordeur om gegevens met bedrijven digitaal te kunnen afwikkelen voor betere overheidsdienstverlening en reductie van administratieve lasten. Open standaarden zijn daarbij de norm. Daarvoor beheert het College Standaardisatie een lijst met open standaarden over techniek (systeemkoppelingen) en eenduidige begrippen in ketens (semantiek). In 2011 zijn vijf nieuwe standaarden toegevoegd aan die lijst, zoals een standaard voor elektronische betalingen. Eind 2011 is het mandaat van het College Standaardisatie met drie jaar verlengd. De scope is verbreed naar het maken van afspraken over eOverheidsvoorzieningen en standaarden in economische topsectoren, zoals Logistiek en AgroFood.

Prestatie-indicatoren

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

1) Het aantal bezoeken aan de website

www.antwoordvoorbedrijven.nl

1 744 036

1 817 686

2 202 017

1 700 000

Bron: Agentschap NL

       

2) Aantal betalende partners en netwerkpartners in het programma Digivaardig & Digibewust

47

72

73

50

Bron: ECP-EPN

       

3) Aantal bezoekers van de websites van het programma Digivaardig & Digibewust

187 047

432 886

91 392

400 000

Bron: ECP-EPN

       

Toelichting

  • 1) In 2011 heeft Antwoord voor bedrijven de portaalfunctie verder verstevigd zoals afgesproken. Dit vertaalt zich in een half miljoen meer bezoekers dan het streefcijfer. Dit mooie resultaat is terug te voeren op het toevoegen van features bij de vernieuwing van de site, waardoor de vindbaarheid van de site stevig gegroeid is. Dat betekent dat als een ondernemer via een zoekmachine (bijvoorbeeld Google) zoekt, hij eerder bij Antwoord voor bedrijven uitkomt. Een van de features die verbeterd is, is dat er veel meer trefwoorden aangebracht kunnen worden. Hoe meer trefwoorden, hoe beter vindbaar. Daarnaast was het streefcijfer voor 2011 niet heel hoog gekozen, omdat voorzien was dat met de vernieuwing van de site een tijdelijke dip in de bezoekcijfers zou komen. Een eerste versie van een platform, waar de ondernemer de informatie gepersonaliseerd aangeboden kan krijgen, is gelanceerd en wordt steeds verder ontwikkeld. Daarnaast participeert Antwoord voor bedrijven volop in de eerste stappen van de ontwikkeling van het digitale ondernemersplein waar de dienstverlening van Antwoord voor bedrijven een plaats krijgt.

  • 3) Een zo groot mogelijk aantal bezoekers op de website van Digivaardig & Digibewust is op zichzelf nooit een doelstelling geweest van het programma. Het zegt namelijk slechts voor een klein deel iets over het beoogde bereik onder de doelgroepen en het succes van het programma. Afgezien daarvan is het gezien de activiteiten in 2011 ook goed verklaarbaar. Dit jaar is het aantal bezoekers afgenomen ten opzichte van het jaar daarvoor, puur omdat er geen gerichte campagne is geweest die naar een website leidt. Dit had diverse redenen: er is in de voorlichtingsactiviteiten juist ook meer aandacht geweest voor offline media (brochures, tijdschriften, kranten) en televisie (bv Cluebie, TV-aandacht op Safer Internet Day). Daarnaast is er –mede door de focusverschuiving van EL&I zoals aangegeven in de Digitale Agenda– in plaats van publiekscampagnes die leiden tot websitebezoeken, veel meer gewerkt aan de afsprakenkaders aan de achterkant die moeten leiden tot meer veiligheid op internet en aan het borgen van initiatieven en projecten op het gebied van digivaardigheid. Zoals de voorbereidingen voor de Meldknop met alle relevante partijen in het speelveld op het gebied van veiligheid en het regelen van borging van de ontwikkelde materialen en projecten op het gebied van digibeten bij instanties als UVW, bibliotheken en Stichting Lezen en Schrijven.

Innovatieve mobiele- en omroeptoepassingen

Uitgifte GSM-vergunningen

Vanwege door de Tweede Kamer gewenste wijzigingen is meer tijd nodig in de voorbereiding van de uitgifte. De vergunningen voor de 800-, 900- en 1 800 MHz band, alsmede vergunningen voor enkele kavels in de 2,1 GHz band en de 2,6 GHz band zullen daardoor in 2012 worden uitgegeven. In de brief van 6 januari 2012 betreffende Regeling veiling mobiele communicatie is de Tweede Kamer hierover nader geïnformeerd en is aangegeven dat de start van de veiling is voorzien voor eind oktober 2012.

Algemeen: Beleidsvoorbereiding en evaluaties

Een bedrag van € 5,5 mln is in 2011 gecommitteerd en betaald aan Radiocorp ter compensatie van de te late afgifte van de FM-vergunning (schikkingsbedrag rechtszaak). Met dit bedrag was geen rekening gehouden in de begroting 2011.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

In 2011 bleek voor het Agentschap Telecom een lagere bijdrage vereist dan geraamd was in de oorspronkelijke begroting.

Toelichting op de ontvangsten

In het kader van operationele doelstelling 1 zijn er meer ontvangsten binnengekomen dan begroot. Deze ontvangsten betroffen de eerste termijnbetaling voor 2011 van € 21,2 mln van de commerciële radio-omroepen voor het verlengen van hun FM-vergunningen voor de periode 2011–2017 en € 2,6 mln van de vergunninghouders van frequenties in de 2,6 GHz band (opbrengst van de in 2010 gehouden veiling). Met deze opbrengsten was in de begroting 2011 geen rekening gehouden.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderzoek onderwerp

OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Een veilig en betrouwbaar elektronisch- en postnetwerk

10.2

2010

2011

TK, 32 837 nr. 1

 

Realiseren van de economische en maatschappelijke meerwaarde van ICT-toepassingen en diensten voor burgers, bedrijven en overheid

10.3

2010

2011

TK, 32 837 nr. 1

Overig evaluatieonderzoek

Universele Dienst Post

10.1

2011

december 2011

TK, 29 502 nr. 7

 

Midterm Review Digivaardig & Digibewust

10.3

2010

2011

http://www.rijksoverheid.nl

Bureau Lysias Advies en Alares (4 april 2011)

Toelichting

Een veilig en betrouwbaar elektronisch- en postnetwerk

Het algemene beeld dat in de doorlichting van operationele doelstelling 10.2 «Een veilig en betrouwbaar elektronisch- en postnetwerk» (OD2) en operationele doelstelling 10.3 «Realiseren van de economische en maatschappelijke meerwaarde van ICT-toepassingen en diensten voor burgers, bedrijven en overheid» (OD3) wordt geschetst, is dat de overheid vanwege opgetreden markt- en systeemfalen een legitieme rol heeft om te interveniëren op het terrein van elektronische communicatie. De gekozen operationele doelstellingen OD2 en OD3 sluiten hierop aan. Het gevoerde beleid en de ingezette beleidsinstrumenten hebben de realisatie van deze doelen dichterbij gebracht. Er worden geen instrumenten gemist en er is sprake geweest van een voldoende gebalanceerde en overwegend doeltreffend ingezette instrumentenmix, variërend van faciliteren en aanjagen tot het opleggen van wettelijke verplichtingen en het toezicht daarop. Waar mogelijk is de primaire verantwoordelijkheid bij bedrijven en eindgebruikers belegd waardoor zelfregulering ook de ruimte heeft gekregen. In de beleidsdoorlichting van OD2 en OD3 is vastgesteld dat wat betreft de doelmatigheid van de instrumenten deze in ieder geval kostenbewust zijn ingezet. Tot slot is een belangrijke les dat het beleidsterrein waar OD2 en OD3 op ziet, dusdanig complex en dynamisch is dat een klassieke beleidsbenadering niet volstaat. De ontwikkelingen laten zich moeilijk sturen en worden door tal van factoren en actoren beïnvloed.

Universele Dienst Post

De evaluaties zijn uitgevoerd door Intomart gfk (gebruikers) en Ecorys (kosten). Onderzocht zijn de behoeften en het gedrag van gebruikers en de kosten van de UPD-verplichtingen. Dan gaat het om: het aantal verplichte bezorgdagen (6), het aantal postvestigingen, het aantal brievenbussen en de overkomstduur van brieven (95% van de poststukken moet binnen 24 uur zijn bezorgd). Een meerderheid van gebruikers zou met minder UPD-verplichtingen genoegen nemen, m.n. het aantal bezorgdagen. Uit de evaluatie bleek voorts dat het schrappen van één verplichte bezorgdag de meeste besparingen oplevert. Besloten is om het aantal verplichte bezorgdagen terug te brengen van zes naar vijf en de rest voorlopig in tact te houden. Hiervoor wordt een wetsvoorstel voorbereid.

31. Duurzaam Ondernemen

Algemene beleidsdoelstelling

EL&I streeft naar een duurzaam agrocomplex. Deze beleidsdoelstelling richt zich op de verduurzaming van het agrocomplex in Nederland, waarbij zoveel mogelijk de Europese kaders worden gevolgd. De verduurzaming geldt niet alleen voor de milieuaspecten, maar ook voor de sociale en economische aspecten (bedrijfsontwikkeling en ondernemerschap). Hierbij staan de volgende doelen centraal:

Stimuleren van een breed aanbod van voedsel

EL&I heeft in 2011 in samenwerking met de agrofoodsector gewerkt aan de verduurzaming van voedsel. Samen met convenantpartijen is ingezet op een stijging van de aankoop van duurzame dierlijke producten in supermarkt en bedrijfsrestaurants van jaarlijks 15%. In 2009 en 2010 heeft dit geresulteerd in een stijging van ongeveer 90% per jaar. Voor 2011 komen de halfjaarcijfers nog steeds boven de 50% uit.

De consumentbestedingen voor biologische producten hebben tot 2010 jaarlijks meer dan 10% stijging laten zien. Vanaf 2010 is sprake van een stijging onder de 10% per jaar. Het areaal voor biologische landbouw groeit nog steeds. Vanaf 2010 is de groei afgenomen tot onder de 5% per jaar.

Verduurzaming productie en handel in agrarische producten

Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven nemen sinds vele jaren een blijvend toonaangevende internationale positie in de internationale handel in duurzame agroproducten in. Vanaf 2002 bezet Nederland de tweede plaats op de ranglijst van landen met een netto handelsoverschot voor agrarische producten zoals groenten, vlees en zuivel.

Productie en verwerking van voedsel in balans met wensen van de samenleving

Doel van het beleid is om een balans te vinden waarbij zo goed mogelijk wordt voldaan aan de wensen van de samenleving enerzijds en waarbij anderzijds de concurrentiekracht van bedrijven zo sterk mogelijk is.

Uit de maatschappelijke appreciatiescore blijkt dat de gemiddelde waardering voor de agrarische sector van de Nederlanders in 2011 wederom ruim voldoende scoort, namelijk 7,5. De helft van de Nederlanders geeft zelfs een 8 of hoger. Kritiekpunten op de agrarische sector hebben vooral betrekking op megastallen en massaproductie, weinig aandacht voor dierenwelzijn en een te laag inkomen voor boeren.

Ecologische verantwoord beheer van visbestanden

EL&I werkt mee aan het Europese visserijbeleid, dat is gericht op een duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen. Maatregelen en acties in de lange termijnstrategie van het operationele programma 2007–2013 bij het Europese Visserij Fonds (EVF) voor de visserijsector zijn gericht op de transitie van de visserijsector naar een duurzame sector. In 2011 is er een midterm evaluatie uitgevoerd en is geconcludeerd dat het bereiken van de formele doelstellingen op schema ligt. Tot en met 2011 is het volgende gerealiseerd:

  • Er zijn meerdere innovatieprojecten afgerond gericht op de ontwikkeling van meer duurzame vistechnieken (zoals de puls- en sumwing-methode), wat vervolgens ondernemers aanzette om op eigen kosten te investeren in deze technieken. Op dit moment is de inschatting dat sinds 2009 circa 40% van de boomkorvloot is omgeschakeld naar meer duurzame technieken.

  • Zeker 115 meerjarige projecten zijn goedgekeurd om te experimenteren met nieuwe technieken, samenwerking in de keten en samenwerking tussen vissers. Hiervan zijn tot nu toe 22% van de projecten gerealiseerd. Door het organiseren van de kenniskringen is het ook gemakkelijk toegankelijk voor allen werkzaam in de sector.

  • Binnen de aquacultuur zijn twintig uitbreidingsprojecten en twintig moderniseringsprojecten gericht op mosselzaadinvanginstallaties gerealiseerd.

  • Meer dan 22 projecten zijn goedgekeurd en deze dragen bij aan het verminderen van de economische afhankelijkheid van visserijgemeenschappen van de visser. Hier leveren de provincies een belangrijke bijdrage in.

Ontwikkelen van biobased economy

In 2011 is in de transitie naar een biobased economy een aantal belangrijke resultaten behaald. Door veel topteams binnen het topsectorenbeleid is biobased economy als kansrijk thema genoemd. In het kader van de Green Deals zijn 10 biobased gerelateerde deals ingediend. Daarnaast is de samenwerking met preferred «BBE-landen» verder vormgegeven en is bijgedragen aan de totstandkoming van de EU-visie op de biobased economy. Via het Biorenewables Business Platforms is een viertal grotere businesscases ontwikkeld. Als belangrijk communicatieinstrument in het netwerk van bedrijfsleven, wetenschap, maatschappelijke organisaties en overheden is de interactieve website www.biobasedeconomy.nl gelanceerd. Verder is een inventarisatie uitgevoerd van problemen ten aanzien van belemmerende en/of botsende wet- en regelgeving. In dit kader zijn oplossingen geformuleerd.

Stimuleren van innovatiekracht van de agrosector

EL&I stimuleert de innovatiekracht van de agrosector. Doelstelling in 2011 was om bij minimaal 14% van de bedrijven in de agrosector innovaties te doen plaatsvinden. Het realisatiecijfer 2010 bedraagt 14,1%, dit komt dus boven de raming voor 2011 uit. Het realisatiecijfer voor 2011 is pas najaar 2012 beschikbaar.

Vermindering van regeldruk

Voor het agrodomein zijn generieke maatregelen genomen, zoals de uniformering van het loonbegrip en maatregelen die door andere departementen worden genomen, zoals het terugbrengen van het aantal omgevings- en watervergunningen als gevolg van het invoegen van agrarische activiteiten in het Activiteitenbesluit. Daarnaast wordt regeldrukvermindering voor de agrarische sector ook gerealiseerd door stroomlijning van de export van mest, vereenvoudiging in de toepassingsvereisten van het vervoersbewijs dierlijke mest, aanpassing van het handelsdocument voor vervoerders van dierlijke bijproducten, en het vervallen van de meldplicht in het Traces systeem van de Europese Unie voor de import van verwerkte mest en verwerkte eiwitten van categorie 3-materiaal.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Indicator

Referentie

waarde

Peil-

datum

Realisatie 2009

Realisatie

2010

Realisatie 2011

Raming

2011

Bron

Verhouding duurzame investeringen ten opzichte van totale investeringen1

           

LEI

1. Totaal investeringen

€ 4 mld

2007

€ 3,1 mld

€ 3,4 mld

n.n.b.

€ 4 mld

 

2. Totaal duurzame investeringen

€ 2 mld

2007

€ 0,9 mld

€ 1,2 mld

n.n.b

€ 2 mld

 

3. Verhouding

0,50

2007

0,29

0,36

n.n.b.

0,50

 

Maatschappelijke appreciatiescore

7,7

2009

7,7

7,7

7,5

7,9

TNS-Nipo

X Noot
1

Voorlopige gegevens

Toelichting

Verhouding duurzame investeringen totale investeringen

In 2010 zijn de totale investeringen in productiemiddelen 13% gestegen ten opzichte van 2009, vooral door hogere investeringen in gebouwen, glasopstanden en installaties.  De stijging van de duurzame investeringen was veel sterker (+39%) en kwam uit op ruim € 1,2 mld in 2010. Die toename kwam geheel voor rekening van de landbouwsector, die ruim € 400 mln meer investeerde in duurzame productiemiddelen, voor een groot deel in duurzame stallen. Hierbij gaat het om meerkosten boven de norminvesteringen van de stallen. De investeringen in duurzame stallen waren het hoogst op varkens- en pluimveebedrijven. Die sectoren moeten in 2013 voldoen aan strengere milieu- en welzijnseisen. De duurzame investeringen in de tuinbouw daalden opnieuw, nu met 20% tot circa € 270 mln in 2010.

Maatschappelijke appreciatiescore

De gemiddelde waardering voor de agrarische sector van de Nederlander is in 2011 wederom ruim voldoende, een 7,5. Dit is een iets lagere waardering dan de vorige jaren. Kritiekpunten op de agrarische sector hebben betrekking op megastallen en massaproductie, weinig aandacht voor dierenwelzijn en een te laag inkomen voor boeren.

Budgettaire gevolgen van beleid

31 Duurzaam ondernemen (bedragen x € 1 000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting 2011

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

   

Verplichtingen

455 256

395 417

453 518

414 643

301 001

113 642

– waarvan garanties

 

14 704

52 014

58 738

0

58 738

Uitgaven

404 192

286 924

289 898

322 486

277 871

44 615

Programma-uitgaven

197 897

92 375

98 846

142 175

130 688

11 487

31.11 Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat

51 967

26 981

32 251

28 464

13 129

15 335

– Jonge agrariërs

2 666

4 294

4 002

4 778

2 919

1 859

– Ondernemerschap

1 439

17 084

24 688

20 016

5 388

14 628

– Bilaterale Economische Samenwerking

 

5 603

3 561

3 670

4 822

– 1 152

– Interne begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

47 862

         

31.12 Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelz