Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131985 nr. 5

31 985 Buitenlands beleid en handelspolitiek

Nr. 5 BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 juni 2011

Hierbij wordt u de brief «Buitenlandse markten, Nederlandse kansen» aangeboden.

Buitenlandse markten, Nederlandse kansen

Samenvatting

De Nederlandse economie is nauw verweven met de internationale economie. Verdere internationalisering van onze economie is noodzakelijk voor een welvarend, duurzaam en ondernemend Nederland. Het kabinet heeft de ambitie om het Nederlandse bedrijfsleven onderscheidend te laten zijn op de wereldmarkt. Nieuwe mogelijkheden doen zich in toenemende mate voor op de opkomende markten, zoals China, Brazilië, India en Vietnam. Van de wereldwijde economische groei wordt de komende jaren 70% in deze markten gerealiseerd. We willen meer van deze snel groeiende afzetmarkten profiteren. Tevens is het maken van scherpe keuzes noodzakelijk door bezuinigingen. Dit maakt een koerswijziging noodzakelijk.

De inzet van het nieuwe internationale economische beleid ten behoeve van het bedrijfsleven is:

  • 1. Internationaal Excelleren: De overheid creëert de ruimte voor internationale ondernemers.

  • 2. Vrijmaken van het handels- en investeringsverkeer en versterken van de Europese interne markt.

  • 3. Toename aantal internationale (mkb-)starters.

  • 4. Toename en verankering van investeringen van buitenlandse topbedrijven.

Het nieuwe beleid kent minder subsidies, meer economische diplomatie en heldere afspraken met de brancheorganisaties over de rolverdeling tussen de overheid en marktpartijen. Daar waar marktpartijen diensten van goede kwaliteit en voor een redelijke prijs kunnen aanbieden, treedt de overheid terug. De inzet is gericht op het oplossen van complexe marktverstoringen die Nederlandse ondernemers ervaren op kansrijke markten en/of sectoren. De overheid creëert, mede met het oog op het topsectorenbeleid, de ruimte om bedrijven te laten profiteren van potentiële Nederlandse afzetmarkten. Topsectoren zullen daarom met gefocuste missies ondersteund worden. Daarnaast stimuleert dit kabinet kansrijke internationale starters uit het mkb door ze in de eerste fase een steuntje in de rug te geven. Omdat starters hun eerste stappen veelal op de nabije, ontwikkelde markten zetten, blijft een deel van het instrumentarium op deze markten overeind. Tot slot zet de overheid in op gerichte acquisitie van buitenlandse topbedrijven die de economie versterken.

Initiatief en commitment van bedrijven worden belangrijker. Vraagsturing heeft een centrale rol in de nieuwe dienstverlening. Meer flexibiliteit om ondernemers te bedienen wordt geboden door de introductie van modules die een sterke samenhang hebben met instrumenten van andere departementen. Er wordt een raamwerk neergezet waarmee internationale kansen kunnen worden verzilverd. De overheid trekt hierbij vanuit haar publieke rol op met het bedrijfsleven/topteams. Ook de middelen van Ontwikkelingssamenwerking (OS) worden daarbij ingezet. Het gaat erom een bijdrage te leveren aan ontwikkelingsdoelstellingen en het verbeteren van economische mogelijkheden. Het instrumentarium voor internationaal ondernemen versterkt daarbij de OS-instrumenten en vice versa.

Voor een aantal producten zal een eigen bijdrage gevraagd worden teneinde beter tegemoet te komen aan de vraag vanuit het bedrijfsleven, kostenbewustzijn te stimuleren, de kwaliteitsstandaarden van de dienstverlening te verbeteren en middelen efficiënter en effectiever in te zetten. Voor welke producten deze eigen bijdrage zal worden gevraagd, zal nader worden onderzocht.

Leeswijzer

Deze brief geeft de hoofdlijnen van het nieuwe internationale economische beleid ten behoeve van het bedrijfsleven weer. Verdere uitwerking vindt plaats in overleg met de partners binnen en buiten het Rijk. Hierbij kan op flexibele wijze op de voorstellen vanuit de topteams worden ingespeeld. Bij de uitwerking van het instrumentarium en de allocatie van middelen wordt hiermee rekening gehouden. De concrete uitwerking van de internationale aanbevelingen uit de topsectoren wordt in de kabinetsreactie op de plannen van de topsectoren na de zomer meegenomen. Het financiële kader wordt in de begroting 2012 gepresenteerd. Hoofdstuk 1 van de brief presenteert de visie en ambitie van dit kabinet ten aanzien van het internationale economische beleid. Tevens wordt geschetst hoe we onze beleidsdoelstellingen willen realiseren. In hoofdstuk 2 wordt het internationale economische beleid nader uitgewerkt:2.1. geeft aan welke basiscondities op orde moeten zijn. 2.2. gaat in op de nieuwe modulaire aanpak en 2.3. geeft een overzicht van voorgenomen wijzigingen in het instrumentarium, inclusief tijdspad.

Hoofdstuk 1. Internationaal Ondernemen en de Nederlandse Economie: visie en ambitie

De Nederlandse economie is nauw verweven met de internationale economie. De handel met het buitenland bepaalt voor een groot deel onze economische groei en de Nederlandse export was de grootste aanjager van het economische herstel in 20101.

Het kabinet heeft de ambitie om, in nauwe samenwerking met de Dutch Trade Board (DTB), het publiek-private samenwerkingsverband op het gebied van internationaal ondernemen, en belangrijke brancheorganisaties als VNO, MKB-Nederland en FME, de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse economie te vergroten. Internationale ondernemers en buitenlandse investeerders in Nederland zijn een belangrijke factor in onze economie en een essentiële doelgroep voor het beleid van de overheid.

De internationale ondernemers binnen het Nederlandse bedrijfsleven zijn de uitblinkers van de Nederlandse economie. Exporteurs zijn verantwoordelijk voor 44% van de werkgelegenheid en 87% van de R&D uitgaven. Dit terwijl ze slechts 7% van bedrijven in Nederland uitmaken2. Onze importeurs, bijvoorbeeld in de Rotterdamse haven, blinken eveneens uit in productiviteit en winstgevendheid. De buitenlandse investeerders in Nederland zijn een grote bron van Nederlandse banen, in 2009 780 0003, en een aanjager van innovatie.

Dit kabinet kijkt daarom met deze internationale ondernemers over de landsgrenzen heen en met buitenlandse investeerders naar ons eigen vestigingsklimaat. Economisch en geografisch gezien blijft de Europese Unie, met Duitsland als belangrijkste handelspartner, voor Nederland het belangrijkste speelveld. Het belang van de Europese interne markt blijft, als locatie voor ongeveer 75% van onze export, ongekend groot. De meeste bedrijven doen hier zelfstandig zaken en hebben geen overheidshulp nodig. Om meer ruimte voor onze bedrijven binnen de EU te creëren richten wij ons daarom op Brussel met als doel de interne markt verder vrij te maken. Daarnaast blijft het onderhouden van bilaterale relaties met andere Westerse, ontwikkelde landen zoals de Verenigde Staten van belang. In die landen ligt voor de kenniseconomie de meeste toegevoegde waarde en is inzet soms nodig om bedrijven kansen op publieke markten te helpen verzilveren.

Nieuwe mogelijkheden doen zich in toenemende mate voor op de opkomende markten, zoals China, Brazilië, India en Vietnam. Van de wereldwijde economische groei wordt de komende jaren 70% in deze markten gerealiseerd4. Het marktaandeel van de niet-Westerse landen zal aanzienlijk toenemen. In 2010 was het aandeel van Westerse, ontwikkelde landen (EU, VS en Japan) 60% van de wereldeconomie versus 40% marktaandeel van de opkomende markten, over 10 jaar is dat precies andersom5.

Tegelijkertijd is de directe aansluiting van het Nederlandse bedrijfsleven op deze groeimarkten nog beperkt (zie onderstaande figuur). Nederland exporteert en investeert in vergelijking met andere Europese landen weinig naar bijvoorbeeld de BRIC landen (Brazilië, Rusland, India, China) of de groep sterke groeiers uit de CIVETS (Colombia, Indonesië, Vietnam, Egypte, Turkije, Zuid-Afrika).

Nederland moet ook voor buitenlandse bedrijven de plek zijn om te ondernemen. De komende jaren stijgen de buitenlandse investeringen van Aziatische bedrijven explosief6. Dit biedt goede kansen voor Nederland. Ons vestigingsklimaat is goed en moet dit blijven om aantrekkelijk te zijn voor investeerders uit het buitenland en om bestaande investeerders hier te houden. We blijven tegelijkertijd alert op de borging van publieke belangen die bij fusies en overnames in het geding kunnen komen.

Het positioneren van Nederlandse bedrijven in snelgroeiende opkomende markten is voor lange termijn cruciaal. Nu is het de tijd om de prestaties van het Nederlands bedrijfsleven in Europees perspectief te verbeteren. Voor onze toekomstige welvaart is het van belang dat wij een voldoende marktaandeel op de opkomende markten halen en onze internationale sterktes ook op de groeiende afzetmarkten van de toekomst weten te verkopen.

De opkomende landen kennen veelal andere spelregels. Daarom is het van groot belang om opkomende markten, naast de inzet van bilaterale economische diplomatie, via multilaterale economische diplomatie te binden aan het multilaterale stelsel. Het blijft een prioriteit voor het kabinet om te zorgen voor een verdere wereldwijde handelsvrijmaking en versterking van disciplines voor duurzame globalisering in een multilateraal raamwerk. Tegelijk zal via de Europese weg ook worden ingezet op het afsluiten van vrijhandelsakkoorden om ons bedrijfsleven verdere markttoegang te verschaffen.

Het kabinet wil de ambities waarmaken met een beleidskader dat internationaal concurrerend is. Hierbij is het maken van scherpe keuzes noodzakelijk door bezuinigingen.7 De legitimiteit8 en meerwaarde van de overheidsrol zijn leidende uitgangspunten. We kunnen simpelweg niet meer alles («gratis») doen. We willen toch meer van de snel groeiende afzetmarkten profiteren. Dit maakt een herijking van het internationale economische beleid noodzakelijk.

Inzet van het nieuwe internationaal economisch beleid ten behoeve van het bedrijfsleven is:

  • 1 Internationaal Excelleren: Positionering van Nederlandse (top) bedrijven op landen met het grootste handels-, investerings- en innovatiepotentieel. De overheid pakt sterke bemoeienis van de buitenlandse overheid aan. De overheid creëert zo de ruimte voor internationale ondernemers om te ondernemen.

  • 2 Vrijmaken van het handels- en investeringsverkeer en versterken van de Europese interne markt die een belangrijk afzetgebied is en blijft voor Nederlandse producten.

  • 3 Toename aantal internationale (mkb-)starters door het stimuleren van kansrijke mkb-bedrijven om internationaal te ondernemen.

  • 4 Toename en verankering aantal investeringen buitenlandse topbedrijven in Nederland. Enerzijds door een zo aantrekkelijk mogelijk vestigingsklimaat te scheppen en anderzijds door proactief buitenlandse bedrijven aan te trekken.

Hoe gaan we onze ambities realiseren?

Het kabinet voert een fundamentele koerswijziging door:

Economische diplomatie wordt leidend in het internationale economische beleid. De overheid zal haar nationale en internationale netwerken assertief inzetten bij het verzilveren van marktkansen door het oplossen van belemmeringen voor Nederlandse ondernemers op buitenlandse markten en bij het aantrekken van buitenlandse topinvesteringen.

De focus van het bilaterale economisch beleid komt te liggen op landen met het grootste economische potentieel waar de buitenlandse overheid een belangrijke rol speelt in economische transacties. In die landen is het legitiem dat de Nederlandse overheid internationale ondernemers een steun in de rug geeft. Het gaat dan om opkomende markten of kansrijke sectoren in ontwikkelde markten waar het Nederlandse bedrijfsleven tot de top behoort. Overheid en bedrijfsleven trekken hierbij gezamenlijk op. De overheid doet mee als ze handelsbarrières voor bedrijven kan verminderen en zet in op economische diplomatie. Daarnaast stimuleert dit kabinet kansrijke mkb-bedrijven om internationaal te ondernemen door starters een steuntje in de rug te geven. Omdat nabije markten vooral voor starters belangrijk zijn zal het startersinstrumentarium op deze markten beschikbaar blijven.

Een effectief overheidsoptreden in het buitenland vraagt om een goede samenwerking tussen de verschillende partijen binnen de overheid (met name de ministeries van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I), Buitenlandse Zaken (BZ), Infrastructuur en Milieu (I&M) en Financiën, het postennetwerk en het Agentschap NL/NL EVD) en om een goede organisatie van de contacten tussen het kabinet en het bedrijfsleven in Nederland. Tevens groeit het belang van economische diplomatie als onderdeel van de taken van het postennetwerk.9

De beperkte overheidsmiddelen worden ingezet op topsectoren of sectoren waarin wij de potentie hebben de top te bereiken. Ontwikkelingssamenwerking en (voormalige) ontwikkelingslanden worden belangrijkere thema’s in het internationaal economische beleid. De bedrijven uit de topsectoren kunnen bijdragen aan ontwikkelingsvraagstukken op voedselvoorzieningszekerheid en water. Voor het bedrijfsleven wordt vanuit de EL&I-begroting een transitiefaciliteit, oplopend tot € 15 miljoen op jaarbasis vanaf 2014 structureel beschikbaar gesteld.

De aanpak zal flexibeler zijn en meer vraaggestuurd. Ook instrumenten van andere departementen kunnen worden ingezet om, waar passend, de vraag van het bedrijfsleven te faciliteren. De overheid zal voor sommige producten een eigen bijdrage gaan vragen. Hiermee wordt de vraag vanuit het bedrijfsleven leidend en wordt een prikkel afgegeven die de kwaliteitsstandaarden van de dienstverlening ten goede komt.

Programma's als 2g@there en Prepare2Start worden omgebouwd naar respectievelijk een nieuwe Publiek-Private Programmatische aanpak en een nieuwe aanpak voor starters. De effectieve elementen uit de huidige programma’s blijven zoveel mogelijk behouden. De huidige CPA (Collectieve Promotionele Activiteiten)-tendersystematiek wordt beëindigd. Succesvolle garantieregelingen en verzekeringsvormen, zoals Borgstelling MKB Kredieten (BMKB) en Exportkredietverzekering (EKV), blijven van kracht. Het programma Package4Growth (P4G) wordt omgevormd tot een investeringsfaciliteit waarmee bedrijven doelmatiger en efficiënter kunnen worden ondersteund bij de financiering van hun activiteiten in China en India.

Hoofdstuk 2: Toekomstbestendig beleidskader voor internationaal economisch beleid

2.1. Van inzet naar uitvoering: Basiscondities vernieuwd beleid

De Dutch Trade Board en de netwerkpartners op het gebied van internationaal ondernemen onderschrijven de gemaakte keuzes op hoofdlijnen. Daarbij achten ze het van belang dat tegenover een vermindering van subsidies een scherpere ambitie op het gebied van economische dienstverlening en economische diplomatie staat en dat duidelijke afspraken worden gemaakt over de taakverdeling tussen de overheid en private partijen.

Om een internationaal economisch beleid neer te zetten dat inspeelt op de uitdagingen van verschuivende machtsverhoudingen en een krimpend budget moet een aantal zaken op orde zijn:

– Heldere verdeling publieke en private verantwoordelijkheden

Internationale ondernemers ondernemen niet vanwege subsidies maar omdat ze kansen zien op buitenlandse afzetmarkten. De overheid kijkt waar ze een legitieme rol heeft en waar maximaal rendement kan worden behaald. Uitgangspunt is dat daar waar de markt zelf diensten op het gebied van internationaal ondernemen van goede kwaliteit en voor een redelijke prijs aanbiedt de overheid zich terugtrekt. Dit zal per land en in overleg met de netwerkpartners worden bezien.

– Goed georganiseerde keten van economische dienstverlening

De dienstverlening aan internationaal ondernemende bedrijven gaat er anders uitzien door een andere rolverdeling tussen overheid en marktpartijen.

• Co-productie Agentschap NL, KvK/Syntens, postennetwerk, ministeries, netwerkpartners

In het Regeerakkoord is opgenomen dat ondernemers voor al hun overheidszaken terecht moeten kunnen bij één loket, een «Ondernemersplein». De basis voor dit dienstverleningsconcept wordt gevormd door een onderling afgestemd productaanbod van Kamers van Koophandel (KvK), Syntens en Agentschap NL.

Wat betreft internationaal ondernemen gaat het vooral om bedrijven die zich oriënteren of de eerste stappen zetten op buitenlandse markten. De nieuwe dienstverlening wordt aangeboden via de ondernemerspleinen en is een co-productie van Agentschap NL, het postennetwerk, ministeries, KvK, Syntens en netwerkpartners.

Internet krijgt een prominente rol in de dienstverlening. Ondernemers gebruiken het internet als belangrijke informatie- en communicatiebron. De ondernemerspleinen zullen hierbij aansluiten door ervoor te zorgen dat ondernemers voor hun overheidszaken terecht kunnen bij één digitaal loket. Dit loket zal worden ondersteund door fysieke regionale ondernemerspleinen.

De informatievoorziening vanuit de overheid verandert. Basisinformatie over buitenlandse markten is wereldwijd gratis (digitaal) beschikbaar. Voor uitgebreide, individuele informatievoorziening over ontwikkelde, transparante markten doet de overheid waar mogelijk een stap terug en wordt de ondernemer doorverwezen naar marktpartijen. Met betrekking tot complexe, opkomende markten blijft EL&I via Agentschap NL en de posten haar diensten aanbieden. Dit om in te spelen op de behoefte van de mkb-er en het belang dat wij aan internationalisering van het mkb hechten.

• Versterkte inzet van economische diplomatie door het postennetwerk

Het postennetwerk is essentieel bij succesvolle ondersteuning van het bedrijfsleven. De bevordering van de Nederlandse economische belangen is een belangrijke prioriteit van dit kabinet in het buitenlandbeleid. De organisatie en aansturing van het postennetwerk wordt daarop ingericht.10

Thema´s als internationaal ondernemen, wetenschappelijk-technologische samenwerking/ innovatie, energie, milieu/duurzaamheid, landbouw, sociaal beleid, transport en logistiek vergen inhoudelijk verschillende specialisaties maar zijn in het buitenland niet als losstaande domeinen te zien. Met het oog op een geïntegreerde aanpak van de economische belangenbehartiging en een effectieve positionering van Nederland in het buitenland worden ze daarom in samenhang ingezet. Hiertoe vindt in Den Haag vergaande interdepartementele samenwerking plaats en wordt nauw samengewerkt tussen de departementen, het postennetwerk en private partijen. Tevens zijn met ingang van dit jaar alle EL&I attaché’s onder één dak gebracht.11 Hiermee wordt een volgende stap gezet naar een meer samenhangende en resultaatgerichte aansturing van het postennetwerk vanuit Den Haag en een integrale organisatie van het economische domein op de post.

De posten worden nog meer dan voorheen ingezet op handelsbevordering en economische diplomatie. De focus ligt daarbij vooral op de economisch belangrijkste posten, te weten Duitsland, Verenigde Staten, Frankrijk, Rusland, Turkije, Verenigd Koninkrijk, Polen, Brazilië, China, India, Japan, Indonesië, Zuid-Korea, Singapore, Vietnam, de Golfstaten, Zuid-Afrika, Oekraïne, Roemenië, Canada en Egypte.12 Ook onze OS-relaties, publieksdiplomatie en grote sport- en cultuurevenementen zullen meer worden ingezet voor economische doelen. Economische expertise en een goed onderhouden netwerk met publieke en private sleutelspelers op de post is hierbij onontbeerlijk.

Bij de modernisering van de Nederlandse diplomatie hoort het signaleren van kansen voor ondernemend Nederland als belangrijke taak van het postennet. De marktkansen worden onder de aandacht gebracht van bedrijven die (voor het eerst) over de grens ondernemen en zullen centraal staan in publiek-private programmering en samenwerking. Het gaat daarbij om het bereiken van een optimale mix tussen specialistische kennis op de post, kansen op de betreffende markt en de strategieën van het bedrijfsleven.

– Verscherpte selectie aan de poort

Het kabinet wil eigen bijdragen voor een aantal producten verder doorvoeren ten einde beter tegemoet te komen aan de vraag vanuit het bedrijfsleven, kostenbewustzijn te stimuleren, de kwaliteitsstandaarden van de dienstverlening te verbeteren, middelen efficiënter en effectiever in te zetten.

– Effectiviteit vernieuwd internationaal ondernemenbeleid (benchmark)

Resultaten beleid 201013

Buitenlandse investeringen

In 2010 ondersteunde de NFIA 155 buitenlandse investeringsprojecten met een totale investeringswaarde van € 956 miljoen. Deze projecten zullen op termijn 3021 nieuwe directe arbeidsplaatsen opleveren. Bij tien projecten was er sprake van behoud van arbeidsplaatsen, in totaal 772. Hiermee komt het totaal aantal arbeidsplaatsen voor 2010 uit op 3793.

Ondersteuning internationale ondernemers op buitenlandse markten

Aantal begeleide organisaties per markt: 11 105

Aantal geïnternationaliseerde organisaties per markt: 3408

Bij het ontwerp van het nieuwe beleid hebben wij gekeken naar het verleden. Uit de doorlichting van het instrumentarium in 2009 blijkt dat de huidige instrumenten effectief zijn. De resultaten voor 2010 bevestigen dat beeld (zie box). De beste zaken uit het oude beleid nemen we mee. Ook de concurrentie hebben we niet uit het oog verloren. We hebben goed gekeken naar wat de ons omringende landen op het gebied van internationaal ondernemen doen.14 We zorgen dat we in de pas lopen.

* Meer samenhang in het beleid

Internationaal economisch beleid raakt aan veel beleidsterreinen15. Zo is een succesvol internationaal bedrijfsleven een van de kernuitdagingen in de aanpak van de topsectoren.16 Tevens vormt internationaal ondernemen een belangrijke component van bijvoorbeeld het actieplan van EL&I voor jonge, innovatieve ondernemers en snelle groeiers, aangezien deze vaak op internationale markten opereren.

EL&I zorgt, in goede samenwerking, voor de noodzakelijke samenhang tussen beleidsterreinen met als punt aan de horizon goede economische belangenbehartiging. Hierbij is een succesvolle herinrichting van het postennet van belang, zoals aangegeven in de brief aan uw Kamer inzake de modernisering van de Nederlandse diplomatie. Daarnaast is EL&I mede speler bij de herziening van het bedrijfsleven deel van het OS-beleid.17

• Goed aangesloten op de topsectoren aanpak.

Met de vernieuwde dienstverlening wordt een raamwerk neergezet waarbij de overheid vanuit haar publieke rol de vraag van het bedrijfsleven in het kader van de topsectoren aanpak kan faciliteren. Dit geldt voor de positionering van Nederlandse ondernemers uit de topsectoren op buitenlandse markten/kansrijke sectoren waarbij de overheid een duidelijke publieke rol heeft (zie 2.2.1) maar ook voor het aantrekken en verankeren van buitenlandse bedrijven (zie 2.2.4) en toptalent in Nederland. Uit de groep hoogopgeleide kennismigranten komen vaak goede ondernemers voort die van meet af aan op de internationale markten opereren en die de kennisinfrastructuur van de topsectoren versterken. Het vernieuwde instrumentarium is tevens inzetbaar voor potentiële «toekomstige toppers» die nu nog niet tot een topsector behoren.

• .. en op het OS-beleid

Het kabinet wil een bijdrage leveren aan zelfredzaamheid in ontwikkelingslanden. Economische ontwikkeling wordt daarom belangrijker in het OS-beleid. De behoefte vanuit ontwikkelingslanden staat daarbij voorop. De inzet van lokaal en Nederlands (top) bedrijfsleven kan de weg naar economische ontwikkeling en zelfredzaamheid in ontwikkelingslanden bevorderen. Samenwerking tussen EL&I en BZ/OS leidt tot grotere betrokkenheid van bedrijven bij OS en een betere aansluiting op elkaars instrumentarium. Het instrumentarium voor Internationaal Ondernemen moet de OS-instrumenten versterken en vice versa.

Initiatieven vanuit de topsectoren die de economie en maatschappij in ontwikkelingslanden versterken zullen, onder meer via Publiek-Private samenwerkingsverbanden, ook steun krijgen vanuit het OS beleid. Nederlandse kennis en kunde draagt zo bij aan de zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden, met name op de OS speerpunten voedselzekerheid en water. Deze sluiten aan bij de topsectoren agro-food, tuinbouw, logistiek (voedselzekerheid) en water.

Bij programma’s in de 15 partnerlanden voor voedselzekerheid, water, sexuele en reproductieve rechten en gezondheidszorg en veiligheid en rechtstaat wordt het bedrijfsleven betrokken. Doel van de samenwerking met de private sector is het verbeteren van het ondernemingsklimaat en een meer effectieve aanpak van ontwikkelingsproblemen vanwege specifieke kennis en kunde van het bedrijfsleven. Een verbeterd ondernemingsklimaat betekent een lokale omgeving die beter in staat is bedrijvigheid te stimuleren en daarmee werk en inkomen te genereren. Dit komt ten goede aan lokale ondernemingen en Nederlandse bedrijven.

Het bedrijfsleveninstrumentarium van OS blijft open op circa 50 landen. Het Nederlandse bedrijfsleven, waaronder top bedrijven uit topsectoren, zal ook beter gebruik kunnen maken van dit instrumentarium. Publiek-private partnerschappen, gaan meer ingezet worden bij ontwikkelingsvraagstukken en de economische ontwikkeling van deze landen. Ook beschikbare fondsen en leningen waarover ontwikkelingslanden kunnen beschikken via internationale financiële instellingen (IFI’s) als de Wereldbank bieden kansen. Het kabinet zet zich daarbij actief in om de toegang van het Nederlandse bedrijfsleven tot deze fondsen en leningen te verbeteren. De internationale financiële instellingen stellen naleving van fundamentele arbeidsnormen als voorwaarde. Nederlandse bedrijven kunnen zich profileren met actief beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en ketenverantwoordelijkheid.

Een aantal landen gaat van een OS-relatie over naar een economische relatie. Dit geldt vooralsnog voor Zuid Afrika, Vietnam en Colombia. Voor deze landen wordt een transitiefaciliteit beschikbaar gesteld. In het kader hiervan zal structureel geld beschikbaar komen. Vanuit OS zal daar ca. € 15 miljoen per jaar beschikbaar voor zijn. Vanuit de EL&I-begroting zal dit bedrag oplopend tot € 15 miljoen in 2014 structureel beschikbaar worden gesteld.

2.2. Van inzet naar uitvoering: Het vernieuwde beleid

De eerste slag die het kabinet moet slaan is het op orde stellen van de basiscondities zoals onder 2.1. beschreven. Het kabinet werkt dit op dit moment uit samen met de relevante stakeholders.

Zoals eerder aangekondigd, de opgave is Nederland te positioneren door minder gebruik van subsidies en meer gebruik van economische diplomatie. Hiervoor gaan we werken met de modulaire aanpak.

• Samenhang en flexibiliteit instrumenten: modulaire aanpak

De modulaire aanpak wordt vraaggestuurd. Sterkere samenhang met instrumenten van andere departementen en meer flexibiliteit wordt mogelijk. Op basis van een vraag vanuit bedrijfsleven kan een mix van instrumenten uit «het keuzemenu» worden samengesteld. Voor de ondernemer is immers niet van belang welk departement een regeling op zijn begroting heeft. Hij wil gewoon goed worden bediend. Bovenop het nationale beleid zijn Europese initiatieven beschikbaar die het (Nederlandse) bedrijfsleven op buitenlandse markten ondersteunen. Zo zet de Europese Commissie in op het ondersteunen van ondernemers op opkomende markten door middel van bijvoorbeeld het huidige European Enterprise Network.

Voor het keuzemenu zijn vooralsnog de volgende modules uitgewerkt18: informatie, advies, financiering/garanties en verzekeringen, collectieve promotie, economische diplomatie, kennisintensieve samenwerking en acquisitie. De modules worden opgebouwd uit diverse instrumenten. De Holland Branding strategie ter versterking van het (economische) imago van Nederland in het buitenland is ondersteunend aan de meeste van deze modules en maakt daarmee integraal onderdeel uit van het vernieuwde instrumentarium. Deze strategie wordt aan de hand van de voorstellen vanuit de topteams nader uitgewerkt.

Onderstaand schema geeft weer welke modules kunnen worden ingezet om de doelstellingen van het internationaal ondernemen beleid te realiseren. In de rest van paragraaf 2.2 wordt per beleidsdoelstelling uitgewerkt met welke inzet wij de beleidsdoelstelling willen bereiken. 2.3 geeft een overzicht van voorgenomen wijzigingen in het instrumentarium, inclusief tijdspad.

2.2.1. Internationaal Excelleren: de overheid creëert ruimte voor internationale ondernemers om te ondernemen.

BOX: Publiek-Privaat Programmeren in de praktijk

Op en rondom het Russisch schiereiland Yamal zit het gas dat voor Rusland de gasvoorziening voor de 21e eeuw moet veiligstellen. Terwijl LNG-projecten zoals het Shtokmanveld nu uitgesteld worden vanwege de terugval in de vraag naar gas, wordt de ontwikkeling van het Bovanenkoveld op Zuid-West-Yamal door Gazprom voortgezet omdat de eigen gasvoorziening van Rusland (de grootste gasconsument ter wereld) niet zonder Yamal kan. Gazprom zal de komende decennia Euro 100–150 miljard in Yamal investeren. Om het Nederlands bedrijfsleven te positioneren voor mogelijke orders in de ontwikkeling van het Bovanenkoveld is de Project Delta Group (PDG) opgericht. PDG is een samenwerkingsverband van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen, waarvan het initiatief en financieel commitment bij het bedrijfsleven ligt.

PDG heeft zich als open collectief van bedrijven en kennisinstellingen aan Gazprom en het Russische MinEnergo gepresenteerd op een energieseminar van de Gemengde Economische Commissie (GEC) tijdens de Balkenende-Putin top in november 2007. Met de GEC als startpunt werd een shoulder-to-shoulder koppeling tussen overheids- en bedrijfsniveau mogelijk. Na een succesvolle missie in mei 2010 kon een Strategische Samenwerkingsovereenkomst tussen PDG en Gazprom worden getekend.

De ondertekening van een Confidentialty Agreement en de wederzijdse bemensing van een Gezamenlijke Stuurgroep vonden begin 2011 plaats. Voorstellen voor een gezamenlijk werkprogramma liggen nu bij Gazprom voor. EL&I staat buiten PDG maar neemt samen met VNO deel aan de Raad van Advies. Flankerend programmatisch beleid bestaat onder meer uit de inzet van politieke en ambtelijke contacten en beleid gericht op duurzame Arctische energiewinning. Nederlandse bedrijven hebben voor het aanleggen van de pijpleidingen reeds contracten verworven.

Om (top) ondernemers de ruimte te geven zich internationaal te onderscheiden en positioneren pakt de overheid bemoeienis van buitenlandse overheden bij het zakendoen aan. Hiertoe zet de overheid verschillende instrumenten in.

Informatie, advies, financiering/garanties en verzekeringen, collectieve promotie, economische diplomatie en kennisintensieve samenwerking

Het belangrijkste instrument om bedrijven internationaal te helpen is economische diplomatie. Overheid en bedrijfsleven (individueel of als groep) werken samen om kansen te verzilveren en de handels- en investeringsbelemmeringen op te lossen (zie ook bovenstaande box). De Publiek-Privaat Programmatische aanpak (2g@there 2.019) wordt daarbij de werkwijze. Dit is een vraaggestuurde werkwijze die voortbouwt op ervaringen met het programma 2g@there. Het biedt een raamwerk voor de topsectoren aanpak en de EL&I samenwerking met BZ/OS en andere departementen. Verschil met nu is dat het initiatief en het (financieel) commitment van het bedrijfsleven leidend moet zijn en dat de overheid alleen problemen oplost waar de markt zijn werk niet doet. In dat geval maken overheid en bedrijfsleven een plan om de problemen op te lossen. Als voorbeeld kijken we naar de ervaringen met de gouden driehoek van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen in het succesvolle agrofoodcomplex.

De nieuwe Publiek-Privaat Programmatische aanpak moet leiden tot een assertieve ondersteuning voor bedrijven met problemen met andere overheden en het verschaffen van toegang tot nog toe gesloten marken (zie ook onderstaande box). Dit door een strategische inzet van de reizen van het kabinet, inclusief economische missies met bewindslieden, inkomende bezoeken en de boodschappen die wij aan buitenlandse overheden overdragen. De wensen vanuit de topteams wat betreft de inzet van gefocuste economische missies zullen in de strategische reisagenda worden verwerkt. Via de Dutch Trade Board wordt maximale aansluiting gezocht tussen de nationale en regionale reisagenda. Hierbij nemen wij het bredere overheidsbeleid zoals (economische) veiligheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen mee. Ook andere contacten op politiek of hoog ambtelijk niveau (inclusief bewindspersonen en (hoge) ambtenaren) zullen worden gebruikt om economische belangen onder de aandacht te brengen. Om te zorgen dat we tijdig signalen uit het bedrijfsleven oppikken verbeteren we de reguliere contacten met de grootste internationaal ondernemende bedrijven (accountmanagement), het postennetwerk en het Meldpunt Handelsbelemmeringen (voorheen Crashteam).

BOX: Voorbeelden bilaterale economische diplomatie in de praktijk

Voorbeeld 1

Nadat een Nederlands-Franse luchtvaartmaatschappij had besloten dat Hangzhou in China een nieuwe bestemming zou moeten worden, hebben ambassade Peking (EA en voormalig V&W attaché), CG Shanghai en het toenmalige ministerie V&W goed samengewerkt om de luchtvaartmaatschappij in staat te stellen de nieuwe bestemming in het voorjaar van 2010 te openen. De eerste vlucht landde op 9 mei 2010 in Hangzhou.

Voorbeeld 2

Een Nederlandse producent van PVC buizen maakte bezwaar tegen de rapportage van zijn producten in de invoerstatistieken van de Franse overheid. Die gegevens gaven voor de geïnteresseerde lezer (lees: concurrent) volledig inzicht in de prijsstrategie van het bedrijf waarmee het bedrijf in een oneerlijke concurrentiepositie kwam. Met hulp van NBSO in Lyon is een brief geschreven aan de Franse douane met het verzoek de registratie aan te passen. Dit is gebeurd.

Voorbeeld 3

Inzet van de posten leidde volgens Nederlandse bedrijven tot meer duidelijkheid inzake Braziliaanse etiketteringseisen voor producten van dierlijke oorsprong, wat vooral de Nederlandse zuivelsector (kaas) raakt.

2.2.2. Vrijmaken van het handels- en investeringsverkeer en versterken van de Europese interne markt

De marktopening die sinds 1970 plaatsvond, via de WTO en EU, levert elk huishouden jaarlijks ca. 1 400 euro per hoofd aan profijt op.20 Maar er valt op dit terrein nog veel te winnen. Hiertoe wordt ingezet op multilaterale economische diplomatie.

Multilaterale economische diplomatie

Multilaterale economische diplomatie is gericht op het verzekeren van een gelijk internationaal speelveld door vrije markttoegang en open en eerlijke concurrentieverhoudingen voor onze bedrijven. Respect voor fundamentele arbeidsnormen maakt daarvan deel uit.

Nederland hecht zwaar aan de interne Europese markt, het is de afzetmarkt voor de meeste Nederlandse producten en diensten. Hoewel de interne markt ver is gekomen blijven er wensen over voor onze bedrijven. Bijvoorbeeld door de ontwikkeling van een digitale interne markt en verdere ontwikkeling van de interne markt voor diensten en de netwerksectoren (vooral verbetering van essentiële infrastructuur). Daarnaast is aandacht nodig voor kwaliteit en vereenvoudiging van regelgeving, administratieve lasten en handhaving van interne markt regels. Hier zetten we Europees op in.

Succesvolle afsluiting van de lopende WTO-ronde is en blijft belangrijk omdat dit zowel betere markttoegang als versterkte spelregels voor de internationale handel mogelijk maakt. Nederland heeft zich via de inbreng voor de G20 ingezet voor een gezamenlijke studie van WTO en ILO naar arbeidsnormen in handelsakkoorden. De WTO is ook het dominante forum voor de handelsbetrekkingen met de twee grootste nationale economieën, China en de VS. Zo heeft de EU met succes procedures aangespannen tegen China, bijvoorbeeld over levering van nieuwsdiensten en discriminerende praktijken bij de toegang tot grondstoffen. Ook handelsgeschillen met de VS worden via WTO-procedures geregeld – bijvoorbeeld inzake steun aan Boeing resp. Airbus – en niet met een handelsoorlog uitgevochten.

Ter aanvulling op de WTO willen we via aparte vrijhandelsakkoorden, waarover de EU nu onderhandelt met bijvoorbeeld India, een aantal Asean-landen en de Mercosur-landen, een aanvulling bieden op het multilaterale raamwerk van de WTO. Naast bijna volledige marktopening bieden de vrijhandelsakkoorden de kans verdergaande afspraken te maken dan multilateraal haalbaar is. Voorbeelden hiervan zijn non-tarifaire maatregelen, mededinging, handhaving van intellectuele eigendom, investeringen, diensten, duurzaamheidsaspecten en overheidsopdrachten. Deze akkoorden zullen zorgen voor een betere aansluiting van Europa op de robuuste economische groei in opkomende regio’s.

2.2.3. Toename aantal internationale (mkb-)starters

Om het aantal nieuwe ondernemers te vergroten worden starters op verschillende manieren bijgestaan.

Informatie, advies en collectieve promotie

(Mkb-)Starters zetten hun eerste stappen veelal op de nabije markten. Voor hen kunnen de modules informatie, advies, financiering/garanties en verzekeringen21 en collectieve promotie worden ingezet. Basisinformatie is wereldwijd (digitaal) beschikbaar en zal dit blijven. De startende ondernemers kunnen daarvoor in de toekomst terecht bij de ondernemerspleinen. Op nabije markten kunnen starters voor informatie en advies terecht bij ondernemerspleinen en het postennetwerk, inclusief de Netherlands Business Support Offices.

Het huidige prepare2start instrument wordt omgebouwd. Voor mkb-starters blijft het mogelijk middels een beperkte overheidsbijdrage met het voorbereidingsproces op internationaal ondernemen te worden geholpen. Hiermee geeft dit kabinet starters een steuntje in de rug. De nadruk komt te liggen op advisering bij het ontwikkelen van een internationale strategie. De ervaring met het huidige instrument Prepare2Start leert dat de ondernemers vooral aan dit leereffect veel waarde hechten.

Naast bovenstaande denken wij eraan om starters te ondersteunen bij hun eerste oriëntatie op de buitenlandse markt door het neerzetten van een Holland paviljoen op een beperkt aantal strategische vakbeurzen (collectieve promotie) en door middel van een zgn. buddy-systeem. Samen met de netwerkpartners wordt voor een goede aansluiting tussen de eerste stap en het vervolgtraject gezorgd.

2.2.4. Toename en verankering investeringen buitenlandse topbedrijven in Nederland

EL&I zet in op het aantrekken van meer buitenlandse investeerders en op het verankeren van deze bedrijven. Om investeerders aan te trekken zijn een aantrekkelijk vestigingsklimaat en de hierbij behorende randvoorwaarden van primair belang.22 Daarnaast blijft een proactieve en krachtige inzet door het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) nodig om buitenlandse bedrijven te overtuigen zich in Nederland te vestigen.

Acquisitie, kennisintensieve samenwerking en economische diplomatie

Bij de acquisitie van buitenlandse investeringen ligt nadruk op het aantrekken van hoogwaardige, strategische investeringen in de topsectoren, met speciale aandacht voor hoofdkantoren en R&D. Met die focus lopen momenteel twee pilotprojecten in de sectoren chemie en food & nutrition. Hierbij wordt via een strategische aanpak en met hulp van experts uit het bedrijfsleven gericht gezocht naar buitenlandse bedrijven die deze twee Nederlandse topsectoren verder kunnen versterken. Het doel is om een dergelijke strategische aanpak verder uit te rollen en structureel in te bedden in het Nederlandse acquisitiebeleid, dat wordt uitgevoerd door het NFIA. Bedrijven en kennisinstellingen in Nederland zullen actiever worden betrokken in het acquisitiebeleid. Rijksoverheid en regionale overheden gaan hierbij nauwer samenwerken, zodat Nederland als één geheel wordt gepositioneerd.

Om de toppers uit de opkomende markten zoals China, India en Brazilië binnen te halen, krijgen deze landen meer prioriteit. Bedrijven uit opkomende markten klimmen door de toename van hun technologische capaciteiten verder omhoog in de waardeketen en zijn vanuit het oogpunt van innovatie steeds aantrekkelijker voor Nederland.

Naast nieuwe investeringen zijn ook bestaande investeerders belangrijk. Via frequente bedrijfsbezoeken blijven we in dialoog met in Nederland gevestigde buitenlandse bedrijven en houden we de ontwikkelingen in het Nederlandse vestigingsklimaat constant in de gaten. Met het in kaart brengen van eventuele knelpunten waar buitenlandse investeerders tegen aan lopen en door gerichte acties, zetten we in op het behoud van al hier gevestigde buitenlandse bedrijven.

Dit alles vraagt om een sterk acquisitieapparaat, dat Nederland als vestigingsland positioneert, via kantoren in het buitenland investeerders naar Nederland aantrekt, het Nederlandse vestigingsklimaat monitort en relevante signalen doorgeeft. Hiermee is bij de bezuinigingen, die iedereen raken, rekening gehouden. Maatregelen zijn zo gekozen dat ook na de bezuinigingen een effectief en efficiënt acquisitieapparaat blijft bestaan. Het betreft hier de geleidelijke beëindiging van de financiële betrokkenheid van het NFIA bij de regionale ontwikkelingsmaatschappijen, de lokale acquisitiepartners en Nederland Distributieland (NDL). Daarnaast wordt gekozen voor het inbedden van strategische acquisitie in het reguliere NFIA werk, waarmee de kosten van de inhuur van externe experts zal worden beperkt. Bovendien zullen ter versterking van zowel het topsectorenbeleid als het acquisitiebeleid het NFIA- en het TWA-netwerk meer gaan samenwerken. De activiteiten van het NFIA- en TWA-netwerk liggen op het terrein van hoogwaardige, kennisintensieve investeringen in elkaars verlengde en hebben veel potentie om elkaar te versterken. Daarnaast zal meer dan voorheen worden ingezet op economische diplomatie. Via de geïntegreerde aansturing van het economische netwerk zullen ook de economische afdelingen van ambassades en consulaten en NBSO’s worden betrokken bij het aantrekken van nieuwe buitenlandse bedrijven naar Nederland. Hiermee wordt het bereik van het acquisitiebeleid vergroot.

2.3. Van inzet naar uitvoering: Realisatie van het nieuwe beleid

De keuzes die in deze brief zijn weergegeven en toegelicht om onze beleidsdoelstellingen te realiseren zijn het beginpunt van een nieuw internationaal economisch beleid ten behoeve van het bedrijfsleven dat de komende jaren vorm krijgt. Hierbij worden de benodigde besparingen voor 2015 gerealiseerd.

Het instrumentarium voor internationaal ondernemen wordt omgebouwd. De inzet van subsidies wordt met ingang van 2012 beperkt en indien mogelijk omgebouwd naar kredieten. Economische diplomatie wordt leidend. Volgend jaar wordt een overgangsjaar waarin een aantal van de huidige programma’s wordt omgebouwd en een begin wordt gemaakt met de nieuwe manier van werken.

In onderstaande tabel wordt weergegeven welke veranderingen in het huidige instrumentarium worden doorgevoerd en welk tijdspad daarbij wordt aangehouden. De budgettaire uitwerking en een nadere tijdsbepaling wordt in de begroting voor 2012 opgenomen.

 

Huidige situatie

Toekomstige situatie

Tijdspad naar 2015

Informatie

Basis en meer uitgebreide informatie wereldwijde dekking en gratis beschikbaar

Basisinformatie wordt verder gedigitaliseerd en wereldwijd (gratis) aangeboden. Focus aanvullende informatie op complexe, opkomende markten. Voor uitgebreide informatievoorziening over transparante markten wordt waar mogelijk doorverwezen naar netwerkpartners en marktpartijen.

Wijzigingen worden in loop van 2012, in samenhang met ontwikkeling ondernemerspleinen, doorgevoerd.

Advies

Marktscans staan in huidige situatie open op 40 landen.

Het is mogelijk dat aantal landen wordt beperkt.

Idem.

P2S

Prepare2Start bestaat uit traject van advies, begeleiding en beperkte financiële ondersteuning. Uitvoering vindt plaats onder regie van NL EVD door KvK's, Syntens en brancheorganisaties

Advies- en begeleidingstraject blijven behouden, financiële component wordt beperkt. Uitvoering zal plaatsvinden bij de ondernemerspleinen in samenwerking met netwerkpartners en onder regie van NL EVD.

Idem.

2g@there

Via 2g@there kunnen Nederlandse ondernemers die in buitenland kansen zien bij NL EVD meerjarige steun krijgen. Deze bestaat uit financiële instrumenten en andere NL EVD-producten.

Sinds juni 2009 subsidieregeling.

Nieuwe Publiek-Private Programmatische aanpak aan de hand van een gezamenlijk actieplan van overheid en bedrijfsleven. Inzet overheid vooral op economische diplomatie en daarnaast informatie en advies, government2government (G2G), opleidingen, trainingen, promotie en collectieve handelsmissies.

2012 is een overgangsjaar waarin 2g@there wordt uitgefaseerd en waarin geleidelijk wordt gestart met nieuwe aanpak.

G2G

Doel is oplossen knelpunten die van wederzijds belang zijn d.m.v. samenwerking met buitenlandse overheden. Vanuit Nederland gericht op wegnemen belemmeringen in institutionele sfeer cq. handelsverkeer.

G2G zal alleen nog inzetbaar zijn in het kader van de Publiek-Private Programmatische aanpak.

Met ingang van 2013 wanneer het nieuwe 2g@there 2.0 volledig draait.

CPA

CPA bestaat uit uitgaande missies, inkomende missies en beursinzendingen. Uitvoering vindt plaats door brancheorganisaties die middels een tender een project gehonoreerd gekregen hebben.

CPA wordt in huidige vorm beëindigd. Vormen van collectieve promotie blijven behouden maar hoofdzakelijk nog in het kader van de Publiek-Private Programmatische aanpak. Focus op complexe, opkomende markten en strategisch belangrijke beurzen.

2012 overgangsjaar. Met ingang van 2013 zijn inkomende en uitgaande missies en vakbeurzen alleen nog inzetbaar in het kader van 2g@there 2.0. en wat betreft vakbeurzen (Holland Paviljoen op aantal beurzen) in het kader van het starters-programma.

Acquisitie

NFIA richt zich op acquisitie en verankering (strategische) investeringen en maakt gebruik van regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s), lokale acquisitiepartners en Nederland Distributieland (NDL). Voor strategische acquisitie loopt pilot met inhuur externe experts.

De financiële betrokkenheid van het NFIA bij de ROM’s, lokale acquisitiepartners en NDL wordt geleidelijk beëindigd. Daarnaast wordt gekozen voor het inbedden van strategische acquisitie in het reguliere NFIA werk. Nauwere samenwerking binnen het gehele buitenland netwerk en sterkere inzet op economische diplomatie.

Geleidelijke afbouw financiële bijdragen met ingang van 2012.

P4G

Via Package 4 Growth stimuleert EL&I internationale activiteiten van Nederlandse mkb-bedrijven in China en India.

Huidige programma wordt omgevormd tot investeringsfaciliteit met het oog op doelmatigere en efficiëntere ondersteuning bij de financiering van bedrijfsactiviteiten in China en India.

Met ingang van 2012.

Transitie-faciliteit

n.v.t.

Er wordt een transitiefaciliteit gecreëerd om van OS-relatie over te gaan naar economische relatie. Het Nederlandse bedrijfsleven wordt hierbij actief ingezet.

Vanuit de EL&I-begroting oplopend tot € 15 miljoen op jaarbasis vanaf 2014 structureel.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker


X Noot
1

CBS (2011), Export blijft motor achter economische groei.

X Noot
2

CBS (2010), Internationaliseren en productiviteit.

X Noot
3

CBS (2010), Internationaliseringsmonitor 2010.

X Noot
4

Gegevens IMF, World Economic Outlook Database.

X Noot
5

The Conference Board (2011), Global Economic Outlook 2011.

X Noot
6

UNCTAD (2011), Global Investment Trends Monitor.

X Noot
7

Zie bijlage Regeerakkoord VVD-CDA d.d. 30-09-2010.

X Noot
8

Uitgangspunt voor de legitimering van de rol van de overheid vormt de analyse vanuit economisch perspectief. Een goede werking van markten speelt een belangrijke rol bij het bereiken van een hogere welvaart. Door het optreden van markt- en systeemimperfecties kan echter een optimale uitkomst van de markt in termen van maatschappelijke welvaart worden verstoord. Door het wegnemen van verstoringen kan de overheid mogelijk een bijdrage leveren aan het vergroten van de welvaart. Voor nadere uitwerking op terrein internationaal ondernemen zie beleidsdoorlichting Internationaal Ondernemen 2004–2008: Terugkijken met een Blik Vooruit, p 25.

X Noot
9

De economische functie van het postennetwerk bestaat uit diplomatieke vertegenwoordigingen in het buitenland (economische afdelingen op ambassades/consulaten-generaal waarvan Technologische Wetenschappelijke Attaché’s (TWA), kantoren van de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) en de Landbouwraden deel kunnen uitmaken alsmede I&M raden en attaché’s), de Netherlands Business Support Offices (NBSO’s) en de Netherlands Agribusiness Support Offices (NABSO’s).

X Noot
10

Kamerbrief inzake modernisering van Nederlandse diplomatie (kamerstuk: 32 734-1).

X Noot
11

De TWA- en NFIA-netwerken waren al ondergebracht bij Agentschap NL/EVD. Met ingang van dit jaar geldt dit ook voor de Landbouwraden. Het Agentschap is tevens de thuisbasis voor de NBSO’s en de NABSO’s.

X Noot
12

Dit betreft een dynamische lijst die regelmatig wordt herzien aan de hand van de laatste (economische) ontwikkelingen.

X Noot
13

Bron: Agentschap NL/NL EVD Internationaal.

X Noot
14

In 2009 is een onderzoek naar het Internationaal Ondernemenbeleid in de periode 2004 – 2008 uitgevoerd. Met uitzondering van het programma 2g@there zijn hierbij alle huidige instrumenten geëvalueerd. Voor 2g@there staat een evaluatie gepland waarvan de uitkomst zal worden meegenomen in de nadere uitwerking van het instrumentarium. Begin 2011 is een onderzoek naar het concurrerend vermogen van het financieel instrumentarium afgerond. Tevens is een onderzoek naar economische diplomatie uitgevoerd.

X Noot
15

Een uitputtende lijst zou te ver voeren. Maar noemenswaardig zijn in ieder geval de internationale componenten van beleid op het gebied van ondernemen, innovatie, energie, transport en logistiek, milieu/duurzaamheid, maatschappelijk verantwoord ondernemen, sociale zaken en het beleid rondom internationale publieke goederen zoals voedselzekerheid, grondstoffen, klimaat en water.

X Noot
16

Naar de top: De hoofdlijnen van het nieuwe bedrijfslevenbeleid (Kamerstuk: 32 637-1).

X Noot
17

Focusbrief Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstuk: 32 605-2).

X Noot
18

Het betreft hier een eerste uitwerking van modules. De exacte inrichting en uitwerking zullen mogelijk afwijken.

X Noot
19

Betreft een werktitel, deze kan nog worden gewijzigd.

X Noot
20

CPB 2009, The contribution of trade policy to the openness of the dutch economy.

X Noot
21

Zoals het Borgstellingskrediet voor het mkb ter bevordering van de bancaire financiering aan mkb-bedrijven voor investeringen in nabije markten.

X Noot
22

Zie hiervoor Naar de top: De hoofdlijnen van het nieuwe bedrijfslevenbeleid (Kamerstuk: 32 637-1).