Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2008 (31200 XV);

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Spaarfonds AOW (E) voor het jaar 2008 (31200 E).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. Deze bewindslieden lijken wel in een andere tijd te leven, in een tijd van economische recessie. De minister heeft zich maandenlang beziggehouden met ontslag in plaats van aan de slag. Nu stellen de bewindslieden maatregelen voor die neoliberalen bij een crisis zouden toepassen. Werklozen moeten na een jaar werkloosheid banen onder hun niveau aanvaarden. Daarmee wordt een beeld uit de dertiger jaren opgeroepen. De ingenieur op de tram en de chemicus als postbode. Is dat het beeld van de bewindslieden van een kenniseconomie? Mensen in de bijstand kunnen worden gedwongen maar liefst vier jaar te werken zonder loon, zonder rechten. Dit roept het beeld op van de gedwongen werkverschaffing. Gaan de bewindslieden dwangarbeid toestaan? Mensen met een kleine baan in de persoonlijke dienstverlening worden uitgesloten van verzekeringen tegen werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Wel werken, geen rechten. Dit zou een links kabinet zijn.

Sinds de privatisering van de arbeidsbemiddeling door de paarse kabinetten hebben wij nu ruim 1700 commerciële re-integratiebedrijven, maar hun prestaties zijn slecht, met uitzondering van een aantal gespecialiseerde kleine bedrijven. Deze marktwerking heeft geen maatwerk opgeleverd, maar maatpakken des te meer. Uit onderzoek blijkt dat de prestaties van de publieke arbeidsvoorziening van toen beter waren dan de prestaties van de re-integratiebedrijven van nu. Wij zijn er dus niets mee opgeschoten. Symbool daarvoor zijn de tarotkaarten. De minister laat toe dat publiek geld wordt besteed aan een re-integratiebedrijf dat werk zoekt met behulp van tarotkaarten. Kun je nog dieper zakken? Kan een re-integratiebedrijf met een wichelroede op zoek gaan naar werk? Zou dat bedrijf geld krijgen van de minister?

De private arbeidsbemiddeling faalt. Die arbeidsbemiddeling moet opnieuw worden uitgevonden. In de arbeidsbemiddeling moet de menselijke maat terugkeren, want waar is de arbeidsbemiddelaar die zijn werkzoekenden en zoekende werkgevers kent en bij elkaar brengt? De groep mensen die nu in een uitkering zit en graag aan de slag wil, treft dichte deuren bij bedrijven en instellingen. Voor hen moet leren en werken in de buurt, in de wijk of in het dorp worden georganiseerd. De SP stelt voor om leerwerkbedrijven in de wijk op te richten. Het leerwerkbedrijf geeft scholing en ontwikkelt vaardigheden die nodig zijn op de arbeidsmarkt. Het leerwerkbedrijf bemiddelt tussen werkzoekenden die niet zelfstandig aan de slag komen, en werkgevers. De leerwerkbedrijven scheppen werk in de wijk voor hen die nog niet geschikt zijn voor een private werkgever. De leerwerkbedrijven detacheren mensen bij werkgevers en nemen begeleiding, coaching en administratie uit handen van de werkgever. Dat is arbeidsbemiddeling versie 3.0, want loonkostensubsidies helpen niet. Werkgevers nemen mensen aan als zij werk hebben. Zij nemen mensen aan die iets kunnen. Ik garandeer dat het eerste van Ajax, Feyenoord of PSV de heer Donner of de heer Aboutaleb niet zal opstellen, zelfs al krijgen zij een subsidie van een miljoen mee.

De SP-fractie heeft een amendement ingediend om de menselijke maat in de arbeidsbemiddeling door werken en leren in de buurt terug te brengen. Ons plan is het alternatief voor de bizarre toestand van nu. Het CWI heeft vacatures, maar bemiddelt niet. Het UWV heeft mensen die aan de slag willen, maar heeft geen banen. De re-integratiebedrijven die behoren te bemiddelen, hebben geen vacatures.

De fracties van CDA en PvdA willen de tewerkstellingsvergunningen voor arbeiders uit Bulgarije en Roemenië kennelijk ook na 2009 handhaven. Terecht! Gelukkig zien ook zij nu in dat het najagen van het Europese ideaal van vrij verkeer van werknemers grote sociale problemen oplevert in wijken van grote steden, maar ook op het platteland. En eindelijk zien zij in dat de SP gelijk had, want de argumenten die wij voor 1 mei aanvoerden tegen het openstellen van de grenzen voor Polen, gebruiken zij nu tegen het openstellen van de grenzen voor Bulgaren en Roemenen.

Nederland is nog steeds niet in staat om grote groepen buitenlandse arbeiders fatsoenlijk te ontvangen. Het besluit van mei van dit jaar om de grenzen open te stellen voor Polen en voor werknemers van een aantal andere Oost-Europese landen was onjuist. PvdA en CDA erkennen dit nu blijkbaar; geldt dit ook voor de minister?

De Poolse regering is begonnen met een terugkeercampagne: wie terugkeert, kan belastingvoordelen tegemoet zien. Wil de minister deze campagne steunen? Morgen houden honderd gemeenten een Polentop, ter onderstreping van de ernst van dit probleem. Wat gaat de minister daarbij voorstellen? Wil hij de instroom opnieuw reguleren? Hoe zou hij anders willen voorkomen dat de toestroom van Polen naar de toekomstige prachtwijken tot prutwijken zal leiden?

De onbillijke herkeuringseisen voor WAO'ers zijn nog steeds niet volledig ongedaan gemaakt; voor hen zijn er nu brugbanen. Wil de minister toezeggen dat herbeoordeelde WAO'ers die niet via zo'n brugbaan aan werk kunnen komen, volgens het oude besluit herbeoordeeld zullen worden?

Het Breed Platform Verzekerden en Werk, de vraagbaak voor werk, verzekeringen en uitkeringen, dreigt te verdwijnen. Waarom wil de minister hiervan af?

Echt werk bieden kan bijvoorbeeld door de wachtlijsten voor de sociale werkplaatsen te verkorten. Daarom heb ik een amendement ingediend om vierduizend banen in de sociale werkvoorziening mogelijk te maken, opdat de mensen die hierop aangewezen zijn, in ieder geval verzekerd zijn van werk.

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Na het zuur komt het zoet, nog even de broekriem aanhalen en het zoet komt eraan, zo luidde het credo in de afgelopen jaren. Het kabinet-Balkenende IV is bijna een jaar bezig, de economie draait op volle toeren, de werkloosheid neemt af, de winsten stijgen, maar waar blijft het zoet? Ook in 2008 gaat vrijwel niemand erop vooruit. Dit kabinet volgt de koers van zijn voorgangers: wel beloven maar niet doen. Het is wel consequent, consequent zuur.

Een lichtpuntje bij de plannen is dat werkende ouders met een laag inkomen nu wel aanspraak kunnen maken op kinderkorting. Daarnaast wil het kabinet dat werk loont. Dat willen wij ook. Kirtie, een jonge moeder van 24 jaar, probeert zich al jarenlang te ontworstelen aan de armoede. Vanuit de bijstand werkt zij nu wekelijks 35 uur, maar toch loont haar werk niet. Zij houdt maar € 58 per maand over om samen met haar zoontje rond te komen. Iedereen zal begrijpen dat het erg lastig is om met zo'n bedrag rond te komen, het is meer een kwestie van overleven. De inkomensafhankelijke arbeidskorting zou voor Kirtie uitkomst kunnen bieden, maar deze zal pas in 2009 worden ingevoerd. Wij vinden dit een gemiste kans. Kan de regering invoering van deze korting per 1 januari 2009 garanderen?

Dit kabinet zegt dat het de koopkracht van sociale minima en ouderen met een klein aanvullend pensioen heeft gerepareerd, maar kan de minister mij uitleggen wat het kabinet dan precies heeft gerepareerd? Bedoelt hij met reparatie het bedrag van € 1,75 per maand dat een alleenstaande AOW'er erbij krijgt? Of het koopkrachtverlies van chronisch zieken en gehandicapten als gevolg van bezuinigingen op de aftrek van buitengewone uitgaven? Ik maak mij zorgen over wat er zal gebeuren, want het leven is alleen maar duurder geworden; ik noem de ziektekosten en de prijzen van levensmiddelen. Van de meeste mensen gaat de koopkracht er nu al niet op vooruit, kan de minister toezeggen dat de mensen er niet meer op achteruit zullen gaan? Zal hij de belofte van het zoet in het nieuwe jaar waarmaken?

"Armoede is echt de schandvlek van Nederland. Ik leg mij daar niet bij neer", aldus Wouter Bos, die Balkenende vorig jaar opriep om de voedselbanken binnen twee jaar overbodig te maken. Waar blijft het kabinet met de plannen om de voedselbanken overbodig te maken? Nu, een jaar later, blijkt het beroep op voedselbanken zelfs met 25% te zijn gestegen. Vrijwel alle voedselbanken die door de SP zijn benaderd, zien een stijging van het aantal voedselpakketten in 2007 en verwachten voor volgend jaar opnieuw een toename. De mensen van de voedselbanken willen nog wat meegeven aan het kabinet. Voorzitter, staat u mij toe om deze boodschap over te brengen aan de bewindslieden: maak de afbraak van de sociale voorzieningen ongedaan, zeker nu het economisch goed gaat. Geef toe dat er veel armoede is. Zorg dat de mensen hun uitkering op tijd krijgen, want die laat te lang op zich wachten. Dit laatste blijkt trouwens ook uit de wachtkamerenquête van de FNV, die afgelopen vrijdag is gepubliceerd. Ik krijg graag een reactie van de staatssecretaris op deze aanbevelingen.

Het kabinet had 5 mln. uitgetrokken voor armoedebestrijding. Dat is een lachertje en dat vond de Kamer ook. Daarom is 40 mln. uitgetrokken voor bestrijding van armoede onder kinderen in 2008. Dat is goed en verzacht de pijn enigszins, tenminste als het geld ook echt terechtkomt waar het hoort. Is het kabinet bereid om de middelen voor armoede en schuldhulpverlening te oormerken in plaats van deze in een grote pot te stoppen? Kan de staatssecretaris de Kamer binnen twee maanden informeren hoe lang de wachtlijsten voor de schuldhulpverlening inmiddels zijn en hoe hij ervoor gaat zorgen dat die snel worden opgelost? Is het kabinet bereid om het gigantische niet-gebruik van voorzieningen binnen nu en twee jaar op te lossen?

Naast de 461.000 kinderen in armoede leven nog bijna een miljoen mensen in armoede. Wat gebeurt er met de 250.000 werkende armen, de 122.00 65-plussers en de 240.000 alleenstaanden? Zij verdienen te weinig om van rond te komen. Is het kabinet bereid het sociale minimum te verhogen? Het kabinet ziet werk als het beste middel tegen armoede, maar daar hebben de werkende armen, bijvoorbeeld de 150.000 schoonmakers die zich een slag in de rondte werken voor een hongerloontje, geen boodschap aan.

En wat te zeggen over ouderen in armoede? Voor hen is werk beslist geen oplossing om uit de armoede te komen. Wat doet dit kabinet met onze ouderen? De rijke ouderen worden ontzien. De beperking van de aftrek van heel hoge pensioenen wordt vooruitgeschoven en de villabelasting voor ouderen met een heel duur huis is van de baan, maar wat schieten onze arme ouderen hier nu mee op? Ruim 26.000 ouderen zijn aangewezen op de bijstand en een even grote groep heeft hier recht op, maar weet het loket niet te vinden. Ouderen, 65-plussers, horen niet in de bijstand. Zij horen niet hun hand op te houden bij de sociale dienst of de voedselbanken. Zij behoren niet belemmerd te worden door onnodige bureaucratie. Deelt het kabinet mijn mening dat onze ouderen met respect behandeld moeten worden en recht hebben op een waardig bestaan in plaats van afhankelijk te zijn van de bedeling of familie? Als dit zo is, zorgt u ervoor dat de SVB in de toekomst de ouderen automatisch aanvult. Niet alleen de SP, maar ook de SVB, veel gemeenten, de vakbonden en de Landelijke Cliëntenraad pleiten hiervoor. Zelfs de PvdA schrijft in haar verkiezingsprogramma dit te zullen regelen. Uit onderzoek blijkt dat uitvoering door de SVB bovendien goedkoper, efficiënter en klantvriendelijker is en het niet-gebruik tegengaat. Ik krijg hierop graag een reactie van de staatssecretaris.

Een groep ouderen heeft ook een AOW-gat. Zij zijn nog altijd oud en arm, zoals Vadertje Drees sprak. Al onze ouderen verdienen een volwaardige AOW. Daar is deze mooie volksverzekering, die dit jaar 50 jaar bestaat, voor bedoeld. Solidariteit tussen jong en oud, arm en rijk, een volksverzekering voor iedereen. Er is lang genoeg gepraat over reparatie van het AOW-gat. Laten wij niet langer wegkijken of vooruitschuiven, maar dit nu gewoon regelen. Kortom, dit gat moet dicht!

De heer Van Hijum (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Met de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor 2008 zetten wij nieuwe stappen in de omvorming van de verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving. Het CDA vindt het belangrijk dat mensen zoveel mogelijk naar vermogen meedoen in de samenleving. Dat is goed voor henzelf, maar ook goed voor de samenleving zelf. Die schreeuwt om goed gemotiveerde en geschoolde arbeidskrachten. Ons stelsel van sociale zekerheid moet activerend zijn, het moet minstens stimuleren en ondersteunen in het zetten van de stap naar werk en het moet een sociaal vangnet bieden voor de mensen die niet mee kunnen, zonder hen definitief af te schrijven. Hoewel de afgelopen jaren flinke stappen zijn gezet, is de omslag naar een participatiesamenleving naar onze mening nog maar half voltooid. Ontwikkelingen in de wereld om ons heen dwingen ons om nu stevig door te pakken. Het CDA ziet drie hoofdopgaven voor de komende periode: het versterken van de weerbaarheid en inzetbaarheid van werknemers op de arbeidsmarkt, het aan het werk krijgen van meer mensen – 200.000 langdurig werklozen – en betere ondersteuning in combinaties van werk en zorg. Wij bespreken de begroting vandaag aan de hand van deze drie punten en doen een aantal aanvullende voorstellen. Mijn collega Omtzigt zal nader ingaan op het onderdeel inkomensbeleid.

Het eerste punt is het versterken van de weerbaarheid van de werknemer. Hoe graag wij het ook zouden willen, wij kunnen geen baan voor het leven garanderen, maar wel bijdragen aan de zekerheid van werk en inkomen. Er moet daarom veel meer aandacht komen voor scholing en het op peil houden van kennis en vaardigheden. Het Loopbaantraject Bouw & Infra, waar mijn fractie onlangs op werkbezoek was, laat zien in de bouwsector hoe je met een activerend loopbaanbeleid werknemers kunt behouden, uitstroom door arbeidsongeschiktheid kunt voorkomen en re-integratie kunt bevorderen. Deelt de minister onze waardering voor dit traject en is hij bereid om in overleg met sociale partners te bezien hoe je het gebruik van dit model ook in andere sectoren kunt bevorderen, bijvoorbeeld in sectoren die geen O&O-fondsen kennen?

Daarnaast is mijn fractie van mening dat de wet- en regelgeving het nemen van verantwoordelijkheid door werkgevers en werknemers moet bevorderen. Het CDA constateert dat de invoering van de loondoorbetaling bij ziekte, Poortwachter en de WIA hebben bijgedragen aan een cultuur waarin veel meer aandacht is voor preventie, verzuimbeleid en re-integratie door werkgevers. Het heeft ook geleid tot een sterke daling van de instroom in de WAO en de WIA. De vraag van mijn fractie is waarom de volledig private uitvoering van de WGA is opgeschort tot na de evaluatie van 2009. Deelt de minister onze inschatting dat juist ook deze stap kan leiden tot een nog sterkere stimulans tot re-integratie en herplaatsing?

Zorgen heeft mijn fractie nog over de perspectieven van de zogeheten "35-minners", mensen met een kleine beperking. Heeft de minister vertrouwen in de maatregelen die de Stichting van de Arbeid neemt om ook deze groep een betere positie op de arbeidsmarkt te geven?

Mijn fractie is van mening dat een cultuurverandering ook op gang moet worden gebracht, als het gaat om het voorkomen van werkloosheid. Door te investeren in kennis en vaardigheden kunnen werkgevers en werknemers de kans op langdurige werkloosheid verminderen. Het CDA wil daarom net als bij de WIA ook in de WW werkgevers en werknemers stimuleren om te investeren in scholing, inzetbaarheid en van-werk-naar-werktrajecten bij onverhoopt ontslag. Dit kan door middel van premiedifferentiatie in de WW. Daarbij moet dan wel een evenwichtige verdeling van kosten en verantwoordelijkheden worden gerealiseerd. Deelt de minister dat premiedifferentiatie hieraan kan bijdragen? Kan hij iets aangeven over de vormgeving en de termijn waarop hij met voorstellen naar de Kamer wil komen?

In de discussie over de toekomstige SUWI-organisatie voor de re-integratie van werklozen mist mijn fractie de aandacht voor met name de rol van werkgevers en werknemers bij die re-integratie. Eigenlijk verwachten wij veel te veel van die publieke re-integratie achteraf. Wij moeten juist veel meer naar meer en betere voorzorg. Als mensen onverhoopt in een uitkering belanden, moet de re-integratie direct beginnen, gericht op nieuw werk. De effectiviteit, efficiency en klantgerichtheid van de re-integratie is op dit moment ver onder de maat naar de mening van mijn fractie. De voorgenomen fusie tussen CWI en UWV zal zeker niet automatisch leiden tot betere dienstverlening. Wij zien een risico van nieuwe bureaucratie en conflicten met gemeenten. Hoe gaat het kabinet de regierol ten aanzien van de samenwerking in die keten concreet oppakken? Ik wijs er nog maar even op dat ook in de evaluatie van de SUWI er nadrukkelijk op wordt gewezen dat hierin ook een belangrijke rol voor het kabinet zelf is weggelegd en niet alleen voor de samenwerkende partners.

Samen met de VVD-fractie is mijn fractie zeer te spreken over het banenplan van de Overijsselse ondernemer Van der Most. Is de minister bereid om het proefproject in Twente te monitoren, waar nodig te ondersteunen en bij succes uit te rollen naar andere landsdelen? Ik heb begrepen dat de minister onlangs samen met de staatssecretaris in Twente is geweest.

Ik kom op het tweede deel van mijn betoog: meer mensen aan het werk.

De heer Ulenbelt (SP):

De VVD heeft dat banenplan in de regio Twente geadopteerd. Maar op een vraag in de krant of hij vindt dat voor zijn banenplan de versoepeling van het ontslagrecht nodig is, antwoordt de heer Van der Most zelf ontkennend. In het VVD-plan staat dat wel. Bent u het op dit onderdeel met de heer Van der Most eens?

De heer Van Hijum (CDA):

In het spoeddebat over het ontslagrecht heb ik precies hetzelfde voorbeeld gebruikt in de richting van de heer Rutte, toen hij mij interrumpeerde. Er is gelukkig heel veel mogelijk zonder die versoepeling; die is daarvoor dus niet per se een keiharde randvoorwaarde. Ik heb expliciet verwezen naar het plan van de heer Van der Most. Volgens dit plan, kort samengevat, worden vacatures bij werkgevers geïnventariseerd en leveren CWI, UWV en gemeenten mensen aan om deze te vervullen. Daarbij kunnen ze gebruikmaken van allerlei instrumenten die de minister aanbiedt, zoals loonkostensubsidie. Op die manier kun je vraag en aanbod op de arbeidsmarkt prima bij elkaar brengen.

De heer Ulenbelt (SP):

Voor alle helderheid: als u dit plan van DGA aan de ministers aanbeveelt, beveelt u hun dan ook aan om te stoppen met de opdracht aan de commissie die het ontslagrecht onderzoekt?

De heer Van Hijum (CDA):

Die conclusie heb ik niet getrokken. Dat is helemaal niet aan de orde. Het gaat om een banenplan van een ondernemer om werklozen en vacatures aan elkaar te koppelen. Dat omarm ik.

De heer Ulenbelt (SP):

Dus banenplannen zonder versoepeling van het ontslagrecht kunnen?

De heer Van Hijum (CDA):

Natuurlijk kunnen die. Ik heb nooit iets anders beweerd. De vraag is of je deze twee discussies zo nadrukkelijk aan elkaar moet koppelen als de heer Ulenbelt dat doet. Ik heb gisteren nog met de heer Van der Most gesproken. Hij geeft zelf aan dat de versoepeling van het ontslagrecht geen noodzakelijke voorwaarde is voor zijn plan.

Mijn fractie constateert dat veel bedrijven schreeuwen om personeel, terwijl het tegelijkertijd veel mensen niet lukt om aan de slag te komen. Denk aan ouderen, allochtonen, mensen met een arbeidshandicap en laaggeschoolden. En dat terwijl inmiddels meer dan 100.000 Polen en andere Oost-Europese werknemers in Nederland werkzaam zijn. Het bevorderen van de participatie van die groepen is een hoofddoelstelling van het kabinetsbeleid. Mijn fractie vindt het gewenst dat jongeren en jongerenorganisaties meedenken over de aanpak. Ik heb daarvoor een naar mijn mening bescheiden amendement ingediend.

Over de Wajong, de regeling voor jonggehandicapten, hebben wij het onlangs uitgebreid gehad. Daarbij zal ik daarom niet heel uitgebreid stilstaan. Mijn fractie maakt zich alleen wel zorgen over de groei van het aantal Wajongers en heeft kritiek op de achterblijvende re-integratie van deze groep door het UWV en re-integratiebedrijven. Graag vernemen wij wat de re-integratieambitie van deze minister is voor het komende jaar. Wij overwegen een amendement in te dienen om de inspanning op het gebied van bemiddeling en re-integratie de komende periode op te voeren.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik heb goed naar de heer Van Hijum geluisterd. Hij heeft het over een participatiemaatschappij. Daar moeten wij naartoe; dat is inderdaad waar. Ik heb echter geen enkele fundamentele invulling van die participatiemaatschappij gezien, in de zin dat echt werk wordt gemaakt van het tekort op de arbeidsmarkt. Een topman van de Rabobank heeft het afgelopen weekend in een interview gezegd dat het grootste probleem waarop Nederland afstevent, de krapte op de arbeidsmarkt is, samen met het feit dat het ontslagrecht nog steeds niet is versoepeld. Nu zegt de heer Van Hijum dat de Polen en de Roemenen, en straks de Bulgaren, niet meer mogen binnenkomen. Hoe rijmt hij dat met elkaar?

De heer Van Hijum (CDA):

Ik kom nog uitgebreid te spreken over de Midden- en Oost-Europese landen. Als het gaat om de participatiemaatschappij, deel ik de waarneming van mevrouw Koşer Kaya dat er een probleem is, namelijk ontzettend veel vacatures en tegelijkertijd een grote groep mensen die nog langs de kant staan. Ik heb aangegeven dat het juist een van de ambities van het kabinet en van de CDA-fractie is om die groepen bij elkaar te brengen. Ik snap dus niet hoe mevrouw Koşer Kaya tot de conclusie komt dat ik daaraan geen aandacht besteed.

De voorzitter:

Uw vervolgvraag, mevrouw Koşer Kaya.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik bewaar die tot de Roemenen en de Polen, want ik begrijp dat wij maar beperkt vragen mogen stellen. Ik vind dat eigenlijk heel slecht, omdat dit een begrotingsbehandeling is. Ik zou om wat meer ruimte willen vragen om vragen te kunnen stellen. Ik zou op het antwoord van de heer Van Hijum al een vraag willen stellen en op het volgende onderwerp ook.

De voorzitter:

Dit kost ook allemaal tijd. U hebt vier interrupties. Een interruptie bestaat uit twee delen. Als wij in de problemen komen, dan ben ik altijd beschikbaar voor overleg. U kent mij.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik kom echt te spreken over de Polen en de Roemenen.

Zorgwekkend vindt mijn fractie het dat de Wajongers met een SW-indicatie lang thuiszitten vanwege de wachtlijsten. De heer Ulenbelt sprak hier ook over. Een mogelijke oplossing, naast extra geld, is dat zij vast in dienst komen bij het SW-bedrijf en dat het UWV de kosten daarvan grotendeels vergoedt. Dat is een constructie die op veel terreinen al wordt gehanteerd. Klopt het dat het UWV deze creatieve oplossing slechts een half jaar wil faciliteren? Als je te maken hebt met heel lange wachtlijsten, soms van twee à drie jaar, dan biedt dat maar beperkt soelaas. Gemeenten kiezen vaak voor veel langduriger oplossingen. De vraag is of de minister dit wil stimuleren bij het UWV. Ook de problemen van de REA-instituten vragen nu eindelijk om een echte oplossing. Het opleiden van Wajongers hoort naar de mening van mijn fractie thuis in het onderwijsdomein en niet op de re-integratiemarkt. Is de minister bereid om het beleid op dit punt te heroverwegen? De CDA-fractie wil bijzondere aandacht besteden aan de positie van ouderen op de arbeidsmarkt. Het aandeel ouderen en 65-plussers in de beroepsbevolking neemt toe. De noodzakelijke cultuuromslag bij werkgevers blijft echter achter. Slechts 55% van de werkgevers, zo blijkt uit een onderzoek van de Raad voor Werk en Inkomen, weet dat die vergrijzing een feit is, en dat het daardoor noodzakelijk is geworden om oudere werknemers optimaal in te zetten. De CDA-fractie biedt de minister hierbij een actieplan oudere werknemers aan met daarin een aantal voorstellen om de beeldvorming te doorbreken en de positie van ouderen op de arbeidsmarkt te versterken. Graag vernemen wij op deze punten een reactie van de minister.

De voorzitter:

Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.

(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.)

De heer Van Hijum (CDA):

Voorzitter. Graag krijgt mijn fractie ook inzicht in de uitwerking van de lastenenveloppen arbeidsparticipatie uit het coalitieakkoord. Dat bedrag loopt op tot 1,2 mld. in 2011. Het Centraal Planbureau uit twijfels over de effecten van de verhoging van de aanvullende combinatiekorting en de verhoging van de kinderopvangsubsidie. De CDA-fractie verneemt graag van het kabinet waarom toch heel stevig wordt ingezet op deze punten. Welke effecten verwacht het kabinet daarvan?

Tot slot kom ik op de oneerlijke concurrentie door werknemers uit landen zoals Polen en Roemenië. Mevrouw Koşer Kaya stelde hier eerder al een vraag over. Deze oneerlijke concurrentie vindt wel degelijk ook plaats door illegale arbeid, ontduiking van de Wet minimumloon, ontduiking van arbeidsomstandigheden en arbeidstijden, en schijnzelfstandigheid. Die vormen van uitbuiting en oneerlijke concurrentie moeten keihard aangepakt worden. Dat is ook belangrijk met het oog op het draagvlak voor het vrije verkeer van werknemers. Op zichzelf is de CDA-fractie nog steeds voorstander van het vrije verkeer van werknemers, ook uit Roemenië en Bulgarije. In de toekomst kan hier niet aan ontkomen worden. Niettemin achten wij het verstandig om overgangsbeleid en overgangsmaatregelen te hanteren, net als is gebeurd bij de acht Midden- en Oost-Europese landen die al zijn toegetreden. Mijn fractie wil hetzelfde regime handhaven ten aanzien van Roemenië en Bulgarije.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik begin al terugtrekkende bewegingen te bespeuren bij de heer Van Hijum. Ik las toch echt dat het de bedoeling was dat er geen Roemeen of Pool, niemand meer, mocht binnenkomen. In het verleden is mijn fractie samen met die van het CDA opgetrokken voor sociaaleconomische hervormingen. Daar hebben wij keihard aan getrokken. Nu zie ik een standstill bij de CDA-fractie. Het zou de CDA-fractie sieren als zij juist op dit punt de hoofdzaak van bijzaken onderscheidt. Hoofdzaak is het aanpakken van de krapte op de arbeidsmarkt. Daar horen de Polen ook bij. Zij zorgen ook voor economische groei; dat zou de heer Van Hijum toch moeten aanspreken. Bijzaak is waar de heer Van Hijum het over heeft: het zorgen voor goede woningen, scholing en Nederlandse les. Voor die bijzaken vindt de heer Van Hijum mij aan zijn zijde. Hoofdzaak blijft echter nog steeds dat de arbeidsmarkt te star is. De heer Van Hijum geeft daar geen enkele invulling aan. Hij voert goedkope politiek als hij zegt dat de Polen en Roemenen er niet in mogen.

De heer Van Hijum (CDA):

Mevrouw Koşer Kaya haalt er nu wel heel veel dingen bij. Ik heb het in mijn uitlatingen afgelopen week niet over de Polen gehad. Voor dat besluit staat mijn fractie. Wij constateren op dit moment een aantal problemen op het gebied van huisvesting en handhaving. Die problemen moeten aangepakt worden. De vraag is of op heel korte termijn die problemen vergroot moeten worden door ook direct de openstelling van de grenzen voor Roemenen en Bulgaren te eisen. Wij denken dat het kabinet heel verstandig een overgangstermijn van twee jaar heeft gehanteerd. Ik sluit een verlenging daarna niet uit. Op die manier is destijds over de toelating van de Polen besloten. Ik wijs erop dat de verschillen in welvaart tussen die landen en ons deel van de wereld buitengewoon groot zijn. Wij zouden in Europa vrijwel het enige land zijn dat tot een dergelijke openstelling van de grenzen zou besluiten. Dat zou op dit moment onverstandig zijn.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik begrijp dat de CDA-fractie inmiddels een stap in de juiste richting zet door mogelijk te maken dat straks Roemenen en Bulgaren wel toegelaten worden.

De heer Van Hijum (CDA):

Laten wij elkaar geen fabeltjes vertellen. Deze landen zijn lid geworden van de Europese Unie. Dat betekent dat wij gewoon een overgangsperiode van twee jaar en daarna nog een verlenging van drie jaar kunnen hanteren. Daarna kun je wellicht opnieuw met twee jaar verlengen, maar dan moet je wel heel goede argumenten hebben. De CDA-fractie wil in ieder geval de eerste twee jaar vol maken, zonder tussentijdse versoepelingen. Wij willen heel kritisch kijken naar de verlenging met nog eens drie jaar. Nogmaals, Nederland moet immers niet de gekke Henkie van Europa worden. Maar uiteindelijk zal de arbeidsmarkt ook voor die landen opengaan.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Hoe gaan wij uiteindelijk om met de Polen, Bulgaren en Roemenen die een bijdrage leveren aan de Nederlandse economie? De Kamer heeft over de toelating van de Polen een heldere afspraak met het kabinet gemaakt. Bent u het met mij eens dat het zinvol is om die concrete afspraken adequaat te regelen? Het gaat dan om inlenersaansprakelijkheid, "gelijk loon, gelijk werk", werkgevers die een bijdrage leveren aan de huisvesting en het feit dat kinderen die zich in Nederland vestigen met hun ouders hier ook naar school kunnen. Wij voeren volgende week nog een overleg over dit onderwerp. Wilt u dat op een goede manier doen, zodat de Polen niet langer in de verdachtenhoek worden gezet en dat de Bulgaren en Roemenen misschien eerder naar Nederland kunnen komen? Het gaat allemaal om werk dat mensen in Nederland niet willen doen of waarvoor geen mensen zijn. Hoe kijkt u daar tegenaan?

De heer Van Hijum (CDA):

U vraagt wel een beetje naar de bekende weg. Dit zijn natuurlijk allemaal onderwerpen waarover met het kabinet een afspraak is gemaakt in het kader van het flankerend beleid. Het is heel goed dat het kabinet de komende dagen spreekt met gemeenten, werkgeversorganisaties, woningcorporaties en scholen over de oplossing van die problemen. Dat ben ik volledig met u eens. Er is echter nog wel een aantal problemen die het kabinet zelf moet aanpakken, zoals de handhavingsproblematiek, illegaliteit en uitbuiting. Ik vind echt dat de Arbeidsinspectie uitgebreid moet worden om het aantal inspecties te kunnen opvoeren. Ik ben er namelijk niet van overtuigd dat het handhavings­offensief, zoals wij dat met elkaar hebben afgesproken, er daadwerkelijk is.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Het is evenzeer een wens van de fractie van GroenLinks dat mensen niet uitgebuit worden noch slecht behandeld worden en dat zij niet via schijnconstructies in Nederland aan het werk gaan, met alle problemen van dien. Maar dan moeten wij wel doorpakken en dat beter regelen. Kan ik deze en volgende week met u optrekken om de minister een beetje tot actie te bewegen?

De heer Van Hijum (CDA):

Wij hebben goede ervaringen met elkaar, dus dat kan de komende week evenzeer.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Dat zal mij benieuwen!

De heer Blok (VVD):

De heer Van Hijum zei zo-even dat deze coalitie 1,2 mld. aan loonkostensubsidie wil gaan besteden – dat is veel geld – en dat hij op dat punt een onderzoek wil van het CPB. Dat laatste lijkt mij heel wijs. Wel ben ik benieuwd wat de CDA-fractie gaat doen als het CPB kritisch is over de plannen van het kabinet op dit punt.

De heer Van Hijum (CDA):

Het ligt op dit punt iets anders. Het gaat over de invulling van 1,2 mld. voor de Lastenenveloppe arbeidsparticipatie. Het CPB is al kritisch geweest over een aantal maatregelen die in dat kader worden voorgesteld. Daar ging mijn vraag over.

De heer Blok (VVD):

Mijn vraag was dus niet voor niets.

De heer Van Hijum (CDA):

Dat klopt, maar mijn vraag was ook niet voor niets.

De heer Blok (VVD):

Maar wat gaat u doen als het CPB kritisch blijft?

De heer Van Hijum (CDA):

De dingen moeten wel in de goede volgorde gebeuren. Ik stel vast dat het kabinet om bepaalde redenen kennelijk toch kiest voor een aantal maatregelen. Ik wil de argumenten hiervoor nadrukkelijk horen. Dat past ook binnen de rol die wij als parlement te vervullen hebben. Het gaat niet over niets. Het gaat om honderden miljoenen euro's. Dan mag je ook kritisch kijken of de doelstellingen scherp zijn geformuleerd en wat ermee beoogd wordt. Dat moet u toch ook aanspreken, mijnheer Blok.

De heer Blok (VVD):

Ik heb niets dan lof daarvoor, maar de heer Van Hijum moet kiezen. Ofwel is hij bereid om de plannen bij te stellen – in dat geval heeft het onderzoek zin – ofwel voelt hij zich 100% gebonden aan het coalitieakkoord. Ik kijk even naar de PvdA-fractie. Zij zitten in hun papieren gedoken. Als de heer Van Hijum zich 100% gebonden voelt aan het coalitieakkoord, hoeft hij het onderzoek van het CPB niet te laten uitvoeren.

De heer Van Hijum (CDA):

De heer Blok heeft het over loonkostensubsidie. Ik heb gesproken over de aanvullende combinatiekorting. Dit is de fiscale korting die wordt gegeven wanneer de minst verdienende partner weer gaat werken. Het Centraal Planbureau zegt dat het effect hiervan op de vergrijzingsdruk minimaal is. Toch wordt er heel veel geld in gestoken. Ik vraag mij af waarom wij dit doen. Een reden kan zijn dat de korting een inkomenseffect heeft. Het participatie-effect is echter heel beperkt, terwijl dit een van de beweegredenen is om zo'n maatregel te nemen.

De combinatie werk, zorg en onderwijs moet worden ondersteund. Mijn fractie hecht zeer aan ruimte naast betaalde arbeid, voor opvoeding, mantelzorg en vrijwilligerswerk. Het Sociaal en Cultureel Planbureau waarschuwde onlangs nog voor verdringing van deze taken doordat stevig wordt ingezet op beleid voor betaald werk. Wij concluderen dat de analyse die ten grondslag lag aan ons pleidooi voor een levensloopregeling onverminderd actueel is. Tijdens de piekfase tussen de 25 en de 50 jaar zijn gezinnen namelijk mede door de combinatie van werk en zorgtaken overbelast. Meer ruimte voor een combinatie van betaald en onbetaald werk levert meer gemotiveerde en productieve werknemers op en vermindert de druk op het professionele circuit. Helaas moeten wij vaststellen dat de levensloopregeling de fase van de tekentafel nog niet is ontgroeid. Vorig jaar namen slecht 350.000 mensen deel aan de regeling. Wat de redenen ook zijn, burgers ervaren de regelingen niet als aantrekkelijk. Verzekeraars zien er overigens kennelijk wel steeds meer brood in. Wij zullen deze periode een slag moeten maken om de regeling aantrekkelijker te maken. De strikte koppeling aan wettelijk verlof werkt naar ons oordeel in de hand dat werknemers zich geen eigenaar voelen van het geld. Daarom wil het CDA de huidige regeling omvormen tot een individuele spaarfaciliteit voor periodes van minder inkomen, waarin de werkgeversbijdrage gericht gegeven kan worden. Zo worden collectieve regelingen aantrekkelijker. Kan de minister al zeggen of de richting waarin het kabinet denkt aansluit bij deze gedachte?

Ik zal mij beperken bij de voorstellen tot thuis- en telewerken. Vorige week bij de begrotingsbehandeling van Verkeer en Waterstaat zijn die aan de orde gekomen. CDA-collega Koopmans en de heer Anker van de ChristenUnie hebben daarover een motie ingediend. Wij rekenen erop dat ook de kabinetsleden van Sociale Zaken bijdragen aan de snelle uitvoering van deze motie.

Steeds meer afgestudeerden en werknemers zetten de stap naar zelfstandigheid. Eind 2006 kende Nederland al bijna een miljoen zelfstandigen zonder personeel. Deze ontwikkeling is heel positief. Kan het kabinet inzicht geven in de mate waarin deze mensen zich verzekeren tegen de risico's van arbeidsongeschiktheid? In welke mate doen zij een beroep op de vrijwillige verzekering bij het UWV en de vangnetverzekering van particulieren? Wij moeten alert blijven op het onderscheid tussen werknemer en zelfstandige. Er lijkt zich een aanzienlijk grijs gebied te ontwikkelen. Te denken valt aan betalingen op basis van stukloon in de postmarkt en in de land- en tuinbouw via overeenkomsten van opdracht en aan schijnzelfstandigheid.

Mijn fractie hecht zeer aan een flexibele arbeidsmarkt en vindt dat het voor scholieren, studenten en huisvrouwen niet te moeilijk moet zijn om iets bij te verdienen. Welke mogelijkheid ziet het kabinet om de administratieve lasten van kleine baantjes voor werkgevers te beperken? Kan het kabinet ook toelichten waarom in de agrarische sector de hoge WW-premie moet worden afgedragen voor baantjes van maximaal acht weken voor scholieren, studenten en vrouwen? Wij hebben er meer moeite mee indien flexconstructies misbruikt worden om onder de wettelijke bepalingen van minimumloon, arbo, arbeidstijden of sociale verzekeringen uit te komen. De CDA-fractie verneemt graag de visie van de minister op deze ontwikkelingen.

De heer Omtzigt (CDA):

Voorzitter. Ik begin met het positieve nieuws. Meer mensen dan ooit hebben een baan, namelijk 7,8 miljoen mensen. Het aantal mensen in de bijstand is het laagst in 25 jaar. Ook het aantal mensen met een werkloosheidsuitkering of WAO/WIA-uitkering is historisch laag. Een baan is een goede garantie voor inkomen. Verder wordt goed gezorgd voor de mensen die zelf niet kunnen werken. De WAO en WIA is naar 75% van het laatstverdiende loon verhoogd, de WW eveneens naar 75% in de eerste paar maanden. De armoede onder ouderen daalt snel, nu die goede pensioenen hebben. En mevrouw Karabulut, er is een kindertoeslag, zodat alleenstaande ouders met een laag inkomen er dit jaar het meest op vooruitgaan; dat zal u in de begroting toch niet zijn ontgaan. Het beleid voor de komende jaren dient te zijn gericht op eenvoudige ondersteuning waar dat nodig is: gezinnen met kinderen. Werk is en blijft leidend als de uitweg uit armoede.

Ik heb een aantal opmerkingen over het beleid, allereerst over de inkomensondersteuning voor mensen die het erg moeilijk hebben. Het Nibud heeft een module ontwikkeld voor mensen, om hen hun weg te laten vinden in de moeilijke regelgeving. Soms kunnen mensen wel op tien of vijftien regelingen aanspraak maken en voor sommigen is dat erg moeilijk. De Nibud-module is nu alleen beschikbaar voor de professionals. We herhalen de vraag die wij ooit hebben gesteld: kan het kabinet ervoor zorgen dat deze Nibud-module publiekelijk beschikbaar wordt, gewoon via het internet? Mensen kunnen dan zien waar hun aanspraken liggen, maar ouderenbonden kunnen hiermee bijvoorbeeld ook ervoor zorgen dat de mensen die zij bezoeken, aanspraak kunnen maken op de zaken waarop zij gewoon recht hebben. Ik hoor graag een toezegging.

Vanochtend werd ik wakker met een spotje over de AOW-partnertoeslag die in 2015 vervalt. Wij hebben hierop eerder aangedrongen. Het betreft een fors verschil, van € 673 in de maand voor een echtpaar met een leeftijdsverschil. Dat stond in 1994 al in het Staatsblad en er is ook al een Postbus 51-folder over. In antwoorden op Kamervragen geeft het kabinet echter aan dat twaalf jaar na de invoering van de wet slechts 23% van de mensen van deze maatregel weet. Dit is ook niet als doelstelling van het kabinetsbeleid opgenomen in de begroting. Ik vraag dus om de toezegging om ervoor te zorgen dat over twee jaar ten minste 75% van de doelgroep van deze maatregel weet, zodat men zich op tijd kan voorbereiden.

De schuldhulpverlening moet beter worden aangepakt. Natuurlijk is dit in de eerste plaats iets voor het gemeentelijke niveau, maar wij vinden dat de aanpak voortvarend moet zijn. Hoezo wachtlijsten? Kan de regering aangeven dat gezinnen met kinderen, een- en tweeoudergezinnen, zo spoedig mogelijk worden geholpen en dat wachtlijsten als sneeuw voor de zon verdwijnen? Welke doelstelling heeft de regering voor de komende twee jaar? Graag een toezegging. Wil de regering daarbij speciale aandacht besteden aan jonge, alleenstaande tienermoeders? Als die in problemen komen, kan hun toch niet worden gezegd dat zij een paar jaar moeten wachten? Die mensen moeten meteen worden geholpen; zij hebben het al moeilijk genoeg met de combinatie van arbeid en zorg, die voor een alleenstaande ouder zwaar kan wegen. Hoe wordt ervoor gezorgd dat deze meisjes niet in de schulden geraken en, als zij in de schulden zitten, buitengewoon snel worden geholpen?

Verder zijn er de belemmeringen voor 65-plussers om door te werken. Voor mensen van 65 is er in dit land een goede AOW. Daar zijn wij buitengewoon trots op, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat mensen niet kunnen werken, dat zij niet kunnen doorgaan als werknemer. Daarom staat in het aanvalsplan dat mijn collega Van Hijum zojuist indiende, een laatste paragraaf over doorwerken na 65 jaar. Dat moet kunnen en dat moet makkelijker. Dat moet makkelijker voor de werknemer zelf en voor de werkgever. Niet alleen zijn er nog allerlei belemmeringen in beeldvorming, zoals Bureau AStri die heeft uitgezocht: men denkt dat 65-plussers wat langzamer zijn en dergelijke. Er zijn ook belemmeringen in de regelgeving. Zo is er de zelfstandigenaftrek voor de 65-plussers. Zo is er de verplichte loondoorbetaling van twee jaar: waarom wil je een verplichte loondoorbetaling voor iemand van zeventig? Zo mag men alleen iemand ontslaan op de leeftijd van 65 jaar, wat betekent dat een werkgever bijna gedwongen is om het arbeidscontract dan te beëindigen. Is de regering bereid om met alternatieven daarvoor naar de Kamer te komen, zodat mensen die dat willen, de mogelijkheid wordt gegeven om gewoon door te blijven werken en participeren?

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter. Dit klinkt mij als muziek in de oren. In mijn termijn wilde ik hierover een motie indienen, ik wil namelijk dat 65-plussers ook gebruik kunnen maken van de startersaftrek en de zelfstandigenaftrek. Trekt u dan met mij op?

De heer Omtzigt (CDA):

U hebt de moties gezien die mijn fractie eerder heeft ingediend.

Voorzitter. De vrijwilligersbijdrage bedraagt € 1500 per jaar, maar iemand met een bijstandsuitkering ontvangt slechts maximaal € 764 per jaar. Waarom kunnen alleenstaanden en bijstandsgerechtigden niet een iets hogere vergoeding voor vrijwilligerswerk krijgen? Hoe verhoudt een en ander zich tot de armoedeval en de prikkel om weer aan het werk te gaan? Zijn hier verbeteringen mogelijk? Werkt het verder niet belemmerend voor iemand die een tijdje een bijstandsuitkering ontvangt en daarna aan het werk gaat? Het is immers goed mogelijk dat iemand maar een deel van het jaar in de bijstand zit. Het is toch zeker ons ideaal dat mensen zo snel mogelijk uit de bijstand komen?

Een ander probleem is dat een aantal gemeenten bij de bijzondere bijstand de vrijwilligersvergoeding en de TBU als inkomen zien. De CDA-fractie is van mening dat dit onjuist is. Voor ons is het duidelijk dat het niet mag meetellen voor de bijzondere bijstand. Het is immers een tegemoetkoming voor buitengewone uitgaven. Wat heeft de staatssecretaris gedaan met zijn toezegging om de vrijwilligersvergoeding niet langer mee te laten tellen bij de bepaling van de bijzondere bijstand? Is deze toezegging wellicht al verwerkt in lagere regelgeving?

Voorzitter. Dit punt zal u zeker aanspreken, want het betreft het amendement-Mosterd/Verbeet. Met dit amendement is op een fantastische manier tegemoetgekomen aan de wens van een groep gescheiden vrouwen. Met dit amendement is een historische fout rechtgezet. Vrouwen die als ambtenaar werkzaam waren, moesten vroeger volgens de wet stoppen met werken, maar wanneer zij scheidden, hadden zij geen enkel recht op het pensioen van de echtgenoot. Om hen tegemoet te komen is een eenmalige regeling getroffen. Daaraan zitten echter nog wel een paar scherpe kantjes.

Het eerste scherpe kantje is de eis dat een vrouw ingezetene van Nederland moet zijn om aanspraak te kunnen maken op deze tegemoetkoming. Het tweede scherpe kantje is het bruto/netto-traject voor vrouwen beneden de 65. Ik denk dat de minister weet waarop ik doel, want hij zal ongetwijfeld dezelfde brieven hebben ontvangen als ik. Is hij bereid om nog eens naar deze regeling te kijken en deze mensen tegemoet te komen via een hardheidsclausule of een aanpassing van de voorwaarden? Deze mensen waren vaak jarenlang getrouwd en moeten nu van alleen AOW of alleen bijstand rondkomen, terwijl hun man geniet van een goed pensioen.

De BU/TBU moet hervormd worden, omdat de compensatie voor ziektekosten gerichter kan worden ingezet. Ik heb echter geen goed beeld van de uitgaven die samenvallen met de huurtoeslag en de zorgtoeslag. De BU/TBU verlaagt namelijk het verzamelinkomen en verhoogt daarmee het recht op huurtoeslag en zorgtoeslag. Staatssecretaris Bussemaker heeft aangekondigd dat zij de Kamer hierover een brief zal sturen. Is het mogelijk om daaraan een overzicht toe te voegen van de huurtoeslag, zorgtoeslag en kinderopvangtoeslag die mensen extra hebben ontvangen als gevolg van de BU/TBU? Bovendien kan dit overzicht goed worden betrokken bij de discussie over dit voorstel.

Op de onvolledige AOW kom ik op 17 januari terug. Verder zal mijn fractie later vanavond een voorstel doen voor de OPTAS en de pensioenfondsen in de Rotterdamse haven.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dat vroeger alleen rijke werkenden gebruik konden maken van de kinderkorting was onrechtvaardig. Het is dan ook goed dat deze regeling nu ook toegankelijk is voor mensen met een minimuminkomen. Maar waarom zwijgt u toch over andere groepen? In uw bijdrage over buitengewone uitgaven zegt u helemaal niets over chronisch zieken en gehandicapten, terwijl deze groep wel wordt geraakt door de dekking die u aangeeft voor uw voorstel voor de bestrijding van armoede onder kinderen. Ik hoor u verder ook niets zeggen over het AOW-gat en ouderen die als gevolg van het woud aan regels geen gebruikmaken van de aanvullende bijstand. Ik heb voorstellen gedaan om deze ouderen uit de armoede te halen. Bent u bereid om die voorstellen te steunen?

De heer Omtzigt (CDA):

Dat zijn drie vragen. De eerste vraag gaat over de kindertoeslag. Ik ben blij dat u inziet dat u een rekenfout hebt gemaakt. De alleenstaande ouder die werkt gaat er dit jaar gewoon op vooruit dankzij de maatregel van het kabinet die u en ik samen toejuichen.

Uw tweede vraag betreft de BU/TBU. Als in dit land meer dan 3 miljoen huishoudens en 5 miljoen mensen hierop recht hebben, hebben wij in dit land ofwel 5 miljoen chronisch zieken ofwel gaat de compensatie niet gericht naar de chronisch zieken. Of u stelt dat er 5 miljoen chronisch zieken zijn die recht hebben op compensatie of u deelt mijn standpunt dat wij ervoor moeten zorgen dat de compensatie gericht terechtkomt bij de juiste groep en dat deze niet verrekend wordt met de bijzondere bijstand. In mijn termijn ben ik hierover heel helder geweest. Ik neem er akte van dat u kennelijk van mening bent dat de huidige regelgeving juist is. Deze leidt er ook dit jaar toe dat bijvoorbeeld een AOW-echtpaar met een aanvullend pensioen van ongeveer € 40.000 standaard recht heeft op de BU-aftrek, hoewel het geen extra ziektekosten heeft. Wij vragen ons af of dat een ideale regeling is. Als wij ervoor zorgen dat deze groep, die niet geconfronteerd wordt met extra ziektekosten, volgend jaar geen recht meer heeft op de BU-aftrek, steunt u ons beleid dan?

Ik ben mijn betoog begonnen met een gericht voorstel om ervoor te zorgen dat het niet-gebruik wordt opgeheven in de regelingen. Iedereen moet kunnen beschikken over de Nibud-module, zodat direct duidelijk is waarop iemand recht heeft. Misschien, hopelijk leidt dat tot enige vereenvoudiging in dit woud van regelgeving. Eerst moet ervoor gezorgd worden dat mensen die nu recht op vergoeding hebben, hiervan ook gebruik kunnen maken.

Mevrouw Karabulut (SP):

Het probleem is nu juist dat ouderen door deze regeltjes waarvan zij soms niet op de hoogte zijn en door de vele loketten die zij moeten aflopen, deze aanvulling niet krijgen en onder het sociaal minimum terechtkomen. Dat is eenvoudig op te lossen – ik dacht dat u hiervan ook voorstander was – door deze aanvulling automatisch over te hevelen naar de SVB. Daarover hoor ik u niet. U zegt tegen ouderen: zoek het zelf maar uit.

De heer Omtzigt (CDA):

Mevrouw Karabulut, u hebt de moties-Spies/Spekman gezien. Inmiddels zijn veel gemeenten, die goed zijn voor twee derde tot drie kwart van de mensen met een onvolledige AOW-uitkering, overgegaan naar uitvoering door de SVB. Wij hebben dus grote slagen gemaakt, juist dankzij deze staatssecretaris die duidelijk stappen onderneemt. Wij hebben afgesproken op 17 januari 2008 nader te bestuderen...

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Bestuderen?

De heer Omtzigt (CDA):

Ja, mevrouw Van Gent, bestuderen. Wij zijn immers heel zorgvuldig. Uw laatste maatregel, dat vluggertje dat u scoorde met de inkoop van AOW-rechten wordt jaarlijks door twintig personen gebruikt, terwijl 10.000 personen per jaar een AOW-gat hebben. Dat gebeurt als u snel iets aanpast in de wetgeving en denkt dat het probleem is opgelost. Vervolgens maakt niemand er gebruik van. Wij willen armoede onder ouderen oplossen en hebben hiertoe heel gerichte acties ondernomen.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dat wil de heer Omtzigt niet. Als hij dat wel zou willen, zou hij ons amendement steunen. 30.000 ouderen krijgen nu niet waarop zij wel recht hebben en leven onder het sociaal minimumniveau. Zij moeten hun hand ophouden bij de voedselbank. Wij kunnen dit regelen: de SVB wil het en de gemeenten willen het. Bovendien is het goedkoper en effectiever. Waarom steunt u dit niet?

De heer Omtzigt (CDA):

Ik ben helder geweest over twee punten. In de eerste plaats waren wij het die dit een half jaar geleden hebben voorgesteld. Nu zien wij dat u meekomt. In de tweede plaats zijn de meeste gemeenten, waaronder de gemeenten waarin de grootste groepen ouderen met een onvolledige AOW wonen, al overgegaan op uitvoering door de SVB. Wij hebben daar overigens een behoorlijke serie vragen over gesteld die nu worden beantwoord. Daarom hebben wij een algemeen overleg gepland op 17 januari 2008.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

U moet dat gewoon steunen, mijnheer Omtzigt, maar u komt ons nog wel tegen. U bent ook financieel erg onderbouwd, dus ik stel u nog een vraag. U sprak over meevallers, modules en aanvalsplannen. Ik heb begrepen dat er een meevaller is bij de uitgaven van dit kabinet van 400 mln. Volgens de begrotingsafspraken van dit kabinet mag een meevaller bij de uitgaven worden besteed bij de najaarsnota. Ik heb een concreet voorstel dat ongeveer 200 mln. kost. Het heeft te maken met het armoedeaanvalsplan. Waarom geven wij niet alle huurders met huurtoeslag – die worden zwaar gekort op de huurtoeslag en het zijn niet de mensen met de dikste portemonnees – de helft van die 400 mln. zodat zij met de kerst een gratificatie kunnen krijgen van € 200? Ik hoor graag een concreet en helder antwoord.

De heer Omtzigt (CDA):

Dit kabinet maakt serieus werk van armoedebestrijding. Er is dit najaar niet voor niets twee keer 40 mln. extra uitgetrokken voor armoedebestrijding. Ik wil uw amendement bekijken, maar ik zeg daar voorshands geen steun aan toe.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Dat vind ik niet echt een sterk antwoord. Ik vind het eigenlijk nogal slap. Je kunt immers niet met de ene hand nemen en met de andere hand geven. Dat levert per saldo eigenlijk te weinig op voor mensen. Mijn voorstel betreft een concrete groep. Er is een meevaller bij de uitgaven van 400 mln. Ik heb u daar niet over gehoord. Het klopt bovendien dat dit mag worden besteed bij de najaarsnota. Het voorstel is bedoeld voor de mensen die het het allermoeilijkst hebben in Nederland, dat zijn ook mensen met huurtoeslag en een laag inkomen. Zij worden jaarlijks met € 200 gekort op die huurtoeslag. Wat is dan een beter doel voor die meevaller dan een kerstgratificatie voor deze groep? Waarom doet u nu zo moeilijk?

De heer Omtzigt (CDA):

U kunt uw plan indienen bij de najaarsnota. Dat bent u kennelijk ook van plan. Ik heb geen amendement gezien op de begroting voor SZW op dit terrein. Ik heb bij de najaarsnota overigens een zeer grote financiële tegenvaller bij de huurtoeslag gezien. Die zal u niet zijn ontgaan.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Dit is een soort uitlokking. Wij hebben ook zeer forse tegenvallers bij de hypotheekrenteaftrek. Dat betreft niet de meest armlastige mensen, maar hoor ik u niet over. Ik probeer te onderzoeken wat het aanvalsplan is van de CDA-fractie op het gebied van armoedebestrijding. U kunt concreet met € 200 over de brug komen. Doe dan eens gek!

De heer Omtzigt (CDA):

Wij hebben een aantal concrete plannen ingediend om ervoor te zorgen dat mensen via werk – dat is de oplossing die wij prefereren – uit de armoede komen. Kijkt u nu eens wat er is gebeurd sinds het aantreden van de kabinetten-Balkenende I, II, II en IV. Er zijn 7,8 miljoen mensen aan het werk! In 25 jaar tijd zijn de uitkeringen voor bijstand, WW, WAO en WIA niet zo laag geweest! Ik denk dat wij daar buitengewoon trots op kunnen zijn. Wij willen daarmee doorgaan. Daarom komen wij ook met voorstellen om de komende jaren werken gemakkelijker en aantrekkelijker te maken, zowel voor de werkgever als voor de werknemer. Dat zet zoden aan de dijk!

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik ben zeer teleurgesteld in deze reactie. Dat is geen antwoord.

De heer Nicolaï (VVD):

Voorzitter. Dit kabinet houdt mensen thuis. Op papier is het "samen werken", maar in de praktijk blijkt het "samen thuis zitten" te zijn.

Er is nu een ongekend aantal vacatures: bijna een kwart miljoen. Tegelijkertijd zijn er ongeveer 1 miljoen mensen die wel kunnen werken, maar niet werken en thuis zitten. Tegen deze achtergrond vind ik dat het kabinet een heel laag ambitieniveau presenteert om mensen aan de slag te krijgen: 200.000. Ik vind dat het kabinet in ieder geval een dubbele ambitie aan de dag zou moeten leggen. Ik zal een aantal voorstellen doen waarmee dat aantal 400.000 kan en moet worden. Graag verneem ik daarop de reactie van het kabinet.

Ik begin met de ontheffing van de sollicitatieplicht. Wij hebben gezien dat dit in een onaanvaardbaar aantal gevallen voorkomt. In strijd met de geest van de Wet werk en bijstand wordt bijvoorbeeld bij mensen van 57 jaar en ouder in de helft van de gevallen geen sollicitatieplicht opgelegd. Zij worden dus van de sollicitatieplicht ontheven.

Nog erger is het voornemen van dit kabinet om gemeenten de mogelijkheid te ontnemen om zelf een beleid te voeren binnen de grenzen van de Wet werk en bijstand door categoraal alle bijstandsmoeders uit te zonderen van de sollicitatieplicht. Zo langzamerhand lijkt dit kabinet ongeveer de enige in Nederland die hier voorstander van is. Wij hebben net gezien dat de mensen die weten hoe het werkt, dus de sociale diensten, bij monde van de voorzitter Tof Thissen hebben bevestigd dat het een slechte maatregel is die averechts werkt om juist die mensen op deze manier thuis te houden. Ook hebben wij eerder gezien via een onverdachte bron, namelijk de PvdA-wethouders van de grote steden, dat zij hartstochtelijk tegen het thuis houden van bijstandsmoeders zijn.

Het CDA is opvallend stil. Ik hoor hierover namelijk heel weinig positiefs van de kant van het CDA. Wij hebben zojuist ook de voorzitter van de SER gezien die weer eens heeft uitgelegd hoe averechts dit werkt. Als ik dat alles wegstreep, houd ik eigenlijk alleen de ChristenUnie over die voorstander is van deze "aanrecht"-verplichting.

Mijn tweede punt is het niet-verlagen van de herkeuringsleeftijd van WAO'ers van 50 naar 45 jaar. Zij worden niet meer herkeurd volgens het strengere schattingsbesluit. Op deze manier wordt juist niet gekeken naar wat deze mensen nog wel kunnen en worden zij niet gestimuleerd door een plaats op de arbeidsmarkt.

Een derde punt is het niet-verhogen van de uitkering van volledig arbeidsongeschikten van 70% tot 75%. De VVD is er wel voor dat deze voor de duurzaam volledig arbeidsongeschikten wordt verhoogd, maar niet voor de andere categorie, die juist nog wel perspectief op werk moet houden en die met carrot and stick moet worden gestimuleerd.

Het vierde punt is de blamage van dit kabinet, te weten de modernisering van het ontslagrecht, of beter: het niet-moderniseren van het ontslagrecht. Het kabinet durft dat niet aan en heeft nu een schaamlapcommissie ingesteld, terwijl iedereen – ook dit kabinet – heeft geconstateerd dat het te duur is en te vaak averechts werkt. Het ontslagrecht beschermt misschien de insiders nog wel, maar meer dan goed voor hen is omdat het hen te lang op hun plek houdt, terwijl het juist aan nieuwkomers onvoldoende ruimte geeft om ertussen en erbij te komen.

Velen zijn het er ook over eens – de minister van Sociale Zaken voorop, gelukkig – dat het moderniseren van het ontslagrecht een onlosmakelijk onderdeel is van het hele functioneren van de arbeidsmarkt en van het glorieuze resultaat van de participatietop. Daar is het plan in duigen gevallen omdat de werkgevers logischerwijs zeggen dat dit een onlosmakelijk onderdeel blijft van het geheel en dat zij daarom hun deel niet kunnen realiseren. Ondertussen zijn deze mensen wel de dupe van de potsierlijke partijpolitiek.

Ik hoor graag het volgende van het kabinet. Wie garandeert mij dat wij met alle subsidies die nu op banen worden gelegd niet toch weer een stap zetten op weg naar een Melkertbaan?

Betere opvangmogelijkheden voor kinderen van werkende ouders zijn nog steeds een grote belemmering in Nederland voor velen, vooral voor moeders, om gezin en carrière te combineren. De arbeidsparticipatie van vrouwen zou er aanzienlijk door toenemen. Dat weten wij uit verschillende onderzoeken. Er zijn nu wachtlijsten van ongeveer 20.000 kinderen bij de buitenschoolse opvang. Wat doet het kabinet om dit nu als de wiedeweerga weg te werken?

De heer Van Hijum noemde daarnet al het regionale initiatief in Twente, waar de VVD samen met een aantal werkgevers praktische plannen heeft gemaakt om aan mensen met een achterstand tot de arbeidsmarkt werkplekken ter beschikking te stellen gedurende een proefperiode, waarin zij kunnen bekijken of de betrokkene daar kan blijven. Dat is natuurlijk wel de hoop en de bedoeling. Dat is een interessant initiatief. Als dit nu werkt, hoe bevorderen wij dan dat het op andere plaatsen – ook regionaal georganiseerd, wat mij betreft – op zo'n manier kan plaatsvinden?

Ik kom bij de discussie over het vrij verkeer van werknemers uit nieuwe lidstaten van de Europese Unie. Ik vind dat er alle reden is om niet te denken aan enige vervroeging van de datum die wij hebben afgesproken, maar ik vind dat er wel alle reden is om ons bij voorbaat voor te bereiden op een verlenging van die periode. Dat hoeft niet noodzakelijkerwijs drie jaar te zijn. Dat is wel de volgende periode, maar die is niet verplicht. Men kan natuurlijk wel monitoren, maar laten wij lessen trekken uit wat wij hebben gezien bij Polen en anderen uit Oost-Europese landen. Ik vind er veel voor te zeggen om voorbereidingen te treffen voor verlenging en daarmee ook te zorgen dat wij niet in West-Europa vooroplopen of gekke Henkie zijn.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

De heer Nicolaï zei net zelf dat wij een krappe arbeidsmarkt hebben. Dan begrijp ik zijn opmerkingen over Roemenen en Bulgaren niet. Als liberaal zou hij er toch juist voor moeten pleiten dat ook deze mensen naar Nederland kunnen komen om toe te treden tot de arbeidsmarkt wanneer daar voldoende vraag is? Ik begrijp niet dat hij als liberaal zegt dat zij nu niet mogen komen, terwijl het mkb zonder personeel zit, net als de bouw, de tuinbouw en de zorg. Wij zitten nu al met een enorm tekort, dat de komende tijd alleen maar zal toenemen. Waarom vindt u dat deze mensen nu niet naar Nederland kunnen komen?

De heer Nicolaï (VVD):

Ik neem graag een verwarring weg waarmee ik wel vaker word geconfronteerd. Ik sta hier niet namens de werkgevers. Ik sta hier namens de VVD. Ik weet dat de werkgevers dringend behoefte hebben aan mensen en dus ook aan hardwerkende Polen en Roemenen, maar ik zie tegelijkertijd een miljoen mensen in Nederland die kunnen werken, maar dat niet doen. Ik wil maximale druk, bijvoorbeeld met carrots en sticks, of wat er maar te verzinnen is, om die mensen en dat kwart miljoen aan vacatures bij elkaar te brengen. Dan helpt het niet, ook al is dat iets gemakkelijker, om daarvoor mensen van elders aan te trekken.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Natuurlijk moeten wij de mensen hier ook inzetten, maar op dit moment hebben wij een probleem. De Polen doen de werkzaamheden die nu moeten worden gedaan. Straks doen wellicht de Bulgaren en de Roemenen die werkzaamheden. De heer Nicolaï weet net zo goed als ik dat zij zorgen voor economische groei. In Engeland hebben de Polen gezorgd voor een economische groei van 20%. De heer Nicolaï spreekt nu echter van een pas op de plaats, dat niemand meer binnen mag komen en dat eerst de mensen die wij hier hebben aan het werk moeten worden geholpen. Dat is naïef.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik kan mevrouw Koşer Kaya geruststellen, want ik ben juist een pleitbezorger van het vrije verkeer in de Europese Unie, onder andere omdat ik zie dat dit Nederland economisch profijt oplevert. Het gaat hier echter om overgangsbepalingen in een periode dat de welvaartsverschillen heel erg groot zijn, met Bulgarije en Roemenië nog groter als je die vergelijkt met een land als Nederland dan wanneer je kijkt naar Polen en andere Oost-Europese landen toen zij toetraden. Ik vind het volstrekt logisch dat er overgangstermijnen worden gehanteerd. Misschien is het goed ons te realiseren dat het andersom ook gebeurt. Als boeren uit Nederland grond willen kopen in Polen, hebben zij te maken met het feit dat voor sommige delen een overgangstermijn van 20 jaar geldt. Geeft ons dan de ruimte om die overgangsbepalingen een aantal jaren langer te hanteren.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

De heer Nicolaï gaat voorbij aan mijn principiële vraag. Ook hij haalt de hoofdzaak en de bijzaken door elkaar. Ik ben het met hem eens dat wij ook voor die bijzaken oplossingen moeten verzinnen, want ook die moeten goed worden geregeld. Het gaat mij echter om het principe dat de Bulgaren en de Roemenen straks ook hier naartoe moeten kunnen komen als wij daarover afspraken hebben gemaakt. De heer Nicolaï geeft daar geen antwoord op.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik ben het daar niet mee eens. Ik heb wel antwoord gegeven, maar ik heb nog niet gesproken over de bijzaken. Ik vind die overigens belangrijk genoeg. Neem de overlastproblematiek. Dat punt is door velen gemaakt en ik ben het daarmee eens. Ik benadruk in dit geval de verdringing op de arbeidsmarkt.

De heer Fritsma (PVV):

De heer Nicolaï geeft terecht aan dat wij veel problemen hebben gekregen door de openstelling van de arbeidsmarkt voor Polen. Mag ik daaruit afleiden dat de VVD een beetje spijt heeft van die openstelling van de arbeidsmarkt voor Polen? De VVD was daar destijds een groot pleitbezorger van. Mag ik voorts concluderen dat de VVD ook spijt heeft van de toetreding van Roemenië en Bulgarije tot de EU, terwijl de VVD daar eerst ook voor was? Je weet namelijk van te voren dat, als je Bulgarije en Roemenië tot de EU laat toetreden, ook de openstelling van de arbeidsmarkt voor de inwoners van die landen aan de orde komt.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik heb van beide zaken geen spijt. Het kan voor een deel een karakterkwestie zijn, maar ik kan dat namens mijn fractie ook als politiek statement neerleggen. Er is geen sprake van dat wij de toetreding om die reden zouden moeten tegenhouden. Daarvoor zijn de overgangsbepalingen in het leven geroepen. Die gaan heel ver, want die zijn direct in strijd met één van de vier pijlers van de EU, namelijk het vrije verkeer. Er zijn dus vergaande maatregelen afgesproken, maar dit mag nooit een reden zijn een land niet toe te laten treden. Wij staan dus achter het besluit dat over Polen is genomen, ook wat betreft het vrije verkeer. De VVD was eerst voor het opschorten daarvan, maar later vonden wij het moment rijp om tot vrij verkeer te komen. Wij trekken lessen uit wat er is gebeurd.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik ben in verwarring over waar de VVD staat en wat het echte liberale geluid is. De heer Visser had jarenlang veel moeite met de toetreding van Polen, ook vanwege de arbeidsmarkt. Daarna kwam de heer Van der Sande die het allemaal niet snel genoeg kon gaan. Hij had nog nooit gehoord van verdringing. Wij moesten ons vooral zorgen maken over het feit dat onze bedrijven naar het buitenland verhuisden als de grenzen niet eerder open gingen. De heer Nicolaï laat weer andere geluiden horen. Wat is de koers van de VVD? Is mevrouw Koşer Kaya of de heer Nicolaï de echte liberaal?

De heer Nicolaï (VVD):

Dat is de heer Nicolaï. Dat zeg ik mede namens mevrouw Koşer Kaya. Er is bij de VVD altijd enige ruimte voor nieuwe woordvoerders, nieuwe rondes en nieuwe accenten. De lijn is echter consequent. De VVD heeft nooit om deze reden "aan de negatieve kant gehangen" als landen zo ver waren om toe te treden, omdat er een mogelijkheid was om landen van het vrije verkeer uit te sluiten. De heer Van Hijum zal zich de discussies over de toetreding van Roemenië en Bulgarije ook nog levendig herinneren, toen de CDA-fractie aan de rem hing, en de VVD-fractie niet. Wij moeten beseffen, zo zegt de liberaal in mij, maar ook de econoom in mij, dat uitbreiding van de Unie voortdurend aantoonbaar economisch voordeel heeft opgeleverd, juist voor een land als Nederland. Wij zullen dus niet om principiële redenen aan de rem hangen. Wij hebben intensief gediscussieerd over het vrije verkeer; wij waren aanvankelijk een voorstander van uitstel, tot wij het moment rijp achtten om de grenzen wél open te stellen. Ik denk dat er op dit moment geen enkele reden is om zelfs maar te overwegen om de toelating van werknemers uit Roemenië en Bulgarije te vervroegen. En als je de grenzen al wilt openstellen, moet je het nooit eerder doen dan de landen in je omgeving, want anders wordt je een magneet. Dus als het al snel zou moeten worden geregeld, dan moet het in ieder geval breed Europees beleid zijn. Maar ik pleit er juist voor om voorbereidingen voor verlenging van het uitstel te treffen.

Er zijn heel veel verschillende partijen in Nederland die zich op allerlei manieren met arbeidsbemiddeling bezighouden: gemeenten, UWV, CWI, de uitzendbranche en re-integratiebedrijven. Er gaat heel veel publiek geld om in deze sector. Ik vind de verantwoordelijkheidsverdeling tussen deze organisaties niet duidelijk genoeg. Er wordt nu een poging tot verheldering gedaan door CWI en UWV te laten fuseren, maar ik maak mij net als de heer Van Hijum al zorgen over hoe de re-integratie nu functioneert. Deze fusie wordt nu in een geforceerd tempo gerealiseerd, terwijl er al een autonoom proces van steeds meer samenwerking tussen deze twee instanties gaande was, wat ik toejuichte. Ik maak mij er zorgen over dat de bezuinigingsdoelstelling op dit punt de dienstverlening te zeer in het gedrang brengt.

Gelet op mijn spreektijd kan ik niet veel zeggen over de armoedeval, maar ik vind dit wel een van de belangrijkste onderwerpen. Gelukkig is er een motie-Nicolaï aangenomen waarin de regering gevraagd werd, al haar maatregelen door te rekenen om te bepalen of ze niet averechts werken, om na te gaan of mensen gestimuleerd worden om aan de slag te gaan, harder of meer te gaan werken of een moeilijker baan te aanvaarden, of dat het door het wegvallen van alle toeslagen juist de verkeerde kant op gaat. Wat vindt de minister nu zelf van de doorrekening van het hele Belastingplan, waaruit blijkt dat de situatie nauwelijks beter wordt, dat het nauwelijks aantrekkelijker wordt om te gaan werken? Het wordt al helemaal niet aantrekkelijk gemaakt om harder te werken of door te stromen naar een moeilijker baan, integendeel.

De heer Blok (VVD):

Voorzitter. Zoals de heer Nicolaï al zei, constateert de VVD bij dit kabinet een volstrekt gebrek aan ambitie bij het aanpakken van de problemen op de arbeidsmarkt. Wij willen geen oppositie voeren door alleen maar "boe!" te roepen, maar vooral door concrete alternatieven te bieden. Daarom zal ik nu op drie voor ons belangrijke terreinen concrete voorstellen doen, terreinen waarop dit kabinet de problemen niet aanpakt of ze als niet urgent genoeg ziet. Dit zijn de terreinen migratie en sociale zekerheid, ouderen op de arbeidsmarkt en de positie van zelfstandigen.

De combinatie van migratie en sociale zekerheid is een van de meest intrigerende vraagstukken van dit moment. De VVD is geen partij van "de grenzen moeten dicht", maar zij bekijkt de migratiestroom ook niet naïef. Migratie is heel sterk economisch gedreven en Nederland moet, met zijn zeer uitgebreide stelsel van sociale zekerheid, dan ook juist alert zijn en zich aanpassen aan deze tijd. Onze eigen wetgeving en de internationale verdragen dateren uit een tijd waarin er nog geen sprake was van grootschalige migratie. Dit wringt het meest bij de kinderbijslag en bij het mooie, nieuwe kindgebonden budget. In 1998 is er een wet aangenomen om de uitkeringen te beperken, en terecht, op basis van het principe dat uitkeringen gebonden zijn aan het Nederlandse grondgebied. Er wordt een uitzondering gemaakt voor landen waarmee Nederland een bilateraal verdrag heeft gesloten. Nu is het natuurlijk de vraag, welk Nederlands belang er nog wordt gediend met grootschalige export van kinderbijslag. Het ging in het afgelopen jaar om 38 mln. en wij moeten constateren dat de uitvoeringskosten enorm zijn. Bij de behandeling van de Wet op het kindgebonden budget antwoordde de minister op mijn vraag dat 4,5 mln. aan kosten moet worden gemaakt om voor 7 mln. te kunnen exporteren. Dat is een volstrekte wanverhouding. Die export is bovendien zeer fraudegevoelig. Uit het jaarbericht van de Socialeverzekeringsbank over 2006 bleek dat in Marokko op grote schaal werd gefraudeerd met de kinderbijslag door kinderen ten onrechte op te geven als leerlingen van het bijzonder onderwijs. De controle op deze afstand is natuurlijk bijzonder moeilijk. Bovendien is de kinderbijslag afgestemd op de Nederlandse kosten van levensonderhoud. Een kinderbijslag van grosso modo € 1000 per jaar voor een middelbare scholier komt in Marokko overeen met een jaarsalaris. Dat is echt een volstrekte wanverhouding.

Daarom wil de VVD graag dat de bilaterale verdragen ten minste worden aangepast, zodat de kinderbijslag niet meer wordt geëxporteerd en, als het niet anders kan, dat de verdragen desnoods worden opgezegd. Dat geldt buiten de EU; binnen de EU moeten wij ons aan onze verplichtingen houden, hoewel wij ook daar de ontwikkelingen kritisch zullen volgen. Natuurlijk zijn wij bereid een uitzondering te maken voor kinderen die bijvoorbeeld een jaar onderwijs in het buitenland volgen of voor Nederlanders die tijdelijk worden uitgezonden.

Ook bij de WW is er een duidelijk knelpunt met de migratie. Ik heb daarvoor eerder aandacht gevraagd. Het EU-verdrag geeft rechten op WW, uitgaand van de fictie dat er alleen in het laatste land is gewerkt. Dat betekent concreet het volgende. Als iemand bijvoorbeeld tien jaar in Polen heeft gewerkt en één jaar in Nederland, is er een recht op WW alsof er elf jaar in Nederland is gewerkt. De WW in Polen is ongeveer € 200 per maand en in Nederland € 1000. Voor die € 200 is ook echt premie betaald. Het zou volstrekt rechtvaardig zijn als de uitkering is gebaseerd op het betalen van tien jaar premie voor € 200 en een jaar voor de Nederlandse uitkering van € 1000. Op dit punt zou de VVD ook echt graag zien dat het EU-verdrag wordt gewijzigd. Deze bepaling dateert uit 1972, toen de EU zes leden met een zeer vergelijkbaar welvaartsniveau had. Het lijkt ons alleszins redelijk dat de minister zich gaat inzetten om ervoor te zorgen dat de werkloosheidsuitkeringen voortaan gebaseerd worden op de werkelijk betaalde premies.

Anderen partijen hebben al terecht op de positie van ouderen gewezen. Ik heb een aantal concrete voorstellen van onze kant, waarop ik graag een reactie krijg. Wij zouden graag zien dat werknemers vanaf 55 jaar volledig worden vrijgesteld van de werkgeverspremie WW. Dat maakt deze werknemers € 1000 per jaar goedkoper. Dat zou gefinancierd kunnen worden uit een kleine verhoging van de WW-premie voor andere werknemers. Dat zou ongeveer € 100 zijn en betekent een forse sprong vooruit.

Wij zouden ook heel graag zien dat de overheid nadrukkelijk een voorbeeldfunctie gaat vervullen op twee terreinen. De leeftijdsgrenzen, of zij nu expliciet of impliciet zijn, moeten weg. Geen grens op 45 jaar bij de politie. Ik weet dat het niet officieel is, maar iedereen kan de bewindslieden vertellen dat die in de praktijk wordt gehandhaafd. Iemand van 47 kan nog een uitstekende wijkagent zijn. Ook in het onderwijs zullen wij ouderen hard nodig hebben. Bij ABN Amro volgt er straks ongetwijfeld een goudgerande regeling waarbij duizenden mensen zullen afvloeien. Wat zou ik graag zien dat die als economieleraar of als wiskundeleraar voor de klas komen, ook als zij 55 zijn. Ook aan de andere kant, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zou het goed zijn als de overheid eens zou stoppen met het automatische ontslag op de leeftijd van 65 jaar en naar individueel maatwerk zou gaan. Wij zullen de mensen hard nodig hebben. Als mensen willen doorwerken en er is ruimte voor in de organisatie – ik ben ervan overtuigd dat dit op grote schaal het geval zal zijn – in het onderwijs en op andere plaatsen, stop dan met cao's waarin het ontslag automatisch op 65 jaar plaatsvindt.

Ten slotte kom ik op het wezenlijke punt van de zelfstandige zonder personeel. De VVD heeft sowieso een groot respect voor mensen die het risico van zelfstandigheid aandurven, maar onze samenleving kan ook niet meer zonder. Inmiddels zijn er bijna een miljoen zelfstandigen zonder personeel, die tegen zeer grote praktische problemen aanlopen door de onzekerheid over hun status, waardoor werkgevers of niet met ze in zee durven of plotseling geconfronteerd kunnen worden met andere criteria, zoals nu actueel is in de thuiszorg. Bovendien moet de VAR, de verklaring als zelfstandige, ieder jaar opnieuw aangevraagd worden. Die kent een wachttijd van acht weken. Terwijl wij deze mensen dus hard nodig hebben, maken wij ze het leven alleen maar moeilijker.

Ook op dit gebied doet de VVD-fractie een concreet voorstel. Laat het kabinet ervoor zorgen dat er één definitie is in alle wetten die betrekking hebben op zelfstandigen. Dat betekent dat de definitie voor de Verklaring Arbeidsrelatie dezelfde wordt als die voor de inkomstenbelasting, voor de btw en voor het Basisbedrijvenregister. Laten wij er daarnaast voor zorgen dat deze verklaring niet ieder jaar moet worden aangevraagd, maar dat ze geldt tot wederopzegging. Hierop ontvang ik graag een heldere toezegging van het kabinet.

De heer Omtzigt (CDA):

De heer Blok wil de kinderopvangtoeslag niet langer exporteerbaar maken. Wat betekent dit voor mensen die grensarbeider zijn? Ik ken de heer Blok als iemand die houdt van open grenzen; hoe opener hoe beter. Er zijn tienduizenden mensen die in Nederland wonen en in België werken, of in België wonen en in Nederland werken. Aan de Duitse grens is het net zo'n verhaal. Wil hij al deze mensen hun kinderopvangtoeslag afnemen?

De heer Blok (VVD):

Nee hoor. Ik heb nadrukkelijk gezegd dat ik binnen de EU geen wijzigingen wil. Ik ken weinig grensarbeiders die dagelijks op en neer pendelen naar Marokko en Turkije. Als de heer Omtzigt er één kan vinden, dan houd ik mij aanbevolen. Nederlandse grensarbeiders hebben er dus geen last van.

De heer Omtzigt (CDA):

Kan de heer Blok mij één voorbeeld geven van een kinderopvangtoeslag die buiten de EU wordt toegekend? Is hij een spook aan het zoeken of bestaat er werkelijk iemand die vanuit Nederland een kinderopvangtoeslag aanvraagt om in Tanzania zijn kind in de kinderopvang te hebben?

De heer Blok (VVD):

Ik ben ervan overtuigd dat zo iemand er niet is, en het woord "kinderopvangtoeslag" heeft de heer Omtzigt geen moment in mijn betoog gehoord. Dat heeft hij zelf tien keer genoemd; hij is zichzelf dus aan het interrumperen. Ik heb het gehad over de kinderbijslag, de kindertoeslag en het kindgebonden budget. Ik ben het wel met hem eens dat het allemaal wat ingewikkeld is.

De heer Omtzigt (CDA):

Het staat in alle persartikelen die uitgegaan zijn. Daarom vroeg ik naar de kinderopvangtoeslag. Dit voor alle helderheid.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Voorzitter. Voor de Partij van de Arbeid staat bij deze begroting centraal dat wij alles op alles willen zetten om er de komende jaren voor te zorgen dat iedereen die aan het werk kan, aan het werk komt. Alle talenten die wij kunnen benutten, moeten wij benutten. De Partij van de Arbeid wil zich er daarbij van verzekeren dat diegenen die onze steun het hardst nodig hebben, die steun inderdaad krijgen, ook als het gaat om inkomensbescherming. Daarnaast moeten wij ervoor zorgen dat nieuwe generaties een kans krijgen op de arbeidsmarkt en moeten wij tegelijkertijd goed voor onze ouderen zorgen.

De Partij van de Arbeid vindt dat het kabinet nu zo snel mogelijk de afspraken die zijn gemaakt op de participatietop, moet gaan realiseren. Vanaf nu is het credo: aan de slag. De vorige week verstuurde brief aan de Kamer over de voorgenomen maatregelen voor arbeidsparticipatie zien wij dan ook als een positief signaal. Daarvoor danken wij het kabinet. Wij zijn blij dat de beloofde loonkostensubsidies nu ingezet gaan worden.

Over de voorstellen voor de invulling van de participatiebanen heb ik wel een paar vragen. Zoals bekend, had de Partij van de Arbeid bezwaren bij het wetsvoorstel hierover dat nu bij de Eerste Kamer ligt. Het kabinet zegt nu met zoveel woorden dat het enerzijds dit wetsvoorstel wil behandelen, maar anderzijds met aanvullende wetgeving wil komen. Die aanvullende wetgeving stemt mijn fractie hoopvol, maar ik hoor vandaag graag met meer helderheid van de bewindslieden wat deze aanvullende wetgeving precies inhoudt.

Laten wij vooral eerst bekijken welke groepen mensen wij willen helpen met deze participatiebanen. Volgens mij hebben wij het feitelijk over twee groepen. Allereerst is er de groep die weliswaar een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, maar met de aanwezige perspectieven toch een reguliere arbeidsplaats kan verwerven. Een voorschakeltraject kan dan noodzakelijk zijn alvorens re-integratie-inspanningen bij een werkgever kansrijk te laten worden. Dergelijke voorschakeltrajecten hebben bijvoorbeeld betrekking op het verwerven van primaire vaardigheden en Nederlands op de werkvloer. Na afloop van zo'n voorschakeltraject krijgt de werkzoekende een leerwerkovereenkomst of een arbeidsovereenkomst aangeboden onder toepassing van de cao van de betreffende onderneming of de sector. In alle gevallen moet in de visie van mijn fractie de re-integratie-inspanning gepaard gaan met verplichte scholing en training.

Een andere groep betreft mensen in de bijstand van wie niet valt te verwachten dat zij een reguliere arbeidsplaats kunnen verwerven. Hierbij gaat het veel meer om maatschappelijke participatie. Wel geldt dat ook hierbij werk moet lonen. Een en ander betekent dat deze mensen na een zorgvuldige indicatie een arbeidsovereenkomst krijgen aangeboden bij zogenaamde sociale instellingen. Uitgangspunt voor de honorering van deze functies is het wettelijk minimumloon voor het aantal uren dat wordt gewerkt. Concreet betekent dit dat betrokkenen hun uitkering behouden en daarbovenop voor elk gewerkt uur een aanvulling tot aan het minimumloon ontvangen. Deelt het kabinet deze indeling met mijn fractie? Wat wij niet willen is mensen langdurig onder het minimumloon laten werken zodat er een groep van working poor ontstaat.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Het kabinet stelt voor om mensen maximaal twee jaar met behoud van uitkering te laten werken in de participatiebanen. Begrijp ik het goed dat de PvdA-fractie hier niet voor is? Klopt het dat zij meer zit op de lijn die ook in Trouw te lezen was, om met behulp van een uitkering in de participatiebanen mensen zo snel mogelijk het minimumloon te garanderen? Dat is min of meer conform de deal tussen VNG en sociale partners.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Dat klopt. Mijn fractie is, zoals mevrouw Van Gent weet, van het begin af aan tegen de twee maal twee jaar geweest. Dat was een groot bezwaar van ons tegen het voorliggende wetsvoorstel. Wij hebben het liever over één jaar met maximaal een jaar verlenging. Zoals mevrouw Van Gent heeft kunnen horen, zit er in onze visie op de indeling inderdaad een grote overlap met de voorstellen van onder andere FNV en VNG.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Dat betekent dus dat werken met behoud van uitkering wat de PvdA-fractie betreft niet gebeurt en dat de periode van twee jaar onbespreekbaar is. Geldt dit voor elke periode? Ik vind het voor geen enkele periode een goed idee, maar geldt dat ook voor de PvdA-fractie? Wil de PvdA-fractie ook dat op het moment dat mensen in participatiebanen aan de slag gaan, zij boven op hun uitkering een toeslag krijgen tot het minimumloon?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Dat heeft mevrouw Van Gent mij net allemaal horen zeggen. Ik raad haar aan hierover de Handelingen nauwkeurig na te lezen voordat ik mijzelf ga herhalen. Mijn fractie spreekt liever over "met behulp van uitkering met een plus erop". Het kabinet schrijft dit ook. Ik lees echter weinig terug in die brief over de termijn van twee of een jaar. Ik vraag het kabinet daarom om een aanvullende hoofdlijnenbrief. Die moeten wij eerst hebben om een en ander goed te beoordelen. Ik hoop dat het kabinet de door mij bedoelde indeling in tweeën wil hanteren.

De heer Ulenbelt (SP):

Mevrouw Bussemaker noemde de banen uit het wetsvoorstel "afknapbanen". Ik kan mij hier erg goed in vinden. Roept mevrouw Hamer met haar betoog het kabinet op om de behandeling in de Eerste Kamer niet door te zetten?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik zou graag een volgtijdelijkheid willen. Ik begrijp dat het kabinet nu haast wil maken. Dat wil mijn fractie ook. In het proces van wetgeving moeten de dingen echter wel op hun eigen tijd gebeuren. Ik vraag het kabinet de Kamer heel snel een hoofdlijnenbrief te sturen, in de trant zoals mevrouw Van Gent en ik daar net over spraken. Als wij die brief hebben ontvangen, kunnen wij daarover hier spreken. Als wij het hier over de inhoud van die brief eens zijn, dan kan de behandeling ervan in de Eerste Kamer aanvangen; dan gaat het als het ware parallel lopen. Maar voordat wij aan die behandeling toe kunnen komen, moeten wij eerst de dingen doen die als eerste gedaan moeten worden.

De heer Van Hijum (CDA):

Het eerste deel van uw betoog over het gevoel van urgentie om mensen aan de slag te helpen sprak mij zeer aan. Maar bent u dan met mij van mening dat wij op dit punt eigenlijk geen tijd mogen verliezen? Vooruitlopend op de wetgeving zijn eigenlijk heel veel gemeenten al met de participatieplaatsen aan de slag gegaan. Ik was onlangs op bezoek bij de gemeente Enschede, die er al mee werkt. Waarom zouden wij dit dus nog langer opschorten?

Gemeenten hebben op dit punt eigenlijk al een aantal mogelijkheden. Zij kunnen gebruikmaken van het W-deel. Zij kunnen loonkostensubsidies aanbieden en, ook voor langere tijd, detacheringsconstructies creëren. Waarin verschilt uw voorstel met die mogelijkheden?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Natuurlijk moeten wij haast maken. Maar aan de andere kant behandelen wij hier niet voor niets wetsvoorstellen. Als wij wetsvoorstellen behandelen, moeten ze kloppen. Ik vind het eigenlijk nogal vreemd om gemeenten op te roepen te handelen naar niet-bestaande wetgeving. Als je de brief kwaadwillend zou willen lezen, wat ik absoluut niet zou willen doen, kan je die op deze manier interpreteren. Daarom stel ik een ordentelijke behandeling voor. Ik heb zo-even het kabinet opgeroepen te reageren op de interpretatie van de PvdA-fractie op het punt van de invulling van die participatiebanen. Ik zie dat graag terug in een hoofdlijnenbrief. Wat mij betreft kan zo'n brief al in januari worden behandeld. Dan kunnen wij haast blijven maken. De PvdA-fractie had een aantal fundamentele bezwaren tegen het wetsvoorstel. Dat was voor ons reden om tegen behandeling ervan in de Eerste Kamer te zijn. Ik wil eerst hier helderheid hebben over hetgeen de Kamer beoogt. Er bestaat toch een groot verschil met de zienswijze in het verleden. De heer Ulenbelt haalde al aan hoe mevrouw Bussemaker er destijds over sprak. Ik denk echt dat wij in deze Kamer eerst de klokken gelijk moeten zetten.

Natuurlijk zijn er gemeenten die vooruitlopen. Er zijn evenzeer gemeenten die mij vertellen: het zal allemaal wel met die wetgeving, maar wij doen het zoals het ons goeddunkt. Wij staan hier voor ordentelijke wetgeving; wij moeten gewoon ervoor zorgen dat die klopt.

De heer Van Hijum (CDA):

Is het niet enorm gevaarlijk om op voorhand een groep mensen als permanent onbemiddelbaar te bestempelen? Wij hebben al eerder over dit risico gesproken bij de behandeling van het wetsvoorstel over de participatieplaatsen. Het bestaat misschien wel niet, maar gemeenten spreken steeds meer over het "granieten bestand". Gemeenten zijn bezig de Wajongers, mensen met een arbeidshandicap, over te hevelen van de bijstandsbakken naar het UWV. Moeten wij niet alles op alles zetten om die mensen aan het werk te krijgen? Moeten wij niet ervoor waken dat die mensen in langdurige subsidietrajecten worden geplaatst?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Op zich ben ik dat natuurlijk met u eens. Wij moeten altijd blijven proberen om iedereen die er niet in moet zitten, er weer uit te krijgen. Degenen die erin zitten en er weer uit kunnen komen, moeten wij eruit halen. Ik heb mij bewust aangesloten bij de voorstellen van gemeenten. Als je de harde kern van de WSW en de groep met loonkostensubsidies meetelt, heb je eigenlijk al vier groepen gedefinieerd. Ik ben het dan ook met u eens dat het altijd lastig is om mensen in een hokje te plaatsen. Ons streven is om ervoor te zorgen dat iedereen aan het werk gaat. Tegelijkertijd vind ik dat je wel reëel moet zijn. Mensen die echt niet op de arbeidsmarkt zullen participeren zonder langdurige steun moeten wij ook de kans geven om maatschappelijk te participeren. Waar scholing behulpzaam is om die mensen op latere leeftijd zich daarvan alsnog los te laten maken, is het goed om daarmee door te gaan. Dat neemt niet weg dat tevens recht gedaan moet worden aan wat mensen kunnen en dat je ze niet lastig moet vallen als het echt niet gaat.

In de brief van vorige week wordt ook ingegaan op de voorstellen over de WW. De mogelijkheid wordt besproken om eerder dan nu het geval is te beginnen met een omscholingstraject. Het kabinet vindt de Partij van de Arbeid aan zijn zijde als het hiermee een recht op om- en bijscholing voor WW'ers wil creëren. Ik zet er echter vraagtekens bij als het kabinet een plicht wil invoeren die eerder dan nu zou moeten gelden. Ik vraag mij af wat "eerder dan nu" betekent, zeker vanwege het feit dat 85% van de mensen die het eerste jaar in de WW zit een baan vindt op hun scholingsniveau. Ik heb er problemen mee als de plicht verder gaat dan de huidige regeling.

In dit kader wil ik aandacht vragen voor de wijziging van de Flexwet. Tijdens het debat over de uitkomsten van de participatietop hebben wij gezegd dat wij de rechten van flexwerkers willen verbeteren. Kan het kabinet zeggen wanneer wij hierover zullen spreken?

Een ander belangrijk onderwerp is de hulp aan mensen die een re-integratietraject volgen. In diverse regio's proberen werkgevers vastgelopen werknemers uit te wisselen om langdurig verzuim te voorkomen. Dit gebeurt op de poortwachtercentra. Dit initiatief verdient navolging. Wij vragen het kabinet, dit te bevorderen.

Wij zijn met het kabinet van mening dat het goed is om na te denken over een visie op de toekomstige financiering van de werknemersverzekeringen. Ook wij vinden dat ons stelsel zo veel mogelijk moet voorkomen dat mensen in de WW terechtkomen en moet bevorderen dat zij aan de slag blijven. Deze verzekering is een belangrijk onderdeel van ons socialezekerheidsstelsel. Het kabinet wil de werknemerspremie voor het AWf afschaffen per 1 januari 2009. Dit leidt tot een structureel exploitatietekort. Dit mag niet op termijn leiden tot snijden in de hoogte of de duur van de WW. Daarom vragen wij het kabinet om snel een toekomstfinanciering op de werknemersverzekering te ontwikkelen en daarbij de rol van de sociale partners te betrekken. Dit betekent ook dat wij de WW-premie nu nog niet op nul willen zetten. Voor het eerste WW-jaar geven wij de voorkeur aan de SER-variant met een premieverdeling van 50% voor de werkgevers en 50% voor de werknemers. De premiedifferentiatie in de WW moet worden doorgezet. Het kabinet maakt hiermee nog geen haast. De sleutel voor trajecten van werk naar werk ligt bij werknemers en bij werkgevers. Zij moeten goed en slecht beleid in de portemonnee voelen. Wij verzoeken het kabinet om het CPB een verkennende notitie op te laten stellen over de verwachte effecten van de verschillende vormen.

De heer Van Hijum (CDA):

Wat stelt mevrouw Hamer voor ten aanzien van de afschaffing van het werknemersdeel? Dat zou per 2009 gebeuren en dat zou gecompenseerd worden met btw. Zegt mevrouw Hamer dat de PvdA dit niet wil?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik wil de verkennende en toekomstgerichte notitie hebben alvorens wij deze stap zetten.

De heer Van Hijum (CDA):

Mevrouw Hamer weet dat een belangrijk deel van de uitgangspunten van het kabinet voor het aantrekkelijk maken van de stap naar werk en het verbeteren van de koopkrachtpositie voor huishoudens met deze stap samenhangt. Ik begrijp het voorstel dus niet zo goed. Is mevrouw Hamer met mij van mening dat de WW-premiedifferentiatie moet maken dat investeren in scholing en inzetbaarheid door werkgevers meer loont?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Dat laatste ben ik met de heer Van Hijum eens. In de voorstellen zitten een aantal knelpunten. Ik vraag het kabinet daarom snel met een toekomstvisie te komen. Tot die tijd moet de WW-premie niet op nul worden gezet. De rol van de sociale partners daarbij moet goed worden bezien.

Een goede aansluiting voor de uitvoeringsketen van uitkering naar werk is essentieel in ons huidig bestel. Wij komen in januari in een AO over de fusie van de keten uitgebreid te spreken. Toch wil ik hiervoor alvast een paar piketpalen slaan. Wij vinden het zeer belangrijk dat het UWV en CWI gericht blijven op de onderkant van de arbeidsmarkt. Dat betekent voor ons ook dat, als in de toekomst wordt gesneden in arbeidsplaatsen, dat moet gebeuren in het management en niet bij de mensen die het echte werk doen. Ook vinden wij het van belang dat na de fusie gemeenten gaan samenwerken op basis van gemeenschappelijke doelstellingen en niet op machtsbasis, zoals nu vaak het geval is. De keten moet gemeenschappelijke doelstellingen en prestatie-indicatoren formuleren en ook het klantendossier mag niet verloren gaan.

Ik kom bij de specifieke groepen. In het debat met de minister van emancipatiezaken hebben wij al uitgebreid gesproken over de combinatie van arbeid en zorg. Bij de behandeling van de Emancipatienota heb ik niet alleen aandacht gevraagd voor de positie hierin van vrouwen, maar ook voor die van mannen. Graag breng ik ook mijn "Plan voor de Man" onder de aandacht van de bewindslieden van Sociale Zaken, omdat daarin naast het streven van het kabinet naar deeltijd-plus voor vrouwen, ook de voltijd-minvariant voor mannen belangrijk is.

Met de minister van emancipatiezaken is ook een uitgebreid debat gevoerd over vrouwen aan de top van het bedrijfsleven en de overheid. De minister verwees in dat debat nogal eens naar de minister van Sociale Zaken. Daarom wil ik deze hier en nu vragen hoe hij denkt over quota voor vrouwen voor de top van het bedrijfsleven. Er zijn nu tal van initiatieven, maar is hij met mij van mening dat, als die initiatieven niet werken, er binnen nu en een paar jaar een moment komt waarop aan wetgeving op dat terrein moet worden gewerkt?

Over de 45-plussers is al veel gezegd. Zij komen inderdaad moeilijk aan het werk. Ik heb de minister van Sociale Zaken al diverse malen gevraagd om voorstellen om de leeftijdsdiscriminatie aan te pakken. Ook heb ik hem bij het begrotingsonderzoek gevraagd hoe hij aankijkt tegen een no-riskpolis voor ouder personeel; vindt hij dat een geschikt instrument? Ik herhaal vandaag deze vragen aan de minister.

Over de Poolse arbeiders is vandaag al veel gezegd. Ook wij maken ons grote zorgen over de toestanden in de gemeenten, met name de gevallen van overlast. Natuurlijk kunnen we het de Poolse arbeiders niet kwalijk nemen, maar bijvoorbeeld wel de illegale uitzendbureaus die mensen in veel te kleine panden zetten en zorgen voor overlast voor de autochtone bewoners. Volgende week praten wij hierover uitgebreid in een algemeen overleg, maar hier en nu wil ik de minister van Sociale Zaken vragen om zijn verantwoordelijkheid te nemen en vanaf nu als coördinerend projectminister voor deze problematiek op te treden, ook omdat hierover afspraken zijn gemaakt toen wij ja zeiden tegen de toetreding.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter. Ik ben het eens met mevrouw Hamer dat er problemen zijn en dat we die moeten oplossen. Toch wil ik de PvdA-woordvoerder vragen of zij het beginsel dat in elk Europees verdrag staat, het vrije verkeer van werknemers, nu verlaat. Wij vinden het immers goed om in Roemenië, Bulgarije en Polen te verdienen en daarnaartoe te gaan, maar omgekeerd vinden wij dat niet goed. Verlaat de PvdA dat principe? En mogen de Roemenen en Bulgaren straks ook komen?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik heb helemaal niet gezegd dat die mensen weg moeten. Ik heb gezegd dat de problemen moeten worden aangepakt – en als de donder! Wat mij niet bevalt, is dat wij hier debatten voeren waarin de verantwoordelijkheid constant verschillende kanten uit wordt geschoven. Mijn fractie heeft ook in het verleden keer op keer gezegd dat de huisvesting van die mensen fatsoenlijk moet zijn geregeld en dat we ervoor moeten zorgen dat er geen problemen in de steden ontstaan. Omdat ik vind dat wij, noch de gemeenten, van het kastje naar de muur moeten worden gestuurd, vraag ik het kabinet om een coördinerend bewindspersoon aan te stellen om de problemen aan te pakken en niet om de mensen weg te jagen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Natuurlijk moeten de huisvestingsproblemen worden aangepakt. Ik vraag mij overigens wel af of minister Donner verantwoordelijk moet worden gesteld voor deze problemen, aangezien de gemeenten jarenlang hebben nagelaten om voldoende huizen te bouwen. Hier speelt echter ook een principieel punt: het vrije verkeer van werknemers. Dit recht staat in elk Europees verdrag vermeld. Kunnen Roemenen en Bulgaren zich straks nog op dit recht beroepen en naar Nederland komen?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Alles op zijn tijd. Uiteindelijk moeten wij dat namelijk wel op zijn merites beoordelen. Zoals ik gisteren in de media heb gezegd: wij moeten de problemen van vandaag oplossen, voordat wij meer groepen tot Nederland toelaten. Voor dit urgente probleem is toch echt de minister van Sociale Zaken verantwoordelijk. De werkgevers moeten immers voor de huisvesting zorgen en de minister onderhoudt het contact met hen. Het is te gemakkelijk van u om naar de gemeenten te wijzen. Laat ik u een voorbeeld geven: Den Haag heeft veertig beleidsambtenaren aangesteld om dit probleem op te lossen, maar op het ministerie is daarvoor nog helemaal niemand aangewezen.

De heer Ulenbelt (SP):

Uw fractie heeft mijn partij in het verleden harde verwijten gemaakt. Toen wij wezen op deze problemen, werden wij weggehoond. Wij zouden xenofoob zijn en wat al niet meer. Bent u bereid om ruiterlijk toe te geven dat het achteraf gezien niet zo verstandig was om onze grenzen op 1 mei voor Oost-Europeanen te openen?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik herinnerde al aan de inzet van Jet Bussemaker en Ton Heerts. Zij hebben nadrukkelijk gewezen op de problemen die zouden kunnen ontstaan. Dat is ook de reden dat er afspraken zijn gemaakt over de rol van werkgevers bij de huisvesting.

Ik was niet aanwezig bij de debatten waarin uw partij verwijten zouden zijn gemaakt. Ik wil daarop dan ook niet reageren of woorden terugnemen. Ik kan u wel zeggen dat het mijn stijl niet is. Ik zou u in ieder geval nooit zo bejegenen.

De heer Ulenbelt (SP):

Ik ben het met u eens dat wij naar oplossingen moeten zoeken. Wat vindt u dan van het idee van de Poolse regering om Polen in Nederland ertoe te brengen terug te keren naar Polen? Ik heb de minister opgeroepen om de Poolse regering daarbij te helpen, omdat dat de wethouders echt zou helpen. Bent u bereid om mijn oproep te herhalen?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik weet nog niet waarmee wij de wethouders het beste helpen. Polen doen bijvoorbeeld een belangrijk deel van het werk dat Nederlanders niet meer kunnen of willen doen. Ik zei dan ook niet voor niets dat ik geen bezwaren maak tegen de komst van Poolse arbeiders, maar tegen hun werkomstandigheden. Zij werken vaak illegaal onder het minimumloon en worden bovendien ook nog eens slecht gehuisvest. In het verlengde daarvan ontstaan weer andere problemen, zoals de instroom van Poolse kinderen in het onderwijs.

Wij moeten de problemen als de donder in kaart brengen. Pas als wij dat gedaan hebben en als de gemeenten en het kabinet een actieplan op tafel hebben gelegd, kunnen wij verder gaan praten over aanvullende maatregelen. Zover ben ik echter nog lang niet. Ik ben het wel met u eens dat deze problemen heel urgent zijn en daarom roep ik de minister ook op om zijn verantwoordelijkheid te nemen door hier als coördinerend minister op te treden.

De heer Van der Vlies (SGP):

Wie is nu eigenlijk verantwoordelijk voor wat? Ik erken dat dit urgente probleem een lange voorgeschiedenis heeft. Wij hebben al heel wat moeilijke afwegingen moeten maken. Dit kabinet en deze minister zijn voluit verantwoordelijk voor het openstellen van de grenzen, maar volgens mij zijn vervolgens de lokale overheden verantwoordelijk voor de huisvesting. De minister kan daarbij als aanjager optreden, maar dat is nog wel iets anders dan hem tot de eerst verantwoordelijke te maken. Ik vind overigens dat een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid door anderen opgepakt moet worden.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Natuurlijk hebben gemeenten een rol te vervullen en dat doen zij ook. Volgens mij is de bijeenkomst die morgen wordt gehouden – wij zijn de Kamervoorzitter zeer dankbaar dat zij de minister in de gelegenheid heeft gesteld deze bij te wonen – georganiseerd door de wethouders van de grote steden zelf. Zij zien dus dat er een rol voor hen is weggelegd. Destijds hebben wij echter nadrukkelijk gezegd dat er een "zorgplicht" rust op werkgevers voor wat betreft huisvesting. Ik heb u eerder het voorbeeld uit Schiedam genoemd. Wijken die net vanuit een achterstandspositie aan het opkrabbelen zijn, worden geconfronteerd met de komst van illegale uitzendbureaus die een pand opkopen en hierin 25 Poolse arbeiders plaatsen. Busjes rijden af en aan. Dat kan je niet alleen de gemeente kwalijk nemen, maar dat moet vooral de uitzendbureaus kwalijk genomen worden.

Ik spreek dan ook de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan, omdat hij een relatie met deze werkgevers heeft. Ik snap best dat hij niet al deze werkgevers individueel kent, maar volgens mij heeft hij buitengewoon goede relaties met de werkgeversorganisaties. Laat hij deze ook benutten om dit probleem gezamenlijk aan te pakken. Ik wil niet dat wij als Kamer de ene keer moeten shoppen bij deze minister en de andere keer bij die minister. Ik vraag het kabinet dan ook een coördinerend bewindspersoon te benoemen. Het kabinet doet dit wel op meer terreinen. Laat één bewindspersoon aanspreekbaar zijn. Voor ons is dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dat laat onverlet dat de overige ministers en de gemeenten ook een rol vervullen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Het is duidelijk dat wij het debat voeren met deze minister en deze staatssecretaris. Heb ik u goed begrepen, mevrouw Hamer, dat het u vooral te doen is om een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarbinnen deze minister zijn functie vervult en anderen verantwoordelijk zijn voor hún taken?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Inderdaad, maar met één persoon die als eerste aanspreekbaar is. Daarom spreek ik nadrukkelijk van een coördinerend bewindspersoon.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Het valt mij op dat mevrouw Hamer bij herhaling zei dat wij deze zaak "als de donder" moeten aanpakken. Ik houd, zoals bekend, wel van een beetje pittig taalgebruik. Ik begrijp van haar dat wij het zaakje als de "Donner" moeten aanpakken. Zij zegt in feite: minister Donner, u bent chef vrij verkeer van dit kabinet en als u het nog niet bent, mag u het van mij worden. Het is niet misselijk om zoiets aangeboden te krijgen op een dinsdagnamiddag. Mevrouw Hamer, vindt u met mij dat de heer Donner, de chef vrij verkeer die als de "Donner" aan de slag moet, het er tot nu toe te veel bij heeft laten zitten? Ik denk hierbij aan de inlenersaansprakelijkheid, de Arbeidsinspectie et cetera. Wanneer wilt u concrete actie van minister Donner, onze nieuwe chef?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik vind deze aanduiding van "chef" in de positieve zin van het woord wel mooi. Ik neem deze dan ook graag van u over. Als de "Donner" aan de slag dan maar. De minister heeft eerder bewezen dat hij buitengewoon voortvarend dingen kan aanpakken. Wat mij betreft gaat hij liever gisteren dan vandaag aan de slag. Morgen zijn de wethouders bij elkaar, dat lijkt mij een geschikt startmoment. Bovendien hebben wij volgende week weer een debat.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Dan zou het mooi zijn, nu wij zo pittig met elkaar bezig zijn, dat minister Donner, de nieuwe chef vrij verkeer, volgende week duidelijkheid geeft over de wijze waarop hij een aantal problemen concreet en op korte termijn gaat aanpakken.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ja, daar ben ik het helemaal mee eens.

Wat betreft het debat over de Postwet dat vorige week is gevoerd, is er een relatie met de minister van SZW. Is hij het met mij eens dat als iemand norm haalt die is gesteld aan een bepaald werk – dat kan post bezorgen zijn of een portie garnalen pellen – die persoon ten minste het minimumloon moet verdienen? Ik vind het van belang om dat te weten om dat debat verder te kunnen duiden.

Samen met de CDA-fractie gaat mijn fractie een voorstel doen voor het introduceren van een percentage Nederlanders dat bekend is met de afschaffing van AOW-partnertoeslag in 2015. Dat moet wat ons betreft 75% zijn aan het einde van deze regeerperiode.

Wij hebben afgesproken om in januari een uitgebreid algemeen overleg te houden over het zogenaamde AOW-hiaat. Ik zeg dat nu, omdat ik niet de verwachting wil wekken dat ik vandaag met voorstellen op dat terrein zal komen. Ik kan daar in januari volop op worden aangesproken.

Kan het kabinet de hoofdlijnen van de uitwerking van de markt voor persoonlijke dienstverlening meenemen in de hoofdlijnennotitie die ik eerder heb gevraagd over de participatiebanen?

Mijn laatste punt betreft scholing en een leven lang leren. Wat ons betreft, zou iedereen tussen 20 en 65 jaar op termijn het recht moeten krijgen om een keer per vijf jaar een competentietest te doen via het CWI en de LWI. Dat moet worden gekoppeld aan EVC-trajecten, zodat mensen hun verborgen talenten kunnen benutten. Wij vragen de bewindslieden om een experiment met competentietests op te zetten om zo een betere doorstroming op de arbeidsmarkt en een snellere en duurzamere uitstroom uit uitkeringen te bewerkstelligen. Verder willen wij graag dat de huidige doelstelling inzake voldoende startkwalificaties met 15.000 per jaar wordt verhoogd. Daarnaast roep ik de bewindslieden op om de minister en de staatssecretarissen van OCW keihard te ondersteunen bij het aanpakken van voortijdig schoolverlaten. Wat mij betreft moet die leerwerkplicht er nu snel komen.

Mevrouw Karabulut (SP):

U zei dat wij goed moeten zorgen voor onze ouderen. Daar ben ik het van harte mee eens. Wij hebben voorstellen gedaan om de problemen rond het AOW-hiaat en de aanvullende bijstand voor ouderen op te lossen en om de armoede onder ouderen te verminderen. Ik neem aan dat u deze steunt. Dergelijke zaken staan immers ook in uw verkiezingsprogramma.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Wij hebben dit debat al een paar keer in het openbaar met elkaar gevoerd, ook in de procedurevergadering. U weet dat ik bepaalde opvattingen heb over de wijze waarop de problemen met het AOW-hiaat moeten worden opgelost. Die heb ik ook al her en der geventileerd. Wij hebben afgesproken dat wij een uitgebreid algemeen overleg gaan voeren over deze buitengewoon ingewikkelde problematiek. Betrokkenen hebben hier heel veel gevoel bij en zij verwachten ook veel van ons op dit terrein. Ik vind dus dat wij dit debat zorgvuldig moeten voeren. Ik heb al eerder gezegd dat ik daar niet dit begrotingsdebat voor ga gebruiken. Ik zal al uw voorstellen met belangstelling bekijken, zoals ik hoop dat u in januari mijn voorstellen met belangstelling zal bekijken. Daar komen wij in januari dus echt met elkaar over te spreken en niet eerder. Het spijt mij als er verkeerde verwachtingen worden gewekt bij betrokkenen, maar, nogmaals, wij hebben echt met elkaar afgesproken om dit in januari buitengewoon zorgvuldig te behandelen en niet eerder.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik heb in 2004 een motie ingediend om het mogelijk te maken dat de aanvullende bijstand door de SVB uitbetaald zou worden. U hebt verschillende woordvoerders daarover gehoord: het werkt prima en het gaat heel goed. Enige tijd geleden heb ik gevraagd om dit landelijk uit te rollen. Toen hebt u daar tegen gestemd. Voorafgaand aan het debat in januari wil ik in ieder geval van u weten of u vindt dat de SVB dat direct aan de ouderen moet uitbetalen of niet.

Mevrouw Hamer (PvdA):

U probeert mij nu toch een uitspraak te ontlokken. Ik kan een tipje van de sluier oplichten, maar ik vind dat eigenlijk niet zuiver. Wij hebben met elkaar in een procedurevergadering een afspraak gemaakt. U weet dat ik grote moeite heb met de vakantieweken. U weet hoe ik daar tegen aankijk. Ik heb daar ook al voorstellen over gedaan. Bovendien weet u hoe ik tegen de SVB aankijk. Laten wij dat debat zorgvuldig in januari voeren en laat mij niet de bekende grammofoonplaat worden, iets wat ik niet wil zijn. Ontlok mij in dit debat dan ook geen verdere uitspraken. Wij komen er echt uitgebreid met elkaar over te spreken. U kent overigens de motie-Spekman/Spies op ook dit punt. Het lijkt mij dan ook niet zo zinvol om met een motie van vier jaar geleden aan te komen. Wij zijn nu namelijk al vele stappen verder.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Het was een recente motie. De motie-Spies/Spekman maakt het weer helemaal ongedaan door de gemeente of de SVB weer die mogelijkheid te geven. Ik ben het overigens met u eens dat wij dit debat straks nog inhoudelijk moeten voeren. Dat wil ik ook met alle plezier doen. Wetende dat het heel goed werkt, dat de SVB de uitvoering op zich neemt, is mijn vraag: vindt u niet dat die aanvulling door de SVB betaald moet worden? Daar kunt u wel simpel antwoord op geven.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik geloof dat ik 35 vragen aan de staatssecretaris gesteld heb. De antwoorden daarop heb ik nog niet ontvangen. Als u mijn vragen goed leest, kunt u heel goed zien in welke richting ik denk. Ik vind dat ik de staatssecretaris de kans moet geven om op die 35 vragen te antwoorden. Hoe u het ook probeert, het gaat u niet lukken vandaag en evenmin morgen.

De heer Spekman (PvdA):

Voorzitter. Ik wil de minister en de staatssecretaris bedanken voor hun arbeid die zij hebben verricht, zodat wij vandaag hier bij elkaar zijn.

Ik neem het stokje over van mevrouw Hamer. Het centrale punt in haar inbreng is dat wij als PvdA geen mensen laten vallen. Dit is ook een verandering bij dit kabinet. Wij zetten dus alles op alles om iedereen aan werk te helpen, inclusief een goede rechtspositie. Ik neem het stokje over bij het punt dat wij er ook oog voor moeten hebben dat er mensen zijn die de pech hebben dat zij langs te kant staan. Wij hebben duidelijk de wens, nogmaals, dat wij geen mensen willen afschrijven. Wij spreken daarom ook niet zo snel van een granieten bestand. Er zijn namelijk altijd wel mensen die uiteindelijk toch weer aan de slag kunnen komen.

Het gaat om werk, maar geen werkende armen, dus wel een verplichting, maar altijd oog voor de uitzondering. Daar er mensen langs te kant staan, moet er meer geld zijn voor armoedebestrijding, alsook meer mogelijkheden voor de gemeenten voor inkomensondersteuning van specifieke groepen.

Ik ga ook nog in op het bestrijden van misbruik om de solidariteit in stand te houden met de sociale zekerheid, alsook om het ontduiken van minimumloon en illegale arbeid tegen te gaan.

Wij hebben dus ook voor degenen die de pech hebben dat zij langs de kant staan. Nogmaals, dus wel werk, maar geen werkende armen. Mevrouw Hamer is daar ook al op ingegaan. Voor ons is het echt heel belangrijk dat een aantal voorwaarden heel scherp is. Als het gaat om het voorkomen van werkende armen, moet er toch altijd een beperking in de tijd zijn, dus maximaal een jaar met eventueel een gemotiveerde verlenging met een jaar. Bij die verlenging moet er ook sprake zijn van een arbeidscontract met de werkgever, zodat de werkgever aan de werknemer gebonden is. Dat moet onze les zijn ten opzichte van de Melkertregeling, waarvan ik het betreurde dat die werd afgeschaft. Toen dat gebeurde, kwam er ook wel wat naar boven bij werkgevers waar die regeling niet goed voor was.

Werken moet lonen, ook voor deze mensen, anders krijg je werkende armen. Dat betekent dat wij er in de premie-uitbetaling echt voor moeten zorgen dat de beloning ongeveer gelijk is aan het minimumloon.

Er is dus wel de verplichting om iets te gaan doen, maar er moet ook altijd oog zijn voor de uitzonderingen. Dat speelt natuurlijk bij jongeren op school of op weg naar werk. Wij vinden dat er in dit soort regelingen altijd sprake moet zijn van een hardheidsclausule. Er zijn altijd jongeren die tussen wal en schip belanden. Wij moeten nooit de lokale overheid helemaal dichtknijpen waardoor zij geen vrijheid meer heeft om zo'n individu nog te helpen.

Datzelfde geldt overigens voor de ruimte die gemeenten nodig hebben om bijstandsgerechtigden niet alleen een startkwalificatie te laten behalen maar misschien ook meer dan dat. Het gaat niet altijd om de kortste weg naar werk. Ik noem het voorbeeld van een vrouw die jarenlang was misbruikt en mishandeld door haar man en die uiteindelijk wist te ontvluchten. Zij was gretig om iets van haar leven te maken en bleek supertalentvol op het ROC. Uiteindelijk had zij het in zich om een vervolgopleiding te doen. Het was heel lastig om dat te realiseren omdat zulke uitzonderingen maar heel moeizaam worden toegestaan. Daarvoor moet men over de wet heen gaan. Dat vind ik jammer. Wij moeten dit soort vrouwen, die deze kracht hebben, altijd een kans gunnen.

Omdat er ook mensen zijn die ernaast staan vinden wij het cruciaal dat er meer geld is uitgetrokken voor armoedebestrijding en voor meer mogelijkheden voor gemeenten voor inkomensondersteuning aan specifieke groepen. Ik bedank mijn medewerkers voor het meewerken aan het boekje Alle kinderen een goede start. Een goede start is heel bepalend. Ik dank het kabinet oprecht dat het dit boekje heeft opgenomen in zijn brief. Het kabinet ziet het ook als doelstelling om iets te doen voor al die kinderen die nu in Nederland niet kunnen meedoen doordat hun ouders geen geld hebben. Daardoor kunnen zij niet sporten of niet naar de muziekschool, terwijl zij talent hebben op dat gebied. Of zij hebben geen computer, waardoor hen eigenlijk hetzelfde overkomt als kinderen aan het begin van de vorige eeuw die thuis geen boeken hadden. Wij gaan er met dit kabinet voor zorgen – met de coalitiepartijen die dit allemaal goed hebben gesteund in de motie-Van Geel voor twee maal 40 mln. – dat alvast de helft van deze kinderen aan het einde van deze kabinetsperiode kan meedoen aan de samenleving, mee kan spelen op school, muziek kan maken en meer. Dat is cruciaal. Ik ben er trots op dat dit kabinet zich daarvoor hardmaakt en ook een hard doel durft te stellen.

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter, u hebt in het begin gezegd dat u vier interrupties zou toestaan. Nu in het debat duidelijk blijkt dat wij daaraan tekort komen en nu wij keurig op tijd zijn, vraag ik u dit debat niet dood te slaan. Dit gaat over de begroting van Sociale Zaken.

De voorzitter:

Ik sla geen enkel debat dood.

De heer Ulenbelt (SP):

Ja, door geen interrupties toe te staan.

De voorzitter:

Wij lopen precies in de tijd. Als wij dit debat om 19.00 uur afronden, kunnen wij volgens de planning om 20.00 uur met het volgende debat beginnen, want zoals u weet hebben wij ook een verplichte schorsing van een uur.

De heer Spekman (PvdA):

De hele korting van het vorige kabinet is nu ongedaan gemaakt. Ik vind dat cruciaal. De erkenning dat mensen pech kunnen hebben in het leven en echt een extraatje nodig hebben om op te klauteren, om generatiegebonden armoede te voorkomen, hebben wij nu gerealiseerd met elkaar. Voor het eerst hebben wij ook een heel scherpe doelstelling genoemd, namelijk dat 50% van de kinderen die nu in armoede moeten opgroeien aan het einde van deze kabinetsperiode kan meedoen. Dat is echt heel belangrijk.

Een ander punt dat met armoede te maken heeft, zijn begrijpelijke formulieren. Het kabinet heeft zich ten doel gesteld om de belangrijkste overheidsformulieren op 1 september 2007 te laten voldoen aan de Richtlijn begrijpelijke formulieren. Het kabinet is daarmee nog lang niet ver genoeg. Er zijn nog heel veel onbegrijpelijke formulieren, terwijl heel simpele zaken nog niet zijn verwerkt. Wij manen het kabinet daarom tot spoed. Formulieren voor de huurtoeslag zijn wel duidelijk, maar het formulier voor de kinderopvang is vrij ingewikkeld, terwijl het formulier voor kinderkorting en combinatiekorting helemaal ingewikkeld is. Ik begrijp wel dat dit niet allemaal rechtstreeks deze minister en deze staatssecretaris raakt. Wat betreft het armoedebeleid en het niet-gebruik hebben wij te veel de gewoonte te verwijzen naar de gemeentelijke formulieren, maar daar zitten ook heel beroerde tussen. Wij moeten echter eerst zelf in de spiegel kijken. Wij moeten bezien wat wij zelf beter kunnen doen. Ik vind het heel raar dat, als je recht hebt op kinderopvang, er dan niet automatisch wordt gewezen op het recht op kinderkorting en de combinatiekorting. Het komt vaak voor dat mensen dit missen.

Dan iets over het bestrijden van misbruik. Als wij de solidariteit in Nederland in stand willen houden in de sociale zekerheid, moeten wij heel strak en streng zijn op misbruik. Het ontduiken van het minimumloon en de illegale arbeid moeten ook worden aangepakt. Wij kunnen nog zoveel plannetjes bedenken om mensen die nu in de bijstand zitten aan het werk te helpen, als het voor een werkgever erg eenvoudig is om illegale arbeiders aan te nemen, of als het erg eenvoudig is om de wet te ontduiken en iemand minder dan het minimumloon te betalen, dan kunnen wij het schudden. Dan nemen heel veel werkgevers anderen in dienst. De meeste werkgevers deugen wel, maar zij worden kapot gemaakt door de werkgevers die de wet ontduiken en voor een habbekrats mensen in dienst nemen. Het is cruciaal dat wij extra capaciteit vrijmaken voor de Arbeidinspectie. Ik heb er een amendement over voorbereid, met als doel om de pakkans wat betreft de ontduiking van het minimumloon en de illegale arbeid te vergroten. In het jaarplan 2006 komt naar voren wat er aan de hand is. Er zijn 11.000 controles uitgevoerd door 165 personeelsleden van de Arbeidsinspectie. Zij houden zich specifiek daarmee bezig. Er is voor 49 mln. aan boetes opgehaald en er zijn 5500 illegalen gevonden. Mijn complimenten aan het kabinet en aan de uitvoerders voor dit mooie resultaat, overigens mede dankzij de introductie door het vorige kabinet van de bestuurlijke boete, want daardoor heeft een en ander meer effect. Wij kunnen die slagkracht echter nog vergroten. Dat moet ook als wij ervoor willen zorgen dat het draagvlak voor de sociale zekerheid in stand blijft en dat de mensen die nu aan de kant staan in Nederland, maar die graag willen werken, worden aangenomen door werkgevers. Anders kiezen die voor de gemakkelijkste weg.

Ik wijs ten slotte op de Stichting steun remigranten, een stichting die goed werk doet. Er zijn altijd clubjes die één keer per jaar bij de begrotingsbehandeling terugkomen. Deze stichting hoort daar ook bij. Ik heb wat dit betreft het stokje overgenomen van Jeroen Dijsselbloem. Hij heeft het in het verleden met Mirjam Sterk gedaan. Ere wie ere toekomt overigens. De SP heeft deze week een soortgelijk voorstel gedaan voor deze club, maar er was iets met de dekking. Wij hebben een amendement voorbereid om deze club financieel te ondersteunen en hier voor eens en voor altijd op een goede manier onder te brengen.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Ik wil mijn bijdrage graag beginnen met een van de grootste fouten die het kabinet tot nu toe heeft gemaakt, namelijk de openstelling van de Nederlandse arbeidsmarkt voor Polen en andere Oost-Europeanen. De PVV is hier altijd tegen geweest en heeft vanaf het begin gewaarschuwd voor een oncontroleerbare immigratie vanuit deze landen. Het kabinet hoefde alleen maar te kijken naar de ervaringen van de Britten en de Ieren, die na openstelling van hun arbeidsmarkt veel meer Oost-Europese immigranten binnen kregen dan zij dachten, om dezelfde fout niet te maken. Maar het kabinet sloot de ogen voor wat iedereen met een beetje gezond verstand van verre aan zag komen en hield vol dat het wel mee zou vallen met de toestroom van Oost-Europeanen. Dit jaar nog wees het kabinet hierbij steeds op 50.000 of 60.000 Oost-Europese immigranten die per jaar werden verwacht, maar het zijn er inmiddels twee keer zoveel geworden. De gevolgen van deze gigantische door het naïeve kabinet onderschatte toestroom van met name Polen liegen er niet om. Denk aan overlast, verdere verloedering van stadswijken, problemen met onderwijs en problemen met integratie. Denk aan de verdringing op de arbeidsmarkt. Het is natuurlijk slecht dat bijvoorbeeld een Nederlandse vrachtwagenchauffeur zijn baan verliest of dreigt te verliezen door de massale instroom van Polen. Wij roepen het kabinet dan ook op, de gemaakte fouten te herstellen en de openstelling van de arbeidsmarkt terug te draaien, in ieder geval tot 2009. Verder graag de toezegging dat niet dezelfde domme fout zal worden gemaakt door de arbeidsmarkt open te gooien voor werknemers uit Roemenië en Bulgarije. Het is al erg genoeg dat deze landen tot de EU zijn toegetreden, maar met openstelling van de arbeidsmarkt voor Roemenen en Bulgaren zou de ellende natuurlijk helemaal niet meer te overzien zijn. Dit moet dus worden voorkomen.

De toestroom van EU-onderdanen zoals Polen geeft natuurlijk ook een grote druk op de sociale zekerheid. Zo krijgen onderdanen van een EU-lidstaat gewoon een bijstandsuitkering, als zij tenminste langer dan drie maanden in Nederland zijn verbleven. Ik vraag de regering, de Wet werk en bijstand zo aan te passen dat dit onmogelijk wordt. Dit is echt niet moeilijk, want er is al bepaald dat EU-onderdanen in principe geen beroep op de openbare kas mogen doen. Maar omdat de bal bij de IND ligt als het erom gaat, EU-onderdanen die dit wel doen, het verblijfsrecht te ontnemen, gebeurt dit natuurlijk niet, want deze organisatie heeft nooit enige gezonde daadkracht getoond. Het resultaat is dat veel van deze mensen ten onrechte hun verblijfsrecht en hun bijstandsuitkering behouden. Het is te hopen dat niet meer EU-onderdanen, bijvoorbeeld Roemenen en Bulgaren, erachter komen dat het in Nederland doodeenvoudig is om een bijstandsuitkering te krijgen, want dan is binnen de kortste keren het hek van de dam. Ook andere immigranten die in principe geen beroep op de openbare kas mogen doen, krijgen van de sociale dienst toch een uitkering, zoals de gezinsmigranten. Dit is een reden temeer om de Wet werk en bijstand zo snel mogelijk aan te passen, opdat zeker is dat vreemdelingen die geen beroep op de openbare kas mogen doen, ook werkelijk geen uitkering krijgen.

Het zou natuurlijk het allerbeste zijn om immigranten pas voor sociale voorzieningen in aanmerking te laten komen als zij hier ten minste tien jaar legaal hun verblijf hebben gehad. Daarmee zouden drie belangrijke doelen bereikt worden. De huidige, dramatisch slechte arbeidsparticipatie onder allochtonen zou verbeteren, Nederland zou een minder aantrekkelijk immigratieland worden en er zou veel minder belastinggeld in de uitkeringspot verdwijnen.

Om fraude effectief tegen te kunnen gaan moet er volgens de PVV een dagelijkse meldingsplicht voor bijstandsgerechtigden worden ingevoerd. Daarmee zou inkomensfraude in de vorm van bijvoorbeeld zwartwerken bemoeilijkt worden, want als een zwartwerker elke dag zijn werkplek moet verlaten om zijn bijstandsuitkering veilig te stellen, zal dit niet alleen hem zelf gaan irriteren, maar ook de werkgever van de voortdurend tussen sociale dienst en werkplek heen en weer pendelende zwartwerker. Met een dagelijkse meldingsplicht zou bovendien fraude van in het buitenland verblijvende personen die in Nederland ingeschreven blijven om bijstand te blijven ontvangen, in één klap worden opgelost. Uiteraard dient het niet nakomen van de meldingsplicht dan meteen beantwoord te worden met het stopzetten van de uitkering. Het moet in ieder geval duidelijk zijn dat wie fraudeert, het recht op bijstand verliest. Dit is niet alleen een passend antwoord op wangedrag, het is ook goed voor de schatkist en het zal velen er waarschijnlijk ook van weerhouden om fraude te plegen.

Het recht op bijstand moet ook komen te vervallen bij agressie of geweld tegen medewerkers van de sociale dienst of het CWI. Het is de PVV een doorn in het oog dat maar liefst 64% van deze medewerkers geconfronteerd wordt met agressie of geweld. Ook op dit punt graag een toezegging van de regering.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Voorzitter. De term eigen verantwoordelijkheid heeft in de afgelopen jaren vaak geklonken, als het om de begroting van SZW ging. Deze begroting is wat dit betreft redelijk in balans: hervormen is niet het enige credo, er wordt gericht naar oplossingen gezocht. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de gerichte maatregelen om meer mensen aan het werk te helpen. Het is goed dat de VNG en de bonden gisteren een akkoord hebben bereikt over de vormgeving van de participatieplaatsen. Nu de economie zo sterk is, moeten wij ook echt doorpakken.

Tegelijkertijd constateren wij dat de welvaart niet voor iedereen is weggelegd en dat welvaart niet automatisch leidt tot welzijn. De schuldenproblematiek is groter dan ooit. Ouders voelen steeds meer de druk om arbeid en zorg te combineren. De ouderenwerkloosheid blijft onverminderd hoog. Als ik dit alles overzie, komt er één woord bij mij op: balans. In ons persoonlijk leven zijn wij op zoek naar balans: welke keuzen maken wij? Waar liggen onze verantwoordelijkheden? Ook de samenleving zoekt naar balans: hoe verhoudt eigen verantwoordelijkheid zich tot solidariteit? Welke rol speelt de overheid daarin? Wij geloven dat de overheid mensen ruimte moet bieden om eigen keuzen te maken en daarnaast een schild moet zijn voor de zwakkeren. Op deze wijze kan een balans gecreëerd worden in het persoonlijk leven en in de samenleving.

Bij het debat over het beleidsprogramma heeft mijn fractie al aangegeven een spanning te bespeuren in de doelstelling van het kabinet om zowel de arbeidsparticipatie als het aantal vrijwilligers te vergroten. De toch al fragiele balans tussen arbeid en zorg wordt zo verder onder druk gezet. Wij voorzien bovendien dat er budgettaire consequenties zijn verbonden aan de verschuiving van informele naar formele arbeid. Denk aan de oudere mensen die niet meer thuis kunnen wonen doordat de kinderen niet meer voor hen kunnen zorgen. Los van de maatschappelijke wenselijkheid kost dit gewoonweg geld, doordat de oude mensen nu naar een verzorgingstehuis moeten. Wij willen daarom de SER om een advies vragen waarbij in kaart wordt gebracht wat het effect is van de verhoging van de arbeidsparticipatie op het aanbod van vrijwilligers en mantelzorgers, en waarbij in de vorm van een kosten-batenanalyse berekend wordt wat het budgettaire effect hiervan is. Hoe staat de minister hiertegenover?

De combinatie van arbeid en zorg moet wat ons betreft verbeterd worden. Dit kan onder andere door het stimuleren van flexibele arbeidstijden. Ondanks de krapte op de arbeidsmarkt moeten werknemers zich vooral voegen in de ouderwetse opvattingen over arbeidstijden. Dit moet en kan volgens ons anders. Daarom heeft mijn fractie met het CDA bij de begrotingsbehandeling van Verkeer en Waterstaat een motie ingediend om thuiswerk financieel meer te stimuleren. Dit is niet alleen goed tegen de files en voor het milieu, maar draagt ook bij aan de onthaasting van het gezin en het verhogen van de participatie. Graag hoor ik hierop een reactie van de minister.

Daarnaast heeft mijn fractie bij de algemene politieke beschouwingen gesproken over de schooltijdbanen. IMC in Utrecht heeft dit inzicht al eerder gehad en via schooltijdbanen een tekort aan werknemers grotendeels weggewerkt. De RWI heeft onlangs aangetoond dat circa een half miljoen niet-uitkeringsgerechtigden wel aan het werk willen als meer aangesloten wordt bij hun wensen over arbeidstijden. Wij hebben het dan over een enorm, vaak goed opgeleid arbeidspotentieel. Ik stel daarom voor om een pilot "schooltijdbanen" op te zetten in sectoren waar moeilijk vervulbare vacatures zijn. Ook moeten CWI en gemeenten actiever school- en deeltijdbanen werven en deze in aparte kaartenbakken onderbrengen, zodat potentiële werknemers het overzicht krijgen welke banen bij hun keuze passen. Graag ontvang ik hierop een reactie.

Verlofregelingen vormen eveneens een essentieel onderdeel bij het in balans brengen van arbeid en zorg. Ouders krijgen meer fiscale korting als zij ouderschapsverlof opnemen en deelnemen aan de levensloopregeling, maar nog steeds sparen weinig ouders voor verlof in de levensloop. Daarom wil mijn fractie dat ook spaarloon zonder beperkingen gedeblokkeerd kan worden als daarmee ouderschapsverlof wordt gefinancierd. Zo kom je ouders financieel tegemoet zonder een ingewikkelde regeling. Graag zou ik hierop een reactie krijgen.

Ten aanzien van het pleegzorgverlof heeft mijn collega Voordewind bij de behandeling van de begroting van Jeugd en Gezin gesproken over de flexibilisering van het opnemen ervan. Nu is alleen verlof mogelijk binnen vier weken rondom de periode dat het kind in huis komt. Pleegouders hebben meer profijt bij dagen die zij kunnen opnemen gedurende het jaar, als zij bijvoorbeeld naar het Bureau Jeugdzorg moeten. Mijn fractie stelt daarom voor, pleegzorgverlof flexibel te laten opnemen gedurende het hele jaar. Ook op dit punt vraag ik om een reactie.

Ik kom te spreken over de arbeidsmarktpositie van flexwerkers. Er ligt een evaluatie van de Flexwet maar nog geen kabinetsreactie. De positie van flexwerkers moet verbeterd worden, met name op het terrein van scholing. Nu wordt vaak niet in deze mensen geïnvesteerd, omdat zij dikwijls niet lang bij één bedrijf werken. Wij stellen daarom voor om te onderzoeken of flexwerkers meer mogelijkheden voor scholing kunnen krijgen, bijvoorbeeld in de vorm van een scholingsfonds of door middel van een hogere algemene scholingsaftrek voor werknemers met een tijdelijk contract. Is de minister bereid dit te onderzoeken?

Mijn volgende punt betreft de balans tussen werk en handicap. Voor arbeidsgehandicapten is het nog steeds niet vanzelfsprekend dat zij werk vinden. Bij het debat over de Wajong heb ik aandacht gevraagd voor de job coaches. Zij verrichten zinvol werk om de positie van Wajongers op de arbeidsmarkt te verbeteren. Het aantal Wajongers neemt toe. Daarom moet ook het aantal job coaches uitgebreid worden, om alle jongeren optimaal te kunnen ondersteunen. Hiertoe heb ik een amendement ingediend.

Een groep die niet in staat is om te werken, maar die nu niet in beeld is, is de arbeidsongeschikte nuggers. Nu de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting wordt afgebouwd, worden nuggers financieel gestraft als zij niet gaan werken. Sommigen zijn echter niet meer tot werken in staat. Deelt de minister de mening van mijn fractie, dat het onrechtvaardig is deze mensen financieel te straffen voor het feit dat zij duurzaam arbeidsongeschikt zijn? Als dat het geval is, welke financiële mogelijkheden ziet de minister dan om deze groep te ontzien?

Dan kom ik op de balans tussen welvaart en schuldenproblematiek. Werk is dé manier om armoede tegen te gaan. Zelfs met werk is er echter verborgen armoede, onder andere omdat mensen hoge schulden hebben. De schuldenproblematiek neemt steeds meer toe.

De heer Van der Vlies (SGP):

De coalitie heeft geaccordeerd dat de algemene heffingskorting in een bepaald ritme wordt teruggenomen, zoals in het coalitieakkoord staat. Vindt mevrouw Ortega-Martijn dat er toch apart gekeken moet worden naar een bestand daarbinnen, namelijk naar hen voor wie de gang naar de arbeidsmarkt, die gestimuleerd zou moeten worden, niet wel meer mogelijk en denkbaar is? Zo heb ik het toch goed begrepen?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Dat heeft de heer Van der Vlies goed begrepen. De hele afbouw van de heffing was erop gericht dat mensen meer zouden gaan participeren. Deze groep kan dat niet. Zij zijn arbeidsongeschikt. In die zin kun je je afvragen of het wel rechtvaardig is om deze mensen dit ene financiële voordeel te ontnemen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Ik ben het daarmee eens. Dat betekent dus ook amendering van het coalitieakkoord. Ik wil niet ingewikkeld doen, maar er is hier al een aantal keer over gesproken en ik heb er tot nu toe geen greep op gekregen. Nu krijg ik opeens steun van een van de coalitiepartners. Dat wil ik toch even markeren in dit debat.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik krijg veel brieven van mensen die door misstanden van uitvoeringsorganisaties zwaarder in de schulden zijn terechtgekomen. Mijn fractie ontvangt graag een reactie van de staatssecretaris welke verbeteringsslag hij voor ogen heeft om de klachten over de schuldsaneringstrajecten te reduceren.

Mijn volgende punt betreft de balans tussen werk en ouder worden. Zoals gesteld in de inleiding, is de werkloosheid nog nooit zo laag geweest. Helaas profiteren ouderen daar nog steeds nauwelijks van. De werkloosheid onder ouderen blijft een groot probleem. Vorig jaar is hierover een motie-Rouvoet/Verhagen aangenomen om een actieplan op te zetten. Nu de verbetering nog niet significant is, moeten er verdergaande maatregelen genomen worden. Werkgevers zijn bang dat oudere werknemers vaker ziek zijn. Dit blijkt overigens niet zo te zijn. Om deze angst weg te nemen, pleit mijn fractie voor een no-riskpolis van een jaar bij 55-plussers die meer dan een jaar werkloos zijn. Ik heb hiervoor een amendement ingediend.

Ik heb gepleit voor balans. Wij hebben al een balansdag. Ik hoop dat wij van volgend jaar een balansjaar kunnen maken, opdat iedereen weer meer in evenwicht komt.

De heer Van Hijum (CDA):

Op zich denk ik dat de Kamer uw doelstelling om oudere werkzoekenden aan het werk te helpen, deelt. Is de no-riskpolis daarvoor echter wel een goed instrument? Daarmee wordt het vooroordeel – ouderen zijn niet meer productief, zijn vaker ziek enzovoorts – bevestigd; wij proberen nu juist dat vooroordeel te ontkrachten. Is dit eigenlijk wel een goed middel voor dit op zichzelf goede doel?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik vind het een goed middel. Wij kunnen nog zo vaak zeggen dat uit onderzoek blijkt dat ouderen niet vaker ziek zijn. Maar als werkgevers inderdaad blijven vinden dat dat wel het geval is, dan moeten wij er op een of andere manier voor zorgen dat de werknemer bij de werkgever binnenkomt. Hij komt alleen maar binnen als wij die werkgever een instrument geven waarmee die vermeende financiële risico's weggenomen worden. In die zin is het op dit moment wel een goed instrument. Het moet wel voor een korte periode zijn.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Voorzitter. Als het om het aanvaarden van werk gaat, dan is op dit moment één ding van belang: het ijzer moet gesmeed worden nu het gloeiend heet is! Maar als ik deze bewindslieden weer zo relaxed zie zitten in vak K, dan krijg ik soms wel het idee dat zij niet het ijzer smeden maar dat zij wat aan het filosoferen zijn bij het haardvuur over hoe het allemaal anders zou kunnen, zonder echt te komen tot concrete maatregelen. Ik heb erover gedacht om hun bij de behandeling van de SZW-begroting wat pepertjes aan te bieden. Wat zij er dan verder mee zouden doen, zouden zij zelf moeten weten. Maar mijn boodschap is dat ik wel vind dat zij af en toe wat pit kunnen gebruiken. Op de valreep van deze begrotingsbehandeling kwamen er via de mail allerlei stukken binnen. Wellicht was dit de peper voor de bewindslieden, in de zin dat zij meenden toch maar eens een beetje voortgang te moeten maken om te voorkomen dat de Kamer zou gaan zeuren.

Het motto van dit kabinet is "samen werken, samen leven". Ik moet helaas vaststellen dat er ruim een jaar na de verkiezingen op het sociale terrein niet meer inzit dan "samen vechten over het ontslagrecht". Dat betreur ik, want er is genoeg te doen. Er is armoede in Nederland en er staan nog veel mensen aan de kant. Zij moeten juist op dit moment, nu de Nederlandse economie zo "booming" is, geholpen worden.

Ik hoop dat de bewindslieden de indruk die ik heb gekregen kunnen wegnemen in hun beantwoording, maar het lijkt er een beetje op dat het motto voor het komende jaar "samen wachten" is. Wachten op de commissie die voorstellen zal doen om de mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt aan het werk te helpen. Ondanks de plannen in de brief van eind vorige week, lijkt de doelstelling om 200.000 werklozen aan het werk te helpen, verder weg dan ooit. Dat is slecht voor de arbeidsmarkt, slecht voor de werkgevers, slecht voor de economie en slecht voor het aanzien van de Haagse politiek. Maar het is vooral slecht voor al die mensen die langs de kant staan, die nu niet meedoen en die moeten rondkomen van een te lage uitkering.

Voor GroenLinks is al dat wachten niet nodig. Je moet nu al maatregelen nemen om de onderkant van de arbeidsmarkt te activeren. De brief van de vorige week biedt een paar stapjes in de goede richting: participatieplaatsen, loonkostensubsidies en "work first" voor mensen in de WW. Ik heb nog wel twee heldere vragen. Staat de minister nog steeds voor de doelstelling in deze kabinetsperiode om 200.000 langdurig werklozen aan een baan te helpen? Zo ja, denkt hij die doelstelling met deze maatregelen te kunnen realiseren. Ik vind het plan dat wij van gemeenten en vakbonden op dit punt hebben gekregen interessant. Ook voor GroenLinks geldt namelijk dat werk moet lonen. Wij gaan natuurlijk niet mensen op uitkeringsniveau aan het werk zetten. Ik verneem dan ook graag de integrale reactie van de bewindslieden op dit plan.

Ik heb twee aanvullende voorstellen. In plaats van de door de minister voorgestelde bureaucratische procedure wil GroenLinks alle goedgekeurde WAO'ers en gedeeltelijk arbeidsgeschikten en alle mensen die langer dan een jaar in de WW zitten, aan het werk helpen met een loonkostensubsidie van 50% van het wettelijk minimumloon. Die zou niet na een jaar moeten stoppen, maar zou twee jaar lang moeten worden uitgekeerd aan werkgevers. Graag een reactie.

Het verleiden van de werkgevers is altijd een verhaal apart. Ook zij stellen zich immers vaak op als een soort onwillige minnaar. Zelfs als je met heel goede huwelijkse voorwaarden komt, zijn zij niet bereid om een relatie met je aan te gaan. Daarom vraag ik het kabinet hoelang het de werkgevers de kans geeft om vrijwillig invulling te geven aan het aan het werk helpen van 200.000 langdurig werklozen. Zij zouden toch voor één op de vijftig werknemers iemand in dienst willen nemen? Hoelang geeft het kabinet daarvoor de tijd? Is het kabinet bereid om bijvoorbeeld in juni 2008 een tussenevaluatie te houden en om, als het voor geen meter, geen millimeter of geen centimeter opschiet, over te gaan tot maatregelen zoals quotering? Ook daarop graag een reactie.

Ik moet helaas vaststellen dat het kabinet te weinig doet aan de bestrijding van armoede. De staatssecretaris heeft 50 mln. binnengehaald. Dat is natuurlijk niet niets, maar het is wel te weinig. Daar staat ook tegenover dat bijstandsmoeders aan de kant blijven staan met een veel te lage uitkering. Het zou mooi zijn als er juist voor de groepen "deeltijd plus" en "voltijd min" een gericht aanbod zou komen. Hoe staat het eigenlijk met de taskforce Deeltijd? Schiet dat nog een beetje op?

Dat mensen die een deel van hun leven in het buitenland hebben gewoond, na hun 65ste hun hand moeten ophouden voor een bijstandsuitkering – zeg dus maar: de mensen met het AOW-hiaat – vindt de GroenLinks-fractie schandelijk. Daarom hebben wij samen met de SP twee amendementen ingediend.

Dat 1 miljoen huurders ieder jaar € 200 gekort worden op hun huurtoeslag, is natuurlijk ook geen goed nieuws. Daarom stel ik voor om de helft van de meevaller van 400 mln. bij de uitgaven van dit kabinet concreet in te zetten om alle huurders met huurtoeslag een kerstgratificatie te geven van € 200. Ik overweeg om op dit punt een motie in te dienen. Graag een reactie van het kabinet.

GroenLinks heeft veel kritische vragen gesteld over de zojuist genoemde AOW-kwestie in de amendementen. Dat moet weer op 17 januari, maar wij moeten natuurlijk ook bij deze begroting het een en ander regelen. Hoe staat het kabinet daar eigenlijk in?

Daarnaast heb ik een voorstel over de 40 mln. voor armoedebestrijding onder kinderen, de motie-Van Geel c.s. Wij hebben een brief van het kabinet gekregen, waarin wordt voorgesteld om de 2 keer 40 mln. te besteden en afspraken te maken met gemeenten. Ik had vorige week al een amendement gemaakt om 10 mln. concreet aan het Jeugdsportfonds te geven, zodat tienduizenden kinderen lid kunnen worden van een sportclub. Dat kan echt heel erg snel, want dat is een geoliede organisatie die dat heel goed aanpakt. Vanmiddag is hier een motie van mij aangenomen die ik had ingediend bij de behandeling van de WWI-begroting om ook in de krachtwijken meer te investeren in sportvoorzieningen. Dit zou daar heel mooi bij aansluiten, want ik vind de kabinetsbrief enigszins vaag over de concrete termijn waarop die investeringen voor mensen op de armoedegrens worden gedaan. Ik wil dat echt zo snel mogelijk. Kunnen die twee keer 40 mln. overigens echt alleen aan armoedebestrijding besteed worden en niet aan lantaarnpalen, stoeptegels enzovoort? Ook dat is mij niet helder. Ik ben er niet voor om met dit budget lantaarnpalen en stoeptegels te betalen.

Dan nog iets over "baas in eigen agenda". De GroenLinks-fractie heeft met belangstelling geluisterd naar voorstellen van CDA-collega's over het stimuleren van thuiswerken. Ik vind het nog wel een beetje traag en voorzichtig: er wordt onderzoek gevraagd en het kabinet mag er een jaar de tijd voor nemen. Het grootste knelpunt is natuurlijk dat 48% van de werkgevers weigert om werknemers thuis te laten werken. Dat is echt een gigantisch probleem, terwijl het werk daar prima voor geschikt is. Dat is gebleken uit onderzoek van Motivaction in opdracht van bijvoorbeeld IBM. Ik vraag de minister en de staatssecretaris om in dit onderzoek ook te kijken naar de halsstarrigheid van de werkgevers. Het goede nieuws is dat ik voor de fractie van GroenLinks en de bewindslieden een wettelijk recht op thuiswerken heb voorbereid in de vorm van een initiatiefwet. Wellicht hoef ik het niet in te dienen en kan ik nu met de bewindslieden zaken doen. Dat zou ik prettig vinden.

Ik maak een opmerking over de Polen, de Bulgaren en de Roemenen. Uit de krantenberichten vanochtend rees bij mij het beeld van de VOC-mentaliteit. Wij willen profiteren van de bijdrage die de Polen, Bulgaren en Roemenen leveren aan onze economie. Tegelijkertijd willen wij niet in hen investeren door middel van goede huisvesting, sociale zekerheid, het inzetten van de Arbeidsinspectie, de inlenersaansprakelijkheid enzovoort. Dit bevalt mij niet. Af en toe lijkt het alsof sommige partijen in de Tweede Kamer de Oost-Europeanen massaal en zeer tijdelijk betaald naar Nederland willen halen, zodat die een muur om Nederland kunnen metselen. Deze partijen kunnen zich vervolgens lekker in zichzelf gekeerd achter deze muur verschansen en zeggen: "ho, bij ons kom je er niet in!" De fractie van GroenLinks is hier niet van gediend. Ik vind dat de chef van het vrije verkeer "als de Donner" aan de slag moet om een aantal dingen beter te regelen. Minister Donner heeft dit een beetje laten lopen. Daardoor hebben wij nu dit soort problemen. Hoe groot zijn deze problemen eigenlijk in de wijken waar Polen worden gehuisvest? Wat doen de werkgevers? Ik ken een aantal mensen uit het Regentessekwartier in Den Haag. Van deze wijk wordt gezegd dat er grote problemen spelen. De mensen die er wonen en die ik spreek – dit is niet alleen de elitaire bovenlaag – zeggen dat er eigenlijk geen probleem is. Er lopen wel wat Polen op straat, maar dat moet toch mogelijk zijn.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter. Ik stel vandaag drie onderwerpen aan de orde: 65-plussers die willen werken, Oost-Europeanen die willen werken en outsiders die willen werken. De kernvraag waarvoor Nederland staat, is volgens mij hoe wij meer mensen aan het werk krijgen en hoe wij onze economie kunnen versterken. Ik zal een antwoord geven in drie stukken, te beginnen bij de 65-plussers.

De meeste sociaaleconomische stelsels zijn nog steeds ingericht alsof mensen op hun 65ste ziek, zwak en misselijk zijn. Dat was in 1957 misschien zo, maar nu geldt dit niet meer. Eén op de vijf 65-plussers wil langer blijven werken. Deze wens sluit goed aan op andere behoeftes in de maatschappij, zoals het tekort aan arbeidskrachten, dat door de vergrijzing nog zal toenemen. Veel 65-plussers stuiten op juridische problemen. In veel cao's wordt het mensen min of meer verboden om door te werken na hun 65ste. Werkgevers zijn vaak niet bekend met de mogelijkheden om door te werken. Hierdoor maken zij nog geen optimaal gebruik van deze nieuwe groep op de arbeidsmarkt. Ook 65-plussers kennen de huidige mogelijkheden niet goed. Het kabinet heeft de Tweede Kamer in antwoord op vragen van D66 en op aandringen van de vakbonden gezegd het verbod op doorwerken op te heffen voor rijksambtenaren boven de 65 jaar. Per 1 januari 2008 is bovendien een speciale cao voor 65-plussers afgesproken, de doorwerk-cao. Ik vraag de minister om 65-plussers en bedrijven proactief op deze mogelijkheden te wijzen. De overheid moet een campagne starten om deze mogelijkheid onder de aandacht te brengen. Dat kan aangevuld worden door het actief benaderen van 55-plussers.

Ik vraag het kabinet tevens om een overzichtelijke website te lanceren waarop werknemers van boven de 65 jaar en hun werkgevers kunnen opzoeken hoe zij problemen met doorwerken kunnen oplossen. 65-plussers moeten op hun rechten gewezen worden. Wat is daarop het antwoord van minister en staatssecretaris?

Nu de 65-plussers als zzp'ers. Ik doe de minister een paar concrete suggesties aan de hand en hoor graag zijn reactie. Maak het voor 65-plussers gemakkelijker om actief te blijven als zzp'er: door een zzp'er in te huren, hebben bedrijven wel de lusten, maar niet de lasten van het in dienst hebben van een 65-plusser. Geef 65-plussers recht op zelfstandigenaftrek, geef hun recht op startersaftrek. Ik sluit me aan bij de opmerkingen van de heer Blok over de algemene belemmeringen voor ondernemers, ongeacht de leeftijd. Daarop wil ik wel één aanvulling maken: het urencriterium van 1225 uur moet ook van de baan.

Ik kom bij de Roemenen en Bulgaren. Ik wil deze coalitie feliciteren. Er dreigde iets te gebeuren in Nederland: de economie zou dynamischer worden, de economische groei zou toenemen, het financiële fundament onder ons onderwijs zou worden versterkt. Maar door een kloek optreden van de coalitiepartijen is dit ons bespaard gebleven. Ook hierin toonden de regeringspartijen dat zij het vooral eens zijn over wat níét moet gebeuren: er komt geen Pool, geen Roemeen en geen Bulgaar meer in. Dat is weer een beslissing om toe te voegen aan het rijtje van geen modernisering van de arbeidsmarkt, geen hervorming van het ontslagrecht voor ambtenaren, geen oplossing voor de vergrijzing, geen oplossing voor een vastzittende woningmarkt. Nederland zou volgens de coalitiepartijen niet klaar zijn voor Polen en andere Oost-Europeanen. De VVD stelde bij monde van Henk Kamp dat de Polen onze banen inpikken. Dat deze coalitie corrumpeert onder de angst voor het vreemde en de globalisering is bekend. Maar dat de VVD zich daarbij aansluit, is onverteerbaar; van een liberale partij verwacht ik anders. Dat Rotterdam zich daarbij aansluit, is onverteerbaar: van de grootste havenstad ter wereld mag meer ambitie worden verwacht.

Nederland is niet af. Ik wil een Nederland met een economie die zo sterk is, dat iedereen een baan kan vinden – en daarbij heb ik het niet over subsidiebanen. Ik wil een Nederland met onderwijs dat zo goed is, dat iedereen zich kan ontplooien. Ik wil een Nederland zo ontwikkeld, dat het weer het meest vrije land van de wereld wordt. Oost-Europeanen dragen hieraan bij. In hun drang om het beste uit hun leven te halen, vergroten zij onze welvaart. De investeringen die zo nodig zijn voor ons onderwijs worden mede opgebracht door Poolse schilders, dakdekkers en aannemers.

Er zijn geen Nederlandse cijfers voorhanden en daarom neem ik even mijn toevlucht tot Britse. In Groot-Brittannië hebben Oost-Europeanen voor 20% van de economische groei in 2006 gezorgd. In absolute getallen hebben zij gezorgd voor een toename van het bnp van 6 mld. pond. De Polen die naar Groot-Brittannië komen, zijn hoger opgeleid dan de Britten; zij verhogen dus het kennisniveau van de Britse arbeidsmarkt. Onze economie dreigt te vertragen door een tekort aan werknemers en een starre arbeidsmarkt. Een topman van de Rabobank noemde dit afgelopen weekend in de NRC de grootste bedreiging voor de Nederlandse economie. De modernisering van de arbeidsmarkt heeft dit kabinet al uitgesteld. Nu zeggen de coalitiepartijen en de oppositie dus ook nee tegen gemotiveerde, hardwerkende Oost-Europeanen. Ik ben blij dat in ieder geval de minister zijn rug rechthoudt.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Voorzitter. Ik hoor mevrouw Koşer Kaya een heel betoog houden. Ik weet niet wat zij vandaag heeft gedaan, maar volgens mij reageert zij op heel veel dingen die in de Kamer helemaal niet aan de orde zijn geweest. Maar is zij al eens in de probleemwijken geweest, waarin de huisjes staan waar al die mensen in zitten?

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

In mijn interruptie van mevrouw Hamer heb ik al gezegd dat die problemen moeten worden opgelost. De hoofdvraag vinden wij nu echter of Bulgaren en Roemenen hier straks mogen komen werken of niet. In ieder verdrag staat die vestigingsvrijheid. Wij gaan daar wel geld verdienen, omgekeerd mag het niet. Zij dragen bij aan wat in ons land economisch noodzakelijk is. Weet u hoeveel zorgwerkers we de komende tijd nodig zullen hebben? 700.000 extra zorgwerkers! Dat betekent dat wij er nu al voor moeten zorgen dat de arbeidsmarkt niet potdicht komt te zitten.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Dat is een antwoord op een niet-gestelde vraag. U kunt wel allerlei cijfers in mijn richting gooien, maar ik vroeg u alleen maar of u bekend bent met de situatie in die wijken. Vindt u het aanvaardbaar dat Bulgaren en Roemenen straks op dezelfde manier worden behandeld? Zo nee, dan is het toch zeker volstrekt logisch dat wij snel orde op zaken stellen en deze mensen uit die mensonterende omstandigheden halen. Waarom blaast u toch zo hoog van de toren? Wij vragen allemaal alleen maar om een oplossing van de problemen. U bent volgens mij de enige die hiervoor de ogen sluit.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik blaas zeker niet hoog van de toren. Dat doet u. In een interruptie heb ik u verder al gezegd dat ik natuurlijk ook vind dat de problemen moeten worden opgelost. D66 sluit namelijk nooit haar ogen voor problemen.

Het is een feit dat onze arbeidsmarkt potdicht zit. U hebt desondanks de modernisering van het ontslagrecht onmogelijk gemaakt en nu wilt u ook nog eens de grenzen sluiten, zodat die broodnodige nieuwe werknemers Nederland niet meer in kunnen. U sluit hopelijk uw ogen niet voor dit tekort aan werknemers.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Nou moet ik het toch echt vragen: was u het nu wel of niet eens met de plannen voor het ontslagrecht? In een radio-interview zei u tegen mij dat u het niet eens was met de plannen van minister Donner en dat u liever het CWI zou afschaffen. Ik heb u in deze discussie tot nu toe gespaard, maar nu u zo'n toon aanslaat, moet ik u er toch op wijzen dat uw standpunt kant noch wal raakt.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Goed dat u deze vraag stelt. Ik zie overigens dat u een beetje boos begint te worden. Op de inhoudelijke plannen van minister Donner voor de modernisering van het ontslagrecht viel inderdaad wel iets af te dingen, maar ík zou nooit weggelopen zijn voor een discussie hierover. Mijn motie over de afschaffing van het CWI hangt nog in de lucht, maar ik dien haar met alle plezier in als u met mij wilt optrekken. Dan is er ten minste een instantie minder.

Voorzitter. Kan de minister hoofd- van bijzaken onderscheiden? Als er een huizentekort is, zetten wij de economie daarvoor toch zeker niet stil? Wij gaan dan huizen bouwen. Tegen de gemeente Rotterdam zeg ik dan ook: bouw huizen en pak de overlast aan. Grote steden krijgen namelijk wel meer geld per inwoner dan andere gemeenten.

De CDA-woordvoerder, de woordvoerder van de partij van het rentmeesterschap, vraag ik of de komende generaties bij hem verhaal mogen halen als zij duizenden euro's meer belasting moeten gaan betalen. Hij wil de arbeidsparticipatie immers niet verhogen. Als er straks geen wiskundeleraren meer zijn voor onze kinderen, neemt hij daarvoor dan de verantwoordelijkheid? Als er straks geen verplegers meer zijn om onze ouderen te wassen, verdedigt hij die situatie dan? Als de ambitieuze mensen uit de volgende generatie massaal emigreren om de hoge kosten van het levensonderhoud te ontvluchten, staat hij dan hun ouders te woord?

Ondernemers klagen dat zij geen opdrachten meer kunnen aannemen omdat ze te weinig personeel hebben. Kunnen deze ondernemers met hun problemen bij de VVD-woordvoerder terecht? Eigenlijk is dit een overbodige vraag, want hij heeft in zijn inbreng gezegd dat hij hier niet voor de ondernemers staat. Ik doe dat echter wel.

Voorzitter. Vorig jaar heb ik samen met de fracties van de PvdA en de ChristenUnie gepleit voor het opnemen van een diversiteitsparagraaf in jaarverslagen van de overheid en bedrijven. De Nederlandse arbeidsmarkt laat namelijk nog steeds weinig diversiteit zien. Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd. De jeugdwerkloosheid is hoog. Onder allochtonen is de werkloosheid zelfs twee keer zo hoog als onder jongeren in het algemeen. Van de hoger opgeleide vluchtelingen zit maar liefst 40% in een uitkering, ook al beschikken ze over een technische opleiding of een opleiding voor de zorg. Ondertussen geeft een derde van de allochtone werknemers aan dat ze te maken hebben met discriminatie. Wij moeten hiervan werk maken.

Ik wil het bedrijfsleven niet verplichten tot het opnemen van een diversiteitsparagraaf in het jaarverslag. Ik adviseer het wel, want het tekort op de arbeidsmarkt dwingt hen om alle mogelijkheden aan te grijpen. Is de minister bereid om elk jaar een lijst te publiceren van best practices? De Rabobank verricht hier uitstekend werk. Ik wil een lijst van bedrijven die divers personeelsbeleid hoog in het vaandel dragen.

Voorzitter. Nederland is niet af! Nederland moet nog verder hervormd worden! Daar sta ik met D66 voor of het nu gaat om de vergrijzing, de woningmarkt of het opentrekken van de woningmarkt.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter. De economie presteert al een tijd goed, gelukkig maar. De werkloosheid is gedaald en daalt nog steeds. De bijstandsgerechtigden nemen in aantal af en het aantal banen groeit, kortom wat dat betreft staan wij er goed voor. Dat is reden voor dankbaarheid. Hier staat wel het een en ander tegenover. Neem het onderzoek van het Nibud: de koopkrachtplaatjes van het kabinet vergeleken met hun eigen bevindingen. 75 van de 100 berekende gezinssamenstellingen zullen komend jaar duurder uit zijn dan dit jaar. Gezinnen met kinderen krijgen toch de rekening voorgelegd, soms zelfs met een koopkrachtdaling van bijna 1%. Ik vraag deze bewindslieden hoe zij de verschillen met de door hen gepresenteerde beelden precies verklaren.

Mijn fractie vraagt aandacht voor het koopkrachtbeeld van chronisch zieken en gehandicapten. Door een aantal maatregelen, zoals de aanstaande versobering van de buitengewone uitgavenregeling en het terugnemen van de algemene heffingskorting, worden zij gemakkelijk zwaar getroffen. Dat moeten wij niet willen; zij mogen niet aan het kortste eind trekken. Wij moeten ons realiseren dat juist deze groep vaak niet in staat is om te werken. Mevrouw Ortega wees zo-even ook al met de vinger. Wij verzoeken deze bewindslieden dan ook dringend om dit goed in de gaten te houden en zo nodig met aanvullende maatregelen te komen.

Minstens zo groot als de blijdschap dat wij ouder worden, is de zorg hoe wij dit als samenleving financieren. Ik doel hierbij op de vergrijzingsproblematiek. De staatsschuld kunnen wij verminderen. Daarnaast kunnen mensen die hiertoe in staat zijn, langer en meer actief zijn. Hiermee halen wij de angel uit het vergrijzingsprobleem. Daarom ondersteunt mijn fractie de maatregelen die erop gericht zijn om ouderen, waar mogelijk, aan het werk te houden. Daarbij moet doorwerken tot na de 65-jarige leeftijd mogelijk zijn en met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk worden bevorderd. Ik vraag deze bewindslieden daarom klip en klaar of zij kunnen stimuleren dat artikelen geschrapt worden die bepalen dat de arbeidsovereenkomst eindigt als werknemers de 65-jarige leeftijd bereiken, zoals in diverse cao's nu nog het geval is.

Nu het ontslagrecht voorlopig van de agenda is gehaald, richten de bewindslieden zich terecht op de toename van de arbeidsparticipatie. Tegelijkertijd moeten wij vaststellen dat ook het huidige ontslagstelsel fors eenvoudiger kan en dus moet. Daarnaast moet de ontslagvergoeding gelijkgesteld worden aan de huidige kantonrechterformule. Ik verzoek de minister uitdrukkelijk deze gedachten, voorgesteld door de RMU, door te geleiden naar de in te stellen commissie.

Mijn fractie heeft moeite met de drang van het kabinet om zo veel mogelijk moeders van jonge kinderen de arbeidsmarkt op te krijgen, zonder rekening te houden met het feit dat zij er bewust en terecht voor kiezen om niet te werken of niet meer uren te werken. Uit onderzoek blijkt dat 44% van de ouders ervoor kiest om kinderen zelf op te voeden en niet naar de kinderopvang te brengen. Op welke wijze gaan de bewindslieden deze geluiden verwerken in hun beleid? De mantelzorg, het vrijwilligerswerk en de opvoeding van de kinderen zouden er wel bij varen.

Ik sluit mij in feitelijke zin aan bij alle vragen die zijn gesteld over de zzp'ers.

In de motie-Van der Staaij c.s. is gevraagd om uitstapprogramma's voor prostituees te stimuleren dan wel te faciliteren. Nu blijkt dat slechts 6% van de betreffende gemeenten aandacht besteedt aan uitstapmogelijkheden voor prostituees. Tot onze verbazing dreigt er nu een stammenstrijd tussen SZW en Justitie over wie er nu eigenlijk verantwoordelijk voor is. Dat kan natuurlijk niet zo zijn. Welke acties ondernemen welke ministers om meer dan nu uitvoering te geven aan de motie?

Werknemers uit Oost-Europa blijven de gemoederen bezighouden, dat is ook vandaag wel weer gebleken. Dat is niet ten onrechte. Ook mijn fractie heeft belangrijke voorwaarden ingebracht, zoals geen verdringing op de arbeidsmarkt en op orde brengen van de huisvestingsproblematiek. Wij vonden deze voorwaarden nodig om mee te gaan met de voorstellen. Wat is de reactie van de minister op de actualiteit? Wat de Roemenen en de Bulgaren betreft, kan van verkorting van het uitstel dat denkbaar is binnen de gestelde marges geen sprake zijn als de genoemde problematiek niet gezaghebbend is opgelost.

Bij de behandeling van de begroting van Verkeer en Waterstaat vorige week, heeft mijn fractie aandacht gevraagd voor de schaarste aan bemanningsleden op de binnenvaart. In dat debat werd verwezen naar deze begrotingsbehandeling. Er zou ook overleg plaatsvinden, zodat dit onderwerp in dit debat verder aan de orde gesteld zou kunnen worden. Het gaat om bemanningsleden van buiten de EU op Nederlandse binnenvaartschepen. Daar is schreeuwend behoefte aan, maar er is sprake van stagnatie. Ik zou graag zien dat er wat olie in deze machinerie werd gegooid.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 19.05 uur tot 20.05 uur geschorst.

Voorzitter: Ten Hoopen

Naar boven