33 930 XII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2013

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN INFRASTRUCTUUR EN MILEU (XII)

Aangeboden 21 mei 2014

Gerealiseerde uitgaven naar beleidsterrein voor 2013

Gerealiseerde uitgaven naar beleidsterrein voor 2013

Gerealiseerde ontvangsten naar beleidsterrein voor 2013

Gerealiseerde ontvangsten naar beleidsterrein voor 				  2013

INHOUDSOPGAVE

   

blz.

A.

Algemeen

7

1.

Aanbieding en dechargeverlening

7

     

2.

Leeswijzer

9

     

B.

Beleidsverslag

12

3.

Beleidsprioriteiten

12

4.

Beleidsartikelen

24

 

Artikel 1 Integraal Waterbeleid

24

 

Artikel 2 Ruimtelijke Ontwikkeling

25

 

Artikel 3 Wegen en Verkeersveiligheid

26

 

Artikel 4 Openbaar Vervoer en Spoor

27

 

Artikel 5 Mainports en Logistiek

28

 

Artikel 6 Klimaat, Luchtkwaliteit en Geluid

29

 

Artikel 7 Duurzaamheid

30

 

Artikel 8 Externe Veiligheid en Risico’s

31

 

Artikel 9 Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

32

 

Artikel 10 Inspectie Leefomgeving en Transport

33

 

Artikel 11 Waterkwantiteit

34

 

Artikel 12 Waterkwaliteit

43

 

Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling

49

 

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

61

 

Artikel 15 Openbaar vervoer

67

 

Artikel 16 Spoor

72

 

Artikel 17 Luchtvaart

81

 

Artikel 18 Scheepvaart en havens

92

 

Artikel 19 Klimaat

103

 

Artikel 20 Lucht en geluid

112

 

Artikel 21 Duurzaamheid

119

 

Artikel 22 Externe veiligheid en risico’s

126

 

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

133

 

Artikel 24 Handhaving en toezicht

137

 

Artikel 25 Brede doeluitkering (BDU)

144

 

Artikel 26 Bijdrage Investeringsfondsen

146

     

5.

Niet-beleidsartikelen

150

 

Artikel 97 Algemeen Departement

150

 

Artikel 98 Apparaat Kerndepartement

153

 

Artikel 99 Nominaal en Onvoorzien

155

     

6.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

156

     

C.

De jaarrekening

166

7.

Verantwoordingsstaten

166

7.1

De departementale verantwoordingsstaat 2013 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu

166

7.2

De samenvattende verantwoordingsstaat 2013 van de agentschappen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu

167

7.3

De departementale saldibalans per 31 december 2013

169

7.4

De balansen per 31 december 2013 van de agentschappen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu

179

7.5

Topinkomens

213

     

D.

Bijlagen

216

1.

Toezichtrelaties en ZBO’s/RWT

216

2.

Afgerond evaluatie en overig onderzoek

228

3.

Overzicht niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijk personeel (externe inhuur)

234

4.

Rapportage correspondentie

237

5.

Afkortingenlijst

238

DEEL A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

Aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, het jaarverslag met betrekking tot de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) over het jaar 2013 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Infrastructuur en Milieu decharge te verlenen over het in het jaar 2013 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2013;

  • b. het voorstel van de slotwet over het jaar 2013 dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2013 met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2013 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2013, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2013 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

Voor u ligt het Jaarverslag 2013 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting. In dit Jaarverslag 2013 wordt verantwoording afgelegd over de gerealiseerde uitgaven, ontvangsten en aangegane verplichtingen ten opzichte van de begroting 2013 inclusief de Nota van Wijziging 2013 (Kamerstukken II, 2012/13, 33 400 XII, nr. 8).

Het Jaarverslag IenM 2013 bestaat uit de volgende onderdelen:

  • A. Een algemeen deel: hierin is naast deze leeswijzer de officiële aanbieding van het Jaarverslag aan de Staten-Generaal en het verzoek tot dechargeverlening opgenomen.

  • B. Het beleidsverslag 2013 van IenM: hierin wordt ingegaan op de resultaten die in 2013 zijn geboekt. Het beleidsverslag bestaat uit vier onderdelen: het verslag over de beleidsprioriteiten, de beleidsartikelen, de niet-beleidsartikelen en de bedrijfsvoeringsparagraaf.

  • C. De Jaarrekening 2013 van IenM: deze bestaat uit de departementale verantwoordingstaat van IenM en de samenvattende verantwoordingsstaten van de agentschappen KNMI, Rijkswaterstaat, Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa). Tevens bevat dit deel de departementale saldibalans van IenM, de jaarverslagen van de agentschappen en de opgave van topinkomens.

  • D. De bijlagen:

    • 1. het overzicht inzake het toezicht op de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en de rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s)

    • 2. het overzicht van afgerond evaluatie en overig onderzoek

    • 3. het overzicht van de externe inhuur

    • 4. de rapportage correspondentie

    • 5. de afkortingenlijst

Naast dit Jaarverslag, Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting, kent IenM ook de Jaarverslagen van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, respectievelijk Hoofdstuk A en J van de Rijksbegroting. In deze fondsen worden de concrete investeringsprojecten en programma’s van het Ministerie van IenM geraamd en verantwoord.

Met het Infrastructuurfonds wordt invulling gegeven aan de doelstellingen zoals genoemd in de Wet op het Infrastructuurfonds (Staatsblad 1993, nr 319), te weten het bevorderen van een integrale afweging van prioriteiten en het bevorderen van continuïteit van middelen voor infrastructuur.

Het Deltafonds kent zijn oorsprong in de Waterwet (Staatsblad 2009, nr 107). In de Waterwet is als doel van dit fonds opgenomen de bekostiging van maatregelen, voorzieningen en onderzoeken op het gebied van waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

De verantwoordingen van IenM zijn ook digitaal beschikbaar op www.rijksbegroting.nl.

De financiële informatie in het beleidsverslag (onderdeel B) wordt gepresenteerd door middel van de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid». Hierin worden opmerkelijke verschillen tussen de budgettaire raming en de realisatie in het verslagjaar toegelicht. Om de hoeveelheid informatie te beperken is gekozen voor het hanteren van de hieronder aangegeven norm. Aan de hand van deze norm wordt bepaald of een verschil wordt toegelicht. Naar aanleiding van de aanbeveling van de Tijdelijke Commissie Onderhoud en Innovatie Spoor is de normering aangepast, waarbij geldt dat begrotingsbedragen boven de € 50 miljoen met een afwijking van meer dan € 5 miljoen ook worden toegelicht.

Norm bij te verklaren verschillen

Begrotingsbedrag

Verschil

< € 4,5 miljoen

> 50%

€ 4,5 – 22,5 miljoen

> € 2,5 miljoen

€ 22,5 – 50 miljoen

> 10%

> € 50 miljoen

> € 5 miljoen

Dit houdt in dat die hoofdproducten, waarbij het verschil tussen het begrotingsbedrag en de realisatie kleiner is dan de aangegeven norm niet worden toegelicht. Een uitzondering hierop wordt gemaakt voor beleidsmatige relevante mutaties. Deze worden ongeacht bovenstaande normering wel toegelicht. Verder worden in afwijking van bovenvermelde norm die artikelen, waarop in de begroting 2013 geen of zeer geringe ontvangsten, uitgaven of verplichtingen zijn geraamd maar waar in 2012 wel relatief kleine bedragen op zijn gerealiseerd, niet apart toegelicht.

Betreffende de niet-financiële informatie moet worden vermeld dat IenM bij het verkrijgen van deze indicatoren voor een deel afhankelijk is van verzameling door externe partijen zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De praktijk is zodanig dat deze gegevens in een aantal gevallen later beschikbaar komen. Dit leidt ertoe dat niet in alle gevallen de gegevens over het verslagjaar ten tijde van het opstellen van het jaarverslag beschikbaar waren.

Wat is nieuw in dit Jaarverslag

Groeiparagraaf

De begroting van 2013 en dus ook dit voorliggende Jaarverslag is gewijzigd door invoering van een nieuwe begrotingsstructuur, de verdere doorvoering van het «Verantwoord Begroten» en transparantie.

Begrotingsstructuur

Als gevolg van de vorming van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu kent de begroting van IenM een nieuwe begrotingsstructuur. Deze structuur is begin 2012 aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt en vanaf de Voorjaarsnota 2012 van kracht (Kamerstukken II, 2011/12, 33 000 XII, nr. 111). De vaste commissie voor IenM heeft op basis van deze structuur aangegeven welke wensen zij graag verwerkt zag in de begroting 2013 (Kamerstukken II, 33 000-XII-111/2012D25435). IenM heeft aangegeven hoe het invulling kan geven aan die wensen, onder andere door middel van een aangepaste begrotingsstructuur (Kamerstukken II, 2011/12, 31 865, nr. 42). De Begroting 2013 en dit Jaarverslag zijn op basis van die nieuwe begrotingsstructuur opgebouwd.

Als gevolg van de twee achtereenvolgende conversies naar een nieuwe artikelindeling kan met de realisatiecijfers in de nieuwe artikelindeling enkel worden teruggekeken naar het verantwoordingsjaar 2013. Voor de volledigheid zijn evenals in de begroting 2013 wel de «oude» artikelen 1 tot en met 10 opgenomen voor de jaren 2011 en 2012. De cijfers die in dit Jaarverslag voor het jaar 2011 zijn opgenomen, zijn indicatief. Voor de niet-beleidsartikelen «Algemeen departement» en «Apparaat van het kerndepartement» zijn vanwege de vorming van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu geen indicatieve cijfers voor het jaar 2011 beschikbaar. Voor het beleidsartikel 25 Brede Doeluitkering geldt dat de verplichtingenrealisaties voor de jaren 2011 en 2012 door de genoemde conversies niet zijn opgenomen. Voor de realisatiecijfers van de artikelen «Algemeen departement» en «Apparaat van het kerndepartement» voor het jaar 2011 en eerder wordt verwezen naar de eerder gepubliceerde jaarverslagen van Hoofdstuk XI en Hoofdstuk XII.

Verantwoord Begroten

De begroting 2012, evenals het Jaarverslag 2012 waren al significant gewijzigd als gevolg van de veranderingen die in de Rijksbegroting zijn doorgevoerd onder de naam «Verantwoord Begroten» (Kamerstukken II, 2010/11, 31 865, nr. 26). De begroting 2013 is conform de voorschriften van «Verantwoord Begroten» opgebouwd. Dat betekent dat voor alle beleidsartikelen rollen en verantwoordelijkheden worden beschreven, bijbehorende indicatoren en kengetallen worden gepresenteerd alsmede de in te zetten financiële instrumenten. Deze nieuwe opzet wordt ook gevolgd in het Jaarverslag 2013. Aanvullend daarop is aan het beleidsprioriteitenverslag een tweetal overzichtstabellen opgenomen, te weten de tabel «Realisatie beleidsdoorlichtingen» en de tabel «Overzicht garanties en achterborgstellingen».

Transparantie

In begrotingsonderzoeken en tijdens begrotingsbehandelingen is geconstateerd dat meer transparantie van de begrotingen van IenM wenselijk is. De Tweede Kamer heeft naar aanleiding van het rapport van de Tijdelijke Commissie Onderhoud en Innovatie Spoor deze wens nog eens herhaald. In de kabinetsreactie op het rapport van de Tijdelijke commissie onderhoud en innovatie spoor (Kamerstukken II, 2011/12, 32 707, nr. 16) is een pakket maatregelen aangekondigd om de informatievoorziening naar de Tweede Kamer beter en transparanter te maken. De maatregelen zijn – voor zover van toepassing op de begroting en toepasbaar in de verantwoording – in dit Jaarverslag doorgevoerd.

Verder heeft de vaste Kamercommissie IenM geconstateerd dat met het toedelen van de bijdrage aan het Infrastructuurfonds aan de verschillende beleidsartikelen, veel sterker de inhoudelijke relatie gelegd kan worden tussen beleidsdoelstellingen, de ministeriële verantwoordelijkheid en de middelen die via het Infrastructuurfonds besteed worden. Hiertoe is een nieuw beleidsartikel, artikel 26 Bijdrage investeringsfondsen, geïntroduceerd. In de brief (Kamerstukken II, 2011/12, 31 865, nr. 42) is verder aangegeven hoe IenM deze relatie wil versterken. Deze lijn is in de begroting 2013 en dit Jaarverslag doorgevoerd.

DEEL B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

Inleiding

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft in 2013 volop gewerkt aan integrale oplossingen voor vraagstukken met betrekking tot bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Alle activiteiten waren gericht op versterking van de economie in combinatie met de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving. In dit beleidsverslag worden de belangrijkste resultaten uit 2013 toegelicht.

Ruimte

SVIR

De uitvoering van de realisatieparagraaf van de SVIR ligt op koers. In gesprekken met de provincies is gebleken dat zij goed uit de voeten kunnen met de nieuwe verdeling van bevoegdheden in de ruimtelijke ordening. De Minister van IenM heeft de Tweede Kamer per brief van 28 oktober 20131 geïnformeerd over de voortgang.

RAAM

In november 2013 is tijdens het bestuurlijk overleg MIRT Noord-Holland – Utrecht – Flevoland de Rijksstructuurvisie Amsterdam – Almere – Markermeer vastgesteld. Vervolgens zijn de Bestuursovereenkomst RRAAM en de Uitvoeringsovereenkomst Almere 2.0 ondertekend. Deze documenten zijn op 20 november 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden2. Hiermee is het programma RRAAM, gestart in 2010, beëindigd. De vaste commissie Infrastructuur en Milieu van de Tweede Kamer heeft besloten om ook voor de vervolgfase de status van Groot Project te willen handhaven.

Wind op Land

De Structuurvisie Windenergie zal de ruimtelijke kaders aangeven voor de ontwikkeling van grootschalige windenergie op land. De Ontwerp Structuurvisie3 is in juni 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Ondergrond

De Structuurvisie Ondergrond wordt het ruimtelijk afwegingskader voor activiteiten in de ondergrond en beoogt een duurzaam en efficiënt gebruik daarvan. In 2013 is bij een breed scala aan belanghebbenden – bestuurlijke koepels, milieuorganisaties en bedrijfsleven – geïnventariseerd welke kansen en knelpunten er liggen.

Leegstand kantoren

De Minister van IenM heeft in 2013 op verschillende momenten de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de rijksacties voortkomend uit het Convenant Aanpak Leegstand Kantoren4. Onder meer is een onderzoek uitgevoerd naar de juridische mogelijkheden om te komen tot een verplichte afdracht ten behoeve van regionale kantorenfondsen. In de brief «Uitvoering Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte»5 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van de eerste tranche van het convenant Bedrijventerreinen 2010–2020 (gesloten tussen Rijk, IPO en VNG) en over de pilots «verzakelijking bedrijventerreinen».

Stelselherziening omgevingsrecht (Omgevingswet)

De Tweede Kamer is in november 2013 geïnformeerd over de voortgang van de stelselherziening omgevingsrecht6. Het wetsvoorstel Omgevingswet is volgens planning in juli 2013 voor advies aangeboden aan de Raad van State. Daaraan voorafgaand heeft het kabinet de betrokken bestuurlijke en maatschappelijke partijen en toetsende instanties in de gelegenheid gesteld te reageren op het conceptwetsvoorstel. Van deze gelegenheid is veel gebruik gemaakt. De reacties zijn verwerkt in het wetsvoorstel. De Raad van State heeft inmiddels advies uitgebracht. Dit advies wordt in het wetsvoorstel verwerkt. Bij indiening, naar verwachting medio 2014, zullen naast het advies van de Raad van State ook de uitkomsten van de formele toetsen openbaar worden gemaakt.

Daarnaast is in 2013 gewerkt aan de voorbereiding van de onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur en de Invoeringswet. Verder is in opdracht van IenM, VNG, IPO en UvW een verkenning gestart voor de implementatie: invoeringsbegeleiding, digitalisering vergunningverlening en toezicht en handhaving.

Crisis- en herstelwet

Met instemming van Eerste en Tweede Kamer is de Crisis- en herstelwet verlengd tot het moment dat deze opgaat in de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht. De 5e en 6e tranches Crisis en herstelwet, waarin innovatieve projecten en experimenten worden aangewezen, zijn in 2013 in werking getreden.

Bereikbaarheid

Wegprojecten

In april 2013 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de gevolgen van de bezuinigingen op het Infrastructuurfonds voor de voortgang van de MIRT-projecten7. In 2013 is verder gewerkt aan de besluitvorming over een aantal projecten voor een betere bereikbaarheid in Nederland. Zo heeft de Minister van IenM naar aanleiding van het advies van de Commissie Schoof8 met de Tweede Kamer gesproken over nadere besluitvorming met betrekking tot de Ring Utrecht. Het advies van de Commissie Schoof is overgenomen. In november heeft de Minister van IenM de Structuurvisie bereikbaarheid Regio Rotterdam en Nieuwe Westelijke Oeververbinding vastgesteld en aan de Tweede Kamer gezonden9. Ook is in 2013 is een aantal startbeslissingen genomen, waaronder de startbeslissing voor de A58 Eindhoven–Tilburg en de A2 ’t Vonderen–Kerensheide. Verder is het Standpunt A13/A16 naar de Tweede Kamer toegezonden en is een Tracébesluit N18 Varsseveld-Enschede en Tracébesluit A6/A7 Knooppunt Joure vastgesteld.

ITS

Intelligente Transport Systemen (ITS) bieden nieuwe oplossingen voor het behalen van de doelstellingen voor bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. In dit verband heeft de Minister van IenM in november 2013 de Routekaart en Uitvoeringsagenda van het actieprogramma «Beter geïnformeerd op weg» aan de Tweede Kamer aangeboden10. De Uitvoeringsagenda geeft de komende jaren invulling aan de doorontwikkeling van ITS op het gebied van reisinformatie en verkeersmanagement.

Verkeersveiligheid

In 2013 is gestart met de uitvoering van de maatregelen uit de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid. De focus van deze maatregelen ligt op de risicogroepen ouderen en fietsers. In het programma «Blijf Veilig Mobiel» werkt een tiental maatschappelijke organisaties samen om ouderen te stimuleren en helpen langer veilig en fit mobiel te blijven, met inhoudelijke en financiële steun van IenM. Gemeenten hebben in 2013 hun eigen lokale aanpak veilig fietsen opgesteld. Daarnaast heeft onderzoek uitgewezen dat de seniorenkeuring vanaf de verhoogde leeftijd van 75 jaar een nuttige bijdrage aan de verkeersveiligheid levert. Deze blijft daarom gehandhaafd.

Lange Termijn Spooragenda

Om goede afwegingen te kunnen maken ten aanzien van de wensen en eisen die aan het spoorsysteem worden gesteld is in 2012 gestart met het uitwerken van de Lange Termijn Spooragenda (LTSa). De Staatssecretaris van IenM heeft begin 2013 deel 1 van de LTSa11 aan de Tweede Kamer gestuurd met daarin de ambities en doelstellingen. In de loop van 2013 zijn deze in overleg met de relevante stakeholders verder uitgewerkt. Deel II is in april 2014 aan de Tweede Kamer verzonden12.

Programma Hoogfrequent Spoor

In 2013 is in het kader van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) verder gewerkt aan de diverse maatregelen om op termijn tot hogere treinfrequenties op de drukste corridors te komen. Vanwege de lagere groeiprognoses van het goederenvervoer en de bezuiniging op het Infrastructuurfonds is de totale oplevering van de PHS-maatregelen verschoven van 2020 naar 2028. Het PHS-project «Doorstroomstation Utrecht» is in 2013 de realisatiefase in gegaan. De lay-out van de sporen wordt daar grootscheeps gerenoveerd en uitgebreid om meer treinen met een hogere opvolgsnelheid mogelijk te maken. In augustus 2013 is een besluit genomen over de inrichting van de OV-SAAL corridor (Schiphol – Amsterdam – Almere – Lelystad) waarmee de toename van de vervoervraag op dit traject op de middellange termijn kan worden opgevangen.

Winterweer op het spoor

Mede als gevolg van de maatregelen uit het programma Winterweer op het spoor is de treindienst tijdens de winter van 2012/2013 niet op grote schaal ontregeld en is de treindienst ondanks de strenge winter redelijk betrouwbaar gebleken. Op de trajecten waar de «Zwitserse wisselaanpak» is toegepast, is het storingsniveau met 20–40% gedaald.

Spoorveiligheid

Ten behoeve van verbetering van de veiligheid op het spoor op de langere termijn is in 2012 besloten om het beveiligingssysteem ERTMS (European Rail Traffic Management System) in Nederland in te voeren, ter vervanging van het huidige systeem ATB. In 2013 is een aantal stappen in deze richting gezet. Op het traject Amsterdam-Utrecht hebben in het kader van de pilot ERTMS Dual Signalling testritten plaatsgevonden met verschillende soorten passagiers- en goederentreinen en zijn machinisten en treindienstleiders opgeleid. In februari 2013 is de Startbeslissing (Railmap 1.0)13 aan de Tweede Kamer gestuurd en is een bedrag van € 2 miljard gereserveerd voor ERTMS. De Kamer heeft ERTMS aangemerkt als Groot Project en wordt daarom uitgebreid geïnformeerd en meegenomen in de voorliggende keuzes en scenario’s. De Staatssecretaris van IenM heeft de Tweede Kamer met de Railmap 2.014 in december geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de onderzoeken in de verkenningsfase.

Om ook op de korte termijn de veiligheid op het spoor te verbeteren worden daarnaast de Stoptonend Seinpassages (STS-passages) aangepakt. Hiertoe zijn – in lijn met de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid naar aanleiding van het ongeval bij Amsterdam Westerpark – de volgende categorieën maatregelen in gang gezet:

  • 1. Niet meer «op rood plannen» in de nieuwe dienstregeling.

  • 2. Meer seinen voorzien van het beveiligingssysteem ATB vv (verbeterde versie): in 2013 zijn aanvullend 150 seinen hiermee uitgerust, waarmee het totaal op circa 1950 komt. Aan ProRail is opdracht gegeven alle overige seinen hiermee uit te rusten, met uitzondering van die trajecten waar op korte termijn volledig onder ERTMS kan worden gereden.

  • 3. Aanscherping van de gespreksregels voor communicatie tussen machinisten en treindienstleiders.

Grensoverschrijdende spoortrajecten

In 2013 zijn op verschillende grensoverschrijdende trajecten concrete stappen gezet. Eind 2013 is bijvoorbeeld een akkoord gesloten over een elektrische treindienst Maastricht – Heerlen – Aken. Het Rijk en de provincie Limburg hebben samen € 15 miljoen beschikbaar gesteld om het traject Landgraaf – grens te elektrificeren. De partijen aan Duitse zijde financieren de benodigde elektrificatie op het traject grens – Herzogenrath. Verder zijn met de deelstaatregering Nordrhein-Westfalen afspraken gemaakt over de cofinanciering van de regionale treindienst Arnhem – Düsseldorf met ingang van 2017–2018.

Het stopzetten van de V250-hogesnelheidstreinen op de verbinding naar Antwerpen heeft ertoe geleid dat het grensoverschrijdend spoorvervoer in eerste instantie is opgevangen door extra treinen in te zetten tussen Roosendaal en Antwerpen en vanaf februari door middel van intercitytreinen tussen Den Haag en Brussel. In september 2013 heeft het kabinet ingestemd met het voorstel van NS voor de wijze waarop de komende jaren het vervoer naar België en verder zal worden ingevuld en de Tweede Kamer hierover geïnformeerd15.

OV-chipkaart

Met de start van het Nationaal Openbaar Vervoerberaad (NOVB) is een permanente structuur ingericht voor overleg en besluitvorming over concessieoverstijgende onderwerpen met betrekking tot de OV-chipkaart. Een belangrijk besluit van dit gremium in 2013 betrof het afschaffen van het dubbel opstaptarief in de treinketen. Ook ten aanzien van de herpositionering van TLS is voortgang geboekt. Partijen zijn voornemens een coöperatie op te richten waarvan alle concessiehoudende vervoerders lid zijn. Eind 2013 is de intentieverklaring over de governance ondertekend. De verwachting is dat de intentieverklaring over de financiering medio 2014 getekend wordt. Daarnaast wordt gewerkt aan het inrichten van toezicht op de OV-betaalmarkt door de ACM. Ter ondersteuning van de aanpak langs de genoemde sporen wordt de Wet Personenvervoer 2000 aangepast zodat op Rijksniveau beslissingen kunnen worden genomen indien de concessiepartijen niet tot overeenstemming komen. Indiening van het wetsvoorstel voor aanpassing van de Wet Personenvervoer is beoogd in het najaar van 2014.

Infrastructuurautoriteit

Op 21 juni 2013 hebben de Minister van BZK en de Staatssecretaris van IenM een wetsvoorstel16 bij de Tweede Kamer ingediend waarmee het mogelijk wordt gemaakt de verkeer- en vervoertaken en de BDU-middelen van de huidige plusregio’s Amsterdam, Rotterdam en Haaglanden onder te brengen bij twee vervoerregio’s in de Randstad. De taken en middelen van de overige plusregio’s worden bij de provincies ondergebracht.

Maritiem

In 2013 is gewerkt aan de versterking van de internationale concurrentiekracht van de mainport Rotterdam en de Nederlandse maritieme sector. Het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) ligt op koers, de risico’s zijn sterk afgenomen en ruim 85% van de rijksuitgaven is gedaan. De Minister van IenM heeft in juli de evaluatie van het project aan de Tweede Kamer gestuurd17. De planuitwerking voor de Zeesluis Kanaal Gent-Terneuzen en de Zeetoegang IJmond is een stap verder gekomen en het ontwerp tracébesluit MER voor de verdieping van de Eemsgeul is begin 2014 gereed gekomen. Als gevolg van de bezuinigingen en procedurele vertragingen zijn de projectbeslissingen voor sluis Eefde en de tracébeslissing voor de Beatrixsluis enigszins vertraagd. Beide beslissingen worden in 2014 verwacht. De verdieping van de vaarweg Harlingen-Kornwerderzand («Boontjes») is in 2013 opgeleverd. De realisatie van de verruiming van het Wilhelminakanaal bij Tilburg, de Wilhelminasluis in de Zaan en de bouw van de Schutsluis bij Zwartsluis zijn in 2013 van start gegaan. In het kader van de quick win-regeling binnenhavens zijn acht projecten gerealiseerd in 2013, waaronder de langshaven en zwaaikom Vossenberg West in Tilburg, verlenging van de kade bij Markelo en de kadeverbetering Julianakanaal in Maastricht.

In 2013 werd de implementatie van (wijzigingen van) een aantal internationale verdragen en regels afgerond, waaronder het herziene IMO-verdrag inzake training en opleiding van zeevarenden (STCW) en de EU-richtlijn inzake het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen.

Beter Benutten

Met het programma Beter Benutten beoogt het kabinet het bestaande netwerk van wegen, spoorwegen en vaarwegen maximaal te benutten, onder meer door te komen tot een betere spreiding van vervoersstromen en reizigers. De eerste inzichten in de effecten van het programma laten een positief beeld zien: de spitsmijden-projecten reduceren de files op de betrokken wegvakken met meer dan 5%. Ook de werkgeversaanpak heeft tot een gemiddelde filereductie van 5% geleid, met name door de invoering van flexibele werktijden. Het programma Beter Benutten ligt op schema: in 2013 is circa 15% van de ruim 300 projecten afgerond. Verder zijn de maatregelen die met de bestuurlijke trio’s (Minister van IenM, regionale bestuurder en CEO uit de regio) zijn afgesproken nader uitgewerkt en is gestart met de uitvoering. De regio’s Stedendriehoek (Deventer-Zutphen-Apeldoorn) en Leeuwarden zijn toegevoegd aan het programma, waardoor nu in totaal twaalf regio’s deelnemen.

Luchtvaart

Het kabinet streeft naar een veilig, duurzaam en efficiënt luchtvaartsysteem. Om deze ambitie tegen de achtergrond van de groei van het aantal vliegbewegingen te realiseren zijn in 2013 de volgende stappen gezet:

  • In het najaar zijn het ontwerp-Luchthavenbesluit Eindhoven en MER ter inzage gelegd. Ten aanzien van de ontwikkeling van Lelystad Airport zijn diverse stappen gezet waaronder het ter inzage leggen van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau in het kader van de MER-procedure.

  • De kabinetsreactie omtrent het nieuwe normen- en handhavingsstelsel van Schiphol is naar de Tweede Kamer gestuurd18.

  • Groningen Airport Eelde heeft in april de verlengde start- en landingsbaan in gebruik genomen. Sindsdien zijn ook bestemmingen verder weg binnen en buiten Europa non-stop vanaf Eelde te bereiken.

  • De aanbesteding voor de luchthaven Twente is ten opzichte van de initiële planning vertraagd, waardoor in 2013 geen luchthavenbesluit kon worden vastgesteld. Om toch exploitatie van het huidige vliegveld mogelijk te maken is in september 2013 een concessieovereenkomst gesloten tussen Area Development Twente (ADT) en de toekomstige exploitant.

  • Voor alle luchthavens van nationale betekenis zijn stappen gezet om te komen tot Commissies van Regionaal Overleg (CRO’s). Voor Groningen Airport Eelde en Rotterdam The Hague Airport heeft het Rijk inmiddels een onafhankelijk voorzitter benoemd en is de CRO van start gegaan.

  • De AMvB Luchthavenindelingsbesluit voor het onderdeel vliegveiligheid is aangepast aan de internationale regels en ter inzage gelegd.

  • Rijk en de luchtverkeersdienstverleners hebben een concept Roadmap Luchtruimvisie opgesteld. De Roadmap zal in 2014 worden afgerond wanneer de (financiële) gevolgen duidelijk zijn. Aan de luchtruimprojecten uit de concept Roadmap wordt onverminderd doorgewerkt.

  • In ICAO-verband zijn afspraken gemaakt over de invoering van een mondiaal systeem voor emissiereductie in 2020. Over de werking van dat systeem dient een besluit te worden genomen door de ICAO Assemblee van 2016.

  • Om het risico van vogelaanvaringen te beperken is in 2013 27% meer hectare vrijwillig ondergewerkt dan in 2012. Schiphol onderzoekt de mogelijkheden van radar voor vroegtijdige vogeldetectie.

  • Medio 2013 is het traject Shared Vision afgerond, dat beoogde te komen tot een gedeelde visie tussen KLM en Schiphol over het selectiviteitsbeleid, het masterplan Schiphol en de luchthaventarieven voor de komende jaren. De Staatssecretaris van IenM heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de herziening van de tariefregulering van Schiphol19. De herziening is uitgewerkt in een wetsvoorstel dat eind 2013 het formele toetsingsproces is ingegaan.

  • De Europese Commissie heeft een voorstel tot herziening van de Verordeningen Passagiersrechten Luchtvaart uitgebracht.

  • In overleg met de eilandbesturen van Bonaire, Saba en Sint Eustatius zijn de voorbereidingen getroffen voor nieuwe aanwijzingsbesluiten voor de luchthavens op deze eilanden. Voor de drie luchthavens worden onder de Luchtvaartwet BES voor het eerst geluidszones vastgesteld. In 2013 is het ontwerp Besluit geluidsbelasting luchtvaartterreinen BES bij de Raad van State aanhangig gemaakt, is het berekeningsvoorschrift aangepast en is overleg gevoerd over de te hanteren vlootmix.

Leefomgeving en Milieu

Luchtkwaliteit en geluid

Uit de 4e Monitoringrapportage over het NSL20 die op 17 december 2013 aan de Tweede Kamer is gezonden, blijkt dat de luchtkwaliteit in Nederland de afgelopen drie jaar is verbeterd. Nederland voldoet grotendeels aan de Europese normen voor luchtkwaliteit. Alleen enkele hardnekkige knelpunten blijven nog bestaan. Deze knelpunten komen voor in de gebieden met veel intensieve veehouderij of industrie (fijn stof) en in de grote steden (stikstof). De tegenvallende doorwerking van de Euro-emissienormen voor voertuigen betekent voor het NSL dat er minder positief resultaat ten aanzien van de luchtkwaliteit wordt geboekt dan bij de start van het NSL werd verwacht. Gelijktijdig met de monitoringrapportage is de Tweede Kamer geïnformeerd21over het kabinetsbesluit om het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) te verlengen tot 1 januari 2017. In die periode wordt de monitoring voortgezet.

De Staatssecretaris van IenM heeft de Tweede Kamer op 28 maart 2013 per brief22 geïnformeerd over de beleidskeuzes ten aanzien van nieuwe geluidwetgeving voor decentrale infrastructuur en industrielawaai (SWUNG-2).

Klimaat

Op 4 oktober 2013 is de Klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen» aan de Tweede Kamer aangeboden23. Waar het SER-energieakkoord zich hoofdzakelijk op 2020 richt, ligt de focus van de Klimaatagenda op concrete doelen en ambities voor 2030 en verder, en richt deze zich zowel op mitigatie (vermindering broeikasgassen) als op adaptatie (aanpassen aan klimaatverandering). Verder en richt de Klimaatagenda zich op dwarsdoorsnijdende maatregelen (materiaal- en grondstoffen en biobased economy) en sectoren die niet door de SER gedekt worden (landbouw, overige broeikasgassen).

Om uitvoering te geven aan de motie Van der Werf24 heeft de Staatssecretaris van IenM in maart 2013 een tussentijdse evaluatie van de Lokale Klimaatagenda aan de Tweede Kamer gezonden25. Hieruit komt het belang naar voren van de interactieve leer- en kennisuitwisselingtrajecten. De huidige opzet van de Lokale Klimaatagenda, waarbinnen de ruimte geborgd is voor voortdurend geactualiseerde speer- en aandachtspunten is waardevol en wordt voortgezet tot in 2014. In september is het SER energie akkoord tot stand gekomen en de Klimaatagenda gepresenteerd. Hiermee worden binnen en buiten IenM nieuwe activiteiten ontwikkeld. Dit is de aanleiding geweest om eind 2013 te starten met een verkenning naar het vervolg van de Lokale Klimaatagenda in 2014.

Bodem

In 2013 is de Impuls Lokale Bodemkwaliteit afgerond. De impuls richtte zich op het formuleren van beleid voor het natuurlijk kapitaal door medeoverheden. Een aantal regio’s heeft inmiddels de ecosysteembenadering toegepast in concrete gebiedsontwikkeling.

Decentralisatie bodembeleid

In 2013 is gewerkt aan het beleidsonderbouwend onderzoek voor de fundamentele herziening van de Wet bodembescherming die in 2014 en 2015 verder worden doorgevoerd. Verder zijn in 2013 bijdragen verleend aan bevoegde gezagen voor het uitvoeren van saneringsafspraken met betrekking tot verontreinigde locaties.

Energie uit de samenleving, ruimte door de overheid

Om een groene economie te bevorderen ontwikkelt IenM duurzaamheidscriteria die zorgen voor een handelingsperspectief en investeringszekerheid in de markt. In 2013 zijn de criteria voor kantoorgebouwen en drukwerk geactualiseerd. Verder is een onderzoek gestart naar vereenvoudiging van de criteriastructuur, zodat deze op efficiëntere wijze kan worden beheerd.

IenM heeft zich in Europees verband ingezet voor het vaststellen van wettelijke duurzaamheidscriteria voor vaste biomassa ten behoeve van energieopwekking. Bij gebrek aan overeenstemming tussen de lidstaten heeft de Europese Commissie echter in het najaar van 2013 besloten nog geen beslissing te nemen over een beleidsvoorstel op dit vlak. Zo lang er geen criteria op EU-niveau zijn vastgesteld, zal Nederland samenwerking zoeken met gelijkgestemde landen en bezien in hoeverre criteria onderling zijn te harmoniseren.

In 2013 is gestart met het opzetten van het programma Duurzaam Doen (DD). Dit programma inspireert mensen om van duurzaam denken over te gaan tot duurzaam doen. Met DD biedt IenM samen met anderen concrete tips en tools om duurzaam te doen. Verder biedt het programma een podium voor partijen met duurzame initiatieven. Het programma trekt zoveel mogelijk op met partners in de samenleving. In 2013 is onder andere gewerkt aan een aanpak, een bijbehorende kernboodschap en een website. In 2014 zal lancering plaatsvinden, waarna stapsgewijs verbreding naar andere thema’s en maatschappelijke organisaties en marktpartijen kan plaatsvinden.

Green Deals

AgentschapNL heeft een voortgangsrapportage uitgevoerd waaruit blijkt dat de uitvoering van het merendeel van de Green Deals op koers ligt. Verder is een externe audit uitgevoerd van het Green Deals proces. Beide stukken zijn in november 2013 aan de Tweede Kamer gestuurd26. Eindconclusie is dat de Green Deal aanpak succesvol is en beantwoordt aan een groeiende behoefte van partijen in de samenleving om zelf kansen voor groene groei te realiseren, waarbij men een beroep kan doen op een laagdrempelige overheid.

Van afval naar grondstof (VANG)

In het kader van de groene groei ambitie van het kabinet is 2013 gebruikt om het voornemen gericht op het versnellen van de transitie naar een circulaire economie om te zetten in een beleidsprogramma. Dit programma, getiteld «Van afval naar grondstof» bestaat uit een reeks nieuwe activiteiten gericht op het vergroten van het marktaandeel van duurzame producten, op het verduurzamen van de consumptie en op het meer en beter gaan recyclen. Daarnaast wordt het bestaande beleid op het gebied van grondstoffen en afval binnen dit programma geheroriënteerd op de gewenste transitie. Een beschrijving van het programma is op 28 januari 2014 aan de Tweede Kamer gezonden27.

Verder zijn er op het terrein van verpakkingen en afvalverwerking in 2013 zijn de volgende resultaten bereikt:

  • De raamovereenkomst verpakkingen is van start gegaan. In december heeft de Staatssecretaris van IenM de Tweede Kamer over de voortgang geïnformeerd28. De hoofdconclusie is dat de gemaakte afspraken in het eerste jaar zijn uitgevoerd. Dit betreft onder meer de overgang naar een nieuwe uitvoeringsorganisatie met een privaat heffingssysteem in plaats van de verpakkingenbelasting, het structureel verduurzamen van verpakkingen, het uitvoeren van een pilot drankenkartons en een monitoringsmethode.

  • Voor huishoudelijk afval is de samenwerking met de gemeenten geïntensiveerd. Samen met de gemeenten wordt nu verder gekeken hoe invulling gegeven kan worden aan de wens om meer huishoudelijk afval te recyclen.

  • De afvalverbrandingsinstallaties hebben ook in 2013 weer afval geïmporteerd om op volle capaciteit te kunnen draaien.

Uitvoering en handhaving milieutaken

In 2013 heeft het landelijke netwerk van regionale uitvoeringsdiensten (RUD’s) vorm gekregen. Daarmee is een randvoorwaarde voor betere uitvoering van de VTH-taken (Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving) door de overheid vervuld. Het wetsvoorstel VTH-taken dat 13 februari 2014 bij de Tweede Kamer is ingediend29 voorziet in kwaliteitscriteria, uniforme interventiestrategieën en optimale informatie-uitwisseling. Alle RUD’s zijn opgericht en operationeel geworden. Er zijn 29 Regionale Uitvoeringsdiensten; zes daarvan hebben een specialisatie in BRZO-taken.

Water

Waterveiligheid

De Minister van IenM heeft in april 2013 het voorgenomen beleid ten aanzien van waterveiligheid aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt30. Uitwerking hiervan vindt plaats binnen het Deltaprogramma Waterveiligheid en zal worden meegenomen in het voorstel voor de Deltabeslissingen in 2014.

Het wetsvoorstel dat de cofinanciering van het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) wettelijk verankert is conform planning op 1 januari 2014 in werking getreden. De waterschappen en Rijkswaterstaat hebben in juni 2013 het eerste HWBP-projectenboek aangeboden aan de Minister van IenM. Dit bevat, naast de kaders en spelregels, een overzicht van de projecten die zijn gestart of in 2014 zullen starten.

Zoetwater

In 2013 zijn in het kader van het Deltaprogramma zoetwater kansrijke strategieën voor de zoetwatervoorziening van Nederland ontwikkeld. Daarnaast zijn korte termijn maatregelen beschreven en is het concept «voorzieningenniveau» geïntroduceerd dat tot doel heeft duidelijke afspraken tussen overheden en gebruikers te maken. Dit alles ter voorbereiding op de Deltabeslissingen die in 2014 worden genomen.

Waterkwaliteit

In 2013 heeft IenM de uitvoering van maatregelen uit de Stroomgebiedbeheerplannen 2009 van de Kaderrichtlijn Water voortgezet. Verder is met het vrijmaken van € 100 miljoen een eerste stap gezet om de structurele financiering van de KRW vanaf 2016 te borgen. De Tweede Kamer heeft met het aannemen van het amendement Jacobi31 besloten om de financiering van het werken aan schoon water onderdeel te maken van het Deltafonds.

Bestuursakkoord Water (BAW)

Met het in 2011 gesloten BAW streeft het kabinet samen met de bestuurlijke partners in het waterdomein (waterbeheer en waterketen) naar onder meer een doelmatigheidswinst van € 750 miljoen per jaar, uiterlijk per 2020. Deze doelmatigheidswinst zal ten goede komen aan het watersysteem en de waterketen zodat de kostenstijging wordt beperkt en de lokale lasten voor burgers en bedrijven gematigd stijgen. In 2013 is met grote voortvarendheid aan de uitvoering van het BAW gewerkt. Mijlpalen in 2013 waren:

  • Start visitatiecommissie waterketen onder leiding van oud-Minister Peijs (leidend tot aanbevelingen voor de samenwerking in de waterketen)

  • Oplevering eerste programma nieuw Hoogwaterbeschermingsprogramma

  • Verdere samenwerking RWS en waterschappen op meerdere terreinen, zoals ICT en vergunningverlening en handhaving

  • Het Wetsvoorstel gelijktijdige verkiezingen voor leden van Provinciale Staten en de categorie ingezetenen van de waterschapsbesturen is aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer.

  • De Wijziging waterwet (wetsvoorstel doelmatigheid en bekostiging hoogwaterbescherming) is per 1 januari 2014 in werking getreden.

Aanleg

In 2013 is doorgewerkt aan het verbeteren van de waterveiligheid, onder andere aan de grote projecten HWBP-2, Ruimte voor de Rivier en Maaswerken. Voor het HWBP-2 zijn bijna alle resterende voorkeursalternatieven vastgesteld en is een groot aantal projecten in realisatie gegaan, zoals Krimpen, Eemdijken en Zwakke Schakels Noord-Holland. Van het programma Maaswerken zijn in 2013 drie projecten afgerond. Het betreft de zomerbedverdieping in het stuwpand Grave, de peilopzet in het stuwpand Grave en de Grensmaaslocatie Borgharen. Verder zijn in 2013 vier projecten in uitvoering gegaan: zomerbedverdieping in het stuwpand Sambeek, Grensmaaslocatie Aan de Maas, hoogwatergeul Well Aijen en de prioritaire kademaatregel Maastricht. Twee nieuwe projecten zijn in 2013 geïnitieerd: Zuidgeul Well Aijen en het project Vlaamse locaties Boertien+. De prioritaire kademaatregelen binnen het programma Maaswerken worden in 2020 afgerond. Ook het programma Ruimte voor de Rivier was in 2013 volop in uitvoering. Uitvoering is gestart bij onder andere de uiterwaardvergravingen langs de Rijn, de dijkteruglegging bij Lent, en de uiterwaardvergraving bij Munnikenland. De dijkverleggingen bij Zutphen en de Hoogwatergeul Veessen Wapenveld zijn gegund en de uitvoering daarvan is in voorbereiding.

Beheer en onderhoud

In 2012 zijn voor het Beheer en Onderhoud voor de periode 2013 tot en met 2016 prestatieafspraken gemaakt voor het watermanagement, beheer en onderhoud waterveiligheid en voor de zoetwatervoorziening. Het doel hierbij is het zodanig in conditie houden van het hoofdwatersysteem dat de primaire functies voor zowel waterveiligheid als voor de zoetwatervoorziening vervuld kunnen worden. Gebleken is dat de conditie van het hoofdwatersysteem in 2013 van voldoende kwaliteit was om de primaire functies te vervullen.

Governance

Georganiseerd vertrouwen; dat is het leidende principe voor aansturing en toezicht op de zelfstandige organisaties op IenM-terrein. Op 1 januari 2013 zijn de bevoegdheden van de Minister en de governancestructuur van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) geactualiseerd en is de regelgeving in lijn gebracht met het kabinetsbeleid en de Kaderwet ZBO’s. In 2013 zijn rijksbreed alle ZBO’s doorgelicht waarbij de conclusie was dat de zelfstandige status gerechtvaardigd is, het stelsel van ZBO’s redelijk gezond is en voor de taken goede redenen zijn om deze door ZBO’s uit te laten voeren. Voor de grote IenM tariefgefinancierde ZBO’s (CBR, Kadaster, LVNL en RDW) is de conclusie dat deze materieel voldoen aan het kabinetsbeleid en geen aanpassing behoeven. In de aansturing en toezicht is in 2013 via de meerjarige financiële planning en de begroting expliciet aandacht besteed aan de verwachtingen rondom de vraag naar door ZBO uit te voeren taken en de wijze waarop binnen de bedrijfsvoering de gevolgen van de recessie door de ZBO’s opvangen kunnen worden ten behoeve van een continuïteit van de dienstverlening op lange termijn.

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Artikel

Realisatie

Toelichting

 

2011

2012

2013

 

Artikel 12 Waterkwaliteit

       

Waterkwaliteit

X

   

Afgerond (Kamerstukken II, 32 861, nr. 1)

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

       

Kwaliteit leefomgeving

 

X

 

Afgerond (Kamerstukken II, 32 861, nr. 3)

Artikel 16 Spoor

       

Kwaliteit leefomgeving

 

X

 

Afgerond (Kamerstukken II, 32 861, nr. 3)

Parlementair onderzoek Onderhoud en innovatie spoor

 

X

 

Kabinetsreactie is in juni 2012 aan de Tweede Kamer verstuurd (Kamerstukken II, 32 707, nr. 16)

Artikel 18 Scheepvaart en havens

       

Nota Zeehavens

 

X

 

Afgerond (Kamerstukken II, 32 861, nr. 2)

Artikel 22 Externe veiligheid

       

Besluit externe veiligheid inrichtingen

   

X

Afgerond (Kamerstukken II, 32 861, nr. 4)

Garanties

Het Ministerie van IenM heeft één garantieregeling, te weten de Regeling borgstelling MKB. Het MKB kan voor leningen die zij afsluit ten behoeve van bodemsaneringen een garantiestelling van IenM ontvangen. De verstrekte garanties worden voor 90% op de balans van IenM opgenomen.

Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van de overheid aan een derde buiten de overheid, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet.

Overzicht verstrekte garanties (bedragen in € 1.000)

Artikel en naam

Omschrijving

Uitstaande garanties 2012

Verleende garanties 2013

Vervallen garanties 2013

Uitstaande garanties 2013

Garantie-plafond 2013

Totaal plafond

13 Ruimtelijke ontwikkeling

Regeling Borgstelling MKB

554

0

39

515

0

65.000

 

Totaal

554

0

39

515

0

65.000

4. BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1 Integraal waterbeleid

Dit artikel is alleen van toepassing op het begrotingsjaar 2012. Conform de brief over de begrotingsstructuur d.d. 26 juni 2012 (Kamerstukken II, 2011/2012, 31 865, nr.42) is artikel 1 Integraal waterbeleid per ontwerpbegroting 2013 geconverteerd naar de artikelen 11 Waterkwantiteit en 12 Waterkwaliteit.

Budgettaire gevolgen van beleid: (bedragen x € 1.000)

01 Water

     

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

   

2011

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

72.119

48.402

     

Uitgaven

69.626

42.097

     

01.01 Algemeen waterbeleid

47.032

31.671

     

01.01.01 Opdrachten

19.074

2.116

     

01.01.02 Subsidies

9.757

10.355

     

– Partners voor Water (HGIS)

9.757

9.137

     

– Overige subsidies

 

1.218

     

01.01.03 Bijdragen aan baten-lastendiensten

18.201

19.200

     

– Bijdragen aan RWS

18.201

19.200

     

01.02 Waterveiligheid

18.661

2.591

     

01.02.01 Opdrachten

18.661

2.591

     

01.03 Waterkwantiteit en kwaliteit

247

5.937

     

01.03.01 Opdrachten

247

2.638

     

01.03.02 Subsidies

0

77

     

01.03.04 Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden

0

3.222

     

01.04 Grote oppervlaktewateren

3.686

1.898

     

01.04.01 Opdrachten

3.686

1.898

     

01.09 Ontvangsten

93

75

     

Artikel 2 Ruimtelijke Ontwikkeling

Dit artikel is alleen van toepassing op het begrotingsjaar 2012. Conform de brief over de begrotingsstructuur d.d. 26 juni 2012 (Kamerstukken II, 2011/2012, 31 865, nr.42) is artikel 2 Ruimtelijke ontwikkeling vanaf de begroting 2013 geconverteerd naar artikel 13 Ruimtelijke Ontwikkeling.

Budgettaire gevolgen van beleid: (bedragen x € 1.000)

02 Ruimtelijke ordening

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

38.493

93.527

     

Uitgaven

148.555

117.259

     

02.01 Ruimtelijk Instrumentarium

19.803

23.767

     

02.01.01 Opdrachten

7.101

8.792

     

02.01.02 Subsidies

10.901

14.915

     

02.01.04 Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden

1.801

60

     

02.02 Geo informatie

27.227

28.968

     

02.02.01 Opdrachten

2.777

4.715

     

02.02.05 Bijdrage aan ZBO en RWT

24.450

24.253

     

– Basisregistratie grootschalige Topo (BGT)

 

0

     

– Basisregistratie Topo (BRT)

24.450

24.253

     

– Overige Bijdragen aan ZBO/RWT

 

0

     

02.03 Gebiedsontwikkeling

69.414

14.565

     

02.03.01 Opdrachten

8.515

1.245

     

02.03.02 Subsidies

 

211

     

02.03.04 Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden

60.899

13.109

     

– Bufferzones ILG

 

0

     

– Projecten BIRK

28.622

8.609

     

– Projectern Nota Ruimte

32.277

4.500

     

– Projecten Bestaand Rotterdams Gebeid

 

0

     

02.04 Ruimtegebruik bodem

32.111

49.959

     

02.04.01 Opdrachten

234

2.772

     

02.04.02 Subsidies

8.867

22.886

     

– Bedrijvenregeling

5.666

7.354

     

– Overige subsidies

3.201

15.532

     

02.04.04 Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden

11.140

12.300

     

– Meerjaren programma Bodem

6.502

0

     

– Programma Gebiedsgerichte instrumentarium

4.638

12.300

     

02.04.07 Bekostiging

11.870

12.001

     

– Uitvoering klimaat adaptie

11.870

12.001

     

02.09 Ontvangsten

11.689

5.770

     

Artikel 3 Wegen en Verkeersveiligheid

Dit artikel is alleen van toepassing op het begrotingsjaar 2012. Conform de brief over de begrotingsstructuur d.d. 26 juni 2012 (Kamerstukken II, 2011/2012, 31 865, nr. 42) is artikel 3 Wegen en verkeersveiligheid vanaf de begroting 2013 geconverteerd naar artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid.

Budgettaire gevolgen van beleid: (bedragen x € 1.000)

03 Wegen en verkeersveiligheid

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

20.062

35.312

     

Uitgaven

59.252

41.282

     

03.01 Netwerk

33.621

18.894

     

03.01.01 Opdrachten

18.174

11.791

     

03.01.02 Subsidies

9.179

3.957

     

– CO2 reductieplan

 

480

     

– Auto van de toekomst

 

3.477

     

– Overige subsidies

 

0

     

03.01.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

6.268

3.146

     

03.02 Veiligheid

25.631

22.388

     

03.02.01 Opdrachten

8.338

6.455

     

03.02.02 Subsidies

15.621

15.211

     

03.02.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

1.672

722

     

03.09 Ontvangsten

2.647

3.299

     

Artikel 4 Openbaar vervoer en Spoor

Dit artikel is alleen van toepassing op het begrotingsjaar 2012. Conform de brief over de begrotingsstructuur d.d. 26 juni 2012 (Kamerstukken II, 2011/2012, 31 865, nr.42) is artikel 4 Openbaar vervoer en Spoor vanaf de begroting 2013 geconverteerd naar de afzonderlijke artikelen 15 Openbaar vervoer en 16 Spoor.

Budgettaire gevolgen van beleid: (bedragen x € 1.000)

04 Openbaar vervoer en spoor

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

85.953

41.321

     

Uitgaven

100.483

64.164

     

04.01 Spoor

56.475

54.881

     

04.01.01 Opdrachten

5.983

8.768

     

04.01.02 Subsidies

50.368

46.061

     

– Subsidies Bijzondere Spoordiensten

32.251

25.000

     

– Subsidie bodemsanering NS percelen

9.076

9.076

     

– Overige subsidies

9.041

11.985

     

04.01.04 Bijdrage aan internationale organisatie en medeoverheden

124

52

     

04.02 Openbaar vervoer

44.008

9.283

     

04.02.01 Opdrachten

40.567

5.266

     

04.02.02 Subsidies

1.749

3.031

     

04.02.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

1.692

986

     

04.09 Ontvangsten

0

92

     

Artikel 5 Mainports en Logistiek

Dit artikel is alleen van toepassing op het begrotingsjaar 2012. Conform de brief over de begrotingsstructuur d.d. 26 juni 2012 (Kamerstukken II, 2011/2012, 31 865, nr. 42) is artikel 5 Mainports en Logistiek vanaf de begroting 2013 geconverteerd naar de afzonderlijke artikelen 17 Luchtvaart en 18 Scheepvaart en havens.

Budgettaire gevolgen van beleid: (bedragen x € 1.000)

05 Mainports en logistiek

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

39.744

29.304

     

Uitgaven

65.069

42.566

     

05.01

Luchtvaart

50.728

36.354

     

05.01.01

Opdrachten

47.672

31.797

     
 

– Opdrachten GIS

41.474

27.565

     
 

– Overige opdrachten

6.198

4.232

     

05.01.02

Subsidies

1.825

3.210

     

05.01.03

Agentschapsbijdrage

 

48

     

05.01.04

Bijdrage aan internationale organisatie en medeoverheden

1.231

1.299

     

05.02

Maritiem

14.341

6.212

     

05.02.01

Opdrachten

4.634

778

     

05.02.02

Subsidies

4.880

2.705

     

05.02.03

Bijdrage aan baten en lastendiensten

3.911

1.840

     

05.02.04

Bijdrage aan internationale organisatie en medeoverheden

916

889

     

05.09

Ontvangsten

34.885

49.112

     

Artikel 6 Klimaat, Luchtkwaliteit en Geluid

Dit artikel is alleen van toepassing op het begrotingsjaar 2012. Conform de brief over de begrotingsstructuur d.d. 26 juni 2012 (Kamerstukken II, 2011/2012, 31 865, nr. 42) is artikel 6 Klimaat, Luchtkwaliteit en Geluid vanaf de begroting 2013 geconverteerd naar de afzonderlijke artikelen 19 Klimaat en 20 Luchtkwaliteit en Geluid.

Budgettaire gevolgen van beleid: (bedragen x € 1.000)

06 Klimaat, lucht en geluid

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

191.712

49.032

     

Uitgaven

244.205

195.515

     

06.01 Klimaat

16.716

15.169

     

06.01.01 Opdrachten

5.812

1.590

     

06.01.02 Subsidies

2.789

5.926

     

06.01.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

8.115

7.653

     

– Waarvan bijdrage aan Nea

8.115

7.653

     

06.02 Luchtkwaliteit en tegengaan geluidshinder

89.014

58.562

     

06.02.01 Opdrachten

7.861

6.607

     

06.02.02 Subsidies

16.047

1.954

     

06.02.04 Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden

63.227

48.411

     

– NSL

46.447

28.600

     

– Wegverkeerlawaai

16.780

19.533

     

– Overige Bijdragen aan internationale organisaties en medeoverheden

 

278

     

06.02.07 Bekostiging

1.879

1.590

     

06.03 Internationaal beleid, coordinatie en samenwerking

138.475

121.784

     

06.03.01 Opdrachten

133.221

118.653

     

– Uitvoering CDM

47.345

48.952

     

– RIVM

60.014

30.385

     

– AgNL

22.197

37.816

     

– Overige opdrachten

3.665

1.500

     

06.03.04 Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden

5.254

3.131

     

06.09 Ontvangsten

4.070

26.243

     

Artikel 7 Duurzaamheid

Dit artikel is alleen van toepassing op het begrotingsjaar 2012. Conform de brief over de begrotingsstructuur d.d. 26 juni 2012 (Kamerstukken II, 2011/2012, 31 865, nr. 42) is artikel 7 Duurzaamheid vanaf de begroting 2013 geconverteerd naar het artikel 21 Duurzaamheid.

Budgettaire gevolgen van beleid: (bedragen x € 1.000)

07 Duurzaamheid

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

25.928

5.188

     

Uitgaven

143.998

98.342

     

07.01 Afval en duurzaamheidagenda

129.824

92.070

     

07.01.01 Opdrachten

13.966

2.219

     

– Uitvoering AgNL

12.988

380

     

– Overige opdrachten

978

1.839

     

07.01.02 Subsidies

115.858

89.851

     

– Afvalfonds

115.858

89.851

     

– Overige subsidies

 

0

     

07.02 Preventie en milieugebruiksruimte

5.939

3.088

     

07.02.01 Opdrachten

5.939

3.088

     

07.03 Ecosystemen en landbouw

8.235

3.184

     

07.03.01 Opdrachten

3.711

756

     

07.03.02 Subsidies

1.417

2.378

     

07.03.04 Bijdrage aan internationale organisaties en medeoverheden

3.107

50

     

07.09 Ontvangsten

450

815

     

Artikel 8 Externe veiligheid en risico’s

Dit artikel is alleen van toepassing op het begrotingsjaar 2012. Conform de brief over de begrotingsstructuur d.d. 26 juni 2012 (Kamerstukken II, 2011/2012, 31 865, nr. 42) is artikel 8 Veiligheid en risico’s vanaf de begroting 2013 geconverteerd naar het artikel 22 Veiligheid en risico’s.

Budgettaire gevolgen van beleid: (bedragen x € 1.000)

08 Externe veiligheid en risico's

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

80.383

24.444

     

Uitgaven

100.771

33.199

     

08.01 Veiligheid chemische stoffen

6.340

8.275

     

08.01.01 Opdrachten

5.867

7.788

     

08.01.02 Subsidies

 

39

     

08.01.04 Bijdragen aan internationale organisaties en medeoverheden

473

448

     

08.02 Veiligheid GGO's

1.756

2.163

     

08.02.01 Opdrachten

1.683

2.111

     

08.02.04 Bijdragen aan internationale organisaties en medeoverheden

73

52

     

08.03 Externe veiligheid inrichtingen en transport

92.675

22.761

     

08.03.01 Opdrachten

15.462

14.390

     

08.03.02 Subsidies

5.047

3.322

     

08.03.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

645

484

     

08.03.04 Bijdragen aan internationale organisaties en medeoverheden

71.521

4.565

     

– Bijdragen asbestsanering

46.488

1.535

     

– Bijdragen programma EV

7.151

2.948

     

– Overige bijdragen aan internationale organisatie en medeoverheden

17.882

82

     

08.09 Ontvangsten

127

0

     

Artikel 9 Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

Dit artikel is alleen van toepassing op het begrotingsjaar 2012. Conform de brief over de begrotingsstructuur d.d. 26 juni 2012 (Kamerstukken II, 2011/2012, 31 865, nr. 42) is artikel 9 Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut vanaf de begroting 2013 geconverteerd naar het artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie.

Budgettaire gevolgen van beleid: (bedragen x € 1.000)

09 Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

45.186

42.689

     

Uitgaven

44.638

42.928

     

09.01 Weer, klimaat en seismologie

35.268

31.199

     

09.01.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

34.378

30.210

     

– Weer

19.616

16.110

     

– Klimaat

13.253

12.695

     

– Seismologie

1.509

1.405

     

09.01.04 Bijdragen aan internationale organisaties en medeoverheden

890

989

     

09.02 Aardobservatie

9.370

11.729

     

09.02.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

9.370

11.729

     

– Bijdrage aan KNMI

9.370

11.729

     

09.09 Ontvangsten

0

0

     

Artikel 10 Inspectie Leefomgeving en Transport

Dit artikel is alleen van toepassing op het begrotingsjaar 2012. Conform de brief over de begrotingsstructuur d.d. 26 juni 2012 (Kamerstukken II, 2011/2012, 31 865, nr. 42) is artikel 10 Inspectie Leefomgeving en Transport vanaf de begroting 2013 geconverteerd naar het artikel 24 Handhaving en toezicht.

Budgettaire gevolgen van beleid: (bedragen x € 1.000)

10 Inspectie Leefomgeving en Transport

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2011

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

113.368

153.565

     

Uitgaven

115.379

153.565

     

10.01 ILT

115.379

153.565

     

10.01.03 Bijdrage aan baten en lastendiensten

115.379

153.565

     

– Risicovolle bedrijven

11.537

23.024

     

– Rail en wegvervoer

25.386

32.643

     

– Scheepvaart

19.614

19.886

     

– Luchtvaart

19.614

18.356

     

– Risicovolle stoffen en producten

20.768

39.759

     

– Water en bodembeheer

8.076

19.897

     

– Ruimte, wonen, bouwen

10.384

0

     

10.09 Ontvangsten

2.714

0

     

Artikel 11 Waterkwantiteit

Algemene doelstelling

Het op orde krijgen en houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft.

(Doen) uitvoeren

Rol en verantwoordelijkheden

Vanuit hoofdstuk XII wordt een bijdrage gedaan aan het Deltafonds (artikel 26.02). Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid en zoetwatervoorziening bekostigd. De rol (doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de volgende onderdelen:

  • Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en rivierengebied volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn op het niveau van 2001 (basiskustlijn).

  • Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen ten behoeve van waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

  • Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma, Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken.

  • Het (doen) uitvoeren van beheer en onderhoud.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

De rol «regisseren» heeft op dit artikel ook betrekking op taken binnen de volgende onderdelen:

  • Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen verdeling van water en daarvoor het hoofdwatersysteem zo te beheren dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden.

  • Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid in een aanpak gericht op de gebieden met grote rijkswateren.

  • Het beleid op de Topsector Water is gericht op het versterken van de concurrentiekracht van de Nederlandse Watersector. Het gaat onder meer om het versterken van innovatiekracht en menselijk kapitaal en exportbevordering organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies en het ontvangen van buitenlandse delegaties. De financiële inzet van IenM op de Topsector Water is weergegeven in de overzichtstabel «Bedrijfslevenbeleid en Topsectoren» in de beleidsagenda van de begroting van EZ. Deze inzet bestaat onder andere uit opdrachten in het kader van het versterken van de innovatiekracht, subsidies in het kader van Partners voor Water (internationale samenwerking) en programma’s voor Human Capital.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Onderstaande indicatoren geven weer hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken en duinen en het aantal kunstwerken die zorgen voor waterveiligheid in Nederland. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006 en 2011 (Kamerstukken II, 2010/11, 31 710, nr. 22).

Dijken en duinen (in kilometers)

Dijken en duinen (in kilometers)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2012

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in 					 aantallen)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2012

De kengetallen hieronder geven meerjarige informatie over de stand van zaken van maatregelen ter verbetering van de waterveiligheid per programma: HWBP2, Ruimte voor de Rivier en Maaswerken. De beleidsinspanningen van de Minister van IenM richten zich op Hoofdstuk XII op de regie en uitvoering van deze projecten. In het jaarverslag van het Deltafonds wordt nader ingegaan op de uitvoering van deze projecten. Ten opzichte van de ontwerpbegroting 2013 zijn de gegevens voor de jaren 2012 en 2013 toegevoegd, op basis van de verschenen voortgangsrapportages32. In 2013 is bij de Maaswerken een nieuw project geïnitieerd: Zuidgeul Well Aijen. Hierover is de Tweede Kamer per brief geïnformeerd (Kamerstukken II, 2010/11, 18 106, nr. 204). Daarnaast is een aanvullend contract voor het retentiebekken Lateraalkanaal-West (LKW+) in voorbereiding gegaan.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijhorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen. Onderstaand wordt een aantal mijlpalen uit 2013 toegelicht.

In april 2013 is er een brief (Kamerstukken II, 2012/13, 33 400 J, nr. 19) aan de Tweede Kamer gestuurd met de tijdens het Wetgevingsoverleg (WGO) van 10 december 2012 toegezegde informatie. Dit betrof onder andere informatie over de in voorbereiding zijnde deltabeslissingen Waterveiligheid en Ruimtelijke adaptatie, het proces om te komen tot nieuwe normen, het onderzoek of via ruimtelijke inrichting de waterveiligheidsrisico’s kunnen worden beheerst en hoe we ons beter kunnen voorbereiden op een watersnoodramp. Ook is de Tweede Kamer geïnformeerd over de in 2014 te nemen deltabeslissing om te komen tot een duurzame en economische doelmatige zoetwatervoorziening in Nederland en over de gevolgen van de bezuinigingen op het Deltafonds.

In 2013 heeft de Minister een besluit genomen over het beleid voor de «buitendijkse bescherming van 13 kustplaatsen». Een bijzondere positie voor deze plaatsen binnen het algehele rijksbeleid voor buitendijkse gebieden is niet nodig gebleken (Kamerstukken II, 2012/13, 30 195, nr. 32).

Het wetsvoorstel doelmatigheid en bekostiging Hoogwaterbescherming is door de Tweede Kamer in 2013 aangenomen. De wet treedt per 1 januari 2014 in werking.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

11

Waterkwantiteit

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

37.457

45.755

– 8.298

1)

Uitgaven

   

41.021

40.946

75

 

11.01

Algemeen waterbeleid

   

35.591

34.769

822

 

11.01.01

Opdrachten

   

1.812

3.760

– 1.948

2)

11.01.02

Subsidies

   

12.259

12.305

– 46

 
 

– Partners voor Water (HGIS)

   

11.615

9.536

2.079

3)

 

– Overige subsidies

   

644

2.769

– 2.125

 

11.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

20.993

18.704

2.289

4)

 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

20.265

18.704

1.561

 
 

– waarvan bijdrage aan KNMI

   

728

0

728

 

11.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

   

527

0

527

 
 

– Waterschappen

   

527

0

527

 

11.02

Waterveiligheid

   

3.338

3.206

132

 

11.02.01

Opdrachten

   

3.338

3.206

132

 

11.03

Grote oppervlaktewateren

   

2.092

2.971

– 879

 

11.03.01

Opdrachten

   

2.092

2.971

– 879

 
 

Ontvangsten

   

78

470

– 392

5)

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De lagere verplichtingen op dit artikel worden met name veroorzaakt door het programma Partners voor Water (HGIS). Op basis van de accountantsverklaringen 2010 tot en met 2012 is de openstaande verplichting aan AgentschapNL naar beneden bijgesteld. Het hierdoor niet gerealiseerde verplichtingenbudget is teruggeboekt naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken (HGIS). In 2014 zal aan genoemd ministerie worden verzocht dit verplichtingenbudget weer aan de begroting van IenM toe te voegen.

11.01 Algemeen waterbeleid
11.01.01 Opdrachten (ad 2)

De lagere realisatie bij de opdrachten is te wijten aan verschuivingen van de voorziene uitgaven voor de beleidsdoorlichting waterkwantiteit, het Nationaal Waterplan en de evaluatie Bestuursakkoord Water alsmede het niet doorgaan van het afscheidssymposium van de Commissie van Advies inzake de Waterstaatwetgeving (CAW) vanwege de opheffing hiervan.

Daarnaast waren er lagere kosten dan verwacht voor de Helpdesk Water en de technische ondersteuning bij het Omgevingsloket. De Helpdesk Water valt sinds begin 2013 samen met Bodem+ en Infomil binnen één RWS-directie. Er worden besparingen gerealiseerd door de nauwere samenwerking en harmonisatie van processen. Er wordt voortdurend gewerkt aan het up to date houden van de informatie op de website van de Helpdesk ten behoeve van publiek en mensen die vanuit hun professie gebruik maken van de informatie op de Helpdesk site.

De uitvoering van het in mei 2011 getekende Bestuursakkoord Water (BAW) (Kamerstukken II, 2010/11, 27 625, nr. 204) is in volle gang. De Visitatiecommissie waterketen is in 2013 gestart om de voortgang in beeld te brengen en om de samenwerking tussen de verschillende partijen verder te bevorderen. In Water in Beeld 2012 is al gerapporteerd dat de uitvoering van acties goed op koers ligt. Eind 2013 is de tussentijdse evaluatie van het BAW gestart.

Samen met de partners van het Bestuursakkoord Water (Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, drinkwaterbedrijven) is in 2013 de nieuwe gezamenlijke communicatiestrategie «Ons water» voorbereid. Doel is de burgers via een online platform op maat te informeren en bewuster te maken.

Met behulp van de Watercoalitie (een samenwerkingsverband tussen IenM, andere overheden, private partijen en maatschappelijke organisaties) wordt rond het onderwerp «Water in en om het huis» onderzocht of met adaptieve sturing bijgedragen kan worden aan de doelstellingen van het Bestuursakkoord Water voor wat betreft de waterketen. Het gaat erom naast drinkwaterbedrijven, gemeenten en waterschappen ook de huishoudens te activeren om hun deel bij te dragen. In 2013 zijn positieve ervaringen opgedaan met initiatieven rondom de thema’s anders omgaan met regenwater en het zelfvoorzienend huis van de toekomst.

Het huidige Nationaal Waterplan (NWP) loopt tot 22 december 2015. In 2013 heeft het ministerie verkend hoe invulling te geven aan de opvolger van het NWP op basis van de wettelijke eisen, de ontwikkeling van de Omgevingswet en de aankomende deltabeslissingen. Eind 2013 is besloten tot een partiële herziening van het NWP voor wat betreft de deltabeslissingen (Kamerstukken II 2013/14, 31 710 nr. 30).

IenM heeft het wetsvoorstel Wet aanpassing waterschapsverkiezingen toegezonden aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2012/13, 33 719, nr. 7).

Ten aanzien van deze actielijnen van de Human Capital Agenda van de Topsector Water zijn er in 2013 forse stappen gezet. Wat betreft het bevorderen van het vergroten van instroom en versterken imago van de watersector is mede in het kader van het Techniekpact een pilot studiebeurzen Topsector Water uitgevoerd. Tevens worden inspanningen verricht om het waterbewustzijn onder jongeren te vergroten. Deze worden daar waar mogelijk gezamenlijk opgepakt in verschillende projecten, waarbij wordt gezocht naar samenwerking tussen publiek/private partners en onderwijs vorm wordt krijgt in zogenaamde HBO Centres of expertise en MBO Centra voor Innovatief vakmanschap. Hierin werken overheden, bedrijven, wetenschappers, docenten en studenten samen aan het bevorderen van de kwaliteit van het technisch onderwijs. Deze publiek-private samenwerkingsverbanden zoeken aansluiting bij de regionale kennisinfrastructuur en de relevante topsectoren en leveren een belangrijke bijdrage aan het op gang brengen en versnellen van innovaties. In de Centres of expertise33 werken ondernemers, wetenschappers, docenten en studenten samen aan het bevorderen van de kwaliteit van het technisch hbo-onderwijs. Deze publiek-private samenwerkingsverbanden zoeken aansluiting op de regionale kennisinfrastructuur door zich te richten op een van de topsectoren.

In 2013 is gestart met de voorbereiding voor de beleidsdoorlichting waterkwantiteit. In 2014 zal deze worden afgerond. Bepaald is dat de scope van de doorlichting zich zal richten op waterveiligheid.

11.01.02 Subsidies

HGIS Partners voor Water (ad 3)

De interdepartementale samenwerking tussen de Ministeries van IenM, Buitenlandse Zaken en Economische Zaken is in 2013 gecontinueerd. Onderdeel hiervan is het uitvoeringsprogramma Partners voor Water dat loopt tot en met 2015. De uitgaven worden via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gefinancierd. De overschrijding op het programma Partners voor Water (HGIS) in 2013 wordt veroorzaakt, doordat de vertraging in 2012 bij de werkzaamheden in de Deltalanden in 2013 deels is ingelopen.

Kenniscoaches RIONED

In het BAW is afgesproken in de regio samen te werken bij de uitvoering van de beheertaken van het stedelijk watersysteem en de waterketen. Kenniscoaches kunnen dit proces faciliteren. Het programma Kenniscoaches is in december 2011 gestart en wordt uitgevoerd door Stichting Riolering Nederland (RIONED) en financieel ondersteund door IenM. Inmiddels zijn 15 kenniscoaches benoemd en getraind in het coachen van het bevorderen van samenwerking in de waterketen. Voorts heeft het programma Kenniscoaches in 2013 bijgedragen aan tal van bijeenkomsten die in het kader van samenwerken in de waterketen in 2013 zijn georganiseerd, bijvoorbeeld voor trekkers van samenwerkende regio’s. Het programma loopt tot en met december 2016.

11.01.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 4)

De hogere realisatie bij de bijdrage aan agentschappen wordt veroorzaakt door extra beleidsonderzoeken voor waterveiligheid, inclusief een andere bekostigingssystematiek van het KNMI waarbij door DGRW richting KNMI gebruik wordt gemaakt van vraaggestuurde opdrachtverlening.

11.01.04 Bijdrage aan medeoverheden

Subsidieregeling compensatie kwijtschelding waterschappen

De subsidieregeling compensatie kwijtschelding waterschappen is een tijdelijke compensatie voor decentrale overheden voor een periode van 5 jaar (2013–2017). Lokale overheden mogen de kosten van kinderopvang in mindering brengen op het netto besteedbare inkomen dat in aanmerking genomen wordt bij het kwijtschelden van lokale belastingen en heffingen dat verschuldigd is door natuurlijke personen. Deze regeling geldt voor gemeenten en waterschappen.

De subsidieregeling compensatie kwijtschelding waterschappen loopt via de begroting van IenM vanwege de functionele relatie van IenM met de waterschappen. Dit heeft een praktische reden. Waterschappen hebben geen fonds waarin de tegemoetkoming zou kunnen worden gestort, vandaar dat bij waterschappen is gekozen voor een subsidieregeling. Het Ministerie van SZW heeft geen relatie met waterschappen. IenM heeft een functionele relatie met waterschappen en voert de regeling uit voor SZW. De regeling kent een jaarlijks plafond. Er kan geen sprake zijn van tegenvallers. Niet gebruikte middelen vloeien weer terug naar de subsidieverstrekker (SZW).

11.02 Waterveiligheid
11.02.01 Opdrachten

In 2013 is in samenwerking met koepelorganisaties en regio’s uitvoering gegeven aan het afronden van de overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten en een versie van de overstromingsrisicobeheerplannen (ORBP-en) voor de vier stroomgebieden Eems, Rijn, Maas en Schelde. De kaarten zijn 21 december 2013 via www.risicokaart.nl aan het publiek ter beschikking zijn gesteld. Uiterlijk 22 maart 2014 wordt aan de Europese Commissie gerapporteerd over de risicokaarten conform de verplichting uit de Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR).

In 2013 zijn het wetsvoorstel en de onderliggende regelgeving (AMvB en subsidieregeling) voorbereid waarmee de afspraken over de doelmatigheid en bekostiging van hoogwaterbescherming uit het Bestuursakkoord Water wettelijk werden verankerd. Het wetsvoorstel en de AMvB zijn per 1 januari 2014 van kracht geworden. Op basis van de derde ronde toetsing op veiligheid is in 2013 gewerkt aan het voorbereiden van de programmering van hoogwaterbeschermingsmaatregelen als onderdeel van het Deltaprogramma.

In 2013 is gewerkt aan de bouwstenen van het wettelijk toetsinstrumentarium (WTI) 2017. De faalmechanismen die het meest van belang zijn bij het werken met een overstromingskans zijn uitgewerkt in toetsregels. Het gaat met name om golfoploop en golfoverslag, stabiliteit, «piping», dijkbekledingen (gras/asfalt/steen) en ook duinafslag. Daarnaast zijn de voorbereidingswerkzaamheden uitgevoerd om de productieberekeningen voor het bepalen van de hydraulische belasting te kunnen uitvoeren. Op 26 september 2013 is de Landelijke Toetsdag georganiseerd, een kennisuitwisselingsdag rondom het toetsen van de primaire waterkeringen. In 2014 komt de deltacommissaris met een voorstel voor de nieuwe normen en zal besluitvorming plaatsvinden.

11.03 Grote oppervlaktewateren
11.03.01 Opdrachten

Op 20 december 2013 heeft het kabinet ingestemd met de ontwerp-Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee, zijnde een partiële herziening van het Nationaal Waterplan (NWP) 2009–2015. Het gaat hierbij om de gebieden Hollandse Kust en Ten Noorden van de Waddeneilanden. Over de ecologische effecten van het aanleggen van windenergie gebieden op zee is de Tweede Kamer geïnformeerd tijdens het Algemeen Overleg op 24 april 2013 (Kamerstukken II, 2012/13, 30 300 VII, nr. 82).

De voorbereiding van de Beleidsnota Noordzee voor 2015–2021 is ter hand genomen via een Gebiedsagenda voor de Noordzee 2050, zoals besproken in het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer op 24 april 2013. De samenwerking met de buurlanden wordt geïntensiveerd door wederzijde consultatie bij de planvorming. Het Noordzeeloket is in 2013 in de Rijkshuisstijl omgezet en nu tevens in de Engelse taal beschikbaar, waardoor deze ook door andere landen rond de Noordzee kan worden geraadpleegd.

In de Zuidwestelijke Delta is voor de samenhangende ontwikkeling van Grevelingen en Volkerak-Zoommeer in 2013 de voorbereiding van een rijksstructuurvisie gestart. De Kamer is hierover op 29 januari 2013 geïnformeerd (Kamerstukken II, 2012/13, 33 531, nr. 1).

In 2013 is de evaluatie afgerond van de Vlaams-Nederlandse samenwerking in het Schelde-estuarium. Deze evaluatie voorziet ook in een Agenda voor de Toekomst voor een duurzame balans tussen de belangen van een veilig, toegankelijk en natuurlijk Schelde-estuarium. De Kamer wordt hierover begin 2014 geïnformeerd.

Ontvangsten (ad 5)

De lagere realisatie is het gevolg van de verlaging van de EU-ontvangsten

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds
(x € 1.000)
 

2013

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

481.393

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

92.708

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

574.101

waarvan

   

1.01

Grote projecten waterveiligheid

463.826

1.02

Overige aanlegprojecten

101.860

1.03

Studiekosten

8.415

Extracomptabele verwijzing naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2013

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

190.180

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

 

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

190.180

waarvan

   

3.01

Watermanagement

12.484

3.02

Beheer en Onderhoud

177.696

Artikel 12 Waterkwaliteit

Algemene doelstelling

Het op orde krijgen en houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland schoon (drink)water heeft.

(Doen) uitvoeren

Rol en Verantwoordelijkheden

Maatregelen op het gebied van waterkwaliteit worden verantwoord op dit artikel. De rol «(doen) uitvoeren» heeft betrekking op taken binnen het volgende onderdeel:

  • Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren.

  • Het nemen van de nodige maatregelen om een goede milieutoestand te bereiken en te behouden in het Nederlandse deel van de Noordzee, in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid en het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems. De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de volgende onderdelen:

  • Het bereiken van een goede ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems en de Noordzee en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden, conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in drie planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen.

  • Ten aanzien van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Kaderrichtlijn Mariene Strategie geldt dat de coördinerende verantwoordelijkheid ligt bij de Minister van IenM, in afstemming met de Minister van EZ.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

KRW projecten per fase per einde van het jaar (Rijkswateren)

KRW projecten per fase per einde van het jaar 					 (Rijkswateren)

Bron: Rijkswaterstaat, 2014

Toelichting

De kengetallen hierboven geven informatie over de stand van zaken van de KRW-projecten ter verbetering van de waterkwaliteit. Het geeft een meerjarig inzicht in de voortgang van de maatregelen van de betreffende projecten.

In het figuur is te zien dat het programma voortvarend wordt aangepakt en de voortgang van projecten in voorbereiding via realisatie naar gereedheid volgens plan verloopt. Zo is te zien dat in 2013 drie projecten van voorbereiding naar realisatie zijn gegaan en vijf projecten gereed zijn gekomen. Twee projecten zijn administratief samengevoegd waardoor er nu 49 projecten zijn. Voor één getemporiseerd project is besloten deze toch uit te voeren, dit project bevindt in de realisatiefase.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

12

Waterkwaliteit

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

70.389

48.085

22.304

1

Uitgaven

   

78.565

100.756

– 22.191

 

12.01

Waterkwaliteit

   

78.565

100.756

– 22.191

 

12.01.01

Opdrachten

   

4.729

2.818

1.911

2

12.01.02

Subsidies

   

94

22.166

– 22.072

 
 

– Synergie KRW

   

0

22.000

– 22.000

3

 

– Overige subsidies

   

94

166

– 72

 

12.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

65.861

72.883

– 7.022

 
 

– Verbeterprogramma Waterkwaliteit rijkswateren

   

52.791

59.856

– 7.065

4

 

– Natuurcompensatie Perkpolder

   

7.325

7.067

258

 
 

– Natuurlijker Markermeer/IJ'meer

   

4.485

5.000

– 515

 
 

– Verruiming vaargeul Westerschelde

   

1.260

960

300

 

12.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

   

6.557

0

6.557

5

12.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

   

1.324

2.889

– 1.565

6

 

Ontvangsten

   

0

0

0

 

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De hogere verplichtingen op dit artikel worden met name veroorzaakt door de ophoging van de verplichtingenruimte bij voorjaarsnota in verband met de overheveling van de waterkwaliteitsprojecten vanuit het Infrastructuurfonds naar dit artikel (Kamerstukken II, 2013/13, 33 640 XII, nr. 2). Daarnaast is bij miljoenennota het verplichtingenbudget voor het project Haringvliet de Kier van Hoofdstuk XII naar het Deltafonds overgeboekt, zodat uitvoering van dit integrale project uit één bron kan plaatsvinden (Kamerstukken II, 2012/13, 27 625, nr. 292).

12.01 Waterkwaliteit
12.01.01 Opdrachten (ad 2)

In de ontwerpbegroting 2013 waren de budgetten voor opdrachten die in het kader van internationale verdragen worden verleend geraamd onder het financiële instrument «bijdrage aan internationale organisaties». Deze behoren echter te worden verantwoord onder het financieel instrument «opdrachten». Om die reden is er in 2013 budget overgeboekt van «bijdrage aan internationale organisaties» naar «opdrachten». Dit verklaart de onderuitputting op «bijdrage aan internationale organisaties» en de overschrijding op «opdrachten». Na deze overheveling zijn alleen de contributies voor de internationale riviercommissies en de bijdragen aan UNESCO onder het financieel instrument «bijdrage aan internationale organisaties» verantwoord.

Kaderrichtlijn Water

Jaarlijks wordt de Kamer met de «Water in beeld» geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van maatregelen uit de stroomgebiedbeheersplannen van 2009. In mei 2013 is aangegeven dat de uitvoering op schema ligt (Kamerstukken II, 2012/13, 27 625, nr. 290). In maart 2013 heeft een uitgebreide presentatie van de resultaten van het Innovatieprogramma plaats gevonden (Kamerstukken II, 2012/13, 27 625, nr. 292). Daarnaast is de kennis via websites, rapportages en themadagen beschikbaar gesteld aan gebruikers. Het Innovatieprogramma is vermeld in het jaarverslag Infrastructuurfonds. In 2013 is verder gewerkt aan de actualisatie van de stroomgebiedbeheersplannen (Kamerstukken II, 2012/13, 27 625, nr. 292). De waterbeheerders bepalen de resterende opgaven en zoeken daar aanvullende maatregelen bij, het Rijk stelt het generiek beleid bij. Er is een softwaresysteem opgeleverd waardoor efficiënt kan worden gewerkt aan de vier plannen en de digitale rapportage die ook aan de Europese Commissie wordt opgeleverd. Dit heeft geleid tot een eerste dummy van het stroomgebiedbeheersplan.

12.01.02 Subsidies (ad 3)

De onderuitputting op Synergie KRW wordt veroorzaakt, doordat de synergieprojecten in het landelijk gebied eind 2012 zijn gedecentraliseerd naar de provincies, inclusief alle voor die projecten toekomende middelen (zie Jaarverslag Infrastructuurfonds 2012). Daarnaast worden de synergieprojecten in het stedelijk gebied vanaf 2013 verantwoord onder het financieel instrument «bijdrage aan medeoverheden» in plaats van het financieel instrument «subsidies».

Het Europese onderzoeksprogramma Monitoring en Evaluation of Spatially Managed Areas (MESMA) betreft een project in het kader van het zevende kaderprogramma voor Europees onderzoek. Het project bevindt zich in de afrondende fase, maar leverde niet definitief op voor het einde van het kalenderjaar. Hierdoor is ook de laatste Nederlandse subsidiebijdrage doorgeschoven naar 2014. Dit geldt ook voor de laatste subsidiebijdrage aan Stichting Noordzee voor het programma «op weg naar een gezonde zee». In het kader van dit programma werken SNZ en WNF samen met de NGO’s van de Noordzeelanden aan de ontwikkeling van een internationale visie op de natuur van de Noordzee. Dit project had in 2013 afgerond moeten worden, maar is vertraagd tot het voorjaar van 2014, waarna ook de laatste subsidie kan worden verstrekt. Een subsidie aan de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) voor onderzoek naar het Van Iersel Drainage systeem is in 2013 afgerond. Met deze technologie is het mogelijk om met flexibel grondwaterpeil de vereisten van natuur en agrarisch grondgebruik te combineren. Daarnaast is het Europese onderzoeksprogramma Marine Ecosystem Evolution in a Changing Environment ook in 2013 afgerond, dit heeft een aantal bouwstenen opgeleverd voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie.

12.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren (ad 4)

De lagere realisatie wordt op het Verbeterprogramma Rijkswateren veroorzaakt door toevoeging saldo 2012 van het Infrastructuurfonds naar Hoofdstuk XII (€ 18 miljoen). Daarnaast is het budget van Haringvliet de Kier (€ 25 miljoen) overgeboekt naar het Deltafonds. Per saldo heeft dit geleid tot € 7 miljoen onderuitputting.

Natuurcompensatie Perkpolder

Het project Natuurcompensatie Perkpolder maakt onderdeel uit van het wettelijk verplichte natuurcompensatieprogramma voor de tweede verdieping van de Westerschelde. De realisatie is in 2013 gestart. De oplevering van het project is voorzien in 2015.

Verruiming vaargeul Westerschelde

De derde verruiming van de vaargeul van de Westerschelde (zowel op Vlaams als Nederlands grondgebied) is uitgevoerd, eind 2010 opgeleverd en gefinancierd door het Vlaams Gewest. In 2013 is aan de hand van de monitoringsgegevens van 2010 en 2011 een eerste voortgangsrapport verschenen over de eventuele effecten van de derde verruiming34. Tevens zijn samen met het Vlaams Gewest voorbereidingen getroffen voor werkzaamheden aan de geulwandverdediging in het Gat van Ossenisse. De uitvoering daarvan is voorzien in 2014.

Natuurlijker Markermeer/IJmeer

In 2013 is voor het Natuurlijker Markermeer/IJmeer (NMIJ) een aantal zaken gerealiseerd. Zo zijn de tweede tranche pilots MarkermeerIJmeer aangelegd en is de monitoring gestart. De derde tranche pilots is bijna volledig aangelegd en de monitoring is gestart. De pilot moeras Markermeer is gerealiseerd, deskstudies en het tussenadvies NMIJ 2013 is opgeleverd. Tenslotte is gewerkt aan de voorbereiding van het eindadvies NMIJ 2015.

12.01.04 Bijdrage aan medeoverheden

Synergie KRW/Waterbeheer 21e eeuw (ad 5)

De gerealiseerde uitgaven van ongeveer € 6,5 miljoen zijn afkomstig van het geraamde budget op Synergie KRW (Subsidies 12.01.02). Zie aldaar. De Regeling voor Stedelijke synergieprojecten bleef in 2013 enigszins achter bij de gemaakte uitgavenprognoses omdat de betrokken initiatiefnemers (veelal gemeentes) in de uitvoering vaak enige vertraging oplopen. De projecten moeten voor deze subsidies uiterlijk op 31 december 2012 zijn gestart en uiterlijk op 31 december 2015 zijn afgerond.

12.01.05 Bijdrage aan internationale organisaties (ad 6)

De lagere realisatie wordt verklaard door de overboeking van middelen van dit financiële instrument «bijdrage aan internationale organisaties» naar het financiële instrument «opdrachten» (12.01.01).

Internationale Riviercommissies

Bij de Rijncommissie zijn tijdens de 15e Rijnministersconferentie gehouden in oktober 2013 de ambities voor de komende jaren tot 2020–2021 vastgesteld. In de Maas- en in de Scheldecommissie is gewerkt aan de verplichte afstemming voor de Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en de KRW. De noodzakelijke rapportage voor de ROR bij beide commissies zijn in 2013 gereed gekomen. De opzet voor de overkoepelende rapportages voor de Internationale Stroomgebiedbeheersplannen staat in de steigers. De aanpak van de klimaatproblemen in het waterbeheer (onder meer de zoetwatervoorziening) staat bij beide commissies nu op de agenda.

OSPAR

De afgelopen jaren heeft Nederland, zoals gevraagd door de Europese Commissie, zich binnen de verschillende OSPAR gremia succesvol proactief ingezet voor een goede regionale afstemming van de invulling van de Kaderrichtlijn Marien. In 2013 is met name afstemming bereikt op gemeenschappelijke indicatoren voor de gewenste milieutoestand. Verder is in 2013 een begin gemaakt met een regionaal OSPAR actieplan voor marien zwerfvuil.

UNESCO

2013 was het tweede jaar dat International Groundwater Resources Assessment Centre (IGRAC) als zelfstandige stichting functioneerde. Er is in 2013 voortgebouwd op de in 2012 gestarte activiteiten van IGRAC. Naast de uitstekende samenwerking met het waterprogramma van UNESCO, UNESCO-IHP werden de banden met de World Meteorological Organization (WMO) aangehaald. De in 2013 uitgevoerde evaluatie laat zien dat IGRAC aan de gestelde doelen voldoet. De hoofdactiviteiten liggen op de beoordeling en monitoring van grensoverschrijdende grondwaterlichamen en het positioneren van IGRAC als wereldwijd grondwatercentrum dat diensten aanbiedt die essentieel zijn voor een betrouwbare watervoorziening. In 2013 is het gesprek aangegaan met internationale partners en financiers, zoals de United Nations Economic Commission for Europe (UNECE), de Wereldbank (WB) en het Global Environment Facility (GEF). Intensivering van de samenwerking met internationale organisaties is van levensbelang voor de toekomst van IGRAC.

Voor de vijf deltalanden van IenM, China, de Verenigde Staten en Caribisch Nederland heeft de samenwerking met UNESCO-IHE (het in Delft gevestigde instituut voor watereducatie) zich verder verdiept, gericht op capaciteitsopbouw. Gedacht wordt aan eventuele uitbreiding met nieuwe landen, zoals bijvoorbeeld Myanmar.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)
 

2013

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

46.278

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

46.278

waarvan

   

2.02

Ov.waterinvest.zoetwatervoorz.

42.230

2.03

Studiekosten

5.048

Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling

Algemene doelstelling

Een ruimtelijk beleid voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, waarin sprake is van regionaal maatwerk, waarin de gebruiker voorop staat, waarin investeringen scherp geprioriteerd worden en waarin ruimtelijke ontwikkelingen, milieu en mobiliteit met elkaar zijn verbonden.

Regisseren

Rol en Verantwoordelijkheden

Het Rijk kiest bij het ruimtelijk beleid voor een selectieve beleidsinzet op 13 nationale belangen. Bij deze 13 nationale belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de uitvoering. Het Rijk blijft daarnaast verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijk ordening. In dit kader werkt het Rijk aan meer eenvoudige regelgeving. Daarbij verwacht het Rijk dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Om dit doel te bereiken is goede samenwerking met en inzet door medeoverheden van groot belang. In 2013 is vorm gegeven aan deze nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling. De uitvoering van het rijksbeleid op de 13 nationale belangen is beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR – Kamerstukken II, 2011/12, 32 660, nr 50).

Door een goede afstemming met de andere overheden en met maatschappelijke partners kan de rijksrol zo efficiënt mogelijk worden ingevuld. De Minister van Infrastructuur en Milieu is vanuit deze rol verantwoordelijk voor:

  • De vernieuwing en vereenvoudiging van het omgevingsrecht.

  • Het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale en EU kaders en wet- en regelgeving op ruimtelijk gebied en ten aanzien van interbestuurlijke Geo-informatie. Het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders.

  • Vanuit de ruimtelijke invalshoek bijdragen aan (de nieuwe) bestuurlijke structuren en inrichting.

  • De duurzame kwaliteit van de ruimtelijke inrichting en doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem.

  • Het ontwikkelen van nationale ruimtelijke visies, zoals de Rijksstructuurvisie Wind op Land, de Rijksstructuurvisie Ondergrond en de Rijksstructuurvisie Amsterdam – Almere – Markermeer.

  • Verdere ontwikkeling van kennis op het ruimtelijke vlak en het faciliteren van de toepassing daarvan door de andere overheden.

  • De structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp in de beleidsprocessen en projecten van de ruimtelijke ontwikkeling.

  • Via de gebiedsagenda’s in kaart brengen van de inhoudelijke samenhang tussen (nationale) ruimtelijke projecten, verstedelijking, infrastructuur en (openbaar) vervoer op een zodanige wijze dat het afgestemde investeringsbeslissingen tussen Rijk en regio in het BO-MIRT ondersteunt.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

De monitor Infrastructuur en Ruimte zal primair de realisatie van de nationale belangen onderzoeken, afgezet tegen de gestelde ambities. Na de in 2012 uitgevoerde nulmeting zal het PBL in 2014 de eerste Monitor Infrastructuur en Ruimte uitbrengen. De gegevens van de monitor zijn te raadplegen via het Compendium voor de Leefomgeving.35 Met betrekking tot artikel 13 zijn de volgende kengetallen van belang (Kamerstukken II, 2011/12, 32 660, nr. A/50).

Kengetallen Structuurvisie Infrastructuur en Milieu

Nationaal belang SVIR

Doel SVIR

Voorlopige kengetallen monitor Infrastructuur en Ruimte

Nulmeting

Realisatie 2013

 

1.

Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren

– Versterken concurrentiekracht stedelijke regio’s

– Internationale concurrentie Nederlandse regio’s

– Zie de Monitor Infrastructuur en Ruimte 2012, nulmeting

– Geen nieuwe cijfers

1

– Bereikbaarheid

– Nabijheid wonen-werken

– 0,4% toename bereikbare banen tussen 2000 en 2010

– Geen nieuwe cijfers

2

– Vestigingsklimaat

– Fysiek vestigings-klimaat

– Zie de Monitor Infrastructuur en Ruimte 2012, nulmeting

– Geen nieuwe cijfers

3

           

2.

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energie voorziening en de energietransitie

– Realisering netwerk SEV-III

– Toename netlengte hoogspanningslijnen met spanning 220 kV en hoger

– Koppelnet 2.680 km Transportnetwerk 9.840 km (2010)

4

– Transitie duurzame energie

– Verbruik hernieuwbare energie

– 4,3% (2011)

– 4,4% (2012)

5

– Doelstelling windenergie

– Opgesteld vermogen windenergie op land en op zee

– 2.237 MW in 2010

– 2.434 MW (2012)

6

           

3.

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen

– Buisleidingen in gereserveerde stroken

– Toename rode ontwikkelingen buisleiding-stroken

– indicator nog niet beschikbaar

 
           

4.

Efficiënt gebruik van de ondergrond

– Winning oppervlaktedelfstoffen verbinden met andere functies

– Nog uit te werken op basis van structuurvisie ondergrond

– nog niet uitgewerkt

 
           

13.

Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten

– Ladder voor duurzame verstedelijking

– Ladder voor duurzame verstedelijking

– Evaluatie in 2014

– niet van toepassing

 
Kengetallen Geo-informatie
 

Basiswaarde

Peildatum

Streefwaarde 1

Periode

Realisatie 2011

Streefwaarde 2

Periode

 

1 Gebruik nationaal Georegister

Index is 100

31-12-2011

Index is > 100

2011

 

Gebruik relevante overheidsbestanden 100%

2014

1

1a deelnemende organisaties

100% = 75

     

133% = 100

     

1b beschreven datasets

100% = 25.48

     

181% = 4.616

     

1c unieke gebruikers

100% = 10.944

   

141% = 15.481

     

2 Implementatie Inspire

Inspire-monitor indicatoren

15-5-2010

Beter dan 2010-

Beter conform Inspire

2013

nvt

nvt

Volledig Inspire Compliant

2016

2

3 Basisregistraties:

               

BAG

 

31-12-2011

 

2011

   

2014

3

opbouw registratie

100%

 

100%

 

>99%

100%

   

gebruik

100%

 

>50%

 

>35%

>90%

   
                 

BRT

 

31-12-2011

 

2011

   

2014

4

opbouw registratie

100%

 

100%

 

100%

Productie100%

   

gebruik

100%

 

>75%

 

>60%

Gebruik >90%

   

BGT

 

31-12-2011

 

2011

   

2017

 

opbouw registratie

100%

>40%

>30%

Productie100%

gebruik

100%

nvt

nvt

Gebruik >70%

BRK

 

31-12-2011

 

2011

   

2014

 

opbouw registratie

100%

 

100%

 

100%

Productie100%

   

gebruik

100%

 

100%

 

100%

Gebruik >90%

   

BRO

 

31-12-2011

 

2011

   

2015

5

opbouw registratie

100%

 

>10%

 

<10%

>90%

   

gebruik

100%

 

nvt

 

nvt

>90%

   

Afkortingen

BAG: Basisregistratie Adressen en Gebouwen

BRT: Basisregistratie Topografie

BGT: Basisregistratie Grootschalige Topografie

BRK: Basisregistratie Kadaster

BRO: Basisregistratie Ondergrond

Toelichting

  • 1. Het gebruik van het nationaal georegister (NGR) is inmiddels goed ingeburgerd in Nederland. Zowel de professionele gebruiker als de particulier weet inmiddels dat het register een brede keur aan data bevat. Voor de buitenwacht vormen het NGR en Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK) een functionele eenheid waar men bestanden kan publiceren en raadplegen. Voor de overheid in brede zin is PDOK uitgegroeid tot het uitwisselplatform voor de Geo-informatie, getuige het aantal gerealiseerde hits.

  • 2. In 2013 zijn de definitieve dataspecificaties voor de thema’s uit Annex III beschikbaar gesteld. IenM is met het werkveld tot een overzicht gekomen van de datasets in Nederland die onder INSPIRE vallen. Deze aangemerkte datasets zijn per 3 december in het NGR opgenomen.

  • 3. De bronhouders zijn 100% aangesloten en hebben de BAG geïntegreerd in hun administraties. Gebruik onder verplichte overheidsafnemers wordt niet gemeten. Op basis van de wetsevaluatie die in het eerste kwartaal van 2014 naar de Tweede Kamer gaat en afnemersonderzoek 2013 moet geconcludeerd worden dat minder dan 90% is aangesloten.

  • 4. De BRT is landsdekkend. In 2013 heeft doorontwikkeling plaatsgevonden. Het gaat hierbij om aanpassingen in het productieproces «Lean en Autogen» en deze zorgen vooral voor een hogere actualiteit. De BRT is beschikbaar als open data, maar het potentieel gebruik is nog niet helemaal gerealiseerd. De conceptwet BRO is gereed en door Raad van State van advies voorzien. Het nader rapport is bijna gereed, waarna het wetsvoorstel voor behandeling naar de Tweede Kamer kan.

  • 5. De realisatie van de BRO blijkt weerbarstig. De pilot voor het registratieobject Sonderingen is ondanks een langere doorlooptijd succesvol afgerond. Momenteel wordt gewerkt aan een herplanning van de BRO, waarbij de realisatie ook vanwege bezuinigingen op het beschikbare budget over een langere periode vorm zal krijgen.

Beleidsconclusies

In het kader van de stelselherziening van het omgevingsrecht is in 2013 een belangrijke mijlpaal gehaald. De concept Omgevingswet is voor de zomer ingediend bij de Raad van State voor advisering. Over de voortgang van de stelselherziening is de Tweede Kamer in oktober bij brief geïnformeerd (Kamerstukken II, 2013/14, 33 118, nr. 8). Daarnaast is de Crisis- en herstelwet (Chw) verlengd en zal deze opgaan in de Omgevingswet. Over de voortgang van de implementatie van de Chw is de Tweede Kamer geïnformeerd middels een voortgangsrapportage «Praktijkervaringen Crisis- en herstelwet» (Kamerstukken II, 2012/13, 32 127, nr. 170).

Voor het overige waren het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijhorende resultaten het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting en zijn er geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

13

Ruimtelijke ontwikkeling

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

35.851

157.114

– 121.263

1)

Uitgaven

   

112.483

147.634

– 35.151

 

13.01

Ruimtelijk instrumentarium

   

12.920

20.485

– 7.565

 

13.01.01

Opdrachten

   

5.651

17.238

– 11.587

2)

13.01.02

Subsidies

   

4.868

3.247

1.621

 

13.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

1.948

0

1.948

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

1.948

0

1.948

3)

13.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

   

453

0

453

4)

13.02

Geo-informatie

   

36.184

30.556

5.628

 

13.02.01

Opdrachten

   

2.554

1.980

574

 

13.02.02

Subsidies

   

5.060

0

5.060

5)

13.02.06

Bijdrage aan ZBO en RWT

   

28.570

28.576

– 6

6)

 

– Basisregistraties

   

28.570

0

28.570

6)

13.03

Gebiedsontwikkeling

   

16.345

39.530

– 23.185

 

13.03.01

Opdrachten

   

5.341

757

4.584

7)

13.03.02

Subsidies

   

48

0

48

 

13.03.03

Bijdrage aan agentschappen

   

86

0

86

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

86

0

86

 

13.03.04

Bijdrage aan medeoverheden

   

10.870

38.773

– 27.903

 
 

– Bufferzones

   

0

5.303

– 5.303

8)

 

– Projecten BIRK

   

4.823

19.642

– 14.819

9)

 

– Projecten Nota Ruimte

   

6.047

13.828

– 7.781

10)

 

– Projecten Bestaand Rotterdams Gebied

   

0

0

0

 

13.04

Ruimtegebruik bodem

   

42.609

57.063

– 14.454

 

13.04.01

Opdrachten

   

2.756

9.321

– 6.565

11)

13.04.02

Subsidies

   

22.047

18.138

3.909

12)

 

– Bedrijvenregeling

   

6.912

6.400

512

 
 

– Overige subsidies

   

15.135

11.738

3.397

 

13.04.03

Bijdrage aan agentschappen

   

7.938

0

7.938

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

7.938

0

7.938

11)

13.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

   

1.500

20.904

– 19.404

 
 

– Meerjarenprogramma Bodem

   

0

13.946

– 13.946

13)

 

– Programma Gebiedsgericht instrumentarium

   

1.500

6.958

– 5.458

14)

13.04.07

Bekostiging

   

8.368

8.700

– 332

 
 

– Uitvoering klimaatadaptatie

   

8.368

8.700

– 332

 

13.05

Eenvoudig Beter

   

4.425

0

4.425

 

13.05.01

Opdrachten

   

2.357

0

2.357

15)

13.05.03

Bijdrage aan agentschappen

   

2.068

0

2.068

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

2.068

0

2.068

16)

 

Ontvangsten

6.938

934

6.004

17)

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Het verschil in de verplichtingenrealisatie wordt met name verklaard door:

  • Een verlaging van het budget met € 29 miljoen bij eerste suppletoire begroting 2013 ter compensatie van de verplichtingen die reeds in 2012 zijn aangegaan.

  • Een verlaging van het budget met € 21 miljoen in verband met de overheveling van middelen naar het Ministerie van EZ ten behoeve van de afronding van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG).

  • Een verhoging van het budget door het vastleggen in 2013 van de subsidie van € 10 miljoen aan het Bodemcentrum welke in de periode 2014–2017 tot betaling komt en een versnelde opdrachtverstrekking aan het Kadaster voor 2014 (ruim € 14 miljoen).

  • Daarnaast is er sprake van een vrijval van circa € 34 miljoen aan verplichtingen vanwege de decentralisatie van een aantal Nota Ruimte projecten naar het Gemeente- en Provinciefonds.

  • Het feit dat in 2013 geen beroep is gedaan op de garantieregeling bodemsaneringskredieten midden- en kleinbedrijf (MKB), waardoor het hiervoor bestemde verplichtingenbudget van € 65 miljoen niet is gerealiseerd.

13.01 Ruimtelijke Instrumentarium
13.01.01 Opdrachten (ad 2)

De lagere realisatie op dit financieel instrument is onder andere veroorzaakt door een overboeking van € 2 miljoen naar artikel 98 ten behoeve van de uitvoering en beheer WABO en een overboeking van € 2,3 miljoen naar financieel instrument «opdrachten» artikel 13.03.01 Gebiedsontwikkeling ten behoeve van de schadevergoeding in het kader van de Beleidslijn Ruimte voor de Rivier. Hiernaast is € 1,3 miljoen bij Voorjaarsnota afgeboekt ter compensatie van overbesteding in 2012. Tevens is € 1,9 miljoen overgeboekt naar RWS leefomgeving ten behoeve van het beheer van het Omgevingsloket Online.

Uitvoering SVIR

De financiële middelen zijn mede ingezet ten behoeve van het houden van zicht op de realisatie van de SVIR en het zorg dragen voor kennis. De uitvoering van de SVIR is volgens plan verlopen. De voortgang is gerapporteerd aan de Kamer (Kamerstukken II, 2013/14, 32 660, nr. 59).

In 2013 zijn vooral ook in samenspraak met het PBL verkenningen afgerond over de relatie tussen energie en ruimte en de betekenis van natuur en groen voor de concurrentiepositie van steden. Verkenningen over de betekenis van «smart cities», de relatie tussen infrastructuur en verstedelijking en de concurrentiepositie van stedelijke regio’s zijn in 2013 begonnen. Vanuit het programma Bevolkingsdaling & Ruimte is actief ondersteuning geboden aan ruimtelijke transformaties in verschillende anticipeerregio’s. Tevens is hierover in krimpgebieden kennis uitgewisseld met decentrale overheden, burgers en maatschappelijke organisaties.

De «pilots» rond decentralisatie van kennis in samenwerking met Interprovinciaal Overleg (IPO) en provincies werden in 2013 afgerond.

Digitalisering ruimtelijk instrumentarium

In 2013 is een start gemaakt met de voorbereiding van de ruimtelijke digitale instrumenten op de Omgevingswet. De voorbereidingen voor de ontwikkeling van een nieuwe release van het omgevingsloket zijn in gang gezet en de programma- organisatie is gevormd. De landelijke voorziening Ruimtelijkeplannen.nl werd in 2013 verder gemoderniseerd en voorbereid op een mogelijke uitbreiding met nieuwe instrumenten uit de toekomstige Omgevingswet. Ten behoeve van de Wet kenbaarheid publiekrechterlijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb) is een «pilot» uitgevoerd om gemeentelijke beperkingen op andere wijze te registreren. De pilot heeft de conclusie opgeleverd dat deze oplossingsrichting realistisch en uitvoerbaar is. De resultaten van de pilot worden betrokken bij de Omgevingswet en het daarmede samenhangende digitaliseringproject. De Wkpb zelf zal in de Omgevingswet worden opgenomen.

Deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering

In het kader van het deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma is in 2013 verkend hoe ruimtelijke maatregelen kunnen bijdragen aan het beperken van de gevolgen van overstroming, een hevige regenbui, langdurige droogte en extreme hitte. In 2013 zijn onderzoek – en draagvlaktrajecten uitgevoerd ten behoeve van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie

VerDuS

In 2013 is in het kader van VerDuS/Urban Regions in the Delta onderzoek verricht naar vernieuwend instrumentarium en nieuwe vormen van integrale gebiedsontwikkeling. De kennis die uit de 6 lopende onderzoeken kwam, is en wordt bij de beleidsvorming betrokken en gedeeld met de praktijk door middel van «Communities of Research and Practice» en door toepassing in de praktijk («Living labs»). Een aantal actuele kennisvragen werd in nauwe samenwerking met Europese partners onderzocht vanwege de identieke complexe verstedelijkingsvraagstukken.

13.01.02 Subsidies

Vanuit de idee dat architectuur en ruimtelijk ontwerp van belang zijn voor een goed systeem van ruimtelijke ordening, is in 2013 getracht de positie van het ontwerp en de ontwerpers te versterken. De uitvoering van de Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp (AAARO) 2013–2016 verliep in 2013 geheel volgens plan. Er zijn geen tekortkomingen of afwijkingen aan het licht gekomen.

Met het programma klimaatbuffers wordt de realisatie van 20 natuurprojecten ondersteund, die de effecten van klimaatverandering tegengaan. Dit gebeurt vooral door het tegengaan van wateroverlast en – schaarste en het verbeteren van de waterveiligheid en -kwaliteit. Ook wordt er op deze manier bijgedragen aan kennisverwerving en de verspreiding daarvan. Natuurorganisaties hebben hiertoe subsidies gekregen. Van het totale aantal van twintig gebieden zijn er thans elf afgerond waarvan zeven in 2013.

In het kader van het Programma Duurzame Dynamiek in de Delta is in 2013 eveneens subsidie toegekend voor de uitvoering van het project «Urban Regions» in the Delta. Hetgeen heeft bijgedragen aan de kennisontwikkeling bij de uitvoering van de SVIR en de strategische kennis- en innovatieagenda van IenM. Het onderzoek in het programma URD heeft zich zowel op water, leefbaarheid en mobiliteit als op vraagstukken over bestuur en informatiesystemen gericht waarbij er sprake is geweest van een combinatie van theoretisch en praktijkgericht onderzoek. In 2013 hebben alle projecten tussenrapportages uitgebracht.36

13.01.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 3)

De uitgaven betreffen het beheer ten behoeve van het Omgevingsloket Online (OLO 2.9) waarvoor budget is overgeheveld vanuit financieel instrument «Opdrachten» op 13.01.01 naar RWS Leefomgeving.

13.01.04 Bijdrage aan medeoverheden (ad 4)

De uitgaven betreffen het programma Mooi Nederland. De middelen hiervoor zijn overgeheveld van het financieel instrument «Subsidies» (13.01.02) naar «Bijdrage aan medeoverheden». Het Innovatieprogramma Mooi Nederland stimuleert de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In dit kader krijgen 58 Voorbeeldprojecten medefinanciering uit de Innovatieregeling Mooi Nederland. Naar aanleiding van de motie Wiegman is in 2013 geld van het innovatieprogramma ook beschikbaar gesteld voor «Voorbeeldgebieden Investeren in het landschap».

13.02 Geo-informatie
13.02.01 Opdrachten

De implementatie van de Europese richtlijn INSPIRE was dit jaar voornamelijk gericht op de verplichte beschikbaarheid van de ruimtelijke gegevens per 3 december 2013. Voor alle datasets is een data- provider in overleg met alle overheden aangewezen. Voor de gemeentelijke verplichtingen wordt nog aan een oplossing gewerkt. Opdrachten in het kader van de landelijke beleidscoördinatie ten behoeve van stimulering en innovatie zijn verstrekt aan de stichting Geonovum, Stichting Arbeidsmarkt GEO en aan Geofort. In 2013 is gestart met de evaluatie van de BAG door de Auditdienst Rijk. De evaluatie zal, vergezeld van een beleidsreactie, begin 2014 aan de Kamer worden toegezonden

13.02.02 Subsidies (ad 5)

De uitgaven betreffen subsidies in het kader van de Basisregistraties, welke aanvankelijk gebudgetteerd stonden onder het financieel instrument «Opdrachten». Het betreft vergoedingen voor beheer en transitiekosten. Het budget is overgeboekt naar het financiële instrument «Subsidies» om deze uitgaven te kunnen doen.

13.02.06 Basisregistratie Grootschalige Topografie (ad 6)

In de eerste suppletoire begroting heeft een technische herrubricering binnen 13.02 Geo-informatie plaatsgevonden. Het budget voor de Basisregistraties wordt sindsdien verantwoord op «Basisregistratie Grootschalige Topografie» in plaats van op «Bijdrage aan ZBO en RWT». Voor de exploitatie en beheer van de basisregistraties adressen, gebouwen, topografie en het overheidsgebruik van de kadastrale gegevens is de jaarlijkse bijdrage aan het Kadaster verstrekt. Tevens is aan het Kadaster een bijdrage verstrekt voor de exploitatie en het beheer van ruimtelijke plannen.nl en PDOK met daarin het INSPIRE geo-portaal. Het PDOK-loket is het centrale punt voor de ontsluiting van de Geo-informatie van de overheid in Nederland. Met het onderdeel nationaal geo-register wordt het open databeleid van IenM ondersteund. De Wet basisregistratie grootschalige topografie (BGT) is in 2013 door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen.

13.03 Gebiedsontwikkeling
13.03.01 Opdrachten (ad 7)

De hogere realisatie is met name veroorzaakt door een niet gebudgetteerde uitgave van € 3,4 miljoen met betrekking tot schadevergoeding in het kader van de beleidslijn Ruimte voor de Rivier en versnelling van betalingen op lopende verplichtingen voor circa € 1 miljoen.

13.03.02 Subsidies

Om de blijvende betrokkenheid van de rijksoverheid bij de ontwikkeling van de Wadden gestalte te geven heeft het Regionaal College Waddengebied ook in 2013 de jaarlijkse subsidie ontvangen.

13.03.03 Bijdrage aan agentschappen

Aan RWS zijn voor 2013 middelen ter beschikking gesteld ten behoeve van het platform Duurzame gebiedsontwikkeling.

13.03.04 Bijdrage aan medeoverheden (ad 8, 9 en 10)

De andere overheden (provincies en gemeenten) zijn bezig het beleid dat in de Nota Ruimte vorm is gegeven, uit te voeren. Het beschikbare budget is een extra impuls voor de versterking van de economische concurrentiepositie, krachtige steden en platteland, borging belangrijke ruimtelijke waarden en borging van veiligheid. De lage realisatie is met name veroorzaakt door een overboeking van € 5,3 miljoen naar het Ministerie van EZ met betrekking tot het afronden van het Investeringsbudget Landelijke Gebied (ILG) (ad 8). Weergegeven is de doorwerking van de reeds vóór 2013 gedecentraliseerde BIRK projecten (ad 9). Tot slot is het Nota Ruimtebudget project Hengelo in 2013 gedecentraliseerd door de resterende budgetten in het Gemeentefonds te storten en is € 4,8 miljoen van het meerjarig budget herschikt als gevolg van tempowijziging in de uitvoering van de lopende projecten (ad 10).

De nog beschikbare middelen uit het NSP budget (Nieuwe Sleutel Projecten) werd in 2013 ingezet ter ontwikkeling en versterking van een tweetal projecten met betrekking tot het (her)ontwikkeling van zogenaamde HSL stations en omgeving. In 2013 had dit betrekking op de laatste twee projecten in Breda en Arnhem.

13.04 Ruimtegebruik bodem
13.04.01 Opdrachten

Zie voor een toelichting op de onderuitputting van het budget op 13.04.01 de toelichting bij 13.04.03.

Structuurvisie Ondergrond (STRONG)

Op 21 maart 2013 is de Kamer geïnformeerd over de verbreding van de scope van de Structuurvisie Ondergrond. In 2013 is door het Rijk in samenwerking met medeoverheden en andere stakeholders gewerkt aan de inventarisatie van de opgaven, knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen. Deze investering aan de voorkant van het proces heeft geholpen om bij de probleemstelling horende oplossingen te operationaliseren. Als gevolg hiervan is het oorspronkelijk voor 2013 geplande onderzoek voor de planMER en MKBA doorgeschoven naar 2014.

Structuurvisie Wind op Land

In 2013 heeft beleidsonderbouwend onderzoek, inclusief het begeleiden van de publieksparticipatie, plaatsgevonden voor de Ontwerp Structuurvisie Windenergie op land, die op 28 maart 2013 door de Ministerraad is vastgesteld en naar de Tweede Kamer is gezonden (Kamerstukken II, 2012/13, 33 612, nr.1).

Fundamentele herziening Wet bodembescherming

Het beleidsonderbouwend onderzoek voor de fundamentele herziening van de Wet bodembescherming was in 2013 met name gericht op de beschrijving van het instrumentarium en voorbereiding van de opname in de Omgevingswet en Kaderwet subsidies.

Aanpassing financiering Commissie voor de m.e.r.

In 2013 was er geen behoefte aan beleidsonderbouwend onderzoek inzake de aanpassing van de financiering van de Commissie voor de m.e.r..

13.04.02 Subsidies (ad 12)

Cie MER

De overschrijding op de overige subsidies wordt veroorzaakt door de subsidie aan de Commissie voor de Milieueffectrapportage (Cie MER). Deze hogere realisatie wordt echter grotendeels gedekt door de bijdragen van EZ en OCW aan de Cie MER. In 2013 is een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de Wet milieubeheer (tarieven Commissie voor de milieueffectrapportage) (Kamerstukken II, 2013/14, 33 686, nr. 7) dat voorziet in het regelen van een wettelijke basis om vergoeding voor adviezen van de Commissie voor de m.e.r. in rekening te kunnen brengen. De beoogde datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel op 1 januari 2014 is niet gehaald.

Bedrijvenregeling

Er zijn betalingen verricht ten behoeve van een aantal beschikkingen op grond van de bedrijvenregeling.

NS-Bodem

In 2013 is de subsidie op grond van de overeenkomst met Stichting Bodemsanering NS betaalbaar gesteld.

Incidentele subsidies

In 2013 zijn de subsidies op grond van de overeenkomst met Stichting Kennisontwikkeling Bodem betaalbaar gesteld.

13.04.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 11)

Per 1 januari 2013 worden de taken van Bodem+ door RWS Leefomgeving uitgevoerd. Deze werden voorheen door Agentschap NL uitgevoerd. Om die reden zijn de middelen van «Opdrachten» naar «Bijdrage aan agentschappen» overgeheveld. Dit verklaart de onderuitputting op «Opdrachten» en de overschrijding op «Bijdrage aan agentschappen».

13.04.04 Bijdrage aan medeoverheden

Meerjarenprogramma Bodem (ad 13)

De uitgavenverlaging op het Meerjarenprogramma Bodem wordt veroorzaakt door de overboeking van bodemsaneringsmiddelen naar het Gemeente- en Provinciefonds (decentralisatie). In 2013 zijn de bijdragen aan Moerdijk en Asbest Overijssel overgeboekt, is een toezegging voor de aanpak van Cadmium in de Kempen versneld toegekend (was voorzien in 2014) en is een betaling gedaan ten behoeve van de nazorgkosten van het bodemsaneringsproject Diemerzeedijk te Amsterdam.

Programma Gebiedsgericht Instrumentarium (ad 14)

Het verschil in budget op het programma gebiedsgericht instrumentarium wordt veroorzaakt doordat voor de afronding van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) budgetten van IenM naar EZ zijn overgedragen.

In 2013 is een bijdrage verstrekt aan USONA (Uitvoeringsorganisatie Stichting Ontwikkeling Nederlandse Antillen) ten behoeve van het rioolzuiveringsproject in Bonaire.

13.04.07 Bekostiging

Kennis voor Klimaat

Voor Kennis voor Klimaat stonden in 2013 twee speerpunten centraal. Het eerste is de afronding van het programma in 2014. Voor de hotspots betekent dit het toewerken naar hun eindproduct gericht op regionale adaptatiestrategieën. Voor de consortia, die de acht onderzoekprogramma’s in de tweede tranche uitvoeren, is dit de afronding en rapportage van het onderzoek. Met de consortia wordt toegewerkt naar de eindproducten, waaronder de ontwikkeling van een boekenreeks, uitgegeven door een academische uitgever. Het tweede speerpunt is de valorisatie van kennis. Hierbij gaat het om de creatie van economische en maatschappelijke waarde.

MKB krediet

In 2013 is geen beroep gedaan op de garantieregeling bodemsaneringkredieten midden- en kleinbedrijf (MKB).

13.05 Eenvoudig Beter
13.05.01 Opdrachten (ad 15)

Het verschil wordt verklaard doordat bij de Miljoenennota 2014 de budgetten voor de interdepartementale programmadirectie Eenvoudig Beter zijn gebundeld en naar het artikelonderdeel «13.05 Eenvoudig Beter» zijn overgeheveld. Binnen de interdepartementale programmadirectie Eenvoudig Beter wordt gewerkt aan de integrale Omgevingswet (Ow) en de implementatie van de Crisis- en Herstelwet (Chw). In 2013 zijn opdrachten versterkt gericht op het nader uitwerken van de Ow in de uitvoeringsregelgeving, voor de consultatie en toetsing van de AMvB’s onder de Ow, voor het omgevingsmanagement en voor de implementatie van Ow en Chw. In 2013 is verder gewerkt aan en het ontwikkelen en bouwen van een OLO3 (Omgevingsloket Online) systeem, dat met name meer toekomstvast gemaakt zal worden en gericht is op de tijdige ondersteuning als de nieuwe omgevingswet in uitvoering komt.

13.05.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 16)

Het verschil wordt verklaard doordat bij de Miljoenennota 2014 de budgetten voor de interdepartementale programmadirectie Eenvoudig Beter zijn gebundeld en naar het artikelonderdeel «13.05 Eenvoudig Beter» zijn overgeheveld. Aan RWS zijn middelen ter beschikking gesteld voor de capaciteitsinzet voor de implementatie van de Ow en Chw. Daarnaast heeft RWS in 2013 de opdracht gekregen om een verkenning implementatie Ow uit te voeren. Deze is gericht op vier samenhangende onderdelen, te weten invoeringsbegeleiding, informatiepunt, digitale informatievoorziening Ow en uitvoering vergunningverlening en toezicht en handhaving (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 118, nr.8).

Ontvangsten (ad 17)

De hogere ontvangsten worden met name veroorzaakt door de opbrengst van grondverkoop Bommelwaard (€ 1,5 miljoen), de overdracht van het restant van Sewerage project middelen door ILT (€ 1,6 miljoen) aan IenM, opbrengsten in het kader van het bodemverhaal met betrekking tot de wet bodembescherming (€ 1,5 miljoen), incidentele MER ontvangsten van gemeenten die moeten bijdragen aan door IenM geïnitieerde onderzoeken (€ 0,8 miljoen) en meerontvangsten Geo-informatie.

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

Algemene doelstelling

Om weggebruikers snel, veilig, betrouwbaar en duurzaam van A naar B te laten reizen via de weg ontwikkelt, beheert en benut IenM het hoofdwegennet. Er wordt ingezet op samenwerking met decentrale wegbeheerders en er worden ontwikkelingen aan voertuigen en gedrag aangejaagd. Dit draagt bij aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland.

(Doen) Uitvoeren

Rol en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikelen 15 Openbaar vervoer en 16 Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur en gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen).

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten.

  • De uitvoering van het beheer en onderhoud door Rijkswaterstaat als beheerder van het hoofdwegennet. De beheer en onderhoud activiteiten zijn op het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen) terug te vinden.

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het meerjarenprogramma Geluid (MJPG).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van Rijkswaterstaat in het beheer van het wegennet en afspraken met het bedrijfsleven, zorgt IenM voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid.

  • Een slim gebruik van de huidige en toekomstige infrastructuur, wordt met het programma Beter Benutten – naast investeringen in de infrastructuur- gewerkt aan het terugdringen van de files met 20 procent op specifieke corridors in de drukste gebieden van het land, ten opzichte van een situatie zonder het programma Beter Benutten (zie ook artikelen 15 Openbaar vervoer en 16 Spoor).

  • Samen met de regio’s worden de afgesproken gebiedspakketten in het kader van Beter Benutten uitgevoerd om zo op basis van maatwerk de beoogde effecten te realiseren. Daarbij is er nadrukkelijk ook samenwerking met het bedrijfsleven.

  • Met de inzet van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–2020 en de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid wordt het aantal verkeersdoden en ernstig verkeersgewonden verminderd. Dit plan richt zich op verbetering van het gedrag van diverse gebruikers als ook hun voertuigen en de infrastructuur.

  • De vaststelling in 2012 van een beleidsimpuls aan het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–2020. Dit is een uitwerking van de strategie met focus op verbetering van de verkeersveiligheid van de prioritaire aandachtsgebieden: fietsers, ouderen en jonge, beginnende bestuurders.

  • Samen met decentrale overheden en maatschappelijke partners is met name aandacht voor de groeiende risicogroepen onder de verkeersdeelnemers: ouderen, fietsers, notoire overtreders en beginnende bestuurders.

  • Het oplossen van de knelpunten voor luchtkwaliteit langs het hoofdwegennet door middel van maatregelen (zowel generaal en locatie specifiek) in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Indicator: acceptabele reistijd
 

Basiswaarde 2001

2009

2010

2011

2012

2013

Streefwaarde 2020

Percentage trajecten waar de streefwaarde wordt gehaald¹.

86%

84%

83%

88% 2

92%

94%

100%

Bron: Rijkswaterstaat/WVL, 2014

Toelichting

Ad 1) De reistijd op een traject is acceptabel als de streefwaarde voor de reistijd wordt gehaald. De streefwaarde voor trajecten van het hoofdwegennet tussen steden is een reistijd in de spits van maximaal 1,5x de reistijd buiten de spits (referentiesnelheid 100 kilometer/uur). Op trajecten rond de vijf grote steden en trajecten op niet-autosnelwegen van het hoofdwegennet is de streefwaarde maximaal 2,0. Op basis van 186 trajecten. Voor 80 onvoldoende bemeten trajecten wordt verondersteld dat het traject voldoet aan de streefwaarde. Aangenomen is dat deze onbemeten trajecten voldoen aan de gewenste reistijd in de spits omdat dit de minst drukke trajecten zijn.

Ad 2) Vanwege invoering van het Verkeerskundig Informatieproducten en Adviezen Systeem (VIAS) bij Rijkswaterstaat in 2012/2013 is het percentage voor 2011 gecorrigeerd, waardoor er bovenstaande tabel een andere waarde is opgenomen dan in de begroting 2013.

Indicator: lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen
 

Basiswaarde peildatum

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2 (aantal knelpunten)¹

             

0 knelpunten langs rijkswegen 2015

Geluidsknelpunten langs hoofdwegen ²

12.000

12.000

12.000

12.000

7.500

7.500

7.000

0 knelpunten langs rijkswegen 2023 ³

Bron: Rijkswaterstaat, 2013

Toelichting

De gegevens over 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Ad 1) Voor lokale luchtkwaliteit geldt dat uiterlijk per 1 januari 2015 op alle locaties langs rijkswegen de grenswaarde voor NO2 gehaald moet worden. Tussenliggende waarden zijn niet vastgesteld. Voor PM10 wordt op alle locaties langs rijkswegen, na volledig gebruik van de wettelijke beginselen van blootstelling en toepasbaarheid, aan de grenswaarde voldaan die geldt vanaf 11 juni 2011.

Ad 2) Het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG) is in 2011 van start gegaan. Het MJPG is gericht op het realiseren van geluidreducerende maatregelen bij woningen met een geluidbelasting van meer dan 65 dB als gevolg van een rijksweg en bij woningen langs die infrastructuur die in het kader van de saneringsoperatie onder de Wet geluidhinder tijdig zijn gemeld. Daarnaast zijn woningen die als gevolg van verkeersgroei onder de Wet geluidhinder een toename van meer dan 5 dB hebben ondergaan onderdeel van de saneringsoperatie. Voor 10 procent van de woningen zal de aanpak bestaan uit gevelisolatie en zal de belasting boven de 65 dB blijven. Door koppeling aan groot onderhoud kan de realisatie in bepaalde situaties later dan 2023 plaatsvinden. Uit onderzoek blijkt dat het aantal knelpunten langs hoofdwegen afgenomen is. Dit is enerzijds het effect van recent gerealiseerde maatregelen zoals geluidsschermen en stille wegdekken in infrastructuurprojecten en een aantal saneringsprojecten. Anderzijds is dit het effect van verbeterde en geactualiseerde databestanden.

Ad 3) Met ingang van 2014 is de streefwaarde peildatum 2015 verschoven naar 2023 om aansluiting te krijgen met de budgettaire middelen.

Indicator: ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

basiswaarde

       

streefwaarde

Realisatie

doelstelling

 

2002

2009

2010

2011

2012

2013

2013

2020

aantal verkeersdoden

1.066

720

640

661

650

675

570

500

ernstig verkeersgewonden

16.100

18.600

19.200

20.100

19.200

13.540

nnb

10.600

Bron: Rijkswaterstaat/WVL, 2014

Toelichting

De daling van het aantal verkeersdoden in 2013 is een duidelijke stap richting de doelstelling van maximaal 500 verkeersdoden in 2020. Het ingezette beleid van de afgelopen jaren heeft hier aan bijgedragen. Het aantal ernstig verkeersgewonden is in 2012 met 4,5% gedaald tot 19.200. Het cijfer ernstig verkeersgewonden voor 2013 was ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag nog niet beschikbaar.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. Afwijkingen waren er op het gebied van lagere realisatie van de uitgaven. Deze afwijking wordt nader toegelicht bij de budgettaire gevolgen van beleid.

In de MIRT brief van 18 november 2013 (Kamerstukken II, 2013/14, 33 750 A, nr. 25) is, aanvullend op het investeringsprogramma, een nieuwe aanpak ten behoeve van bereikbaarheid geïntroduceerd. Dit wordt ingegeven door het toenemende belang van stedelijke regio’s. Dit betekent dat de complexiteit van de opgaven toeneemt, doordat meerdere opgaven van Rijk en regio elkaar raken en beïnvloeden. Daarnaast constateert IenM dat er in de markt en samenleving veel nieuwe creatieve en innovatieve initiatieven ontstaan.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

14

Wegen en verkeersveiligheid

   

Realisatie

Oorspronkelijk

vastgestelde

begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

31.318

40.180

– 8.862

1

Uitgaven

   

32.729

40.405

– 7.676

 

14.01

Netwerk

   

11.884

20.215

– 8.331

 

14.01.01

Opdrachten

   

8.332

17.079

– 8.747

1

14.01.02

Subsidies

   

1.229

856

373

 

14.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

2.323

2.280

43

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

2.323

2.280

43

 

14.02

Veiligheid

   

20.845

20.190

655

 

14.02.01

Opdrachten

   

7.054

6.191

863

 

14.02.02

Subsidies

   

13.121

13.215

– 94

 

14.02.03

Bijdrage aan agentschappen

   

670

784

– 114

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

670

784

– 114

 
 

Ontvangsten

   

5.236

6.782

– 1.546

 
14.01 Netwerk

Toelichting op de financiële instrumenten

14.01.01 Opdrachten (ad 1)

Voornaamste oorzaken voor de lagere realisatie bij het opdrachtenbudget Netwerk zijn aanpassingen van het kasritme van het budget voor opdrachten Beter Benutten in verband met de verlenging van de projectduur, overboekingen aan het Infrastructuurfonds ten behoeve van de bijdrage voor Ultrastille wegdekken en de Elektronische publicatie Verkeersbesluiten en een overboeking aan het Provinciefonds voor Beter Benutten (regio Groningen-Assen). Dit verklaart tevens de lagere realisatie op het verplichtingenbudget.

Voor een goede bereikbaarheid is doorgegaan met de samenwerking met andere wegbeheerders en private partijen ten aanzien van verkeersmanagement. Dit is afgelopen jaar gebeurd in het kader van zowel Beter Benutten als de reguliere ontwikkeling van verkeersmanagement. In het kader van het actieprogramma «Beter Geïnformeerd op Weg» zijn in samenwerking met overheden en marktpartijen een Routekaart en een Uitvoeringsagenda, waarmee de stap naar realisatie wordt gezet, begin november 2013 aan de Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2013/14, 31 305, nr. 207). Beter Geïnformeerd op weg richt zich via publiek-private samenwerking op de doorontwikkeling van reisinformatie en verkeersmanagement.

Ook in 2013 is voortvarend gewerkt aan de verbetering van de veiligheid, bereikbaarheid op en rond wegen. Uitgaven worden verantwoord op het Infrastructuurfonds. Daarnaast zijn uitgaven verricht voor de inhuur landsadvocaat (SAA, A2 en A9) en advies ingewonnen ten behoeve van de invoering van de Tolwet voor twee projecten namelijk de Blankenburgverbinding en ViA15.

Op 1 juli 2013 is de Wet wegvervoer goederen (wgg) gewijzigd ter implementatie van de verordeningen 1071, 1072 en 1073/2009. Het ERRU-register (European register of road transport undertakings) is ingericht, waarin zeer ernstige vervoersovertredingen, begaan door vervoersondernemingen en transportmanagers, worden geregistreerd en is de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warv) in 2013 in werking is getreden.

In 2013 zijn de met de bestuurlijke trio’s (de Minister van IenM, regionale bestuurder en CEO uit de regio) afgesproken Beter Benutten-maatregelen nader uitgewerkt en in uitvoering gegaan. In december 2013 zijn naast de huidige tien regio’s de regio’s Stedendriehoek (Deventer, Zutphen en Apeldoorn) en Leeuwarden toegevoegd aan het programma Beter Benutten. Het programma bestaat eind 2013 uit twaalf regio’s. De oplevering van de projecten (ruim 300 maatregelen) is vooral in de periode 2014 gepland. Het gros van de effecten van de maatregelen komt in de loop van 2015 beschikbaar. In 2013 is circa 15% van de ruim 300 projecten afgerond. Het programma Beter Benutten ligt hiermee op schema.

De eerste inzichten van de effecten van Beter Benutten leveren positieve resultaten op. Zo reduceren de spitsmijdenprojecten de files met meer dan 5% op de specifieke regionale wegvakken. Daarnaast hebben de inspanningen op het gebied van mobiliteitsmanagement resultaat opgeleverd. De werkgeversaanpak heeft al gemiddeld 5% filereductie opgeleverd met name door de mogelijkheid voor werknemers om flexibele werktijden te hanteren. De opkomst van Het Nieuwe Werken ondersteunt deze trend.

14.01.02 Subsidies

In 2013 is subsidie aan Transport en Logistiek Nederland (TLN) beschikbaar gesteld van € 0,38 miljoen voor het project Papierloos transport. Ook is een subsidie verstrekt van € 0,017 miljoen aan het Klimaatverbond Nederland voor het project groene voetstappen. De overige uitgaven hebben betrekking op subsidies die in voorgaande jaren beschikbaar zijn gesteld.

14.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan Rijkswaterstaat voor de capaciteitsinzet in het kader van Beleidsondersteuning en advies.

14.02 Veiligheid
14.02.01 Opdrachten

Doelen kunnen enkel worden bereikt door samenwerking met gebruikers/belangenorganisaties, andere overheden, het bedrijfsleven en de verkeersdeelnemers zelf. Om de stijging van het aantal verkeersgewonden de afgelopen jaren te stoppen en weer te laten dalen is met andere overheden en belangenorganisaties de nadruk gelegd op het verbeteren van de verkeersveiligheid bij vooral de kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals ouderen en fietsers, conform de beleidsimpuls (Kamerstukken II, 2012/13, 29 398, nr. 340). De maatregelen focussen op de risicogroepen fietsers (onder andere de Lokale Aanpak Veilig Fietsen van gemeenten), ouderen (onder andere Blijf Veilig Mobiel-activiteiten), jonge bestuurders (onder andere 2toDrive) en het terugdringen van gevaarlijke locaties (onder andere met het Meldpunt Veilig Verkeer). In 2013 heeft een aantal burgemeesters zich aangediend als ambassadeur voor de fietsveiligheid.

14.02.02 Subsidies

Naast de in de begroting 2013 genoemde subsidies aan de maatschappelijke organisaties Veilig verkeer Nederland (VVN), Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen (ANBO), Fietsersbond, Team Alert en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) zijn incidenteel subsidies verstrekt aan DHV voor het Vergevingsgezinde fietspad, aan Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO), Veilig en bewust op de fiets, aan de Fietsersbond voor de Campagne Fietsverlichting 2013, aan de Algemene Nederlandse Wielrijders Bond (ANWB) voor het Nationaal Verkeersveiligheidscongres 2014. Ook is subsidie verstrekt voor de opschaling van een innovatieve informatiedienst van drie Nederlandse bedrijven. Zij bieden een praktische hulpmiddel, in de vorm van een App, voor het vinden van vrije parkeerplaatsen voor vrachtwagens langs de snelwegen, te beginnen in Nederland, Duitsland, België en Frankrijk.

14.02.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan Rijkswaterstaat voor de capaciteitsinzet in het kader van Beleidsondersteuning en advies.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2013

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.330.964

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

150.887

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.481.851

waarvan

   

12.01

Verkeersmanagement

21.794

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

544.354

12.03

Aanleg

1.065.903

12.04

GIV/PPS

412.956

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

436.844

Artikel 15 Openbaar vervoer

Algemene doelstelling

Reizigers veilig, betrouwbaar en snel vervoeren gericht op gemak en eenvoud door een optimaal openbaar vervoer netwerk. De verantwoordelijkheid van de Minister inzake spoor wordt toegelicht in artikel 16.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het beleid inzake regionaal openbaar vervoer (onder andere regionaal openbaar vervoer, taxi, waddenveren). Ook het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid. De rol «regisseren» heeft specifiek betrekking op de volgende onderdelen:

  • Het stellen van regels en de kaders (wetgeving) voor het openbaar vervoer (overheden, marktpartijen en reizigers). De regels en kaders hebben betrekking op het openbaar vervoer per bus, tram en metro, het CVV (Regiotaxi) en het openbaar vervoer over water.

  • Het faciliteren (waar nodig) van de decentrale overheden om ervoor te zorgen dat zij optimaal hun rol kunnen vervullen (denk daarbij aan het stimuleren van fietsgebruik, het landelijk fietsdiefstalregister en de nationale database voor reisinformatie voor het openbaar vervoer).

  • Het faciliteren van pilot-projecten de sociale veiligheid in het openbaar vervoer (in samenwerking met het Ministerie van Veiligheid en Justitie).

  • Het financieren van grote regionale en lokale projecten, vanuit artikel 14 op het Infrastructuurfonds: Regionaal, lokale infrastructuur. Via artikel 25 Brede doeluitkering (op hoofdstuk XII) wordt het realiseren van maatwerkoplossingen voor verkeers- en vervoersvraagstukken gefinancierd.

  • Het verlenen van concessies voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel). De decentrale overheden verlenen concessies aan het regionaal openbaar vervoer (onder andere bus, tram, metro, gedecentraliseerde treindiensten, boot en CVV). Marktpartijen verrichten het vervoer en zijn concessienemers.

  • Het opstellen van wet- en regelgeving voor het taxivervoer om de vakbekwaamheid, tarieven en de toegang tot de markt te reguleren. De meeste besloten busregelgeving wordt in EU en internationaal verband voorbereid en vastgelegd in internationale verdragen, welke worden ingepast in nationale regelgeving.

  • Het beschikbaar laten maken van reisinformatie en waar nodig optreden als regisseur.

  • De implementatie van de OV-chipkaart en de invulling van de permanente structuur voor de governance daarvan.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Zoals in de Begroting 2014 is aangegeven wordt het kengetal reizigerskilometers regionaal openbaar vervoer niet meer opgenomen, aangezien de gegevens niet langer verzameld worden en dus niet meer beschikbaar zijn. Om deze gegevens weer beschikbaar te krijgen wordt door IenM nagegaan of gebruik gemaakt kan gaan worden van geanonimiseerde OV-Chipkaartdata. Hierover wordt overleg met de OV-sector gevoerd.

Het kengetal waardering consument en prijsontwikkeling taxi is niet meer opgenomen in de Begroting 2014 en dit jaarverslag. Jaarlijks vond onderzoek plaats naar zowel de waardering van de consument als de prijsontwikkeling van het taxivervoer. In 2012 en 2013 hebben deze onderzoeken niet plaatsgevonden. De onderzoeken uit voorgaande jaren geven aan dat de verschillen van jaar op jaar betrekkelijk gering zijn.

Kengetal klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2009

2010

2011

2012

2013

Algemeen oordeel

7,2

7,2

7,2

7,4

7,4

Informatie en veiligheid

7,5

7,5

7,5

7,6

7,6

Rijcomfort

7,2

7,2

7,3

7,4

7,5

Tijd en doorstroming

6,5

6,5

6,6

6,8

6,8

Prijs

6,3

6,3

5,9

6,2

6,3

Bron: KpVV – Klantenbarometer 2013.

Toelichting

De OV Klantenbarometer is het klanttevredenheidsonderzoek voor het regionaal openbaar vervoer. Het is een landelijk onderzoek naar de mening van reizigers in het stads- en streekvervoer. Het onderzoek wordt jaarlijks gehouden in de periode van eind oktober tot begin december. OV reizigers zijn in 2013 even tevreden over het stads- en streekvervoer als in 2012. Zij waarderen de kwaliteit van hun ritten met 7,4.

Kengetal Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer
 

2009

2010

2011

2012

2013

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer

         

– Reizigers (1)

7,9

7,9

7,9

7,9

7,9

– Personeel (2)

nb

6,5

nb

6,9

nb

Onveiligheidsincidenten in en rond het OV in %

         

– Reizigers (3)

24

23

nb

15

– Personeel (4)

nb

64

nb

60

nb

Bron: KpVV – OV Klantenbarometer 2013 en Reizigersmonitor 2012.

Vanaf 2013 is sociale veiligheid een integraal onderdeel van de rapportage van de klantenbarometer en verschijnt er geen aparte reizigersmonitor meer.

Toelichting

Ad 1) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van de reiziger zowel in als rond het voertuig.

Ad 2) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het voertuig.

Ad 3) Dit is gebaseerd op de OV Klantenbarometer 2012 van het Kennisplatform Verkeer en Vervoer (KpVV). Het percentage in 2012 is niet vergelijkbaar omdat een andere vraagstelling heeft plaatsgevonden. Voor een toelichting wordt verwezen naar de uitgave Sociale Veiligheid van OV-reizigers in het stads- en streekvervoer.37 Om deze reden kan ook geen cijfer voor 2013 worden opgenomen.

Ad 4) Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Bij (2) en (4): voor personeel wordt tweejaarlijks gemeten.

Beleidsconclusies

Het uitgevoerde beleid en de daarbij behorende resultaten op dit artikel waren het afgelopen jaar grotendeels conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. In 2013 was de OV-chipkaart in het gehele Stad- en Streekvervoer geïmplementeerd. Planning was ook dat papieren treinkaartjes in 2013 afgeschaft zouden worden. Vanwege de negatieve tariefeffecten voor treinreizigers die met meerdere spoorvervoerders moeten reizen is dit uitgesteld totdat er een lange afstandskorting op het spoor wordt geïmplementeerd. Daarnaast is de planning voor de herpositionering Trans Link System (TLS) geactualiseerd. Gezien de complexiteit en de financiële omvang van het onderwerp is gekozen voor een zorgvuldige stapsgewijze aanpak waardoor voor alle partijen een transparant proces ontstaat.

Daarnaast waren er beperkte afwijkingen op het gebied van de realisatie van de uitgaven. Deze worden nader toegelicht bij de budgettaire gevolgen van beleid.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

15

Openbaar vervoer

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

3.018

6.362

– 3.344

1)

Uitgaven

   

8.200

8.316

– 116

 

15.01

Openbaar vervoer

   

8.200

8.316

– 116

 

15.01.01

Opdrachten

   

5.406

6.470

– 1.064

2)

15.01.02

Subsidies

   

1.799

851

948

3)

15.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

995

995

0

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

995

995

0

 
 

Ontvangsten

   

10

0

10

 

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De lagere verplichtingenrealisatie is ondermeer het gevolg van de vertraging van de uitgaven voor het programma Nationale Data Openbaar Vervoer, de afwikkeling van oude verplichtingen voor mobiliteitsmanagement en een technische correctie op de verplichtingen welke zijn gerelateerd aan de Boord Computer Taxi.

15.01 Openbaar vervoer
15.01.01 Opdrachten (ad 2)

Door vertraagde besluitvorming bij vervoerders en decentrale overheden is binnen het opdrachtenbudget openbaar vervoer in 2013 voor het programma Nationale Data Openbaar Vervoer minder uitgegeven dan verwacht. In 2013 zijn voor de uitvoering van het beleid en het toezicht op de wet- en regelgeving inzake regionaal openbaar vervoer opdrachten verstrekt en betalingen gedaan op lopende en nieuwe opdrachten. In het kader van het project NDOV is door de overheden en vervoerders, ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheden gewerkt aan het creëren van de voorwaarden voor het beschikbaar stellen van gegevens voor reisinformatie. Voor OV-reizigers is actuele en juiste reisinformatie erg belangrijk vooraf en tijdens de reis. Daartoe is in 2013 is een concept samenwerkingsovereenkomst opgesteld met 20 overheden die door partijen zal worden ondertekend.

Er is een belangrijke stap gezet in de reisinformatieketen waardoor gegevens eenvoudig en eenduidig beschikbaar zijn voor de reisinformatiedienstverleners. Twee partijen, OV9292 en stichting OpenGeo, hebben laten zien bereid en in staat te zijn de functie van een NDOV-loket uit te kunnen voeren. Inmiddels leveren de vervoerders de afgesproken gegevens aan beide loketten, die deze doorleveren aan afnemers (reisinformatiedienstverleners). De overheden zien daarmee geen noodzaak om zelf een loket te realiseren. Overheden en vervoerders werken aan een continue verdere kwaliteitsverbetering en het uniformeren van gegevens voor reisinformatie. IenM trad in de projectfase op als regisseur. In 2013 is een concept samenwerkingsovereenkomst gemaakt die een structurele samenwerking tussen overheden, vervoerders en loketten mogelijk maakt. Deze zal worden getekend door partijen.

Er is een financiële bijdrage verleend aan een groot aantal regionale fietsprojecten, zoals bijvoorbeeld projecten die het gebruik van de elektrische fiets in het woon-werkverkeer stimuleren. Er vindt actief uitwisseling van kennis en ervaring tussen regio’s op het gebied van fietsstimulering. In 2013 is een webtool MKBA fiets ontwikkeld, welke beschikbaar wordt gemaakt. Ook is in 2013 een opdracht verstrekt voor de ontwikkeling van een CROW inspiratieboek voor snelfietsroutes. Dit inspiratieboek wordt beschikbaar gemaakt voor de decentrale overheden.

In 2013 is de taxibranche gestart met de productie en inbouw van de boordcomputer taxi. De verplichting daartoe is bij ministeriële regeling opgeschoven van 1 oktober 2013 naar 1 juli 2014, omdat fabrikanten niet tijdig voldoende boordcomputers konden leveren. Overleg met de branche over vereenvoudiging van de regeling voor rij- en rusttijden is in 2013 afgerond. De regeling zal in 2014 worden aangepast. Uit de evaluatie van de regeling over het nieuwe dubbeltariefsysteem, sinds april 2012 verplicht, blijkt dat het systeem voldoet voor zowel de taxivervoerder als voor de klant: de gemiddelde ritprijs is ongeveer gelijk gebleven.

Begin 2014 is het dubbel opstaptarief in de treinketen afgeschaft en voor visueel gehandicapten is op het spoor de OV-chip-plus kaart geïmplementeerd. In september het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB) van start gegaan.

15.01.02 Subsidies (ad 3)

In 2013 zijn subsidies verstrekt en betalingen gedaan voor de (lopende) subsidies Sociale veiligheid OV, Regionaal OV systeem (Klantenbarometer en Boord Computer Taxi) en Fietsbeleid (Fietsersbond, Bijdrage aan CNV). Een deel van de bijdragen in het kader van het fietsbeleid en subsidieregelingen mobiliteitsmanagement uit eerdere jaren zijn pas in 2013 definitief vastgesteld en gerealiseerd.

15.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Voor de beleidsondersteuning en advisering, het uitvoeren van studies of het leveren van bijdragen daaraan is in 2013 een bijdrage verleend aan Rijkswaterstaat.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2013

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds

215.678

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds

 

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale infrastructuur van het Infrastructuurfonds

215.678

waarvan

   

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

58.664

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

45.185

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

111.829

Toelichting

In 2013 zijn vanuit artikel 14 van het Infrastructuurfonds bijdragen verleend aan onder andere het HOV-net Zuid Holland, Randstadrail (inclusief aanlanding op Den Haag Centraal), de tram Uithof en de N201. Dit wordt toegelicht in het Jaarverslag van het Infrastructuurfonds 2013.

Artikel 16 Spoor

Algemene doelstelling

Optimaal personen- en goederenvervoer per spoor voor reizigers, verladers en afnemers en een veilige en betrouwbare hoofdspoorweginfrastructuur met voldoende capaciteit.

(Doen) Uitvoeren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor aanleg en beheer van de spoorweginfrastructuur. Om hier invulling aan te geven wordt ProRail als uitvoerder ingeschakeld. De rol «uitvoeren» heeft betrekking op:

  • Verkenningen en planuitwerkingen

  • Aanleg van projecten

  • Beheer waaronder: inframanagement, verkeersleiding en capaciteitsmanagement

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het spoorbeleid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. De verantwoordelijkheid van IenM heeft betrekking op de volgende onderdelen:

  • Het vormgeven van de «Lange Termijn Spooragenda». Dit is de agenda voor wat vanuit maatschappelijk belang bereikt moet worden op het gebied van spoorvervoer.

  • Het aansturen van het beheer van en vervoer over spoor via concessies. Tot 1 januari 2015 heeft ProRail de beheerconcessie voor een doelmatig en doeltreffend beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur. Vanaf 2015 wordt een nieuwe beheerconcessie verleend. Het vervoer op het hoofdrailnet is vastgelegd in de vervoerconcessie voor het hoofdrailnet met de Nederlandse Spoorwegen, die tot 1 januari 2015 loopt. Vanaf 2015 wordt tot de verlening van een nieuwe concessie overgegaan. Met ingang van 2015 wordt ook de Hogesnelheidslijn (HSL) onder de hoofdrailnet concessie gebracht.

  • Het realiseren van een betrouwbare, duurzame en veilige spoorweginfrastructuur door eisen te stellen aan het hoofdspoor en de rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van betrokkenen helder te omschrijven in de spoorwegwetgeving.

  • Het zorgen voor veilige lokale spoorwegen (tram en metro) door de wet lokaal spoor (in werking vanaf medio 2013).

  • Het zorg dragen voor de vormgeving van en implementatie van de internationale regelgeving en het opstellen van regels en kaders voor het vervoer per spoor. Daarbij gaat het onder andere om de capaciteitsverdeling op het spoor. Marktpartijen verrichten het vervoer.

  • Het opstellen van kaders voor het goederenvervoer per spoor, knooppunten met andere modaliteiten en achterlandverbindingen. Samen met overheden en infrastructuurbeheerders werken we aan de drie Europese spoorgoederencorridors (naar Frankrijk, Italië en Polen/Tsjechië) die in ons land beginnen, waarbij de regelgeving zoveel mogelijk wordt afgestemd op de Nederlandse situatie.

  • De roadmap European Railway Traffic Management System (ERTMS), een algemene veiligheidsaanpak, het plan van aanpak voor snelheidsverhoging op het spoor en daaropvolgend de uitvoering ervan.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Indicator: Geleverde treinpaden
 

2008

2009

2010

2011

2012

Grenswaarde 2013

Realisatie 2013

Beschikbaarheid infrastructuur

99,62%

99,51%

99,55%

99,39%

   

Geleverde treinpaden

   

98%

99%

98%

98%

98%

Bron: Prorail, 2014

Toelichting

Tot 2010 werd «beschikbaarheid van de infrastructuur» als belangrijkste indicator gehanteerd. Vanaf 2010 is daarnaast ook de indicator «geleverde treinpaden» in beschouwing genomen. Dit is waar het de vervoerders als gebruiker van het spoor uiteindelijk om gaat. Vanaf 2012 wordt daarom alleen nog de indicator «geleverde treinpaden» gemonitord en is de indicator «beschikbaarheid infrastructuur» komen te vervallen.

Indicator: Punctualiteit Hoofdrailnet (HRN)
 

Basiswaarde 2003

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Grenswaarde vervoerplan 20131

Realisatie 2013

Indicator: 3 minuten punctualiteit HRN2

83,1%

87,0%

86,8%

86,6%

86,5%

89,6%

88,5%

n.v.t.

n.v.t.

Indicator: 5 minuten punctualiteit HRN2

 

93%

92,8%

92,5%

94,7%

94,2%

93%

93,6%

Reizigerspunctualiteit

         

91,5%

91,5%

90,5%

90,0%

Klantoordeel op tijd rijden (% dat een 7 of hoger geeft)

         

51%

48,9%

53%

46,8%

Bron: NS/Jaarverantwoording over de vervoerconcessie 2013

Toelichting

Ad 1) Met het oog op de internationale vergelijkbaarheid is vanaf het Vervoerplan 2011 de indicator gewijzigd van 3 minuten punctualiteit in 5 minuten punctualiteit. De 3 minuten punctualiteit wordt nog wel gemeten, maar niet meer voorzien van een grenswaarde om NS op af te rekenen.

Ad 2) Afhankelijk van de uitvoering van de 2e fase van het Herstelplan (2007–2012).

NS heeft de prestatieafspraken met betrekking tot de punctualiteit van het Hoofdrailnet (HRN) gehaald. De reizigerspunctualiteit en het klantoordeel zijn echter achtergebleven bij de grenswaarden uit het Vervoerplan 2013. De huidige aansturing van de spoorpartijen heeft er voor gezorgd dat de prestaties gemiddeld goed zijn. De gemiddelde prestaties sluiten echter niet aan bij de dagelijkse ervaringen van de reiziger op zijn traject, dit vertaalt zich in een lagere klantbeoordeling. Conform de handhavingssystematiek uit de Vervoersconcessie heeft IenM hiervoor een voorlopige boete opgelegd. NS krijgt de gelegenheid om in 2014 alsnog de afgesproken waarde te realiseren. Als dit niet lukt, moet NS de boete daadwerkelijk betalen.

Indicator: spoorveiligheid (naar risicodrager)
 

Beoordelingsjaar 20131

2012

2011

Nr.

Risico-drager

Omschrijving indicator

NRV

MWA 2013

MWA 2012

MWA 2011

1.1

Reiziger

FWSI onder reizigers / jaar / mld reizigertreinkm’s

6,57

....

6,57

3,04

1.2

Reiziger

FWSI onder reizigers / jaar / mld reizigerkm’s

0,05

....

0,05

0,02

2

Personeel

FWSI onder spoorpersoneel / jaar / mld treinkm’s

2,25

....

2,25

1,24

3.1

Overweg-gebruiker

FWSI onder overweggebruikers / jaar / mld treinkm's

97,05

....

97,05

85,96

3.2

Overweg-gebruiker

FWSI onder overweggebruikers / jaar / ((treinkm’s*aantal overwegen)/ lijnkm’s)

108,7

....

108,7

94,7

4

Anderen

FWSI onder onbevoegden op het spoor / jaar / mld treinkm’s

7,99

....

7,99

7,04

5

Onbevoegden

FWSI onder «anderen (derden)» / jaar / mld treinkm’

7,21

....

7,21

9,56

6

Overall

Totaal FWSI / jaar / mlrd treinkm’s

127

....

127

105,7

Bron: ILT Jaarverslag 2012 van de Nederlandse autoriteit voor spoorveiligheid

Gebruikte afkortingen in de tabel:

FSWI: het aantal doden en zwaargewonden

NRV: National Reference Value, de in Europees kader vastgestelde referentiewaarde per lidstaat voor de betreffende indicator

MWA: Moving Weighted Average, voortschrijdend gewogen gemiddelde

Toelichting

Ad 1) De gegevens over 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De gegevens komen uiterlijk september 2014 beschikbaar en zullen dan separaat aan de Tweede Kamer worden verzonden.

Kengetal aantal treinbewegingen per week op A15-tracé van Betuwelijn
 

2009

2010

2011

2012

Realisatie 2013

Aantal treinbewegingen

220

400

450

480

440

Bron: Keyrail 2014

Toelichting

De treinbewegingen in bovenstaande tabel zijn afgerond op tientallen en inclusief losse locomotieven. Het aantal hiervan verschilt per jaar, maar is ongeveer 5% van de treinbewegingen op het A15-trace van de Betuweroute.

Kengetal leefomgeving spoorwegen
 

Basiswaarde peildatum

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Streefwaarde peildatum

Geluidknelpunten langs spoorwegen. Bron: Prorail

12 500 woningen

7 500 woningen

8 900 woningen

7 200 woningen

(1)

(1)

(1)

(1)

(1)

0 (in 2020)

Aantal opgeloste MJPO knelpunten. Bron: MJPO jaarverslag 2012

0 (in 2004)

0

0

0

3

2

2

2

(2)

79 (in 2018)

Toelichting

Ad 1) De regelgeving liggend onder Swung-1 is nog niet afgerond. Zodra dit het geval is, zal de saneringsvoorraad bekend worden en kan het MJPG (meerjarenprogramma geluidsanering) formeel starten. Vanaf dat moment zal over de knelpunten uit het MJPG worden gerapporteerd.

Ad 2) De realisatie 2013 opgeloste MJPO knelpunten spoorwegen waren ten tijde van het drukken van dit jaarverslag nog niet beschikbaar.

Kengetal sociale veiligheid NS
 

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Streefwaarde 2013

Realisatie 2013

Klantoordeel veiligheid reizigers (1)

74%

76,1%

77,5%

78,0%

78,3%

79,1%

78,3%

78,5%

79,5%

Reizigers die slachtoffer/ooggetuige zijn geweest van tenminste één incident

29

28

26

24

28

25

(3)

Percentage NSR-medewerkers dat haar/zijn gevoel van veiligheid overdag in de werkomgeving met een 7 of hoger beoordeelt

88

91

(2)

91

(2)

(4)

(4)

(4)

Percentage NSR-medewerkers dat haar/zijn gevoel van veiligheid 's avonds in de werkomgeving met een 7 of hoger beoordeelt

55

63

(2)

60

(2)

(4)

(4)

(4)

Percentage NSR-medewerkers dat één of meerdere incidenten heeft meegemaakt

21%

19%

20%

20%

20%

20%

21%

22,4%

Bron: Nederlandse Spoorwegen

Toelichting

De gegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Ad 1) In het Vervoerplan38 van NS wordt voor sociale veiligheid, net als voor diverse andere zorggebieden, het klantoordeel gebruikt. Het klantoordeel veiligheid geeft een percentage en niet een cijfer. Het klantoordeel is het gewogen gemiddelde van de klantoordelen overdag en ’s avonds in de trein en overdag en ’s avonds op stations.

Ad 2) Wordt niet jaarlijks door NS gemeten. NS houdt gemiddeld een keer per twee jaar een enquête onder medewerkers. Sociale veiligheid is een van de onderwerpen die aan bod komen.

Ad 3) De gegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Ad 4) Het percentage NSR-medewerkers dat haar/zijn gevoel van veiligheid ’s avonds en overdag in de werkomgeving met een 7 of hoger beoordeelt wordt door NS onderzocht in de enquête die gemiddeld een keer per twee jaar onder haar medewerkers wordt gehouden. De enquête wordt nog wel uitgevoerd, maar op een andere wijze waarin hierboven genoemde vraagstellingen niet meer voorkomen. IenM zal deze percentages daarom in het vervolg niet meer in deze tabel opnemen.

Beleidsconclusies

Het uitgevoerde beleid en de daarbij behorende resultaten op dit artikel waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. Afwijkingen waren er op het gebied van hogere realisatie van de uitgaven. Deze afwijkingen worden nader toegelicht bij de budgettaire gevolgen van beleid.

De vigerende visie op de toekomst van het spoor heeft geleid tot de huidige prioriteiten in het spoordossier in brede zin en tot het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) meer in het bijzonder. Het is van belang om de doelen voor het spoor voor de komende jaren te actualiseren, in samenhang te bezien en daarin te prioriteren. Hiervoor is een langetermijnvisie opgesteld: de «Lange Termijn Spooragenda», welke bestaat uit een zevental hoofddoelen, zoals aangegeven in de kabinetsreactie op de Tijdelijke commissie Onderhoud en Innovatie spoor. Op basis van concrete doelstellingen kunnen keuzes voor de toekomst worden gemaakt. In dit verband, zoals aangegeven in de kabinetsreactie, de programmering van projecten en programma’s en de samenhang daartussen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

16

Spoor

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

10.051

9.473

578

 

Uitgaven

   

60.350

38.049

22.301

 

16.01

Spoor

   

60.350

38.049

22.301

 

16.01.01

Opdrachten

   

17.651

3.595

14.056

1)

16.01.02

Subsidies

   

42.493

34.377

8.116

2)

 

– Subsidies Bijzondere Spoordiensten

   

32.491

25.170

7.321

 
 

– Subsidie bodemsanering NS percelen

   

9.076

9.076

0

 
 

– Overige subsidies

   

926

131

795

 

16.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

137

0

137

3)

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

   

74

0

74

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

63

0

63

 

16.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

   

69

77

– 8

 
 

Ontvangsten

   

0

0

0

 
16.01 Spoor

Toelichting op de financiële instrumenten

16.01.01 Opdrachten (ad 1)

In 2013 zijn diverse opdrachten verstrekt op het gebied van Spoor. Dit betreft voornamelijk (lopende) opdrachten ten behoeve van de nieuwe beheer- en vervoerconcessie, het vervolg van de exploitatie Betuweroute en een bijdrage aan het Platform transportveiligheid. Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) onderdeel uit van deze middelen, welke een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor (onder andere de Vervoerkamer). De Vervoerkamer reguleert vooral de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor. De hogere realisatie op het opdrachtenbudget spoor wordt voornamelijk veroorzaakt door reeds verplichte uitgaven voor de ERTMS Pilot Amsterdam Utrecht en de Railmap 2.0 welke worden gefinancierd uit het budget op het Infrastructuurfonds. Tenslotte is een voorschot van € 1 miljoen op een EU-subsidie voor de inbouw van ERTMS in de Betuweroute bij vaststelling volledig terugbetaald aan de Europese Commissie, omdat niet volledig is voldaan aan de gestelde eisen.

Winterweer

Mede door de maatregelen van het programma Winterweer op het spoor, is de treindienst conform de doelstelling van het programma tijdens de winter van 2012/2013 niet «out-of-control» gegaan en is de treindienst ondanks de strenge winter behoorlijk betrouwbaar gebleken. Op de trajecten waar de «Zwitserse wisselaanpak» is toegepast is het storingsniveau met 20–40% gedaald.

Goederenvervoer

Op 20 december 2012 hebben de Ministers van de corridors Rotterdam-Genua (Nederland, België, Duitsland, Zwitserland en Italië) en Rotterdam-Lyon (Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Zwitserland) het kader voor capaciteitstoewijzing op die corridors vastgesteld zodat de one stops shops kunnen gaan functioneren. Voor Rotterdam-Genua is het implementatieplan van de spoorcorridor Rotterdam-Genua getekend door Ministers op 5 december 2013. In dat implementatieplan is ook de afspraak vastgelegd om ERTMS op de corridor Rotterdam-Genua per 2018 te realiseren. Op basis van het concept implementatieplan van de corridor Rotterdam-Lyon is ook besloten de one stop shop van deze corridor operationeel te maken waarbij goedkeuring van het implementatieplan afhangt van besluitvorming over ERTMS implementatie in Frankrijk.

Algemene veiligheidsaanpak

Het spoorveiligheidsbeleid is vastgelegd in de Derde Kadernota Railveiligheid. De Inspectie Leefomgeving en Transport rapporteert jaarlijks over de staat van de transportveiligheid. Op 4 juni 2013 is aan de Tweede Kamer gemeld dat met de betrokken partijen een landelijke agenda suïcidepreventie wordt opgesteld (Kamerstukken II, 2012/13, 32 793, nr. 94). Wat betreft de cijfers van suïcides op het spoor lijkt het dat de preventiemaatregelen effect hebben. Na een aantal jaren van stijging van het aantal suïcides op het spoor (2008-164, 2011-215) blijkt dat sinds 2012 sprake is van een lichte daling van het aantal spoorsuïcides. In 2012 bedroeg het aantal spoorsuïcides 202 en in 2013 198. Verwacht wordt dat dit aantal ongeveer gelijk zal blijven of licht verder zal dalen. Het totaal aantal suïcides in Nederland is de afgelopen jaren juist toegenomen. Voor de aanpak van Stoptonend Seinpassages (STS-passages) is, in lijn met de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid naar aanleiding van het ongeval bij Amsterdam Westerpark, maatregelen geformuleerd.

In 2013 is het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen gestart. Met dit programma wordt invulling gegeven aan de Kabinetsambitie voor een extra impuls voor de overwegveiligheid, waarvoor € 200 miljoen beschikbaar is gesteld in het regeerakkoord. Dit Verbeterprogramma is ingesteld om het aantal incidenten op overwegen te verminderen vanuit een integrale benadering vanuit veiligheid en bereikbaarheid en onder regie van IenM.

Fyra/HSL

Als gevolg van het uitvallen van het Fyra V250-hogesnelheidsmaterieel is de HSL-Zuid treindienst Amsterdam–Brussel vice versa medio januari 2013 onderbroken, na slechts enkele weken te hebben gereden. IenM is als concessieverlener verantwoordelijk voor het maken van afspraken voor de reiziger. Materieel ter uitvoering van de afspraken is een aangelegenheid van de vervoerder. IenM heeft de vervoerders NS en NMBS gevraagd om zo snel mogelijk helderheid te bieden de technische gesteldheid van het materieel. De vervoerders hebben een alternatief voorstel gedaan, dat is getoetst en door het kabinet is geaccepteerd. Hierin wordt voor een belangrijk deel uitgegaan van bestaande en bewezen technologie. De Tweede Kamer heeft hiermee medio november 2013 ingestemd. De uitvoering van het voorstel leidt er mogelijk toe dat de uitgaven op het Infrastructuurfonds met € 119 miljoen (lopend prijspeil) moeten worden verlaagd. Dit om eventuele dividendderving op het generale beeld te voorkomen. Een en ander is nog afhankelijk van de uitkomst van gesprekken tussen Financiën, NS en IenM, waarbij wordt geprobeerd om deze dividendderving en verdere vermogensverliezen bij NS intern op te vangen via concrete efficiencymaatregelen.

16.01.02 Subsidies (ad 2)

De hogere realisatie voor het onderdeel subsidies wordt voornamelijk veroorzaakt door reeds verplichte uitgaven welke zijn gerelateerd aan het Actieplan groei op het spoor, welke worden gefinancierd uit het budget op het Infrastructuurfonds. Deze middelen zijn bestemd voor mobiliteitsvouchers en financiering van extra treindiensten op het traject Lelystad-Amsterdam Zuid Schiphol), Daarnaast zijn in 2013 betalingen gedaan voor (lopende) subsidies bijzondere spoordiensten (contractsector), subsidies voor de brandveiligheid op de hogesnelheidslijn en Betuweroute (CLU+), Bodemsanering NS en overige subsidies (waaronder voor gratis internet in de trein en een pilot voor elektrische fietsen voor het woon-werk verkeer). Het merendeel van deze subsidies is meerjarig vastgelegd en is conform planning gerealiseerd.

16.01.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 3)

De hogere uitgaven bij de bijdrage aan agentschappen zijn veroorzaakt doordat zowel RWS en het KNMI op basis van vraagsturing aanvullende middelen ontvangen voor de levering van producten aan het kerndepartement. Dit betreft bij KNMI onder andere ondersteuning bij het winterweerprogramma.

16.01.05 Bijdrage aan internationale organisaties

Overeenkomstig de internationale afspraken is voor 2013 de contributiebijdrage voor de OTIF (Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires) verstrekt.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2013

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.182.250

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

202.042

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.384.292

waarvan

   

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.346.811

13.03

Aanleg

886.190

13.04

GIV/PPS

134.675

13.07

Rente en aflossing

16.616

Extracomptabele verwijzing naar artikelonderdeel 17.02 Betuweroute van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2013

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.02 (Betuweroute) van het Infrastructuurfonds

6.044

Artikel 17 Luchtvaart

Algemene doelstelling

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de mainports van de Nederlandse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken stelt de Minister normen (en handhaaft deze). Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister naar een internationaal level playing field. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA) en anderen.

  • Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten cruciaal (multilateraal en bilateraal). De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek belangrijke landen.

  • Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd. IenM zorgt voor de regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security en handhaaft de regelgeving om de publieke belangen te waarborgen. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand.

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en efficiënter gebruiken van de capaciteit in het luchtruim en op verbetering van de prestaties van de Luchtverkeersleiding, intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties (co-locatie) en betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen de Functional Airspace Block Europe Central (FABEC).

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid.

  • Voorts geeft IenM invulling aan de wettelijke verplichtingen, zoals het nemen van omzettingsbesluiten (aanpassing aan nieuwe wetgeving) en luchthavenbesluiten voor de regionale luchthavens van nationale betekenis, en het vrijwaren van de veiligheidssloopzone van Schiphol.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

  • Tevens draagt de Minister zorg voor een actieve inzet van Nederland in internationale gremia waar discussies worden gevoerd en besluiten worden genomen die van invloed zijn op het Nederlandse (mainport)beleid, zoals in de Europese Raad van Transportministers.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Aanwijzingen regionale en kleine luchthavens

Voor alle regionale luchthavens zijn in het verleden onder het regime van de (oude) Luchtvaartwet aanwijzingen geslagen. De Raad van State heeft op 15 februari 2012 uitspraak gedaan in de laatste beroepsprocedure. Daarmee zijn alle aanwijzingen onherroepelijk geworden. Voor een overzicht van alle aanwijzingen regionale en kleine luchthavens wordt volledigheidshalve verwezen naar de Begroting 2013.

Indicator: Creëren van luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

2010

2011

2012

Gerealiseerd 2013

Streefwaarde 2020

Gerealiseerde vliegtuigbewegingen tov plafond 510.000

390.000

386.000

420.000

423.000

426.000

510.000

 

76%

76%

82%

83%

83,5%

100%

Bron streefwaarde: luchtvaartnota, april 2009

Bron realisatie: Jaarcijfers Schipholgroep, januari 2014

Toelichting

Voor de luchthaven Schiphol is tot 2020 een plafond aan het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken. In jaarverslag 2012 is toegelicht dat gekozen is voor versnelde uitvoering van andere maatregelen. Zo is de intentie vastgelegd om al bij 90% in plaats van bij 95% van de 510.000 vliegtuigbewegingen de (extra) regionale luchthavencapaciteit te kunnen inzetten ter ontlasting van Schiphol. De marktontwikkeling op Schiphol wordt daarom nauwlettend door het ministerie gevolgd.

Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad
 

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd t/m 2013

Streefwaarde 2015

Streefwaarde 2020

Luchthaven- capaciteit Eindhoven

0

0

10.000

25.000

Luchthaven- capaciteit Lelystad

0

0

25.000

45.000

Bron: De individuele luchthavenbesluiten van het kabinet

Toelichting

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) vindt plaats in een zodanig tempo en uitvoering dat Schiphol meer ruimte krijgt voor écht mainportverkeer en de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol». Op basis van het Aldersadvies Eindhoven heeft het kabinet in 2010 besloten tot uitvoering van de afspraken over het accommoderen van 25.000 extra vliegtuigbewegingen in 2020. De feitelijke toevoeging van capaciteit vindt plaats op het moment dat deze is vastgelegd in het luchthavenbesluit, naar verwachting vast te stellen in 2014. Voor de ontwikkeling van Lelystad zijn de mogelijkheden onderzocht voor een scenario van de ontwikkeling van totaal 35.000–45.000 vliegtuigbewegingen. In het Aldersadvies Lelystad is een gecontroleerde ontwikkeling voorgesteld vanaf 2015 tot 2020 met een eerste tranche naar 25.000 vliegtuigbewegingen en een tweede tranche naar 45.000 vliegtuigbewegingen (Kamerstukken II, 31 936, nr. 166).

Indicator: Stand van zaken omzettingsregelingen en luchthavenbesluiten

Veld

Gereed

 
 

Luchthavenbesluit

Omzettingsbesluit

Midden-Zeeland

Provincie is bevoegd gezag

2012

Hoogeveen

Provincie is bevoegd gezag

2011

Teuge

Provincie is bevoegd gezag

2010

Seppe

Provincie is bevoegd gezag

2011

Budel

Provincie is bevoegd gezag

2011

Drachten

Provincie is bevoegd gezag

2011

Ameland

Provincie is bevoegd gezag

2011

Stadskanaal

Provincie is bevoegd gezag

2012

Terlet

Provincie is bevoegd gezag

2011

Hilversum

Provincie is bevoegd gezag

2012

Texel

Provincie is bevoegd gezag

2012

Maastricht

voor 2015

2013

Lelystad

voor 2015

2014

Rotterdam

voor 2015

2013

Groningen-Eelde

voor 2015

2012

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2014

Toelichting

Het bevoegd gezag over de luchthavens die geen functie hebben voor groot handelsverkeer en internationale bereikbaarheid en daarmee een beperkt nationaal belang dienen, is met de wet Regelgeving Burgerluchthaven en Militaire Luchthavens (RBML) gedecentraliseerd naar de provincies, omdat die beter in staat zijn om op regionaal niveau de kosten en baten van deze luchthavens af te wegen. De meeste omzettingsregelingen voor de luchthavens van nationale betekenis zijn in de loop van 2012/2013 vastgesteld. Vervolgens moet voor de luchthavens van nationale betekenis uiterlijk op 1 november 2014 een luchthavenbesluit onder RBML zijn vastgesteld.

Indicator: Stand van zaken experimenten

Omschrijving experiment

Start

Besluit obv evaluatie

Bochtstraal Hoofddorp/Nieuw Vennep

2010

Besluit genomen in 2011

Uitbreiden CDA's

2013

2014/2015

Alternatief M17

2011

Alternatief opgenomen in LVB

Nieuw normen en handhavingsstelsel

2010

2013

Overige routemaatregelen

vanaf eind 2011

 

Bron: Staatscourant (start) en brieven aan de Tweede Kamer (besluit)

Toelichting

De geplande experimenten komen voort uit de Aldersafspraken middellange termijn. Het betreft experimenten waarvan de Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol (CROS) bij advies heeft aangegeven dat ze een gunstig effect kunnen hebben op de hinderbeleving.

De partijen aan de Alderstafel zijn in december 2012 tot de conclusie gekomen dat de oorspronkelijke afspraken over de invoering van Continuous Descent Approaches (CDA’s) niet integraal kunnen worden uitgevoerd. Aanvullende afspraken zijn gemaakt, onder andere om te starten met CDA’s vanaf 22.30 uur. Hiertoe is een regeling vastgesteld (Staatscourant 2013, 29453), welke wordt toegepast voor zover het actuele verkeersaanbod en andere operationele omstandigheden dat toelaten. In de regeling zijn voor de duur van het experiment (1 november 2013 tot en met 31 oktober 2014) vervangende grenswaarden voor de geluidbelasting (Lden) in de handhavingspunten opgenomen.

Maatregel 17, die voorziet in het verlengen van de nachtprocedure tot 06.30 uur in de ochtend, is ook in 2013 gecontinueerd, met de afspraak dat de maatregel wordt toegepast zolang het verkeersvolume dit toelaat. Dit besluit is op 31 augustus 2012 in werking getreden (Staatsblad 2012, 382).

Op grond van de eindevaluatie van het experiment met het nieuwe normen- en handhavingsstelsel heeft de Alderstafel in 2013 haar advies uitgebracht. Het kabinet heeft aangegeven de conclusie van de Alderstafel over het nieuwe normen- en handhavingsstelsel te delen en is voornemens om, na overleg met de Kamer, de benodigde aanpassingen in wet- en regelgeving aan te brengen.

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Streefwaarde 2013 e.v.

London Heathrow (LHR)

1

1

 

Parijs (CDG)

2

3

 

Frankfurt (FRA)

3

2

 

Gatwick

4

4

 

Schiphol

8

8

< LHR, FRA, CDG

Zürich

5

5

 

München

6

6

 

Brussel

9

9

 

Madrid

7

7

Bron: SEO, Benchmark Luchthavengelden en Overheidsheffingen 2013

Toelichting

Om te kunnen vaststellen of Schiphol een concurrerend kostenniveau heeft, vindt er jaarlijks een vergelijking plaats van de luchthavengelden, de ATC-heffingen en de overheidsheffingen op Schiphol en tien concurrerende luchthavens39. De resultaten van de benchmark van 2013 laten zien dat Schiphol medio 2013 goedkoper is dan zeven andere Europese luchthavens. Het streven is om de huidige positie van Schiphol in de rangorde van kostenniveau onder die van Londen Heathrow, Frankfurt en Parijs Charles de Gaulle te houden. Instrumenten voor het bewaken van het level playing field zijn het toezien op de randvoorwaarden en regulering van de doorrekening van de aeronautical kosten door de luchthaven Schiphol. Daarnaast heeft de overheid een betrokkenheid bij de hoogte van de overheidsheffingen (geluidhinderkosten, belastingen en securitykosten).

Kengetal: Jaarlijkse TRG-score voor Schiphol in relatie tot de TRG-grenswaarde in het Luchthavenverkeerbesluit
 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Grens

TRG score

6,62

6,057

6,118

6,47

6,486

6,841

9,724

Bron grenswaarde: Luchthavenbesluit 2004

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol (AAS) 2012/2013

Toelichting

Op Schiphol is ook in 2013 aan de grenswaarde voor het Totale Risico Gewicht (TRG) voldaan. Het TRG is het resultaat van een vermenigvuldiging van het maximale startgewicht van een vliegtuig met de ongevalskans per vliegtuigbeweging. In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat het TRG van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar niet meer dan 9,724 ton mag bedragen. Het gebruiksjaar 2013 loopt van 1 november 2012 tot en met 31 oktober 2013. Afgezet tegen de grenswaarde van 9,724 ton betekent dit dat op 31 oktober 2013 nog een TRG-ruimte van 2,883 ton beschikbaar was.

Kengetal: Aantal bestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Amsterdam

245

250

258

246

253

263

271

266

261

Frankfurt

279

285

288

291

284

283

288

301

286

London Heathrow

181

188

181

177

171

165

174

176

176

Parijs Charles de Gaulle

239

249

260

273

272

271

268

256

258

Brussel

132

131

158

190

183

188

200

190

181

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat (DIIO), januari 2014

Toelichting

In deze tabel zijn de bestemmingen opgenomen waarvoor geldt dat deze meer dan 2 x per jaar worden aangevlogen. Volgens deze indicator is het aantal bestemmingen vanaf Schiphol in 2013 gedaald. Op Frankfurt en Brussel is de daling sterker. Het aantal bestemmingen vanaf Londen Heathrow was in 2013 onveranderd en bleef daarmee relatief laag. Het aantal bestemmingen vanaf Parijs Charles de Gaulle steeg in 2013 licht.

Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen per luchthaven (x 1.000)

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Amsterdam

405

423

436

428

391

386

420

423

426

Frankfurt

482

482

485

480

458

458

481

476

466

London Heathrow

472

471

476

473

460

449

476

471

470

Parijs Charles de Gaulle

514

533

544

551

518

492

507

491

472

Brussel

231

232

241

236

212

205

214

206

199

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2014

Toelichting

Net als in 2012 steeg het aantal vliegtuigbewegingen in 2013 op Schiphol licht. De andere luchthavens in deze tabel lieten wederom een daling zien. In Europa staat Schiphol op een vierde plaats gemeten in aantallen vliegtuigbewegingen.

Kengetal: Aantal passagiers in miljoenen per luchthaven

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Amsterdam

44

46

48

47

44

45

50

51

53

Frankfurt

52

53

54

53

51

53

56

57

58

London Heathrow

68

67

68

67

66

66

69

70

72

Parijs Charles de Gaulle

54

57

60

61

58

58

61

61

62

Brussel

16

17

18

19

17

17

19

19

19

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2014

Toelichting

Met uitzondering van Brussel steeg het aantal passagiers in 2013 op alle luchthavens. De stijging op Schiphol was het grootst. In Europa staat Schiphol op een vierde plaats gemeten in aantallen passagiers.

Kengetal: Vrachttonnage per luchthaven (x 1.000 ton)

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Amsterdam

1.450

1.527

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483

1.531

Frankfurt

1.864

2.031

2.074

2.021

1.808

2.199

2.133

1.986

2.016

London Heathrow

1.306

1.306

1.314

1.401

1.278

1.473

1.484

1.465

1.423

Parijs Charles de Gaulle

1.767

1.884

2.053

2.039

1.819

2.177

2.088

1.950

1.876

Brussel

700

706

762

659

449

476

475

459

430

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2014

Toelichting

De ontwikkeling van het vrachttonnage laat een gemengd beeld zien. Alleen op Schiphol en Frankfurt vond in 2013 een stijging plaats. De stijging op Schiphol was groter dan op Frankfurt. In Europa staat Schiphol op een derde plaats gemeten in vrachttonnage.

Netwerkkwaliteit

In het najaar van 2013 is de jaarlijkse studie uitgevoerd naar de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit en de naleving van de staatsgaranties inzake netwerkontwikkeling. Gebleken is dat de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit op Schiphol tussen 2012 en 2013 ongeveer gelijke tred heeft gehouden met die van concurrerende luchthavens in West-Europa en dat op Schiphol sprake was van een sterkere ontwikkeling dan op Parijs Charles de Gaulle.

Kengetal: Gemiddelde vertraging per vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management (in minuten)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Taakstelling vanaf 2000 met herijking voor 2002–2006

2,8

2,44

2,08

1,72

1,4

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

nb

nb

nb

Gerealiseerd

2,5

1,4

0,9

0,8

0,9

1,0

1,2

1,4

0,9

2,0

1,1

0,63

0,53

Bron: Eurocontrol /CFMU, Performance Review Report, jaar 2013

Toelichting

De in bovenstaande tabel opgenomen reeks is gewijzigd als gevolg van het feit dat Eurocontrol in eerdere rapporten uitsluitend de gemiddelde vertraging in het en route verkeer gedurende de zomer heeft gemeten en thans een jaargemiddelde hanteert. Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim. Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning en human resource management. Dit kengetal geeft wel een beeld van de efficiëntie van het luchtvaartbestel.

Kengetal: Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht
 

2010

2011

2012

2013

Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht

2,8

1,00

1,00

1,00

Gerealiseerd

0,94

0,90

0,78

0,68

Bron: Luchtverkeersleiding Nederland, 2014

Toelichting

In de tabel is de gemiddelde vertraging per vlucht in het Nederlandse luchtruim aangegeven. Deze gemiddelde vertraging betreft zowel de vertragingen in de en route als in de terminal verkeersbegeleiding. Dit in tegenstelling tot de Eurocontrolgegevens, die betrekking hebben op het en route verkeer. Het merendeel van de vertragingen treedt op in de terminalfase van een vlucht. Weersomstandigheden kunnen een grote rol spelen bij het ontstaan van vertragingen (slecht zicht, wind, sneeuw en aanverwante oorzaken als beperkt aantal vliegtuigopstelplaatsen).

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

2012

2013

grenswaarde TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

62,71

62,45

63.46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

52,47

52,09

54.44 dB(A)

Bron grenswaarde: Luchthavenverkeerbesluit 2004

Bron realisatiegegevens 2012 en 2013: Handhavingsrapportage Schiphol 2012 en 2013

Toelichting

Ten opzichte van 2012 is de geluidsbelasting rond Schiphol (gemeten in TVG) in 2013 gedaald en is voldaan aan de grenswaarden voor het Totale Volume Geluid (TVG). Het TVG is de totale hoeveelheid geluid die door alle vliegtuigen gezamenlijk in een jaar mag worden geproduceerd. In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat de totale hoeveelheid geluid van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar voor het etmaal (de Lden) niet meer dan 63,46 dB(A) en voor de nacht (de Lnight) niet meer dan 54,44 dB(A) mag bedragen. Het gebruiksjaar 2013 loopt van 1 november 2012 tot en met 31 oktober 2013. Afgezet tegen bovengenoemde grenswaarden betekent dit dat op 31 oktober 2013 nog een TVG Lden-ruimte van 1,01 dB(A) (ongeveer 21%) en een TVG Lnight-ruimte van 2,35 dB(A) (ongeveer 42%) beschikbaar was.

Beleidsconclusies

Het op artikel 17 uitgevoerde beleid en de resultaten waren in 2013 conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen opgetreden en er was geen noodzaak tot bijstelling.

In 2013 zijn belangrijke stappen gezet in de voorbereiding van de besluitvorming over de capaciteitsuitbreiding op Eindhoven en Lelystad. De totstandkoming van het luchthavenbesluit Eindhoven laat enige vertraging zien ten opzichte van de verwachting ten tijde van de vastgestelde begroting 2013. De vertraging is onder andere te wijten aan wijzigende inzichten met betrekking tot vliegroutes en MER-varianten. Het luchthavenbesluit wordt naar verwachting in 2014 vastgesteld.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

17

Luchtvaart

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

27.313

14.958

12.355

1

Uitgaven

   

21.796

23.341

– 1.545

 

17.01

Luchtvaart

   

21.796

23.341

– 1.545

 

17.01.01

Opdrachten

   

17.536

20.836

– 3.300

 
 

– Opdrachten GIS

   

10.604

14.312

– 3.708

2

 

– Overige opdrachten

   

6.932

6.524

408

 

17.01.02

Subsidies

   

2.862

1.277

1.585

3

17.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

64

48

16

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

48

48

0

 
 

– waarvan bijdrage aan KNMI

   

16

0

16

 

17.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

   

1.334

1.180

154

 
 

Ontvangsten

   

38.863

42.751

– 3.888

4

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De hogere verplichtingenrealisatie is het gevolg van het toevoegen van de Havermansgelden uit artikel 24 Handhaving en Toezicht en het toevoegen van het restantbudget van het project baanrenovatie fase 1 Bonaire dat overgedragen is door de ILT aan het Directoraat Generaal Bereikbaarheid (DGB) en waarmee de voorbereidingskosten van de uitvoering van de masterplannen Caribisch Nederland zijn verplicht (zie ook het verdiepingshoofdstuk van de begroting 2014). Daarnaast is de hogere verplichtingenrealisatie het gevolg van koersverschillen en een hogere contributie voor de International Civil Aviation Organization (ICAO).

17.01 Luchtvaart
17.01.01 Opdrachten

Opdrachten Geluidsisolatie (ad 2)

Doel van het project Geluidsisolatie Schiphol fase 3 (GIS-3) is het verminderen van de geluidshinder voor omwonenden van Schiphol door middel van geluidsisolatie van woningen. Ook wordt de behandeling en uitbetaling van schadeclaims en aankopen van woningen in de geluids- en sloopzones uit het LIB (Luchthaven Indelingsbesluit) uitgevoerd. In 2013 is in het kader van opdrachten GIS voor een lager bedrag aan schadeclaims uitgekeerd dan vooraf verwacht. De oorzaak hiervan is dat er besluiten genomen zijn over de schade die gerelateerd is aan het vierbanenstelsel en dit heeft weer tot lagere schade-uitkeringen geleid dan vooraf was begroot. De derde fase van het geluidsisolatieprogramma is in 2012 afgerond. De beleidsevaluatie GIS is in 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden. (Kamerstukken II, 2013/14, 26 959, nr. 140) De resultaten van de beleidsevaluatie GIS worden betrokken bij de brede beleidsdoorlichting luchtvaart in 2017.

Overige opdrachten

Luchtvaartnota en de Alderstafels

Het Nederlandse mainportbeleid is gericht op een selectieve ontwikkeling van de mainport Schiphol, in samenhang met de ontwikkeling van de regionale luchthavens van nationale betekenis. In 2011 is het Aldersadvies Eindhoven door het Kabinet en de Tweede Kamer overgenomen. In 2013 heeft het kabinet besloten de gecontroleerde ontwikkeling van Lelystad Airport mogelijk te maken en wel in twee tranches (tot in totaal 45.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) (Kamerstukken II, 2011/12, 31 936, nr. 115 en Kamerstukken II, 2013/14, 31 936, nr. 166).

Normen en handhavingsstelsel

De ontwikkeling van Schiphol tot 2020 vindt plaats binnen de aan de Alderstafel afgesproken kaders. In 2012 liep het tweejarig experiment met een nieuw normen- en handhavingsstelsel (NNHS) voor de luchthaven Schiphol af. Het nieuwe normen- en handhavingsstelsel is eind 2012 geëvalueerd onder andere voor wat betreft de bescherming voor de omgeving, operationele uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en begrijpelijkheid. In 2013 heeft de Alderstafel Schiphol op basis van de evaluatie het advies uitgebracht om het Nieuwe Normen en Handhavingsstelsel conform het experiment vorm te geven. Het kabinet heeft in 2013 in lijn met dit advies besloten het nieuwe stelsel in nieuwe wetgeving te verankeren.

Vogelaanvaringen

In 2013 is opnieuw gewerkt aan het uitvoeren van de maatregelen uit het convenant Reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol uit 2012. De effecten van onderwerking oogstresten zijn gemonitord. De uikomsten worden verwacht in 2014.

Beleidsonderzoek vliegveiligheid

De uitgaven aan onderzoek en evaluatie zijn gerealiseerd in het kader van de uitvoering van de Beleidsagenda Luchtvaartveiligheid 2011–2015. In 2013 is prioriteit gegeven aan de uitbouw en implementatie van veiligheidsmanagement in de luchtvaartbeleidsketen.

Nadere uitwerking luchtruimvisie en civiel-militaire samenwerking

Als uitwerking van de Luchtruimvisie zijn verschillende onderzoeken en studies uitgevoerd voor de voorbereiding van luchtruimwijzigingen en aanpassingen van het luchtverkeersleidingsconcept. Hiertoe zijn analyse-, onderzoek-, ontwerp- en simulatieactiviteiten gerealiseerd in samenwerking met de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK) van het Ministerie van Defensie worden uitgevoerd. Belangrijk onderdeel van de gerealiseerde activiteiten in 2013 betreft de uitwerking van de verdergaande civiel-militaire samenwerking op het gebied van luchtverkeersdienstverlening.

Opdrachten Caribisch Nederland

Dit betreft voornamelijk de voorbereidingskosten voor het uitvoeren van de eerder opgestelde masterplannen Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Als gevolg van de staatkundige hervorming van 10-10-2010, moeten de drie luchthavens op de eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius voldoen aan de minimale internationale regelgeving voor de vliegveiligheid (ICAO) die Nederland onderschrijft. Gebleken is dat de luchthavens op deze eilanden daar nog niet aan voldoen. Voor iedere luchthaven op de eilanden is een masterplan opgesteld.

17.01.02 Subsidies (ad 3)

Subsidie onderploegen graanresten (ad 3)

De hogere realisatie voor subsidies wordt veroorzaakt door de verstrekte subsidies voor het omploegen van graanresten, zoals reeds gemeld bij Voorjaarsnota 2013. De betreffende agrarische ondernemers ontvingen hiervoor een vergoeding per hectare versneld ondergewerkte graanakker. De vergoeding is gebaseerd op de inkomstenderving in verband met het onderploegen van het stro, extra kosten die de boeren moesten maken en een medewerkingvergoeding.

Overige subsidies

Naast de subsidie onderploegen graanresten zijn subsidies verstrekt aan de Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol (CROS), de Stichting Knowledge & Development Center (KDC) en het trainingscentrum Joint Aviation Authorities/European Aviation Safety Training Organisation (JAA/EASTO).

Incidentele subsidies

In 2013 is een incidentele opstartsubsidie van € 0,02 miljoen verleend aan de stichting AntiSkid groep die door KLM, de vereniging Nederlandse verkeersvliegers en het onafhankelijk vertrouwensteam burgerluchtvaart is opgericht om vliegers te helpen bij het oplossen van problematisch gebruik van medicijnen, alcohol en drug en daarmee de vliegveiligheid te bevorderen.

17.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Aan Rijkswaterstaat en KNMI zijn middelen verstrekt ten behoeve van beleidsonderzoek.

17.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Voor de jaarlijkse contributie aan de ICAO, aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS (de ABIS-groep vertegenwoordigt de burgerlijke luchtvaartautoriteiten van Oostenrijk, België, Nederland, Luxemburg, Ierland, Zwitserland en Portugal binnen de permanente organen van ICAO), en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC) is in 2013 een bedrag uitgegeven van € 1,333 miljoen, waarvan € 1,211 miljoen via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Ontvangsten (ad 4)

Met name door een lager aantal vliegbewegingen zijn minder heffingsaanslagen opgelegd hetgeen tot gevolg heeft gehad dat minder ontvangsten in het kader van de Geluidsisolatie Schiphol zijn gerealiseerd dan in de begroting is geraamd.

Artikel 18 Scheepvaart en havens

Algemene doelstelling

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

(Doen) uitvoeren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen. Vanuit hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 18) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd. De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer. Rijkswaterstaat voert als beheerder het beheer en onderhoud uit. De uitgaven aan beheer en onderhoud worden verantwoord op het infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering, waaronder het toezicht op de uitvoering, van de wet- en regelgeving (zowel de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)) van het mainportbeleid. De rol «regisseren» heeft ook betrekking op de volgende taken:

  • De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert regionaal en internationaal voor deze normen, bijvoorbeeld in de Europese Raad van transportministers en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van IMO en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving, inclusief een actieve rol in agentschappen als het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA) en andere organisaties.

  • Daarnaast wordt mede uit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving in de zeehavengebieden de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd.

  • IenM zorgt voor «state of the art» regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, bemanningszaken en security.

  • Met de programma’s Beter Benutten en Impuls Dynamisch Verkeersmanagement Vaarwegen stimuleert de Minister een slim, efficiënt en veilig gebruik van de vaarwegen. Samen met de inspanningen van de vervoerders en verladers kan daarmee de capaciteit van de vaarwegen beter worden benut.

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid met betrekking tot mainportbeleid.

  • IenM draagt binnen het kabinetsbrede bedrijvenbeleid verantwoordelijkheid voor de overheidsinbreng op de Topsector Logistiek.

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Indicator: Gehercertificeerde beveiligingsplannen voor de totale haven
 

Basiswaarde 2007

2009

2010

2011

2012

Realisatie 2013

aantal gehercertificeerde beveiligingsplannen voor de totale haven

17

0

0

0

2

10

Bron: IenM, 2014

Toelichting

In diverse havengemeenten heeft het opstellen of herzien van het Havenveiligheidsplan langer geduurd dan was voorzien, onder meer door bestuurlijke reorganisaties (Havens Drechtsteden onder beheer van Havenbedrijf Rotterdam gebracht). Er zijn dus minder plannen te keuring aangeboden dan was voorzien. Het Ministerie van IenM gaat in 2014 verder met het hercertificeren en heeft dit kader inmiddels voor enkele gemeenten de plannen goedgekeurd.

Indicator: Gehercertificeerde beveiligingsplannen voor schepen & havenfaciliteiten
 

Basiswaarde 2004

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streef-waarde 2014

aantal gehercertificeerde beveiligingsplannen schepen

700

700

0

175

335

700

aantal gehercertificeerde beveiligingsplannen havenfaciliteiten

350

3501

0

75

49

350

Bron: IenM, 2013

X Noot
1

cumulatief

De gegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Toelichting

In de Europese Security Richtlijn 65/2005 is bepaald dat alle zeehavens die havenfaciliteiten hebben die onder verordening 725/2004 vallen per 15 juni 2007 moeten beschikken over een op een havenveiligheidsbeoordeling (analyse) gebaseerd goedgekeurd havenbeveiligingsplan (voor de hele haven).

Indicator: Passeertijd sluizen
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2013

Realisatie 2013

Hoofdtransportas

75%

68%

67%

68%

85%

69%

Hoofdvaarweg

85%

81%

79%

78%

75%

80%

Overige vaarweg

90%

88%

92%

93%

70%

92%

Bron: Rijkswaterstaat, 2014

Toelichting

De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. Elk type vaarweg correspondeert met een te realiseren percentage passages. Dit normpercentage biedt inzicht in het percentage schepen dat is gepasseerd binnen de normtijd.

De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden (69 procent in plaats van 85 procent). Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een combinatie van storingen, benodigde onderhoudswerkzaamheden en capaciteitsproblemen op met name de Zeeuwse achterlandverbindingen. Voor de sluizen op die corridor lopen dan ook MIRT-projecten, gericht op het verbeteren van de toekomstige capaciteit. De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren overall gezien wel ruim voldoende.

Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Totaal Nederlandse Zeehavens

45,5

45,9

44,4

44,9

44,9

44,2

44,5

45,0

46,9

47,8

47,2

47,9

Mainport Rotterdam

35,0

35,6

34,5

34,6

34,9

33,8

34,2

34,4

36,0

37,0

36,3

37,0

Overige Nederlandse Zeehavens

10,5

10,3

9,9

10,3

10,0

10,4

10,4

10,6

10,9

10,8

10,9

10,9

Bron: 2001–2010: Nationale Havenraad, 2011–2012: IenM

De gegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Toelichting

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde «Hamburg-Le Havre range»). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven.

Na een lichte daling van het marktaandeel in 2011, is er in 2012 weer een lichte stijging van het marktaandeel te zien. Met name Mainport Rotterdam, dat in 2011 marktaandeel had verloren, wist dit marktaandeel in 2012 weer terug te brengen op het niveau van 2010.

Kengetal: Ontwikkeling toegevoegde waarde Nederlandse zeehavens van 2004 tot en met 2012 (in € mld lopende prijzen)
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Directe toegevoegde waarde zeehavengebieden

19,2

4,2%

22,2

23,8

25,6

20,3

22,5

23,5

22,9

In % van het BBP

3,9%

4,2%

4,1%

4,2%

4,3%

3,5%

3,8%

3,9%

3,8%

Indirecte toegevoegde waarde

9,7

10,3

11,5

12,7

13,7

12,1

12,4

13,9

13,3

In % van het BBP

2,0%

2,0%

2,1%

2,2%

2,3%

2,1%

2,1%

2,3%

2,2%

Totale zeehavengeralateerde toegevoegde waarde

28,9

31,8

33,7

36,5

39,3

32,4

34,8

37,5

36,2

In % van het BBP

5,9%

6,2%

6,2%

6,4%

6,6%

5,7%

5,9%

6,3%

6,0%

Bruto binnenlands produkt (BBP)

491,2

513,4

540,2

571,8

594,5

573,2

586,8

599,0

599,3

Bron: Erasmus universiteit Rotterdam (RHV BV), Havenmonitor 2012, de economische betekenis van de Nederlandse zeehavens, Rotterdam, januari 2014

De gegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Toelichting

Dit kengetal geeft informatie over de ontwikkeling van de toegevoegde waarde van Nederlandse zeehavens in de periode 2004–2012. Om de versterking van het netwerk van de Mainport Rotterdam en de overige zeehavens te monitoren wordt de toegevoegde waarde samenhangend met het haven- en industrieel complex gemeten. Nadat de zeehavens in 2010 en 2011 een duidelijk herstel vertoonde ten opzichte van het jaar 2009, doet zich in 2012 weer een daling van de toegevoegde waarde voor. Deze daling van de toegevoegde waarde is voornamelijk veroorzaakt door een afnemende winstgevendheid van bedrijven in 2012. Vooral in de chemie en de staalindustrie namen de marges af.

Kengetal: Ontwikkeling directe toegevoegde waarde zeevaart en maritieme cluster (in € mld)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Zeevaart

1,1

1,1

1,1

1,1

1,2

1,2

1,2

1,2

0,8

0,7

0,6

0,7

Overige maritieme sector / dienstverlening

3,5

3,2

3,1

3,2

3,3

             

Totaal brede maritieme sector¹

4,6

4,3

4,2

4,3

4,5

             

Totaal maritieme cluster²

10,3

11,2

11,4

10,5

10,2

10,1

12,5

Bron: cijfers 2001 – 2005 afkomstig uit Ecorys Beleidsmonitor 2008; cijfers 2006–2010 afkomstig uit PRC Maritieme monitor 2012; cijfers 2011–2012 afkomstig uit Ecorys Maritieme Monitor 2013

De gegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Toelichting

Ad 1) Totaal brede maritieme sector bestaat uit de volgende sectoren: Zeevaart, Binnenvaart, Laad-, los- en overslagactiviteiten, Opslag, Expediteurs, Dienstverlening vervoer water, Nieuwbouw en reparatie van schepen, Natte waterbouw (baggeren etc.), Verhuur van schepen, Groothandel in scheepsbenodigdheden.

Ad 2) Totaal maritieme cluster bestaat uit de volgende sectoren: Zeevaart, Scheepsbouw, Offshore, Binnenvaart, Waterbouw, Havens, Marine, Visserij, Maritieme dienstverlening, Watersportindustrie en Maritieme toeleveranciers. In 2013 heeft een aanpassing van de methodiek plaatsgevonden om de gegevens van de Maritieme monitor te laten aansluiten op de Havenmonitor. Hierdoor is het clustercijfer van 2012 aangepast voor de sector Havens.

Dit kengetal geeft informatie over de ontwikkeling van de toegevoegde waarde zeevaart en maritieme sector in constante prijzen en meet hoe sterk de zeevaart zich ontwikkelt. De inzet van de Rijksoverheid is slechts één van vele beïnvloedende factoren.

Kengetal: Toegevoegde waarde binnenvaart in lopende prijzen (in € mld)
 

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Binnenvaart

0,68

0,73

0,78

0,72

0,70

0,80

0,80

0,70

0,70

0,70

0,60

Bron: cijfers tot 2006 Goederenvervoermonitor Ecorys, december 2008 en cijfers vanaf 2006 De Nederlandse Maritieme Cluster Monitor, 2011.

De gegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Toelichting

Dit kengetal geeft informatie over de ontwikkeling van de toegevoegde waarde binnenvaart in constante prijzen en meet hoe sterk de binnenvaart zich ontwikkelt. De inzet van de Rijksoverheid is slechts één van vele beïnvloedende factoren. De binnenvaart heeft in de topjaren 2006 tot 2008 (achteraf gezien) teveel geïnvesteerd in nieuwe schepen. Met het wegvallen van de vraag in 2009 is overcapaciteit ontstaan, die in de jaren hierna en ook in 2013 heeft voortgeduurd.

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Aantallen

                 

Handelsvaart

570

574

566

640

688

725

769

800

822

Zeesleepvaart

164

174

212

222

222

249

235

247

260

Waterbouw

151

148

139

118

121

120

156

169

168

Totaal

885

896

917

980

1.031

1.094

1.160

1.216

1.250

                   

Bruto tonnage (GT) (x1.000)

                 

Handelsvaart

4.932

5.031

5.114

5.980

6.313

6.075

6.883

6.740

7.045

Zeesleepvaart

178

181

243

264

237

310

290

362

347

Waterbouw

498

509

477

375

441

450

513

531

533

Totaal

5.608

5.721

5.834

6.619

6.991

6.835

7.686

7.633

7.925

Betreft schepen > 100 GT en pontons > 1.000 GT

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Toelichting

Met ingang van 2011 is de categorie werkschepen ondergebracht bij de waterbouw in plaats van de zeesleepvaart. Dit betreft in totaal 29 schepen. De getallen voor 2011 daarop zijn aangepast.

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlandse eigendom of beheer

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Aantallen

                 

Handelsvaart

375

434

462

395

410

433

422

408

403

Zeesleepvaart

329

284

332

358

406

459

456

477

498

Waterbouw

37

39

45

52

66

63

55

55

52

Totaal

741

757

839

805

882

955

933

940

953

                   

Bruto tonnage (GT) (x1.000)

                 

Handelsvaart

4.692

5.566

6.278

4.542

5.057

5.259

5.232

5.072

5.517

Zeesleepvaart

2.704

2.782

1.903

1.423

1.217

1.011

1.298

1.640

1.612

Waterbouw

99

102

122

184

225

251

210

264

248

Totaal

7.495

8.450

8.303

6.149

6.499

6.521

6.740

6.976

7.377

Betreft schepen > 100 GT en pontons > 1.000 GT

Bron: cijfers 2005 Ecorys (december 2008); cijfers van 2006–2009 Policy Research Corporation (april 2010); cijfers 2010–2013 Inspectie Leefomgeving en Transport (januari 2014). Alle cijfers op basis van Lloyd’s Register Fairplay.

Toelichting

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar van meerdere factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Kengetal: Aantal significante ongevallen met schepen op de Nederlandse binnenwateren
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Aantal significante scheepsongevallen

117

96

123

150

127

121

164

159

161

Bron: Rijkswaterstaat, 2013

De gegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Toelichting

Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de veiligheid op de Nederlandse binnenwateren wordt gebruik gemaakt van het begrip «significant scheepsongeval». Significante scheepsongevallen zijn scheepsongevallen op de Nederlandse binnenwateren met schepen (ook onder niet Nederlandse vlag) waarbij schade is ontstaan die als ernstig wordt geclassificeerd in de vorm van slachtoffers (doden/gewonden), stremming van de vaarweg of schade aan de vaarweg, schip, lading of milieu. met schepen op de Nederlandse binnenwateren.

Kengetal: Aantal doden en gewonden op schepen op de Nederlandse binnenwateren (ook onder niet Nederlandse vlag)
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Aantal doden

4

7

3

4

4

4

4

8

4

Aantal significante scheepsongevallen

29

49

54

30

51

56

45

63

58

Bron: Rijkswaterstaat, 2013

De gegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Kengetal: Aantal scheepvaartongevallen (inclusief vissersvaartuigen en recreatievaart) op het Nederlandse deel van de Noordzee (Nederlandse en buitenlandse vlag
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

Zeer ernstige scheepvaartongevallen

1

1

1

0

0

1

1

0

4

Ernstige scheepvaartongevallen

7

4

2

6

3

7

9

4

15

Totaal

8

5

3

6

3

8

10

4

19

Bron: SOS database Rijkswaterstaat, 2013

De gegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Toelichting

De gevalideerde gegevens van het aantal ernstige scheepsongevallen (ESO) in 2012 zijn beschikbaar. Er zijn 15 ESO’s geregistreerd, verdeeld over koopvaardij (7), visserij (6) en recreatievaart (2). De registratie en classificatie van scheepsongevallen op de Noordzee is in 2012 aanzienlijk verbeterd en verfijnd (onder andere door gebruik van IMO definities, waarbij de interpretatie via een benchmark is getoetst bij de omliggende Noordzeelanden, meenemen van havenaanloopgebieden, Westerscheldemonding, kustzones en meenemen recreatievaart). Hierdoor is een completer beeld ontstaan van de ernstige scheepsongevallen op de Noordzee. Vergelijking van de ESO’s in 2012 met eerdere jaren is daardoor niet goed mogelijk. De historische reeks 2004–2011 geeft waarschijnlijk een onderschatting van het aantal ESO’s dat in werkelijkheid is opgetreden. Om een goede uitspraak te kunnen doen over de ontwikkeling van de veiligheid van scheepvaart op de Noordzee moet een nieuwe historische reeks van ESO’s worden opgebouwd. De historische reeks van zeer ernstige scheepvaartongevallen (ZESO’s) wordt wel betrouwbaar geacht.

Kengetal: Uitstoot luchtverontreinigende stoffen
 

realisatie

prognose

 

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2015

2020

NOx – emissies goederenvervoer (x mln. kg)

                       

Binnenvaart

27,1

25,1

24,1

23,6

24,0

23,7

21,3

22,8

24,2

25,6

22,3

21,4

Zeevaart (NL grondgebied)¹

17,3

17,8

18,0

19,1

19,4

24,3

22,1

23,0

22,9

23,8

21,8

22,9

PM10-emissies goederenvervoer (x mln. kg)

                       

Binnenvaart

1,1

1,0

1,0

0,9

0,9

0,9

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

Zeevaart (NL grondgebied)¹

1,2

1,1

1,1

1,2

1,1

1,3

1,2

1,0

0,9

0,9

0,9

0,9

VOS-emissies goederenvervoer (x mln. kg)

                       

Binnenvaart

3,5

3,2

2,8

3,2

3,1

3,0

2,8

3,0

2,9

3,0

1,1

1,0

Zeevaart (NL grondgebied)¹

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

1,0

0,9

0,8

0,8

0,9

0,8

0,8

SO2-emissies goederenvervoer (x mln. kg)

                       

Binnenvaart

2,0

1,9

1,8

1,7

1,8

1,0

0,9

0,5

0,0

0,0

0,0

0,0

Zeevaart (NL grondgebied)¹

10,0

10,2

10,0

10,6

9,8

9,9

8,9

6,2

4,7

4,8

1,0

1,1

CO2-emissies (x mln. kg)

                       

Binnenvaart

1.871

1.734

1.663

1.627

1.654

1.636

1.494

1.634

1.773

1.909

1.772

1.850

Zeevaart (NL grondgebied)¹

936

969

983

1.041

1.067

1.515

1.394

1.423

1.464

1.550

1.284

1.199

Bron cijfers 2003 t/m 2012: Emissieregistratie, CBS Statline

Bron prognoses 2015 en 2020: Referentieraming 2012–2020, PBL

De gegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag.

Toelichting

Ad 1) De cijfers over 2008 en latere jaren zijn met een andere, nauwkeuriger methode berekend dan in voorgaande jaren, waarbij ook de invloed van de vaarsnelheid is meegenomen; om die reden zijn de cijfers over 2008 en latere jaren niet volledig vergelijkbaar met die van voorgaande jaren. De cijfers van de SO2-emissies over 2008 en latere jaren zijn bovendien beïnvloed door een verplicht lager zwavelgehalte voor scheepsbrandstof vanaf augustus 2007 en verdere aanscherping vanaf juli 2010 (vanwege MARPOL Annex VI-regelgeving).

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling gebleken.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

18

Scheepvaart en havens

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

5.077

6.113

– 1.036

 

Uitgaven

   

5.361

6.464

– 1.103

 

18.01

Scheepvaart en havens

   

5.361

6.464

– 1.103

 

18.01.01

Opdrachten

   

2.317

2.455

– 138

 

18.01.02

Subsidies

   

467

1.205

– 738

1)

18.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

1.705

1.846

– 141

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

1.705

1.846

– 141

 

18.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

   

872

958

– 86

 
 

Ontvangsten

   

97

0

97

 
18.01 Scheepvaart en havens

Toelichting op de financiële instrumenten

18.01.01 Opdrachten

Met het oog op de concurrentiepositie van de maritieme cluster is de maritieme monitor 2013 opgesteld. Daarbij is gekeken naar de economische ontwikkeling (onder andere toegevoegde waarde en werkgelegenheid) van de maritieme sectoren. Ook is het zeevaartbeleid, inclusief de fiscale maatregelen voor de zeevaart geëvalueerd.

Als vlaggen-, kust- en havenstaat zette Nederland zich in IMO en EU-verband in op verbetering, c.q. optimalisering van regelgeving en vermindering van administratieve lasten. Er werden onderzoeken uitgevoerd naar de aanpak van de broeikasgasproblematiek in de zeevaart en specifiek de Nederlandse belangen daarin. Voor wat betreft luchtkwaliteit heeft IenM bijgedragen aan een internationale studie naar mogelijke modal-shifteffecten van een eventuele instelling van de Noordzee als stikstofemissiebeheersgebied.

In 2013 werd inzet gepleegd op de implementatie van tal van IMO- en EU-regels (het IMO-verdrag inzake training en opleiding van zeevarenden (STCW); de EU Richtlijn 2012/33/EU inzake het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen, het Nairobi-verdrag inzake wrakopruiming, het STCW-visserijverdrag, de EU-Verordening ontmanteling van zeeschepen, en de Richtlijnen Havenstaatcontrole en Vlaggenstaatverplichtingen). Voorts kreeg de nieuwe routestructuur voor de Noordzee zijn beslag.

In 2013 zijn voorts opdrachten vertrekt om de door het Europees Agentschap voor Maritieme Veiligheid geconstateerde tekortkomingen in het Nederlandse nautisch onderwijs te kunnen aanpakken. Om instroom en kwaliteit van buitenlandse zeevarenden op peil te houden, werd ondersteuning verleend aan de Filippijnse maritieme autoriteit, opdat de erkenning van de Filippijnse vaarbevoegdheden door de EU zou kunnen worden gewaarborgd.

Het ministerie heeft volgens afspraak de kosten van de NMA voor het uitvoeren van toezicht op het loodswezen vergoed. Het markttoezicht op de loodsen is geëvalueerd. De resultaten zullen begin 2014 aan de Tweede Kamer worden toegezonden.

Voor beleidsontwikkeling is onderzoek gedaan naar onder andere havensamenwerking, level playing field van de Europese havens en vestigingsplaatsfactoren. Deze onderzoeken zijn bedoeld als input voor het op te stellen werkprogramma Zeehavens in 2014. Daarnaast is de havenontwikkeling op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba in kaart gebracht. Dit vormt de opmaat voor versterking van het nautisch beheer op de eilanden en de havenbedrijven.

18.01.02 Subsidies (ad 1)

Het verschil wordt met name veroorzaakt doordat de voorschotten, van zowel de subsidie aan de stichting Nederland Maritiem Land voor 2013 als de subsidie aan de Stichting Projecten Binnenvaart voor het Expertise en Innovatie Centrum Binnenvaart 2013 al in 2012 zijn uitbetaald.

Ter versterking van de binnenvaart in de logistieke keten zijn diverse activiteiten uitgevoerd. Naast de uit IDVV gefinancierde activiteiten zoals NLIP, Single Window, werkgroep Synchromodaliteit en Nextlogic heeft IenM in 2013 voor het laatst financieel bijgedragen aan het project (onderdeel subsidie 2012–2013).

Met de binnenvaartsector is afgesproken dat de tot en met 2012 opgebouwde prijscompensatie op de sloopfondsgelden ingezet wordt voor breed door de sector gedragen voorstellen voor versterking van de sector, bijvoorbeeld op het gebied van innovatie en vergroening. In 2012 en 2013 is op grond van de «Tijdelijke subsidieregeling Expertise- en Innovatiecentrum Binnenvaart 2012/2013» een bedrag van jaarlijks € 0,2 miljoen beschikbaar gesteld. Ten behoeve van de subsidieregeling kennismakingsstages zeevaart is voor 2013 een voorschot uitgekeerd.

18.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan Rijkswaterstaat voor de capaciteitsinzet in het kader van Beleidsondersteuning en advies.

18.01.05 Bijdrage aan internationale organisaties

In 2013 zijn conform verdragverplichting de contributies betaald aan de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR).

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
 

2013

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

853.578

Andere ontvangsten van artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

10.853

Totale uitgaven op artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

864.431

waarvan

   

15.01

Verkeersmanagement

13.722

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

304.567

15.03

Aanleg

290.785

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

255.357

Extracomptabele verwijzing naar artikelonderdeel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds
 

2013

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.06 (PMR) van het Infrastructuurfonds

4.189

Artikel 19 Klimaat

Algemene doelstelling

Klimaatverandering als gevolg van menselijk handelen tegen gaan. Door uitstoot van CO2 en overige broeikasgassen stijgt de temperatuur op aarde. Hierdoor verandert het klimaat en stijgt de zeespiegel. Nederland heeft internationale afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Beperking van CO2-uitstoot biedt bovendien economische kansen, waaronder lagere energiekosten.

Het internationale IenM-beleid vindt niet alleen haar grondslag op dit artikel. Specifieke rollen en verantwoordelijkheden van de Minister op de verschillende beleidsterreinen van IenM zijn bij de betreffende artikelen vermeld.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister van IenM regisseert de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • Het door Nederland nakomen van de in UNFCCC40- en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van emissies van CO2 en overige broeikasgassen en voor het emissiehandelssysteem waaronder het toewijzen en het doen veilen van CO2-emissierechten.

  • De regie op de internationale aspecten van het IenM-beleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.

  • De opdracht aan de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) voor het handelssysteem in CO2-emissierechten. Ook de registratie van biobrandstoffen en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie zijn hier onderdeel van.

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies, op brandstofkwaliteit, op productie en inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2-emissierechten (ETS).

Stimuleren

Om de milieudoelen op gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit de Klimaatbrief en de Lokale Klimaatagenda tot succesvolle uitvoering te brengen. Green Deals en financiële incentives dragen hieraan bij.

  • Via de Lokale Klimaatagenda, initiatieven voor reductie van CO2-emissies. Ondernemers, burgers en andere overheden brengt zij beter in positie om maatregelen te nemen die goed zijn voor klimaat en economie.

  • De aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen, zoals de productie van groen gas en van energie op daken en in kassen, wordt onder andere door middel van financiële stimulering (MIA41/Vamil42 en Groen Beleggen) aantrekkelijk gemaakt. Zuinigere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de voorlopers in de sector te subsidiëren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

  • De versnelde jaardoelstelling voor hernieuwbare energie in de vervoersector door middel van een verplichting voor degenen die biobrandstoffen op de markt brengen en het verbreden van de toepassing van hernieuwbare energie naar de luchtvaart en binnenvaart.

Financieren

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor de uitvoering van het Clean Development Mechanism (CDM), één van de zogenoemde flexibele mechanismen van het Kyoto Protocol. De flexibele instrumenten bieden de mogelijkheid om emissiereducties (CER’s) ten behoeve van de nationale reductiedoelstelling in een ander land te behalen. Hoofddoelstelling van CDM is om zoveel mogelijk CER’s aan te kopen als nodig om de Nederlandse verplichtingen onder het Kyoto Protocol na te kunnen komen.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Kengetallen en indicatoren

Verwachte realisatie non ETS doelstelling 2020

Verantwoordelijk ministerie

Raming (Mton)

Doelstelling (Mton)

CO2industrie en energie

EZ

8,5

10,7

CO2 verkeer en vervoer

IenM

33,8

35,5

CO2 gebouwde omgeving

BZK

25,1

22,5

CO2land- en tuinbouw

EZ

6,6

5,75

Overige niet – CO2broeikasgasssen landbouw

EZ

15,8

16

Overige broeikasgassen buiten de landbouw

IenM

9,7

8,8

Totaal

 

99,5

99,25

In deze tabel zijn de sectorale doelstellingen en de raming weergegeven. De raming geeft aan in welke mate het doelbereik in zicht is. In deze raming is het effect van het Begrotingsakkoord, Sociaal Economische Raad (SER) Energieakkoord en de Klimaatagenda nog niet verwerkt.

Uit de raming blijkt dat Nederland zeer ruim aan haar doel voor de totale non-ETS Effort Sharing Decision (ESD) zal kunnen voldoen. Onder de ESD heeft Nederland in 2020 een doel van -16% ten opzichte van 2005. Dit komt neer op een uitstoot van 104,5 Mton, waar de raming op dit moment een daling van de emissies tot 99,5 Mton voorziet.

In de Kabinetsaanpak Klimaatbeleid op weg naar 2020 heeft het kabinet afgesproken dat indien in een sector tegenvallers optreden die samenhangen met (de uitvoering van) het beleid van het ministerie, de verantwoordelijke bewindspersoon in beginsel compenserende maatregelen neemt. Wanneer is aangetoond dat (alle) binnen de sector mogelijke compenserende maatregelen veel duurder zijn dan de oorspronkelijke maatregelen, zal het kabinet zoeken naar alternatieve kosteneffectieve maatregelen -binnen de beschikbare middelen- in andere sectoren. Vervolgens zal het kabinet een besluit nemen en de Tweede Kamer hierover informeren. Is er een tegenvaller die niets van doen heeft met tegenvallende beleidseffecten, dan volstaat het verschil van 5 Mton tussen het doel van 104,5 en de raming van 99,5 om deze tegenvaller op te vangen.

Waar de sectorale ramingen overschrijdingen laten zien is dat met name veroorzaakt door nieuwe aannames over met name economische ontwikkelingen en verbetering in de monitoring sinds het afspreken van de sectordoelen. Van beleidsveroorzaakte tegenvallers is niet of nauwelijks sprake. De verwachting is dat van overschrijdingen (nog) minder sprake zal zijn wanneer het SER Energieakkoord en de Klimaatagenda in de ramingen zijn verwerkt. De nieuwe raming komt in 2015, maar in oktober 2014 komt zeer waarschijnlijk een nationale energieverkenning uit waar ook al de nieuwe cijfers inclusief SER Energieakkoord zijn verwerkt.

Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer (in procenten)

Verplichtingen

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Oud *)

2

3,25

3,75

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

         

Nieuw

         

4,5

5

5,5

6,25

         

realisatie

2

3,26

3,75

4,01

4,31

4,54

               

Bron: Brief aan Tweede Kamer, 9 maart 2012 (Kamerstukken II, 2011/12, 32 813, nr. 17)

Toelichting

Voor de jaren 2015 t/m 2019 waren er formeel nog geen verplichtingen vastgelegd, maar lineaire interpolatie tussen 2015 en 2020 leidt in de oude situatie tot een groei van 0,75 procent per jaar.

In de brief aan de Tweede Kamer van 6 september 2013 (Kamerstukken II, 2013/14, 32 813, nr. 57) is aangegeven dat het bijmengpercentage voor 2015 vastgesteld wordt op 6,25%. Het resultaat van de bijmengverplichting 2013 is nog niet bekend. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) rapportage daarover wordt in de zomer van 2014 verwacht en naar de Tweede Kamer verzonden.

Beleidsconclusies

Het uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar grotendeels conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. In de begroting is aangekondigd dat voor de zomer van 2013 de Roadmap klimaat naar de Tweede Kamer wordt verzonden. Door de koppeling met het SER-Energieakkoord voor duurzame groei, die begin juli 2013 is gesloten, is de Klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen» (voorheen Roadmap klimaat) uiteindelijk op 4 oktober 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2013/14, 32 813, nr. 70). Deze agenda gaat verder dan het SER akkoord dat zich vooral op 2020 richt. De Klimaatagenda richt zich op concrete doelen, ambities voor 2030 en verder, richt zich zowel op mitigatie (vermindering broeikasgassen) als adaptatie (aanpassen aan klimaatverandering)en richt zich op dwarsdoorsnijdende maatregelen (materiaal- en grondstoffen en biobased economy) en sectoren die niet door de SER gedekt worden (landbouw, overige broeikasgassen).

Op twee dossiers van dit artikel zijn er afwijkingen te constateren. Deze zijn:

  • Het geheel herziene pakket aan regelgeving voor het systeem van broeikasgasemissiehandel (ETS) is in werking voor de periode tot en met 2020. De allocatie van emissierechten voor bedrijven voor deze periode is in 2013 afgerond. Voor de structurele versterking van het ETS is een breed gedragen Nederlandse inzet geformuleerd. De inzet is er op gericht om per 2020 het verbeterpakket in het EU/ETS te implementeren.

  • Door vertraging van het uitbrengen van het groenboek «een 2030 raamwerk voor klimaat- en energiebeleid» door de Europese Commissie (maart 2013) en definitieve besluitvorming over het SER-energieakkoord voor duurzame groei van begin juli 2013 is de afspraak om de Kamer eind 2012 te informeren over het pakket van maatregelen waarmee de 2030 broeikasgasdoelstelling gerealiseerd zou kunnen worden, niet gehaald. De Kamer is hierover geïnformeerd door de uitgekomen klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen» waarin het pakket van maatregelen is aangegeven (oktober 2013) en via de kabinetsreactie op het groenboek (Kamerstukken II, 2013/14, 22 112, nr. 1756).

In 2013 zijn de volgende beleidsdoorlichtingen/evaluaties naar de Tweede Kamer gezonden met betrekking op dit artikel:

Mia/Vamil: het evaluatierapport is op 17 september 2013 verzonden aan Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2013/14, 33 752, nr. 5). In het rapport wordt geconcludeerd dat de investeringen op de milieulijst voldoen aan de criteria die worden gesteld en daarmee bijdragen aan de doelstelling van de regering. Ook geconstateerd is dat de Mia en de Vamil qua aard van de gemiddelde investering en qua gebruikers naar elkaar toe zijn gegroeid. Het kabinet neemt de twee aanbevelingen over te weten, het voortzetten op de huidige wijze van monitoren van het budget en te blijven aansluiten op de prioriteiten in het milieubeleid inclusief aansluiting van de industriële sector. Daarnaast het starten van een onderzoek naar het samengaan of integratie of varianten daarvan tot verdere efficiencyverbetering.

Parlementair onderzoek kosten en effecten klimaat- en energiebeleid: de Tweede Kamer heeft op eigen initiatief een parlementair onderzoek in 2012 laten uitvoeren naar de kosten en effecten van klimaat- en energiebeleid (Kamerstukken II, 2012/13, 33 193, nr. 4). Het kabinet heeft op 6 maart 2013 haar reactie gegeven op de bevindingen uit het rapport (Kamerstukken II, 2012/13, 33 193, nr. 7). De bevindingen hebben een rol gespeeld bij het opstellen van de Klimaatagenda.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

19

Klimaat

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

27.629

29.252

– 1.623

 

Uitgaven

   

86.983

92.943

– 5.960

 

19.01

Klimaat

   

11.749

18.319

– 6.570

 

19.01.01

Opdrachten

   

876

6.329

– 5.453

1

19.01.02

Subsidies

   

1.667

4.635

– 2.968

2

19.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

9.206

7.355

1.851

 
 

– waarvan bijdrage aan Nea

   

5.187

7.355

– 2.168

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

3.608

0

3.608

3

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

   

411

0

411

4

19.02

Internationaal beleid, coordinatie en samenwerking

   

75.234

74.624

610

 

19.02.01

Opdrachten

   

68.834

69.334

– 500

 
 

– Uitvoering CDM

   

29.905

31.686

– 1.781

 
 

– RIVM

   

29.613

26.640

2.973

5

 

– AgNL

   

8.096

5.438

2.658

5

 

– Overige opdrachten

   

1.220

5.570

– 4.350

6

19.02.03

Bijdrage aan agentschappen

   

3.258

0

3.258

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

3.258

0

3.258

7

 

– waarvan bijdrage aan AgNL

   

0

0

0

 
 

– waarvan bijdrage aan RIVM

   

0

0

0

 

19.02.04

Bijdrage aan medeoverheden

   

0

0

0

 

19.02.05

Bijdrage aan internationale organisaties

   

3.142

5.290

– 2.148

 
 

Ontvangsten

   

134.567

120.000

14.567

8

19.01 Klimaat

Toelichting op de financiële instrumenten

19.01.01 Opdrachten (ad 1)

In 2013 zijn opdrachten verstrekt en betalingen op lopende opdrachten gedaan in het kader van zowel beleidsonderbouwend onderzoek als uitvoeringswerkzaamheden op onderstaande beleidsterreinen:

  • Klimaat (onder andere de uitwerking van de Lokale Klimaatagenda, alsmede de Roadmap/Klimaatagenda 2050).

  • Duurzame mobiliteit (onder andere het programma Proeftuinen Truck van de Toekomst).

  • Industrie (onder andere een opdracht aan de Stichting Koning Willem I, in het kader van de kosten van de prijsuitreiking 2014 van de Koning Willem I prijs en de Plaquette Duurzaam Ondernemerschap).

De lagere realisatie wordt met name verklaard door een verlaging van het budget in verband met de overhevelingen ten behoeve van de werkzaamheden die RWS, het KNMI en AgentschapNL in 2013 uitvoeren.

19.01.02 Subsidies (ad 2)

In 2013 zijn betalingen verricht op eerder verstrekte subsidies in het kader van (lokale) klimaatinitiatieven, duurzame mobiliteit en milieutechnologie. De verschillen tussen begroting en realisatie zijn te verklaren door onder andere de budgetverlaging (€ 1,4 miljoen) bij 1e suppletoire begroting 2013. Dat was mogelijk omdat betalingen in eerdere jaren verrekend konden worden met de toezegging voor het jaar 2013. Per saldo is hiermee het uitgavenbudget uitgekomen op € 3,2 miljoen en is sprake van een onderuitputting van dit budget met € 1,6 miljoen. De oorzaak hiervan is vertraging van facturering bij lopende verplichtingen.

19.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)

Aan de NEa zijn middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van alle (deels wettelijk vereiste) werkzaamheden in het kader van emissiehandel, alsmede het register voor biobrandstoffen.

Koninklijk Meteorologisch Instituut (KNMI) (ad 3)

Aan het KNMI zijn middelen ter beschikking gesteld voor diverse werkzaamheden in het kader van klimaatonderzoek en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). De benodigde middelen zijn binnen de budgettaire ruimte van dit artikel bij miljoenennota 2014 overgeheveld en als agentschapsbijdrage in 2013 aan het KNMI beschikbaar gesteld.

Rijkswaterstaat (RWS) (ad 4)

Aan RWS Leefomgeving zijn middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van de klimaat- en energiegerelateerde onderdelen van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving), alsmede voor programma’s in het kader van onder andere lokale klimaatinitiatieven, overige broeikasgassen, rijden op waterstof en monitoring duurzame mobiliteit. De benodigde middelen zijn binnen de budgettaire ruimte van dit artikel bij miljoenennota 2014 overgeheveld en als agentschapsbijdrage in 2013 aan RWS beschikbaar gesteld.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking
19.02.01 Opdrachten (ad 5)

Voor de uitvoering van het Clean Development Mechanism (CDM) zijn een aantal jaren geleden met (inter-)nationale instellingen overeenkomsten afgesloten. Deze instellingen hebben in opdracht van het Ministerie van IenM, voor de levering van emissierechten (CER’s), in 2013 aankopen gedaan waarmee Nederland een deel van de verplichtingen onder het Kyoto Protocol kan nakomen.

Als uitvloeisel van de ontwikkeling naar kerndepartementen heeft IenM de beleidsuitvoering uitbesteed aan het AgentschapNL (uitvoering van subsidieregelingen en ander beleidsondersteunende werkzaamheden) en het RIVM (uitvoering van wettelijke taken en beleidsonderbouwend onderzoek). Hiervoor zijn bij 1e suppletoire begroting vanuit diverse artikelen voor de uitvoering van werkzaamheden in 2013 door RIVM en AgentschapNL middelen naar 19.02.01 overgeboekt. Dit verklaart het verschil in de tabel budgettaire gevolgen van beleid (ad 5). De uitgaven worden op dit artikel verantwoord omdat de opdrachtverlening aan deze uitvoeringsorganisaties centraal wordt gecoördineerd. Doel hiervan is het verbeteren van het overzicht van de totale opdracht, kwaliteitsverbetering van het gehele opdrachtproces en het terugdringen van de administratieve lasten.

Overige opdrachten (ad 6)

Het verschil in de overige opdrachten wordt met name verklaard door:

  • Een neerwaartse bijstelling van het Interreg-budget: bij 1e suppletoire begroting 2013 is in verband met aanpassing van het kasritme het budget met € 1,5 miljoen verlaagd en naar latere jaren doorgeschoven. Daarnaast was rekening gehouden met een terugvordering door de Europese Commissie op de programma’s die geheel op de projecten teruggevorderd kan worden. Deze discussie is nog niet afgerond, zodat ook nog geen (eventuele) terugbetaling heeft plaatsgevonden.

  • Door het niet aanwenden van een reservering van € 0,3 miljoen voor Galileo supervisory authority en door vertraging van geplande projecten is bij 2e suppletoire begroting 2013 in HGIS-kader € 0,6 miljoen naar de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken teruggeboekt.

  • Een deel van het budget voor de overige opdrachten is overgeheveld naar het budget voor AgentschapNL (€ 0,8 miljoen) en RWS (€ 0,135 miljoen).

  • Aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken is bij Miljoenennota 2014 € 0,15 miljoen overgeheveld als bijdrage voor het IRC International Water and Sanitation Centre te Delft.

Naast bovengenoemde opdrachten zijn in 2013 nog opdrachten verleend voor activiteiten in het kader van internationale diplomatie waaronder het uitvoeren van bedrijfslevenmissies naar Myanmar, Rusland en Vietnam en het ondersteunen en faciliteren van de delegaties bij internationale bijeenkomsten waaronder de klimaatconferentie in Polen en de Aarhus-conferentie die in 2014 in Nederland wordt georganiseerd.

19.02.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 7)

De fusie van VROM en VenW tot het Ministerie van IenM heeft geleid tot een heroverweging van de uitvoeringstaken van IenM bij AgentschapNL. In 2013 is een aantal taken en de daarbij behorende medewerkers overgedragen aan Rijkswaterstaat, in de nieuwe Unit voor de Leefomgeving. Taken die zijn overgeheveld zijn onder andere Bodem+, kenniscentrum Infomil, de sectoren Materialen & Milieu en Mobiliteit & Ruimte. De uitvoering van IenM subsidieregelingen en financiële instrumenten gericht op het bedrijfsleven is bij AgentschapNL gebleven. Het kasbudget voor de uitvoering van de overgedragen taken (€ 0,3 miljoen) was geraamd bij 19.02.01 AgentschapNL en zijn bij Miljoenennota 2014 als agentschapsbijdrage aan Rijkswaterstaat, Unit Leefomgeving overgedragen. Dit verklaart het verschil.

19.02.05 Bijdrage aan internationale organisaties

Op grond van internationale verdragen, internationale afspraken en contributieverplichtingen zijn in 2013 aan (inter-)nationale organisaties de volgende bijdragen van meer dan € 0,1 miljoen betaald.

organisatie

onderwerp

bedrag x € 1.000

UNEP

IenM aandeel Nederlandse bijdrage United Nations Envirnoment Programme (UNEP)

615

China Council

Nederland (in de persoon van de secretaris generaal IenM) neemt (op uitnodiging van China) deel aan deze adviesraad op hoog niveau op het gebied van duurzame ontwikkeling. De Nederlandse bijdrage wordt gebruikt voor het begeleiden en uitzetten van internationale studies in taakgroepen op het gebied van milieu en ontwikkeling. De China Council brengt hierover in de vorm van concrete aanbevelingen advies uit aan de Chinese regering.

100

Regionaal Milieucentra Szentendre en Tbilisi

REC Szentendre vervult een essentiële rol bij de introductie en implementatie van Europese milieuwetgeving in Midden- en Oost-Europa. REC Caucasus in Tbilisi (een samenwerking van de Europese Commissie, Georgië, Armenië en Azerbeidzjan) heeft tot doel het oplossen op regionaal niveau van milieuproblemen en het opbouwen van maatschappelijk draagvlak voor milieubeleid.

140

United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC)

contributie international transaction log: Voor transacties in het kader van de flexibele mechanismen onder het Kyotoprotocol wordt door het Klimaatsecretariaat een logboek (International Transaction Log) bijgehouden. Europese en internationale CO2-handelstransacties komen in dit logboek terecht. Partijen die dergelijke transacties (IenM voor CDM) uitvoeren, betalen voor deze diensten.

111

UNFCCC

trust fund for supplementary activities: het fonds is voor aanvullende activiteiten, waartoe landen in gezamenlijkheid hebben besloten tijdens klimaatconferenties.

100

UN-Economic Commission for Europe (UN-ECE)

Verdrag grensoverschrijdende luchtverontreiniging (Convention on Long-Range Transboundary AirPollution)).

194

World Resources Institute

Het World Resources Institute richt zich op het snijvlak van milieu en socio-economische ontwikkelingen, met zowel gezaghebbend onderzoek als acties (vooral in ontwikkelingslanden) in samenwerking met overheden, zakenleven, financiële instellingen en maatschappelijke organisaties.

100

UNEP International Resource Panel

Dit panel bestaat uit vooraanstaande wetenschappers en verschaft onafhankelijke wetenschappelijke informatie over het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

100

Internationaal TransportForum (ITF)

Deze mondiale organisatie op vervoersgebied (dochterorganisatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), 54 landen zijn lid: alle Europese landen, en bv. de VS, China, Rusland etc.) is hét internationale publiekprivate platform dat ontwikkelingen bespreekt zoals de globalisering en de verduurzaming van vervoer.

212

Climate and Clean Air Coalition

Vrijwillige partnerschap van landen, wetenschappelijke instellingen, internationale organisaties en NGO’s (Non-Governmental Organisations) wil via gerichte initiatieven en projecten een lagere uitstoot van short lived climate pollutants bewerkstelligen – kortlevende stoffen als roet en ozon die zorgen voor klimaatopwarming en een slechtere luchtkwaliteit.

100

UN-ECE

Opstartbijdrage kwikverdrag. Doel: snelle opstart van de noodzakelijke activiteiten onder het verdrag mogelijk maken.

100

Ecosystem Return Foundation

activiteiten tot ontwikkeling duurzaam landgebruik door grootschalig herstel van gedegradeerde gronden, binnen en buiten Europa, in publiekprivate samenwerking.

100

diverse organisaties

bijdragen minder dan € 0,1 miljoen.

1.170

Totaal

 

3.142

Ontvangsten (ad 8)

Dit betreft de ontvangsten in het kader van de Emission Trade System (ETS) veilingopbrengsten. Door een wijziging in de Eurostatregels (waarbij feitelijke ontvangsten voorlopen op de geraamde opbrengsten) is uiteindelijk meer ontvangen dan op de begroting was geraamd.

Artikel 20 Lucht en geluid

Algemene doelstelling

Bevorderen van een solide en gezonde leefomgeving door de luchtkwaliteit te verbeteren en door geluidhinder te voorkomen of te beperken.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

Om qua luchtkwaliteit een solide en gezonde leefomgeving te bereiken, regisseert de Minister van IenM de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese luchtkwaliteits- en geluidbeleid.

Meer specifiek is de Minister van IenM is verantwoordelijk voor:

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van grenswaarden en plafonds voor emissies van luchtverontreinigende stoffen, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen, grenswaarden en normen hebben betrekking op verbetering van de luchtkwaliteit, op bronbeleid voor geluid- en industriële emissies en op bronbeleid om schadelijke luchtemissies door de verkeersector (auto’s, lucht- en scheepvaart) tegen te gaan.

  • De ondersteuning van gemeenten en provincies bij het opstellen van algemene regels en bij de vergunningverlening ter vermindering van luchtemissies bij de industrie en bij een juiste toepassing van de geluidregelgeving.

  • De reductie van administratieve lasten voor het bedrijfsleven door vereenvoudiging van de monitoring- en rapportagestructuur voor emissies.

  • Het (doen) saneren van geluidgevoelige locaties langs infrastructuur. Met de implementatie van de vernieuwde geluidregelgeving (wet Swung-1) wordt een optimale gezondheidsbescherming van burgers en flexibiliteit voor de beheerders van rijkswegen en hoofdspoorwegen beoogd. Swung-2 zal de aanpak van geluidhinder op gemeentelijk en provinciaal niveau beter uitvoerbaar maken. Hinder door trillingen (vooral bij spoorprojecten van belang) zal door wettelijke normstelling worden tegengegaan.

Stimuleren

Om de milieudoelen op gebied van luchtkwaliteit en geluid te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en SWUNG (geluid) tot succesvolle uitvoering te brengen.

  • Schonere en stillere voertuigen. Dit gebeurt door samen met de verkeerssector een strategie te ontwikkelen, een internationale normering van voertuigen tot stand te brengen, samen met de Minister van Financiën een stabiel fiscaal beleid gericht op de klimaatdoelen van 2050 te voeren, de voorlopers in de sector te subsidiëren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

  • Mede overheden tot uitvoering van maatregelpakketten in het NSL om daarmee de Europese normen voor luchtkwaliteit (fijn stof in 2011 en NO2 in 2015) te halen. Dit is belangrijk voor de gezondheid van burgers en hiermee schept de Minister tevens ruimte voor nieuwe infrastructuur, woningbouw en bedrijvigheid. De Minister werkt aan een follow-up van het NSL om voorbereid te zijn op de implicaties van nieuwe Europese normen voor luchtkwaliteit in 2020.

Kengetallen en indicatoren

Tegengaan geluidhinder (sanering verkeerslawaai)

aantal woningen

t.g.v. rijksinfrastructuur

t.g.v. andere infrastructuur

totaal

 

rijkswegen (incl. betreffend deel A-lijst)

spoorwegen (incl. Raillijst)

A-lijst

Overig

 

Totaal

111.250

73.070

77.355

332.800

594.475

uitgevoerd 1980–1990 (schatting)

40.000

8.500

40.000

88.500

uitgevoerd 1990 t/m 31-12-2009

57.500

13.150

46.050

34.902

151.602

uitgevoerd 2010

414

2.514

3.215

220

6.363

uitgevoerd 2011

674

1.592

3.220

957

6.443

uitgevoerd 2012

549

3.031

1.125

4.705

uitvoering gepland 2013

112

1.314

3.000

1.559

5.985

Realisatie 2013

831

3.000

2.790

6.621

Restant per 31-12-2012

12.662

45.934

18.839

252.806

330.241

Gepland restant per 31-12-2020

nnb

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai, 2014

Toelichting

De hier gepresenteerde cijfers voor Rijksinfrastructuur hebben betrekking op de oude saneringsoperatie onder de Wet geluidhinder. Deze operatie kent een ander normenkader dan de huidige saneringsoperatie onder de Wet geluidbeheer. Om deze reden wijken de hier gepresenteerde aantallen af van de aantallen bij beleidsartikel 14, die op de Wet milieubeheer zijn gebaseerd.

Realisatie A-lijst is een aanname gebaseerd op beschikbare middelen en gemiddelde kosten per woning. Realisatie spoorwegen betreft sanering die nog onder oude regelgeving wordt afgemaakt. Verschillen tussen planning en realisatie houden verband met versnelling cq vertraging bij de uitvoering van Projecten.

Emissies luchtverontreinigende stoffen 1990, 2005 en 2009, doelstellingen en prognoses 2013, 2015 en 2020 (kton/jr).
 

1990

2005

2009

2010

2010

2011

2012*

2013

2015

2020

       

Gotenburg Protocol

NEC-Richtlijn

realisatie

 

Raming PBL

Raming PBL

reductiepercentage voor NL t.o.v. 2005

SO2

192

64

38

50

50

34

32

40

41

28%

NOx

563

337

279

266

260

259

253

251

237

45%

NH3

356

141

125

128

128

119

114

118

117

13%

VOS ¹

464

169

154

191

185

144

144

151

150

8%

PM2,5

 

19

     

14

 

14

 

37%

Bron: De emissieberekeningen voor 2012 zijn nog gebaseerd op voorlopige energie- en productiestatistieken van het CBS. De realisatiegegevens van 2013 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit Jaarverslag. De informatie over de gerealiseerde emissies is afkomstig uit «Emissions of transboundary air pollutions in the Netherlands; Informative Inventory Report 2013 (pagina 20, tabel 2.1).

Toelichting

Voor wat betreft de emissieplafonds geldt dat begin mei 2012 in Genève de nieuwe doelstellingen voor luchtverontreinigende stoffen zijn vastgesteld. Het betreft aanpassing van het zogenaamde Gothenburg protocol. Enigszins complicerend is dat er, in tegenstelling tot het bestaande protocol als ook de National Emission Ceiling (NEC) richtlijn, geen emissieplafonds zijn opgenomen, maar reductiepercentages. Het referentiejaar voor die reducties is 2005 en de doelstellingen betreffen reductiepercentages die in 2020 dienen te zijn gerealiseerd. Naast voorgaande verandering geldt dat aan de bestaande stoffenlijst (NOx, SO2, NH3 en VOS43) ook fijn stof (PM2,5) is toegevoegd.

Op 18 december 2013 heeft het Europees Parlement en de Raad een voorstel voor een Richtlijn van het betreffende de reductie van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigde stoffen gepubliceerd. De Richtlijn dient ter vermindering van de totale hoeveelheid verontreiniging die binnen de EU in de lucht wordt gebracht en vervangt de huidige richtlijn nationale emissie plafonds (NEC). In de richtlijn zijn voor de lidstaten nationale doelstellingen opgenomen voor reductie waarbij bepaald is dat de nationale emissieplafonds uit de huidige richtlijn voor SO2, NOx, NMVOS en NH3 van kracht blijven tot 2020.

De verplichtingen voor 2020 zijn goed haalbaar, aangezien deze met uitvoering van reeds bestaand(e) en voorgenomen beleid en regelgeving kunnen worden gerealiseerd. Dat was ook de uiteindelijke insteek bij het wijzigen van het Gotenburg Protocol.

Emissies luchtverontreinigende stoffen en broeikasgas door verkeer en vervoer in Kton 1
 

1990

2000

2010 realisatie

2011 realisatie

2012 realisatie

Streefwaarde 2012 2

Nox 3

327

243

164

159

149

158,0 (2010)

SO2

18

9,2

1,2

0,4

0,4

4,0 (2010)

PM10

20

15

9

7

8

NH3

1

2,5

2,5

2,6

2,5

3,0 (2010)

NMVOS4

181

84

37

31

33

55,0 (2010)

CO2 (Mton)

30,4

37

37,9

38

36,9

35,5 (2020) 5

X Noot
1

Bron: CBS, emissieregistratie/CBS, PBL, Wageningen UR (2012) (indicator 0128, versie 20, 1 mei 2012).

X Noot
2

De streefwaarde is conform de in het kader van de NEC-richtlijn vastgestelde emissieplafonds 2010.

X Noot
3

Betreft mobiele bronnen totaal, dus transportmiddelen en mobiele werktuigen, exclusief zeevaart.

X Noot
4

Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan.

X Noot
5

Routekaart Klimaat, maximum uitstoot verkeer 2020. Niet in NEC-plafond 2010.

Toelichting

De streefwaarde 2012 is gelijk aan de in het kader van de NEC-richtlijn vastgestelde emissieplafonds voor 2010. Begin 2012 zijn in het kader van het Gotenburg-protocol nationale emissieplafonds voor 2020 vastgesteld. Binnen EU-verband zijn deze plafonds eind 2013 vastgelegd. Nederland zal deze emissieplafonds versleutelen naar emissieplafonds voor sectoren. De getallenreeks opgenomen in de tabel wijkt af van de reeks opgenomen in de begroting 2013. De getallen worden jaarlijks aan de hand van nieuwe inzichten voor emissieregistratie door het Planbureau voor de Leefomgeving, in samenwerking met het RIVM, TNO bepaald, waarna doorrekening plaatsvindt voor de hele reeks. In juli 2014 zullen de voorlopige cijfers voor 2013 worden vastgesteld. De definitieve cijfers over 2013 worden in december 2014 vastgesteld.

Ontwikkeling CO2 emissie nieuwe personenauto’s in gr/ CO2 per kilometer
 

2005

2009

2010

2011

2012

2015

2020

EU

164.4

145.7

140.3

135,7

132,2

130 1

951

Nederland

169.9

146.9

135.8

126,1

118,6

   

Bron: European Environment Agency: Monitoring the CO2 emissions from new passenger cars in the EU: summary of data for 2012.

X Noot
1

Dit zijn verplichte Europese gemiddelde waarden.

Toelichting

Nadat vrijwillige afspraken over CO2 reductie met de Europese autofabrikanten niet tot gewenste resultaten leidde, heeft de Europese Commissie in december 2007 een voorstel gedaan voor verplichte reductiedoelstellingen. Dat voorstel is in 2009 aangenomen en bevatte naast een verplichte norm van gemiddeld 130 gram CO2/km in 2015, een verplichte norm van gemiddeld 95 gram CO2/km in 2020, waarvan de technische en economische haalbaarheid nog moest worden bevestigd. Op 29 november 2013 is een akkoord bereikt tussen de Europese Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten om de norm van 95 gram CO2/km in 2021 volledig op te leggen. Nederland had liever gezien dat de norm al in 2020 werd gehaald en zal zich in de onderhandelingen over CO2 normen voor de periode na 2021 blijven inzetten voor ambitieuze doelen.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar grotendeels conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting.

Op een aantal dossiers van dit artikel zijn er afwijkingen te constateren. Deze zijn:

Er is geen aparte routekaart Duurzame Mobiliteit naar de Tweede Kamer. De routekaart is als onderdeel opgenomen in de Klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen» die op 4 oktober 2013 naar de Tweede Kamer is gezonden (Kamerstuk II, 2013/14, 32 813, nr. 70).

De Europese Commissie heeft op 18 december 2013 het pakket luchtkwaliteit uitgebracht. Dit pakket bestaat uit een aantal voorstellen:

  • Herziening van de thematische strategie luchtverontreiniging

  • Herziening van de richtlijn nationale emissieplafonds (NEC-richtlijn).

  • Besluit tot ratificatie door de EU van het Gothenburg Protocol.

  • Richtlijn voor middelgrote verbrandingsinstallaties.

De Richtlijn Luchtkwaliteit wordt niet herzien omdat veel landen moeite hebben om aan de grenswaarden te voldoen. De onderhandelingen over de aangekondigde voorstellen starten in 2014. Zodra de voorstellen beschikbaar zijn, wordt de Kamer nader geïnformeerd. Voor 19 februari 2014 wordt een BNC fiche naar de Tweede Kamer gezonden. De Commissie heeft tevens aangekondigd om de Richtlijn industriële emissies nader te zullen uitwerken. Het plan van aanpak voor het behalen van de uit de Richtlijn voortvloeiende reductiedoelen zal hierdoor niet eerder dan in 2015 gereed zijn en naar Tweede Kamer worden gezonden. Begin 2013 is de Richtlijn industriële emissies geïmplementeerd in met name het Activiteitenbesluit.

De Europese Commissie heeft op 7 juni 2011 een implementatieverslag over de huidige richtlijn omgevingslawaai, gericht op verbetering van de kartering van geluidhinder en in juni 2012 een consultatieronde geopend, die inmiddels is gesloten. Het voorstel werd in 2012 verwacht, maar is vertraagd.

Door de lange looptijd van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is met de Tweede Kamer afgesproken om jaarlijks een monitoringsrapportage naar de Tweede- als Eerste Kamer te zenden. Op 17 december 2013 heeft de Staatssecretaris de vierde rapportage over de voortgang van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II, 2013/14, 30 175 E).

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

20

Lucht en geluid

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

84.084

25.259

58.825

1

Uitgaven

     

90.946

78.823

12.123

 

20.01

Luchtkwaliteit en tegengaan geluidshinder

   

90.946

78.823

12.123

 

20.01.01

Opdrachten

   

7.054

6.928

126

 

20.01.02

Subsidies

   

16.819

4.500

12.319

2

20.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

2.205

0

2.205

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

2.205

0

2.205

3

20.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

   

63.732

65.879

– 2.147

 
 

– NSL

   

42.000

48.261

– 6.261

4

 

– Wegverkeerlawaai

   

20.080

15.118

4.962

5

 

– Overige bijdrage medeoverheden

   

1.652

2.500

– 848

 

20.01.07

Bekostiging

   

1.136

1.516

– 380

 
 

Ontvangsten

   

337

0

337

6

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De verklaring van het verschil in de verplichtingen betreft de ophoging van het verplichtingenbudget in de Miljoenennota 2014. Deze verhoging betrof met name het uit later jaren naar 2013 verschuiven van verplichtingenbudgetten voor de subsidieregelingen Euro-VI (vrachtwagen en bussen) en Euro-6 (taxi’s en bestelauto’s). Dit was noodzakelijk voor het vastleggen van de gepubliceerde meerjarige subsidieplafonds van deze regelingen. Daarnaast is het verplichtingenbudget bij 2e suppletoire begroting 2013 verhoogd in verband met de sanering verkeerslawaai.

20.01 Luchtkwaliteit en tegengaan geluidshinder
20.01.01 Opdrachten

In 2013 zijn opdrachten verstrekt en betalingen op lopende opdrachten gedaan in het kader van zowel beleidsonderbouwend onderzoek als uitvoeringswerkzaamheden op onderstaande beleidsterreinen:

  • Verkeersemissies (onder andere de steekproefcontrolepropgramma’s door TNO)

  • Geluidshinder (onder andere de opdracht aan BSV (Bureau Sanering Verkeerslawaai) voor de uitvoering van het subsidieprogramma Sanering Wegverkeerslawaai).

  • Luchtkwaliteit (onder andere opdrachten samenhangend met (de aanpassing van) de monitoringstools luchtkwaliteit).

20.01.02 Subsidies (ad 2)

In 2013 zijn subsidies verstrekt voor voertuigen voorzien van schone motoren die voldoen aan de nieuw in te voeren Europese normen. Het gaat hierbij om subsidieregelingen voor taxi’s en bestelauto’s (Euro-6) en voor vrachtauto’s en bussen (Euro-VI). Het verschil tussen de begroting en realisatie wordt verklaard door de toevoeging bij 1e suppletoire begroting 2013 van € 12,1 miljoen vanuit de NSL-budgetten aan de subsidieregeling EURO-VI. In de komende jaren zal worden bezien op welk moment het budget zal worden teruggegeven aan de NSL-budgetten.

20.01.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 3)

Rijkswaterstaat, Unit Leefomgeving voert in opdracht van het Ministerie IenM werkzaamheden uit. De benodigde middelen voor de uitvoering van het werkplan 2013 (€ 1,2 miljoen) zijn vanuit de budgettaire ruimte binnen artikel 20 bij miljoenennota 2014 naar dit financiële instrument overgeheveld en als agentschapsbijdrage in 2013 beschikbaar gesteld. Deze middelen zijn bedoeld voor de uitvoering van de onderdelen Luchtkwaliteit/Monitoring NSL en Geluid van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving), alsmede voor het programma Stiller op weg en het Expertisecentrum Milieuzones. Daarnaast is via de bijdrage aan Rijkswaterstaat (RWS) € 1 miljoen ingezet voor de aanleg van de opritinfrastructuur van het te bouwen waterstofvulstation Albrandswaard.

20.01.04 Bijdrage aan medeoverheden (ad 4 en 5)

In het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn in 2013 de betalingen voor de vierde tranche gedaan aan de betreffende provincies. Het verschil betreft diverse verlagingen en een verhoging van het kasbudget die bij Miljoenennota 2014 en de 1e en 2e suppletoire begroting 2013 al zijn toegelicht. Per saldo is hiermee het beschikbare kasbudget op € 42,1 miljoen uitgekomen en volledig uitgeput (ad 4).

Daarnaast zijn in het kader van de bestrijding van geluidhinder in 2013 bijdragen verstrekt aan provincies en gemeenten voor de sanering van wegverkeerslawaai. Het verschil wordt verklaard door de ophoging van het budget bij 2e suppletoire begroting 2013 met € 4,6 miljoen in verband met een versnelling bij de sanering van het wegverkeerslawaai (onder andere ten behoeve van het project Maastricht A2) (ad 5). In het kader van eerder toegezegde bijdragen voor Geluidskaarten (tweede tranche), hebben betalingen plaatsgevonden naar aanleiding van de eindafwikkeling van genoemde bijdragen.

20.01.07 Bekostiging

In 2013 zijn in het kader van de bekostiging van het jaarlijkse programma van milieu gerelateerd onderzoek, bijdragen verstrekt aan het Energie Onderzoek Centrum Nederland (ECN).

Ontvangsten (ad 6)

Het betreffen van andere overheden terugontvangen bedragen in het kader van de subsidieregeling Wegverkeerslawaai.

Artikel 21 Duurzaamheid

Algemene doelstelling

Het tegengaan van de afwenteling van de effecten van de Nederlandse productie en consumptie op andere leefgebieden en op toekomstige generaties. Dit gebeurt onder andere door het vermogen van bodem en water om ecosysteemdiensten te leveren zoveel mogelijk te behouden en de milieudruk in de hele levenscyclus van grondstoffen en producten te minimaliseren.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister wil bereiken dat duurzaamheid expliciet onderdeel gaat uitmaken van afwegingen en besluiten van organisaties en individuen. Verder borgt en verbetert IenM de milieukwaliteit van de milieugebruiksruimte om de vele functies ervan, zoals voedsel- en drinkwatervoorziening en natuur, te beschermen. De Minister heeft een regisserende rol bij:

  • De totstandkoming van Europese wet- en regelgeving en de doorvertaling daarvan in nationale wet- en regelgeving, zoals de Grondwater-, Zwemwater- en Drinkwaterrichtlijn, de Wet bodembescherming en de nieuwe Drinkwaterwet.

  • Het verbreden van het normstellingkader voor het bodem- en watersysteem met normen ten aan zien van ecosysteemdiensten (zoals watervasthoudend en zelfreinigend vermogen van de bodem, waterzuivering en natuurlijke plaagregulatie).

  • Het stellen van kaders om landbouwactiviteiten binnen milieurandvoorwaarden te laten plaats vinden, die onder meer zijn opgenomen in de Europese Richtlijn duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen en de Nitraatrichtlijn, en zijn uitgewerkt in algemene regels voor agrarische bedrijven (zoals het Activiteitenbesluit).

  • De op- en bijstelling van wet- en regelgeving op het gebied van afval en productenbeleid op met name Europees niveau.

  • Het verder sturen van de hoogwaardigheid van afvalverwerking door de in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) opgenomen minimumstandaarden.

  • Het scheppen van kaders voor het duurzaam gebruik van biomassa door bij te dragen aan de ontwikkeling van duurzaamheidscriteria.

  • Het actualiseren van criteria voor duurzaam inkopen door de overheid.

  • Het verder bevorderen van de markt voor duurzame producten en activiteiten door belemmeringen in bestaande regels weg te nemen en administratieve lasten te verlagen.

  • Het ontwikkelen van economisch instrumentarium, opdat bedrijven hun duurzame producten en diensten concurrerender in de markt kunnen zetten, zoals financieringsinstrumenten om de waarde van biodiversiteit en natuurlijk kapitaal tot uitdrukking te brengen in het economisch verkeer.

  • Het coördineren van beleid in Europees en mondiaal verband om het internationale level playing field voor duurzaamheid te versterken.

  • Het voortzetten van de nauwe samenwerking met BZ bij de uitvoering van de afspraken die tijdens de wereldtop over duurzaamheid van juni 2012 zijn gemaakt. Hierbij is de Staatssecretaris van BZ verantwoordelijk voor internationale duurzaamheid en daarmee het uitvoering geven aan de internationale afspraken die tijdens Rio+20 zijn gemaakt. IenM werkt nationaal aan deze afspraken.

Stimuleren

Voor het bereiken van haar doelstellingen geeft de Minister van IenM ruimte aan de energie en de duurzame initiatieven die in de samenleving aanwezig zijn en ondersteunt zij deze waar mogelijk. Dit komt onder meer tot uitdrukking in:

  • Het bieden van meer transparantie en vergelijkingsmogelijkheden, opdat duurzaamheid steeds meer onderdeel kan uitmaken van ieders afwegingen en besluiten.

  • Het duidelijk maken van met name de milieuaspecten van duurzame ontwikkeling in eenvoudige afwegingskaders.

  • Het stimuleren van de markt voor duurzame producten en diensten door beïnvloeding van de consumentenvraag en via de inkoopkracht van het Rijk zelf.

  • Samenwerking met andere organisaties die begrippen als «duurzaam consumeren» en «maatschappelijk verantwoord ondernemen» concreet maken voor (kleine) bedrijven en burgers.

  • Het verduurzamen van het overheidsbeleid door coördinatie van de uitvoering van de Duurzaamheidsagenda.

  • De verduurzaming van productketens; bedrijven worden gestimuleerd en gefaciliteerd om slimmer om te gaan met grondstoffen, kringlopen verder te sluiten en meer waarde uit afval te halen.

  • Het betrekken van het bedrijfsleven bij de Europese en mondiale beleidsvorming voor de verdere verduurzaming van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

  • Het stimuleren van ketenpartijen om duurzaamheidscriteria te hanteren.

  • Het stimuleren van een duurzaam gebruik van het bodem- en watersysteem door andere overheden actief bodembeheer te laten oppakken, via experimenten voor duurzaam stortbeheer en via diverse tools met concrete handelingsperspectieven, zoals voor het gebruik van ecosysteemdiensten.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Kengetallen en indicatoren

Wat betreft de duurzaamheid van de Nederlandse samenleving in algemene zin zijn kengetallen te vinden op de website van het CBS. Het CBS heeft de in februari 2013 de indicatoren en de visualisaties in de Monitor Duurzaam Nederland op haar website geactualiseerd. Medio 2014 zullen het CBS en de drie planbureaus samen een nieuwe Monitor Duurzaam Nederland uitbrengen met actuele cijfers en enkele verkenningen. Wat betreft specifieke duurzaamheidsdoelstellingen laat onderstaande grafiek kengetallen zien voor de hoogwaardigheid van afvalverwerking.

Ontwikkelingen in aanbod en toepassing van afval

Ontwikkelingen in aanbod en toepassing van afval

Bron: Landelijk Afvalbeheerplan en RWS Leefomgeving

Toelichting

In maart 2010 is het gewijzigde Landelijk Afvalbeheerplan 2009–2021 van kracht geworden. In dat plan zijn kwantitatieve en kwalitatieve doelen geformuleerd. De indicatoren in bovenstaande grafiek zijn gekoppeld aan de kwantitatieve doelen voor 2015 en 2021 (punten bij 2015 en 2012).

  • De lijn «Afvalaanbod volgens BBP 1985–2000» geeft aan wat het afvalaanbod in de periode 1985–2000 zou zijn geweest als het afvalaanbod in die periode dezelfde groei als het BBP had gevolgd.

  • De lijn «Afvalaanbod prognose 2000–2012» geeft aan hoe in het eerste LAP werd voorzien dat het afvalaanbod zich zou ontwikkelen volgens een toen opgesteld beleidsscenario.

  • De lijn «Afvalaanbod prognose 2006–2021» geeft aan hoe in het tweede LAP wordt voorzien dat het afvalaanbod zich zal ontwikkelen volgens het beleidsscenario.

In 2000 en 2006 zijn breuken te zien in de afvalaanbodlijnen. Dat komt omdat in die jaren nieuwe scenario’s en prognoses in het eerste en tweede LAP zijn opgesteld, waarbij toen als starthoeveelheid het werkelijke afvalaanbod in dat jaar werd genomen. Daarom beginnen de afvalaanbodlijnen in 2000 en 2006 op de hoeveelheden van de lijnen «Werkelijke afvalhoeveelheid». Het verschil tussen de drie afvalaanbodlijnen en de lijn «Werkelijke afvalhoeveelheid» geeft aan hoeveel preventie is bereikt. Verder is in de grafiek te zien hoeveel afval nuttig is toegepast (recycling + inzet van afval als brandstof), is verbrand als vorm van verwijdering en is gestort.

Er zijn in het LAP, en dus bij dit kengetal, alleen (tussen)doelen voor 2015 en 2021 geformuleerd. Dat komt met name vanwege de verschillende looptijden tussen het treffen van maatregelen en het effect daarvan.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

De wijziging van het Landelijk Afvalbeheer Plan (LAP), dat tot doel heeft verder te sturen op hoogwaardigheid van afvalverwerking, is in 2013 nog niet in inspraak gebracht. De indicator die gebruikt is, is gebaseerd op kengetallen voor de hoogwaardigheid van afvalverwerking. De ontwikkeling van deze kengetallen is in lijn met de weergegeven doelstellingen. Zo is de hoeveelheid afval die nuttig is toegepast verder toegenomen. Hiermee is de doelstelling van 2015 reeds bijna gehaald.

Verder is in 2013 ingezet op het vormgeven van het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) als onderdeel van de groene groei. Hierover is de Tweede Kamer per brief van 20 juni 2013 (Kamerstukken II, 2012/13, 33 043, nr. 15) geïnformeerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

21

Duurzaamheid

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

8.880

19.754

– 10.874

1

Uitgaven

     

11.596

44.601

– 33.005

 

21.01

Afval en duurzaamheidagenda

   

6.045

35.134

– 29.089

 

21.01.01

Opdrachten

   

1.762

9.022

– 7.260

 
 

– Uitvoering AgNL

   

0

6.427

– 6.427

2

 

– Overige opdrachten

   

1.762

2.595

– 833

 

21.01.02

Subsidies

   

1.393

26.112

– 24.719

 
 

– Afvalfonds

   

1.393

25.592

– 24.199

3

 

– Overige subsidies

   

0

520

– 520

 

21.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

2.890

0

2.890

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

2.890

0

2.890

4

21.02

Preventie en milieugebruiksruimte

   

2.839

2.751

88

 

21.02.01

Opdrachten

   

2.469

2.751

– 282

 

21.02.03

Bijdrage aan agentschappen

   

370

0

370

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

370

0

370

5

21.03

Ecosystemen en landbouw

   

2.712

6.716

– 4.004

 

21.03.01

Opdrachten

   

1.274

4.253

– 2.979

6

21.03.02

Subsidies

   

934

100

834

7

21.03.03

Bijdrage aan agentschappen

   

504

0

504

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

504

0

504

8

21.03.04

Bijdrage aan medeoverheden

   

0

2.363

– 2.363

9

 

Ontvangsten

   

125

0

125

 

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Het verschil in de verplichtingen wordt voor een deel verklaard door diverse verlagingen van het verplichtingenbudget. Het betreffen onder andere verlagingen in verband met de overdracht van taken van AgentschapNL naar de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) met betrekking tot de uitvoering van de Europese Verordening Overbrengen Afvalstoffen (EVOA), de overheveling van middelen naar het Ministerie van Economische Zaken voor het IenM-aandeel Investeringsbudget Landelijk gebied (ILG) jaren 2012 en 2013 en tenslotte de opdrachtverlening aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne en AgentschapNL voor de uitvoering van werkzaamheden in 2014. Tegenover deze verlagingen staat een verhoging van het verplichtingenbudget voor de dekking van de investeringen (afvalbeheer) in Caribisch Nederland. Met deze mutaties is het verplichtingenbudget per saldo uitgekomen op € 12,1 miljoen en resteert een onderuitputting van € 3,3 miljoen. Deze onderuitputting komt doordat een geplande overboeking aan het ILT in verband met EVOA werkzaamheden niet in 2013 is gerealiseerd en omdat in 2013 nog geen verplichtingen voor de investeringen in Caribisch Nederland zijn aangegaan.

21.01 Afval en duurzaamheidsagenda
21.01.01 Opdrachten (ad 2)

In 2013 zijn op dit financiële instrument geen betalingen aan AgentschapNL gedaan omdat de afvaltaken die door AgentschapNL werden uitgevoerd bij 1e suppletoire begroting 2013 aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en Rijkswaterstaat Unit Leefomgeving zijn overgedragen (zie aldaar).

De opdracht voor de uitvoering van de wettelijke taken op het gebied van de landbouw en op het gebied van de afvalverwijdering zijn verstrekt. Daarnaast zijn verschillende opdrachten verstrekt voor onder andere duurzaamheidscriteria en voor de actualisatie van duurzaam inkopen (onder andere Voorlichtingscampagne Duurzaam Inkopen en stimulering in het Middelbaar Beroepsonderwijs, MBO).

21.01.02 Subsidies (ad 3)

Bij Miljoenennota 2014 is het budget ten behoeve van het Afvalfonds met circa € 25 miljoen verlaagd. Dit was mogelijk omdat door het Afvalfonds was aangegeven dat het totaal toegezegde bedrag niet volledig zou worden besteed en dat het in 2013 geraamde bedrag niet betaald hoefde te worden. De vrijvallende middelen zijn ingezet voor het oplossen van IenM-brede budgettaire problemen. Door het Afvalfonds wordt gewerkt aan het afronden van de laatste verplichtingen, waarna afwikkeling kan plaatsvinden.

De subsidies voor voorlichting aan burgers over duurzame handelingsperspectieven en ondersteuning van bedrijven bij verduurzaming van hun productieprocessen, zijn verstrekt.

21.01.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 4)

Rijkswaterstaat, Unit Leefomgeving voert in opdracht van het Ministerie van IenM werkzaamheden uit. De benodigde middelen zijn binnen de budgettaire ruimte van dit artikel bij Miljoenennota 2014 (vanuit 21.01.01 Opdrachten en 21.02.03 Ecosystemen en Landbouw), overgeheveld en zijn als agentschapsbijdrage in 2013 beschikbaar gesteld. Deze middelen zijn bestemd voor de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving).

21.02 Preventie en milieugebruiksruimte
21.02.01 Opdrachten

De wettelijke opdrachten op het gebied van de kwaliteit van de milieugebruiksruimte zijn verstrekt. Het betreffen werkzaamheden op het gebied van de Commissie van Deskundigen Drinkwaterwet, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en voor de coördinatie van normalisatie- en certificeringwerkzaamheden.

21.02.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 5)

Rijkswaterstaat, Unit Leefomgeving voert in opdracht van het Ministerie van IenM werkzaamheden uit. De benodigde middelen zijn binnen de budgettaire ruimte van dit artikel bij Miljoenennota 2014 (vanuit 21.01.01 Opdrachten en 21.02.03 Ecosystemen en Landbouw), overgeheveld en zijn als agentschapsbijdrage in 2013 beschikbaar gesteld. Deze middelen zijn bestemd voor de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving).

21.03 Ecosystemen en landbouw
21.03.01 Opdrachten (ad 6)

Het verschil wordt met name verklaard door verlagingen van het budget in verband met de interne overheveling naar 21.01.03 en 21.03.03 ten behoeve van de bijdrage aan Rijkswaterstaat, Unit Leefomgeving en een overheveling naar artikel 19, ten behoeve van een opdracht aan het RIVM voor de Digitale Atlas Natuurlijk Kapitaal (DANK).

Daarnaast zijn opdrachten verstrekt voor de ontwikkeling van criteria voor duurzaamheid (onder andere biomassa, waardering van ecosystemen) en op het gebied van de landbouw (onder andere inventarisatie onkruidbestrijding en resistentie onderzoek).

21.03.02 Subsidies (ad 7)

Het betreft hier de laatste fase van de meerjarige subsidie aan de Stichting Landwaard. Daarnaast werden subsidies verstrekt aan de Commissie Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en het Energieonderzoek Centrum Nederland voor de uitvoering van een onderzoeksprogramma. Deze subsidies waren in de begroting 2013 niet voorzien en verklaren het verschil.

21.03.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 8)

Rijkswaterstaat, Unit Leefomgeving voert in opdracht van het Ministerie van IenM werkzaamheden uit. De benodigde middelen zijn vanuit het budget voor de opdrachten binnen artikelonderdeel 21.03.01 opdrachten bij Miljoenennota 2014 overgeheveld en zijn als agentschapsbijdrage in 2013 beschikbaar gesteld. Deze middelen zijn bestemd voor de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving).

21.03.04 Bijdrage aan medeoverheden (ad 9)

In 2013 heeft de laatste betaling aan medeoverheden voor de uitvoering van Investeringsbudget Landelijk gebied (ILG) plaatsgevonden. Doordat deze middelen via het Ministerie van Economische Zaken aan de medeoverheden ter beschikking worden gesteld, heeft er op de begroting van IenM geen realisatie plaatsgevonden. De uitgaven zijn terug te vinden op de begroting van EZ.

21.09 Ontvangsten

Het betreft de ontvangen bijdrage van AgentschapNL/Economische Voorlichtingsdienst voor het project kennisuitwisseling milieuvervuiling door vee met het Chinese Ministerie van Milieu.

Artikel 22 Externe veiligheid en risico’s

Algemene doelstelling

Mens en milieu beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte milieu- en gezondheidsrisico’s.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de integrale kaderstelling rond activiteiten die risico’s kunnen veroorzaken voor het milieu en de gezondheid van de mens. Deze regisserende rol komt naar voren in:

  • De normstelling waaraan bedrijven en overheden zich bij de uitoefening van hun activiteiten moeten houden.

  • De vastlegging van het beschermingsniveau op (pan-)Europees of internationale niveau. Deze afspraken worden zonder «nationale kop» geïmplementeerd, waardoor een level playing field bereikt wordt. De veiligheid van mens en milieu bij handelingen met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) en de ontwikkeling en implementatie van regelgeving op het gebied van chemische stoffen (REACH) en het transport van gevaarlijke stoffen (water, rail, weg en buisleidingen) zijn voorbeelden waarbij dit in de vorm van wet- en regelgeving gebeurt.

    • Voor deze dossiers geldt dat Nederland een actieve bijdrage levert aan de Europese processen die leiden tot verdere verbetering van deze Europese regels.

    • Waar Europese regels ontbreken, maar specifieke omstandigheden in Nederland het stellen van regels noodzakelijk maakt, het in dialoog met stakeholders zoeken naar een optimum tussen de te bereiken doelen (en dus baten in termen van milieu en gezondheidswinst) en de lasten die deze regels veroorzaken. Dit is onder meer aan de orde bij het wetsvoorstel «Basisnet» waarmee een balans wordt gezocht tussen de belangen van vervoer, ruimte en veiligheid.

  • De reductie van administratieve lasten voor bedrijven door de vereenvoudiging van de bestaande wet- en regelgeving. Het Activiteitenbesluit is hiervan het belangrijkste voorbeeld. Dit besluit is er onder meer op gericht de vergunningplicht te vervangen door algemene regels. Reductie van de regeldruk wordt ook nagestreefd door een betere kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. De vorming van Regionale Uitvoeringsdiensten is hierbij van belang.

    • Het verlenen van vergunningen met als doel bescherming van mens en milieu voor activiteiten met GGO’s, bijvoorbeeld in geval van gentherapie proeven bij patiënten of veldproeven met genetisch gemodificeerde aardappelen. Het verlenen van vergunningen voor defensie inrichtingen waarvoor een strikt geheimhoudingsregime geldt. Hetzelfde geldt voor een beperkt aantal bedrijven (vooralsnog twee) met een verhoogd risico voor de externe veiligheid op de eilanden van Caribisch Nederland.

Stimuleren

Het is primair de verantwoordelijkheid van bedrijven die risico’s voor mens en milieu veroorzaken om deze risico’s te identificeren en deze te voorkomen of te beperken. Dit geldt ook voor overheden die – bijvoorbeeld in de ruimtelijke ordening – keuzen maken die invloed hebben op veiligheid en risico’s. De Minister stimuleert:

  • Het dragen van en het invulling geven aan de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en overheden onder andere door openheid te geven ten aanzien van feitelijke risico’s. Het ontwikkelen van de Risicokaart (in overleg met het Ministerie van VenJ) en de Atlas Leefomgeving zijn hiervan voorbeelden. Op basis van deze informatie kunnen burgers nagaan hoe het is gesteld met de kwaliteit van hun directe leefomgeving.

  • Het in beeld brengen van bestaande of nieuwe risicosituaties en het vermijden of beperken hiervan. Dit geschiedt door inventarisaties van deze risico’s, zoals bijvoorbeeld gebeurt bij asbest in scholen en met betrekking tot de kwaliteit van het binnenklimaat in woningen, door het in beeld brengen van de risico’s van nieuwe technologieën zoals nanotechnologie en door het ontwikkelen van beleid ten aanzien van onzekere risico’s zoals elektromagnetische velden.

  • Het nemen van maatregelen ter bescherming van mens en maatschappij tegen moedwillige verstoring van onderdelen van de vitale infrastructuur door te bevorderen dat de risico’s op moedwillige verstoring (bijvoorbeeld terroristische aanslagen) worden geïdentificeerd en waar mogelijk beperkt. Het betreft hier onder andere chemische bedrijven en buisleidingen.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Kengetallen en indicatoren

Zoals in de begroting 2013 aangekondigd, heeft het RIVM onderzocht of er kengetallen te construeren zijn die een representatief beeld geven van de milieu-impact van het stoffenbeleid specifiek voor de Nederlandse situatie. Hieruit blijkt dat een deel van deze gegevens al wordt meegenomen in de monitoring van de kwaliteit van lucht en water en dat aanvullende dataverzameling beperkt meerwaarde heeft bovenop de monitoring van REACH in Europees verband en te veel kosten met zich mee zou brengen in het geval van jaarlijkse monitoring. Daarom wordt er in de begroting en in dit jaarverslag geen aanvullend kengetal opgenomen.

Kengetallen REACH jaarverantwoording 2008 t/m 2013
   

2008

 

2009

 

2010

 

2011

 

2012

 

2013

 
   

NL inbreng

Hele EU*

NL inbreng

Hele EU

NL inbreng

Hele EU

NL inbreng

Hele EU

NL inbreng

Hele EU

NL inbreng

Hele EU

1

Beoordelingen ontwerpbesluiten ECHA t.a.v. registratiedossiers en testvoorstellen van Europese bedrijven

0

0

1

1

12

24

40

162

104

231

192

379

2

Door Nederland uitgevoerde en becommentarieerde stofevaluaties 1

4

nvt

0

nvt

8

nvt

14

nvt

20 (4)

34

22 (3)

46

3

Door Nederland ingediende en becommentarieerde RMO-analyses en informatieverzoeken 2

   

5 (4)

 

24 (4)

 

54 (29)

 

19 (6)

 

14 (5)

 

4

Door Nederland ingebrachte en becommentarieerde Annex XV dossiers t.a.v. zeer ernstige zorgstoffen 3

15 (1)

16

14 (1)

15

15 (4)

19

28

28

24 (5)

67

14 (3)

17

5

Door Nederland ingebrachte en becommentarieerde restrictiedossiers4

 

0

0

0

4

9

9

11

8

12

5 (1)

5

6

Door Nederlandse ingebrachte en becommentarieerde voorstellen voor geharmoniseerde classificatie & labelling 5

1 (1)

1

8 (3)

8

22 (5)

22

49 (7)

38

45 (4)

30

54 (6)

37

7

Behandelde vragen door de REACH helpdesk

3542

nvt

1510

nvt

992

nvt

528

nvt

320

nvt

393

nvt

* het aantal dossiers dat in de Europese Unie is ingebracht.

Bron: Jaarrapportage RIVM 2013

Toelichting

Ad 1) Onder stofevaluaties vallen ook de transitiedossiers van de vorige wetgeving voor nieuwe stoffen (67/548EEG) en bestaande stoffen (793/93/EG), de zogenaamde Notification Of New Substances (ONS) dossiers en Persistant Bioaccumulative and Toxic (PBT)-dossiers. In 2012 is het proces van stofevaluaties van start gegaan (het getal tussen haakjes geeft aan hoeveel stofevaluaties door Nederland zijn uitgevoerd). In 2012 zijn 2 en in 2013 is 1 stofevaluatie op het conto van IenM uitgevoerd. Na de stofevaluatie volgt nog follow-up van de stofevaluaties (van 2012 en 2013). In deze rij is niet verwerkt het werk met betrekking tot de screening om tot de selectie te komen voor de kandidaten voor stofevaluaties in de komende jaren.

Ad 2) Met tussen haakjes de door Nederland ingediende Risk Management Options (RMO)-analyses.

Ad 3) Nederland heeft, naast de zelf ingediende Substance of Very High Concern (SVHC) dossiers, op alle door andere lidstaten en Eurpopean Chemicals Agency (ECHA) ingediende SVHC dossiers commentaar geleverd, behalve de 38 SVHC stoffen die ECHA namens de Commissie heeft ingediend in 2012. De getallen tussen haakjes geven het aantal Nederlandse dossiers weer.

Ad 4) Met tussen haakjes het door Nederland ingediende restrictiedossier.

Ad 5) In de tabel is het totale aantal door Nederland ingediende dan wel becommentarieerde Classification and Labelling Harmonisation (CLH) stoffen opgenomen. 80% van deze dossiers is gerealiseerd. Onder de becommentariëring valt zowel reacties op publieke consultatie als ontwerp opinies van het Committee for Risc Assessment (RAC), welke volgtijdelijk voor hetzelfde dossier ingediend kunnen worden. Dit verklaart het hogere getal in de kolom «NL inbreng» in relatie tot de kolom «Hele EU», alwaar het totaal aantal dossiers is opgenomen. Tussen haakjes is het aantal door Nederland ingediende dossiers weergegeven.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. Er zijn geen grote beleidsmatige afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen. Budgettair is van belang dat in 2013 een schadevergoeding is verstrekt aan de provincie Limburg (inzake Componenta B.V.) en een toezegging is gedaan aan onder andere de gemeente Roosendaal ten behoeve van Basisnet.

In 2013 heeft het landelijke netwerk van regionale uitvoeringsdiensten (RUD’s) vorm gekregen. Daarmee is een randvoorwaarde voor betere uitvoering van de vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) door de overheid vervuld. Het wetsvoorstel VTH-taken voorziet in kwaliteitscriteria, uniforme interventiestrategieën en optimale informatie-uitwisseling. Alle RUD’s zijn per 1 januari 2014 opgericht dan wel operationeel geworden.

Samen met de andere betrokken departementen werd in 2013 aandacht gegeven voor de problemen met betrekking tot asbest. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft een onderzoek uitgevoerd naar de wijze waarop scholen met asbest omgaan, dit heeft ertoe geleid dat veel scholen hun actuele asbestsituatie hebben doorgegeven voor de Atlas Leefomgeving. In 2013 zijn de provinciale regelingen voor de sanering van asbestdaken en zonnepanelen van start gegaan.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

22

Externe veiligheid en risico's

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

34.184

12.122

22.062

1

Uitgaven

   

29.451

17.233

12.218

 

22.01

Veiligheid chemische stoffen

   

12.470

4.136

8.334

 

22.01.01

Opdrachten

   

6.510

3.736

2.774

2

22.01.02

Subsidies

   

4.882

0

4.882

3

22.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

779

0

779

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

779

0

779

4

22.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

   

299

400

– 101

 

22.02

Veiligheid GGO's

   

1.877

2.708

– 831

 

22.02.01

Opdrachten

   

1.779

2.608

– 829

 

22.02.05

Bijdragen aan internationale organisaties

   

98

100

– 2

 

22.03

Externe veiligheid inrichtingen en transport

   

15.104

10.389

4.715

 

22.03.01

Opdrachten

   

4.601

6.057

– 1.456

 

22.03.02

Subsidies

   

4.160

2.000

2.160

5

22.03.03

Bijdrage aan agentschappen

   

2.438

486

1.952

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

2.438

486

1.952

6

22.03.04

Bijdragen aan medeoverheden

   

3.870

1.746

2.124

7

 

– Bijdragen asbestsanering

   

570

0

570

 
 

– Bijdragen programma EV

   

0

3

– 3

 
 

– Overige bijdragen

   

3.300

1.743

1.557

 

22.03.05

Bijdragen aan internationale organisaties

   

35

100

– 65

 
 

Ontvangsten

   

16.919

0

16.919

8

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Het verschil in de verplichtingen wordt verklaard door diverse verhogingen van het verplichtingenbudget die bij Miljoenennota 2014 en bij 2e suppletoire begroting 2013 zijn verantwoord. Het betreffen onder andere verhogingen ten behoeve van het EU-project A Common Aproach to the Regulatory Testing of Nanomaterials (NANoREG) (€ 10,2 miljoen), het herstellen van het evenwicht in de meerjarige verplichtingen- en uitgavenreeksen (€ 11,6 miljoen), de Rijkswaterstaat-opdracht inzake Monitoring basisnetten weg en water (€ 1,2 miljoen) en de toekenning van een schadevergoeding aan de provincie Limburg (€ 3,3 miljoen).

22.01 Veiligheid chemische stoffen
22.01.01 Opdrachten (ad 2)

Bij Miljoenennota 2014 is het kasbudget opgehoogd om te kunnen voldoen aan lopende verplichtingen. De middelen zijn voortgekomen uit een IenM-brede herschikking, tevens zijn in dit kader ook middelen uit latere jaren naar voren gehaald. Het gaat hier onder andere om opdrachten op het gebied van uitvoering NANoREG, binnenmilieu scholen en elektromagnetische velden.

Opdrachten in het kader van het stoffenbeleid, het Landelijk Asbest Volg Systeem (LAVS) en aan de Gezondheidsraad (adviezen) zijn verstrekt ter uitvoering van wettelijke taken. Verder wordt onder meer de meerjarige opdracht voor de het onderzoekprogramma elektromagnetische velden (EMV) uitgevoerd.

22.01.02 Subsidies (ad 3)

Het verschil wordt verklaard door de uitgaven aan het RIVM voor het EU-project NANoREG. Deze uitgaven zijn mogelijk gemaakt door een ontvangst van de Europese Commissie en stonden daarom niet geraamd in de begroting.

22.01.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 4)

Rijkswaterstaat, Unit Leefomgeving voert in opdracht van IenM werkzaamheden uit. De benodigde middelen zijn binnen het artikelonderdeel 22.01 bij Miljoenennota 2014 vanuit het budget voor de Opdrachten overgeheveld naar de Bijdrage agentschappen. De middelen zijn bestemd voor onder meer de uitvoering van het beleidsonderwerp asbest door Infomil.

22.01.05 Bijdrage aan internationale organisaties

In het kader van het mondiale stoffenbeleid zijn, voor de jaarlijkse verplichtingen die samenhangen met de Internationale Strategie Chemie en diverse verdragsverplichtingen (Verdrag van Stockholm, Verdrag van Rotterdam), bijdragen toegekend.

22.02 Veiligheid GGO’s
22.02.01 Opdrachten

De jaarlijkse opdracht aan de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) is verstrekt. Het gaat dan over beoordelingen/monitoring van risico’s verbonden aan werkzaamheden met GGO’s en vergunningverlening.

22.02.05 Bijdrage aan internationale organisaties

In het kader van het Biosafety Protocol zijn bijdragen toegekend voor de ratificatie en implementatie van het supplementair protocol aansprakelijkheid en verhaal van GGO’s.

22.03 Externe veiligheid inrichtingen en transport
22.03.01 Opdrachten

De opdrachten betreffen de BRIKS (Bouwen, Reclame, Inrit, Kap en Sloop) -vergunningverlening (ook voor defensie-inrichtingen), de CIV (Centrale Informatievoorziening van RWS)-tellingen in het kader van het vervoer gevaarlijke stoffen en het ontwikkelen en onderhouden van de rekenmethoden en modellen ten behoeve van basisnetten en buisleidingen.

22.03.02 Subsidies (ad 5)

Het verschil betreft hoofdzakelijk de verhoging van het kasbudget ten behoeve van het honoreren van aanvragen in het kader van de Regeling Tegemoetkoming Niet-loondienst gerelateerde Slachtoffers van mesothelioom (TNS-regeling). Deze verhoging is binnen de budgettaire ruimte van dit artikel gecompenseerd.

22.03.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 6)

Rijkswaterstaat, Unit Leefomgeving voert in opdracht van IenM werkzaamheden uit. De benodigde middelen zijn binnen het artikelonderdeel 22.03 bij Miljoenennota 2014 vanuit het budget voor Opdrachten overgeheveld naar de Bijdrage aan agentschappen. De middelen zijn bestemd voor de ondersteuning bij de uitvoering van de beleidsonderwerpen vervoer gevaarlijke stoffen en basisnetten en voor de kennisoverdracht door Infomil op de beleidsonderwerpen veiligheid inrichtingen, VTH-stelsel en Activiteitenbesluit.

22.03.04 Bijdrage aan medeoverheden (ad 7)

De hogere realisatie van de uitgaven betreft de afrekening met de Dienst Landelijk Gebied voor de uitvoering van het project 3e fase sanering asbestwegen en de betaling aan de provincie Limburg van € 3,3 miljoen voor het uitkeren van een schadevergoeding in het kader van de Wet milieubeheer. Zoals bij 2e suppletoire begroting 2013 is toegelicht wordt de overschrijding van het kasbudget vanuit onderschrijdingen binnen dit artikel gecompenseerd. Daarnaast is in het kader van de Wet milieubeheer een schadevergoeding uitbetaald en is bij slotwet 2013 € 5 miljoen overgeheveld naar het Gemeentefonds in verband met de toegekende bijdrage beheersing veiligheidrisico’s bij het tracé Roosendaal-Moerdijk; dit naar aanleiding van een toezegging van de Staatssecretaris aan de Eerste Kamer.

22.03.05 Bijdrage aan internationale organisaties

Een bijdrage (contributie) is verstrekt aan de OECD voor het Chemical accidents Programme.

Ontvangsten (ad 8)

De ontvangsten betreffen onder andere de bedragen die de Europese Commissie voor het Europese Unie-project NANoREG ter beschikking heeft gesteld en de middelen die de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit artikel heeft gestort (ten behoeve van IenM-brede herschikking).

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

Algemene doelstelling

Het KNMI garandeert als onafhankelijke autoriteit aan Nederland de best beschikbare informatie op het gebied van meteorologie en seismologie als bijdrage aan de veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van Nederland, inclusief de openbare lichamen Saba, Sint Eustatius en Bonaire.

Financieren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het faciliteren van een internationaal systeem van organisaties waarin Nederland vertegenwoordigd wordt door het KNMI. Dit doet zij door haar rol van financier in de vorm van bijdragen en contributies. Met name te noemen zijn EUMETSAT44, ECMWF45, IPCC46 en WMO47.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van het agentschap KNMI zoals vastgelegd in de Wet op het KNMI (2002). De rol «(doen) uitvoeren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • Het beschikbaar maken, houden en stellen van een algemeen weerbericht voor de Nederlandse samenleving.

  • Het beschikbaar maken, houden en stellen van KNMI-gegevens.

  • Het beschikbaar maken, houden en stellen van luchtvaartmeteorologische inlichtingen.

  • Het verrichten van meteorologisch en seismologisch onderzoek.

  • Het adviseren van de Minister op het terrein van de meteorologie en andere geofysische terreinen.

  • Het onderhouden van de nationale infrastructuur voor de meteorologie en andere geofysische terreinen.

  • Het ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba beschikbaar maken, houden en stellen van luchtvaartmeteorologische inlichtingen.

  • Andere door de Minister aangewezen taken ten aanzien van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op het terrein van de meteorologie en andere geofysische terreinen.

De Minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het Kernstopverdrag en de Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het kader van de Mijnbouwwet. De rol «uitvoeren» heeft voor beide wetten betrekking op het monitoren (verrichten van waarnemingen) en doen van onderzoek.

Indicatoren en kengetallen

Indicatoren
 

Realisatie

Begroot

Realisatie

 
 

2009

2010

2011

2012

2013

2013

 

Algemene weersverwachtingen en adviezen

             

– afwijking min.temperatuur (°C)

– 0,28

– 0,24

– 0,06

– 0,17

ABS (<0,5)

– 0,01

 

– afwijking max.temperatuur (°C)

– 0,34

– 0,21

– 0,33

– 0,37

ABS (<0,5)

– 0,25

 

– gemiddelde afwijking windsnelheid (m/s)

0,18

0,04

– 0,03

– 0,06

ABS (<1,0)

0,26

1

Maritieme verwachtingen

             

– tijdigheid marifoonbericht (%)

98,4

99,3

99

98,6

> 99

99,3

 

Gereviewde publicaties

89

120

97

103

> 80

105

 

Kengetallen

             

Aantal uitgegeven weeralarmen

3

4

0

1

2

2

Percentage tijdige beschikbaarheid van de meteorologische producten (Bron: EUMETSAT)

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5

>98,5%

3

Bron: KNMI

Toelichting

Ad 1) In verband met een technische storing van het opslagsysteem voor de windverwachtingen zijn de maanden juli en augustus niet meegenomen in de berekening van de gemiddelde afwijking voor de windsnelheid.

Ad 2) Op maandag 28 oktober 2013 en op donderdag 5 december 2013 is een Weeralarm uitgegeven, beide in verband met zeer zware windstoten.

Het Weeralarm van 28 oktober voor zware tot zeer zware windstoten in de provincies Noord-Holland, Friesland, Groningen, Utrecht en Flevoland op 28 oktober is terecht en op tijd uitgegeven. Naar mening van maatschappelijke organisaties belast met de zorg voor veiligheid en mobiliteit heeft het Weeralarm bijgedragen aan het voorkomen van schade en letsel.

De evaluatie van het Weeralarm van 5 december is nog niet afgerond.

Ad 3) Dit betreft de realisatie in de periode januari tot en met juni 2013.

Beleidsconclusies

Qua uitvoering en resultaten van het beleid zijn geen bijzonderheden te melden. Tevens zijn er geen grote afwijkingen aan het licht gekomen.

Naar aanleiding van een evaluatie van de wet op het KNMI is in 2013 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met daarin een voorstel ter vervanging van deze wet door een nieuwe wet voor meteorologie en seismologie (Kamerstukken II, 2012/13, 32 379, nr 8). Dat het KNMI uitvoering geeft aan deze taken wordt verankerd in een ministeriële regeling. Deze wijziging is echter formeel nog niet van kracht daar deze nog in de Tweede Kamer behandeld moet worden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

42.042

47.046

– 5.004

1)

Uitgaven

   

43.001

46.310

– 3.309

 

23.01

Meteorologie en seismologie

   

26.911

30.396

– 3.485

 

23.01.03

Bijdrage aan het agentschap KNMI

   

25.952

29.660

– 3.708

 
 

– Meteorologie

   

24.363

28.118

– 3.755

2)

 

– Seismologie

   

1.589

1.542

47

 

23.01.04

Bijdrage aan internationale organisatie

   

959

736

223

 
 

– Contributie WMO (HGIS)

   

959

736

223

 

23.02

Aardobservatie

   

16.090

15.914

176

 

23.02.03

Bijdrage aan het agentschap KNMI

   

16.090

15.914

176

 
 

– Aardobservatie

   

16.090

15.914

176

 
 

Ontvangsten

   

0

0

0

 

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De lagere realisatie op de verplichtingen staat voor een groot deel in relatie met de mutaties op de uitgavenbegroting. Voor een kleiner deel is dit het gevolg van een in 2013 aangebrachte negatieve bijstelling op een in 2012 vastgelegde betalingsverplichting.

23.01 Meteorologie en seismologie
23.01.01 Bijdrage aan het agentschap

Meteorologie (ad 2)

De lagere realisatie wordt voornamelijk veroorzaakt door invoering van het profijtbeginsel. Hierdoor zijn de uitgaven met € 5 miljoen verlaagd. Door loonbijstelling, prijsbijstelling en een eenmalige bijdrage aan projectkosten van het KNMI zijn de uitgaven verhoogd met circa € 1,2 miljoen.

  • Reguliere uitgifte van een algemeen weerbericht en van waarschuwingen voor gevaarlijk weer (code geel, code oranje en weeralarm);

  • Publieke doelgroepspecifieke weerdiensten op het gebied van met name mobiliteit, waterbeheer, milieubeheer, calamiteitenbeheersing, defensie en gezondheid;

  • Terbeschikkingstelling van de meteorologische basisdata van het nationale meteorologische meetnet en de nationale meteorologische modelinfrastructuur, op basis van een open databeleid;

  • Terbeschikkingstelling van data, informatie en kennis over het huidige klimaat;

  • Het leveren van projecties over het toekomstige klimaat (klimaatscenario’s);

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek en het geven van beleidsadviezen op het gebied van de meteorologie;

  • Internationale vertegenwoordigingen op het gebied van de meteorologie (met name WMO, EUMETSAT en ECMWF);

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij op het gebied van meteorologische verschijnselen;

Seismologie

  • Continue monitoring van natuurlijke en geïnduceerde seismiciteit in Nederland;

  • Verrichten van strategisch en toegepast onderzoek en het geven van beleidsadviezen op het gebied van de seismologie;

  • Beantwoorden van vragen vanuit de maatschappij op het gebied van aardbevingen en tsunami’s;

  • Verrichten van waarnemingen en onderzoek ten behoeve van het kernstopverdrag (CTBT).

23.01.02 Bijdragen aan internationale organisatie

Contributie WMO

De beschikbare middelen worden gebruikt om de Nederlandse contributie aan het WMO te voldoen. Deelname aan de activiteiten van het WMO wordt gefinancierd uit HGIS. Door de gestegen koers van de Zwitserse Frank is deze hoger dan begroot.

23.02 Aardobservatie

Het KNMI levert voor de bijdrage aan het agentschap in de hieronder weergegeven productgroep aardobservatie het volgende product.

Bijdrage aan het agentschap: aardobservatie

Het verzorgen van de waarnemingen vanuit polaire en geostationaire weersatellieten in Europees verband (EUMETSAT).

Artikel 24 Handhaving en toezicht

Algemene doelstelling

Het stimuleren en bewaken van veilige vervoer- en watersystemen en een duurzame leefomgeving.

Financieren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving in het transport en de leefomgeving. De Minister van EZ is belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van kernenergie, de verantwoordelijkheid voor de Kernenergiewet en de aansturing van de Kernfysische Dienst. De Minister van BZK heeft een medeverantwoordelijkheid inzake wonen en bouwen. De Minister heeft een nationale coördinatie- c.q. verantwoordingsverplichting richting de EU ten aanzien van internationale milieuregelgeving.

De taak van de Inspectie Leefomgeving en Transport is er voor te zorgen dat bedrijven, organisaties en overheidsinstanties (de ondertoezichtstaanden) de wet- en regelgeving op het terrein van duurzame leefomgeving en de fysieke veiligheid naleven. Bij de totstandkoming van wet- en regelgeving beoogt de wetgever een door haar gewenst niveau van veiligheid en duurzaamheid te bewerkstelligen. Daarbij worden de rechtsbeginselen van rechtvaardigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gehanteerd, met een oog voor de nalevingseisen die van de ondertoezichtstaanden worden gevraagd (administratieve lasten). Zij streeft samenwerking met andere overheidspartners na.

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van het agentschap ILT. De Minister van EZ is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken op het gebied van nucleaire zaken, de Minister van BZK is mede verantwoordelijk op het terrein van wonen en bouwen.

De rol uitvoeren heeft betrekking op:

  • Vergunningverlening;

  • Toezicht door middel van objectinspecties, administratie controles, audits, convenanten en digitale inspecties;

  • Incidentafhandeling en onderzoek.

Een uitgebreidere toelichting op de producten is te vinden in de agentschapsparagraaf van de inspectie.

Indicatoren en kengetallen

Indicatoren ILT – aantal vergunningen en inspecties 2013
 

administratieve controles

audits

convenanten

dititale inspecties

object inspecties

verleende vergunningen

reizigersklachten

 

planning

realisatie

planning

realisatie

planning

realisatie

planning

realisatie

planning

realisatie

planning

realisatie

planning

realisatie

Risicovolle bedrijven

335

535

155

313

7

1

0

0

805

922

170

179

   

Rail- en wegvervoer

1.185

1.157

425

220

59

54

5.000

1.153

18.775

20.416

1.566

2.844

   

Scheepvaart

100

14

73

51

35

6

0

0

4.763

4.971

7.400

8.991

   

Luchtvaart

0

0

329

319

30

15

0

0

1.005

1.069

15.000

5.352

3.000

2.600

Risicovolle stoffen en producten

1.335

1.225

28

47

0

0

0

0

3.855

3.089

3.010

2.705

   

Water, bodem en bouwen

330

2.869

2

0

3

0

0

0

5.905

4.145

25

31

   

Transport gevaarlijke stoffen

               

7.150

7.239

       

totaal

3.285

5.800

1.012

950

134

76

5.000

1.153

42.258

41.851

27.171

20.102

3.000

2.600

Bron: ILT

Toelichting

De geplande aantallen in bovenstaand overzicht kunnen op een aantal plaatsen licht afwijken van de aantallen in het Meerjarenplan ILT 2013–2017, het uitgebreidere uitvoeringsprogramma van de inspectie, dat enige maanden na de begroting 2013 is vastgesteld.

Het aantal administratie controles is over de hele linie conform planning uitgevoerd. Belangrijk daarbij is dat bij Water, bodem en bouwen door wijziging van taken ook het totaal geraamde controles, na vaststelling van de begroting, aanzienlijk is gewijzigd. Hierdoor was het geraamde aantal in de begroting vanaf begin 2013 niet meer volledig actueel cq. volledig. De controles bij scheepvaart vertonen een geflatteerd beeld, omdat in bovenstaande overzicht de controles bij gevaarlijke stoffen niet geheel zijn meegenomen.

Bij de audits is in totaal 95% gerealiseerd conform planning. Met name de audits bij het domein Rail- en wegvervoer bleven achter bij de planning. Omdat de audits bij de ondertoezichtstaanden in het wegvervoer op vrijwillige basis plaatsvinden en de bereidheid van de bedrijven (vooral in het taxivervoer) afnam, liep de productie hier sterk terug.

De realisatie van het aantal convenanten ligt, met uitzondering van het domein Rail- en wegvervoer, over de hele linie ver beneden de planning zoals opgenomen in de begroting. De convenanten zijn arbeidsintensief en de bereidheid om convenanten af te sluiten, lijkt in een aantal sectoren te zijn afgenomen. De afwijking van het aantal gerealiseerde convenanten, ten opzichte van het Meerjarenplan 2013, is minder klein, omdat inmiddels op basis van voortschrijdend inzicht, de planning naar beneden is bijgesteld.

Het aantal digitale inspecties is achtergebleven door het niet tijdig gereed zijn van de technische installaties.

Er werden nagenoeg even veel objectinspecties uitgevoerd als oorspronkelijk gepland, hoewel dit beeld over de domeinen wisselt. De domeinen Risicovolle stoffen en Water, bodem en bouwen hebben hier iets minder inspecties gerealiseerd dan gepland. Bij het laatste domein bleek bij het toezicht op legionella meer capaciteit nodig dan geraamd.

Het aantal verleende vergunningen is, met uitzondering van luchtvaart, over de hele linie een stuk hoger dan geraamd. In het najaar van 2012 is het geplande aantal vergunningen in de luchtvaart op basis van de toen actuele inzichten sterk verlaagd van 15.000 naar 6.500. De vraag naar vergunningen bleek in 2013 lager dan de aangepaste raming. De sterke afwijking in het domein Rail- en wegvervoer wordt veroorzaakt door het afwijkend verloop van de afgifte van de machinistenvergunning (eerste afgifte).

Beleidsconclusies

De inspectie baseerde haar optreden steeds meer op een risicoselectie. Goedpresterende ondertoezichtstaanden werden minder onderworpen aan inspecties; de vrijkomende capaciteit werd meer gericht op bedrijven waar de naleving (eerder) te wensen overliet. Hiermee geeft de inspectie invulling aan het beginsel «vertrouwen, tenzij» om de toezichtlast voor burgers en bedrijven te beperken. Dit vertrouwen krijgt vorm in handhavingsconvenanten met ondertoezichtstaanden. De inspectie sloot 76 convenanten af. In lijn met de afgesloten handhavingsconvenanten is het toezicht verder verschoven van fysieke (object) inspecties naar audits. De inspectie blijft reality-checks uitvoeren parallel aan de afgesloten handhavingsconvenanten.

De inspectie investeerde in het verbeteren en uniformeren van haar processen. Als gevolg van het capaciteitsbeslag dat daardoor op de medewerkers is gelegd, zijn op een aantal terreinen minder inspecties uitgevoerd dan oorspronkelijk gepland. Ook in 2013 heeft de inspectie de samenwerking met andere toezichthouders versterkt.

De taken van AgentschapNL rond de vergunningverlening en het toezicht op de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) over onze nationale grenzen werden inclusief de daaraan werkzame medewerkers door de inspectie overgenomen.

De inspectie continueerde en verstrekte de samenwerking met de andere toezichthouders. Het gaat daarbij onder andere om samenwerking met de inspectie SZW, de NVWA, Rijkswaterstaat, de politie en de Douane.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

24

Handhaving en toezicht

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

130.230

136.654

– 6.424

1

Uitgaven

   

130.230

136.654

– 6.424

 

24.01

Handhaving en toezicht

   

130.230

136.654

– 6.424

 

24.01.03

Bijdrage aan het agentschap ILT

   

111.857

118.069

– 6.212

 
 

– Risicovolle bedrijven

   

9.251

20.088

– 10.837

2

 

– Rail en wegvervoer

   

29.330

28.971

359

 
 

– Scheepvaart

   

17.985

17.765

220

 
 

– Luchtvaart

   

15.799

16.262

– 463

 
 

– Risicovolle stoffen en producten

   

39.492

34.983

4.509

3

24.01.06

Bijdrage aan het agentschap ILT

   

18.373

18.585

– 212

 
 

– Water, bodem, bouwen

   

18.373

18.585

– 212

 
 

Ontvangsten

   

0

0

0

 

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Het verschil in de verplichtingenrealisatie is terug te voeren op de verschillen in de overdrachten van budgetten welke hieronder bij Risicovolle bedrijven (ad 2) en Risicovolle stoffen en producten (ad 3) worden toegelicht.

24.01 Handhaving en toezicht
24.01.03 Bijdrage aan het agentschap ILT

Risicovolle bedrijven (ad 2)

De inspectie heeft in 2013 op het terrein van de nucleaire veiligheid, transport en handelingen met overige radioactieve bronnen en stoffen haar inzet gericht op het (continu) verbeteren van het naleefgedrag van haar ondertoezichtstaanden. Dit is niet enkel gebeurd door het beoordelen van veiligheidsrelevante wijzigingen van nucleaire installaties, maar ook door het houden van toezicht. Het verschil tussen de realisatie en de vastgestelde begroting 2013 binnen risicovolle bedrijven is het gevolg van overdracht van budgetten aan EZ ten behoeve van de Kernfysische Dienst.

Het verscherpt toezicht op Nuclear Research & Consultancy Group (NRG) is, na enkele incidenten, verzwaard om de naleving van relevante wet- en regelgeving op het juiste niveau te krijgen. De incidenten bij NRG zijn door de Kern Fysische Dienst (KFD) ook gepubliceerd en NRG heeft eind 2013 zelf besloten tot het stilleggen van alle nucleaire installaties. Verder heeft de KFD toezicht gehouden op het meetonderzoek aan het reactorvat van Kerncentrale Borselle (KCB). Er is geconcludeerd dat het meetonderzoek correct is uitgevoerd en dat er geen hydrogen flakes aanwezig zijn in de wand van het KCB reactorvat.

Voor de externe veiligheid, met name gerelateerd aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), was de inzet gericht op het verbeteren van de naleving en het verkrijgen van beter inzicht in het naleefgedrag van bepaalde doelgroepen. In het kader van de Wabo is gestart met het toezicht op de inrichtingen in Caribisch Nederland. Een forse inzet is nodig om de naleving van de betreffende inrichtingen op niveau te krijgen.

Uit onderzoek op het terrein van opslag van gevaarlijke stoffen blijkt onder andere dat bij het onderdeel brandveiligheid de naleving aanzienlijk is verbeterd, maar dat opslag van stoffen in landtanks onvoldoende voldoet aan de afspraken die in het kader van de taskforce Buncefield zijn gemaakt.

In het kader van toezicht Wabo was de verbetering van de brandveiligheid bij defensiegebouwen een belangrijk speerpunt. Door bezuinigingen bij Defensie komt het beoogde systeemgericht toezicht onvoldoende van de grond en wordt steeds vaker op een «klassieke» wijze toezicht gehouden. Er blijft zorg over de naleving. In het kader van de Wabo zijn twee monitoringsonderzoeken uitgevoerd. Uit beide onderzoeken, te weten asbest op scholen en de omgang van gemeenten met asbest, blijkt duidelijk dat voor de verbetering van de naleving aandacht van het bevoegde gezag nodig blijft.

Op het terrein van de genetisch gemodificeerde organismen had bij het ingeperkt gebruik het toezicht op de interne controles door de biologische- veiligheidsfunctionarissen prioriteit. Hiernaast is door middel van monstername en analyse van geïmporteerde zaadmonsters van verschillende partijen maïs, koolzaad en alfalfa/luzern geconstateerd dat geen vermenging met ggo-variëteiten is opgetreden.

Op het terrein van het buisleidingentoezicht is de aandacht in bijzonder gegaan naar prestatiemeting en verantwoording door de buisleidingexploitanten.

Rail- en wegvervoer

De naleving binnen de spoorsector is vrij hoog. Basis daarvan is een goed ontwikkeld stelsel van veiligheidseisen binnen de sector. Dat neemt niet weg dat de opvolging van aanbevelingen van de Onderzoeksraad van de Veiligheid (OvV) en de inspectie naar aanleiding van incidenten te wensen over laat.

Het onderzoek naar de problemen met de Fyra (V250) op de HSL leidde tot het stilzetten van het vervoer met de V250 door de exploitant HSA en uiteindelijk tot het afzien van de hele exploitatie van de V250 vanwege geconstateerde ernstige gebreken aan het voertuig.

De naleving in het besloten busvervoer binnen Nederland en het internationale busvervoer naar en vanuit Nederland is relatief hoog en ligt tussen de 80 en 90%. Met de Stichting Keurmerk Touringcarbedrijf (STKB) wordt gewerkt aan herijking van het keurmerk en handhavingsconvenant.

De inspectie signaleert dat er steeds meer ZZP’ers en mensen met een nul-urencontract in het taxivervoer werkzaam zijn. De bedrijfsadministratie is vaak slecht en de voor de ondernemersvergunning vereiste vakbekwaamheid wordt niet daadwerkelijk ingebracht. Door het ontlopen van hoofdelijke aansprakelijkheid ontstaan veel eenvoudige faillissementen. Daardoor kunnen boetes vaak niet meer geïnd worden en heeft dit instrument weinig effect.

Belangrijk aandachtspunt was de manipulatie met de digitale tachograaf. De handhaving van de bepalingen rond rij- en rusttijden, die samen met RDW en politie wordt uitgevoerd, vergde meer capaciteit dan eerder gepland. Ook bij overbelading werden meer overtredingen geconstateerd, wel nam de (gemiddelde) zwaarte van de overtreding af.

Scheepvaart

Belangrijke aandachtspunten in het toezicht op de binnenvaart blijven de stabiliteit/stuwage, de vaartijden, de bemanningssterkte en het (technisch) onderhoud. De inspectie besteedde extra aandacht aan de naleving van de nieuwe Binnenvaartwet (vooral vaartijden en bemanningssterkte).

Het veiligheidsbewustzijn in de koopvaardij ligt op een behoorlijk niveau en de naleving is op de meeste onderdelen goed te noemen. De koopvaardij is een internationaal opererende sector en de wetgeving wordt door internationale organisaties als IMO en EU bepaald.

De bedrijven in de visserij zijn veelal familiebedrijven in maatschapvorm. De bedrijfsrendementen staan onder druk door vangstbeperkende maatregelen. Daardoor gaan bedrijven op zoek naar mogelijkheden om goedkoper te kunnen exploiteren. Het veiligheidsbewustzijn en het veilig handelen in de visserij blijft een punt van zorg.

Luchtvaart

De naleving in de luchtvaart blijft onverkort hoog. Hierbij moet wel onderscheid worden gemaakt tussen de commerciële luchtvaart en de general aviation (kleinere maatschappijen en vliegverenigingen). In de general aviation is de naleving een punt van aandacht. De inspectie werd geconfronteerd met de problematiek van mogelijk giftige stoffen in de cockpits van vliegtuigen. Dit probleem wordt nu door een medische faculteit onderzocht. De naleving bij medische keuringsinstanties bleek zeer hoog.

Het aantal klachten van passagiers (op grond van het zogenaamde Sturgeon arrest) nam niet verder toe en stabiliseerde op een niveau van 2.500. De inspectie verwacht de komende jaren een afname. De inspectie zette de risicogerichte aanpak voort. Onderdeel daarvan vormde de ontwikkeling van nieuwe inspectiemethodes. Tevens is de handelswijze rondom drones vastgesteld. Daarnaast is vooral gekeken naar systeemtoezicht bij bedrijven met goedwerkende veiligheidsmanagementsystemen. Met de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie is een samenwerkingsconvenant afgesloten.

Risicovolle stoffen en producten (ad 3)

De inspectie investeerde in de samenwerking met de Europese handhavingspartners (IMPEL-TFS). Het verschil tussen de realisatie en de vastgestelde begroting 2013 binnen risicovolle stoffen en producten is het gevolg van overdracht van budgetten van EZ (ten laste van EVOA). Doel van de samenwerking is om door betere informatiedeling en harmonisatie van de implementatie van Europese regelgeving tot een betere handhaving te komen. Bij inspecties van de inzameling van afgewerkte olie en scheepsafvalstoffen zijn bij de helft van de controles overtredingen geconstateerd. In de meeste gevallen was een waarschuwing van de inspectie voor het bedrijf voldoende om de overtreding te herstellen. Een aantal gemeenten rondom de voormalige asbestfabrieken in Goor en Harderwijk hebben, na aandrang daartoe door de inspectie, actief de sanering van asbesthoudende wegen opgepakt.

De inspectie heeft de aanpak van het transport van vuurwerk via postpakketten verder ontwikkeld en nadrukkelijk de samenwerking gezocht met de bedrijven die de postpakketten bezorgen. De structuur van de opsporing van milieucriminaliteit heeft in 2013 een sterke impuls gekregen. Op het gebied van REACH, luchtverontreinigende stoffen en vuurwerk zal de inspectie, gegeven de bevindingen uit 2013, het toezicht intensiveren.

24.01.06 Bijdrage aan het agentschap ILT

Water, bodem, bouwen

Het jaar 2013 stond in het teken van het toezicht op de uitvoering van de verlengde derde toetsronde (LRT3+) door de waterkeringbeheerders (waterschappen en Rijkswaterstaat). In LRT3+ moest voor zoveel mogelijk waterkeringen (duinen/dijken en kunstwerken) die na de derde toetsronde (LRT3, 2011) nog het veiligheidsoordeel «nader onderzoek nodig» hadden, een veiligheidsoordeel worden bepaald. In het kader van drinkwater is in 2013 onder andere toezicht gehouden op de drinkwatertarieven en prestaties van de drinkwaterbedrijven terwijl in het kader van het toezicht op legionella een groot aantal accommodaties is bezocht.

Daarnaast heeft de inspectie in 2013 toezicht gehouden op bodem en bouwstoffen, productregelingen, ruimte en verricht zij nalevingsmonitoring. Het directe toezicht op bodemintermediairs, de certificerende instellingen en op de «Kwaliteitsborging bij bodemintermediairs» werd voortgezet. Hierbij bleek de naleving vaak niet op niveau.

Naast bovenstaande directe toezichttaak heeft de inspectie ook een belangrijke taak als regisseur voor de gehele keten, van productie tot aan toepassing. In het kader van de productregelingen is het toezicht op bouwproducten en verkeersproducten verder uitgebreid. De inspectie onderzocht de brandveiligheid in de studentenhuisvesting, de veiligheid rond opslagen van ontplofbare stoffen in bestemmingsplannen. De inspectie is betrokken bij de vergunningverlening en verleent vergunningen op het gebied van de eigen werken Rijkswaterstaat, leveringsplannen en meetprogramma’s van drinkwaterbedrijven en verstrekt verklaringen van geen bezwaar in het kader van het luchthavenindelingenbesluit.

Artikel 25 Brede Doeluitkering

Algemene doelstelling

Het realiseren van maatwerkoplossingen voor regionale verkeers- en vervoersvraagstukken.

Financieren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister is systeemverantwoordelijk voor de bijdrage aan de Brede doeluitkering (BDU), welke het mogelijk maakt dat er op decentraal niveau maatwerkoplossingen kunnen worden gemaakt voor verkeers- en vervoervraagstukken. De beleidsinhoudelijke beslissingen worden voornamelijk door de mede overheden gemaakt. Dit artikel hangt samen met artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid en artikel 15 Openbaar vervoer (Hoofdstuk XII) waarin het bredere beleidsveld wordt geschetst.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

25

Brede doeluitkering

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

2.000.820

1.746.573

254.247

1

Uitgaven

2.026.984

2.113.821

2.046.018

1.795.605

250.413

 

25.01

Brede doeluitkering

2.026.984

2.113.821

2.046.018

1.795.605

250.413

2

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

 

Toelichting

Ad 1) De beschikking voor de BDU wordt in het jaar voorafgaand aan het uitvoerings(kas)jaar in de begrotingsadministratie als betalingverplichting vastgelegd. De verplichtingen lopen daarmee een jaar vooruit op de kasuitgaven. Het betreft ditmaal met name middelen voor het programma Beter Benutten en de financiering van de Zuidasdok, welke via de BDU worden beschikt. Het verschil wordt hierdoor verklaard.

Ad 2) De hogere uitgaven worden veroorzaakt doordat na de Ontwerpbegroting 2013 budget is toegevoegd aan de BDU beschikking voor 2013. De meest relevante mutaties betreffen Beter Benutten, Zuidas, Groene Uitweg, verkenning Regio Zwolle/A28, parkeren en rijden (P+R) maatregelen.

25.01 Brede doeluitkering

Toelichting op de financiële instrumenten

Het betreft het verstrekken van een beschikking voor de BDU aan de regionale en lokale overheden. Deze wordt jaarlijks berekend op basis van in de regelgeving BDU Verkeer en Vervoer opgenomen methodiek. Uitbetaling vindt plaats in vijf termijnen, waarvan de tweede termijn een dubbele is.

Het is het voornemen om bij de afschaffing van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen plus regio’s tegelijk een deel van de BDU te decentraliseren. Het wetsvoorstel waarmee dat wordt geregeld is in mei 2013 bij de Tweede Kamer ingediend. Bij aanvaarding van het wetsvoorstel zal een deel van de BDU met ingang van 2015 kunnen overgaan naar het Provinciefonds.

Voor de behaalde prestaties door middel van de BDU wordt verwezen naar de verantwoording van regionale en lokale overheden.

Artikel 26 Bijdragen aan investeringsfondsen

Algemene doelstelling

Op dit artikel worden de bijdragen aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds verantwoord.

Financieren

Rol en verantwoordelijkheden

De rollen en verantwoordelijkheden voor zaken die op het Infrastructuurfonds en Deltafonds worden verantwoord zijn terug te vinden in de verschillende beleidsartikelen.

Voor de indicatoren en kengetallen wordt verwezen naar de betreffende beleidsartikelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

26

Bijdrage investeringsfondsen

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

7.682.831

7.163.030

6.696.616

6.761.720

– 65.104

 

Uitgaven

7.682.831

7.163.030

6.696.616

6.761.720

– 65.104

 

26.01

Bijdrage aan het Infrastructuurfonds

7.682.831

7.163.030

5.722.871

5.879.349

– 156.478

1

26.02

Bijdrage aan het Deltafonds

0

0

973.745

882.371

91.374

2

 

Ontvangsten

0

0

0

0

0

 

Toelichting

Ad 1) Het verschil tussen de begroting en de realisatie is het gevolg van een groot aantal mutaties die in het verslagjaar op de in de oorspronkelijke begroting opgenomen raming zijn aangebracht. De belangrijkste oorzaken hebben betrekking op de hieronder vermelde oorzaken. Een volledig inzicht is verstrekt in de verschillende suppletoire begrotingen over 2013.

  • De verwerking van de index, tranches 2012 en 2013.

  • Overboekingen met andere departementen. Het gaat om de verwerking van onderling afgesproken bijdragen.

  • De verwerking van de (gedeeltelijke) uitvoering van de plannen van aanpak van de programmadirectie Beter Benutten (BDU, BZK en BCF).

  • Op artikel 13 staan gelden voor het Actieplan groei op het spoor en voor de Pilot European Rail Traffic Management System (ERTMS) gereserveerd, waarvan de realisatie (deels) plaats vindt op de begroting van Hoofdstuk XII.

  • Afdracht aan BTW (via de begroting van Hoofdstuk XII) naar het BTW compensatiefonds in verband met de afkoop van het achterstallig onderhoud van het van Harinxmakanaal.

  • Een boeking vanuit hoofdstuk XII voor de aan de Brede Doeluitkering (BDU) uitgekeerde loonbijstelling voor het jaar 2013. Deze was eerder voorgefinancierd vanuit artikel 14 Regionaal/Lokale infrastructuur en is weer aan dat artikel toegevoegd.

  • Een overboekingen naar het Ministerie van Financiën voor de inpassing van de DBFM-contracten A15 Maasvlakte – Vaanplein en A1/A6 SAA.

Ad 2) Het verschil tussen de begroting en de realisatie is het gevolg van een groot aantal mutaties die in het verslagjaar op de in de oorspronkelijke begroting opgenomen raming zijn aangebracht. De belangrijkste oorzaken hebben betrekking op de hieronder vermelde oorzaken. Een volledig inzicht is verstrekt in de verschillende suppletoire begrotingen over 2013:

  • De verwerking van de index, tranches 2012 en 2013.

  • De toevoeging van het voordelig saldo over 2012

  • Een overboeking met de begroting van HXII (project Haringvliet de Kier en de KRW).

26.01 Bijdrage aan Infrastructuurfonds

Toelichting op de financiële instrumenten

Het betreft hier de bijdrage vanuit de beleidsbegroting van Hoofdstuk XII aan het Infrastructuurfonds ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verantwoord (zie onderstaande specificatie). Voor een toelichting op de verschillen wordt verwezen naar het Jaarverslag over 2013 van het Infrastructuurfonds.

Specificatie van de bijdragen uit de begroting van hoofdstuk XII aan de begroting van het het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)

INFRASTRUCTUURFONDS

 

Begroting

Realisatie

Verschil

12

Hoofdwegen

uitgaven

2.728.864

2.481.851

– 247.013

12.01

Verkeersmanagement

 

22.072

21.794

– 278

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

 

413.384

544.354

130.970

12.03

Aanleg

 

1.451.135

1.065.903

– 385.232

12.04

GIV/PPS

 

420.256

412.956

– 7.300

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

 

422.017

436.844

14.827

           

12.09

Ontvangsten

Ontvangsten

262.105

150.887

– 111.218

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

2.466.759

2.330.964

– 135.795

           

13

Spoorwegen

uitgaven

2.197.752

2.384.292

186.540

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

 

1.324.515

1.346.811

22.296

13.03

Aanleg

 

706.311

886.190

179.879

13.04

GIV/PPS

 

148.776

134.675

– 14.101

13.07

Rente en aflossing

 

18.150

16.616

– 1.534

           

13.09

Ontvangsten

Ontvangsten

60.000

202.042

142.042

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

2.137.752

2.182.250

44.498

           

14

Regionaal, lokale infrastructuur

uitgaven

135.983

215.678

79.695

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

 

60.771

58.664

– 2.107

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

 

30.257

45.185

14.928

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

 

44.955

111.829

66.874

         

0

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

135.983

215.678

79.695

           

15

Vaarwegen

uitgaven

844.120

864.431

20.311

15.01

Verkeersmanagement

 

12.770

13.722

952

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

 

298.884

304.567

5.683

15.03

Aanleg

 

284.743

290.785

6.042

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

 

247.723

255.357

7.634

           

15.09

Ontvangsten

Ontvangsten

30.036

10.853

– 19.183

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

814.084

853.578

39.494

           

17

Megaprojecten

uitgaven

54.157

14.761

– 39.396

17.01

Westerscheldetunnel

   

183

183

17.02

Betuweroute

 

4.699

6.044

1.345

17.03

HSL

   

4.345

4.345

17.06

PMR

 

49.458

4.189

– 45.269

           

17.09

Ontvangsten

 

3.000

2.346

– 654

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

51.157

12.415

– 38.742

           

18

Overige uitgaven

uitgaven

273.615

287.566

13.951

18.01

Saldo afgesloten rekeningen

       

18.03

Intermodaal vervoer

 

3.196

795

– 2.401

18.04

Gebiedsgerichte aanpak (UPR)

   

843

843

18.06

Externe veiligheid

   

104

104

18.07

Mobiliteitsonafh. Kennis en expertise

 

42

 

– 42

18.08

Netwerkoverstijgende kosten

 

270.377

285.824

15.447

18.11

Investeringsruimte

       

18.12

Reservering beheer, onderhoud en vervanging

       

18.13

Tol gefinancierde uitgaven

       
           

18.10

Saldo afgesloten rekeningen

Ontvangsten

 

147.317

147.317

18.11

Tolopgave

Ontvangsten

   

0

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

273.615

140.249

– 133.366

           

19

Bijdragen andere begrotingen Rijk

       

19.09

Ontvangsten

Ontvangsten

5.879.349

5.722.871

– 156.478

           
 

Totaal uitgaven

 

6.234.491

6.248.579

14.088

 

Totaal ontvangsten

 

355.141

513.445

158.304

 

Totaal Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

5.879.349

5.722.871

– 156.478

26.02 Bijdrage aan het Deltafonds

Het betreft hier de bijdrage vanuit de beleidsbegroting van Hoofdstuk XII aan het Deltafonds ten behoeve van uitgaven die op het fonds worden verantwoord (zie onderstaande specificatie). Voor een toelichting op de verschillen wordt verwezen naar het Jaarverslag over 2013 van het Deltafonds.

Specificatie van de bijdragen uit de begroting van hoofdstuk XII aan de begroting van het het Deltafonds (bedragen x € 1.000)

DELTAFONDS

 

Begroting

Realisatie

Verschil

1

Investeren in waterveiligheid

uitgaven

536.712

574.101

37.389

1.01

Grote projecten waterveiligheid

 

361.406

463.826

102.420

1.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

 

163.299

101.860

– 61.439

1.03

Studiekosten

 

12.007

8.415

– 3.592

1.04

GIV/PPS

     

``

           

1.09

Ontvangsten investeren in waterveiligheid

Ontvangsten

87.689

92.708

5.019

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

449.023

481.393

32.370

           

2

Investeren in zoetwatervoorziening

uitgaven

32.117

46.278

14.161

2.01

Aanleg waterkwantiteit

 

0

 

0

2.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

 

27.917

41.230

13.313

2.03

Studiekosten

 

4.200

5.048

848

           

2.09

Ontvangsten investeren in waterkwantiteit en zoetwatervoorziening

Ontvangsten

2.500

0

– 2.500

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

29.617

46.278

16.661

           

3

Beheer, onderhoud en vervanging

uitgaven

156.150

190.180

34.030

3.01

Watermanagement

 

11.794

12.484

690

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

 

144.356

177.696

33.340

           

3.09

Ontvangsten

Ontvangsten

0

0

0

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

156.150

190.180

34.030

           

4

Experimenteren cf. art. III Deltawet

uitgaven

0

0

0

4.01

Experimenteerprojecten

 

0

0

0

           

4.09

Ontvangsten Experimenteerartikel

Ontvangsten

0

0

0

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

0

0

0

           

5

Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven

uitgaven

247.581

253.827

6.246

5.01

Apparaat

 

198.231

198.792

561

5.02

Overige uitgaven

 

49.350

55.035

5.685

5.03

Investeringsruimte

       
           

5.09

Netwerkgebonden kosten en overige ontvangsten

Ontvangsten

0

 

0

 

Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

247.581

253.827

6.246

           

6

Bijdragen andere begrotingen Rijk

       

6.09

Ten laste van begroting van IenM

Ontvangsten

882.371

973.745

91.374

           
 

Totaal uitgaven

 

972.560

1.064.386

91.826

 

Totaal ontvangsten

 

90.189

92.708

2.519

 

Totaal Bijdrage van hfdst XII (art 26)

 

882.371

973.745

91.374

5. NIET-BELEIDSARTIKELEN

Artikel 97 Algemeen departement

Algemene doelstelling

Op dit artikel worden de IenM brede programma uitgaven verantwoord.

Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 97 Algemeen departement (x € 1.000)
     

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

27.276

42.119

21.203

20.916

1

Uitgaven

23.222

25.740

23.429

2.311

 

97.01

IenM-brede programmamiddelen

23.222

25.740

23.429

2.311

 

97.01.01

Opdrachten

14.906

18.057

15.726

2.331

 
 

– Regeringsvliegtuig

7.405

6.190

6.791

– 601

 
 

– Onderzoeken Planbureau voor de Leefomgeving

 

2.632

0

2.632

2

 

– Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing

2.608

3.704

0

3.704

3

 

– Overige opdrachten

4.893

5.531

8.935

– 3.404

3

97.01.02

Subsidies

1.800

1.700

7.077

– 5.377

 
 

– Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, Milieu en Ruimtelijke Ordening

   

5.377

– 5.377

4

 

– NWO

1.800

1.700

1.700

0

 

97.01.03

Bijdrage aan agentschappen

615

606

606

0

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

615

606

606

0

 

97.01.04

Bijdragen aan internationale organisaties en medeoverheden

500

0

20

– 20

5

97.01.06

Bijdrage aan ZBO en RWT

5.400

5.377

0

5.377

4

 

– Stichting Advisering Bestuursrechtspraak

5.400

5.377

0

5.377

 
 

Ontvangsten

2.580

4.271

2.685

1.586

6

Toelichting

Ad1) De hogere realisatie op het verplichtingenbudget is gerelateerd aan de verplichtingen van het Regeringsvliegtuig. Op basis van de opzegtermijn van het contract met KLM Cityhopper voor het onderhoud en de exploitatie van het regeringsvliegtuig moesten de juridische verplichtingen van het Regeringsvliegtuig twee jaar vooruit zijn vastgelegd. Derhalve zijn eind 2013 voor ruim € 12 miljoen aan juridische verplichtingen voor de jaren 2014 en 2015 aangegaan. Daarnaast is voor circa € 2 miljoen aan verplichtingen versneld aangegaan om het beheer en onderhoudscontract voor ICAWEB al in 2013 meerjarig te kunnen vastleggen. ICAWEB is de Integrale Crisis Advies Website van IenM en VWS.

Ad 2) Bij 2e suppletoire wet 2013 zijn de meerjarige onderzoeksbudgetten van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op artikel 97 Algemeen geplaatst. Deze budgetten stonden voorheen op artikel 98. In lijn met «Verantwoord Begroten» worden de meerjarige onderzoeksbudgetten vanaf 2e suppletoire wet 2013 op dit artikel verantwoord.

Ad 3) Vanaf de 2e suppletoire wet 2013 worden de uitgaven van het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing apart weergegeven in de tabel «Budgettaire gevolgen van beleid» (tot en met de 1e suppletoire wet maakte het onderdeel uit van de post «Overige opdrachten». Per saldo is over alle opdrachten in 2013 sprake van een realisatie die € 0,3 miljoen hoger is dan bij ontwerpbegroting geraamd. Dit komt vanwege de bijdrage van andere ministeries aan ICAWEB (zie ook toelichting 1).

Ad 4) De bijdrage aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak hoort thuis onder het instrument «bijdrage aan ZBO en RWT». Bij ontwerpbegroting werd deze nog onder het instrument «subsidies» begroot. In de loop van 2013 is deze correctie doorgevoerd. Het volledige, begrote bedrag is gerealiseerd.

Ad 5) Per 1 januari 2013 zijn de bijdragen aan medeoverheden vanuit dit artikel beëindigd.

Ad 6) Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft gedurende 2013 meer ontvangsten van derden gekregen dan oorspronkelijk geraamd voor het uitvoeren van onderzoeken. Een deel van deze onderzoeken heeft vertraging opgelopen (zie ook toelichting 2).

97.01 IenM-brede programmamiddelen

Toelichting op de financiële instrumenten

97.01.01 Opdrachten

Regeringsvliegtuig

Dit betreft de uitgaven van IenM voor het onderhoud en de exploitatie van het Regeringsvliegtuig.

Onderzoeken Planbureau voor de Leefomgeving

Betreft uitgaven ten behoeve van onderzoeksactiviteiten van PBL, zoals aanschaf van databestanden, ontwikkeling van modellen, uitbesteding van (deel)onderzoeken en vervaardiging van onderzoeksrapporten. Voor informatie over PBL-producten zie www.pbl.nl.

Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing

Dit betreft voornamelijk de uitgaven die worden gedaan ten behoeve van het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing.

Overige opdrachten

Dit betreft voornamelijk de uitgaven die worden gedaan inzake grote publiekscampagnes als van A naar Beter, alsmede artikeloverstijgende onderzoeksopdrachten van bijvoorbeeld het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid en de Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken.

97.01.02 Subsidies

StAB

Deze uitgaven hangen samen met de subsidie die IenM verstrekt aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak. De StAB adviseert, door middel van deskundigenberichten, op verzoek van de Raad van State en de rechtbanken over geschillen op het terrein van de fysieke leefomgeving zoals milieu, ruimtelijke ordening, water, bouw en schade.

Onderzoeksprogramma Duurzame Bereikbaarheid Randstad

Deze uitgaven hangen samen met de subsidie die IenM in samenwerking met EZ verstrekt aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek voor het onderzoeksprogramma Duurzame bereikbaarheid Randstad voor de periode 2008 tot en met 2014 (totaal € 9 miljoen tot maximaal € 9,5 miljoen)

97.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan Rijkswaterstaat voor de capaciteitsinzet in het kader van Beleidsondersteuning en advies.

97.01.04 Bijdragen aan internationale organisaties en medeoverheden

Verzameluitkering

Onder verzameluitkering zijn alle financieel geringe bedragen (kleiner dan € 10 miljoen) aan medeoverheden opgenomen. Met de verzameluitkering wordt beoogd de medeoverheden ruimte te bieden voor lokaal maatwerk zonder de administratieve lastendruk te laten toenemen (zie ook Kamerstukken II, 2007/08, 31 327; Staatsblad 2008, 312). De Financiële verhoudingswet geeft de wettelijke grondslag voor de verzameluitkering.

97.09 Ontvangsten

Op dit artikel worden de ontvangsten verantwoord die IenM ontvangt inzake het Regeringsvliegtuig, het Centrum Publieksparticipatie en DGB.

Artikel 98 Apparaat Kerndepartement

Algemene doelstelling

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van IenM met uitzondering van de Staf Deltacommissaris en de agentschappen ILT, KNMI, NEa en RWS. Het omvat de verplichtingen en uitgaven voor ambtelijk personeel, inhuur externen en materieel voor het kerndepartement.

Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement (x € 1.000)
     

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2012 (1)

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

327.162

336.847

349.429

– 12.582

2

Uitgaven

372.668

336.238

350.087

– 13.849

 

Personele uitgaven

238.046

221.509

206.897

14.612

 

– waarvan eigen personeel

224.133

206.492

196.540

9.952

3

– waarvan externe inhuur

13.913

15.017

10.357

4.660

4

Materiele uitgaven

134.622

114.729

143.190

– 28.461

5

– waarvan ICT

53.908

48.548

37.718

10.830

5

– waarvan bijdrage aan SSO's

54.509

46.859

52.070

– 5.211

5

Ontvangsten

9.732

13.138

2.434

10.704

6

Toelichting

Ad 1) Vanwege een nieuwe begrotingsindeling, op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften, geldt vanaf 2013 een andere uitsplitsing. Derhalve kunnen de realisatiecijfers 2012, niet één op één worden aangesloten met het jaarverslag 2012.

Ad 2) Het verschil tussen de verplichtingenrealisatie en de ontwerpbegroting staat geheel in relatie met de lagere materiële uitgaven.

Ad 3) De hogere realisatie op personeel wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de overboeking van de kosten voor personele uitgaven van materieel naar personeel ten einde te voldoen aan rijksbegrotingvoorschriften voor het boeken van personeel gerelateerde kosten.

Ad 4) De hogere inhuur is met name het gevolg van het inhuren van specialistische medewerkers voor ICT-projecten van de beleidsdiensten.

Ad 5) Het verschil in realisatie van de ICT uitgaven is geheel toe te schrijven aan de interne overboekingen van algemene materiële budgetten naar het specifieke ICT budget voor de kosten voor kantoorautomatisering en dienstspecifieke ICT-projecten.

De realisatie op de bijdrage aan SSO’s is lager dan de ontwerpbegroting als gevolg van een overboeking naar SZW die vanaf 2013 de kosten voor SSC-ICT niet meer via IenM, maar zelfstandig betaalt.

Het overige verschil op materieel is een gevolg van lagere uitgaven bij verschillende dienstonderdelen en op enkele algemene apparaatbudgetten van IenM als gevolg van versnelde realisatie taakstelling.

Ad 6) Het verschil in ontvangsten is voornamelijk een gevolg van uitgestelde betalingen uit 2012 voor kosten voor ICT.

Apparaatskosten agentschappen en ZBO’s en RWT’s

Extracomptabele verwijzingen

IenM is verantwoordelijk voor vier agentschappen: de Inspectie Leefomgeving en Transport, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de Nederlandse Emissieautoriteit en Rijkswaterstaat. De apparaatskosten en ontvangsten worden verder uitgesplitst en toegelicht in de agentschapsparagrafen.

IenM verstrekt bijdragen aan drie begrotingsgefinancierde ZBO’s en RWT’s: Prorail, Kadaster en StAB. Zie voor meer informatie over de ZBO’s en RWT’s van IenM de bijlage ZBO’s en RWT’s van dit Jaarverslag (Bijlage 1).

De apparaatskosten van de Staf van de Deltacommissaris worden in lijn met de Waterwet op het Deltafonds begroot en verantwoord (zie artikel 5 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven van het Jaarverslag van het Deltafonds).

Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en ZBO's/RWT's
 

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2013

2013

Totaal apparaatsuitgaven ministerie

   

372.668

336.238

350.087

– 13.849

Kerndepartement

   

372.668

336.238

350.087

– 13.849

             

Totaal apparaatskosten agentschappen

1.238.510

1.181.907

1.248.880

1.274.381

1.205.946

68.435

ILT

96.215

85.797

136.672

141.788

142.791

– 1.003

KNMI

56.001

57.522

58.487

54.722

61.678

– 6.956

NEa

6.264

6.650

6.485

6.417

7.010

– 593

RWS

1.080.030

1.031.938

1.047.236

1.071.454

994.467

76.987

             

Totaal apparaatskosten ZBO’s en RWT's

443.000

423.000

590.300

593.400

   

ProRail

443.000

423.000

415.000

422.000

   

Kadaster

   

170.000

166.000

   

StAB

   

5.300

5.400

   

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

Algemene doelstelling

Niet van toepassing op dit artikel.

Dit artikel is een administratief begrotingstechnisch artikel. Dit houdt in dat er geen daadwerkelijke uitgaven ten laste van artikel 99 worden gedaan. Het artikel dient hoofdzakelijk als tussenstation voor de overboeking van middelen naar de andere artikelen op de IenM begroting, zoals loon- en prijsbijstelling. Ook taakstellingen die nog niet direct kunnen worden doorgeboekt worden tijdelijk op dit artikel geadministreerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien (x € 1.000)
       

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

0

0

0

157.181

– 157.181

1

Uitgaven

0

0

0

157.181

– 157.181

1

Toelichting

Ad 1) Het in de begroting geraamde bedrag bestaat hoofdzakelijk uit geparkeerde bedragen (zoals prijsbijstelling) die ten tijde van het opstellen en vaststellen van de begroting nog verdeeld moesten worden binnen Hoofdstuk XII. Deze bedragen zijn gedurende de begrotingsuitvoering in 2013 verdeeld. Ten laste van dit artikel zijn geen uitgaven gebracht.

6. BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF 2013

Inleiding

In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt verslag gedaan van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering van IenM (hoofdstuk XII). De bedrijfsvoeringsparagraaf heeft in overeenstemming met de Comptabiliteitswet het karakter van een uitzonderingsrapportage. Daarom vindt geen terugkoppeling plaats van alle in 2013 uitgevoerde acties; de voortgang daarvan is een vast agendapunt van de in 2013 gehouden vergaderingen van het Auditcommittee van IenM.

Verbetering en ontwikkeling van de organisatie en werkprocessen

Het streven is om bij voortduring de bedrijfsvoering van het ministerie te ontwikkelen en te verbeteren met name in termen van de sturing en beheersing van activiteiten en processen. Aanvullend op de algemene onderwerpen in de bedrijfsvoeringsparagraaf zijn onderstaande thema’s vermeldenswaard. Deze thema’s hebben met name betrekking op de structurele borging van voorzieningen en verantwoordelijkheden in de departementale organisatie.

Ontwikkelingen toezicht en sturing ZBO’s

Per 1-1-2013 zijn bij IenM een algemene sturing- en toezichtvisie «Verantwoorde Uitvoering 2013–2017» en organisatiespecifieke regelingen en beleidsregels van kracht geworden. Hiertoe is een speciale eenheid toezicht binnen het ministerie ingericht. In de paragraaf «Implementatie toezicht» wordt verder ingegaan op ontwikkelingen rondom toezicht.

Governancemodel Grote Projecten

In 2013 is het Governancemodel Grote Projecten (GGP) opgesteld. Dit model vormt het referentiemodel van IenM voor de inrichting van de sturing, beheersing en verantwoording van grote projecten. Het model vervangt het Basismodel Beheersing Grote Projecten (BBGP) dat in 2005 is ontwikkeld als interne doorvertaling van de Regeling Grote Projecten van de Tweede Kamer. Nieuw is dat het GGP voorschriften bevat ten aanzien van de governance van projecten; specifieke kaders voor de inrichting van sturing en verantwoording binnen een project.

Implementatie aanbevelingen Commissie Zevenbergen en Holtslag

De aanbevelingen van de Commissie Zevenbergen en het onafhankelijk onderzoek van Holtslag naar de casus van het ILT-rapport over ProRail hebben in 2013 geleid tot een groot aantal verbeteracties ter opvolging en borging. De bewindspersonen en de SG communiceren regelmatig en actief over de voortgang naar de hele organisatie en brengen casuïstiek en daaruit geleerde lessen onder de aandacht.

De volgende verbeteracties zijn doorgevoerd:

  • Diverse werkprocessen zijn aangescherpt, zoals rond de openbaarmaking van rapporten en de eventuele beleidsreactie, de informatieverstrekking aan het parlement, de behandeling van WOB-verzoeken;

  • Borging van de nakoming van (werk)afspraken is verbeterd door aanpassing van procedures rond monitoring, alertering, notificatie, inrichting van de audit trail;

  • Criteria voor het werken met een dossierteam zijn vastgesteld;

  • Rijkswaterstaat gebruikt een systeem van early warnings om tijdig over ontwikkelingen en risico’s te kunnen informeren en escaleren;

  • Twee belangrijke thema’s in de aanbevelingen van de Commissie en in de analyse van Holtslag zijn: «escaleren» en «rolvastheid». Deze thema’s zijn breed in de IenM-organisatie onder de aandacht gebracht en op alle niveaus besproken aan de hand van casuïstiek. Beide thema’s zijn gesprekonderwerp in de functioneringsgesprekken. De trainingen op het gebied van politiek bestuurlijke sensitiviteit zijn geïntensiveerd en de genoemde thema’s hebben hierin een plaats gekregen.

De rode draden uit de analyse van de achterliggende oorzaken zijn/worden ingebed in de brede organisatieontwikkeling en professionaliseringsprogramma’s van IenM.

Organisatie-aanpassingen IenM

Per 1 januari 2013 is de directie Leefomgeving van AgentschapNL naar RWS overgegaan. Hiermee is RWS dé uitvoeringsorganisatie van IenM geworden, met een IenM-breed werkpakket. Het thema leefomgeving is onder meer zichtbaar in de uitbreiding van de missie van RWS en het Ondernemingsplan RWS 2015 met het thema duurzame leefomgeving en de rol van deskundig uitvoeringspartner.

Per 1 april 2013 heeft de ANWB haar bewegwijzeringactiviteiten aan RWS overgedragen. Hiermee is de Nationale Bewegwijzeringdienst (NBD) in oprichting van start. Per die datum heeft RWS het personeel, de contracten en database met alle informatie over bewegwijzeringobjecten van de ANWB overgenomen. De NBD is een samenwerkingsverband van de gemeenschappelijke wegbeheerders in Nederland (rijk, provincie, gemeenten en waterschappen). De NBD stelt in opdracht van de wegbeheerders bewegwijzeringplannen op en beheert de landelijke database met bewegwijzeringgegevens. Tevens kan iedere wegbeheerder op vrijwillige basis ervoor kiezen om de NBD tevens de inkoop, de realisatiebegeleiding en het beheer van zijn bewegwijzering te laten uitvoeren.

Bij het KNMI is vraagsturing ingevoerd. De relaties tussen de opdrachtgevers en het KNMI zijn opnieuw ingericht. De programmering en financiering van het opdrachtenpakket is op een zakelijke en professionele basis ingericht met een meerjarig perspectief.

Met het oog op de gewenste scheiding tussen beleid en toezicht is met ingang van 1 januari 2014 de volkshuisvestelijke toezichthouder conform het advies van de Commissie Hoekstra in een uitvoerende dienst ondergebracht. Dit is de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Door middel van een opdrachtgever-opdrachtnemer relatie is het ook een uitvoerende dienst voor de Minister voor Wonen en Rijksdienst (WenR).

Conform de Rijksbegrotingvoorschriften wordt hieronder in deze paragraaf verantwoording afgelegd over de rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering, de totstandkoming van beleidsinformatie, het financieel en materieel beheer en overige aspecten van de bedrijfsvoering.

Rechtmatigheid

Aanbestedingsregels

Voor grotere opdrachten gelden de Europese aanbestedingsregels. Met de inwerkingtreding van de Aanbestedingswet 2012 per 1 april 2013, zijn nieuwe regels ingesteld voor inkopen van € 50.000 tot de Europese aanbestedingsgrens.

In sommige gevallen kan naleving van de (Europese) aanbestedingsregels tot bijzonder inefficiënte en ineffectieve uitkomsten leiden. Bij IenM is voorgeschreven dat in uitzonderingsgevallen gemotiveerd kan worden afgeweken van deze regels met toestemming van de verantwoordelijke Directeur-Generaal. Er hebben afwijkingen plaatsgevonden bij RWS, bij de ILT, bij het KNMI en bij de beleidskern. Bij een groot deel van IenM is het aantal afwijkingen beperkt. Alleen bij de beleidskern zijn er meer afwijkingen.

Rijkswaterstaat, ILT en KNMI

Gedurende 2013 heeft het management van Rijkswaterstaat besloten om, in afwachting van een rijksbrede Europese aanbesteding van ICT-diensten, leveranciers te contracteren zonder een Europese aanbestedingstraject te volgen. Dit was noodzakelijk om de continuïteit van de bedrijfsvoering te borgen. In totaal betrof dit een bedrag van € 1 miljoen.

Verder heeft de Auditdienst Rijk bij Rijkswaterstaat, ILT en KNMI een paar afwijkingen geconstateerd van de aanbestedingsregels. Het totaal aan afwijkingen is lager dan € 1 miljoen.

Beleidskern

Bij de beleidskern is voor een bedrag van in totaal € 9,4 miljoen afgeweken van de aanbestedingsregels. Afwijkingen van aanbestedingsregels zijn onrechtmatig. De afwijkingen overschrijden in één geval de rapportagegrens voor onrechtmatigheden op artikelniveau.

  • Bij de aangegane verplichtingen op artikel 15 (Openbaar Vervoer) is sprake van een onrechtmatigheid van circa € 0,4 miljoen. Hierbij wordt de rapporteringstolerantie van circa € 0,3 miljoen met 37% overschreden.

  • De rest van de afwijkingen blijft onder de rapportagegrens voor onrechtmatigheden op artikelniveau.

Controlebevindingen ADR

Uit de controlebevindingen van de Auditdienst Rijk (ADR) is naar voren gekomen dat bij de financiële verantwoording (inclusief de baten-lastendiensten) van het ministerie over 2013 verder geen sprake is van overschrijding van de rapportagegrenzen (1% voor onjuistheden en 3% voor onzekerheden).

Totstandkoming beleidsinformatie

Met de begroting 2014 is invulling gegeven aan een sluitende set indicatoren en kengetallen in de begroting. Deze indicatoren en kengetallen sluiten aan bij de rollen en verantwoordelijkheden van de Minister, zoals deze per artikel in de begroting zijn opgenomen. Hiermee is invulling gegeven aan een van de aspecten van «Verantwoord Begroten».

Hierbij zijn de rollen en verantwoordelijkheden nog eens tegen het licht gehouden en is zo mogelijk voor elke rol een kengetal of indicator benoemd, die ofwel in de begroting wordt opgenomen, ofwel te vinden is in een andere openbare publicatie of bron. Ten opzichte van de begroting 2013 is in een aantal artikelen het aantal kengetallen en indicatoren gereduceerd.

Het ministerie maakt gebruik van interne en externe gegevensbronnen. Dit kunnen eigen beleidsinformatiesystemen binnen het ministerie zijn, maar ook informatie van derden. De beschikbare informatie die in een kengetal of indicator is verwerkt, dient navolgbaar en achteraf reconstrueerbaar te zijn.

Uit hoofde van haar wettelijke taak heeft de Auditdienst Rijk (ADR) ook dit jaar onderzocht in hoeverre sprake is van een deugdelijke totstandkoming van de beleidsinformatie. Hiertoe is onderzocht, van een steekproef van circa 1/3 van de prestatie indicatoren en kengetallen die staan opgenomen in de beleidsartikelen van het jaarverslag van IenM en die zijn ontleend aan interne informatiesystemen en aan informatiebronnen van derden

  • of eventueel aanvullende kwaliteitseisen vanuit de Tweede Kamer worden nageleefd

  • of de beleidsinformatie die als uitkomst van het totstandkomingsproces wordt opgeleverd op volledige en juiste wijze in de begroting en in het jaarverslag is opgenomen.

De ADR geeft aan dat er deels sprake is van een deugdelijke totstandkoming van de informatie over het beleid. Door beperkte dossiervorming en het ontbreken van (integrale) procesbeschrijvingen is volgens de ADR het totstandkomingsproces achteraf echter niet altijd goed reconstrueerbaar. IenM zal actie ondernemen om dit te verbeteren.

Financieel- en materieel beheer

Geconstateerde onvolkomenheden over 2012

In 2013 is veel aandacht besteed aan het op orde brengen van de door de Algemene Rekenkamer (AR) geconstateerde onvolkomenheden over 2012. Dit betroffen de volgende onderwerpen:

  • Financieel beheer ILT

  • Inkoopbeheer beleidskern

  • Informatiebeveiliging beleidskern

  • Informatiebeveiliging bij Rijkswaterstaat

Hieronder wordt ingegaan op de uitgevoerde verbeteracties bij deze onderwerpen.

Financieel beheer ILT

In 2013 heeft ILT veel inspanning geleverd om het financieel beheer op orde te brengen. Dit heeft geresulteerd in een meer beheerste jaarafsluiting, maar het financieel beheer is nog niet structureel op orde. Acties om het financieel beheer structureel te verbeteren zullen in 2014 worden doorgezet.

Het directieteam van de ILT volgt de ontwikkelingen betreffende het financieel beheer op de voet. Het onderwerp staat wekelijks op de DT-agenda zodat kortcyclisch en direct bijgestuurd kan worden. Ook in de interne managementcontracten worden de gewenste en uit te voeren verbeterpunten opgenomen. Daarnaast is vanuit de directie Bedrijfsvoering in de tweede helft van 2013 gestart met een directie breed structureel verbeterprogramma, waarin het financieel beheer een belangrijk onderwerp is en waarvan de verbeteringen in 2014 gerealiseerd zullen worden.

De overdracht van de financiële administratie van ILT naar de Shared Service Organisatie (SSO), die was gepland op 1 januari 2014, is uitgesteld. Reden hiervan is dat een aantal specifieke ILT-processen onvoldoende uniform is en onvoldoende beschreven om ze nu over te kunnen dragen. Voor de basistaken van inkoop tot betalen is procesmatig al wel aansluiting gemaakt met de geautomatiseerde werkwijze van de SSO.

Voor zowel de SSO als de ILT lag de focus in de eerste maanden van 2014 op het afsluiten van het financiële jaar 2013. Er is nog geen nieuwe overdrachtsdatum afgesproken, maar overdracht voor 1 juli 2014 lijkt onwaarschijnlijk. Dit is mede afhankelijk van de verbetering van financieel beheer.

Inkoopbeheer beleidskern

Bij het grootste deel van IenM is het inkoopbeheer voldoende op orde. Er zijn maatregelen genomen om te borgen dat de inkopen ook voldoen aan de eisen van de nieuwe aanbestedingswet die in 2013 is ingevoerd.

Bij de beleidskern was het inkoopbeheer eind 2012 onvoldoende op orde. Om dit te verbeteren, zijn diverse acties in gang gezet. De professionalisering van inkopen die de inkooporganisatie van de beleidskern in 2012 heeft ingezet, is in 2013 met kracht voortgezet. Het contractenregister, de aanbestedingskalender en inkoopanalyses zijn verbeterd en interne controles zijn aangescherpt. De rode draad in het verbetertraject is het verbinden van beleid en inkoop:

  • Medewerkers en het management van beleidsafdelingen worden (periodiek) geïnformeerd over het inkoopproces en de relevante regelgeving;

  • Door middel van spendanalyses (ex post en ex ante) wordt inzicht gekregen in de diverse soorten inkopen en inkooptrajecten;

  • De inkooporganisatie van de beleidskern controleert bij alle inkopen of voldaan wordt aan de (Europese) aanbestedingsregels. Dit gebeurt integraal omdat bij de beleidskern het risico op afwijkingen groter is dan bij de rest van IenM, vanwege de aard van de opdrachten (met name bij beleidsadviezen wordt vaker afgeweken).

  • In het inkoopproces proces wordt afgedwongen dat alleen «bewust» wordt afgeweken: de verantwoordelijke DG’s moeten een motivering ondertekenen voordat het contract met de leverancier wordt ondertekend;

  • Ieder kwartaal rapporteert de inkooporganisatie van de beleidskern de afwijkingen van (Europese) aanbestedingsregels in de inkoop monitorrapportage. Hierin zijn ook nieuwe regels uit de in 2013 in werking getreden aanbestedingswet opgenomen;

  • In 2013 is de aanbestedingskalender in samenwerking met beleidsmedewerkers uitgebreid met alle voorgenomen en geraamde inkopen. Hierdoor kunnen inkoopadviseurs meer doelgericht, tijdig en proactief beleidsmedewerkers (behoeftestellers) benaderen en ondersteunen bij het doorlopen van complexe inkooptrajecten.

Ondanks de communicatie en ondersteuning vanuit de inkooporganisatie van de beleidskern, waren er in 2013 nog relatief veel afwijkingen van de aanbestedingsregels (zie paragraaf rechtmatigheid). De inkooporganisatie van de beleidskern heeft een inhoudelijke analyse gemaakt van de afwijkingen en adviezen gedaan om het aantal afwijkingen te kunnen verlagen. In 2014 wordt hier in samenwerking met de decentrale controllers vervolg aan gegeven.

De inkooporganisatie van de beleidskern is ook betrokken bij rijksbrede ontwikkelingen op inkoopgebied. IenM levert haar aandeel bij het rijksbreed uitbouwen en inrichten van categoriemanagement. In 2013 zijn voorstudies/categorieplannen voor de toegewezen categorieën opgesteld. Afhankelijk van de besluitvorming over die plannen door de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering RIjksdienst (ICBR) begin 2014, wordt de verdere realisatie en uitrol van die studies/plannen ter hand genomen.

(Informatie)beveiliging beleidskern en Rijkswaterstaat

Het integrale beveiligingsbeleid IenM 2013 is op 18 april 2013 vastgesteld. Daarmee is ook formeel duidelijkheid gecreëerd over de organisatie, taken en verantwoordelijkheden binnen IenM met betrekking tot informatiebeveiliging.

Deze duidelijkheid is voorwaardenscheppend om als IenM controleerbaar te kunnen voldoen aan de eisen die moeten worden gesteld aan de beschikbaarheid, vertrouwelijkheid en integriteit van informatie(systemen) waarvan het departement afhankelijk is. In het afgelopen jaar is deze controleerbaarheid toegenomen door de activiteiten van het PRogrammateam Industriele Automatisering Rijkswaterstaat (PRIA) en de inrichting van een aparte eenheid informatiebeveiliging bij DCI die verantwoordelijk is voor het functioneel beheer en de beveiliging van de bij de Bestuurskern geregistreerde informatiesystemen. RWS heeft een strategie geformuleerd rondom het omgaan met vertrouwelijke informatie en een opzet voor borging in de lijnorganisatie gerealiseerd.

Uitgangspunt van het beveiligingsbeleid van IenM is dat het management verantwoordelijk is. Het gaat er om dat zij, ondersteund door hun beveiligingsorganisatie, een beter gevoel ontwikkelen voor informatiebeveiligingsrisico’s, het beheersen van die risico’s door getroffen maatregelen dan wel het bewust en onderbouwd (explain) aanvaarden van de restrisico’s. Het beveiligingsbeleid noemt naast intern te beïnvloeden risico’s ook dreigingen van buitenaf zoals bijvoorbeeld spionage en cybersecurity. In dat kader wordt er besluitvorming voorbereid met betrekking tot maatschappelijk vitale infrastructuur voor de ontwerpbegroting 2015.

De vernieuwde Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst die eind 2012 is vastgesteld, beschrijft de invulling (implementatierichtlijnen en eisen voor de procesinrichting) van NEN/ISO 27001 en 27002 voor de Rijksoverheid. Voor deze minimale eisen gesteld aan de informatiebeveiliging van de IT infrastructuur Rijksdienst is Rijksbreed eind 2013 een operationele handreiking ter beschikking gekomen. Een projectgroep Implementatie is IenM breed geformeerd.

In 2013 heeft RWS verder gewerkt aan een ordening van processen, objecten en missie kritieke systemen om te komen tot een effectieve strategie in de aanpak van de cyber security van Rijkswaterstaat, binnen de beperkingen van beschikbare capaciteit en middelen. De beleidslijnen cyber security zijn vastgesteld, er zijn risicoanalyses voor alle missie kritieke systemen uitgevoerd – met inachtneming van de eisen die de Baseline Informatiebeveiliging Rijk (BIR) stelt en er is een Security Operations Center opgericht.

Overige topprioriteiten financieel beheer

Implementatie toezicht

Bij IenM is per 2013 een nieuw sturing- en toezichtarrangement op uitvoeringsorganisaties op afstand (ZBO’s en RWT’s) van kracht. Deze bestaat uit een algemene sturing- en toezichtvisie en organisatiespecifieke regelingen en beleidsregels. In 2013 zijn rijksbreed alle ZBO’s doorgelicht waarbij de conclusie van het kabinet was dat de zelfstandige status gerechtvaardigd is, het stelsel van ZBO’s redelijk gezond is en voor de taken goede reden zijn om deze door ZBO’s uit te laten voeren. Voor de grote IenM tariefgefinancierde ZBO’s (CBR, Kadaster, LVNL en RDW) is de specifieke conclusie dat deze materieel voldoen aan het kabinetsbeleid en de huidige verdeling in taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden geen aanpassing behoeft. Ook in de toekomst kunnen deze ZBO’s blijven werken met raden van toezicht. In 2014 zal op basis van een individuele business case onderzocht worden of de ZBO status van Vamex, IBKI en Stichting Airport Coordination Netherlands aanpassing behoeft. Het kabinet zal in 2014 aan de Kamer voorstellen de Kaderwet ZBO’s zodanig aan te passen dat ZBO’s, die regelgebonden taken uitvoeren, verplicht kunnen worden gebruik te maken van de rijksbrede bedrijfsvoeringsinfrastructuur.

De ZBO’s van IenM hebben veel last van de economische crisis. IenM heeft via de aansturing en toezicht in 2013 nadrukkelijk gevraagd via de financieel meerjarige beleidsstukken en de begroting om hieraan aandacht te besteden. Uitgangspunt is dat de continuïteit van de door ZBO’s uit te voeren taken is gewaarborgd en de ZBO’s binnen hun bedrijfsvoering de gevolgen van de recessie zoveel als mogelijk zelf opvangen. De IenM ZBO’s hebben hierop allemaal initiatieven ontplooid om te komen tot besparingen maar die zijn niet altijd toereikend. Aanvullend is daarom door enkele ZBO’s besloten tot bovenwaartse bijstelling van tarieven.

Voor de vier grote publiekrechtelijke ZBO’s zijn aanvullende aandachtpunten bij het controleprotocol (ten behoeve van de externe accountant) vastgesteld. Deze aandachtspunten treden niet in de plaats van formele wet- en regelgeving (organisatie specifieke regelingen). Beoogd is meer uniformiteit aan te brengen en een zo actueel mogelijk protocol te blijven houden dat aansluit bij de nieuwste accountancyregelgeving en inzichten. Aanvullend wordt ten aanzien van de doelmatigheid en het zogenaamde «in-control-statement» een groeitraject (formuleren kpi’s) ingezet om deze elementen tot professionele wasdom te laten komen.

Systeemgerichte Contractbeheersing RWS, inclusief DBFM contracten

In 2013 is een aantal verbeteringen doorgevoerd ten aanzien van de efficiency van de contractbeheersing door een zoveel mogelijk systeemgerichte benadering. Met SCB toetst RWS risicogestuurd het kwaliteitssysteem van de opdrachtnemer om na te gaan of de contractuele verplichtingen worden nageleefd. De focus van de verbeteringen richtten zich op kennis, competenties en vaardigheden van bij het contractbeheer direct betrokkenen: contractmanager, manager projectbeheersing en de (lead)auditors. Met betrekking tot de individuele projecten heeft opvolging van de verbeteracties uit 2012 plaatsgevonden. De managementaandacht is vastgehouden. Dit heeft geresulteerd in een verdere doorontwikkeling van SCB bij de onderhoudsprojecten; bij de aanlegprojecten is de implementatiegraad verder verankerd. De verantwoordelijkheid voor de doorontwikkeling op SCB is in 2013 centraal belegd. Tevens is een transitieplan SCB opgesteld waarlangs de nog te nemen stappen verder zijn gestroomlijnd en aanvullende controles beheerst kunnen worden afgebouwd. De monitoring van SCB heeft bij de aanlegprojecten plaatsgevonden in de vorm van een interne audit en bij de onderhoudsprojecten in de vorm van een zelfevaluatie. De bevindingen hieruit waren input voor het transitieplan SCB en hebben, waar nodig, tot herstelacties geleid.

Ten aanzien van DBFM is de taak tot het standaardiseren van uitvraag, werkwijze en hulpmiddelen eenduidig belegd. De aandacht verlegt zich van marktbenadering naar contractbeheersing. De ervaringen rondom de beheersing van de eenmalige betalingen zijn vastgelegd in een «good practice». Verder worden acties ondernomen welke onder meer betrekking hebben op het vereenvoudigen van de DBFM-standaard voor contractering om de beheerslast te verminderen. Tot slot is er door de ADR een audit uitgevoerd naar de opzet en werking van het prestatiemeetsysteem bij de opdrachtnemers. De verbeterpunten hieruit worden op dit moment uitgewerkt.

Verplichte onderwerpen

Onderkende frauderisicos en de maatregelen die zijn of worden ingezet om deze risico’s te beheersen

IenM beheerst frauderisico’s goed.

Het basisprincipe van het integriteitbeleid bij IenM is dat iedereen verantwoordelijk is voor het eigen handelen, daarover verantwoording aflegt en elkaar daarop kan aanspreken.

Heldere afspraken en duidelijke spelregels zijn hierbij van belang. Daarom heeft IenM de gedragscode «Bewust integer» opgesteld waarin alle IenM’ers (ambtenaren én externen) handvatten kunnen vinden om integer te werk te gaan:

  • In deze code staan de belangrijkste regels op het gebied van integriteit binnen het Rijk en binnen IenM worden gehanteerd. De gedragscode gaat niet alleen in op de laatste ontwikkelingen in wet- en regelgeving, bijvoorbeeld de aangescherpte Klokkenluiderregeling, maar besteedt ook aandacht aan onderwerpen die binnen en buiten het departement leven. Zo wordt aandacht besteed aan «Het Nieuwe Werken» en aan «Sociale Media», onderwerpen die nog volop in ontwikkeling zijn.

  • Regels bieden zeker niet in alle gevallen uitkomst. Daarom biedt Bewust Integer ook een «handreiking voor verantwoord handelen» in de vorm van de vier criteria, verantwoordelijk, onafhankelijk, betrouwbaar en zorgvuldig, die de lezer kunnen ondersteunen bij het ontrafelen van een dilemma.

IenM heeft een landelijke netwerk van integriteitscoördinatoren en vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen. Verder wordt bij de dienstonderdelen met grote regelmaat aandacht geschonken aan bewustwording door middel van integriteitprogramma’s en zijn er speciale trainingsfaciliteiten zoals masterclasses voor leidinggevenden. Jaarlijks voert de ADR in opdracht van IenM audits uit naar integriteit binnen dienstonderdelen.

De relatie met de markt krijgt bij IenM veel aandacht. Zowel de aanleg van wegen, vaarwegen en kunstwerken als het beheer en onderhoud daarvan worden uitbesteed aan de markt. Mogelijke risico’s hierbij zijn strafrechtelijke risico’s als omkoping en fraude, mededingingsrechtelijke risico’s als marktverdeling en prijsafspraken, alsmede het niet opmerken, melden of oppakken van signalen over mogelijke onregelmatigheden.

In procedures rondom aanbesteding, handhaving en inkoop zijn maatregelen ingebouwd om de integriteitsrisico’s af te dekken. Onafhankelijkheid van derden en scheiding van verantwoordelijkheden wordt geborgd door de interne procedures. Bovendien kent IenM procedures voor het signaleren en melden van onregelmatigheden. Daarnaast heeft RWS beleid ontwikkeld voor het tegengaan van voorkennis en belangenverstrengeling bij aanbestedingen. Zo heeft RWS een Gedragscode Publiek Opdrachtgeverschap ontwikkeld en heeft RWS een centraal meldpunt ingesteld waar opdrachtnemers met opmerkingen en klachten terecht kunnen.

Tot slot zijn er kwetsbare functies (functies die naar hun aard en/of inhoud een potentieel risico kunnen vormen voor de aantasting van de integriteit van de organisatie) benoemd waarbij er aanvullende maatregelen (functie/taakwisseling) getroffen zijn om integriteitsrisico's te verminderen.

Meldingen van vermoedens van onregelmatigheden worden jaarlijks gemeld aan de Tweede Kamer via BZK. Er hebben zich in 2013 geen zaken voorgedaan die in AO-technisch (administratieve organisatie) opzicht zijn veroorzaakt of in de hand gewerkt door een onvoldoende scheiding tussen de beschikkende, de bewarende en de registrerende functie (het risico van functievermenging is bij IenM afgedekt).

Open standaarden

De instructie rijksdienst bij aanschaf ICT-diensten of -producten schrijft voor dat over de mate van naleving van deze instructie in de bedrijfsvoeringsparagraaf verantwoording wordt afgelegd.

Deze instructie wordt door IenM in algemene zin goed nageleefd. Dit betekent dat IenM, (inclusief de agentschappen van IenM) bij aanschaf van een ICT dienst of product waar mogelijk gebruik maakt van de desbetreffende open standaard(en). Hiervan wordt slechts afgeweken indien aansluiting op reeds bestaand (specifiek) ICT systemen noodzakelijk is.

Op verzoek van de Chief Information Officer (CIO) van IenM is in 2013 bekeken welke open standaarden volgens de «pas toe of leg uit lijst» van het Forum Standaardisatie binnen IenM zoal worden gebruikt. Op basis hiervan is afgesproken om in het kader van applicatieportfoliomanagement (APM) per applicatie vast te leggen welke open standaarden worden gebruikt dan wel of daarvan gemotiveerd is afgeweken. Dit register is nog in opbouw.

Ook in 2013 is overeenkomstig het kabinetsbeleid intensief gewerkt aan het verbeteren van de toegankelijkheid van IenM websites (mede op basis van testrapporten van gecertificeerde keuringsinstanties). Het doen verschijnen van de rijksbrede handreiking toepassing webrichtlijnen heeft dit proces ondersteund.

Overige aspecten van de bedrijfsvoering (verplichte onderwerpen)

Betaalgedrag

IenM voldoet met 96% ruim aan de kabinetsdoelstelling dat minimaal 90% van de facturen binnen 30 dagen wordt betaald.

Grote lopende ICT-projecten bij het ministerie en de risico’s daarvan voor de privacy en de uitvoering

Bij de ontwikkeling van beleid en wetgeving en bij de bouw van ICT-systemen en de aanleg van databestanden, zullen privacybelangen worden meegewogen, conform besluit van de Ministerraad van 21 juni 2013. Het Ministerie van BZK heeft hiervoor een toetsmodel ontworpen, de zogenoemde Privacy Impact Assesment (PIA). Dit model is sinds 1 september 2013 van kracht.

Bij IenM worden de resultaten van een uitgevoerde PIA telkens – nog in de fase van beleids-ontwikkeling – ter beschikking gesteld aan de betrokken functionaris voor de gegevensbescherming (FG) en, waar nodig, aan de betrokken CIO. Over grote ICT-projecten rapporteert IenM, via BZK, aan de Tweede Kamer.

Verslag van de activiteiten van het Audit Committee in 2013 en van de uitkomsten van de evaluaties over het functioneren van het Audit Committee

Het Audit Committee is een adviesorgaan van de SG en een platform voor het bespreken van besturings- en beheersings-vraagstukken met als doel de bedrijfsvoering binnen IenM op het gewenste niveau te krijgen en te houden.

Het Audit Committee is in 2013 vier keer bij elkaar gekomen. In de bijeenkomsten is uitgebreid stilgestaan bij de acties naar aanleiding van de bevindingen van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk. Er zijn vijf topprioriteiten financieel beheer genoemd, waarvan het Audit Committee de acties monitort. Dit waren in 2013 de vier onvolkomenheden over 2012 (waarvan twee zijn samengevoegd), de implementatie van de toezichtvisie en systeemgerichte contractbeheersing bij RWS. In de vergaderingen zijn acties en ontwikkelingen van deze topprioriteiten besproken. Ook heeft het Audit Committee stilgestaan bij de thema’s toezicht op ZBO’s, informatiebeveiliging RWS en herzien governancemodel voor grote projecten.

Op verzoek van het Audit Committee is in 2013 extra aandacht besteed aan risicomanagement. Naast het rijksbrede onderzoek naar risicomanagement door de Auditdienst Rijk heeft IenM zelf ook intern onderzoek gedaan naar sturing en beheersing van risico’s binnen IenM. De resultaten zijn besproken in het Audit Committee. Het Audit Committee heeft geconcludeerd dat het risicomanagement op systeemniveau adequaat is opgezet.

In de tweede helft van 2012 heeft de audit commissie een zelfevaluatie uitgevoerd. De eerstvolgende zelfevaluatie vindt plaats in 2014.

DEEL C. JAARREKENING

7 VERANTWOORDINGSSTATEN

7.1 Departementale verantwoordingsstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (H-XII) (bedragen x € 1.000)

   

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

Art.

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 1

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

   

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

 

TOTAAL

 

9.985.497

176.056

 

9.857.324

220.579

 

– 128.173

44.523

                     
 

Beleidsartikelen

                 

11

Waterkwantiteit

45.755

40.946

470

37.457

41.021

78

– 8.298

75

– 392

12

Waterkwaliteit

48.085

100.756

0

70.389

78.565

0

22.304

– 22.191

0

13

Ruimtelijke ontwikkeling

157.114

147.634

934

35.851

112.483

6.938

– 121.263

– 35.151

6.004

14

Wegen en verkeersveiligheid

40.180

40.405

6.782

31.318

32.729

5.236

– 8.862

– 7.676

– 1.546

15

Openbaar vervoer

6.362

8.316

0

3.018

8.200

10

– 3.344

– 116

10

16

Spoor

9.473

38.049

0

10.051

60.350

0

578

22.301

0

17

Luchtvaart

14.958

23.341

42.751

27.313

21.796

38.863

12.355

– 1.545

– 3.888

18

Scheepvaart en havens

6.113

6.464

0

5.077

5.361

97

– 1.036

– 1.103

97

19

Klimaat

29.252

92.943

120.000

27.629

86.983

134.567

– 1.623

– 5.960

14.567

20

Lucht en geluid

25.259

78.823

0

84.084

90.946

337

58.825

12.123

337

21

Duurzaamheid

19.754

44.601

0

8.880

11.596

125

– 10.874

– 33.005

125

22

Externe veiligheid en risico's

12.122

17.233

0

34.184

29.451

16.919

22.062

12.218

16.919

23

Meteorologie, seismologie en aardobservatie

47.046

46.310

0

42.042

43.001

0

– 5.004

– 3.309

0

24

Handhaving en toezicht

136.654

136.654

0

130.230

130.230

0

– 6.424

– 6.424

0

25

Brede doeluitkering

1.746.573

1.870.605

0

2.000.820

2.046.018

0

254.247

175.413

0

26

Bijdrage investeringsfondsen

6.761.720

6.761.720

0

6.696.616

6.696.616

0

– 65.104

– 65.104

0

                     
 

Niet-beleidsartikelen

                 

97

Algemeen departement

21.203

23.429

2.685

42.119

25.740

4.271

20.916

2.311

1.586

98

Apparaatsuitgaven Kerndepartement

349.429

350.087

2.434

336.847

336.238

13.138

– 12.582

– 13.849

10.704

99

Nominaal en onvoorzien

157.181

157.181

0

0

0

0

– 157.181

– 157.181

0

X Noot
1

De gerealiseerde bedragen zijn steeds naar boven afgerond (€ 1.000).

7.2 Verantwoordingsstaten agentschappen

Samenvattende verantwoordingsstaat 2013 inzake de agentschappen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) (bedragen x € 1.000)
 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

(4)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 1

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie t-1

Agentschap RWS

       
         

Totale baten

2.171.821

2.422.375

250.554

2.374.597

Totale lasten

2.156.321

2.425.901

269.580

2.360.757

Saldo van baten en lasten

15.500

– 3.526

– 19.026

13.840

         

Totale kapitaalontvangsten

97.900

39.180

– 58.720

34.995

Totale kapitaaluitgaven

140.274

82.486

– 57.788

87.614

X Noot
1

De gerealiseerde bedragen zijn steeds naar boven afgerond (€ 1.000).

 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

(4)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 1

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie t-1

Agentschap ILT

       
         

Totale baten

145.236

155.739

10.503

158.892

Totale lasten

146.956

144.236

– 2.720

150.949

Saldo van baten en lasten

– 1.720

11.503

13.223

7.943

         

Totale kapitaalontvangsten

4.600

351

– 4.249

1.717

Totale kapitaaluitgaven

9.100

6.464

– 2.636

3.690

X Noot
1

De gerealiseerde bedragen zijn steeds naar boven afgerond (€ 1.000).

 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

(4)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 1

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie t-1

Agentschap KNMI

       
         

Totale baten

65.407

59.842

– 5.565

64.246

Totale lasten

65.407

57.566

– 7.841

62.980

Saldo van baten en lasten

0

2.276

2.276

1.266

         

Totale kapitaalontvangsten

3.000

1.253

– 1.747

2

Totale kapitaaluitgaven

5.381

3.253

– 2.128

3.196

X Noot
1

De gerealiseerde bedragen zijn steeds naar boven afgerond (€ 1.000).

 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

(4)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 1

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie t-1

Agentschap NEa

       
         

Totale baten

7.459

7.466

7

7.857

Totale lasten

7.459

6.864

– 595

6.930

Saldo van baten en lasten

0

602

602

927

         

Totale kapitaalontvangsten

0

0

0

1.000

Totale kapitaaluitgaven

400

2.050

1.650

200

X Noot
1

De gerealiseerde bedragen zijn steeds naar boven afgerond (€ 1.000).

7.3 Saldibalans per 31 december 2013 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) en de bij die saldibalans behorende toelichting

Activa:

 

2013

 

2012

 

Passiva:

 

2013

 

2012

Begrotingsuitgaven

9.857.315

10.503.652

 

Begrotingsontvangsten

220.575

97.718

Liquide middelen

0

0

 

Rekening-courant RHB

9.608.504

10.226.897

Intra-comptabele vorderingen

3.397

6.913

 

Intra-comptabele schulden

41.823

38.631

Extra-comptabele vorderingen

11.029

15.249

 

Tegenrek. extra-comptabele vorderingen

11.029

15.249

Leningen u/g

6.645

6.645

 

Tegenrekening leningen u/g

6.645

6.645

Voorschotten

8.436.715

9.131.726

 

Tegenrekening voorschotten

8.436.715

9.131.726

Tegenrek. openstaande verplichtingen

2.784.347

3.011.813

 

Openstaande verplichtingen

2.784.347

3.011.813

Tegenrek. openstaande garantieverplichtingen

109.062

114.101

 

Openstaande garantieverplichtingen

109.062

114.101

Sluitrekening Infrastructuurfonds

12.260

0

 

Sluitrekening Infrastructuurfonds

0

147.319

           

Sluitrekening Deltafonds

2.070

0

                     

Totaal-activa

21.220.770

22.790.099

 

Totaal-passiva

21.220.770

22.790.099

(Bedragen x € 1.000)

7.3.1 Inleiding

Samenstelling

Als een Minister meer dan één begroting beheert, in dit geval Infrastructuur en Milieu (XII), het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, wordt per begroting een saldibalans opgesteld. Daarom zijn er drie overzichten opgesteld. Hierbij is gebruik gemaakt van de in de begrotingsadministratie van het SAP vastgelegde gegevensstructuur, waarin voor iedere begroting afzonderlijk een hoofdstuknummer is opgenomen.

Voor de begroting van Hoofdstuk XII, het Infrastructuurfonds en het Deltafonds worden geen gescheiden administraties gevoerd waardoor posten die niet zonder meer toewijsbaar zijn aan een bepaalde begroting, zijn opgenomen in de saldibalans van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII).

Daarmee is de saldibalans volgens het gestelde in de RDB samengesteld.

Uitzonderingen daarop zijn de leningen u/g en de openstaande garantieverplichtingen. Hoewel deze een onderdeel vormen van de extracomptabele vorderingen respectievelijk de openstaande verplichtingen zijn deze omwille van de inzichtelijkheid afzonderlijk gepresenteerd.

7.3.2 Activa
7.3.2.1 Begrotingsuitgaven € 9.857.315.194

Grondslag

De begrotingsuitgaven van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) sluiten aan op de Rekening. Ze zijn artikelsgewijs verdeeld in kolom 2 (realisatie) van de Rekening van het ministerie welke Rekening als verantwoordingsstaat bij de financiële verantwoording behoort.

7.3.2.2 Liquide middelen € 380

Grondslag

De rekening liquide middelen is samengesteld uit de kassaldi van de kasbeheerders en de aan de kasvoorschothouders verstrekte gelden.

7.3.2.3 Intracomptabele vorderingen € 3.396.909

De cijfers

Tabel 1 geeft een nadere detaillering in aantallen en openstaande bedragen per 31 december 2013 verdeeld naar ouderdom. Daarnaast is een meerjarig perspectief gegeven door de jaren 2011 en 2012 te vermelden.

Tabel 1: Intracomptabele vorderingen (bedragen x € 1.000)

Openstaand

2013

2012

2011

 

aantal

bedrag

aantal

bedrag

aantal

bedrag

posten < 1 jaar

115

2.461

155

6.051

255

6.935

posten > 1 jaar

210

936

180

862

120

1.922

Totaal

325

3.397

335

6.913

375

8.857

Toelichting

Alle intracomptabele vorderingen zijn als direct opeisbaar beschouwd.

7.3.2.4 Extracomptabele vorderingen € 11.028.629

De cijfers

Tabel 2 geeft een nadere detaillering in aantallen en openstaande bedragen per 31 december 2013 verdeeld naar ouderdom. Daarnaast is een meerjarig perspectief gegeven door de jaren 2011 en 2012 te vermelden.

Tabel 2: Extracomptabele vorderingen (bedragen x € 1.000)

Openstaand

2013

2012

2011

 

aantal

bedrag

aantal

bedrag

aantal

bedrag

posten < 1 jaar

75

3.230

50

1.243

155

8.183

posten > 1 jaar

100

7.799

115

14.006

565

25.958

Totaal

175

11.029

165

15.249

720

34.141

Toelichting

De extracomptabele vorderingen zijn grotendeels direct opeisbaar. Daar waar sprake is van dubieuze vorderingen of op termijn opeisbare vorderingen, is dat expliciet vermeld.

7.3.2.5 Leningen u/g € 6.645.157

Grondslag

De door IenM verstrekte geldleningen (niet zijnde voorschotten) zijn afzonderlijk weergegeven. Deze leningen zijn, gezien het specifieke karakter, zowel op korte termijn opeisbare vorderingen, als op lange termijn opeisbare vorderingen beschouwd.

De cijfers

Tabel 3 geeft de openstaande bedragen van de verstrekte geldleningen per geldnemer weer.

Tabel 3: Leningen u/g (x € 1.000)

Naam

Bedrag

Luchtverkeersleiding Nederland

6.645

Totaal

6.645

Toelichting

Bij de verzelfstandiging per 1 januari 1993 van de directie Luchtverkeersbeveiliging, vanaf 2000 LVNL geheten, is onder meer afgesproken, dat het saldo van de over te dragen activa en passiva wordt gefinancierd door een door de Staat der Nederlanden aan de LVNL te verstrekken lening. Deze lening was opgebouwd uit drie onderdelen. Echter met het oog op een maximale kostenbesparing voor de LVNL is in 1998 overgegaan tot een vervroegde aflossing van twee van de drie onderdelen.

Nu resteert nog slechts het derde onderdeel met een bedrag van circa € 7 miljoen. Dit onderdeel is niet rentedragend, niet aflosbaar en direct opeisbaar bij een voorgenomen opheffing, overname of fusie van de LVNL.

7.3.2.6 Voorschotten € 8.436.714.689

Grondslag

De voorschotten betreffen betalingen waarvan nog niet is vastgesteld dat aan alle relevante voorwaarden is voldaan en gaat met name om subsidies en bijdragen.

De cijfers

Tabel 4 geeft een nadere detaillering in aantallen en openstaande bedragen per 31 december 2013 verdeeld naar ouderdom. Daarnaast is een meerjarig perspectief gegeven door de jaren 2011 en 2012 te vermelden.

Tabel 4: Voorschotten (bedragen x € 1.000)

Openstaand

2013

2012

2011

 

aantal

bedrag

aantal

bedrag

aantal

bedrag

posten < 1 jaar

305

4.772.263

530

3.699.145

515

4.573.721

posten > 1 jaar

355

3.664.452

305

5.432.581

655

2.459.020

Totaal

660

8.436.715

835

9.131.726

1.170

7.032.741

Tabel 5 verstrekt informatie over de in 2013 afgerekende voorschotten.

Tabel 5: Afgerekende voorschotten (x € 1.000)

Stand per 1 januari 2013

9.131.726

Conversie van Infrastructuurfonds

38.077

 

9.169.803

In 2013 vastgelegde voorschotten

4.531.468

 

13.701.271

In 2013 afgerekende voorschotten

– 5.264.556

Openstaand per 31 december 2013

8.436.715

Toelichting

Artikel 11 Waterkwantiteit

In het kader van integraal waterbeleid zijn aan diverse organisaties voorschotten verstrekt voor ruim € 17 miljoen om de doeltreffendheid en doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium van het waterbeleid te verbeteren. Zo zijn voorschotten verstrekt aan het agentschap EVD voor het programma Partners voor Water circa € 12 miljoen en is in 2011 aan het Waterschap Brabantse Delta een voorschot van ruim € 5 miljoen verstrekt. De afrekeningen worden in 2014/2015 verwacht.

Artikel 12 Waterkwaliteit

Voor de Tijdelijke regeling eenmalige uitkering stedelijke synergieprojecten kaderrichtlijn water is aan het Agentschap NL een voorschot verstrekt van circa € 7 miljoen welke naar verwachting in 2014 wordt afgewikkeld.

Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling

Voorschotten met een totaalbedrag van circa € 229 miljoen zijn verstrekt met betrekking tot projecten voor gebiedsontwikkeling. Zo heeft de vraag in de jaren 2004/2008 naar groen en recreatieruimte en het handhaven van de open ruimten tussen de steden geresulteerd in het inzetten van het instrument Bufferzones. Hiermee zijn gronden aangekocht waarbij de provincies verantwoordelijk zijn voor het opstellen van ontwikkelingsplannen voor regionale parken. Een bedrag van circa € 134 miljoen aan voorschotten staat open. In het kader van de Nota Ruimte zijn aan diverse gemeenten voorschotten verstrekt van ruim € 90 miljoen. Afwikkeling van de voorschotten zal na afronding en verantwoording plaatsvinden in de komen de jaren.

In het kader van het meerjarenplan Wet Bodembescherming zijn voorschotten verstrekt van ruim € 132 miljoen. Zo is voor de uitvoering van de bodemsanering aan provincies en gemeenten ruim € 90 miljoen verstrekt. Om andere overheden in staat te stellen op gebiedsniveau te komen tot de gewenste kwaliteit van de leefomgeving zijn in de jaren 2008–2010 bijdragen aan het Ministerie van EZ verstrekt voor het Investeringsbudget Landelijk Gebied van circa € 30 miljoen voor het uitvoeren van projecten.

Voor de aanleg van een rioolwaterzuiveringsinstallatie en rioolaansluitingen op Bonaire heeft het ministerie ruim € 12 miljoen aan de Uitvoeringsorganisatie Stichting Ontwikkeling Nederlandse Antillen (USONA) beschikbaar gesteld.

Voor het realiseren van een duurzaam gebruik van bodem, ondergrond en grondwater zijn op grond van de Wet Bodemsanering voorschotten verstrekt van circa € 87 miljoen. Op basis van het convenant Bodemsanering NS percelen is aan de stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen (SBNS) ruim € 27 miljoen verstrekt. Voorschotten zijn verstrekt aan de Stichting Bosatex, gespecialiseerd in saneringen op verontreinigingen in de textielverzorgingsbranche circa € 20 miljoen, aan de Stichting Bodemcentrum circa € 20 miljoen, aan de Commissie voor de Milieueffectrapportage, die het bevoegd gezag adviseert over de inhoud en kwaliteit van milieueffectrapporten circa € 8 miljoen en aan de Stichting Kennisontwikkeling Kennisoverdracht Bodem (SKB) is voor het uitvoeringprogramma Bodemconvenant voorschotten van circa € 8 miljoen verstrekt. Verwacht wordt dat de afwikkeling in de jaren 2014/2017 zal plaatsvinden.

Voorschotten met een gezamelijk bedrag van ruim € 58 miljoen zijn verstrekt voor de onderzoeksprogramma’s Kennis voor Klimaat ruim € 44 miljoen en Klimaatbufferprojecten ruim € 14 miljoen. In de jaren 2014/2015 worden deze vermoedelijk afgewikkeld.

Aan het landelijk samenwerkingsverband Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) en aan de Stichting SVB-BGT zijn voorschotten verstrekt van circa € 12 miljoen ten behoeve van de vorming van een nieuwe basisregistratie voor grootschalige topografie.

Artikel 14 Wegen en verkeersveiligheid

In het kader van de reductie van verkeersslachtoffers is ter verbetering van de verkeersveiligheid een gezamenlijk bedrag van ruim € 11 miljoen verstrekt aan onder andere het CBR, de SWOV, VVN en Team Alert.

Om de CO2 uitstoot te beperken en de bewustwording op het gebied van milieu en duurzaamheid te bevorderen zijn voor diverse programma’s, zoals Het Nieuwe Rijden en De Stille Klimaat Coalitie voorschotten verstrekt van ruim € 6 miljoen aan onder andere de Stichting Verenigde Eigen Rijders Nederland (VERN) en Carbon-Light Mobility (CLIM).

Artikel 16 Spoor

In het kader van de verbetering en bereikbaarheid van de personenvervoermarkt zijn met de inwerkingtreding van de vervoerconcessies, subsidiebeschikkingen verleend aan de Nederlandse Spoorwegen. Er is voor een totaalbedrag van circa € 160 miljoen aan voorschotten verstrekt waarvan de afwikkeling in 2014 wordt verwacht.

Artikel 17 Luchtvaart

Vanaf 2002 is een gezamenlijk bedrag van circa € 38 miljoen verstrekt aan de luchthaven Maastricht Aachen Airport voor het afkopen van de jaarlijkse bijdrage in de tekorten in de exploitatiebegroting en in drie tranches een investeringssubsidie welke in 2015 worden afgerekend. Daarnaast zijn voorschotten verstrekt aan Groningen Airport Eelde (circa € 29 miljoen) en Enschede Airport Twente (€ 2 miljoen). Indien de voorschotten niet binnen vijf jaar worden aangewend voor de realisatie van een baanrenovatie en een afwateringssysteem, moet tot terugbetaling worden overgegaan. De afwikkeling vindt vermoedelijk in 2015 plaats. Daarnaast zijn vanaf 2004 voorschotten verstrekt aan de NLR met een gezamenlijk bedrag van circa € 9 miljoen omdat is bijgedragen aan de financiering van een sociaalplan. Afrekening vindt plaats nadat het sociaalplan is voltooid.

Om duurzame luchtvaart te bewerkstelligen en in stand te houden zijn voorschotten verstrekt van circa € 10 miljoen aan onder andere de Stichting Bevordering Kwaliteit Leefomgeving Schipholregio (€ 10 miljoen) door het ondertekenen van het convenant Omgevingskwaliteit. Doel van het convenant is om de leefkwaliteit van gebieden waar de hinder van luchtvaartactiviteiten aanwezig is in stand te houden dan wel te verbeteren.

Aan de Stichting Mainport en Groen zijn voorschotten verstrekt voor een gezamenlijk bedrag van circa € 5 miljoen vanwege de groenvoorziening van Schiphol. Afwikkeling vindt in 2014 plaats.

Artikel 19 Klimaat

Door de ontwikkeling naar kerndepartementen is de beleidsuitvoering uitbesteed aan de externe uitvoeringsorganisatie RIVM waarop voorschotten open staan van ruim € 88 miljoen. Afwikkeling vermoedelijk in 2014/2015.

Voor de uitvoering van het Clean Development Mechanism (CDM) zijn aan de (inter-)nationale organisatie in 2013 voor ruim € 17 miljoen aan voorschotten verstrekt. De afwikkeling vindt vermoedelijk plaats in 2014.

Artikel 20 Lucht en geluid

Aan provincies en gemeenten zijn in het kader van het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit (NSL) in de jaren 2006/2013 voorschotten betaald van circa € 312 miljoen ter verbetering van de lokale luchtkwaliteit.

In het kader van de sanering van geluidslawaai zijn aan het Bureau Sanering Verkeerslawaai voorschotten verstrekt van circa € 92 miljoen om de geluidsbelasting veroorzaakt door verkeer (waaronder ook luchtvaart) en bedrijvigheid te verminderen.

Het AgenschapNL heeft circa € 17 miljoen aan voorschotten ontvangen ten behoeve van de uitvoering van de subsidieregelingen emissiearme taxi’s en bestelauto’s en emissieverminderende voorzieningen voor vrachtauto’s en bussen. Afwikkeling conform raamovereenkomst tussen AgNL en IenM.

Door de ontwikkeling naar kerndepartementen is de beleidsuitvoering betreffende uitvoeringsmanagement Sanering Verkeerslawaai uitbesteed aan de externe uitvoeringsorganisatie Meurs Bureau Sanering Verkeerslawaai. Voorschotten staan open van circa € 15 miljoen welke in 2014 worden afgewikkeld.

Artikel 21 Duurzaamheid

Ten laste van dit artikel staan verstrekte voorschotten open uit de jaren 2007 tot en met 2012 aan de Stichting Afvalfonds voor de aanpak van verpakkings- en zwerfafval van ruim € 499 miljoen. Afwikkeling wordt in 2014 verwacht.

Artikel 22 Externe veiligheid en risico’s

In het kader van externe veiligheid, inrichtingen en transport zijn voorschotten verstrekt van circa € 220 miljoen. Zo is voor de uitvoering van de saneringsregeling astbestwegen aan de Dienst Landelijk Gebied en aan de provincie Overijssel voorschotten verstrekt van respectievelijk ruim € 84 miljoen en ruim € 29 miljoen. Aan DSM Agro is als voortvloeisel van het gesloten Amoniakconvenant voor de beëindiging van de amoniaktransporten een schadevergoeding verstrekt van circa € 48 miljoen. Voor het onderzoeksprogramma Elektromagnetische velden wat wordt uitgevoerd door ZonMw zijn voorschotten verstrekt van ruim € 15 miljoen waarvan de afwikkeling in latere jaren zal plaatsvinden. Aan de regionale brandweer Zuid-Holland zuid is ruim € 15 miljoen verstrekt voor de spoorzone Drechtsteden. Hiermee worden maatregelen op het gebied van veiligheid, zoals calamiteitenbestrijdings-, waarschuwings- en communicatiesystemen, gerealiseerd. Tenslotte zijn op het beleidsterrein Verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen voorschotten verstrekt van ruim € 9 miljoen aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor het Ecologisch Onderzoeksprogramma Biotechnologie. Afwikkeling van deze voorschotten wordt in de periode 2014/2019 verwacht.

Artikel 25 Brede Doeluitkering

Op grond van de Wet Brede Doeluitkering Verkeer en Vervoer, die als doel heeft om op decentraal niveau maatwerk oplossingen mogelijk te maken voor verkeer- en vervoervraagstukken, zijn tot en met 2013 voorschotten verstrekt. De openstaande voorschotten van circa € 6.254 miljoen hebben betrekking op onder andere de provincies (€ 2.524 miljoen), Stadsregio Amsterdam voorheen Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA) (€ 1.358 miljoen), de Stadsregio Rotterdam (€ 842 miljoen), het Stadsgewest Haaglanden (€ 560 miljoen), het Bestuur Regio Utrecht (€ 297 miljoen), het samenwerkingsverband KAN (€ 301 miljoen), de regio Eindhoven (€ 202 miljoen) en de regio Twente (€ 166 miljoen). Afwikkeling van deze voorschotten vindt in de jaren 2014/2017 plaats nadat de goedkeurende accountantsverklaringen zijn ontvangen.

Artikel 97 Algemeen departement

Aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) zijn voor het onderzoeksprogramma Duurzame bereikbaarheid Randstad voorschotten verstrekt van ruim € 8 miljoen waarvan de afwikkeling in 2015 wordt verwacht. Voorschotten van ruim € 5 miljoen zijn verstrekt aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) die adviezen verstrekt aan rechtbanken en bestuursrechters in geschillen op het gebied van onder meer milieu, ruimtelijke ordening, water en natuur. Afwikkeling in 2014 na ontvangst accountantsverklaring.

Artikel 98 Apparaatuitgaven kerndepartement

Voor diverse wachtgelduitkeringen zijn aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) in 2008 tot en met 2012 voor ruim € 53 miljoen aan voorschotten verstrekt. Deze worden, eerst nadat de goedkeurende accountantsverklaringen zijn ontvangen afgewikkeld.

7.3.2.7 Tegenrekeningen € 2.893.408.850

Grondslag

Voor de extracomptabele rekeningen aan de passiva-zijde worden uit het oogpunt van het evenwichtsverband verscheidene tegenrekeningen gebruikt.

Deze tegenrekeningen hoeven geen nadere toelichting.

7.3.2.8 Sluitrekening Infrastructuurfonds € 12.259.998

Grondslag

Deze rekening dient als sluitrekening met de saldibalans, behorend tot de begroting van het Infrastructuurfonds, omdat voor dit fonds géén gescheiden administratie wordt gevoerd.

7.3.3 Passiva
7.3.3.1 Begrotingsontvangsten € 220.574.582

Grondslag

De begrotingsontvangsten van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) sluiten aan op de Rekening. Deze zijn artikelsgewijs verdeeld in kolom 2 (realisatie) van de Rekening van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII), welke Rekening als verantwoordingsstaat bij de financiële verantwoording behoort.

7.3.3.2 Rekening-courantverhouding RHB € 9.608.503.949

[[Grondslag]]

Deze rekening geeft de vordering-/schuldverhouding weer tussen de Ministeries van Financiën en IenM. Het saldo is gelijk aan het Saldobiljet per 31 december 2013, welke door het Ministerie van Financiën met aanmaakdatum 4 februari 2014 aan het ministerie kenbaar is gemaakt.

7.3.3.3 Intracomptabele schulden € 41.824.199

De cijfers

Tabel 6 geeft een nadere detaillering in aantallen en openstaande bedragen per 31 december 2013 verdeeld naar ouderdom. Daarnaast is een meerjarig perspectief gegeven door de jaren 2011 en 2012 te vermelden.

Tabel 6: Intracomptabele schulden (bedragen x € 1.000)

Openstaand

2013

2012

2011

 

aantal

bedrag

aantal

bedrag

aantal

bedrag

posten < 1 jaar

35

41.311

90

38.633

175

48.026

posten > 1 jaar

5

513

0

0

5

291

Totaal

40

41.824

90

38.633

180

48.317

Toelichting

Indien niet expliciet vermeldt, zijn de intracomptabele schulden als op korte termijn opeisbare schulden beschouwd.

Noemenswaardige bedragen zijn de ingehouden loonheffing op de salarissen en het werknemersdeel pensioenpremie over de maand december 2013. Deze bedragen, respectievelijk circa € 22 miljoen en circa € 15 miljoen, zijn in januari 2014 aan de Belastingdienst en het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds afgedragen.

7.3.3.4 Openstaande verplichtingen € 2.784.346.806

Grondslag

Het saldo openstaande verplichtingen per 31 december 2013 is opgebouwd uit de in het dienstjaar 2013 aangegane verplichtingen en de in voorgaande jaren aangegane en nu nog lopende verplichtingen, welke niet tot een kaseffect in het dienstjaar 2013 hebben geleid.

De cijfers

Tabel 7 geeft de samenstelling van de openstaande betalingsverplichtingen weer.

Tabel 7: Openstaande verplichtingen (x € 1.000)

Stand per 1 januari 2013

3.011.813

Conversie van Infrastructuurfonds

57.822

Conversie naar Deltafonds

– 175

 

3.069.460

Aangegaan in 2013

9.623.916

 

12.693.376

Negatieve bijstellingen

– 51.714

 

12.641.662

Tot betaling gekomen in 2013

– 9.857.315

Openstaand per 31 december 2013

2.784.347

Het bedrag van de «Negatieve bijstellingen» wordt verklaard doordat de in voorgaande jaren aangegane en nog niet tot betaling gekomen betalingsverplichtingen voor de synergieprojecten Kaderrichtlijn Water in het verslag jaar zijn afgeboekt daar deze zijn overgedragen aan het Provinciefonds.

In de Rijksbegrotingsvoorschriften wordt ingegaan op de zogenoemde «Niet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingen» (NUBBBV), bijvoorbeeld in geval van door het Rijk gesloten bestuursovereenkomsten of – convenanten met decentrale overheden. Dergelijke bestuurlijke verplichtingen kunnen niet altijd als juridische verplichtingen worden aangemerkt en maken daardoor geen deel uit van de openstaande verplichtingen, zoals opgenomen in de saldibalans. Dit is ook bij IenM het geval. Met name in het kader van infrastructurele werken op het terrein van regionale en lokale infrastructuur, maar ook op het terrein van het waterbeheer, het hoofdwegen- en spoorwegennet worden bestuurlijke afspraken gemaakt. Deze afspraken staan in het MIRT Projectenboek, welke jaarlijks als bijlage bij de begroting Infrastructuurfonds wordt uitgebracht. Deze bestuurlijke afspraken bij IenM zijn zeer divers in aard en omvang. Soms zijn bestuurlijke afspraken enkel samenwerkingsafspraken, soms in meer of mindere mate concrete afspraken over te realiseren projecten of beleidsdoelstellingen, waarvoor het financieel belang nog niet is gekwantificeerd, ofwel sprake is van een raming, dan wel een maximum of van een zeker bedrag. Gezien de bestuurlijke toezeggingen in financiële termen in hardheid verschillen zijn deze niet optelbaar. Hierdoor is geen totaalbedrag aan bestuurlijke toezeggingen te geven. Indien sprake is van een zekere hardheid – en bovendien juridisch gebonden – worden deze toezeggingen als aangegane verplichting in de financiële administratie opgenomen.

7.3.3.5 Openstaande garantieverplichtingen € 109.062.044

Grondslag

In situaties waarbij geen bijdrage wordt verleend voor ondersteuning van op zichzelf wel wenselijk geachte activiteiten, verleent het ministerie garanties aan instellingen of particulieren. Met deze staatsgarantie achter zich, zijn deze in staat leningen af te sluiten en kunnen bepaalde zaken worden gefinancierd.

Toelichting

Ten opzichte van de saldibalans 2012 hebben drie wijzigingen plaatsgevonden. Ten eerste is het rekening-courantkrediet van € 30 miljoen, welke in 2009 aan de LVNL is verstrekt, verlaagd naar € 20 miljoen. Ten tweede heeft het Ministerie van Financiën in 2013 aan de LVNL een lening onder garantstelling verstrekt van € 5 miljoen. Ten derde is het garantiebedrag, zijnde 90% van de verstrekt leningen conform het Besluit Borgstelling Midden en Klein Bedrijfskredieten (MKB), gewijzigd.

De cijfers

Tabel 8 geeft de samenstelling van het uiteindelijke risico weer, op grond van de uitstaande garantieverplichtingen per 31 december 2013.

Tabel 8: Garantieverplichtingen (x € 1.000)

Jaar

Looptijd

Organisatie

Aard garantstelling

Bedrag

2005

n.n.b.

LVNL

RC krediet

10.000

2005

n.n.b.

CBR

RC krediet

5.000

2009

n.n.b.

MKB

Lening

515

2009

n.n.b.

Kadaster

RC krediet

25.000

2009

n.n.b.

LVNL

RC krediet

20.000

2010

n.n.b.

Dienst Zuid-As

Lening

2.547

2010

2028

LVNL

Lening

29.000

2011

2018

RDW

RC krediet

5.000

2011

2014

CBR

RC krediet

7.000

2013

2021

LVNL

Lening

5.000

   

Openstaand per 31 december 2013

109.062

Tabel 9 geeft de mutaties in het verantwoordingsjaar weer.

Tabel 9: Mutaties Garantieverplichtingen (x € 1.000)

Stand per 1 januari 2013

114.101

Nieuw verstrekt in 2013

5.000

 

119.101

Afname van het risico in 2013

– 10.039

Openstaand per 31 december 2013

109.062

7.3.3.6 Tegenrekeningen € 8.454.388.475

Grondslag

Voor extracomptabele rekeningen aan de activa-zijde worden uit het oogpunt van het evenwichtsverband verscheidene tegenrekeningen gebruikt, zoals de tegenrekeningen extracomptabele vorderingen, deelnemingen, leningen u/g en voorschotten. Deze tegenrekeningen hoeven geen nadere toelichting.

7.3.3.7 Sluitrekening Deltafonds € 2.069.751

Grondslag

Deze rekening dient als sluitrekening met de saldibalans, behorend tot de begroting van het Deltafonds, omdat voor dit fonds géén gescheiden administratie wordt gevoerd.

7.4 De balansen per 31 december 2013 van de agentschappen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Rijkswaterstaat

Staat van baten en lasten 2013 van het baten-lastenagentschap RWS
Bedragen in EUR 1.000
 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk

vastgestelde begroting

Realisatie 2012

Baten

       

Omzet moederdepartement

2.049.517

2.270.042

220.525

2.230.363

Omzet overige departementen

30.000

36.089

6.089

34.899

Omzet derden

81.504

109.903

28.399

104.656

Rentebaten

800

947

147

895

Vrijval voorzieningen

964

964

1.011

Bijzondere baten

10.000

4.431

– 5.569

2.773

Totaal baten

2.171.821

2.422.375

250.556

2.374.597

         

Lasten

       

Apparaatskosten

994.467

1.071.454

76.987

1.047.236

personele kosten

711.330

802.885

91.555

748.033

waarvan eigen personeel

666.366

697.629

31.263

 

waarvan externe inhuur

44.964

105.256

60.292

 

materiële kosten

283.137

268.569

– 14.568

299.203

waarvan apparaat ICT

30.000

49.544

19.544

 

waarvan bijdrage aan SSO's

 

Onderhoud

1.099.112

1.273.370

174.258

1.247.730

Afschrijvingskosten

53.994

40.361

– 13.633

50.588

materieel

52.019

39.357

– 12.662

48.546

waarvan apparaat ICT

10.500

6.079

– 4.421

 

immaterieel

1.975

1.004

– 971

2.042

Rentelasten

8.748

6.502

– 2.246

7.751

Overige Lasten

34.214

34.214

7.452

Dotaties voorzieningen

19.900

19.900

4.000

Bijzondere lasten

14.314

14.314

3.452

Totaal lasten

2.156.321

2.425.901

269.579

2.360.757

         

Saldo van baten en lasten

15.500

– 3.526

– 19.024

13.840

         

Dotatie aan reserve Rijksrederij

15.500

9.319

– 6.181

8.846

         

Nog te verdelen resultaat

– 12.845

– 12.845

4.994

Toelichting op de staat van baten en lasten

Baten

Omzet Moederdepartement

De omzet moederdepartement betreft de opbrengst voor werkzaamheden die Rijkswaterstaat verricht voor het moederdepartement. De opbrengst moederdepartement is een vergoeding voor:

  • het beheer en onderhoud van de infrastructuur en verkeersmanagement;

  • de apparaatskosten (personeel en materieel) van Rijkswaterstaat die verband houden met de aanleg, beheer en onderhoud van infrastructuur;

  • capaciteit die Rijkswaterstaat levert in het kader van kennis- en adviestaken.

De toename van de omzet van het moederdepartement ten opzichte van de begroting zijn grotendeels te verklaren door het bij de Voorjaarsnota 2013 in lijn brengen van het budget voor Beheer en Onderhoud met de meerjarige onderhoudsplanning, zoals toegelicht in bijlage 4.2 van de begroting Infrastructuurfonds 2012. Dit is gebeurd conform de afspraken rondom de structurele hogere budgetbehoefte voor beheer en onderhoud ten opzichte van de begroting.

Specificatie omzet moederdepartement

Bedragen x € 1.000

IF/DF artikel

Begroting 2013

Realisatie 2013

Programma

     

Hoofdwatersystemen

DF + H12 leefomgeving

183.079

206.594

Hoofdwegen

Art. 12 IF

469.201

646.690

Hoofdvaarwegen

Art. 15 IF

282.952

297.595

Overig

41.576

33.627

subtotaal programma

 

976.808

1.184.506

Apparaat

     

Hoofdwatersystemen

Art. 5.01 DF en H12 leefomgeving

196.209

236.811

Hoofdwegen

Art. 12.06 IF

367.678

381.576

Hoofdvaarwegen

Art. 15.06 IF

235.672

242.391

Overig

 

273.150

224.758

subtotaal apparaat

 

1.072.709

1.085.536

Totaal

 

2.049.517

2.270.042

Bron: Rijkswaterstaat

Omzet overige departementen

De omzet overige departementen heeft betrekking op van andere ministeries ontvangen vergoedingen voor activiteiten die voor die andere ministeries zijn uitgevoerd. Het belangrijkste deel betreft omzet voor het gebruik van vaartuigen van de Rijksrederij.

Specificatie omzet overige departementen

Bedragen x € 1.000

Ministerie van Algemene Zaken van Aruba

206

Ministerie van Financiën

6.094

Ministerie van Binnenlandse Zaken

918

Ministerie van Defensie

13.634

Ministerie van Economische Zaken

12.657

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

1.499

Ministerie van Veiligheid en Justitie

945

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

64

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

72

   

Totaal

36.089

De afwijking ten opzichte van de begroting wordt veroorzaakt door de vergoedingen voor RWS personeel dat voor andere departementen heeft gewerkt en bijdragen van andere departementen in projecten van RWS.

Omzet derden

In 2013 zijn, net als in 2012, meer werkzaamheden voor derden uitgevoerd dan in het verleden. Daarom is de omzet van € 109,9 miljoen hoger dan geraamd in de begroting. De omzet derden van € 109,9 miljoen bestaan voor een groot deel uit vergoedingen voor schades veroorzaakt door (vaar)weggebruikers aan de (water)wegen (€ 26,9 miljoen), opbrengsten in het kader van de Waterwet (€ 19,2 miljoen) en opbrengsten voor de NBD (€ 9,4 miljoen). Een bedrag van € 15,1 miljoen heeft betrekking op vergoedingen van apparaatskosten, zoals voor personeel dat voor derden heeft gewerkt. De resterende omzet derden van € 39,3 miljoen betreft vooral bijdragen van provincies en gemeenten voor diverse uitgevoerde werkzaamheden in het kader van beheer en onderhoud.

Rentebaten

Deze hebben voornamelijk betrekking op vergoedingen over de rekening courant en korte termijndeposito’s die door Rijkswaterstaat worden aangehouden. De hogere baten ten opzichte van de begroting worden verklaard door het hogere banksaldo gedurende het jaar dan waarvan was uitgegaan.

Vrijval voorzieningen

Jaarlijks wordt de voorziening dubieuze debiteuren op basis van de ouderdom van de openstaande debiteurenposten berekend. Dit jaar is de gemiddelde ouderdom afgenomen door het opschonen van veel oudere posten. Hierdoor heeft een vrijval van € 1,0 miljoen plaatsgevonden.

Bijzondere baten

De bijzondere baten bestaan grotendeels uit boekwinsten uit de verkoop van activa (€ 3,4 miljoen).

Lasten

Personele kosten

De hogere kosten voor personeel ten opzichte van de begroting hangen in belangrijke mate samen met de overheveling van personeel van de ANWB voor de Nationale Bewegwijzeringsdienst (NBD) en personeel van AgentschapNL voor RWS Leefomgeving naar Rijkswaterstaat per 1 april 2013.

Daarnaast zijn de werkgeverspremies (pensioenpremies en zorgverzekeringswet) gestegen ten opzichte van vorig jaar en zijn de kosten voor flankerend beleid hoger dan voorgaande jaren. De bezetting in 2013 gedaald naar 8.506 FTE, waarmee de gemiddelde bezetting 2013 (8.687 FTE) lager is dan de toegestane formatie ultimo 2013 (9.278 FTE).

De hogere inhuurrealisatie ten opzichte van de begroting kent drie hoofdoorzaken. Allereerst doordat de informatievoorziening (incl. ICT) van Rijkswaterstaat die betrekking heeft op het areaal met ingang van 2013 als primair proces wordt beschouwd (tot en met 2012 ondersteunend proces) en de kosten van taken die we nu met eigen personeel gaan doen zijn verschoven van kosten beheer en onderhoud en materiële kosten naar personele kosten. Het restant wordt enerzijds veroorzaakt door overlopende posten uit 2012 en anderzijds veroorzaakt door een snellere uitstroom dan noodzakelijk gezien de taakstelling waardoor vacatures zijn ontstaan die nu tijdelijk moeten worden opgevangen door externe inhuur, zodat de productieopgave kan worden waargemaakt. Ondanks terughoudendheid met het aangaan van vervangende inhuur zijn de inhuurkosten hoger dan begroot.

Specificatie

Begroting 2013

Realisatie 2013

Aantal FTE

8.754

8.506

Eigen personeelskosten (x € 1.000)

666.366

697.629

Kosten Inhuur (x € 1.000)

44.964

105.256

Totale personele kosten (x € 1.000)

711.330

802.885

Bron: Rijkswaterstaat

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan onder meer uit: bureau-, voorlichtings- en huisvestingskosten, kosten voor onderhoud en exploitatie van bedrijfsmiddelen en kosten voor huren en leasen van bedrijfsmiddelen. De materiële kosten zijn € 14,6 miljoen lager dan geraamd is in de begroting. Dit wordt veroorzaakt door de afspraken rondom kerntaken Informatievoorziening.

Onderhoud

Onderhoud heeft betrekking op de kosten die in rekening worden gebracht door derden (met name aannemers en ingenieursbureaus), die werkzaamheden uit voeren die direct bijdragen aan het beheer en de instandhouding van de infrastructuur. Daarnaast zijn zowel de inhuur op niet-kerntaken in het primaire proces als de investeringen met betrekking tot het beheer van areaal verantwoord onder de post onderhoud. De hogere realisatie op beheer en onderhoud wordt met name veroorzaakt door het aansluiten van het budget met de meerjarige onderhoudsplanning (zie Opbrengst moederdepartement).

Afschrijvingskosten

Dit betreft de reguliere afschrijvingskosten van zowel materiële als immateriële vaste activa. De afschrijvingskosten zijn lager dan begroot, omdat in 2013 en eerdere jaren minder is geïnvesteerd dan van tevoren is gepland en door de afboeking van activa door de afspraken rond informatievoorziening (incl. ICT) van Rijkswaterstaat.

Rentelasten

Dit betreft kosten van rentedragende leningen die bij het Ministerie van Financiën zijn afgesloten. De rentekosten zijn lager dan begroot, omdat in 2013 en eerdere jaren minder is geïnvesteerd dan van tevoren is gepland en door de afboeking van activa door de afspraken rond informatievoorziening (incl. ICT) van Rijkswaterstaat.

Bijzondere lasten

De bijzondere lasten betreffen boekverliezen op afgestoten activa. Een groot deel hiervan (€ 12,4 miljoen) betreft het boekverlies door de afboeking van activa vanwege de afspraken rond informatievoorziening (incl. ICT) van Rijkswaterstaat.

Dotatie Rijksrederij

Deze dotatie bestaat uit het verschil bij de Rijksrederij tussen afschrijvingen op vervangingswaarde (waarop de tarieven zijn gewaardeerd) en historische uitgaafprijs (waarop de vaartuigen worden gewaardeerd). Dit bedrag wordt toegevoegd aan de reserve Rijksrederij, waar dit gereserveerd wordt voor de aanschaf van nieuwe vaartuigen en levensduurverlengend onderhoud.

Nog te verdelen Resultaat

Het jaar 2013 is afgesloten met een negatief resultaat. Uit het saldo van baten en lasten van € -3,5 miljoen wordt € 9,3 miljoen gedoteerd aan de Reserve Rijksrederij, waarna een nog te verdelen resultaat van – € 12,8 miljoen resteert. Dit negatieve resultaat is hoofdzakelijk het gevolg van extra kosten in verband met de reorganisatievoorziening (19,5 mln). Incidentele kosten (19,5 mln) veroorzaken dus het negatief resultaat in 2013, er worden geen aanvullende structurele maatregelen getroffen om eventuele toekomstige verliezen te voorkomen. Het negatieve resultaat 2013 wordt gedekt uit de expoitatiereserve van RWS.

Balans

Balans per 31 december 2013 van het Baten-Lastenagentschap RWS
Bedragen in EUR 1.000
   

2013

 

2012

Activa

       

Immateriële vaste activa

 

2.041

 

4.564

Materiële vaste activa

 

218.527

 

241.208

* grond en gebouwen

118.354

 

122.277

 

* installaties en inventarissen

12.155

 

25.591

 

* overige materiële vaste activa

88.018

 

93.340

 

Financiële vaste activa

 

86.087

 

94.787

Voorraden

       

Onderhanden werk

 

9.997.393

 

9.013.411

Debiteuren

 

23.133

 

25.355

Nog te ontvangen

 

41.918

 

18.597

Liquide middelen

 

394.133

 

359.909

Totaal activa

 

10.763.232

 

9.757.830

         

Passiva

       

Eigen Vermogen

 

119.607

 

124.976

* exploitatiereserve

132.452

 

119.982

 

* onverdeeld resultaat

12.845-

 

4.994

 

Leningen bij het MvF

 

163.668

 

191.605

Voorzieningen

 

24.803

 

5.494

Op te leveren projecten

 

9.997.393

 

9.013.411

Crediteuren

 

83.680

 

99.619

Nog te betalen

 

374.081

 

322.725

Totaal passiva

 

10.763.232

 

9.757.830

Toelichting op de balans

Activa

Immateriële activa

De immateriële vaste activa zijn gewaardeerd tegen het bedrag van de bij derden bestede kosten, verminderd met de cumulatieve lineaire afschrijvingen. In verband met de afspraken rond informatievoorziening (incl. ICT) van Rijkswaterstaat is deze post in waarde afgenomen.

Materiële vaste activa

De materiële vaste activa zijn gewaardeerd op aanschafwaarde, verminderd met de cumulatieve lineaire afschrijvingen. Door terughoudendheid in het investeren in materiële vaste activa en deactivering van activa in verband met de afspraken rond informatievoorziening (incl. ICT) van Rijkswaterstaat is deze post in waarde afgenomen.

Financiële vaste activa

Onder de financiële vaste activa is het langlopende deel van de vordering op het Ministerie van Infrastructuur en Milieu opgenomen, die ontstaan is bij de vorming van de Baten en Lastendienst in 2006. In 2008 zijn er afspraken gemaakt over de afwikkeling van deze vordering. Resultaat hiervan is dat het restant van de vordering ultimo 2008 in 15 jaar wordt afgebouwd. Het kortlopende deel van deze vordering (aflossing 2013) is opgenomen onder debiteuren.

Onderhanden werk

Onder de post onderhanden werk is de som van de directe productie-uitgaven op lopende MIRT-projecten tot en met de balansdatum opgenomen. Hier tegenover staat aan passivazijde eveneens de post «op te leveren projecten» voor hetzelfde bedrag. In 2013 is onder meer gestart met de projecten N33 Assen Zuidbroek en zijn onder meer de projecten A2 Den Bosch-Eindhoven, A28 Utrecht-Amersfoort, A10 Tweede Coentunnel/A5 Westrandweg opengesteld. Voor een specifieke toelichting van de infrastructurele aanlegprojecten van RWS, wordt verwezen naar de jaarverslagen van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Debiteuren

De waardering van de post debiteuren vindt plaats tegen nominale (factuur)waarde of lagere waarde als gevolg van mogelijke oninbaarheid. De openstaande bedragen ouder dan 2 jaar zijn 100% voorzien, tenzij aannemelijk is gemaakt dat een lagere voorziening volstaat. Door actief opschonen van oudere openstaande debiteurenposten en het verbeteren van het debiteurenproces is de stand van debiteuren verder gedaald in 2013.

Nog te ontvangen

De post nog te ontvangen bestaat uit nog te ontvangen en vooruitbetaalde bedragen. Het bedrag aan uitstaande vorderingen is hoger dan eind vorig jaar. Van de nog te ontvangen bedragen is € 12,4 miljoen aan voorraden en onderhanden werk van de Nationale Bewegwijzeringsdienst (NBD).

Liquide middelen

De post liquide middelen is toegenomen in 2013. Dit is onder meer het gevolg van een dalend debiteurensaldo door actief debiteurenbeleid en door de wijzigingen in de standen van de overlopende activa en passiva ten opzichte van 31 december 2012.

Passiva

Eigen vermogen

Het eigen vermogen bestaat naast een exploitatiereserve en een nog onverdeeld resultaat uit de bestemmingsreserve Rijksrederij. Deze bestemmingsreserve Rijksrederij wordt opgebouwd vanuit het tarief voor het gebruik van de schepen van de Rijksrederij, dat gebaseerd is op vervangingswaarde, en is bestemd voor de aanschaf van nieuwe vaartuigen en voor levensduur verlengend onderhoud.

Ontwikkeling Eigen vermogen

Stand per 31/12/11

Stand per 31/12/12

Stand per 31/12/13

Eigen vermogen

   

– exploitatiereserve

60.396

86.316

91.311

– bestemmingsreserve Rijksrederij

25.188

33.666

41.141

– onverdeeld resultaat

25.919

4.995

– 12.845

Totaal

111.503

124.976

119.607

Bron: Rijkswaterstaat

Het Eigen vermogen is gedaald tot 120 miljoen euro, waarmee het Eigen Vermogen voor een bedrag van € 0,2 miljoen boven het maximum van 5% van de gemiddelde opbrengst voor apparaatskosten en onderhoud van de afgelopen 3 jaar uitkomt. Bij de eerstvolgende suppletoire begrotingswet zal worden aangegeven hoe deze overschrijding wordt hersteld.

De daling van het Eigen vermogen wordt veroorzaakt door het negatieve saldo van baten en lasten in 2013. Dit negatieve saldo is voornamelijk het gevolg van de dotatie van 19,5 miljoen in 2013 van de reorganisatievoorziening.

Langlopend vreemd vermogen

Het langlopende vreemd vermogen betreft leningen bij het Ministerie van Financiën in het kader van de leenfaciliteit. Deze leningen zijn gebruikt ter financiering van investeringen in vaste activa. Ten behoeve van investeringen is voor € 13,2 miljoen in 2013 geleend bij het Ministerie van Financiën.

Voorzieningen

Voorziening arbeidsvoorwaardenverschil

Bij de vorming van de Rijksrederij in 2009 is de voorziening arbeidsvoorwaardenverschil ontstaan als gevolg van de arbeidsvoorwaardenverschillen voor het personeel dat naar Rijkswaterstaat is overgekomen. In 2013 is € 0,2 miljoen onttrokken. De looptijd van deze voorziening is uiterlijk tot 2023.

Reorganisatievoorziening

In 2012 is voor RWS een (nieuwe) reorganisatievoorziening getroffen. De basis voor het vormen van deze reorganisatievoorziening is de besluitvorming binnen RWS in het kader van het ondernemingsplan van RWS (OP 2015). Als gevolg van dit OP2015 zal de organisatie in de komende jaren met aanzienlijk minder medewerkers haar taken gaan vervullen. De reorganisatievoorziening valt uiteen in twee gedeelten.

Een deel groot € 5.000.000 dient ter dekking van toekomstige uitkeringen op lopende wachtgeldregelingen als gevolg van de reorganisatie. De stand van dit deel van de voorziening wordt jaarlijks berekend naar het aantal deelnemers en de toezeggingen per deelnemer. De onttrekking wordt bepaald naar de feitelijke uitkeringen (ca € 400.000) gedurende het jaar. De dotatie ultimo boekjaar is de resultante benodigd om dit deel weer op niveau te krijgen. Dit gedeelte van de voorziening kent een looptijd tot 2027. Dit eerste gedeelte van de voorziening wordt gewaardeerd tegen netto contante waarde.

Een tweede gedeelte groot € 18.500.000 dient ter dekking van kosten van toekomstige maatwerkpakketten en wordt gewaardeerd tegen nominale waarde. Naar verwachting zal niet meer worden gedoteerd. Onttrekking vindt plaats naar realisatie per boekjaar, uitlopend tot naar verwachting 2018. De onttrekking voor het komende boekjaar is ca € 5.000.000.

 

Stand 1-1-2013

Dotatie 2013

Onttrekking 2013

Vrijval 2013

Stand 31-12-2013

Voorziening arbeidsvoorwaardenverschil

1.494

 

191

 

1.303

Reorganisatievoorziening

4.000

19.900

400

 

23.500

totaal

5.494

19.900

591

 

24.803

Bron: Rijkswaterstaat

Op te leveren projecten

Voor een toelichting wordt verwezen naar de debet post «onderhanden werk».

Crediteuren

De daling bij de crediteuren wordt verklaard doordat eind 2012 meer grote facturen stonden te wachten op betaling dan eind 2013.

Nog te betalen

Onder «nog te betalen» zijn de nog uit te voeren werkzaamheden (€ 154 miljoen) en overige schulden en overlopende passiva opgenomen. De «nog uit te voeren werkzaamheden» zijn op de balans gepassiveerd en zullen in 2014 worden uitgevoerd.

Specificatie vorderingen/schulden (in € 1.000)
 

RWS-IenM

RWS overige departementen/agentschappen

Overige derden

Debiteuren 1

9.833

1.188

14.725

Nog te ontvangen bedragen

17.145

5.277

24.100

Liquide middelen

4

394.129

Crediteuren

155

384

83.141

Nog te betalen bedragen

159.183

31.033

183.821

X Noot
1

exclusief de voorziening voor dubieuze debiteuren

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2013 Bedragen in € 1.000
   

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

 

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

1.

Rekening-courant RHB + stand deposito-rekeningen 1 januari 2013

80.405

359.904

279.499

2.

Totaal operationele kasstroom

69.494

77.531

8.037

 

Totaal investeringen (-/-)

– 88.500

– 31.739

56.761

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

16.580

16.580

3.

Totaal investeringskasstroom

– 88.500

– 15.159

73.341

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

 

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

9.400

9.400

0

 

Aflossingen op leningen (-/-)

– 50.700

– 50.747

– 47

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

88.500

13.200

– 75.300

4.

Totaal financieringskasstroom

47.200

– 28.147

– 75.347

5.

Rekening-courant RHB + stand depositorekeningen 31 december 2013 (=1+2+3+4)

108.599

394.129

285.530

Bron: Rijkswaterstaat

Toelichting op het Kasstroomoverzicht

Operationele kasstroom

Hieronder vallen de inkomsten en uitgaven gedurende 2013 uit de reguliere bedrijfsvoering. De hogere operationele kasstroom wordt onder meer veroorzaakt door het stijging van de post «nog te betalen bedragen».

Investeringskasstroom

Hieronder vallen de verkopen van activa en de nieuwe investeringen. Een belangrijk deel van deze investeringen had betrekking op personenauto’s, overige voertuigen (zoals sneeuwschuivers) en technische installaties. Door terughoudendheid in het aangaan van nieuwe investeringen en door desinvesteringen is de investeringskasstroom lager dan begroot.

Financieringskasstroom

Hieronder vallen alle geldstromen die te relateren zijn aan de financiering van het agentschap, te weten:

  • Aflossing langlopende vordering op moederdepartement € 9,4 miljoen.

  • Beroep op de leenfaciliteit € 13,2 miljoen.

  • Aflossingen op leningen € 50,7 miljoen.

Terughoudendheid in het doen van investeringen resulteerden in een lagere financieringskasstroom.

Een doelstelling van de agentschapvorming van Rijkswaterstaat is het verhogen van de doelmatigheid. Om te kunnen beoordelen hoe de doelmatigheid zich ontwikkelt, wordt gebruik gemaakt van een aantal indicatoren. Omdat vanuit de historie sommige cijfers niet vergelijkbaar kunnen worden weergegeven, wordt voor deze kengetallen gebruik gemaakt van de toegestane ingroei.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2013

Apparaatskosten per eenheid areaal
 

2010

2011

2012

2013

Begroting 2013

Hoofdwegennet

27,90

27,41

27,68

24,29

Hoofdvaarwegennet

25,54

25,39

27,44

26,12

Hoofdwatersystemen

1,17

1,16

1,14

1,12

%IK tov omzet
 

2010

2011

2012

2013

Begroting 2013

% Ik tov omzet

22%

22%

23%

23%

22%

Tarieven per FTE
 

2010

2011

2012

2013

Begroting 2013

Kosten per FTE

121.027

119.235

121.974

120.534

123.000

Met prijspeilcorrectie

121.027

117.832

119.427

116.967

Omzet BLD per product
 

2010

2011

2012

2013

Begroting 2013

Hoofdwatersystemen

381.307

413.485

367.956

443.405

379.288

Hoofdwegen

1.336.103

981.583

1.003.693

1.028.266

836.879

Hoofdvaarwegen

632.864

492.057

555.948

539.986

518.624

Overig

59.821

309.972

302.766

258.385

314.726

TOTAAL

2.410.095

2.197.097

2.230.363

2.270.042

2.049.517

Bezetting
 

2010

2011

2012

2013

Begroting 2013

FTE formatie

9.433

9.166

9.068

9.278

8.754

FTE bezetting

9.298

8.919

8.640

8.506

8.754

% overhead

15,60%

14,20%

15,10%

1

16,80%

X Noot
1

Dit percentage is door een nieuwe manier van administreren als gevolg van de reorganisatie niet meer vergelijkbaar meetbaar. RWS heeft met het Ondernemingsplan 2015 een procesoriëntatie gekozen, die ook terug te vinden is in de organisatiestructuur vanaf april 2013. Daardoor is de verhouding primair proces versus overhead anders komen te liggen. In de agentschapsparagraaf RWS in de ontwerpbegroting 2015 zal daarom een gewijzigd overheadpercentage worden voorgesteld

Exploitatiesaldo
 

2010

2011

2012

2013

Begroting 2013

Exploitatiesaldo

0,5%

1,1%

0,6%

– 0,1%

0,0%

Gebruikerstevredenheid
 

2010

2011

2012

2013

Begroting 2013

publieksgerichtheid

49%

44%

67%

gebruikerstevredenheid HWS

*

*

67%

gebruikerstevredenheid HWN

76%

79%

77%

gebruikerstevredenheid HVWN

63%

65%

72%

*niet gemeten

         
Ontwikkeling pinwaarde

HWS

98

100

HWN

111

100

HVWN

167

100

Bron: Rijkswaterstaat

Toelichting op het overzicht doelmatigheidsindicatoren

Apparaatskosten per eenheid areaal

Deze indicator geeft informatie over hoe de kosten die het apparaat van Rijkswaterstaat maakt voor verkeersmanagement en beheer en onderhoud zich ontwikkelen ten opzichte van het areaal. Een dalende trend van de kosten per eenheid areaal geeft een indicatie van een toename in de efficiëntie van de organisatie op het gebied van Beheer en Onderhoud en Verkeersmanagement. Door de aanpassing van de bekostigingssystematiek van Rijkswaterstaat is de definitie van dit kengetal aangepast, waardoor geen vergelijkbare cijfers uit de jaren voor 2011 beschikbaar zijn.

% Apparaatskosten tov opbrengst

Deze indicator geeft de verhouding weer tussen de kosten van het apparaat en de totale opbrengst (inclusief GVKA-gelden) van Rijkswaterstaat. Een daling van dit percentage is een indicatie van een toenemende efficiëntie van de organisatie.

Tarieven per FTE

Deze indicator geeft de ontwikkeling weer van de kosten (loonkosten, materiële kosten, rentekosten en afschrijvingskosten) per formatieve ambtelijke FTE. Het betreft daarbij zowel de werkelijke kosten per FTE als de kosten gecorrigeerd voor prijsstijgingen. Er is een kleine daling ten opzichte van 2012 zichtbaar en een dalende trend waarneembaar in de kosten per FTE sinds 2010.

Opbrengst BLD per product

In de bovenstaande tabel is de Opbrengst Moederdepartement uitgesplitst naar de verschillende netwerken. Door de aanpassing van de bekostigingssystematiek van Rijkswaterstaat bij 1e suppletoire 2011 zijn de bedragen voor 2011 t/m 2013 niet vergelijkbaar met de cijfers uit 2010.

Bezetting

Deze voorgeschreven indicator geeft aan hoe de ambtelijke formatie van Rijkswaterstaat zich ontwikkelt. Op zichzelf zegt dit kengetal niets over de doelmatigheid van de organisatie, maar moet dit worden bezien in relatie tot de omvang van het werkpakket. De score van 23% op de indicator «%IK ten opzichte van Opbrengst» in zowel 2012 als 2013 drukt uit dat de doelmatigheid van de organisatie stabiel is gebleven. Gedurende 2013 is gestuurd op afbouw van de bezetting en is deze verder afgenomen. De toegestane formatie is toegenomen door de komst van de NBD en een onderdeel van Agentschap.nl («Bodem+»).

Exploitatiesaldo (% van de opbrengst)

Deze voorgeschreven indicator toont de ontwikkeling van het exploitatiesaldo als percentage van de opbrengst over de afgelopen 4 jaar. Een positief percentage duidt op een positief exploitatiesaldo.

Gebruikerstevredenheid

Jaarlijks laat Rijkswaterstaat de gebruikerstevredenheid toetsen bij gebruikers van de netwerken. De waardering van de gebruikers is opgenomen als een percentage van de ondervraagden dat tevreden is. Sinds 2012 wordt de gebruikerstevredenheid op een andere wijze berekend, waardoor geen vergelijkbare gegevens beschikbaar zijn over eerdere jaren.

Het lage percentage voor de tevredenheid over publieksgerichtheid wordt volgens de ondervraagden met name veroorzaakt door de onbekendheid met Rijkswaterstaat en wat allemaal gebeurt op het gebied van publieksgerichtheid. De waardering is lager dan in 2012, wat samenhangt met verminderde externe communicatie vanuit RWS die onderdeel is van het programma «Versobering en Efficiëntie» van het beheer en onderhoud van de rijksinfrastructuur.

De gebruikerstevredenheid op het vaarwegen- en wegennetwerk is licht gestegen. Voor de hoofdvaarwegen is de gebruikerstevredenheid wel achtergebleven ten opzichte van de ambitie in de begroting 2013. Dit hangt samen met de economische crisis in 2013, waardoor meer schepen langer stilliggen. De beroepsschippers zijn kritisch over de hoeveelheid en staat van onderhoud van de aanlegplaatsen, wat wordt versterkt als er langer wordt stilgelegen.

Ontwikkeling PINwaardes

PINwaardes zijn een weergave van de serviceniveaus van Verkeersmanagement en Beheer en Onderhoud op de netwerken. Met ingang van 2013 zijn nieuwe prestatie indicatoren afgesproken, waardoor de mogelijkheid van vergelijking van prestaties met eerdere jaren is vervallen.

De realisatiecijfers voor de prestatie indicatoren per netwerk in 2013 zijn uitgedrukt als index ten opzichte van de afgesproken streefwaarden per netwerk. Een score hoger dan 100 drukt uit dat er op een netwerk als geheel beter is gepresteerd dan de afspraken. Een score lager dan 100 drukt dan uit dat er op een netwerk als geheel minder goed is gepresteerd dan de afspraken.

Het hoofdvaarwegennet heeft significant beter gefunctioneerd, dan als serviceniveau was afgesproken in de begroting 2013. Er zijn minder stremmingen geweest in 2013 als gevolg van gepland onderhoud, ook zijn er minder ernstige ongevallen geweest.

Agentschapsparagraaf Inspectie Leefomgeving en Transport

Staat van baten en lasten 2013 van het baten-lastenagentschap ILT

Bedragen in eur 1.000
 

(1)

(2)

(3) = (2) - (1)

 

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2012

Baten

       

Omzet IenM

136.654

132.231

– 4.423

147.822

Omzet overige departementen

11.078

11.078

417

Omzet derden

8.382

8.810

428

8.334

Rentebaten

200

164

– 36

231

Vrijval voorzieningen

2.064

2.064

1.674

Bijzondere baten

1.392

1.392

414

Totaal baten

145.236

155.739

10.503

158.892

         

Lasten

       

Apparaatskosten

142.792

141.788

– 1.004

136.672

– personele kosten

100.978

100.979

1

99.532

waarvan eigen personeel

96.472

97.361

889

 

waarvan externe inhuur

4.505

3.618

– 887

 

– materiële kosten

41.814

40.809

– 1.005

37.140

waarvan apparaat ICT

14.411

4.941

   

waarvan bijdrage aan SSO's

13.397

17.346

   

Rentelasten

150

2

– 148

21

Afschrijvingskosten

4.015

1.608

– 2.407

2.673

– immaterieel

2.295

179

– 2.116

1.544

– materieel

1.720

1.429

– 291

1.129

waarvan apparaat ICT

430

 

Overige lasten

838

838

11.583

– dotaties voorzieningen

296

296

10.442

– bijzondere lasten

542

542

1.141

Totaal lasten

146.957

144.236

– 2.721

150.949

         

Saldo van baten en lasten

– 1.721

11.503

13.224

7.942

Toelichting op de staat van baten en lasten

Baten

Omzet IenM

De omzet IenM betreft de omzet uit hoofde van activiteiten die de Inspectie Leefomgeving en Transport verricht voor het moederdepartement. De omzet IenM is grotendeels een vergoeding voor het hoofdproduct handhaving. De gerealiseerde agentschapsbijdrage over 2013 wijkt af van de begroting door onder meer verschuiving van de opbrengsten kernfysische dienst van omzet IenM naar omzet overige departementen (€ 11,1 miljoen). Daarnaast zijn de taken voor EVOA-vergunningverlening overgenomen van het Ministerie van Economische Zaken (€ 4,0 miljoen) en is er omzet gerealiseerd op middelen die op de balans stonden gereserveerd (€ 2,0 miljoen).

Omzet overige departementen

De inspectietaken van de KFD voert de ILT uit onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van EZ.

Omzet derden

De omzet van derden hebben betrekking op de aan afnemers van producten op het gebied van vergunningverlening in rekening gebrachte tarieven. De iets hogere omzet derden wordt voornamelijk verklaard door hogere opbrengsten voor machinistenvergunningen bij het domein Rail- Wegvervoer en bij het domein Scheepvaart.

Rentebaten

De rentebaten betreffen rentes over de uitstaande deposito’s bij de Rijkshoofdboekhouding (RHB). Door de lage rentestand zijn de rentebaten, in verhouding tot de liquiditeit, ook laag gebleven.

Vrijval voorzieningen

Zie hiervoor de toelichting op de balanspost voorzieningen.

Bijzondere baten

Betreft voornamelijk de boekwinst (€ 0,4 miljoen) op de verkoop activa, zijnde de restwaarden van de vervangingen in het wagenpark en de vrijval van in vorige boekjaren teveel opgenomen reserveringen ter grootte van € 1,0 miljoen.

Lasten

Personele kosten

De gerealiseerde kosten wijken nauwelijks af van de begroting ondanks mutaties in de begroting en ondanks afwijkingen in de realisatie. De lagere bezetting in 2013 van 1.119 fte (begroot 1.179 fte) heeft per saldo niet geleid tot een daling van de personele kosten door de gestegen pensioenpremie en sociale lasten en door kosten voor outplacement en coaching. Er is verder minder ingehuurd dan begroot door vertraging op ICT-projecten.

Materiële kosten

De materiële kosten zijn lager dan begroot. Door vertraging in de ICT-projecten en door besparingen op ict-contracten zijn de kosten op materieel gebied sterk achtergebleven (€ 9,5 miljoen). Belangrijkste onderdeel van de materiële kosten zijn de SSO-kosten waarin alle werkplekgerelateerde en ICT-kosten zijn opgenomen. Deze kosten zijn met € 4,0 miljoen gestegen doordat centrale budgetten en kosten zijn overgeheveld naar de ILT. Ook zijn zoveel mogelijk ict-contracten via de SSO afgesloten.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op de afgesloten leningen bij de RHB. Deze lasten zijn lager dan begroot doordat er geen beroep is gedaan op de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën voor investeringen.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten hebben vooral betrekking op het wagenpark. Door vertraging bij het vervangen van het wagenpark blijven de afschrijvingskosten achter ten opzichte van de begroting. Doordat zelfontwikkelde software niet meer geactiveerd wordt, blijven deze afschrijvingslasten ver achter.

Dotatie voorzieningen

Zie hiervoor de toelichting op de balanspost voorzieningen.

Bijzondere lasten

De bijzondere lasten bestaan voor € 0,3 miljoen uit het afboeken van boekwaarden van afgestoten activa. Met name de afboeking van de licentie Metrix (€ 0,2 miljoen) bepaalt de hoogte van dit bedrag.

In de bijzondere lasten is tevens een bedrag van € 0,2 miljoen. opgenomen inzake nagekomen lasten van voorgaande jaren.

Balans

Balans per 31 december 2013 van het Baten-lastenagentschap ILT
bedragen x € 1.000
     
 

2013

2012

Activa

   

Immateriële vaste activa

452

Materiële vaste activa

6.822

3.748

Grond en gebouwen

Installaties en inventarissen

15

29

Overige materiële vaste activa

6.807

3.719

Onderhanden werk

Debiteuren

1.707

2.056

Nog te ontvangen

1.327

1.461

Liquide middelen

65.474

82.851

Totaal activa

75.330

90.568

     

Passiva

   

Eigen vermogen

19.332

9.655

Exploitatiereserve

7.829

1.712

Onverdeeld resultaat

11.503

7.943

Voorzieningen

10.911

17.999

Leningen bij het MvF

58

Crediteuren

7.382

2.919

Nog te betalen

37.705

59.937

Totaal passiva

75.330

90.568

Toelichting op de balans

Activa

(Im)materiële vaste activa

In 2012 was er een softwarelicentie geactiveerd. Gebleken is dat de regelgeving niet toelaat dat deze licentie wordt geactiveerd. De resterende waarde is ultimo 2013 ten laste van het resultaat gebracht.

In 2013 is een groot deel van het reeds afgeschreven wagenpark vervangen. Deels is er sprake van uitbreiding. De losse huur van auto’s is daarmee beëindigd.

Debiteuren

De debiteurenstand en de bijbehorende voorziening is met name gedaald door de definitieve afboeking van een aantal oude vorderingen. Onder de debiteuren is een bedrag van € 0,03 miljoen opgenomen als vordering op het moederdepartement en is een bedrag van € 0,9 miljoen opgenomen als vorderingen op overige ministeries en agentschappen.

Nog te ontvangen

Deze post betreft voornamelijk vooruitbetaalde reiskosten en nog te factureren werkzaamheden vergunningverlening.

Liquide middelen

Van de ruim € 65 miljoen die per 31 december op de rekening-courant staat, is € 25 miljoen als deposito geplaatst bij de RHB. De daling van de liquide middelen met € 17,4 miljoen wordt vooral verklaard doordat de afdracht van middelen voor het informatieplan (€ 10,1 miljoen) en nog uit te voeren werkzaamheden BES (€ 4,4 miljoen).

Eigen vermogen

Het onverdeeld resultaat is het resultaat (saldo van baten en lasten) dat de Inspectie heeft gerealiseerd over het jaar 2013. Als gevolg van het positieve resultaat overschrijdt het Eigen Vermogen per 31 december 2013 het plafond van maximaal 5% eigen vermogen over de gemiddelde omzet over de afgelopen drie jaar met circa € 10,6 miljoen. Bij de eerstvolgende suppletoire begrotingswet zal worden aangegeven hoe deze overschrijding wordt hersteld.

Ontwikkeling Eigen Vermogen
 

Stand per 31/12/12

Stand per 31/12/13

Eigen vermogen

   

– exploitatiereserve

1.712

9.654

– onverdeeld resultaat

7.942

11.503

– directe mutatie eigen vermogen1

 

– 1.825

Totaal

9.654

19.332

X Noot
1

In 2013 is € 1,83 miljoen van het eigen vermogen afgedragen aan het moederdepartement, vanwege de overschrijding van het plafond van maximaal 5% eigen vermogen van de gemiddelde omzet over de afgelopen drie jaar.

Voorzieningen

Voorziening functioneel leeftijdsontslag:

Voor werknemers die werkzaam zijn in een zogenoemde substantieel bezwarende functie is, op basis van de SBF/FLO-regeling, in het verleden een voorziening getroffen omdat deze werknemers recht hebben om vervroegd uit treden. Vrijval is ontstaan door aanscherping van de aannames om tot een betrouwbare schatting van de voorziening te komen.

Reorganisatievoorziening:

Betreft een in 2012 getroffen reorganisatievoorziening. Verloop bestaat voornamelijk uit onttrekkingen. De gerealiseerde opbrengsten door detachering oud-medewerkers valt tegen.

Voorziening claims derden:

Ultimo 2013 bestaat de voorziening uit een tweetal posten waarvoor de rechtszaken nog lopen.

Bedragen x € 1.000

Dub.Debiteuren

SBF/FLO

Reorganisatie

Claims derden

Wachtgeld

Totaal

Stand begin boekjaar

1.979

8.629

8.691

631

48

19.978

Dotatie ten laste van het resultaat

70

16

195

16

 

297

Vrijval ten gunste van het resultaat

– 96

1.899-

60-

 

9-

2.064-

Onttrekking voorziening

– 440

452-

4.856-

39-

5.787-

Stand eind boekjaar

1.513

6.294

3.970

647

0

12.424

Crediteuren

De stand met openstaande crediteuren is gestegen doordat er twee facturen binnen het Rijk openstaan met een gezamenlijke hoogte van ruim € 5,0 miljoen. Onder de crediteuren is een bedrag van € 3,7 miljoen opgenomen als schuld aan het moederdepartement en is een bedrag van € 2,7 miljoen opgenomen als schuld aan overige ministeries en agentschappen.

Nog te betalen

Hieronder staan de nog niet gerealiseerde middelen voor Boord Computer Taxi (BCT) (€ 21,1 miljoen) verantwoord. Tevens worden onder deze post onder anderen de verplichtingen aan eigen personeel en vooruitontvangen bijdragen opgenomen. De daling van € 22,2 miljoen wordt voornamelijk veroorzaakt door aflossing van de schuld aan het moederdepartement voor het informatieplan € 10,1 miljoen) en de uitgevoerde werkzaamheden voor Caribisch Nederland (€ 4,4 miljoen) en BCT (€ 1,8 miljoen) en afname van de post nog te ontvangen facturen met € 4,2 miljoen.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2013
Becragen in € 1.000
   

(1)

(2)

(3) = (2) - (1)

 

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2013

54.373

82.851

28.478

2.

Totaal operationele kasstroom

– 10.000

– 11.264

– 1.264

Totaal investeringen (-/-)

– 4.600

– 4.581

19

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

351

351

3.

Totaal investeringskasstroom

– 4.600

– 4.230

370

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

– 1.825

– 1.825

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

Aflossingen op leningen (-/-)

– 4.600

– 58

4.542

Beroep op leenfaciliteit (+)

4.600

– 4.600

4.

Totaal financieringskasstroom

– 1.883

– 1.883

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2013

39.773

65.474

25.701

Toelichting op het kasstroomoverzicht

1. Rekening-courant RHB 1 januari 2013

De rekening-courant met de RHB stond per 1 januari 2013 op € 82.851 miljoen.

2. Totaal operationele kasstroom

De operationele kasstroom geeft de kasstromen weer die voortvloeien uit de bedrijfsvoering. Om de operationele kasstroom vast te kunnen stellen wordt het resultaat, zoals vermeld in de staat van baten en lasten, gecorrigeerd voor een aantal stroomgrootheden: toe- of afname vlottende activa (debiteuren en vorderingen) en van vlottende passiva (crediteuren en overige vlottende passiva). De operationele kas-uitstroom op 31 december is vooral ontstaan door de uitstroom van projectmiddelen en afdracht van niet benodigde middelen. Daar tegenover staat het (positieve) resultaat per 31 december en de onttrekkingen en vrijval van de voorzieningen.

3. Totaal investeringskasstroom

Er is geïnvesteerd in het wagenpark en in inspectie-ondersteunende apparatuur.

Ten opzichte van de begroting is er minder geïnvesteerd. Dit komt doordat er niet meer geïnvesteerd wordt in zelfontwikkelde software.

4. Totaal financieringskasstroom

De financieringskasstroom bestaat uit de maandelijkse aflossingen op leningen. Voor de geactiveerde kosten over 2013 is geen lening aangevraagd gezien de huidige liquiditeitspositie. Het overschot aan eigen vermogen is afgedragen aan het moederdepartement.

5. Rekening-courant RHB per 31 december 2013

Van de ruim € 65 miljoen die per 31 december op de rekening-courant staat is 25 miljoen als deposito geplaatst bij de RHB. Het positieve saldo wordt grotendeel verklaard doordat er voor grote ICT-projecten (BCT) middelen zijn ontvangen, die in 2014 tot uitgaven leiden. Voorts is sprake van een aanzienlijk bedrag aan nog te betalen bedragen en aan openstaande crediteuren. Tegenover de liquide middelen staat ook een aantal voorzieningen op de balans. Het saldo op de rekening-courant dat hiervoor ter vrije beschikking is gekomen, is op een deposito geplaatst. In mei 2014 komen deze middelen weer ter vrije beschikking.

Overzicht doematigheidsindicatoren per 31 december 2013

Omschrijving Generiek Deel

     
 

2013

2012

oorspronkelijke begroting

1. Kostprijzen per product (groep)

     

– Handhaving

118.837

142.195

139.456

– Vergunningverlening

23.832

7.206

7.500

totaal

142.669

149.401

146.956

2. Tarieven/uur

     

– Handhaving

131,3

135,7

120

– Vergunningverlening

132,8

121,1

110

– Kennis, advies en berichtgeving

     

3. Omzet per produktgroep (pxq)

     

– Handhaving

143.309

149.170

137.736

– Vergunningverlening

8.810

8.141

7.500

totaal

152.119

157.311

145.236

       

4. FTE-totaal per 31 -12

1.119

1.120

1.137

       

5. Saldo van baten en lasten

7,56%

3,96%

– 1,20%

6.Kwaliteitsindicatoren:

     

Behandeltijd vergunningen t.o.v. norm

85%

n.t.b.

 
       

Ziekteverzuim

5,2

5,1

 
       

Omschrijving Specifiek Deel voor Inspectiediensten Nacalc-Voorcalc.

   

8. Kostprijs/product: (excl. buitengewone lasten en Caribisch NL)

   

Handhaving

117.316

143.864

137.736

Vergunningverlening

23.832

7.206

7.500

 

141.148

151.070

145.236

       

9. Kwaliteit Handhaving:

     

Klachten(bezwaar &beroep)

700

n.t.b.

 

Gegrond verklaard (%)

Niet beschikbaar

n.t.b.

95%

Toelichting op het overzicht doelmatigheidsindicatoren

Het kostprijsmodel ILT is in 2013 vastgesteld. In het huidige model worden de kosten zuiverder toegerekend aan de (hoofd-)producten. Dit verklaart daling van het handhavingstarief en de stijging van het vergunningsverleningstarief.

Het verschil tussen de omzet vergunningverlening en de kosten voor vergunningverlening wordt verklaard doordat de ILT (overwegend) niet-kostendekkende tarieven afgeeft ILT. Daarnaast worden er niet-tarifeerbare producten afgegeven en int het Ministerie van EZ de bijdragen kernenergiewet zelf. De ILT ontvangt een vergoeding in de vorm van agentschapsbijdrage.

In de begroting is de indicator wachttijden informatiecentrum opgenomen. Door vertraging in uitrol software is de realisatie van deze indicator nog niet te geven.

KNMI
Staat van baten en lasten 2013 van het baten en lastenagentschap KNMI
Bedragen in € 1.000
 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

(4)

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2012

Baten

       

Omzet IenM

45.574

38.571

– 7.003

42.814

Omzet overige departementen

1.288

1.231

– 57

1.165

Omzet derden

18.520

19.231

711

20.240

Rentebaten

25

68

43

25

Vrijval voorzieningen

 

741

741

3

Bijzondere baten

       

Totaal baten

65.407

59.842

– 5.565

64.246

         

Lasten

       

Apparaatskosten

       

– Personele kosten

28.856

31.936

3.080

32.980

waarvan eigen personeel

28.444

30.620

2.176

waarvan externe inhuur

412

1.316

904

– Materiële kosten

32.822

22.786

– 10.036

25.507

waarvan apparaat ICT

2.391

3.836

1.445

3.803

waarvan bijdrage aan SSO's

3.112

3.055

Rentelasten

280

219

– 61

278

Afschrijvingskosten

       

– materieel

3.449

2.577

– 872

2.745

waarvan apparaat ICT

1.986

1.861

– 125

2.012

– immaterieel

       

Overige Lasten

       

– Dotaties voorzieningen

 

49

49

1.471

– Bijzondere lasten

 

0

0

 

Totaal lasten

65.407

57.566

– 7.841

62.980

Saldo van baten en lasten

0

2.276

2.276

1.266

Toelichting op de staat van baten en lasten

Baten

Omzet IenM

(x € 1.000)

Begroot 2013

Realisatie 2013

Verschil

Realisatie 2012

Artikel 11 Waterkwantiteit

 

642

642

 

Artikel 16 Spoor

 

22

22

 

Artikel 17 Luchtvaart

 

33

33

 

Artikel 19 Klimaat

 

298

298

 

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

45.574

34.036

– 11.538

42.814

Bijdrage ILT

 

313

313

 

Bijdrage RWS

 

3.227

3.227

 

Totaal

45.574

38.572

– 7.002

42.814

waarvan programma

15.914

8.468

– 7.446

10.110

In 2013 is het profijtbeginsel in de begroting doorgevoerd mede voor invulling van de taakstelling Rutte I en II. Hierdoor is de bijdrage op artikel 23 verlaagd voor maatwerkopdrachten die in rekening wordt gebracht aan beleidsdirecties en diensten.

In 2013 zijn voor artikel 23 bedragen ontvangen voor projecten waarvan de prestaties (kosten) niet in hetzelfde jaar geleverd zijn. De ontvangsten waar nog geen prestaties (kosten) tegenover staan worden niet als opbrengst verantwoord, maar als vooruit ontvangen ter dekking van toekomstige kosten. Zodra de prestaties (kosten) worden geleverd, worden de opbrengsten verantwoord en de vooruit ontvangen bedragen verminderd. Het gaat vooral om ontvangsten in het kader Aardobservatie en Deltaplan. Zie volgende tabel.

 

per 1/1/2013

2013

   

per 31/12/2013

 

Vooruitontvangen

Ontvangen bijdrage

kosten/ opbrengsten

Vooruitontvangen 2013

Vooruitontvangen

Aardobservatie (x € 1.000)

11.547

16.090

8.468

7.622

19.169

Deltaplan (x € 1.000)

2.814

1.066

1.579

– 513

2.301

Ook voor een deel van de opbrengsten aan de diensten IenM geldt dat een deel van de prestaties nog geleverd moeten worden. Een deel van de ontvangen bedragen is daarom als vooruitontvangen geboekt.

Naast de zichtbaar in de begroting opgenomen bijdragen aan het KNMI (opdrachtbrief) zijn van de diensten IenM nog andere opbrengsten ontvangen. Het betreft vooral opbrengsten RWS voor dienstverlening op het gebied van het Nationaal Modellen- en Datacentrum.

Omzet overige departementen

(x € 1.000)

Begroot 2013

Realisatie 2013

Verschil

Realisatie 2012

RIVM

 

280

280

 

Defensie

1.090

952

– 138

893

Overige

198

 

– 198

272

Totaal

1.288

1.231

– 57

1.165

In 2013 is het profijtbeginsel in de begroting doorgevoerd. Hierdoor wordt de dienstverlening aan RIVM als maatwerkopdracht in rekening gebracht en niet langer uit artikel 23 gefinancierd. De post Overige betreft opbrengsten Rijkswaterstaat. Vanaf 2013 zijn deze als opbrengst moederdepartement verantwoord.

Omzet derden

(x € 1.000)

Begroot 2013

Realisatie 2013

Verschil

Realisatie 2012

Luchtvaart

9.421

9.292

– 129

9.549

Projecten extern gefinancierd

8.158

8.875

717

9.640

Dataverstrekkingen en licenties

780

641

– 139

498

Overig

161

423

262

825

Totaal

18.520

19.231

711

20.512

Er zijn meer externe projecten voor derden uitgevoerd dan begroot. Door de vrije datapolitiek zijn de opbrengsten uit Dataverstrekking en licenties lager dan begroot.

Vrijval voorzieningen

Het grootste deel betreft een vrijval van de voorziening onderhanden werk. Deze voorziening is in 2012 gevormd ter dekking van verwachte verliezen op subsidieprojecten. Een deel hiervan is nu vrijgevallen.

(x € 1.000)

Begroot 2013

Realisatie 2013

Verschil

Realisatie 2012

Bijzondere baten

0

741

741

2

Vrijval voorzieningen wachtgeld

 

81

81

 

Vrijval reorganisatievoorziening

 

85

85

 

Vrijval voorziening onderhanden werk

 

575

575

 

Vrijval voorziening dubieuze debiteuren

 

0

0

2

Lasten

Personele kosten

(x € 1.000)

Begroot 2013

Realisatie 2013

Verschil

Realisatie 2012

         

Personeel

28.856

31.936

3.080

32.980

         

Specificatie

       

Eigen personele kosten

28.444

30.619

2.175

30.715

Inhuur

412

1.316

904

2.265

         

Gemiddeld aantal fte

375,0

368,8

– 6

388,6

Mutatie fte t.o.v. voorgaand jaar

 

– 5,1%

 

– 3,6%

De werkelijke personele kosten zijn hoger dan begroot. De overschrijding van de loonkosten wordt veroorzaakt door hogere sociale lasten (dit uit zich ook in de stijging salariskosten per medewerker), incidentele uitgaven en de kosten voor medewerkers gefinancierd uit externe projecten. Voor deze laatste is ook extra omzet gegenereerd (zie omzet derden). De inhuuroverschrijding betreft voornamelijk inhuur in het kader van het Deltaplan.

Materiële kosten

Voor aardobservatie is in de Rijksbegroting € 15,9 miljoen opgenomen. Dit bedrag is in 2013 verhoogd met een prijsbijstelling van € 0,2 miljoen. Per saldo is door vertraging bij het opstarten van nieuwe programma’s de opgevraagde en betaalde contributies aardobservatie € 7,6 miljoen lager dan begroot.

De overige materiële kosten zijn gedaald met € 1,1 miljoen ten opzichte van 2012. Dit is een daling van 8,7%.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten zijn in 2013 gedaald omdat er relatief weinig is geïnvesteerd in 2012 en 2013. Bovendien zijn de investeringsuitgaven van 2013 vooral eind 2013 gedaan waardoor de bijbehorende afschrijvingskosten extra laag zijn.

Dotatie voorzieningen

De dotatie aan de voorziening betreft met name een dotatie aan de voorziening dubieuze debiteuren. Dit betreft posten van derden die langer dan 6 maanden vervallen zijn.

Saldo van baten en lasten

In de Rijksbegroting 2013 was een saldo van € 0 begroot. Het gerealiseerde resultaat is € 2,3 miljoen positief.

Dit positieve resultaat wordt veroorzaakt doordat de opbrengsten minder zijn afgenomen dan de kosten. De lagere contributie aan EUMETSAT leidt tot een afname van zowel de kosten als de opbrengsten met € 7,4 miljoen. De overige opbrengsten zijn gestegen met € 2 miljoen. Dit betreft onder andere een vrijval voorzieningen van € 0,7 miljoen.

Afgezien van de lagere kosten voor EUMETSAT zijn de kosten slechts € 0,4 miljoen lager dan begroot. Door achterblijvende investeringsprojecten zijn zowel de materiële kosten (€ 2,4 miljoen) als de afschrijvingskosten (€ 0,9 miljoen) lager dan begroot. Daartegenover staat een overschrijding van de personeelskosten van € 3,1 miljoen. Dit wordt veroorzaakt door hogere kosten voor inhuur (€ 0,9 miljoen), een reservering voor niet opgenomen vakantiedagen (€ 1,0 miljoen) en hogere kosten projectmedewerkers doordat meer door derden gefinancierde projecten zijn uitgevoerd.

Balans

Balans per 31 december 2013 van het baten-lastenagentschap KNMI
(bedragen x € 1.000)
 

2013

2012

Activa

   

Materiële vaste activa

   

* Grond en gebouwen

5.625

6.124

* Installaties en inventaris

2.369

3.245

* Overige activa

4.286

4.516

* In ontwikkeling

1.146

241

Onderhanden projecten

2.165

1.137

Debiteuren

3.257

3.350

Nog te ontvangen

1.158

830

Liquide middelen

28.404

19.081

Totaal activa

48.411

38.524

     

Passiva

   

Eigen vermogen

   

* Exploitatiereserve

3.130

611

* Onverdeeld resultaat

2.276

1.266

Lening bij Min. van Financiën

5.931

7.306

Voorzieningen

757

1.187

Vooruitontvangen projecten

4.204

4.240

Crediteuren

2.320

2.500

Nog te betalen

29.792

21.412

Totaal passiva

48.411

38.524

Toelichting op de balans

Activa

Debiteuren

Het saldo debiteuren is in lijn met voorgaand jaar. Het openstaande bedrag Overheden bestaat voornamelijk uit een viertal vorderingen op het Netherlands Space Office van € 0,8 miljoen uit de periode juli-december.

Nog te ontvangen

De nog te ontvangen bedragen betreffen vooral de dienstverlening aan de ILT/RIVM (€ 0,35 miljoen)

Liquide middelen

Het betreft een tweetal deposito’s bij het Ministerie van Financiën van € 10 miljoen met rentepercentages van 0,53% en 0,54% en een looptijd tot maart 2014 respectievelijk november 2014.

Voorzieningen

 

Infrastructuur De Bilt

Vernieuwingsprogramma

Wachtgeld

Totaal

Saldo per 1 jan 2013

180

207

800

1.186

Bij:

       

dotatie

 

0

0

0

Af:

       

vrijval

 

85

81

166

mutaties

180

83

0

263

Totaal af

180

168

81

429

Saldo per 31 dec 2013

0

39

718

757

De voorzieningen zijn afgenomen van € 1,2 miljoen naar € 0,8 miljoen door het afronden van de voorziening Infrastructuur De Bilt, vrijval voorziening wachtgeld en voorziening Vernieuwingsprogramma en reguliere mutaties in het kader van FPU+ (Vernieuwingsprogramma).De voor het Vernieuwingsprogramma opgenomen voorziening loopt tot en met 2015 en de voorziening wachtgeld loopt tot 2021.

Crediteuren

Het saldo crediteuren is in lijn met 2012. Een bedrag van € 1,4 miljoen heeft betrekking op de rijksoverheid en betreft het binnen 1 jaar opeisbaar deel van de leningen bij het Ministerie van Financiën. Het bedrag is in 2013 gedaald omdat een tweetal leningen volledig is afgelost.

Nog te betalen

De nog te betalen bedragen betreffen met name vooruit ontvangen bedragen moederdepartement in het kader van EUMETSAT (€ 19,2 miljoen) en Deltaplan (€ 2,3 miljoen).

Eigen Vermogen

Het onverdeeld resultaat is het resultaat (saldo van baten en lasten) dat het KNMI heeft gerealiseerd over het jaar 2013. Mede als gevolg van het positieve resultaat overschrijdt het Eigen Vermogen per 31 december 2013 het plafond van maximaal 5% eigen vermogen over de gemiddelde omzet over de afgelopen drie jaar met circa € 2,4 miljoen. Bij de eerstvolgende suppletoire begrotingswet zal worden aangegeven hoe deze overschrijding wordt hersteld.

Ontwikkeling eigen vermogen

Stand per 31/12/11

Stand per 31/12/12

Stand per 31/12/13

Eigen vermogen

     

– exploitatiereserve

1.801

611

1.877

– onverdeeld resultaat

– 1.190

1.266

2.276

– directe mutatie eigen vermogen1

   

1.253

Totaal

611

1.877

5.406

X Noot
1

In 2013 is € 1,25 miljoen door het moederdepartement aan het eigen vermogen toegevoegd.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2013
Bedragen in EUR1.000
 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

 

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2013 + stand depositorekeningen

14.960

19.081

4.121

2.

Totaal operationele kasstroom

3.298

11.323

8.025

3a.

Totaal investeringen (-/-)

– 3.000

– 1.878

1.122

3b.

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

 

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 3.000

– 1.878

1.122

4a.

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

     

4b.

Eenmalige storting door moederdepartement (+)

 

1.253

 

4c.

Aflossingen op leningen (-/-)

– 2.381

– 1.375

1.006

4d.

Beroep op leenfaciliteit (+)

3.000

0

– 3.000

4.

Totaal financieringskasstroom

619

– 122

– 741

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2013 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

15.877

28.404

12.527

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom is opgebouwd uit afschrijvingskosten (€ 2,6 miljoen), toename van de voorraden/onderhandenwerk (€ -0,9 miljoen), toename van de kortlopende vorderingen (€ -0,4 miljoen), een toename van de schulden (€ 7,5 miljoen), afname van de voorzieningen (€ -0,4 miljoen) en het gerealiseerde positieve resultaat (€ 2,3 miljoen). De toename van de schulden betreft voornamelijk een toename van de vooruit ontvangen bedragen voor aardobservatie.

Investeringskasstroom

In 2013 is vooral geïnvesteerd in uitbreiding van de rekencapaciteit (€ 0,6 miljoen), uitbreiding opslagcapaciteit (€ 0,2 miljoen) en seismometers (€ 0,2 miljoen). De overige investeringen (€ 0,8 miljoen) betreffen een groot aantal geringe investeringen in elektronische hulpmiddelen. Er is minder geïnvesteerd dan begroot door vertragingen bij de investeringen in ICT.

Financieringskasstroom

Er is in 2013 geen beroep op de leenfaciliteit gedaan. De activa met korte looptijd zijn door het KNMI zelf gefinancierd (uit vooruitontvangen bedragen). Daarnaast is vooruitlopend op de verwachte transitiekosten een aanvulling op het Eigen Vermogen ontvangen. Tenslotte zijn de aflossingen op de leningen lager dan begroot doordat in 2012 geen beroep op de leenfaciliteit is gedaan.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2013

   

Realisatie

     
   

2010

2011

2012

2013

Kostprijs in € per eenheid product

       
 

– percentage overhead

17%

19%

20%

27%

 

– fte's indirect

101

103

88

94

           

Tarieven/uur

108

118

112

109

           

Omzet per productgroep

     
 

– meteorologie

48 019

47 542

50 423

46.254

 

– seismologie

1 926

1 999

3.686

2.690

 

– aardobservatie

7 909

9 127

10.110

8.468

           

FTE- per 31 december

426

393

383

358

           

Saldo van baten en lasten (%)

– 2%

2%

2%

4%

           

Algemene weersverwachtingen en adviezen

       
 

– afwijking min temperatuur (C

– 0,24

– 0,33

– 0,17

– 0,01

 

– afwijking max temperatuur (C

– 0,21

– 0,06

– 0,32

– 0,25

 

– gem afwijking wind snelheid (m/s)

0,04

– 0,03

– 0,05

0,26

Luchtvaartverwachtingen

       
 

– tijdigheid TAF schiphol (%)

99

99,5

99,7

99,7

Maritieme verwachtingen

       
 

– tijdigheid marifoonbericht (%)

99,3

99

98,4

99,3

Toelichting op het overzicht doelmatigheidsindicatoren

Kosten in € per eenheid product

De fte’s overhead worden bepaald op basis van de geschreven uren. Alle uren geschreven op overheadactiviteiten worden daarbij omgerekend naar het corresponderende aantal fte’s. Zowel overheadactiviteiten binnen de Staf als binnen de sectoren vallen hieronder. Het aantal fte’s indirect is gestegen door een verschuiving van de uren van de procesbewaking, distributie en codebeheer van direct naar indirect. Dit betreft omgerekend circa 7 fte. Per saldo resteert dan een lichte daling.

Tarieven per uur

Het uurtarief wordt bepaald door de totale kosten exclusief kosten direct geboekt op een product te delen door het aantal uren geschreven op de producten. Het uurtarief is gedaald omdat de kosten door (1) bezuinigingen en (2) wegvallen van een aantal eenmalige kosten in 2012 harder zijn gedaald (18%) dan het totaal aantal productieve uren (12%).

Verwachtingen en adviezen

De afwijking en de tijdigheid vallen binnen de doelstellingen.

Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) 2013
Staat van baten en lasten 2013 van het batenenlastenagentschap Nea
Bedragen in € 1.000
 

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

 

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2013

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie 2012

Baten

       

Omzet Moederdepartement

7.459

7.370

– 89

7.299

Omzet overige departementen

0

16

16

 

Omzet derden

0

75

75

4

Rentebaten

0

5

5

0

Bijzondere baten

0

0

0

554

Totaal baten

7.459

7.466

7

7.857

         

Lasten

       

Apparaatskosten

       

– personele kosten

4.972

5.288

316

4.981

* waarvan eigen personeel

3.671

3.905

234

3.719

* waarvan externe inhuur

1.301

1.383

82

1.262

– materiële kosten

2.038

1.129

– 909

1.504

* waarvan apparaat ICT

811

417

– 394

1.114

* waarvan bijdrage aan SSO's

       

Rentelasten

48

24

– 24

21

Afschrijvingskosten:

       

– materieel

1

1

0

2

* waarvan apparaat ICT

0

0

0

1

– immaterieel

400

422

22

422

Totaal lasten

7.459

6.864

– 595

6.930

Saldo van baten en lasten

0

602

602

927

Toelichting op de staat van baten en lasten

Baten

Omzet moederdepartement

De omzet moederdepartement betreft de omzet voor werkzaamheden die de NEa verricht voor het moederdepartement. De omzet moederdepartement is een vergoeding voor:

  • Onderhoud ETS

  • Onderhoud ETS luchtvaart

  • Communicatie en voorlichting

  • Registeradministratie handelaren

  • Nationale verplichtingen onder EU en VN

  • NEa brede producten en diensten

  • Project biobrandstoffen

  • Project introductie fase 3

De omzet moederdepartement komt nagenoeg overeen met de oorspronkelijke begroting. In het overzicht doelmatigheidsindicatoren is de omzet gespecificeerd per product.

Omzet overige departementen

Dit betreft omzet van uitgevoerde werkzaamheden voor AgentschapNL.

Omzet derden

De post omzet derden bestaat uit ontvangsten voor verleende diensten van NEa medewerkers aan andere organisaties.

Lasten

Ten opzichte van de oorspronkelijke begroting zijn de totale personeelkosten hoger dan begroot. De overschrijding van de eigen personeelskosten wordt met name veroorzaakt door inbesteding voor een interim manager voor het bedrijfsbureau, inbesteding voor het digitaliseren van de NEa en inbesteding voor een onderzoek naar de structuur van de organisatie. De externe inhuur is nagenoeg gelijk aan de oorspronkelijke begroting. In 2013 heeft de NEa uitbreiding van het takenpakket gekregen. De uitvoering van deze extra taken is deels ingevuld met externe inhuur. Eind 2013 heeft de NEa een formatie uitbreiding gekregen van 10 fte. De taakuitbreiding zal met eigen personeel worden ingevuld, waardoor de externe inhuur zal gaan afnemen.

Specificatie personele kosten

Begroting 2013

Realisatie 2013

Aantal FTE

42

40,7

Eigen personeelskosten (x € 1.000)

3.671

3.905

Kosten Inhuur (x € 1.000)

1.301

1.383

Totale personele kosten (x € 1.000)

4.972

5.288

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan onder meer uit: bureau-, voorlichtings- en huisvestingskosten, kosten voor onderhoud en exploitatie van bedrijfsmiddelen en kosten voor huren en leasen van bedrijfsmiddelen. De lagere realisatie is in belangrijke mate het gevolg van lagere ICT-kosten en huisvestingskosten dan oorspronkelijk begroot.

Balans

Balans per 31 december 2013 van het baten-lastenagentschap NEa
Bedragen x € 1.000
 

2013

2012

ACTIVA

   

Immateriële vaste activa

1.264

1.686

Materiële vaste activa

   

Installaties en inventarissen

0

1

Voorraden

0

4

Debiteuren

85

10

Nog te ontvangen

20

3

Liquide middelen

2.363

5.612

TOTAAL ACTIVA

3.732

7.316

     

PASSIVA

   

Eigen vermogen

   

– Exploitatiereserve

352

1.075

– Onverdeeld resultaat

602

927

Leningen bij het MvF

1.000

1.400

Crediteuren

32

77

Nog te betalen

1.746

3.837

TOTAAL PASSIVA

3.732

7.316

Toelichting op de balans

Activa

Immateriële vaste activa

De immateriële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de historische kostprijs verminderd met de cumulatieve afschrijvingen. Onder de immateriële vaste activa valt het informatiesysteem PAN.

Debiteuren

De waardering van de post debiteuren vindt plaats tegen nominale (factuur)waarde. In het saldo van de debiteuren is onder meer een vordering verwerkt van € 16.000,– op het AgentschapNL.

Passiva

Eigen vermogen

Het eigen vermogen bestaat uit een exploitatiereserve en een nog onverdeelde resultaat van het afgesloten boekjaar. In de tabel is de ontwikkeling van het eigen vermogen opgenomen.

Ontwikkeling Eigen vermogen

Stand per

31 december 2011

Stand per

31 december 2012

Stand per

31 december 2013

Eigen vermogen

     

– exploitatiereserve

237

1.075

2.002

– directe mutatie eigen vermogen 1

   

– 1.650

– onverdeeld resultaat

838

927

602

Totaal

1.075

2.002

954

X Noot
1

In 2013 is € 1,65 miljoen van het eigen vermogen afgedragen aan het moederdepartement, vanwege de overschrijding van het plafond van maximaal 5% eigen vermogen van de gemiddelde omzet over de afgelopen drie jaar.

Toelichting

Het Eigen Vermogen overschrijdt per 31 december 2013 met bijna € 0,6 miljoen het plafond van maximaal 5% eigen vermogen over de gemiddelde omzet over de afgelopen drie jaar. Bij de eerstvolgende suppletoire begrotingswet zal worden aangegeven hoe deze overschrijding wordt hersteld.

Crediteuren

Onder de post crediteuren valt een bedrag van € 25.000,– «crediteuren overige ministeries».

Nog te betalen

De post nog te betalen bedragen bestaat voornamelijk uit kosten voor ingehuurd personeel, kosten van inbesteding, uitbesteding en onderhoud ICT met betrekking tot 2013. Daarnaast is er een vooruitontvangen bedrag KLG van € 0,3 miljoen (saldo van de afrekening met KLG over het jaar 2013) en een vooruitontvangen bedrag van het Ministerie van Financiën (€ 60.000,–) opgenomen.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht over het jaar 2013
Bedragen in € 1.000
   

(1)

(2)

(3)=(2)-(1)

 

Omschrijving

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2013

2.469

5.612

3.143

         

2.

Totaal operationele kasstroom

400

– 1.199

– 1.599

         

3a -/-

Totaal investeringen

0

0

0

3b +/+

Totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

0

0

0

         

4a -/-

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

– 1.650

– 1.650

4b +/+

Eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

4c -/-

Aflossingen op leningen

– 400

– 400

0

4d +/+

Beroep op leenfaciliteit

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

– 400

– 2.050

– 1.650

         

5.

Rekening courant RHB 31 december 2013

2.469

2.363

– 106

         
 

(=1+2+3+4)

     
 

(maximale roodstand 0,5 mln euro)

     

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Investeringskasstroom

Er zijn in 2013 geen investeringen geweest.

Financieringskasstroom

In 2013 is het eigen vermogen over 2012 afgeroomd en afgedragen aan de eigenaar (€ 1,65 miljoen).

Op de leenfaciliteit is in 2013 € 0,4 miljoen afgelost.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2013

Doelmatigheidsindicatoren

Begroting 2013

Realisatie 2013

Realisatie 2012

Realisatie 2011

Kostprijzen per product (x € 1):

       

Vergunningaanvragen (per vergunning)

3.550

 

4.483

3.716

Onderhoud dossier (per dossier)

690

 

926

722

Audits (per audit)

6.813

 

5.879

7.131

Ad hoc onderzoek (per onderzoek)

6.511

 

6.404

6.814

Afsluiten handelsjaar (per emissiejaarverslag)

411

 

369

430

Infodesk (per vraag)

134

 

113

140

Registeradministratie (per gemiddelde rekening in beheer)

583

 

325

610

Onderhoud ETS

 

6.916

   

Communicatie en voorlichting (helpdeskvragen)

 

131

   

Registeradministratie handelaren

 

1.154

   

Nationale verplichtingen onder EU en VN

 

140

   
         

Tarieven per uur (x € 1):

       

Laag

83

83

84

85

Midden

93

95

94

95

Hoog

114

125

115

116

         

FTE totaal (excl. externe inhuur)

43

40,7

41,67

38,10

         

Omzet per productgroep (x € 1.000) 1

       

Vergunningaanvragen (p*q)

60

 

31

63

Onderhoud dossier (p*q)

319

 

426

334

Validatie en toewijzing rechten luchtvaart

79

     

Audits (p*q)

818

 

435

849

Ad hoc onderzoeken (p*q)

352

 

243

368

Diepte- en thema onderzoeken

155

 

18

145

Handhaving

203

   

190

Bezwaren en beroepen

81

   

72

Afsluiten handelsjaar (p*q)

206

   

215

Infodesk (p*q)

342

 

242

358

Registeradministratie (p*q)

554

 

309

580

Registeronderhoud

940

 

874

974

Rekeningbeheer overheid

85

 

99

Fraudebestrijding

250

 

165

139

Voorbereiding nieuwe regelgeving en beleidsafstemming

340

   

255

Toewijzing rechten nieuwkomers

72

   

21

Overige producten/diensten

132

   

297

Onderhoud ETS

 

3.209

   

Onderhoud ETS luchtvaart

 

222

   

Communicatie en voorlichting (helpdesk en overig)

 

385

   

Registeradministratie handelaren

 

256

   

Nationale verplichtingen onder EU en VN

 

91

   

NEa brede producten en diensten

 

544

1.148

 

Projecten

2.471

2.663

3.307

2.180

Totaal

7.459

7.370

7.299

7.040

         

Saldo van baten en lasten (%)

0

8,90%

11,80%

5,82%

         

Kwaliteitsindicatoren

       

Validatie& vergunningen

       

% vergunningen verleend binnen wettelijke termijn

>99%

100%

100%

100%

% meldingen afgehandeld binnen wettelijke termijn

>99%

95%

99%

100%

Aantal bedrijven met een vergunning

463

464

421

463

         

Registratie Emissiehandel

       

Register CO2online 2

99,3%

Register NOxonline

>99%

100%

100%

99,9%

         

Toezicht en handhaving

       

Aantal uitgevoerde audits bij bedrijven gebaseerd op RGT en nieuwkomers

77

96

66

113

Aantal uitgevoerde audits bij bedrijven gebaseerd op een steekproef

30

5

8

6

Aantal uitgevoerde ad hoc onderzoeken bij bedrijven

54

16

38

54

Aantal uitgevoerde thema onderzoeken 3

4

0

1

1

         

Algemeen

       

Aantal gegronde klachten over uitoefening taken

<3

0

0

0

Aantal ongegronde klachten over uitoefening taken

<2

0

0

0

% klachten afgerond binnen wettelijke termijn

100%

nvt

nvt

nvt

Tevreden belanghebbenden

>65%

Ontevreden belanghebbenden

<10%

Directe uren/totaal aantal gewerkte uren

>60%

58%

66%

65%

X Noot
1

Voor de opdracht 2013 is de producten- en dienstencatalogus van de NEa geheel herzien, hierdoor komen in de kolom «Prestatie 2013» andere producten voor dan in de oorspronkelijke begroting. Hierdoor zijn de producten en diensten in bovenstaand overzicht niet eenvoudig te vergelijken met voorgaande jaren.

X Noot
2

In juni 2012 is het nationale register CO2 Emissiehandel opgegaan in het EU-register. Dit wordt technisch beheerd door de Europese Commissie. Als gevolg hiervan heeft de NEa geen directe invloed meer op de beveiliging en de beschikbaarheid van het register.

X Noot
3

In de opdracht voor 2013 zijn geen thema onderzoeken opgenomen.

Ten opzichte van de oorspronkelijke begroting wijkt de opbrengst van de producten en diensten niet veel af. De projecten geven ten opzichte van de oorspronkelijke begroting een hogere realisatie.

7.5 Topinkomens

Bezoldiging

Topfunctionarissen en gewezen topfunctionarissen

Naam orgaan of instelling waar functie wordt bekleed

Functie(s)

Aard van de functie

Naam

Beloning

Belastbare vaste en variabele onkosten-vergoeding

Werkgeversdeel van voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn

Datum aanvang dienstverband in het boekjaar(indien van toepassing)

Datum einde dienstverband in het boekjaar(indien van toepassing)

Omvang dienstverband (in FTE)

Interim

Motiveringoverschrijding norm (indien van toepassing)

Examencommissie Certificaatloodsen

Geen 1

                   

Commissie van Beroep als bedoeld in artikel 3 Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993

Geen1

                   

Nederlandse Emissieautoriteit

Bestuursvoorzitter

Bestuurder

D. J. M. Corbey

€ 43.200

0

0

   

0,2

Nee

 

Nederlandse Emissieautoriteit

Bestuurder

Bestuurder

E.F. van Galen

€ 11.429

0

0

   

0,05

Nee

 

Nederlandse Emissieautoriteit

Bestuurder

Bestuurder

C. de Visser

€ 11.429

0

0

   

0,05

Nee

 

Nederlandse Emissieautoriteit

Bestuurder

Bestuurder

A. B. M. Hoff

€ 11.429

0

0

   

0,05

Nee

 
X Noot
1

Bij de ZBO’s Examencommissie Certificaatloodsen en Commissie van Beroep als bedoeld in artikel 3 Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 is geen sprake van leidinggevenden, noch van ondergeschikten. Er is geen instelling waar de functie wordt bekleed. De betrokkenen hebben geen inkomen volgens de definitie van bezoldiging zoals opgenomen in de Wet Normering Topinkomens. (Het betreft hier personen – vaak inmiddels met pensioen – die door de Minister van IenM zijn aangewezen om op te letten tijdens examens.)

NB: In het ZBO-register staan drie voormalige ZBO’s van IenM die in 2013 al niet meer bestonden. Deze zijn per 1 januari 2014 formeel uit de wet gehaald. Het betreft de ZBO’s Commissie Stuurliedenexamens, Commissie voor de Examens van scheepswerktuigkundigen en de Commissie voor de Zeevisvaartexamens.

Overige functionarissen van wie de bezoldiging de norm overschrijdt

Naam orgaan of instelling waar functie wordt bekleed

Functie(s)

Beloning

Belastbare vaste en variabele onkosten-vergoeding

Werkgeversdeel van voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn

Datum aanvang dienstverband in het boekjaar(indien van toepassing)

Datum einde dienstverband in het boekjaar(indien van toepassing)

Omvang dienstverband (in FTE)

Interim

Motivering overschrijding norm

DG Ruimte en Water

Topmanager

€ 24.650,98

€ 124,88

€ 1.775,42

01-02-2013

1,0

 

Overschrijding als gevolg van diensttijdgratificatie

ILT Risicovolle bedrijven

Coördinerend Specialist Inspecteur

€ 33.847,97

€ 624,28

€ 1.578,88

01-02-2013

1,0

 

Afkoop niet opgenomen verlofuren in verband met ontslag

NB: De Minister van BZK heeft bij brief van 27 februari 2014 aan de Tweede Kamer laten weten dat hij een ministeriële regeling over de Wnt (inclusief beleidsregels toepassing Wnt) heeft opgesteld. In de begeleidende brief is aangegeven dat het niet mogelijk is gebleken een sluitende oplossing te vinden voor de uitvoeringsproblematiek ten aanzien van de vermelding van de gegevens over personen die anders dan op grond van een dienstbetrekking een functie vervullen als niet-topfunctionaris (externe niet-topfunctionarissen). De Minister van BZK heeft daarom voor het verslagjaar 2013 als gedragslijn bepaald dat niet volledig aan de verplichting tot openbaarmaking kan en hoeft te worden voldaan. Het Ministerie van IenM heeft overeenkomstig deze gedragslijn uitvoering gegeven aan de Wnt. Dit leidt tot een onzekerheid in de verantwoording vanwege het ontbreken van een praktisch toepasbare normstelling voor dit onderdeel van het Wnt-overzicht. De onzekerheid betreft uitsluitend het achterwege laten van de vermelding van de gegevens over externe niet-topfunctionarissen.

Uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband

Topfunctionarissen en gewezen topfunctionarissen

Naam orgaan of instelling waar functie werd bekleed

Laatste Functie

Aard van de Functie

Naam

Eerdere Functie(s) tijdens dienstverband

Uitkeringen wegens beëindiging dienstverband

Jaar van beëindiging dienstverband

Interim

Motivering overschrijding norm(indien van toepassing)

                 
                 

Er zijn bij IenM geen uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband geweest aan topfunctionarissen of gewezen topfunctionarissen.

Overige functionarissen

Naam orgaan of instelling waar functie werd bekleed

Laatste Functie

Eerdere Functie(s) tijdens dienstverband

Uitkeringen wegens beëindiging dienstverband

Jaar van beëindiging dienstverband

Interim

Motivering overschrijding norm

             

NB: De Minister van BZK heeft bij brief van 27 februari 2014 aan de Tweede Kamer laten weten dat hij een ministeriële regeling over de Wnt (inclusief beleidsregels toepassing Wnt) heeft opgesteld. In de begeleidende brief is aangegeven dat het niet mogelijk is gebleken een sluitende oplossing te vinden voor de uitvoeringsproblematiek ten aanzien van de vermelding van de gegevens over personen die anders dan op grond van een dienstbetrekking een functie vervullen als niet-topfunctionaris (externe niet-topfunctionarissen). De Minister van BZK heeft daarom voor het verslagjaar 2013 als gedragslijn bepaald dat niet volledig aan de verplichting tot openbaarmaking kan en hoeft te worden voldaan. Het Ministerie van IenM heeft overeenkomstig deze gedragslijn uitvoering gegeven aan de Wnt. Dit leidt tot een onzekerheid in de verantwoording vanwege het ontbreken van een praktisch toepasbare normstelling voor dit onderdeel van het Wnt-overzicht. De onzekerheid betreft uitsluitend het achterwege laten van de vermelding van de gegevens over externe niet-topfunctionarissen.

D. BIJLAGEN

BIJLAGE 1 TOEZICHTRELATIES ZBO’S EN RWT’S

Algemeen

In 2013 heeft IenM voor het eerst gewerkt met het geactualiseerde en geprofessionaliseerde toezicht op de uitvoeringsorganisaties op afstand . De uitgangspunten hiervoor zijn uitgewerkt in «Verantwoorde Uitvoering: Toezichtvisie IenM op uitvoeringsorganisaties op afstand» en de individuele ministeriële regelingen en beleidsregels die voor een aantal specifieke ZBO’s zijn opgesteld48.

In het afgelopen jaar hebben diverse overleggen tussen de besturen en directies van ZBO’s en de bewindspersonen en de secretaris-generaal, in zijn rol als eigenaar, plaatsgevonden. Dergelijke overleggen hebben ook plaatsgevonden met de raden van toezicht. Daarnaast is er regelmatig op ambtelijk niveau overleg met de ZBO’s.

IenM heeft in het afgelopen jaar de diverse instrumenten uit de toezichtvisie ingezet. In 2013 is voor het eerst gewerkt met een jaarbrief waarin de ZBO’s is gevraagd om specifieke aandacht te besteden aan de gevolgen van de economische crisis en om verdergaande kostenbesparende maatregelen te treffen, om de gevolgen voor de tarieven zoveel mogelijk te beperken. De begrotingen en de tarieven van de ZBO’s zijn door de bewindspersonen vastgesteld. Daar waar sprake is geweest van herbenoeming van bestuurders of leden van de raad van toezicht is dit ook conform toezichtvisie uitgevoerd. In 2014 zal, na afronding van het jaarverslag, de toezichtvisie samen met de ZBO’s worden geëvalueerd.

In 2013 heeft een rijksbrede doorlichting van (een selectie van) ZBO’s plaatsgevonden. Voor het merendeel van de onder IenM ressorterende ZBO’s is geconcludeerd dat de zelfstandige status gerechtvaardigd is. Voor een drietal kleine ZBO’s (Vamex, NIWO, SACN) is voorgesteld om een business case uit te voeren om te onderzoeken of samenvoeging, aanpassing of opheffing van de ZBO-status opportuun is. De conclusies en aanbevelingen zijn door de Ministerraad overgenomen.

Tot slot is in 2013 door de unit Toezicht een inventarisatie van de sturing van uitvoeringsorganisaties op afstand binnen het IenM-domein uitgevoerd.

Onderstaand wordt voor een aantal ZBO’s en RWT’s een overzicht gegeven van de toezichtbevindingen over het jaar 2013. De bijlage wordt afgesloten met een totaaloverzicht van alle ZBO’s en RWT’s die onder de Minister van IenM ressorteren. Het overgrote deel van deze organisaties is tarief gefinancierd. Daarom zijn voor deze organisaties geen ramingen en realisaties opgenomen. Voor een nader beeld wordt verwezen naar de individuele jaarverslagen van deze organisaties.

ProRail

De Staat houdt 100% van de aandelen van Railinfratrust BV die op haar beurt 100% van de aandelen ProRail houdt. Het aandeelhouderschap ligt bij de Minister van Infrastructuur en Milieu. Het aandeelhouderschap is in 2012 overgaan van de Directie Openbaar Vervoer en Spoor naar een separate toezichteenheid binnen de hoofddirectie FMC. De sturing vanuit de aandeelhoudersrol is complementair ten opzichte van de sturing als concessie- en als subsidieverlener.

De Tweede Kamer is in juli 2012 geïnformeerd over de aanpassing van het bezoldigingsbeleid. Als gevolg van de aanpassing van het bezoldigingsbeleid worden er met ingang van 2013 geen variabele beloningen meer verstrekt. In 2013 is een lid van de Raad van Commissarissen van ProRail herbenoemd. Als gevolg van het vertrek van de Chief Financial Officer (CFO) in 2013 is in de ontstane vacature tijdelijk voorzien door aanstelling van een interim directeur Financiën.

Het toezicht op ProRail is belegd bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de Inspectie Leefomgeving en Transport en de Directie Openbaar Vervoer en Spoor van het Directoraat-Generaal Bereikbaarheid van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

RDW

De kwaliteit van dienstverlening van de RDW was in 2013 goed op orde. De wettelijke en de in de Toezichtvisie neergelegde prestatie-indicatoren en normen zijn voor het overgrote deel gehaald. De RDW heeft in 2013 gewerkt aan de invulling van risico gestuurd toezicht voor de uitvoering van de wettelijke toezichtstaken, hetgeen in 2014 voor de toezichttaken tot nieuwe afspraken met IenM omtrent de kpi’s (key performance indicators) zal leiden.

De personele bezetting per 31 december 2013 was (na correctie PAS regeling) 1360,6 fte. De gemiddelde tariefontwikkeling was 2,27%.

Omdat de RDW de kosten in 2013 heeft kunnen beheersen zijn de gerealiseerde kosten lager uitgekomen dan was begroot. Door meevallende incidentele ontvangsten en het herstel van de autoverkopen eind van het jaar is de omzet ten opzichte van de verwachtingen meegevallen. Over 2013 is per saldo een netto resultaat van ruim € 1 miljoen gerealiseerd.

In 2012 is de RDW gestart met een onderzoek naar de effecten van «gratis» informatieverstrekking in een tariefgefinancierde omgeving. In 2013 heeft een evaluatie plaatsgevonden. Mede op basis van deze bevindingen zal het open data beleid verder worden vormgegeven. Naast de Open Data Voertuigen is de RDW, na voorbereiding in 2013, begin 2014 ook gestart met het aanbieden van open data over parkeergebieden en parkeertarieven van gemeenten.

In 2013 heeft de RDW op verzoek van Logius het beheer van de berichtenbox verzorgd. De RDW werkte in 2013 aan meerdere projecten. Op 1 januari 2014 is het kentekenbewijs op creditcardformaat ingevoerd. De card bevat een chip met daarop de gegevens van het voertuig en de kentekenhouder. De RDW is daarnaast met ingang van 1 januari 2014 gestart met de registratie van kilometerstanden die erkenninghouders op diverse momenten wettelijk verplicht aan de RDW moeten doorgeven. De RDW voldoet aan de norm ISO 27001 voor informatiebeveiliging en verkreeg hiervoor in februari 2013 officieel het certificaat. In 2013 ontving de RDW voor het kentekenregister het certificaat privacy-audit-proof.

CBR

2013 was het eerste jaar voor het CBR als publiekrechtelijk ZBO. Hiertoe zijn de nodige wijzigingen doorgevoerd, waarover eerder reeds gerapporteerd is (wijziging tariefsystematiek, normering van het eigen vermogen, instellen gebruikersraad, enz.). Tevens zijn afspraken gemaakt over nieuwe prestatie-indicatoren en efficiencyverbetering.

Een belangrijke ontwikkeling was de beëindiging van het verscherpte toezicht. In 2013 is hiertoe een gateway review uitgevoerd. De uitkomst hiervan was dat het regime van verscherpt toezicht kon worden verlaten. Wel werden enkele aandachtspunten benoemd, waaronder ICT en de divisie Rijgeschiktheid. De raad van toezicht heeft op verzoek van de Minister op deze terreinen tijdelijk een zwaardere rol gekregen en hiertoe commissies ingesteld die de voortgang monitoren en hierover rapporteren aan IenM.

De resultaten staan onder druk als gevolg van minder aanbod van 7,1% hetgeen een gevolg is van tijdelijke demografische en conjuncturele ontwikkelingen, alsmede structurele beleidsmatige ontwikkelingen. Het CBR heeft het jaar 2013 met een positief exploitatieresultaat afgesloten. Gezien de verwachtingen voor 2014 is in het najaar van 2013 besloten tot een gemiddelde tariefverhoging van 3,3% in 2014 teneinde een negatieve exploitatie te voorkomen.

In 2013 is vanwege de inwerkingtreding van de 3e Rijbewijsrichtlijn op 19 januari en de uitval van een groot deel van de laatste examens onder de oude regeling vanwege de strenge winter, druk ontstaan op de wachttijden. Desondanks zijn de termijnen grotendeels gerealiseerd. Voor de vele gedupeerden die de uitval heeft opgeleverd, heeft de Minister een coulanceregeling in het leven geroepen. Die is door het CBR uitgevoerd.

Voorts heeft het jaar 2013 in het teken gestaan van het treffen van voorbereidingen voor de verhoging van de keuringsleeftijd van het rijbewijs van 70 naar 75 jaar. Het CBR is erin geslaagd zijn organisatie en informatiesystemen tijdig op orde te hebben. IenM heeft samen met onder andere het CBR, maar ook met de RDW en diverse maatschappelijke partijen gerichte communicatie gevoerd om de rijbewijsbezitters te informeren over de verhoging van de keuringsleeftijd.

De verplichte subsidieverlening voor door het CBR opgelegde rijvaardigheid- en medische geschiktheidonderzoeken in het kader van de vorderingsprocedure bedraagt thans over 2013 € 2,435 miljoen. Exacte subsidieafrekening op basis van het aantal door het CBR opgelegde onderzoeken over 2013 volgt nog.

NIWO

De NIWO is gecertificeerd volgens de ISO certificering, waarmee aangetoond wordt dat het kwaliteitsmanagementsysteem voldoet aan de normelementen van de ISO. Een onderdeel van het kwaliteitsmanagementsysteem is de klachtenregistratie. In 2013 is de NIWO geëvalueerd en de rapportage is op 17 mei 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden. De hoofdconclusie hierin is dat de NIWO gedurende de periode 2010 tot en met 2012 haar publieke taken op een doeltreffende en doelmatige wijze heeft uitgevoerd, waarbij de governance voldoende aandacht heeft gekregen. De begroting 2014 is goedgekeurd, de tarieven zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van de begroting 2013.

Stichting VAM/IBKI

Per 1 juni 2009 is de nieuwe Wet Rijonderricht Motorrijtuigen (WRM) in werking getreden. De wet is in 2013 geëvalueerd en op 26 september 2013 is het eindrapport van de evaluatie WRM aan de Tweede kamer aangeboden. Het rapport geeft een positief beeld over de door IBKI voor de uitgevoerde WRM taken. IBKI hanteert een systeem van kwaliteitsbegeleiding waarbij praktijkbegeleiders steekproefsgewijs meerijden met examens. Het streven van IBKI is erop gericht om de examentarieven stabiel en zo laag mogelijk te houden. In 2013 zijn de tarieven in lijn met de algemene prijsstijging verhoogd. De tarieven voor APK keurmeester zijn gelijk gebleven.

Op de uitvoering van de examens Wet Rijonderricht Motorvoertuigen, keurmeester APK en installateur LPG wordt toezicht uitgeoefend door zogenoemde Rijksgecommitteerden. Uit de verslagen van de Rijksgecommitteerden WRM en APK is gebleken dat de examens op een goede wijze worden uitgevoerd en zijn geen bijzondere aandachtpunten naar voren gekomen. Over de verantwoording van de uitvoering van de publieke taken zijn met de eind 2012 gepubliceerde beleidsregel afspraken gemaakt en over 2013 zal in lijn hiermee worden gerapporteerd.

Luchtverkeersleiding Nederland

Het algemene beeld is dat LVNL over het jaar 2013 een goede prestatie heeft geleverd qua werking en doeltreffendheid. De verkeersvolumes in de luchtverkeersbegeleiding blijven, ondanks een lichte stijging, achter bij de verwachtingen die in het Performanceplan 2012–2014 zijn opgenomen op basis van Eurocontrol verkeersverwachtingen. Het verkeersvolume bepaalt de omzet van LVNL. LVNL sluit het jaar 2013 af met een positief exploitatieresultaat van ongeveer € 13 miljoen (actuele cijfers zijn pas in mei 2014 bekend).

Eind 2013 is door de Staatssecretaris de begroting 2014 vastgesteld en daarmee tevens de tarieven voor het jaar 2014. In 2014 hanteert LVNL dezelfde tarieven als in 2012 op basis van de afspraken, die tussen het Rijk en LVNL zijn gemaakt over de stabilisatie en verlaging van de tarieven van LVNL over de periode 2012 tot en met 2014. Zowel vanuit het departement als vanuit de gebruikers is gevraagd om de kosten verder te beperken. Continuïteit van bestaande LVNL taken en de veiligheid mogen hier niet onder leiden. De Europese Commissie zet via prestatiesturing in op efficiencyverbetering in de luchtverkeersbegeleiding. Dit heeft effect op de mate waarin LVNL kosten kan doorberekenen aan de gebruikers en de risico’s die zij zelf moet dragen (zonder verrekening aan de luchtvaartmaatschappijen). De voor 2013 geplande eenjarige CAO is nog niet afgesloten. Gelet op de discussie rond de Wnt en het prepensioen van luchtverkeersleiders, zijn eind 2013 gesprekken gestart tussen het ministerie en LVNL. LVNL is gevraagd om met een samenhangend pakket van arbeidsvoorwaarden en aanpassing van de prepensioenregeling te komen.

Eind 2013 is begonnen met de wettelijke evaluatie LVNL. De uitkomsten worden in het eerste halfjaar van 2014 verwacht. Daarnaast is in 2013 verder gewerkt aan het proces voor de vervanging van het luchtverkeersbegeleidingsysteem. Vervanging is voorzien in 2018. De Kamer zal te zijner tijd via de rapportage Grote ICT projecten over worden geïnformeerd.

Stichting Vaarbewijzen- en Marifoon Examens (VAMEX)

De VAMEX is aangewezen als exameninstelling voor het Klein Vaarbewijs en het diploma Groot Motorschip en is tevens gemandateerd om de Klein Vaarbewijzen en de Groot Pleziervaartbewijzen uit te geven. Bovendien geeft de VAMEX de internationale vaarbewijzen (ICC’s) uit die volledig geïntegreerd zijn in het Klein Vaarbewijs. Daarnaast is besloten de VAMEX te mandateren om de registratie van de ontzegde vaarbevoegdheden te gaan uitvoeren

De tarieven 2014 zijn ten opzichte van 2013 gelijk gehouden en het examentarief Groot Motorschip zal worden verlaagd.

Kadaster

In 2013 is het aantal transacties op de vastgoedmarkt verder gedaald. De omzet over 2013 valt daarom lager uit dan in 2012. Het Kadaster heeft maatregelen genomen om de kosten omlaag te brengen, maar dit heeft niet kunnen voorkomen dat 2013 met een verlies is afgesloten. Ook voor 2014 is kostenreductie onvoldoende om de exploitatie weer kostendekkend te maken. In het najaar van 2013 is daarom besloten de tarieven voor 2014 te verhogen. De prestaties voldeden aan de gestelde normen.

In 2013 heeft het Kadaster een meerjarige overeenkomst gesloten om een deel van de ICT (rekencentrum) uit te besteden. Achtergrond daarvan is het verbeteren van de continuïteit en flexibiliteit. Tevens leidt dit op termijn tot een daling van de kosten.

In 2013 zijn verdere voorbereidingen getroffen om het Kadaster op termijn verantwoordelijk te maken voor de kadastrale functies in Caribisch Nederland. Verwacht wordt dat het hiertoe benodigde wetsvoorstel in 2014 kan worden ingediend.

Het Kadaster heeft in 2013 een voorstel ingediend voor de mogelijkheden ten aanzien van open data. De financiering van open data is een aandachtspunt, aangezien de kosten van informatieverstrekking op dit moment worden gedekt met integrale tarieven, hetgeen onder een open data regime niet meer mogelijk is.

Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB)

Het jaar 2013 is begonnen met een achterblijvende instroom van adviesaanvragen. De overcapaciteit is opgevangen door adviseurs te detacheren. De detachering en de aangetrokken adviesvraag vanaf juli hebben ertoe geleid dat over geheel 2013 de beschikbare adviescapaciteit voor 101% is benut. De volledige benutting van de beschikbare adviescapaciteit is ook bevorderd door het werk dat de StAB heeft verricht ten behoeve van de Wiki Juridica van de Raad voor de Rechtspraak. Voor deze Wiki levert de StAB (technisch georiënteerde) basiskennisdossiers. Dit wordt aangemerkt als een bijzondere vorm van advisering aan de rechters.

De doelstelling om alle zaken binnen de afgesproken termijn af te ronden is gehaald. De gemiddelde behandeltijd in 2012 bedroeg 2,6 maanden, ten opzichte van 2,5 maanden in 2012. De iets langere duur heeft te maken met enkele grote bestemmingsplanzaken die veel tijd in beslag hebben genomen

Het jaar 2013 laat een exploitatieoverschot zien. Naast de besparing op de huisvestingskosten heeft de digitalisering van de bedrijfsprocessen geleid tot een halvering van het papier- en printergebruik. Voor de detachering van gemiddeld 3 fte heeft de StAB een vergoeding ontvangen.

Naam organisatie 1

RWT

ZBO

Functie

Begrotings-artikel(en)

Financiering (realisatiecijfers)

Begroting

Realisatie Financiering (realisatiecijfers) Premies 2

Financiering (realisatiecijfers) Tarieven 3

Verwijzing naar website RWT/ZBO

Verwijzing naar toezichtsvisies-/arrangementen 4

Het bestuur en/of de accountant verklaart dat de rechtmatigheid op orde is 5

APK-erkenninghouders

X

Keuren motorvoertuigen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Tarief wordt bepaald door apk station

div.

Toezicht via RDW

Zie opm 5

College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)

X

X

Besluitvorming omtrent de toelating van bestrijdingsmiddelen in Nederland

22.01

801

n.v.t.

5.951 (*) (**)

www.ctgb.org

Toezicht via EL&I

Zie opm 5

Commissie Examens Scheepswerktuigkundigen#

X

Afnemen examens scheepswerktuigkundigen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Zie opm 4

Zie opm 5

Commissie Stuurliedenexamens#

X

Afnemen examens stuurlieden

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Zie opm 4

Zie opm 5

Commissie van advies inzake opleidingen en examens betreffende vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht#

X

Adviseren over opleidingen en examens vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Zie opm 4

Zie opm 5

Commissie van Beroep Loodsenexamens#

X

Beroepsinstantie loodsenexamens

18.01

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Zie opm 4

Zie opm 5

Commissie voor Beroep WRM 1993#

X

Beroepsinstantie examen rij-instructuur

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Zie opm 4

Zie opm 5

Commissie Zeevisvaartexamens#

X

Afnemen examens zeevisvaart

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

 

Zie opm 5

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)*

X

X

Afnemen div. mobiliteitsexamens

14.02

2.435

n.v.t.

115.116 (**)

www.cbr.nl

Zie opm 4

Dienst voor het Kadaster en de openbare registers*

X

X

Het bijhouden van de openbare registers en kadastrale registratie en het cartografisch weergeven van geografische basisgegevens. Het verstrekken van inlichtingen aan belanghebbenden

13.02

27.700

n.v.t.

203.800 (**)

www.kadaster.nl

Zie opm 4

Dienst voor het Wegverkeer (RDW)*

X

X

Keuren en registreren voertuigen/onderdelen

14

n.v.t.

n.v.t.

186.291 (**)

www.rdw.nl

Zie opm 4

Examencommissies Loodsen#

X

Afnemen loodsenexamens

18.01

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Zie opm 4

Zie opm 5

Examencommissies Luchtvaart#

X

Afnemen luchtvaartexamens

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Zie opm 4

Zie opm 5

Havenbeheerders

X

Zorgdragen voor ontvangstinrichtingen voor scheepsafval

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

div.

Zie opm 4

Zie opm 5

HISWA-vereniging#

X

X

Afgeven fabriekscodes

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

www.hiswa.nl

Zie opm 4

Zie opm 5

Innovam Branche Kwalificatie Instituut van de stichting VAM (IBKI)*

X

X

Afnemen examen rij-instructeur, APK-keurmeester

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

4.241

www.ibki.nl

Zie opm 4

Keuringsartsen Scheepvaart

X

Medische keuring

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Tarief wordt bepaald door ILT

www.ilent.nl

Toezicht via de ILT

Zie opm 5

Keuringsinstanties Pleziervaartuigen

X

Keuren pleziervaartuigen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Tarief wordt bepaald door keuringsinstantie

div.

Toezicht via de ILT

Zie opm 5

Keuringsinstanties Scheepsuitrusting

X

Keuren scheepsuitrusting

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Tarief wordt bepaald door keuringsinstantie

div.

Toezicht via de ILT

Zie opm 5

KIWA

X

Vergunningverlening voor IVW

div.

483

n.v.t.

n.v.t.

www.kiwa.nl

Toezicht via de ILT

Zie opm 5

Klassebureaus art. 6 Schepenwet en art. 6 en 3.1 Schepenbesluit 1965 en Binnenvaart

X

Classificeren van schepen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Tarief wordt bepaald door klassebureua

div.

Toezicht via de ILT

Zie opm 5

Landelijke Examencommissie verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen (scheepvaart)#

X

Afnemen examen verkeersinformatie- en aanwijzingen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Zie opm 4

Zie opm 5

Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL)*

X

X

Luchtverkeersbegeleiding

17

n.v.t.

n.v.t.

179.440 (**)

www.lvnl.nl

Zie opm 4

Nederlands Loodswezen BV

X

Faciliteren beloodsen schepen

18.01

n.v.t.

n.v.t.

164.603

www.loodswezen.nl

Toezicht via NMA

Nederlandse Emissieautoriteit (uitsluitende bestuur)

 

x

Ondersteunen van de uitvoering van emissiehandel en de inzet van hernieuwde energie in het vervoer en transport en het toezicht op de naleving van regels op deze terreinen.

19.01

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

www.emissieautoriteit.nl

n.v.t.

n.v.t.

Nederlandse Loodsencorporatie (NLC)

div

div

Beloodsen van schepen

18.01

n.v.t.

n.v.t.

Zie Nederlands Loodswezen BV

www.loodswezen.nl

Toezicht via NMA

ProRail

X

Beheren spoorinfrastructuur

16 HXII, 13.02 IF

1.346.811

n.v.t.

n.v.t.

www.prorail.nl

Zie opm 4

Regionale Examencommissies verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen (scheepvaart)#

X

Afnemen examen verkeersinformatie- en aanwijzingen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Zie opm 4

Zie opm 5

Regionale Loodsencorporaties (RLC’s)

X

X

Beloodsen van schepen

18.01

n.v.t.

n.v.t.

Zie Nederlands Loodswezen BV

www.loodswezen.nl

Toezicht via NMA

Rijkshavenmeester Rotterdam

X

X

Havenverkeersleiding

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Zie opm 3

www.portofrotterdam.com

Zie opm 4

Zie opm 5

Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB)

X

Het op verzoek van de bestuursrechter uitbrengen van onafhankelijke deskundigenberichten op het gebied van milieu, ruimtelijke ordening, water, bouw en schade

98

5.377

n.v.t.

n.v.t.

www.stab.nl

Zie opm 4

Stichting Airport Coordination Netherlands (SACN)*

X

Slottoewijzing luchtvaart

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

650 (**)

www.slotcoordination.nl

Zie opm 4

Stichting Buisleidingenstraat Nederland (LSNed)

x

LSNed beheert een obstakelvrij leidingentracé tussen de industriegebieden van Rotterdam en Moerdijk, in de richting van Vlissingen en Antwerpen.

pm

n.v.t.

n.v.t.

3.626 (**)

www.lsned.nl

Zie opm 4

Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO)*

X

X

Afgeven vergunningen

14

n.v.t.

n.v.t.

4.594

www.niwo.nl

Zie opm 4

Stichting Scheepsafvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart (SAB)

X

Afgeven olieafgifteboekje

18

n.v.t.

n.v.t.

Zie opm 3

www.sabni.nl

Zie opm 4

Stichting Vaarbewijs- en Marifoonexamens (VAMEX)*

X

X

Afnemen examen klein vaarbewijs

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

1.801 (**)

www.vamex.nl

Zie opm 4

X Noot
1

Organisaties met een (*) zijn met ingang van 1 januari 2013 onder de werking van de Kaderwet ZBO gebracht. Organisaties met een (#) zullen worden opgeheven of elders worden ondergebracht. Dit is voorzien gedurende het jaar 2014. Een groot aantal organisaties is deeltijd zbo/rwt

X Noot
2

IenM kent geen premiegefinancierde RWT's en ZBO's.

X Noot
3

Dit betreft de inkomsten voor de wettelijk uit te voeren taken. Waar dat onderscheid niet is te maken, wordt het totaalbedrag opgenomen. Dit wordt dit met een (*) gemarkeerd. Daar waar het bedragen uit 2012 betreft is dit met (**) aangegeven. Voor commissies en clusters van organisaties kan niet aangegeven worden wat de inkomsten zijn uit de wettelijke taak. Bovendien zijn de opbrengsten zeer beperkt. Voor de Rijkhavenmeester geldt dat dit een onderdeel is van het Havenbedrijf Rotterdam. De functie van Rijkshavenmeester is zbo/rwt.

X Noot
4

De algemene toezichtvisie en de individuele toezichts- en sturingsvisies zijn gepubliceerd via http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ienm/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/03/07/toezichtvisie-ienm-2013–2017-verantwoorde-uitvoering.html. Niet voor alle zbo’s/rwt’s is een toezichtsvisie. Deels vanwege het feit dat het toezicht elders wordt uitgevoerd, deels uit redenen van efficiency omdat de betreffende organisatie/taak te beperkt is en er sprake is van deeltijd zbo’s/rwt’s.

X Noot
5

Op het moment van opstellen van dit overzicht was het nog niet mogelijk om per organisatie aan te geven of een rechtmatigheidverklaring over het jaar 2013 is verkregen. Het betreft hier zowel rechtmatigheidverklaringen als verklaring van getrouwheid die voor 2012 zijn afgegeven. Daar waar niet is aangegeven dat er geen rechtmatigheidverklaring beschikbaar is, wordt deze veelal niet gevraagd om redenen van efficiency en kostenbesparing.

BIJLAGEN 2 AFGEROND EVALUATIE EN OVERIG ONDERZOEK

Soort onderzoek

Titel/Onderwerp

Artikel

Start

Afronding

Vindplaats

1. onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

         

1a. Beleidsdoorlichtingen

         
 

Waterkwantiteit

11

2013

2014

 
 

Ruimtelijke ontwikkeling (SVIR)

13

2013

2014

 
 

Openbaar vervoer

15

2013

2014

 
 

Geluidsisolatie Schiphol (GIS)

17

2012

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26959–140.html

Deze beleidsdoorlichting betreft niet het gehele artikel en is daarom als beleidsevaluatie aan de Kamer aangeboden

 

Besluit externe veiligheid inrichtingen

22

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–4.html

           

1b. Ander onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

         
 

Effectenonderzoek ex-post evaluatie van enkele onderdelen van de waterwet

11

2013

2014

 
 

Tussentijdse evaluatie Bestuursakkoord water

11

2013

2014

 
 

¾ Review Evaluatie Ruimte voor de Rivier

11

2012

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-216364.html

 

CPB: MKBA waterveiligheid IJsselmeergebied

11

2010

2013

http://www.cpb.nl/publicatie/economisch-optimale-waterveiligheid-het-ijsselmeergebied

 

Diverse voortgangsrapportages in het kader van de «Regeling grote Projecten», onder andere HWBP-2,Ruimte voor de Rivier en Maaswerken

11

 

Jaarlijks

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26399–13.html

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/32698/kst-32698–13?resultIndex=1&sorttype=1&sortorder=4

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/30080

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-18106–221.html

 

KEA SMASH

13

2013

2014

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32660–57.html

 

MKBA Zandhonger Oosterschelde

13

2012

2013

http://www.rijkswaterstaat.nl/water/plannen_en_projecten/vaarwegen/oosterschelde/oosterschelde_zandhonger/

 

MKEA/MKBA Haalbaarheidsstudie 12-mijlszone

13

2013

2013

http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2013/06/27/quickscan-haalbaarheidsstudie-windparken-binnen-12-mijlszone.html

 

Evaluatie Basisregistratie Gebouwen

13

2013

2013

http://bag.vrom.nl/basisregistraties-van-het-ministerie-van-infrastructuur-en-milieu/basisregistraties-adressen-en-0

 

Monitoring en evaluatie «beter benutten»

14

15

16

18

2012

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-264684.html

 

Effectonderzoek Wet Rijonderricht motorrijtuigen

14

2012

2013

http://wetten.overheid.nl/BWBR0024674/geldigheidsdatum_24-07-2013

 

Evaluatie aantal doden en gewonden in het verkeer

14

 

jaarlijks

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29398–368.html

 

Ruimte voor de fiets

15

 

3 jaarlijkse monitoring

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29984–317.html

 

Evaluatie dubbeltariefsysteem taxi

15

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31521–72.html

 

OV-klantenbarometer

15

2013

2013

http://www.ovklantenbarometer.nl/

 

Eindrapport «Krachten bundelen voor toekomstvast doelgroepenvervoer en OV»

15

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25847–117.html

 

ERTMS groot project

16

2013

 

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33652–4.html

 

Evaluatie Loodsenwet/toezicht ACM

18

2013

2013

https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/11402/Autoriteit-Consument-en-Markt-verlaagt-vergoeding-vermogenskosten-Loodswezen/

 

Evaluatie beleidsbrief zeevaart «verantwoord varen en een vitale vloot»

18

2013

2014

 
 

Evaluatie van fiscaal maritiem beleid met financiën

18

2013

2014

 
 

KBA Volkeraksluizen

18

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33400-A-53.html

 

KBA Twentekanalen

18

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33750-A-56.html

 

Evaluatie Project Mainport Rotterdam (evaluatie status groot project) IF artikel 17

18

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24691–119.html

 

Lokale klimaatinitiatieven

19

2013

2015

 
 

ECN: Evaluatie Besluit Emissie-eisen middelgrote stookinstallaties

19

2012

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-231228.html

 

Kabinetsreactie op parlementair onderzoek naar klimaat

19

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33193–7.html

 

MIA/VAMIL

19

 

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33752–5.html

 

Ex-ante-evaluatie ontwikkelingsrichtingen mestbeleid op realisatie milieudoelen voor de veehouderij

21

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-281083.html

 

Evaluatie Green Deals

21

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-264765.html

 

Ex-ante evaluatie Circulaire economie (inclusief consumentenbeleid en Van Afval naar Grondstof (VANG))

21

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-234688.html

 

Evaluatie instrument duurzaam inkopen

21

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-290001.html

 

Evaluatie ketenaanpak

21

2013

2013

http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/duurzaam_produceren/ketenaanpak/nieuws-ketenaanpak/

           

2. Overig onderzoek

         
 

Policy dialoque n.a.v. OESO onderzoek gericht op toekomstige opgaven in het waterbeheer

11

2013

2014

http://www.oecd.org/env/watergovernanceprogramme.htm

 

Jaarlijkse voortgangsrapportage waterbeleid in Nederland 2012 (Water in Beeld)

11

12

 

Jaarlijks

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27625–290.html

 

Toetsing van de Basiskustlijn (kustlijnkaartenboek)

11

 

Jaarlijks

http://www.rijkswaterstaat.nl/water/veiligheid/bescherming_tegen_het_water/veiligheidsmaatregelen/kustlijnzorg/kustlijnkaarten/index.aspx

 

5-jaarlijkse evaluatie activiteiten Schelde estuarium conform verdrag met Vlaanderen inzake samenwerken beleid en beheer

11

2012

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30862–95.html

 

PBL: Monitor SVIR

11

12

13

14

2013

2014

http://www.pbl.nl/publicaties/2012/monitor-infrastructuur-en-ruimte-2012-nulmeting

 

EC evaluatie over toestand zwemwater (jaarlijks)

12

 

Jaarlijks

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27625–290.html

 

Policy dialoque n.a.v. OESO onderzoek gericht op toekomstige opgaven in het waterbeheer

12

2013

2014

http://www.oecd.org/env/watergovernanceprogramme.htm

 

De kwaliteit van het drinkwater in Nederland 2012

12

 

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27625–313.html

 

RIVM: bescherming drinkwaterbronnen in het nationaal beleid

12

 

2013

http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Wetenschappelijk/Rapporten/2013/april/Bescherming_drinkwaterbronnen_in_het_nationaal_beleid

 

ILT: bedrijfsvergelijking in de drinkwatersector

(benchmark 2012–2013)

12

 

2014

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-277498.html

 

ILT: Jaarevaluatie drinkwatertarieven

(jaarlijks)

12

 

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27625–309.html

 

Evaluatie ladder voor duurzame verstedelijking

13

2013

2014

http://www.pbl.nl/publicaties/infrastructuur-en-verstedelijking-kennis-en-beleid-voor-een-betere-afstemming

 

Plan MER Structuurvisie Ondergrond

13

2013

 

http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bodem-en-ondergrond/ruimtelijke-ordening-ondergrond

 

MKBA Structuurvisie Ondergrond

13

2013

 

http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bodem-en-ondergrond/ruimtelijke-ordening-ondergrond

 

Mobiliteitsbalans 2013

14

15

16

17

18

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-259733.html

 

Jaarverslag van de Nederlandse Autoriteit voor spoorveiligheid

16

   

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29893–156.html

 

Spoorveiligheid personen/Verkeersslachtoffers op het spoor

16

 

jaarlijks

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-276592.html

 

Audit security

16

2013

2014

 
 

MER Evaluatie Betuweroute Aspect Sociaal

16

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-239593.html

 

Impact analyse EU DG Transport

16

2012

2013

http://ec.europa.eu/transport/facts-fundings/evaluations/index_en.htm

 

Externe veiligheid

17

2013

 

http://easa.europa.eu/language/nl/home.php

De herziening van het LIB is in twee fases verdeeld. Gezien de samenhang met het baangebruik is de herziening van Externe Veiligheid gekoppeld aan het tweede traject dat in 2015 vorm krijgt. De evaluatie van het LIB zal niet eerder dan vijf jaar na inwerkingtreding plaatsvinden

 

Voortgang klimaatbeleid in de balans voor de leefomgeving

19

 

2 jaarlijks

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31253–32.html

 

Jaarlijks monitorrapport NSL

20

 

jaarlijks

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30175-E.html

 

National ecosystem assessment

PBL Quick Scan Hoofdlijnennotitie

21

2013

 

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-252785.html

 

Tweede tussentijdse evaluatiedoelstelling vernieuwing stoffenbeleid (REACH/SOMS)

22

2013

2014

 
 

Vierjaarlijkse evaluatie Nationale aanpak Milieu en Gezondheid

22

2013

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28089–27.html

 

Evaluatie van de BRZO (RUD)structuur

22

2013

2014

 
 

Evaluatie Activiteitenbesluit

22

2012

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29383-K.html

 

Verkenning toekomst KNMI en heroverweging wet KNMI

23

 

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32379–8.html

 

Publicitair jaarverslag 2012 obv meerjarenplan ILT (jaarlijks)

24

 

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-247448.html

 

Staat van de transportveiligheid 2012

14

16

17

24

 

jaarlijks

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-276592.html

 

Nader rapport WGR plusgebieden

25

 

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33659–6.html

 

Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer

25

 

2013

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2013–34173.html

Toelichting

Bij MIRT projecten en de te nemen voorkeursbeslissingen ligt altijd een MKBA ten grondslag. Deze wordt bij de voorkeursbeslissing openbaar. Over de voortgang van de besluitvorming over MIRT projecten wordt de Tweede Kamer ieder half jaar geïnformeerd via een rapportage.

De onderzoeks- en adviesrapporten met betrekking tot de totstandkoming van de omgevingswet staan op pleio (https://omgevingswet.pleio.nl/pages/view/361708/onderzoeksrapporten en https://omgevingswet.pleio.nl/pages/view/361455/adgviesrapporten

KIM publiceert haar rapporten op http://www.kimnet.nl

PBL publiceert haar onderzoeken op de site http://www.pbl.nl

ILT publiceert haar rapporten op http://ilent.nl/

BIJLAGE 3.

Overzicht niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijk personeel (externe inhuur)

Het kabinet heeft besloten een sturingsinstrumentarium voor externe inhuur in te voeren (brief van de Minister van BZK van 24 juni 2009 (Kamerstukken II, 2008/09, 31 701, nr. 21)). De kern hiervan is een norm voor de uitgaven externe inhuur als percentage van de totale personele uitgaven. De norm heeft het karakter van «comply-or-explain». In de brief van de Staatssecretaris van BZK van 29 juni 2010 (Kamerstukken II, 2009/10, 31 701, nr. 32), met een nadere reactie op de motie-Roemer, heeft zij aangegeven dat een uitgavennorm van 10% geldt.

Ministerie van Infrastructuur en Milieu Verslagjaar 2013 (bedragen x € 1.000)

Programma- en apparaatskosten

 

1. Interim-management

2.918

2. Organisatie- en Formatieadvies

1.906

3. Beleidsadvies

3.197

4. Communicatieadvisering

2.867

Beleidsgevoelig (som 1 t/m 4)

10.888

   

5. Juridisch Advies

847

6. Advisering opdrachtgevers automatisering

41.395

7. Accountancy, financiën en administratieve organisatie

3.399

(Beleids)ondersteunend (som 5 t/m 7)

45.641

   

8. Uitzendkrachten (formatie & piek) 1

174.581

Ondersteuning bedrijfsvoering

174.581

   

Totaal uitgaven inhuur externen

231.110

X Noot
1

Deze categorie bestaat uit drie posten. (1) De uitzendkrachten van het ministerie (€ 13,0 miljoen); (2) de uitgaven externe inhuur ten behoeve van het primaire proces van de uitvoeringsorganisatie RWS opgenomen, die niet – of niet gemakkelijk – zijn onder te brengen onder de acht door BZK onderscheiden categorieën externe inhuur (€ 56,4 miljoen); (3) Inhuurcontracten voor dienstverlening die niet tot de kernactiviteiten van RWS behoren en naar aard van de activiteit de aanschaf van een product betreffen, maar onder de definitie van externe inhuur vallen (€ 105,1 miljoen).

Toelichting

In 2013 gaf het Ministerie van Infrastructuur en Milieu € 231,1 miljoen aan externe inhuur uit. De uitgaven voor het ambtelijke personeel bedroegen € 1,013,1 miljard. Het totaalbedrag komt op € 1,244,2 miljard uit. Het inhuurpercentage van Infrastructuur en Milieu, conform de Rijksbrede normering, komt op 18,6% uit. Hiermee overschrijdt het Ministerie van IenM de geldende 10%-norm. Het inhuurpercentage in 2013 zonder inhuur op niet-kerntaken is 11,1%.

Toelichting voor de overschrijding van de 10%-inhuurnorm bij IenM in 2013

Van de ruim € 231,1 miljoen die IenM in 2013 aan inhuur heeft uitgegeven, is € 210 miljoen aan Rijkswaterstaat toe te wijzen. De € 210 miljoen euro is 23% ten opzichte van het RWS-totaal van eigen personele kosten en kosten inhuur en is als volgt verdeeld:

  • ruim € 105 miljoen betreft inhuur op kerntaken

  • ruim € 105 miljoen betreft inhuur op niet-kerntaken

Tot en met 2011 werd alleen de inhuur op de kerntaken zelf en de inhuur voor de ondersteuning van twee van de vijf IPM49-toprolhouders, te weten de projectmanager en manager projectbeheersing (dit zijn zelf kerntaken) opgenomen. Door de bij Rijkswaterstaat striktere toepassing van de boekingsregels van BZK per 1 januari 2012 (conform de opmerkingen en adviezen van de ADR dienaangaande), moet ook de inhuur voor de ondersteuning van de andere drie IPM-toprollen op de infrastructurele aanleg- en onderhoudprojecten worden opgenomen. Aanvankelijk was de verwachting van RWS dat er, gezien de specialistische aard van deze inzet op niet-kerntaken, geen sprake zou zijn van directe aansturing ofwel inhuur onder de definitie van BZK. Deze verwachting bleek niet juist te zijn. Met het toepassen van deze boekingsregels worden de kosten van alle inhuurcontracten die voldoen aan de definitie van BZK, als inhuur geboekt.

Ook in 2013 is ruim de helft van de uitgaven ten behoeve van inhuur veroorzaakt door de inhuur op niet-kerntaken. De inhuur op niet-kerntaken hangt direct samen met de productieopgave (aanleg- en onderhoudsprojecten) die er voor Rijkswaterstaat ligt. Na de constatering vorig jaar dat nog te weinig productafspraken en te veel urenafspraken worden gemaakt voor de inzet van externen op niet-kerntaken, is RWS bezig om voor de inzet van externen op niet-kerntaken, meer en meer te gaan werken met op productafspraken gebaseerde contracten. Hierdoor zal de inhuur op niet-kerntaken de komende jaren weer gaan dalen. De effecten van de maatregelen bleven in 2013 achter bij de planning.

De hogere inhuur wordt in de tweede plaats veroorzaakt door de bij voorjaarsnota goedgekeurde omzetting van ingekochte ICT-diensten naar eigen personeel. Hierbij wordt een deel van de uitbesteding (€ 20 miljoen materiële kosten) via inhuur omgezet naar eigen personeel. Tijdelijk wordt dus op deze plekken ingehuurd tot deze volledig zijn bezet door eigen medewerkers.

Daarnaast is de stijging van inhuurkosten het gevolg van de snellere dan verwachte krimp van de bezetting ten opzichte van de formatie. Om te voorkomen dat de aan de Tweede Kamer toegezegde productiemijlpalen verschoven moeten worden, is ingehuurd om de opengevallen plaatsen tijdelijk te kunnen opvangen. RWS streeft ernaar om de inhuur van externen op kerntaken te vervangen door eigen medewerkers, vanuit het basisprincipe dat Rijkswaterstaat op kerntaken eigen mensen inzet, ter vermindering van de kwetsbaarheid en het verkleinen van de afhankelijkheid van externen. Hierdoor zal de inhuur op kerntaken de komende jaren gaan dalen.

Rapportage overschrijding maximumuurtarief externe inhuur buiten mantelcontracten

In onderstaande rapportage wordt weergegeven in hoeveel gevallen door het ministerie (in Nederland) buiten de mantelcontracten om er externe krachten zijn ingehuurd boven het voor de organisaties van het rijk afgesproken maximumuurtarief van € 225 (exclusief BTW). Het gaat hierbij om het aantal personen dat tegen een hoger dan het maximumuurtarief wordt ingehuurd.

Het aantal overschrijdingen binnen IenM van het maximumuurtarief bedroeg in 2013 twee.

In één geval gaat het om inzet van een advocaat, waarbij de benodigde specifieke deskundigheid niet via een mantelcontract is in te huren. Het betrof juridisch advies aan de Ondernemingsraad ILT inzake de juridische procedures die de OR wenst te voeren tegen het definitief besluit onderhoud vliegvaardigheid Inspecteurs.

Daarnaast is een topexpert ingehuurd op het gebied van architectuurvraagstukken rond industriële automatiering en tunnels. Het afgesproken tarief is gebaseerd op de unieke ervaring en kennis van deze persoon, daar vergelijkbare kennis niet binnen de bestaande mantelpartijen beschikbaar is.

Het betreft in beide gevallen maximaal 70 uur.

BIJLAGE 4.

Rapportage correspondentie

Tijdigheid
 

Aantal ingekomen 2013

Aantal afgedaan 20131

Aantal afgedaan binnen termijn

Aantal afgedaan binnen verdaagde termijn

Aantal afgedaan na instemming met verder uitstel

Aantal niet tijdig

Aanvragen om Wob-besluit

 

83 (12)

       

– Kerndepartement

– ILT2

– PBL

– RWS3

– KNMI

– NEa

95

110

1

2

0

1

156

2

72

1

87

1

48

39

7

19

1

11

11

Bezwaarschriften

 

28 (69)

       

– Kerndepartement

– ILT2

– PBL

– RWS3

– KNMI

– NEa

97

281

7

638

21

3 (4)

6

6

2

20

7

6

1

2

2

Klaagschriften

           

– Kerndepartement

– ILT2

– PBL

– RWS3

– KNMI

– NEa

4

39

1

3 (1)

26

1

34

3

25

1

6

2

1

Andere (burger)brieven

     

n.v.t.

n.v.t.

 

– Kerndepartement

– ILT2, 4

– PBL

– RWS

– KNMI

– NEa

3.116

52.799

288

73.190

1.461

1.974

2.533 (116)

265 (33)

72.868 (322)

1.461

1.974

2.487

251

65.581

1.454

1.948

   

629

14

7.287

7

26

Ad 1) Inclusief restant verzoeken uit 2012 (vanwege overloop bij de afdoening van zaken over kalenderjaren heen correspondeert het totaal aantal afgedaan niet (altijd) met het aantal ingekomen). Aantal dat nog in behandeling is staat tussen haakjes.

Ad 2) Het gebruikte registratiesysteem geeft geen inzicht in de voortgang van de afhandeling.

Ad 3) Het gebruikte registratiesysteem geeft geen inzicht in de aantallen binnengekomen correspondentie.

Ad 4) Het aantal ingekomen andere (burger)brieven bij de ILT is exclusief 262.017 meldingen in het kader van EVOA (afvaltransporten over de grenzen).

Dwangsommen
 

Aantal betaalde dwangsommen

Totaal bedrag betaalde dwangsommen

2013

22

€ 20.540,00

BIJLAGE 5.

Afkortingenlijst

A.

 

AAARO

Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp

AAS

Amsterdam Airport Schiphol

ABS

Absolute waarde

ACM

Autoriteit Consument & Markt

ADR

Auditdienst Rijk

ADT

Area Devolpment Twente

AGAS

Adviesraad Gevaarlijke Stoffen

AgNL

AgentschapNL

AIP

Aeronautical Information Publication

AIRSPINT

Airspace Infringement Team

AIS

Automatic Identification System

AMvB

Algemene Maatregel van Bestuur

ANBO

Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen

ANWB

Algemene Nederlandse Wielrijders Bond

AO

Algemeen Overleg

APK

Algemene Periodieke Keuring

AR

Algemene Rekenkamer

ATB

Automatische treinbeïnvloeding

ATB-V

Arbeidstijdenbesluit Vervoer

AWACS

Airbone warning and control station

   

B.

 

BAG

Basisregistratie Adressen en Gebouwen

Barro

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

BAW

Bestuursakkoord Water

BBGP

Basismodel Beheersing Grote Projecten

BBP

Bruto Binnenlands Product

BCT

Boordcomputer Taxi

BDU

Brede Doeluitkering

BenO

Beheer en Onderhoud

BES

Bonaire, st. Eustatius en Saba

Bevb

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Bevi

Besluit externe veiligheidinrichtingen

BGT

Basisregistratie Grootschalige Topografie

BIR

Baseline Informatiebeveiliging Rijk

BIRK

Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit

BKL

Basiskustlijn

BOR

Besluit omgevingsrecht

BOT-mi

Beleidsondersteunend Team Milieu-incidenten

BPM

Belasting van Personenauto`s en Motorrijwielen

BPRW

Beheersplan Rijkswateren

BRL

Beoordelings Richtlijn

Bro

Besluit ruimtelijk ordening

BRZO

Besluit Risico en Zware Ongevallen

BSIK

Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur

BSV

Bureau Sanering Verkeerslawaai

BuZa

Ministerie van Buitenlandse Zaken

BZK

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

   

C.

 

CAW

Commissie van advies inzake waterstaatwetgeving

CBL

Centraal Bureau Levensmiddelenhandel

CBR

Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

CBRN

Chemical, Biological and Nuclear

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CBV

Comité Binnenvaartveiligheid

CCAA

Curaçao Civil Aviation Authority

CCR

Centrale Commissie voor de Rijnvaart

CDA’s

Continuous Descent Approaches

CDM

Clean Development Mechanism

CE-markering

Conformité Européenne markering

CenD

Centrale Diensten

CER’s

Emissiereducties

Chw

Crisis- en herstelwet

CLH

Classification and Labelling Harmonisation

CLSK

Commando Luchtstrijdkrachten

CO2

Koolstofdioxide

COGEM

Commissie Genetische Modificatie

CPB

Centraal Planbureau

CRO

Commissies van Regionaal Overleg

CROS

Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol

Ctgb

College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en biociden

   

D.

 

DANK

Digitale Atlas Natuurlijk Kapitaal

dB(A)

decibel (audio)

DBFM

Design-Build-Finance-Maintenance

DCC

Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing van het Ministerie van IenM

DD

Duurzaam Doen

DF

Deltafonds

DGB

Directoraat-Generaal Bereikbaarheid

DRO

Duurzame ruimtelijke ontwikkeling

DVS

Dienst Verkeer en Scheepvaart

   

E.

 

EASA

European Aviation Safety Agency

EC

Europese Commissie

ECAC

European Civil Aviation Conference

ECE

Economic Commission for Europe

ECHA

European Chemicals Agency

ECN

EnergieonderzoekCentrum Nederland

EEDI

Energy Efficiency Structuur

EHS

Ecologische Hoofd Structuur

EMSA

Europese Maritieme Veiligheidsagentschap

EMV

Meerjarige onderzoeksprogramma elektronische velden

EMV&G

Kennisplatform elektromagnetische velden en gezondheid

EPIP

European Programme for Critical Infrastructure Protection

ERGO

Ecologie rond genetisch gemodificeerde organismen

ERRU-register

European register of road transport undertakings

ERTMS

European Rail Traffic Management System

ESD

Effort Sharing Decision

ESO

Ernstige Scheepsongevallen

ESPON

Europese Observartienetwerk voor territoriale ontwikkeling en cohessie

ETCS

European Train Control System

ETS

Emission Trading System

EU

Europese Unie

EU ETS

Europese CO2 emissiehandelssysteem

EUMETSTAT

European Organisation for the exploitation of Meteorological Satellites

EVOA

Europese Verordening Overbrengen Afvalstoffen

EZ

Ministerie van Economische Zaken

   

F.

 

FAB’s

Functional Airspace Blocks

FABEC

Functional Airspace Block Europe Central

FES

Fonds Economische Structuurversterking

FMO

Financiëringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden

FWSI

Fatalities and Weighted Serieus Injuries

   

G.

 

GEF

Global Environment Facility

GEVERS

Geïntegreerd EV-RekenSysteem

GGO

Genetisch Gemodificeerd Organisme

GGP

Governancemodel Grote Projecten

GIS

Geluidsisolatieproject Schiphol

GIV

Geïntegreerde Contractvormen

GNSS

Global Navigation Satellite Systeem

GT

Bruto Tonnage

   

H.

 

HCFK

Hydrochloorfluorkoolwaterstoffen

HGIS

Homogene Groep Internationale Samenwerking

HNR

Het Nieuwe Rijden

HNS

Hazard and Noxius Substances

HRN

Hoofdrailnet

HSA

High Speed Alliance

HSL

Hogesnelheidslijn

HVWN

Hoofdvaarwegennet

HWBP

Hoogwaterbeschermingsprogramma

HWN

Hoofdwegennet

   

I.

 

IAEA

International Atomic Energy Agency

ICAO

International Civil Aviation Organization

ICAWEB

Integrale Crisis Advies Website van IenM en VWS

ICT

Informatie en Communicatie Technologie

IenM

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

IF

Infrastructuurfonds

IGRAC

International Groundwater Resources Assessment Centre

ILB

Impuls Lokaal Bodembeheer

ILG

Investeringsbudget Landelijk Gebied

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport

IMO

International Maritime Organisation

IMPEL

The European Union Netwerk for the Implementation and Enforcement of Environmental Law

INCE

International Network for Environmental Compliance and Enforcement

INS

Internationale Normen Stoffen

Inspire

Europese Richtlijn voor harmonisatie van geo-informatie

INTERREG

Programma voor transnationale samenwerking op het gebied van de ruimtelijke ordening

IOD

Inlichtingen- en Opsporingsdienst

IPCC

Intergovernmental Panel on Climate Change

IPG

Innovatieprogramma Geluid

IPM

Integraal Project Management

IPO

Interprovinciaal Overleg

IRO

Infrastructuur en Ruimtelijk Overleg

ITF

Internationaal TransportForum

ITS

Intelligente Transportsystemen

IvDM

Instituut voor Duurzame Mobiliteit

IVW

Inspectie Verkeer en Waterstaat

   

K.

 

KCB

Kerncentrale Borssele

KDC

Knowledge Development Center

KDF

Kern Fysische Dienst

KIM

Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid

KNMI

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

KNRM

Koninklijke Redding Maatschappij

KPVV

Kennisplatform Verkeer en Vervoer

KRM

Kaderrichtlijn Mariene Strategie

KRW

(Europese) Kaderrichtlijn Water

Kton

Kiloton (miljoen kilo)

   

L.

 

LAP

Landelijk Afvalbeheerplan

LAVS

Landelijk Asbest Volg Systeem

LDen

Day-evening-night level

LIB

Luchthavenindelingbesluit

LKW+

Laterkanaal West

Lnight

Night Level

LOM

Landelijk Overleg Milieuhandhaving

LPG

Liquified Petrol Gas

LPH

Lozingsprogramma Haringvliet

LTSA

Lange Termijn Spooragenda

LVB

Luchthaven verkeerbesluit Schiphol

LVNL

Luchtverkeersleiding Nederland

LZV’s

Langere en Zwaardere Vrachtwagens

   

M.

 

MAD

Medicijnen, alcohol en drugs

MARPOL

Maritieme Pollutie

MARSEC

Maritime Security

MBO

Middelbaar Beroepsonderwijs

MDG`s

Millennium Devolpment Goals

MDN

Monitor Duurzaam Nederland

MER

Milieu-effectenrapportage

MESMA

Monitoring en Evaluation of Spatially Managed Areas

MIA

Milieu investeringsaftrek

MIAW

Maatschappelijk Innovatie Agenda Water

MIRT

Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport

MJPG

Meerjarenprogramma Geluidssanering

MJPO

Meerjarenprogramma Ontsnippering

MKB

Midden- en Kleinbedrijf

MKBA

Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse

MOU

Memorandum of Understanding

Mton

Megaton (1 miljard kilo)

MTOW

Maxim takeoff weight

MVO

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

MW

Megawatt

   

N.

 

NAI

Nederlands Architecten Instituut

NAVO

Noord-Atlantische Verdragsorganisatie

NBD

Nationale Bewegwijzeringdienst

NBW

Nationaal Bestuursakkoord Water

NCAP

New Car Assessment Programme

NDOV

Nationale Databank voor Vervoergegevens

NDPV

Nationale Databank Parkeervoorzieningen

NDW

Nationale Databank Wegverkeergegevens

NEa

Nederlandse Emissieautoriteit

NEC

National Emission Ceilings

NEN

Nederlands Normalisatie Instituut

NER

Nederlandse emissierichtlijn lucht

NGO

Non-gouvernementele organisatie

NGR

Nationaal Geo Register

NH3

Ammoniak

NIWO

Stichting Nationale en Internationale Wegvervoerorganisatie

NJN

Najaarsnota

NLR

Nationaal Lucht- en Ruimtevaart Laboratorium

NLS

Nalevingsregistratie

NMa

Nederlandse Mededelingautoriteit

NMCA

Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse

NMIJ

Natuurlijker Markermeer/IJmeer

NML

Stichting Nederland Maritiem Land

NO2

Stikstofdioxide

NoMo

Nota Mobiliteit

NOVB

Nationaal Openbaar Vervoer Beraad

NOx

Stikstofoxiden

NRG

Nuclear Research & Consultancy Group

NS

Nederlandse Spoorwegen

NSL

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

NSP

Nieuw Sleutel Projecten

NWEA

Nederlandse Windenergie Associatie

NWO

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

NWP

Nationaal Waterplan

   

O.

 

OAA

Open Aviation Agreement

OCW

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OD

Operationele Doelstellingen

OESO

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

OLO

Omgevingsloket Online

ORBP-en

Overstromingsrisicobeheerplannen

OSPAR

Oslo-Parijs

OTIF

Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires

OV

Openbaar vervoer

OV SAAL

Openbaar Vervoer Schiphol-Amsterdam-Almere-Lelystad

OvV

Onderzoeksraad van de Veiligheid

   

P.

 

PAS

Programma Aanpak Stikstof

PBL

Planbureau voor de Leefomgeving

PGS (15)

Publicatiereeks gevaarlijke stoffen

PHS

Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

PIA

Privacy Impact Assesment

PIC

Prior Informed Consent

PIM

Programma Informatie-uitwisseling Milieuhandhaving

PKB

Planologische Kernbeslissing

PM10

Fijnstof met een aerodynamische diameter kleiner dan 10 micrometer

PMR

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

POP

Persistent Organic Pollutant

PPS

Publiek-private samenwerking

PRIA

Programmateam Industriële Automatisering Rijkswaterstaat

ProMT

Programma Milieu en Technologie

PSC

Port State Control

PSO

Public Service Obligation

PSSA

Particularly Sensitive Sea Area

PUMA

Programma Uitvoering Met Ambitie

   

R.

 

RAC

Committee for Risc Assessment

RBML

Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens

RCR

Rijks Coördinatie Regeling

RDW

Rijksdienst voor het Wegverkeer

REACAAP

Regionaal Co-operation Agreement on Anti Piracy in Asia

REACH

Registratie, evaluatie en autorisatie chemische stoffen

Revb

Regeling externe veiligheid buisleidingen

Revi

Regeling externe veiligheidinrichingen

RGD

Rijksgebouwendienst

RHB

Rijkshoofdboekhouding

RIONED

Stichting riolering Nederland

RIS

River Information Services

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RLG

Raad voor het Landelijk Gebied

RLI

Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur

RMO

Risk Management Options

ROL

Commissie Ruimtelijk Ontwikkeling Luchthavens

ROR

Richtlijn Overstroming Risico`s

RRAAM

Rijk – regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer

RUD

Regionale Uitvoeringsdiensten

RVO

Rijksdienst voor ondernemend Nederland

RVOB

Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf

RvS

Raad van State

RWG

Rotterdam World Gateway

RWS

Rijkswaterstaat

RWT

Rechtspersoon met een wettelijke taak

   

S.

 

SAV

Scheepsvaartafvalstoffenverdrag

SBNS

Stichtingen Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen

SBVV

Strategisch Beraad Verkeersinformatie en Verkeersmanagement

SCB

Systeemgerichte Contractbeheersing

SCP

Sociaal en Cultureel Planbureau

SDE

Stimuleringsregeling Duurzame Energie

SER

Sociaal Economische Raad

SES

Single European Sky

SGWE

Stuurgroep Watereducatie

SHVP

Service Huis Parkeervoorzieningen

SMASH

Structuurvisie Mainport Schiphol Haarlemmermeer

SO2

Zwaveldioxide

SSO

Shared Services Organisatie

StAB

Stichting Advisering Bestuursrechtspraak

STCW

International Convention on Standards of Training, Certification and Watchkeeping For Seafarers

STKB

Stichting Keurmerken Touringcarbedrijven

STOWA

Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer

STRONG

Structuurvisie Ondergrond

STS

Stoptonend sein

SVHC

Substance of Very High Concern

SVIR

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

SVOV

Sociale Veiligheid Openbaar Vervoer

SWOV

Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid

SWUNG

Samen Weken aan de Uitvoering van Nieuw Geluidsbeleid

SZW

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

   

T.

 

TAF

Terminal Aerodrome Forecast

TCB

Technische Commissie Bodembescherming

TENT-T

Trans- Europese Netwerken

TK

Tweede Kamer

TLN

Transport en Logistiek Nederland

TLS

Trans Link System

TNO

Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderwijs

TRG

Totaal Risicogewicht Grenswaarde

TSI

Technische Specificaties van Interprobaliteit

TVG

Totaal Volume Geluid

   

U.

 

UNECE

United Nations Economic Commission for Europe

UNEP

United Nations Environment Programme

UNESCO

United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization

UNFCCC

United Nations Framework Convention on Climate Change

UPGE

Uitvoeringsprogramma Geluid op Emplacementen

USONA

Uitvoeringsorganisatie Stichting Ontwikkeling Nederlandse Antillen

UvW

Unie van Waterschappen

   

V.

 

VAMEX

Stichting Vaarbewijzen- en Marifoon Examens

VAMIL

vrijwillige afschrijving milieu-investeringen

VANG

Van Afval Naar Grondstof

VB

Verantwoord Begroten

VenW

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

VHR

Vogel en Habitat Richtlijn

VI

VROM-Inspectie

VN

Verenigde Naties

VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

VOLCEX

Volcanic Ash Execise

VOS

vluchtige organische stoffen

VROM

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

VTH

Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving

VVN

Veilig Verkeer Nederland

VWS

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

   

W.

 

Wabo

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

WAR

Waddenadviesraad

WB

Wereldbank

Wbb

Wet bodembescherming

WEZARD

Weather Hazards for Aviation

WGG

Wet wegvervoer goederen

Wgh

Wet geluidhinder

WGO

Wetgevingsoverleg

WGR

Wet Gemeenschappelijke Regelingen

Wkpb

Wet kenbaarheid publiekrechterlijke beperkingen onroerende zaken

WMO

Wereld Meteorologische Organisatie

Wnt

Wet normering topinkomens

Wp2000

Wet Personenvervoer 2000

WPMN

Working Party on Manufactured Nanomaterials

WRM

Wet Rijonderricht Motorrijtuigen

WROOV

Werkgroep Reizigers Omvang en Omvang Verkopen

WTI

Wettelijk Toetsinstrumentarium

WWI

Ministerie voor Wonen, Wijken en Integratie

   

Z.

 

ZBO

Zelfstandig Bestuursorgaan

ZESO’s

Zeer ernstige scheepvaartongevallen

ZOAB

Zeer Open Asfaltbeton


X Noot
3

33 612, nr. 1

X Noot
4

Zie onder andere 33 400-VII, nrs. 60 en 74

X Noot
6

33 118, nr. 8

X Noot
12

29 984, nr. 474

X Noot
14

33 652, nr. 4

X Noot
16

33 659 (Wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enkele andere wetten in verband met de afschaffing van de plusregio’s)

X Noot
19

33 231, nr. 3

X Noot
22

32 252, nr. 52

X Noot
23

32 813, nr. 70

X Noot
24

32 813, nr. 9

X Noot
25

32 813 nr. 45

X Noot
26

33 043, nr. 26

X Noot
27

33 043, nr. 28

X Noot
29

33 872, nr. 2

X Noot
31

33 503, nr. 8

X Noot
32

In de begroting 2013 zijn abusievelijk voor HWBP-2 voor het uitvoeringsjaar 2011 verkeerde waarden opgenomen; deze zijn bij dit jaarverslag gecorrigeerd en evenals in de ontwerpbegroting 2014 correct opgenomen.

X Noot
39

Jaarlijks vindt de nieuwe rangordeberekening plaats met de meest recente vlootmix; dit geldt ook voor voorgaande jaren waardoor de rangorde van een eerder jaar kan wijzigen ten opzichte van de vorige publicatie.

X Noot
40

United Nations Framework Convention on Climate Change

X Noot
41

Regeling Milieu-investeringsaftrek

X Noot
42

Vrijwillige afschrijving milieu-investeringen

X Noot
43

Vluchtige organische stoffen, exclusief methaan

X Noot
45

European Centre for Medium-Range Weather Forecasts; www.ecmwf.int

X Noot
46

Intergovernmental Panel on Climate Change www.ipcc.ch

X Noot
47

World Metereological Organization

X Noot
49

Integraal Project Management

Naar boven