Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333612 nr. 1

33 612 Structuurvisie Windenergie op land

Nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU EN VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Ter griffie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 3 april 2013.

De wens dat over de structuurvisie overleg gewenst wordt kan door of namens de Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 1 mei 2013.

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 maart 2013

Hierbij bieden wij u de ontwerp-Structuurvisie Windenergie op land met enkele bijlagen aan1. Het verheugt ons, dat wij in deze structuurvisie invulling kunnen geven aan een deel van de ambitie van het kabinet voor het aanzienlijk verhogen van het aandeel duurzame energie in onze energievoorziening. Windenergie op land vormt een onmisbare bron van duurzame energie om de doelstelling van 16% duurzame energie in 2020 te bereiken.

In deze ontwerp-structuurvisie geven wij aan hoe en waar in Nederland ruimte kan worden gevonden voor het opstellen van 6000 megawatt (MW) aan opwekkingsvermogen in de vorm van windturbines. Wij hebben na intensief overleg met de provincies afspraken met het IPO gemaakt over het bereiken van dit doel. In onze brief van 7 februari 2013 aan de Tweede Kamer hebben wij u reeds ingelicht over deze afspraken (Kamerstuk 31 239, nr. 144). Zowel het kabinet als de 12 provinciale besturen gaan zich nu inzetten voor de uitvoering van deze afspraken. Dit gebeurt op basis van eigen bevoegdheden en in goed overleg.

Wij achten het belangrijk dat de provincies nu aan de slag gaan met hun aandeel in het ruimtelijke beleid voor windenergie. Wij hebben deze ontwerp-structuurvisie op basis van de afspraken van 31 januari jl. vastgesteld, opdat deze een kader kan vormen voor de inspanningen van de provincies.

Genoemd kader bestaat uit de onderbouwing van de noodzaak van windenergie als onderdeel van een pakket duurzame energiebronnen en uit een visie op de ruimtelijke ordening van windturbines. Het kabinet wil windturbines concentreren in de daarvoor meest geschikte gebieden. Zo kan de doelstelling worden gehaald en kan tegelijkertijd de afwisseling van landschappen die Nederland zo kenmerkt, behouden blijven.

Daartoe wijst het kabinet gebieden aan die in beginsel geschikt zijn voor windenergieprojecten van ten minste 100 MW. Alle provincies zullen dit jaar een structuurvisie opstellen waarin de gebieden of locaties worden aangewezen ten behoeve van windenergieprojecten kleiner dan 100 MW. Al deze gebieden samen zijn nodig om het vermogen van 6000 MW te kunnen realiseren.

Hoewel kabinet en provinciebesturen zich gaan inzetten voor de ontwikkeling van windenergie in Nederland, beseffen wij terdege dat het doel alleen kan worden bereikt wanneer de markt voldoende projecten ontwikkelt. Daarvoor is naast het ruimtelijk beleid ook het financiële stimuleringsbeleid met de SDE+ een noodzakelijk voorwaardenscheppend instrument. In het Regeerakkoord zijn de voor dit beleid benodigde middelen vastgelegd.

Naast voorwaardenscheppend beleid is ook maatwerk per project van belang voor de vergroting van de slaagkans. De coördinatieregelingen die rijk en provincie ter beschikking staan, bieden hiervoor ruimte. Te denken valt aan een voortraject in de geest van de commissie Elverding, aan een aanpak in de vorm van gebiedsontwikkeling en aan het bij het project betrekken van een saneringsopgave voor bestaande maar verouderde windturbines. Zo’n werkwijze biedt ook gelegenheid om de bewoners van het projectgebied te betrekken bij het planproces. Tegelijkertijd zal de overheid voldoende aandacht moeten geven aan het informeren van burgers over het belang van windenergie en over de manier waarop locatiekeuzen tot stand komen.

Op dit moment is de rijksoverheid al in 9 gebieden in Nederland actief om samen met betrokken overheden windturbineparken te realiseren, zowel via gebiedsprocessen als via de toepassing van de rijkscoördinatieregeling.

Met de aanbieding van deze ontwerp-structuurvisie begint ook een traject waarin burgers en organisaties een zienswijze kunnen indienen op het voorgenomen beleid en op het Plan-milieu-effectrapport. Over dit rapport zal ook de commissie voor de m.e.r. advies uitbrengen. Wij streven ernaar in de tweede helft van dit jaar het vaststellingsbesluit aan de Tweede Kamer aan te bieden.

De minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

De minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer