Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-2021nr. 59, item 7

7 Vereenvoudiging bekostiging vo

Aan de orde is het VSO Vereenvoudiging bekostiging vo (31289, nr. 435).

De voorzitter:

Aan de orde is het VSO Vereenvoudiging bekostiging vo (31289, nr. 435). Ik heet natuurlijk allereerst de onderwijswoordvoerders van harte welkom, die ik heel lang niet heb gezien. Fijn om jullie weer in de zaal te zien. Ik heet natuurlijk ook de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van harte welkom. De heer Rudmer Heerema staat al klaar voor zijn inbreng. Het woord is aan de heer Pieter … Nee, waarom zeg ik "Pieter"? Het is Rudmer Heerema namens de VVD! Dat wil zeggen dat ik de heer Pieter Heerma de laatste tijd vaak heb meegemaakt in de zaal, in verband met corona. Dat is het.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Wij delen af en toe ook een gezamenlijke rekening, merk ik in het restaurant. Het is goed dat we soms onze voornamen gebruiken, voorzitter.

Voorzitter. De VVD is blij dat we een voorhang hebben op de regeling geïsoleerde scholen, zodat we nog enige controle hebben op de uitvoering. De minister wil de regeling namelijk op een iets andere manier uitvoeren dan hij de Kamer had toegezegd tijdens de wetsbehandeling. Daarom allereerst de vraag: waarom is de minister van plan om twee ton minder aan de regeling geïsoleerde scholen toe te voegen dan wij hebben gevraagd? Wat heeft dit voor effect voor de getroffen scholen? Is de minister het met ons eens dat dit tot problemen leidt voor de scholen, die opeens worden geconfronteerd met een andere uitvoering en daarmee andere bedragen?

Ik heb samen met GroenLinks een motie, maar die zal collega Westerveld van GroenLinks voordragen en indienen, dus ik laat het hierbij.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Rudmer Heerema. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Westerveld namens GroenLinks. Gaat uw gang, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Voorzitter. Fijn dat we dit debat nog kunnen voeren, want het gaat over een financiële regeling die belangrijk is voor alle scholen, maar nog meer voor scholen in plattelandsgemeenten. Zoals de minister en collega's weten, heb ikzelf op zo'n school gezeten. Buiten dat het voor kinderen belangrijk is om onderwijs te kunnen volgen op een school die enigszins in de buurt ligt, is het openhouden van onderwijslocaties essentieel voor de leefbaarheid van het platteland. Want nieuwe gezinnen met kinderen gaan zich natuurlijk niet ergens vestigen als er geen onderwijs in de buurt is.

Wij zagen dat de regeling voor geïsoleerde scholen wat anders is uitgewerkt dan ons eerder is voorgehouden. Daarom heb ik de volgende motie, inderdaad samen met collega Rudmer Heerema.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister de regeling geïsoleerde scholen anders heeft uitgewerkt dan de Kamer is voorgehouden tijdens de technische briefing en wetsbehandeling;

constaterende dat de nieuwe uitwerking in een lager tempo toeslag uitkeert aan kleine geïsoleerde brede scholengemeenschappen door te werken met bedragen per leerling in plaats van staffels;

constaterende dat de nieuwe uitwerking in totaal minder toeslag aan kleine geïsoleerde brede scholengemeenschappen uitkeert door de toeslag voor brede scholengemeenschappen op één locatie hierop te korten;

overwegende dat de toeslag voor brede scholengemeenschappen op één locatie en de toeslag voor kleine geïsoleerde brede scholengemeenschappen andere doelen dienen en daarom gestapeld moeten kunnen worden;

overwegende dat het van groot belang is voor zowel leerlingen als de regio dat geïsoleerde brede scholengemeenschappen in stand worden gehouden en dat de uitwerking die nu is voorgesteld hier onvoldoende aan bijdraagt;

verzoekt de regering om het maximum van €600.000 toeslag voor een kleine geïsoleerde brede scholengemeenschap te verhogen tot het toegezegde maximum van €800.000 door het bedrag per leerling te verhogen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Rudmer Heerema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 445 (31289).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Deze motie is vrij technisch, maar dat komt omdat we het hier hebben over een technisch onderwerp, namelijk de uitwerking van een financiële regeling. Normaal probeer ik ze in meer begrijpelijke taal te schrijven.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Westerveld. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Meenen namens D66.

De heer Van Meenen (D66):

Dank u wel, voorzitter. Goed u hier vandaag weer monter te zien, als altijd.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Ik heb de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een toeslag komt voor brede scholengemeenschappen op één locatie om kansengelijkheid en tegengaan van segregatie te bevorderen;

overwegende dat brede scholengemeenschappen ook als campus georganiseerd kunnen zijn en daardoor feitelijk twee vestigingen hebben;

overwegende dat deze campussen hetzelfde doel dienen als de toeslag beoogt;

verzoekt de regering om brede scholengemeenschappen met twee locaties binnen een beperkte straal gelijk te stellen aan brede scholengemeenschappen op één locatie en hun ook deze toeslag uit te keren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 446 (31289).

Dank u wel, meneer Van Meenen. Volgens mij was u de laatste spreker. Dan geef ik nu het woord aan de minister.

Minister Slob:

Dank u wel, voorzitter. Ik wacht nog even op die ene motie, maar ik kan alvast reageren op de vraag en de eerste motie. Allereerst wat betreft het verschil tussen wat wij in de wetsbehandeling hebben besproken en wat uiteindelijk in de regeling terecht is gekomen: daar is een hele duidelijke verklaring voor. Op het moment waarop wij de wetsbehandeling hadden afgerond, wisten we dat er ook nog een check door DUO zou moeten plaatsvinden, ook op uitvoerbaarheid en alle aspecten die daaraan vastzitten. Die toetsing heeft daarna plaatsgevonden. Uit die toetsing is gebleken dat er met de wijze waarop wij het hadden ingericht en ook met u hadden besproken, een groot risico van misbruik en oneigenlijk gebruik was bij het werken met een gestaffeld systeem. Ik noem bijvoorbeeld de prikkel om leerlingen op "niet bekostigd" te zetten of leerlingen zelfs te weigeren als hun komst een ongunstige werking zou hebben op de staffel waarin je dan terecht zou komen. Zelfs één leerling meer zou het verschil kunnen zijn en zou kunnen betekenen dat je in een andere staffel komt en daardoor ook veel minder geld zou gaan krijgen. Dat is uiteindelijk de reden waarom we het op een andere manier hebben ingericht. Ik wist dat er een voorhang was. Ik wist dus dat u daar kennis van zou nemen. Ik ben overigens ook niet teleurgesteld door het feit dat u de voorhang serieus genomen heeft en hier vragen over heeft gesteld. Die hebben we, zoals u weet, ook beantwoord. Dat zijn op zich ook wel terechte punten. Daar is rekening mee gehouden, ook al weet men dat het uiteindelijke ingroeipad natuurlijk heel erg lang is en dat men ook toe gaan werken naar een bepaalde situatie. Dat is de reden waarom het zo gegaan is, niet meer maar ook niet minder.

De motie kan ik oordeel Kamer geven, maar ik zeg daar één ding bij voor iedereen die deze motie misschien positief wil waarderen. Uiteindelijk wordt dit wel uit de lumpsum gefinancierd. De andere scholen betalen dus mee voor deze verhoging. Dat is misschien maar een heel klein stukje, maar het is wel een consequentie van het uitvoeren van deze motie. Maar ik kan de motie op zich oordeel Kamer geven, omdat ik de redenering erachter ook kan volgen.

De motie van de heer Van Meenen lijkt ogenschijnlijk heel sympathiek. Ik denk dat ook de redenen waarom hij de motie heeft ingediend, dezelfde waardering verdienen. Maar ik denk dat het toch goed is om hier het volgende bij te zeggen, ook over de effecten die het aannemen van deze motie zou kunnen hebben, ook op de praktijk. Campussen met meerdere vestigingen krijgen, uiteraard als zij voldoende leerlingen hebben, al meerdere vaste voeten in de basisbekostiging voor die vestigingen. Die worden bij wijze van spreken dus al behoorlijk goed bediend. Het is in principe natuurlijk een mogelijkheid om in deze situatie ook nog de aanvullende bekostiging voor brede vestigingen te verstrekken zoals u uw motie beoogt, maar de scholen die alles netjes op één vestiging hebben geregistreerd, worden daar dan in feite mee gestraft. Er zou indirect zelfs een prikkel van uit kunnen gaan om die vestiging dan ook maar op te splitsen om meer geld te kunnen krijgen. Allereerst al vanwege het feit dat men in de basisbekostiging bij voldoende leerlingen met meerdere vaste voeten al voldoende bekostiging krijgt en in de tweede plaats vanwege het effect dat dit kan hebben op de scholen die het allemaal netjes op één vestiging hebben geregistreerd en georganiseerd, ontraad ik deze motie dus.

De voorzitter:

Een korte vraag, de heer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Ik ben over het algemeen zeer gevoelig voor perverse prikkels, maar als twee scholen zo ongeveer naast elkaar staan en gezamenlijk een scholengemeenschap vormen — zij het op twee adressen, in een soort campus — denk ik niet dat het mogelijk is om dan te zeggen: dan gaan we die gebouwelijke situatie eventjes aanpassen om aan deze prikkel tegemoet te komen. Ik zie helemaal niet voor me dat je je gebouw in tweeën gaat splitsen. Dat kan allemaal niet zo makkelijk. Andersom heeft dit natuurlijk wel degelijk heel erg het karakter van wat in de regeling beoogd wordt. Het is immers in feite gewoon een brede scholengemeenschap. Is de minister dat met mij eens en is hij dus bereid om toch te bewilligen in deze motie?

Minister Slob:

Als het gaat om wat er allemaal wel en niet mogelijk is: vergist u zich niet in wat er aan mogelijkheden is om bij wijze van spreken met twee adressen te gaan werken of om een extra huisnummer erbij te creëren enzovoorts. Er zijn gewoon mogelijkheden om op die manier toch in de praktijk te splitsen en onder deze ruimere regeling te vallen. Dat gedrag kun je eventueel uitlokken. De scholen waar u op doelt, kunnen ervoor kiezen — dat is een keuze die zij hebben — om de campus als één vestiging te registreren waardoor er wel sprake kan zijn van een breed aanbod op een vestiging, wat u uiteindelijk ook beoogt. Dat zij nu kiezen voor een constructie dat er op papier meerdere vestigingen zijn, is een afweging die zij zelf hebben gemaakt. De afstand tussen vestigingen is natuurlijk ook best arbitrair: 50 meter, 100 meter. Dat zal ook weer discussie op gaan leveren. Ook uitvoeringstechnisch is dat behoorlijk ingewikkeld.

De voorzitter:

De heer Van Meenen, heel kort en tot slot.

De heer Van Meenen (D66):

Ja, voorzitter, tot slot. Als een school of scholengemeenschap zich op één adres bevindt, is er vanuit deze regeling geen prikkel om te splitsen. Juist niet, zou je zeggen, want dan krijg je extra middelen. Dat zou hooguit de prikkel zijn om naar twee vaste voeten te gaan. Dat is een heel andere regeling. De motie is bewust open geformuleerd zodat de minister zelf invulling kan geven aan wat een beperkte afstand is.

De voorzitter:

Ik denk niet dat …

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter, dit gaat wel ergens over.

De voorzitter:

Alles gaat hier ergens over, maar ik heb de indruk dat …

De heer Van Meenen (D66):

Ik begrijp dat de tijd ook doorloopt.

De voorzitter:

Ik denk dat dit niet echt tot een ander standpunt leidt.

De heer Van Meenen (D66):

Nou, als dat het criterium voor interrupties wordt, dan kunnen we de tent hier wel sluiten.

De voorzitter:

Helemaal niet. U heeft een motie ingediend en u kunt die gewoon in stemming brengen. Zo werkt het.

Minister Slob:

Voorzitter, ik heb mijn oordeel over de motie gegeven.

De voorzitter:

Precies. Daar was ik al bang voor.

Minister Slob:

Uiteindelijk hebt u gelijk: de Kamer kan zich erover uitspreken.

De voorzitter:

En u heeft als een leeuw gevochten, meneer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Als dat maar in de Handelingen komt, voorzitter! En aan u heeft het ook niet gelegen, maar ja.

De voorzitter:

Dat komt zeker in de Handelingen. Aan u heeft het niet gelegen.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

We wachten even op de heer Van den Berge en dan gaan we verder met het volgende VAO.