Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-2003nr. 28, pagina 2029-2066

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2003 (28600 V).

De voorzitter:

De heer Teeven laat zich excuseren wegens ziekte.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Koenders (PvdA):

Voorzitter. Begrijpt de wereld Nederland nog? Begrijpen de Europese landen Nederland nog? Dat vroeg minister De Hoop Scheffer zich een dikke maand geleden vertwijfeld af toen hij in een interview met Elsevier zei dat hij geen Europa van de boekhouders wenste. Met de VVD en de LPF bleek het echter slecht kersen eten. Nog vorige week verbaasden topambtenaren ons die bijeengekomen waren om de stand van de werelddiplomatie te bespreken en om zich, zoals gebruikelijk, vanuit grote hoogte over de Tweede Kamer op te winden en over de degradatie van de buitenlandse politiek in Nederland. Zij hadden wat dit laatste betreft gelijk, vrees ik. Er is ondanks verwoede en serieuze pogingen van minister De Hoop Scheffer weinig touw aan ons profiel vast te knopen. Bovendien wil de spruitjesgeur van provincialisme maar niet uit de pot van deze coalitie optrekken. Alle problemen komen uit het buitenland.

In no time werden de afgelopen vier en een halve maand de minister van Ontwikkelingssamenwerking en de minister van Milieu afgeschaft. Verder had de voor de Nederlandse belangen essentiële uitbreiding van de Europese Unie serieus op het spel gestaan, ware het niet dat de oppositie de voorstellen aan een meerderheid had geholpen. Bovendien werd Lord Robinson van de NAVO gebruuskeerd door voorstellen die het veiligheidsbeleid van Nederland leken te minimaliseren door onder andere de paraatstelling bij landmacht en marine te vertragen. Kennelijk is hieraan geen enkele zichtbare toets door het ministerie van Buitenlandse Zaken voorafgegaan. Het buitenland kon niet begrijpen hoe wij de doodstraf als schending van de mensenrechten in bijvoorbeeld Turkije, de Verenigde Staten en China te vuur en te zwaard wilden bestrijden, terwijl een Nederlandse minister deze straf als privépersoon kennelijk weer in eigen land wilde invoeren.

Daarnaast moest de minister van Buitenlandse Zaken de boer op met de illusie van de snelle herziening van het Vluchtelingenverdrag – hoe staat het daar overigens mee? – en werd absoluut niet onderkend dat nu al 95% van alle vluchtelingen in zeer moeilijke omstandigheden in de regio wordt opgevangen. Juist waar ondersteuning na burgeroorlogen, zoals in Somalië en Afghanistan en terugkeer van afgewezen asielzoekers in samenhang dienen te worden aangepakt, is het in de coalitie mode om nu ook de armen in de wereld te laten betalen voor de interne veiligheid zonder enige dwarsverbanden te zien en met man en macht nieuwe items te vinden, zoals vredesoperaties en overschatte aantallen voor de eerste opvang asielzoekers, wat door de vorige regering goed is aangepakt, om maar zoveel mogelijk op de 0,8% te kunnen beknibbelen. Over normen en waarden gesproken! Penny wise and pound foolish.

Niet de eerste de beste, de directeur van het Belgische Koninklijk veiligheidsinstituut voor internationale betrekkingen Coolsaet sprak vorige week in de NRC van een Nederlandse diplomatie in nevelen gehuld. Coolsaet verwonderde zich er terecht over dat juist Nederland als gidsland voor de Verenigde Naties en land van Hugo de Groot als enige land naast de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk vooraf expliciet en volstrekt onnodig liet weten dat er geen aparte Veiligheidsraadresolutie nodig was voor een militaire actie tegen Irak. Nog minder begreep hij dat hierover niet eerst breed in Europees verband werd overlegd, hoe moeilijk misschien ook. Geloofwaardigheid is juist ook voor een klein land essentieel, het komt te voet en gaat te paard.

De problemen van economische neergang, terrorisme en mensensmokkel zijn voor een land als Nederland alleen oplosbaar als wordt geïnvesteerd in effectieve en internationale veiligheids- en ontwikkelingssamenwerking, bescherming van de internationale rechtsorde en politieke Europese eenwording. Pas dan kunnen burgers de buitenwereld als kans en niet alleen als risico zien. Buitenlands beleid heeft direct met burgers van doen en mag zich dus nooit isoleren van de samenleving, of het parlement zeg ik dan ook tegen de kritische topambtenaren van zo-even. Wat doet deze regering overigens aan de vermaatschappelijking van het buitenlandse beleid en het helder maken van deze verbanden? Waarom is het ministerie van Buitenlandse Zaken niet nog veel actiever om de moeilijke Europadiscussie mede aan de man en vrouw in de straat te brengen en verzet men zich zelfs tegen een vroegtijdig geïnitieerd referendum over de Conventie?

Plaatsbepaling van ons land is des te belangrijker nu het gist in de transatlantische verhoudingen, nu europa evenals de NAVO vergroot wordt en wij er dus voor moeten staan om in een vergrootte zone van samenwerking onze kwetsbare invloed te behouden, en nu de veiligheidsdiscussie bovenaan de agenda staat.

Ik kom allereerst te spreken over het terrorisme. Na New York, Bali, Moskou en Mombasa is hier geen enkele naïviteit op zijn plaats. Hoe moeten wij de waarschuwingen van vorige week aan Nederland waarderen? Waar globalisering van terrorisme vooroploopt bij samenwerking tussen staten, is het goed van de regering exact te horen hoe het staat met de voortgang in Europees en mondiaal kader en de aard van de bedreigingen voor een kwetsbaar distributieland als Nederland. Entameert Nederland gesprekken met de burgerluchtvaart en de toerismesector en is er sprake van optimale intelligencesamenwerking? Welke veiligheidsanalyse heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken hierover gemaakt en hoe liggen die mede ten grondslag aan het onplanmatige karakter van de defensiebezuinigingen? Als robuuste vredesbewarende en afdwingende operaties zoals in Afghanistan in de huidige wereld cruciaal zijn, hoe is het dan mogelijk dat de minister van Buitenlandse zaken ooit akkoord is gegaan met uitstel van paraatstelling bij de marine en de landmacht? Is hierover dan geen analyse op het departement gemaakt? Welke prioriteitstelling geldt hierbij voor Nederland, voor Europa? Dreigt de aandacht voor Irak, hoe belangrijk ook, de aandacht voor het meerkoppige monster van het terrorisme en de alliantie daartegen niet op het tweede plan te plaatsen? Welke aandacht blijft er nu nog over voor vredesbewarende taken in falende staten, voor conflictpreventie, voor staatsvorming, voor de bestrijding van het terrorisme en zijn oorzaken? Waarom wordt daar niet evenveel politieke energie in gestoken?

Daarbij doemt het gevaar op van preventieve aanvallen. Het is de vraag, hoe dit zich verhoudt tot "containment". Er dient, wat dit betreft, een multilaterale veiligheidsdoctrine voor de nieuwe gevaren te komen, en niet een unilaterale. Wij zien nu al hoe de Australische premier dat concept misbruikt voor eigen gebruik in zijn regio. Wat doet Nederland daaraan? Hoe staan wij daartegenover? Ook in de notitie van het kabinet blijft dat onduidelijk. Doen de Verenigde Staten als enig overgebleven supermacht het forsere werk en Europa de peacekeeping of is er echt nog een mogelijkheid om controle en last onderling politiek te middelen? Als de missie de alliantie gaat bepalen, wordt de cruciale vraag: hoe houdt Nederland dan zijn invloed als kleiner land in grotere samenwerkingsverbanden, zonder heldere politieke besluitvorming en waar enkelen de dienst voor ons dreigen uit te maken? Dat is de fundamentele vraag waar de Nederlandse regering en het parlement in de parlementaire controle voor staan. Publieke steun is bij elk ambitieniveau – vredesoperaties, ontwikkelingssamenwerking, NAVO – essentieel, zo is in het afgelopen jaar in ons land gebleken. Ook is gebleken hoe snel die steun kan afkalven. De Partij van de Arbeid maakt zich hier ernstige zorgen over nu Amerika unilateralistischer wordt en Europa antwoorden en verantwoordelijkheden ontbeert. Wij spreken de regering hierop aan en wachten op een reactie op deze punten. Hoe houden wij onze invloed in NAVO, EU en andere organen, waar steeds kleinere groepen de dienst uitmaken? Hoe kunnen wij dus als kleine landen in het behoud van deze organisaties investeren? Wie is daarbij onze bondgenoot?

Dat geldt ook en vooral voor een daadwerkelijke investering in de Europese buitenlandse politiek. Ik heb de regering daarover kritisch aangesproken. Ook hier zijn Europees zelfonderzoek en een helderder Nederlandse positie vereist. Defaitisme dient hier geen enkel zinnig doel. Ten aanzien van Irak had langer naar een Europese lijn moeten worden gezocht en dus minder met de rug naar het continent moeten worden gestaan, zoals Coolsaet ons terecht voorhield. Dit vereist ook een spoedig oordeel van de Nederlandse regering over de Commissievoorstellen ten aanzien van de tweede pijler, over een initiatiefrecht, over veel meer mogelijkheden tot constructieve onthouding en over een semi-permanent voorzitterschap door een Solana/Pattenformule. Het Frans/Duitse duo liep al vooruit bij de landbouwhervormingen. Het wil hier razendsnel verdergaan en zelfs komen met het idee van een Europese veiligheidsgarantie. Ook hier moet een gecoördineerd antwoord komen, zoals Staatssecretaris Nicolaï vorige week in Brussel probeerde ten aanzien van een aantal voor Nederland desastreuze plannen van Giscard d'Estaing. Nederland moet zich realiseren dat de conventie steeds meer het karakter van een IGC heeft gekregen.

Kunnen wij als voorbeeld nu ook echt een Europees initiatief verwachten ten aanzien van de voortgaande negatieve spiraal in het Midden-Oosten, nu het MAP maar niet tot resultaten leidt, de wederzijdse destructie voortwoekert en de partijen niet daadwerkelijk onder druk worden gezet door de Verenigde Staten en Europa gezamenlijk om een politieke oplossing te vinden voor een tweestatenoplossing? Het kruitvat Midden-Oosten en een nieuwe investering in het Barcelonaproces zijn toch in de huidige gespannen situatie prioritair? In het kruitvat van het Midden-Oosten mag de botsing der culturen niet ongewild tot stand komen en kan een Palestijnse staat niet meer lang op zich laten wachten. Antisemitisme en anti-islamgevoelens nemen ook in Europa hand over hand toe. Paniekreacties en populisme nemen toe. Wij hebben vandaag weer een aantal voorstellen van fracties in dit huis gezien. Daar komen wij ongetwijfeld nog over te spreken. De Partij van de Arbeid maakt zich hier ernstige zorgen over. Wordt ook dit aspect in Europa besproken en door Nederland ingebracht?

Terrorisme heeft de internationale veiligheid terecht weer boven aan de agenda geplaatst en de laatste ontwikkelingen laten feilloos zien hoe de mondialisering van handel, investeringen en reizen in laatste instantie afhankelijk is van effectieve politieke samenwerking en welvaartsdeling tussen landen. Terrorisme is een veelkoppig monster en laat zich echter niet makkelijk in een dictator of alleen met militaire middelen vangen. Misbruik van de terrorismeagenda ligt voor de hand. Evenals bij de binnenlandse veiligheidsproblematiek, moet een goed evenwicht gevonden worden tussen preventie en repressie, tussen naïviteit en obsessie, en meer in het algemeen tussen een mondiale coalitie tegen het terrorisme en een mondiale coalitie tegen de armoede.

Waar de Verenigde Staten volgens Jeffrey Sachs meer dan 1 mld dollar per dag uitgeven aan defensie, stagneert de wereldwijde ontwikkelingssamenwerking tot onder de vijftig mld dollar. Hier is iets goed mis. Afghanistan heeft laten zien dat genegeerde staten niet alleen leiden tot ernstige sociale misstanden, maar ook tot politiek fundamentalisme en verharding van de internationale verhoudingen en levensgevaarlijke verscherping van culturele scheidslijnen. Nederland zou hier veel meer op moeten wijzen en ik zou hier Nederlandse initiatieven willen blijven horen.

Ik vraag de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking hoe ervoor gezorgd wordt dat de Millennium Development Goals, die zo belangrijk zijn, geen papier blijven en hoe in VN, Wereldbank en IMF op democratische wijze gechecked wordt of deze geïmplementeerd worden. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de parlementen hier voldoende democratische controle kunnen uitvoeren? De coalitie tegen het terrorisme mag ook nooit leiden tot een feitelijke coalitie tegen mensenrechten en tegen de rechten van verdachten. En dat is zeker niet onmogelijk. Daarvoor zijn er te veel dilemma's. Nederland zal als voorzitter van de OVSE uiteraard veel meer moeten doen dan dictators uit Kazachstan uitnodigen voor economische missies met een randje mensenrechten.

Allereerst moet er meer aandacht komen voor de landen die net buiten de uitbreiding vallen, zoals Moldavië en de Oekraïne Ten aanzien van Tsjetsjenië zou gekeken moeten worden hoe het nieuwe partnerschap met Rusland, ook in de NAVO, gebruikt kan worden om gezamenlijk de excessen van het Russische leger in Tsjetsjenië aan te pakken, ogen en oren in die regio weer mogelijk te maken, een politiek oplossing te stimuleren en het onmetelijke lijden van de bevolking te stoppen. Ik vraag de regering in het licht van eerder aangenomen moties een initiatief of een plan voor te leggen.

Ik vraag wat Rusland betreft tevens waarom het verdrag met betrekking tot samenwerking bij afval van massavernietigingswapens kennelijk niet kan worden ingevuld. Hier ligt echt een gigantisch risico voor proliferatie. Ik zou de Nederlandse regering ook willen oproepen tot een heldere mensenrechtenpositie over Pakistan na de EU-waarnemingsmissie. De regering moet tevens de Wereldbank oproepen om basiseducatie voor meisjes te steunen zodat de "madrassas" niet aan politieke fundamentalisten wordt overgelaten. Zo passen ontwikkelingssamenwerking, conflictpreventie mensenrechten en terrorismebestrijding bij elkaar.

De OVSE-missie van Nederland zou in dit teken moeten staan: de wereld multicultureel, de mensenrechten universeel. Dat laatste geldt ook voor Indonesië, waarbij ik graag de reactie van de regering verneem over de laatste vrijspraken en de voortgang van de zaak Thoenes.

Deze minister van Buitenlandse zaken staat voor een schier onmogelijke taak. Hij doet Buitenlandse Zaken, integreert dat met Ontwikkelingssamenwerking en Europa en moet er ook nog voor zorgen dat hij met andere ministers van het kabinet een coherent beleid wordt gevoerd. Je kan echter maar op één plaats tegelijk zijn. Zelfs de korte reis naar Afrika – terecht door hem gezien als van groot buitenlandspolitiek belang – moest eerder afgebroken worden omdat je nu eenmaal niet op twee plaatsen tegelijk kan zijn. Niemand is aan het onmogelijke gehouden. Fout één daarbij van deze coalitie was – ondanks dat de secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken zich daarover kennelijk politiek wilde uiten – om de minister voor Ontwikkelingssamenwerking na een lange traditie bij het oud vuil te zetten. Er is nu geen eigen stem van de armen meer in de Trêveszaal. De staatssecretaris wordt alleen uitgenodigd als van tevoren vaststaat dat het kabinetsberaad iets met de belangen van ontwikkelingslanden van doen heeft. Het coherentiebeleid wordt zo bemoeilijkt. In het buitenland begrijpt niemand wat van de naam en functiewisseling en bij de nieuwgevormde Algemene Raad mag ze ergens voor of ver achter de lunch aanzitten en komt het geïntegreerde beleid weer snel tot personele scheiding.

Vindt de staatssecretaris dit nu geslaagd? Zij zou er toch liever bijzitten als weer eens aan haar budget wordt geknaagd? Ik vraag haar hoe ze denkt de gelden voor ontwikkelingssamenwerking uit te hoog begrote asielzoekeraantallen en opvangkosten weer tijdig voor Ontwikkelingssamenwerking te claimen. Wat wordt er met dat geld gedaan en om hoeveel gaat het eigenlijk? Ware dat geld niet beter te besteden aan een geïntegreerde aanpak voor ondersteuning bij wederopbouw na burgeroorlogen en aan terugkeer van afgewezen asielzoekers? Wat is er gedaan aan de motie van mijn fractie over dit onderwerp vorig jaar? Dat staat niet in de memorie van toelichting. En wat met de plannen voor Afghanen? Kan dit niet beter en moet hier niet een grotere vrijwillige component ingebouwd worden? Hier verwachten wij een duidelijker aanpak van een kabinet dat weet dat alleen een op-straat-zetbeleid niet effectief en menselijk is.

Geïntegreerd buitenlands en ontwikkelingsbeleid zou wat ons betreft vooral tot uitdrukking moeten komen in de regionale benadering van de Grote meren en Zuidelijk Afrika. Ik zou de minister en de staatssecretaris op deze twee terreinen tot een initiatief willen oproepen. Ten aanzien van Oost-Kongo en Rwanda zou de grote bijdrage van Nederland aan het demobilisatie- en ontwapeningsprogramma nu politiek ingezet moeten worden door in Europees kader te pleiten van een grotere rol van MONUC op dit terrein. Die is nu te passief en een aantal Nederlandse waarnemers zou aan deze missie kunnen worden toegevoegd. Als er nu geen actie wordt ondernomen, dreigt chaos in Oost-Kongo en hebben de Rwandezen een excuus om terug te keren. Hier is een relatie met de benchmarks voor Rwanda op zijn plaats. Ten aanzien van zuidelijk Afrika zijn er twee prioriteiten voor mijn fractie: een voortgaande Nederlandse committering aan Zuid-Afrika, dat als regionale leider nog steeds wordt beïnvloed door negatieve sociale en politiek-democratische ontwikkelingen, en een initiatief om vooral ook Mozambique, Zuid-Afrika en andere SADCC-landen met Nigeria te brengen tot preventie van een burgeroorlog in Zimbabwe en verder politiek gebruik van het hongerwapen. Peer pressure, scherpere, slimmere sancties en openheid bij de voedselhulp horen hierbij. Wat zijn hier nu de mogelijkheden van Nederland met een aantal gelijkgezinden?

Aids is een menselijk drama, een enorm risico en een veiligheidsprioriteit die het terrorisme overtreft. De staatssecretaris heeft op Wereldaidsdag terecht gepleit voor meer openheid. India, China en Indonesië staan voor een regelrechte ramp en de levensverwachting is bij een groot aantal ontwikkelingslanden met 20% afgenomen. UNAIDS vraagt om een verdubbeling van de uitgaven voor aids en de PvdA-fractie stelt voor om in de Nederlandse begroting ruimte te zoeken voor die verdubbeling, vanwege de enorme urgentie en de veiligheidsproblematiek.

De staatssecretaris die bekend stond als een grote criticaster van minister Herfkens neemt in feite de kern van haar beleid ten aanzien van de landenlijst en de sectorbenadering over. Die Werdegang verwelkomen wij. Toch vereist de sectorbenadering de wil om de relatie met de landen te politiseren. De PvdA-fractie wil graag een oordeel over de ontwikkelingen in Eritrea en Nicaragua en zou graag vernemen hoe de financiële controle precies verloopt en wat het oordeel is over de ontwikkeling in de diverse landen over de invulling van de sectoren. In het kort: hoe staat zij tegenover de film van goed bestuur en de snelle stap richting sectorverantwoordelijkheid? Over Suriname maken wij ons daarbij ernstige zorgen. De uitlatingen van de Surinaamse minister van Planning liegen er niet om. Kan de regering de evaluatie die gemaakt is over de huidige situatie aan ons ter beschikking stellen? Wat doet Nederland met het dilemma dat de verdragsmiddelen waarschijnlijk moeten worden uitgekeerd als de sectorbenadering verloopt? Waar de samenwerking op het gebied van defensie en de rechtstatelijke samenwerking beter verlopen, dreigt het bredere Surinamebeleid te verzanden.

De fractie van de PvdA wil meer aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen in ontwikkelingslanden en vraagt de regering om een initiatief ten aanzien van ondernemen in conflictgebieden. De staatssecretaris wil een nieuw platform ten aanzien van de rol van de private sector in ontwikkeling. De FMO heeft hiermee veel ervaring. Het lijkt ons goed als een dergelijk akkoord eerst op transparante wijze in de Kamer wordt besproken. Het moet duidelijke criteria stellen ten aanzien van werkgelegenheid, armoedebestrijding en de rol van het plaatselijke bedrijfsleven en het MKB. Dat geldt overigens ook voor partnerschappen en een transparante invulling van het Clean Development Mechanism. Vindt de staatssecretaris dat ook en kan zij daarover iets zeggen in haar antwoord? Graag willen wij hier een internationaal initiatief voor de koffiesector bevorderen, nu de kleine boeren in veel landen aan de rand van de afgrond staan. Wij overwegen hierover in tweede termijn een motie in te dienen. Hoe staat de regering overigens tegenover maatschappelijk verantwoord ondernemen ten aanzien van rapportage en een eventuele wet openbaarheid van productie en ketens? Ook op dit terrein moet de toekomstige OS-minister een coherentieminister worden. De huidige coherentie-unit doet goed werk ten aanzien van landbouw. Dit moet nu ook ten aanzien van andere terreinen, zoals visserij, ingevuld worden en geïnternationaliseerd op de agenda komen in Brussel. Hoe gaat de staatssecretaris dit bevorderen? Hier is radicale vooruitgang snel vereist.

Heeft Nederland overigens gepoogd in het overleg met de Europese bondgenoten de ontwikkelingslanden actief bondgenoot te maken bij de discussies in Europa over de landbouwhervormingen?

De fractie van de PvdA wil een heldere positie in dit debat over de rol van de thematische financieringsorganisaties en het net gestarte Institute for Multiparty Democracy. Beide vragen uitbreiding van gelden en zeker van een staatssecretaris die het middenveld zo'n warm hart toedraagt. Er mogen geen grote teleurstellingen zijn in de verwachtingen en bij TFM – wij hebben nu eindelijk die brief gekregen – zijn wat ons betreft wel degelijk heldere kwaliteitseisen noodzakelijk. Ook een onafhankelijke beoordeling is van belang.

Ik besluit met de burgers van dit land. Zij willen weten hoe het loopt met zaken als de voortgang van klantvriendelijk beleid en bijvoorbeeld de gedetineerdenzorg in het buitenland. De stichting Epafras moet gewoon gesteund blijven. Hoe staat het daarmee? Kan dat niet wat forser? Zij, de burgers, bepalen natuurlijk ook in bredere zin het ambitieniveau dat wij hier hebben ten aanzien van de armsten, ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking en wat wij eigenlijk willen met het buitenland. De burgers zien immers hoe de globalisering en de ongelijke gevolgen daarvan hen direct raken. Het loket voor gewone burgerinitiatieven bijvoorbeeld, een goed loket, is dan ook iets wat echt gemotiveerd en open opgezet moet worden. Daar moeten burgers bij kunnen komen en dat mag geen onderaannemer van de MFO's worden. Ik vraag de aandacht van de staatssecretaris hiervoor. Ook vraag ik aandacht voor gewone initiatieven, zoals de berging van de Joola in Senegal, waarover ik met mevrouw Karimi vragen heb gesteld.

Vandaag stonden Irak, de buitenlandse politiek van deze coalitie en de ontwikkelingssamenwerking in onze bijdrage voorop. Nederland moet bij al deze punten goed op zijn zaak letten. Dat heeft deze coalitie niet gedaan. Realisme en idealisme zijn voorwaarden voor elkaar in de internationale politiek. Dat evenwicht moet bewaard blijven. Een volgend kabinet zal ten aanzien van Irak de internationale rechtsorde bovenaan moeten zetten, ten aanzien van de bredere buitenlandse politiek het provincialisme voorbij moeten zijn en ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking effectiviteit voorop moeten zetten tegen de mondiale apartheid en voor internationale samenwerking. Het buitenland is voor ons niet alleen risico, maar vooral een kans.

De heer Eurlings (CDA):

De wereld is na 11 september 2001 niet meer dezelfde. De kwetsbaarheid van onze moderne samenleving voor aanvallen, niet zozeer door staten, maar van door hen beschermde of gedoogde terroristische organisaties, eist een nieuwe internationale agenda. Zo begon onze woordvoerder buitenland, Maxime Verhagen, het debat over de begroting van Buitenlandse Zaken meer dan een jaar geleden. Hoe actueel dit besef nu nog is, blijkt uit de recente verschrikkelijke aanslag op Bali, de alarmerende signalen van Europese inlichtingendiensten over mogelijke aanslagen op het Europees continent en de wellicht door Al Qaeda of door anderen gepleegde aanslagen in Kenia.

Keer op keer worden wij eraan herinnerd hoe kwetsbaar een open samenleving is, maar ook hoe waardevol. Onze waarden en verworvenheden op het vlak van vrijheid, mensenrechten en democratie zijn een groot goed. Deze zijn voor de CDA-fractie een speerpunt van buitenlands beleid. Enerzijds zullen wij onze manier van samenleven moeten beschermen tegen degenen die, desnoods met terreur, onze maatschappij willen ontwrichten. Anderzijds is er de uitdaging om met gericht buitenlands- en ontwikkelingsbeleid een betere toekomst in zicht te brengen in landen waar vrijheden en kansen nog ver weg zijn.

Het beschermen van onze samenleving is meer dan een zaak van nationale aanpak. Een effectieve aanpak van het wereldwijde terrorisme vereist een internationale agenda die veel verder reikt dan alleen afspraken over controles. Deze agenda zal blijvend veel vergen van ons buitenlands beleid. Dat beleid vraagt onder andere om opsporing van terroristen via structurele samenwerking van alle inlichtingendiensten en opsporingsorganen, juist ook over onze grenzen heen. Om dit te kunnen bereiken, is een naadloze internationale aanpak essentieel. Op dit vlak stemmen de ontwikkelingen van het afgelopen jaar hoopvol. Vroeger was Rusland een bedreigend land, maar het heeft zich, niet alleen in woorden maar ook in daden, gecommitteerd aan de internationale veiligheidsuitdaging. De uitbreiding van de NAVO biedt extra kansen. Waar door sommigen werd gevreesd, en van tevoren vaak werd verondersteld, dat de regering-Bush een eenzijdig unilaterale koers zou kiezen, hebben de Verenigde Staten inmiddels duidelijk hun commitment aan een internationale benadering onderstreept.

De dreiging van internationale terreur onderstreept ook de noodzaak van een hechte samenwerking tussen Europa en de VS. Natuurlijk hebben wij veel verschillen, maar juist nu zullen wij elkaar moeten vinden. Wij delen de waarden van culturele openheid en geestelijke vrijheid. Namens de CDA-fractie onderschrijf ik dan ook de lijn van de regering ten aanzien van de VS: bondgenootschappelijk in de kern, vriendschappelijk alleen al uit oogpunt van de historie, maar op inhoud openhartig en kritisch waar nodig.

Als je een duidelijke gesprekspartner en counterpart van de VS wilt zijn, dien je in Europa wel je zaken op orde te hebben. Ik heb het laatste jaar bepaald een nare smaak in mijn mond overgehouden aan het gebrek aan Europese eenheid. Ik doel nu met name op de manier waarop iemand als kanselier Schröder, zonder moeite te doen voor Europese overeenstemming, bijvoorbeeld over het dossier-Irak, "der Deutsche Weg" lanceerde. Dit getuigde van een electoraal opportunisme dat je van de visie en standvastigheid van een Europees leidsman niet zou mogen verwachten. Wij konden overigens constateren dat de kanselier de dag na zijn herverkiezing de Duitse weg inruilde voor Downing Street. Aan de geloofwaardigheid van Duitsland en van de Europese Unie als geheel is niettemin afbreuk gedaan, helaas. Maar goed, Duitsland is niet de hele wereld en in het algemeen verloopt de internationale samenwerking in de strijd tegen onveiligheid en terrorisme goed. Een aantal zaken is voortvarend opgepakt. Ik denk aan controle en opsporing, uitwisseling van informatie, intelligence en infiltratie. Ook het gezamenlijk ingrijpen krijgt met de oprichting van de NAVO Responce Force een extra impuls, zou dat nodig blijken. Op andere vlaken dient er nog veel te gebeuren. Ik denk bijvoorbeeld aan het daadwerkelijk voorkomen van het witwassen van aan terrorisme gekoppeld geld.

Als je andere landen aanspreekt op hun verantwoordelijkheid bij de bestrijding van terrorisme, is het uiteraard ook zaak dat we in ons eigen land de zaken goed op orde hebben. De CDA-fractie verwelkomt in dit verband de instelling van een coördinerende onderraad voor veiligheidszaken; dit is in lijn met de wensen van de CDA fractie. Dit moet leiden tot een integrale aanpak van terrorisme, zowel nationaal als internationaal.

Op een ander vlak hebben we nog veel te doen, ook als Nederland. Ik doel op een Europese consistente aanpak van fundamentalistische en terroristische organisaties. Nederland heeft te lang afhoudend en afwachtend gedaan. Vergeleken bij landen als Duitsland, Frankrijk, Engeland en Spanje heeft Nederland een terughoudend beleid gevoerd als het gaat om het effectief verbieden van terroristische organisaties. Die landen werken wel met duidelijke verboden en met lijsten van verboden terroristische organisaties. Ons land heeft echter nooit tot het verbieden van bepaalde terroristische organisaties en van het lidmaatschap ervan over willen gaan. Dit is een ernstig minpunt. Het Wetboek van strafrecht is dan wel toereikend voor het aanpakken van terroristische activiteiten as such, maar als het gaat om de aanloopfase en de ondersteuning daarvan kunnen we te weinig. Bovendien dringt zich daarmee ook nog een beeld op van Nederland dat een softe benadering heeft, hetgeen een aanzuigende werking in de hand kan werken. Organisaties kunnen zich nu vrij in Nederland vestigen en onder het mom van bijvoorbeeld liefdadigheid ondergrondse activiteiten voorbereiden en uitvoeren. Wij moeten weg van het beeld van een ruime aanwezigheid in ons land van organisaties die een rol spelen in de financiering van terroristische netwerken of zelfs in de rekrutering en opleiding. Het komt nu voor dat organisaties in bijvoorbeeld de VS of in Duitsland vervolgd worden of verboden zijn terwijl de Nederlandse tak van deze organisaties hun activiteiten zonder meer voortzet. Het lijkt mij moeilijk verteerbaar dat wij in ons land potentiële terroristen weinig in de weg leggen, hun organisaties toelaten of gedogen en tegelijkertijd Den Haag uitdragen als de hoofdstad van het internationaal recht.

De heer Palm (LPF):

Is het aan regeringen om een organisatie of een vereniging te verbieden? Ik heb altijd begrepen dat het uiteindelijk aan een rechter is om dat al of niet te doen. Ik wil hier overigens niet mee aangeven dat ik tegen het idee van de heer Eurlings ben.

De heer Eurlings (CDA):

Een land kan organisaties verbieden op basis van criteria. De LPF heeft dat middels de toenmalige fractievoorzitter Wijnschenk tot uitdrukking willen brengen in de motie-Verhagen/Zalm/Wijnschenk die werd ingediend bij de algemene politieke beschouwingen. Ik kom zo terug op die motie. Wij hebben deze toen aangehouden, maar ik denk dat zij aan geldingskracht en aan belang helemaal niets heeft verloren sinds dat moment, integendeel.

De heer Koenders (PvdA):

De heer Eurlings heeft hier en ook in de media grootse initiatieven aangekondigd. Hij creëert daarbij zelf het beeld dat Nederland "soft on terrorism" is. Dat vind ik gevaarlijk. Hij weet net zo goed als ik dat Nederland goed samenwerkt met de Europese landen waar het gaat om het aanpakken van terrorisme en van de financiering hiervan. Hij weet net zo goed als ik dat een groot risico van een verbod is dat mensen ondergronds gaan. Bovendien is een verbod juridisch vaak moeilijk. Het heeft niets te maken met "soft on terrorism" zijn. De heer Eurlings heeft ook nog eens verwarring geschapen tussen een organisatie in Antwerpen en terroristische organisaties. Ik daag hem uit om nu eens duidelijk te maken waaruit niet alleen het beeld, maar ook de realiteit bestaat dat Nederland "soft on terrorism" is. Wij zijn allemaal tegen terrorisme. De heer Eurlings doet net alsof hij met een groot initiatief komt. Dit initiatief is echter niet werkbaar. Bovendien hoort het eigenlijk besproken te worden met minister Donner en of de minister van BZK.

De heer Eurlings (CDA):

Mijnheer Koenders, als er onduidelijkheid is ontstaan, ligt dat eerder aan u dan aan mij. De CDA-fractie volgt op dit punt al jarenlang een heel erg duidelijke lijn. Wij vinden namelijk dat wij, net als veel andere Europese landen, bepaalde organisaties en het lidmaatschap daarvan moeten verbieden. Dat betekent een aanscherping van het beleid. Ik wil de dingen die de minister van Justitie op dit terrein doet helemaal niet bagatelliseren, maar wij willen meer. Wij willen voorkomen dat zich hier organisaties vestigen die onder het mom van bijvoorbeeld liefdadigheid ondergronds allemaal verkeerde activiteiten ontplooien. De heer Koenders moet mij eens uiteggen – ik kan dit niet goed – waarom in deze tijd van internationale onveiligheid en een internationale aanpak, in het buitenland bepaalde organisaties zijn verboden, terwijl de counterparts en Nederland dat niet zijn. Dat is geen voorbeeld van een internationaal consistente aanpak. Het is bekend dat de heer Koenders hier niet voor is; zijn regering heeft destijds de totstandkoming van een Europese lijst niet altijd even enthousiast bejegend. Zeker zijn fractie was niet enthousiast; die consistentie geef ik hem na.

De heer Koenders (PvdA):

Dit is echt flauwekul; de heer Eurlings doet net of mijn fractie niet keihard de strijd tegen het terrorisme wil voeren. Hij moet uitleggen waarom, in het licht van de Nederlandse rechtspraktijk en de keiharde aanpak van de financiering van terrorisme, verbodsbepalingen nodig zijn. Minister Donner heeft terecht aangegeven dat als je het niet doet op basis van strafrechtelijke bepalingen maar van verbodsbepalingen, mensen ondergronds zullen gaan. Zij blijven dan gewoon lid van deze organisaties of deze veranderen hun naam, zodat er slechts een schijnveiligheid wordt gecreëerd. Verder neem ik hem kwalijk dat hij organisaties, zoals die in Antwerpen – waarop overigens veel valt aan te merken – op een lijn stelt met terroristische organisaties. Dit verziekt het debat en leidt niet tot grotere veiligheid maar creëert slechts een illusie.

De voorzitter:

U herhaalt zich.

De heer Eurlings (CDA):

Ik vind dit een bepaald smakeloze opmerking, die de heer Koenders nu voor de tweede keer maakt. Ik heb geen zaken door elkaar gehaald, dat doet de heer Koenders zelf. Ik heb hem dat zojuist voor de camera van het NOS-journaal horen doen, terwijl hij mij daarvoor – hij stond naast mij – duidelijk het verschil tussen die twee dingen heeft horen benadrukken. Het is bepaald smakeloos om dit mij in de schoenen te schuiven. Ik maak een duidelijk verschil. Op de Arabisch-Europese Liga kom ik dadelijk nadrukkelijk terug, in lijn met zoals ik dat de laatste weken consistent heb gedaan.

Ik kom bij de vraag van de heer Koenders, die hij wel degelijk heeft gesteld. Ik vind het niet te verklaren dat wij enerzijds de financiering van bepaalde organisatie afknijpen en zeggen dat die geen cent, geen druppel meer mogen krijgen, maar dat wij ze anderzijds gewoon laten voorbestaan. Het zou veel consistenter zijn om die organisaties op de Europese lijst gewoon in Nederland te verbieden door die lijst declaratoir te verklaren. De mogelijkheid dat organisaties ondergronds gaan, is een argument; ik ben de eerste om dat toe te geven. Ik vind het echter geen doorslaggevend argument. Ten eerste zie je nu al dat bepaalde organisaties die bijvoorbeeld als liefdadigheidsorganisatie staan geregistreerd, ondergrond van alles en nog wat doen wat zij heel goed camoufleren. Zij zullen dat niet in het openbaar doen; de ervaring van de recente jaren is dat wij daar nauwelijks achterkomen. Iedere keer duikt er weer een organisatie op waarvan wij dingen ontdekken. In feite is het dus nu al ondergronds. Ten tweede heeft men in landen als Frankrijk, Engeland, Duitsland en Spanje diezelfde afweging moeten maken: gaat men niet ondergronds als wij verbieden? Desondanks heeft men in die landen op basis van vastgestelde criteria de mogelijkheid gecreëerd om organisaties te verbieden. Ik vraag niets meer of minder dan dat wij in Nederland gaan proberen om er op eenzelfde soort manier mee om te gaan. Wij pleiten daar al jaren voor.

De heer De Graaf (D66):

Ik vind dit een heel terechte discussie. De heer Eurlings noemt een aantal landen waar het zo is geregeld, maar er zijn andere Europese landen waar dat niet zo is. Volgens mij zijn dat er evenveel. Per lidstaat wordt er dus een praktische afweging gemaakt. Nederland kan al iemand die deelneemt aan een misdadige organisatie, waaronder terroristische organisaties, op die grond veroordelen op basis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Niet helemaal ten onrechte heeft de heer Eurlings gezegd dat organisaties onder het mom van liefdadigheid allerlei ondergrondse activiteiten verrichten. Is het niet waarschijnlijk dat als je organisaties als de ETA in Nederland verbiedt, die gewoon een katvangerstichting oprichten en onder het mom van liefdadigheid activiteiten gaan verrichten? Kortom, pleit de heer Eurlings niet voor symboolwetgeving, die in de praktijk niets oplost?

De heer Eurlings (CDA):

Ik begrijp het punt van de heer De Graaf; het is een terechte vraag. Ik denk echter niet dat het symboolwetgeving is. In dat geval zou de hele Europese Unie zichzelf niet serieus. Het is waar, een organisatie kan van kleur verschieten en van naam veranderen. Desondanks heeft Europa het zinnig gevonden, een duidelijke Europese lijst op te stellen en zo organisaties onder andere financiën te onthouden. Dat betekent dat de Europese Unie en daarbinnen niet de minste landen hebben gezegd: wij vinden de voordelen van duidelijk verbieden opwegen tegen mogelijke nadelen. Dat is een duidelijk politieke keus, die de CDA-fractie ook maakt, niet in het laatst omdat je moet streven naar één internationale aanpak bij een internationaal probleem als onveiligheid. Behalve het beeld dat wij organisaties nu in de kiem niet voldoende kunnen aanpakken, is er ook het beeld dat zich een maand of twee geleden erg opdrong rond de arrestatie van Al Qaedaverdachten in Eindhoven. Wij moeten ons daarvoor wachten. Zogenaamde netwerkkenners zeiden voor de televisie dat Nederland onder andere door dit soort dingen wel erg de naam op zich heeft geladen dat men zich hier vrij kan vestigen, om zijn activiteiten op te bouwen. In je uitstraling en in de concrete aanpak aan het begin van het traject moet je meer willen dan wij op dit moment kunnen.

De heer De Graaf (D66):

Wij moeten oppassen dat de dingen niet door elkaar worden gehaald. Mocht u kritiek hebben omdat er in Nederland te veel van die cellen zijn, dan moeten wij ons misschien richten tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Hebben zij wel voldoende in de gaten wat er gebeurt? Treden zij op tijd op?

Mij ging het om de praktische vraag wat de meerwaarde is. Als wij de enige in Europa waren die al die organisaties niet verbieden kon ik de argumenten van de heer Eurlings volgen. Behoorlijk wat landen maken echter dezelfde afweging als wij en als minister Donner. De suggestie dat wij een beetje de softe of gekke henkie van Europa zijn past niet helemaal. Wat is nu de praktische meerwaarde?

De heer Eurlings (CDA):

Ik vind dat het wel enigszins lijkt te passen. Het merendeel van de landen heeft een andere benadering. Ook de Europese Unie gaat nu uit van de lijstbenadering. Een concrete verbetering met de benadering van een duidelijk verbod is dat je niet alleen, zoals nu, een concrete terroristische activiteit in uitvoering of in voorbereiding kunt aanpakken, met de mensen die met het opzetten van die activiteit bezig zijn, maar dat je al in een eerder stadium een hele organisatie, waarvan je de doelstellingen als niet kies beschouwt, gerelateerd met het terrorisme of wat dies meer zij, kunt ontmantelen. Ik vind dat belangrijk.

Nu dringt zich het beeld op dat je redelijk aan de achterkant van het proces zit. Een beeld dat zich ook opdringt is dat organisaties in het buitenland worden verboden. De laatste weken hebben via het ANP en de media verschillende voorbeelden de revue gepasseerd. In het buitenland zijn zij verboden, maar in Nederland zijn er vestigingen met dezelfde doelstellingen, dezelfde opzet en ongeveer dezelfde organisatiestructuur. Dat beeld verhoudt zich moeizaam met de internationale uitdaging van bestrijding van onveiligheid en terrorisme. Ik vind dat Nederland die stap moet zetten. Wij pleiten er al jarenlang voor, ook bij de laatste algemene politieke beschouwingen. Wij moeten ons aansluiten bij de grote landen in Europa.

De collega's De Graaf en Koenders meld ik dat ik indien nodig in dit debat de tijdens de algemene politieke beschouwingen aangehouden motie van Maxime Verhagen, mede ondertekend door de heren Zalm en Wijnschenk, alsnog ter beoordeling aan de Kamer zal voorleggen. In die motie gaat het om het declaratoir verklaren van de EU-lijst, waardoor niet alleen de financiering van al die organisaties wordt afgeknepen, maar ook dat die organisaties gewoon worden verboden als wij vinden dat zij geen euro meer mogen ontvangen. Anders ben je toch halfslachtig bezig.

Ik zou mij willen richten tot collega Koenders met een nieuw punt. Ik vraag concreet aandacht voor de Arabisch-Europese Liga. Ik heb op 16 november jl. bij de regeling van werkzaamheden aandacht voor deze organisatie gevraagd. In Antwerpen en Brussel predikt de AEL onder leiding van Abou Jahjah, een voormalig medewerker/strijder van Hezbollah, haat jegens Israël en de Verenigde Staten. Ik citeer leuzen als "bewapen de tegenstanders van Amerika", "11 september is een herdenkingsdag voor de vele gevallenen van de VS en Israël" en "Israël heeft als staat op deze manier geen bestaansrecht". Justitie in België doet op dit moment onderzoek of het mogelijk is de organisatie verboden te verklaren. Nu heeft de AEL aangekondigd in februari 2003 naar Amsterdam en Rotterdam te willen komen. Juist om te voorkomen dat wij in Belgische situaties belanden, van incident naar incident gaan rennen en achter de feiten aanlopen, zouden wij nu over de schouder van de Belgen mee moeten kijken. Wij zouden antwoord moeten krijgen op de vraag over wat voor een organisatie het gaat.

Is het een toevallig gevormd groepje studenten dat zichzelf fanatiek op de kaart zet, zoals sommige mensen ons willen doen geloven via de media? Of zit er veel meer achter? Zijn er links met foute organisaties? Wordt er gefinancierd vanuit het Midden-Oosten? Wat zijn de echte doelstellingen? Er is heel veel voor te zeggen dat deze analyse snel plaatsvindt en dat wij in Nederland profiteren van de ervaringen die men in België opdoet. Daar loopt men noodgedwongen achter de feiten aan. Wij hebben de rust om op een niet populistische manier maar op een inhoudelijke manier – lacht u maar, mijnheer Koenders! – deze dingen de revue te laten passeren. Als hier dadelijk incidenten plaatsvinden weet ik precies hoe het gaat. Dan is het huis te klein. Dan vindt iedereen het verschrikkelijk. Nu kunnen wij die organisatie op de keper beschouwen. Ik dring erop aan dat de Nederlandse regering dit onderzoek in samenwerking met de Belgen zal opstarten c.q. zal volgen. Ik vraag de regering bovendien of ik uit de uitspraken die de heer Nawijn vanavond gedaan heeft in het programma Stem van Nederland, kan afleiden dat dit onderzoek inmiddels is opgestart door de regering.

De heer De Graaf (D66):

Met de heer Nawijn hebben wij zo onze ervaringen. Het is niet helemaal duidelijk in welke hoedanigheid hij spreekt, maar dat horen wij morgen graag van de regering.

Het onderzoek dat u wilt, mijnheer Eurlings, is natuurlijk niet waardevrij. U heeft in de aanloop tot uw voorstel ook gezegd dat het onderzoek gericht is op een mogelijk verbod. Zie ik dat goed?

De heer Eurlings (CDA):

Ik heb gezegd dat wij nú moeten onderzoeken – en niet pas als zij hier al zitten – hoe die organisatie in elkaar zit. Zijn er bepaalde linken, hoe wordt zij gefinancierd, heeft zij andere doelstellingen of niet? Op die vragen moet een antwoord komen. Het is een moeilijk onderzoek maar het moet wel zo snel mogelijk gebeuren. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek kan worden vastgesteld of het gaat om een organisatie die alleen gebruikmaakt van het recht op vrijheid van meningsuiting, of dat het een dusdanig foute club is dat die hier echt niet thuishoort. Als wij die afweging willen maken en de mogelijkheid willen hebben om een en ander op inhoudelijke gronden te beoordelen, moet u wel met mij meegaan in de principe-uitspraak dat bepaalde organisaties verboden moeten kunnen worden. Of dat voor de AEL geldt, hangt louter en alleen af van de uitkomsten van het onderzoek dat thans in België wordt uitgevoerd en van de inzichten die Nederland op dat vlak krijgt.

De heer De Graaf (D66):

Wat ik denk en zeg, bepaal ik gelukkig nog zelf. Ik had een vraag aan u, namelijk welk criterium u belangrijk vindt om het tot een verbod te laten komen. Heeft dat te maken met de financiering of met het fout zijn van de organisatie en wat is dat dan precies? Als er alleen dingen worden geroepen, vindt u dat geen verbod waard? Begrijp ik dat goed?

De heer Eurlings (CDA):

Ik ga hier niets roepen, ik wil alleen een duidelijk antwoord op de vragen die de Belgische minister-president, de minister van Binnenlandse Zaken en het ministerie van Justitie stellen. Dat zijn vragen met een duidelijke angel. Er wordt soms geopperd dat er van alles en nog wat aan de hand zou kunnen zijn. Ik weet niet of dat zo is, ik vind alleen dat die zaken zo snel als mogelijk duidelijk moeten worden en dat Nederland ook zijn best moet doen om die dingen boven tafel te krijgen, als het kan vóór februari, want anders lopen wij achter de feiten aan. Dat is mijn oproep. Hoe wij met de AEL willen omgaan, zal voor een groot deel afhangen van de uitkomsten van dat onderzoek. Ik vind het onverstandig, nu daarop inhoudelijk vooruit te lopen, simpelweg omdat ik het niet weet. Het onderzoek moet echter wel gedaan worden, wij moeten de problemen niet voor ons uit schuiven.

De heer De Graaf (D66):

U heeft weliswaar twee onderwerpen gescheiden, maar die zijn in de publiciteit wel bij elkaar gebracht en dat begrijp ik ook wel. Aan de ene kant gaat het om een verbod en aan de andere kant om een onderzoek naar een organisatie dat mogelijk op een verbod zal uitlopen. U bent er principieel voorstander van om bepaalde organisaties eventueel te verbieden, in tegenstelling wellicht tot anderen. Wanneer vindt u nu dat zo'n organisatie rijp zou zijn voor een verbod in Nederland? Wat moet er dan aan de hand zijn?

De heer Eurlings (CDA):

U heeft deze vraag al gesteld.

De heer De Graaf (D66):

U geeft geen antwoord, vandaar dat ik de vraag nogmaals stel.

De heer Eurlings (CDA):

Ik geef wél antwoord maar dat bevalt u misschien niet. U wilt nooit wat verbieden, mijnheer De Graaf, dat klopt, dat is een beetje de lijn van D66. Wij denken er anders over.

De heer De Graaf (D66):

Doet u nu niet zo agressief en beantwoordt normaal mijn vraag.

De heer Eurlings (CDA):

Al jaren verschillen wij hierover van mening, mijnheer De Graaf. Het is uw goed recht dat u niets wilt verbieden, maar wij wél en daarom willen wij een analyse van hoe die club in elkaar zit. Het kan meevallen. Volgens sommigen is het een studentenclubje dat zich een beetje fanatiek op de vloer zet en volgens anderen valt het helemaal niet mee, heeft het verbindingen met hele foute organisaties en heeft het hele verkeerde doelstellingen. Ik noemde reeds Hezbollah waar de heer Abou Jahjah vandaan schijnt te komen. Nu is de ene activiteit van Hezbollah niet de andere. Het is echter zaak dat dingen ontrafeld worden. Waar Nederland de grens trekt, hangt voor een belangrijk deel af van hetgeen wij hier met elkaar afspreken. Ik wil de regering oproepen, de organisaties vermeld op de Europese lijst van echt foute organisaties niet alleen van financiering te ontvreemden maar ook duidelijk te verbieden. Wij zullen de discussie moeten voeren over de vraag, waar Nederland de grens trekt. Ik geloof niet dat wij zo ver moeten gaan als Frankrijk. Daar verbiedt men organisaties die een heel groot risico vormen voor de openbare orde en de veiligheid. Ik weet niet welke organisaties dit zijn. De discussie hierover zouden wij evenwel moeten aangaan. Wat de Arabische Europese Liga betreft, moeten wij elkaar op de feiten aanspreken. Dat vergt een nadrukkelijk onderzoek en, in tegenstelling tot België, kunnen wij dit onderzoek laten doen voordat we in Amsterdam en Rotterdam gebroken ruiten hebben. Iets ergers dan gebroken ruiten kan ook nog: het aanzetten tot haat etc.

De heer Van Aartsen (VVD):

Voorzitter. Dit is een belangrijk debat en ik wil de gelegenheid aangrijpen om scherper in beeld te krijgen waarop de heer Eurlings doelt. Denkt hij voor het uitvoeren van het onderzoek waarover hij spreekt aan de AIVD? Ik neem aan dat dit hiervoor dé dienst zou zijn van de Nederlandse overheidsorganisatie. Deze dienst zou naar mijn mening dit type onderzoek moeten doen. Ik mag hopen dat de AIVD al veel langer aandacht besteedt aan de organisatie waarover de heer Eurlings spreekt. Ik neem dus aan dat de heer Eurlings vooral in die richting denkt, maar omdat ik dit zeker wil weten, vraag ik dit aan hem.

De heer Eurlings (CDA):

Het zou heel goed kunnen dat de AIVD dit onderzoek verricht. Deze dienst lijkt mij hiervoor een goed geëquipeerde instelling. Het is echter niet aan mij deze keus te doen. Ik stel de vraag aan de regering. Vanavond heeft de heer Nawijn op de televisie gezegd dat de regering al met een onderzoek is begonnen. Ik krijg daarover graag meer duidelijkheid. Nogmaals, het is niet aan mij om te beslissen wie het onderzoek zou moeten doen. Met de heer Van Aartsen zeg ik evenwel: de AIVD lijkt mij hiervoor zeer geëquipeerd. Mij gaat het overigens niet om de vraag wie het onderzoek doet, maar om de vraag of wij zo snel mogelijk duidelijkheid kunnen krijgen. Die is van belang bij het voorkomen van veel maatschappelijke onrust. Ook kan hiermee worden voorkomen dat de integratie die wij allen willen, geen gestalte krijgt. Het gaat mij om de mensen die oog voor elkaar hebben en die zich, als zij van een ander land hier komen, willen aanpassen. Ik wil voorkomen dat juist die mensen zich straks niet meer aanpassen en zich tegen elkaar afzetten. Dat is het laatste wat wij zouden moeten willen.

Mijnheer de voorzitter. Zoals ik aan het begin van mijn betoog al opmerkte, is er naast de uitdaging van het beschermen van onze vrije samenleving voor Buitenlandse Zaken ook een grote uitdaging in het bevorderen van vrijheid, het naleven van de mensenrechten en het gestalte geven van democratie voor mensen in andere delen van de wereld. Mijn collega Kathleen Ferrier zal hier dadelijk, sprekend over ontwikkelingssamenwerking, nadrukkelijk op ingaan. Ik wil een aantal aandachtspunten noemen op het terrein van Buitenlandse Zaken.

Er is blijvend aandacht nodig voor het Internationaal Strafhof, waarvoor ons land gastheer is. Wij verlenen onze volledige steun aan de VS bij het bestrijden van terrorisme. Het is dan niet meer dan fair dat wij de VS vragen hun verantwoordelijkheid te nemen op het gebied van internationaal recht. Zijn er op dit vlak nog ontwikkelingen te melden?

Er is ook blijvend aandacht nodig voor de leefomstandigheden en de vredeskansen van de mensen in het Midden-Oosten, in het bijzonder die in Israël en de Palestijnse gebieden. De inzet van de CDA-fractie is te komen tot een onafhankelijke, levensvatbare Palestijnse staat gecombineerd met garanties voor de Israëlische veiligheid. Van verschillende kanten wordt aangedrongen op meer druk op de regering-Sharon. Niet ten onrechte, maar een levensvatbare Palestijnse staat en een duurzame vrede in het Midden-Oosten zijn naar de mening van de CDA-fractie alleen mogelijk als zij de uitkomsten zijn van een overeenkomst tussen beide partijen. Dat vereist duidelijke en geloofwaardige garanties dat de huidige situatie waarin de laatste twee jaar heel veel Palestijnen het slachtoffer zijn geworden, maar waarin ook zo'n 700 onschuldige Israëlische burgers zijn vermoord, wordt beëindigd. Dat het bewind van president Arafat mede debet is aan deze situatie, blijkt nog eens duidelijk uit de recente rapportage van de Human Rights Watch. Hieruit blijkt dat Arafat veel te weinig onderneemt om terreur- en zelfmoordaanslagen te voorkomen. Ook Israël moet zeer kritisch worden aangesproken op de ongebreidelde nederzettingenpolitiek. Ik wil dit duidelijk naar voren brengen. De CDA-fractie staat voor een evenwichtige aanpak in het Midden-Oosten. Het is van zeer groot belang dat het kwartet VN, VS, EU en Rusland de handen ineen hebben geslagen voor het vinden van een oplossing en om te komen tot vrede. Dit gezamenlijk streven om via een Road Map binnen 3 jaar een definitieve oplossing te bereiken, verdient maximale steun.

Een schrijnende situatie die naar de mening van de CDA-fractie veel te weinig wordt belicht, is die in Zimbabwe. Tot aan het begin van de jaren negentig voerde de wereld terecht harde oppositie tegen het apartheidsbewind in Zuid-Afrika, maar nu realiseren we ons wellicht te weinig dat datgene wat onder het regime van Mugabe gebeurt, niets anders is dan een nieuwe vorm van apartheid, gericht tegen de blanke bewoners van het land en tegen de oppositiepartijen. Welke mogelijkheden ziet de minister om in internationaal verband de druk verder op te voeren? Ons bereiken berichten dat de voedselhulp voor Zimbabwe niet op de juiste plek aankomt, maar door het regime wordt onderschept en tegen woekerprijzen wordt verkocht. Er zou een bewuste strategie zijn om de aanhang van de oppositie te laten verhongeren. Kan de minister aangeven hoe op zo kort mogelijke termijn een eind aan deze situatie zal worden gemaakt?

Over Irak is zojuist het nodige gewisseld. Ik wil alleen nog zeggen dat de insteek van het CDA is en blijft: de druk zoveel mogelijk opvoeren om op die manier een vreedzame oplossing te bereiken. Dat lijkt een contradictio in terminis, maar is het niet. Wereldwijd moet worden toegezien op de naleving van mensenrechten. Organisaties als de Commissie voor de Mensenrechten van de VN spelen hierbij een belangrijke rol. Des te verbazender is het dat landen als Soedan, Algerije en, jawel, Zimbabwe lid van deze commissie zijn of zullen worden. Dat is toch weinig geloofwaardig. Op welke manier denkt de minister te bevorderen dat deze situatie zich niet meer kan voordoen?

Het verheugt de CDA-fractie zeer hoe de bewindspersonen van Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en trouwens ook van Europese Zaken in de korte tijd sinds hun aantreden tot doeltreffende samenwerking zijn gekomen. Een duidelijk resultaat hiervan is het Afrikabeleid. Goede samenwerking is echter geen vanzelfsprekendheid. In het recente verleden hebben wij ook het tegenovergestelde gezien. Zo was er, of leek er in elk geval, in de tijd van de ministers Van Mierlo en Pronk veeleer sprake van het opknippen van de wereld in twee parten. Synergiemogelijkheden tussen Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking kwamen hierdoor niet tot hun recht. De koers van de huidige bewindslieden spreekt mij toch wat meer aan. Naadloze samenwerking tussen Ontwikkelingssamenwerking, Buitenlandse Zaken, Defensie en de klassieke diplomatie is van groot belang. Het welslagen hiervan mag niet afhangen van toevalligheden als karakters en humeuren. Vandaar dat de CDA-fractie een groot voorstander is van een grotere coördinerende bevoegdheid voor de minister van Buitenlandse Zaken. Hij, of in de toekomst misschien ook een keer zij, kan dan beslissen welk instrument op welke wijze wordt ingezet om de wezenlijke beleidsdoelstellingen te halen.

Een van de terreinen waar een gecoördineerde aanpak tot beter resultaat moet leiden is dat van de opvang van vluchtelingen in de eigen regio. Als er sprake is van spanningshaarden, is de CDA-fractie van mening dat opvang en beoordeling van asielzoekers in de regio van herkomst het uitgangspunt moet zijn. Opvang in de eigen regio onder goede randvoorwaarden biedt vluchtelingen de noodzakelijke vrijheid. Het voorkomt een trektocht naar andere werelddelen en vermindert praktijken van mensensmokkel. Het biedt ook de meeste garanties dat, bij normalisering van de situatie, mensen naar hun eigen woonsituatie terug kunnen keren. In de actuele praktijk weigert een aantal landen om uitgeprocedeerden terug te nemen. In het Strategisch akkoord staat een passage dat landen die terugname weigeren niet meer in aanmerking komen voor ontwikkelingshulp. Is de regering bereid de daad bij het woord te voegen? Kan zij dus toezeggen dat de voor het komende voorjaar toegezegde notitie deze duidelijke aanpak zal bevatten?

Mevrouw Terpstra (VVD):

Moet na deze passage de conclusie niet luiden dat de CDA-fractie een kans heeft gemist, toen zij voor het Verdrag van Cotonou stemde. Het is bekend dat de VVD-fractie toen tegen heeft gestemd, omdat zij vond dat dit onvoldoende was geregeld. De heer Eurlings bepleit nu in feite hetzelfde.

De heer Eurlings (CDA):

Nee, mevrouw Terpstra haalt hier toch enkele zaken door elkaar. Wij willen hier heel gerichte maatregelen in de richting van enkele landen. Dat wil helemaal niet zeggen dat wij daarmee de ontwikkelingshulp willen tegenhouden. Het beste zou zijn om, door ermee te dreigen, dat regime tot verandering te brengen. Dat moeten wij bereiken en daarom is het tegenstemmen op bepaalde punten – mevrouw Terpstra noemt het Verdrag van Cotonou als voorbeeld – niet direct de beste weg. Ik leg het nu aan het kabinet voor; het staat duidelijk in het Strategisch akkoord vermeld. Als wij elkaar in deze benadering uit het Strategisch akkoord kunnen vinden, denk ik dat wij samen een stuk vooruit kunnen.

Mevrouw Terpstra (VVD):

Ik denk dat de intentie dezelfde is. De heer Eurlings heeft echter het instrument van de optimale druk weggegeven.

De heer Eurlings (CDA):

Dat ben ik niet met mevrouw Terpstra eens. Ik denk dat een land als Sierra Leone het heel vervelend zou vinden als de ontwikkelingsrelatie met Nederland zou wegvallen. Ik denk dat, als wij dat in Europa met een meer gelijke aanpak zouden oppakken, het signaal goed wordt begrepen en dat die landen wellicht bereid zijn om hun mensen terug te nemen. Daar gaat het om en niet om het beëindigen van een ontwikkelingsrelatie. Ik denk dat wij op die manier het meeste kunnen bereiken; vandaar dat ik dit punt hier naar voren breng.

Kan de regering ook aangeven of er met een gecoördineerd beleid mogelijkheden zijn om de druk te vergroten op die landen waarmee wij geen ontwikkelingsrelatie hebben?

De CDA-fractie is van mening dat de UNHCR een veel grotere rol kan spelen bij selectie en opvang in de regio. Voor het voorjaar 2003 is een nota aangekondigd. Wanneer zullen de eerste resultaten zichtbaar worden? Naast opvang in de regio biedt een gecoördineerde aanpak ook meer doeltreffende mogelijkheden voor het terugzenden van uitgeprocedeerde asielzoekers. Hiervan komt veel te weinig terecht. Ik noem het terugkeerproject van Afghanen door de Internationale organisatie voor migratie (IOM) als een triest voorbeeld. Van de ongeveer 25000 Afghanen die in Nederland verblijven hielp deze organisatie er dit jaar niet meer dan enkele tientallen bij hun terugkeer. Uiteindelijk blijkt er maar één daadwerkelijk teruggekeerd te zijn, en dat voor een periode van maar liefst zes maanden. Dit is niet goed genoeg, om het understatement van het jaar te gebruiken. Vindt de regering de aanpak van de Britten, die met de UNHCR samenwerken, succesvol en, zo ja, zou dat ook voor Nederland geen stap vooruit kunnen zijn? Bovendien hebben de Europese ministers van binnenlandse zaken ingestemd met een plan om Afghanen desnoods met dwang terug te zenden naar hun vaderland. Is de regering bereid, hiertoe over te gaan? Wij steunen trouwens de plannen van de UNHCR om het Vluchtelingenverdrag aan te vullen volgens het Conventie-plusconcept.

Een laatste voordeel dat ik nog wil noemen in het kader van de coördinatie is de financiering uit ODA-middelen van die vredesoperaties, die volgens de OESO/DAC-criteria als ODA-ble kunnen worden gekenschetst.

De heer Koenders (PvdA):

Ik kom terug bij de teruggekeerde Afghanen. U noemt enerzijds het punt van dwang en anderzijds heeft u het over de Engelse benadering. De Engelse benadering gaat echter juist uit van vrijwilligheid. Zij zeggen: u kunt terugkeren naar Engeland als dat nodig is. Juist dat element heeft voor een grote mate van succes gezorgd. Vindt u dat die benadering beter zou zijn?

De heer Eurlings (CDA):

Die benadering is altijd te prefereren, collega Koenders. Ik vraag de regering nadrukkelijk, neer te zetten hoe succesvol zij de Engelse aanpak vindt. Zet in op de UNHCR, welke benadering beter zou inwerken op een tripartiete aanpak. Echter, zoals in veel debatten is ook hier een stok achter de deur niet gek. Daarom wil ik de nieren van de regering proeven over de manier, waarop zij de overeenkomst die op Europees niveau is gesloten interpreteert en eventueel in een Nederlandse setting wil uitvoeren. Maar als de tripartiete benadering van UNHCR-Afghanistan-Nederland tot goede resultaten leidt, is dat natuurlijk een heel mooie aanpak, waarvoor we vol moeten gaan.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Volgens mij voldoen de OESO/DAC-criteria op dit moment niet. Stuurt u de bewindslieden van Buitenlandse Zaken daarom op pad met de opdracht, dat wel te bereiken? Dat zou een actieve houding zijn.

De heer Eurlings (CDA):

Wij willen in de toekomst veel aan vredesmissies gaan meewerken, zeker aan die vredesmissies die echt zijn gericht op het bieden van stabiliteit in een regio en het opbouwen daarvan. Als die missies als ontwikkelingswerk zijn te kwalificeren, is het goed als wij daarvoor extra inkomstenbronnen kunnen vinden. Op basis van die voorwaarde vind ik het goed als de regering beziet, of er meer mogelijkheden komen om de OESO/DAC-toetsing te verrichten. Dat is heel iets anders dan het vervuilen van ontwikkelingswerk. Als je een missie of een groot te onderscheiden deel daarvan als ODA-ble kunt kenschetsen, is het gewoon ontwikkelingswerk.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik denk dat u de dingen wat door elkaar haalt. Wij hebben het toch over de vredesmissies die uitzending van militairen betreffen? Als die militairen op pad worden gestuurd, hebben zij een heel duidelijk militair mandaat; zij gaan niet op pad als ontwikkelingswerkers. Klopt dat?

De heer Eurlings (CDA):

Dat ligt er maar helemaal aan. Als militairen daar geen militaire actie uitvoeren, maar werk dat volgens de OESO/DAC-criteria ontwikkelingswerk is – het opbouwen van een land, het opbouwen van structuren en het stabiliseren – kan dat een heel essentiële voorwaarde zijn voor de wederopbouw van een land. Dan kan het dus ontwikkelingswerk zijn dat in zijn uitwerking zeer effectief en efficiënt is. Die stap moeten wij zetten. Van een militair hebben wij misschien het oude beeld van een schietende soldaat, maar de moderne militair kan, na het wegvallen van het IJzeren Gordijn meer dan ooit tevoren, veel meer taken doen. Ik zou het heel goed vinden als wij ontdekken, welke mogelijkheden er zijn om die militairen nog veel meer in te zetten bij het ondersteunen van ontwikkelingswerk.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik wil helder krijgen waar het CDA voor staat. UNMEE, de missie waar het CDA tegen was, zou volgens uw definitie nu ODA-ble moeten zijn.

De heer Eurlings (CDA):

Dat is de vraag, dat weet ik niet. Het hangt er helemaal van af, of dat volgens de OESO/DAC-criteria ontwikkelingswerk is. Volgens mij was dat een missie om de vrede te handhaven. Ik vraag mij af of deze aan de OESO/DAC-criteria is getoetst. Dat lijkt mij niet. Je ziet dat bepaalde politiemissies als zodanig worden gekwalificeerd, maar voor de rest staat dat nog in de kinderschoenen. Dat moet nog goed en wel beginnen, maar dat is wel een stap die wij moeten zetten. Die wens komt van heel veel landen.

Als men kan kiezen en zegt dat Nederland iets kan doen, komt het niet zelden voor dat een land zeker zoveel heeft aan een duidelijke inspanning om de boel stabiel te krijgen en om de structuur van een land met civiel-technisch werk weer op te bouwen als aan ontwikkelingswerk zoals wij gewend waren.

Ik denk dat wij die stap moeten zetten, maar dat kan alleen als het werk van de militairen volgens de internationale criteria als ontwikkelingswerk kan worden gekenschetst. Dat is de grens die de CDA-fractie trekt. Als wij die grens niet zouden trekken, zou het ontwikkelingsgeld worden vervuild. Daar hebben wij ons altijd tegen verzet en daar blijven wij zeer consistent in.

De heer Koenders (PvdA):

De CDA-fractie probeert nu van twee walletjes te eten, omdat zij een bezuinigingspost op ontwikkelingssamenwerking zoekt. Natuurlijk kunnen vredesoperaties voor stabiliteit en ontwikkeling werken, maar dat geldt ook voor internationale handel, en ik kan nog wel tien andere dingen noemen. De heer Eurlings zoekt naar een mogelijkheid om dit onder de ODA te brengen. Nederland moet daarvoor op pad. Het is geen makkelijke taak om straks verder op ontwikkelingssamenwerking te bezuinigen. Het punt is dat hij eerlijk moet zeggen waar het om gaat.

De heer Eurlings (CDA):

Nee, mijnheer Koenders, dat is allemaal leuk geprobeerd. Wij proberen in de toekomst meer ruimte te geven voor dit type missies, die echt als ontwikkelingswerk gekenschetst worden.

De heer Koenders (PvdA):

Ik ook.

De heer Eurlings (CDA):

Ja, u ook, maar u geeft het geld er niet voor. Dan is het veel te gemakkelijk om te roepen: ik ook. Als u dat echt vindt, moet u met ons die discussie aangaan. Als de internationale organisaties die erover gaan, zeggen dat dit geen militaire actie is, maar ontwikkelingswerk, snap ik niet waarom wij niet de discussie kunnen voeren of wij daarvoor een gedeelte van ons ontwikkelingsgeld kunnen inzetten.

De uitdaging van de waardengemeenschap, zowel in binnen- als in buitenland, liep als een rode draad door mijn inbreng. Deze uitdaging geldt ook voor de EU. De Unie dient gebaseerd te zijn op joods-christelijke tradities en humanistische waarden. Dat wil niet zeggen dat wij niet openstaan voor niet-christelijke landen, maar deze landen zullen wel inhoudelijk gereed moeten zijn om zich bij de Unie aan te sluiten. Bij Turkije is dit nog niet het geval. Essentiële randvoorwaarden op het vlak van democratie, mensenrechten en de positie van het leger, moeten nog worden ingevuld. Dat maakt het niet opportuun om een datum te noemen om de onderhandelingen te beginnen.

Ik wil nu, laat, maar niet te laat, het stokje overdragen aan mijn collega Kathleen Ferrier, die nader zal ingaan op het dossier ontwikkelingssamenwerking.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Ferrier, die haar maidenspeech zal houden.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Mijnheer de voorzitter. Zo'n twintig jaar geleden ging ik mijn eerste langdurige werkrelatie aan. Dat werk was vrijwilligerswerk. Het was ontwikkelingswerk en het land waar ik dat werk deed, was Chili. Chili was in de jaren tachtig een militaire dictatuur, waar angst het leven in alle facetten bepaalde en waar het recht van de sterkste en de macht van de wapens het laatste woord leken te hebben. Het volk had geen stem en van volksvertegenwoordiging was uiteraard geen sprake. Mijn werk in de volkswijken van Santiago was opgezet vanuit beleid dat erop was gericht om mensen, waar nodig en gewenst, te ondersteunen in hun streven, hun kwetsbaarheid te verminderen en hun menselijke waardigheid te behouden of te hervinden.

Het is voor mij dan ook heel bijzonder, hier vandaag als volksvertegenwoordiger te staan en de begroting van Ontwikkelingssamenwerking aan de orde te stellen. "Betrokken en betrouwbaar" zijn de kernwoorden uit het CDA-verkiezingsprogramma voor de periode 2002 tot 2006, ook als het gaat om internationale samenwerking. Bij deze betrokkenheid gaat het niet primair om economische belangen, maar om het welzijn van mensen, wereldwijd.

In dit land van de koopman en de dominee heb ik soms het gevoel dat de koopman steeds meer te zeggen krijgt en de economische dimensie centraal staat. Het is mijn inzet om de komende jaren het verdelingsvraagstuk in onze wereld een prominentere plaats te geven op de politieke agenda. Betrouwbaar, daar gaat het om in ontwikkelingssamenwerking. Verantwoordelijkheid nemen en je woord houden. 0,8% van het bruto nationaal product is de minimale budgettaire inzet en dat moet zo blijven. In een wereld waarin de economische perspectieven internationaal, maar zeker ook nationaal, zorgwekkend zijn, houden wij die 0,8% hoog als helder signaal van betrokkenheid en betrouwbaarheid.

Ontwikkelingssamenwerking is geen taak voor overheden alleen, want duurzame armoedebestrijding heeft slechts kans van slagen als alle geledingen van de maatschappij aan bod kunnen komen en kansen krijgen. De informele sector en particuliere organisaties spelen daarbij een cruciale rol. Het maatschappelijk middenveld, gevormd door onder meer medefinancieringsorganisaties, niet-gouvernementele organisaties en maatschappelijke organisaties beschikken vaak over de netwerken die de basiskrachten in ontwikkelingslanden kunnen aanspreken: jongeren, vrouwen, boeren. Ook deze organisaties moeten resultaatgericht, effectief en doelmatig te werk gaan. Zij kunnen bovendien het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking als geen ander verbreden en verdiepen.

Mijn fractie onderstreept het belang van het nieuwe subsidiesysteem dat per 1 januari 2003 van start gaat. Vooral het faciliteren van gespecialiseerde organisaties, de thematische medefinanciering en de regeling voor particuliere initiatieven achten wij van groot belang in een beleid dat effectief wil bijdragen aan structurele armoedevermindering. Op deze wijze kan er specifieke aandacht komen voor groepen die niet of nauwelijks in beeld zijn geweest bij de ontwikkelingssamenwerking. Zodoende kan specifieke aandacht voor gehandicapten een breed emanciperend effect hebben. De CDA-fractie hoopt bovendien van harte dat er middels dit nieuwe subsidiesysteem eindelijk structurele aandacht en ondersteuning kan komen voor de migranten in onze samenleving hier. Zij kunnen door hun eigen brede samenwerkingsverbanden een effectieve, maar meestal ongeziene en miskende bijdrage leveren aan zowel de lokale armoedevermindering in tal van landen als aan het vergroten van deskundigheid op het gebied van de internationale samenwerking hier in Nederland. Graag hoort mijn fractie van de staatssecretaris hoe zij de inbreng van migrantengemeenschappen in ons land op deze terreinen ziet en welke stappen zij denkt te kunnen zetten om die te optimaliseren.

De CDA-fractie is bezorgd over de druk op landen waar honger heerst om transgene voedselhulp te accepteren. Donorlanden moeten het recht hebben, genetisch gemodificeerd voedsel te weigeren. De CDA-fractie verzoekt de regering, dit standpunt internationaal uit te dragen en zich in te zetten voor duidelijke etikettering van alle noodhulp.

Het bedrijfsleven meer betrekken bij ontwikkelingssamenwerking is iets wat vanuit de CDA-fractie al lang bepleit wordt: maatschappelijk verantwoord ondernemen met als doel het creëren van werkgelegenheid. Bij structurele armoedebestrijding en het stimuleren van het zelf ontwikkelend vermogen van mensen – daar gaat het om en Prins Claus heeft ons dat altijd voorgehouden – speelt het hebben van werk een grote rol. De kernvraag is hoe een verantwoord beleid gevoerd kan worden dat stimulerend is voor zowel lokaal ondernemerschap als voor investeringen in het buitenland. De CDA-fractie bepleit op dit punt een veel systematischer overleg tussen overheid, bedrijfsleven en ngo's, waarbij het ook zou moeten gaan om te komen tot meer partnership. Van de overheid vragen wij in Europees en WTO-verband, nog actiever te wedijveren voor het wegnemen van belemmerende factoren voor vrije wereldhandel.

Deze staatssecretaris zet het landenbeleid van de vorige bewindsvrouwe voort. Hoewel de CDA-fractie daar begrip voor heeft, plaatsen wij toch enkele vraagtekens. Ik noem als eerste good governance. Good governance is voor het CDA niet uitsluitend voorwaarde, maar ook doel. Op welke manier wordt, als een land het examen voor good governance gehaald heeft, gekeken in hoeverre het niveau van good governance op peil blijft, zonder daarbij te vervallen in complexe controlemechanismen? Hoe denkt de staatssecretaris over het werken met een memorandum of understanding waarin voorwaarden betreffende good governance gesteld worden?

Ik wil in dit kader vooral de mensenrechten noemen. Het waarborgen van mensenrechten is voor mijn fractie een zaak van het grootste belang. Wij bepleiten dan ook het daadkrachtiger inzetten van VN-mensenrechtenrapporteurs. In het specifieke geval van Indonesië is daar naar onze mening tot nu toe veel te huiverig mee omgegaan. Wij vinden dat de regering zich actiever moet inzetten voor verbetering van de situatie op de Molukken.

De CDA-fractie onderstreept het belang van een regionale aanpak, omdat nationale problemen vaak voortkomen uit een regionaal conflict, zoals bijvoorbeeld in het Grote Merengebied. Ik heb daar schriftelijke vragen over gesteld, want van maatschappelijk verantwoord ondernemen door West-Europese en helaas ook Nederlandse bedrijven is in die regio geen sprake. De CDA-fractie vraagt de staatssecre taris om te komen met een beleidsvoorstel voor ondernemen in conflictgebieden in het kader van duurzame en rechtvaardige economische ontwikkeling.

In de begroting ligt een duidelijk accent op Afrika. Wij hebben daar veel sympathie voor, maar hoe denkt de staatssecretaris in een breder verband over beleid ten aanzien van de minst ontwikkelde landen? Ik bedoel hier landen die niet scoren voor PRSP. Wat voor rol spelen deze landen in het OS-beleid en wat onderneemt de regering om ook daar de stemmen te horen van jongeren, boeren en vrouwen? Deze focus op één continent mag niet betekenen dat andere continenten nauwelijks of geen rol in het beleid meer spelen.

De grote afwezige in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is Latijns-Amerika. Dat lijkt ons geen goede zaak, want het gaat niet goed in Latijns-Amerika. Wij moeten ons schamen over foto's van kinderen die de hongerdood dreigen te sterven in Argentinië. Argentinië is in een economische vrije val geraakt. De meeste Andeslanden hebben een aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft, dat de laatste jaren enorm gestegen is. In Colombia is de burgeroorlog weer in alle hevigheid losgebarsten. Deze Colombiaanse problematiek staat in nauwe relatie tot de problematiek van het hele Caribisch gebied en de Nederlandse Antillen. Ik noem de drugsmaffia. Aids is in het hele continent, maar zeker in Brazilië, een tijdbom waarbij het moment van een verwoestende ontploffing in een rap tempo wordt genaderd. De fractie van het CDA vraagt de staatssecretaris om op korte termijn te komen met een voorstel voor een beleid ten aanzien van Latijns-Amerika, waarin economische, maatschappelijke, sociale en culturele aspecten in hun samenhang centraal staan.

Nu wij het toch over de grote afwezige in het beleid hebben, kan ik het niet nalaten om Suriname te noemen. De al jaren gehoorde klacht hier is dat men van de zijde van de Surinaamse regering niet met plannen komt. Ik vind dat te gemakkelijk. De fractie van het CDA wil meer inzicht krijgen in wat naar het oordeel van de bewindslieden de reden is dat de Surinaamse regering niet met eigen plannen voor structurele ontwikkelingsprojecten komt en wat daar dan eventueel aan te doen zou zijn. Ondanks dat er in het verleden een en ander is misgegaan, bestaat er een speciale historische band tussen beide landen. Ook zou de CDA-fractie geïnformeerd willen worden over de beschikbaarstelling van informatie in het kader van de decembermoorden – nu exact twintig jaar geleden – aan de justitiële autoriteiten in Suriname.

Volgens sommigen is ontwikkelingssamenwerking uit en is globalisering in. Globalisering kent veel aspecten, positieve en negatieve. En ook al is onze wereld een dorp geworden, het is evengoed triest om te zien dat het overgrote deel van het dorp onder de armoedegrens leeft en dat het kleine, welvarende deel van dat dorp zich steeds meer verschanst achter hoge muren. Ik denk aan de streng beveiligde, rijke compounds die ik ken uit São Paulo en andere wereldsteden buiten Europa, waar men wel graag "welfare dinners" houdt maar geen enkel contact heeft of werkelijke betrokkenheid voelt met de mensen en de ellende buiten die muren. Wat is of zou ontwikkelingssamenwerking in de eenentwintigste eeuw moeten zijn? De kaders van waaruit ontwikkelingssamenwerking zo'n 50 jaar geleden ontstond, zijn er niet meer. In ieder geval leeft nu alom het besef dat ontwikkelingssamenwerking vooral een verdelingsvraagstuk is en dat ontwikkeling in deze eeuw meer is dan armoedebestrijding. Het gaat om het opbouwen van een wereldorde die gebaseerd is op rechtvaardigheid, participatie en een gedeelde toekomstvisie. Naar de mening van de CDA-fractie is het de hoogste tijd voor een diepgaande analyse van de totaalbenadering van hoe wij in onze, klein geworden wereld met elkaar om willen gaan. Welke waarde hecht de staatssecretaris aan een dergelijke analyse? Hoe wil zij die concreet bevorderen?

Bij deze bezinning moeten wij ook oog hebben voor culturele aspecten en daarbinnen voor de specifieke plaats van het levensbeschouwelijke. De impact van religie en etniciteit op relaties en ontwikkeling in de meest brede zin van het woord worden maar al te vaak onderschat. Zo ook in deze begroting. Civil society-organisaties die activiteiten ontwikkelen die in het kader van conflictpreventie of die anderszins gericht zijn op het bevorderen van de interreligieuze en etnische dialoog zouden op voldoende steun en middelen moeten kunnen rekenen. De CDA-fractie vraagt de staatssecretaris welke specifieke activiteiten op dit terrein momenteel ontwikkeld worden.

In dit kader mag de Europese context natuurlijk niet onbenoemd blijven. Er is veel werk te doen, alleen al als je kijkt naar de bijdragen voor ontwikkelingssamenwerking van andere Europese landen. Zo streeft Duitsland ernaar in het jaar 2006 te komen tot een bijdrage van 0,33%. Daar valt nog een wereld te winnen. Daarnaast moet er een helder Europees ontwikkelingsbeleid geformuleerd worden, waarin Europa als geheel verantwoordelijkheid neemt vanuit een eigen visie op vrije markt, samenleving en cultuur.

Het mag duidelijk zijn dat de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor ontwikkelingssamenwerking de komende jaren voor grote uitdagingen staat. Het centrale thema van de 21ste eeuw zal de humanisering van de globalisering worden. De bewindspersoon staat voor de taak om een coherent beleid te formuleren dat betrekking heeft op vrijwel alle departementen. Er moet evenwichtig en afbakenend beleid geformuleerd worden als het gaat om zaken zoals asiel- en terugkeerbeleid, milieubeleid, terrorismebestrijding, conflictpreventie enz., om het bepalen hoe wij om willen gaan met de grote vragen van deze eeuw. Ik noem verscherping van politieke, sociale en culturele tegenstellingen, de globalisering van het vrijemarktdenken, van regionale conflicten en van grote migratiebewegingen. De fractie van het CDA is er stellig van overtuigd dat deze thema's, juist vanwege hun actuele urgentie en departementsoverstijgende karakter in hun brede samenhang bij voorkeur door een minister opgepakt moeten worden.

De voorzitter:

De verkiezingsleuze van het CDA is "Betrokken en betrouwbaar", waarop de naam van de lijsttrekker volgt. Ik doe uw fractievoorzitter de suggestie voor een tweede verkiezingsleuze: "Fier en vertrouwenwekkend, Ferrier". Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Voorzitter. Natuurlijk wil ik allereerst collega Ferrier feliciteren, maar ik zie haar nergens.

De voorzitter:

Voor de Handelingen zeg ik even dat zij op dit moment naar u luistert op de publieke tribune.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik feliciteer haar met haar maidenspeech, die onmiskenbaar doordrongen was van haar persoonlijke ervaring en kennis. Na de heer Eurlings en mevrouw Ferrier gehoord te hebben, lijkt mij dat mevrouw Ferrier het meest te winnen heeft binnen de CDA-fractie. Ik wens haar heel veel succes toe.

Voorzitter. Laat ik met de deur in huis vallen. Ons oordeel over deze demissionaire ploeg op het ministerie van Buitenlandse Zaken is onverbloemd hard. Deze ploeg heeft de tekenen des tijds totaal verkeerd begrepen. Het buitenlands beleid wordt bepaald door kortetermijndenken en het eigen belang. De positie van de regering bij de uitbreiding van de EU was hier een goed voorbeeld van; de erosie van het ontwikkelingsbeleid is een ander. Wat betreft de positie van de bewindspersoon, het budget voor ontwikkelingssamenwerking en het beleid zien wij een forse achteruitgang. Verder geldt dat dit kabinet kritiekloos George Bush volgt. Het internationale recht en de VN moeten wijken voor een onvoorwaardelijke steun van de VS aan Israël. Waar anderen de VS tegenspraken, achtte Nederland als enige land ter wereld naast de VS en het Verenigde Koninkrijk een oorlog tegen Irak zonder resolutie van de VN-veiligheidsraad al bij voorbaat gelegitimeerd. Nederland is dolend in de internationale arena. Wij hebben voorheen uitvoerig over Irak gedebatteerd Ik zal hier alleen herhalen dat GroenLinks tegen een oorlog met Irak is.

De traditionele Atlanticus De Hoop Scheffer stelt de verkeerde prioriteiten in het buitenlands beleid. Het UNDP-rapport van dit jaar constateert een wereldwijde teruggang van het democratiseringsproces. Het Arab Human Development Report laat in een analyse zien dat het in de Arabische wereld vooral schort aan openheid, democratische controle en naleving van de mensenrechten. Verder is er een achtergestelde positie van vrouwen en een ondeugdelijk onderwijssysteem. De voedingsbodem van gewelddadig extremisme moet worden aangepakt. Conflictpreventie en investeren in democratisering zouden de topprioriteiten van de veiligheidsagenda moeten zijn. De regering moet onomwonden afstand nemen van de Bushdoctrine van een preventieve oorlog. Onze vrees dat andere landen dat in navolging van de VS zullen doen, wordt bewaarheid. Zie Rusland en Australië. Maar nee, deze minister blijft trouw aan uncle Bush.

Het strijdtoneel voor onopgeloste regionale conflicten is de hele wereld geworden. Het Palestijns-Israëlische conflict is de kern van het internationale veiligheidsvraagstuk geworden. Israëlische toeristen en bezittingen van de Israëlische burgers in Afrika of elders worden doelwit van aanslagen. Noch Israëlische burgers, noch Palestijnen hebben baat bij een niets ontziende bezettingspolitiek van de Israëlische regering. De vrienden van het Israëlische volk moeten nu hun stem verheffen tegen de regering-Sharon, die met staatsterreur stelselmatig en systematisch de basis voor een levensvatbare Palestijnse staat en dus voor een tweestatenoplossing vernietigt. De aanslagen die de Israëlische bevolking treffen, hebben ook het leven in Israël ontredderd. Ook al begrijp ik de woede en de frustratie van de Palestijnse bevolking al te goed, ik veroordeel het geweld tegen de Israëlische bevolking. Niets legitimeert geweld tegen de onschuldige burgers.

De taak van de internationale gemeenschap is dan ook in dit conflict tussen de partijen te komen en een rechtvaardige oplossing af te dwingen. Nederland blokkeert echter een eigen beleid van de EU voor Israël. De mensenrechtenclausule in het Associatieverdrag is tot nu toe een dode letter gebleven. Kwalijk is ook de positie van Nederland als doorvoerland van Amerikaanse wapens en munitie naar Israël. Sinds een paar maanden krijg ik er millimeter voor millimeter zicht op hoe omvangrijk deze wapentransporten zijn en hoe speciaal de positie van El Al op Schiphol is. Uit antwoorden blijkt, voor zover bekend, een explosieve stijging van de wapentransporten door El Al sinds oktober 2000. Heeft de minister zich afgevraagd waarvoor en tegen wie deze wapens worden ingezet?

De meldingen hebben alleen betrekking op de meldingsplichtige categorie kleine en lichte wapens, munitie en explosieven. Voor de rest geeft de regering toe niet precies te weten wat, wanneer en in welke omvang wordt getransporteerd. Controle heeft geen prioriteit. De regering heeft op mijn vraag naar het aantal, de omvang en de inhoud van de wapenzendingen sinds oktober 2000 vertrouwelijk geantwoord. Ik zeg het ronduit: ik ben geschrokken van die informatie en vraag mij af waarom die informatie vertrouwelijk moet blijven. Er is toch geen sprake van commerciële belangen? Ik vraag de regering, deze informatie openbaar te maken. Klopt het dat het WOB-verzoek van de Volkskrant niet is gehonoreerd, omdat Israël er eerst in gekend moet worden? Sinds wanneer bepalen de heren Sharon en Netanyahu of het Nederlandse publiek mag worden geïnformeerd? De Nederlandse regering is in dezen schijnheilig, laks en onverantwoordelijk bezig. Schijnheilig, omdat Nederland zelf geen wapens naar de regio exporteert, maar wel toestaat dat Nederlandse havens voor enorm omvangrijke wapentransporten worden gebruikt. Wil de regering nader ingaan op het gevaar van een eventuele aanslag op een vliegtuig vol explosieven? Dat dit geen ondenkbare situatie is, bleek afgelopen week in Mombasa. Hoe lang wil men een civiele luchthaven gebruiken voor dergelijke militaire transporten? Mijn fractie vraagt al langer om een wapenembargo voor de regio Midden-Oosten. Nederlandse doorvoerhavens moeten op slot voor wapens naar Israël en de bezette gebieden. Ik roep de regering op, een einde te maken aan de wapendoorvoer naar de regio via Nederland.

Tal van regeringen hebben 11 september 2001 aangegrepen om binnenlandse oppositie en kritiek als strijd tegen terrorisme de kop in te drukken. De heer Poetin was er wel heel snel bij om de wereld te vertellen dat de gewapende oppositie in Tsjetsjenië uit louter terroristen bestaat. Ondertussen ging het Russische leger tekeer in Tsjetsjenië met georganiseerde roof, verdwijningen, executies en het platbranden van woningen. De CDA-fractie ondersteunde in de vorige periode moties die de regering opriepen tot het indienen van een Statenklacht tegen Rusland in de Raad van Europa. Ik had dan ook verwacht dat deze CDA-minister als eerste actie die aangenomen motie zou gaan uitvoeren. Maar de minister dacht blijkbaar: wat interesseert mij mijn gebrabbel van gisteren? Ik verwacht dat de handtekening van het CDA onder de moties wel wat waard is en dat ook deze CDA-fractie bereid is met ons de regering te vragen om Rusland te dwingen tot een politieke oplossing in Tsjetsjenië.

Een doorn in het oog van de fractie van GroenLinks is hoe Nederland met het internationale strafrecht omgaat. Nederland onderschrijft de rechtsregels van vele internationale verdragen, waaronder het VN-folterverdrag en de Geneefse conventies. Dit verplicht Nederland bij schendingen van deze rechtsregels tot vervolging van de daders. Het falend vervolgingsbeleid ten aanzien van misdadigers die met een beroep op het Vluchtelingenverdrag Nederland binnenkomen, is ronduit beschamend: nog niet één is vervolgd. Alleen door vervolging van de daders van internationale misdrijven kan een eind komen aan de straffeloosheid die aan duurzame vrede en ontwikkeling in de weg staat. Nederland kan nu al overgaan tot vervolging van oorlogsmisdadigers en mensenrechtenschenders op het moment dat de verdachte zich in Nederland bevindt, maar dan moet Nederland wel goed voorbereid zijn. De fractie van GroenLinks vindt, dat de ambassades een actieve taak moeten krijgen bij het verzamelen van informatie ten aanzien van de specifieke personen die zich schuldig maken aan internationale misdrijven, zodat politie en openbaar ministerie effectief kunnen overgaan tot vervolging op het moment dat die personen zich in Nederland bevinden. Graag een reactie van de minister hierop.

Hoe staat het overigens met de samenwerking tussen het Novo-team en het ministerie van Buitenlandse Zaken?

Armoede en uitsluiting worden wereldwijd eerder meer en niet minder. Internationale solidariteit moet worden uitgebreid en niet afgeschaft. In andere Europese landen is de tendens dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking omhoog gaat, maar in Nederland vervuilt het steeds meer. De VVD spant de kroon. Die wil op de allerarmsten ter wereld bezuinigen om de behoefte aan meer law and order in Nederland te bekostigen. Onder het motto "trade not aid" wordt de hulp uitgekleed, terwijl de Europese markt dicht blijft voor producten uit ontwikkelingslanden. Over coherentie gesproken!

Ook de inzet van het CDA is niet om over naar huis te schrijven. Waar Verhagen en Van Ardenne als kamerleden in de oppositie ten strijde trokken tegen Paars II bij de vervuiling van het budget, accepteren zij nu verhoging van de bijdragen uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking aan het eerste jaar van de opvang van asielzoekers uit ontwikkelingslanden. Het aantal asielzoekers daalt en steeds minder asielzoekers krijgen helaas opvang. Waarom wordt de bijdrage aan de opvang uit het OS-budget dan verhoogd?

De voorzitter van de CDA-fractie houdt op congressen mooie praatjes. Hij zegt dat het budget voor OS niet mag worden aangetast. Een paar dagen later stemt zijn fractie in de Kamer vrolijk voor een VVD-plan om vredesmissies uit ODA te betalen. Schande! Hier kan de staatssecretaris wél een voorbeeld nemen aan haar voorganger minister Herfkens. Zij heeft zich in Paars II met succes verzet tegen de vervuiling die was opgenomen in het regeerakkoord. Ik doel nu op bijdragen aan het "clean development mechanism" uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking.

De staatssecretaris schrijft dat continuïteit in het beleid haar motto is. Echt geloofwaardig is dit niet. Deze staatssecretaris heeft een geschiedenis in de Kamer. Zij heeft vurig oppositie gevoerd tegen de vorige minister. Het is dan niet merkwaardig dat de Kamer naar haar nieuwe accenten in het beleid vraagt, namelijk meer aandacht voor regionaal beleid en conflictpreventie. Daar pleit GroenLinks al langer voor. Een echte regionale benadering betekent volgens mij wel degelijk dat het beleid fundamenteel veranderd moet worden. De regio's zijn dan immers uitgangspunt van het beleid en niet de landen. Waarom is er trouwens een spreekverbod opgelegd aan Roel van der Veen?

Ik ben het ermee eens dat Afrika een prioriteitsgebied moet zijn, maar geef het dan serieus aandacht. Als de overheden niet deugen, mogen zij niet het stempel van goed beleid en bestuur krijgen. Hoe staat het met bilaterale samenwerking met Eritrea en Ethiopië?

De heer Eurlings (CDA):

Het kan zijn dat mevrouw Karimi in de haast haar tekst niet heeft kunnen aanpassen. Er is een uitgebreid interruptiedebat geweest over vredesmissies. Ik doe nog een poging, want ik vind dat zij op basis van argumenten moet discussiëren. De CDA-fractie is van mening dat vredesmissies alleen uit ontwikkelingssamenwerkingsmiddelen kunnen worden betaald als dat conform de OESO/DAC-criteria is. Er is dus geen sprake van vervuiling, want het blijft dan ODA-geld dat wordt besteed aan ontwikkelingssamenwerking. Mevrouw Karimi kan ons niet verwijten dat wij het ODA-budget vervuilen. Collega De Nerée tot Babberich heeft in zijn stemverklaring nadrukkelijk aangegeven dat de CDA-fractie daar de grens trekt.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik geef toe dat vredesmissies bij tijd en wijle ontwikkelingsactiviteiten verrichten. Op dit moment worden die missies betaald uit de begroting van Defensie. De heer Eurlings pleit er nu voor om een deel van het defensiebudget te bekostigen uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Als hij de activiteiten van vredesmissies onder de definities van OESO probeert te brengen, is hij bezig met het vervuilen van definities.

De heer Eurlings (CDA):

Mevrouw Karimi weet toch hoe streng de OESO/DAC-criteria zijn? Een OESO/DAC-missie moet puur ontwikkelingswerk zijn. Zij zal het met mij eens zijn dat het niet mogelijk is om defensiemissies op die manier te bekostigen.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Laat de heer Eurlings de lijn dan heel duidelijk trekken en zeggen: wij zijn blij met hoe het nu is; Defensie is verantwoordelijk voor die vredesmissies en zo blijft het ook. Dát is duidelijkheid.

De heer Palm (LPF):

Ik ga nog iets verder terug in de speech van mevrouw Karimi. Zij sprak over het vervuilen van de hulp, maar zij zei tegelijkertijd dat andere landen de neiging hadden om hun budgetten te vergroten. Kan zij daarvan voorbeelden noemen? Naar mijn weten bestaat die neiging al ontzettend lang, maar daadwerkelijk gebeurt er ontzettend weinig. In dat licht begrijp ik niet dat zij zo badinerend doet over de inspanningen van Nederland en dat zij kennelijk hoog opgeeft van de neiging die mogelijkerwijs andere landen hebben om het budget te vergroten. Ik vind het op zijn plaats om een klein beetje trotser te zijn op de Nederlandse inspanningen op dit terrein.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik denk dat de heer Palm mij dan niet zo goed heeft begrepen. Wij zijn er niet trots op, dat er nu aan die Nederlandse inspanningen wordt getornd; dat willen wij niet. Er is geen discussie over dat Nederland tot nu toe voorop heeft gelopen. Dat is een van de beleidspunten waarvoor zowel de vorige als deze regering staat: bewerkstelligen dat binnen internationaal en met name Europees verband zoveel mogelijk landen voldoen aan die afgesproken norm. Nederland maakt zijn positie in het internationale debat echter ongeloofwaardig als het zijn eigen budget ondermijnt door het te vervuilen. De trend is dat de afgelopen jaren landen als Duitsland, België, Luxemburg en Ierland meer uitgeven aan ontwikkelingssamenwerking. Ik kan er niets aan doen, dat is gewoon zo.

De heer Palm (LPF):

Dat is misschien de trend, maar tot nu toe moet ik helaas vaststellen dat het niet echt wordt gerealiseerd.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Jawel, de trend is echt dat de budgetten in andere landen worden verhoogd. Het percentage is daar nog steeds niet 0,7 of 0,8 – in het geval van Luxemburg overigens wel – en deze regering strijdt er ook voor om andere landen aan die norm te laten voldoen. Tegelijkertijd geeft de CDA-fractie aan deze regering echter de opdracht om in OESO-verband te onderhandelen, zodat de definitie wordt opgerekt. Dit komt de geloofwaardigheid van Nederland niet ten goede. Dat is mijn verhaal.

Mevrouw Terpstra (VVD):

Is mevrouw Karimi bekend dat wereldwijd het gemiddelde percentage dat wordt besteed aan ontwikkelingssamenwerking 0,2 is? In Europa wordt geweldig gestreden, mede door de Nederlandse regering, om de 0,3% die het op dit ogenblik nog is, eventueel in de loop van de komende vijf jaar te verhogen tot 0,5%. Dan zijn wij nog steeds niet op die 0,7%.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Precies, dat is allemaal waar.

Mevrouw Terpstra (VVD):

Dat betekent dat je met 0,7% en 0,8% nog een heel bijzonder goede beurt maakt, omdat je boven die internationaal afgesproken norm blijft.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Daar scheiden dan onze wegen. Mevrouw Terpstra's ambitie is veel lager dan de ambitie van GroenLinks. Ons uitgangspunt is dat Nederland andere landen alleen succesvol kan aanspreken op het feit dat zij te weinig doen, als het zelf veel blijft doen. Op het moment dat dit niet meer gebeurt, wordt Nederland een land waartegen men zegt: jullie brengen zelf het budget naar beneden en de minister wordt een staatssecretaris. Onze geloofwaardigheid om ten strijde te trekken wordt zo steeds minder. Dat is het verschil in visie tussen de VVD en GroenLinks.

Mevrouw Terpstra (VVD):

De discussie gaat over een norm, terwijl het zou moeten gaan over de inhoud en het effect van de ontwikkelingssamenwerking. De vraag is of het werkelijk zin heeft ontwikkelingssamenwerking te bevorderen en wat er de afgelopen decennia mee is gebeurd. Ik tart mevrouw Karimi om mij te vertellen of, bijvoorbeeld in Afrika, na al die decennia met zoveel ontwikkelingssamenwerking de levensstandaard daadwerkelijk is verbeterd, of juist verslechterd.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Mevrouw Terpstra doet mij onrecht als zij zou beweren dat ik dat debat niet aanga. Ik heb net gevraagd waarom Van der Veen, ambtenaar van Buitenlandse Zaken, die een boek heeft geschreven over bijvoorbeeld de effecten van ontwikkelingssamenwerking in Afrika, een spreekverbod heeft gekregen. Ik wil juist graag de discussie voeren. Het voeren van een inhoudelijk debat is nog geen legitimatie om aan de norm en het budget te tornen.

Mevrouw Terpstra (VVD):

Ik heb geen antwoord gekregen op de vraag of mevrouw Karimi mij één regio kan noemen die via ontwikkelingshulp tot economische ontwikkeling, een verhoging van de levensstandaard en een verbetering van het welzijn is gekomen.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Dat is een terechte vraag, maar...

Mevrouw Terpstra (VVD):

Geef er dan ook antwoord op!

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

U hoeft niet zo agressief te zijn, want u krijgt antwoord van mij. Het is nauwelijks mogelijk om het effect van ontwikkelingssamenwerking geïsoleerd aan te geven. U weet beter dan ik dat het heel moeilijk is dat iedere keer apart aan te geven.

Er gaan in Jemen nu meer meisjes naar school. Het is echter moeilijk om aan te tonen dat dit komt doordat Nederland daar de grootste donor is. Dat kan niet worden aangetoond en ook niet worden tegengesproken.

Minister De Hoop Scheffer:

Waarop baseert mevrouw Karimi de stelling dat de heer Van der Veen een spreekverbod heeft?

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Dat heb ik in de media gelezen. Als het niet zo is, mag de minister dat in zijn antwoord uitleggen.

Hoe staat het met de bilaterale samenwerking met Eritrea en Ethiopië? Wat is stand van zaken in het beleid ten aanzien van Rwanda? Is het juist dat het budget drastisch is verminderd en zo ja waarom? En hoe staat het met de ontplooiing van MONUC? Heeft Nederland in de VN gepleit voor een steviger mandaat voor MONUC? Nu Rwanda zich terug heeft getrokken is het van belang dat de internationale gemeenschap laat zien in staat te zijn de activiteiten van Interhamwe tegen te houden. Dit zou de laatste kans kunnen zijn voor een eind aan de oorlog en de plundering in het Grote Merengebied. Heeft Nederland overwogen deel te nemen aan MONUC, al is het met een zeer gering aantal militaire of civiele observers? GroenLinks zou dit voor de geloofwaardigheid van het Nederlands beleid van groot belang vinden. Het is een serieuze overweging waard.

Deze conflicten worden vooral bekostigd en in stand gehouden door de illegale exploitatie van aanwezige grondstoffen. Bedrijven die zich daarmee inlaten moeten wat ons betreft worden gesanctioneerd. De minister is hierover in de beantwoording op kamervragen vaag en toont geen enkel initiatief. Nederlandse bedrijven moeten verplicht worden zich aan de OESO-code voor maatschappelijk verantwoord ondernemen te houden en daar ook jaarlijks over te rapporteren. Geeft de nieuwe sanctiewet mogelijkheden om op te treden tegen bedrijven als Chemie Pharmacie Holland? Is er al contact geweest met dit bedrijf? Certificeringssystemen zoals nu gelden voor diamanten zouden wat ons betreft ook voor andere grondstoffen, goud, coltan en hardhout, moeten gaan gelden. Graag hoor ik een reactie. Is er een nota "ondernemen in conflictgebieden" in de maak?

In een heel ander verband staat het probleem van de illegale handel in gestolen cultuurgoederen. Is de regering voornemens om spoedig het verdrag uit 1995 inzake de internationale terugkeer van gestolen en onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen aan de Kamer ter ratificatie aan te bieden (Unidroit)? Over de uitkomsten van de top in Johannesburg heeft de Kamer een brief ontvangen die we graag uitvoerig met het volgende kabinet willen bespreken. Wel wil ik hier aandacht vragen voor een initiatief om volgend jaar een instituut voor milieu en veiligheid in Den Haag op te richten. Zowel VROM als BuZa vinden dit een goed initiatief. Kunnen deze twee departementen met een nota van wijziging komen waarin aangegeven wordt hoe dit instituut financieel ondersteund kan worden? Als je de berichten gelooft, is het slecht weer in de verhouding tussen Nederland en Suriname. In hoeverre is een begin gemaakt met de sectorale aanpak in Suriname en wat zijn de obstakels?

In Afghanistan komt de wederopbouw niet of nauwelijks van de grond. Nederland heeft wel de toegezegde bedragen overgemaakt, maar aan een logge, bureaucratische Wereldbank en aan de Verenigde Naties. Ook voor de bijdrage aan ngo's heeft Nederland het geld aan de VN uitbesteed. Dat het woud van bureaucratie moeilijk te doorgronden is, blijkt uit het feit dat geen enkele Nederlandse ngo in 2002 erin geslaagd is om geld te krijgen voor activiteiten in Afghanistan. Wij vinden het budget van 7,8 mln euro voor ngo's in 2003 in Afghanistan veel te weinig. Hoe stelt de staatssecretaris eigenlijk haar prioriteiten?

Onbegrijpelijk is ook hoe zij met de TMF omgaat. Dit was een goed proces met de bedoeling de innovatie, pluriformiteit, professionaliteit en het draagvlak in ontwikkelingssamenwerking te vergroten. Het resultaat is echter teleurstellend. Er wordt gesproken over van 40 mln extra geld. Dat is volgens mij niet waar. De al bestaande 100 mln is immers níet ten goede gekomen aan TMF. Waaraan dan wel, weet niemand; over transparantje en accountability gesproken! Om het budget voor TMF op een aanvaardbaar niveau te krijgen, hebben we een breed gesteund amendement ingediend. Bovendien vinden we dat er ook voor TMF één loket en één budgetlijn moeten komen. Ik verneem graag een reactie van de staatssecretaris. De oplossing om organisaties die zich richten op wederopbouw domweg vanwege geldgebrek buiten de TMF te houden, vinden we niet gelukkig. Dit zou misschien voor dit jaar als overbruggingsjaar kunnen, maar daarna moet het structureel bij TMF worden ondergebracht.

Vluchtelingenorganisaties dreigen ook buiten de boot te vallen. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Hoe staat het trouwens met het front office? Daarover hoor ik ook niet veel goeds.

De laatste tijd is er steeds meer sprake van publiekprivate initiatieven, veelal buiten de VN om zoals in het Global Health Fund. Welke eisen worden er aan deelnemende bedrijven gesteld, bijvoorbeeld in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen? Waaruit blijkt dat die publiekprivate samenwerking op dit gebied werkt? En waarom heeft Noorwegen besloten om niet aan dat initiatief te doneren? De precieze opzet alsook de criteria voor deelname en uitvoering zijn nog te onduidelijk. Naar de mening van GroenLinks kan dit geld beter bilateraal of in VN-verband besteed worden. "Stop aids now" betekent ook massaal investeren in voorlichting, preventie en bestrijding van aids en in basisgezondheidszorg. Hoeveel procent van de begroting wordt hieraan besteed?

Voorzitter. GroenLinks ziet liever dat Nederland in het buitenlandbeleid een eigen geluid laat horen: initiatiefrijk bij conflictpreventie en armoedebestrijding, creatieve diplomatie voor conflictbemiddeling en conflictoplossing en hoeder van het internationale recht!

De heer Van Aartsen (VVD):

Voorzitter. Laat ook ik vanaf deze plaats mevrouw Ferrier feliciteren met haar maidenspeech.

Het is bijna drie maanden geleden dat wij hier met plechtige woorden de aanslag op de Twin Towers hebben herdacht als een schokkende, ingrijpende gebeurtenis, niet alleen voor onze bondgenoot de VS, maar voor de hele wereld, voor Europa, voor Nederland. Vandaag willen wij ons afvragen, of wij de lessen van 11 september 2001 echt hebben geleerd. Ik zal mij in de richting van het kabinet beperken tot een algemene beschouwing van het buitenlands beleid en enkele informatieve vragen. Staatsrechtelijk puriteins als ik ben, wil ik de minister niet verleiden tot uitspraken die niet zouden passen bij zijn demissionaire status. Weliswaar staan de staatsrechtelijke gebruiken een demissionair kabinet toe in het buitenland te handelen in het belang van het land – daarover hebben wij vanmiddag in het debat met betrekking tot Irak gediscussieerd – maar het ontwikkelen van nieuw beleid komt uiteraard een missionair kabinet toe.

De schok van 11 september 2001 zette een uitroepteken bij een proces dat met de val van de muur is ingezet. Henry Kissinger verwoordde het treffend toen hij zei dat "door de aanslagen van 11 september het concept van de soevereiniteit dat sinds het verdrag van Westfalen in 1648 de wettelijke grondslag van het internationale stelsel is geweest, op losse schroeven kwam te staan." Wij moeten onze buitenlandse en defensiepolitiek in de komende tien, vijftien jaar dan ook richten op een nieuwe wereld. Waar willen we staan in de wereld? Wij tonen een actieve betrokkenheid. Ik herinner aan artikel 90 van de Grondwet. Afzijdigheid zou ook niet in overeenstemming zijn met onze huidige positie in de wereld. Bij de positie van ons land wordt vaak gedacht aan de plaats die wij innemen in de wereldrangorde op tal van gebieden. Die term heeft echter nog een andere, meer eenvoudige betekenis. Ik denk hierbij aan het Engelse adagium: "You can't argue with geography." Geografie is nu eenmaal een gegeven. Inderdaad, de geografische plek van een land blijkt om tal van redenen van grote invloed op de plaats die het inneemt in de wereldorde.

Nederland is in tal van opzichten geen klein land. Dat schept verplichtingen. Ik bespeur evenwel telkens een neiging om terug te vallen op de een houding van een zekere schuchterheid, schroomvalligheid. De oorzaak daarvoor zal wel diep in onze genen zitten. Ik voer die terug op de dominantie van onze maritieme en commerciële traditie. Inmenging en partij kiezen in de onderlinge conflicten van de Europese grootmachten stond op gespannen voet met onze handelsbelangen. Daarom kennen wij waarschijnlijk een hang naar neutraliteit. Er zijn weliswaar verschillende perioden geweest waarin de Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden een actieve rol speelde op het Europese politieke toneel, dat toen het wereldtoneel was. Dat deden wij echter alleen dan als wij geen andere keus hadden vanwege een directe bedreiging van onze belangen door verandering van de machtsbalans binnen Europa.

Uiteraard laat een periode van afzijdigheid en neutraliteit haar sporen na in geconditioneerde reflexen van een land. Dat geldt zowel voor het buitenlands beleid als de publieke opinie op het gebied van de internationale betrekkingen. Deze houding vormt een schril contrast met die van andere landen als bijvoorbeeld Frankrijk en Engeland. Zij kennen een lange traditie van actieve betrokkenheid bij het wereldgebeuren. In de huidige situatie, waarin sprake is van toenemende internationale vervlechting op wereldwijde schaal en waarin Nederland zowel lid is van de NAVO als deelneemt aan het Europees Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid met haar groeiende defensiedimensie, moeten wij, naar onze stellige overtuiging afstand nemen van onze vroegere houding en die geconditioneerde reflexen laten varen. Wij dienen met onze partners in de komende jaren een actieve rol te ambiëren. Daarbij dienen wij ook het zwaardere werk niet te schuwen. Wij zijn internationaal georiënteerd. Ons bedrijfsleven is overal aanwezig. We zijn kwetsbaar in een wereld die krachten kent die gekant zijn tegen idealen van vrijheid, tolerantie, democratie en vrij ondernemerschap.

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter. Het betoog van de heer Van Aartsen spreekt mij zeer aan. Ik vraag mij alleen af wat hij bedoelt met zijn opmerking dat wij van de geconditioneerde reflexen af moeten. Wil hij zeggen wat wij van koers moeten veranderen? Moet ik niet constateren dat wat hij wil, in de afgelopen jaren gestalte heeft gekregen? Wij doen toch mee aan militaire operaties. Wij zijn internationaal bezig en kiezen positie.

De heer Van Aartsen (VVD):

De afgelopen vier jaar overziende, maak ik mij toch zorgen. Ik herinner mij het debat over UNMEE en de ontwikkelingen naar aanleiding van ons optreden in Srebrenica. De afschuwelijke situatie daar heeft schrik teweeggebracht en dat heeft bij velen tot een zekere afzijdigheid geleid. Volgens mij was dat ook de oorzaak van het moeizame debat over UNMEE. Heel actueel is in dit verband de discussie over onze stellingname bij het oplossen van de kwestie Irak. Ook daarbij merk je de grote terughoudendheid en schroomvalligheid. Over dit onderwerp hebben wij vanmiddag uitvoerig met elkaar gediscussieerd. Mij valt op dat er voor een aantal partijen in deze Kamer een drempel is en dat er zeer wordt geaarzeld. Aangezien er zeer grote belangen op het spel staan, zijn schuchterheid en schroomvalligheid niet goed.

De heer De Graaf (D66):

Die UNMEE herinner ik mijzelf als de enige echte misser op buitenlands gebied van de toenmalige fractievoorzitter van het CDA, maar gelukkig is het nu: andere rollen, andere kansen. Hoe kan de schroom, waarvan de heer Van Aartsen spreekt, nu rechtstreeks zijn terug te brengen op de oude neutraliteitsgedachte, de oude afzijdigheid, het oude zorgen dat niemand in je vaarwater komt? Zou schroom, soms: redeneren, soms: voorzichtigheid, naast met de positie van een land in de wereld niet ook te maken hebben met het kijken naar wat er gebeurt en daarover een oordeel vormen?

De heer Van Aartsen (VVD):

In al dit soort gevallen moet je je positie analyseren en een standpunt innemen. Ik denk aan de gevaren die ons nu bedreigen: het internationaal terrorisme. Wij hebben ook in internationaal verband afspraken gemaakt. Denk aan datgene waar wij volgens de Veiligheidsraadresoluties en de VN-resoluties aan zijn geboden. Dat betekent dat je op sommige momenten ook een duidelijke keuze moet maken. Dat was vanmiddag in optima forma aan de orde. Kunnen wij als Kamer instemmen met de positieve houding die de Nederlandse regering heeft aangenomen jegens de Amerikaanse president, toen deze zei: zou u met ons willen denken over de militaire dreigingsoptie? Daar moet een standpunt in worden ingenomen. Mijn fractie is daar duidelijk in. Wij steunen het kabinet.

De heer Koenders (PvdA):

De heer Van Aartsen is jammer genoeg een van de weinige representanten van de echt internationalistische vleugel in de VVD. Ik waardeer zijn verhaal. In de vorige kabinetsperiode hebben wij goed samen kunnen optrekken, juist vanwege dit punt van de internationale betrokkenheid. Er is echter een dubbele les te trekken uit de afgelopen periode. Dat is mij in de afgelopen weken ook weer goed in de oren geknoopt. Het gaat om internationale aanwezigheid en keuzes en tegelijkertijd om goed nadenken over wat je doet. Je moet nooit onbezonnen acties ondernemen. Je moet altijd bedenken of Nederland terechtkomt waar het wil zijn, bijvoorbeeld met militaire acties. Die dubbele rol moet altijd de aandacht hebben. De heer Van Aartsen noemt het voorbeeld van het debat rond Irak. Het gaat niet om neutralisme in de strijd tegen het terrorisme of aan de kant staan of het van tevoren ecarteren van de militaire optie. Het gaat om bekijken of datgene wat je wilt, zinnig en verantwoord is. Het militaire middel moet, als het gebruikt wordt, dienen om de doelen te bereiken die je wilt bereiken. Daar gaat de discussie over. De heer Van Aartsen tekent maar één les aan, namelijk de les van internationale aanwezigheid. Dat siert hem in de VVD, maar het zou verstandig zijn als hij ook aan de andere kant wat meer aandacht zou besteden.

De heer Van Aartsen (VVD):

Met dat goed nadenken ben ik het geheel eens. Daar hebben wij het vanmiddag ook over gehad. De heer Koenders heeft het nu ook over de mogelijkheid van een militaire optie. Naar mijn oordeel moet diplomatie op een ogenblik ook met kracht kunnen worden afgedwongen. Als de heer Koenders dat met mij eens is, dan verbaast mij juist om die reden dat hij vanmiddag niet kon instemmen met het feit dat het Nederlands kabinet in het contact met de Amerikaanse president heeft gezegd dat het hierover wilde nadenken. Zeker, je moet goed nadenken, maar je moet ook positie kiezen. Ik heb erover nagedacht. Een van de oorzaken van de aarzeling heeft te maken met de positie die Nederland recent op het internationale vlak heeft ingenomen. Eigenlijk zijn wij er weer terug sinds 1945. Natuurlijk heeft de PvdA ook op andere momenten problemen gehad met dit type operaties. Dat siert de partij, maar ik ben het er niet mee eens.

De heer Koenders (PvdA):

De heer Van Aartsen maakt nu echt een volstrekt verkeerde connectie. Hij refereert aan neutraliteit en pacifisme op een manier die geen recht doet aan het grote commitment van de PvdA aan vrede en veiligheid, aan de defensienota's die wij de afgelopen jaren hebben gepubliceerd, aan de keuzes die wij hebben gemaakt voor moeilijke internationale operaties, altijd met nadenken en met de internationale rechtsorde voorop. De heer Van Aartsen verwart twee zaken echt fundamenteel. Hij kan dat ook niet waarmaken. Dit heeft niets te maken met neutralisme, maar met het verantwoord en tijdig inzetten van het militaire middel. Natuurlijk gaan diplomatie en militaire macht vaak samen. Maar zoals bekend is het militaire middel alleen zinnig te gebruiken op het juiste moment. Over die keuze kan verschillend worden gedacht, dat is legitiem, maar schuif ons nu niet in de schoenen dat dit iets te maken heeft met neutralisme of absentie van daadwerkelijke commitment.

De heer Van Aartsen (VVD):

Ik blijf, ondanks deze interruptie, volhouden dat mij de stellingname van uw fractie vanmiddag tijdens het debat over Irak verbaasde, omdat ik mij had kunnen voorstellen dat de Partij van de Arbeid had gezegd: wij begrijpen zeer goed waarom het Nederlandse kabinet reageerde zoals het reageerde toen president Bush zei dat de militaire dreiging boven de markt moest blijven hangen.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik ben verrast door de analyse van de heer Van Aartsen dat schroom vanuit mijn fractie of die van de Partij van de Arbeid iets te maken zou hebben met "koloniale genen". Onze analyse heeft vooral te maken met hoe de zaak ervoor staat. De heer Van Aartsen stelt dat moet worden ingegaan op het verzoek van de Amerikaanse regering om te praten over deelname aan de planning. Waarom is hij daar twee jaar geleden niet over begonnen? Wat is het grote verschil tussen de huidige situatie en die van twee jaar geleden, toen er ook geen inspecties waren en er ook massavernietigingswapens aanwezig konden zijn? Waarom nu?

De heer Van Aartsen (VVD):

Het debat over de positie van Irak van twee jaar geleden herinner ik mij nog heel goed: het was zeer uitvoerig. Nederland was toen overigens net de Veiligheidsraad uit, maar er zijn zeer diepgaande discussies gevoerd. Er is een resolutie aangenomen, die Irak aan zijn laars heeft gelapt. Ik heb het overigens niet over koloniale genen gehad, maar ik heb een schets gegeven van de Nederlandse positie in onze historie. Uw partij lijdt daar nu juist in hoge mate onder, als ik tenminste uw program goed tot mij heb laten doordringen. Daarin staat dat Nederland de NAVO uit moet, en uw partij heeft zelfs bezwaren tegen organisaties als de OVSE. U past eigenlijk wel in mijn schroomvalligheidverhaal

Mevrouw Van Velzen (SP):

Het grote verschil tussen nu en twee jaar geleden is simpelweg de houding van de VS. Dat heeft niets met neutraliteit te maken, maar met het meegaan met zogenaamde bondgenoten. Twee jaar geleden vroeg de Amerikaanse regering ons niet om mee te gaan met een mogelijke aanval op Irak, en nu wel. Dat verklaart toch uw houding.

De heer Van Aartsen (VVD):

Ik wil u op dit moment niet vermoeien met een schets van hoe we de afgelopen twee jaar in internationaal verband, ook op de momenten dat Nederland buiten de Veiligheidsraad opereerde, dus toen het geen permanent lid meer was, heeft gedaan om juist het thema Irak op de agenda te houden. Het is zeer verklaarbaar, waarom er een periode was, waarin het thema Irak wat op de achtergrond raakte. Ik denk dat dat vooral iets te maken had met de verkiezingsperiode in de Verenigde Staten. Du moment dat er een nieuwe Administratie in Washington zat, heeft die in januari/februari 2001 bekend gemaakt dat de situatie in Irak zou worden geanalyseerd. Dan komt 11 september, welke gebeurtenis in wezen duidelijk maakt hoe nodig het is om niet naïef of traag op dit soort situaties te reageren.

Over de positionering van de Verenigde Staten het volgende. Na de val van de Muur en de teloorgang van het communisme meenden velen dat de Westerse democratie had gewonnen van concurrerende ideologieën. Fukuyama is daar een voorbeeld van.

Voorzitter. Ik hoop niet dat het antwoord op de interrupties van mijn spreektijd afgaat.

De voorzitter:

U bent als kamerlid natuurlijk nog niet zo ervaren. Ik zie dat u het antwoord aan mevrouw Van Velzen uit uw tekst gaat lezen, dus daarmee brengt u mij in een schemergebied. Als u nu niet naar uw tekst gaat, kunt u haar nog even beantwoorden.

De heer Van Aartsen (VVD):

Ik wou haar beantwoorden door toch terug te keren naar mijn verhaal, want zij had het over de Verenigde Staten. Mevrouw Terpstra houdt voor mij de handel wel in de gaten.

Ik denk dat het goed is, toch even naar de discussie in de Verenigde Staten te kijken. De gedachte dat de westerse democratie zou hebben gewonnen, waar Fukuyama's boek een voorbeeld van is, vinden wij terug in de National security strategy, waarover de heer Koenders en mevrouw Karimi ook hebben gesproken. Dat document begint met de gevaren die niet alleen de Verenigde Staten, maar ook ons bedreigen. Terecht wordt in dit document ook veel aandacht besteed aan de verbindingen tussen de factor staten die falen of op het punt staan te falen, en het internationaal terrorisme. Deze verbindingen vormen ook een bedreiging voor een land als het onze.

Dit strategiedocument, dat naar onze mening ten onrechte in de Europese arena's een beetje laatdunkend terzijde is geschoven, legt ook de nadruk op multilateralisme, het belang van ontwikkelingssamenwerking en tot verbazing van mijn fractie op een thema dat wij zeer belangrijk vinden, nation building. Dat onderwerp is volgens mij vergeten in de vele reacties die ik erop heb gezien. Er wordt de nadruk gelegd op een mondiaal verantwoordelijkheidsgevoel. Bij dit document is veel aandacht uitgegaan naar de preventieve maatregelen die de Verenigde Staten kunnen nemen, een doctrine die overigens ook onder president Clinton werd gehanteerd.

Ik vraag het kabinet hoe het nu werkelijk denkt over dit document. Ik zou het op prijs stellen, wanneer de minister wat duidelijker wil zijn dan in de naar mijn mening toch wat lauwe reactie in de brief aan de Kamer. Ik stel ongeveer dezelfde vraag als de heer Koenders en mevrouw Karimi, maar wij hebben een verschillend standpunt hierover.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik heb tot nu toe niet gehoord wat de VVD precies denkt over de strategie van preventieve acties. Kunt u uw standpunt hierover duidelijk maken? Dat lijkt mij interessant.

De heer Van Aartsen (VVD):

Dat is heel duidelijk. Je zou kunnen zeggen dat het element preventieve actie al sinds eeuwen bij het internationale recht hoort. Het is een onderwerp dat in het volkenrecht als zodanig wordt erkend. Wij hebben zelfs enige tijd geleden gesproken over het thema humanitaire interventie, en dat gaat eigenlijk nog verder dan wat in de National security strategy van de Verenigde Staten staat.

Ik zou haast zeggen dat dit een door liberalen bedachte aanpak is, die soms nodig kan zijn, wanneer stelselmatig rechten van mensen worden gekrenkt. Hierbij kan men denken aan datgene wat John Stuart Mill hierover heeft geschreven, en een aantal liberalen, zoals Gladstone, in de praktijk hebben toegepast. Wij hebben daar geen bezwaar tegen. Daarom vraag ik het kabinet om een wat helderdere reactie dan wij hebben gehad.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

U gooit nu alle concepten door elkaar. Dat komt het debat niet ten goede. Wij spreken over humanitaire interventie als binnen de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties wordt vastgesteld dat ergens massale schendingen van mensenrechten plaatsvinden of wanneer genocide dreigt. Dan komt de internationale gemeenschap in actie. Dat is iets anders dan wanneer een land of een staat, in dit geval de Verenigde Staten, zich het recht voorbehoudt om als zij denken dat er ergens anders een gevaar is dat een bedreiging kan zijn voor de veiligheid van de Verenigde Staten zoals zij die definiëren, een oorlog gaan voeren. Dat noem ik gewoon agressie.

De heer Van Aartsen (VVD):

Ik heb het document gelezen. Het is een verkeerde uitleg van wat in dat document staat. In het geheel van dat stuk wijst slechts één korte zin daarop. Die zin is ingebed in een stuk dat zeer duidelijk de belangen van het internationaal recht en de internationale rechtsorde naar voren brengt, maar bijvoorbeeld ook het werken in het kader van multilaterale instellingen zoals de Verenigde Naties.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Meestal is wat in zo'n klein zinnetje staat heel interessant. Al het andere is nodig om de rest te camoufleren. Wat is het standpunt van de VVD over die korte paragraaf over preventief optreden door de Verenigde Staten bij vermeend gevaar zonder enige legitimatie van bijvoorbeeld de Verenigde Naties?

De heer Van Aartsen (VVD):

Dit is een heel oude truc. Mevrouw Karimi legt er een betekenis in en zegt dan dat zij daar geen voorstander van is. De wijze waarop in dat document de gedachte van preventieve actie is omschreven, wat gewoon een recht is dat erkend is in het volkenrecht, stuit bij mijn fractie niet op bezwaren. Ik meende dat al gezegd te hebben tegen mevrouw Karimi.

De heer Koenders (PvdA):

Ik zou daar graag met de heer Van Aartsen over debatteren, maar daar hebben wij de tijd niet voor. Hij grasduint wat in verschillende Amerikaanse tradities, neemt eruit wat hem bevalt en noemt dat liberaal. Bush is echter absoluut geen internationaal liberalist. Juist iemand als Kissinger heeft in de kern grote problemen met het concept van preventieve aanvallen. Naast hetgeen in het document staat dat inderdaad veel breder is, wat ik niet heb tegengesproken, gaat het wel degelijk om de formulering in multilateraal kader van wat onder imminent thread moet worden begrepen. Iedereen weet dat het risico bestaat dat als je dat unilateraal benoemt, India dat zal misbruiken in Pakistan of Australië in Azië voor een manier van uitoefenen van militair geweld waarvan de internationale rechtsorde niet gediend is. Dat is een Amerikaans debat! Dat wordt in Amerika gevoerd. Juist Kissinger heeft op die risico's gewezen. De heer Van Aartsen gaat daar helemaal niet op in.

De heer Van Aartsen (VVD):

De heer Kissinger heeft in een aantal stukken die hij na 11 september heeft geschreven en in een artikel dat hij rond de herdenking van 11 september heeft geschreven juist de nadruk gelegd op de veranderde wereld. Daar begon ik mijn betoog mee. Kissinger legde de nadruk op het feit dat wij niet meer met soevereine staten te maken hebben, maar ook met failed en failing states. Daar moet je een antwoord op vinden. Er zijn verbindingen met het internationaal terrorisme. Ook in internationaal rechtelijk kader, want daarin is het ingebed – althans zo lees ik het stuk – kan een land niet het recht worden ontzegd om indien dat voor de veiligheid nodig is, maatregelen te nemen. Dat is in wezen de kern van het verhaal. Nogmaals, het interessante van dit document was dat het juist zo was ingebed in een visie, gericht op versterking van het multilaterale element. Daarom heb ik gezegd dat het mij zo verbaasde dat in veel Europese hoofdsteden er toch heel laatdunkend over is gesproken. Uw visie is een andere. De mijne is veel positiever over dit document. Ik zou daar graag van de regering een wat duidelijker standpunt over vernemen.

Voorzitter. De Atlantische wereld heeft gezamenlijk een probleem. Het gaat niet aan om de Verenigde Staten in de kou te laten staan. Dat heb ik ook al eerder gezegd in het debat over Irak. Dat getuigt van een kortzichtige en uiteindelijk ook een laffe houding. Wat dat betreft, valt de Nederlandse regering te prijzen voor haar houding ten aanzien van het probleem Irak.

In de komende periode is een geïntegreerde aanpak van de veiligheidsvraagstukken van deze tijd nodig. Mijn fractie heeft in dit kader de volgende vragen aan het kabinet. Kan het kabinet met concrete voorbeelden aangeven op welke wijze de Europese Unie in haar veiligheidsbeleid aandacht geeft aan de sinds 11 september gebleken strikte noodzaak haar beleid samen met de Verenigde Staten te ontwikkelen? Acht het kabinet die ontwikkeling voldoende of wint de Duitse schone handenpolitiek?

Op nationaal vlak heb ik de volgende vragen. Hoe staat het nu met de positie van de minister van Buitenlandse Zaken? Is die nu stevig verankerd binnen de Ministerraad en in de rijksdienst op het snijvlak van de interne en externe veiligheid? Is hier een beschouwing te geven over datgene wat mogelijkerwijs geregeld moet worden op dit punt tijdens de formatie van een nieuw kabinet?

De door mijn fractie geschetste positiebepaling ten aanzien van de internationale situatie heeft uiteraard ook consequenties voor het defensiebeleid. Daar zal mijn collega Van den Doel morgen bij de behandeling van de begroting van Defensie nader op ingaan.

De heer Koenders (PvdA):

Mag ik uit uw woorden over de veiligheidspolitieke kant van het defensiebeleid concluderen dat deze coalitie zich weinig aantrekt van het mooie betoog dat u gehouden heeft en dat het kabinet, wat het defensie- en veiligheidsbeleid betreft, gewoon een bezuinigingskabinet is gebleken?

De heer Van Aartsen (VVD):

Volgens mij kunt u al kennis hebben genomen van de amendementen op de begroting van Defensie voor 2003, die mijn fractie samen met de LPF-fractie heeft ingediend. Met die amendementen beogen wij onder andere om het niet oproepen van het derde mariniersbataljon, dat nodig is voor de expeditionaire kracht van onze krijgsmacht, ongedaan te maken. Wij willen verder de aanschaf van de vervangende munitie voor de patriot mogelijk maken. Dat zijn bezuinigingsvoorstellen van het kabinet waartegen wij, gegeven de amendementen, grote bezwaren hebben. Ik hoop dat die amendementen ook met uw steun dan een meerderheid halen in de Kamer.

De voorzitter:

Ik merk op dat dit iets is voor de behandeling van de begroting van Defensie.

De heer Koenders (PvdA):

Voorzitter. Die steun zal de heer Van Aartsen op veel punten krijgen. Mag ik dan constateren dat het in dit geval dus niet de Partij van de Arbeid is maar kennelijk zijn eigen kabinet dat, zoals hij het zo mooi noemt, de neutralistische kant is opgegaan door Defensie de restpost te laten zijn van het buitenlands beleid?

De heer Van Aartsen (VVD):

Ik heb niet voor niets een betoog gehouden dat op dit punt uitmondt in het juist versterken van de expeditionaire mogelijkheden van de Nederlandse krijgsmacht. Zoals ook blijkt uit de plannen die mijn fractie voor de komende periode heeft ingediend, zal zij de komende jaren extra willen investeren in defensie. Dat lijkt mij niet meer dan logisch. Dat sluit er dus naadloos op aan.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik weet dat wij er morgen over doorpraten, maar ik wil de heer Van Aartsen toch vragen of die cultuur van schroomvalligheid waarvoor hij aan het begin van zijn betoog zo uitgebreid aandacht had, ook niet Defensie in haar greep zou kunnen krijgen.

De heer Van Aartsen (VVD):

Ik hoop dat dat niet het geval is. Mijn hele betoog is erop gericht om buitenland en defensie op één lijn te zetten en duidelijk te maken dat Nederland op dat gebied een grote internationale betrokkenheid zal moeten laten zien. Maar dan moet je dus ook een krijgsmacht hebben die dat kan en die daar de middelen en de spullen voor heeft!

Op het snijvlak van interne en externe factoren is het wat betreft de positionering van de islam in de wereld goed om ons vandaag te blijven herinneren dat de islam ooit op ons vooruitliep. De islam fungeerde als een doorgeefluik van de klassieke literatuur, waarvan een belangrijk deel via de islamitische wereld Europa heeft bereikt. In ons werelddeel heeft dat bijgedragen aan de Renaissance. Het grote actuele probleem van de islam is vandaag de dag, naast de afwezigheid van modernisering, daarmee samenhangend het moslimfundamentalisme dat vanaf het Arabisch schiereiland wordt bevorderd. Die invloed wordt gelukkig meer en meer onderkend.

Ik wijs onder andere op het zeer interessante UNDP-rapport, samengesteld onder leiding van de Egyptische socioloog Fergany. Het stelt vast dat de Arabische wereld op drie cruciale punten tekortkomingen vertoont. Men heeft 22 Arabische landen bekeken. Het gaat om de punten vrijheid, kennis en positie van vrouwen. Dat verklaart ook de achterstelling van de islamitische en de Arabische wereld. Die ontwikkeling doet men zichzelf aan. Daar komt geen Europeaan of Amerikaan aan te pas. Hoe vaak hebben wij het elkaar niet nagezegd: de islam kende geen renaissance, geen verlichting? Wij moeten daar zo langzamerhand de lessen uit trekken. Steun aan de veranderingsgezinde krachten, zeg liberale krachten in de islam, is hard nodig. Mijn fractie denkt dat de aanwezigheid van de moslimminderheid in onze contreien in de West-Europese landen ons daarbij kan helpen. Maar dan moeten wij hen wel met kracht de liberale of veranderingsgezinde kant opstuwen en geen concessies doen, zoals wij jaren hebben gedaan. Wij moeten geen lippendienst bewijzen aan een goedbedoeld maar gevaarlijk multiculturalisme, met vage, niet duidelijk omschreven doelstellingen.

Door onze houding ten opzichte van de Arabische wereld en de moslimwereld en door onze handelwijze ten opzichte van de moslimminderheid kunnen wij een tijdbom wellicht tijdig demonteren. Wat kan de minister en zijn ministerie op dit gebied doen? Wij hebben immers een goede naam in de Arabische en moslimwereld. Wij kennen vele Arabisten van naam en faam, zowel binnen als buiten het departement van Buitenlandse Zaken. Het is goed om die in te schakelen en dimensie te geven aan de positie van het departement van Buitenlandse Zaken in dit debat. Wij moeten uiteraard moedig zijn tegenover landen die verder het verkeerde pad verder dreigen op te gaan. Ik denk aan landen zoals Saoedi-Arabië en Egypte. Mijn collega Wilders zal daar deze week nader op ingaan bij het associatieverdrag tussen Egypte en de EU.

De heer Koenders (PvdA):

Deze verhandeling leent zich gemakkelijk voor lange interrupties. Dat mag echter niet. Ik hoor echter een fris geluid bij de VVD. De verlichting en modernisering in de Arabische wereld is zeer belangrijk. Ik hoor ook een erkenning van het belang van de islam. Neemt de heer Van Aartsen bijvoorbeeld afstand van de posities die de VVD in het verleden heeft ingenomen ten aanzien van Turkije als lid van de Europese Unie? De heer Bolkestein en anderen zeiden dat Turkije niet bij Europa hoorde, omdat het een islamitisch land was. Is dat de consequentie van wat de heer Van Aartsen zegt?

De heer Van Aartsen (VVD):

Ik geloof dat de VVD-fractie zich geen seconde lang heeft verzet tegen de afspraken die in december 1999 in Helsinki zijn gemaakt, toen de Europese Unie opnieuw omschreef dat Turkije kandidaat-lid zou moeten zijn van de Europese Unie. De VVD-fractie heeft zich daar bij mijn weten niet tegen verzet.

De heer Koenders (PvdA):

U vergist zich. De VVD-fractie heeft voor de motie van mevrouw Karimi gestemd die tegen toetreding van Turkije was. Ik neem aan dat u daar nu weer afstand van neemt. Ik stelde u een vraag over de positie van de heer Bolkestein wat betreft het uitsluiten van Turkije op basis van de islam.

De heer Van Aartsen (VVD):

Dat is de kracht van het liberalisme. Daar kan in de liberale wereld verschillend over worden gedacht. De heer Bolkestein heeft overigens als Commissaris van de Europese Unie een belangrijk aandeel gehad in de besluiten die de Commissie heeft genomen over Turkije.

De heer Koenders (PvdA):

Het gaat erom wat u in politiek opzicht vindt.

De heer Van Aartsen (VVD):

Het betrof ook de steun die Turkije gegeven zou kunnen worden in het zicht van de onderhandelingen. Mijn fractie vindt niet dat Turkije niet bij de Europese Unie zou behoren vanwege de islam.

De heer Koenders (PvdA):

Dit is een belangrijk politiek feit. De positie die de VVD-fractie bij de laatste moties heeft ingenomen, is nu verlaten. Dat geldt ook voor de positie van de heer Bolkestein. Overigens wordt er ook in mijn partij verschillend over gedacht. Gelukkig zijn wij open partijen, maar dat doet nu verder niet ter zake.

De heer Van Aartsen (VVD):

Wij zijn hier toch ook bijeen om te debatteren en van gedachten te wisselen. Soms veranderen wij ook van positie. Is dat zo vreemd? Dat is wellicht het grote verschil tussen verlicht liberalen en socialisten.

De heer Koenders (PvdA):

Ik vind het fantastisch dat dit gebeurt. Wij zijn beiden voorstander van het debat, maar het is wel handig om te weten waar wij aan toe zijn. Dit vind ik positief.

De heer De Graaf (D66):

Ik heb de heer Van Aartsen net iets horen zeggen wat volgens mij een innerlijke tegenstrijdigheid is, namelijk dat wij de moslims in Nederland de liberale weg op moeten stuwen. Vervolgens zei hij dat wij af moeten van het vage multiculturalisme. Kan hij dat wat meer handen en voeten geven? Ik begrijp wel dat kennis van de westerse verlichting bijdraagt aan een beperking van het fundamentalisme, maar de vraag is wat er dan precies moet gebeuren.

De heer Van Aartsen (VVD):

Uitgerekend een D66-minister uit het vorige kabinet is daarin voorgegaan. Er is een veel eerlijker, harder en veeleisender houding nodig tegenover de moslimminderheid in ons land en in de West-Europese landen. Het steunen van de veranderingsgezinde krachten – tegen u kan ik wel liberale krachten zeggen – draagt uiteindelijk ook bij aan het veranderen van het gezicht van de islam en de situatie in de Arabische landen. Wij moeten van de aanwezigheid van deze minderheid gebruikmaken om veranderingen te bewerkstelligen in de wereld van de islam.

De heer De Graaf (D66):

U zegt dus eigenlijk dat wij in Nederland geen politiek mogen voeren die gebaseerd is op de multiculturele samenleving, omdat wij dan de mogelijkheid ontkennen dat moslims westerse waarden aannemen en zich afkeren van het fundamentalisme.

De heer Van Aartsen:

Wij hebben jarenlang een te vaag en gemakkelijk beleid gevoerd en dat is mede onder invloed van een minister van uw partij in het vorige kabinet veranderd. Die verkeerde perceptie van tolerantie heeft enorme problemen gecreëerd. Daarom moeten wij het debat aangaan. Dat is belangrijk in de situatie van de AEL. Ik ben het eens met de vraag van de heer Eurlings. Laten wij dat alsjeblieft goed onderzoeken. Wat mij betreft doet de AIVD dat. Ik hoop dat de minister van Buitenlandse Zaken daar gegeven de veranderingen die zijn aangebracht op kan antwoorden. Het is belangrijk dat wij organisaties als deze tot op het bot bestrijden. Wij moeten deze organisaties bestrijden omdat zij integratie afwijzen en vanwege de keuzen die zij maken op het gebied van mensenrechten en de positionering van vrouwen. Waar ik van ijs, is wat in België gebeurt ten aanzien van burgerwachten. Gelukkig hebben wij die situatie in Nederland niet, maar laten wij alsjeblieft harder en eerlijker zijn met de minderheid die zich in Nederland bevindt.

De heer De Graaf (D66):

Het ging niet over die organisaties, maar over de vraag wat liberaal is en in hoeverre je mensen kunt dwingen om feitelijk van hun overtuigingen af te komen.

De heer Van Aartsen (VVD):

Ik heb gezegd: ze stúwen in een veranderingsgezinde richting. Er zijn voldoende islamisten geweest binnen de Arabische wereld die geweldige ideeën hebben over de route en de richting van deze wereld in de komende jaren. Die gaan inderdaad in een andere richting dan wat moslimextremisme en fundamentalisme bepleiten.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik heb vanavond vaak het gevoel dat ik in een verkeerde begrotingsbehandeling zit. Je denkt eerder aan de behandeling van de begroting van Justitie of van Binnenlandse Zaken, want het gaat regelmatig om thema's die bij die begrotingen aan de orde zouden moeten komen. Maar goed, ik zou de heer Van Aartsen willen vragen om een paar dingen niet door elkaar te halen. Zo is de Arabische wereld echt de Arabische wereld. De mensen die in deze wereld leven, zijn moslims, maar ook christenen en joden. De islamitische wereld is vele, vele malen groter dan de Arabische wereld. Dit zijn gewoon feiten. Als hij een analyse geeft, laat hij dan alstublieft bij feiten blijven.

Ik wil ook nog iets anders zeggen. Ik voel mij persoonlijk echt beledigd door zijn betoog, want hij beweert dat de mensen in de islamitische wereld zich geen eigenaar kunnen voelen van mensenrechten of liberale verworvenheden, omdat zij moslims zijn. Ik zal graag zien dat hij dit terugneemt.

De heer Van Aartsen (VVD):

Nee, dat zal ik niet doen, mijnheer de voorzitter. Ik heb mij meer in het bijzonder gebaseerd op het UNDP-rapport, een uitstekend rapport dat de situatie weergeeft in 22 landen in de Arabische wereld. Dat rapport maakt duidelijk dat de armoede die daar is, de positie van vrouwen die achtergesteld zijn...

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Voorzitter, ik moet...

De voorzitter:

Nee, laat u nu de heer Van Aartsen eerst antwoord aan u geven.

De heer Van Aartsen (VVD):

Die armoede en die achtergestelde positie van de vrouw zijn niet te verklaren zoals GroenLinks dat in zijn verkiezingsmanifest doet, namelijk dat het Westen maar gezien moet worden als de schuldige voor de ellende, waar dan aan toegevoegd wordt "Geef ze daar maar eens ongelijk in". Daar voel ik mij op een verkeerde manier door aangesproken.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

De heer Van Aartsen had goed moeten lezen, voorzitter. Ik heb in mijn betoog aan hetzelfde rapport gerefereerd en ook gerefereerd aan alle thema's die hij nu naar voren brengt. De conclusie die hij eruit trekt, is echter een heel andere dan de conclusie die ik trek en die ook het rapport trekt. Waar het om gaat is – ik zou daar wel eens zijn mening over horen – dat het in Egypte goed fout gaat. En waarom? Omdat de heer Hosni Moebarak daar zit. Wie houdt de heer Hosni Moebarak in het zadel?

De heer Van Aartsen (VVD):

In die manier van redeneren van mevrouw Karimi kan ik mij absoluut niet vinden. Juist in een land als Egypte zijn een aantal jaren geleden een aantal veranderingsgezinde krachten met ideeën actief geweest. Het gaat erom dat wij consequent in ons beleid – in het EU-beleid en in het Nederlandse beleid, voor zover dat mogelijk is – de veranderingsgezinde krachten helpen. Deze regering doet dat ook in haar beleid. Dan gaat het ook om vraagstukken als good governance, waar mevrouw Terpstra straks nader over zal spreken. Naar mijn oordeel moet daar veel nadruk op worden gelegd.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Ik doe een laatste poging. Als u dan een analyse wilt maken van de situatie daar, dan verwacht ik van u ook een gedegen analyse. Dan gaat het niet om good governance, maar om overheden die tegen de zin van de bevolking aan het regeren zijn. Het gaat echt om overheden die repressief beleid voeren ten aanzien van de eigen bevolking. Dezelfde overheden worden op dit moment door de Verenigde Staten onder druk gezet – en ook gesteund – om bijvoorbeeld in de kwestie-Irak tegen de eigen bevolking in positie te kiezen en nog meer repressie door te voeren ten opzichte van de eigen bevolking. Dát is de situatie. Wat u zegt, is gewoon schijnheilig.

De heer Van Aartsen (VVD):

Ik heb de indruk dat mevrouw Karimi het debat in de VS niet of nauwelijks volgt. Senatoren als Liebermann en McCain hebben hierover immers het nodige gezegd. Ik vraag de regering nu om gegeven recente ontwikkelingen een wat moediger standpunt in te nemen ten aanzien van Saoedi Arabië en Egypte. Daarover wordt ook aan de overkant van de oceaan vrij uitvoerig gedebatteerd.

Gezien het late tijdstip zal ik niet veel meer zeggen over het conflict in het Midden-Oosten. Ziet de minister voortgang in het overleg tussen de Palestijnen en Israëli's van goede wil? Welke ontwikkelingen voorziet hij na de verkiezingen in Israël en hoe groot acht hij de kans op nieuwe vredesinitiatieven?

Ik sluit mij graag aan bij de opmerkingen van de heer Koenders over de zaak-Thoenes.

In het verleden zijn toezeggingen gedaan met betrekking tot het aanstellen van meer vrouwen in de rangen 14 tot en met 16 op het departement. Hoever staat het daarmee?

Mevrouw Terpstra (VVD):

Voorzitter. Ik wil graag beginnen met collega Ferrier van harte te feliciteren met haar maidenspeech. Haar betoog was helder en gepassioneerd. Het is fijn om zo'n nieuwe collega op het terrein van ontwikkelingssamenwerking te mogen begroeten.

De staatssecretaris heeft ons laten weten dat haar beleid grosso modo een voortzetting en consolidering is van het vigerende ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Wel somt zij vier extra aandachtspunten op: integraal beleid en coherentie van beleid (overigens ook al een streven van haar voorgangers), de nadruk op Afrika (de Volkskrant: "Jaap en ik gaan Afrika anders aanpakken") en ten slotte versterking van de rol van de particuliere sector. Over dat laatste schrijft Trouw: "Van Ardenne pleegt achterstallig onderhoud" en dat sloeg dan met name op de rol van het bedrijfsleven. Groots en meeslepend klinkt dat niet en misschien kan dat ook niet in demissionaire staat! Maar wel nodig als antwoord op nieuwe internationale realiteiten als globalisering, onvoldoende werking van mondiale markten, culturele en religieuze regionale conflicten en ontbindende staten. En weer is er die prangende vraag wat het meest effectieve beleid is bij armoedebestrijding: werkgelegenheidsbevordering, conflictpreventie, migratiebeperking? Wat zijn de lessen uit het verleden? Professor Hellema, hoogleraar geschiedenis Internationale betrekkingen aan de Universiteit van Utrecht, schetst in "De geschiedenis van 50 jaar Nederlandse ontwikkelingssamenwerking" hoe de grondslag van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking aanvankelijk gebaseerd was op "de welhaast messianistische gedachte dat Nederland een bijzondere rol te spelen had in de wereld, voortkomend uit de oude ethisch-koloniale opvattingen en aansluitend aan de traditionele westerse missie en zending ter 'verheffing van minder ontwikkelde volkeren"'. Hieruit bleek dus het geloof van de maakbaarheid van de in dit geval internationale samenleving. Daar zijn we nu wel vanaf. We onderschrijven nu – om prins Claus te citeren – dat "mensen niet wórden ontwikkeld, maar dat mensen zichzelf ontwikkelen". En vanuit internationale solidariteit komen wij hen daarbij te hulp. Alleen weten we niet precies hoe. Dus wordt het een herijken, evalueren, ontschotten, analyseren, bijsturen en ontpronken, een cyclus van theorieën en modes. Nu is het: ownership, macrosteun, partnership. De centrale vraag is echter: helpt de hulp? Deze mocht lange tijd niet worden gesteld, laat staan beantwoord. Frits Bolkestein poneerde zo'n tien jaar geleden dat hulp niet helpt en eerder hindert; dat wij ondanks onze goede intenties landen eerder afhankelijker dan zelfstandiger hebben gemaakt; dat wij hun juist prikkels hebben ontnomen om van binnenuit hun zelfstandige kracht te versterken. Toen werd deze discussie echter als politiek incorrect van tafel geveegd. De discussie komt nu langzaam op gang, in binnen- en buitenland. Ik vind het een compliment voor GroenLinks dat het een fundamentele discussie over juist deze vraag niet uit de weg wil gaan.

Op micro- en mesoniveau kunnen wij zien dat hulp soms armoede vermindert, soms een armoedeval afremt. Op macroniveau is er echter reden voor groot relativisme. In Afrika zien wij dat ondanks langjarige grote hulpbudgetten geen enkele regio – ik zeg dat met nadruk en spijt – op het ontwikkelingspad is gezet. Terwijl in andere landen als China, Zuid-Korea, Hongkong en Singapore zonder noemenswaardige hulp wel grootschalige armoedevermindering te zien is geweest. Met andere woorden, kijkend naar de feiten is niet de hoogte van het bedrag maar de aard van de ontwikkelingssamenwerking bepalend. In het Wereldbankrapport "The challenge of development" wordt geconcludeerd dat drie factoren bepalend zijn voor economische ontwikkeling: vrije interne concurrentie, investeringen in bevolking en internationale vrijhandel. Ontwikkelingssamenwerking komt in deze rij niet voor, hoewel zij investeringen in bevolking wel kan versnellen. Ontwikkelingssamenwerking is echter geen bepalende factor.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Mevrouw Terpstra noemt nu juist de landen die de mogelijkheid hebben gehad, hun interne markten te beschermen door protectionisme. Tal van Afrikaanse landen kunnen dat niet. Erkent mevrouw Terpstra dat ontwikkelingssamenwerking soms ook gewoon gaat om het in leven houden van mensen en dat geld dat daaraan wordt besteed niet "weggegooid wordt in een bodemloze put", zoals zij onlang in Buitenhof beweerde? Wil zij de mensen aan hun lot overlaten, zijn zij de moeite van ontwikkelingssamenwerking niet meer waard?

Mevrouw Terpstra (VVD):

Ik ben blij met deze interruptie, de eerste van mevrouw Ferrier in dit debat. Natuurlijk, het verlenen van noodhulp, overlevingshulp en humanitaire hulp is een moreel gebod, zonder enige twijfel. Er is geen mens, zeker niet bij de VVD, die dat zou willen schrappen; integendeel. Het is echter niet de kern en het uitgangspunt van effectieve armoedebestrijding. Er is inderdaad sprake van handelsbelemmeringen, opgeworpen door westerse landen, waardoor kansen worden gemist. Ik ben dat volstrekt met mevrouw Ferrier eens. Juist door deze handelsbelemmeringen wordt ontwikkelingslanden een drie- of viervoud aan kansen op inkomsten ontnomen van wat wij mondiaal geven aan ontwikkelingssamenwerking. Uit de geschiedenis moeten wij leren dat wij allereerst en met de grootste prioriteit de handelsbelemmeringen moeten wegnemen. Dát is pas echte hulp. Het gaat daarbij niet om onze rol als koopman, maar om het effect op de levensstandaard van mensen. Daarnaast kan als ondersteuning ontwikkelingssamenwerkingshulp worden gegeven, waarmee kan worden geïnvesteerd in mensen.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Ik ben dat met mevrouw Terpstra eens; dat is wat wij allemaal willen, het bevorderen van het zelfontwikkelend vermogen.

Mevrouw Terpstra (VVD):

Het is een versterking van de zelfstandige kracht, maar wij hebben dat heel lang niet gedaan. Ik prijs de staatssecretaris dat zij hier zegt: mijn accent bij het nieuwe, effectievere ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is het versterken van die zelfstandige kracht bij het lokale bedrijfsleven, ook bij het midden- en kleinbedrijf.

Het is goed dat de staatssecretaris heeft aangekondigd méér werk te willen maken van "ondernemen tegen armoede" en behoorlijk wil investeren in het beleidsprogramma Samenwerkende opkomende markten (PSOM). De VVD wil daar nog een schepje bovenop doen en heeft daartoe een amendement ingediend. Het zwaartepunt moet liggen op het weghalen van de belemmeringen voor de vrije handel, het neerhalen van de tariefmuren, de hervorming van het Europese landbouwbeleid en daarnaast, als ondersteuning, de ontwikkelingssamenwerking, die wij vanuit internationale solidariteit graag mee helpen bevorderen. Via het bilaterale beleid wenst de VVD voor de versterking van de democratie, verbetering van de mensenrechten, anticorruptie en verbetering van het onderwijs absolute prioriteit. Via de VN-organisaties en ngo's zou een substantieel budget moeten worden ingezet ten behoeve van natuur en milieu, behoud biodiversiteit en gezondheidsbeleid. ngo's zouden zich bij die prioriteit zoveel mogelijk moeten aansluiten.

Over de norm gesproken: in het Strategisch akkoord is afgesproken het budget op 0,8% te handhaven. Voor het jaar 2003 gaan we dus daarvan uit, want beloofd is beloofd.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Mevrouw Terpstra spreekt over het weghalen van handelsbelemmeringen. Doelt zij ook op de handelsbelemmeringen die gecreëerd worden door het dumpen van Europese voedseloverschotten op de markten van de ontwikkelingslanden?

Mevrouw Terpstra (VVD):

Dat is een retorische vraag. Dat hoort er vanzelfsprekend helemaal bij. In het Europese landbouwbeleid worden om te beginnen de producten erg goedkoop in verband met de grondstoffen. Vervolgens is er een overschot aan producten hier. Dit wordt gedumpt in de ontwikkelingslanden, waar de gewone kleine boer er niet tegenop kan concurreren. Dat is een volstrekt oneerlijke concurrentie. Daarom wil ik de handelsbevordering en de liberalisering van de handel niet ongeconditioneerd laten plaatsvinden. Wanneer handel wordt geliberaliseerd mag dat niet tot gevolg hebben dat de grote producenten de kleintjes in feite uit de markt drukken.

Coherent beleid, zegt de staatssecretaris. Zeker, maar niet alleen met Buitenlandse Zaken, maar bijvoorbeeld ook met Economische Zaken! De inzet voor de Doha-ronde van de WTO ten behoeve van vergroting markttoegang, geconditioneerd vrijmaken van landbouwmarkten en verbetering van de handelssystemen in landbouw, industrie en diensten klinkt goed. Maar het is daarbij voorwaarde en cruciaal voor ontwikkelingslanden dat Nederland zich juist binnen de EU sterk maakt voor de noodzakelijke landbouwhervormingen. Wat is daarvoor het traject, nu we tot 2007 geen uitzicht hebben op die hervormingen?

Het beleid moet ook coherent zijn met milieu- en energiebeleid. Ook de vrijdag jl. goedgekeurde uitwerking voor het actieplan Duurzame ontwikkeling en de daarin aangebrachte verbreding juichen wij toe. Wij zullen daar zeker nog nader over komen te spreken.

Het beleid moet ook coherent zijn met bijvoorbeeld defensiebeleid. Humanitaire interventie, vredeshandhaving en vredesafdwinging vormen steeds vaker een voorloper en noodzakelijke voorwaarde voor ontwikkelingsbeleid. Nationbuilding is onontbeerlijk om een ontwikkelingsrelatie mogelijk te maken en misschien is dat wel dé uitdaging voor de 21ste eeuw. Om deze reden moeten operaties zoals die in Afghanistan ook in de toekomst net als die van de ISAF – met het CDA zeg ik: deels – uit de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking gefinancierd kunnen worden.

Het beleid moet coherent zijn met bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerking en sport. De tijd ontbreekt me om nog eens de wordingsgeschiedenis van de nota Sport en Ontwikkelingssamenwerking "Samenspel scoort" van minister Pronk en mij in Paars I in herinnering te roepen of stil te staan bij de bindende functie van sport bij nationbuilding of het perspectief bieden in vluchtelingenkampen. Terecht is sport opgenomen in het programma van de NCDO. Maar dan moet het wel goed gebeuren. Daarom heb ik een amendement ingediend, om ze het volle pond te geven.

Eergisteren, 1 december was het weer Wereldaidsdag, niet zozeer om te vieren dat bewezen is dat preventie helpt en dat behandeling mogelijk en effectief is, maar vooral om stil te staan bij de rampzalige feiten. Ruim 42 miljoen mensen zijn besmet, waarvan 95% in een ontwikkelingsland leeft. Dagelijks komen er 14.000 hiv-geïnfecteerden bij. Aids treft het meest productieve deel van de bevolking en heeft alleen al in Afrika vier miljoen kinderen wees gemaakt. Nog te veel heerst desondanks in Afrika wat de heer Kofi Annan eens beschuldigend noemde "het complot van zwijgen over aids".

Eergisteren werd in China wél het grote zwijgen over aids officieel verbroken en ging een grootscheepse voorlichtingscampagne van start. Dat is winst! Ik heb ook nog een vraag naar aanleiding van de aidsbrief van 7 oktober jl. Ik mag toch hopen dat het voorgenomen preventie- en zorgbeleid van de Nederlandse ambassades in het buitenland voor eigen en lokaal personeel én hun partners én hun kinderen thans op orde is? Chapeau overigens voor Heineken die op dit gebied vér vooruit liep op de in de maak zijnde lLO-gedragscode voor het bedrijfsleven. Om trots op te zijn! Dit vergt absoluut navolging.

Van eergisteren naar morgen. In Nieuwspoort wordt morgen door de directeur van de UNFPA het wereldbevolkingsrapport 2002 aangeboden. Het rapport Mensen, armoede en mogelijkheden legt de relatie tussen armoede en onder andere seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen en jongeren, zoals vastgelegd op de bevolkingsconferentie in Cairo en onder Nederlandse leiding heftig en succesvol verdedigd op de vrouwenconferentie in Peking. President Bush is thans persoonlijk bezig met een frontale aanval op de Cairoagenda en heeft inmiddels de gehele VS-bijdrage aan de UNFPA gecanceld. Terecht heeft de staatssecretaris verontwaardigd gereageerd in het openbaar en terecht is de EU onmiddellijk bijgesprongen. Als onderstreping van die verontwaardiging én als signaal naar andere landen heb ik een amendement ingediend voor een eenmalige ophoging van de Nederlandse bijdrage aan de UNFPA.

Vanwege de tijd zal ik nu heel kort zijn, voorzitter. Een van de ambitieuze millenniumdoelstellingen is om in 2015 het aandeel van de wereldbevolking dat geen toegang heeft tot schoon water, te halveren. In het Nederlandse waterpartnerschap (NWP) komt de expertise uit de publieke sector en het bedrijfsleven samen. Dit biedt Nederland unieke kansen om een aansprekende rol te blijven spelen in de discussie over het internationale waterbeleid. Wat is in maart a.s. de Nederlandse inzet tijdens het Wereld Waterforum in Japan?

De betrokkenheid van de VVD bij het onderwerp onderwijs is bekend.

Het debat over de medefinancieringsorganisaties hebben wij vorige week al gevoerd. Ik wil de staatssecretaris echter nog een vraag stellen over de implementatie van de aanbeveling, de MFO's in hun beleid meer aansluiting te laten zoeken bij het bilaterale beleid om versnippering te voorkomen. Welke aspecten ziet zij daar vooral?

Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van mevrouw Karimi en de heer Koenders over het thematische medefinancieringsprogramma en het ene loket voor burgerinitiatieven. Ik vraag ook nog speciale aandacht voor het Netherlands Institute for Multiparty Democracy (IMD). Juist het versterken van de jonge democratieën – wat wij allemaal zo graag willen – kan daarmee geholpen worden.

Ten aanzien van de landenkeuze wil ik een beoordeling van de staatssecretaris over de vraag, of Vietnam en wellicht ook Oeganda zich nog wel kwalificeren voor onze landenlijst. Wordt het geen tijd om de macrosteun aan Nicaragua voorlopig op te schorten vanwege de geweldige corruptie aldaar? En is het mogelijk om een extra impuls te geven aan de net gestarte dialoog tussen China en een delegatie van de Dalai Lama door daarover met China te praten en te vragen, dat door te zetten en zelfs te verbeteren?

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

De intentie van uw amendement met betrekking tot de UNFPA vind ik prima, mevrouw Terpstra, maar ik heb moeite met de dekking. U haalt het geld uit de bilaterale samenwerking met Rwanda. In uw hele betoog heeft u geen woord gewijd aan Rwanda. Hoe kan dat dan? U wilt dus eigenlijk geen bilaterale relatie met Rwanda?

Mevrouw Terpstra (VVD):

U weet dat wij heel lang hebben geaarzeld over de vraag, of Rwanda nu al op de landenlijst zou moeten komen te staan. Daartoe is zeer recent besloten. Ik vind op dit moment in Rwanda de situatie dusdanig dat wij nog niet moeten beginnen met de implementatie als gevolg van het op de landenlijst zetten. Daarom vind ik het goed om hier het budget voor UNFPA vanaf te halen.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Voorzitter. De regering schrijft in de begroting van Buitenlandse Zaken voor 2003 dat de Nederlandse samenleving verandert, omdat zij internationaal steeds meer verweven raakt. Dat lijkt mij een terechte constatering. De regering schrijft verder dat voor de behartiging van de Nederlandse belangen en voor het waarborgen van onze waarden, veiligheid, vrijheid en welvaart, wij verder moeten kijken dan tot onze grenzen. De vraag is hoe onze belangen zich verhouden tot die van anderen, hier of op een geheel andere plaats in de wereld. Het uitgangspunt van de regering is voor mij aanleiding tot het stellen van veel vragen en tot het wijzen op andere opvattingen en gedragingen. Hoe verhouden onze waarden en onze veiligheid zich namelijk tot die van andere mensen in andere landen of in verre streken? Hoe verhouden onze vrijheid en onze welvaart zich tot die van de rest van de wereld, met name tot die van de mensen in de Derde Wereld? Ik geef een voorbeeld. De Contran uit Kongo is van groot belang voor onze welvaart, maar de oorlog die daar wordt gevoerd, is hun oorlog. Zij wordt overigens gevoerd met wapens uit het geïndustrialiseerde Westerse continent. Ik sluit mij dan ook graag aan bij het verzoek van mevrouw Karimi om een nota over maatschappelijk verantwoord ondernemen in conflictgebieden

Voorzitter. Diverse vormen van mondialisering dringen zich op. Het heeft er alle schijn van dat de oorlog tegen het terrorisme permanent is geworden in een inmiddels gemondialiseerde wereldeconomie. Heeft de Amerikaanse president Bush niet gezegd dat deze oorlog vele jaren kan duren? Dreigt niet een geheel nieuwe oorlog, namelijk de oorlog tegen Irak? De permanente jacht op terroristen wordt gecombineerd met de jacht op grondstoffen en invloedssferen. De SP-fractie blijft bij haar standpunt dat terroristen op een geheel andere wijze kunnen en moeten worden bestreden. De SP-fractie vreest dat grote oorlogen en grootschalige bombardementen eerder een averechts effect zullen hebben op de politiek-militaire ontwikkeling, zeker als het gaat om de sociaal-economische ontwikkeling van de landen in kwestie.

De wijze waarop de regering met de spanning tussen haar eigen uitgangspunten omgaat, staat de SP-fractie tegen vanwege de theorie en de praktijk van het internationaal waarden- en normendebat, dat in de begroting wordt verwoord. Ik geef een voorbeeld. De heer Van Aartsen sprak al over het Nederlandse bedrijfsleven dat overal aanwezig is. Een paar weken geleden nam het Nederlandse bedrijf RDM Technology deel aan een zogeheten SOFEX wapenbeurs in Jordanië. In het promotiemateriaal dat de organisatie van deze wapenbeurs verspreidde, werd breed uitgemeten dat Saddam Hoessein een officiële delegatie hooggeplaatste militairen stuurde. Ook landen als Iran, Libië, Soedan en Syrië, de landen die dit jaar nog door president Bush als vijanden of zelfs als landen van de zogenaamde As van het Kwaad werden bestempeld, waren op deze beurs aanwezig. Als het dus om onze waarden, onze veiligheid en onze welvaart gaat, kunnen wat Nederland betreft veel plooien gladgestreken worden. Als onze olie, onze gasvoorraden en onze scheepvaartroutes en als dus onze internationale belangen in het geding zijn, zijn wij bereid op te treden. Dan wordt het desnoods onze oorlog, ondanks ons pleidooi voor mensenrechten, waarden en normen.

Vorige week begroette onze minister-president de president van Kazachstan klaarblijkelijk omwille van onze welvaart. Onze oliemaatschappijen kunnen contracten verdienen, maar hoe zat het met hun veiligheid, de veiligheid en de waarden van de kritische burgers van Kazachstan? De rapporten van Amnesty International over de mensenrechtensituatie in dat land blijven onverminderd kritisch. Ik wil dan ook graag horen welke houding de regering in het gesprek met deze president heeft aangenomen.

Voorzitter. Wij vrezen dat een eventuele oorlog tegen Irak slechts ten dele te maken zal hebben met het verwijderen van massavernietigingswapens. Dat doel lijkt een bruikbare aanleiding om onze olie aldaar ter wille van onze waarden en welvaart onder controle te krijgen. De veiligheid van de Irakese bevolking doet minder ter zake dan onze belangen. Ik herinner in dit verband aan de vragen van de heer Van Bommel die, tot mijn spijt, helemaal niet zijn beantwoord. De oliebelangen spelen een rol bij een mogelijke aanval op Irak.

De SP-fractie wil graag terugkomen op de NAVO-top in Praag. De NAVO wordt hervormd tot een organisatie die waar ook ter wereld oorlog kan voeren. Wij vrezen dat de vijanden grotendeels door de Amerikaanse regering zullen worden gedefinieerd, als het bondgenootschap tenminste vindt dat het om zijn belangen gaat. Bij het definiëren van de vijanden speelt tot nu toe de Amerikaanse regering een cruciale rol. Zij heeft duidelijk gemaakt dat haar prioriteit bij de oorlog tegen het terrorisme daar ligt. Wat het terrorisme precies is, wordt niet duidelijk gemaakt. Gemakshalve wordt ook de strijd tegen de proliferatie van massavernietigingswapens erbij gehaald.

De heer De Graaf (D66):

Mevrouw Van Velzen dicht de NAVO een grote rol toe, terwijl haar fractievoorzitter de afgelopen dagen bij verschillende gelegenheden heeft gezegd dat de NAVO bijna tot opheffen gedoemd is, omdat de organisatie niets meer voorstelt. Hoe zit het nu precies? Is mevrouw Van Velzen bang voor de NAVO of vindt zij de organisatie niet meer relevant?

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik kom daarop nog terug in de rest van mijn betoog. Ik hoop dat u even geduld heeft.

De heer De Graaf (D66):

Dat heb ik zeker, want u schiep daarnet een heel ander beeld.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Voorzitter. De technologie om biologische, chemische en nucleaire wapens te maken, wordt verspreid over de wereld. Er komen landen bij met de kennis om kernwapens te fabriceren. De oorlog tegen het terrorisme impliceert ook een oorlog tegen landen die in het bezit zijn van deze technologie. De VS hebben in hun nieuwe "national security strategy" besloten om deze gevaren "pre-emptively", dus als eerste aan te pakken. Landen die worden ingeschat als een bedreiging voor de nationale veiligheid van de VS, kunnen nu ook zonder directe actuele aanleiding worden aangevallen. Het gaat om niets minder dan het opeisen van het recht om aanvalsoorlogen te voeren tegen door de VS gedefinieerde potentiële vijanden. Deze agressieve Amerikaanse politiek wordt nu ook doorgevoerd in de NAVO. Het gaat allang niet meer om het verdedigen van het eigen grondgebied of het eventueel met kernwapens terugslaan in bepaalde, nauwkeurig omschreven omstandigheden. De mogelijkheid wordt nu geopend dat NAVO-landen, dus de afzonderlijke leden van de NAVO, als eerste een aanval uitvoeren. Nederland kan dus bij een aanvalsoorlog betrokken raken. Betekent deze Amerikaanse positie ook niet dat de druk op de Europese landen toeneemt om eraan te ontsnappen? Wordt Europa niet aangespoord om de vraag te stellen of deze Amerikaanse politiek wel zo vruchtbaar en verstandig is?

De uitbreiding van de NAVO betekent volgens sommige analisten en diplomatieke bronnen in Brussel dat de Amerikanen het militaire bondgenootschap net zo lang laten opzwellen tot het irrelevant wordt en verwatert tot een soort OVSE. Volgens een opmerking van de Duitse minister van buitenlandse zaken Fischer zou deze tendens niet tegen te houden zijn. Is het niet juist de opstelling van de Duitse regering die hier op politiek niveau althans voorzichtig tegen ingaat? Deelt de minister van Buitenlandse Zaken deze analyse over de ontkoppeling op termijn van de VS en Europa binnen NAVO-verband? Deelt hij de mening van Fischer over het onontkoombare proces? Zo nee, kan hij dan een oordeel geven over de wijze waarop de VS de Europese NAVO-leden organiseert in verband met een mogelijke aanval op Irak? Denkt de minister dat het, indien het tot een oorlog tegen Irak moet komen, niet beter is om er een gezamenlijke NAVO-operatie van te maken en, zo nee, waarom niet? Wat is in dat geval nog de waarde van de NAVO? In feite gaat het hier om een analyse die de SP al langer van de NAVO heeft gemaakt, namelijk dat het een irrelevante organisatie is geworden ten opzichte van haar oorspronkelijke doelstelling en dat er met kracht naar alternatieven voor de NAVO moet worden gezocht.

Tegenover de mondialisering van economie en politiek kiest de SP steeds het uitgangspunt van de sociale globalisering en internationale solidariteit. Wij juichen mondialisering toe als een kans voor de wereldbevolking op ontwikkeling, maar dat moet dan wel op een sociale en niet-gewelddadige manier gebeuren. Op dat moment staan de belangen van grote ondernemingen en grootmachten voorop. De bevolking komt veelal niet anders aan bod dan als zeer goedkope werkkrachten ergens op de wereldmarkt. De SP-fractie vindt dat mensenrechten en veiligheid universeel moeten gelden en niet alleen pas op het moment dat onze belangen dat rechtvaardigen of dat wij onze bondgenoten boven alles moeten respecteren en aan dat soort politiek-militaire projecten moeten deelnemen. Het spijt ons dan ook te moeten constateren dat de woorden in de begroting dat iedereen de vruchten van de mondialisering moet kunnen plukken, op ons voornamelijk als lippendienst overkomen. Een land als Argentinië was nog niet zo lang geleden zeer welvarend en is nu aan de bedelstaf geraakt. Feitelijk desintegreert het land. Dat in dat land pure hongersnood heerst is een zeer bittere vrucht van de mondialisering.

De laatste jaren geven diverse hooggeplaatste personen van Wereldbank en IMF blijk van het inzicht dat een vorm van wereldbestuur nodig is om op een gereglementeerde manier te voorzien in de basisbehoeften van de wereldbevolking. Daaraan moet prioriteit worden gegeven en niet aan de privatisering van water, energie en onderwijs. Als deze sociale mondialisering mislukt, dan dreigt de toestand van wereldwijd verspreide oorlogen zich alleen maar uit te breiden. Ik denk dan aan oorlogen in de vorm van terrorisme of in de vorm van guerrilla of andere asymmetrische oorlogvoering.

Dat brengt mij op de toestand in Afrika. Onlangs werd duidelijk dat er op het ministerie een discussie werd gevoerd over het Afrikabeleid. Er werd al gesproken over een mogelijk spreekverbod. Ik vraag de minister, in te gaan op de discussie die wordt gevoerd op het ministerie over het Afrikabeleid. Het afschermen van de Westerse markten voor producten uit ontwikkelingslanden en het dwingend opleggen van een vrijemarkteconomie aan landen in het zuiden heeft de economisch zwakste landen van de wereld, waarvan de meeste toevallig ook nog eens in Afrika liggen, een nog grotere achterstand gebracht ten opzichte van de economisch ontwikkelde landen. Alleen al het valse spel van vrijhandel opleggen en eigen markten beschermen, wat wordt aangeduid met de eufemistische term "gebrek aan beleidscoherentie" kost de ontwikkelingslanden volgens OESO en UNDP drie tot tien keer meer dan zij in totaal ontvangen via ontwikkelingssamenwerking. Het ontwikkelingsmodel van het IMF, de Wereldbank en de WTO, waarin particuliere investeringen en vrijhandel tot economische ontwikkeling moeten leiden, is dringend aan herziening toe. Zonder een economisch model, waarin plaats is voor kleine producenten, slaagt de meerderheid van de bevolking van de armste landen er namelijk niet in, zich op de markt te handhaven. Dat heeft vanzelfsprekend desastreuze gevolgen voor de maatschappelijke en politieke stabiliteit in de betreffende landen. De armste landen van Afrika hebben een kader voor ontwikkeling nodig, waarin paal en perk wordt gesteld aan de dominantie van de markt. Nog veel sterker dan in onze Westerse landen heeft de vrije markt ertoe geleid dat de kloof tussen arm en rijk groter wordt, dat de publieke sector wordt uitgekleed en dat veel van wat met economie te maken heeft – werk, inkomen en voorzieningen – buiten het domein van de parlementaire besluitvorming komt te liggen.

De Afrikaanse tragedie die zich momenteel voltrekt – ik hoef maar te citeren uit de brief die vandaag is gestuurd over de hongersnood in Ethiopië/Eritrea, waarvan verwacht wordt dat volgend jaar 16 miljoen mensen daar te weinig eten zullen krijgen – heeft alles te maken met de wijze, waarop de huidige internationale structuren functioneren. Westerse kortetermijnbelangen en het gebrek aan politieke wil om in internationaal verband serieus werk te maken van het oplossen van het armoedevraagstuk bepalen in hoge mate het ontbreken van ontwikkelingsperspectief voor Afrika, het ontbreken van beleidscoherentie, de degradatie van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking tot een staatssecretaris en het pleidooi van sommigen in deze Kamer – althans degenen die hier nog zijn – om zelfs het budget voor Ontwikkelingssamenwerking van 0,8% naar 0,7% te verlagen en gedeeltelijk uit te geven aan militaire operaties, staan in hoge mate symbool voor de huidige tijdsgeest van ieder voor zich.

De druk op de nationale soevereiniteit is een verschijnsel dat met de mondialisering van economie en politiek tot stand is gekomen. De afgelopen dagen meldde de Australische premier dat het internationale recht moet worden aangepast om te kunnen ingrijpen in andere landen, waar hij terroristen vermoedt. Dezelfde geluiden komen al langer uit het Witte Huis. Hoe staat de regering tegenover de opmerkingen van de Australische premier? Is het idee van de soevereine staat nog bruikbaar? De druk is zorgwekkend, omdat zij leidt tot vergroot oorlogsgevaar.

De markt zet wereldwijd de democratische besluitvorming onder grote druk. De markt onteigent gemeenschappen en landen van primaire middelen als water en energie. Dit schept onaanvaardbaar grote problemen, die kunnen worden opgelost als in de gemeenschappen en de landen op een zelfstandige democratische beslist mag worden. Op verschillende manieren wordt door IMF, WTO en de Wereldbank de nationale soevereiniteit ondermijnd. Het concept van de soevereine staat is één van de weinige middelen die volkeren hebben om zich tegen deze economische druk van buitenaf te beschermen. Internationale solidariteit met de volkeren en gemeenschappen is een middel om internationale burgerrechten en sociale rechten te verdedigen. Dat zijn onze waarden, onze normen ter verdediging van de veiligheid en de welvaart van iedereen.

De heer Palm (LPF):

Voorzitter. Ik feliciteer mevrouw Ferrier, momenteel niet in de zaal, met haar maidenspeech.

De onderwerpen die vandaag bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken aan de orde komen, vallen eigenlijk alle onder de noemer "bevordering van de internationale veiligheid en stabiliteit". Het cluster ontwikkelingssamenwerking, Europese zaken en wat wij gemakshalve maar het reguliere BZ-deel zullen noemen, horen logisch bij elkaar. De discussie die bij de totstandkoming van dit kabinet plaatsvond over de positie van de bewindspersoon voor Ontwikkelingssamenwerking als minister of als staatssecretaris is wat de LPF betreft met de huidige situatie bevredigend geregeld. Ontwikkelingssamenwerking is een als integraal onderdeel van het buitenlands beleid en om het belang hiervan te onderstrepen is er een aparte staatssecretaris.

In deze discussie wordt vaak als argument gebruikt dat de minister nodig is om te zorgen voor de coördinatie en de coherentie in het beleid. Nu is coherentie van het beleid in het algemeen een na te streven doelstelling in al het overheidsoptreden. Voor Ontwikkelingssamenwerking zou het gebrek aan coherentie wel eens zo contraproductief kunnen werken dat wij echt vraagtekens moeten zetten bij het huidige ontwikkelingsbeleid. Ik doel dan op de relatie met het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie, waar ik later in dit betoog nog op terug zal komen.

Het EU-landbouwbeleid is meer dan een struikelblok voor ontwikkelingslanden. Het ontneemt de arme boeren in het Zuiden ontwikkelingskansen. De totale subsidie die naar de landbouwsector in OESO-landen vloeit, overstijgt het totale inkomen van 1,2 miljard mensen die onder de armoedegrens leven.

De samenhang in het beleid van Buitenlandse Zaken inclusief Ontwikkelingssamenwerking en Europa is evident. Voor de LPF is het dan ook winst dat de hiervoor verantwoordelijke bewindspersonen gezamenlijk optreden en hierop rechtstreeks kunnen worden aangesproken in het debat. Uitgaande van de wil tot samenwerking – en hoe kan het ook anders – moeten deze minister en deze twee staatssecretarissen echt in staat zijn, in de ministerraad te waken over de coherentie van het beleid. Sterker, ik ga ervan uit dat de problematiek rond de uitbreiding van de EU en de vraagstukken rondom veiligheid en stabiliteit, inclusief het bestrijden van het internationale terrorisme, integraal onderwerp van gesprek zijn in de ministerraad. Het moge duidelijk zijn dat de LPF over dit onderwerp van mening verschilt met de collega van de Partij van de Arbeid, maar ik begrijp dat de heer Eurlings dit kan ondersteunen.

Laat ik van de gelegenheid gebruikmaken om te vertellen waar de LPF voor staat wat betreft Ontwikkelingssamenwerking. Vervolgens zal ik kort iets zeggen over het onderwerp Europa en dan zal ik eindigen met enkele opmerkingen over Buitenlandse Zaken.

Ontwikkelingssamenwerking wordt door de Lijst Pim Fortuyn gezien als een instrument om een doel te bereiken. Dat doel is het bevorderen van de internationale veiligheid en stabiliteit en het op indirecte wijze wegnemen van de voedingsbodem voor terreur. Een meer evenwichtige inkomensverdeling, ook internationaal, draagt daaraan bij. Niet alleen op grond van ethische overwegingen, maar ook uit welbegrepen eigenbelang is een ruime inzet van middelen voor Ontwikkelingssamenwerking te verdedigen, ja zelfs zeer noodzakelijk. Slagen wij er met z'n allen niet in om ook elders in de wereld kernen van welvaart te realiseren, dan is dat niet alleen in economisch opzicht een ramp, maar dan veroorzaakt dat ook ongewenste migratiestromen. Je zou kunnen zeggen: dan komen zij het halen.

Ik formuleer de inzet van ontwikkelingssamenwerkingsmiddelen met opzet als een instrument. Deze vorm van hulp aan ontwikkelingslanden is slechts ondersteuning en in die zin bestrijding van symptomen. Aan een kwalitatief ontwikkelingssamenwerkingsbeleid dient echter ook het vereiste van eindigheid ten grondslag te liggen. Toetsing van de vele hulpprogramma's aan dit criterium is noodzakelijk, ook om de Nederlandse belastingbetaler recht in de ogen te kunnen kijken.

Het is van belang dat ontwikkelingslanden op structurele wijze in staat worden gesteld, op een volwaardige manier mee te doen aan de wereldhandel. Bij voedselproductie of grondstoffen moeten dezelfde eisen worden gesteld als in West-Europa. Eerlijke concurrentie moet worden bevorderd, en daar zit nu juist de kneep. In de begroting vind ik een zinnetje terug over eerlijke handel: Om ontwikkeling van arme landen te stimuleren zal het kabinet zich inzetten voor bevordering van open markten en in het bijzonder het wegnemen van barrières voor toegang tot de Europese markt.

De LPF wil graag weten wat het kabinet concreet gaat doen om de wereldconcurrentie eerlijker te maken en de Europese en nationale markten toegankelijker te maken. De LPF ziet graag concrete voorstellen van de regering voor afbraak van de tarieven.

Het lijkt erop dat ik mijn speech heb laten slingeren, want mevrouw Terpstra legt eigenlijk dezelfde accenten als de LPF.

Mevrouw Terpstra (VVD):

Ik hecht eraan op te merken dat het omgekeerde net zo goed het geval zou kunnen zijn, namelijk dat u inzage heeft gehad in mijn speech en dat u daarvan gebruik heeft gemaakt. Eigenlijk zouden wij elkaar dit soort verwijten niet moeten maken. Misschien zijn wij het wel heel erg met elkaar eens op dit punt. Ik ben ontzettend blij dat u zich aansluit bij mijn betoog.

De heer Palm (LPF):

Wie kaatst, moet de bal verwachten. Het is geen verwijt. De stelling is eerder dat onze zienswijzen op elkaar aansluiten.

Ik zet mijn redenering af tegen die van sommigen die ontwikkelingssamenwerking lijken te willen verheffen tot een absoluut doel. Je zou bij sommigen bijna kunnen spreken van een religie. De fractie van de LPF wil een cesuur aanbrengen in het ontwikkelingsbeleid. Dat was de inzet van de LPF tijdens de kabinetsformatie. Als je echter voorstelt om het bedrag dat Nederland jaarlijks voor ontwikkelingssamenwerking uittrekt te ontkoppelen of als je voorstelt dat Nederland zich voorlopig moet houden aan wat in internationaal verband hierover is afgesproken, namelijk de 0,7%-norm, word je direct als asociaal of erger afgeschilderd. Het doel lijkt te zijn meer geld en nog eens meer geld. Dit zou wel eens een houding kunnen zijn die het zicht op werkelijke barrières in het ontwikkelingsproces versluiert. Het gaat erom de effectiviteit van het instrumentarium helder te maken en een open oog te hebben voor alternatieven die de ontwikkeling van deze landen echt bevorderen, zoals vrije toegang tot de Europese markten.

Een verstandig rentmeester kenmerkt zich door zijn zorg voor opvoeding tot zelfstandigheid. Ik haalde het al even aan: eerlijke wereldhandel met een internationale arbeidsverdeling als de economische voordelen daarvan evident zijn. Je ziet dat in wezen al gebeuren. Arbeidsintensieve productie verschuift naar lagelonenlanden. Natuurlijk wordt er al geruime tijd in internationaal verband aandacht besteed aan deze kwestie.

Een van de kerntaken van de wereldhandelsorganisatie is, erop toe te zien dat tariefmuren en andere marktverstorende elementen worden weggenomen en dat een herschikking van de wereldproductie plaatsvindt. In de loop der jaren zijn talloze verdragen getekend, zijn er beloftes gedaan waarin wordt toegezegd dat subsidies en tariefmuren zullen worden afgeschaft en met de hand op het hart wordt bezworen terughoudendheid te betrachten bij dumping, subsidies en andere tarifaire en non-tarifaire belemmeringen.

In dit licht was de Doha-ronde van belang. In november 2001 vond in Doha de vierde ministeriële conferentie van de WTO plaats. Tijdens deze conferentie werd de overtuiging uitgesproken dat een open non-discriminatoir multilateraal handelssysteem die duurzame ontwikkeling moet kunnen versterken. Ook al was de conferentie succesvol te noemen, dit neemt niet weg dat er nog hard gewerkt zal moeten worden aan een nieuwe ontwikkelingsronde waarbij de landen in hun onderhandelingsvoorstellen rekening zullen moeten houden met de specifieke belangen van ontwikkelingslanden. Met name in de textielsector moet nog aanzienlijke bereidheid gevonden worden tot het doen van concessies. Dit geldt zowel voor de EU als voor de VS. De laatste echter is met het oog op het politieke gewicht geenszins van plan, water bij de wijn te doen. Daar komt nog bij dat in de VS zelfs landbouwwetgeving in de maak is die financiële ondersteuning van die sector zal verhogen.

Binnen de EU zijn de belangen niet allemaal gelijkgericht. Ook hier betreft het mandaat voor de landbouwonderhandelingen een heikel punt. In dit kader is zelfs al gesproken over een eventuele coalitie tussen de twee economische grootmachten, gericht op minder vergaande afspraken in de WTO over aanpassing van handelsverstorend beleid. Kan de regering hier haar licht over laten schijnen? Met andere woorden: eerst worden mooie afspraken gemaakt in internationaal verband en vervolgens worden allerlei trucjes bedacht om onder die afspraken uit te maken. Denk maar eens aan het verdrag van Cotonou. Daarbij gaat het weliswaar om een partnerschapovereenkomst met hoofdzakelijk Afrikaanse, vaak hulpbehoevende landen. Ook in dit verdrag is sprake van handelsbeperkende elementen voor landen die niet bij het akkoord zijn aangesloten en worden regels omzeild. Wij zullen in dit opzicht toch echt de hand in eigen boezem moeten steken.

De LPF-fractie is van mening dat het belangrijk is, je er voortdurend rekenschap van te geven of de wijze waarop wij ontwikkelingssamenwerking verlenen, bilateraal, multilateraal of via de zogenaamde derde weg, dat wil zeggen ngo's, wel altijd even doeltreffend is. Het vorige kabinet is met het bilaterale kanaal al de goede weg ingeslagen. Het is begonnen met concentratie van bilaterale samenwerking in een kleiner aantal landen om de effectiviteit van de hulp te vergroten. Onzes inziens kan deze trend verder worden doorgezet.

Ook ownership staat centraal in de hulpverlening. Overheden en niet-donoren moeten de beleidskaders, de prioriteiten en de plannen van aanpak bepalen. Dit komt tot uiting in de PRSP's, waarin de landen zelf aangeven hoe zij willen werken aan vermindering van armoede. De sectorale benadering – overgang van projectsteun naar programmasteun aan sectoren als onderwijs of gezondheidszorg – draagt hiertoe bij en wordt dan ook door onze fractie onderschreven.

Wij delen de opvatting van de staatssecretaris dat met een louter bilaterale benadering minder kan worden bereikt dan vanuit regioperspectief, zoals het Grote Merengebied. Wij zijn verheugd over de kritische houding van de staatssecretaris en haar toezegging om te onderzoeken wat de bilaterale hulp tot nu toe heeft opgeleverd. Wat zijn de successen, waar is gefaald, hoe kunnen wij daarvan leren? Dat zijn vragen waar wij graag antwoord op willen hebben.

Nederland draagt bij voorkeur via internationale organisaties als de VN bij aan een duurzame armoedevermindering. Nederland probeert bij te dragen aan een beter mondiaal bestuur en meer coherentie. Dat staat in de begroting. De staatssecretaris heeft aangegeven, multilaterale organisaties aan een kritische blik te onderwerpen. Zo lees ik in de krant: wij zetten een streep onder het onbegrensde vertrouwen in de wereldbank en andere multilaterale organisaties. Wij willen maatstaven aanleggen om de effectiviteit van de hulp te meten. De LPF onderschrijft deze kritische blik en zou graag meer inzicht hebben in de gelden die bijvoorbeeld naar overhead in Washington verdwijnen.

Het verheugt ons tevens om te constateren dat de staatssecretaris zich in tegenstelling tot haar voorgangers warm maakt voor een afstemming van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid op het buitenlands beleid. De gedachte achter een coherent, geïntegreerd beleid acht de LPF van groot belang. De BV Nederland moet een coherent beleid voeren en het is niet meer dan logisch dat ontwikkelingssamenwerking een integraal onderdeel uitmaakt van het buitenlands beleid. Ook vrede en veiligheid maken onderdeel uit van dit beleid. Dat spoort met datgene wat ik zojuist heb beweerd, namelijk dat ontwikkelingssamenwerking dient ter bevordering van vrede, veiligheid en stabiliteit in de wereld.

Tijdens de commissievergaderingen hebben de fracties en de staatssecretaris al van gedachten gewisseld over de rol van de medefinancieringsorganisaties. Dit gebeurde naar aanleiding van een evaluatie van hun functioneren door een aantal onafhankelijke commissies. Het oordeel over deze MFO's is in het algemeen positief. De staatssecretaris onderschrijft dit oordeel. De aanscherping van de criteria voor de MFO's doet ons deugd. Het gaat immers om effectiviteit. Ook het feit dat er inmiddels een nieuw subsidiesysteem is ingevoerd en dat het vaste percentage voor het ontwikkelingsbudget voor de MFO's is losgelaten, onderschrijven wij. Dat was 14% en dat is nu 11%.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Wanneer is het percentage 14 geweest? De MFO's zouden daar volgens mij heel erg blij mee zijn geweest.

De heer Palm (LPF):

Ik denk dat u gelijk heeft. Er was een bandbreedte afgesproken. Ik moet mijn betoog dus even corrigeren. Het is nu inderdaad op 11% vastgesteld.

Uit de rapporten is duidelijk geworden dat de overheid in de onderzochte periode tekort is geschoten door niet aan te geven op welke thema's en terreinen en in welke regio's de organisaties belangrijke voordelen konden bereiken. Daardoor kon de overheid ook geen toetsbare beoordelings- en toetredingscriteria aangeven. Graag vernemen wij van de regering op welke wijze hier verbetering c.q. meer duidelijk in wordt aangebracht.

Vooral op het gebied van onderwijs ziet de LPF hier graag een inspanning van de kant van de regering. In haar toespraak van zondag 1 december tijdens de bijeenkomst colourful women over hiv/aids zei de staatssecretaris: als een ouder uitvalt, wie wordt dan het eerst van school gehaald? De meisjes. Zo blijven zij ongeschoold. En juist ongeschoolde, jonge vrouwen hebben weer meer kans om het virus op te lopen. Niet alleen in dit belangrijke verband ligt de prioriteit bij scholing.

Veel ontwikkelingslanden lijden aan een tekort aan goed opgeleide mensen. De Lijst Pim Fortuyn hecht net als de staatssecretaris belang aan technische assistentie aan ontwikkelingslanden. Het uitzenden van juridische of andere deskundigen draagt bij aan de ontwikkeling ter plaatse. Een braindrain moet kost wat kost voorkomen worden. Binnen dat kader past ook de allokatie van OS-budgetten aan onderwijs, gender etc. Landen moeten meer zelf doen. Er moet nog meer worden gewerkt aan duurzame capaciteitsopbouw en kennisontwikkeling, waarbij het gaat om een versterking van het hoger onderwijs en de scholing van professioneel middenkader in ontwikkelingslanden. Programma's zoals het SIS, Samenwerking internationale instituten, werken aan een dergelijke opbouw en versterking van de onderwijssector in ontwikkelingssamenwerkinglanden. Die zijn van evident belang. Aan de verbetering van het basisonderwijs werd in het jaar 2001 152 mln euro uitgegeven. In het jaar 2001 nam de Tweede Kamer de motie-Hessing aan, waarin de regering wordt gevraagd om binnen drie jaar 15% van het hulpbudget aan onderwijs te besteden. Wat de LPF betreft mag dit een tandje hoger, bijvoorbeeld 20%.

Juist ook voor het bedrijfsleven ziet de LPF een rol bij armoedebestrijding, met name om de werkgelegenheid te bevorderen. Via het bedrijfslevenprogramma krijgen gezamenlijke investeringen van de Nederlandse en de lokale bedrijven een financiële steun in de rug. Programma's zoals het PSOM, het Programma samenwerking opkomende markten en PUB, het Programma uitzending managers, die in MKB-verband in ontwikkelingslanden assisteert, zijn van evident belang. De LPF is blij te zien dat er dit jaar meer geld gereserveerd wordt voor deze relatief goedkope programma's.

Reeds in de jaren zeventig, de hoogtijdagen van het ontwikkelingsdenken, werd in VN-verband besloten dat de rijke landen jaarlijks 0,7% van het bruto nationaal product aan ontwikkelingshulp moeten besteden. Het is er nooit van gekomen. De huidige hulp van rijke landen bedraagt 0,22% van het BNP. Dat komt neer op 53 mld dollar. Samen met de Scandinavische landen heeft Nederland sinds jaar en dag de rol van gidsland op zich genomen. Nederland loopt wat dat betreft voor de troepen uit met een bijdrage die niet alleen flink hoger ligt dan de zojuist genoemde gemiddelde bijdrage van rijke landen, maar die bovendien de internationaal gestelde norm overschrijdt, namelijk 0,8% van het BNP.

Wij zien dat er in Europees verband, waar het gemiddelde op 0,33% ligt, nog heel veel is in te halen. De voormalige minister voor Ontwikkelingssamenwerking, mevrouw Herfkens, heeft in dit verband gezegd dat hier een wereld te winnen is. Een doestelling, zoals geformuleerd tijdens de VN-conferentie te Monterrey, de internationale conferentie voor financiering en ontwikkeling van maart 2002, om de Europese bijdrage te verhogen van 0,33% naar 0,39% in het jaar 2006 levert 6 mld dollar op. Of, beter gezegd, zou 6 mld dollar opleveren. Wij moeten immers nog maar zien of het ervan komt. Het toont des te meer aan dat een verhoging in Europees verband meer oplevert dan de bijzonder hoge bijdrage van Nederland alleen.

Hoe denkt de regering een en ander te monitoren? Hoe wil men de vinger aan de pols houden? Wie hiermee aankomt bij de regering van Italië of bij mijnheer Chirac, zal te horen krijgen dat men al genoeg problemen heeft met begrotingstekorten. Het is een kwestie van krachten ontwikkelen. Het gaat om een keihard gevecht om het voor elkaar te krijgen. Het zijn allemaal leuke dingen die worden opgeschreven. Ik betwijfel echter of het ook te realiseren valt. Mevrouw Karimi ziet een tendens en allerlei goede bedoelingen. Ik zie niet goed in hoe die hard te maken vallen.

Een en ander is belangrijk. Ik spreek hierop ook de staatssecretaris van Europese Zaken aan. Het is van belang een enorme "effort" te plegen op dit vlak. Ik word echter een klein beetje moedeloos als ik de mogelijkheid daarvoor zie. Ik kijk naar de tekorten van de landen en hoor al het gepiep en gekerm. Ik wijs ook op de heer Prodi, die roept dat het misschien wat flexibeler moet. Ik houd mijn hart vast.

De voorzitter:

Ik wijs erop dat u door uw tijd heen bent. Als u doorgaat, krijgt u minder tijd voor de behandeling van de volgende begrotingen.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Begrijp ik goed dat de heer Palm een voorstander is van de rol van Nederland als gidsland en dat hij vast wil houden aan een percentage van 0,8?

De heer Palm (LPF):

Ik vrees dat ik u misschien teleur ga stellen. Ik hecht aan de positie van Nederland als gidsland, die wij al vele jaren bekleden. Ik zal er straks iets meer over zeggen.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik hoop dat u dan ook met een aantal argumenten komt en dat u aangeeft waarom u mij gaat teleurstellen.

De heer Palm (LPF):

Voorzitter. De LPF-fractie hecht belang aan een voortgaande inspanning op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Echter zij acht het onjuist om zover voor de troepen uit te lopen dat wij nu als een van de weinige landen ter wereld uitkomen op een percentage voor hulp van 0,8 van het BNP. Mijn fractie is er voorstander van dat wij ons houden aan de afspraak van 0,7%, niet meer en niet minder: betrokken en betrouwbaar. Daar komt bij dat er voor Nederland in financieel opzicht zwaar weer is aangebroken en dat wij drastisch moeten bezuinigen. Het valt niet aan de bevolking uit te leggen dat wij het spaarloon moeten afschaffen, maar dat wij een land als India ruim 112 mln euro geven, waarvan 45 mln naar macrosteun gaat. Je kunt je afvragen wat er met die macrosteun gebeurt in een land dat het kennelijk belangrijker vindt om geld te geven aan de ontwikkeling van kernwapens dan aan de ontwikkeling van de armsten.

De LPF-fractie stelt derhalve voor, de huidige Nederlandse bijdrage van 3,76 mld euro te bevriezen tot de norm van 0,7% is bereikt. Door het hanteren van deze internationaal gestelde norm kan Nederland alsnog een voortrekkersrol c.q. voorbeeldfunctie blijven vervullen, te meer daar Nederland in de komende jaren een belangrijke rol op internationaal terrein speelt door het voorzitterschap te bekleden van de OVSE in 2003, de Raad van Europa van november 2003 tot mei 2004 en van de EU in de tweede helft van 2004. Graag wil de LPF-fractie van de regering weten op welke concrete manieren Nederland zich hiervoor hard gaat maken tijdens deze voorzitterschappen.

Mevrouw Van Velzen (SP):

U koppelt het percentage aan de ontwikkeling van kernwapens, maar dat zou dan ook gevolgen moeten hebben voor onze handelsrelaties met landen als India, Pakistan en niet te vergeten Israël. Wat vindt u van het NAVO-beleid voor kernwapens en de aanwezigheid van kernwapens op Nederlands grondgebied? Als u die zaken koppelt, dan kan ik dat ook.

De heer Palm (LPF):

Ik denk dat ik even moet ingaan op het voorstel van mijn fractie om van 0,8% naar 0,7% te gaan. Ik heb uitgelegd dat wij al jarenlang de rol van gidsland vervullen en dat wij graag aan die internationale norm willen voldoen. Wij vinden het alleen een klein beetje overdreven om zover voor de troepen uit te lopen en te kiezen voor een percentage van 0,8. Wij moeten ons niet blind staren op het uittrekken van meer geld voor ontwikkelingssamenwerking. Ik heb al betoogd dat wij een andere koers belangrijk vinden. Je kunt een veel groter effect bereiken als je de tarieven afbreekt. Je moet landen in staat stellen om zelfstandig een inkomen te verwerven. Wij staren ons blind op het geven van meer en meer geld, maar een effectiever beleid bereik je niet alleen door voortdurend meer geld te geven. Iedere gulden die de Nederlandse belastingbetaler uitgeeft aan ontwikkelingssamenwerking moet zo effectief mogelijk worden besteed. Dat doe je niet door een automatisme in te lassen dat voortdurend verdergaat. Ik vind het prima dat wij dit automatisme handhaven op 0,7%, maar daar moeten wij het voorlopig bij laten. De LPF-fractie is niet voor verlaging van de internationaal gestelde norm. Wij willen dat ook de Europese buren zich aan deze norm committeren. Daarom vroeg ik ook aan de regering op welke wijze zij dat concreet kan bevorderen.

Nederland streeft naar wereldwijde afspraken. Dat is fraai, maar dan moeten die afspraken wel worden nagekomen. In de tussentijd blijkt dat wij bij de uitbreiding van de Europese Unie geen deuk in een pakje boter hebben kunnen slaan. Trots kwam de minister-president terug uit Brussel met de mededeling dat hij 0,5% had weten af te snoepen door de inflatiecorrectie te beperken, terwijl Nederland eigenlijk het GLB wilde hervormen en de directe inkomenssteun aan de boeren gefaseerd wilde afschaffen voor de uitbreiding. Europa moet een consistent beleid voeren, dus niet aan de ene kant geld geven door middel van ontwikkelingssamenwerking en aan de andere kant hoge tariefmuren hanteren om de landbouwproductie te beschermen. De Belgische premier Verhofstadt deelt deze mening en trok een maand geleden fel van leer tegen het landbouwbeleid. De landbouwsubsidies in de EU zijn oorspronkelijk na de tweede wereldoorlog ingevoerd om ervoor te zorgen dat de EU haar eigen voedsel kon verbouwen en moeten in die hoedanigheid dus eindig zijn. Inmiddels hebben ze tot overproductie geleid. lmportheffingen op landbouwproducten bedragen gemiddeld 40%. Gevolg is dat de landbouw in ontwikkelingslanden nauwelijks een kans krijgt, terwijl daar toch 70% van de mensen juist van de landbouw moet leven, tegen 5% in het Westen. De productie van suiker bijvoorbeeld kost in Europa twee maal zoveel als in Zuid-Afrika, maar het is de Europese suiker die daar de lokale verdringt. Europa geeft Zuid-Afrika jaarlijks 120 mln euro aan ontwikkelingshulp, maar dumpt tegelijkertijd zoveel suiker dat Zuid-Afrika ongeveer hetzelfde bedrag aan inkomsten uit export misloopt! Tegelijkertijd pleit Verhofstadt voor het verhogen van de ontwikkelingsgelden. Die zijn sinds 1990 sterk gedaald. De LPF deelt deze mening: méér geld, maar wel uit de EU-pot. Van die gelijkgezindheid moeten we gebruik maken. Als kleine van de grote moeten we binnen Beneluxverband een vuist maken zodat we niet onder de voet gelopen worden door de Europese grootmachten. Om kort te gaan: een herschikking van de allokatie van productiefactoren.

Voorzitter. De discussie over het gemeenschappelijk landbouwbeleid brengt mij logischerwijs bij het belangrijkste vraagstuk van dit moment als het gaat om Europa, namelijk de aanstaande uitbreiding. Na de tweede wereldoorlog wist men het in West-Europa zeker: verdere onderlinge twisten moesten in de toekomst worden voorkomen door het samengaan van de Europese staten in een groter staatsverband. Sindsdien worstelen de Europeanen met de vraag hoe het nieuwe Europa er dient uit te zien. De besluitvorming binnen de Europese Conventie is, zo leren recente uitspraken van de Nederlandse vertegenwoordiger De Vries, in een stroomversnelling gekomen. Het ziet er naar uit dat de adviezen in het rapport van de Conventie dat in januari uitkomt een zwaar gewicht in de schaal zullen leggen, een zwaarder gewicht in ieder geval dan in eerste instantie werd aangenomen. Gezien het feit dat zowel Frankrijk als Duitsland recentelijk hun minister van buitenlandse zaken tot afgevaardigde bij de Conventie hebben benoemd, rijst de vraag of het niet opportuun is dat Nederland eenzelfde stap zet en de minister van Buitenlandse Zaken afvaardigt naar de Conventie.

Besluiten die in Brussel genomen worden, grijpen steeds dieper in ons leven in. Zo'n 60% tot 70% van onze wetgeving komt voort uit regels die Europa stelt, maar de betrokkenheid bij de Europese politiek ontbreekt volkomen. De laatste keer ging nog maar 30% van de mensen stemmen bij de Europese verkiezingen. Brussel is voor vrijwel iedereen een bureaucratische dichtgetimmerde veste van waaruit we geconfronteerd worden met regels waarvan we eerder nooit wat vernomen hebben. Dat is funest, want democratie kan niet zonder betrokkenheid van de burgers. Binnen dit kader betreurt de LPF-fractie het feit dat het kabinet heeft aangegeven naar aanleiding van de motie-De Graaf, waarin de regering is gevraagd de mogelijkheden van een referendum over de uitbreiding van de Europese Unie te inventariseren, geen voorstander te zijn van het houden van een referendum over de uitbreiding van de EU. De LPF ziet wel degelijk mogelijkheden voor een referendum nadat de wetgever het besluit heeft genomen in te stemmen met uitbreiding van de Europese Unie, dat zal worden vastgelegd in een goedkeuringswet. De LPF maakt zich zorgen over het feit dat tijdsverlies kennelijk belangrijker is dan voorlichting aan en betrokkenheid van burgers. Hoe lang kunnen wij nog doorgaan met de burger wel de rekening te presenteren, maar niet mee te laten beslissen over zijn eigen toekomst?

Europa dient te worden herschapen in regio's om zo een evenwichtige balans te vinden tussen de verschillende staten. Zo kan de herwaardering van de Beneluxgedachte dienen als tegenwicht voor de machtige buren Duitsland en Frankrijk. Nederland, België en Luxemburg zijn cultureel, historisch, economisch en geopolitiek met elkaar verbonden, waardoor ze een ideale regio vormen. Hoe denkt de minister hierover?

De LPF heeft kennisgenomen van de recente voorstellen van Prodi inzake het voorzitterschap van de EU per toerbeurt. Wat is de mening van de regering hierover?

De LPF is voor opheffing van de overbodige West-Europese Unie die zich aanmatigt ook nog interimparlement te zijn van veiligheid en defensie. Graag vernemen wij een reactie van de regering inzake de opheffing.

Mijn fractie kan zich wat Turkije betreft achter het standpunt van de Nederlandse regering scharen. Een datum noemen moet geen doel op zich worden. We zullen eerst de ontwikkelingen naar aanleiding van de recente verkiezingen moeten afwachten. Het nu al noemen van een datum van toetreding is ons inziens echt prematuur.

Ik wil graag nog stilstaan bij het onderwerp internationale terreur, dat zeker na de aanslagen van 11 september prominent op de internationale politieke agenda staat; terecht overigens. Onze wereld is na die aanslag veranderd. De LPF-fractie is ervan overtuigd dat wij meer en meer te maken zullen krijgen met vijanden die het internationale terrorisme als hun wapen gebruiken. Ik doel dan niet alleen op de verschillende islamitische terroristengroeperingen, maar ook op bijvoorbeeld de ETA en de IRA. Internationaal opererende terreurorganisaties werken samen en dus vormt elke organisatie op zich een bedreiging voor de westerse wereld en dus ook voor Nederland. Het heeft ons denken over de internationale ordening onmiskenbaar beïnvloed. Nederland dient zich in te spannen om te komen tot een wereldorde waarin terrorisme geen kans krijgt. Vanmiddag hebben wij in het algemeen overleg uitvoerig gesproken over eventuele betrokkenheid van Nederland ingeval van een gewapend conflict met Irak. De LPF-fractie sluit in het uiteindelijk geval, als Saddam Hoessein niet volledig voldoet aan de unaniem aangenomen resolutie nr. 1441 van de Veiligheidsraad – wij wensen dat uiteraard geen van allen – een militaire inbreng van Nederland tezamen met onze bondgenoten niet uit.

Het beleid van de Nederlandse regering dient erop gericht te zijn om vrede en veiligheid in de wereld tot stand te brengen. Daartoe staat Nederland een aantal instrumenten ten dienste. Niet in de laatste plaats kan daarbij gedacht worden aan de vestiging van het Internationale Strafhof in ons land.

Ik sluit af. Alvorens dit te doen, wil ik nog een punt aanhalen dat een van de speerpunten vormt van ons beleid, namelijk het beteugelen van de immigratiestroom voor behoud van een evenwichtige samenleving hier, maar ook voor het behoud van evenwicht in landen van herkomst van immigranten. Een braindrain willen wij immers voorkomen. Dat verslechtert de arbeidsmogelijkheden voor de nationale krachten en laat het land van herkomst achter zonder potentiële arbeidskrachten. De LPF is voor terugdringing van het aantal asielzoekers in Nederland en denkt dit te kunnen bereiken door strenge toelatingseisen te stellen, maar ook door het internationale vluchtelingenbeleid te wijzigen. De LPF-fractie was verheugd in de begroting terug te zien dat het kabinet zich zal inzetten voor herziening van het Vluchtelingenverdrag, waardoor asiel nog uitsluitend wordt geboden in de regio van herkomst en de vluchtelingenstatus door het dienstdoende UNHCR-kantoor wordt vastgesteld. Kan de staatssecretaris inzicht geven hoe er tot op heden aan het voornemen te komen tot wijziging van het Vluchtelingenverdrag uitvoering is gegeven?

De LPF is niet voor een totale stop op het toelaten van vluchtelingen en pleit voor een evenredige verdeling over de Europese lidstaten van de asielzoekers die niet in veilige landen in de regio terechtkunnen. Op welke termijn denkt de staatssecretaris dat een dergelijk Europees asielbeleid tot stand zal worden gebracht?

De voorzitter:

In de vriendelijke stemming waarin wij nu zijn, wil ik dit eigenlijk niet tegen hem zeggen, maar het zou handiger zijn als er iets realistischer werd ingeschreven. De heer Palm had echter recht op het totaal aantal minuten voor zijn fractie. Ik zal de zaak niet langer ophouden en het woord geven aan de heer De Graaf.

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter. "Het is voor een ambtenaar soms vreselijk moeilijk, te voorkomen dat hij dédain toont voor het parlement. Kamerleden lopen als wilden naar de microfoon in concurrentie met elkaar en het is allemaal fout wat zij zeggen." Ik citeer oud-ambassadeur Van Walsum op een bijeenkomst vorige week. Zijn kritiek wordt gedeeld door huidige topambtenaren van Buitenlandse Zaken, die menen dat de communicatie met de Kamer uit de hand begint te lopen. Ik stel de minister gerust: ik zal hierover geen kamervragen stellen. Ambtenaren die moe worden van kamervragen, dat is zo oud als de parlementaire democratie oud is. Omgedraaid geldt dat kamerleden het meestal niet kunnen laten om over ambtenaren te spreken als over te veel, te machtig en te bureaucratisch. Wie aan beide kanten van de muur heeft gestaan, zoals de minister en ikzelf, kent de stereotypen en weet die dus ook te relativeren.

Veel organisaties en individuele burgers maken zich zorgen over de situatie in praktisch elk land van de wereld en vragen daar bij kamerleden aandacht voor. Vaak is dat terecht: mensenrechten, burgeroorlogen, landenconflicten, dictaturen, vredesoperaties, internationale spanningen. Ik hoop dat de ambtenaren van de minister kunnen begrijpen waarom de vragen worden gesteld en waarom de informatie die wordt gevraagd, nuttig is. Dat sluit overigens niet uit dat enige zelfbeperking van de Kamer soms gepast kan zijn.

Nederland is van oudsher gewend om een onafhankelijke positie in te nemen en goed contact te onderhouden met alle machten om ons heen. Als handelsnatie was dat een vruchtbare opstelling en het verklaart onze vroegere neutraliteit. Met de nadruk op "vroeger", zeg ik tegen de heer Van Aartsen. Het verklaart ook waarom Nederland, niet alleen uit idealisme maar ook uit welbegrepen eigenbelang, zoveel heeft geïnvesteerd in een Europese Gemeenschap. Ook de relatie met de Verenigde Staten is nooit verwaarloosd, niet alleen economisch maar ook politiek een buitengewoon belangrijke bondgenoot. Dat achtereenvolgende kabinetten die Atlantische relatie hebben gekoesterd, is begrijpelijk. Deze minister is Europeaan en atlanticus tegelijk en dat siert hem. Wij kunnen hem en het kabinet echter niet altijd volgen in de keuzes die worden gemaakt. Rond Irak is het kabinet wel erg gemakkelijk en erg snel de Atlantische Oceaan overgestoken, waar volgens D66 een meer terughoudende opstelling op haar plaats was geweest, ook omdat de opvattingen binnen de Europese Unie zeer uiteenliepen. Tot op de dag van vandaag lijkt Nederland voorop te lopen in het meedenken – laat ik mij daartoe beperken – met de Verenigde Staten in de planning en mogelijke uitvoering van militair optreden, zonder daarin een voor ons zichtbare Europese afstemming na te streven.

Aan de andere kant wil het kabinet Europees denken en laat dat zien door een voorstander te zijn van de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten en door afstand te nemen van de intergouvernementele concepten van een Europese president en een congres van nationale volksvertegenwoordigers. Nederland is voorstander van een verdere uitbouw van een communautair Europa, mede vanuit het belang dat kleine en middelgrote staten niet worden ondergesneeuwd door het regiem van de grote Europese machten. Dat op zichzelf is natuurlijk de goede richting. Tegelijkertijd worden de minister en de staatssecretaris voor Europese Zaken gevoed door een zekere scepsis over de Europese toekomst. Die maakt van Nederland een onduidelijke Europese partner. Communautair is mooi, maar vooral niet vooroplopen om een krachtige Europese buitenland- en veiligheidspolitiek te creëren en niet willen nadenken, ook niet voor de lange termijn, over een echte Europese defensie. Nederland heeft bovendien, zo lijkt het, moeite om positie te kiezen ten opzichte van de andere lidstaten. Permanent vertegenwoordiger Bot pleit voor zoveel mogelijk samen oplopen met Duitsland. De regering lijkt echter nu vooral in te zetten op de Benelux. Hoe verhoudt zich dat? De PV hekelt overigens ook de starheid van de Nederlandse opstelling bijvoorbeeld over de koppeling van de uitbreiding aan de verlaging van de landbouwsteun. Meer flexibel kijken naar haalbaarheid, zo luidt zijn advies en zijn devies! Wat is de reactie van het kabinet daarop?

In Kopenhagen zal definitief over de uitbreiding worden besloten. In veel landen van de huidige Unie en in kandidaat-lidstaten blijft echter de mogelijkheid van een volksuitspraak nog open. Het kabinet heeft zich de moeite getroost om de aangenomen motie van D66 over de wenselijkheid van een Nederlands referendum te beantwoorden met een brief waarin de onwil van het papier afdruipt! Wat de inwoners van Malta wel mogen, mogen de Nederlandse burgers niet, namelijk meebeslissen over hun eigen Europese toekomst. Wij komen daarover binnenkort nog uitgebreid en apart te spreken, ook met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en daar is overigens reden genoeg voor.

Tijdens die top van Kopenhagen zal ook worden gesproken over het voorzitterschap van de Raad van ministers. Wat vindt de regering van een van de opties die wordt voorgelegd van een in tijd roulerend voorzitterschap van een team van landen? Is dat een mogelijkheid om te ontkomen aan een keuze tussen twee kwaden, namelijk 25 landen om de beurt of een geïnstitutionaliseerd voorzitterschap per afzonderlijke raad?

Naar de mening van D66 zouden de volgende oriëntaties richtinggevend moeten zijn voor ons buitenlandse beleid. In de eerste plaats een volwaardig Europees partnerschap dat zich niet alleen beperkt tot welvaart en welzijn van eigen burgers, maar ook gericht is op een volwaardige buitenlandse en veiligheidspolitiek. In de long run zal dit gevolgen moeten hebben voor een duidelijke Europese defensie-identiteit binnen en soms ook buiten de NAVO. In dat licht kijken wij ook kritisch naar de voorgestelde defensiebezuinigingen. Welke gevolgen hebben die bijvoorbeeld voor de samenwerking en specialisatie binnen Europa?

In de tweede plaats een loyale maar zeker ook onafhankelijke en dus kritische houding ten opzichte van Amerika. Goede Atlantische betrekkingen betekenen geen vrijbrief voor ongeremde nationale sentimenten aldaar en geen volgzame of berustende houding op terreinen waar economische-militaire machten niet gepaard gaan met verantwoordelijkheidsbesef. Tegen de Amerikaanse houding tegenover het Internationaal Strafhof en bijvoorbeeld de klimaatbeheersing moet Nederland blijven ageren. Amerika voert de internationale coalitie tegen terrorisme aan en Nederland zal daaraan zijn bijdrage moeten blijven leveren, militair, juridisch en anderszins. Nederland mag echter ook vragen om respect voor internationale rechtsregels bijvoorbeeld met betrekking tot gevangenen. De Verenigde Staten weigerden meer dan 300 Taliban- en Al Qaedastrijders als krijgsgevangenen te bestempelen, maar er wordt ook geen strafrechtelijke vervolging ingesteld; een niemandsland in juridisch opzicht, waarin detentie juridische grondslag ontbeert en de rechtmatigheid niet kan worden getoetst. Ook Nederland zal moeten aandringen op fatsoenlijke behandeling, niet alleen omdat wij verdragspartij bij de Derde Geneefse Conventie, maar ook omdat een aanval op de westerse beschaving niet kan worden beantwoord met het verzaken van diezelfde beschaving.

Rond het Midden-Oosten zal Nederland in Europees verband moeten blijven hameren op een evenwichtige politiek ook van de zijde van Amerika. Bij de komende Israëlische verkiezingen lijkt er een alternatief te komen voor de, wat mij betreft: zinloze, politiek van Sharon. De Amerikaanse steun kan daarna van grote betekenis zijn. Welke initiatieven zal de Europese Unie in dat kader nog ontplooien?

Voorzitter. De derde mogelijkheid is de oriëntatie op de Verenigde Naties als enige zinvolle institutie om de internationale rechtsorde met gezag te bevorderen en waar nodig te herstellen. Dat is tot dusverre ook onze leidraad in het debat over een eventueel optreden tegen Irak. De regering is daarover te lang onduidelijk geweest. Wij menen dat Nederland zijn militaire capaciteit bij voorkeur moet inzetten met een uitdrukkelijk VN-mandaat en ook op VN-verzoek. De enquête naar de ontwikkelingen bij de val van Srebrenica heeft intussen wel geleerd dat als het erop aankomt de VN-vlag niet altijd de garantie is voor duidelijke en concrete internationale solidariteit, maar iets beters bestaat er niet. Wij betreuren het dat het Strategisch Akkoord de ambities met betrekking tot de internationale solidariteit heeft verminderd met het korten op de middelen voor vredesoperaties. Een volgend kabinet zal hiervan terug moeten komen.

Voorzitter. Een belangrijke oriëntatie nu moet zich natuurlijk richten op de strijd tegen het internationaal terrorisme en het politiek en religieus geïnspireerd fundamentalisme dat daaraan ten grondslag ligt. Dat vraagt om samenwerking op een breed front, niet alleen om samenwerking in het Westen, maar ook elders. De bescherming van de rechtsstaat brengt met zich dat alert moet worden opgetreden tegen elk mogelijk risico en dat de nadruk moet liggen op intensieve samenwerking tussen de inlichtingen- en opsporingsdiensten. Is de regering over de internationale samenwerking tussen deze diensten tevreden?

Wij blijven de indruk hebben dat er weinig zicht is op de fundamentalistische cellen en groepering en hun geldstromen in Europa. Een verbod op een organisatie met radicale opinies die nog niet eens in Nederland actief is en waarvan niet eens is vastgesteld dat zij aanzet tot terrorisme, is natuurlijk niet aan de orde. Wij mogen dus aannemen dat de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst gewoon zijn werk doet.

Voorzitter. Fundamentalisme vindt vaak een vruchtbare voedingsbodem in armoede, ongelijkheid en gebrek aan toekomst. Het belang van ontwikkelingssamenwerking krijgt dan ook een extra dimensie. Weer een andere ambtenaar van Buitenlandse Zaken, de hoogste nog wel, vindt het beter dat ontwikkelingssamenwerking het beleidsterrein van een staatssecretaris wordt: een permanente degradatie dus omwille van het management. Vinden de minister en staatssecretaris Van Ardenne dat ook?

Wat ontwikkelingssamenwerking betreft wil ik nog enkele korte opmerkingen maken. Er leven momenteel 42 miljoen mensen die aids of hiv hebben. Daarvan woont 95% in ontwikkelingslanden. Buiten de Westerse landen heeft maar 4% van de mensen die hiv-remmers nodig hebben, daar ook daadwerkelijk toegang toe. De regering zou op alle mogelijke manieren de hoogste prioriteit aan aidsbestrijding en preventie moeten geven. Wat kan de staatssecretaris in dat kader doen, ook in de sociaal-culturele sfeer? Wat kan zij doen om de lokale cultuur in veel landen te beïnvloeden en om taboes rondom preventie te doorbreken?

Mevrouw Terpstra (VVD):

Voorzitter. Ik ben het helemaal met de heer De Graaf eens dat bij aidspreventie het doorbreken van taboes belangrijk is. Ik heb gesproken over wat Kofi Annan noemde: het zwijgen over de aidsproblematiek. De bereikbaarheid van goedkope medicijnen is één ding, maar de voorlichting daarover een ander. Dat laatste is veel belangrijker. Wat heeft het voor zin om middelen tegen aids aan te bieden als iemand niet weet dat hij aids heeft? Is de heer De Graaf het met mij eens dat juist de voorlichting en het doorbreken van taboes de hoogste prioriteit moeten hebben?

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter. Uit mijn bijdrage van zojuist blijkt dat het buitengewoon belangrijk is om in de sociaal-culturele sfeer iets te doen en om als het ware in te breken in de lokale cultuur. Mevrouw Terpstra heeft natuurlijk groot gelijk dat alleen maar degenen helpen die al geïnfecteerd zijn, het probleem niet oplost. Als het probleem niet wordt opgelost, komen volgende generaties ook aan de beurt en wij weten dat dat letterlijk dodelijk is voor de samenleving. Mevrouw Terpstra heeft dus groot gelijk. Daarom vroeg ik de staatssecretaris: wat kan Nederland in Europees verband, in een alliantie met andere landen, doen om te bereiken dat de preventie uit de taboesfeer komt? Ik noem concreet de voorbehoedsmiddelen. Ik meen dus dat mevrouw Terpstra en ik het op dit punt volledig eens zijn.

Mevrouw Terpstra (VVD):

Dat zou een extra reden moeten zijn om mijn amendement met betrekking tot de UNFPA te steunen.

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter. Ik waardeer de poging van mevrouw Terpstra om tijdens mijn betoog aandacht te vragen voor haar amendement. Ik kan haar verzekeren dat ik elk amendement van mevrouw Terpstra buitengewoon serieus wil bezien.

Voorzitter. Ik wil verder nog enkele opmerkingen maken over de productie van kleding. Kleding wordt vaak en bijna altijd mensonvriendelijk geproduceerd. De arbeidsomstandigheden zijn vaak vreselijk. D66 staat de aanpak voor van organisaties als Schone Kleren Kampagne. Niet de banden verbreken met de kledingproducent, want dan zijn de mensen ter plekke nog slechter af, maar afspraken maken over bijvoorbeeld betere beloning en werktijden overeenkomstig de normen van de ILO. Nu zijn er al gemeenten die alleen nog dienstkleding willen inkopen die op verantwoorde wijze is geproduceerd. De rijksoverheid moet daar echt een voorbeeld aan nemen. Twee jaar geleden is hiervoor op initiatief van het CDA door de Kamer aandacht gevraagd bij het kabinet. Ik denk dat het nu tijd is voor boter bij de vis. Ik zou mij kunnen voorstellen dat de regering een duurzaam inkoopbeleid ontwikkelt, te beginnen bij Defensie, waar natuurlijk enorm veel dienstkleding aan de orde is. Laten wij daar nou eens duidelijke criteria voor stellen om zoiets van de grond te krijgen.

Hoe kijkt de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking aan tegen klachten die volgens de Volkskrant van gisteren in Suriname bestaan over de sectorale benadering en de Nederlandse deskundigheid? Welke stappen onderneemt de regering om de bilaterale betrekkingen te verbeteren? In Suriname verblijven overigens veel Nederlandse gedetineerden, vaak onder erbarmelijke omstandigheden. Daarover zijn vreselijke rapportages geweest. Wat kan de regering daartegen doen? Dit geldt overigens voor veel buitenlandse gevangenissen. Met de motie-Hoekema/Verhagen werd de regering twee jaar terug verzocht om zorgnormen te ontwikkelen voor gedetineerden in buitenlandse gevangenissen. Wij vinden dat daaraan te weinig is gedaan. Het kabinet wil zich niet binden op een daadwerkelijke, harde inspanning. Ik vraag de regering om zich nu echt te committeren.

Net als anderen vraag ik aandacht voor de vervolging van de moordenaars van Sander Thoenes. Ik heb de indruk dat sprake is van pure onwil van de Indonesische autoriteiten. Oost-Timor vraagt om vervolging, maar de Indonesische regering weigert om daartoe over te gaan. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat dat alles te maken heeft met de militaire achtergrond van de betrokken verdachte.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

Voorzitter. Onlangs stond in de Volkskrant een scherpe analyse, waarin de auteur zich afvroeg wat er aan de hand is in het zo op internationale samenwerking beluste Nederland. Ontwikkelingshulp verdient geen minister meer, het milieu evenmin. De uitbreiding van de Europese Unie is te duur en meer groen legt het af tegen meer blauw. Wie de 87 roerige dagen van Balkenende I uit internationaal perspectief beziet, moet concluderen dat Nederland in rap tempo kleiner is geworden, in Europa en daarbuiten. Deze analyse vind ik veelzeggend.

Al in het Strategisch akkoord bleek dat de regering met name oog heeft voor binnenlandse aangelegenheden, terwijl de wereld om Nederland heen nauwelijks in beeld kwam. Uiteraard ben ik benieuwd naar de reactie hierop van de minister. Ik vraag hem waar in zijn begroting de notie van internationale gerechtigheid tot uitdrukking komt.

Grote interesse is er wel voor het beeld van Nederland in het buitenland. Onlangs hebben wij, zij het met enige vertraging, de resultaten ontvangen van het imago-onderzoek dat in het buitenland is uitgevoerd. Mijn voorganger en de voorganger van de minister hebben daarover regelmatig gesproken. Het onderzoek zou oorspronkelijk op de dag na de verkiezingen naar de Kamer worden gezonden. Blijkbaar is dat niet gelukt. De uitkomsten van het onderzoek zijn reden tot bezorgdheid over het imago van Nederland in het buitenland, en dat terwijl de Nederlandse ambassades al gedurende verscheidene jaren een soort propagandaboekje uitgeven waarin het paarse beleid wordt uitgedragen. Wat heeft het de minister te zeggen dat juist morele kwesties als euthanasie en drugsbeleid een negatief beeld veroorzaken in het buitenland? Wordt de uitgave van deze boekjes door deze minister voortgezet? Was het imago-onderzoek een eenmalige inventarisatie van hoe het buitenland over Paars dacht of is de minister voornemens een jaarlijkse rapportage te maken?

Het buitenlands beleid van Nederland, Europa en de NAVO wordt gekenmerkt door de strijd tegen terrorisme. 11 september 2001 ligt alweer even achter ons, maar de recente aanslagen op Bali en Mombassa tonen aan dat de strijd nog niet is gestreden. In de schriftelijke voorbereiding word gesteld dat "Nederland zal bezien of additionele maatregelen noodzakelijk zijn ter bestrijding van terrorisme". Aan welk type maatregelen moet worden gedacht?

Mogelijkheden om aan de slag te gaan met de verantwoordelijkheden van Nederland voor de wereld om ons heen zijn onder te brengen bij de komende voorzitterschappen: de OVSE, de Raad van Europa en van de Europese Unie. De regering toont zich ambitieus. Met betrekking tot het voorzitterschap van de OVSE staat in de begroting te lezen dat dit een "zwaar beslag" op het ministerie zal leggen. In die tijd moet ook een discussie worden gevoerd over "herbezinning van de positionering" van de OVSE. Wat wordt daarmee bedoeld? Herbezinning op de taken van de OVSE is inderdaad gewenst. Komt er niet een moment, zo luidt mijn open vraag, dat het bestaansrecht van deze internationale instelling naast die van de vergrote Raad van Europa en een uitgebreide Europese Unie aan de orde moet komen? Er is inmiddels wel veel institutionele overlap. Mag ik ter zake van het acquis van de Raad van Europa aandacht verwachten voor die landen die de laatste tien jaar zijn toegetreden, in het bijzonder Rusland en Azerbeidzjan?

Maar de verantwoordelijkheden van Nederland gaan verder dan de Europese grens. Tot ons komen zeer zorgelijke berichten over de positie van christenen in verschillende landen, zoals Noord-Korea, Vietnam, Pakistan, Wit-Rusland en ga zo maar door. Op verzoek van onder andere onze fractie heeft één van de voorgangers van de minister, minister Van Mierlo, een notitie geschreven over de internationale bescherming van de vrijheid van godsdienst of overtuiging. Het bevreemdde ons destijds al dat in die notitie de positie van christenen nauwelijks aan de orde kwam. Is de minister bereid om van deze notitie een update, of een vervolgnotitie, op te stellen, waarin hij ook specifiek ingaat op de vervolging van christenen? Kan de minister bevorderen dat onze ambassadeur voor de mensenrechten jaarlijks over deze schending van het recht op godsdienst rapporteert, zoals ook in de Verenigde Staten gebeurt?

De regering concludeert terecht dat het vredesproces in het Midden-Oosten in weinig stabiel vaarwater verkeert. De komende verkiezingen in Israël bieden nieuwe kansen voor het vredesproces. Nieuwe kansen, maar wel in een periode van zorg. De ChristenUnie vraagt, in verbondenheid met het volk van lsraël, na de terreur tegen lsraëlische toeristen in Mombassa en het oplaaiend antisemitisme in Egypte, of de regering toch nadrukkelijk oog wil hebben voor de pijnlijke internationale positie waarin Israël steeds meer terechtkomt. Meer dan ooit is duidelijk dat Israël vanwege historische en morele argumenten politieke steun verdient en behoefte heeft aan veilige en erkende grenzen. De rechterhand van Arafat, Abu Mazen, heeft onlangs gezegd dat de tweede intifada een grote vergissing is geweest. Het is belangrijk dat fouten worden erkend. Deze oproep om het geweld en de terreur te beëindigen, moeten versterkt worden, ook in internationaal verband. Daarom zou het goed zijn als ook de Palestijnse Autoriteit verkiezingen zou uitschrijven, zodat in het vredesproces twee democratisch gelegitimeerde leiders hun verantwoordelijkheid kunnen nemen om nieuwe en verdergaande stappen te zetten.

Uit de begroting maak ik op dat de regering streeft naar een asielbeleid waarbij asiel uitsluitend wordt geboden in de regio van herkomst. Uit de schriftelijke voorbereiding blijkt dat er een beleidsnotitie over opvang in de regio in de eerste helft van 2003 aan de Kamer wordt gezonden. We zien daarnaar uit. De ChristenUnie zou zich in dit verband kunnen voorstellen dat Nederland ervoor kiest om in principe alleen vluchtelingen op te nemen uit een selectie van bijvoorbeeld tien landen. In EU-verband of anders in onderling overleg met bijvoorbeeld Duitsland of België kunnen afspraken worden gemaakt over de adoptie van regio's: wie neemt de aanvragen van vluchtelingen uit een bepaalde regio in behandeling. Hierdoor kan er meer geld worden vrijgemaakt voor ontwikkelingssamenwerking in de brandhaardregio, er komen minder asielzoekers en daardoor zijn er minder kosten, maar dat is niet het belangrijkste. Op het gebied van integratie komen er minder problemen. Graag een reactie van de minister op dit voorstel.

Is de minister van plan de inzet van zijn voorganger te continueren, namelijk dat in het bijzonder Nederland in de Europese Unie zich verantwoordelijk moet weten voor een constructieve betrokkenheid ten aanzien van Indonesië? Meer in het bijzonder vraag ik hem aandacht te geven voor de positie van de Papoea's en de staatkundige vrijheden die hen destijds door Wahid zijn toegezegd.

Dan kom ik bij de portefeuille van de staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking. De staatssecretaris heeft in haar eerste weken de retorische vraag gesteld wat men liever had: een minister zonder geld of een staatssecretaris met geld. Mogen wij ervan uitgaan dat de CDA-fractie, mocht deze in de coalitiebesprekingen terechtkomen, zich nu sterk zal maken voor een minister met geld? Ik las overigens in Internationale samenwerking dat de staatssecretaris zelf al zo ver is dat zij verwacht dat dit bij de volgende verkiezingen wordt rechtgezet.

De eerste vraag aan de staatssecretaris is of zij zich evenals haar voorgangster inspant om haar Europese collega's aan te sporen tot grotere inspanningen om het VN-streefcijfer voor officiële ontwikkelingshulp van 0,7% van het BNP te bereiken. Heeft zij al inspanningen gepleegd? Stuurt zij ook de minister van Financiën op pad om zijn collega's over de brug te laten komen?

In de begroting lezen wij het voornemen om de ontwikkelingsgelden meer dan voorheen ondersteunend aan diplomatieke, politieke en economische instrumenten te laten zijn. Dat is prima, want de minister van Ontwikkelingssamenwerking bedreef altijd al volop politiek. Graag horen wij een bevestiging dat wij hiermee niet naar een nieuwe fase van vervuiling van het ODA-budget gaan. Blijven de ODA-gelden alleen voor armoedebestrijding bedoeld, zo vraag ik de staatssecretaris,

Bij armoedevermindering geeft mijn fractie de voorkeur aan het begrip armoedebestrijding, dat vastberadener is. Dit staat sinds de aanvaarding van de Millenniumdoelstellingen centraal in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Daartoe hebben wij in de rijke westerse landen niet alleen het instrument van de ontwikkelingshulp, maar de ontwikkelingslanden hebben ook recht op eerlijke handelsvoorwaarden. Uit het mede door onze fractie gevraagde overzicht van handelsbelemmeringen blijkt dat hen een jaarlijkse inkomensverbetering van bijna 40 mld dollar wordt onthouden door Europese marktbescherming. Dat valt, mede gelet op de ingewikkelde verwevenheid met de hervorming van het GLB- en de WTO-rondes, niet vandaag of morgen in te boeken. Ziet de staatssecretaris er brood in om tot een meer programmatische aanpak te komen? Ik vraag de staatssecretaris om een beleidsmatige reactie op de door het vorige kabinet geleverde inventarisatie.

Ik heb drie vragen over de landenlijst. Mag ik aannemen dat de systematiek van een lijst van landen waarmee een bilaterale relatie wordt onderhouden, met daarnaast een thematisch kader, wordt gehandhaafd? Tijdens de presentatie van een publicatie van het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie stelde de staatssecretaris dat de verhouding tussen de drie geldstromen 30-30-30 moet zijn. Kan zij deze uitspraak nog eens toelichten? Ik heb van diverse kanten gehoord dat dit nog niet de praktijk is.

Sinds jaar en dag staat Vietnam op de landenlijst. Met het oog daarop stel ik de volgende vraag met de nodige aarzelingen. Dit land komt structureel slecht in beeld wat betreft de godsdienstvrijheid. Wij hoorden laatst van de sluiting van driehonderd kerken. Is het wel zo gelukkig dat dit land voorkomt op de lijst van landen waarmee Nederland een bilaterale relatie onderhoudt? Hier speelt naar mijn mening de vraag hoe serieus wij onze eigen criteria nemen.

De belangstelling voor Afrika mag niet wegzakken. Ik meen dat de staatssecretaris dat met mij eens is, mede gelet op haar bezoek samen met de minister van Buitenlandse Zaken aan de Hoorn van Afrika. Ik vraag aandacht voor de moedeloos makende situatie in Soedan, met name in het zuiden, waar niet alleen de voedselsituatie nijpend is, maar ook de verdrukking van christenen door moslimfundamentalisten niet afneemt. Doet Nederland daar iets tegen, al of niet in internationaal verband?

Dan kom ik op het probleem van de transgene voedselhulp. Landen waar honger is, komen voor het duivelse dilemma te staan om of de honger te lenigen met GMO-voedsel en -zaaigoed, of dit te weigeren vanwege het risico van contaminatie. Zambia koos voor het laatste, maar de prijs die het daarvoor betaalt, is hoog.

Hierover heb ik de volgende vragen. Is de staatssecretaris bereid om in multilateraal verband, dus via het Wereldvoedselprogramma, druk op de VS te zetten om het geleverde hulpvoedsel te etiketteren? Is zij bereid om samen met EU-donoren de nood te lenigen wanneer GMO-voedsel wordt geweigerd?

Ik sluit aan bij het amendement van mevrouw Karimi waarmee wordt beoogd, het gat te dichten tussen de aangevraagd TMF-hulp en de nu beschikbaar gestelde 40 mln euro. Zou het overigens de duidelijkheid niet ten goede komen wanneer voor TMF een aparte budgetlijn komt te staan, vergelijkbaar met die voor MFP? Is de staatssecretaris ten slotte bereid, de rapportage inzake toetsing van de objectiviteit naar de Kamer te sturen?

De heer Koenders (PvdA):

Ik steun de vraag van de ChristenUnie om een initiatief ten aanzien de burgeroorlog in Soedan. Naar mijn mening kan slecht succes worden behaald als niet alleen wordt gewezen op de onderdrukking van christenen – waarvan zeker sprake is – maar ook op de onderdrukking van zeer grote aantallen moslims. Het is een dictatuur. Juist vanuit die dictatuur worden de etnische en religieuze conflicten aangescherpt. Is het dan niet zinnig om op alle bevolkingsgroepen te wijzen?

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

Natuurlijk is het zinnig om niet alleen op de onderdrukking van de christenen te wijzen. De reden is niet gelegen in de onderdrukking van één bevolkingsgroep; de dictatuur op zich is iets wat aangepakt zou moeten worden. Ik heb nu echter de signalen die ons bereiken, aangehaald. Dat zijn vooral signalen van de onderdrukking van christenen. Mijn uitspraak betekent niet dat dit de enige reden zou zijn om daar iets aan te doen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Het is al laat, maar bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken leer je wat relativeren. In veel landen waarover wij vanavond spreken, is het nog volop dag. Wellicht kan dat wat energie geven om nog te spreken en te luisteren op dit tijdstip.

De voorzitter:

Heel goed. En de minister heeft volgens mij permanent te maken met tijdsverschil, dus hij merkt het ook niet.

De heer Van der Staaij (SGP):

De politiek wordt nog dagelijks gestempeld door de nasleep van 11 september. De strijd tegen terrorisme blijft volop actueel en werkt diep door in de internationale verhoudingen. Ook in de verhouding tussen Europa en de Verenigde Staten is het een belangrijk thema. Daarover wil ik allereerst een opmerking maken. Met veel instemming heb ik de brief gelezen van de minister over de Amerikaanse nationale veiligheidsstrategie. Het is een nuttige correctie om te tonen dat de nieuwe strategie inhoudelijk nauwelijks afwijkt van die van de regering-Clinton. "Pre-emptive action", de nadruk op samenwerking in een interdependente wereld; het betreft een herbevestiging en een actualisering van bestaande concepten. Het verschil is natuurlijk wel dat de VS na 11 september gedwongen zijn, actiever op te treden. Wel mis ik in de brief aandacht voor de negatieve houding van de VS ten opzichte van het Strafhof. Ik denk aan houding ten opzichte van de bilaterale akkoorden met landen die ook niet mee willen werken. Zijn er toch ook niet tendensen tot Amerikaanse isolatie aanwijsbaar? Zeker nu in de strijd tegen het terrorisme eensgezindheid zo nodig is, vraagt dit alerte aandacht van onze regering. Hoe speelt Nederland als trouwe bondgenoot van de VS hierop in?

De SGP-fractie heeft zorgen over de verslappende aandacht voor het Midden-Oosten. Nu alle ogen op Irak zijn gevestigd, lijkt de noodzaak van krachtige internationale impulsen ten behoeve van het vredesproces in het Midden-Oosten naar de achtergrond te verschuiven. Nu wij sinds een tijd de kwartetsamenwerking kennen, moet het toch mogelijk zijn met overtuiging en kracht beide partijen tot onderhandelingen te brengen en het vredesproces te hervatten.

Heeft Nederland overigens bilateraal condoleances aan Israël overgebracht naar aanleiding van de brute aanslagen in Kenia en op het Likudhoofdkwartier te Beit Shean vorige week donderdag? Dat zou toch wel gepast zijn. De aanslag toonde overigens aan dat de strijd tegen het terrorisme zeker niet aan het Midden-Oostenconflict voorbij kan gaan. Israëli blijken nergens meer veilig te zijn. Ik verwacht daarom van de regering dat zij alsnog bevordert dat organisaties die ook in Nederland ronselen, zoals Al Aqsa, verboden worden. De slappe houding die tot nu toe is getoond, is onverantwoord! Is er ook alertheid op het gebruik van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek? Dat artikel biedt toch nu al handvatten voor een verbodenverklaring?

Ik kom te spreken over de hulpgelden ten behoeve van de Palestijnse Gebieden. Vanwege ontbrekend goed bestuur komt de Palestijnse Autoriteit niet in aanmerking voor een structurele ontwikkelingsrelatie. De focus is verlegd naar thematische hulp. Wij hebben gevraagd naar transparante en verantwoorde besteding van deze hulpgelden, aangezien daar grote zorgen over bestaan. Een antwoord daarop is nog niet gekomen. Ik vraag dat opnieuw aan de regering.

Over de inzet in Europa enkele opmerkingen. Over de Conventie gaf het vorige kabinet aan dat het Handvest niet in de huidige vorm in de verdragen opgenomen mag worden. Mogen wij aannemen dat het kabinetsstandpunt hierover niet veranderd is? Hoe wordt dit ingebracht in de Conventie? Het mag niet zo zijn dat de kritische houding van Nederland op dit punt verslapt. Over de uitbreiding zijn grote problemen gerezen in de onderhandelingen met Polen. Komt het nog goed voorafgaand aan de top van Kopenhagen in december?

Mevrouw Ferrier sprak in haar gloedvolle betoog over Latijns-Amerika. Ik sluit mij daarbij aan. Bijzondere aandacht vraag ik voor Colombia. Het is onvoorstelbaar dat reeds tienduizenden doden in dit door geweld verscheurde land te betreuren zijn. In dit land bevinden zich daarnaast nog honderdduizenden vluchtelingen. Colombia verdient meer aandacht. Ik wijs op de grote crisis in het lokaal bestuur al gevolg van een militaire actie van de FARC om het staatsgezag te destabiliseren en op de toenemende regionale uitstraling van het conflict. Ook de drugshandel heeft enorme uitstraling en uitwerking, ondermeer naar de Antillen. Weliswaar committeert de EU zich aan het vredesproces, maar anders dan de VS heeft zij organisaties als de FARC niet op de zwarte lijst gezet, hoewel vaak ontvoeringen van werknemers van multinationals plaatsvinden om geld af te persen voor de guerrilla. Waarom geen zwarte lijst?

Een andere kernvraag in dit verband is of Nederland dan wel de EU geen actievere bijdrage kan leveren aan het vredesproces en herstel van het democratische proces in dit land.

Ik kom toe aan Indonesië. Allereerst het onderzoek dat momenteel verricht wordt naar de gang van zaken rond de Act of Free Choice op Nieuw Guinea. Wij mogen ervan uitgaan dat de uitkomst daarvan eind 2003 met meer dan gewone belangstelling afgewacht wordt, daar én hier. Mogelijk zijn de uitkomsten niet aangenaam voor Nederland. Is de regering hierop voorbereid? De aanslag op Bali heeft de internationale gemeenschap opgeschrikt. Er lijkt een verband te zijn met de Al Qaedaorganisatie. Mede vanwege de intensieve relaties tussen Indonesië en Nederland vraag ik de aandacht van de regering voor het terrorisme aldaar. Graag worden wij ingelicht over de laatste ontwikkelingen op zowel Papoea als de Molukken en de EU-inzet ter zake.

Ten slotte iets over de enorme bosbranden op Sumatra en Kalimantan. De CO2-uitstoot ervan bedraagt eenderde van het totaal op aarde. Hoofdoorzaak is de aanleg van enorme plantages en illegale houtkap. De internationale aandacht ervoor is gering, terwijl het een kolossale ramp betreft. Wat is de inzet van de regering om bij te dragen aan het stoppen van de branden en te streven naar natuurherstel?

De inzet voor internationaal waterbeheer blijft van onverminderd groot belang. Mijn voorganger, de heer Van den Berg, heeft daar voortdurend aandacht voor gevraagd. De komende jaren zullen structureel additionele middelen aan de begroting toegevoegd worden: uiteindelijk 45 mln euro jaarlijks. Een goede zaak. Hoe wordt het extra geld besteed? Waar liggen de prioriteiten? Wat is de regeringsinzet, zo vraag ik in navolging van mevrouw Terpstra, voor het Wereld Water Forum 3 in Kyoto?

Voorzitter. Dan kom ik bij de aidsproblematiek. Het aantal besmettingen in zuidelijk Afrika en Oost-Europa neemt enorm toe. Wij hebben begrepen dat Nederland al 135 mln euro heeft gestort in het Global Fund to fight Aids, maar dat er tot nu toe niets is uitgekeerd aan de hulpbehoevende landen. Wat zijn de oorzaken? Hoe kan dit probleem opgelost worden? Graag vestig ik de aandacht op de Oegandese voorlichtingscampagnes waarin veel aandacht is gevraagd voor seksuele onthouding door minderjarigen en partnertrouw. Opvallend is dat het jaarlijkse percentage nieuwe besmettingen fors is gedaald in Oeganda. Deskundigen zeggen dat het importeren van massa's voorbehoedmiddelen de opmars van aids niet staande houdt. Het gaat om een fundamenteel andere attitude jegens seksualiteit. De urgentie van gedragsverandering is meer dan hoog. Ik vraag de regering om via UNAIDS en andere kanalen actief zending te bedrijven met deze best practice.

Ik sluit mij aan bij de vragen van mevrouw Huizinga over de vervolging van christenen wereldwijd.

Inzake TMF, het thematische medefinancieringsprogramma, deel ik nog mee dat wij het amendement van mevrouw Karimi mede hebben ondertekend. Ik hoop dat de staatssecretaris daar positief op zal reageren.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Wij zijn hiermee gekomen aan het einde van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Zoals bekend, zullen de bewindslieden morgenochtend om kwart over tien antwoorden. Uit solidariteit met u allen zal ik morgenochtend de vergadering voorzitten.

Sluiting 00.19 uur