Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-2003nr. 28, pagina 1996-2000

Vragen van het lid Halsema aan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie over noodopvang van uitgeprocedeerde asielzoekers naar aanleiding van het pleidooi van de fractievoorzitter van het CDA op de EO-radio.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. Vanochtend stond er een bericht in Trouw. De heer Van de Weert bezit enkele caravans en huisvest daarin asielzoekers die zijn afgewezen in de 48-uursprocedure. Het gaat om asielzoekers die legaal in Nederland verblijven in afwachting van beroep. Door de eerste afwijzing krijgen zij echter geen opvang meer en worden op straat gezet. Het water staat de heer Van de Weert aan de lippen. Door gebrek aan ruimte kan hij alleen nog maar vrouwen en kinderen opvangen. Mannen worden op straat gezet. Hij is de enige niet. Gemeenten, kerken en maatschappelijke organisaties klagen steen en been. Er worden meer mensen op straat gezet dan zij kunnen opvangen.

Het is een oud debat in de Kamer. De fractie van GroenLinks heeft inmiddels ontelbare keren opvang bepleit en even zo vaak nul op het rekest gekregen. Maar wat wil nu het geval: gisteren kondigde de CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen aan – ik hoop dat hij inmiddels in de zaal is – dat legaal in Nederland verblijvende asielzoekers weer opvang moet worden geboden. Verder bepleit hij opvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers die niet terug kunnen keren en bij wie sprake is van een schrijnende situatie. Deze mededeling verraste mij. Ik zal niet flauw zijn over al die keren in de afgelopen jaren dat de CDA-fractie niet thuis gaf. Beter één keer raak geschoten dan tien keer mis. Deze mededeling maakt mij erg blij. Het betekent namelijk – de minister kan natuurlijk ook tellen – dat er inmiddels een kamermeerderheid is ontstaan voor het opnieuw bieden van opvang aan legaal in Nederland verblijvende asielzoekers. Ik wil hem hierover drie vragen stellen, uitgaande van die kamermeerderheid. Is de minister bereid om op korte termijn opvangplaatsen te creëren voor deze asielzoekers? Kan hij ervoor zorgen dat deze opvang gereed is voor 15 december 2002, dat wil zeggen voordat het Kerstreces begint en voordat mensen weer op straat staan, als het kouder wordt? Als de minister dat niet mocht willen en tegen de wens van de meerderheid van de Kamer ingaat, kan hij dat dan hier toelichten?

Minister Nawijn:

Voorzitter. Ook ik heb kennisgenomen van de uitlatingen van de fractievoorzitter van het CDA, maar ik moet eerlijk zeggen dat mij niet precies duidelijk is waar hij op doelt. Ik mag aan een kamerlid geen vraag stellen, maar misschien kan ik via u de heer Verhagen vragen om zijn standpunt nog eens duidelijk aan te geven.

De voorzitter:

Ik denk dat u met "via u" de voorzitter bedoelt, maar de voorzitter mag ook geen inhoudelijke vragen stellen aan kamerleden, dus ik denk dat wij zo weer bij mevrouw Halsema terechtkomen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Als de heer Verhagen zijn standpunt wil toelichten, moet hem daartoe de gelegenheid worden geboden, maar ik vond dat er geen woord Spaans bij was: sobere opvang voor mensen die zijn afgewezen in de 48-uursprocedure en die in afwachting van beroep op straat komen te staan. Het gaat om grote groepen mensen die legaal verblijven. Zij moeten kunnen worden opgevangen. Zo is het toch, mijnheer Verhagen?

De heer Verhagen (CDA):

Ik ben blij dat mij de vraag wordt gesteld, want ondanks dat er volgens mevrouw Halsema geen woord Spaans bij was, kreeg ik vlak na die uitzending een persbericht van GroenLinks onder ogen, waarmee de plank werd mis geslagen. Als fractievoorzitter van het CDA heb ik, in lijn met de uitspraken die ik ook in het verleden op dat punt heb gedaan, het volgende gezegd. Afgewezen asielzoekers moeten het land verlaten en er moet een concreet uitzettingsbeleid volgen. Tijdens de algemene beschouwingen heb ik minister Nawijn daarop aangesproken. Uitgeprocedeerde asielzoekers moeten het land verlaten: punt, uit. Verder wordt de groep waarover het ging, gevormd door degenen die in de 48-uursprocedure worden afgewezen en daartegen in beroep gaan. Zij kunnen via een voorlopige voorziening van de rechter het recht krijgen om de beslissing op het beroep in Nederland af te wachten. Normaal gesproken kan men het beroep in het land van herkomst afwachten en in dat geval moet men het land verlaten. Als de rechter bepaalt dat de desbetreffende persoon de beslissing op het beroep in Nederland mag afwachten, is er sprake van rechtmatig verblijf. In dat geval vind ik dat er een sobere opvang moet komen. Hetzelfde hebben wij gezegd over de Dublinclaimanten. Er mag geen situatie ontstaan waarbij de problemen op de stoep van de gemeenten worden gedumpt. Dat is vragen om criminaliteit en illegaliteit, want daar zal men dan snel weer in verdwijnen. Met het oog daarop en op de noodkreet van een aantal opvanginstanties, die in toenemende mate juist met deze groep mensen worden geconfronteerd, heb ik gezegd dat de rijksoverheid, in de persoon van minister Nawijn, een sobere vorm van opvang moeten creëren die op geen enkele wijze een aanzuigende werking zou mogen hebben.

Minister Nawijn:

Als ik het goed begrijp, heeft mevrouw Halsema het over twee categorieën en voegt de heer Verhagen daar nog een aan toe. In de eerste plaats gaat het om de personen bij wie binnen 48 procesuren door de IND is vastgesteld dat hun aanvraag om toelating als asielzoeker geen enkel aanknopingspunt voor verlening van een asielvergunning bevat. Hierin ligt een legitimatie om deze personen ook de toegang tot de asielopvang te weigeren. Voor deze personen staat de mogelijkheid open de AC-beslissing door de rechter te laten toetsen. De uitkomst van deze procedure mag in principe niet in Nederland worden afgewacht. In de meeste gevallen stelt de vreemdeling echter niet alleen beroep in, maar vraagt hij tevens om een voorlopige voorziening om de uitkomst van de beroepsprocedure wel in Nederland te mogen afwachten. Totdat dit verzoek om een voorziening is behandeld, geldt als werkafspraak dat de vreemdeling niet zal worden verwijderd. Formeel is er dan dus geen sprake van rechtmatig verblijf in Nederland. Wanneer de rechter de voorziening toewijst, is er wel sprake van een formeel recht om de procedure in Nederland af te wachten. Daarmee ontstaat tevens het recht op opvang op grond van de RVA 1979 in een COA-voorziening. Volgens mij is dat de situatie waar de heer Verhagen op doelt. In afwachting van de behandeling van de voorlopige voorziening bestaat er dus geen recht op opvang. In bepaalde gevallen verzorgt VluchtelingenWerk onderdak op dit moment. Reeds enige tijd zijn gesprekken gaande tussen het ministerie en VluchtelingenWerk over de vergoeding van de kosten die deze organisatie maakt voor de vreemdeling aan wie uiteindelijk door de rechter een voorlopige voorziening wordt toegewezen. In de praktijk wordt de voorlopige voorziening nagenoeg altijd samen met het beroep behandeld. Als de rechter het beroep gegrond verklaart, wordt de vreemdeling tot de verdere procedure en de asielopvang toegelaten. Als de rechter het beroep verwerpt, wordt tegelijkertijd de gevraagde voorziening geweigerd. De beslissing van de rechter wordt als regel binnen 14 dagen na indiening van het beroep bekend. Daarbij wordt momenteel in ongeveer 10% van de gevallen beslist tot gegrondverklaring van het beroep, waarna vervolgens de asielaanvraag verder wordt behandeld en alsnog opvang wordt geboden. Ik denk dus dat op deze manier tegemoet wordt gekomen aan de wens van de heer Verhagen.

Mevrouw Halsema sprak nog over de opvang van overige rechtmatig in Nederland verblijvende asielzoekers zonder overheidsvoorzieningen. Naast de asielzoekers die in afwachting zijn van de beslissing op de voorlopige voorziening in de AC-procedure, hebben alleen rechtmatig in Nederland verblijvende indieners van een tweede of een vervolgasielaanvrage geen recht op opvang. Aan dit beleid liggen de volgende overwegingen ten grondslag. De maatregel beoogt te realiseren dat alle feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beslissing op de asielaanvraag in de eerste procedure naar voren worden gebracht en niet worden achtergehouden voor vervolgprocedures. Dat is overigens onder de nieuwe Vreemdelingenwet nog meer van belang dan onder de vorige wet, omdat de rechter ex nunc toetst. In beroep worden alle op dat moment bekende feiten en omstandigheden meegewogen door de rechter. Een uitzondering geldt overigens voor asielzoekers met een vervolgaanspraak die aantoonbaar zijn teruggekeerd naar het land van herkomst en nieuwe feiten en omstandigheden aandragen. Zij hebben wel recht op opvang als het nieuwe feiten betreft. Recht op opvang bestaat overigens ook indien naar het oordeel van het COA sprake is van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden.

Vervolgens is er nog een derde categorie.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik dank de minister voor het college over de Vreemdelingenwet, maar ik wijs hem erop dat het bij de eerste groep vooral gaat om mensen die in afwachting zijn van de voorlopige voorziening. Zij worden nu eerst op straat gezet om vervolgens weer te worden opgenomen. Volgens mij is dat onnodig en ik denk dat de heer Verhagen dat met mij eens zal zijn. Mijn verzoek is dus om mensen die in afwachting zijn van een voorlopige voorziening opvang te bieden. De heer Verhagen heeft al zeer behartigenswaardige opmerkingen gemaakt over de derde categorie: uitgeprocedeerde asielzoekers in schrijnende omstandigheden. Ook hen moet weer opvang worden geboden, niet door de kerken of gemeenten, maar gewoon door het Rijk.

Minister Nawijn:

Uitgangspunt van de vreemdelingenwetgeving is dat uitgeprocedeerde asielzoekers die verwijderd kunnen worden, daadwerkelijk worden verwijderd door het Rijk. Er zijn echter asielzoekers die niet verwijderd kunnen worden, bijvoorbeeld omdat men niet vrijwillig meewerkt aan terugkeer. Die categorie wordt nadrukkelijk uitgesloten van de opvangvoorzieningen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Er is sprake van een misverstand. Het gaat hier niet om uitgeprocedeerde asielzoekers die hun vertrek tegenwerken. Het gaat om asielzoekers die meewerken, maar die geconfronteerd worden met belemmeringen. Bij dat laatste valt te denken aan overheden die weigeren mensen op te nemen. En daarbinnen gaat het vooral om mensen die in schrijnende omstandigheden verkeren. Wij kennen allemaal de verhalen over de gezinnen met kinderen die op straat worden gezet, over zieke oude mensen enz. Ik wil van de minister de garantie – en ik weet mij hierbij gesteund door een meerderheid in de Kamer – dat die groep mensen niet meer op straat wordt gezet.

Minister Nawijn:

Ik geniet van de mooie relatie tussen het CDA en GroenLinks, maar ik denk toch dat het wat anders ligt. Dat laat ik echter aan de heer Verhagen over.

In een eerder overleg heb ik de Kamer al gezegd dat ik in gesprek was met de VNG om te bezien of in bepaalde gevallen, waar uitgeprocedeerde asielzoekers wel meewerken aan hun terugkeer maar er nog problemen zijn met de documenten, in humanitair onverantwoorde situaties tijdelijk een voorziening kan worden getroffen. Dat zal gebeuren in goed overleg met de desbetreffende gemeenten. Ik weet niet of ik zo aan het verzoek van mevrouw Halsema tegemoetkom, maar dit is een van de uitkomsten van mijn overleg met de VNG, waarover ik op 1 december uitsluitsel zou geven.

De voorzitter:

Ik wil nu naar de overige vragenstellers; er staat een heel elftal te wachten.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Daarmee overvalt u mij een beetje, want de minister heeft mijn vraag nog niet beantwoord.

De voorzitter:

Nog één korte vraag dan.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik zou graag uitsluitsel van de minister krijgen: wanneer wordt er weer opgevangen? Ik heb zelf 15 december genoemd als uiterste termijn, wat ik wil verzilveren. Ik zou verder van de heer Verhagen duidelijkheid willen krijgen ten aanzien van de uitgeprocedeerde asielzoekers. Ik ga ervan uit dat de CDA-fractie niet op de brug halverwege blijft wachten, maar er nu overheen komt.

Minister Nawijn:

Ik blijf bij mijn antwoord dat als er sprake is van humanitair onverantwoorde situaties, waarbij tijdelijke voorzieningen aan de orde zijn en waarbij is aangetoond dat de uitgeprocedeerde asielzoeker alle medewerking heeft gegeven om terug te keren naar het land van herkomst maar er belemmeringen zijn in de bureaucratische sfeer, ik wil bezien of de opvang wat langer kan voortduren.

De heer Verhagen (CDA):

Wij zijn van opvatting dat uitgeprocedeerde asielzoekers het land moeten verlaten. In dat kader hebben wij ons in eerdere debatten aangesloten bij het laatste punt van minister Nawijn. Ik vind niet dat mevrouw Halsema mijn uitspraken kan oprekken ten aanzien van de categorie waarover wij het eerder hadden, mensen die hier in Nederland hun beroep mogen afwachten.

Het is wel een probleem – dit is gelijk een aanvullende vraag aan de minister – dat je hier in Nederland twee, drie, vier keer asiel kunt aanvragen, ondanks dat je bent afgewezen. Zo worden mensen nodeloos in die procedure gehouden, waardoor de schrijnende gevallen ontstaan waarbij mensen hier tien, elf jaar zitten. Daar moet een eind aan komen. Verder zit er een gat in het optreden van de rechter in het licht van die voorlopige voorziening en de uitspraak over het beroep. Men moet dan tien dagen wachten voordat er duidelijkheid is of men het beroep in Nederland mag afwachten. Daardoor worden mensen met deze schrijnende situaties geconfronteerd. Ik verzoek de minister daarom, ervoor zorg te dragen dat die voorlopige voorziening naar voren wordt gehaald, zodat meteen na afwijzing duidelijk is of men het beroep in Nederland mag afwachten. Als men het beroep in Nederland mag afwachten, moet er ook voor opvang worden gezorgd. Anders ontstaan de problemen waarmee wij gisteren in alle helderheid zijn geconfronteerd.

Minister Nawijn:

Op die laatste opmerking of vraag van de heer Verhagen kan ik bevestigend antwoorden.

De heer Verhagen (CDA):

En mijn eerste vraag?

Minister Nawijn:

Die ging over de mensen die een tweede asielverzoek doen. Dit soort zaken wordt versneld behandeld door de rechterlijke macht. De uitslag hangt ervan af of er nieuwe feiten of omstandigheden aan de orde zijn bij dat tweede verzoek. In de nieuwe vreemdelingenwet kan dat niet meer omdat er ex nunc wordt getoetst.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Ook ik was aanvankelijk aangenaam verrast door de opmerkingen van de heer Verhagen in de media. Het ene moment heb je het gevoel dat het sociale gezicht wordt opgepoetst, maar het volgende moment word je bij de interruptiemicrofoon toch deels weer teleurgesteld. Ik noteer wel in dankbaarheid het nieuwe standpunt van de CDA-fractie over degenen die legaal in Nederland mogen blijven; dat juich ik toe. Betekent dit dat de heer Verhagen met terugwerkende kracht excuses aanbiedt voor zijn vele uitspraken in de richting van gemeenten? Die vingen juist deze categorie op, legaal in Nederland verblijvenden die geen vergunning krijgen. Daarbij gaat het ook om degenen die hier wachten op een uitspraak in voorlopige voorziening. De heer Verhagen heeft onder andere uitgesproken dat deze gemeenten de wet overtreden en zich buiten de parlementaire rechtsdemocratie stellen.

De voorzitter:

Het woord is eerst aan de minister.

Minister Nawijn:

De vraag van de heer Rouvoet was gericht aan de heer Verhagen.

De voorzitter:

Excuses. Het woord is aan de heer Verhagen.

De heer Verhagen (CDA):

Ik constateer dat de heer Rouvoet droomt, nachtmerries heeft, over uitspraken die ik zou hebben gedaan. Ik heb bij de algemene beschouwingen gezegd dat de minister gemeenten erop mag aanspreken dat zij zich houden aan de Koppelingswet en dus geen voorzieningen verstrekken. De rijksoverheid moet dan echter wel met een daadwerkelijk uitzettingsbeleid komen, want zij kan de problemen niet op de stoep van de gemeenten leggen. Als wij verzaken in het realiseren van een uitzettingsbeleid en de mensen dus niet uitzetten, vragen wij om die problemen. Wij vragen dan om grote sociale problemen en om schrijnende situaties. Daar moet een einde aan worden gemaakt.

De heer Rouvoet suggereert hier dat ik heb gezegd dat gemeenten buitenwettelijk optreden. Hij heeft er in de Kamer in de debatten over de Koppelingswet ook mee ingestemd dat gemeenten geen voorzieningen, zoals bijstand en huisvesting, moeten leveren aan mensen die hier niet mogen blijven van de overheid. Hij moet hier geen spelletjes proberen te spelen en mij niet allerlei woorden in de mond leggen. Ik heb hier vier jaar lang asielbeleid gedaan. Ik weet heel goed wat ik hierover heb gezegd. Daar kan hij mij op aanspreken, maar hij moet mij geen woorden in de mond leggen. Als hij hier goedkope verkiezingspraatjes wil houden, moet hij dat vooral doen, maar niet op deze manier. Laten wij een eerlijk debat houden.

De heer Jense (Leefbaar Nederland):

Voorzitter. Voor men het weet, vindt hier een politiek debat plaats.

De voorzitter:

Het is op zich niet zo gek dat er in de Tweede Kamer politieke debatten plaatsvinden.

De heer Jense (Leefbaar Nederland):

Volgens mij gebeurt dat niet in het vragenuurtje, voorzitter. Dat zou u toch het beste moeten weten.

De voorzitter:

Ook dat ben ik niet met u eens, maar stelt u uw vraag.

De heer Jense (Leefbaar Nederland):

De minister geeft heel handig een college van papier. Hij noemt allerlei zaken op die niet interessant zijn. Ik wil aansluiten bij hetgeen door het CDA naar voren is gebracht. Ik wil een duidelijk antwoord van de minister op de vraag hoe het in de regelingen zit. Ik wil niet horen wat de minister van mening is of wat hij vindt. Ik wil weten hoe het nou precies zit in de genoemde 48-uursperiode.

Minister Nawijn:

In de 48-uursperiode werkt het als volgt. Men meldt zich aan bij een aanmeldcentrum. Na aanmelding wordt men een tijdje opgevangen in een noodopvang, zodat even later de 48-uursprocedure kan beginnen. Als met deze procedure kan worden begonnen wordt men teruggehaald naar het aanmeldcentrum. In het aanmeldcentrum gaat de procedure werken. Vervolgens wordt er een beslissing genomen. Als deze beslissing afwijzend is, kan men hiertegen in beroep en kan men eventueel een voorlopige voorziening aanvragen. In die tijd wordt men niet opgevangen. Over de voorlopige voorziening wordt binnen veertien dagen door de rechter beslist. Als de rechter de voorlopige voorziening toewijst, mag men wachten tot het beroep wordt behandeld en wordt men opgevangen. Als men wordt afgewezen, wordt men niet opgevangen.

De heer Jense (Leefbaar Nederland):

En daar zit nou net het probleem voor gemeenten, in die periode in afwachting van de uiteindelijke honorering van een verzoek wordt er niet opgevangen. Ik vind dat de minister ervoor moet zorgen dat hij met beleid komt waardoor die opvang wel kan plaatsvinden. Dat kan en mag niet worden afgewenteld op gemeenten.

Minister Nawijn:

Mijnheer Jense, het gaat hier om asielzoekers die nog maar net in Nederland zijn. Deze vormen volgens mij niet het allergrootste probleem van de gemeenten. Dat betreft juist de categorie waar wij het net over hadden, namelijk de uitgeprocedeerde asielzoekers die hier al lang zitten.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik krijg graag een bevestiging van de minister als ik het volgende goed heb begrepen. Er zijn om te beginnen in ieder geval rechtmatig in Nederland verblijvende mensen die geen recht van opvang hebben. Dat zijn dan mensen die een tweede asielaanvraag hebben lopen. In de tweede plaats zijn er mensen die onrechtmatig in Nederland verblijven, maar daarin wordt volgens de minister op dat moment berust, omdat zij een verzoek om voorlopige voorziening hebben ingediend, waar nog niet op beslist is. Er is nog een derde categorie, namelijk van mensen die onrechtmatig in Nederland verblijven, maar voor wie wellicht sprake is van een zodanig schrijnende situatie, dat toch opvang geïndiceerd is, als zij buiten hun schuld nog niet in staat zijn om terug te keren. Over deze derde categorie is de minister nog in overleg met de VNG.

Mijn eenvoudige vraag is of dit nu nog doorkomt bij gemeenten waar men op een donkere winteravond iemand op straat ziet lopen voor wie er geen opvang is en die niet zou weten hoe hij terug moest. Moet een gemeente dan zeggen: gaat heen en wordt warm? Of moet een gemeente vaststellen dat er een vorm van opvang geboden moet worden en dat zij zal kijken hoe zij er verder mee moet omgaan? Wanneer wordt voor de gemeenten nu eindelijk eens duidelijk gemaakt hoe zij met dit soort situaties moeten omgaan, niet op een theoretische manier, maar ook niet ...

De voorzitter:

U moet nu uw vraagteken zetten!

Minister Nawijn:

In ieder geval streef ik ernaar om rechtmatig in Nederland verblijvende asielzoekers opvang te bieden. Dat is het meest logische. Tot nu toe was dit niet het geval, maar ik heb dit veranderd bij de Dublinclaimanten. Ik vind ook dat het zo moet voor mensen die een voorlopige voorziening hebben gevonden en hun beroep hier mogen afwachten.

Wat moeten de gemeenten nu doen? Ik zei al eerder in de Kamer dat ik met de VNG een overleg heb gevoerd dat op 1 december is afgerond. Verder heb ik toegezegd de Kamer nader over de uitkomst te informeren. Ik heb afgesproken in het overleg met de VNG dat de IND, de COA en de gemeenten met elkaar voortijdig bekijken of asielzoekers uitgeprocedeerd zijn en of de voorzieningen moeten worden beëindigd. Je kunt dan voorkomen dat mensen op straat komen te staan. Ook ik vind dat geen goede zaak, maar je wordt hiertoe in bepaalde gevallen gedwongen als een uitgeprocedeerde asielzoeker niet meewerkt aan zijn verwijdering. Dat is een moeilijke categorie. In gevallen waarin een asielzoeker wel meewerkt, er sprake is van een schrijnende situatie, maar er bureaucratische belemmeringen zijn, ben ik bereid om aanvullende voorzieningen te treffen.

De heer Dittrich (D66):

Ik wil een vraag stellen over de categorie waarover mevrouw Halsema begon naar aanleiding van een opmerking van de heer Verhagen. Volgens mij is daar geen meningsverschil meer over. De minister zegt dat, als mensen afgewezen zijn in het aanmeldcentrum en naar de rechter gaan voor een voorlopige voorziening, ze nu geen opvang hebben, maar de minister wil dat regelen.

Minister Nawijn:

Nee.

De heer Dittrich (D66):

Jawel, dat zei u net. De heer Verhagen wil dat ook. In afwachting op de uitspraak, en dat duurt meestal 14 dagen, wilt u ervoor zorgen dat de mensen opvang kunnen krijgen. Nu zwerven ze door de gemeentes. De heer Verhagen wil dat nu eindelijk ook en mevrouw Halsema kaartte dit aan. Volgens mij is er een kamermeerderheid. Met ingang van welke datum kan de minister die duidelijkheid bieden? Mevrouw Halsema vroeg of het per 15 december kan. U hebt haar vraag niet beantwoord, maar kan het inderdaad per 15 december? Als wij het erover eens zijn, moeten wij dit zo snel mogelijk doen.

Minister Nawijn:

Het beleid tot nu toe was dat deze mensen niet worden opgevangen. Ik ben niet bereid om ze nu ineens wel op te vangen.

De heer Dittrich (D66):

U zei zojuist dat u probeert te zoeken naar een oplossing voor deze mensen die in afwachting zijn – en het duurt 14 dagen – van de rechterlijke uitspraak, nadat ze uit het aanmeldcentrum zijn verwijderd, omdat ze daar zijn afgewezen. Deze mensen zijn nog steeds rechtmatig in Nederland. Dan is het toch logisch dat...

De voorzitter:

Nee, u gaat zichzelf herhalen.

Minister Nawijn:

Ik zei net dat die mensen niet rechtmatig in Nederland zijn in de zin van de Vreemdelingenwet. Ze worden niet verwijderd want ze mogen wachten. Dat is het juridische verschil.

De heer De Wit (SP):

Een meerderheid in de Kamer vindt dat er wel opvang geboden moet worden. Dit lijkt mij ook volstrekt redelijk, als je de kans openhoudt dat iemand via de rechter alsnog toestemming krijgt om hier te blijven in afwachting van nadere beslissingen. Als de minister let op deze meerderheid in de Kamer, is hij dan bereid om alsnog – zoals hij bijvoorbeeld bij het driejarenbeleid heeft gedaan – bij brief aan de Kamer toe te zeggen dat hij in dit geval de mogelijkheid tot opvang biedt? Zo nee, dan vraag ik de minister wat hij doet met de gemeenten die vanuit hun zorgverplichting en humanitaire opvattingen in die korte periode wel opvang bieden. Moeten die aangepakt worden of niet?

Minister Nawijn:

Ik zei al dat het beleid tot nu toe is dat deze mensen niet voor opvang in aanmerking komen en daarmee voer ik ook uit wat dit kabinet voorstaat. Als ik hiertoe wel overga spreken wij over 3,5 mln euro. Ik kan u hierover geen toezegging doen. Wat de Kamer uitspreekt is haar zaak, maar op dit moment ben ik daartoe niet bereid. Sinds de Vreemdelingenwet bestaat deze situatie en dat is vanaf 2000. Ik wil de wet handhaven.

De heer Varela (LPF):

Even voor de duidelijkheid: asielzoekers die direct door aanmeldcentra worden afgewezen, krijgen geen noodopvang en asielzoekers die het gehele rechtsproces hebben doorlopen, krijgen wel noodopvang.

Minister Nawijn:

Nee, het gaat om een beslissing die in eerste instantie afwijzend is. Mag men, als men in beroep gaat, de uitslag wel of niet afwachten? Uiteindelijk gaat het om de vraag of men rechtmatig in Nederland verblijft. Mensen die rechtmatig in Nederland verblijven, wordt opvang geboden. Als mensen worden afgewezen en hier ook niet mogen blijven in afwachting van de uitkomst van hun beroep, krijgen zij geen opvang.

De heer Blok (VVD):

Voorzitter. Ik ben blij met de antwoorden van de minister, maar ik heb een vraag aan de CDA-fractie. De mogelijkheid van onderdak tijdens de beroepsfase heeft men bewust in de nieuwe Vreemdelingenwet niet opgenomen. In het verleden werd namelijk steeds beroep aangetekend, omdat dit de mogelijkheid van opvang bood. Kan de CDA-fractie aangegeven waarom zij verwacht dat aanvragers na de 48-uursprocedure geen beroep meer zullen aantekenen? Het loont immers de moeite om altijd in beroep te gaan als dat recht geeft op onderdak. Wat zal volgens de CDA-fractie het voorstel betekenen voor de rechtsgang? Er is nu al een enorme overbelasting van de Vreemdelingenkamers van de rechtbanken. Doordat de CDA-fractie iedere vreemdeling uitnodigt om in beroep te gaan, zal naar mijn verwachting de druk op de rechtbanken nog veel groter worden.

De heer Verhagen (CDA):

Voorzitter. Wat de CDA-fractie niet wil, is de gemeenten opzadelen met problemen die wij veroorzaken. Wat de CDA-fractie niet wil is dat schrijnende situaties ontstaan door een falend overheidsbeleid. Ik wijs erop dat niet iedereen de uitkomst van zijn beroep in Nederland mag afwachten. Als echter wel een voorlopige voorziening wordt geboden, moet die in de procedure naar voren worden gehaald, zodat na één dag en niet na veertien dagen duidelijk is of iemand hier de uitkomst van zijn beroep mag afwachten. Dan krijg je niet de situatie waarin mensen veertien dagen over straat zwerven met alle gevolgen van dien. Je kunt namelijk wel één dag zonder eten, maar als je veertien dagen zonder eten moet, vraag je om ellende, mijnheer Blok. Dat weet u toch ook. Daarom vinden wij dat je of de voorlopige voorziening in de procedure naar voren moet halen, zodat binnen één dag duidelijkheid wordt geboden, of een sobere opvang moet bieden totdat de rechter bepaalt of je het beroep in Nederland mag afwachten. Wat nu gebeurt is in wezen mensen gedogen en tegen hen zeggen: u moet nog maar veertien dagen wachten en eerst de rechter laten bepalen of je in Nederland mag blijven. In de tussentijd worden de mensen aan hun lot overgelaten. Dat kan niet.