Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-2003nr. 28, pagina 2011-2014

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 21 november 2002 over oudkomers.

De voorzitter:

Ik herinner de Kamer aan de afspraak die wij bij de regeling van werkzaamheden hebben gemaakt dat slechts degenen die een motie willen indienen het woord kunnen voeren en dat alleen aan iemand die net een motie heeft ingediend, een vraag mag worden gesteld.

Mevrouw Sterk (CDA):

Voorzitter. De CDA-fractie vindt dat een goede inburgering de basis vormt voor een succesvolle integratie. Niet of zeer gebrekkig Nederlands spreken en onvoldoende kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur staan succesvolle integratie in de weg. De CDA-fractie wil alles op alles zetten om in een zo vroeg mogelijk stadium achterstanden te voorkomen. Als eerste heeft Jaap de Hoop Scheffer in april 2000 namens de CDA-fractie daarom voorgesteld om de verplichte inburgeringscursus voor nieuwkomers in het land van herkomst te laten beginnen. Het gaat daarbij niet om vluchtelingen, maar om mensen die in het kader van de gezinsmigratie naar Nederland komen. Aangezien de grootste groepen gezinsvormers uit Turkije en Marokko komen, zijn zij de eerste doelgroep. De CDA-fractie ondervond destijds geen steun. Tijdens het algemeen overleg van twee weken geleden bleken inmiddels ook andere fracties de noodzaak in te zien om de start van de gehele inburgeringscursus in het land van herkomst te laten plaatsvinden en deze mogelijkheid serieus te onderzoeken. Daarom dient de CDA-fractie de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat nieuwkomers die in het kader van gezinsvorming en gezinshereniging naar Nederland komen, door gebrek aan kennis en vaardigheid op het gebied van de Nederlandse taal en cultuur veelal onvoldoende inburgeren;

overwegende dat achterstanden in een zo vroeg mogelijk stadium moeten worden voorkomen;

verzoekt de regering, met concrete voorstellen te komen om inburgering van nieuwkomers die in het kader van gezinsvorming of gezinshereniging naar Nederland komen, te laten beginnen in het land van herkomst en de Kamer hierover voor 1 april 2003 te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Sterk, Zeroual, Kant, Lambrechts, Van der Staaij en Jense.

Zij krijgt nr. 25(27083).

De heer Blok (VVD):

Je kunt kiezen voor het geven van cursussen of voor het afnemen van examens in landen van herkomst. Van de laatste mogelijkheid heb ik voorbeelden in Canada en Australië genoemd. De minister heeft toegezegd dat hij naar deze voorbeelden zal kijken. Doelt mevrouw Sterk op het afnemen van examens zonder dat cursussen worden gegeven, dus het Australische model, of op het geven van cursussen in die landen? Wat doet zij met de wetenschap dat het op de Nederlandse Antillen geprobeerd is en daar dramatisch slecht is afgelopen?

Mevrouw Sterk (CDA):

Ik doel niet alleen op het afnemen van examens, maar ook op het geven van inburgeringscursussen. De heer Blok noemde de Antillen, waar inderdaad geprobeerd is een inburgeringscursus op te zetten. De proefprojecten die indertijd zijn gestart, waren op zichzelf positief en hadden succes. Alleen op het moment dat de Antilliaanse overheid zich terugtrok, bleken de programma's niet rond te komen. Het heeft er dus niets mee te maken of een inburgeringscursus wel of niet uitvoerbaar is. Het gaat puur om het ontbreken van steun van de Antilliaanse overheid.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

De motie is niet helemaal duidelijk als het gaat om de verplichtingen. In hoeverre ziet u in uw concrete voorstel een zekere mate van verplichting tot het deelnemen aan zo'n inburgeringscursus of -traject?

Mevrouw Sterk (CDA):

Zoals bekend, staat in het Strategisch akkoord dat wij willen dat inburgeringscursussen verplicht worden gesteld. Dat zijn zij overigens al voor nieuwkomers, en daaraan verandert niets. Het enige wat wij op dit moment vragen, is of de overheid wil onderzoeken, in hoeverre het mogelijk is om een basis te laten leggen in de landen van herkomst. Het gaat ons erom mensen kansen te geven, en mensen hebben meer kans op een directe integratie als zij iets afweten van onze samenleving en een basiskennis hebben van de Nederlandse taal.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Nederlands leren in het land van herkomst is een ontzettend goed middel om hier verder vooruit te komen. Maar als u het een inburgeringstraject noemt, ziet u dus ook daar al een verplichtend element in.

Mevrouw Sterk (CDA):

Ik vraag de regering om daarnaar onderzoek te doen.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Ik hoorde u een interpretatie geven van uw motie waaraan ik zeer hecht. U veronderstelt dat u onderzoek nodig heeft naar de financiële haalbaarheid en naar de wijze, waarop dit kan worden georganiseerd in de herkomstlanden. Is dat de interpretatie van uw motie?

Mevrouw Sterk (CDA):

Onze motie gaat nog wat verder dan alleen maar kijken naar de wenselijkheid of de financiële haalbaarheid. Wij vragen ook om concrete maatregelen, omdat het ons er ook om gaat dat er wat gebeurt daar. Het is aan de regering om te kijken, in hoeverre het financieel al of niet haalbaar is, daarover gaan wij als Kamer niet direct. Ik wil vooral dat deze inburgeringscursussen serieus worden onderzocht, en dat daaruit voorstellen komen waarmee wij als Kamer wat kunnen doen.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Voorzitter. Twee weken geleden hadden wij hier een overleg over integratie en inburgering. D66 heeft op twee punten behoefte aan een uitspraak van deze Kamer. Het eerste punt betreft de noodzaak, de kwaliteit van de inburgeringscursussen te vergroten, onder de constatering dat de huidige inrichting onvoldoende impulsen geeft voor vergroting van de kwaliteit. Wij hebben daarvoor de volgende motie geformuleerd.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de kwaliteit van de inburgeringscursussen te wensen overlaat;

overwegende dat de impulsen tot verbetering van de kwaliteit niet groot zijn vanwege de monopoliepositie van de ROC's en de Lambrechtsdaarmee samenhangende gedwongen winkelnering van gemeenten;

verzoekt de regering, aan de gemeenten de kans te geven de inburgeringscursussen te laten verzorgen door andere, erkende scholingsinstellingen dan de ROC's,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Lambrechts. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 26(27083).

Mevrouw Lambrechts (D66):

Voorzitter. Er is nog een tweede punt waarvan wij denken dat het goed is dat de Kamer daarover een uitspraak doet, namelijk de noodzaak om de voorhoede onder de allochtonen, de geestelijk leiders, de imams, een aangepaste inburgering te geven, die ook echt is toegesneden op democratie en kennis van de Nederlandse Grondwet. Wij willen daartoe de volgende motie indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat imams een grote invloed hebben op de integratie van migranten in de Nederlandse samenleving;

overwegende dat niet alle imams zelf voldoende geïntegreerd zijn om een betekenisvolle bijdrage aan de integratie van anderen te kunnen leveren;

van mening dat het van groot belang is dat ook imams die voor 2002 in Nederland zijn komen wonen en werken alsnog een inburgeringscursus volgen;

verzoekt de regering, te regelen dat ook de imams die voor 2002 in Nederland zijn komen wonen en werken worden verplicht, alsnog een inburgeringscursus te volgen;

verzoekt de regering tevens, te bewerkstelligen dat er een voor dit doel passende inburgeringscursus wordt opgezet waarbij met nadruk aandacht wordt besteed aan de betekening van de Nederlandse Grondwet en het functioneren van de Nederlandse democratie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Lambrechts. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 27(27083).

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Voorzitter. Er is ontzettend veel daadkracht als het gaat over integreren en het Nederlands leren van oud- en ook nieuwkomers in het kader van gezinsvorming. Morgen, bij de slotconferentie van de taskforce inburgering, zal aan minister Nawijn een boekje worden overhandigd met de aanbevelingen van deze taskforce over de vele mensen die hier verblijven en nog steeds onvoldoende Nederlands spreken.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat uit onderzoek van het Sociaal en cultureel planbureau uit 2001 is gebleken dat meer dan 460.000 oudkomers in Nederland in aanmerking komen voor inburgering en taalonderwijs;

voorts overwegende dat voor de inburgering en taalverwerving van deze groep oudkomers een vraaggericht aanbod van Nederlands taalonderwijs op maat gewenst is;

voorts overwegende dat het in het huidige tempo meer dan tien jaar duurt om een inhaalslag te maken;

roept de regering op, voor april 2003 te komen met concrete voorstellen om een inhaalslag te maken en daarbij de aanbevelingen van de task force inburgering te betrekken en deze de Kamer voor te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Azough, Kant, Adelmund en Varela. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 28(27083).

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Nawijn:

Mijnheer de voorzitter. Ik moet zeggen dat ik niet zoveel voel voor de motie van mevrouw Sterk en anderen om de inburgeringscursus alvast in het buitenland te organiseren. Op dit moment is alle energie erop gericht om de inburgering zowel voor nieuwkomers als voor oudkomers in Nederland efficiënt en effectief te laten verlopen. Als wij daar wat in veranderen en ons bezighouden met het opzetten van inburgeringscursussen in andere landen, denk ik dat het allemaal energieverspilling is.

Bovendien is de vraag wie in aanmerking komt voor zo'n inburgeringscursus in het land van herkomst. Dan moet eerst worden gekeken of iemand wordt toegelaten of daar blijft. Hoe organiseer je dat? Welk programma moet je aanbieden? Er zitten allemaal praktische problemen aan, waarvoor veel energie nodig is. Ik denk dat wij nu eerst aandacht moeten geven aan het zo snel mogelijk wegwerken van de achterstanden bij de inburgeringscursussen. Ik ontraad deze motie.

De motie van mevrouw Lambrechts aangaande de gedwongen winkelnering bij de ROC's komt op mij zeer sympathiek over. Het is reeds zo dat de oudkomers naar andere instanties mogen gaan dan een ROC. Voor de nieuwkomers moet de wet helaas worden aangepast. Die inburgering is namelijk verplicht krachtens de WIN. Wij kunnen er rekening mee houden bij de wetswijziging, dus ik wil die motie overnemen.

Over de motie van mevrouw Lambrechts aangaande imams kan ik zeggen dat imams die na 1 januari 2002 Nederland zijn binnengekomen, verplicht zijn een inburgeringscursus te volgen. Er bestaat al een toegesneden cursus op hun situatie. Zij kunnen dus meedoen en zijn daartoe verplicht. Alleen de imams die zich vóór 1 januari 2002 in Nederland hebben gevestigd zijn nog niet verplicht. Om deze groep te verplichten moet de WIN eerst worden aangepast. Op zichzelf vind ik ook deze motie sympathiek, want ik vind het goed om het inburgeren zoveel mogelijk te verplichten. Ik zie deze motie eigenlijk als een ondersteuning van het beleid.

Mevrouw Azough vraagt of alle oudkomers zo snel mogelijk kunnen worden ingeburgerd. Het gaat om zo'n 460.000 personen. In het algemeen overleg heb ik reeds gezegd dat ik het graag wil, maar dat zo'n inburgeringscursus nogal wat geld kost en dat is er op dit moment niet. Daarom moet ik de motie ontraden. De financiële middelen om op heel korte termijn een inhaalslag te maken, ontbreken. Wij kunnen ongeveer 30.000 inburgeringscursussen per jaar organiseren uit de regelingen inburgering oudkomers en de wet en dat is het maximum gegeven het budget. In het persbericht heb ik gelezen dat de task force morgen met het voorstel komt de capaciteit te verruimen, maar de middelen ontbreken ervoor. Ik moet de motie derhalve ontraden.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Ik zou u toch willen vragen, met verschillende scenario's en concrete voorstellen te komen. Ik kan mij indenken dat u zegt dat dit niet zal lukken in twee, drie jaar, maar twintig jaar vind ik echt te lang duren. Ik vermoed dat u dat ook te lang vindt. Ik vraag u dan ook met voorstellen te komen om die inhaalslag op niet al te lange termijn te maken.

Minister Nawijn:

Op zichzelf vind ik het verzoek in de motie heel sympathiek, maar het geld is er niet voor. Misschien is het een punt daarvoor bij een volgende kabinetsformatie geld te vinden. Op dit moment zie ik niet waar ik die middelen moet vinden. Ik wil wel nagaan in hoeverre het tempo omhoog gebracht kan worden. Als daar financiële middelen mee gemoeid zijn, zal het moeilijk worden.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Voorzitter. Normaliter trek je een motie in als de regering haar overneemt. Ik zal dat in dit geval niet doen, omdat ik wil dat de houdbaarheid van de motie en de uitspraak van de Kamer langer blijven gelden dan de duur van dit kabinet.

Minister Nawijn:

Dat kan ik mij voorstellen, mevrouw Lambrechts.

De voorzitter:

Laat ik de tijd niet rekken, maar ik zou kunnen zeggen dat een motie die is overgenomen door een kabinet, normaliter ook in de toekomst geldt. Het is aan u, haar wel of niet in te trekken.