Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-2003nr. 28, pagina 1993-1996

Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 136 van het Reglement van orde.

Vragen van het lid Hamer aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de stijging van de prijzen in de crèches.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Voorzitter. Het is een beetje verdrietig om over het onderwerp kinderopvang te moeten spreken na de mededeling die u net deed. U zult begrijpen dat al ons medeleven naar onze collega en zijn partner uitgaat. Maar goed, ik zal het werk weer oppakken, zoals dat heet.

Gisteren werden de vermoedens bewaarheid waarover wij al eerder de volgende schriftelijke vraag hebben gesteld aan staatssecretaris Phoa. Kan het kloppen dat de prijsstijgingen in de kinderopvang de pan uit rijzen? Het Algemeen Dagblad opende met een artikel waaruit blijkt dat de gemiddelde prijs van de kinderopvang waarschijnlijk zal stijgen met zo'n 13%, maar dat dit bij instellingen in de Randstad kan oplopen tot 40% of 60%.

Nadat dit bericht is verschenen, is mijn mail niet meer rustig geweest. Ik kreeg van allerlei ouders de ene mail na de andere, waarin zij meldden wat dit betekent. Ik noem het voorbeeld van een gezin met drie kinderen die voor twee dagen buitenschoolse opvang nodig hebben. Zij zien de kosten van de opvang verdubbelen van € 166 naar € 260 in de maand. Dat is nogal wat en het wordt nog meer, als je meerdere dagdelen nodig hebt.

De PvdA-fractie maakt zich grote zorgen over deze stijgingen, vandaar dat wij al eerder om uitleg vroegen. Wij hebben drie redenen gehoord voor deze stijgingen. De loonstijging zou een reden zijn, maar ik heb uitgerekend dat deze maximaal 4% kan zijn. Een andere reden kunnen overige stijgingen zijn, zoals de bezettingsgraad in de kinderopvang, maar deze is de afgelopen jaren niet veranderd. Hij was en is nog steeds 80%. Een derde reden kunnen de veiligheidsvoorschriften zijn. Ik heb nagezocht wat hierin is veranderd, maar ik kan niets vinden wat tot deze kosten leidt. Het vierde argument is dat er een nieuwe wet komt. Dat is op zichzelf waar, maar wij weten allemaal dat deze wet nog niet verder is dan de schriftelijke vragenronde. Kortom, ik zou niet weten wat deze exorbitante stijging veroorzaakt en ik stel de staatssecretaris hierover de volgende vragen. Was hij op de hoogte dat deze stijging eraan kwam en wat heeft hij gedaan om deze te voorkomen?

Wil de staatssecretaris onderzoek doen naar de reden van deze prijsstijging en naar de reden waarom er in de afgelopen jaren steeds sprake van een dergelijke prijsstijging is ten opzichte van andere sectoren? Ik suggereer hem om de Rekenkamer er eens naar te laten kijken.

Wil de staatssecretaris op korte termijn in overleg treden met de werkgevers om te kijken wat zij eraan kunnen doen?

Wat kan de staatssecretaris er zelf aan doen? Kan hij er bijvoorbeeld via een aanpassing van de ouderbijdragetabel nog oplossingen voor vinden?

Staatssecretaris Phoa:

Voorzitter. Ik dank mevrouw Hamer hartelijk voor haar vragen. Wij hebben ook in het Algemeen Dagblad over die forse prijsstijging gelezen. Wij waren er niet van op de hoogte dat die stijging zo aanzienlijk was en hebben die niet kunnen voorkomen. Uit het jaarlijkse onderzoek dat wij uitvoeren, blijkt dat er in de afgelopen jaren sprake is geweest van een stijging van 8% tot 9%. Dat vinden wij vervelend, maar nog veel vervelender vinden wij het als er melding wordt gemaakt van stijgingen met 30% tot 46%. Dit betekent namelijk dat moeders wellicht helemaal niet meer kunnen werken en dat hun salaris- en pensioensopbouw daarmee onderbroken wordt. Wij vinden het echter vooral vervelend, omdat opvang van en zorg voor kinderen ongelooflijk belangrijk is.

Zoals ik net al zei, doet Deloitte en Touche jaarlijks onderzoek. De Rekenkamer houdt zich bezig met de rijksuitgaven. De overheid heeft de afgelopen jaren meer dan 500 mln euro geïnvesteerd in de uitbreiding en de functionering van de kinderopvang. Volgend jaar is dat weer het geval. Verder zijn wij bezig met het centraal formuleren van kwaliteitseisen. Dat is uiterst belangrijk. Wij voeren daarover overleg met de werkgevers, de werknemers- en ouderorganisaties om tot een zo goed mogelijk stelsel te komen.

Het stelsel van aanbodfinanciering wordt omgezet in vraagfinanciering. Dat wil zeggen, financiering door de ouders. De gedachte is dat met de uitbreiding van het aantal kindplaatsen dat in de afgelopen acht jaar verdubbeld is, in een wat meer verzadigde markt concurrentie plaatsvindt; dat de verhouding tussen prijs en prestatie beter zal zijn; dat er meer concurrentie zal zijn en dat er meer rekening wordt gehouden met de wensen van de ouders.

Net als mevrouw Hamer maak ook ik mij ongerust over de prijsstijgingen. Als er sprake is van een stijging van 30% tot 45% lijkt het mij zaak dat de ouders navraag doen hoe dat mogelijk is. Het gebeurt allemaal in de gemeenten. Wij zullen met de sector zelf de prijsstijgingen onder de loep nemen. Het zou kunnen dat er gemeenten zijn die voorheen heel veel stil gesubsidieerd hebben door relatief lage prijzen voor de huisvesting te berekenen. Die lage kosten voor huisvesting zou met de Wet basisvoorziening kinderopvang in het vooruitzicht moeten stijgen om straks marktconform te kunnen werken.

De prijscomponenten loonontwikkeling, huisvesting, uitvoerings- en organisatiekosten en de reservering en de winst worden onderzocht. Dat gebeurt in een lopend onderzoek. In januari komen weer cijfers beschikbaar. Bureau Kintent geeft aan dat het in het algemeen om een stijging van 8% à 9% zal gaan. Verder moeten de excessen, die overigens eerder uitzondering dan regel zullen zijn, onder de loep worden genomen.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Het verheugt mij dat de staatssecretaris het probleem erkent. Dat is in tegenstelling tot hetgeen gisteren via de voorlichter van het ministerie in de krant te lezen viel. In die krant werd het probleem immers nogal gebagatelliseerd.

Ik proef echter nog niet de urgentie bij de staatssecretaris om iets aan het probleem te doen. Natuurlijk is er lopend onderzoek. Naar mijn mening blijkt uit dat onderzoek dat deze prijsstijgingen, die wel degelijk op verschillende plekken plaatsvinden, niet eerder zijn voorgekomen. Ik stel derhalve prijs op een effectiever en dieper onderzoek naar de oorzaken van deze prijsstijgingen.

De staatssecretaris geeft aan dat de prijsstijgingen te maken zouden kunnen hebben met de overgang van aanbod- naar vraagfinanciering. Hij weet echter net zo goed als ik dat in de nieuwe wet is opgenomen dat er nog een bedrag zal moeten worden ingevuld waarbij wordt uitgegaan van de gemiddelde prijs voor kinderopvang. Ik ben er een beetje bang voor dat instellingen de prijzen nu dermate opdrijven dat de kinderopvang straks ook voor de overheid bijna onbetaalbaar wordt. Ook daaruit komt een urgentie voor de staatssecretaris naar voren om beter en sneller onderzoek te doen en te bezien of de Rekenkamer er op een of andere manier bij betrokken kan worden.

De staatssecretaris heeft gezegd dat hij de sector onder de loep wil nemen. Ik zou dat eigenlijk willen versterken. Ik wil graag dat de staatssecretaris met de werkgevers- en werknemersorganisaties om de tafel gaat zitten. Hij moet het niet laten afhangen van individuele ouders en instellingen. Zij hebben er immers weinig over te zeggen. De staatssecretaris moet met de werkgevers en werknemers een oplossing zoeken voor het komend jaar. Wil hij dat overleg nog deze week op gang brengen en de Kamer op de hoogte houden van de resultaten daarvan?

Staatssecretaris Phoa:

De urgentie wordt onderkend. Dat overleg zal plaatsvinden. Daarin zullen wij als richtsnoer de adviestabel hanteren. Ik heb de Kamer op 12 november een brief gezonden waarin de adviestabel wordt toegelicht. Daaruit wordt duidelijk dat de lagere en modale inkomens helemaal gespaard worden en dat de stijging van de ouderbijdrage in lijn is met de CBS-prijsindex voor de algemene prijsontwikkeling. Die is lager dan de prijsontwikkeling in de kinderopvang. Ik heb mijn handtekening gezet onder het voornemen dat de ouderbijdrage voor een gezin met een inkomen van meer dan € 55.000 per jaar wat steviger mag stijgen dan de stijging van 3,44% die geldt voor de salarissen daaronder. Het overleg met de werkgevers en werknemers zal zeker plaatsvinden teneinde de excessen zo goed mogelijk de kop in te drukken.

Mevrouw Tonkens (GroenLinks):

Het verheugt de fractie van GroenLinks dat de staatssecretaris dat overleg zal ensceneren. Hij weet waarschijnlijk dat bedrijven juist nu gaan bezuinigen op kinderopvang. Driekwart van de bedrijven heeft vorige week kenbaar gemaakt, op kinderopvang te bezuinigen. Wat is de mening van de staatssecretaris daarover? Wat gaat hij daaraan doen?

Staatssecretaris Phoa:

De arbeidsinspectie volgt de cao's. Uit de rapportages die ik heb ontvangen, blijkt dat er feitelijk nog geen sprake van is dat kinderopvang uit de cao's wordt geschrapt.

Mevrouw Tonkens (GroenLinks):

Dat zei ik ook niet. Het ging mij erom dat bedrijven hogere voorwaarden gaan stellen. Kinderopvang kan wel in de cao blijven staan, maar bedrijven stellen bijvoorbeeld hogere voorwaarden aan het aantal dienstjaren en kunnen ook de prijzen veranderen. Daar gaat het om.

Staatssecretaris Phoa:

In het gesprek met de werkgevers en de werknemers zullen wij hieraan aandacht besteden. Ik complimenteer de werkgevers ermee dat er in de periode van 1998 tot en met 2001 een stijging is opgetreden van de inbreng van de werkgevers van 148 mln naar 242 mln. De werkgevers nemen hun verantwoordelijkheid. Mij is ook bekend dat meer dan 50% van de kinderopvangplaatsen ingekocht wordt via bedrijfsregelingen. Wij zullen nauwgezet navragen hoe het zit. De participatie van vrouwen in het arbeidsproces is natuurlijk uiterst belangrijk.

Mevrouw Tonkens (GroenLinks):

Wat vindt de staatssecretaris van het voorstel van de ouderenvereniging om een maximum te stellen aan de prijsstijging, zoals nu is gebeurd bij huurwoningen? Er kan dan niet plotseling een stijging van 46% optreden.

Staatssecretaris Phoa:

Wij nemen in de adviestabellen de nodige zorgvuldigheid in acht. De overheid kan echter geen prijsafspraken maken. Wij moeten dan de minister van Economische Zaken en de kartelpolitie aanspreken.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Ik vraag de staatssecretaris dieper in te gaan op de eventuele link die hij ziet tussen de prijsverhogingen en de aankomende wet op de basisvoorziening kinderopvang, waarin gesproken wordt van een maximumbedrag per kinderplaats. Ik wil graag de visie van de staatssecretaris horen op het eventueel vooruitlopen op invoering van een wet die de Kamer nog niet eens heeft besproken. Wat denkt de staatssecretaris op dat punt te kunnen doen?

Staatssecretaris Phoa:

Ik merk in de gesprekken met het veld dat instellingen die afkomstig zijn uit het welzijnswezen enerzijds en de commerciële kinderopvang anderzijds twee culturen vertegenwoordigen. Die moeten naar elkaar groeien. Een bedrijfsmatige aanpak, waarin men goed investeert en prijs en product goed in de markt zet, is een proces dat tot een betere prijsprestatie zal leiden in de overtuiging van het kabinet.

Mevrouw Ferrier (CDA):

In hoeverre ziet de staatssecretaris een link tussen de prijsstijgingen en de invoering van de wet op de basisvoorziening kinderopvang? Ziet de staatssecretaris een link?

Staatssecretaris Phoa:

Ja. In gesprekken met het veld is mij gebleken dat in veel gemeenten de huisvesting van de kinderopvang onder zeer gunstige condities beschikbaar is gesteld. Straks moet dat veel meer marktconform gebeuren. Dat kan een stijging inhouden van de kosten van huisvesting. De uitkomst van het onderzoek in januari zal dit vermoeden moeten bevestigen. Er wordt daarin geanalyseerd op de hoogte van de prijs en de prijscomponenten.

Mevrouw Van Geen (D66):

Denkt de staatssecretaris dat de prijsontwikkeling een symptoom is van de overgang van aanbodgestuurde situatie naar vraaggestuurde situatie en dus in feite een marktontwikkeling? Als dat zo is, ligt het dan niet voor de hand dat naarmate de prijzen stijgen het aanbod groter wordt en de concurrentie heviger, zodat de prijzen op den duur moeten dalen? Kan het ook niet betekenen dat andere vormen van kinderopvang aantrekkelijker worden? Hoe denkt de staatssecretaris daarop te reageren? Voor D66 staat voorop dat kinderopvang een basisvoorziening is en moet zijn. Als door de overgang naar een marktmechanisme de prijzen tijdelijk onoverkomelijk blijken te zijn, moet dat overbrugd worden.

Staatssecretaris Phoa:

Wij hebben te maken met een overgangsjaar. Vervolgens zal een nieuwe, stabiele groei plaatsvinden. In de afgelopen vijftien jaar is er sprake geweest van een stabiele groei in de capaciteit. Er is een "boom" geweest in de capaciteit. De prijsontwikkeling is gestaag gebleven. Ik denk dat er meer concurrentie zal komen als de markt verzadigder raakt. Dan zullen de prijzen ook dalen. Je ziet immers overal dat je een kritischere consument krijgt als er competitie is en dat leidt tot prijsconcurrentie.

Mevrouw Van Geen (D66):

Voorlopig zijn wij nog lang niet zo ver, want er is nog steeds een groot tekort aan kinderopvangplaatsen. Het zal een tijdje duren voordat deze markt werkt en de prijzen dalen. Bent u bereid om die tijd te overbruggen, zodat mensen niet in de problemen komen?

Staatssecretaris Phoa:

Voor minima, bijvoorbeeld alleenstaande moeders, bestaat er al een regeling van het ministerie van Sociale Zaken voor kinderopvang. Daar kunnen subsidies voor aangevraagd worden. Van deze mogelijkheid wordt veel gebruik gemaakt. In het jaar 2001 ging het om bijna 3000 kindplaatsen voor minima die deze ondersteuning nodig hebben.

De voorzitter:

Als laatste in deze ronde is het woord aan de heer De Grave.

De heer De Grave (VVD):

Het is goed dat de staatssecretaris duidelijk maakt dat het onderwerp de regering aan het hart gaat. Het is een bijzonder belangrijk onderwerp, een van de kernpunten van het regeringsbeleid. Toch hoor ik hem nog te vaak zeggen: ik denk, ik verwacht, ik ga ervan uit. Ik neem het de staatssecretaris niet kwalijk. Hij weet op dit moment niet meer, maar wij moeten het wel precies weten. Wij moeten weten wat de oorzaken zijn, in welke mate het zich voordoet en van welke kant het komt. Pas dan kunnen wij maatregelen nemen en het beleid aanpassen. Ik vraag de staatssecretaris heel concreet of hij de Kamer kan toezeggen dat er uiterlijk 15 januari een nadere analyse komt, op basis van nader onderzoek, waarin de bovenvermelde vragen worden beantwoord. Dan kan de Kamer aan de hand van concrete feiten en een concrete analyse nader in overleg treden met de regering om te zien wat ons te doen staat. Deze ontwikkeling baart de VVD-fractie buitengemeen veel zorgen.

Staatssecretaris Phoa:

Ik meldde net al dat het onderzoek loopt. Daar komt nu een aantal items bij. Ik weet van mijn ambtenaren dat dit wordt verwacht in januari. Of dat 15 januari is, is de vraag. Als het 1 februari mag zijn, dan weet ik dat ik de ambtenaren en de externe onderzoekers niet in de problemen breng met deze toezegging.

De heer De Grave (VVD):

Je kunt geen ijzer met handen breken. Het gaat mij vooral om de kwaliteit. Alleen is wat mij betreft 1 februari dan ook de uiterste datum. Dan moet de informatie er liggen, zodat wij kunnen beoordelen wat er aan de hand is en hoe wij daar beleidsmatig mee kunnen omgaan.