Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1998-1999nr. 30, pagina 2172-2187

Noot 1 (zie blz. 2152)

BIJVOEGSEL

Schriftelijke antwoorden van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, op vragen, gesteld in de eerste termijn van de behandeling van de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor 1999 (26 200-XVI)

Vraag van mevrouw Dankers (CDA) over de ontwikkeling zorgvolume onder het kabinet Kok I.

Naar de mening van Mevrouw Dankers heeft onder het kabinet Kok I de grootste bezuinigingsoperatie ooit in de zorgsector plaatsgevonden. Naar mijn mening is dat niet juist. Bij het vaststellen van de 1,3% volumegroei in 1994, wisten de meesten onder ons dat dit groeipercentage waarschijnlijk te krap zou zijn om de groeiende vraag naar zorg goed het hoofd te kunnen bieden. Toen dit gedurende de rit dan ook duidelijk werd, heeft het vorige kabinet niet lang geaarzeld om extra middelen ter beschikking te stellen. Uiteindelijk is het jaarlijkse groeipercentage onder Paars I daarmee aanzienlijk hoger uitgekomen, namelijk op 1,9%. Overigens had ook de partij van mevrouw Dankers, het CDA, in haar verkiezingsprogramma van 1994 een jaarlijks groeipercentage van 1,3% opgenomen. Gegeven de slechte economische vooruitzichten op dat moment, is het waarschijnlijk dat elk kabinet dat vanaf 1994 geregeerd zou hebben, gestreefd zou hebben naar een forse beperking van de groei van de zorguitgaven.

Het krappe groeipercentage in de vorige kabinetsperiode heeft echter ook een zeker kostenbewustzijn teweeg gebracht binnen de sector. Het krappe budgettaire kader confronteerde ons, nog meer dan voorheen, met de oneindige vraag naar zorg en dwong ons tegelijkertijd om meer acht te slaan op de kostenbeheersing en doelmatigheid in de gezondheidszorg. Nu er in het nieuwe regeerakkoord meer ruimte is voor de zorgsector, kunnen we bij de besteding van de extra middelen ons voordeel doen met de ervaringen op dat gebied.

Vraag van mevrouw Dankers (CDA) over de wachtlijsten in de care sector.

Mevrouw Dankers sprak er schande van dat de bewindsvrouwen van VWS aangaven er op voorhand niet zeker van te zijn dat de wachtlijsten in de care sector zouden verdwijnen. Met mevrouw Dankers zijn de staatssecretaris en ik van mening dat de wachtlijsten in de care sector te lang zijn. Daarom heeft het kabinet ook absolute prioriteit gelegd bij de ouderenzorg en de thuiszorg. Maar liefst f 1,9 mld. in 2002. Dat maakt een grote uitbreiding van capaciteit in de komende jaren mogelijk. In de meerjarenafspraken is bovendien neergelegd dat wij deze extra gelden via de regio's tot besteding zullen laten komen. Op deze wijze kan zo goed mogelijk worden aangesloten bij de vraag. De middelen worden dan zo efficiënt mogelijk besteed. Bovendien: uitbreiding van zowel intra als extramurale capaciteit moet zichtbaar gemaakt worden.

Tenslotte moet worden opgemerkt dat we niet over eenduidige informatie beschikken over wachtlijsten en eventuele zorgrantsoenering. Daarom is het op dit moment per definitie niet mogelijk om garanties of wat dan ook te geven.

Vraag van mevrouw Dankers (CDA) over de toedeling extra middelen in de gehandicaptensector.

In het Regeerakkoord zijn, zoals bekend, de hoofdlijnen van de verdeling van de extra middelen naar de verschillende sectoren aangegeven.

Met de totstandkoming van de Meerjarenafspraken is in vervolg hierop invulling aan de bedragen voor de onderscheiden sectoren gegeven. Het overleg over deze meerjarenafspraken met de koepels van de gehandicaptenzorg en de V & V-sector is vruchtbaar geweest en heeft tot ondertekening geleid.

Bij deze Meerjarenafspraken is in algemene zin al onderkend en aangegeven, dat er weliswaar sprake is van groei voor de zorgsector, maar dat deze groei niet betekent dat nu voor alle problemen in de zorgsector (incl. de GGZ-sector) een (financiële) oplossing onder bereik ligt.

Naar mijn oordeel trekt mevrouw Dankers een onvolledige vergelijking door de groei van de care-sectoren naast elkaar te zetten. Zo maken onder andere cliënten met een lichamelijke en/of verstandelijke handicap gebruik van algemene voorzieningen, zoals thuiszorg en verpleeghuizen. In de Meerjarenafspraken gehandicaptenzorg is in dit verband bijvoorbeeld gewezen op het belang van samenwerking tussen de sectoren.

Vraag van mevrouw Dankers (CDA) over de dekking van f 200 miljoen voor de arbeidsvoorwaarden.

Zoals ik gisteren ook reeds heb gesteld is de f 200 miljoen niet gedekt uit de volumegroei. De dekking komt, en dat is misschien maandag jl. niet duidelijk genoeg geworden, uit loon- en prijsontwikkelingen. Immers er is extra ruimte ontstaan door een technische aanpassing van de raming van de eigen bijdragen en een hogere loonontwikkeling dan in het regeerakkoord was verwerkt. Men had die eigen bijdragen niet goed ingeschat.

Een ander deel van de dekking bestaat uit ruimte die is ontstaan omdat in het kabinet is besloten tot bijstellingen van de nominale ramingen ten opzichte van de CPB-doorrekening ramingen.

Uit deze twee bronnen is de f 200 miljoen structureel gedekt. Incidenteel was er echter nog een gat dat onder andere zal worden gedekt door middel van nominale kostenontwikkeling in de bouw. Hierbij wordt een zo goed mogelijke inschatting gemaakt van de benutting van de meldingsregeling.

Vraag van mevrouw Dankers (CDA) over de beheerskosten in de zorg.

Mevrouw Dankers heeft haar zorg uitgesproken over de hoogte van de beheerskosten in de zorg. Zij heeft ook de indruk dat het aandeel van de zorguitgaven dat aan echte zorg wordt uitgegeven dalend is. Op dat gebied kan ik haar geruststellen. De kosten van beheer laten een daling zien, van 3,8% van de totale zorgkosten in 1994 naar 3,2% in 1999.

Mevrouw Dankers wekt overigens in mijn ogen wel erg de indruk dat alle uitgaven aan beheer maar weggegooid geld zijn. Dat ben ik niet met haar eens. Allereerst vereist een goed beheer in een instelling dat goede informatie beschikbaar moet zijn. Tevens vind ik dat de overheid niet alleen maar geld ter beschikking moet stellen voor het oplossen van problemen in de zorg. Van de sector mag ook worden verwacht dat ze aangeven hoe het geld is besteed en of de problemen ook zijn opgelost.

Vraag van mevrouw Dankers (CDA) over het meedelen in besteding intensiveringsmiddelen door burgers met handicap of psychiatrische beperking.

Mevrouw Dankers van het CDA heeft aangegeven er vanuit te willen gaan dat ook burgers met een handicap of psychiatrische beperking mee zullen delen in de besteding van de door het kabinet ter beschikking gestelde intensiveringsmiddelen.

Dat is inderdaad het geval. Op het volksgezondheidsterrein zijn bij het in gang gezette traject van de meerjarenafspraken ook de sectoren gehandicaptenzorg en geestelijke gezondheidszorg betrokken. In de aan de Tweede Kamer toegezonden brief van 13 november 1998 van staatssecretaris en mij over de meerjarenafspraken is aangegeven dat bij de sector gehandicaptenzorg overeenstemming is met deze sector. Hierbij zijn zowel inhoudelijk als financieel de agenda's opgesteld en de kaders voor de komende jaren afgebakend. Met de sector geestelijke gezondheidszorg is niet op alle punten tot overeenstemming gekomen. Wel zijn afspraken gemaakt over een deel van de capaciteitsuitbreiding en verlichting van de werkdruk.

Vragen van mevrouw Dankers (CDA), mevrouwHermann (GL), mevrouw Kant (SP) en mevrouwVan Vliet (D66) over het stelsel.

Tweede compartiment.

Met betrekking tot het tweede compartiment is een aantal concrete vragen gesteld.

In de eerste plaats over de WTZ- en MOOZ-omslagbijdragen voor kinderen. Mevrouw Dankers wilde weten waarom de omslagbijdragen van WTZ en MOOZ het hardste stijgen voor 0–20-jarigen. Zij noemde maandag een bedrag van f 129,40.

Ik begrijp haar berekening eerlijk gezegd niet goed. Volgens mij stijgen de WTZ- en MOOZ-omslagbijdragen voor 0–20-jarigen met f 59,40. De WTZ-omslagbijdrage voor deze leeftijdscategorie is dit jaar f 180,–. Volgend jaar wordt dat f 204,–. Het verschil is f 24,–. Bij de MOOZ is het dit jaar f 83,40. Volgend jaar wordt dat f 118,80. Verschil: f 35,40. F 24,– + f 35,40 = f 59,40.

De bedragen voor de leeftijdscategorie 0–20 jaar zijn precies de helft van de bedragen die gelden voor 20–65-jarigen. Dat staat zo al sinds de inwerkingtreding van de WTZ en de Wet MOOZ in 1986 in de wet. Het beleid dat daarachter zit is sindsdien nooit gewijzigd.

Mevrouw Dankers stelde vragen naar aanleiding van mijn brief van 12 november 1998 over solidariteit in ziektekostenverzekeringen.

In de bijlage bij de brief van 12 november heb ik aangegeven wat de uitgangspunten zijn geweest bij de berekeningen. In tabel B2 van deze bijlage staat aangegeven dat ik zowel de procentuele werkgevers- en werknemerspremie alsmede de nominale premie bij de berekeningen heb betrokken.

De brief handelt over de solidariteit in de ziektekostenverzekeringen. Daarom zijn de premies voor de zorgverzekeringen en de kosten van de verzekerden tegen elkaar afgezet.

Mevrouw Dankers wees ook op de positie van mensen met een inkomen net boven de ziekenfondsgrens. Ik kan daarover het volgende zeggen.

Werknemers die door een loonstijging aangewezen raken op een particuliere verzekering gaan ook voor hun eventuele kinderen een nominale particuliere verzekeringspremie betalen. De koopkrachteffecten die zich als gevolg daarvan voordoen zijn afhankelijk van de gezondheid, keuze van de particuliere verzekeringspolis en de vergoeding die de werkgever voor de particuliere verzekeringspremie geeft. Het is dus moeilijk om hierover in zijn algemeenheid uitspraken te doen. In het SCP-onderzoek is hiervoor een aantal modelmatige berekeningen opgenomen.

Over de vragen die mevrouw Dankers, maar ook de heer Oudkerk en mevrouw Van Vliet stelden over de kleine zelfstandigen, het werknemerskarakter van de ziekenfondsverzekering en de WTZ wil ik verwijzen naar voorstellen die de Kamer begin volgend jaar zullen bereiken. Voor wat betreft het opnemen van zelfstandigen in de ziekenfondsverzekering en het vergroten van de risicodragendheid van verzekeraars in de WTZ is het kabinet op dit moment bezig met besluitvorming. Naar verwachting wordt de Kamer in januari a.s. schriftelijk geïnformeerd over wat op dit gebied tegemoet gezien kan worden.

Deze maatregelen hebben voor de komende periode prioriteit. Zodra we daar voldoende mee op streek zijn zullen we ons vervolgens buigen over de eventuele verdergaande aanpassingen.

In dat kader zal naar mijn opvatting ook het aspect van de scholieren met een klein baantje aan de orde moeten komen, evenals de mate waarin en de vormgeving van de risico-solidariteit in het stelsel en andere vragen over eventuele andere nog bestaande knelpunten in het stelsel van ziektekostenverzekeringen.

Kortom, wat mij betreft een open benadering over de toekomstige vormgeving van het stelsel.

Dit alles staat los van de verderstrekkende vraag, of ons stelsel op den duur houdbaar zal blijken in het licht van ontwikkelingen als de toenemende vergrijzing en de ontwikkelingen in Europa. Over die vragen zal dit kabinet zich buigen ter voorbereiding van eventuele verdergaande aanpassingen in een volgende kabinetsperiode.

Vraag van de heer Eurlings (CDA) over een jaarlijkse rapportage voortgang lokaal jeugdbeleid.

De heer Eurlings vraagt terecht aandacht voor het in de gaten houden van de voortgang in de ontwikkeling van het lokaal jeugdbeleid. Het Sociaal en Cultureel Planbureau is gevraagd om met een rapportage lokaal jeugdbeleid te komen. Volgens de planning zal dit rapport in april 1999 verschijnen. Hierin is opgenomen een eerste inventarisatie naar de stand van zaken van het jeugdbeleid in alle Nederlandse gemeenten. Indien de Kamer daar belangstelling voor heeft, zal dit rapport aan u toegezonden worden. De opzet van het onderzoek voorziet er in dat er om de drie jaar wordt gerapporteerd op basis van een ruime representatieve steekproef. Een jaarlijkse rapportage wordt vooralsnog niet nodig geacht. Ook om gemeenten niet onnodig te belasten met terugkerende onderzoeken.

Vraag van de heer Eurlings (CDA) over de vraaggestuurde jeugdzorg.

Een vraaggestuurde jeugdzorg is van groot belang voor de kwaliteit van diezelfde jeugdzorg. De jeugdige is de belangrijkste cliënt van deze jeugdzorg. Ik deel dan ook de opvatting dat de jeugdige een zeer belangrijke stem heeft als het gaat om welke hulp geboden wordt. Met de recente wetswijziging van de Wet op de Jeugdhulpverlening inzake het klachtrecht en de medezeggenschap heb ik dat ook willen aangeven. Ook de beschikbaarstelling van een modelregeling aan instellingen inzake de rechten van jongeren ten aanzien van hulpverleningsplannen en privacybescherming is belangrijk voor de versterking van de positie van de jeugdige in de hulpverlening.

Vraag van de heer Eurlings (CDA) over het voortbestaan van de kindertelefoon.

Van het Landelijk Overleg Kindertelefoons (LOK) is vernomen dat KPN Telecom de huidige financiering van het 0800-nummer verlengt tot 1 april 1999. Dan moet er een stevig gefundeerd plan liggen waaruit het maatschappelijk draagvlak voor het voortbestaan van de kindertelefoons blijkt. Op basis daarvan is KPN Telecom bereid de financiering nog eens te verlengen tot 1 juli 1999.

De financiering van de kindertelefoons is ten gevolge van de decentralisatie een provinciale aangelegenheid. Hiervoor is op onze begroting geen geld gereserveerd. Op korte termijn is op initiatief van VWS een overleg gepland tussen het LOK en het IPO om te bezien op welke wijze een oplossing kan worden gevonden. Mijn houding is positief ten opzichte van deze laagdrempelige voorziening. Ik wacht met belangstelling op het plan.

Vraag van de heer Eurlings (CDA) over de wachttijd jeugdhulpverlening.

Voor wat betreft een aanvaardbare wachttijd tot plaatsing in een instelling voor (vrijwillige) jeugdhulpverlening, wordt aangesloten bij de systeemeisen voor de toegang waarover in het Bestuurlijk Overleg van februari 1997 overeenstemming is bereikt. Hierin wordt in het algemeen een periode van gemiddeld twee maanden als aanvaardbare periode beschouwd voor cliënten in afwachting van een hulpaanbod. Dit kan echter niet zonder meer op iedere individuele cliënt worden toegepast. Zo zijn de wachttijden voor een crisisplaatsing en een pleeggezinplaatsing onvergelijkbaar. Ook in het soort crisissituaties waar u op doelt, waarin de kinderrechter een uitspraak heeft gedaan en gesloten crisisopvang de meest aangewezen voorziening is, gelden andere procedures. Hierbij dient onmiddelijk in de plaatsing te worden voorzien.

Vraag van de heer Eurlings (CDA) over het stimuleren van experimenten met ex-verslaafden, mede naar aanleiding van soortgelijke experimenten in Duitsland.

De Duitse ervaringen zoals die door de heer Eurlings zijn vermeld klinken zeer interessant. Ik zal dan ook de nodige informatie opvragen. Op voorhand wil ik echter het volgende opmerken. Wij moeten voorzichtig zijn met een vergelijking tussen de Duitse en de Nederlandse verslavingszorg. Zo kent Duitsland niet het uitgebreide stelsel van ambulante verslavingszorg zoals wij dat hebben. Wat de effectiviteit van de Nederlandse verslavingszorg betreft heb ik u in 1997 een effectiviteitsstudie doen toekomen. Mede op grond daarvan werkt de verslavingszorg nu hard aan een programma voor zorgvernieuwing. Ik heb u op 19 juni jl. daarover de nodige informatie gezonden. Ik kan mij voorstellen dat in het kader van dit programma ook bezien wordt of de voornoemde Duitse methode ook in Nederland uitgeprobeerd kan worden.

Tenslotte wil ik het beeld corrigeren dat er in Nederland geen activiteiten gericht op ex-drugverslaafden zouden plaatsvinden. Ik heb de Kamer op 4 juni jl. een uitgebreid overzicht van activiteiten op het terrein van maatschappelijke integratie van ex-verslaafden doen toekomen.

Vraag van de heer Eurlings (CDA) en mevrouwKant (SP) over de relatie tussen onderwijs en sport(verenigingen).

Sportverenigingen zijn een belangrijk onderdeel in het totale sportaanbod. Diverse maatschappelijke waarden en met name sociale binding komen binnen verenigingen tot uiting. Dit in het besef dat verenigingen soms moeite hebben het hoofd boven water te houden. Het kabinet ziet steun aan sportverenigingen dan ook als een belangrijke voorwaarde om de doelstelling uit de sportnota te realiseren, i.e. de maatschappelijke waarden van sport optimaler benutten.

Er is al veel onderzoek gedaan om de aard en de omvang van de zorgen van sportclubs in kaart te brengen. Ook worden er al maatregelen uitgevoerd om die zorgen te verlichten. Ik noem het project verenigingsondersteuning van NOC*NSF, de voorlichting over inzet van gesubsidieerde arbeid voor «extra handen in de sport», de vergroting van know how voor toepassing van milieu-eisen en de verhoging van het forfaitair bedrag voor vergoeding van vrijwilligers. In het kader van de impuls aan de breedtesport zullen vooral gemeenten worden aangespoord en ondersteund om onder meer verenigingen van binnenuit te helpen versterken. Veel gemeenten voeren ter zake actief en creatief beleid. Daarvan valt veel te leren voor andere gemeenten én het particulier sportinitiatief. Samenwerking en afstemming met de inspanningen voor verenigingen vanuit NOC*NSF en provinciale sportraden kan m.i. veel opleveren.

In het kader van het project Jeugd in Beweging wordt aandacht besteed aan de rol van sport in de Verlengde Schooldag. En ook de schoolsport krijgt aandacht. De staatssecretaris kan u melden dat door de KVLO, de vakorganisatie voor de leraren lichamelijke opvoeding, en de projectgroep Jeugd in Beweging initiatieven zijn genomen om de schoolsport een nieuwe impuls te geven. Of dat gaat leiden tot de opzet van schoolsportcompetities is nog de vraag. Voorkomen moet immers worden dat een verdubbe ling gaat plaatsvinden met de jeugdcompetities van de sportbonden. Algemene sportverenigingen betekenen ook dat leerlingen uit verschillende scholen en achtergronden met elkaar in contact komen. Wel zie ik een belangrijke functie voor schoolsportverenigingen, zeker indien blijkt dat maar weinig leerlingen op school lid zijn van een sportvereniging. Het sportprogramma van het Johan de Witt College in Den Haag laat zien dat dergelijke initiatieven zeer lonen.

Vraag van de heer Eurlings (CDA) over de bevordering van grensoverschrijdende sportcompetities.

Het is bekend dat in een aantal grensregio's al gedurende vele jaren gezamenlijke sportactiviteiten plaatshebben. De staatssecretaris is hierover verheugd, niet alleen uit het oogpunt van sport, maar ook vanuit het oogpunt dat dit het wederzijds begrip tussen buurlanden bevordert. In elk land worden echter de competities vastgesteld door de verantwoordelijke sportbonden vaak in overleg met gemeenten en/of provincies. Het is niet aan de staatssecretaris om daar in te treden. Als betrokkenen een intensivering van dit soort sportcontacten willen staat het hen vrij daartoe de noodzakelijke initiatieven te nemen. Financiële steun is in dit verband geen taak van de rijksoverheid.

Vraag van de heer Eurlings (CDA) over de wenselijkheid van de totstandkoming van een dopinglaboratorium.

In het recente verleden heeft de Nederlandse overheid zich sterk gemaakt voor een erkend dopinglaboratorium in Nederland. Deze pogingen zijn gestrand op het beperkte belang dat de gezamenlijke landelijke sportorganisaties bij monde van NOC*NSF aan een dergelijk laboratorium hechtten. Wegens het nog steeds ontbreken van een voldoende draagvlak ben ik niet voornemens hernieuwde pogingen te ondernemen. Voorts is niet gebleken dat de toegankelijkheid en prijsvorming met betrekking tot buitenlandse laboratoria beletselen vormen voor het doen van voldoende dopingcontroles in Nederland. Voor de goede orde wijst de staatssecretaris er nog op dat een dopinglaboratorium in Nederland geen voorwaarde is voor de oprichting van een dopingcontrolecentrum.

Vraag van de heer Eurlings (CDA) over initiatieven in het kader van het internationale dopingbeleid.

De internationale afstemming vindt in eerste aanleg plaats door de samenwerking in het kader van de Overeenkomst ter bestrijding van doping van de Raad van Europa. Harmonisatie van regelgeving tussen sporttakken en tussen landen is een belangrijke doelstelling van de werkzaamheden van de Commissie van Toezicht van deze Overeenkomst.

Voorts heeft de regering zich aangesloten bij het International Anti-Doping Arrangement, een beleidsafspraak tussen thans zeven landen, met name om de kwaliteit van het dopingcontrole-systeem te verbeteren.

Bij het tegengaan van doping wordt ook de omgeving van de sporter betrokken. De sportorganisaties kunnen actie ondernemen tegen begeleiders die betrokken blijken bij het toedienen van doping.

Door de beschikbaarheid en algemene geldigheid van de richtlijnen die de Vereniging voor Sportgeneeskunde heeft opgesteld voor artsen omtrent het sportmedisch handelen, kunnen artsen tuchtrechtelijk getoetst worden.

Vraag van de heer Eurlings (CDA) over het gevaar van een tweedeling in de samenleving tussen jong en oud en de suggestie om een «commissie Grijsman» in te stellen.

De heer Eurlings vraagt aandacht voor het gevaar van een tweedeling in de samenleving tussen jong en oud. Hij wil daartoe na de Commissie Groenman een «Commissie Grijsman» instellen om dit thema op de agenda te krijgen.

De staatssecretaris heeft hierover haar twijfels, en niet alleen omdat, gelet op de samenstelling van de groep ouderen, «Grijsvrouw» natuurlijk een betere commissienaam zou zijn. De staatssecretaris heeft nog niet zo lang geleden op de Dag van de Ouderen het startschot mogen geven voor de Nederlandse invulling van het VN-jaar van de Ouderen, dat niet voor niets «Een samenleving voor alle leeftijden» als thema heeft. Samenwerking tussen generaties is een van de speerpunten van het Jaar. Naar verluid worden al in meer dan 400 gemeenten activiteiten in het kader van dat jaar georganiseerd. Op lokaal niveau gebeurt dus al van alles. In de Nota Intersectoraal Ouderenbeleid, die volgend voorjaar verschijnt, zal ook uitvoerig aandacht geschonken worden aan de ouderen als bron van «menselijk kapitaal». Daarmee wordt een nieuwe, meer tweezijdige, invulling gegeven aan de solidariteit tussen generaties. Al met al staat het thema dus zeer hoog op de agenda. Aan een speciale Commissie bestaat dan ook geen behoefte.

Vraag van de heer Eurlings (CDA) over het beleidskader vrijwilligerswerk.

Het beleidskader vrijwilligerswerk zal zoals aangegeven in het planningsoverzicht d.d. 12 november 1998 tegelijk met de nieuwe Welzijnsnota verschijnen, dat wil zeggen op 1 april 1999.

Vragen van de heren Eurlings (CDA) en Middel (PvdA) over het vlaggen op 15 augustus.

Bij Koninklijk Besluit van 12 maart 1982 is vastgesteld dat 5 mei een nationale feestdag is waarop uitdrukkelijk de bevrijding van het gehele Koninkrijk der Nederlanden van zowel de Duitse als de Japanse bezetter wordt herdacht.

Bij de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken wij diegenen – zowel burgers als militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesmissies.

Voorgaande kabinetten hebben zich vanwege het omvattende karakter van de herdenkingen op 4 en 5 mei op het standpunt gesteld dat het niet nodig of wenselijk is om daarnaast ook de datum van 15 augustus van de capitulatie door Japan in voormalig Nederlands-Indië een officieel karakter te geven. Als consequentie hiervan is besloten voor die dag geen vlaginstructie te geven.

Ik ben bereid, deze vraag opnieuw aan het huidige kabinet voor te leggen.

Vraag van de heer Middel (PvdA) over de schotten in de financiering tussen maatschappelijke opvang en GGZ.

Het investeren in de synergie tussen gemeenten en de GGZ is veel effectiever dan het verplaatsen van de schotten in de financiering. Dit laatste maakt namelijk dat er weer nieuwe afstemmingsproblemen ontstaan. Juist de samenhang op lokaal niveau krijgt in de praktijk steeds meer vorm. De zeer recent tot stand gekomen specifieke uitkering voor de opvangvoorzieningen maakt het mogelijk ook voor de verschillende sectoren de specifieke zorg te waarborgen.

Vragen van de heer Middel (PvdA) en mevrouwMeijer (VVD) over extra geld voor de Stichting Korrelatie.

De financiële problematiek van de Stichting Korrelatie is mij bekend. Ik ben bereid om tegemoet te komen aan het verzoek om uitbreiding van de subsidie. Daartoe zal ik een incidenteel bedrag in 1999 vrijmaken en voor de jaren daarna een en ander betrekken bij de begrotingsvoorbereiding 2000. De suggestie om met de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen hierover te overleggen neem ik gaarne over.

Vraag van de heer Middel (PvdA) over structurele ondersteuning van wijkgerichte media.

VWS heeft de afgelopen drie jaar, 1996–1998, de Stichting Omroep Allochtonen een eenmalige projectsubsidie verstrekt voor de ontwikkeling van het multi-mediaproject «de multiculturele wijk Lombok» in Utrecht.

Daarnaast wordt Stichting Omroep Allochtonen ondersteund in de drie grote steden, te weten Amsterdam (Zuidoost), Den Haag (Schilderswijk), en Rotterdam (Delfshaven/Crooswijk/Kralingen) om dergelijke projecten van de grond te krijgen.

Eerst op basis van het eindverslag van de projecten vindt een nadere standpuntbepaling over een mogelijke inbedding met andere departementen.

Vraag van de heer Middel (PvdA) over meer samenhang tussen bestaande opleidingen van de sportorganisaties en de OCenW opleidingen.

De staatssecretaris is het helemaal eens met de heer Middel dat er meer samenhang moet ontstaan tussen de bestaande opleidingen van de sportorganisaties en de OCenW opleidingen. De minister van OCenW en de staatssecretaris zullen u in reactie op het onderzoek van het bureau Boer & Croon op korte termijn informeren over onze voornemens in deze richting.

Vragen van de heren Middel (PvdA) en Rijpstra(VVD) over de faciliteiten en studiefinanciering voor topsporters.

Momenteel bestaat er in ons land een twaalftal zgn. LOOT-scholen die een aangepast les- en examenprogramma kennen voor talentvolle sporters. Een groeiend aantal Hoger Onderwijsinstellingen en Universiteiten biedt inmiddels voor topsporters een aantrekkelijk studieklimaat aan. Elke onderwijsinstelling heeft hierin een eigen beleid. Met de minister van Onderwijs is de staatssecretaris in overleg over de mogelijkheid van een flexibelere toepassing van de studiefinanciering voor topsporters. Ik hoop dat de resultaten van dat overleg meegenomen kunnen worden in de nota Topsport 2000+.

Vraag van de heer Oudkerk (PvdA) over de ontwikkeling van beleid, wet- en regelgeving in relatie tot het Europese recht.

Bij het ontwikkelen van beleid en regelgeving op het zorgterrein vormt de conformiteit met het Europese recht inmiddels een vast punt van aandacht op het ministerie. In de eerste plaats betreft dat de verdragsregels omtrent het vrije verkeer van personen en diensten en goederen; voorts zijn de mededingingsregels van belang. Tevens speelt het in verordeningen en richtlijnen neergelegde secundaire recht een grote rol (schadeverzekeringsrichtlijnen, transparantierichtlijn, aanbestedingsrichtlijn). Steeds wordt getracht de regelgeving zo in te richten dat strijdigheid met het Europese recht wordt voorkomen, c.q. wordt met een uitgebreide motivering – mede op basis van jurisprudentie – getracht de conformiteit met dat recht aan te tonen. Zo wordt bij maatregelen waar nodig een beroep gedaan op de uitzonderingen in het kader van de (volks)gezondheid. Het is niet eenvoudig met zekerheid te voorzien bij welke wetgeving Europeesrechtelijke problemen zullen ontstaan. In het algemeen kan worden opgemerkt dat Europeesrechtelijke aspecten in de beschouwingen moeten worden betrokken bij alle maatregelen met betrekking tot de aanspraken in de zorgverzekering, de inrichting van de zorgverlening door instellingen, zoals samenwerking tussen zorgverleners en beperking van het zorgaanbod, of uitvoering van de sociale ziektekostenverzekering door zorgverzekeraars. Dat betekent extra aandacht bij de wetgeving over de geneesmiddelenvoorziening, de bouw van ziekenhuisvoorzieningen e.d. Overigens zal ik de Europeesrechtelijke expertise bij VWS de komende maanden nog verder versterken.

Vraag van de heer Oudkerk (PvdA) over risico-selectie preventieprogramma's.

De heer Oudkerk heeft gevraagd wat de grenzen van betamelijkheid zijn bij aanbiedingen van preventie-programma's door verzekeraars.

Particuliere verzekeraars doen dit aanbod om invloed uit te kunnen oefenen op het gebruik van medische voorzieningen en dus de kosten daarvan.

Ik waardeer dat positief. Ik vind niet dat hier sprake is van risico-selectie in de zin van beperking van toegang tot de zorgverzekering.

Preventie-programma's die in aanvulling op bestaande polissen worden aangeboden zullen veelal tot het derde compartiment behoren, hoezeer ik ook van mening ben dat preventie onderdeel uitmaakt van het totale gezondheidsbeleid en iedereen met de mogelijkheden en het belang van preventieve maatregelen op de hoogte zou moeten zijn.

Vraag van de heer Oudkerk (PvdA) over (de coördinatie van) het alcoholmatigingsbeleid en de operationalisering van de wijziging van de Drank- en Horecawet.

Het betoog van de heer Oudkerk over de ernst en omvang van de alcoholproblematiek onderschrijf ik geheel. De alcoholproblematiek is aanzienlijk groter dan de drugproblematiek en roken leidt wel tot veel meer doden dan alcoholmisbruik, maar in termen van onmiddellijke schade voor de maatschappij is alcohol door het roeseffect een groter probleem, vooral ook onder jongeren.

Alcoholproblemen zijn helaas inderdaad wijdverbreid in onze samenleving, slaan neer in allerlei sectoren en om die reden zijn vrijwel alle ministeries erbij betrokken. Dat is al zo sinds de start in het begin van de jaren tachtig van de ontwikkeling van het alcoholmatigingsbeleid. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is hiervoor sindsdien de coördinerend bewindspersoon en is ook van oudsher verantwoordelijk voor de Drank- en Horecawet. In concreto kreeg het alcoholmatigingsbeleid van de regering zijn beslag in de beleidsnota «Alcohol en samenleving» uit 1986, die een integrale aanpak omvat. De beleidsvoornemens uit deze nota (meer voorlichting en preventie, doelmatiger hulpverlening, striktere wetgeving, zelfregulering door de branche en inzet van het accijnsinstrument), zijn voor een belangrijk deel uitgevoerd – en niet geheel zonder effect, want de totale alcoholconsumptie is sindsdien licht gedaald –, maar nog steeds relevant. Het in april jl. bij de Tweede Kamer ingediende wijzigingsvoorstel Drank- en Horecawet en Handhavingsplan – waaraan nog een Uitvoeringsarrangement zal worden toegevoegd – zijn onderdeel van dat beleidstraject. Zodra die wet in werking is getreden, is het tijd voor een nieuwe Alcoholnota; in die zin deel ik de opvatting van de heer Oudkerk.

Wat een alcoholverbod voor snackbars via de Drank- en Horecawet betreft, is het zo dat het kabinet dit na ampel beraad niet heeft voorgesteld.

Ik ben het met de heer Oudkerk eens dat de overheid een brede visie moet hebben die alle riskante genotmiddelen omvat. Wellicht is het inderdaad nodig om ons eens opnieuw te bezinnen over de samenhang in het beleid. Daartoe zal eerst de aard en omvang van de gevolgen van het gebruik en misbruik van deze middelen goed in kaart moeten worden gebracht. In feite is daar in de Volksgezondheid Toekomst Verkenning al een eerste aanzet toe gedaan, maar het lijkt mij zinvol om de VTV-gegevens nader te analyseren en daaraan zo nodig aanvullende beleidsmaatregelen te koppelen. En vanzelfsprekend zullen effectiviteit, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid centraal moeten staan.

Vraag van mevrouw Hermann (GL) over de groei in de uitgaven voor de zorg.

Over de groei van de zorguitgaven is in dit huis de laatste dagen al veel gezegd. Vaak was daarbij de vraag aan de orde of het extra geld voor deze kabinetsperiode wel genoeg was. Dat extra geld is echter niet lukraak toebedeeld aan de zorg. Daarvoor hebben we tijdens de formatie goed gekeken naar wat er in de komende vier jaar nodig is om een hoogwaardige zorg in Nederland te kunnen garanderen. Wij hebben daarbij gebruik gemaakt van ramingen van het SCP, CPB, RIVM en het NZi, die allen onderzoek hebben gedaan naar de benodigde volumegroei van de zorguitgaven. Mede op basis van die ramingen heeft de zorg in deze kabinetsperiode f 5,6 mld extra te besteden. Prioriteit bij de besteding van die extra middelen heeft onder andere de vermindering van de wachtlijsten en de werkdruk en een beter arbeidsmarktbeleid. Daarnaast verdient het verder verbeteren van de zorgprocessen en het tot stand brengen van sluitende zorgketens alle aandacht. De daarbij behaalde efficiencywinst mag opnieuw aan zorg worden besteed. Langs deze wegen denken wij tegelijkertijd de kwaliteit van de zorg verder te kunnen verbeteren. Terugkomend op uw vraag, kan ik dan ook zeggen dat het kabinet de zorg, met de extra middelen en de meerjarenafspraken, volgens ons heeft voorzien van een goede paraplu. Ook voor als het onverhoopt toch mocht gaan regenen.

Vragen van mevrouw Hermann (GL) over hoe scheiding tussen zorgverzekering en schadelastbeperking moet worden uitgevoerd.

Mevrouw Hermann vreest dat het niet mogelijk zal zijn een wezenlijk onderscheid te handhaven tussen de sociale zorgverzekeringsfunctie en schadelastbeperking.

Ik vraag mij af of hier niet een tegenstelling wordt gesuggereerd die misschien in werkelijkheid niet bestaat. Schadelastbeperking is zeer wezenlijk voor het toegankelijk houden van de sociale zorgverzekering. Dat ligt precies hetzelfde als voor het levensvatbaar houden van eventuele derde-compartimentsverzekeringen, waarover mevrouw Hermann maandag al sprak. Als een verzekeraar niet aan effectieve schadelastbeheersing zou doen, loopt zijn nominale premie voor de tweede compartimentsverzekering hoger op dan die van zijn concurrenten en zijn aanvullende derde compartimentsverzekering wordt onaantrekkelijk door een te hoge premie. Aan dit soort marktwerking zal geen enkele zorgverzekeraar zich kunnen onttrekken. Dat is alleen maar in het belang van de verzekerden. Ik ga er van uit dat wie niet regisseert, niet in staat zal blijken tot effectieve schadelastbeheersing. Volgens mij ligt juist hierin de reden waarom de zorgverzekeraars al jaren geleden «ja» hebben gezegd tegen het op zich nemen van een regierol in de zorg. Dat moeten we goed voor ogen houden.

Vraag van mevrouw Hermann (GL) over versterking gemeentelijk gezondheidsbeleid.

Ik ben het met mevrouw Hermann eens dat met preventie inderdaad een behoorlijke gezondheidswinst te behalen valt. Hieraan werken gemeenten, de GGD's en het Rijk samen in het actieprogramma «versterking gemeentelijk gezondheidsbeleid.» Zo spoedig mogelijk nadat de resultaten bekend zijn van alle deelprojecten in dit programma, naar verwachting in december van dit jaar, zal ik u mijn standpunt op dit gebied toezenden. Daar hoort ook bij het advies basistaken collectieve preventie, waaronder dat over de jeugdgezondheidszorg.

Vraag van mevrouw Hermann (GL) over financiering van opleidingen van sociaal geneeskundigen en deze te betrekken bij de arbeidsvoorwaarden.

De minister van VWS is geen overlegpartner in de CAO-onderhandelingen in de verschillende sectoren in het VWS-veld. In die zin kan dus niet worden tegemoet gekomen aan de gestelde vraag. Wél is het zo dat de aspecten van het kunnen combineren van werk en zorg, van conveniërende werktijden en werkpatronen, van het beschikbaar zijn van kinderopvang deel uit maken van het regeringsbeleid, zoals ook terecht wordt opgemerkt. Alle regelgeving die intussen op deze terreinen is gecreëerd, geldt ook voor de werkenden in de VWS-sectoren. In al het overleg dat VWS voert met het veld over de arbeidsmarkt wordt ook voortdurend benadrukt dat sociale partners de mogelijkheden van deze regelgeving moeten benutten om arbeidsmarktproblemen tot het minimale te beperken.

Bij de voorbereiding van regelgeving door andere ministers op de genoemde aspecten is VWS voortdurend attent dat de VWS-sectoren daar ook een beroep op kunnen doen. Bij het overleg over de arbeidsmarkt dat VWS met het veld voert, is er ook altijd betrokkenheid van SZW. Met SZW voeren wij ook overleg over de opleidingen tot sociaal geneeskundige.

Vraag van mevrouw Van Gent (GL) over 24-uurs kinderopvang.

Uit recente experimenten met 24-uursopvang bleek dat er bij veel ouders niet zozeer behoefte is naar 24-uurs kinderopvang, maar naar een meer flexibel gebruik en verlengde openingstijden. Ook in het Regeerakkoord wordt gewezen naar de noodzaak van van differentiatie in aanbod. De praktijk is echter nog steeds weerbarstig. Daar waar bedrijfstakken met onregelmatige werktijden werken, is het logisch dat er een gedifferentieerd aanbod word aangeboden. Ik wijs bijvoorbeeld ook op de zorg CAO. Als deze werkgevers zelf bijdragen aan financiering van de kinderopvang kunnen en zullen zij ook dergelijke voorwaarden kunnen verbinden. De uitbreiding van de fiscale ondersteuning voor het bedrijfsleven m.b.t. kinderopvang, moet dergelijke investeringen vanuit het bedrijfsleven stimuleren. De komende periode zal ik ook in de vorm van onderzoek, aandacht geven aan de gewijzigde behoefte aan kinderopvang. Hierbij zal ik zeker het vervolgadvies van de Commissie Dagindeling betrekken.

Tot slot, mijns inziens terecht wijst mevrouw Van Gent ook op de keerzijde van al deze flexibiliteit. Je moet je – zeker vanuit het perspectief van het jeugdbeleid – de vraag blijven stellen of elk ingewikkeld arbeidspatroon wel gecompenseerd moet worden met ingewikkelde kinderopvang.

Vragen van mevrouw Van Gent (GL) over eigen bijdragen en plannen van aanpak in de zorg.

Op de voorstellen tot het schrappen van de eigen bijdrage voor thuiszorg voor de laagste inkomenscategorie en het geven van een opdracht aan het SCP over een onderzoek naar het vrij besteedbare bedrag is reeds ingegaan in de brief van 24 november 1998, FEZ-U-981244 over de moties en de onbeantwoorde vragen JOZ. In de brief is ook vermeld dat de huidige eigen bijdrage regeling thuiszorg een inkomensafhankelijke regeling is, zodat rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht van de zorgvrager. Het grote beroep dat de laagste inkomensgroepen op de thuiszorg doen illustreert dat de toegankelijkheid nu is gewaarborgd. Wat betreft het voorstel om de lage eigen bijdragen voor verblijf in een instelling voor de inkomenscategorie tussen de f 36 000 en f 52 000 te staffelen, is van belang de passage in vorenvermelde brief waarin is aangegeven dat op dit moment binnen het departement wordt gewerkt aan enkele varianten om de lage inkomensafhankelijke bijdrageregeling te verzachten. In de brief van 24 november heeft de staatssecretaris aangegeven dat een oplossing voor de gevolgen van de AWBZ-EB voor mensen met een partner thuis niet eerder mogelijk is. Een ingangsdatum vóór 1 juli 1999 is te belastend voor de uitvoeringspraktijk.

Vragen van mevrouw Van Gent (GL) over arbeidsmarktbeleid en de financiële verantwoordelijkheid daarvoor van VWS.

De arbeidsmarkt van de zorg verkrapt meer en meer en daardoor is een actief arbeidsmarktbeleid van alle betrokken partijen zeer gewenst. In mijn aanbiedingsbrief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Rapportage Arbeidsmarkt (RAZ) 1998 en het Integrerend OSA-rapport 1998 van 13 november 1998 (kenmerk MEVA/ABA-98998) ben ik uitgebreid ingegaan op het arbeidsmarktbeleid in de zorg.

Kortheidshalve moge ik in dit verband ook daarnaar verwijzen.

De kern van elk arbeidsmarktbeleid is een sector aantrekkelijk te maken voor zowel nieuwe als zittende werknemers. De aantrekkelijkheid van een sector wordt uiteraard bepaald door het totale pakket van arbeidsvoorwaarden, ofwel de combinatie van salaris, arbeidsomstandigheden, carrière-perspectief, kinderopvangmogelijkheden e.d.

Het arbeidsmarktbeleid dient daarom via een diversiteit van maatregelen gevoerd te worden: sectorbreed, integraal en meerjarig. Ik wijs er met nadruk op dat sociale partners zelf verantwoordelijk zijn voor dit beleid en voor het ontwikkelen van de instrumenten. De overheid kan dit beleid faciliteren. Samen met sociale partners pakt de overheid de arbeidsmarktproblematiek aan. Ik wijs hierbij op het spoedig af te sluiten convenant met sociale partners en zal u daar ook spoedig over informeren.

Vraag van mevrouw Van Gent (GL) over beloningsachterstand in de jeugdhulpverlening.

Op het punt van het KPMG-onderzoek, wordt opgemerkt dat het loon niet de enige arbeidsvoorwaarde is die in de vergelijking betrokken moet worden. Het is immers zoals gezegd het pakket van arbeidsvoorwaarden dat aantrekkelijkheid van de sector bepaalt. Op basis van een vergelijking op alleen het salaris van een deel van het personeel is, naar de mening van de staatssecretaris, dan ook geen extrapolatie mogelijk naar het totaal. Overigens is de staatssecretaris, als alleen naar het salaris gekeken wordt, er niet van overtuigd dat op basis van dit onderzoek de conclusie kan worden getrokken dat er sprake is van een algehele loonlijnachterstand in de Jeugdhulpverlening.

Verder is 40 miljoen beschikbaar gesteld om de problemen rond de Arbeidstijdenwet (ATW) in de sector op te lossen. Dit heeft vrije tijd en extra inkomen opgeleverd door een ruimere inroostering en een betere inconveniëntenvergoeding.

Bovendien is in het Regeerakkoord besloten om de arbeidsproduktiviteitskorting ter medefinanciering van de arbeidsvoorwaarden die in de afgelopen jaren werd toegepast, te laten vervallen. Tevens is een uit het regeerakkoord voortvloeiende taakstelling «productiviteitskorting op een aantal onderdelen van de collectieve sector van 4 x 0,55%» voor o.a. de jeugdzorg, in het kader van de begroting/JOZ, ongedaan gemaakt. Uiteraard neemt dit niet weg dat – gelet op de groeiende zorgvraag en de dreigende krapte op de arbeidsmarkt ook in de jeugdhulpverlening – een extra inspanning nodig is om voldoende en goed personeel te werven en te behouden. In dit verband is er overleg gaande met de sector welzijn en jeugdhulpverlening om in evenals de zorgsectoren te komen tot een arbeidsmarktconvenant voor deze sectoren.

Vragen van mevrouw Van Gent (GL) en mevrouwKant (SP) over plaatsgebrek en achterblijven van volumegroei in de maatschappelijke opvang.

Het klopt, gelet op de keuzes in het regeerakkoord, dat maatschappelijke opvang niet deelt in de volumegroei voor de zorgsector. Daar staat tegenover dat in 1998 het budget voor de opvang is gestegen van f 188 miljoen naar ruim f 222 miljoen. Ook heb ik het regeerakkoord op één punt gecorrigeerd, door de in het regeerakkoord opgelegde efficiencykorting van 0,55% niet op deze sector toe te passen.

De effecten van deze extra middelen zullen pas in 1999 volledig merkbaar zijn. Verder moet ook nog duidelijk worden welke gevolgen het Grote Stedenbeleid heeft voor de maatschappelijke opvang. Daarnaast ondersteunt het kabinet gemeenten bij het komen tot een integrale aanpak. Afstemming en samenwerking met andere beleidssectoren zijn van groot belang voor het ontwikkelen van preventie-, doorstroom en herstelactiviteiten. Deze activiteiten zullen uiteindelijk moeten resulteren in minder toestroom en een sneller doorstroom in de maatschappelijke opvang waardoor de druk op de capaciteit zal afnemen. Overigens zal ik in de sectorale visie GGZ verder ingaan op het verband tussen de verschillende sectoren zoals GGZ, Maatschappelijke Opvang en Verslavingszorg.

Vraag van mevrouw Van Gent (GL) over het zicht op de besteding van maatschappelijke opvang gelden door de gemeenten.

Op basis van diverse onderzoeken hebben wij een redelijk maar niet volledig beeld van de besteding van de middelen voor de maatschappelijke opvang. Om dit inzicht verder te verbeteren, wordt nu een informatiesysteem voor de maatschappelijke opvang opgezet waarin ook financiële informatie van gemeenten wordt opgenomen. Om deze informatieplicht van gemeenten wettelijk te verankeren, zal de Welzijnswet worden gewijzigd. Tot slot dienen gemeenten – op basis van de Algemene Maatregel van Bestuur die vanaf 1 januari van kracht is – een verklaring af te geven dat de middelen zijn ingezet voor het doel waarvoor zij waren bestemd.

De extra middelen voor het Gemeentefonds kunnen de gemeenten extra financiële armslag geven om het maatschappelijke opvang te intensiveren. Het is nadrukkelijk de verantwoordelijkheid van de gemeenten in hoeverre zij dit ook zullen doen.

Vraag van mevrouw Meijer (VVD) over de toekomst van de aanstaande oudere jongeren.

In zijn algemeenheid is het ouderenbeleid erop gericht ouderen zoveel mogelijk gelijk te behandelen, tenzij er specifieke redenen zijn om voor ouderen iets speciaals te regelen. De vitale 75-plusser van mevrouw Meijer zou de staatssecretaris dan ook niet anders willen behandelen dan een vitale 65-, 55- of 45-plusser. Het beleid om niet naar leeftijd te discrimineren wordt serieus genomen. Er staat ouderen niets in de weg om zelf aan de slag te gaan. Dat wil niet zeggen dat er geen aandacht zou zijn voor de gevolgen van de demografische ontwikkelingen. Zoals bekend, is de deelname van leeftijdsgroep 55–64 jaar aan het arbeidsproces beperkt. Het stimuleren van deze deelname zal de komende periode een belangrijk aandachtspunt zijn. Het gaat dan om aandacht voor de echte jongere ouderen. Daarnaast is de staatssecretaris zich bewust van het potentieel dat bij de jongere ouderen aanwezig is om maatschappelijk zinvolle activiteiten te verrichten.

De staatssecretaris is van mening dat ouderen actief aan de samenleving moeten deelnemen. Bij vergrijzing mag en moet niet alleen gekeken worden naar de «zorg» die nodig is. Op dit moment kent de Nederlandse samenleving al een groep van ruim 2 miljoen 65-plussers. Ook bij krachtige en succesvolle voortzetting van het beleid om ouderen langer bij het arbeidsproces betrokken te houden, zal het merendeel van deze groep geen betaalde arbeid verrichten, maar wel redelijk tot zeer vitaal zijn.

Het beleid dient gericht te zijn op het verzilveren van de waarde die ouderen vertegenwoordigen. Dat kan vooral op lokaal niveau gebeuren, binnen maar ook tussen generaties. Juist op lokaal niveau, in buurten en wijken, kan gebruik gemaakt worden van de (onbenutte) capaciteit van ouderen. Zij vormen immers vaak de meest stabiele factor in woongebieden en hebben ook een ruime ervaring in het leefbaar houden van de straat. Een dergelijk beroep op ouderen neemt ze ook serieus als capabele burgers. In de nieuwe Nota Intersectoraal Ouderenbeleid, die voor het zomerreces aan uw Kamer zal worden aangeboden, zijn «human capital» en maatschappelijke participatie van ouderen de centrale thema's.

Vragen van mevrouw Meijer (VVD) over randvoorwaarden en verantwoordelijkheden met betrekking tot het regiobeleid.

Met ingang van 1 januari 1999 zal zorg-op-maat voor mensen met een verstandelijke handicap geregeld worden in het kader van de aanspraken. De aanspraken worden zodanig herzien dat de zorg ook in onderdelen kan worden geleverd. Met de zorg-op-maat wordt gepoogd een verdere impuls te geven aan de ontwikkeling van een meer vraaggestuurde en doelmatige zorg. Om dit proces goed te laten verlopen wordt door cliënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars een protocol zorg-op-maat voorbereid. Deze ontwikkeling is een logisch gevolg van de verantwoordelijkheid van deze partijen. Daarbij nemen zij als uitgangspunt dat zorgvernieuwing zorg-op-maat is welke wordt gestuurd en gedefinieerd door de cliënt.

Op deze wijze wordt een invulling gegeven die enerzijds past binnen de uitgangspunten van een beheerste invulling van zorg-op-maat. Anderzijds sluit die wijze van invulling goed aan bij de wensen van verzekerden.

Als partijen in de regio er niet uitkomen beslist het zorgkantoor in lijn met het algemeen beleid. Dat is in lijn met de verantwoordelijkheden zoals die in het kader van de AWBZ en de Wet tarieven gezondheidszorg zijn vastgelegd.

Vraag van mevrouw Meijer (VVD) over de keuze om af te zien van een verhoging van het forfaitair bedrag bij het PGB.

De staatssecretaris onderkent dat een verhoging van het forfaitair bedrag tot vereenvoudiging en ontbureaucratisering kan leiden van de PGB-uitvoering. Er zitten echter ook nadelen aan, want met het wegvallen van de centrale administratieverplichting gaan sociale en fiscale werkgeversverplichtingen over naar de individuele budgethouders, ook indien wordt aangehaakt bij de hoogte van de belastingvrije som. Voorts kan er, naar de mate waarin het forfaitair bedrag hoger wordt, een weglekken ontstaan naar een grijs of zwart circuit. U begrijpt dat de Ministers van Financiën en Sociale Zaken zoveel mogelijk trachten het grijze en zwarte circuit te beperken.

Zoals aangegeven bij het Algemeen Overleg over het PGB wil de staatssecretaris langs 3 lijnen het PGB verder ontwikkelen: het in overleg met SVB en ZFR streven naar verdere vereenvoudiging; het uitbreiden van het PGB; het onderzoeken van de mogelijkheden voor een integratietegemoetkoming zoals aangekondigd in het regeerakkoord.

Vraag van mevrouw Meijer (VVD) over de visie van de minister op de GGZ.

Ik kan mevrouw Meijer op haar wenken bedienen; alleen niet vandaag. Ik loop al enkele dagen met een definitieve concept-Beleidsvisie GGZ in mijn tas, waarvan het de bedoeling is die nog voor het eind van het jaar naar de Kamer te zenden. Ik wil haar graag naar dat stuk verwijzen.

Vragen van mevrouw Meijer (VVD), de heerMiddel (PvdA) en mevrouw Van Gent (GL) over over het Grote Stedenbeleid in relatie tot de maatschappelijke opvang.

Er zijn geen extra middelen van het Grote Stedenbeleid of het Fonds Leefbaarheid geoormerkt voor de maatschappelijke opvang. Kwetsbare groepen vormen nadrukkelijk wel een onderwerp van de zogeheten doorstartconvenanten van de G4 en de G21. De doelgroep van de maatschappelijke opvang (dak- en thuislozen, verslaafden en vrouwen in bedreigende omstandigheden) komt hier specifiek aan bod. De grote steden willen het integrale beleid op terrein van de maatschappelijke opvang (van preventie tot herstel) verder versterken. Hiervoor willen zij ook prestatie-afspraken maken met het Rijk. Ook willen de gemeenten de specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang en vrouwenopvang meer flexibel inzetten. Dit kan, mits de aanwending van deze gelden geschiedt conform de bestemming waarvoor zij zijn bedoeld. Deze afspraken zullen worden opgenomen in de stedelijke (sociale) ontwikkelingsplannen die deze gemeenten gaan maken. Op basis van deze plannen zullen ook de extra middelen voor fysieke/economische en sociale infrastructuur worden ingezet.

Het fonds Leefbaarheid zal worden ingezet voor de verdere versterking van de sociale infrastructuur waaronder de wijkaanpak. Dit zal ook positieve gevolgen hebben voor de kwetsbare groepen.

Bij minister Van Boxtel heb ik reeds bepleit om in het Grote Stedenbeleid specifiek aandacht te besteden aan de maatschappelijke opvang. Hierbij merk ik tevens op dat in de brief van 5 oktober 1998 van Van Boxtel aan de voorzitter van de Tweede Kamer staat op welke wijze de financiële medeverantwoordelijkheid van de minister voor GSI wordt vormgegeven.

Vraag van mevrouw Van Blerck-Woerdman (VVD) over de omvang problematiek buitenrolstoel.

Voor wat betreft de buitenrolstoel doet de bedoelde lacune in de regelgeving tussen AWBZ en WVG zich uitsluitend voor bij die bewoners van AWBZ-instellingen die een zogenaamde buitenrolstoel nodig hebben. Voor verzekerden die geen buitenrolstoel nodig hebben, speelt dit probleem sowieso niet.

De vraagstelling van 29 juli 1998 aan de Ziekenfondsraad richtte zich dan ook uitsluitend op die situaties waarin een verzekerde een aangepaste rolstoel vanuit de AWBZ verstrekt krijgt en tevens is aangewezen op een buitenrolstoel. Deze vraagstelling heeft dus dezelfde reikwijdte als mevrouw Van Blerck-Woerdman beoogt.

Daarnaast heeft zij uiteraard gelijk dat niet alle bewoners van een AWBZ-instelling een zogenaamde buitenrolstoel nodig hebben.

Vraag van mevrouw Van Blerck-Woerdman (VVD) over uitspraken Onafhankelijke Ziekenfonds Bedrijven (OZB) als zou zij in haar voortbestaan worden bedreigd.

Het Onafhankelijk Ziekenfonds Bedrijven (OZB) heeft mij een brief geschreven naar aanleiding van het introduceren van een verdeelmaatstaf «verzekeringsgrondslag» in de ZFW-budgettering per 1-1-1999. Ik zal die brief uiteraard beantwoorden. Ik vind het nu nog echter te vroeg om inhoudelijk te reageren. Er ontbreekt nog teveel informatie om te kunnen beoordelen of het ziekenfonds werkelijk in zijn bestaansrecht in gevaar wordt gebracht, zoals het aan mij schrijft.

Ik wil met klem tegenspreken dat de introductie van de nieuwe verdeelmaatstaf bedoeld is om het OZB «langs de achterdeur», zoals mevrouw Van Blerck-Woerdman dat uitdrukte, tegen te werken. De introductie van de maatstaf verzekeringsgrondslag komt niet bepaald uit de lucht vallen. Aanleiding vormde destijds het rapport van de door Zorgverzekeraars Nederland ingestelde Toetsingscommissie Budgettering. Op basis van de aanbevelingen van de Toetsingscommissie heeft vervolgens onderzoek plaatsgevonden naar de introductie van zo'n nieuwe maatstaf in het verdeelmodel. De Tweede Kamer heb ik vorig jaar geïnformeerd over mijn voornemen om dit onderzoek te doen (o.a. bij brief van 31-10-1997). De bedoeling van het onderzoek is steeds geweest om tot een verdeling van de ZFW-middelen over de ziekenfondsen te komen die beter aansluit bij de kostenverdeling. Andere, achterliggende of verborgen doelen zijn er niet.

Ik zie geen reden om op dit moment op stel en sprong nieuwe beslissingen te nemen over de wijze waarop het ZFW-macrobudget voor 1999 zou moeten worden verdeeld. Ik zie wel reden – die zie ik overigens altijd na het aanbrengen van wijzigingen in het verdeelmodel – om in de loop van volgend jaar zorgvuldig te bekijken hoe de wijzigingen in het systeem uitpakken. Aan de hand van de conclusies die daaruit kunnen worden getrokken kan dan vervolgens worden bezien of bijstellingen, bijvoorbeeld per 1-1-2000 moeten worden aangebracht.

Vraag van mevrouw Van Blerck-Woerdman (VVD) over subsidie informatiepunt Alternatieve Geneeswijzen.

Mevrouw Van Blerck-Woerdman informeerde naar de stand van zaken rond het informatiepunt Alternatieve Geneeswijzen, dat is ondergebracht bij het Nationaal Instituut voor gezondheidsbevordering en ziektepreventie, het NIGZ.

Enkele jaren geleden is de jaarlijkse subsidie van het ministerie aan het informatie- en documentatiecentrum Alternatieve Geneeswijzen geheel stopgezet. Het Praeventiefonds ging vervolgens over tot financiering van het informatiepunt dat gedurende de afgelopen vier jaar als project was ondergebracht bij het NIGZ. Op 1 januari 1999 loopt deze project-financiering af.

Ik heb een marktonderzoek gefinancierd om te bezien of er in het veld belangstelling bestaat voor financiële ondersteuning van dit informatiepunt. Hiervoor blijkt echter geen wezenlijke belangstelling te bestaan, ook niet voor partiële financiering.

Overigens is het aanbod van informatie over alternatieve behandelwijzen en alternatieve genezers in Nederland zowel wat omvang als wat inhoud betreft naar mijn mening redelijk te noemen. Een deel van dat aanbod wordt al gefinancierd door het ministerie, zoals de activiteiten van NWO (methodologie van effectiviteitsonderzoek), CBO (kwaliteitsbeleid), VABU (ontwikkeling van een onderwijsmodule voor medische faculteiten en syllabus met meest gestelde vragen), Consumentenbond (kwaliteit van verschillende alternatieve beroepsorganisaties) en NIGZ (internetsite voor beroepsbeoefenaren over kwaliteitsontwikkeling).

Ik zie daarom geen noodzaak en toegevoegde waarde een apart informatiepunt alternatieve behandelwijzen opnieuw te financieren en heb het desbetreffende subsidieverzoek van het NIGZ (ter grootte van f 267 000,– per jaar) dan ook recent afgewezen.

Vraag van mevrouw Van Blerck-Woerdman (VVD) over de resultaten van het project orgaandonatie en het advies van de Commissie Gelijke Behandeling.

Mevrouw Van Blerck-Woerdman vroeg naar de oorzaken van de tegenvallende resultaten van het project orgaandonatie, en wat ik zal ondernemen om het tij te keren. Ook vroeg zij of het advies van de commissie gelijke behandeling over orgaandonatie en homoseksualiteit (waar in de schriftelijke vragen naar verwezen werd) inmiddels is ontvangen.

Of de resultaten van het project orgaandonatie tegenvallend genoemd mogen worden, betwijfel ik. Ik ben eerder geneigd om te denken dat de resultaten van het project zelf goed zijn. Ik onderscheid het project en de cijfers over de ter beschikking komende organen. Over het project wil ik het volgende zeggen. Op de eerste plaats zou ik de invoering van een donorregister toch een succesvol verlopen operatie willen noemen. Weliswaar is het aantal geregistreerde toestemmingen op dit moment nog van de zelfde orde als het vroeger veronderstelde aantal codicildragers, namelijk ruim 20 procent, maar de effectiviteit van de registraties is vele malen groter. Uit onderzoek is immers gebleken dat van de beschouwde groep overledenen slechts 1,3 procent een codicil bij zich droeg op het moment van overlijden. Zo zal wanneer de bevestigingsprocedure bij alle wilsbeschikkingen is afgerond, een in het donorregister opgenomen wilsbeschikking vrijwel altijd effectief kunnen zijn op het moment dat die van belang is.

Op de tweede plaats is de bevolking nu goed – en volgens mevrouw Van Blerck-Woerdman misschien zelfs wel te goed – geïnformeerd over de verschillende aspecten van orgaandonatie, Uit onderzoek van het NSS is in ieder geval ook gebleken dat de bevolking de voorlichtingscampagne positief heeft gewaardeerd. De voorlichtingscampagne van 1999 zal overigens minder massa-mediaal en in de tijd beperkter worden gevoerd, en zich verder met name richten op de nieuw aan te schrijven groep van 18-jarigen.

Op de derde plaats zijn bij de betrokkenen in de zorg de benodigde kennis over orgaandonatie en de vaardigheden die bij orgaandonatieprocedures een rol spelen, toegenomen.

Dat die op zich zelf gunstige ontwikkelingen toch nog niet geleid hebben tot meer orgaandonoren, kan bijvoorbeeld komen doordat het register nog maar sinds 1 september jongstleden operationeel is, en nog een aantal niet vrijgegeven registraties bevat. Daarnaast kan een oorzaak zijn dat gemiddeld gesproken de medische geschiktheid van overledenen om als donor van een of meer vitale organen te fungeren is afgenomen ten opzichte van eerdere jaren. Op zijn minst opvallend is dat ook Oostenrijk en België te maken hebben met teruglopende aantallen orgaandonoren.

Ik meen dat er geen aanleiding is om veranderingen aan te brengen in het huidige beleid ten aanzien van orgaandonatie. Ik zal overigens binnenkort nader op een en ander ingaan in een brief aan de Kamer met daarin mijn standpunt op de eindrapportage van de Stuurgroep uitvoering Wet op de orgaandonatie.

Tenslotte de vraag naar de Commissie Gelijke Behandeling. Ik kan u meedelen dat ik op 21 september jongstleden aan de commissie heb laten weten dat de weergave door de commissie van het standpunt van VWS in een brief van de commissie aan het COC niet juist was.

De term «homoseksualiteit» als uitsluitingscriterium in het protocol orgaan- en weefseldonatie dient te worden gewijzigd in «seksueel gedrag waardoor ernstig gevaar wordt gelopen voor besmetting met overdraagbare ziekten, met inbegrip van seksueel verkeer in ruil voor geld en drugs».

Vraag van de heer Rijpstra (VVD) over het wettelijk erkennen van sportarts als klinisch specialist in 1999.

Aan de door de heer Rijpstra gevraagde toezegging om de sportarts als klinisch specialist te zien, kan ik niet voldoen. Immers, de bevoegdheid om sportgeneeskunde als een klinisch specialisme aan te merken ligt op grond van de Wet BIG primair bij het Centraal College Medische Specialismen van de KNMG. Een verzoek om in aanmerking te komen als klinisch specialisme dient door de Vereniging voor Sportgeneeskunde bij dit College te worden ingediend. Pas als het College zou mogen besluiten om de sportgeneeskunde als klinisch specialisme te zien, wordt dit besluit aan mij ter goedkeuring voorgelegd. Wanneer ik positief besluit dan heeft dit specialisme en de daaraan verbonden specialistentitel een wettelijke erkenning. De financiering van de opleiding tot sportarts geschiedt dan conform de financiering van de andere klinische specialistenopleidingen.

Vraag van de heer Rijpstra (VVD) over de oprichting van een landelijk Dopingcontrolecentrum.

De staatssecretaris staat positief tegenover het besluit van de gezamenlijke landelijke sportorganisaties tot oprichting van een onafhankelijke instantie voor de coördinatie en uitvoering van de dopingcontroles en de coördinatie van het gehele proces met uitzondering van het verenigingsrechtelijk sanctioneren van overtreders van de dopingbepalingen. Ofschoon het opstellen en handhaven van de eigen regels een zaak van de sportorganisaties zelf is, is de staatssecretaris bereid de oprichting van een dergelijke instantie te ondersteunen uit de intensiveringsmiddelen voor Topsport.

Vraag van de heer Rijpstra (VVD) over financiële bijdrage t.b.v. bijscholingscursus «Sociale Hygiëne en Drank- en Horecawet».

Leidinggevenden van sportkantines moeten op grond van de Drank- en Horecawet 1996 beschikken over een Verklaring Sociale Hygiëne. Met NOC*NSF is overlegd over de mogelijkheden speciaal voor de sportsector bijscholingscursussen op te zetten. Dat gebeurt nu en dat is een goede zaak. Het ligt echter niet in de rede daar een vergoeding voor te verstrekken. Het gaat immers om een wettelijke kennis-eis die ook voor leidinggevenden in de reguliere horeca geldt. Daarnaast stel ik in het wetsvoorstel Wijziging Drank- en Horecawet (dat in april is ingediend) voor om deze eis niet meer te laten gelden voor bestuurders van verenigingen en stichtingen. Dan hoeven alleen beheerders van kantines nog geschoold te zijn.

Vraag van de heer Rijpstra (VVD) over de oprichting van sportbegeleidingsdiensten.

Met de oprichting van een ongedeelde, landelijke sportontwikkelingsorganisatie wordt een bijdrage geleverd aan de intensivering van het breedtesportbeleid. Het nieuwe instituut, dat in de plaats komt van vijf bestaande organisaties, is zowel een hooggekwalificeerd expertisecentrum als een ondersteuningsorganisatie. Het zal zich inzetten voor vernieuwing en ondersteuning van ontwikkelingen die ten goede komen aan de bestaande sportinfrastructuur en aan gemeenten en provincies die investeren in de breedtesport. De staatssecretaris is er een groot voorstander van dat de reeds bestaande ondersteuningsmogelijkheden op provinciaal en lokaal niveau en het werk van de nieuwe organisatie goed op elkaar zullen zijn afgestemd.

Met de beleidspartners NOC*NSF, VNG/LC en IPO is de staatssecretaris van mening dat de functie van de nieuwe organisatie al een noodzakelijke aanvulling is op de bestaande ondersteuningsfuncties op provinciaal niveau.

Zeer binnenkort vindt er een gesprek slechts met de betrokkenen om zeker te stellen dat er geen nieuwe laag ontstaat maar integendeel een stimulans kan optreden voor het (lokale) sportbeleid.

Vraag van mevrouw Kant (SP) over effecten van de tandheelkundige maatregel.

Er is geen reden om snel een apart onderzoek te verrichten. Er is uitgebreid onderzoek verricht naar de dekking, voorwaarden en premies voor de aanvullende verzekering en naar de groep die zich wel en die zich niet aanvullend verzekerd heeft. De Ziekenfondsraad heeft op mijn verzoek de tandheelkundige maatregel geëvalueerd en hierover inmiddels twee keer gerapporteerd. Het kabinet heeft uit de rapporten de conclusie getrokken dat, mede op basis van het totstandkomen van de aanvullende verzekeringen voor de tandheelkunde per 1 januari 1995, de financiële toegankelijkheid van de zorg voor de verzekerden geen problemen oplevert.

Naar verwachting zal de Ziekenfondsraad in 1999 een derde evaluatierapport uitbrengen. Er is op dit moment geen aanleiding om de beperkende maatregel te heroverwegen. Voor mensen die echt in de financiële problemen komen, bestaat de mogelijkheid van bijzondere bijstand, die voor dit soort doelen in de vorige kabinetsperiode verruimd is.

Vraag van mevrouw Kant (SP) over de onafhankelijkheid van Arbo-artsen.

De positie van de arbo-arts is op een aantal punten soms onduidelijk. Verheldering van deze positie is dan ook noodzakelijk. Zowel de relatie met de werkgever/opdrachtgever en de werknemer/patiënt, als de relatie met de zorgaanbieders is hierbij aan de orde. Het voornemen is om samen met de minister van SZW, met alle betrokken partijen de komende periode een zorgvuldige discussie te voeren over dit onderwerp. Belangrijk aandachtspunt hierbij is het verbeteren van de samenwerking en afstemming van arbo-artsen met de reguliere gezondheidszorg.

Vraag van mevrouw Kant (SP) over de wachtlijsten in de verslavingszorg en het afhaken van gemeenten bij het heroïne-experiment wegens de kosten.

De gemeente Den Haag heeft zich als enige gemeente om financiële redenen teruggetrokken als kandidaat voor het heroïne-experiment. De gemeenten zijn vrij om keuzen in de ambulante verslavingszorg te maken. Het gaat om de inschatting van de gemeente of de investering in dit wetenschappelijk experiment in verband met de gezondheid van de verslaafden de moeite waard is. Overigens gaan in de deelnemende gemeenten door de rijksbijdrage de middelen voor de verslavingszorg er per saldo op vooruit!

Niettemin bestaan er in de verslavingszorg wachtlijsten. Krachtens het regeerakkoord worden extra middelen besteed voor het verminderen daarvan.

Vraag van mevrouw Kant (SP) en de heer Middel (PvdA) over de fiscalisering van de omroepbijdrage in relatie tot de wachtlijst problematiek jeugdzorg.

Als uitwerking van het regeerakkoord is f 3,3 miljoen in 1999 oplopend tot f 15 miljoen vanaf 2002 beschikbaar gesteld voor de bestrijding van de wachtlijsten (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 200, nr. 22, d.d. 28-9-1998). Daarnaast komt vanaf 1999 uit de intensiveringsmiddelen jeugdhulpverlening 1996 structureel nog ruim 8 miljoen beschikbaar.

Over de concrete invulling van al deze gelden zal overleg met de bestuurlijke partners plaatsvinden, met als inzet de wachttijd terug te dringen tot een gemiddelde van twee maanden. Ook is het voornemen zoals aangekondigd in het regeerakkoord, om in bestuurlijk overleg tussen provincies en rijk in relatie tot de verruiming van de uitkering aan het provinciefonds nadere afspraken te maken over een gemeenschappelijke aanpak voor de totale jeugdzorg.

Daarnaast komt oplopend tot f 50 mln. beschikbaar voor bureaus jeugdzorg, beter plaatsingsbeleid, en geld voor meldpunten kindermishandeling.

Omdat de regeringspartijen hoge prioriteit bij de opstelling van het regeerakkoord hebben toegekend aan de jeugdzorg hebben zij in het regeerakkoord opgenomen dat moet worden onderzocht of fiscalisering van de omroepbijdrage mogelijk is. Eventuele besparingen in uitvoeringskosten als gevolg daarvan komen beschikbaar voor jeugdzorg.

Daarmee zouden de knelpunten in de jeugdzorg in belangrijke mate kunnen worden opgelost.

Vraag van mevrouw Kant (SP) over de (rijks)verantwoordelijkheid voor het schoolzwemmen.

In antwoord op de vraag van mevrouw Kant over het schoolzwemmen kan gemeld worden dat het onderwerp thans onderdeel is van de besprekingen met staatssecretaris Adelmund van OCenW. Daarbij gaat het in eerste instantie om de zorg over zwemvaardigheid van de jeugd in het kader van de veiligheid. De vraag die daarbij op tafel ligt is of het schoolzwemmen het juiste middel is om die zwemvaardigheid te verbeteren en of het zwemmen een onderdeel van het bewegingsonderwijs behoort te zijn. Afhankelijk van de uitkomst van deze besprekingen en het in het regeerakkoord genoemde onderzoek van de staatssecretaris van OCenW kan een nadere uitspraak worden gedaan over de rijksverantwoordelijkheid.

Vraag van mevrouw Van Vliet (D66) over relatie Nederlandse Transplantatie Stichting en Eurotransplant International.

De Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) vervult de functie van orgaancentrum en heeft hiertoe van mij een tijdelijke vergunning ontvangen voor de duur van 1 jaar. Deze functie wordt uitgeoefend in nauwe samenwerking met Eurotransplant en Bio Implant Services; deze samenwerking wordt thans in contracten vastgelegd.

Daarnaast vervult de NTS op mijn verzoek de intermediairsfunctie voor het raadplegen van het Donorregister. NTS maakt hiervoor gebruik van de meldkamer van Eurotransplant en Bio Implant Services te Leiden. De NTS is hiertoe aangewezen als zelfstandig bestuursorgaan.

Vraag van mevrouw Van Vliet (D66) over verdeling van ter beschikking gekomen donororganen.

De verdeling van ter beschikking gekomen donororganen gebeurt in alle gevallen door de Nederlandse Transplantatie Stichting. Deze heeft in het kader van de Wet op de orgaandonatie een voorlopige vergunning gekregen om als orgaancentrum te fungeren. Uiteraard moet de Nederlandse Transplantatie Stichting zich daarbij aan de Nederlandse wetgeving houden en in casu de Wet op de orgaandonatie. Het is echter niet per definitie zo, dat een in Nederland ter beschikking gekomen orgaan in eerste instantie altijd aangeboden wordt aan Nederlandse ontvangers; de kans op een succesvolle transplantatie is immers afhankelijk van de medische geschiktheid van de ontvanger. Soms is de uit medisch oogpunt meest geschikte ontvanger geen ingezetene van Nederland. Omgekeerd komt het regelmatig voor dat een Nederlandse ontvanger een buitenlands donororgaan ontvangt. Aan de vergunningverlening aan de Nederlandse Tranplantatie Stichting is de eis gekoppeld dat binnen afzienbare termijn uitsluitend patiënt-georiënteerde toewijzingscriteria dienen te worden gehanteerd.

Thans wordt door mijn departement een inventariserende ronde gehouden in de ons omringende landen om de mogelijkheden te bezien hoe de huidige samenwerking in het kader van Eurotransplant International geoptimaliseerd kan worden. Een van de onderwerpen is het uniformeren van de verdelingscriteria.

Vragen van mevrouw Van Vliet (D66) en mevrouw Van Blerck-Woerdman (VVD) over Europese ontwikkelingen en de Nederlandse opstelling ten aanzien van niet-conventionele behandelwijzen en de voorstellen ter zake (1993).

Mevrouw Van Vliet wijst op de ontwikkelingen die er in Europees verband zijn met betrekking tot het reguleren van alternatieve geneeswijzen en vraagt of Nederland in die ontwikkelingen moet volgen.

Ik kan hierop antwoorden dat Nederland beschikt over de Wet beroepen in de individuele gezondheidszorg die reeds een regeling bevat over de status van beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg en welke wet met zich brengt dat er geen erkenning voor beroepsorganisaties in het alternatieve veld van de gezondheidszorg benodigd is. In aanvulling op deze Wet BIG voer ik een beleid dat er vanuit gaat dat de beroepsorganisaties eerstverantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de beroepsuitoefening en waarbij ik de beroepsorganisaties bij het realiseren van die verantwoordelijkheid ondersteun. Mijn stimuleringsbeleid in dezen vindt plaats door het ondersteunen van projecten van het CBO en van de Consumentenbond: het CBO ondersteunt de circa 100 beroepsorganisaties in het alternatieve veld bij het vormgeven van hun kwaliteitsbeleid en de Consumentenbond onderzoekt of het kwaliteitsbeleid van deze organisaties beantwoordt aan de normen die vanuit consumentenzijde daaraan gesteld worden. De Consumentenbond zal dit vergelijkend onderzoek jaarlijks herhalen en daarover in de Consumentengids publiceren.

Ook vroegen mevrouw Van Vliet en mevrouw Van Blerck-Woerdman hoe ik aankijk tegen uitwassen en hoe die aangepakt zouden moeten worden, dit in relatie tot het omvangrijke gebruik van alternatieve geneeswijzen in Nederland. Tenslotte werd geïnformeerd of de instelling van een coördinatiecommissie voor alternatieve behandelwijzen in Nederland, zoals in 1993 voorgesteld door de Gezondheidsraad, niet wenselijk zou zijn.

Vooreerst merk ik op dat het aantal klachten dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg over alternatieve geneeswijzen bereikt, afgezet tegen het gebruik van alternatieve geneeswijzen in Nederland, gering is. Dit neemt niet weg dat ik, zoals ik ook antwoordde op een schriftelijke vraag van mevrouw Kant, van oordeel ben dat de wetgeving voldoende mogelijkheden moet bieden om effectief op te kunnen treden tegen alternatieve behandelaars die ernstige gezondheidsschade berokkenen. Ik onderzoek momenteel de mogelijkheden om de daartoe nu aan de Inspectie ter beschikking staande instrumenten aan te scherpen of uit te breiden en zal de Kamer van de resultaten van dat onderzoek zo spoedig mogelijk op de hoogte stellen.

Wat de vraag over de coördinatiecommissie betreft het volgende. Mijn beleid met betrekking tot alternatieve geneeswijzen is niet beperkt tot het stimuleren van het kwaliteitsbeleid van de beroepsorganisaties. Ook behoort daartoe het financieren van NWO voor het vervullen van de functie van intermediair bij het totstandbrengen van effectiviteitsonderzoek met betrekking tot alternatieve geneeswijzen. Hierdoor wordt de vaak gesignaleerde kloof tussen het alternatieve veld enerzijds en de reguliere onderzoekswereld anderzijds hopelijk kleiner. Een ander element in mijn beleid is het totstandbrengen van een syllabus over alternatieve behandelwijzen met daarin antwoorden op veel gestelde vragen. Een commissie aan de Universiteit van Utrecht maakt daarvoor een eerste proef. Deze syllabus kan breed worden gebruikt bij de voorlichting over alternatieve geneeswijzen. Gelet op het gegeven dat momenteel op de verschillende terreinen waarop de coördinatiecommissie een taak was toegedacht initiatieven worden ontplooid, acht ik het instellen van bedoelde commissie niet aangewezen.

Vraag van mevrouw Van Vliet (D66) over uitvoering van seksespecifieke gezondheidszorg op regionaal niveau.

De Stuurgroep Vrouwenhulpverlening heeft mij onlangs haar deeladvies «Integratie van vrouwenhulpverlening in regionaal zorgbeleid» aangeboden. Eén van de aanbevelingen uit dit deeladvies betreft het opnemen van de uitgangspunten van seksespecificiteit in landelijke sectorale beleidskaders.

In mijn beleidsvisie GGZ, die u op korte termijn zal worden aangeboden, kom ik hierop terug. Naar mijn mening is sekse-specifieke, maar ook multiculturele hulpverlening een instrument om de kwaliteit van het hulpaanbod te verbeteren. Partijen zullen in de regiovisies zelf vorm moeten geven aan die diversiteit. Om hen daarbij behulpzaam te zijn, ben ik bereid daartoe een handreiking te laten opstellen.

Vragen van mevrouw Van Vliet (D66) en de heerMiddel (PvdA) over bouwimpuls kinderopvang.

Het Regeerakkoord maakt middelen vrij voor uitbreiding van kinderopvang en geeft aan dat een deel daarvan zal worden ingezet voor een incidentele bouwimpuls. Dat kan op verschillende manieren o.a. door gemeenten toe te staan middelen voor uitbreiding van kinderopvang ook in te zetten voor investeringen in accommodaties. Maar ook door de financiële mogelijkheden van het waarborgfonds kinderopvang te vergroten. Dit fonds is sinds medio 1998 volledig operationeel, hoewel de omvang van het garantiekapitaal beperkingen stelt aan de mogelijkheden van het fonds. Beide routes (subsidies en waarborgfonds) hebben zo hun voor- en nadelen. Duidelijk is dat gemeenten en instellingen moeite hebben met het vinden van geschikte locaties en accommodaties. Ook bestemmingsplannen spelen hierbij een rol. Over de uitwerking vindt overleg plaats met de VNG en de VOG. Begin 1999 ontvangt de Kamer een beleidsbrief met een uitwerking van de kinderopvangvoorstellen uit het Regeerakkoord. Daarin zal ook een keuze worden gemaakt uit de verschillende mogelijkheden voor de vormgeving van de bouwimpuls.

Vraag van mevrouw Van Vliet (D66) over samenwerking tussen VWS en OC&W op het gebied van dyslexie.

In september jl. heb ik aan de Minister van OC&W een brief geschreven waarin ik heb aangegeven hoe wij naar mijn mening in de toekomst met dit probleem moeten omgaan. Ik heb gesteld dat het gezamenlijke standpunt door OC&W en VWS over dyslexie ertoe heeft geleid dat kinderen op de basisscholen in eerste instantie worden geholpen in de onderwijssector. Als er naast dyslexie zich ook andere problemen manifesteren, dan is samenwerking in de jeugdzorg aan de orde. In antwoord op mijn brief stelt de Minister van OC&W voor om de samenwerking op ambtelijk niveau in stand te houden teneinde via een gezamenlijke inspanning een optimaal rendement voor het dyslectische kind te bewerkstelligen. Wij hebben dit vervolgens afgesproken. Overigens zijn zowel op het gebied van onderwijs als gezondheidszorg al vele ontwikkelingen in gang gezet voor dyslexie.

Vraag van mevrouw Van Vliet (D66) over subsidiëring van Per Saldo.

In antwoord op de vraag van mevrouw Van Vliet (D66), waar achter ook de heer Rouvoet zich heeft geschaard, inzake de subsidiëring van Per Saldo in 1999 verwijst de staatssecretaris u naar de uiteenzetting die zij in haar brief d.d. 24 november 1998 in het kader van de JOZ'99-behandeling heeft gegeven.

Voor de taken advies en informatie heeft Per Saldo van VWS in 1998 een subsidie gekregen van f 769 360,–. Wij zijn niet voornemens op deze subsidie te korten. Het bedrag van circa f 475 000,–, waaraan tijdens de behandeling van het JOZ'99 werd gerefereerd betreft een «afbouwsubsidie» die Per Saldo in 1998 van de Ziekenfondsraad heeft gekregen ter dekking van de kosten die Per Saldo moest maken bij de overdracht van de uitvoeringstaak naar de SVB, alsmede het afhandelen van haar uitvoeringstaken over het jaar 1997. Vanaf het begin betrof het hier een «afbouwsubsidie» en geen structurele subsidie van de Ziekenfondsraad, waarvoor Per Saldo structurele verplichtingen kon aangaan. In onze ogen kan Per Saldo met behulp van de subsidie van VWS, alsmede vanuit andere inkomsten uit bijvoorbeeld contributie van haar leden, op een goede wijze vorm geven aan haar taken.

De staatssecretaris heeft hierover met Per Saldo op 9 november jl. gesproken. In dit overleg is tevens afgesproken dat, omdat versterking van de patiënten/cliëntenorganisaties met name ook op het regionale niveau door ons wenselijk gevonden wordt en versnippering van deze organisaties daaraan geen bijdrage levert, VWS in overleg met onder andere de Gehandicaptenraad en Per Saldo in gesprek blijft hoe hieraan vorm gegeven kan worden. Zo een krachtenbundeling op basis van een helder plan wil de staatssecretaris graag faciliteren.

Vraag van de heer Rouvoet (RPF) over het levensbeschouwelijk particulier initiatief.

Het particulier initiatief en dus ook het levensbeschouwelijk particulier initiatief speelt een belangrijke rol bij de bevordering van de sociale samenhang. Wij beoordelen initiatieven op hun inhoudelijke bijdrage en maken daarbij geen onderscheid naar levensbeschouwelijke achtergrond.

Vragen van de mevrouw Kant (SP) en de heerRouvoet (RPF) over (de effectiviteit van) het beleid ten aanzien van sociaal-economische gezondheidsverschillen.

In Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997 wordt geconcludeerd dat gezondheidsverschillen naar sociaal-economische status (SES: gemeten naar opleiding, inkomen en beroepsstatus) niet afnemen in de tijd. Oorzaken van deze achterstand liggen volgens de samenstellers van dat rapport deels in een verhoogd voorkomen van risicofactoren op het gebied van leefstijl. Daarnaast spelen ongunstiger omstandigheden in de sfeer van werk en wonen een rol. Uit een recent proefschrift (Jolanda Tuinstra, Health in Adolescence, mei 1998) blijkt dat sociaal-economische verschillen niet van invloed zijn op de gezondheid van 2000 onderzochte middelbare scholieren. Deze verschillen treden in de volwassenheid daarentegen wel weer op. Als verklaring geeft de onderzoeker aan dat risicogedrag als roken, drinken en soms softdrugs mogelijk onder jongeren uit de hogere sociale klassen vermindert.

Naast lokaal en landelijk beleid spelen rond sociaal-economische factoren dus ook individuele factoren een belangrijke rol. De invloed van de overheid op de sociaal-economische factoren die gezondheidsverschillen veroorzaken is beperkt. Intensivering van facetbeleid zal naar verwachting aan een vermindering van SEGZ bijdragen. Het beleid van Paars II bevat veel elementen op dit terrein zoals specifieke ondersteuning lage inkomensgroepen, Grote Stedenbeleid, jeugdbeleid en werkgelegenheids- en reïntegratiebeleid. Een nauwere interdepartementale samenwerking en afstemming van beleid tussen centrale, regionale en lokale overheden en burgers vormt de sleutel tot succes.

Op mijn verzoek werkt de Programma-commissie SEGV tweede fase bovendien aan een systematische evaluatie en interventies, die gericht zijn op het terugdringen van SEGV. De resultaten van deze evaluaties moeten dienen als basis voor verder beleid op het gebied van terugdringen van SEGV. In 1998 waren 11 evaluatieprojecten in uitvoering; de meeste van deze projecten zullen in de loop van 1999 worden afgerond, zodat ik de kamer kan raporteren.

Als de Kamer daar prijs op stelt zal ik haar voortaan de gezondheidseffectscreeningen die op beleid worden uitgevoerd, toesturen.

Vraag van de heer Rouvoet (RPF) over onhandelbare mensen die dreigen te verpieteren in relatie tot het gevaarscriterium van de wet Bopz.

Het gevaarscriterium van de wet Bopz biedt voldoende mogelijkheden voor gedwongen opnamen, zo bleek uit de resultaten van de evaluatie van de wet. Daarbij werd ook duidelijk dat hulpverleners, familieleden en andere betrokkenen die in aanraking komen met een persoon die gedwongen opgenomen moet worden, niet altijd op de hoogte zijn van wat onder dit gevaarsbegrip moet worden verstaan. Met name in de beginfase van de wet Bopz werd het gevaarscriterium wel eens te rigide opgevat door hulpverleners. Inmiddels is die interpretatie verlaten en hebben hulpverleners aangegeven dat het gevaarscriterium voldoende ruimte biedt voor noodzakelijk geachte gedwongen opnames.

Dit alles neemt niet weg dat in de samenleving nog steeds geluiden zijn te horen dat pas ingegrepen zou kunnen worden nadat ongelukken hebben plaatsgevonden. Deze opvatting is onjuist: voor een gedwongen opname is niet vereist dat het gevaar al heeft plaatsgevonden. Het is dus met name een kwestie van voorlichting over de reikwijdte van het gevaarsbegrip. In de komende periode zal daar nogmaals aandacht aan worden besteed.

Vragen van de heer Rouvoet (RPF) en de heer Van der Vlies (SGP) over het beleid inzake XTC en sluitingstijden house-parties.

In mijn brief aan de Tweede Kamer van 19 november jl. n.a.v. de uitkomsten van het CHDR-onderzoek naar de neurotoxiciteit van XTC heb ik aangegeven dat de voorlichtingsboodschap m.b.t. het gebruik van XTC zal worden aangescherpt. In overleg met het Trimbos-instituut, GGZ-Nederland en de Landelijke Steunfunctie Preventie verslaving en middelengebruik (LSP) zal ik bezien op welke wijze dit snel en effectief kan worden gerealiseerd.

Daarnaast zal ik financiële middelen beschikbaar stellen voor vervolgonderzoek naar o.a. de mogelijke schade op de lange termijn.

In mijn reeds genoemde brief van 19 november heb ik tevens aangegeven dat ik de Kamer eind januari 1999 mijn standpunt zal meedelen over het testen van pillen.

Inzake het vaststellen van de leeftijdsgrens en de sluitingstijden van house-parties merk ik op dat dit een bevoegdheid van de gemeenten is.

Vraag van de heer Rouvoet (RPF) over de relatie cannabis en verkeer.

Op 15 juli 1998 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat, mede namens de Ministers van Justitie en VWS, de Tweede Kamer op de hoogte gesteld van recente ontwikkelingen op het gebied van drugs en verkeer (kenmerk DGP/VV/822 656).

Daarnaast kan ik u melden dat de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid nader onderzoek verricht naar druggebruik in het verkeer om meer inzicht te krijgen in de landelijke situatie.

Eind 1999 zullen de resultaten van deze studie beschikbaar zijn.

De universiteiten van Groningen en Maastricht voeren thans onderzoek uit naar de effecten van XTC-gebruik op de rijvaardigheid.

Voor wat betreft de verkeerscontroles na afloop van een houseparty merk ik op dat de huidige wetgeving alleen verplichte controle toestaat als weggebruikers er op grond van hun gedrag van worden verdacht onder invloed te verkeren van drugs. Daarbij komt tevens dat op dit moment betrouwbare selectie-instrumenten, zoals de ademanalysetest voor alcohol, ontbreken om het actuele gebruik van drugs eenvoudig vast te kunnen stellen.

Vraag van de heer Rouvoet (RPF) over het meerjarenprogramma gehandicaptenbeleid.

In het Meerjarenprogramma De perken te buiten en de Actualisaties 1996 en 1997 van dat programma is het beleid uitvoerig aan de orde geweest. Veel van het daarin vermelde beleid is gerealiseerd of is onder handen. Een aantal beleidsonderwerpen zoals anti-discriminatie en arbeidsintegratie zal binnenkort ter hand worden genomen, evenals een aantal nieuwe; inkomensbeleid en zorgvernieuwing in relatie tot wonen en werken. Binnen de Interdepartementale commissie voor Samenhangend en Gecoördineerd beleid voor mensen met een handicap en/of chronische ziekte (ISG) wordt daarover zoals gebruikelijk permanent overlegd. Dat zal niet tot een nieuw omvangrijk meerjarenprogramma leiden, maar wel tot een volgende stap voor het intersectoraal programma dat in de begroting en het JOZ wordt aangegeven. Tevens zal daarbij worden aangegeven hoe het staat met de uitvoering van reeds eerder aangekondigde voornemens.

Vraag van de heer Rouvoet (RPF) over de toegankelijkheid Nieuwbouw VWS.

Het betrekken van nieuwbouw brengt helaas en onvermijdelijk kinderziekten en aanloopproblemen met zich mee. Alhoewel tijdens het bouwproces uiteraard rekening is gehouden met de toegankelijkheid en doorgankelijkheid van het gebouw, blijkt in de praktijk dat deze niet voldoet aan de te stellen (hoge) eisen. Gepland is dat uiterlijk in februari 1999, zo mogelijk ruim voor de officiële opening van het gebouw, verbeteringen zijn aangebracht, zoals besproken en uitgewerkt met terzake deskundigen als ook met enkele van onze eigen minder valide personeelsleden. De verbeteringen betreffen zowel bouwkundige als technische voorzieningen. U kunt er dan ook terecht van uitgaan dat de onvolmaaktheden worden rechtgezet.

Vraag van de heer Van der Vlies (SGP) over identiteitsgebonden zorginitiatieven in relatie tot de regiovisie.

Ik begrijp zijn zorg, maar ik zie niet in waarom hier een spanning zou hoeven te ontstaan.

De regiovisie is bedoeld om zorg op maat te realiseren. Om een aansluiting te vinden tussen de vraag naar en het aanbod van zorg op de specifieke regionale situatie. De regiovisie is een resultaat van overleg tussen de partijen in de regio. Een resultaat waaraan alle betrokkenen zich committeren. In die zin ook een beleidskader voor hun praktisch handelen. Elke partij geeft met zijn eigen instrumenten uitvoering aan de regiovisie en ziet er op toe dat anderen dat ook doen.

Wanneer er in een regio behoefte is aan identiteitsgebondenzorg zal dat door alle partijen – patiënten/consumenten, aanbieders, verzekeraars en gemeenten – of door het provinciaal bestuur ingebracht kunnen worden. Wat vervolgens als optimale organisatie wordt gezien – onderbrengen bij een algemene instelling, via een gespecialiseerde instelling of gebruik makend van voorzieningen in een andere regio – is afhankelijk van de regionale situatie.

In de opzet van de regiovisie zoals die mij voor ogen staat, kan het aspect van levensbeschouwelijkheid in het overleg niet genegeerd worden.

Vraag van de heer Van der Vlies (SGP) over de toekomstige onzekere positie van De GLIAGG.

Laat ik voorop stellen dat ook ik deze kwestie graag opgelost zou willen hebben. Zoals ik u met mijn brief van 29 oktober jl. heb laten weten heb ik een maximale inspanning hiertoe gedaan. Voor de korte termijn zie ik dan ook geen definitieve oplossing zolang partijen vasthouden aan hun standpunten. Wellicht dat het genoemde overleg in dezen openingen biedt. Ik zeg u in ieder geval toe bij de verdere uitwerking i.h.k.v. de modernisering AWBZ aandacht te besteden aan het waarborgen van de positie van (landelijke) instellingen op levensbeschouwelijke visie.

Vraag van de heer Van der Vlies (SGP) over het subsidieverzoek voor capaciteitsuitbreiding van De Hoop te honoreren.

Het gaat hier om een verzoek om uitbreiding met 8 bedden door De Hoop dat in mei 1998 door mij is afgewezen en waartegen De Hoop een bezwaar heeft aangetekend. Dit bezwaar is met een brief van 18 oktober jl. onderbouwd. Of deze nadere onderbouwing aanleiding is om mijn besluit te heroverwegen, dan wel de procedure voort te zetten kan ik u op dit moment nog niet zeggen. In ieder geval ontbreken mij deze kabinetsperiode de financiële middelen om verdere capaciteitsuitbreiding in de verslavingszorg toe te staan. Dit alles laat onverlet mijn waardering voor het werk van De Hoop uit te spreken, waar ik ook op werkbezoek ben geweest.

Vraag van de heer Van der Vlies (SGP) over de subsidiering van schippersinternaten.

Van 1994 tot en met 1998 is met de sector een convenant afgesproken. Hiervoor is toentertijd een aanspreekpunt gecreëerd i.c. het Stivos (Stichting Financiering Voorzieningen Schippersjeugd). Feitelijk is met deze constructie een invulling gegeven aan een clusteroperatie zoals deze op vele terreinen binnen VWS heeft plaatsgevonden.

Het past ook in de visie van een kerndepartement om op deze wijze zoveel mogelijk de uitvoering op afstand te plaatsen en op deze wijze het begrip kernministerie in te vullen.

Na afloop van het convenant op 01-01-1999 wordt automatisch de Subsidieregeling welzijnsbeleid van kracht waarbij op basis van het werkelijk aantal pupillen vermenigvuldigd met een vast bedrag per pupil, de hoogte van het subsidiebedrag wordt vastgesteld.

Over de hoogte van het bedrag per pupil heeft de staatssecretaris een voorstel van de Nevis ontvangen. Binnenkort zal zij hierover met de sector spreken. Er is inmiddels een afspraak gemaakt.

Vraag van de heer Van der Vlies (SGP) over subsidie voor plattelandsjongeren.

De nieuwe subsidieregeling voor landelijke jeugdorganisaties die thans in de maak is, beoogt op een heldere, eenduidige en transparente wijze de beschikbare subsidie (ruim 17 mln. in 1999 en volgende jaren) toe te wijzen aan de landelijke jeugdorganisaties. De nieuwe regeling komt tot stand na evaluatie van de bestaande regeling. Over deze evaluatie zal de staatssecretaris de Kamer in december informeren. Het evaluatieonderzoek is begeleid door een commissie waarin de jeugdorganisaties vertegenwoordigd waren. Ook over de principes van de nieuwe regeling is met de begeleidingscommissie uitvoerig gesproken. Het is de staatssecretaris bekend dat in de nieuwe regeling de basissubsidie voor de plattelandsjongeren organisatie teruggaat van 1,5 mln. naar ongeveer f 800 000,–. Dat is de instellingssubsidie gebaseerd op het aantal leden, de organisatie kan daarnaast meedingen naar projectensubsidie.

De nieuwe subsidieregeling treedt pas effectief in werking in 2001.