Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1998-1999nr. 30, pagina 2123-2125

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Ik stel voor, donderdag 3 december bij het begin van de vergadering te behandelen:

  • - verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften (26251, nrs. 9 t/m 19).

Ik stel voor, aan de orde te stellen in de vergaderingen van 15, 16 en 17 december:

  • - de Najaarsnota 1998 (26297), met maximumspreektijden van 15 minuten voor de PvdA en de VVD, 13 minuten voor het CDA, 10 minuten voor D66 en GroenLinks, 7 minuten voor de SP en 5 minuten voor de overige fracties;

  • - de suppletore begrotingen n.a.v. de Najaarsnota, te weten de stukken nrs. 26305 t/m 26316.

Het Presidium heeft de termijn waarbinnen de verslagen omtrent de suppletore begrotingen, samenhangende met de Najaarsnota 1998, moeten worden vastgesteld, bepaald op dinsdag 8 december te 12.00 uur. De beantwoording van de vragen dient plaats te vinden uiterlijk vrijdag 11 december. De plenaire behandeling kan dan plaatsvinden in de laatste vergaderweek voor het kerstreces.

Ik stel voor, te behandelen dinsdag bij het begin van de vergadering:

  • - voordracht ter vervulling van een vacature bij de Hoge Raad (26304).

Ik stel voor, aanstaande dinsdag ook te stemmen over:

  • - het voorstel van rijkswet Wijziging van de Wet militair tuchtrecht, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet militaire strafrechtspraak naar aanleiding van het gehouden evaluatieonderzoek (25454, R1595).

Ik stel voor, de stukken 21664, nr. 100, 24071, nr. 39, en 24724, nr. 31 voor kennisgeving aan te nemen.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:

Op verzoek van de CDA-fractie benoem ik in:

  • - de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het lid Mosterd tot plv. lid in de bestaande vacature en het lid Balkenende tot plv. lid in plaats van het lid Bijleveld-Schouten;

  • - de vaste commissie voor Justitie het lid Mosterd tot lid in de bestaande vacature;

  • - de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken het lid Van der Knaap tot lid in de bestaande vacature;

  • - de vaste commissie voor Defensie het lid Eurlings tot plv. lid in de bestaande vacature;

  • - de algemene commissie voor Europese Zaken het lid Mosterd tot plv. lid in de bestaande vacature;

  • - de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid het lid Mosterd tot plv. lid in plaats van het lid Van den Akker;

  • - de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het lid Mosterd tot plv. lid in plaats van het lid Verburg;

  • - de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij het lid Mosterd tot plv. lid in plaats van het lid Balkenende;

  • - de Contactgroep Frankrijk het lid Eurlings tot lid in de bestaande vacature.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Halsema.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter! Vorige week heb ik bij de regeling van werkzaamheden gevraagd om een spoedige schriftelijke reactie van de staatssecretaris van Justitie op de uitspraak van de Rechtseenheidskamer ten aanzien van etnische Albanezen uit Kosovo. Ik had daarover een motie ingediend, maar die heb ik aangehouden in afwachting van de reactie van de staatssecretaris. De reactie is echter nog niet binnen. Ik doe hierbij dan ook het verzoek aan de Kamer te rappelleren.

De voorzitter:

Ik heb de indruk dat in ieder geval een deel van de Kamer dit verzoek steunt. Ik zal er dan ook voor zorgen dat er bij het kabinet gerappelleerd wordt.

Aldus wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Van den Doel.

De heer Van den Doel (VVD):

Voorzitter! Vanmiddag staat op de stemmingslijst het initiatiefwetsvoorstel-Van Ardenne-van der Hoeven. Namens de VVD-fractie stel ik de Kamer voor, de stemming over dit wetsvoorstel uit te stellen totdat de behandeling van de begroting van Defensie heeft plaatsgevonden. In de discussie over het initiatiefwetsvoorstel heeft de dekking van de kosten die met het wetsvoorstel gemoeid zijn, een rol gespeeld. Over die dekking is een amendement ingediend. De staatssecretaris heeft na het einde van het debat aangegeven er graag volgende week, bij het debat over de begroting van Defensie, op te willen terugkomen. Ons voorstel is dan ook om niet vanmiddag, maar volgende week te stemmen over het initiatiefwetsvoorstel.

De heer Zijlstra (PvdA):

Voorzitter! De PvdA-fractie is daar mordicus tegen. Wij hebben de wet behandeld; er is een meerderheid voor deze wet in de Kamer en dus kan het wetsvoorstel, wat ons betreft, ook gewoon in stemming worden gebracht.

Blijft het punt van de dekking; dat is een terecht punt. Ik wil eraan herinneren dat wij vorig jaar de ƒ 1000-wet behandeld hebben en dat we toen dezelfde procedure hebben gekozen. Er is eerst gestemd over de wet en een paar weken later, in het kader van de defensiebegroting, over de dekking en wel door middel van amendementen. Ik stel voor, deze werkwijze te vervolgen.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Mevrouw de voorzitter! Ik zou de heer Van den Doel willen bijvallen. Ik denk dat zijn verzoek volmaakt redelijk is. Er is een logische samenhang tussen het initiatiefwetsvoorstel en het amendement. Als de heer Zijlstra verwijst naar vorig jaar, denk ik dat hij zich in de staart bijt, omdat wij toen ook nadrukkelijk een politieke koppeling hebben aangebracht tussen een amendement dat hij voorstelde en de dekking die in de defensiebegroting moest worden gevonden. Toen is ook pas het wetsvoorstel met het amendement in stemming gebracht, nadat de heer Zijlstra er volstrekt zeker van was dat de dekking in de defensiebegroting een politieke meerderheid zou krijgen.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Voorzitter! Mijn fractie steunt het voorstel van de heer Van den Doel om de stemming uit te stellen. Wij willen akkoord gaan met het initiatiefwetsvoorstel van het CDA, mits er een fatsoenlijke dekking is, en die is er niet. Daar kan meer helderheid over komen.

De heer Hillen (CDA):

Voorzitter! Ik heb meer de neiging de heer Zijlstra te steunen, ook al omdat de staatssecretaris tijdens het debat aangaf dat, als er geen dekking was, hij dit aan het kabinet zou melden. Punt.

De voorzitter:

Tja, ik herinner mij dat. In die zin komt het verzoek van de heer Van den Doel mij ook wat vreemd voor, zo zeg ik nu maar even, zonder mij over de inhoud van het gewisselde uit te spreken. Ik meen vrij goed te hebben geluisterd naar wat er gewisseld is en ik heb het zo begrepen, dat ook in het debat van de kant van verschillende fracties er al op gewezen is dat zich dit punt zou voordoen. Er is toen ook bij het kabinet neergelegd of dit misschien zelf nog een dekking aan zou willen geven, anders dan het amendement dat voorlag. Wij hebben geen brief van de staatssecretaris gekregen, terwijl hij wist dat wij vanmiddag zouden gaan stemmen.

Als u vindt dat de stemming uitgesteld moet worden, zijn daar misschien op zichzelf niet zo verschrikkelijk veel problemen mee, maar dan hadden we het wel eerder moeten weten. Ik vraag mij ook af of dit niet bij de wetsvoorstellen behoorde die eigenlijk nog naar de Eerste Kamer zouden moeten om daar behandeld te kunnen worden vóór 1 januari. Als er niet vandaag over gestemd wordt, dan weet u dat dit laatste niet zal gebeuren. Dat leg ik maar even in uw midden.

Ik geef nu eerst het woord aan de heer Van den Doel om te reageren.

De heer Van den Doel (VVD):

Voorzitter! Ik denk dat het een puur toeval is dat wij vanmiddag de stemming hebben, omdat er een aantal wetsvoorstellen, zoals u zegt, vóór 1 december bij de Eerste Kamer moeten zijn in verband met de datum van 1 januari 1999. Dit wetsvoorstel staat daar geheel los van: het is puur een toevalligheid dat wij vanmiddag erover stemmen. Die haast is er dus niet. Er is ook niet aangegeven, aan het einde van het debat afgelopen dinsdag, dat er over dit wetsvoorstel dinsdag gestemd zou worden. De staatssecretaris heeft gezegd dat hij terug moest naar het kabinet op het moment dat de dekking die hij toen afwees, toch door de Kamer zou worden aanvaard. Hij heeft wel gezegd dat hij de discussie erover verder bij de behandeling van de defensiebegroting wilde voeren. Ik denk dat er goede argumenten zijn, ook ondersteund door de heer Van Middelkoop: er is geen enkele haast, we kunnen hier ook een week later over stemmen.

De heer Zijlstra (PvdA):

Voorzitter! Er is wel degelijk haast en dat heeft ook te maken met de afdoening voordat de Eerste Kamer op reces gaat. Ik heb goede hoop dat het zal lukken om het wetsvoorstel daar ook te behandelen. Het gaat om een groep mensen die zeer oud is en het is van het grootste belang dat dit wetsvoorstel, als het enigszins kan, nog voor het kerstreces in de Eerste Kamer wordt afgehandeld, zodat inderdaad tot uitbetaling van de uitkering kan worden overgegaan.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Mevrouw de voorzitter! Vorige week om deze tijd stonden wij ook hier met het verzoek aan toen de heer Weisglas, die in de voorzittersstoel zat, om een motie-Verhagen/Van Middelkoop over Kosovo in stemming te brengen. Dat kon toen niet, want daarvoor was toch de reguliere dinsdagstemming het meest aangewezen. De heer Van den Doel heeft volstrekt gelijk dat het betrekkelijk toevallig is dat wij nu stemmen. Ik heb niet begrepen dat het ook met het oog op de Eerste Kamer echt noodzakelijk is, maar laten we het eens omdraaien. Wat is erop tegen om dingen te koppelen die bij elkaar horen en die wij 'toevallig' ook nog eens bij elkaar kunnen brengen, te weten de defensiebegroting en dit wetsvoorstel? Kortom, ik blijf de heer Van den Doel steunen.

De heer Hillen (CDA):

Voor de volledigheid, voorzitter, die motie over Kosovo hoefde niet in de Eerste Kamer behandeld te worden. Dit wetsvoorstel moet wel naar de Eerste Kamer toe.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Voorzitter! Om tijdsdruk vóór zorgvuldigheid te laten gaan, lijkt mij niet gewenst. De dekking is al anderhalf jaar in discussie en daar gaat het in feite om. Daarom zie ik de band met de begrotingsbehandeling wel degelijk. Ik pleit dus nog steeds voor uitstel.

De heer Van den Doel (VVD):

Voorzitter! Ik heb hier eigenlijk niets meer aan toe te voegen. Ik denk dat de argumenten van de heer Van Middelkoop en van mevrouw Van 't Riet, gevoegd bij wat ikzelf heb gezegd, aangeven dat er geen dringende reden is om dit vandaag af te ronden. De discussie over dit wetsvoorstel is al lang gaande. Ik vind dat wij het zorgvuldig moeten afhandelen. Een week later stemmen is een bijdrage aan die zorgvuldigheid.

De heer Hillen (CDA):

Misschien is het overbodig, maar ik wil toch opmerken dat, als dit volgende week in stemming komt, de stemmingen over de defensiebegroting in ieder geval nog niet geweest zijn.

De voorzitter:

Nee, dat zou de week daarop zijn.

De heer Zijlstra (PvdA):

Voorzitter! Misschien zouden wij over het verzoek om uitstel kunnen stemmen?

De voorzitter:

Ik had al bedacht dat wij, voordat wij vanmiddag de stemmingslijst gaan afwerken, eerst zouden moeten stemmen over de vraag of wij over dit wetsvoorstel gaan stemmen. Dat lijkt mij het beste wat wij op dit moment kunnen doen.

De heer Weisglas (VVD):

Ik denk, voorzitter, dat ik met de volgende aankondiging die stemming wel kan voorkomen. Ik meen namelijk dat het goed is, u te zeggen dat de VVD-fractie er in ieder geval behoefte aan heeft om, in het licht van de beraadslaging over de defensiebegroting van volgende week en over de dekking die dan ook aan de orde zal komen, ook nog een heropening over het initiatiefwetsvoorstel-Van Ardenne-van der Hoeven te vragen.

De voorzitter:

Maar, mijnheer Weisglas, zoals u heel goed weet, kan de Kamervoorzitter ook daarover voorstellen doen. Gehoord dit debat, denk ik dat de meningen zo verspreid liggen, dan het de kortste weg is om vanmiddag te stemmen over het ordevoorstel van de heer Van den Doel. Wij helpen elkaar het meeste als wij het zo doen.

De heer Zijlstra (PvdA):

Voorzitter! Het voorstel van de heer Weisglas is volgens mij obstructie. Ik stel voor om uw voorstel te volgen.

De voorzitter:

Maar nu wil de heer Weisglas weer zeggen dat hij het zo niet bedoeld had.

De heer Weisglas (VVD):

Als ik mij niet vergis, spreekt artikel 61 van het Reglement van orde over een persoonlijk feit. Ik heb er behoefte aan om als persoonlijk feit te zeggen dat wanneer een fractiesecretaris hier een zeer serieus voorstel doet voor een heropening, ik er grote bezwaren tegen heb dat dit door een collega obstructie wordt genoemd. Het zou goed zijn wanneer collega Zijlstra die woorden terugnam en hij zal dat willen, want ik ken hem.

De heer Zijlstra (PvdA):

Voorzitter! Dat zal ik niet doen en dat heeft ermee te maken dat de heer Van den Doel het ook helemaal niet voorstelt. Het feit dat iemand uit de bankjes van de VVD komt zeggen dat wij het zo gaan doen, is nieuw. Vandaar dat ik op deze gedachte kwam en ik neem aan dat het daarmee voldoende verklaard is.

De heer Hillen (CDA):

Voorzitter! Ik wil er voor de volledigheid op wijzen dat wij het wetsvoorstel de afgelopen week in één termijn hebben kunnen afwerken.

De voorzitter:

Ik wil nu juist voorkomen dat wij er een termijn aan gaan toevoegen. Ik blijf bij mijn voorstel; dat is uiteindelijk een reactie op het voorstel van de heer Van den Doel om vanmiddag niet te stemmen. De meningen daarover zijn verdeeld; dus gaan wij vanmiddag eerst stemmen over de vraag of wij over het initiatiefwetsvoorstel zullen gaan stemmen. Dat gebeurt toch niet voor het eerst! In mijn herinnering is dat in ieder geval vaker gebeurd.

De heer Van den Doel (VVD):

Maar, voorzitter, ik heb er toch behoefte aan te weten wat uw doorslaggevende argument is om vanmiddag per se te stemmen...

De voorzitter:

Nee, mijnheer Van den Doel, juist niet. Ik ga het niet uitleggen. Dat is helemaal niet de achtergrond! U heeft mij echt volstrekt verkeerd verstaan en mij ontbreekt de tijd om het u uit te leggen. Ik zal het u straks bilateraal vertellen.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Voorzitter! Uw voorstel is volstrekt duidelijk, maar ik vraag u om de tijd te nemen om het voorstel van de heer Weisglas met het Reglement van orde in de hand en met de traditie in dit huis in het hoofd, nog eens goed te wegen. Op die manier kunt u bepalen hoe redelijk het voorstel van de heer Weisglas is en antwoord geven op de vraag of u het moet honoreren. Je kunt niet alles met alleen een stemming afdoen.

De voorzitter:

Dat klopt en ik zal het voorstel heel goed heroverwegen. Ik wijs de heer Van Middelkoop erop dat er al een debat heeft plaatsgevonden. Dat herinner ik mij nog goed. Zonder mij ermee te willen bemoeien, moet ook de heer Van Middelkoop erkennen dat de meningen verdeeld zijn. Soms is het dan heel belangrijk om dat bij stemming vast te stellen. Daar heeft iedereen recht op, ook de indienster van het wetsvoorstel. Ik zal er goed over nadenken en de leden zullen wel aan de stemmingslijst zien wat de uitkomst is.

Aldus wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Van Oven.

De heer Van Oven (PvdA):

Mevrouw de voorzitter! Volgende week woensdag 2 december zullen de vaste commissie voor Justitie en de algemene commissie voor Europese Zaken een algemeen overleg wijden aan de Raad van ministers van justitie en binnenlandse zaken, die op de daaropvolgende donderdag en vrijdag bijeen zal komen. Gezien de veelheid aan belangwekkende onderwerpen op de agenda, mag ik het niet uitsluiten dat de PvdA-fractie een plenaire voortzetting van de woordenwisseling wenst. Het enig moment waarop dat zou kunnen, is woensdagavond. Ik zou het op prijs stellen als daarvoor een mogelijkheid wordt gecreëerd.

De voorzitter:

Het feit dat geen van de leden hierover het woord wenst, beschouw ik als instemming met de vraag van de heer Van Oven. Ik zal de Kamer hierover een voorstel doen.

Aldus wordt besloten.