26 Materieel Defensie

Aan de orde is het VAO Materieel Defensie (AO d.d. 17/06). 

De voorzitter:

Ik heet de minister van Defensie van harte welkom in deze Kamer. Er hebben zich twee sprekers voor dit overleg gemeld en ik geef als eerste het woord aan de heer Knops. 

De heer Knops (CDA):

Voorzitter. Wij hebben in dat debat uitvoerig gesproken over het feit dat defensie in het rood draait, dat er als gevolg van allerlei oorzaken — te weinig budget, maar ook stijgende prijzen — steeds minder geleverd kan worden, en dat in een tijd dat er steeds meer van defensie gevraagd wordt. Daarom wil ik graag de volgende motie indienen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat zowel de stijging van de reële kosten van defensiematerieel en -munitie als de stijging van de dollarkoers een aanzienlijk risico vormt voor een stabiele bedrijfsvoering van de krijgsmacht; 

constaterende dat Nederland zich bij de NAVO-top in Wales in september 2014 samen met andere bondgenoten heeft vastgelegd op een stijging van de defensie-uitgaven in reële termen; 

overwegende dat in het eindrapport van het project Verkenningen uit 2010 reeds werd geconstateerd dat, volgens wetenschappelijk onderzoek in het Verenigd Koninkrijk en de inzichten van het Europees Defensie Agentschap (EDA), de kosten van investeringen in militair materieel met 2% tot 7% per jaar sneller stijgen dan de inflatie; 

overwegende dat dit met het oog op het behoud van de huidige en toekomstige slagkracht van Defensie en de verslechterende internationale veiligheidssituatie een zeer zorgwekkende ontwikkeling is; 

verzoekt de regering om de gevolgen van valutawisselingen en de ontwikkeling van materieel- en munitieprijzen op korte termijn serieus te onderzoeken; 

verzoekt de regering tevens, hierop in de begroting van 2016 nadrukkelijk terug te komen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Knops en Teeven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 154 (27830). 

Mevrouw Hachchi (D66):

Voorzitter. We hebben een debat gehad over materieel bij defensie en we hebben daarbij ook gesproken over onderzeeboten. Dat project gaat over veel meer dan alleen maar personeel, maar toch zou ik vandaag de volgende motie indienen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat een moderne krijgsmacht geen onderscheid moet maken op basis van geslacht en dat zowel mannen als vrouwen iedere functie bij de krijgsmacht moeten kunnen uitvoeren; 

overwegende dat de regering voornemens is de onderzeeboten te vervangen en dat bij het ontwerp van deze boten al rekening kan worden gehouden met vrouwen op onderzeeboten; 

overwegende dat de regering voornemens is bij de vervanging van de onderzeeboten samen te werken met partnerlanden als Noorwegen en Zweden, waar vrouwen al jarenlang op onderzeeboten mogen en kunnen werken; 

verzoekt de regering, bij vervanging van de onderzeeboten de onderzeedienst open te stellen voor vrouwen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hachchi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 155 (27830). 

Hiermee is er een einde gekomen aan de termijn van de zijde van de Kamer. De minister wacht even tot zij de beschikking heeft over de ingediende moties. 

De minister is gaan staan, ik neem aan dat zij nu kan antwoorden. 

Minister Hennis-Plasschaert:

Ja, maar ik verwacht dat mij de tweede motie nog wordt aangereikt. Dan kunnen we alvast beginnen, met het oog op de klok. Ik weet dat u graag wilt inlopen. 

De voorzitter:

Dank u wel. Ga uw gang. 

Minister Hennis-Plasschaert:

Voorzitter. Ik begin met de motie-Knops op stuk nr. 154. Ik beschouw deze motie als een verbijzondering van wat ik daar eerder over heb gezegd tijdens het debat en wat ook in de Kamerbrief is gemeld in reactie op de motie-Van der Staaij. Ik heb toen zelf aangegeven dat de stijging van de kosten van het defensiematerieel een risico vormt voor de bedrijfsvoering van defensie en dat wisselkoersfluctuaties een evenwichtig planningsproces, een duurzame bedrijfsvoering en de begroting verstoren. Met andere woorden, ik lees die motie als een verbijzondering van wat ik heb gezegd en wat overigens ook is opgebracht in het debat door de leden Vuijk en Eijsink. Ik wil het oordeel over die motie aan de Kamer laten. Ik zie deze motie als een steuntje in de rug om de bedrijfsvoering van defensie verder te stabiliseren. 

Ik kom op de motie-Hachchi op stuk nr. 155. Wij hebben onlangs een brief naar de Kamer gestuurd met een visie op de onderzeedienst en de vervanging van de Walrusklasse in het bijzonder. Ik heb de Kamer toen ook laten weten dat het A-document voor het einde van het jaar zal volgen. Dat is althans het streven. Ik heb in het debat een aantal weken geleden gezegd dat het besluit om tot vervanging van de Walrusklasse over te gaan, een heel zorgvuldige, maar ook complexe afweging behelst. Ik heb toen ook nadrukkelijk de wens uitgesproken om het niet te laten verworden tot een gender issue. 

De A-brief komt voor het einde van het jaar. We hebben net de behoefte vastgesteld. De A-brief zal nader ingaan op de specificaties van de behoefte en de eisen die we daaraan stellen. Ik heb de Kamer laten weten dat door het Commando Zeestrijdkrachten (CZSK) twee werkverbanden zijn opgesteld als het gaat om het gemengd varen. De onderzeedienst heeft op dit moment overigens al vrouwen in dienst in de walondersteuning. Ga zo maar door. Deze motie komt dus veel te vroeg. Ik ken mevrouw Hachchi als een vrij ongeduldig type en het is ook goed als je vaart achter dingen wilt zetten, maar in dit geval zeg ik toch: deze motie komt veel te vroeg en ik acht haar overbodig. Ik vind die motie bovendien afbreuk doen aan de complexiteit van de vervanging van de Walrusklasse. Ik wil deze motie dus echt ontraden. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Wij gaan vanavond stemmen over de ingediende moties. 

De vergadering wordt van 18.54 uur tot 18.58 uur geschorst. 

Naar boven