Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 14, item 12

12 Waterkwaliteit

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 13 oktober 2011 over de waterkwaliteit.

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, de heer Atsma, welkom.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Voorzitter. In het AO over waterkwaliteit hebben we uitvoerig van gedachten gewisseld over de kwaliteit van het oppervlaktewater. Ik heb de staatssecretaris toen met klem gevraagd om te reageren op de buitengewoon zorgwekkende analyses van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) inzake de kwaliteit van het oppervlaktewater. Daarop heeft de staatssecretaris enkele malen gezegd dat we de doelen in 2027 gaan halen en dat er niets aan de hand is. Volgens mijn fractie is er echter wel degelijk reden tot grote zorg omdat er een gapend gat zit tussen de analyses van het PBL en de Europese doelen die we moeten halen. We zijn daartoe verplicht en zelfs met derogatie dreigen we er in 2027 niet aan te voldoen. Omdat ik de staatssecretaris graag wil houden aan zijn bezwerende formules dat we deze doelen allemaal gaan halen, dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Planbureau voor de Leefomgeving in zijn publicatie "Effecten van het kabinetsbeleid voor milieu en klimaat" constateert dat bij het onverkort uitvoeren van de ingediende stroomgebiedbeheersplannen 40% van de wateren in 2027 aan het KRW-doel "Goede Toestand" kan voldoen, maar door de bezuinigingen in het regeerakkoord op het budget voor de rijkswateren voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Bestuursakkoord Water dat percentage kan afnemen tot 10%;

constaterende dat het PBL verder constateert dat door te bezuinigen op reeds bij de Europese Commissie ingediende stroomgebiedbeheersplannen, het risico op een ingebrekestelling toeneemt;

overwegende dat de effecten van het deelakkoord Natuur met de provincies naar verwachting ook een negatief effect zullen hebben op het behalen van de waterkwaliteitsdoelen;

overwegende dat de staatssecretaris in het AO bij herhaling heeft gezegd dat hij de KRW-doelen in 2027 denkt te gaan halen;

verzoekt de regering, voor 1 januari 2012 een cijfermatig onderbouwde reactie te geven op deze PBL-voorspellingen, waaruit blijkt dat in weerwil van de inschattingen van het planbureau, de KRW-doelen behaald kunnen gaan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grashoff, Jacobi, Van Veldhoven en Paulus Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 239 (27625).

De heer Holtackers (CDA):

Voorzitter. In het AO waterkwaliteit spraken wij ook over de legionellarisico's met betrekking tot natte koeltorens. Op grond van de beraadslagingen daar wil ik graag een motie indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat besmettingen met de legionellabacterie een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid;

overwegende dat registratie, toezicht en handhaving met betrekking tot legionellarisico's van natte koeltorens een gemeentelijke overheidstaak is;

constaterende dat uit een steekproef uit 2009 onder 40 gemeenten is gebleken dat de registratie, het toezicht en de handhaving met betrekking tot legionellarisico's van natte koeltorens ernstig tekortschiet;

constaterende dat uit de in juli 2011 gehouden landelijke inventarisatie blijkt dat een derde deel van de gemeenten in het geheel geen respons heeft gegeven op de vragenlijst over het toezicht en de handhaving op legionellarisico's van natte koeltorens;

van mening dat verder uitstel en overschrijding van de termijn met betrekking tot toezicht en handhaving ongewenst is;

roept daarom de regering op om de VROM-Inspectie gemeenten te laten controleren die niet voor 15 november 2011 gereageerd hebben op de inventarisatie van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en daarover voor 1 februari 2012 een rapport met bevindingen te zenden aan de Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Holtackers en Houwers. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 240 (27625).

De heer Paulus Jansen (SP):

Voorzitter. Ik ga door op hetzelfde onderwerp als de heer Holtackers, want open koeltorens vormen als ze slecht onderhouden zijn een van de belangrijkste risico's voor de verspreiding van legionella. De staatssecretaris heeft tijdens het debat gezegd dat de minister van BZK het Bouwbesluit volgend jaar zal aanpassen om een onderhoudsverplichting op te leggen. Ik heb dat nagetrokken, maar dat is niet zo. Dit wordt niet via het Bouwbesluit geregeld. Daarom dien ik de volgende motie in om het wel op een nette manier te regelen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat slecht onderhouden open koeltorens een van de belangrijkste bronnen vormen voor de verspreiding van legionella;

overwegende dat deugdelijk onderhoud het legionellarisico kan wegnemen;

verzoekt de regering, binnen zes maanden een bindende regeling voor het onderhoud van open koeltorens op te nemen in de Activiteitenregeling onder de Wet milieubeheer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Paulus Jansen en Jacobi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 241 (27625).

De heer Paulus Jansen (SP):

Wellicht ten overvloede zeg ik dat deze motie complementair is aan wat de heer Holtackers vraagt.

Mijn tweede motie gaat over wat ik even kort samenvat als de mogelijke winstuitkering van de drinkwaterbedrijven aan hun publieke aandeelhouders: gemeenten en provincies. Als we het voorstel van de staatssecretaris volgen, is die wat de SP-fractie betreft te hoog.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu op grond van het Drinkwaterbesluit de vermogenskostenvoet voor drinkwaterbedrijven voor de periode 2012–2013 wil vaststellen op 6%;

overwegende dat het risicoprofiel van drinkwaterbedrijven – met 100% gebonden klanten en een vrijwel constante afname – zeer gering is;

overwegende dat de studie van Oxera derhalve gebaseerd is op onjuiste uitgangspunten;

overwegende dat de vermogenkostenvergoeding bij een reëel, laag risicoprofiel door SiRM is berekend op 4,4%;

van mening dat een hoge vermogenskostenvoet een opdrijvend effect kan hebben op de winstuitkeringen van drinkwaterbedrijven en daarmee ook op de tarieven;

verzoekt de regering, de vermogenskostenvoet in lijn met het onderzoek van SiRM vast te stellen op 4,4%,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Paulus Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 242 (27625).

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter. D66 maakt zich er ernstig zorgen over dat een langetermijndoelstelling weleens "op de lange baan" kan betekenen waar het gaat om de waterkwaliteit, zeker nu een aantal decentrale partners een deel van de doelstellingen zal moeten realiseren. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat zowel de beleidsevaluatie als de doorrekening van het regeerakkoord door het PBL kritisch was over het bereiken van de doelen met betrekking tot de Kaderrichtlijn Water (KRW);

verzoekt de regering om begin 2012 helder onderbouwd duidelijk te maken welke tussenstappen tussen 2012 en 2027 nodig zijn om de doelstellingen van de KRW te realiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Veldhoven, Jacobi en Grashoff. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 243 (27625).

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

In het AO hebben wij ook gesproken over de problematiek van het drinkwater op de BES-eilanden, waar een kleine bevolkingsgroep voor grote investeringen staat. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de financiering van de waterzuivering op de BES-eilanden problematisch is, mede gezien de kleine bevolkingsomvang;

overwegende dat de waterleidingbedrijven 1% van hun omzet mogen investeren in ontwikkelingssamenwerking;

verzoekt de regering om met de waterleidingbedrijven in overleg te treden om te bezien of hier een win-winsituatie bereikt kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Veldhoven, Jacobi en Grashoff. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 244 (27625).

De heer Houwers (VVD):

In mijn beleving heeft de staatssecretaris hierop de duidelijke toezegging gedaan dat in overleg met de waterschappen enzovoorts zou worden gewerkt aan de rioolwaterzuivering. Dat was voor mij voldoende. Kan mevrouw Van Veldhoven aangegeven waarom dit voor haar niet voldoende is?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Dat is voor mij niet voldoende omdat er daarmee nog geen oplossing voor de kosten is. De waterleidingbedrijven, die 1% van hun omzet investeren in ontwikkelingssamenwerkingsprojecten, zouden in plaats van aan losse projecten misschien kunnen bijdragen aan de oplossing van dit echt grote probleem. Ik vraag de staatssecretaris om met hen te bespreken of zij dit ook zo zien en dit terug te koppelen naar de Kamer.

De heer Houwers (VVD):

Zo had ik het ook opgevat. Ik had de indruk dat die toezegging eigenlijk al door de staatssecretaris was gedaan. Daarover denken wij dan verschillend.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Dat horen wij dan vast wel van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dat was de laatste spreker. Ik geef het woord aan de staatssecretaris. Hij heeft nog niet alle moties op papier ontvangen, maar ik wil liever niet schorsen, omdat wij al achterliggen op schema.

Staatssecretaris Atsma:

Voorzitter. Ik wil wel alvast beginnen. Ik zal het kort houden. In zijn motie op stuk nr. 239 herhaalt de heer Grashoff wat hij in het debat en het AO heeft gezegd. Hij constateert dat er een gapend gat is tussen de bevindingen van het Planbureau voor de Leefomgeving en de realisatie van de Kaderrichtlijn Water. In het overleg heb ik gezegd dat het PBL naar onze stellige overtuiging een aantal inschattingen die nog moeten worden gemaakt, bijvoorbeeld over het natuurakkoord met de provincies, niet kan maken. In 2009 hebben wij de stroomgebieden vastgelegd. Het is echt te vroeg om in 2011 al een conclusie te trekken op basis van de bevindingen. Ik vind het dus jammer dat er zo snel een conclusie is getrokken. Ik heb dat ook in het algemeen overleg gezegd.

De heer Grashoff vraagt mij of ik voor 1 januari 2012 een cijfermatige onderbouwing kan geven van de PBL-voorspellingen. Mijn antwoord is: nee, dat kan ik niet. Ik zeg dus op voorhand dat ik aanname van deze motie ontraad. In het overleg heb ik al aangegeven waarom het niet nodig is. De Kamer heeft een reactie gekregen op de PBL-informatie naar aanleiding van de motie-Halsema, die bij de algemene beschouwingen aan de orde is geweest. De Kamer is in die zin geïnformeerd. Ik heb al gezegd dat wij hierop terug zullen komen bij de vervolgstappen. Jaarlijks, in mei, krijgt de Kamer via de voortgangsrapportage Water in beeld de terugkoppeling over de stand van zaken; dat gebeurt dus per jaar, nota bene. In die zin wordt de Kamer op haar wenken bediend. Daarnaast is er een zesjaarlijks evaluatie van de stroomgebiedenbenadering. Wat de heer Grashoff vraagt, kan niet en is ook niet nodig. Ik ontraad aanname van de motie.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Volgens mij zit er in de reactie van de staatssecretaris een wonderlijke tegenstrijdigheid. Of de cijfermatige onderbouwing waar ik in deze motie om vraag, kan door de staatssecretaris niet geleverd kan worden en dan moet ik vaststellen dat zijn stellige bewering dat wij de KRW-doelen zullen halen, alleen uit de lucht gegrepen kan zijn, omdat zij niet onderbouwd is, of de cijfermatige onderbouwing kan wel worden geleverd en dan lijkt het mij buitengewoon in zijn belang dat de staatssecretaris voor de Kamer geloofwaardig maakt hoe hij de KRW-doelen gaat halen. Het is van tweeën één: in allebei de gevallen is het zeer van belang dat wij een onderbouwing krijgen. Als de staatssecretaris 1 januari niet haalt, valt er met mij nog prima te praten over 1 februari; dan geef ik hem iets meer tijd om dat onderzoekje te laten doen.

Staatssecretaris Atsma:

Dat halen wij ook niet. Ik heb ook al aangegeven waarom wij dat niet halen. Dat halen wij ten eerste niet omdat de tijd tussen het aanwijzen en het in werking treden van de kaderrichtlijn te kort is om nu al te kunnen evalueren. Dat is een deel van mijn kritiek op het planbureau. Ik heb dat twee weken geleden ook al gezegd. Ten tweede zijn een aantal zaken niet meegenomen. Ik heb al gewezen op het natuurakkoord. Ik heb in het algemeen overleg al gewezen op de ontwikkelingen omtrent de innovatieagenda van het kabinet. Kortom: ik kan nu onmogelijk, zelfs niet met de beste wil van de wereld, na zo'n korte periode een tussenstand geven. Ik kan wel de zekerheid geven dat wij in 2027 de doelstelling van de Kaderrichtlijn Water zullen halen. Dat heb ik toegezegd. Ik heb ook gezegd dat wij – de Kamer heeft daarmee ingestemd – de aanvankelijke ambitie om in 2015 alles te realiseren, hebben losgelaten en hebben gekozen voor de temporisering die ook binnen het kader van de Europese richtlijn mogelijk is. Dat heb ik gezegd en dat herhaal ik nog een keer. Het is volstrekt onmogelijk om nu, op deze korte termijn, een inschatting te maken. Dat kan simpelweg niet omdat wij nog onvoldoende referentiekaders hebben. Wij kunnen het dus ook niet. Dat is ook mijn kritiek op hetgeen het planbureau heeft afgeleverd, temeer omdat het planbureau een aantal doorrekeningen ook niet goed kan inschatten. Wie ben ik dus om te zeggen dat ik met cijfers kan komen, als ik beoordeel dat een aantal conclusies van het planbureau boterzacht zijn?

De voorzitter:

Wilt u beiden iets korter zijn? Dit levert namelijk een heel nieuw debat op, maar ik moet echt afronden.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Voorzitter. Ik zou het ook heel graag kort willen houden. Als de staatssecretaris deze motie gewoon omarmt, was mijn interruptie niet nodig geweest.

Staatssecretaris Atsma:

Ik ontraad de motie.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Volgens mij is het volstrekt helder wat wij vragen. Het is een volstrekt redelijk verzoek aan de staatssecretaris om een onderbouwing te leveren van een stelling die hij inneemt. Als hij zegt dat hij die onderbouwing niet kan leveren, dan is de conclusie voor mij duidelijk.

Staatssecretaris Atsma:

Ik heb nu niks anders dan twee weken geleden gezegd. Ik zeg het nog een keer: u krijgt jaarlijks een rapportage in mei. Dat gebeurt ieder jaar; in mei 2012, in mei 2013, in mei 2014 en ga zo maar verder. In 2027 hebben wij ons te houden aan de einddoelen die in het kader van de Kaderrichtlijn Water zijn gesteld. Ik zeg nogmaals dat wij die einddoelen zullen halen. Als wij die niet halen, dan zwaait er wat. Dat heb ik letterlijk gezegd en dat herhaal ik. Dan zwaait er in financiële zin ook wat van de kant van Europa. Dat weten wij allemaal en dat zullen wij ons niet laten welgevallen. Daar mag u ons aan houden, maar dat is iets anders dan nu zeggen welke tussenstappen wij op papier zetten en uitwerken. Kortom: ik ontraad de motie op stuk nr. 239.

Ik ga verder met de motie op stuk nr. 240 van de heer Holtackers en de heer Houwers. In deze motie wordt gevraagd de inspectie in actie te laten komen in gemeenten die in gebreke zijn gebleven. Een relevante vraag is dan: wat moet de inspectie doen? Moet de inspectie naar het gemeentekantoor gaan en vragen of zij inzage mag hebben in gegevens van alle bedrijven om te bekijken of er koeltorens staan? De registratie was tot voor kort, zoals bekend, absoluut nog niet waterdicht. Inmiddels zijn gemeenten als bevoegd gezag verplicht om te registreren. Ik weet dus niet wat de inspectie dan moet doen. In die zin is het jammer dat deze motie er komt, omdat de Kamer via de motie-Koppejan, die enkele maanden geleden is gesteund door de fracties van de VVD en de PvdA, heeft aangedrongen op een inventariserend onderzoek. Wij hebben dat onderzoek gedaan en voortvarend opgepakt. In het overleg heb ik gemeld dat 275 gemeenten al een reactie hebben gegeven. Ik heb toen al aangegeven dat meer gemeenten met een reactie bezig waren. Ik heb ook aangegeven dat ik de Kamer, in lijn met de motie-Koppejan, binnen een halfjaar zou informeren. Daar houden wij ons aan.

Ik wil deze motie eigenlijk niet ontraden, maar ik vraag de indieners om de motie aan te houden. Het halfjaar is wat mij betreft namelijk de termijn waarbinnen wij aan de Kamer rapporteren over de stand van zaken binnen alle gemeenten. Ik kan de consequenties van de vraag over de inspectie echt niet inzien, los van de prioritering binnen de inspectie en de financiële consequenties. Die vraag moet dan namelijk ook beantwoord worden. Daarom vraag ik de indieners om deze motie aan te houden. Als wij met een rapportage komen – die komt binnen de door de Kamer gevraagde termijn van een halfjaar – komen wij er wellicht opnieuw over te spreken en kunnen wij eventuele vervolgstappen zetten. Dan moeten wij praten over de vraag of het aan de inspectie of het bevoegde gezag – dat is vaak de gemeente, soms de provincie, maar bijna nooit het Rijk – moet zijn.

De heer Holtackers (CDA):

In uw brief van deze zomer, waarin u gemeenten uitnodigt om voor de draad te komen met de inventarisatie, schrijft u dat wie voor 15 september niet reageert, geacht wordt op alle punten onvoldoende te scoren. Legionella is een ernstige zaak. Op 15 september zijn er van heel veel gemeenten geen gegevens. Vervolgens heeft de staatssecretaris gezegd dat hij een nieuwe aanmaning gaat sturen, terwijl we al een conclusie hadden. Nogmaals, het gaat ons om de handhaving. Dat begrijp ik heel goed uit uw bericht. Ik neem dat over en stel voor dat we de motie aanhouden tot nader order, tot de volgende rapportage.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Holtackers stel ik voor, zijn motie (27625, nr. 240) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Atsma:

Dank voor uw medewerking. De tweede brief is inmiddels bij alle weigerachtige gemeenten. Het aantal is overigens alweer een stuk lager dan een paar weken geleden, zoals ik al heb gemeld. Dagelijks komen er aanmeldingen binnen. Vanmiddag heb ik nog even gekeken naar de vragenlijst die naar de gemeenten is gegaan. Daarop staan 43 vragen die men moet beantwoorden. Ik denk dat het wel uitmaakt of je een gemeente hebt met 10.000 bedrijven waar je naar moet kijken, of een met vijf bedrijven. Ik begrijp dat sommige gemeenten in de vakantieperiode wat meer tijd nodig hebben. Zonder dat u ernaar hebt gevraagd, zeg ik u toe dat we dit punt in het eerstvolgende bestuurlijk overleg met de VNG zullen agenderen, opdat ook vanuit die organisatie extra kan worden beklemtoond dat het echt nodig is om dit aan te pakken. Dank voor uw meedenken.

Voorzitter. De heer Jansen heeft twee moties ingediend. De motie op stuk nr. 241 gaat ook in op de legionellarisico's in koeltorens. De heer Jansen stelt terecht dat ik heb gezegd dat de minister van BZK het Bouwbesluit volgend jaar zal aanpassen om een onderhoudsverplichting op te leggen. Hij zegt ook dat dit niet het geval is. Ik heb dat niet meer nagekeken, maar wil dat nog wel doen en ga het ook doen, nu de heer Jansen dit zo heeft gezegd. Als ik in dezen fout ben geweest, zou dat mij zeer spijten. Ik ga dit uitzoeken. De heer Jansen verzoekt de regering in zijn motie om dit op te pakken via het Activiteitenbesluit. Als ik de motie van de heer Jansen zo mag verstaan dat ik voor de korte termijn mag onderzoeken of de regels via het Activiteitenbesluit aangescherpt kunnen worden, zal ik dit in hetzelfde overleg met de VNG aan de orde stellen. Ik kan de consequentie niet een-twee-drie overzien. De gemeenten zijn bevoegd gezag en ik wil dit graag met hen overleggen. Dit moet bij hen tussen de oren zitten. Als dat het geval is, is het wellicht niet eens nodig om de motie uit te voeren, maar als de uitvoering van de motie een stok achter de deur moet creëren, wil ik dat wel graag met de Kamer en met de gemeenten overleggen. Als ik de motie zo mag duiden, verzoek ik de heer Jansen om mij even de tijd te geven om dit punt bij de gemeenten op de agenda te zetten.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik ben even aan het nadenken over wat de staatssecretaris precies bedoelt, maar laat ik aangeven wat ik bedoelde. Het maakt voor de SP-fractie niet uit of we dit via het Bouwbesluit regelen of via het Activiteitenbesluit.

Staatssecretaris Atsma:

Zo heb ik uw woorden ook verstaan.

De heer Paulus Jansen (SP):

Mocht dus blijken dat het toch mogelijk is om dit via het Bouwbesluit te regelen, dan vind ik het ook best. Als dat niet zo blijkt te zijn, dan wil ik graag van de staatssecretaris de verzekering dat we dit binnen redelijke termijn – ik zou zeggen een halfjaar – via een andere weg doen. Ik zie eerlijk gezegd niet in welk overleg met de gemeenten daarvoor nog nodig is, want het Activiteitenbesluit richt zich op de eigenaars van de installaties. Zij zijn straks verplicht om het onderhoud te doen.

Staatssecretaris Atsma:

Een ondernemer is per definitie verplicht om een deugdelijke installatie te hebben; daarvoor is op zich geen wijziging van het Activiteitenbesluit nodig. De gemeente is vervolgens de toezichthouder. In die zin zeg ik ook dat we niets overbodigs moeten willen organiseren. Daarom vraag ik de Kamer om ons de tijd te geven om de haalbaarheid of wellicht onmogelijkheid nog wat scherper in beeld te brengen. Ik kan die nu niet beoordelen. Volgens mij is de Kamer het op zich eens over het doel. Of het nu linksom of rechtsom beter wordt georganiseerd, maakt ons niet zo veel uit. Wel moeten we voorkomen dat dit leidt tot nieuwe lastenverzwaring voor het bedrijfsleven in algemene zin. Ik kan me voorstellen dat ook de vraag of dat het geval is, voortvloeit uit opname in het Activiteitenbesluit. Ik wil dit dus bij de VNG aankaarten. Ik kom hier dan op terug in een brief met een rapportage.

De heer Paulus Jansen (SP):

Dan ben ik bereid om mijn motie aan te houden. Kan de staatssecretaris indicatief aangeven wanneer de brief met terugrapportage er komt?

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Paulus Jansen stel ik voor, zijn motie (27625, nr. 241) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Atsma:

Ik heb al aangegeven dat die snel moet komen. De motie van de leden Koppejan. Houwers en Jacobi waarover uw Kamer heeft gestemd, was medio juni. Vervolgens is de brief in de eerste week van juli verstuurd. U heeft daarvan een afschrift gekregen. Ik heb als vertrekpunt genomen dat de uiterste datum zou moeten zijn zes maanden na 1 juli, dus 1 januari. Laten wij vaststellen dat wij voor 1 januari de zaak bij u hebben. Dan moeten wij de complete rapportage rond hebben. Wat mij betreft, zou het wellicht al begin december kunnen zijn, omdat wij de gemeenten een deadline hebben gesteld, half november. Als het eerder kan, krijgt u het sowieso. Daarover willen wij geen discussie hebben. Ik kijk even naar achteren; er wordt geknikt. Ik begrijp dat begin december de rapportage al in uw richting kan komen.

De voorzitter:

De volgende motie graag.

Staatssecretaris Atsma:

Ik kom bij de motie op stuk nr. 242 van de heer Jansen over de vermogenskostenvoet van 6%. De heer Jansen vindt dat percentage te hoog. Wij hebben er twee weken geleden uitvoerig over gesproken. Ik heb toen gewezen op de twee adviesbureaus en op het advies van de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Mijn conclusie is dat het verstandig is om aan de vermogenskostenvoet van 6% vast te houden. Kortom, ik ontraad deze motie.

In haar motie op stuk nr. 243 verzoekt mevrouw Van Veldhoven de regering om begin 2012 helder onderbouwd duidelijk te maken welke tussenstappen tussen 2012 en 2027 nodig zijn om de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water te realiseren. Ook in haar richting kan ik niet anders zeggen dan datgene wat ik in de richting van de heer Grashoff heb gezegd: dat is volstrekt onmogelijk. Wij rapporteren jaarlijks aan uw Kamer in mei en ook nog eens zesjaarlijks. Daarmee wordt eigenlijk gedaan wat mevrouw Van Veldhoven vraagt. Op basis van de bevindingen kun je de conclusie trekken of er een tandje bij of af zou kunnen. Dat is mede aan uw Kamer. Ik stel wel vast dat het schier onmogelijk is om te voldoen aan hetgeen in de motie wordt gevraagd.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik kan mij heel goed voorstellen – het is ook alleszins logisch – dat die rapportage wordt gecombineerd met de rapportage die elk jaar in mei komt. Het zou heel goed zijn dat wij een doorkijkje hebben wat wij jaarlijks moeten realiseren om in 2027 die doelen te halen. De staatssecretaris onderstreept dat hij ze wil en denkt te kunnen halen. Het zou heel mooi zijn om een doorkijkje te hebben waar wij ongeveer zitten, zodat wij ons niet onnodig zorgen maken als wij aan het begin van het proces nog maar een kleine verbetering zien, omdat wij dan weten dat er elk jaar zo'n verbetering zal zijn.

Staatssecretaris Atsma:

Wij kunnen in elk geval aangeven welke stappen voor de korte termijn kunnen worden genomen. Dat is al een begin van datgene wat mevrouw Van Veldhoven vraagt. De Kamer heeft er ook recht op om te weten hoe het resterende geld wordt besteed. Ik heb al gezegd dat niet volstrekt helder is welk bedrag beschikbaar is, omdat datgene wat via de waterschappen en de provincies binnenkomt ook nog kan bewegen; een passende term in dit verband. Laten wij proberen bij de tussenrapportage aan te geven welke aanvullende stappen voor de korte termijn kunnen en zullen worden genomen op basis van de dan beschikbare plannen en ambities.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Dat wordt dan jaarlijks meegenomen?

Staatssecretaris Atsma:

Dat lijkt mij geen probleem. Je zou bij de tussenrapportage in mei en bij de begroting de stappen kunnen melden, maar dat is een kwestie van aankondigen dat er iets moet gebeuren en dat later uitwerken.

De motie op stuk nr. 244 van mevrouw Van Veldhoven betreft de BES-eilanden. De heer Houwers had volstrekt gelijk, toen hij aangaf dat ik de intentie in het overleg al heb uitgesproken. Sterker nog, gisteravond hebben wij een eerste overleg gehad met de waterleidingbedrijven over de vraag hoe om te gaan met de situatie op de BES-eilanden en daaraan gekoppeld de vraag over de specifieke kennis, expertise en mogelijk ook middelen. Mevrouw Van Veldhoven doelde op de 1% die beschikbaar kan worden gesteld voor projecten buiten Nederland, maar dit is in Nederland; dat is wel een verschil. Het gesprek is gaande, dus in die zin zou ik kunnen zeggen dat de motie overbodig is. Ik ga er echter vanuit dat breed door de Kamer wordt gedragen dat een verzoek om te zoeken naar een oplossing voor de problematiek op de BES-eilanden ondersteuning van beleid is. Als ik de motie op die manier kan duiden – mevrouw Van Veldhoven heeft dat ook nog een beetje richting gegeven door te wijzen op de 1%-regeling – beschouw ik haar als ondersteuning van beleid.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de in beide VAO's ingediende moties zal op donderdag 27 oktober worden gestemd.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.