Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 67, pagina 5369-5373

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 11 maart 2009 over de opvangproblematiek dieren.

De heer Graus (PVV):

Voorzitter, dank u wel.

De GrausKamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, de Algemene Inspectiedienst (AID) en de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) toe te laten zien op kwalitatieve verbetering en professionalisering van de opvang van hulpbehoevende dieren in Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 268(28286).

De heer Graus (PVV):

Voorzitter. In principe heeft de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken mij tijdens het AO gelijk gegeven met mijn lijn. Zij zou ook bij de gemeenten erop aandringen. Dat is echter niet als een toezegging genoteerd. Vandaar dat ik de volgende motie indien. Ik reken op veel steun vanuit de Kamer.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om gemeenten te wijzen op hun opvangverplichting van dieren in nood en er voorts op toe te zien dat deze overheden de hiervoor bestemde financiële middelen daadwerkelijk inzetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 269(28286).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik zit bijna aan mijn dagrecord van het aantal ingediende moties op één dag. Wij hebben gesproken over de opvangproblematiek van dieren en er bestaat een fundamenteel verschil tussen de minister en mij over de vraag welke instrumenten je moet inzetten om tot een goede oplossing te komen. Meedenkend met het enige instrument dat zij inzet, namelijk voorlichting, wijs ik haar erop dat wij, als wij dat doen, wel moeten weten wat de beoogde doelen zijn en hoe wij die gaan bereiken. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering in haar beleid ten aanzien van het voorkomen van ondoordachte aanschaf van gezelschapsdieren, het dumpen van dieren en het ontstaan van zwerfdierenpopulaties uitsluitend inzet op voorlichting gericht op kennisontwikkeling en gedragsbeïnvloeding bij (toekomstige) huisdierbezitters;

overwegende dat voorlichting als beleidsinstrument alleen dan effectief kan zijn wanneer een nulmeting plaatsvindt, waarbij informatiebehoefte en attituden worden vastgesteld en dat de effectiviteit alleen dan kan worden gemeten, wanneer vooraf doelstellingen worden geformuleerd ten aanzien van bereik en de beoogde gedragseffecten;

verzoekt de regering, concrete en afrekenbare doelstellingen te formuleren voor dit beleidsonderdeel ten aanzien van gezelschapsdieren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 270(28286).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Tijdens het AO heb ik een pleidooi gehouden voor het aanpakken van de problemen bij de bron. Er moet voor gezorgd worden dat er geen impulsaankopen van dieren kunnen plaatsvinden. Daar sloot de PvdA-fractie zich bij aan. Zij vond dat er geen verkoop van dieren zou moeten plaatsvinden buiten dierenspeciaalzaken om. Later leek die fractie toch een beetje terug te krabbelen. Daarom dien ik twee korte moties in, in twee verschillende smaken, dan kunnen wij kijken wat de mogelijkheden op korte termijn zijn. De eerste moties luiden als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de verkoop van dieren in tuincentra leidt tot ongewenste impulsaankopen en uiteindelijk tot een groot aantal dieren dat op straat en in opvangcentra terechtkomt;

verzoekt de regering, een verbod in te stellen op de verkoop van dieren in tuincentra,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 271(28286).

De OuwehandKamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de verkoop van dieren via internet leidt tot ongewenst aankoopgedrag en oncontroleerbare handel en uiteindelijk tot een groot aantal dieren dat op straat en in opvangcentra terechtkomt;

verzoekt de regering, een verbod in te stellen op de verkoop van dieren via internet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 272(28286).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik heb nog een laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de overheidsverantwoordelijkheid voor de opvang van zwervend aangetroffen dieren minimaal is ingevuld middels de gemeentelijke bewaarplicht van veertien dagen;

constaterende dat een eenduidige invulling van deze gemeentelijke plicht ontbreekt, evenals zicht op de naleving hiervan;

overwegende dat de opvangcentra voor gezelschapsdieren structureel te kampen hebben met capaciteitstekorten en een gebrek aan financiële middelen, huisvestingsproblemen en personele onderbezetting;

overwegende dat opvangcentra veel tijd en energie moeten besteden aan het maken van (financiële) afspraken met gemeenten en de administratieve lasten die zijn gemoeid met het uitvoeren hiervan;

overwegende dat de problematiek rondom dierennoodhulp gemeentegrensoverschrijdend is;

verzoekt de regering, te komen tot een plan van aanpak voor de opvang van gezelschapsdieren en voor het terugdringen van de toestroom van zwervend aangetroffen dieren en de Kamer hierover binnen een halfjaar te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 273(28286).

Mevrouw Van Velzen (SP):

Voorzitter. De Kamer spreekt inmiddels al zo'n twee decennia over de zogenaamde positieflijst. Dat is een lijst met dieren die op het vlak van dierwelzijn geen problemen opleveren indien zij als huisdier worden gehouden. Telkens heeft de regering een nieuwe reden om de invoering van deze positieflijst uit te stellen. De minister beloofde vorig jaar april om een algemene maatregel van bestuur op te stellen die onder de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zou komen te hangen, zoals wij dat in het prachtige politieke jargon noemen. Daar was de Kamer het unaniem mee eens.

Tijdens het debat over de opvang van dieren kondigde minister echter plotseling aan dat zij pas met zo'n positieflijst komt als de Wet dieren van kracht is. Waarom is mij nog steeds een raadsel. Wat wel duidelijk is, is dat dit een onverwachte nieuwe vertraging betekent voor de positieflijst. De Kamer heeft vorig jaar juni gereageerd op het wetsvoorstel Wet dieren in de vorm van een verslag. Zij wacht echter tot op de dag van vandaag op een reactie daarop van de regering. Dat stokt dus en ik heb geen idee wanneer de regering met een reactie op het verslag van de Kamer zal komen. Ik vraag de regering dan ook om gewoon verder te gaan met het opstellen van een algemene maatregel van bestuur onder de bestaande geldende wet, waar het gaat om de positieflijst. Daarom dien ik een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er al bijna twee decennia gesproken wordt over de noodzaak, een lijst op te stellen met dieren die zowel op het vlak van volksgezondheid als op het vlak van dierenwelzijn geen problemen opleveren indien ze als huisdier gehouden worden;

overwegende dat de minister van LNV herhaaldelijk heeft aangegeven een algemene maatregel van bestuur (AMvB) op te willen stellen met daarin een positieflijst van dieren die met het oog op dierwelzijn wel te houden zijn;

overwegende dat de minister op 28 april vorig jaar aangaf dat er een AMvB in voorbereiding is, die voorziet in de vaststelling van een positieflijst, op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

overwegende dat tijdens het algemeen overleg over de opvang van dieren de minister aangaf, deze AMvB pas op te willen stellen als de Wet dieren van kracht is;

van mening dat er geen reden is, invoering van de positieflijst meer vertraging op te laten lopen;

verzoekt de regering, een algemene maatregel van bestuur op te stellen met daarin een positieflijst van dieren die met het oog op dierwelzijn te houden zijn en deze AMvB onderdeel te laten zijn van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de Van Velzenleden Van Velzen, Snijder-Hazelhoff en Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 274(28286).

Mevrouw Van Velzen (SP):

Gezien het draagvlak dat er altijd is geweest voor het opstellen van een positieflijst, reken ik op een meerderheid voor deze motie in de Kamer.

De voorzitter:

De minister zegt dat zij snel kan antwoorden zodra zij kennis heeft genomen van de laatst ingediende motie.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Verburg:

Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de inbreng. Ik kom direct bij de moties.

In de eerste motie van de heer Graus wordt de regering verzocht de AID en de LID toe te laten zien op de kwalitatieve verbetering en professionalisering van de opvang van hulpbehoevende dieren in Nederland. Dat is niet de taak en verantwoordelijkheid van de AID en de LID. Wij moeten heel helder zijn over de verantwoordelijkheid op dit punt. Die verantwoordelijkheid hoort bij de gemeenten. Wij besteden daar met de VNG veel aandacht aan. De staatssecretaris van BZK en ik hebben dat vorige week ook al betoogd. Het lijkt mij geen goed plan om hiervoor de AID van zijn gebruikelijke handhavingstaken af te halen en om ook de LID hiervoor in te schakelen. Ik ontraad de motie.

De heer Graus (PVV):

Het Honden- en kattenbesluit valt onder de gemeenten, maar in dit geval gaat het over hulpbehoevende dieren in Nederland. Die vallen buiten het Honden- en kattenbesluit en dus niet onder de gemeenten. De gemeenten hebben geen verplichting op dat punt. De AID en de LID hebben de plicht om te controleren en te handhaven als het gaat om dierenwelzijn. Er zijn mensen die zorgen voor die wilde of zwerfdieren en/of verwilderde dieren. De AID en de LID hebben wat dit betreft een taak.

Minister Verburg:

De heer Graus benoemt exact de verantwoordelijkheden en taken van de AID en de LID, namelijk controle en handhaving. Daar houden zij zich mee bezig en dat moeten ze blijven doen. De heer Graus heeft het over het toezicht op de kwalitatieve verbetering. Als wij daarmee hetzelfde bedoelen, is de motie of overbodig of een ondersteuning van het beleid. Ik reageer echter op het dictum. Ik vind dat de AID en de LID moeten doen wat ze moeten doen. Dat moeten ze goed en effectief doen, in het belang van alle dieren en dierenliefhebbers.

De heer Graus (PVV):

Er zijn dieren die niet onder het Honden- en kattenbesluit vallen, dieren die door particulieren of stichtingen worden opgevangen. Daar is echter geen controle op. Heel veel hulpcentra voor wilde dieren worden totaal niet gecontroleerd door de AID of de LID, maar daar vinden verschrikkelijke taferelen plaats. Ik heb zelf ook wel eens bij zo'n opvangcentrum gekeken. Ik vind dat de AID en de LID ook daarnaartoe moeten gaan. Hobbyboeren met een geitje zonder oormerk moeten dan maar met rust worden gelaten.

Minister Verburg:

Nu gaat de heer Graus een beetje te kort door de bocht. Wij hebben recentelijk nog gesproken over het kattencentrum in Aarle-Rixtel. Daar zijn vaak vrijwilligers bezig die zich met ziel en zaligheid inzetten voor de opvang van dieren. Ik vind het te kort door de bocht om te stellen dat daar zulke vreselijke zaken plaatsvinden. Bovendien kan het nodig zijn om bij een hobbyboer ook dingen te controleren. Ik keur het werkplan van de AID goed. De LID stelt ook zijn prioriteiten, in overleg met ons. Ik voel er niets voor om de handhaving plotseling over een totaal andere boeg te gooien. Er moet gericht en zorgvuldig worden gehandhaafd door beide diensten.

De heer Graus (PVV):

Ik neem aan dat de minister ze vast wel kent van de Amerikaanse of de Nederlandse televisie, maar anders moet zij een keer met een LID'er meegaan. Er zijn mensen die honderden dieren opvangen, minimaal tientallen. Ze doen dat met de beste bedoelingen, maar desondanks vindt er dierenverwaarlozing plaats, omdat die mensen vaak niet goed bij hun hoofd zijn. Daarom moeten de AID en de LID daar ook controleren. Als deze mensen niet goed zijn voor hun dieren, moeten die worden weggehaald, al hebben ze de beste bedoelingen.

Minister Verburg:

De heer Graus weet dat er mogelijkheden zijn om dit soort zaken te melden, zowel bij de AID als bij de LID. Ik reken erop dat verstandige mensen, ondanks dat sprake is van goede bedoelingen, dit soort meldingen ook doen. Dan kunnen AID en LID hun verantwoordelijkheid nemen en de controle en handhaving gericht ter hand nemen.

De tweede motie van de heer Graus is een beetje dubbel. De staatssecretaris heeft vorige week betoogd dat zowel BZK als LNV volop bezig is om met de gemeenten de opvangtaak verder te ontwikkelen en gemeenten nader in staat te stellen of te stimuleren om hun verantwoordelijkheid volledig op zich te nemen. Het tweede deel van het dictum van de motie gaat te ver. De staatssecretaris heeft vorige week onderstreept dat gemeenten over hun budget gaan en daarover beslissen. Dat alles overwegende kom ik tot de conclusie dat wij het eerste deel al uitvoeren. Vanwege het tweede deel ontraad ik deze motie. Gemeenten gaan zelf over de besteding van hun budget.

De heer Graus (PVV):

Laten we het even over het Honden- en kattenbesluit hebben. Daar zijn potjes voor. Heel veel gemeenten lappen het besluit aan hun laars en gebruiken de potjes voor linkse hobby's en niet voor dierenwelzijn. Wij willen dat die potjes gebruikt worden waarvoor ze bestemd zijn. Staatssecretaris gaf me vorige week tijdens het AO gelijk, maar dit is niet als een toezegging genoteerd. Daarom dien ik deze motie in. Ik wil dat de gemeenten hierop gewezen worden. Ik heb zelfs nog voorgesteld dat gemeenten die hieraan niet voldoen, bij wijze van straf gekort worden op het Gemeentefonds. Zo ver laat ik het in de motie niet gaan. Laat de minister gemeenten erop wijzen dat zij de verplichting hebben om voor opvang van dieren te zorgen binnen het Honden- en kattenbesluit. Heel veel gemeenten lappen dit besluit aan hun laars.

Minister Verburg:

Ik heb hierover gezegd dat LNV, BZK en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aan het bekijken zijn wat we voor elkaar kunnen betekenen. Ik ben ervan overtuigd dat de zorg lokaal beleefd kan worden. Als er inzet gevraagd wordt, kan de gemeenteraad het college van B en W zodanig controleren dat daarbij ook de benodigde inzet wordt geleverd. Dit hoeven wij vanuit Den Haag niet voor te schrijven. Dit is een zaak van de democratie ter plaatse.

Ik ontraad de motie van Ouwehand op stuk nr. 270. Ik ondersteun voluit het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren. Het LICG doet ook onderzoek naar bereik en effect. Het opstellen van harde en haalbare doelstellingen acht ik onmogelijk. Dat betekent dat ik deze motie ontraad.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Wat is er onmogelijk aan om een doelstelling te formuleren? We weten dat jaarlijks 70.000 honden en katten in asielen terechtkomen. De minister zet in op voorlichting. Dan kan zij toch als doelstelling formuleren dat het 20.000 minder moeten worden? De Kamer moet de minister kunnen afrekenen. Ik wil haar herinneren aan wat zij tijdens het AO heeft gezegd, namelijk dat zij op alle onderdelen van haar beleid is af te rekenen als minister van LNV. Daar was zij nogal trots op.

Minister Verburg:

Dat is ook zo. De Kamer kan mij iedere week afrekenen. Ik ben dit alleen niet van plan te doen. We zijn volop aan de slag. Ik ga hier geen bureaucratie meer op organiseren.

Ik ben bezig met certificering van de sector. Dat stimuleer ik. Ik geloof meer in certificering en bewustwording dan in een totaalverbod. Daarom ontraad ik de moties op de stukken nrs. 171 en 172.

Dan kom ik bij de motie-Van Velzen waarin wordt gepleit voor het nu invoeren van een positieflijst. Ik heb eerder een toezegging gedaan dat ik daarmee kom in het kader van de Wet dieren. Bij de beraadslaging over dat wetsvoorstel zal ik met een concreet voorstel komen of misschien zelfs eerder zodat die bij de behandeling kan worden betrokken.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Ik concludeer dat de minister de motie ontraadt, maar mag ik weten wanneer zij van plan is om verder te gaan met de Wet dieren? De bal ligt bij de minister en de Kamer zit maar te wachten. Wij hebben totaal geen zicht op het moment waarop zij met die AMvB over de positieflijst komt. Misschien kan zij daar een harde toezegging over doen?

Minister Verburg:

Ik kan daar alleen maar van zeggen dat de Kamer veel belang hecht aan de Wet dieren. Er zijn heel veel vragen gesteld. De zorgvuldigheid is er, niet alleen in het stellen van de vragen, maar ook in de beantwoording. Ik streef ernaar om zo spoedig mogelijk, maar ook met de nodige zorgvuldigheid de nota naar aanleiding van het verslag aan de Kamer te doen toekomen. Dan is het weer in handen van de Kamer.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Met alle respect, maar dit is natuurlijk een toezegging van niks. Dat verslag van de Kamer ligt al negen maanden op het bureau van de minister. Dan hebben wij het niet meer over zorgvuldigheid, maar over vertraging. Ik vraag de minister om concreet te worden. Wanneer reageert zij op het verslag van de Tweede Kamer en wanneer mogen wij die AMvB over de positieflijst ontvangen?

Minister Verburg:

Zo spoedig mogelijk. Een nadere datum ga ik niet geven. Wanneer ik alle antwoorden op een zorgvuldige en voor mij acceptabele wijze heb, ligt de volgende dag, of misschien nog wel dezelfde dag, de nota naar aanleiding van het verslag bij de Kamer.

Mevrouw Van Velzen (SP):

Wordt het nog dit jaar? Wat is het plan van de minister?

Minister Verburg:

Ik geef mevrouw Van Velzen een goede kans dat het nog dit jaar wordt.

De voorzitter:

Kijk, die hebt u binnen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):

Ik hoor de minister zeggen dat de AMvB misschien nog wel voor het wetsvoorstel komt. Dat kan inderdaad heel snel zijn. Als dat zo is, kan de minister deze motie toch als ondersteuning van haar beleid zien?

Minister Verburg:

Dat zou kunnen, maar ik wil hem graag behandelen in het kader van de Wet dieren. Dan moet er natuurlijk ook een concreet voorstel liggen. Mevrouw Van Velzen vraagt zeer nadrukkelijk om zo spoedig mogelijk op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren met die AMvB te komen. Ik heb gezegd dat ik het graag bij de behandeling van de Wet dieren betrek.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor haar antwoorden. Ik stel voor dat wij over de ingediende moties volgende week dinsdag stemmen.

Er vindt een wisseling in vak K plaats. Ik wil daarna zo snel mogelijk de vergadering voortzetten gezien het gevorderde tijdstip.