Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 67, pagina 5366-5369

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 19 maart 2009 over de Landbouwraad.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Op Europees niveau wordt op dit moment een discussie gevoerd of het levend plukken van ganzen pijnlijk is en of het oogsten van veren wel kan. Wij komen daarover nog te spreken. Duidelijk is in ieder geval dat Europa dons importeert van levend geplukte ganzen. Dat moeten wij niet willen. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het levend plukken van ganzen onnodig pijn, leed en letsel veroorzaakt en dat de Europese Commissie op grond daarvan het levend plukken van ganzen in Europa verbiedt;

constaterende dat dons van levend geplukte ganzen uit China wordt geïmporteerd in de Europese Unie;

verzoekt de regering, in Europa een importverbod op dons van levend geplukte ganzen te bepleiten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 325(21501-32).

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):

Voorzitter. Bij het AO over de Landbouw- en Visserijraad is gesproken over de Vamil-regeling. Duidelijk is dat een aantal ondernemers over 2007 en 2008 niet de restwaarde kan afschrijven terwijl collega's die vanaf 1 januari 2009 investeren dat wel kunnen. Mijn fractie wil hier iets aan doen. De minister heeft toegezegd dat zij samen met de staatssecretaris zal bekijken of en wat zij kunnen doen, maar mijn fractie stelt zich op het standpunt dat hier iets aan gedaan moet worden. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Snijder-HazelhoffKamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat:

  • - investerende ondernemers op basis van de brochure 2007 inzake de Vamil-regeling hebben geïnvesteerd;

  • - de brochure duidelijk sprak over afschrijving tot de restwaarde waar het ging om investeringen in het kader van de Vamil-regeling;

  • - er pas eind 2008 bleek dat er nog Europese toestemming moest komen;

  • - er per 1 januari 2009 goedkeuring is vanuit Europa;

  • - nieuwe investeerders vanaf 1 januari 2009 wel tot de restwaarde kunnen afschrijven en de ondernemers die in 2007 en 2008 hebben geïnvesteerd niet;

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat investerende ondernemers uit 2007 en 2008 dezelfde mogelijkheid krijgen als hun collega's die pas in 2009 investeren en dus ook vanaf 1 januari 2009 tot de restwaarde mogen afschrijven, daar waar het gaat om investeringen in het kader van de Vamil-regeling en dit thans bestaande verschil op te lossen en uiterlijk eind april 2009 dit te hebben vastgelegd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Snijder-Hazelhoff en Van der Vlies. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 326(21501-32).

De heer Atsma (CDA):

Voorzitter. Ook de CDA-fractie heeft aangegeven dat het haar buitengewoon verdriet wat er gebeurd is met de Vamil-regeling. Als het enigszins kan, zou dit probleem moeten worden opgelost. Ik vraag de minister met klem om alle mogelijkheden nog eens in juridische zin te verkennen. De beperkingen van de regels hebben wij goed tot ons laten doordringen; de minister heeft die tijdens het algemeen overleg toegelicht. Dit neemt niet weg dat er misschien een aantal juridische routes kunnen worden bewandeld. Ik denk dan onder andere aan de de-minimisregeling die misschien niet voldoende soelaas biedt in financiële zin, maar alle kleine beetjes helpen. Daarnaast kan ook worden nagegaan of het mogelijk is om de regeling alsnog in Brussel aan te melden, niet zo zeer om een en ander te regelen met terugwerkende kracht, maar puur vanwege het feit dat de aanmelding te laat komt. Daar zijn goede redenen voor. Wij adviseren de minister om die mogelijkheid ook nog eens juridisch te verkennen.

Dit laat onverlet dat ik van mening dat daar waar kan, hulp moet worden geboden. Ik zie dit als een inspanningsverplichting voor het kabinet, zowel voor de minister van LNV als de staatssecretaris van Financiën. De laatste was immers niet voor niets aanwezig bij het algemeen overleg. Dit brengt mij tot de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ondernemers op basis van communicatie vanuit het ministerie van LNV sinds 1 januari 2007 volop hebben geïnvesteerd in de Vamil-investeringen met het idee tot de restwaarde te kunnen afschrijven;

overwegende dat Vamil-investeringen bijdragen aan een verduurzaming van de veehouderijsector;

verzoekt de regering om alles in het werk te stellen om ook alle investeringen in gebouwen die in eigen gebruik door ondernemers in 2007 en 2008 zijn gedaan in het kader van de Vamil, vanaf 1 januari 2009 in aanmerking te laten komen voor vrijwillige afschrijving tot de restwaarde;

verzoekt de regering voorts om voor de periode 2007-2008 met een passende oplossing te komen voor het verschil tussen de afschrijving van de bodemwaarde en de restwaarde,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Atsma en Waalkens. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 327(21501-32).

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):

Kan de heer Atsma uitleggen wat het verschil is tussen zijn motie en de motie die ik zojuist mede namens de heer Van der Vlies heb ingediend?

De heer Atsma (CDA):

Voor zover ik het kan interpreteren, is de motie van mevrouw Snijder wat enger gedefinieerd. Wij bieden iets meer ruimte om te komen tot maatwerk en tot een oplossing. Ons doel is uiteindelijk hetzelfde, maar de weg ernaar toe moet het kabinet mogelijkheden bieden om echt tot een oplossing te komen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):

Over de weg zijn we het gauw eens: dat maakt het kabinet uit. Dat staat niet in mijn motie, dat staat ook niet in uw motie. De vraag is echter of uw motie niet wat meer ruimte geeft om haar niet uit te voeren, omdat zij het kabinet niet echt opdraagt om een regeling te treffen.

De heer Atsma (CDA):

Wij vragen het kabinet om alles in het werk te stellen om tot een adequate oplossing te komen. Als de CDA-fractie en de PvdA-fractie aangeven dat alles in het werk moet worden gesteld voor een oplossing, lijkt me dat een voldoende helder signaal aan de bewindslieden die afgelopen donderdag bij het overleg aanwezig waren. Daarnaast heb ik nog een aantal te bewandelen of te verkennen juridische wegen genoemd.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter. Ik heb de Atsmamotie nog eens goed gelezen en ben het eigenlijk met mevrouw Snijder eens. Dat hoeft niet te verbazen, want ik heb de motie medeondertekend. Toch vind ik dat de heer Atsma wat moet uitweiden over de vraag of zijn motie een inspanningsverplichting of een resultaatsverplichting inhoudt. Ik geef toe dat dit vaktermen zijn, maar in dit huis weten we wel wat we ermee bedoelen.

De heer Atsma (CDA):

Onze motie vraagt de regering om alles in het werk te stellen om alle investeringen in gebouwen in eigen gebruik door ondernemers in 2007 en 2008 in het kader van Vamil, vanaf 1 januari 2009 in aanmerking te laten komen voor een eventuele afschrijving tot de restwaarde. Dat is volstrekt helder. Het tweede deel van het dictum verzoekt de regering om voor de periode 2007-2008 met een passende oplossing te komen voor het verschil tussen de afschrijving van de bodemwaarde en de restwaarde. Daarmee geef ik nadrukkelijk de intentie van de CDA-fractie en PvdA-fractie aan. Wij vragen het kabinet inderdaad om alles, voor zover dat kan, in het werk te stellen. Maar uiteraard is niemand gehouden tot wat niet kan; dat zijn woorden die ook u recentelijk en in een verder verleden in de mond heeft genomen. Wij zijn volstrekt helder: wij vinden dat het kabinet tot het uiterste moet gaan om te regelen wat is toegezegd.

De heer Van der Vlies (SGP):

We gaan hier geen tekstexegese doen, want dan zijn we voorlopig nog niet klaar. Maar in de motie van mevrouw Snijder staat toch echt "ervoor te zorgen dat" en in de motie van de heer Atsma staat "tot het uiterste te gaan om".

De heer Atsma (CDA):

Ja, daar zit inderdaad een nuanceverschil. "Ervoor te zorgen dat" is volstrekt helder. Als de Brusselse kanttekeningen op enigerlei wijze duidelijk maken dat de gevraagde dingen in juridische zin volstrekt onhaalbaar zijn, moet je kiezen voor een next-bestoplossing. Vandaar onze inspanningsverplichting voor het kabinet. Uiteraard zal die moeten leiden tot wat u als een resultaat verwoordde, namelijk dat alles in het werk moet worden gesteld om tot de situatie te komen die de ondernemers voor ogen hadden toen zij hun investeringen deden en die de Kamer die voor ogen had toen de brochure over de Vamil verscheen. Daar is geen letter Spaans bij, maar het moet wel kunnen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Uiteraard moet het kunnen. Laten we maar concluderen dat we allemaal hetzelfde bedoelen. Ik kan het echt niet anders lezen; de eerlijkheid gebiedt mij dat te zeggen.

De heer Atsma (CDA):

Tot het onmogelijke is inderdaad niemand gehouden.

Minister Verburg:

Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de inbreng in dit VAO en de boeiende gedachtewisseling van zojuist. Het moment van non-verbale communicatie in de Kamer heeft mij in de gelegenheid gesteld om van alle moties kennis te nemen en er een oordeel over te vormen.

Allereerst de motie van mevrouw Ouwehand, die de regering verzoekt om in Europa een importverbod op dons van levend geplukte ganzen te bepleiten. Gisteren heeft de Landbouwraad plaatsgevonden en daar is dit punt door mijn Zweedse collega aan de orde gesteld, en terecht. Op Europees niveau, maar ook mondiaal, wordt er verschil gemaakt tussen het plukken van ganzen en het oogsten van ganzenveren. Het plukken is niet toegestaan maar het oogsten wel omdat dat pijnloos is. In reactie op het verzoek van de Zweedse collega die hier aandacht voor vroeg van zowel de Hongaarse collega als de Europese Commissie heeft de Hongaarse collega gezegd: wij handhaven in Hongarije het zorgvuldig oogsten van ganzenveren en wij gaan het plukken van ganzenveren tegen. Ik heb dat sterk onderstreept en aan de collega van Hongarije gevraagd om die regel alsjeblieft te handhaven omdat het niet de bedoeling is dat afspraken die in Europees verband gemaakt worden niet gehandhaafd worden. Ik heb de Europese Commissie verzocht om na te gaan waar en hoe het filmpje dat in Zweden is uitgezonden, is gemaakt. Ik heb voorts gevraagd om erop toe te zien, in het geval dat het voorval in Hongarije heeft plaatsgevonden, dat het plukverbod en de oogstmogelijkheid op een zorgvuldige wijze worden gehandhaafd. Om die reden ontraad ik het aannemen van deze motie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De discussie over het verschil tussen plukken en oogsten is Europees van aard. De minister zei zojuist dat het mondiaal ook speelt, maar voor China geldt dat in elk geval niet. De discussie wordt buiten Europa helemaal niet gevoerd. Het zekere voor het onzekere nemend – ik denk dat diervriendelijk oogsten onmogelijk is maar dat zal het onderzoek moeten uitwijzen – is er alles voor te zeggen om gewoon een importverbod in te stellen van dons dat afkomstig is van levend geplukte dieren van buiten de EU. Dan weten wij zeker dat dit soort dierenmishandeling niet in onze dekbedjes terechtkomt.

Minister Verburg:

Dat is nu juist weer niet mogelijk vanwege de WTO-regelgeving. Om die reden pleit Nederland er in Europees verband voor om de non-trade concerns in de WTO-onderhandelingen op te nemen. Daar zijn nog een paar stappen in te maken. Het is goed dat ik mij daarin gesteund weet door mevrouw Ouwehand.

De heer Graus (PVV):

Ik wil graag duidelijkheid hebben. De minister spreekt over oogsten en plukken. Ik begrijp daaruit dat de minister het oogsten niet als dieronvriendelijk beschouwt of heb ik dat verkeerd begrepen?

Minister Verburg:

Dat is niet zozeer mijn gezag. Europees en internationaal is vastgesteld dat er een verschil is tussen het plukken en het oogsten van ganzenveren. Ik beheers die kwaliteiten niet. Ik kan handmelken en anderen kunnen weer andere dingen. Ik ga ervan uit dat pijnloos oogsten inderdaad mogelijk is en dat dat in het kader van dierenwelzijn zorgvuldig wordt gehandhaafd.

De heer Graus (PVV):

Oogsten is wel degelijk dieronvriendelijk. Zolang niet kan worden aangetoond of een dier pijn heeft of niet, want een dier heeft niet de mimiek noch het verbale gedrag van een mens, verzoek ik de minister om alle dieronvriendelijke producten te weren. Dit zijn echt dieronvriendelijke producten.

Minister Verburg:

Ik heb er niets aan toe te voegen. Het onderscheid tussen de twee is vastgesteld en ik vind dat dat onderscheid gehandhaafd moet worden. Zowel de collega uit Hongarije als de Europees Commissaris heeft gezegd zich daartoe geroepen te voelen en zich daarvoor verantwoordelijk te voelen. Vanwege de dubbele toezegging ga ik er zonder meer van uit dat dit tot op de bodem wordt uitgezocht en dat er zorgvuldig zal worden gehandhaafd.

Ik kom te spreken over de motie-Snijder-Hazelhoff waarin de regering wordt verzocht om ervoor te zorgen dat investerende ondernemers uit 2007 en 2008 ook tot de restwaarde mogen afschrijven daar waar het gaat om investeringen in het kader van de Vamil-regeling en dit uiterlijk eind april te hebben vastgelegd. Ik wil hier helder over zijn. Ik heb vorige week al aangegeven dat ik bij de Europese Commissie geprobeerd heb om goedkeuring te verkrijgen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007. De commissie heeft aangegeven dat terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 niet is toegestaan en alleen investeringen die gedaan zijn na de goedkeuring door de Commissie in aanmerking komen voor de afschrijving tot de restwaarde. Alles overwegende betekent dit dat ik de aanneming van de motie ontraad. Ik heb een poging gedaan, maar die is niet gelukt. Ik voorspel u nu dat een dergelijke poging niet zal lukken en om die reden ontraad ik de aanneming van de motie.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):

In de motie vraag ik niet om terugwerkende kracht. Ik vraag om vanaf 1 januari 2009 voor de oude investeerders ook een oplossing te zoeken. In de motie van de heer Atsma wordt exact hetzelfde gevraagd.

Minister Verburg:

Dat lees ik er niet in, maar als u zegt dat het dictum van uw motie exact hetzelfde is als het dictum van de motie van de heer Atsma, heb ik goed nieuws voor zowel de heer Atsma als voor u en andere ondertekenaars, want die motie beschouw ik als een ondersteuning van het beleid. Ik heb vorige week aangegeven dat investeringen uit 2007 en 2008 vanaf 1 januari 2009 in aanmerking komen voor afschrijving tot de restwaarde. Verder heb ik aangegeven dat ik voor de periode 2007-2008 met een passende oplossing kom. Ik heb vorige week gezegd dat de staatssecretaris van Financiën en ik samen zullen bezien wat er mogelijk is om voor de betrokken groepen tot een oplossing te komen. Dit is een inspanningsverplichting. Wij zullen de Kamer daarover voor 1 april informeren. De staatssecretaris en ik zijn daar voluit mee bezig. Wij bezien alle mogelijke opties, waaronder die welke de heer Atsma in zijn motie heeft verwoord. Als u zegt dat u met uw motie en het dictum daarvan exact hetzelfde bedoelt, dan is ook uw motie ook in dat opzicht ondersteuning van het beleid.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):

Het is heel mooi om dat te horen, want het staat er echt, namelijk dat men ook vanaf 1 januari 2009 mag afschrijven tot de restwaarde. Het staat exact zo in het dictum. Ik ben overigens zeer verrast door de uitspraak van de minister dat zij voor 1 april nog met een brief zal komen. Wij leefden in de veronderstelling dat dit niet de bedoeling was van u en van de andere bewindspersoon die aanwezig was. Daarom heb ik in het dictum eind april geschreven. Maar als u zegt dat u nog veel sneller met een brief komt, is dat zeer verrassend.

Minister Verburg:

Wij doen altijd ons best, zoals u weet. U weet ook dat de regering met één mond spreekt, alleen het geluid is wel eens wat anders. Het hangt er bijvoorbeeld vanaf of het een mannen- of vrouwenstem is, maar wij spreken met één mond. Dit is wat ik vorige week namens de regering heb gezegd. Als ik het dictum van uw motie nog eens nader bekijk, zegt u wel degelijk iets anders dan de heer Atsma. U zegt dat nieuwe investeerders vanaf 1 januari 2009 wel tot de restwaarde kunnen afschrijven, terwijl de heer Atsma in zijn motie de regering verzoekt om alles daartoe in het werk te stellen. Dat is wat de heer Van der Vlies heel zorgvuldig het verschil heeft genoemd tussen een resultaatsverplichting en een inspanningsverplichting. De inspanningsverplichting hebben staatssecretaris De Jager en ik de Kamer toegezegd en wij zijn daar voluit mee bezig, behalve op de momenten dat ik in de Kamer mag zijn. Wij bezien of er mogelijkheden zijn en zo ja, welke. Wij gaan er echter niet vanuit dat er maar één oplossing is. Dat is wel een onderscheid tussen uw motie en die van de heer Atsma.

De heer Atsma (CDA):

Ik heb zelf nog een kleine nuance gezien. De motie die ik mede namens mijn collega Waalkens heb ingediend, laat wel de mogelijkheid open om de staatssteuntoets te omzeilen. Mocht mevrouw Kroes, of iemand anders, vanuit Brussel zeggen dat het absoluut niet kan omdat het staatssteun is, hebben wij met de motie van mevrouw Snijder echter een probleem. De minister heeft donderdag ook naar voren gebracht dat juist de staatssteuntoets een wezenlijk element is in de afweging die wij zouden moeten maken. Is dat nog relevant? Als dat niet zo is, staan wij inderdaad veel dichter bij elkaar dan wij zelf vermoedden.

Minister Verburg:

Natuurlijk speelt de vraag altijd mee of het de toets der criteria in Europa kan doorstaan. De terugwerkende kracht hebben wij Brussel al voorgelegd, die is dus niet mogelijk. Vervolgens heb ik vorige week al aangegeven dat wij bezien, of er mogelijkheden zijn – ik zeg dit met een streep onder "of" – en zo ja, welke mogelijkheden er zijn. Dat is dus voluit de inspanningsverplichting en niet een resultaatverplichting zoals mevrouw Snijder die in haar motie nadrukkelijk noemt.

Daarmee ben ik aan het einde van mijn beantwoording.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, over de ingediende moties volgende week te stemmen. Dat geeft overigens mevrouw Snijder en de heer Atsma nog de gelegenheid om te bezien of zij tot een gezamenlijke oplossing kunnen komen.

Daartoe wordt besloten.