Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 37, pagina 3288-3292

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 10 december 2008 over het geneesmiddelenbeleid.

De voorzitter:

Het is bekend, maar toch wijs ik de leden er nog even op dat het kerstregime wordt gehanteerd. Het is niet anders. Er mogen dus alleen moties ingediend worden.

De heer Van Gerven (SP):

Voorzitter. Dan zullen wij maar uitgaan van de kracht van de moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de apotheker primair een zorgverlener is;

constaterende dat apothekers voor hun bedrijfsvoering en inkomen mede afhankelijk zijn van kortingen en bonussen;

overwegende dat dit een situatie is die kan leiden Van Gerventot ongewenst koopmansgedrag;

constaterende dat de tariefvoorstellen van de Nederlandse Zorgautoriteit niet uitgaan van volledige kostendekkendheid;

verzoekt de regering, een kostendekkend tarief in te voeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 74(29477).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de beperking van de vergoeding van benzodiazepines tot vier indicaties aan discussie onderhevig is;

constaterende dat de minister de vergoeding van de indicatie "spasmen ten gevolge van neurologische aandoeningen" ter beoordeling wil voorleggen aan het College voor Zorgverzekeringen;

verzoekt de regering, de te vergoeden indicaties voor benzodiazepines bij chronische aandoeningen opnieuw te laten beoordelen door het College voor Zorgverzekeringen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 75(29477).

De heer Zijlstra (VVD):

Voorzitter. Ik dien één motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het preferentiebeleid heeft geleid tot een aanzienlijke daling van de medicijnprijzen;

constaterende dat klanten van zorgverzekeraars die een preferentiebeleid voeren geen financieel voordeel hebben in vergelijking tot klanten van zorgverzekeraars zonder een preferentiebeleid;

overwegende dat het voeren van een preferentiebeleid voor een zorgverzekeraar alleen interessant is als hij zijn klanten kan laten profiteren van het kostenvoordeel;

overwegende dat er veel druk op zorgverzekeraars wordt uitgeoefend om te stoppen met het preferentiebeleid;

verzoekt de regering, er zorg voor te dragen dat het voeren van een preferentiebeleid daadwerkelijk een financieel concurrentievoordeel oplevert voor een zorgverzekeraar en daarmee voor de klanten van die zorgverzekeraar,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Zijlstra, Van der Veen, Sap en Schermers. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 76(29477).

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het preferentiebeleid heeft geleid tot een aanzienlijke en gewenste daling van de medicijnprijzen en van de bonussen en kortingen van apothekers;

overwegende dat klanten van zorgverzekeraars die een preferentiebeleid voeren geen zekerheid hebben dat apotheekhoudenden de preferente middelen leveren en achteraf wellicht met extra kosten geconfronteerd worden;

overwegende dat het preferentiebeleid hierdoor onder druk staat, terwijl voortzetting en uitbreiding van het preferentiebeleid gewenst is om de overwinsten voor generieke geneesmiddelen af te romen en het voordeel bij de verzekerden terecht te laten komen;

verzoekt de regering, er zorg voor te dragen dat verzekerden daadwerkelijk preferente middelen geleverd krijgen en de Kamer vóór 1 februari 2009 te laten weten op welke wijze en wanneer dit wordt geregeld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Sap, Van der Veen en Zijlstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 77(29477).

De heer Van der Veen (PvdA):

Voorzitter. Ik dien een wat langere motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de ruimte die in het BKZ Van der Veenverwacht wordt door een lagere groei van geneesmiddelenuitgaven voor 2009 en volgende jaren, bij nota van wijziging op de begroting voor 2009 al voor een deel wordt gebruikt om een overschrijding van het BKZ door het niet uitvoeren van de invoering van een vermogens­inkomensbijtelling bij de vaststelling van de eigen bijdragen in de AWBZ op te vangen en dus gegarandeerd dient te worden;

overwegende dat het apothekerstarief van maximaal € 7,28 per recept dat de NZa voor 2009 heeft vastgesteld, is gebaseerd op de aanname dat er nog 300 mln. aan kortingen en bonussen bestaat en dat er een financiële veiligheidsmarge overblijft van€ 110.000 bovenop het norminkomen van € 103.000 van de apotheker;

overwegende dat in de ramingen van het ministerie van VWS gerekend wordt met een macrobedrag van 450 mln. tot 500 mln., dat overblijft aan kortingen en bonussen, in 2009 als het effect van het preferentiebeleid is meegerekend;

constaterende dat er dus van uitgegaan wordt dat er voor 2009 in ieder geval een overschot in de financiering van apotheken van minimaal 150 mln. tot 200 mln. aan kortingen en bonussen blijft bestaan, bovenop de veiligheidsmarge van € 110.000 per normapotheek;

overwegende dat het apothekerstarief in de praktijk als ongewenste bodem fungeert, omdat er geen objectieve toets- en meetbare criteria zijn op grond waarvan een tarief lager dan € 7,28 afgesproken kan worden en dat verzekeraars al contractaanbiedingen aan apotheekhoudenden hebben gedaan die niet gewijzigd kunnen worden;

overwegende dat de NZa komend voorjaar de effecten van het preferentiebeleid opnieuw zal bekijken, en dat de minister van VWS heeft aangegeven dat de bevindingen van de NZa en de mate waarin apothekers en zorgverzekeraars maatwerk overeenkomen in individuele afspraken, kunnen leiden tot een bijstelling van het tarief voor 2009;

overwegende dat de NZa eerder heeft aangegeven dat een tarief van € 6,61 en een veiligheidsmarge van € 65.000 voldoende is om de continuïteit van de farmaceutische zorg te garanderen;

verzoekt de regering, het tarief voor apotheekhoudenden per 1 januari 2009 op € 6,61 vast te leggen en zo nodig bij te stellen als het onderzoek van de NZa naar de effecten van het preferentiebeleid en de resultaten van de overeenkomsten tussen zorgverzekeraars en apotheekhoudenden daar aanleiding toe geven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Veen, Sap en Zijlstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 78(29477).

Een van mijn voorgangers, de heer Dolman, weigerde moties van meer dan 100 woorden ...

De heer Van der Veen (PvdA):

Maar het gaat om veel geld, voorzitter!

De voorzitter:

Dat maakte hem, geloof ik, allemaal niet uit.

Wij wachten even tot de minister beschikt over de teksten van de moties.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Klink:

Voorzitter. Laat ik per motie proberen binnen 50 tot 100 woorden te blijven.

De eerste motie van de heer Van Gerven, op stuk nr. 74, bevat het verzoek om een kostendekkend tarief in te voeren. Ten eerste – het is een formele opmerking – stelt de regering niet het tarief vast, dat doet uiteindelijk de NZa. Ten tweede willen wij af van de centraal gereguleerde tarieven. Dat moge duidelijk zijn uit de langetermijnvisie die wij hebben gegeven. Wij zijn wel bezig met de afbouw van kortingen en bonussen. Zoals ik tijdens het algemeen overleg ook heb aangegeven, betekent het introduceren van een kostendekkend tarief nog niet dat wij van kortingen en bonussen als zodanig af zijn. Het risico van stapelen is dan groot. Ik wil juist mikken op niet centraal gereguleerde tarieven en afbouw van kortingen en bonussen langs de weg van onderhandelingen, preferentiebeleid en andere zaken die op dit moment spelen. Ik ontraad dus aanvaarding van de motie.

In zijn tweede motie, op stuk nr. 75, verzoekt de heer Van Gerven de regering om de te vergoeden indicatie voor benzodiazepines bij chronische aandoeningen opnieuw te beoordelen. Tegen het licht van de ook tijdens het algemeen overleg geconstateerde problematiek van spasmen ten gevolge van neurologische aandoeningen ben ik bereid naar een en ander te kijken. Dat is inmiddels in gang gezet, maar ik zie geen noodzaak om op dit moment de hele beoordeling door het CVZ te laten overdoen, dan wel de invoering ervan te temporiseren.

De voorzitter:

Mijnheer Van Gerven, alleen als u het niet snapt.

De heer Van Gerven (SP):

Misschien heeft de minister de bedoeling van mijn motie niet helemaal door. Het gaat erom ...

De voorzitter:

U snapt mij toch wel?

De heer Van Gerven (SP):

Ja, maar ik ben via u in debat met de minister.

De voorzitter:

Dat ontgaat mij niet, maar de bedoeling is dat u alleen interrumpeert als u het commentaar van de minister niet begrijpt. Ik probeer het natuurlijk leuk te houden, maar wij hebben wel een kerstregime.

De heer Van Gerven (SP):

Ik probeer het gewoon helder te houden. De bedoeling van de motie, als ik mag, voorzitter ...

De voorzitter:

Ja, heel kort dan.

De heer Van Gerven (SP):

De bedoeling van de motie is om de vier chronische indicaties plus de spasmen op korte termijn te laten herbeoordelen, zodat wij niet weer een jaar verder zijn. Ik heb begrepen dat er naast spasmen nog andere indicaties in beeld zouden kunnen komen. Mijn verzoek is dus om die operatie op korte termijn te laten plaatsvinden en niet om een en ander verder te temporiseren.

Minister Klink:

Nee, dat begrijp ik. Over spasmen heb ik de heer Gerven een toezegging gedaan. Mochten er andere indicaties komen waarbij het evident onredelijk is dát..., dan zullen wij dat wel bezien. Op dit moment kijken wij naar de spasmen. Sterker nog, het is al in gang gezet. Daar zal de heer Van Gerven het voorlopig even mee moeten doen, maar hij kan hieruit wel aflezen dat wij niet blind zijn voor eventuele witte vlekken die zijn ontstaan.

De heer Van Gerven (SP):

Wanneer zou dat ingevoerd kunnen worden als blijkt dat het CVZ het een goede indicatie vindt? Is dat dan toch ook in 2009?

Minister Klink:

Als ik naar het ritme van beoordelingen kijk en vervolgens naar de pakketbeslissing, is dat 2009.

De voorzitter:

Mijnheer Van Gerven, trekt u uw motie nu in of houdt u haar aan?

De heer Van Gerven (SP):

Ik wil de motie toch gewoon in stemming laten brengen.

De voorzitter:

Zie je, het helpt helemaal niet. De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Klink:

De heren Zijlstra en Van der Veen, mevrouw Sap en mevrouw Schermers verzoeken de regering in de motie op stuk nr. 76 een zodanig beleid te voeren dat preventiebeleid daadwerkelijk tot een financieel concurrentievoordeel zal leiden. Tijdens het algemeen overleg gaf ik aan dat ik de strekking van een dergelijk verzoek sympathiek vind. Ik gaf ook aan dat ik niet van de structuur van het risicovereveningssysteem wil afwijken in die zin, dat het daar dient te gaan om verzekerdenkenmerken en daaraan toe te dichten risico's en eruit voortvloeiende kosten. Ik heb er ondertussen nog wel even goed naar gekeken. Wat wel zou kunnen, is dat je van bepaalde bedragen, kosten, risico's of schaden die rechtstreeks te relateren vallen aan geneesmiddelen, eventueel in een nacalculatie zegt dat je ze gaat verminderen, zodat de risicodragendheid toeneemt en degene die het preferentiebeleid inzet er daadwerkelijk voordeel bij heeft. Ik zei zo-even dat ik welwillend tegenover de strekking sta. Ik wil dan ook echt laten onderzoeken in hoeverre het kan bij het risicovereveningssysteem. Dat zal ik laten doen met een positieve intentie. Als het gevraagde kan, zal ik het daadwerkelijk implementeren.

Het tweede punt in dit verband hangt samen met de motie van mevrouw Sap. Er wordt in algemene zin gevraagd of een financieel concurrentievoordeel aan het preferentiebeleid is te ontlenen. Daarbij gaat het ook om de vraag in hoeverre een apotheker verzekerde zorg dient te verstrekken als een polis is afgesloten waarmee verzekerde en verzekeraar zijn overeengekomen dat onder de geldende condities de verzekerde de zorg ontvangt. Ik heb gezegd welwillend tegenover deze motie te staan. Ik wil nagaan in hoeverre het gevraagde kan op grond van de Wet cliënt en kwaliteit van zorg en of het leveren van zorg daadwerkelijk kan worden geborgd. Ik wil hierbij wel zorgvuldig tewerk gaan. Tijdens het algemeen overleg heb ik al gemeld dat de contracteervrijheid van verzekeraar en de zorgaanbieder hierbij in aanmerking moet worden genomen. Ik wil echter met name kunnen inschatten in hoeverre niet te veel marktmacht ontstaat vanwege een mogelijk keten- of domino-effect van apothekers die aan het preferentiebeleid geen boodschap hebben en die niet de geneesmiddelen leveren op grond van de geldende condities. Ik hoop dat de leden hieruit afleiden dat ik in elk geval aandacht wil besteden aan het risicovereveningssysteem en het punt van het leveren van verzekerde zorg. Hiermee heb ik beide moties van mijn sympathie voorzien. Desalniettemin vind ik het goed het oordeel hierover aan de Kamer te laten. Dat is mijn goed gebruik. Op deze manier kan de Kamer haar eigen oordeel over het traject uitspreken.

Dan kom ik toe aan de motie van de heer Van der Veen van meer dan honderd woorden. Hij doet met de motie het verzoek om het tarief voor apotheekhoudenden per 1 januari 2009 op € 6,61 vast te leggen en zo nodig bij te stellen als onderzoek van de NZa naar effecten van het preferentiebeleid en resultaten van overeenkomsten zorgverzekeraars en apotheekhoudenden daar aanleiding toe geven. Laat ik er geen geheim van maken: de motie spreekt mij in die zin aan dat ik heb zitten aanhikken tegen die € 110.000 die als overwinst via dit generieke tarief toevalt aan de apothekers. Dit is de overwinst die aan alle apothekers toevalt, ook aan degenen die een toereikend inkomen hebben als gevolg van kortingen, bonussen en de receptregelvergoeding.

Tegelijkertijd moet ik constateren dat de NZa de tariefautoriteit in de zorgsector is, zoals ik al zei in de richting van de heer Van Gerven. Gisteren heb ik met een schriftelijk antwoord op de vragen van de heer Van der Veen aangegeven dat ik in het voorjaar de NZa naar dit punt wil laten kijken, mede vanwege het feit dat dit voor de verzekeraars een aansporing is om maatwerk aan apotheekhoudenden te leveren. Hierbij denk ik aan apotheekhoudenden die onder andere vanwege Klinkhet preferentiebeleid in de problemen komen. Als dat maatwerk geleverd wordt, hoeft er natuurlijk niet generiek nog maatwerk geleverd te worden. Die dubbelslag wil ik in ieder geval voor het voorjaar uitdrukkelijk in gedachten houden. De NZa wil ik dit onder de aandacht brengen.

Met de motie wordt verzocht om per 1 januari het tarief op € 6,61 vast te stellen. Zo-even gaf ik aan dat dat juridisch lastig is, omdat de NZa de tarievenautoriteit is en bevoegd is om een en ander vast te stellen. Ik zal slechts algemene aanwijzingen aan de NZa geven. 1 januari is trouwens heel kort dag, dus die datum halen wordt heel moeilijk. Desalniettemin ga ik goed na, mede naar aanleiding van deze motie, wat nu precies de bevoegdheden van de Zorgautoriteit en die van mijzelf hierbij zijn. Daaruit mogen de leden afleiden dat ik die € 110.000 generiek ook wel een fors bedrag vind waarmee veel middelen gemoeid zijn. Dat wordt met deze motie onderstreept. Desalniettemin zijn de rolverhoudingen dusdanig dat de NZa over de tariefbeslissingen gaat. Ik zal nog eens bezien wat mijn eigen rol is. Misschien kunnen de verzekeraars daadwerkelijk tot maatwerk komen. Dat hadden zij de afgelopen jaren kunnen doen en zeker het afgelopen jaar in de wetenschap dat dit punt zou gaan spelen. Laten wij desalniettemin hopen dat men dit nu oppakt. Naarmate dat proces vordert, zijn generieke maatregelen minder noodzakelijk.

De heer Van der Veen (PvdA):

Voorzitter. Laat de minister het oordeel over deze motie aan de Kamer?

Minister Klink:

Dan moet ik er wel de kanttekening bij maken dat de datum van 1 januari 2009 simpelweg niet kan. Dat is een onmogelijke datum. Verder wijs ik erop dat een motie mij kan oproepen om iets te doen dat kan met inachtneming van de reikwijdte van mijn bevoegdheden. Het idee achter deze motie spreekt mij aan. Dat brengt mij in een spagaat. De datum van 1 januari is niet haalbaar. Mijn bevoegdheden strekken wellicht ook niet zover dat ik de motie kan uitvoeren. Tegelijk snap ik zeker de strekking van de motie en voel ik voor een groot deel met de heer Van der Veen mee. Dat maakt mijn situatie zo lastig.

De heer Van der Veen (PvdA):

Kan ik u helpen met het aanpassen van de datum?

Minister Klink:

Ja, want dan ga ik nog eens goed na wat mijn eigen bevoegdheden zijn en die van de NZa. Het oordeel laat ik dan aan de Kamer, maar met inachtneming van de reikwijdte van mijn bevoegdheden. Dat moge duidelijk zijn.

De voorzitter:

Dan zien wij wellicht een gewijzigde motie tegemoet. Dat merken wij vanzelf.

De beraadslaging wordt gesloten.