Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-2006nr. 69, pagina 4358-4360

Vragen van het lid Dittrich aan de minister van Justitie over het bericht dat slechts 15% van alle slachtoffers een beroep doet op het door de overheid ingestelde Schadefonds Geweldsmisdrijven.

De heer Dittrich (D66):

Voorzitter. In 1976 werd het Schadefonds Geweldsmisdrijven opgericht met de bedoeling om slachtoffers van geweldsmisdrijven financieel te hulp te komen. Te denken valt aan de winkelier die is overvallen of de vrouw die thuis in elkaar is geslagen of de man die door voetbalhooligans is gepakt of de homo die met zijn vriend op straat is aangevallen. Het zijn allemaal voorbeelden uit de jaarverslagen. Dit soort slachtoffers van geweldsmisdrijven kan geld van het fonds krijgen als men de schade niet op een andere manier vergoed kan krijgen. Gisteren trad het Schadefonds Geweldsmisdrijven met de jaarcijfers over 2005 naar buiten. En wat blijkt? Maar 15% van het aantal slachtoffers dat voor een uitkering in aanmerking zou kunnen komen, doet een aanvraag bij het fonds. Terwijl wij uit allerlei onderzoeken weten dat het juist slachtoffers van geweldsmisdrijven zijn die pijn, verdriet en schade lijden. Als zij die schade niet vergoed kunnen krijgen, verliezen zij hun vertrouwen in de rechtsstaat. Waarom zijn er zo weinig claims? De directeur sprak op de televisie over de communicatie die moest verbeteren. Daarnaast zei hij dat het fonds de laatste jaren te veel op de eigen stoel is blijven zitten en te veel naar binnen is gekeerd.

Wanneer mensen geen huurtoeslag vragen terwijl zij daar recht op hebben, komen wij in het geweer. Als mensen geen gebruikmaken van de regelingen van de bijzondere bijstand, gaan wij allerlei strategieën bedenken om mensen datgene te geven waar zij recht op hebben. Van de minister van Justitie hoor ik graag wat volgens hem de oorzaken zijn dat zo weinig slachtoffers van een geweldsmisdrijf een uitkering bij het fonds vragen. Wat gaat hij doen om mensen die er recht op hebben, ertoe te bewegen dat zij de aanvraag doen?

Minister Donner:

Mijnheer de voorzitter. De heer Dittrich spreekt van 15%. Ik weet niet precies waar dat cijfer vandaan komt. Er wordt wel eens het beeld opgeroepen dat er in Nederland 100.000 slachtoffers van geweldsmisdrijven zijn. De facto beperkt de regeling van het schadefonds de toegang tot de slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven. Volgens de rapportage gaat het om tussen de 20.000 en 30.000 personen per jaar. In het afgelopen jaar hebben 6000 mensen een beroep op het schadefonds gedaan. Over de afgelopen drie, vier jaar gerekend, is dat bijna een verdubbeling. In 2001 deden 3500 mensen een beroep op het schadefonds. Daarbij speelt een rol dat, anders dan de regelingen die de heer Dittrich heeft genoemd en waarvan wordt geconstateerd dat daarop niet in voldoende mate een beroep wordt gedaan, het Schadefonds Geweldsmisdrijven vanaf het begin duidelijk als vangnet is bedoeld. Het is daarom op geen enkele manier mogelijk om na te trekken dat die 20.000 tot 30.000 personen zijn aangewezen op een vangnet. Het schadefonds vergoedt immers als de schade niet op een andere wijze is verzekerd. Gezien het niveau van de verzekeringen in Nederland, is het niet onwaarschijnlijk dat een groot aantal mensen de schade bij verzekeringsmaatschappijen kan verhalen. Ik was mij ervan bewust dat de mogelijkheid bestond dat er onvoldoende aandacht is voor het doen van een beroep op het schadefonds. Tussen het schadefonds en Slachtofferhulp Nederland wordt dan ook steeds nauwer samengewerkt. Ook het internet en brochures worden gebruikt om slachtoffers op de mogelijkheden van het schadefonds te wijzen. Aangezien de politie steeds meer een koppeling legt tussen de aangifte van ernstige misdrijven en Slachtofferhulp Nederland, wordt het net zo goed mogelijk gesloten. Dat neemt niet weg dat het schadefonds een vangnet is en blijft en dat van het aantal ernstige geweldsmisdrijven daarom niet kan worden afgeleid of daarop in onvoldoende mate een beroep wordt gedaan.

De heer Dittrich (D66):

Minister Donner heeft mij gevraagd waar ik de door mij aangehaalde cijfers vandaan haal. In het NOS-journaal is de heer Zuur van het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan het woord geweest en hij heeft die cijfers genoemd. Interessant is dat in september 2001 een uitgebreid debat met minister Korthals is gevoerd over het feit dat er een onderbenutting was aan aanvragen op grond van deze vangnetregeling. Vervolgens zijn er allerlei verbetervoorstellen gedaan. Er is onder andere gezegd dat de politie en Slachtofferhulp Nederland meer moeten doorverwijzen Ook de website werd genoemd, evenals andere zaken die de minister zojuist weer heeft aangehaald.

Twee maanden geleden heb ik dit dossier weer ter hand genomen en geconstateerd dat er verdraaid weinig is veranderd. Er zijn weliswaar iets meer schadeclaims ingediend, maar verreweg het grootste deel van de mensen dat gebruik van het fonds zou kunnen maken, doet dat niet. Ik doel op slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven. Naar mijn oordeel is er iets meer nodig dan het opsommen van het lijstje dat in 2001 door de voorganger van de minister aan de Kamer is voorgehouden. Als bekend is dat mensen hun schade niet op een andere manier kunnen verhalen en dat zij als gevolg daarvan het vertrouwen in de rechtsstaat verliezen, moeten wij er alles aan doen om de mogelijkheden die er zijn bij hen onder de aandacht te brengen. Kennelijk is het onvoldoende om steeds te herhalen dat er een website is en dat er wordt doorverwezen. Ik hecht eraan om de urgentie uit het antwoord van de minister op te maken. Ik kan mij voorstellen dat de minister gaat zeggen dat er nu een regeling is getroffen met het doel dat slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven een advocaat toegevoegd kunnen krijgen. Het lijkt mij goed dat ook die advocaat, die voor ongeveer 3,5 uur rechtshulp wordt toegevoegd, op de mogelijkheden van het fonds wijst. Kan de minister iets meer van zijn plan van aanpak op dit terrein naar voren brengen?

Minister Donner:

In relatie tot de cijfers beroep ik mij op het rapport waaruit blijkt dat het gaat om 20.000 tot 30.000 potentiële slachtoffers. Het is een regeling die bedoeld is als vangnet, dus ik mag ervan uitgaan dat niet de meerderheid is aangewezen op het schadefonds. Het is niet juist dat het aantal personen dat een beroep doet op dat fonds, hetzelfde is gebleven. Ik herhaal dat er in 2001 sprake was van 3500 aanvragen en dat er nu 6000 aanvragen worden gedaan. Er is dus nagenoeg sprake van een verdubbeling.

De heer Dittrich (D66):

Ja, maar het aantal geweldsmisdrijven is ook enorm toegenomen.

Minister Donner:

Ja, maar de aantallen die ik heb genoemd, zijn juist. Het is niet uitgesloten dat er mensen zijn die gebruik kunnen maken van die regeling maar die dat desondanks niet doen. De door de heer Dittrich genoemde aantallen zijn echter niet juist. Het is toch niet mijn taak om advocaten te wijzen op een mogelijkheid die met een brochure is te regelen als er een slachtoffer komt? De overheid geeft hier al op allerlei manieren ruchtbaarheid aan en probeert zo de slachtofferhulp te versterken. Het beeld dat er een veel groter aantal mensen een beroep zou kunnen doen op het schadefonds dan thans gebeurt, strookt echter niet met de informatie die nu beschikbaar is.

De heer Dittrich (D66):

Ik heb sterk de indruk dat de minister probeert weg te redeneren dat er een enorme onderbenutting is. Wij kunnen erover gaan twisten of het om 20.000 of 30.000 zaken gaat, maar feit is dat wij hier met z'n allen een regeling hebben afgesproken. Op grond daarvan kunnen mensen die hun schade niet op een andere manier vergoed krijgen, zich tot het schadefonds wenden. Daar wordt echter onvoldoende gebruik van gemaakt; dat zegt zelfs de directeur van dat fonds. Mijn vraag aan de minister is dan ook hoe wij er zeker van kunnen zijn dat mensen die daar recht op hebben, het komende jaar gebruikmaken van de vangnetregeling die wij voor hen hebben opgesteld.

Minister Donner:

Ik probeer niets weg te redeneren. Ik heb zelf net aangegeven dat ik het niet uitgesloten acht dat er sprake is van een zekere onderbenutting. Het blijft echter een vangnetregeling. Als er te vaak in het vangnet gevallen wordt, dan wordt er gekeken naar de oorzaak van het probleem. Dan komt de vraag aan de orde of iets voldoende verhaalbaar is. Het is echter niet zo dat iedereen die slachtoffer is van een misdrijf waar ernstig geweld bij gebruikt is, de schade via het schadefonds vergoed moet krijgen. Het is juist beter als dat niet zo is. Ik heb al aangegeven wat op dit terrein in redelijkheid van de overheid verwacht mag worden, namelijk dat zij het bestaan van het schadefonds propageert voor die mensen die het slachtoffer zijn van een ernstig geweldsmisdrijf. Welnu, dat heeft de overheid ook gedaan. Ik zie op dit moment geen andere goede manieren voor meer propaganda, want het gaat in de eerste plaats om voorlichting van de slachtoffers. Daarom denk ik dat de heer Dittrich aan de hand van een aantal cijfers een probleem aan het definiëren is, terwijl onvoldoende duidelijk is wat de omvang daarvan is.

De voorzitter:

Mijnheer Dittrich, u bent inmiddels toe aan de vierde ronde. Misschien rekenen wij ons beiden een beetje rijk, omdat er zich nog niemand heeft gemeld om een aanvullende vraag te stellen. Dit moet echter wel uw laatste vraag zijn.

De heer Dittrich (D66):

Mijn laatste opmerking is dat de directeur van het schadefonds zelf zegt dat er sprake is van onderbenutting en dat daaraan gewerkt moet worden. De administratie van het schadefonds wordt trouwens gedaan door ambtenaren van de minister, want de claims worden daar ingediend. De argumenten die inzake de onderbenutting worden aangedragen, zijn dezelfde als de argumenten die wij in de Kamer in 2001 met de voorganger van de minister hebben besproken. Ik constateer dat het aantal ernstige geweldsmisdrijven is toegenomen en dat het aantal aanvragen voor de vangnetregeling weliswaar ook enigszins is toegenomen, maar dat de onderbenutting nog steeds een feit is. En daar moeten wij vanaf. Er moet met urgentie een plan van aanpak komen, opdat er aan het eind van het jaar door degenen die daar recht op hebben, veel meer aanvragen worden ingediend bij het schadefonds. Ik hoor hier geen concrete reactie op van de minister.

Minister Donner:

Ik herhaal dat de cijfers, zoals zij er liggen, een stijging van bijna 100% aangeven ten opzichte van 2001. Ongetwijfeld is het aantal ernstige geweldsmisdrijven ook toegenomen. Om de mogelijkheden van het schadefonds beter onder de aandacht te brengen, zal de weg bewandeld moeten worden die al bewandeld wordt. Ik doel dan op de samenwerking tussen het schadefonds en Slachtofferhulp. Slachtofferhulp is de instantie die in aanraking komt met de verschillende slachtoffers. Derhalve is dat de weg die wordt bewandeld. Ook zijn er brochures. Aangezien de instantie die constateert dat er meer aan gedaan zou moeten worden, ook de instantie is die daar zelf in de eerste plaats iets aan kan doen, is het de vraag of het departement weer een heleboel in gang moet zetten, zeker omdat niet duidelijk is dat daar behoefte aan bestaat. Er is gewoon geconstateerd dat er sprake is van onderbenutting. Ik ben bang dat er op dit soort terreinen altijd sprake zal zijn van onderbenutting. De directeur van het fonds kan wel van oordeel zijn dat er sprake is van substantiële onderbenutting, maar hij heeft de middelen in handen om daar een antwoord op te geven.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Voorzitter. Het lijkt mij heel goed dat deze relatief nieuwe directeur aandacht vraagt voor zijn fonds en werkt aan de bekendheid ervan. De minister zegt nu eigenlijk dat het beroep op het fonds is toegenomen en dat ook het bedrag dat is uitgekeerd in de loop van de tijd is gestegen. Uit het jaarverslag van het fonds blijkt echter dat er heel veel aanvragen worden afgewezen. Een van de belangrijkste redenen voor afwijzing is de eis dat er sprake is ernstig letsel. Zijn wellicht de voorwaarden die het fonds hanteert erg streng? Is dit wellicht de reden, in plaats van de onbekendheid, dat er weinig beroep op het fonds wordt gedaan?

Minister Donner:

Voorzitter. Ik zeg nogmaals dat ik daar geen antwoord op kan geven omdat ik geen inzicht heb in de dossiers. Echter, als hetgeen waarop mevrouw Joldersma doelt het geval zou zijn, is er in ieder geval geen sprake van onderbenutting, want dan gaat het om gevallen die geen aanspraak kunnen maken.