Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2013-2014
Kamerstuk 33930-XVI nr. 1

Gepubliceerd op 21 mei 2014



33 930 XVI Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2013

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT (XVI)

Aangeboden 21 mei 2014

Gerealiseerde uitgaven van het departement verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1.000)

Gerealiseerde uitgaven van het departement verdeeld over               beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1.000)

Gerealiseerde ontvangsten van het departement verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1.000)

Gerealiseerde ontvangsten van het departement verdeeld over               beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1.000)

INHOUDSOPGAVE

     

Blz.

       

A.

Algemeen

7

 

Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

7

 

Leeswijzer

11

       

B.

Beleidsverslag

13

 

Beleidsprioriteiten

13

 

Beleidsartikelen

27

 

Beleidsartikel 1 Volksgezondheid

27

 

Beleidsartikel 2 Curatieve zorg

40

 

Beleidsartikel 3 Maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg

50

 

Beleidsartikel 4 Zorgbreed beleid

63

 

Beleidsartikel 5 Jeugd

72

 

Beleidsartikel 6 Sport en bewegen

79

 

Beleidsartikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II

87

 

Beleidsartikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

93

 

Niet-beleidsartikelen

98

 

Niet-beleidsartikel 9 Algemeen

98

 

Niet-beleidsartikel 10 Apparaatsuitgaven

101

 

Niet-beleidsartikel 11 Nominaal en onvoorzien

105

 

Bedrijfsvoeringsparagraaf

107

       

C.

Jaarrekening

111

 

Departementale verantwoordingsstaat

111

 

Samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen

112

 

Jaarverantwoording agentschappen per 31 december 2013

113

 

Saldibalans

143

       

D.

Financieel Beeld Zorg

156

       

E.

Bijlagen

221

 

Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

221

 

Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

227

 

Externe inhuur

229

 

Lijst van gebruikte afkortingen

231

 

Trefwoordenregister

236

A. ALGEMEEN

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENGING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) over het jaar 2013 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport decharge te verlenen over het in het jaar 2013 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel en materieelbeheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel Jaarverslag van het Rijk over 2013;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel Jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel Jaarverslag van het Rijk over 2013 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2013, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2013 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van:

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring doorgezonden aan de Minister van Financiën.

LEESWIJZER

1. Indeling jaarverslag

Voor u ligt het departementale jaarverslag 2013 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Het onderdeel Algemeen omvat het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer.

Het beleidsverslag is opgebouwd uit vier onderdelen:

  • De beleidsprioriteiten. Deze paragraaf gaat in op de belangrijkste resultaten van het Ministerie van VWS over het afgelopen jaar. Het gaat om de hoofdlijnen van het beleid en de beleidsprioriteiten van het huidige kabinet en bewindspersonen.

  • De beleidsartikelen. Hierin wordt per artikel de algemene doelstelling vermeld en wat de rol en verantwoordelijkheden zijn van de Minister. Daarnaast bevat elk beleidsartikel beleidsconclusies waarin een oordeel wordt gegeven over de uitvoering van beleid in het afgelopen jaar. Ten slotte wordt de budgettaire tabel vermeld inclusief een toelichting op de belangrijkste bestedingen van middelen en op de opmerkelijke verschillen tussen de gerealiseerde en begrote uitgaven en ontvangsten.

  • De niet-beleidsartikelen. De artikelen bestaan uit een budgettaire tabel en een toelichting op de opmerkelijke verschillen tussen de gerealiseerde en begrote uitgaven en ontvangsten.

  • De bedrijfsvoeringsparagraaf geeft informatie op het gebied van rechtmatigheid, totstandkoming beleidsinformatie, financieel en materieelbeheer en overige aspecten van de bedrijfsvoering.

De jaarrekening is opgebouwd uit de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen, de jaarverantwoordingen van de agentschappen en de saldibalans.

Vervolgens wordt het Financieel Beeld Zorg (FBZ) gepresenteerd. Het FBZ geeft een integraal beeld van de ontwikkeling van de uitgaven en ontvangsten onder het Budgettair Kader Zorg (BKZ).

Tot slot bevat het jaarverslag een aantal bijlagen, te weten de toezichtrelaties op de Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s), afgerond evaluatie- en overig onderzoek, externe inhuur, de publicatieplicht in het kader van de Wet Normering Topinkomens, de lijst met gebruikte afkortingen en het trefwoordenregister.

2. Groeiparagraaf

In de groeiparagraaf wordt aangegeven wat de belangrijkste verbeteringen in het jaarverslag zijn ten opzichte van vorig jaar:

  • Op 20 april 2011 is de Tweede Kamer akkoord gegaan met een aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» (TK 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de Minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien.

  • De begroting 2013 is geheel volgens de systematiek van Verantwoord Begroten opgesteld. Dit jaarverslag is vervolgens ook vormgegeven conform de voorschriften van Verantwoord Begroten. Deze nieuwe indeling heeft er voor gezorgd dat de historische realisatiecijfers (t-1 t/m t-4) niet volledig gereconstrueerd konden worden. Daarom zijn alleen de realisatiecijfers voor jaar t-1 op artikelniveau vermeld.

  • De beleidsartikelen Langdurige zorg en Maatschappelijke ondersteuning zijn samengevoegd tot één artikel, te weten artikel 3 Maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg. Daarnaast zijn er twee nieuwe beleidsartikelen geïntroduceerd, artikel 4 Zorgbreed beleid en artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten. Ook de nummering van de (niet-)beleidsartikelen is gewijzigd: 1 t/m 11 in plaats van 41 t/m 47 en 97 t/m 99.

  • Artikel 4 Zorgbreed beleid bevat onderwerpen die betrekking hebben op diverse beleidsterreinen van VWS, zoals arbeidsmarktbeleid, de beheerskosten van de zorgbrede ZBO’s en RWT’s, de instrumenten met betrekking tot het versterken van de positie van de cliënt, kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling en zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland.

  • Op het nieuwe artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten worden de zorgtoeslag, Wtcg en de uitgaven in het kader van de fiscale regeling tegemoetkoming specifieke zorguitgaven verantwoord.

  • In artikel 10 zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement uitgesplitst in Personeel en Materieel. De personele uitgaven zijn verder uitgesplitst naar eigen personeel, inhuur externen en postactieven. De materiële uitgaven zijn verder uitgesplitst naar uitgaven ICT, bijdrage SSO’s en Overig materieel. Met ingang van de begroting 2014 zijn ook de apparaatsuitgaven van de inspecties, het SCP en de adviesraden van VWS nader uitgesplitst. In dit jaarverslag is dat nog niet het geval.

3. Norm toelichting verschillen tussen budgettaire raming en realisatie

In de beleidsartikelen zijn de verschillen tussen de budgettaire raming en de realisatie in het verslagjaar toegelicht met als norm:

  • Het verschil groter of gelijk is aan € 3 miljoen.

  • Als het verschil tussen de € 1 miljoen en € 3 miljoen ligt en dit verschil 3% of meer is van de stand vastgestelde begroting.

  • Als het verschil kleiner dan € 1 miljoen is, maar het onderdeel van beleidsmatig of politiek belang is.

B. BELEIDSVERSLAG

BELEIDSPRIORITEITEN

1. Inleiding

De zorg is maatschappelijk van groot belang. Iedere Nederlander moet kunnen rekenen op kwalitatief goede zorg tegen een betaalbare prijs. In dat licht is het goed dat ons land opnieuw de eerste plaats inneemt in de afgelopen najaar gepubliceerde Euro Health Consumer Index. Nederland wordt met name geroemd om de goede toegankelijkheid van zorg. Daar kunnen we trots op zijn. Maar de kwaliteit van onze zorg is niet vanzelfsprekend en ook geen statisch gegeven. Maatschappelijke en demografische ontwikkelingen, net als nieuwe technologische mogelijkheden en behandelmethoden vragen om een duurzame hervorming van de zorg.

Het kabinet heeft met het regeerakkoord Bruggen slaan de verantwoordelijkheid genomen door op een aantal sleuteldossiers door te pakken en de noodzakelijke hervormingen ook daadwerkelijk mogelijk te maken. Wij, de Minister en Staatssecretaris van VWS, hebben in onze gezamenlijke strategische beleidsagenda Van systemen naar mensen van begin 2013 (TK 32 620, nr. 78) verder richting gegeven aan de contouren uit het regeerakkoord. In de agenda werken we aan hervormingen in de zorg waarmee de omslag gemaakt kan worden van het denken in systemen naar het denken vanuit mensen. Er zijn niet alleen grote verschillen tussen mensen in termen van gezondheid, maar ook in hun sociale omgeving en in de mate waarin zij in staat zijn zelf hun leven in te richten. Hoewel mensen van elkaar verschillen en behoefte hebben aan verschillende zorg, krijgen mensen in ongelijke situaties nog te vaak een uniforme behandeling. Door meer in te zetten op wat iemand nodig heeft, ontstaat zorg op maat.

Daarnaast bevat de strategische beleidsagenda maatregelen die ingrijpen in de groei van de zorguitgaven. In de afgelopen periode is de groei van deze uitgaven al aanzienlijk afgeremd. Het jaar 2013 was in dat opzicht een bijzonder jaar: voor het eerst in lange tijd bleven de zorguitgaven binnen de bestaande budgettaire kaders en liet de Miljoenennota 2014 een meerjarige onderschrijding zien. De aanhoudende financiële crisis heeft er echter voor gezorgd dat het kabinet genoodzaakt was de schatkist verder op orde te brengen. De zorg heeft hieraan een forse bijdrage geleverd; met partijen in de zorg zijn het afgelopen jaar akkoorden gesloten en nieuwe meerjarenafspraken gemaakt die de groei van de uitgaven verder beperken. In het voorjaar van 2013 zijn met verschillende werkgevers- en werknemersorganisaties afspraken gemaakt over loonmatiging in ruil voor investeringen in kwaliteit en werkgelegenheid. In de zomer van 2013 is in de curatieve zorg met ziekenhuizen, medisch specialisten, de ggz, huisartsen, zorgverzekeraars en patiëntenorganisaties overeengekomen de reeds bestaande hoofdlijnenakkoorden verder uit te diepen en te verlengen. Alle betrokken partijen hebben daarmee getoond verantwoordelijkheid te nemen om samen een duurzamer zorgstelsel te ontwikkelen.

Binnen het stelsel van de curatieve zorg krijgen de actoren ook steeds meer mogelijkheden om hun rol goed in te vullen en bij te dragen aan de betaalbaarheid en kwaliteit. De combinatie van meerjarenafspraken over uitgavenbeheersing, kwaliteit en doelmatigheid en de vergroting van risicodragendheid van zorgverzekeraars heeft geleid tot een daling van de groei van de uitgaven voor de curatieve zorg. De betere beheersing en beperking van de groei van de zorguitgaven hebben mede mogelijk gemaakt dat de nominale premie in 2013 is gestabiliseerd en in 2014 fors is gedaald.

De afspraken uit het regeerakkoord in het kader van de langdurige zorg en ondersteuning zijn het afgelopen jaar verder uitgewerkt. Na intensieve consultatie met het zorgveld, gemeenten, werkgevers en werknemers en deskundigen ligt er een verantwoord pakket aan maatregelen. Hiermee faciliteren we de overgang naar het nieuwe stelsel optimaal. Door de meer evenwichtige spreiding van maatregelen is het maatschappelijk draagvlak toegenomen en is de basis gelegd voor een verantwoorde hervorming richting de nabije toekomst. Kern daarin blijft een langdurige zorg die dicht bij mensen is georganiseerd en meer rekening houdt met wat mensen zelf willen en kunnen.

Wij werken intensief samen om de strategische agenda vorm te geven en de aansluiting tussen curatieve en langdurige zorg en ondersteuning te versterken. Hierbij is een aantal zorgbrede thema’s geformuleerd. In 2013 zijn vanuit een sectoroverstijgende aanpak slagvaardige taskforces ingesteld voor de thema’s fraude, verspilling en patiëntveiligheid. Deze moeten niet alleen bijdragen aan kwaliteitsverbetering, maar zeker ook aan betaalbaarheid.

In de regel is het beleidsverslag een spiegel van de beleidsagenda voor datzelfde jaar. Gelet op de demissionaire status van het kabinet dat de begroting voor 2013 opstelde en het beleidsarme karakter van de agenda van het afgelopen jaar, is er in dit verslag voor gekozen de opzet van de strategische agenda zo veel mogelijk te volgen. Daarnaast wordt een toelichting gegeven op de akkoorden die het afgelopen jaar zijn gesloten. In het kader van de verbetering van de verantwoording is afgesproken om focusonderwerpen te benoemen. Om die reden krijgen in dit verslag fraude en decentralisatie extra aandacht (TK 31 865, nr. 55).

2. Gezamenlijke projecten

a. Geld voor zorg besteden aan zorg

Fraude in de zorg is onacceptabel en moet hard worden aangepakt. In maart 2013 heeft het Ministerie van VWS een convenant gesloten met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW), de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), de Belastingdienst, het Openbaar Ministerie en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Met het convenant is ook de Taskforce Integriteit Zorgsector een feit. Het doel van het samenwerkingsverband is het versterken van de integriteit van de zorgsector door samenwerking tussen de convenantpartners te stimuleren, te coördineren en te vergroten door het uitwisselen van informatie en het uitwisselen van kennis, inzicht en vaardigheden (TK 28 828, nr. 50).

De NZa heeft in 2013 onderzoek gedaan naar de fraudegevoelige aspecten in ons zorgsysteem. Het gaat daarbij om het aanpakken van oneigenlijk gebruik en het voorkomen en herstellen van fouten, met name bij declaraties. In haar eerste tussenrapportage van het najaar van 2013, heeft zij per zorgonderdeel de risico’s voor fraude in kaart gebracht (TK 28 828, nr. 54). De NZa adviseert zorgverzekeraars hun controlesystemen te verbeteren en meer aandacht te besteden aan opsporing van fraude. Medio 2014 zal de NZa de definitieve resultaten van het onderzoek naar de omvang van fraude aanleveren.

In de VWS-begroting zijn extra middelen uitgetrokken om het toezicht en de opsporing van zorgfraude te versterken. Deze middelen zullen onder andere gebruikt worden om het toezicht van de NZa te intensiveren en de opsporingstaak van de Inspectie SZW in de zorg uit te breiden. In 2013 en 2014 worden 30.000 huisbezoeken bij pgb-houders afgelegd. Ook is een Expertisecentrum Zorgfraude Bestrijding (EZB) opgericht en wordt er bij nieuwe wetgeving en aanpassing van bekostigingssystemen vooraf een fraudetoets uitgevoerd. Voor de Wet langdurige zorg (Wlz) en de invoering van de Generalistische Basis GGZ heeft al een fraudetoets plaatsgevonden.

Een inzichtelijke zorgnota stelt verzekerden/patiënten in staat declaraties te controleren op mogelijke onjuistheden en hen inzicht te bieden in de gemaakte zorgkosten. Het is één van de maatregelen die wordt ingezet om fraude en oneigenlijk gebruik van zorg aan te pakken.

In de curatieve zorg maken ziekenhuizen duidelijke afspraken over de kaders waarbinnen de externe adviesbureaus kunnen ondersteunen bij het realiseren van een correct declaratieproces, kijken zorgverzekeraars naar financiële prikkels die de juistheid van declaraties kunnen bevorderen en zal er in de opleiding van medisch specialisten meer aandacht komen voor kostenbewustzijn. Ook zal een flinke slag worden gemaakt in het eenduidig maken van declaratienormen. In de ggz zijn op de factuur gegevens opgenomen over o.a. hoofdbehandelaarschap, verwijzer en bestede tijd waardoor zorgverzekeraars beter in staat zijn de juistheid van de factuur te controleren. Om upcoding in de langdurige zorg tegen te gaan zal het CIZ alle aangekondigde maatregelen per 1 januari 2014 laten ingaan: het CIZ zal meer indicaties toetsen die afgegeven zijn door instellingen en verkregen informatie controleren bij cliënten of hun wettelijke vertegenwoordiger. Na vaststelling van upcoding mogen deze instellingen niet meer zelf indiceren (TK 17 050, nr. 450).

Met het Programma Aanpak Verspilling in de Zorg pakt de overheid samen met de zorgsector de verspilling aan (TK 33 654, nr. 1 en TK 33 654, nr. 2). Belangrijk onderdeel is het Meldpunt Verspilling. De meldingen maken inzichtelijk waar actie mogelijk en nodig is. Sinds de start van het Meldpunt op 25 mei 2013 zijn circa 19.000 meldingen binnengekomen. De rapportage over het Meldpunt geeft een goed beeld van de meldingen (TK 33 654, nr. 4). Tweederde van alle meldingen gaat over verspilling in de vorm van hoeveelheid zorg, over het gebruik van zorgmiddelen en de betaling van de zorg. Met drie themaprojecten gaan we – samen met partijen uit het veld – de komende jaren op zoek naar concrete oplossingen. De projectteams gebruiken reeds verzamelde en nieuwe meldingen en beoordelen aangedragen oplossingen om een actieplan te maken. De themaprojecten zijn: genees- en hulpmiddelen, langdurige en curatieve zorg. Begin 2014 wordt de Tweede Kamer over de actieplannen geïnformeerd.

Conform het regeerakkoord waarin meer nadruk op samenwerking ligt, is aangekondigd dat VWS samen met de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de NZa een rondgang zal maken door Nederland. Het doel hiervan is te inventariseren welke belemmeringen van samenwerking worden ervaren en suggesties voor oplossingen te horen. Ook zal in de rondgang informatie en uitleg worden gegeven over de toepassing van de Mededingingswet. Aanleiding hiervoor zijn de klachten uit de zorgbranche dat goede samenwerking wordt gehinderd door mededingingsregels. Het is belangrijk dat zorgverleners goed met elkaar samenwerken zodat de patiënt de juiste zorg ontvangt. Voor de zomer van 2014 wordt de Tweede Kamer hierover nader geïnformeerd (TK 32 620, nr. 106).

Om een goede werking van het zorgstelsel te garanderen is accurate informatie van groot belang. De stuurgroep Verbetering Informatievoorziening Zorguitgaven die eind 2012 van start is gegaan, doet periodiek voorstellen voor het versnellen van de informatievoorziening, voor het monitoren ervan en voor het verbeteren van de verklarende informatie. Eind 2014 moeten de eerste maatregelen van kracht zijn. In 2013 zijn twee tussenrapportages opgesteld en zijn al de nodige stappen gezet (TK 29 248, nr. 254 en TK 29 248, nr. 256). Zo is afgesproken de doorlooptijd van diagnosebehandelingcombinaties (DBC’s) in de medisch-specialistische zorg van maximaal één jaar naar maximaal vier maanden terug te brengen per 2015. Met Vektis is de afgelopen periode gewerkt aan een aansluiting op het datawarehouse Zorgprisma, ingericht op basis van de door zorgverzekeraars betaalde declaraties. Zorgprisma ontsluit op een gebruiksvriendelijke manier de gegevens die gekoppeld zijn aan de declaraties die bij de zorgverzekeraars binnenkomen. De NZa heeft de opdracht gekregen om instellingen te verplichten per 2015 te werken via de internationale classificatiestandaard van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) bij het vastleggen van zorgproducten.

Naast bovengenoemde voorbeelden is het terugdringen van regeldruk een thema dat meegenomen wordt bij de ontwikkeling van beleid. In 2013 is verder vorm gegeven aan het verminderen van regeldruk binnen het Experiment Regelarme Instellingen (ERAI) waarbij instellingen in de gelegenheid worden gesteld om te experimenteren met het buiten werking stellen van regels (TK 31 765, nr. 75). Ook zal het signaal van de partijen verenigd in de Agenda voor de Zorg in 2014 leiden tot een gezamenlijke programmatische aanpak van regeldruk.

b. Patiëntveiligheid en kwaliteit

Het verbeteren van patiëntveiligheid heeft het afgelopen jaar prominent op de agenda gestaan. In het najaar van 2013 bleek aan de hand van het EMGO/NIVEL rapport dat de landelijke programmatische aanpak van patiëntveiligheid in de ziekenhuissector zeer succesvol is geweest. Er zijn forse verbeteringen bereikt en de doelstelling van het programma om 50% van de potentieel vermijdbare sterfte te reduceren in 2012 is ruimschoots gehaald (TK 31 016, nr. 59).

De komende tijd ligt de nadruk op betere toepassing van procedures, protocollen en richtlijnen. Naar aanleiding van twee onderzoeksrapporten naar de organisatie van de IGZ van de heer Van der Steenhoven en mevrouw Sorgdrager is in 2013 een complex en omvangrijk verbetertraject van start gegaan. De IGZ ziet scherper toe en treedt handhavend op wanneer het nodig is. Als een zorgaanbieder onvoldoende aantoont geleerd te hebben van een onverantwoord risico of een calamiteit, ziet de IGZ scherper toe op het verbeterproces en handhaaft de IGZ waar nodig (TK 33 149, nr. 17). Tevens is besloten een Landelijk Meldpunt Zorg op te richten dat uiterlijk 1 juli 2014 van start gaat. Dit meldpunt wordt organisatorisch ondergebracht bij het CIBG, met een zekere afstand tot en tegelijk in verbinding met de IGZ. Burgers met klachten over de zorg kunnen bij het Landelijk Meldpunt Zorg terecht voor advies en begeleiding. Zorgaanbieders en fabrikanten moeten er hun wettelijk verplichte meldingen doen (bijvoorbeeld over (vermeende) calamiteiten). Het doel van het meldpunt is een bijdrage te leveren aan een professionelere klachtafhandeling en meer transparantie over klachten en meldingen in de zorg en de afhandeling daarvan.

In EU-verband is in 2013 afgesproken dat lidstaten elkaar per 2016 actief waarschuwen wanneer een zorgverlener een beroepsverbod of bevoegdheidsbeperkende maatregel opgelegd heeft gekregen in de lidstaat waar hij werkzaam is. Nederland heeft vooruitlopend daarop met een aantal landen bilaterale afspraken gemaakt om elkaar actief te informeren over disfunctionerende artsen en andere zorgverleners.

Beide Kamers hebben afgelopen jaar ingestemd met het wetsvoorstel dat de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg regelt. Hiermee is de weg vrijgemaakt voor de start van het Kwaliteitsinstituut. Met het Kwaliteitsinstituut wordt een belangrijke stap gezet om de kwaliteit van zorg transparant te krijgen. Het wordt voor zorgverzekeraars gemakkelijker om niet alleen op prijs, maar ook op kwaliteit zorg in te kopen. Voor patiënten wordt het gemakkelijker om inzicht te krijgen in wat goede zorg is en om op basis van kwaliteit een keuze te maken voor een zorgaanbieder (EK 33 243, nr. A).

Het Kwaliteitsinstituut haalt zijn expertise zoveel mogelijk uit het veld. Het instituut wordt een slank en flexibel onderdeel van het huidige College van Zorgverzekeringen, dat een nieuwe naam krijgt: Zorginstituut Nederland. Vijf organisaties en programma’s die zich nu met kwaliteit in de zorg bezighouden, worden opgeheven. Het Kwaliteitinstituut zal bij het uitvoeren van werkzaamheden bijzondere aandacht besteden aan het tegengaan van regeldruk.

c. Gezond opgroeien en ouder worden

Alcohol en tabak schaden de ontwikkeling en gezondheid van jongeren en zijn voor deze groep extra schadelijk. In 2013 is besloten de Drank- en Horecawet (een initiatiefwet van de TK-leden Voordewind, Van der Staaij, Bouwmeester en Bruins Slot) aan te passen. Vanaf 1 januari 2014 mag aan jongeren onder de 18 jaar geen alcohol worden verkocht. Jongeren onder de 18 jaar zijn bovendien strafbaar als ze alcohol bij zich hebben (TK 33 341, nr. 19). In 2013 hebben beide Kamers ingestemd met het wetsvoorstel om de leeftijdsgrens voor de verkoop van tabak met ingang van 1 januari 2014 te verhogen van 16 naar 18 jaar. Met deze wetswijziging wil het kabinet het aantal jonge rokers terugdringen (TK 33 590, nr. 3).

Op 11 oktober 2013 is het Nationaal Programma Preventie (NPP) officieel begonnen. Het programma is een toezegging van dit kabinet naar aanleiding van de behandeling van de VWS-begroting in 2012. Het programma is het afgelopen jaar samen met verschillende partners ontwikkeld en beslaat een breed terrein van preventie en gezondheid. Het focust op drie terreinen: preventie een prominente plek geven in de gezondheidszorg, de gezondheid van mensen bevorderen en chronische ziekten voorkomen, en de gezondheidsbescherming op peil houden en nieuwe bedreigingen het hoofd bieden. Daarbij wordt vastgehouden aan de eerder vastgestelde speerpunten: diabetes, depressie, roken, alcohol, overgewicht en bewegen. Uitgangspunt is daarbij dat private en publieke partijen samenwerken en de verschillende activiteiten zoveel mogelijk met elkaar verbonden worden. In het tweede deel van het programma is een groot aantal activiteiten op bovenstaande onderdelen opgenomen, met waar mogelijk concrete resultaatafspraken (TK 32 793, nr. 102).

In het najaar van 2013 zijn we officieel van start gegaan met het Deltaplan Dementie. Dit is een achtjarenplan met als doel de zorg voor patiënten met dementie te optimaliseren. Het Deltaplan Dementie is een samenwerking tussen publieke en private partijen en richt zich zowel op zorg en ondersteuning in de hele zorgketen als op preventie en genezing door middel van het uitvoeren van onderzoek, de ontwikkeling van het Zorgportaal Dementie en het realiseren van het Nationaal Register Dementie. VWS heeft voor de komende vier jaar een bedrag van € 32,5 miljoen voor het plan beschikbaar gesteld (TK 32 793, nr. 70).

Het programma Sport en Bewegen in de Buurt is in februari 2012 van start gegaan en biedt lokaal kansen om meer mensen te laten sporten en bewegen (TK 30 234, nr. 91). Met het programma wordt bijgedragen aan een gezonde en actieve leefstijl door lokaal meer verbindingen tot stand te brengen tussen de sportsector en andere sectoren zoals onderwijs, zorg, welzijn, buitenschoolse opvang en het bedrijfsleven. Vanuit de Rijksoverheid is vanaf 2013 financiering beschikbaar voor 2.900 buurtsportcoaches. In 2013 is het aantal gemeenten dat buurtsportcoaches aanstelt gegroeid naar 377. Gemeenten hebben daarnaast gezamenlijk ingetekend voor 2.761 fte. In september zijn 166 nieuwe projecten vanuit de Sportimpuls gehonoreerd, waarvan 20 projecten speciaal gericht zijn op «Kinderen sportief op gewicht» (TK 30 234, nr. 91). Ook is in 2013 samen met het Ministerie van OCW de Onderwijsagenda Sport, Bewegen en een Gezonde Leefstijl in uitvoering genomen.

Naar aanleiding van enkele tragische voorvallen is een brede maatschappelijke discussie ontstaan over veiligheid op de sportvelden. In maart 2013 is een tweede overleg gevoerd tussen de sportsector, verschillende ministeries (zoals V&J en OCW), politie, het OM en gemeenten. Dit heeft geleid tot afspraken om geweld op het sportveld intensiever aan te pakken. Het actieplan «Naar een veiliger sportklimaat» wordt uitgevoerd en versterkt. Denk aan: sportspecifieke maatregelen, sport en veiligheid op lokaal niveau, de aanpak van excessen, de rol van ouders, sportiviteit en respectvol gedrag op school en de inzet van rolmodellen (TK 30 234, nr. 83).

Het afgelopen jaar is een nieuw beleidskader voor sportevenementen gepresenteerd. De focus ligt op toonaangevende internationale sportevenementen en het realiseren van maatschappelijke en economische spin-off rondom het evenement (TK 30 234, nr. 94). De ambitie van de sport is om bij de beste tien topsportlanden van de wereld te horen. Vanwege de toenemende internationale concurrentie richten we ons vooral op (potentieel) succesvolle takken van sport en topsporters. VWS investeert in topsport, in 2013 voor het eerst via een instellingssubsidie aan NOC*NSF. De middelen van Lotto, Partners in Sport en VWS worden hiermee samengevoegd en gericht ingezet voor o.a. de financiering van wedstrijd- en trainingsprogramma’s, talentontwikkeling en Centra voor Topsport en Onderwijs.

d. Arbeidsmarkt

In april 2013 heeft het kabinet naast een Sociaal Akkoord ook een Zorgakkoord gesloten met werkgevers en werknemers. Het akkoord is een combinatie van een verantwoorde uitwerking van het regeerakkoord, een verantwoorde loonontwikkeling en gerichte maatregelen ten behoeve van de werkgelegenheid en de kwaliteit van arbeid in de zorg. De komende jaren wordt blijvend geïnvesteerd in goed opgeleid zorgpersoneel, met name verpleegkundigen. Verder wordt geïnvesteerd in opleiding en ontwikkeling van medewerkers (bijvoorbeeld wijkverpleegkundigen) en zijn extra middelen voor stageplaatsen vrijgemaakt (TK 33 566, nr. 29).

In het najaar van 2013 hebben wij onze visie op de gevolgen van de hervormingen in de langdurige zorg op de arbeidsmarkt aan de Tweede Kamer voorgelegd. Daaruit blijkt dat de werkgelegenheid in de langdurige zorg en jeugdzorg weliswaar in 2015 eerst afneemt, maar dat de werkgelegenheid zich in 2017 weer herstelt. De branche kan de gevolgen gedeeltelijk zelf opvangen. Tegelijkertijd treft het kabinet ook maatregelen om de overgang te begeleiden. De continuïteit en kwaliteit van de zorg moet worden gewaarborgd door afspraken te maken over overname van personeel en het zo veel mogelijk in stand houden van de relatie cliënt-zorgverlener. Het kabinet stelt extra geld beschikbaar voor het begeleiden van mensen «van werk naar werk» en voor om- her- en bijscholing (TK 29 282, nr. 181). In de komende jaren zal bovendien een verschuiving van werkzaamheden plaatsvinden, waarbij bijvoorbeeld het aantal wijkverpleegkundigen zal toenemen. De wijkverpleegkundige gaat een essentiële rol spelen bij de gewenste transities in de zorg en bij het geven van de meest passende zorg en ondersteuning. In 2013 hebben wij de belemmeringen van de bekostiging voor de taakherschikking opgeheven. Zo mogen vanaf 2015 ook de verpleegkundig specialist en de physician assistant een DBC openen.

3. Maatregelen op het terrein van de curatieve zorg

a. Slimmer organiseren van de curatieve zorg

De curatieve zorg wordt steeds sterker om patiënten heen georganiseerd. In juli zijn de bestaande hoofdlijnenakkoorden verder verdiept. Goede en doelmatige zorg voor de patiënt, daar draait het om. We willen duurzame afspraken maken die de groei van de zorguitgaven vertragen, zodat we budgettair gedreven ingrepen in het basispakket kunnen voorkomen. Uiteraard blijft een systematische doorlichting van het pakket door het CVZ nodig met het oog op stringent pakketbeheer. De volumegroei bij de huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg, instellingen voor medisch-specialistische zorg en de curatieve ggz wordt de komende jaren verder teruggebracht: voor 2014 tot 1,5 procent. En tussen 2015 en 2017 tot 1 procent. Omdat zorgaanbieders in de eerste lijn -met name huisartsen – taken overnemen vanuit de duurdere tweedelijn, is er meer groeiruimte in de eerste lijn afgesproken (maximaal 2,5 procent).

Dat wordt mede gerealiseerd door het tegengaan van verspilling, fraude, onnodige bureaucratie en door het scherper toepassen van aanspraken in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Gepast gebruik en het verminderen van praktijkvariatie (TK 33 654, nr. 4) zijn daarvoor cruciaal. Ook bevatten de akkoorden afspraken over het vergroten van de transparantie over de kwaliteit van zorg. Het aantal praktijkvoorbeelden daarvan neemt toe, bijvoorbeeld de door Zorgverzekeraars Nederland (ZN) in kaart gebrachte minimumkwaliteitsnormen voor complexe behandelingen. En doordat een aantal ziekenhuizen de resultaten van hun behandelingen van hartaandoeningen vrijgeven (TK 29 248, nr. 255).

Ook zijn verschillende voorstellen voor het beter functioneren van het zorgstelsel – die ook nodig zijn voor een betere beheersing van de zorguitgaven – verder uitgewerkt. Een aantal van deze voorstellen ligt nu voor ter behandeling in zowel de Eerste als Tweede Kamer. De wetten ten aanzien van de continuïteit van cruciale zorg en het Kwaliteitsinstituut zijn inmiddels goedgekeurd.

In de zorg ontstaan veel initiatieven met het doel de kwaliteit van de zorg te verbeteren, de kosten te verlagen en de zorg in de buurt beter te organiseren. Deze initiatieven zijn onder meer gericht op uitkomstbekostiging, waarbij de nadruk ligt op het zo gezond mogelijk houden van mensen. Daarnaast is substitutie cruciaal: van tweedelijnszorg naar eerstelijnszorg, van professionele zorg naar zelfzorg en eHealth (TK 32 620, nr. 85 en TK 32 620, nr. 92)

In het regeerakkoord staat dat de verbreding van investeringsmogelijkheden in de medisch-specialistische zorg alleen interessant moet zijn voor investeerders met een langetermijnperspectief. Hiertoe is in februari 2013 een wetsvoorstel aan de Kamer aangeboden (TK 33 168, nr. 7). Nieuwe inzichten om dit principe nog zwaarder te verankeren – zonder de werking van dit wetsvoorstel te belemmeren – vragen nadere bestudering (TK 33 168, nr. 15). Dit strekt zich ook uit tot verticale integratie. Het wetsvoorstel wordt aangepast en zo spoedig mogelijk ter behandeling aan de Tweede Kamer aangeboden.

Tegen de achtergrond van de veranderende zorg moeten we tegelijkertijd blijven werken aan een toekomstbestendige, meer innovatieve en samenhangende farmaceutische zorg. Daarbij staat centraal dat de apotheker zich verder ontwikkelt tot zorgverlener van de toekomst die nauw samenwerkt met huisartsen en voorschrijvers in de tweedelijn, en vooral chronische patiënten informeert, begeleidt en ondersteunt bij het beter gebruiken van geneesmiddelen. De apotheker moet onlosmakelijk verbonden zijn met de andere spelers in de eerstelijnszorg. De komende periode zullen we benutten om deze ambitie met betrokken partijen verder vorm te geven. Dit is overeenkomstig de aanbevelingen van de verkenners extramurale farmacie (TK 29 477, nr. 243). Het beleid op het terrein van farmacie in de afgelopen jaren heeft mede geleid tot een forse budgettaire onderschrijding in 2013.

b. Versterken zelfredzaamheid en positie burger

Wij zetten in op de toepassing van eHealth zodat patiënten zelf actiever worden betrokken bij en zo mogelijk de regie kunnen nemen over hun zorg en om te bevorderen dat ouderen langer thuis kunnen wonen. Hiertoe zijn verschillende landelijke en regionale initiatieven ondersteund, waaronder de Nationale Implementatie Agenda eHealth van koepels van patiënten, zorgprofessionals en zorgverzekeraars. Daarnaast is de eerste eHealth-monitor 2013 verschenen. Versterking eerstelijnszorg en ketenzorgondersteuning (TK 27 529, nr. 108) en het mogelijk maken van bepaalde e-mental health toepassingen (TK 33 675, nr. 3) zijn voorbeelden die aan de doelstellingen bijdragen. De eHealth-agenda zal blijvende aandacht vergen.

Door onzorgvuldig en overmatig gebruik van antibiotica worden steeds meer bacteriesoorten resistent voor de werking van antibiotica. Om het gebruik van antibiotica in de melkveehouderij in 2015 met 70% ten opzichte van 2009 te verminderen heeft VWS in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken in 2013 fors ingezet op de ontwikkeling en toepassing van alternatieve middelen en methoden. Om antibioticagebruik te reduceren lopen nu twee projecten waarbij ondernemers gezamenlijk werken aan deze doelstelling (TK 29 683, nr. 172). Nederland heeft de Europese Commissie gevraagd initiatieven te nemen om terughoudend en zorgvuldig gebruik van antibiotica verder te concretiseren en te versnellen. Een meerderheid van de lidstaten heeft enthousiast steun toegezegd (TK 29 683, nr. 172). Ook zijn door ons in 2013 samenwerkingsovereenkomsten met de World Health Organization (WHO) gesloten om antibioticaresistentie aan te pakken. Zo willen wij onder andere inzetten op infectiepreventie en zorgvuldig gebruik van antibiotica in ziekenhuizen. Nederland wil op dit terrein een actieve rol spelen en zal zijn expertise en ervaring op dit terrein beschikbaar stellen.

Incidenten met medische hulpmiddelen, zoals de PIP-borstimplantaten, hebben geleid tot een actieplan van de Europese Commissie. Men wil – binnen de bestaande wetgeving – maatregelen nemen om zulke incidenten zo veel mogelijk te voorkomen. Wij steunen de voorgestelde maatregelen. In Brussel wordt onderhandeld over de voorstellen van de Europese Commissie voor de verordeningen voor medische hulpmiddelen. Nederland heeft onder meer een voorstel ingediend om de eisen aan post-market surveillance door fabrikanten aan te scherpen. Incidenten hebben laten zien dat het juist in deze fase na de markttoelating van belang is om snel en adequaat te handelen. Ook heeft Nederland een implantaatkaart en bijsluiter voorgesteld, zodat de patiënt adequaat is geïnformeerd en meer weet over het implantaat. Deze worden gekoppeld aan de voorziene Europese databank en zijn actueel en beschikbaar voor patiënten (TK 33 758, nr. 17). Op deze voorstellen is positief gereageerd.

In het najaar van 2013 heeft VWS de cosmetische sector onder de loep genomen. Naar aanleiding daarvan zijn maatregelen aangekondigd om mensen beter te beschermen tegen onverantwoorde risico’s. Een deel van de geconstateerde knelpunten zal worden ondervangen door de invoering van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), die ter behandeling in de Eerste Kamer ligt. Daarnaast moet de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) worden aangepast. Dit moet de IGZ uiteindelijk meer handvatten bieden om effectief toezicht te houden op risicovolle handelingen in de cosmetische sector (TK 31 765, nr. 79).

Het afgelopen jaar zijn stappen gezet om de transparantie over financiële belangen van zorgprofessionals voor consumenten en patiënten verder te vergroten. Zo vallen artsenorganisaties KNMG en de Orde van Medisch Specialisten en ziekenhuiskoepels NVZ en NFU per 1 januari 2014 ook onder de gedragscode medische hulpmiddelen (GMH). Voorheen gold deze code alleen voor leveranciers en fabrikanten. Ook is afgesproken dat de financiële relaties tussen leveranciers van medische hulpmiddelen en zorgprofessionals met ingang van 2015 inzichtelijk gemaakt worden.

4. Maatregelen op het terrein van de care en jeugdzorg

a. Langdurige zorg en ondersteuning

Het afgelopen jaar is voortvarend begonnen met de ambities uit het regeerakkoord om de langdurige zorg en ondersteuning beter en toekomstbestendig te maken. Het kabinet wil bij deze hervorming op een zo groot mogelijk draagvlak in de samenleving kunnen rekenen. Daarom is intensief gesproken met het zorgveld, gemeenten, werkgevers en werknemers en deskundigen. Dit heeft geleid tot enkele aanpassingen van verschillende maatregelen uit het regeerakkoord (TK 30 597, nr. 296).

Zo zijn de eerder afgesproken bezuinigingen op de extramuralisering en de korting op de huishoudelijke hulp verzacht. Ook zullen persoonlijke verzorging en verpleging per 2015 grotendeels ondergebracht worden in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Tot slot is de verhoging van de eigen bijdrage verzacht voor mensen die in een instelling verblijven.

In november 2013 is de Wet langdurige zorg (Wlz) naar de Raad van State gestuurd. Deze wet zal per 1 januari 2015 de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vervangen. Doel is dat ouderen en mensen met verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke beperkingen recht op passende zorg krijgen met aandacht voor hun individuele welzijn.

Bij Begrotingsakkoord 2012 is een 10-uurscriterium ingevoerd voor het pgb. Dit criterium geldt sinds 2013 alleen voor de functie begeleiding. Alleen mensen met een indicatie voor meer dan 10 uur per week komen in aanmerking voor een pgb. Het kabinet heeft in juli 2013 besloten deze maatregel alternatief in te vullen. Zo worden onder andere pgb-tarieven in 2014 niet verhoogd ten opzichte van 2013 en worden de tarieven voor niet-professionele zorg voor nieuwe cliënten verlaagd (TK 30 597, nr. 367).

De rol van mantelzorgers en vrijwilligers wordt belangrijker. Het afgelopen jaar heeft het kabinet zijn visie op informele zorg in diverse Kamerbrieven beschreven, vergezeld van diverse maatregelen (TK 30 169, nr. 28 en TK 30 169, nr. 29). De kernwoorden zijn daarbij versterken, verlichten en verbinden. In het kader van de Begrotingsafspraken 2014 is vanaf 2014 € 11 miljoen extra beschikbaar voor de mantelzorgondersteuning (TK 33 750, nr. 19).

In de Begrotingsafspraken 2014 is besloten om de landelijke fiscale regeling voor de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten, inclusief de Tegemoetkoming Specifieke Zorgkosten, per 2014 in aangepaste vorm te handhaven. Gemeenten ontvangen daarnaast aanvullende financiële middelen (structureel 268 miljoen euro vanaf 2017) om gericht maatwerk te bieden aan mensen met een chronische ziekte en/of beperking via de Wmo en/of bijzondere bijstand.

In september 2013 is het wetsvoorstel zorg en dwang door de Tweede Kamer aangenomen. Dit wetsvoorstel heeft betrekking op de zorg voor cliënten met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke beperking en waarborgt door middel van een stappenplan dat deze zorg zoveel als mogelijk vrij van dwang is. Tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van ernstig nadeel voor de cliënt. De Eerste Kamer heeft inmiddels besloten het wetsvoorstel te willen behandelen in samenhang met het wetsvoorstel verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), dat op dit moment ter behandeling bij de Tweede Kamer ligt. Inmiddels zijn er in het kader van het actieprogramma Onvrijwillige zorg al stappen gezet om het toepassen van vrijheidsbeperking terug te dringen.

In 2013 zijn de experimenten regelarme instellingen van start gegaan. Een groot aantal experimenten is verlengd tot 31 december 2014. In 2013 zijn met betrokkenen gesprekken gevoerd om de experimenten tussentijds te evalueren. De uitkomsten worden meegenomen in de Hervorming Langdurige Zorg.

In 2013 is het wetsvoorstel Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voorbereid dat begin januari 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden (TK 30 597, nr. 368). Gemeenten worden op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen. Die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen of voor mensen die al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorzien gemeenten in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. Het beleid om langer zelfstandig te wonen sluit aan bij een trend die in de ouderenzorg al lang zichtbaar is. Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw daalt het aantal ouderen in een verpleeg- of verzorgingshuis, terwijl sindsdien het aantal ouderen is verdubbeld.

Uit de AWBZ wordt een aantal taken geschrapt en een aantal verantwoordelijkheden gedecentraliseerd naar gemeenten. In het afgelopen jaar zijn afspraken gemaakt over enkele aanpassingen van voornemens uit het regeerakkoord. Zo blijft dagbesteding en persoonlijke verzorging beschikbaar in het overgangsjaar 2014. Daarnaast is de korting op de huishoudelijke verzorging structureel verzacht ten opzichte van het regeerakkoord. Ook is ten behoeve van een zorgvuldige overgang van cliënten en een zorgvuldige transitie door aanbieders 200 miljoen euro extra beschikbaar gesteld in 2015 (TK 29 538, nr. 151).

Ook is afgesproken dat gemeenten vanaf 2016 structureel een extra bedrag van € 200 miljoen ontvangen, zodat zij vernieuwende ondersteuningsarrangementen kunnen ontwikkelen op het snijvlak van maatschappelijke ondersteuning, welzijn, werk en inkomen, wonen, jeugdzorg en onderwijs, met slimme verbindingen tussen formele en informele zorg. Eén van die vernieuwingen is de samenhang tussen het sociale en het medische domein, met de wijkverpleegkundige als spil. Innovatieve werkwijzen, zoals sociale wijkteams en buurtgericht werken, kunnen verder worden ontwikkeld en breder worden ingezet en zo worden ingericht dat het samenwerking tussen zorgverzekeraars, zorgaanbieders en gemeenten stimuleert. Substitutie van zwaardere vormen van zorg door lichtere vormen van zorg en ondersteuning kunnen plaatsvinden. In december heeft de NZa haar advies uitgebracht over de bekostiging van de wijkverpleging in de Zvw.

b. Nieuw jeugdstelsel

De Eerste Kamer heeft in februari 2014 ingestemd met de nieuwe Jeugdwet, die de decentralisatie van de jeugdhulp naar gemeenten per 1 januari 2015 regelt. Hiermee stimuleren we preventie, inzet van eigen kracht en het sociaal netwerk, maatwerk en integrale hulp aan gezinnen (1-gezin, 1-plan, 1-regisseur). Het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hebben in het voorjaar van 2013 een overzicht opgesteld van taken die op gemeentelijk, regionaal of landelijke niveau kunnen worden vormgegeven. Gemeenten zijn hard aan de slag gegaan met het opstellen van de regionale transitiearrangementen in het kader van de jeugdhulp. Alle 41 regio’s hadden uiterlijk 31 oktober 2013 een regionaal transitiearrangement (RTA) ingediend bij de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd (TSJ) (TK 31 839, nr. 323).

De TSJ heeft in november 2013 en februari 2014 gerapporteerd over de afspraken van de jeugdhulpregio’s over continuïteit van jeugdhulp en beperking van frictiekosten. De commissie heeft wel gewezen op het belang van duidelijkheid over de gemeentelijke budgetten, de noodzaak voor goede afspraken over betere samenwerking met zorgverzekeraars en de wens om bestuurlijk afspraken te maken over frictiekosten. In mei 2014 wordt het definitief over te hevelen bedrag vastgesteld. Bij de vaststelling van het bedrag zullen in elk geval extra middelen (150 miljoen euro) worden vrijgemaakt voor het over te hevelen budget voor de jeugd ggz. Bij de oorspronkelijke uitwerking van de plannen was geen rekening gehouden dat soms niet alleen een kind wordt behandeld maar ook de ouders (TK 31 839, nr. 323). Ook zijn eind december 2013 bestuurlijke afspraken gemaakt over het waarborgen van de continuïteit van de taken van de huidige bureaus jeugdzorg en zijn aanvullende maatregelen aangekondigd voor Jeugdzorgplus. De inzet is erop gericht dat de samenwerkende regio’s op het niveau van vijf zorggebieden uiterlijk in mei 2014 afspraken maken met instellingen voor gesloten jeugdhulp over capaciteit, inkoop en plaatsing van jeugdigen met een machtiging gesloten jeugdhulp.

In april 2013 heeft het kabinet het wetsvoorstel professionalisering Jeugdzorg naar de Tweede Kamer gestuurd. In het wetsvoorstel staat dat jeugdzorgwerkers en gedragswetenschappers in jeugdzorginstellingen zich moeten inschrijven in een beroepsregister. Een voorwaarde voor registratie is bijvoorbeeld dat jeugdzorgprofessionals bijscholing en nascholing volgen. Verder moeten zij zich houden aan een beroepscode. In 2013 is er ook extern onderzoek geweest naar de kwaliteitssystemen in de verschillende sectoren van zorg die op 1 januari 2015 in de Jeugdwet worden samengevoegd. Naar aanleiding van dit onderzoek is met de VNG en veldpartijen afgesproken een gezamenlijk kwaliteitskader te ontwikkelen. In 2013 zijn de acties uitgevoerd uit het actieplan Kinderen Veilig en de acties naar aanleiding van het advies van de Commissie Samson om seksueel misbruik in de jeugdzorg tegen te gaan.

5. Financieel beeld op hoofdlijnen

Voor het jaar 2013 is sprake van een forse onderschrijding van het Budgettair Kader Zorg (BKZ) van € 1,1 miljard ten opzichte van de stand ontwerpbegroting 2013. Bij de start van het kabinet-Rutte-Asscher is het BKZ herijkt. Op dat moment was reeds sprake van een onderschrijding op het kader van circa € 1,1 miljard. Bij de start van het kabinet-Rutte-Asscher zijn de uitgavenkaders herijkt. Voor het BKZ betekende dit een neerwaartse aanpassing met € 953 miljoen. Zonder deze herijking zou de onderschrijding van het BKZ € 2,1 miljard bedragen.

De forse onderschrijding kan met name worden verklaard door een meevallend beeld bij de Zvw (€ 1,5 miljard). In de langdurige zorg is sprake van een beperkte tegenvaller van per saldo circa € 0,2 miljard. Deze mutatie wordt grotendeels verklaard tegenvallers bij de zorg in natura. De daling van de Zvw-uitgaven wordt grotendeels verklaard door de lager dan geraamde uitgaven voor de geneesmiddelen (€ 1,1 miljard). Per saldo is in het jaarverslag 2012 en 2013 een totale bijstelling van de geneesmiddelen verwerkt van € 1,8 miljard. Deze mutaties tonen aan dat het beleid op het terrein van farmacie in de afgelopen jaren zeer succesvol is en in belangrijke mate bijdraagt aan beheerste zorguitgaven. Een overzicht van alle mutaties is opgenomen in het Financieel Beeld Zorg (FBZ).

Tabel Realisatie beleidsdoorlichtingen

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Artikel

Realisatie

Toelichting

 

2011

2012

2013

 
         

1 Volksgezondheid

       

Letselpreventie

   

TK 32 772, nr. 2

Screeningsbeleid

     

Uitgesteld, ondergebracht in beleidsdoorlichting Ziektepreventie. Start 2014, afronding 2015.

Euthanasiewet

 

 

TK 31 036, nr. 6

Wet medisch -wetenschappelijk onderzoek

 

 

TK 30 486, nr. 5

         

2 Curatieve zorg

       

IBO Universitair Medische Centra

 

 

TK 33 278, nr. 1

Taskforce beheersing zorguitgaven

 

 

TK 29 689, nr. 395

         

3 Maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg

       

Indicatiestelling

   

TK 30 597, nr. 186

Subsidiesystematiek PGO-organisaties

   

TK 29 214, nr. 59

Stagefonds

   

TK 29 282, nr. 111

IBO gehandicaptenzorg

     

Dit IBO is door het kabinet gestaakt vanwege een substantiële samenhang met voorgenomen maatregelen uit het regeerakkoord.

         

4 Zorgbreed beleid

       
         

5 Jeugd

       
         

6 Sport en bewegen

       

Uitvoering Sportbeleid

   

TK 32 772, nr. 1

         

7 Oorlogsgetroffenen en Herinneringen WO II

       
         

8 Tegemoetkoming specifieke kosten

       
Tabel Garantie en achterborgstellingen

Artikel

Omschrijving

uitstaand 2012

verleend

vervallen

uitstaand 2013

plafond 2013

totaal plafond

2

Voorzieningen t.b.v. De Hoogstraat

13.114

   

13.114

 

13.114

2

Voorzieningen t.b.v. ziekenhuizen

969.230

13.567

45.997

936.800

 

936.800

3

Voorzieningen t.b.v. verpleeghuizen

69.359

480

6.117

63.721

 

63.721

3

Voorzieningen t.b.v. psychiatrische instellingen

78.874

 

78.874

 

78.874

3

Voorzieningen t.b.v. zwakzinnigeninrichtingen

67.943

 

2.579

65.364

 

65.364

3

Voorzieningen t.b.v. overige instellingen

3.979

   

3.979

 

3.979

3

Voorzieningen t.b.v. instellingen gehandicapten

60.776

853

1.515

60.114

 

60.114

3

Voorzieningen t.b.v. zwakzinnigeninrichtingen

23.248

 

990

22.258

 

22.258

3

Voorzieningen t.b.v. instellingen gehandicapten

273.406

1.701

21.088

254.019

 

254.019

2

Voorzieningen t.b.v. ziekenhuizen

727

   

727

 

727

3

Niet sedentaire personen

3.396

   

3.396

 

3.396

 

TOTAAL

1.564.052

16.601

78.285

1.502.367

0

1.502.367

De «Rijksgarantieregeling» is de verzamelnaam voor drie aparte regelingen: de «garantieregeling inrichtingen voor gezondheidszorg 1958», de «Rijksregeling Dagverblijven voor gehandicapten inzake erkenning, subsidiering, verlening van garanties en toezicht» uit 1971 en de «Rijksregeling Gezinsvervangende Tehuizen voor gehandicapten» ook uit 1971. Deze Rijksgarantieregeling is gesloten voor nieuwe gevallen, de laatste rijksgegarandeerde lening loopt evenwel pas af in 2043. Het monitoren van de instellingen aan wie een rijksgarantie verstrekt is, alsmede van de leningen (bijv. renteherziening), is door VWS via een contract van 17 december 2003 overgedragen aan het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ). Op basis van dat contract brengt het WFZ jaarlijks een door de accountant goedgekeurde verantwoordingsrapportage uit aan VWS.

De betreffende regelingen dateren uit een tijd dat de overheid een expliciete (plannings) verantwoordelijkheid had voor bouw en spreiding van intramurale zorgvoorzieningen. De financiering via institutionele beleggers, en in latere jaren door banken, van investeringen in vastgoed werd vanzelfsprekend vergemakkelijkt door de afgegeven garanties.

Reguliere en vervroegde aflossing zorgen voor een jaarlijkse vermindering van de uitstaande garanties. Tegelijkertijd is er ook sprake van herfinanciering van lopende garanties (opgenomen onder verleend). Het oorspronkelijke met de leningen gemoeide garantiebedrag is eind 2013 € 1.502,4 miljoen. Het feitelijke risico van de uitstaande garanties is gedaald tot € 672,2 miljoen, dat is een afname van € 77,4 miljoen ten opzichte van 2012 (zie ook de toelichting op de garantieverplichtingen in het onderdeel Saldibalans van dit jaarverslag). Gegevens over resterende garantie en nog resterende looptijd zijn op individueel instellingsniveau beschikbaar en zijn aan de Tweede Kamer beschikbaar gesteld in het kader van de beantwoording van schriftelijke vragen bij de tweede suppletoire wet 2013 (TK 33 805 XVI, nr. 3 en bijlage bij TK 33 805 XVI, nr. 3).

overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (x € 1.000)

Artikel

omschrijving

uitgaven 2012

ontvangsten 2012

saldo 2012

uitgaven 2013

ontvangsten 2013

saldo 2013

3

Voorzieningen t.b.v. instellingen gehandicapten

1.723

10.998

 

TOTAAL

1.723

10.998

overzicht achterborgstellingen (x € 1.000)

omschrijving

saldo 2012

saldo 2013

achterborginstellingen

8.915

8.947

bufferkapitaal

   

obligo

512,7

529,4

BELEIDSARTIKELEN

Beleidsartikel 1 Volksgezondheid

A. Algemene beleidsdoelstelling

Een goede volksgezondheid, waarbij mensen zo min mogelijk bloot staan aan bedreigingen van hun gezondheid én zij gezond leven.

Kengetallen levensverwachting
 

2000

2003

2005

2007

2008

2009

2010

2011

2012

1. Absolute levensverwachting in jaren:

                 

– mannen

75,5

76,2

77,2

78,0

78,3

78,5

78,8

79,2

79,1

– vrouwen

80,6

80,9

81,6

82,3

82,3

82,6

82,7

82,9

82,8

2. waarvan jaren in goed ervaren gezondheid:

                 

– mannen

61,5

62,4

62,5

64,7

63,7

65,3

63,9

63,7

64,7

– vrouwen

60,9

61,6

61,8

63,4

63,5

63,8

63,0

63,3

62,6

Bron absolute levensverwachting: CBS-Statline.

Bron levensverwachting in goed ervaren gezondheid: CBS StatLine – Gezonde levensverwachting; vanaf 1981

De cijfers over 2013 worden in het najaar 2014 verwacht. Voor het berekenen van levensverwachting in goed ervaren gezondheid is het aantal «gezonde» jaren bepaald op basis van een vraag naar de ervaren gezondheid. In de loop der jaren is de vraag naar de ervaren gezondheid op twee (vrijwel identieke) manieren gesteld, namelijk:

1. Hoe is het over het algemeen met uw gezondheid?

2. Hoe is over het algemeen de gezondheidstoestand van onderzochte persoon?

Mensen die deze vraag beantwoorden met «goed» of «zeer goed» worden gezond genoemd.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Een belangrijke beleidsopgave van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is het beschermen en bevorderen van de gezondheid van burgers. Dit laat onverlet dat mensen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun gezondheid en zichzelf – waar mogelijk – dienen te beschermen tegen gezondheidsrisico’s. Bij externe risicofactoren, zoals infectieziekten en rampen/crises ligt hier een belangrijke rol voor de overheid. De verantwoordelijkheid voor veilig voedsel en veilige producten ligt primair bij het bedrijfsleven. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controleert namens VWS de naleving van de Warenwet, de Tabakswet, de Geneesmiddelenwet en de Wet op de Dierproeven.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt op grond van de geldende normen toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken op het terrein van de publieke gezondheid. De uitgaven voor de IGZ staan verantwoord op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

Op het terrein van volksgezondheid heeft de Minister van VWS uiteenlopende rollen van stimuleren, financieren, regisseren tot (doen) uitvoeren (zie tabel). De rol en invulling daarvan verschilt per terrein en hangt af van de taken en bevoegdheden van andere actoren die ieder vanuit hun eigen rol bijdragen aan de doelstellingen op het terrein van de volksgezondheid.

Met name de gemeenten hebben op het terrein van de publieke gezondheid een belangrijke eigenstandige verantwoordelijkheid. Belangrijke wet- en regelgeving voor gemeenten betreft de Wet Publieke Gezondheid, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Wet Veiligheidsregio’s, de Wet Kinderopvang, de Drank- en Horecawet en de Warenwet.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Gezondheidsbescherming:

– Voedsel- en productveiligheid

– Crisisbeheersing

– Wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed door RIVM

   

Opstellen en (doen) handhaven, via de NVWA van het wettelijk kader voor bescherming consumenten tegen onveilige producten en levensmiddelen.

Opstellen wettelijk kader ter voorbereiding witte kolom op rampen en crises en in stand houden crisesinfrastructuur.

Het verder reduceren van antibioticagebruik, waar nodig in de gezondheidszorg en in de veehouderij, in nauwe samenwerking met het Ministerie van Economische zaken.

(Doen) uitvoeren wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed door het RIVM. Dit betreft onder andere infectieziektebestrijding en medische milieukunde.

Ziektepreventie:

– Bevolkingsonderzoeken

– Infectieziektebestrijding

– Jeugdgezondheidszorg

   

Opstellen wettelijk kader en doen handhaven kwaliteit jeugdgezondheidszorg (JGZ).

Doelmatigheid, kwaliteit en toegankelijkheid bevolkingsonderzoeken ter voorkoming en vroegtijdige opsporing levensbedreigende ziekten. Dit betreft onder andere borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker.

Vroegtijdige opsporing en bestrijding van infectieziekten. Dit betreft onder andere het rijksvaccinatieprogramma en infectieziektebestrijding.

Gezondheidsbevordering

Bevorderen dat mensen gezonder gaan leven door gezonde keuze makkelijker te maken en zorg te dragen voor betrouwbare informatie over gezonde leefstijl. Voorbeelden hiervan zijn de Jeugdimpuls, het Convenant Gezond Gewicht, Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG), sport en bewegen in de buurt, de gezonde school en het extra contactmoment in de jeugdgezondheidszorg voor adolescenten.

 

Opstellen en (doen) handhaven via de NVWA en gemeenten van het wettelijk kader voor de bescherming van de gezondheid van burgers tegen de risico’s van het gebruik van alcohol en tabak.

Inzetten op een gezonder aanbod van voeding en aandacht voor een gezonde, beweegvriendelijke en veilige omgeving waarin de gezonde keuze een makkelijke keuze is. Dit om een gezond gewicht positief te stimuleren en letsels in de privésfeer te voorkomen.

Coördinatie interdepartementale drugsbeleid en verantwoordelijk voor het (wettelijk) kader voor de gezondheidsaspecten van het drugsbeleid.

 

Ethiek

 

Financiering secretariaten toetsingscommissies, abortusklinieken (via subsidie AWBZ) en CCMO.

Formuleren van wet- en regelgeving en beleid op het terrein van medisch-ethische vraagstukken.

 
C. Beleidsconclusies

Algemeen

Op 11 oktober 2013 is conform de toezegging het Nationaal Programma Preventie (NPP) 2014–2016 «Alles is Gezondheid» aan de Kamer gestuurd (TK 32 793, nr. 102). Dit programma heeft als doel om op termijn de toename van chronisch zieken af te laten nemen en te werken aan de gezondheidsachterstanden van groepen mensen. Het programma kiest voor een aanpak op drie fronten (gezondheidsbescherming op peil houden, preventie een prominente plek in de zorg en gezondheid dichtbij, vitale mensen in een gezonde omgeving). Het brengt de preventieactiviteiten van veel verschillende partners (overheid en niet-overheid) onder één paraplu.

Het afgelopen jaar heeft het kabinet meer geïnvesteerd in het bevorderen van een gezonde leefstijl van de jeugd. Mede naar aanleiding van het begrotingsakkoord voor 2013 heeft er een intensivering (totaal € 26 miljoen) plaatsgevonden op de bestrijding van overgewicht bij kinderen en is daar waar mogelijk sprake van een leefstijlbrede inzet.

Gezondheidsbescherming

In 2013 is gewerkt aan de verdere reductie van het gebruik van antibiotica, zowel in de gezondheidszorg als in de veehouderij. De dalende lijn van het gebruik van antibiotica in de veehouderij is voortgezet. Daarnaast zijn met beide sectoren afspraken gemaakt over de zeer terughoudende inzet van bepaalde cruciale middelen, die we geheel of zoveel mogelijk voor humaan gebruik willen reserveren. Voor ziekenhuizen is met betrokken expertorganisaties een plan van aanpak gemaakt op het terrein van surveillance en op het terrein van verantwoord gebruik, om zo beter voorbereid te zijn op (nieuwe) dreigingen. In 2013 zijn binnen het nieuwe signaleringsoverleg ziekenhuisinfecties bij het RIVM concrete afspraken gemaakt over melden en elkaar informeren in geval van een uitbraak.

In 2013 is voortgeborduurd op de betere samenwerking tussen het humane en veterinaire veld in voorbereiding en response op uitbraken van zoönosen. Dit heeft onder andere geleid tot een gezamenlijk handboek rond zoönosen waarin ook helder is vastgelegd hoe de verantwoordelijkheidsverdeling is. Binnen Europa is een nieuw besluit aangenomen rond grensoverschrijdende bedreigingen zoönosen.

Naar aanleiding van diverse incidenten (Salmonella in zalm, paardenvleesaffaire) is de NVWA in 2013 begonnen met het voorbereiden en inzetten van een aantal verbeterslagen om de handhaving en het toezicht op de voedsel- en productveiligheid te versterken. Ingezet wordt op meer inspecteurs en betere risicoanalyses, betere opsporingstechnieken, meer inspecties op het terrein van de product- en voedselveiligheid en het versterken van de kwaliteit van de organisatie NVWA. Deze maatregelen staan in het Plan van aanpak dat door de departementen VWS en EZ, in samenwerking met de NVWA, is opgesteld (TK 33 835, nr. 1).

Ziektepreventie

Voor de invoering bevolkingsonderzoek darmkanker in 2013 zijn kwaliteitseisen opgesteld en afspraken gemaakt over de hele keten van behandeling. Het systeem van bevolkingsonderzoek is in september 2013 getest en de uitrol van het bevolkingsonderzoek is op 13 januari 2014 gestart.

Ongeveer 85% van de JGZ-organisaties start of is dit schooljaar (2013/2014) gestart met de invoering van het extra contactmoment voor adolescenten. De overige JGZ-organisaties zijn nog in gesprek met gemeenten in de regio over de inrichting van dit contactmomenten. GGD Nederland ondersteunt JGZ-organisaties bij de invoering ervan.

Rond de infectieziektebestrijding in Caribisch Nederland heeft er in 2013 een bestuurlijk overleg plaatsgevonden met de eilandbestuurders over de samenwerking. Zowel inhoudelijk als bestuurlijk is er draagvlak voor het opzetten van een subfocal point (samenwerkingsverband van experts ter plaatse) in het kader van de International Health Regulations. Eind 2013 is een kwartiermaker aangesteld die in 2014 met een voorstel voor de inrichting van het subfocal point zal komen. Hiermee komt de structuur van een solide infectieziektebestrijding in Caribisch Nederland een grote stap dichterbij.

Gezondheidsbevordering

Het Trimbos instituut heeft een belangrijke rol in de uitvoering van het preventiebeleid op het gebied van alcohol, tabak en drugs. De Infolijnen dragen bij aan het geven van betrouwbare en vraaggerichte informatie over drugs, alcohol en tabak. Ook in het schoolpreventieprogramma «De Gezonde School en Genotmiddelen» is aandacht besteed aan alcohol, drugs en roken.

Vanaf 1 januari 2014 zijn de leeftijdgrenzen voor alcohol en tabak verhoogd naar 18 jaar. VWS heeft daarvoor, in samenwerking met het Trimbos instituut en in overleg met maatschappelijk betrokken organisaties, de sociale normcampagne NIX18 ontwikkeld. In 2013 zijn nieuwe alcoholpoli’s gestart in Groningen, Zwolle en Amersfoort. Via een pilot wordt kennis verspreid over goede nazorg voor jongeren die met alcoholintoxicatie zijn opgenomen. Na 2014 wordt de aanpak onderdeel van de reguliere zorg.

Om de gezonde keuze makkelijker te maken is met het bedrijfsleven ingezet op gezonder productaanbod. Begin 2013 heeft het RIVM een rapport gepubliceerd over de voortgang van productverbetering op het gebied van zout en verzadigd vet. Op basis hiervan is er vertrouwen in de inzet van het bedrijfsleven en worden afspraken gemaakt met partijen over versnelling en verbreding van de productverbetering (TK 31 532, nr. 95). In het NPP is aangekondigd dat de afspraken ook over calorieën (suiker) zullen gaan.

Het domein school is een belangrijk onderdeel van het NPP. Door middel van de Onderwijsagenda Sport, Bewegen en Gezonde Leefstijl wordt het onderwijs zelf de verantwoordelijkheid gegeven voor deze thema’s. Zij worden hierin ondersteund via www.gezondeschool.nl. Dit loopt volgens planning.

Er waren eind 2013 37 gemeenten die via het deelconvenant «Jongeren op Gezond Gewicht» (JOGG) op lokaal niveau het overgewicht van kinderen aanpakken. Ten opzichte van 2012 is sprake van een groei met 12 gemeenten. Eind 2013 waren 750 scholen aan de slag met het programma «Gezonde Schoolkantine». Een groei in één jaar tijd met 350 scholen.

Het is aannemelijk dat de ingezette preventiemaatregelen bijgedragen hebben aan het voorkomen van gezondheidsschade door privéongevallen, sport en (pogingen tot) suïcide, aldus de beleidsdoorlichting letselpreventie (TK 32 772, nr. 2). Over de periode 2008–2012 is een daling van het aantal SEH-behandelingen voor letsels door privéongevallen en sportblessures te zien. Aangezien letselpreventie een sterk intersectoraal karakter heeft, dragen ook andere ministeries via verschillende instrumenten (wetgeving, toezicht, etc.) bij aan het voorkomen van ongevallen.

Preventie voor gehoorschade door hard geluid is van groot belang, aangezien gehoorschade niet te genezen of te repareren is. De aandacht is gericht op jongeren (harde muziek) en werknemers (lawaai op de werkvloer). In 2013 zijn het ontwikkelen van een integrale aanpak van de preventie van gehoorschade en een plan voor de begrenzing van het geluidsniveau in de muzieksector mogelijk gemaakt.

Ethiek

In 2013 is de Embryowet gewijzigd om wetenschappelijk onderzoek met foetussen mogelijk te maken en is tevens de counseling bij eiceldonatie wettelijk verankerd (TK 32 610, nr. 2).

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

442.213

571.788

512.881

58.907

         

Uitgaven

465.780

462.031

518.532

– 56.501

         

1. Gezondheidsbescherming

 

97.595

100.092

– 2.497

         

Subsidies

 

1.453

3.182

– 1.729

waarvan onder andere:

       

Uitvoering landelijke nota gezondheidsbeleid

 

963

2.265

– 1.302

Crisisbeheersing Volksgezondheid

 

135

828

– 693

         

Opdrachten

 

3.223

7.596

– 4.373

waarvan onder andere:

       

CBRN Weerstandsverhoging

 

2.560

5.707

– 3.147

         

Bijdrage aan agentschappen

 

92.892

89.194

3.698

waarvan onder andere:

       

Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)

 

74.115

74.015

100

RIVM: wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

 

18.479

14.144

4.335

         

Bijdragen aan medeoverheden

 

27

120

– 93

         

2. Ziektepreventie

 

295.238

345.500

– 50.262

         

Subsidies

 

192.112

9.920

182.192

Ziektepreventie

 

4.133

7.188

– 3.055

Jeugdgezondheid

 

2.269

2.732

– 463

Bevolkingsonderzoeken

 

102.388

0

102.388

Nationaal Programma Grieppreventie

 

40.826

0

40.826

Aanvullende curatieve soa-bestrijding

 

31.044

0

31.044

Infectieziektebestrijding

 

11.452

0

11.452

         

Opdrachten

 

585

0

585

         

Bijdragen aan agentschappen

 

102.541

320.580

– 218.039

Nederlands Vaccin Instituut

 

0

2.071

– 2.071

Centrum Infectieziektebestrijding

 

34.236

35.089

– 853

Centrum Bevolkingsonderzoek

 

13.423

8.760

4.663

Centrum Gezondheid en Milieu

 

6.000

3.336

2.664

Centrum Gezond Leven

 

6.702

6.150

552

IOD en Vaccinologie

 

8.205

18.975

– 10.770

Bevolkingsonderzoeken

 

19.318

145.719

– 126.401

Nationaal Programma Grieppreventie

 

14.657

59.718

– 45.061

Aanvullende curatieve soa-bestrijding

 

0

28.622

– 28.622

Infectieziektebestrijding

 

0

10.884

– 10.884

Technologie en demografie

 

0

1.256

– 1.256

         

Bijdrage aan medeoverheden

 

0

15.000

– 15.000

Extra contactmoment Jeugdgezondheidszorg

 

0

15.000

– 15.000

         

3. Gezondheidsbevordering

 

50.809

54.209

– 3.400

         

Subsidies

 

33.064

35.177

– 2.113

waarvan onder andere:

       

Preventie van schadelijk middelengebruik en

       

verslavingszorg

 

10.179

9.453

726

Gezonde voeding en gezond gewicht / JOGG /

       

Gezonde Leefstijl jeugd

 

8.919

13.554

– 4.635

Letselpreventie

 

5.297

3.867

1.430

Subsidies ter bevordering van seksuele gezondheid

 

5.451

5.131

320

Subsidies ter bevordering kwaliteit en toegankelijkheid zorg

 

3.218

3.172

46

         

Opdrachten

 

3.255

1.820

1.435

waarvan onder andere:

       

Medicinale heroïne t.b.v. heroïnebehandeling

 

2.743

0

2.743

Preventie van schadelijk middelengebruik en

       

verslavingszorg

 

295

520

-225

Gezonde voeding en gezond gewicht / JOGG

 

218

0

218

         

Bijdrage aan agentschappen

 

0

220

– 220

RIVM: Voedselconsumptiepeiling

 

0

220

– 220

         

Bijdrage aan medeoverheden

 

14.490

16.992

– 2.502

waarvan onder andere:

       

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

 

14.490

16.992

– 2.502

         

4. Ethiek

 

18.389

18.731

– 342

         

Subsidies

 

588

962

– 374

Beleid Medische Ethiek

 

588

962

– 374

         

Opdrachten

 

59

0

59

         

Bijdrage aan agentschappen

 

4.452

3.085

1.367

CIBG: Uitvoeringstaken medische ethiek

 

4.452

3.085

1.367

         

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

13.290

14.684

– 1.394

CVZ: Rijksbijdrage abortusklinieken

 

13.208

13.050

158

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek

 

82

1.634

– 1.552

         

Ontvangsten

21.135

16.565

10.903

5.662

Bestuurlijke boetes

 

5.260

4.252

1.008

E. Toelichting op de instrumenten

1. Gezondheidsbescherming

Subsidies

De onderuitputting van per saldo € 1,7 miljoen wordt voornamelijk veroorzaakt doordat in afwachting van het Nationaal Programma Preventie, projecten op het terrein van de Uitvoering landelijke nota gezondheidsbeleid nog niet zijn gestart (€ 1,3 miljoen).

Opdrachten

De gerealiseerde uitgaven op dit instrument bedragen € 3,2 miljoen. Dat is circa € 4,4 miljoen lager dan het in de begroting geraamde bedrag circa € 7,6 miljoen. Dit is met name veroorzaakt doordat minder instellingen dan verwacht hebben deelgenomen aan het project weerstandsverhoging onderzoeksinstellingen CBRN (chemische, biologische of radiologische/ nucleaire stoffen).

Bijdrage aan agentschappen

NVWA

Het bedrag van de opdrachtverlening NVWA 2013 komt overeen met het oorspronkelijk geraamde bedrag. Laatst bedoelde bedrag is inclusief een bedrag van € 4,2 miljoen dat naar aanleiding van het amendement Mulder – Bouwmeester (TK 33 400 XVI, nr. 47) aan het NVWA-budget is toegevoegd. Met deze verhoging is bereikt dat de voorgenomen korting op het NVWA-budget niet is doorgevoerd.

Financieringsstromen van VWS naar de NVWA 2013
Bedragen x € 1 miljoen

Beleidsterrein

Begroting

Realisatie

Voedselveiligheid

42,2

41,3

Productveiligheid

13,1

13,1

Alcohol en tabak

7,8

6,5

Overig

10,9

13,2

Totaal

74,0

74,1

RIVM

De opdrachtverlening 2013 inzake de programma’s aan het RIVM bedraagt € 18,5 miljoen en is € 4,3 miljoen hoger dan oorspronkelijk geraamd. Dat is een gevolg van een aantal aanvullende opdrachten waarvoor budget is overgeheveld naar dit instrument.

Kengetal voedselveiligheid: Aantal verloren gezonde levensjaren ten gevolge van voedselinfecties door ziekteverwekkende micro-organismen in voedsel in Nederland

Micro-organismen

Aantal verloren gezonde levensjaren (DALY=Disability Adjusted Life Year)

 

2009

2011

Toxoplasma gondii

2.000

2.000

Campylobacter spp.

1.300

1.530

Salmonella spp.

650

710

S. aureus toxine

630

670

C. perfringens toxine

450

490

Norovirus

240

300

Rotavirus

210

210

B. cereus toxine

97

100

Listeria monocytogenes

78

140

STEC O157

60

56

Giardia spp.

25

17

Hepatitis-A virus

15

9

Cryptosporidium spp.

10

8

Hepatitis-E virus

2

2

Totaal

5.800

6.250

Bron: Nationaal Kompas, RIVM

DALY=Disability Adjusted Life Year. Betreft de maat voor ziektelast in een populatie uitgedrukt in tijd; opgebouwd uit het aantal verloren levensjaren (door vroegtijdige sterfte) en het aantal jaren geleefd met gezondheidsproblemen (bijvoorbeeld een ziekte), gewogen voor de ernst hiervan (ziektejaar equivalenten). In deze maat komen de drie belangrijkste aspecten van gezondheid terug: kwantiteit (levensduur), kwaliteit en het aantal personen dat een effect ondervindt.

De getallen in de tabel zijn afgerond. Het totaal kan afwijken van de som van de weergegeven getallen.

2. Ziektepreventie

Subsidies

De gerealiseerde uitgaven op dit instrument bedragen € 192,1 miljoen. Dat is circa € 182,2 miljoen hoger dan het in de begroting geraamde bedrag van € 9,9 miljoen. Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door mutaties die reeds in de eerste suppletoire wet zijn gemeld. In de ontwerpbegroting 2013 (TK 33 400 XVI, nr. 1 en 33 400 XVI, nr. 2) waren de subsidies die worden verleend door het RIVM opgenomen onder het instrument «bijdragen aan agentschappen». Dit had het instrument «subsidies» moeten zijn. Bij eerste suppletoire wet is dit hersteld door € 187,6 miljoen over te boeken van het instrument «bijdragen aan agentschap RIVM» naar het instrument «subsidies RIVM». Voorts is door de vertraging van de invoering van het Bevolkingsonderzoek Darmkanker € 3,7 miljoen onderuitputting opgetreden.

Conform de begroting zijn subsidies verleend voor een goede bescherming tegen infectieziekten (onder andere voor de gedwongen opname van TBC-patiënten, onderzoek Q-koorts Herpen en de stichting Q-koorts) en preventie van chronische ziekten (onder andere Eurocat: onderzoek naar aangeboren afwijkingen, stichting Opsporing Erfelijke tumoren, het Erfocentrum, het Nationaal Actieplan Diabetes en het WHO/IARC (International Agency for Research on Cancer)). Voorts is subsidie verleend aan het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) voor activiteiten gericht op het ondersteunen van de JGZ-organisaties en de professionals bij het invoeren van vernieuwingen en verbeteringen in de praktijk.

Ziektepreventie

De onderschrijding van € 3 miljoen op ziektepreventie wordt veroorzaakt door een aantal kleine mutaties. Zo is er onder ander € 0,5 miljoen overgeheveld naar het instrument Opdrachten Ziektepreventie, € 1,1 miljoen overgeheveld naar het instrument bijdrage aan Baten en lastendienst Gezondheidsbescherming voor de kosten van de bestrijding van exotische muggen door de NVWA en voor het opzetten van een Bureau Biosecurity door het RIVM en is er een onderuitputting van € 0,8 miljoen opgetreden door vertraging in de uitvoering van projecten voor de BES-eilanden.

Bijdrage aan agentschappen

De gerealiseerde uitgaven op dit instrument bedragen € 102,5 miljoen. Dat is circa € 218 miljoen lager dan het in de begroting geraamde bedrag van € 320,6 miljoen. Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door mutaties die reeds in de eerste en de tweede suppletoire wet zijn gemeld (zie ook de toelichting onder subsidies).

Er is € 2,5 miljoen overgeboekt van artikel 9 (Algemeen) naar artikel 1. Het betreft het budget voor de basisovereenkomst tussen het agentschap RIVM en het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU) voor het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC). In verband met de oprichting van de projectdirectie Antonie van Leeuwenhoek terrein (ALT) is circa € 10,7 miljoen overgeboekt van artikel 1 naar artikel 10 (Apparaatsuitgaven, personele en materiële uitgaven kerndepartement). De voorraad antivirale middelen is langer houdbaar dan verwacht. De voor de vervanging gereserveerde middelen komen hierdoor niet tot besteding (-/- € 15,8 miljoen). Daarnaast zijn de uitvoeringskosten voor de HPV-vaccinatie (-/- € 0,9 miljoen) lager dan geraamd, doordat de inkoop van HPV-vaccin voortaan vanuit de premiemiddelen (RVP) wordt gefinancierd. Tot slot bedroeg het totaal van de overige (kleine) mutaties circa -/- € 5,6 miljoen.

Kengetal: Deelname aan bevolkingsonderzoeken en screeningen in procenten

Kengetal: Deelname aan bevolkingsonderzoeken en                   screeningen in procenten

– RVP = percentage deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma.

Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland. RIVM rapport 150202001 (pagina 9, tabel S2).

– Voor het verslagjaar 2013 (betreft alle vaccinaties gegeven t/m 2012) is dit percentage 95,5%. Dit betreft het percentage kinderen geboren in 2010 dat basisimmuun is voor DKTP vóór het bereiken van hun 2-jarige leeftijd. Het RVP wordt betaald uit de premiegefinancierde uitgaven (zie Financieel Beeld Zorg).

– Griep = percentage deelname aan het Nationaal Programma Grieppreventie.

Monitor vaccinatiegraad Nationaal Programma Grieppreventie 2012, IQ Healthcare in opdracht van het Centrum voor bevolkingsonderzoek (RIVM).

– BK = percentage deelname aan het bevolkingsonderzoek naar borstkanker.

Landelijk Evaluatieteam bevolkingsonderzoek borstkanker (LETB). Erasmus MC Rotterdam (pagina16, figuur 2.6).

– BMHK = percentage deelname aan het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker.

Landelijke Evaluatie Bevolkingsonderzoek naar Baarmoederhalskanker (LEBA). Rapportage 2011.

– PSIE = percentage deelname aan de Prenatale screening infectieziekten en erytrocytenimmunisatie (Hielprik).

– Monitor en evaluatie van de neonatale hielprikscreening bij kinderen geboren in 2012, TNO-rapport TNO/CH 2014 R 10324 (pas vanaf zomer 2014 openbaar).

Deze cijfers geven een goede indicatie van de ontwikkelingen op de beleidsterreinen met dien verstande dat de nadruk op geïnformeerde keuze voor deelname ligt en niet op een zo hoog mogelijk percentage. De beschermingsgraad ligt in de praktijk hoger dan het met het deelnamepercentage weergegeven cijfer in verband met bijvoorbeeld de groepsimmuniteit.

Bijdrage aan medeoverheden

Het geraamde bedrag van € 15 miljoen is in de eerste suppletoire wet overgeboekt naar het Gemeentefonds voor de toevoeging van middelen in verband met een extra contactmoment jeugdgezondheidszorg aan doeluitkering Jeugd en Gezin.

3. Gezondheidsbevordering

Subsidies

Aan het Trimbos instituut is subsidie verstrekt op het terrein van preventie schadelijk middelengebruik voor circa. € 8,9 miljoen voor o.a. Partnership vroegsignalering alcohol en preventie riskant middelen gebruik uitgaanscircuit en als instellingssubsidie. Daarnaast is € 1,1 miljoen besteed aan middelen voor projecten op terrein van de verslavingszorg.

Gezonde voeding en gezond gewicht/JOGG/Gezonde leefstijl jeugd

Om de beleidsdoelen rond gezondheidsbevordering te verwezenlijken worden activiteiten mogelijk gemaakt door subsidieverlening aan het Voedingscentrum Nederland voor de realisatie van onder andere het prioriteitenplan «Gezond door het leven» en de Gezonde Schoolkantine (€ 5,9 miljoen). Ter versterking van de lokale ketenzorg is aan de VU Amsterdam een projectsubsidie verstrekt van € 0,8 miljoen. De totale uitgaven op dit instrument zijn € 4,6 miljoen minder dan geraamd met name als gevolg van overboekingen naar andere artikelen/begrotingshoofdstukken. Zo zijn op dit onderwerp activiteiten uitgevoerd door het Ministerie van EL&I ten behoeve van smaaklessen (€ 0,25 miljoen), door het Ministerie van OCW voor financiering van de Onderwijsagenda, sport, bewegen en gezonde leefstijl (SBGL)/Gezonde Schoolpleinen (circa € 2,6 miljoen), door het centrum voor Gezond Leven voor Gezonde kinderopvang aanpak, Ondersteuning onderwijs/jeugdimpuls en Ouderparticipatie (circa € 0,1 miljoen) en voor de sportimpuls is € 0,25 miljoen overgeboekt naar ZonMw. Daarnaast was sprake van lagere subsidieverleningen op het terrein van gezonde voeding, gezond gewicht en gezonde leefstijl.

De stichting VeiligheidNL heeft € 5,3 miljoen ontvangen middels instellings- en projectsubsidies in het kader van Letselpreventie en de regionalisering LIS. VeiligheidNL heeft zich daarbij specifiek gericht op de doelgroepen jeugd en ouderen, onder andere door de ontwikkeling en toepassing van gedragsinterventies en voorlichting ten behoeve van deze doelgroepen. Ook heeft VeiligheidNL via onder andere onderzoek en voorlichtingsmaterialen een bijdrage geleverd aan de preventie van sportblessures. Daarnaast heeft VeiligheidNL aan de hand van registraties informatie over letsels in Nederland geleverd. De totale uitgaven op dit onderdeel vielen hierdoor circa € 1,4 miljoen hoger uit dan geraamd.

Opdrachten

De gerealiseerde uitgaven op dit instrument bedragen circa € 3,3 miljoen. Dat is circa € 1,4 miljoen hoger dan het in de begroting geraamde bedrag van € 1,8 miljoen. De (hogere) uitgaven hebben vooral betrekking op de levering van medicinale heroïne. In de begroting waren hiervoor middelen begroot (€ 2,5 miljoen) op het instrument «Bijdrage aan medeoverheden».

Bijdrage aan medeoverheden

Conform begroting is een financiële bijdrage aan gemeenten verstrekt voor het, binnen een gesloten systeem, aanbieden van een behandeling, waarbij naast methadon ook medicinale heroïne wordt verstrekt aan een beperkte groep langdurig opiaatverslaafden. In 2013 zijn bij 16 gemeenten in 18 poli’s ongeveer 750 patiënten behandeld; hiervoor ontvingen de gemeenten € 14,5 miljoen. Een deel van de middelen is ingezet voor de levering van medicinale heroïne (€ 2,5 miljoen; zie hiervoor onder «Opdrachten»).

Kengetallen Gezondheidsbevordering
 

2001

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

1. Het percentage niet-rokers ≥ 15 jaar

72%

73%

72%

73%

76%

74%

75%

2. Overgewicht bij volwassenen ≥ 20 jaar

45,50%

46,90%

47,20%

48,20%

48,20%

 

3. Overgewicht bij kinderen leeftijd 4–20 jaar

13,10%

13,60%

12,80%

 

4. Het percentage mensen in algemene bevolking (12 jaar en ouder) dat niet zwaar drinkt.

89,30%

90,00%

89,60%

89,60%

90,60%

 

5. Het percentage 12–15 jarigen dat nog nooit alcoholhoudende drank heeft gedronken

25,60%

36,50%

35,00%

38,40%

 

6. Aantal problematische drugsverslaafden per 1.000 inwoners

3,1

1,6

1,3

 

7. Aantal spoedeisende hulpbehandelingen in ziekenhuizen door privéongevallen en sportblessures

700.000

650.000

650.000

640.000

600.000

600.000

 

8. Vindpercentage seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) bij de soa-poli’s van de GGD

12,70%

13,20%

13,20%

13,70%

14,30%

15,10%

 

Bron:

1. TNS NIPO in opdracht van het Trimbos-instituut. Continue Onderzoek Rookgewoonten (COR).

2. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), Lengte en gewicht van personen, ondergewicht en overgewicht; vanaf 1981.

3. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), Lengte en gewicht van personen, ondergewicht en overgewicht; vanaf 1981.

4. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), via www.Statline.nl van Centraal Bureau voor de Statistiek.

5. Health Behaviour in School-aged Children, Trimbos Instituut, zie www.trimbos.nl.

6. Nationaal Kompas Volksgezondheid: Afhankelijkheid van drugs.

7. Letselinformatiesysteem 2001–2010 VeiligheidNL en CBS, zie www.veiligheid.nl en www.cbs.nl. De trend voor letsel als gevolg van privéongevallen en sportblessures in de afgelopen jaren is positief, waarbij in 2011 geen verandering is te zien ten opzichte van 2010.

8. Nationaal Kompas Volksgezondheid: Betreft het percentage bezoekers van soa-poli’s, waarbij één (of meer) soa is gevonden.

4. Ethiek

Bijdrage aan agentschappen

Aan het CIBG is opdracht verstrekt voor de uitvoering van het secretariaat van de regionale toetsingscommissies euthanasie (RTE), de stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting, de centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en het beheer van de daarbij behorende registers. De totale opdrachtverlening lag in totaal circa € 1,4 miljoen hoger dan verwacht. Dit werd voornamelijk veroorzaakt door hogere kosten RTE en nieuwbouw KIDS-register.

Bijdrage aan ZBO’s RWT’s

De apparaatsuitgaven van CCMO waren in de ontwerpbegroting (TK 33 400 XVI, nr. 1 en 2) ten onrechte op artikel 1 geraamd. Bij de eerste suppletoire wet is dit hersteld door middel van een overboeking van € 1,4 miljoen van artikel 1 naar artikel 10 (Apparaatsuitgaven, personele en materiële uitgaven SCP en raden).

Aan het CVZ is een financiële bijdrage van € 13,2 miljoen beschikbaar gesteld voor het op grond van de regeling «subsidies AWBZ» verstrekken van subsidies aan abortusklinieken.

Ontvangsten

De overschrijding van de ontvangsten wordt vooral veroorzaakt door een niet geraamde terugbetaling van € 4,3 miljoen door ZonMw als gevolg van de overschrijding van de zogenaamde overlooppost. Deze overlooppost is bedoeld om fluctuaties in de liquiditeitsbehoefte op te vangen als gevolg van vertragingen c.q. versnellingen binnen een programma. De gerealiseerde ontvangsten Bestuurlijke Boetes NVWA bedroegen ruim € 5 miljoen, € 1 miljoen meer dan geraamd. Deze hoger dan geraamde realisatie is toe te schrijven aan de verhoging van de boetes voor roken in de horeca en aan opgelegde boetes voor reclameovertredingen van de tabaksindustrie.

Beleidsartikel 2 Curatieve zorg

A. Algemene beleidsdoelstelling

Een kwalitatief goed en toegankelijk stelsel voor curatieve zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van VWS is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor curatieve zorg. De Zorgverzekeringswet vormt samen met de zorgbrede wetten, zoals de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi), de wettelijke basis van dit stelsel. De uitgaven en ontvangsten op basis van de Zorgverzekeringswet komen aan bod in het hoofdstuk Financieel Beeld Zorg. Op begrotingsartikel 2 Curatieve zorg worden de begrotingsuitgaven en -ontvangsten voor curatieve zorg verantwoord. Het betreft veelal uitgaven die ondersteunend zijn aan de werking van het stelsel.

Om het zorgstelsel goed te laten functioneren is het samenspel van zorgprofessionals, cliënten, zorginstellingen, zorgverzekeraars en toezichthouders van groot belang. De Minister van VWS richt zich in beginsel op het formuleren van de voorwaarden waarbinnen dit samenspel tot goede resultaten kan leiden en op het inzetten van aanvullende instrumenten waar het samenspel (nog) niet leidt tot voldoende kwaliteit, toegankelijkheid of betaalbaarheid van de curatieve zorg. Een deel van die instrumenten gaat gepaard met uitgaven die vanaf dit begrotingsartikel worden betaald. Het betreft subsidies, opdrachten en bijdragen, waarmee de Minister een regisserende, stimulerende of financierende rol uitvoert. Hoe de Minister invulling geeft aan deze rollen in het kader van de uitgaven die verantwoord zijn op dit begrotingsartikel staat beschreven in de volgende tabel. Het betreft hier een beschrijving van de meest van toepassing zijnde rol. In paragrafen D en E van dit begrotingsartikel staan de uitgaven in meer detail toegelicht.

Naast de uitgaven op dit begrotingsartikel worden er ook begrotingsuitgaven en -ontvangsten voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor curatieve zorg verantwoord op andere begrotingsartikelen. Zo is de Minister van VWS vanuit de verantwoordelijkheid voor curatieve zorg beleidsverantwoordelijk voor de zorgtoeslag. Deze middelen staan verantwoord op artikel 8, Tegemoetkoming specifieke kosten. De uitgaven voor het apparaat van het ministerie zelf en de financiering van de uitvoerende organisaties staan verantwoord in artikel 10 Apparaatsuitgaven respectievelijk artikel 4 Zorgbreed beleid.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

Kwaliteit en (patiënt) veiligheid

Het bevorderen van de kwaliteit, (patiënt) veiligheid en innovatie in de curatieve zorg.

Het ondersteunen van initiatieven op het terrein van de Life Sciences and Health met als doel de beschikbaarheid van medische producten en materialen op termijn te bevorderen.

Het bevorderen van kwalitatief goede zorg door medefinanciering van hoogwaardige oncologisch onderzoek en de financiering van de familie- en vertrouwenspersonen in ggz-instellingen. Daarnaast wordt het digitale communicatiesysteem voor de zwaailichtsector (mede) gefinancierd.

Bevorderen van de beschikbaarheid van donororganen door het financieren van initiatieven die bijdragen aan een zorgvuldige orgaandonorwerving in de ziekenhuizen, het onderhouden van het donorregister en het geven van publieksvoorlichting over orgaandonatie. Het financieren van bijwerkingenregistraties ten behoeve van het monitoren van de productveiligheid.

Het onderhouden van wet- en regelgeving op het gebied van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, lichaamsmaterialen en bloedvoorziening.

Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Het ondersteunen van initiatieven om de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de curatieve zorg te garanderen en/of te verbeteren.

Bevorderen van de toegankelijkheid/ betaalbaarheid van de zorg door het deels compenseren van de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen.

Bevorderen van de toegankelijkheid/betaalbaarheid door het financieren van de zorguitgaven voor kinderen tot 18 jaar.

 

Bevorderen van de werking van het stelsel (waaronder doelmatigheid)

Het ondersteunen van initiatieven om fraude in de zorg zoveel mogelijk te voorkomen.

Het bevorderen van de werking van het stelsel door het systeem van risicoverevening.

Het financieren van kostencomponenten die het gelijk speelveld verstoren.

De werking van het zorgverzekeringsstelsel wordt bevorderd door het actief opsporen van onverzekerden en wanbetalers.

Het (door)ontwikkelen van productstructuren op basis waarvan onderhandelingen over bekostiging plaatsvinden.

Het bepalen van de normen/criteria, waaraan de registers (bijvoorbeeld BIG-register) die worden bijgehouden om de werking van het stelsel te bevorderen, moeten voldoen.

C. Beleidsconclusies

In 2013 heeft de overheid verder gewerkt aan het in creëren van de juiste randvoorwaarden om ruimte te bieden voor de toepassing van e-Health en andere vormen van innovatie. Een onderdeel hiervan is het faciliteren van de ontwikkeling en het gebruik van ICT- en informatiestandaarden, waarvoor het Nationaal ICT Instituut in de Zorg (Nictiz) middels een instellingssubsidie in staat is gesteld om te fungeren als kennis- en expertisecentrum. Daarnaast heeft VWS in internationale werkgroepen en samenwerkingen geparticipeerd om o.a. bij te dragen aan de realisatie van de Digitale Agenda voor Europa. Verder heeft de overheid voor het eerst het gebruik van e-Health in de gezondheidszorg laten monitoren in de «e-Health monitor 2013». Ten aanzien van het voornemen de positie van de patiënt te versterken en de privacy en beveiliging te borgen is het wetsvoorstel cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens opgesteld dat in behandeling is bij de Tweede Kamer.

Voor de generalistische basis ggz zijn de voorbereidingen getroffen voor de introductie van vier nieuwe tarieven generalistische basis ggz en is gewerkt aan een onderbouwing voor inhoudelijke producten voor de basis ggz. Op basis daarvan is een voorhangbrief aan de Tweede Kamer gestuurd met de beleidsvoornemens voor 2014 (TK 25 424, nr. 211). De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft vervolgens de beleidsregels hierover in augustus vastgesteld. De voorbereidingen voor de monitor van de basis ggz die in 2014 start, zijn ook getroffen door het opstarten van een Europese aanbestedingsprocedure. Tot slot is er een website in de lucht www.invoeringbasisggz.nl.

Voor de versterking van de eerstelijnszorg en de zorg dichtbij huis zijn in 2013 bestuurlijke afspraken gemaakt met de aanbieders van huisartsenzorg, multidisciplinaire zorg en met de zorgverzekeraars. Op basis van de hoofdlijnen over het nieuwe bekostigingsmodel zoals opgenomen in het akkoord is de NZa in juli 2013 verzocht te adviseren over de precieze wijze voor huisartsenzorg, multidisciplinaire zorg en timing van de invoering van een nieuw bekostigingsmodel per 2015. Om de ontwikkelingen in de versterking van de eerstelijnszorg goed te kunnen volgen heeft VWS vijftien initiatieven geselecteerd onder de noemer proeftuinen en pilots «betere zorg met minder kosten» (TK 32 620, nr. 85 en 32 620, nr. 92). Het NIVEL heeft in opdracht van VWS onderzoek gedaan naar substitutie van tweedelijns naar eerstelijns zorg in Nederland (bijlage bij TK 32 620, nr. 92). Daarnaast heeft VWS in 2013 de looptijd van het ZonMw-programma Op één Lijn, dat specifiek gericht is op de versterking van de eerstelijn, met een jaar verlengd.

In de eerste lijn is met de afronding van het programma Zorg voor Veilig (2008–2012) het onderwerp patiëntveiligheid bij partijen neergelegd. In het programma zijn veel instrumenten ontwikkeld waarmee partijen in hun eigen praktijk aan de slag kunnen gaan. Daarnaast heeft VWS nog enkele overkoepelende activiteiten gefinancierd zoals het houden van landelijke meldweken, een onderzoek naar het transmuraal melden van incidenten en de ontwikkeling van SCOPE (Systematisch Cultuur Onderzoek Patiëntveiligheid Eerste lijn).

Voor wat betreft de ziekenhuissector heeft het onderzoek van EMGO/NIVEL (november 2013) aangetoond dat de doelstellingen van de landelijke programmatische aanpak van patiëntveiligheid (2008–2012) waar VWS met veldpartijen de afgelopen jaren financieel in heeft geïnvesteerd, zijn gehaald. Alle ziekenhuizen, op twee na, hadden eind 2013 een geaccrediteerd veiligheidsmanagementsysteem en de beoogde 50% reductie van potentieel vermijdbare schade en sterfte is grotendeels gerealiseerd. Dat geldt niet voor de beoogde doelstellingen op tien risicovolle inhoudelijke thema’s. Niet alle ziekenhuizen hebben alle thema’s reeds geïmplementeerd in de dagelijkse praktijk. Daarom heeft VWS met de partners van het programma afspraken gemaakt om de afgesproken doelen alsnog te bereiken en verdere vermindering van potentieel te vermijden schade structureel verder omlaag te brengen. In het voorjaar van 2014 zal de Kamer geïnformeerd worden over de concrete invulling van de gezamenlijk afgesproken maatregelen.

In de curatieve GGZ heeft in de periode 2009 tot en met 2013 een meerjarenprogramma patiëntveiligheid in de GGZ plaatsgevonden. In dit programma Veilige zorg, ieders zorg, is met meerdere GGZ partijen (instellingen/beroepsgroepen) onder leiding van GGZ-Nederland gewerkt aan inhoudelijke thema’s voor patiëntveiligheid in de GGZ. Dit waren onder meer: agressie in de zorg, suïcidepreventie, terugdringen dwang en drang en somatische comorbiditeit. In het najaar van 2013 is het programma afgerond en afgesloten met een slotcongres. Reeds in het slotcongres is naar voren gebracht dat het onderwerp patiëntveiligheid onverdeelde en voortdurende aandacht behoeft. Door GGZ Nederland wordt, in samenwerking met VWS, een invitational conference georganiseerd met als doel het vervolgtraject nader te bepalen.

In het voorjaar van 2014 zal de Kamer geïnformeerd worden over de vervolgstappen ten aanzien van patiëntveiligheid in de eerste lijn, de GGZ en de medisch-specialistische zorg.

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

2.618.694

2.764.564

2.769.858

– 5.294

         

Uitgaven

2.655.887

2.789.790

2.796.291

– 6.501

         

1. Kwaliteit en veiligheid

 

116.315

114.399

1.916

         

Subsidies

 

110.631

109.003

1.628

waarvan onder andere:

       

Integrale kankercentra

 

27.830

27.040

790

Nederlands Kanker Instituut

 

17.254

17.100

154

Patiëntveiligheid curatieve zorg

 

1.366

2.585

– 1.219

Subsidies in relatie tot zwangerschap en geboorte

 

2.402

1.651

751

Registratie en uitwisseling zorggevens (PALGA)

 

3.443

2.808

635

Perinataal Webbased dossier

 

633

1.000

– 367

Nictiz

 

4.450

5.000

– 550

Stichting Lareb: bijwerkingenregistratie voor vaccins

       

en de teratologie informatie service

 

1.224

1.224

0

Nederlandse Transplantatie Stichting

 

3.167

3.691

– 524

Regio's landelijke implementatie pilots orgaandonatie

 

7.697

8.281

– 584

Stichting Life Sciences & health

 

21.743

20.268

1.475

Topinstituut Pharma

 

13.499

9.118

4.381

UMCG ten behoeve van het project Lifelines

 

2.602

6.100

– 3.498

         

Opdrachten

 

1.876

2.019

– 143

         

Bijdragen aan agentschappen

 

3.808

3.177

631

waarvan onder andere:

       

CIBG: donorregister

 

3.571

3.104

467

         

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

0

150

– 150

         

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

 

0

50

– 50

         

2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

 

2.609.284

2.613.111

– 3.827

         

Subsidies

 

12.293

14.536

– 2.243

waarvan onder andere:

       

Eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden

 

1.312

2.000

– 688

Anonieme e-mental health

 

785

2.000

– 1.215

Stichting Patiëntvertrouwenspersoon

 

4.997

4.744

253

Stichting Familievertrouwenspersoon

 

1.101

1.080

21

Stichting Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik

 

910

1.000

– 90

         

Bekostiging

 

2.594.090

2.565.500

28.590

waarvan onder andere:

       

Rijksbijdrage 18-

 

2.565.500

2.565.500

0

         

Opdrachten

 

1.858

4.508

– 2.650

         

Bijdrage aan agentschappen

 

1.043

951

92

CIBG: Farmatec

 

1.043

951

92

         

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

 

0

27.616

– 27.616

CVZ: Compensatie kosten van zorg illegalen en

       

andere onverzekerbare vreemdelingen

 

0

27.616

– 27.616

         

3. Bevorderen werking van het stelsel

 

64.191

68.781

– 4.590

         

Subsidies

 

3.226

13.700

– 10.474

waarvan onder andere:

       

Stichting DBC-Onderhoud

 

0

12.822

– 12.822

         

Bekostiging

 

3.144

0

3.144

Afwikkeling algemene kas ZFW

 

3.144

0

3.144

         

Inkomensoverdrachten

 

35.757

30.000

5.757

waarvan onder andere:

       

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling

       

ambulancepersoneel

 

35.713

30.000

5.713

         

Opdrachten

 

2.566

3.216

– 650

waarvan onder andere:

       

Risicoverevening

 

1.179

1.359

– 180

         

Bijdragen aan agentschappen

 

19.498

12.430

7.068

CJIB: onverzekerden

 

3.100

810

2.290

CJIB: wanbetalers

 

16.398

11.620

4.778

         

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

0

5.335

– 5.335

SVB: onverzekerden

 

0

1.530

– 1.530

CVZ: onverzekerden

 

0

1.860

– 1.860

CVZ: wanbetalers

 

0

1.945

– 1.945

         

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

 

0

4.100

– 4.100

V&J: Bijdrage C2000

 

0

4.100

– 4.100

         

Ontvangsten

92.490

78.105

22.128

55.977

waarvan onder andere:

       

Ontvangsten wanbetalers

 

66.343

13.900

52.443

E. Toelichting op de instrumenten

1. Kwaliteit en veiligheid

Subsidies

Integrale kankercentra

Het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) en het Integraal Kankercentrum Zuid (IKZ) ondersteunen ziekenhuizen in de regio om kwalitatief hoogwaardige oncologische zorg te kunnen leveren. Het totale subsidiebedrag voor beide instellingen bedroeg in 2013 € 27,8 miljoen. VWS heeft de subsidie verleend onder andere voor de ondersteuning van regionale netwerken en werkgroepen van professionals, de consultdiensten, de kankerregistratie, trialondersteuning, wetenschappelijk onderzoek, het ontwikkelen van kwaliteitsindicatoren, de ontwikkeling van richtlijnen en bij- en nascholing. Daarbij stond 2013 in het teken van de voorbereidingen op de fusie van het IKZ met het IKNL per 1 januari 2014.

Nederlands Kanker Instituut

Het Nederlands Kanker Instituut (NKI) is een internationaal erkend centre of excellence op het gebied van oncologisch onderzoek. Het wetenschappelijk onderzoek beweegt zich op een breed gebied dat fundamenteel biologische vraagstellingen, klinisch onderzoek, epidemiologie en psychosociaal onderzoek omvat. De combinatie van een focus op oncologie en de aanwezigheid van state of the art kennis en technologie, maakt dat het NKI goed past binnen het concentratie- en specialisatiebeleid van VWS. Het NKI kreeg in 2013 € 17,3 miljoen subsidie van VWS. Dit bedrag bestond uit een instellingssubsidie van circa € 12 miljoen en een subsidie voor de kapitaallasten van circa € 5 miljoen.

Patiëntveiligheid curatieve zorg

De meerjarige landelijke programma’s gericht op het agenderen en bevorderen van patiëntveiligheid zijn in 2013 tot een afronding gekomen. Voor alle sectoren geldt dat de programmatische aanpak heeft gewerkt, dat er veel kennis is opgedaan en instrumenten zijn ontwikkeld, maar dat de gestelde doelen nog niet volledig zijn bereikt. Ook kunnen er als gevolg van verschuivingen in het zorglandschap nieuwe samenwerkingsverbanden tussen zorgaanbieders ontstaan. De nieuwe overdrachtsmomenten die hiermee samengaan zorgen mogelijk voor nieuwe aandachtspunten met betrekking tot patiëntveiligheid. In 2013 zijn de middelen voor patiëntveiligheid niet volledig uitgeput, omdat 2013 een overgangsjaar betrof waarin mede op basis van de uitkomsten van de verschillende programma’s is gekeken naar hoe de komende jaren een vervolg zal worden gegeven aan patiëntveiligheid. Het uitgangspunt hierbij is dat patiëntveiligheid primair de verantwoordelijkheid is van aanbieders, professionals en verzekeraars, maar ook dat VWS het thema op de agenda houdt. De herhaalstudie naar ziekenhuisopnames door verkeerd geneesmiddelgebruik (IPCI/Harm) is in februari 2013 aangeboden aan de Tweede Kamer (TK 29 477, nr. 226). Naar aanleiding van de resultaten is opdracht gegeven tot integratie van de leidraad begeleiding nieuwe antistollingsmedicatie en de landelijke standaard ketenzorg antistolling.

Stichting Lareb: bijwerkingenregistratie voor vaccins en de teratologie informatie service

De stichting Lareb ontving in de periode 1 oktober 2012 tot 20 mei 2013 221 meldingen van bijwerkingen na vaccinatie met een griepvaccin, 35% meer dan het seizoen 2011/2012. Bij 13 meldingen (6%) ging het om ernstige bijwerkingen. Er waren geen meldingen van overlijden na griepvaccinatie en geen signalen voor bijzondere, nieuwe of verontrustende bijwerkingen. Lareb brengt in mei 2014 de jaarrapportage uit over de meldingen van bijwerkingen over het in 2013 uitgevoerde Rijksvaccinatieprogramma. Met financiering door het agentschap CBG hield Lareb zich ook in 2013 bezig met het verzamelen en analyseren van ernstige bijwerkingen van geneesmiddelen. Zorgverleners melden onvoldoende ernstige bijwerkingen van geneesmiddelen door aan Lareb, terwijl deze informatie van groot belang kan zijn. In 2013 heeft Lareb door media-aandacht veel meldingen ontvangen van patiënten over ernstige bijwerkingen van de Diane-35 pil. Mede op basis van het grote aantal meldingen en de uitkomsten van het overleg met de meest betrokken beroepsgroepen, is besloten dit middel niet langer te vergoeden via het verzekerde pakket.

Bronnen: Lareb rapportage meldingen bijwerkingen griepvaccins 2012–2013

Nederlandse Transplantatie Stichting en regio’s landelijke implementatie pilots orgaandonatie

In 2013 heeft de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) zoals voorzien een rol gespeeld in de monitoring van de activiteiten in ziekenhuizen rond de implementatie van de pilots orgaandonatie. Daarnaast heeft de NTS haar rol als kenniscentrum rond orgaan- en weefseldonatie vervuld en verzorgde de stichting de voorlichting rond orgaan- en weefseldonatie. De subsidie aan de NTS viel in 2013 incidenteel € 0,5 miljoen lager uit dan geraamd door het afromen van de egalisatiereserve. De activiteiten rond de pilots orgaandonatie zijn zoals verwacht voortgezet.

Kengetallen orgaandonatie

Kengetallen orgaandonatie

Bron: website van de Nederlandse Transplantatie Stichting (www.transplantiestichting.nl/cijfers/actuele-cijfers-organen). De stijgende lijn qua aantal postmortale orgaandonoren en transplantaties kon in 2013 worden vastgehouden. De cijfers over 2013 zijn voorlopig en kunnen nog wijzigen door nagekomen rapportages. De definitieve cijfers publiceert de NTS in haar jaarverslag over 2013.

Stichting Life Sciences and Health, het Topinstituut Pharma en UMCG ten behoeve van het project Lifelines

Uit de voormalige FES-gelden wordt subsidie verstrekt aan projecten op het gebied van life sciences and health. De uitgaven worden beïnvloed door het tijdstip van declareren van de betrokken instellingen. In 2013 heeft dat tot hogere uitgaven geleid. In 2013 werd de laatste tranche subsidie uit de voormalige FES-gelden beschikbaar gesteld aan het Topinstituut Pharma. Met de verstrekte subsidie is in de afgelopen jaren een onderzoeks-programma gefinancierd waarbij de focus lag op samenwerking tussen publieke en private partijen. In 2013 is naast het projectenmanagement door het Topinstituut Pharma gewerkt aan de transitie van het Topinstituut naar een positionering binnen de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI)-structuur. De realisatie voor het Topinstituut Pharma is hoger uitgevallen doordat geplande uitgaven uit voorgaande jaren zijn doorgeschoven naar 2013.

Eind 2013 is het geplande aantal deelnemers aan het Lifelines project van 165.000 (www.lifelines.nl) bereikt. Vanaf 2014 zullen de deelnemers voor de 2e keer worden gescreend. De database van het Lifelines project is (geanonimiseerd) beschikbaar voor onderzoekers. In 2013 is gewerkt aan de realisatie van de bewaarfaciliteit voor de biobank. Deze zal begin 2014 volledig operationeel zijn. In verband met de lagere realisatie van kasuitgaven door UMCG in voorgaande jaren is het subsidiebedrag in 2013 lager uitgevallen dan geraamd.

2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Subsidies

Anonieme e-mental health

Op dit moment is een wetsvoorstel aanhangig bij de Tweede Kamer om financiering van anonieme e-mental health structureel mogelijk te maken. Om anonieme e-mental health in de tussenliggende periode te financieren is tijdelijk een subsidieregeling ingesteld waarop aanbieders van anonieme e-mental health een aanvraag kunnen indienen. Voor deze subsidieregeling is jaarlijks een budget beschikbaar van € 2 miljoen. Dit budget is niet volledig uitgeput aangezien er minder aanvragen zijn ingediend die voldoen aan de subsidie eisen dan er budget beschikbaar is.

Bekostiging

Bij de invoering van Verantwoord Begroten stonden de uitgaven in het kader van de bekostiging van zorgkosten illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen ten onrechte op het instrument Bijdrage ZBO’s en RWT’s geboekt. Dit is hersteld bij de tweede suppletoire wet.

Opdrachten

De lagere uitgaven zijn onder meer veroorzaakt doordat er in 2013 geen uitgaven zijn geweest voor de aanbesteding met betrekking tot de proefberekeningen van de GVS-vergoedingslimieten. Tevens zijn er lagere uitgaven geweest voor onderzoeken en projecten op het gebied van bijvoorbeeld overhevelingen van geneesmiddelen en verspilling in de zorg.

Bijdrage ZBO’s en RWT’s

Zie de toelichting onder Bekostiging.

3. Bevorderen werking van het stelsel

Subsidies

Stichting DBC-Onderhoud

Zoals gemeld bij de eerste suppletoire wet zijn de middelen die bestemd zijn voor de (door)ontwikkeling en het beheer van de DBC-systematiek, als gevolg van het beleggen van de verantwoordelijkheid bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), overgeboekt naar artikel 4 (Zorgbreed beleid).

Bekostiging

In 2013 is het CVZ in het kader van de afwikkeling van de voormalige Algemene Kas voortgegaan met het doorbelasten van de door hen betaalde uitgaven en het doorberekenen van de ontvangen bedragen aan het Ministerie van VWS.

Inkomensoverdrachten

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

De totale mutatie betreft circa € 5,7 miljoen. Deze bestaat met name uit € 6,5 miljoen betalingen over voorgaande jaren bij het uitvoeren van de overgangsregeling FLO/VUT/Ouderenregeling in de ambulancezorg.

Bijdragen aan agentschappen

Bijdrage aan CJIB in verband met onverzekerden en wanbetalers Zvw

De totale mutatie betreft circa € 7,2 miljoen. Dit wordt met name veroorzaakt door een technische overboeking van € 8,1 miljoen van het instrument Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s (bijdragen aan SVB en CVZ in verband met onverzekerden en wanbetalers Zvw). Er is ruimte ontstaan van € 0,9 miljoen door vrijval op dat budget.

Kengetallen onverzekerden en wanbetalers Zorgverzekeringswet
 

2011

2012

2013

Aantal overzekerden eind december bij het CVZ

58.000

40.000

29.000

Aantal wanbetalers eind december bij het CVZ

318.000

299.000

316.000

Bron: maandrapportage CVZ.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Op dit instrument zijn bij eerste en tweede suppletoire wet diverse technische mutaties verwerkt. Bij eerste suppletoire wet is de raming (structureel) opgehoogd met € 16,9 miljoen. Daarnaast is op dat moment € 10,7 miljoen overgeboekt naar artikel 4 Zorgbreed beleid in verband met de uitvoeringskosten van het CVZ. Bij tweede suppletoire is onder meer € 8,1 miljoen overgeboekt naar het instrument Bijdragen aan agentschappen.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

VWS draagt 4,5% bij aan de exploitatiekosten van het digitale communicatiesysteem voor de hulpverleningsdiensten, C2000. Daarmee is het aandeel van de ambulancezorg gedekt. Deze kosten zijn structureel (€ 4,1 miljoen). Dit bedrag wordt jaarlijks via een begrotingsmutatie overgeboekt naar het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Ontvangsten

Wanbetalers en onverzekerden

De ontvangstenraming wanbetalers en onverzekerden is in de eerste en tweede suppletoire wet aangepast met € 39,7 miljoen respectievelijk € 18,9 miljoen op basis van realisatiecijfers over de eerste maanden van 2013 en geactualiseerde inzichten. Ten opzichte van die bijgestelde raming is de realisatie uiteindelijk circa € 6,2 miljoen lager uitgevallen, doordat een deel van de ontvangsten die betrekking hebben op 2013 pas in 2014 daadwerkelijk gerealiseerd zullen worden.

Beleidsartikel 3 Maatschappelijk ondersteuning en langdurige zorg

A. Algemene beleidsdoelstelling

Een kwalitatief goed en toegankelijk stelsel voor zorg en ondersteuning voor mensen met een langdurige of chronische aandoening van lichamelijke, verstandelijke of psychische aard. Dit met het oog op het zo lang mogelijk participeren in de samenleving en hun omgeving en behoud van eigen regie tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg dat randvoorwaarden schept om de toegankelijkheid, de kwaliteit en de betaalbaarheid hiervan te waarborgen voor de burger. De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vormen de wettelijke basis voor dit stelsel. De Minister financiert de AWBZ en via het Gemeentefonds worden de Wmo, het verslavingsbeleid, de openbare geestelijke gezondheidszorg en de decentralisatie-uitkeringen vrouwenopvang en maatschappelijke opvang gefinancierd. De premie-uitgaven en ontvangsten op het terrein van langdurige zorg komen aan bod in het hoofdstuk Financieel Beeld Zorg (FBZ). Op dit begrotingsartikel worden de begrotingsuitgaven voor langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning verantwoord.

De Minister stimuleert de ontwikkeling en brede verspreiding van innovaties en best practices op het gebied van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning en ondersteunt initiatieven om de klantgerichtheid, de kwaliteit en het innoverend vermogen van zorgaanbieders te versterken.

De Minister is (mede)financier door onder meer de rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) in de AWBZ en door het verstrekken van instellingssubsidies aan partijen die een belangrijke rol vervullen binnen het stelsel, zoals het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).

De Minister regisseert de Wmo en de AWBZ door onder meer het stellen van wettelijke kaders, het maken van bestuurlijke afspraken en het monitoren van de uitkomsten. De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van het bovenregionaal vervoer en het mantelzorgcompliment.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Stimuleren participatie en zelfredzaamheid

Programma’s «Welzijn Nieuwe Stijl» en «de Kanteling».

Ondersteuningsprogramma zwerfjongeren.

Project Aanpak geweld in huiselijke kring, waaronder versterking.

Door subsidies en opdrachten verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis op het terrein van maatschappelijke ondersteuning.

Financiering Wet Maatschappelijke Ondersteuning, decentralisatie-uitkering vrouwenopvang en decentralisatie-uitkering maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid, openbare geestelijke gezondheidszorg.

Subsidies en opdrachten voor kennis en advies (o.a. Movisie).

Bekostiging bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer.

Financiering mantelzorgcomplimenten en ondersteuning en versterking van de kwaliteit van mantelzorg.

Uitvoering acties uit de brief «Geweld In Afhankelijkheidsrelaties» en het Actieplan «Ouderen in veilige handen».

Beheer wettelijk kader Wmo en aanpassing Wmo: versterking positie slachtoffers geweld in huiselijke kring.

Voorbereiding ratificering VN Verdrag inzake de rechten van personen met een beperking.

Ontwikkeling wetgeving: Wet Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

De Sociale Verzekeringsbank verzorgt de uitvoering van de Regeling maatschappelijke ondersteuning.

Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

Programma’s «In voor zorg!» en «Ambient assisted living».

Implementatie kwaliteitskader verantwoorde zorg.

Nationaal programma ouderenzorg «Zorg voor Beter» en programma «Meer tijd voor de cliënt».

ZonMw-verbeterprogramma voor meer kwaliteit en een doelgerichte en efficiënte aanpak van palliatieve zorg.

Subsidies aan Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), Centra voor Consultatie en Expertise (CCE) en op grond van de regeling Palliatief Terminale Zorg.

Subsidies en opdrachten kennis en advies (o.a. Vilans).

Bekostiging bijdrage in kosten van kortingen.

Beheer wettelijk kader AWBZ.

Terugdringen administratieve lasten door programma «Meer tijd voor de cliënt».

Opstellen beleidsregels

indicatiestelling en kwaliteitseisen.

Wettelijke verankering pgb

Ontwikkeling regelgeving: Wet Zorg en Dwang.

Het CIZ verzorgt de indicatiestelling voor de AWBZ.

Het College voor zorgverzekeringen verzorgt de AWBZ-brede zorgregistratie.

C. Beleidsconclusies

Stimuleren participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

Het TransitieBureau Wmo heeft gemeenten, aanbieders en cliënt- en patiëntenorganisaties ondersteund door het organiseren van diverse bijeenkomsten, het subsidiëren van activiteiten voor de voorbereiding van de decentralisatie en het ontwerpen van handreikingen en factsheets o.a. op het gebied van inkoop, samenwerking gemeenten en huisartsen, sociale wijkteams en respijtzorg. De ondersteuning voor partijen is minder intens geweest dan verwacht i.v.m. de latere invoeringsdatum van de nieuwe Wmo (2015 i.p.v. 2013/2014).

Er is in 2013 door de Wmo-werkplaatsen een start gemaakt met de implementatie van de kennis die de afgelopen jaren is ontwikkeld voor een betere uitvoering van de Wmo door de beroepskrachten.

In 2013 is een eerste versie van het standaard cliëntervaringsonderzoek opgesteld. Deze sloot nog onvoldoende aan bij de doelstelling «de wijziging van de opzet horizontale verantwoording artikel 9 Wmo». De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) gaat voor de horizontale verantwoording (art. 9 Wmo) een nieuwe cliëntervaringsvragenlijst ontwikkelen.

De uitvoering van het ondersteuningsprogramma zwerfjongeren is volgens plan verlopen. De jongeren hebben in alle deelnemende gemeenten deelgenomen aan de bijeenkomsten en een stem gehad in de op te pakken verbeterpunten. Alle deelnemende centrumgemeenten zijn aan de slag gegaan met een verbeterplan. De stand van zaken van de daadwerkelijke uitvoering verschilt, al naar gelang de te betrekken partijen en lokale werkvelden.

Er is het afgelopen jaar geïnvesteerd in de realisatie van een landelijk toekomstbestendig stelsel van preventie, signalering, opvang, hulp en nazorg voor alle slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties, onder andere door middel van het project Regioaanpak Veilig Thuis van de VNG en de Federatie Opvang en het opstellen van een nieuw, objectief verdeelmodel voor de opvang. De uitvoering van de verschillende onderdelen van de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties, zoals kindermishandeling en ouderenmishandeling, ligt op koers. De publiekscampagne «Een veilig thuis daar maak je je toch sterk voor» heeft slachtoffers, plegers en omstanders aangespoord om actie te ondernemen bij geweld in huiselijke kring. Op 1 juli 2013 is de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling van kracht geworden. Aanvullend wordt geïnvesteerd in het verankeren van de aandacht voor geweld in afhankelijkheidsrelaties in opleidingen (TK 33 400 XVI, nr. 157). Met twee rapportages is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang (TK 33 400 XVI, nr. 156 en TK 33 750 XVI, nr. 80).

Het afgelopen jaar heeft VWS erop ingezet dat informele zorg meer in het vizier kwam bij gemeenten, instellingen en professionals. De Staatssecretaris heeft op 25 mei 2013 samen met de VNG en partijen uit de zorg- en welzijnketen bezien welke accenten in het beleid gelegd moeten worden betreffende informele zorg in 2013 en daaropvolgende jaren. Dit heeft geresulteerd in de drie actielijnen «Versterken, verlichten en verbinden» zoals opgenomen in de beleidsbrief van 20 juli 2013 (TK 30 169, nr. 28) waarbij centraal staat dat voortaan gemeenten en professionals op een andere wijze naar mantelzorgondersteuning dienen te kijken, namelijk integraal naar de situatie van cliënt en de mantelzorger, zodat een integraal ondersteuningsaanbod op maat aan beiden kan worden geboden. Dit uitgangspunt is vastgelegd in het wetsvoorstel Wmo 2015. Met organisaties van mantelzorgers en vrijwilligers, aanbieders van zorg en welzijn, organisaties van professionals, cliëntorganisaties en de VNG is in 2013 een Agenda Informele Zorg en Ondersteuning opgesteld. In werkgroepen werken partijen als onderdeel van de agenda aan verbeteringen met betrekking tot het samenspel tussen formele en informele zorg (=verbinden), en de ondersteuning van de mantelzorger en vrijwilliger (=verlichten).

In 2013 is door het Expertisecentrum Mantelzorg, de VNG en het Ministerie van VWS een handreiking respijtzorg opgesteld die gemeenten helpt bij de vormgeving van respijtzorg, ter verlichting van de mantelzorger.

Door juridische procedures heeft de Europese aanbesteding voor het bovenregionale gehandicaptenvervoer (BRV, ook bekend als Valys) vertraging opgelopen, waardoor de nieuwe voorziening pas per 1 januari 2014 is ingegaan. In september 2013 is het standaard persoonlijk kilometerbudget verhoogd naar 600 kilometer per jaar. De kwaliteit en de beoogde resultaten van het BRV zijn bereikt.

Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

134 zorgaanbieders hebben het «In voor zorg!»-traject afgerond. De trajecten laten aansprekende resultaten zien (arbeidsvreugde, lagere kosten, cliëntgerichtheid, minder management, slimmere organisatievormen, betere inzet van technologie). Bij een viertal afgeronde trajecten is een retrospectieve analyse uitgevoerd om de resultaten beter te kunnen duiden. Bij 211 organisaties loopt het traject nog of moet het traject nog starten. In 2013 hebben 72 organisatie besloten deel te nemen aan «In voor zorg!».

Een belangrijk onderdeel van «In voor zorg!» is het verzamelen, verrijken en verspreiden van kennis. Dit gebeurt via het (digitale) kennisplatform / de website en via bijeenkomsten / congressen. In 2013 zijn ruim 1.200 items aan het kennisplatform toegevoegd. Dat het kennisplatform in een behoefte voorziet blijkt uit de bezoekersaantallen. Bijna 300.000 unieke personen bezochten in 2013 de website.

In 2013 organiseerde «In voor zorg!» drie landelijke congressen (gem. 1.000 bezoekers) en 20 kleinere bijeenkomsten (bestuurdersbijeenkomsten, masterclasses, kennisexpedities, verdiepingssessies etc.). Aan deze kleinere bijeenkomsten namen gemiddeld 125 personen deel.

Begin 2013 zijn 25 instellingen van start gegaan met een regelarme wijze van werken. De meeste van deze experimenten zijn verlengd tot 2015. Daarna zullen de uitkomsten worden geëvalueerd. Momenteel, bijna een jaar nadat de experimenten daadwerkelijk zijn gestart, worden in een tussenevaluatie de eerste voorlopige resultaten geïnventariseerd met als doel een bijdrage te leveren aan de maatregelen die thans worden uitgewerkt in het kader van de hervorming van de langdurige zorg. De 700 meldingen zijn in 2012 geanalyseerd en ook is daarover vanuit het Ministerie van VWS met alle melders van hinderende wet- en regelgeving contact geweest. Over de wijze waarop de meldingen zijn opgepakt is gecommuniceerd via de website van «In voor zorg!» (www.invoorzorg.nl). Verschillende meldingen liggen ook in het verlengde van de experimenten met regelarme instellingen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan meldingen over indicatiestelling, waarmee door een aantal instellingen op dit moment wordt geëxperimenteerd.

In 2013 heeft het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) 1.536 keer getoetst of de ontwikkelingsdoelen voor cliënten met een TEZ (toeslag extreme zorgzwaarte) zijn bereikt. Daarnaast heeft het CCE in 2013 zowel in de ggz als in de ouderenzorg circa 180 consultaties verricht. In de gehandicaptenzorg bedroeg het aantal circa 700.

Vanaf oktober 2011 kunnen zorginstellingen indicaties aanvragen via een indicatiemelding. Het CIZ heeft in ieder kwartaal van 2013 een kwartaalmonitor uitgebracht van de gevolgen van de indicatiemelding. Ook is in 2013 een jaarrapportage verschenen. Van de meldingsprocedure wordt veel gebruik gemaakt. Aan het einde van het jaar 2013 wordt bijna 70% van het totaal aantal intramurale indicaties voor 80-plus-cliënten gesteld via de indicatiemelding. Toch is er sinds 1 januari 2014 wijziging gebracht in de manier waarop naar indicatiemeldingen wordt gekeken. In de zomer van 2013 kwam het CIZ met een rapport over een door hen uitgevoerd onderzoek naar upcoding (meer dan 5% naar boven afwijken van een indicatiebesluit in kosten vertaald van een door het CIZ zelf voor dezelfde cliënt uitgevoerd onderzoek en opgesteld besluit). Upcoding staat niet onmiddellijk gelijk met fraude, daarvoor moet sprake zijn van boze opzet en daarvan is meestentijds geen sprake. In reactie op dat onderzoek heeft het CIZ een aangescherpt toezicht- en handhavingkader ontwikkeld. Onder andere wordt op basis daarvan 30% van de meldingen 80+ van elke aanbieder thans ook getoetst, evenals 30% van de adviezen in het kader van standaardindicatieprotocollen en 30% van de herindicaties in taakmandaat. Als de toetsresultaten een te lage congruente uitkomst kent, wordt het toetspercentage verhoogd naar 50%. Uiteindelijk kunnen de mandaatrechten van een blijvend te laag scorende aanbieder tijdelijk worden ontnomen.

In het kader van aanpak fraude voert de NZa een groot onderzoek uit. Dat komt later dan aanvankelijk gepland (niet eind vorig jaar, maar medio 2014). Zodra dat er is worden noodzakelijke maatregelen genomen. Ondertussen is geacteerd op (risico’s op) zorg in natura (ZIN)-fraude.

In mei 2013 is het actieprogramma onvrijwillige zorg naar de Tweede Kamer verzonden (TK 31 996, nr. 35). Dit actieprogramma tegen «onvrijwillige zorg», is gericht op cliënten, familie, hulpverleners en de samenleving als geheel. In 2013 hebben voorbereidende werkzaamheden plaatsgevonden, de daadwerkelijke uitvoering zal plaatsvinden in 2014 en verder. Onder andere Vilans en Landelijke Organisatie Cliëntenraden (LOC) spelen hierin een rol en ontvangen hiervoor een subsidie.

De Regeling palliatieve terminale zorg is gericht op het verstrekken van een tegemoetkoming aan organisaties voor vrijwillige palliatief terminale zorg. De coördinatie van de inzet van vrijwilligers in de palliatief terminale zorg wordt gesubsidieerd. Het kan daarbij gaan om palliatief terminale zorg in de thuissituatie of in een zelfstandig hospice. Daarnaast voorziet de regeling in het verstrekken van een tegemoetkoming in de huisvestingslasten voor zelfstandige hospices.

In mei 2012 is een ZonMw-verbeterprogramma palliatieve zorg gestart dat loopt tot en met 2016. Het programma kent de volgende thema’s:

  • versterken van de eigen regie van de cliënt en diens naasten, waardoor de patiënt kan sterven op de plaats van zijn of haar voorkeur;

  • bevorderen van een cultuuromslag gericht op een geleidelijke overgang van de fase waarin het accent op genezing ligt naar de fase waarin het accent op behoud van kwaliteit van leven ligt;

  • bevorderen van de samenwerking tussen professionals, vrijwilligers en mantelzorgers;

  • stimuleren van deskundigheid en het gebruik van consultatiemogelijkheden, gericht op proactief handelen, pijnbestrijding en met specifieke aandacht voor psychosociale en spirituele zorg.

In 2013 zijn 18 projecten uit de 2e subsidieronde gestart zijn en 17 projecten uit de 1e subsidieronde afgerond. Er zijn 14 factsheets ontwikkeld van goede voorbeelden die zijn geplaatst op een voor dit doel ontwikkelde website.

Tevens zijn enkele projecten uitgezet voor het ontwikkelen van instrumenten die bijdragen aan betere verspreiding en implementatie. Een in 2013 gehonoreerd project betreft bijvoorbeeld de landelijke implementatie van het goede voorbeeld rond palliatieve thuiszorg (PaTz).

De onafhankelijke werkgroep «vanuit autisme bekeken» is medio 2012 op initiatief van de Staatssecretaris van VWS tot stand gekomen. In 2013 heeft de werkgroep de knelpunten in het leven van mensen met autisme in kaart gebracht en hierover gerapporteerd aan de Staatssecretaris en de Tweede Kamer. In 2014 zal de werkgroep via een door VWS financieel ondersteund programma werken aan oplossingen voor de geconstateerde knelpunten.

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

5.638.535

4.085.519

4.133.460

– 47.941

         

Uitgaven

5.633.963

4.055.646

4.133.604

– 77.958

         

1. Stimuleren participatie en zelfredzaamheid van

 

mensen met beperkingen

 

188.010

187.880

130

         

Subsidies

 

25.465

42.600

– 17.135

waarvan onder andere:

       

Movisie

 

8.106

7.929

177

Decentralisatie

 

5.553

9.800

– 4.247

Mezzo

 

3.159

3.490

– 331

Geweld in afhankelijkheidsrelaties

 

2.986

12.400

– 9.414

         

Bekostiging

 

0

430

– 430

         

Inkomensoverdrachten

 

87.285

66.415

20.870

Mantelzorgcompliment

 

87.285

66.415

20.870

         

Opdrachten

 

59.431

72.235

– 12.804

waarvan onder andere:

 

Bovenregionaal gehandicaptenvervoer

 

55.458

60.280

– 4.822

Geweld in afhankelijkheidsrelaties

 

2.775

3.100

– 325

Evaluatie Wmo

 

0

1.200

– 1.200

         

Garanties

 

12.720

0

12.720

Voorzieningen t.b.v. instellingen gehandicapten

 

12.720

0

12.720

         

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

 

3.109

3.000

109

SVB: uitvoering Regeling maatschappelijke ondersteuning

 

3.109

3.000

109

         

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

 

0

3.200

– 3.200

VenJ: opvang minderjarige meisjes

 

0

2.000

– 2.000

Gemeentefonds: opvang speciale doelgroepen

 

0

1.200

– 1.200

         

2. Zorgdragen voor langdurige zorg tegen

 

maatschappelijk aanvaardbare kosten

 

3.867.636

3.945.724

– 78.088

         

Subsidies

 

182.392

213.981

– 31.589

waarvan onder andere:

 

Centrum Indicatiestelling Zorg

 

104.461

108.624

– 4.163

Uitvoeringskosten pgb-maatregelen

 

0

25.000

– 25.000

Aanpak fraude pgb

 

8.921

15.000

– 6.079

Subsidieregeling palliatieve terminale zorg

 

19.589

18.810

779

Kwaliteitsverbetering palliatieve zorg

 

1.470

9.350

– 7.880

Programma «In voor zorg!»

 

19.414

9.391

10.023

Stichting Centrum Consultatie en Expertise

 

11.110

9.949

1.161

Vilans

 

5.253

5.100

153

Integraal kankercentrum Nederland

 

6.643

6.400

243

Programma «Meer tijd voor de cliënt'

 

361

619

– 258

         

Bekostiging

 

3.679.200

3.710.400

– 31.200

Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

 

3.679.200

3.710.400

– 31.200

         

Opdrachten

 

3.832

19.307

– 15.475

waarvan onder andere:

 

Programma «Meer tijd voor de cliënt'

 

907

1.875

– 968

Programma «Kwaliteit palliatieve zorg'

 

0

1.900

– 1.900

Programma «Informatievoorziening zorg en ondersteuning'

 

2.725

4.000

– 1.275

Ontwikkeling en evaluatie pgb

 

200

500

– 300

         

Bijdrage aan agentschappen

 

2.212

2.036

176

CIBG: Opdrachtgeverschap WTZi

 

2.212

2.036

176

         

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

 

0

0

0

CVZ: AWBZ-brede zorgregistratie

 

0

0

0

         

Ontvangsten

7.320

7.723

3.441

4.282

waarvan onder andere:

       

Ontvangsten garanties instellingen gehandicapten

 

1.723

0

1.723

E. Toelichting op de Instrumenten

1. Stimuleren participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

Subsidies

Movisie

Het kennisinstituut Movisie heeft in 2013 € 8,1 miljoen instellingssubsidie ontvangen voor de ondersteuning van gemeenten en instellingen bij de adequate uitvoering van de Wmo en aanpalende terreinen door middel van het verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis op het terrein van de Wmo.

Decentralisatie

De gemeenten, aanbieders en cliënt- en patiëntenorganisaties zijn gesubsidieerd (€ 5,6 miljoen) voor activiteiten ter voorbereiding op de decentralisatie (het ontwerpen van handreikingen en factsheets o.a. op het gebied van inkoop, samenwerking gemeenten en huisartsen, sociale wijkteams, respijtzorg). De afspraken en samenwerking in de regio tussen aanbieders en partijen krijgen vooral in 2014 verder vorm. Het voor de ondersteuning van dit proces beschikbare budget van € 4,2 miljoen is niet uitgegeven.

Mezzo

De vereniging Mezzo heeft subsidie ontvangen voor het versterken van de kwaliteit van de mantelzorgondersteuning (circa € 3,2 miljoen).

Geweld in afhankelijkheidsrelaties (GIA)

In 2013 is een start gemaakt met de uitvoering van diverse acties uit de brief «Aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties» (TK 28 345, nr. 117), zoals de introductie van een nieuw verdeelmodel, het doen ontwikkelen van regiovisies «geweld in huiselijke kring», het zorgvuldig overhevelen van de opvang van specifieke groepen slachtoffers naar het gemeentelijke domein en het borgen van kwaliteit. Daarmee wordt de ketenaanpak verstevigd. Met name bij het instrument subsidies is minder uitgegeven (€ 9,4 miljoen) dan geraamd (€ 12,4 miljoen). Dit is veroorzaakt door de latere inwerkingtreding van wijzigingen in het stelsel van vrouwenopvang. Tevens bleek voor de uitvoering van de acties uit het Actieplan «Ouderen in veilige handen» minder middelen nodig (€ 2 miljoen) dan vooraf geraamd. De uitvoering van het Actieplan ligt overigens wel op koers. Door de latere inwerkingtreding van wijzigingen in het stelsel van vrouwenopvang zijn er geen extra middelen toegevoegd aan de decentralisatie-uitkering waardoor er een onderuitputting van € 1,3 miljoen is ontstaan op het GIA-budget.

Inkomensoverdrachten

Mantelzorgcompliment

Op basis van de ramingen van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en uitgaande van een mantelzorgcompliment van € 200,– is het budget voor het mantelzorgcompliment bij eerste suppletoire wet structureel verhoogd met € 21 miljoen. De totale uitgaven in 2013 bedroegen € 87,3 miljoen.

Kengetal: aantal verstrekte mantelzorgcomplimenten in een jaar

Kengetal: aantal verstrekte mantelzorgcomplimenten in                   een jaar

Bron: Sociale Verzekeringsbank

Opdracht bovenregionaal gehandicaptenvervoer

Aan het bovenregionaal gehandicaptenvervoer is in 2013 € 55,5 miljoen uitgegeven. Dit is € 4,8 miljoen minder dan geraamd en is vrijwel volledig een gevolg van minder gemaakte reiskilometers.

Kengetal: Valys indexcijfers

Kengetal: Valys indexcijfers

Bron & toelichting

Bron: Tevredenheidsonderzoek Valys, november 2013, Jes marketing en onderzoek.

pkb = persoonlijk kilometer budget

Het BRV is vraagafhankelijk vervoer, dit betekent dat factoren zoals de toegankelijkheid van het lokale openbaar vervoer, het weer of de gezondheid van de pashouders invloed kunnen hebben op het aantal verreden kilometers.

Opdracht evaluatie Wmo

Voor de uitvoering van de tweede evaluatie van de Wet maatschappelijke ondersteuning is in 2013 € 1,1 miljoen overgeboekt naar het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Garanties

In verband met het faillissement van de stichting Zonnehuizen heeft VWS betaald voor de afwikkeling van de financiële verplichtingen. Vanwege in het verleden verstrekte garanties op leningen aan zorginstellingen stond VWS garant voor een deel van de schuld van Stichting Zonnehuizen.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Als blijk van waardering kunnen zorgvragers hun mantelzorger voordragen voor een mantelzorgcompliment (Regeling maatschappelijke ondersteuning).

Er wordt een bijdrage aan de Sociale Verzekeringsbank verleend voor uitvoering van de Regeling maatschappelijke ondersteuning op basis waarvan het mantelzorgcompliment wordt verstrekt (circa € 3,1 miljoen in 2013).

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Via de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie wordt de opvang van minderjarige meisjes en de opvang slachtoffers mensenhandel gefinancierd (circa € 2,5 miljoen). De financiering van de pilots opvang voor specifieke groepen, waaronder ook de mannenopvang (€ 1,2 miljoen) via het Gemeentefonds blijft gehandhaafd, totdat in 2015 de structurele oplossing (met gemeentelijke verantwoordelijkheid) is gerealiseerd.

2. Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

Subsidies en opdrachten

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

Het CIZ verzorgt de onafhankelijke, objectieve en integrale indicatiestelling voor de AWBZ en heeft hiervoor in 2013 een bijdrage ontvangen van € 104,5 miljoen. Dat is € 4,2 miljoen minder dan geraamd. De oorzaak hiervan is dat gedurende het uitvoeringsjaar de raming van de exploitatiekosten als gevolg van verschuivingen in de planning, de doorwerking van eerder getroffen voorzieningen en verschuivingen tussen exploitatie en projectsubsidies en bijstelling van uitgangspunten neerwaarts is bijgesteld.

Indicator: Percentage indicatieaanvragen dat is afgehandeld binnen de wettelijke termijn (0 tot 6 weken)

Indicator: Percentage indicatieaanvragen dat is                   afgehandeld binnen de wettelijke termijn (0 tot 6 weken)

Bron: Jaarverslag CIZ 2012, pagina 10.

Uitvoeringskosten pgb-maatregelen en aanpak fraude pgb en opdracht evaluatie pgb

Een deel van de extra uitvoeringskosten voor de pgb-maatregelen uit het begrotingsakkoord 2013 is binnen de financiële kaders van het BKZ gefinancierd. Daarvoor is de raming bij eerste suppletoire wet met € 15 miljoen verlaagd. Van de resterende middelen (€ 4,5 miljoen) is een deel besteed voor onderzoek naar en opsporing van pgb-fraude, via de begrotingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (€ 0,2 miljoen) en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (€ 2,3 miljoen), en de aanpak van fraude bij zorg in natura, overgemaakt aan artikel 2 Curatieve zorg (€ 2 miljoen). Voor de aanpak pgb-fraude is € 8,9 miljoen besteed aan de intensivering van de controle door zorgkantoren. Bij tweede suppletoire wet is de raming neerwaarts bijgesteld, omdat de aanpak van de zorgkantoren minder kostte dan aanvankelijk verwacht. Daarnaast zijn uitgaven in 2013 lager doordat de kosten van de invoering van de trekkingsrechten zijn doorgeschoven naar 2014.

Subsidieregeling palliatieve terminale zorg

Voor de regeling palliatieve terminale zorg, waarmee de coördinatie van de inzet van vrijwilligers in de palliatief terminale zorg wordt gesubsidieerd, is € 19,6 miljoen uitgegeven.

Kwaliteitsverbetering palliatieve zorg

Vanaf 2013 wordt jaarlijks circa € 10 miljoen extra beschikbaar gesteld om de kwaliteit van de palliatieve zorg te verbeteren (TK 33 280, nr. 1). Het subsidieplafond ten behoeve van de vrijwillige palliatieve terminale zorg (zoals vastgelegd in de Regeling palliatieve terminale zorg) is met 10% opgehoogd. Daarnaast zijn een aantal kleine subsidies verleend in het kader van versterking van de palliatieve zorg in ziekenhuizen door stimulering van consultteams. Er is echter minder uitgegeven dan beoogd omdat de uitvoering van het ZonMw-programma palliatieve zorg vertraging heeft opgelopen, zoals reeds aangegeven in de tweede suppletoire wet.

Kengetal: Totaal aantal personen dat door middel van de subsidieregeling palliatief terminale zorg is ondersteund in de laatste levensfase per 30 juni van een jaar

Kengetal: Totaal aantal personen dat door middel van de                   subsidieregeling palliatief terminale zorg is ondersteund in de laatste                   levensfase per 30 juni van een jaar

Bron: VWS, subsidieregeling Palliatieve terminale zorg

De middelen uit de subsidieregeling Palliatieve Terminale Zorg zijn bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die organisaties maken voor de coördinatie van vrijwilligers die ingezet worden in palliatief terminale situaties. De verdeling van de middelen vindt plaats op basis van het aantal zorginzetten in de periode voorafgaand aan de aanvraag.

Programma «In voor zorg!»

Organisaties in de langdurige zorg krijgen in de toekomst te maken met andere eisen van de samenleving, zoals een krapper wordende arbeidsmarkt, financiële en economische druk en het daarmee samenhangende overheidsbeleid. Het programma «In voor zorg!» helpt zorgorganisaties hun werkprocessen in te richten met het oog op deze toekomst. Bij de eerste suppletoire wet is het programma geïntensiveerd ter ondersteuning van de hervorming van de langdurige zorg (€ 14 miljoen). Er is € 19,4 miljoen besteed aan projectsubsidie in het kader van «In voor zorg!». De uitgaven zijn lager uitgevallen doordat een deel zich pas in 2014 voordoet.

Stichting Centrum Consultatie en Expertise

De stichting Centrum Consultatie en Expertise (CCE) heeft een subsidie ontvangen van € 11,1 miljoen voor het bieden van perspectief aan individuele cliënten met een bijzondere zorgvraag door inzet van expertise en (tijdelijke) extra ondersteuning.

Vilans

Vilans is het kenniscentrum voor de langdurende zorg. Samen met professionals in het veld ontwikkelt Vilans vernieuwende en praktijkgerichte kennis en vinden nieuwe inzichten en goede voorbeelden snel en succesvol hun weg in de praktijk. De totale kosten in 2013 betreffen een basisbudget en een programmabudget voor kennisactiviteiten (€ 5,3 miljoen).

Integraal Kankercentrum

Het Integraal Kankercentrum Nederland en het Integraal Kankercentrum Zuid hebben gezamenlijk voor Het Integraal Kankercentrum een subsidie ontvangen van € 6,6 miljoen. In het Integraal Kankercentrum is deskundigheid over alle facetten van palliatieve zorg samengebracht om de primaire zorgvraag te ondersteunen door middel van consultatie en ontwikkeling van na- en bijscholing.

Programma «Meer tijd voor de cliënt»

Het programma «Meer tijd voor de cliënt» richt zich op de aanpak van de bureaucratie in de langdurige zorg. Voor dit programma bleek minder benodigd dan aanvankelijk gedacht. Bij tweede suppletoire wet is het totale budget met € 0,7 miljoen naar beneden bijgesteld. Een groot deel van de uitgegeven middelen zijn besteed aan het programma Experiment Regelarme instellingen, onderdeel van het programma «Meer tijd voor de cliënt».

Bekostiging Bijdrage in kosten van kortingen (BIKK)

De BIKK is een rijksbijdrage die is ingesteld om de lagere premieopbrengst van de AWBZ als gevolg van de grondslagverkleining van de AWBZ bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 te compenseren (€ 3,7 miljard). De uitgavenraming BIKK is naar aanleiding van actuele ramingen van het Centraal Planbureau in de loop van 2013 twee keer naar beneden bijgesteld: bij eerste suppletoire wet met € 2,8 miljoen en bij tweede suppletoire wet met € 28,4 miljoen.

Programma kwaliteit palliatieve zorg

Het bedrag van € 1,9 miljoen is overgemaakt naar artikel 4 Zorgbreed beleid voor het verbeterprogramma palliatieve zorg.

Informatievoorziening Zorg en Ondersteuning

Op het terrein van de informatievoorziening wordt een aantal projecten uitgevoerd in samenwerking met onder andere VNG, Zorgverzekeraars Nederland en uitvoeringsorganisaties. Doel is onder meer bevordering van de standaardisering van gegevensuitwisseling Wmo en AWBZ, vereenvoudiging en modernisering van de AWBZ-brede zorgregistratie en beheer en verdere optimalisatie van de webvoorziening Regelhulp. Bij tweede suppletoire wet is de raming neerwaarts bijgesteld. In totaal is er in het kader van de informatievoorziening zorg en ondersteuning € 2,7 miljoen besteed aan diverse projecten.

Bijdrage aan agentschap

CIBG

Het CIBG verleent in het kader van de uitvoering van de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) toelatingen aan zorginstellingen. De WTZi komt te vervallen op het moment dat de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) in werking treedt. Als gevolg van het controversieel verklaren van de Wcz is deze taak ook voor 2013 door het CIBG uitgevoerd. VWS heeft hieraan voor € 2,2 miljoen bijgedragen.

Ontvangsten

In 2013 is een bedrag van € 4,3 miljoen meer ontvangen dan begroot. De meerontvangsten is grotendeels een gevolg van een in 2012 te hoog verstrekt voorschot aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voor de uitkering van Mantelzorgcomplimenten en € 1,7 miljoen terugontvangen van Zonnehuizen.

Beleidsartikel 4 Zorgbreed beleid

A. Algemene beleidsdoelstelling

Het scheppen van randvoorwaarden om het zorgstelsel te laten werken zodat de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de zorg voor de burger is gewaarborgd.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister bevordert de werking van het stelsel door partijen in staat te stellen hun rol te spelen en door belemmeringen weg te nemen die een goede werking van het stelsel in de weg staan. Daar waar publieke belangen in het geding zijn, die niet voldoende door (partijen in) het stelsel behartigd kunnen worden, bevordert de Minister dat deze belangen worden behartigd.

De positie van de cliënt wordt versterkt. Ten eerste door de rechten van de cliënt te versterken door heldere, eenduidige wetgeving. Ten tweede door te stimuleren dat patiënten- en gehandicaptenorganisaties hun rol in het stelsel kunnen spelen.

De verantwoordelijkheid van de Minister wordt tevens ingevuld door te stimuleren dat er voldoende capaciteit aan zorgverleners beschikbaar komt en blijft. Daarvoor worden onder andere verbeteringen in de kwaliteit en toegankelijkheid van de zorgopleidingen bevorderd, wordt de totstandkoming van een toekomstgericht opleidingscontinuüm met de juiste kwaliteit en gewenste instroom bewaakt en wordt er gestuurd op de totstandkoming van een innovatieve en kwalitatieve beroepenstructuur.

Ook zijn er randvoorwaarden gecreëerd om het innoverend vermogen van de gezondheidszorg te waarborgen en wordt gezondheidsonderzoek en het gebruik van de ontwikkelde kennis gestimuleerd.

De IGZ houdt toezicht op ruim twintig wetten, waaronder de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), de Kwaliteitswet Zorginstellingen en de Geneesmiddelenwet. De uitgaven voor de IGZ staan verantwoord op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

De Minister heeft voor een goede werking van het zorgstelsel verschillende zelfstandige bestuursorganen opgericht die een taak hebben op het gebied van markttoezicht, pakketbeheer, kwaliteit en transparantie.

In Caribisch Nederland wordt een passend aanbod van zorg en jeugdzorg gerealiseerd.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Positie cliënt

Subsidieregeling voor organisaties van patiënten- en gehandicapten, zodat deze mensen kunnen helpen hun rol in het stelsel te spelen.

 

Zorgen voor adequate wet- en regelgeving die positie patiënt versterkt en privacy en beveiliging borgt.

 

Opleidingen, Beroepenstructuur en Arbeidsmarkt

Stimuleren van verbeteringen in kwaliteit en toegankelijkheid zorgopleidingen.

Stimuleren van een logische opleidingsmatrix met de juiste samenhang tussen opleidingen.

Bevorderen van kwaliteit van individuele zorgverlening.

Bevorderen van een logische beroepenstructuur, gebaseerd op competenties en gericht op samenwerking.

Stimuleren van beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd zorgpersoneel.

Financieren van het Fonds Ziekenhuisopleidingen en het Stagefonds.

Bewaken van de totstandkoming en het vasthouden van een toekomstgericht opleidingscontinuüm, met juiste kwaliteit en gewenste instroom.

Monitoren en sturen van de totstandkoming en het vasthouden van een innovatieve, kwalitatieve beroepenstructuur.

Constant optimaliseren van de inhoud en uitvoering van de Wet BIG.

Bevorderen van een gezonde arbeidsmarkt die personeel weet te binden en te boeien en voldoende wervend is.

 

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Creëren randvoorwaarden om innoverend vermogen van de gezondheidszorg te waarborgen.

Stimuleren van gezondheidsonderzoek en het gebruik van ontwikkelde kennis (o.a. ZonMw).

 

Zorg voor prikkels gericht op kwaliteitsverbetering, normen voor kwaliteit en transparantie.

Oprichten van een nationaal kwaliteitsinstituut gezondheidszorg (zie CVZ).

 

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

   

Opstellen van wetgeving waarin taken van NZa, CVZ en andere organisaties worden vastgelegd.

Via CVZ, NZa en andere organisaties een bijdrage leveren aan de uitvoering van het stelsel.

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Samen met betrokken partijen stimuleren van de verbetering van het aanbod van (jeugd)zorg, met name via de uitvoering van de Middel Lange Termijn Plannen die in 2008 samen met de eilandbesturen zijn vastgesteld.

Financieren zorg 100% en (mede)financieren jeugdzorg.

(Jaarlijks) evalueren van de aanspraken in kader van zorgregeling voor Caribisch Nederland en indien nodig aanpassen.

Voorbereiden regelgeving voor de jeugdzorg (financiering, kwaliteit) en realiseren van een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) op de drie eilanden.

Uitvoeren zorgregelgeving voor Caribisch Nederland door het Zorgverzekeringkantoor op Bonaire. Het Zorgverzekeringskantoor is een onderdeel van VWS.

C. Beleidsconclusies

Positie cliënt

Het voorstel van Wet cliëntenrechten zorg (Wcz), oorspronkelijk bedoeld als verzamelwet van patiëntenrechten, is beperkt tot een herziene wettelijke regeling met betrekking tot het klachtrecht en de kwaliteit van de zorg in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Het wetsvoorstel daartoe is aangenomen door de Tweede Kamer (TK 32 402, nr. 2). In een volgende fase zullen de andere onderwerpen uit dit wetsvoorstel als medezeggenschap en de aanpassing van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) aan de orde komen. De bepalingen uit het ingetrokken voorstel Beginselenwet AWBZ-zorg zijn opgenomen in het wetsvoorstel Langdurige zorg om deze goed in verband te brengen met de hervormingen in de langdurige zorg.

Het beleid gericht op het stimuleren dat patiënten- en gehandicaptenorganisaties hun rol in het stelsel kunnen spelen is uitgevoerd conform het Beleidskader voor subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties en voldeed daarmee aan de doelstellingen zoals vermeld in de VWS begroting 2013.

Opleidingen beroepenstructuur en arbeidsmarkt

De werkgelegenheid in de langdurige zorg en jeugdzorg neemt eerst af en herstelt vanaf 2017.

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

De Eerste Kamer heeft op 10 december 2013 ingestemd met het wetsvoorstel (TK 33 243, nr. A) dat het Kwaliteitsinstituut regelt. Het Kwaliteitsinstituut als slank en flexibel onderdeel van het College voor Zorgverzekeringen (vanaf 1 april 2014 Zorginstituut Nederland) is daarmee een feit. Het doel van het Kwaliteitsinstituut is het stimuleren van en zo nodig zelf ontwikkelen van professionele standaarden, richtlijnen en indicatoren.

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

De aangekondigde omvorming van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) is gerealiseerd. Op 1 januari 2013 is het CAK van start gegaan als publiekrechtelijk ZBO.

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Naar aanleiding van discussie in 2013 met de eilandbesturen over het intrekken van een tijdelijk ruimere aanspraak op fysiotherapie en tandheelkunde in Caribisch Nederland is eind 2013 gestart met een werkgroep onder leiding van een onafhankelijke voorzitter, die de Minister van VWS in 2014 een advies zal geven over de zorg in Caribisch Nederland op de lange termijn. Eilandbesturen, zorgaanbieders, zorgverzekeringskantoor en VWS participeren in deze werkgroep.

Uit een tweede belevingsonderzoek onder de bevolking van Caribisch Nederland in 2013 is gebleken dat de tevredenheid over de zorg is toegenomen.

In 2013 is door het Zorgverzekeringskantoor hard gewerkt aan het verbeteren van het zorginkoopproces, de verzekerdenadministratie en het administratieve beheer. Om de psychiatrie inclusief de verslavingszorg op de drie eilanden op te zetten en te ondersteunen in de uitvoering, zijn in 2013 grote stappen gezet. In 2013 heeft de jeugdzorg in het teken gestaan van verder bestendigen wat al in gang is gezet. De ambulante en residentiële jeugdzorg op Bonaire is verder doorontwikkeld. In samenwerking met de Inspectie Jeugdzorg is het kwaliteitskader verder ontwikkeld en vastgesteld.

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

748.883

578.564

737.883

– 159.319

         

Uitgaven

1.832.888

815.589

755.524

60.065

         

1. Positie cliënt

 

33.238

35.437

– 2.199

         

Subsidies

 

28.142

30.948

– 2.806

waarvan onder andere:

       

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties

 

27.814

30.948

– 3.134

         

Opdrachten

 

3.763

3.044

719

waarvan onder andere:

       

Ondersteuning cliëntenorganisaties

 

3.581

2.899

682

         

Bijdrage aan agentschappen

 

1.333

1.445

– 112

CIBG: uitvoering subsidieregeling

 

1.333

1.445

– 112

         

2. Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

 

354.735

345.623

9.112

         

Subsidies

 

334.307

332.868

1.439

waarvan onder andere:

       

Fonds Ziekenhuisopleidingen

 

123.178

141.789

– 18.611

Stageplaatsen zorg / Stagefonds

 

105.926

99.000

6.926

Publieke Gezondheidszorgopleidingen

15.093

16.025

– 932

Vaccinatie stageplaatsen zorg

 

3.789

3.850

– 61

Opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

 

21.744

19.600

2.144

Ziekenhuisarts

 

1.606

3.493

– 1.887

Capaciteitsorgaan

 

1.664

1.650

14

Regionaal arbeidsmarktbeleid

 

7.500

7.500

0

Veilig werken in de zorg

 

2.575

1.669

906

Opleidingsfonds

 

39.594

0

39.594

         

Opdrachten

 

2.379

2.400

– 21

         

Bijdragen aan agentschappen

 

16.963

9.678

7.285

CIBG: Bijdrage voor onder andere UZI-register,

       

BIG-register, SVB-Z

 

16.001

7.848

8.153

Agentschap NL: Innovatieprogramma

 

962

1.830

– 868

         

Bijdrage ZBO’s/ RWT

 

1.086

677

409

CVZ: sectie Zorgberoepen en opleidingen

 

0

0

0

         

3. Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

 

119.318

107.347

11.971

         

Subsidies

 

5.293

4.990

303

waarvan onder andere:

       

Nivel

 

5.093

4.990

103

         

Opdrachten

 

48

0

48

         

Bijdrage aan agentschappen

 

2.123

2.590

– 467

waarvan onder andere:

       

CIBG: Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording

 

708

800

– 92

RIVM: Zorgbalans

 

623

650

– 27

         

Bijdragen aan ZBO’s/ RWT’s

 

111.854

99.767

12.087

ZonMw: programmering

 

105.673

99.767

5.906

ZonMw: exploitatie

 

6.181

0

6.181

         

4. Inrichten uitvoeringsactiviteiten

215.717

191.325

24.392

         

Subsidies

 

256

0

256

         

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

 

212.894

183.878

29.016

Centraal Administratie Kantoor

 

98.319

95.923

2.396

College voor zorgverzekeringen

 

64.004

51.436

12.568

Nederlandse Zorgautoriteit

 

46.844

32.356

14.488

College Sanering Zorginstellingen

 

2.523

2.713

– 190

College Bouw Zorginstellingen

 

1.204

1.450

– 246

         

Opdrachten

 

2.568

7.447

– 4.879

TNO centrum Zorg en Bouw

 

2.398

7.447

– 5.049

         

5. Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

 

92.580

75.792

16.788

         

Bekostiging

 

92.580

75.792

16.788

Zorg en welzijn

 

88.033

71.142

16.891

Jeugdzorg

 

4.547

4.650

– 103

         

Ontvangsten

33.922

20.251

4.858

15.393

E. Toelichting op de Instrumenten

1. Positie cliënt

Subsidies

Er zijn subsidies verstrekt aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, zodat kennis en ervaringen van cliënten zelf optimaal benut worden voor goede zorg en ondersteuning. Doordat minder instellingssubsidies en projectsubsidies zijn verstrekt en doordat een reservering voor bezwaar en beroep niet hoefde te worden aangesproken zijn de uitgaven circa € 2,8 miljoen lager.

Opdrachten

Totaal is € 3,8 miljoen uitgegeven, waarvan € 3,6 miljoen aan PGO-support. PGO-support is een onafhankelijke netwerkorganisatie die patiënten- en gehandicaptenorganisaties ondersteunt bij het opstellen van subsidieaanvragen en het inbrengen van het cliëntenperspectief.

Bijdragen aan agentschappen

Aan het CIBG is een bijdrage van € 1,3 miljoen verleend voor de uitvoering van de subsidieregeling patiënten- en gehandicaptenorganisaties. Deze taak is medio 2013 overgegaan naar het kerndepartement.

2. Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

Subsidies

Aan het Fonds Ziekenhuisopleidingen (FZO) is in 2013 minder uitgegeven, wat hoofdzakelijk veroorzaakt wordt door een schuif van € 20 miljoen in de tweede suppletoire wet van 2013 naar 2014 voor nabetalingen als gevolg van een wijziging in de bekostigingssystematiek. Ten behoeve van het stagefonds is bij de eerste suppletoire wet € 7 miljoen toegevoegd, welke nagenoeg volledig is uitgegeven. De grotere instroom van verpleegkundig specialist/physician assistant in de laatste maanden van 2013 heeft voor € 2,1 miljoen aan hogere uitgaven gezorgd. De uitgaven aan de opleiding ziekenhuisarts zijn voor € 1,9 miljoen doorgeschoven naar latere jaren. Voor de nabetalingen subsidievaststellingen zorgopleidingen 2012 was oorspronkelijk een bedrag van € 10 miljoen begroot. De realisatie bedraagt € 40 miljoen (beschikbaar gesteld bij 2e suppletoire wet). Het onder het instrument subsidies geraamde bedrag van ruim € 7 miljoen voor het UZI register is verantwoord onder het juiste instrument bijdrage aan agentschappen. Tot slot is op diverse kleinere posten in totaal circa € 10 miljoen minder uitgegeven dan geraamd.

Kengetallen arbeidsmarkt
 

Gemiddeld 2003–2007

2008

2009

2010

2011

2012

1. Werkgelegenheidsontwikkeling zorg en welzijn

2,7%

3,6%

3,8%

3,6%

1,1%

– 0,2%

2. Vacaturegraad in zorg en welzijn

16

23

16

13

13

11

3. Aantal leerlingen in zorg en welzijn opleidingen (mbo en hbo)

240.000

251.000

260.000

268.000

271.000

278.000

4. Netto verloop verpleegkundig, verzorgend en agogisch personeel

5,7%

6,4%

3,9%

5,2%

5,2%

– .

5. Ziekteverzuim (1e ziektejaar)

5,50%

5,00%

4,90%

4,80%

4,80%

4,6%

Bronnen: CBS Statline, www.azwinfo.nl, Panteia, Vernet.

1. Groei werkgelegenheid (in fte) 4e kwartaal ten opzichte van 4e kwartaal voorgaande jaar.

2. Betreft het aantal vacatures per 1.000 banen ultimo 3e kwartaal van elk jaar.

3. Het gemiddelde betreft 2005–2007 in plaats van 2003–2007.

4. Netto verloop betreft uitstroom uit de gehele sector zorg en welzijn. De cijfers over het netto verloop voor 2012 en verder zijn vooralsnog niet beschikbaar. De definitie van het netto verloop is (met terugwerkende kracht) enigszins gewijzigd ten opzichte van voorgaande jaren. Daardoor zijn de percentages gestegen. Het gemiddelde over 2003–2007 heeft alleen betrekking op de jaren 2006 en 2007.

Bijdrage baten-lastendiensten

Bij het CIBG is bijna € 8,2 miljoen meer verantwoord dan onder dit instrument begroot. Hiervan is het grootste deel (ruim € 7 miljoen) een gevolg van een andere wijze van presenteren (zie instrument Subsidies).

3. Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Subsidies

Voor onderzoek naar de effectiviteit en de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland en de (relatie tussen) de verschillende partijen in de zorg werd een subsidie van € 5,1 miljoen verleend aan het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel). Het Nivel ontwikkelt en beheert hiertoe databases, panels en monitors.

Bijdragen aan agentschappen

Via het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording verantwoorden zorgaanbieders zich jaarlijks over de geleverde (financiële) prestaties. De prestaties van het zorgstelsel worden gemonitord met de Zorgbalans (zie www.gezondheidszorgbalans.nl). De bijdragen hiervoor aan het CIBG en het RIVM bedroegen respectievelijk € 0,7 en € 0,6 miljoen.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

De gerealiseerde uitgaven op dit instrument bedragen € 111,9 miljoen. Dat is circa € 12,1 miljoen hoger dan het in de begroting geraamde bedrag van € 99,8 miljoen. Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door mutaties die reeds in de eerste en de tweede suppletoire wet zijn gemeld. Er hebben overboekingen van artikel 6 (Sport en bewegen) naar artikel 4 plaatsgevonden. Het betreft bijdragen aan ZonMw voor het programma Impuls Brede scholen, sport en cultuur, de zogenaamde Sportimpuls 2013 (€ 11,1 miljoen) en voor het onderzoeksprogramma sport (€ 1,5 miljoen).

In de tweede suppletoire wet is er ruimte opgetreden door vertraging in de opdrachtverlening aan ZonMw voor het Deltaplan Dementie. Het heeft langer dan verwacht geduurd om het programmavoorstel rond te krijgen. Voorts is vertraging opgetreden in de opdrachtverlening voor het Preventieprogramma én is in afwachting van het Nationaal Programma Preventie nog geen opdracht verleend voor een programma op het terrein van de ondersteuning van het lokaal gezondheidsbeleid. De totale ruimte bedraagt € 6,9 miljoen.

Bij slotwet wordt een bedrag van € 1,9 miljoen overgemaakt van artikel 3 (Maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg) naar dit instrument voor het verbeterprogramma Palliatieve Zorg. De overige kleine mutaties bedragen € 4,5 miljoen.

Overzichtstabel programma-uitgaven ZonMw 2013
(bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2013

Begroot 2013

Verschil

Artikel 1 Volksgezondheid: onder andere preventieprogramma en infectieziektebestrijding

42.007

50.477

– 8.470

Artikel 2 Curatieve zorg: onder andere doelmatigheidsprogramma en «Goed Gebruik Geneesmiddelen»

38.081

35.778

2.303

Artikel 3 Maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg: onder andere «Ambient Assisted Living»

9.651

5.088

4.563

Artikel 5 Jeugd: onder andere «Effectief Werken in de Jeugdsector» en richtlijnen Jeugdgezondheidszorg

7.732

7.274

458

Artikel 6 Sport en bewegen: onder andere onderzoeksprogramma Sport

14.380

1.150

13.230

Totaal

111.851

99.767

12.084

4. Inrichten uitvoeringsactiviteiten

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) heeft vijf wettelijke taken, te weten: de centrale betaling aan 3.500 AWBZ-instellingen (namens de zorgverzekeraars), het innen van de eigen bijdrage voor Zorg met Verblijf (intramurale zorg) en de Zorg zonder Verblijf (extramurale zorg), het vaststellen, opleggen en innen van de eigen bijdrage Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), het uitkeren van de compensatie van het eigen risico Zorgverzekeringswet (Zvw) en het uitvoeren van de maatregelen rond de eigen bijdrage regelingen in de wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. De bijdrage aan het CAK voor 2013 is € 2,4 miljoen hoger uitgekomen dan geraamd ten tijde van de begroting 2013. De bijdrage aan het CAK is gedurende het jaar verhoogd, omdat het CAK extra werkzaamheden heeft uitgevoerd in verband met de verzachtingen van de Vermogensinkomensbijtelling en de invoering van de verzachting en vereenvoudiging van de verhoging van de intramurale eigen bijdrage (maatregel 51 uit het Regeerakkoord).

Het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) heeft tot taak het uitvoeren van het pakketbeheer Zvw en AWBZ, fondsbeheer van het Zorgverzekeringsfonds en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, het uitvoeren van de financiering van verzekeraars uit de fondsen (in het bijzonder de risicoverevening) en de beoordeling van de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de AWBZ, het uitvoeren van de regelingen voor bijzondere groepen (verdragsgerechtigden, wanbetalers, onverzekerden, illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen, gemoedsbezwaarden). Bij eerste en tweede suppletoire wet zijn met name voor de uitvoeringskosten van de regelingen bijzondere groepen extra middelen beschikbaar gesteld (ruim € 12,6 miljoen).

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is belast met het markttoezicht specifiek voor de zorgsector en moet het algemeen consumentenbelang voorop stellen bij de uitoefening van haar taken. Die taken zijn marktwerking in de zorg op gang brengen en bewaken, tarieven in de zorg reguleren en toezien op de goede uitvoering van de Zvw en de AWBZ. Omdat de verantwoordelijkheid voor de financiële en inhoudelijke aansturing van DBC-Onderhoud per 1 januari 2013 is verlegd van VWS naar de NZa zijn de middelen hiervoor bij eerste suppletoire wet naar dit artikel overgeheveld (€ 13,3 miljoen). Daarnaast zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor uitvoering van het werkplan (€ 1,2 miljoen).

Het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) voert onder andere de meldings- en goedkeuringsregeling voor de vervreemding van onroerende zaken uit. De bijdrage bedroeg € 2,5 miljoen.

De bouwregimes voor de curatieve- en de langdurige zorg zijn per 1 januari 2008 respectievelijk 1 januari 2009 afgeschaft. Daarmee zijn de wettelijke taken van het College Bouw Zorginstellingen (CBZ) komen te vervallen. Het CBZ zal als liquidatieorganisatie vooralsnog blijven bestaan. De bijdrage in 2013 bedroeg € 1,2 miljoen.

Opdrachten

Om de opgebouwde kennis beschikbaar te blijven houden, primair voor zorgaanbieders (zeker in het kader van de volledige verantwoordelijkheid van zorgaanbieders voor de bouw en de financiering daarvan) en secundair voor de IGZ en de NZa, werd in 2008 met TNO Centrum Zorg en Bouw een overeenkomst gesloten voor de periode 2009 t/m 2013. De contractperiode is onlangs verlengd naar 2015 onder een gelijkblijvend totaalbedrag. De realisatie in 2013 is daardoor lager uitgevallen (€ 5 miljoen).

5. Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Op basis van de gerealiseerde uitgaven in 2011 en 2012 is begin 2013 een nieuwe meerjarige raming voor de zorguitgaven opgesteld. Op basis van deze nieuwe raming is in het voorjaar 2013 middels de eerste suppletoire wet de oorspronkelijke raming voor 2013 van € 71,1 miljoen bijgesteld met € 12,9 miljoen naar € 84 miljoen. De uiteindelijke realisatie is € 4 miljoen hoger uitgevallen. Belangrijkste verklaringen daarvoor zijn de hoger dan geraamde uitgaven voor medische uitzendingen en farmacie.

Kengetallen (jeugd)zorg Caribisch Nederland
 

2011

2012

1. Aantal medische uitzendingen

11.271

7.539

2. Aantal verzekerden

21.843

23.430

3. Kosten per capita zorg

2.610

3.700

4. Aantal cliënten in de jeugdzorg inclusief cliënten Centra voor Jeugd en Gezin

304

Bron:

1. Zorgverzekeringskantoor Caribisch Nederland.

2. Aantal verzekerden 2012 betreft het aantal inwoners (voorlopig cijfer).

3. Totaal uitgaven gedeeld door het aantal inwoners.

4. Opgave directeur Jeugdzorg Caribisch Nederland.

Ontvangsten

De hoger dan geraamde ontvangsten hangen vooral samen met terugvorderingen in verband met de afrekening van subsidieverleningen zorgopleidingen en huisartsenopleidingen over 2012. Bij tweede suppletoire wet is het ontvangstenbudget daartoe met € 25 miljoen opgehoogd. Daarvan is circa € 15 miljoen daadwerkelijk in 2013 ontvangen. De resterende € 10 miljoen zal naar verwachting in 2014 gerealiseerd worden.

Uit afgerekende subsidies van patiënten- en gehandicaptenorganisaties is totaal € 2,4 miljoen aan ontvangsten gerealiseerd.

Beleidsartikel 5 Jeugd

A. Algemene doelstelling

Kinderen in Nederland groeien gezond en veilig op, ontwikkelen hun talenten en doen mee aan de samenleving.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Ouders/verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor het kader waarbinnen kinderen in Nederland gezond en veilig opgroeien, zich ontwikkelen en participeren. Kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd, moeten zorg krijgen en indien nodig in bescherming worden genomen.

De Minister is verantwoordelijk is voor het wettelijk kader rond zorg voor jeugd waarbinnen gemeenten, provincies, grootstedelijke regio’s, lokale en landelijke organisaties, Bureaus Jeugdzorg, zorgverzekeraars en zorgaanbieders hun verantwoordelijkheden realiseren. Gemeenten zijn op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet publieke gezondheid (Wpg) verantwoordelijk voor het preventief jeugdbeleid en het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg. Provincies zijn op grond van de Wet op de jeugdzorg verantwoordelijk voor de geïndiceerde jeugdzorg. Deze vorm van zorg doet zich voor wanneer sprake is van ernstige opgroei- en opvoedproblemen bij jongeren. Op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) respectievelijk de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vindt financiering plaats van Jeugd-geestelijke gezondheidszorg (Jeugd-ggz) respectievelijk de zorg voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking (Jeugd-lvb).

Daarnaast heeft de Minister een bijzondere verantwoordelijkheid voor de JeugdzorgPlus. De Minister is rechtstreeks verantwoordelijk voor de JeugdzorgPlus, zowel financieel als inhoudelijk. JeugdzorgPlus is een intensieve vorm van jeugdzorg voor jongeren met ernstige gedragsproblemen die zich aan de noodzakelijke behandeling dreigen te onttrekken. Het betreft hulp met dwang en drang voor jongeren voor wie een machtiging gesloten jeugdzorg is afgegeven door de kinderrechter.

Voorts hecht de Minister een belang aan het in stand houden van een landelijke kennisinfrastructuur vanwege de systeemverantwoordelijkheid van het Rijk. Het gaat om het monitoren van en kennis voor beleidsontwikkeling, -implementatie en zorgvernieuwing rond het stelsel van jeugdvoorzieningen.

Ten aanzien van de verschillende onderdelen op het terrein van de zorg voor jeugd heeft de Minister van VWS uiteenlopende rollen van stimuleren, financieren, regisseren tot (doen) uitvoeren (zie de tabel). De rol en invulling daarvan verschilt per terrein en hangt af van de taken en bevoegdheden van andere actoren die ieder vanuit hun eigen rol bijdragen aan de doelstellingen op het terrein van de jeugdzorg. De Inspectie Jeugdzorg (IJZ) is verantwoordelijk voor het uitvoeren van onafhankelijk toezicht op de jeugdzorg. De uitgaven voor de IJZ staan verantwoord op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

Stimuleren van laagdrempelige opvoedondersteuning aan jongeren en ouders met opgroei- en opvoedvragen.

Het stimuleren van gemeenten om perspectief te bieden aan kwetsbare jongeren door verbetering van de samenhang in beleid en uitvoering tussen zorg, school en werk.

 

Samen met de Minister van Veiligheid en Justitie bevorderen van een effectieve aanpak van kindermishandeling, onder andere door middel van het uitvoeren van het Actieplan aanpak kindermishandeling «Kinderen Veilig 2012–2016».

 

Noodzakelijke en passende zorg

Een landelijke kennisinfrastructuur in stand houden en hierbij het veld de ruimte geven om de eigen aanpak verder te ontwikkelen.

Stimuleren dat de kwaliteit en veiligheid in de jeugdzorg geborgd worden door verdere professionalisering en het stellen van kwaliteitseisen.

Het (mede-) financieren van een toegankelijk, passend en samenhangend zorgaanbod voor kinderen met een jeugdzorgindicatie. De provincies en grootstedelijke regio’s ontvangen een doeluitkering voor de uitvoering van de Wet op de Jeugdzorg. Hiermee zijn zij in staat een Bureau Jeugdzorg in stand te houden en zorgaanbod in te kopen voor kinderen en jongeren met een indicatie jeugdzorg.

Het financieren van benodigde JeugdzorgPlus capaciteit. Twaalf particuliere instellingen ontvangen subsidie voor het bieden van zorg in het gesloten kader.

 

Verantwoordelijk voor twee Rijksinstellingen die JeugdzorgPlus capaciteit aanbieden. De twee Rijksinstellingen (Almata en Lindenhorst) zijn in 2013 gefuseerd en worden hierna geprivatiseerd.

C. Beleidsconclusies

In 2013 is de uitvoering van het beleid door VWS volgens plan verlopen. De behaalde resultaten zijn als volgt:

Stelselwijziging Jeugd

Op grond van de consultatie, het overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Regeerakkoord 2012 is het voorstel voor de Jeugdwet ingrijpend gewijzigd, met een betere balans tussen landelijke kwaliteitseisen en gemeentelijke beleidsvrijheid. Het aangepaste wetsvoorstel is volgens planning op 1 juli 2013 bij het parlement ingediend en vervolgens nog vóór het herfstreces met brede steun door de Tweede Kamer aanvaard. In februari 2014 heeft ook de Eerste Kamer ingestemd met het wetvoorstel. De Jeugdwet treedt op 1 januari 2015 in werking. Met de Jeugdwet worden de prikkels vergroot voor meer preventie, meer inzet van eigen kracht en sociaal netwerk, maatwerk en integrale hulp aan gezinnen (1-gezin, 1-plan, 1-regisseur).

Om tijdens de transitie de continuïteit van jeugdhulp te borgen en de frictiekosten te beperken, hebben gemeenten, financiers (i.c. provincies, zorgverzekeraars en zorgkantoren) en jeugdhulpaanbieders in de regio’s vóór 31 oktober 2013 zogenoemde transitiearrangementen opgesteld die volgens afspraak door de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd (TSJ) zijn beoordeeld. Met de meicirculaire 2013 zijn gemeenten geïnformeerd over de voorlopige budgetten 2015 en vervolgens in december 2013 over een bijstelling van die budgetten.

Gemeenten en jeugdhulpaanbieders zijn in hun voorbereiding van de stelselwijziging ondersteund door het Transitiebureau Jeugd met informatie- en scholingsbijeenkomsten, handreikingen, factsheets en experts. Via de website www.voordejeugd.nl worden goede voorbeelden uitgewisseld.

Aanpak Kindermishandeling en voorkomen seksueel misbruik

Per 1 juli 2013 is de Wet verplichte meldcode huiselijke geweld en kindermishandeling ingevoerd, met de kindcheck als belangrijk onderdeel. De wet is een belangrijke mijlpaal om het signaleren en handelen van professionals te stimuleren en ondersteunen.

In 2013 is uitvoering gegeven aan de acties uit het actieplan Kinderen Veilig. Uit de halfjaarlijkse monitor van de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik van november 2013 (bijlage bij Voortgangsrapportage Geweld in afhankelijkheidsrelaties, TK 33 750 XVI, nr. 80) blijkt dat de uitvoering van de acties volgens planning verloopt. In de Week Kinderen Veilig van november 2013 hebben professionals en gemeenten kennis en ervaring over de aanpak van kindermishandeling met elkaar gedeeld.

De Forensische Polikliniek Kindermishandeling heeft evenals in 2012 een bijdrage ontvangen zodat jeugdzorg en artsen deze expertise kunnen inschakelen voor letselduiding bij kinderen. Dit is belangrijk om kindermishandeling te kunnen aantonen dan wel uitsluiten.

In 2013 is uitvoering gegeven aan de acties naar aanleiding van het advies van de Commissie Samson om seksueel misbruik in de jeugdzorg tegen te gaan. De beleidsinzet richt zich op de hulp aan de slachtoffers van in het verleden gepleegd seksueel misbruik: dit omvat erkenning, lotgenotencontact, toegang tot professionele hulpverlening en financiële tegemoetkoming, alsmede op het voor nu en de toekomst creëren van zo veel mogelijk waarborgen om seksueel misbruik in de jeugdzorg te voorkomen. Daartoe wordt de jeugdzorg verder geprofessionaliseerd en is er door Jeugdzorg Nederland een Kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik opgesteld, dat door alle jeugdzorginstellingen wordt geïmplementeerd.

Kwaliteit jeugdzorg

Voortvloeiend uit het Regeerakkoord is in 2013 het voorstel voor de wijziging van de Wet op de jeugdzorg om professionalisering van de provinciale jeugdzorg te ondersteunen bij het parlement ingediend. Jeugdzorginstellingen worden verplicht om met geregistreerde jeugdzorgwerkers en gedragswetenschappers te werken.

Medio 2013 heeft extern onderzoek plaatsgevonden naar de kwaliteitssystemen in de verschillende sectoren van zorg voor jeugd die op 1 januari 2015 worden samengevoegd in de Jeugdwet. Naar aanleiding van dit onderzoek is met de VNG en veldpartijen afgesproken een gezamenlijk kwaliteitskader te ontwikkelen. De Tweede Kamer is hierover in november 2013 geïnformeerd (TK 31 839, nr. 326).

Het wetsvoorstel verbetering Rechtspositie pleegouders is 1 juli 2013 in werking getreden (Staatsblad 2013, 73).

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

1.550.615

1.496.199

1.393.470

102.729

         

Uitgaven

1.503.200

1.472.741

1.533.547

– 60.806

         

1. Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

 

37.705

37.595

110

         

Subsidies

 

34.538

30.813

3.725

waarvan onder andere:

       

Koepels van internaten voor schippers- en kermisjeugd

 

21.475

22.300

– 825

Preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

 

6.456

6.900

– 444

Zorg voor jeugd

 

2.269

900

1.369

Aanpak kindermishandeling

 

767

0

767

Stelselwijziging

 

3.570

0

3.570

         

Opdrachten

 

2.219

4.958

– 2.739

waarvan onder andere:

       

Preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

 

888

1.450

– 562

Stelselwijziging

 

1.267

3.000

– 1.733

Aanpak kindermishandeling

 

64

440

– 376

         

Bijdrage aan agentschappen

 

948

764

184

Verwijsindex

 

948

764

184

         

Bijdrage aan medeoverheden

 

0

200

– 200

         

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

 

0

860

– 860

waarvan onder andere:

       

VenJ: Aanpak kindermishandeling

 

0

660

– 660

         

2. Noodzakelijke en passende zorg

 

1.435.036

1.495.952

– 60.916

         

Subsidies

 

198.875

232.401

– 33.526

waarvan onder andere:

       

JeugdzorgPlus

 

196.316

230.075

– 33.759

Jeugdzorg

 

2.559

2.300

259

         

Opdrachten

 

274

2.326

– 2.052

waarvan onder andere:

       

Jeugdzorg

 

138

2.300

– 2.162

         

Bijdrage aan agentschappen

 

239

0

239

         

Bijdrage aan medeoverheden

 

1.235.648

1.255.225

– 19.577

Doeluitkering Jeugdzorg provincies en grootstedelijke

       

regio's

 

1.235.648

1.255.225

– 19.577

         

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

 

0

6.000

– 6.000

JeugdzorgPlus

 

0

6.000

– 6.000

         

Ontvangsten

24.143

24.454

9.215

15.239

waarvan onder andere:

       

Ouderbijdrage jeugdzorg

 

14.139

0

14.139

E. Toelichting op de Instrumenten

1. Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

De gerealiseerde uitgaven op dit artikelonderdeel bedragen € 37,7 miljoen. Dat is € 0,1 miljoen hoger dan het in de begroting opgenomen bedrag van € 37,6 miljoen. In 2013 heeft op dit artikelonderdeel een aantal mutaties plaatsgevonden die reeds bij de eerste en tweede suppletoire wet 2013 zijn toegelicht. Per saldo hebben deze mutaties een budgettair neutraal effect gehad. Onder de instrumenten wordt aangegeven waarvoor de financiële overdracht in het begrotingsjaar is aangewend.

Subsidie

Koepels van internaten voor schippers- en kermisjeugd

Voor het regelen van opvang en verzorging van minderjarige kinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten hebben internaten € 21,5 miljoen subsidie ontvangen.

Subsidies en opdrachten voor preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

Er zijn in 2013 subsidies verleend aan het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) voor kennisontwikkeling en voor het uitvoeren van het Europees jeugdprogramma Youth in Action, aan de Nationale Jeugdraad (NJR, de landelijke vereniging van jongerenorganisaties) voor het stimuleren van jongerenparticipatie en talentontwikkeling, en aan Defence for Children International (DCI) ten behoeve van activiteiten op het gebied van kinderrechten. Daarnaast zijn aan verschillende organisaties opdrachten verleend voor (door)ontwikkelingen op het terrein preventie en opvoeden, controle programma Youth in Action en het uitvoeren van de Jeugdmonitor. Tevens is via het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een bijdrage verleend voor de kosten van het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM). Het NICAM is verantwoordelijk voor de coördinatie van de Kijkwijzer. In totaal is € 7,3 miljoen uitgegeven.

Zorg voor jeugd

Op het terrein van seksueel misbruik is in 2013 lotgenotencontact en inzet van slachtoffers als ervaringsdeskundigen mogelijk gemaakt door het subsidiëren van lotgenotenorganisaties. Daarnaast is de bij Slachtofferhulp Nederland ondergebrachte Hulplijn Seksueel Misbruik bekostigd en de door VWS gedragen kosten van financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van seksueel misbruik in de jeugdzorg, waarvoor twee regelingen zijn opgesteld: de Regeling civiele vordering tot schadevergoeding en de Tijdelijke regeling tegemoetkoming seksueel misbruik. Op het gebied van opvoedvraagstukken zijn extra middelen beschikbaar gekomen. Hiermee is het mogelijk gemaakt om Stichting Opvoeden.nl structureel te financieren. Ook is een subsidie verleend aan de Stichting Adoptievoorzieningen (SAV). In totaal is circa € 2,3 miljoen uitgegeven.

Subsidies, opdrachten en bijdragen

Stelselwijziging

Naast de bijdragen vanuit het Gemeentefonds en Provinciefonds (€ 41,8 miljoen) zijn er opdrachten en subsidies gegeven voor totaal € 4,8 miljoen in het kader van de bestuursafspraken 2011–2015 met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) over het te ontwikkelen nieuwe wettelijk kader, de bestuurlijke voorwaarden voor decentralisatie naar gemeenten, de transitie naar het nieuwe stelsel en de beschikbare in- en uitvoeringskosten.

Opdrachten en bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Aanpak kindermishandeling

Voor de uitvoering van het Actieplan aanpak kindermishandeling 2012–2016 «Kinderen Veilig» is door het Ministerie van VWS aan het Ministerie Veiligheid en Justitie (VenJ) een financiële bijdrage geleverd voor de Taskforce Kindermishandeling en Seksueel Misbruik en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel (NRM). Daarnaast is door VWS de Forensische Polikliniek Kindermishandeling (FPKM) en de richtlijn kindermishandeling jeugdzorg gefinancierd. De publiekscampagne, het stimuleren van aandacht voor kindermishandeling in opleidingen en de implementatie van de wettelijk verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling is gefinancierd uit artikel 4 (Zorgbreed beleid). Totaal is € 2 miljoen uitgegeven, waarvan € 0,4 miljoen via artikel 4 en € 0,7 miljoen via het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Bijdrage aan medeoverheden

In 2013 zijn voor het project School2Care in Amsterdam middelen beschikbaar gesteld.

2. Noodzakelijke en passende zorg

De gerealiseerde uitgaven op deze doelstelling bedragen circa € 1.435 miljoen. Dat is circa € 61 miljoen lager dan het in de begroting opgenomen bedrag van circa € 1.496 miljoen. In 2013 heeft op deze doelstelling een aantal mutaties plaatsgevonden dat reeds bij de eerste of tweede suppletoire wet 2013 is toegelicht.

Subsidies en bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

JeugdzorgPlus

Binnen de JeugdzorgPlus is een omslag ingezet. Instellingen hebben een aanvang gemaakt met het aanbieden van trajecten Jeugdzorgplus. Een instelling is in 2013 begonnen met het aanbieden van JeugdzorgPlus en zal vanaf volgend jaar een aanvang maken met het werken in trajecten. Belangrijke elementen in trajecten zijn de tijdige beschikbaarheid van vervolgvoorzieningen en ambulante begeleiding. De ingezette omslag moet er toe leiden dat de gemiddelde duur in geslotenheid afneemt. Het werken in trajecten vergt een andere manier van werken voor de instellingen en de medewerkers. De instellingen zijn positief over de ingezette omslag en zijn voornemens in 2014 het aantal trajecten verder uit te breiden.

Daarnaast zijn in 2013 middelen ingezet voor de uitvoering van het convenant «Dienst Vervoer en Ondersteuning Personele inzet». Dit convenant regelt het vervoer van jeugdigen met een machtiging gesloten jeugdzorg van en naar een gesloten omgeving indien een aanvrager bepaalt dat vervoer door ouder(s), verzorger(s) en/of (gezins)voogdijwerker niet mogelijk is. Ook is door VWS een bijdrage aan het Ministerie van OCW gedaan met betrekking tot de onderwijskosten in instellingen JeugdzorgPlus.

In 2013 is door VWS in totaal circa € 199,0 miljoen beschikbaar gesteld. Dat is circa € 34 miljoen minder dan begroot. Dit hangt samen met mutaties uit de eerste en tweede suppletoire wet. Bij eerste suppletoire wet is € 23,3 miljoen overgeboekt naar artikelonderdeel 1 voor de stelselherziening. En bij tweede suppletoire wet is onder andere € 15 miljoen doorgeschoven naar 2014 in verband met de vertraagde privatisering van de instelling Almata en de Lindenhorst.

Subsidies, opdrachten en bijdrage aan agentschappen

Jeugdzorg

De beroepsverenigingen, de HBO-raad, werkgevers en cliëntenorganisaties hebben financiële ondersteuning ontvangen bij de uitvoering van het implementatieplan professionalisering jeugdzorg 2010–2013. Daarnaast is via het Ministerie van Veiligheid en Justitie een bijdrage van € 1 miljoen geleverd aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage (LBIO) voor de inning van de onderhoudsbijdrage in de jeugdzorg en is door het CIBG het beheer van het Jaardocument Jeugdzorg uitgevoerd.

Bijdragen aan medeoverheden

Doeluitkering jeugdzorg

De provincies en grootstedelijke regio’s hebben een doeluitkering ontvangen van totaal circa € 1,2 miljard voor de uitvoering van de Wet op de jeugdzorg. Hiermee zijn zij in staat het Bureau Jeugdzorg te financieren en zorgaanbod in te kopen voor kinderen met een jeugdzorgindicatie. Het beschikbare budget is bij eerste suppletoire wet verlaagd met € 19,8 miljoen. Daarvan is € 15,8 miljoen overgeboekt naar het Gemeentefonds voor de invoering van het nieuwe stelsel voor Jeugdzorg en is € 4 miljoen overgeboekt naar artikelonderdeel 1 voor de stelselwijziging.

Ontvangsten

De realisatie op de ontvangsten over 2013 is € 24,5 miljoen. Dit is per saldo circa € 15,2 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting. Dit hangt vooral samen met de ontvangen ouderbijdragen jeugdzorg van in totaal € 14,1 miljoen. Deze verhoging was voor € 11,2 miljoen al gemeld in de tweede suppletoire wet.

Beleidsartikel 6 Sport en bewegen

A. Algemene doelstelling

Een sportieve samenleving waarin voor iedereen een passend sport- en beweegaanbod aanwezig is en waarin uitblinken in sport wordt gestimuleerd.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Aan het sportbeleid van de rijksoverheid ligt vooral de maatschappelijke betekenis van sport ten grondslag. Sport en bewegen dragen in belangrijke mate bij aan een betere gezondheid, aan het verbeteren van leefbaarheid, sociale samenhang en integratie, aan het verbeteren van schoolprestaties en het verminderen van schooluitval. Daarnaast erkent de rijksoverheid de intrinsieke waarde van sport.

Vanuit haar stimulerende op het beleidsterrein «Passend sport- en beweegaanbod» maakt de Minister gebruik van twee bestaande stelsels. Nederland heeft een sterke sportsector die in hoge mate zelforganiserend en zelfregulerend is. Daarbij is sprake van een landelijk netwerk met ruim 25.000 sportverenigingen, die aangesloten zijn bij landelijke sportbonden verenigd in de sportkoepel NOC*NSF. Deze verenigingen vertegenwoordigen bijna 5 miljoen mensen. Ongeveer eenzelfde aantal landgenoten is sportief actief in ongeorganiseerd verband. De gemeenten in Nederland zijn verantwoordelijk voor het lokale accommodatiebeleid en het lokale sport- en beweegbeleid. De gemeenten investeren jaarlijks ongeveer € 1 miljard in de sport.

Voor het beleidsterrein «Uitblinken in sport» faciliteert de Minister de ambitie van de georganiseerde sport om bij de tien beste topsportlanden van de wereld te willen horen. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de sportsector zelf.

Voor het functioneren van de sportsector in Nederland zijn innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling van wezenlijk belang. Dat zijn essentiële hulpmiddelen bij zowel het realiseren van een passend sport- en beweegaanbod als bij het aangaan van de internationale competitie binnen de topsport.

Vanuit de voornamelijk stimulerende en faciliterende rol van de Minister van VWS zijn kengetallen over de positie van Nederland in het medailleklassement en de beweegnorm geselecteerd.

Positie Nederland in medailleklassement Olympische Zomerspelen

Positie Nederland in medailleklassement Olympische                   Zomerspelen

Positie Nederland in medailleklassement Olympische Winterspelen

Positie Nederland in medailleklassement Olympische                   Winterspelen

Bron

IOC

Percentage van de Nederlandse bevolking (vanaf 18 jaar) dat voldoet aan de beweegnorm

Percentage van de Nederlandse bevolking (vanaf 18 jaar)                   dat voldoet aan de beweegnorm

De gegevens die ten grondslag liggen aan de grafiek over de beweegnorm maken onderdeel uit van het standaardonderzoek Ongevallen en Bewegen in Nederland (OBiN), uitgevoerd door onder meer TNO. De realisatie van deze indicatoren wordt jaarlijks gemeten.

Deze indicatoren geven aan hoeveel Nederlanders voldoende bewegen voor hun gezondheid. Dit geeft een indicatie van de behaalde gezondheidswinst door sport. Als beweegnorm wordt de zogenoemde «combinorm» gehanteerd. Men voldoet aan die norm als men voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) en/of de Fitnorm. De NNGB vereist minimaal 30 minuten matig intensief bewegen op minstens 5 dagen per week. De Fitnorm vereist minimaal 20 minuten intensief bewegen (sport of fitness) op minstens 3 dagen per week.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Faciliteren

Sport en bewegen in de buurt

Het bevorderen van de samenwerking tussen partijen uit verschillende sectoren, zodat op lokaal niveau een passend sport- en beweegaanbod tot stand komt en blijft.

Het ontwikkelen en (mede)financieren van programma’s die er aan bijdragen dat er voor iedere Nederlander een passend sport- en beweegaanbod in de buurt aanwezig is.

Uitblinken in sport

Het bevorderen van de economische en maatschappelijke spin-off van topsportevenementen.

Het faciliteren en mede financieren van de top 10 ambitie. Het scheppen van randvoorwaarden voor talenten en topsporters in Nederland, waardoor zij op een professionele en verantwoorde wijze kunnen uitblinken in sport. Het financieel ondersteunen van topsportevenementen in Nederland met een maatschappelijke spin-off.

Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling

Het bevorderen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

Het (mede) financieren van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

C. Beleidsconclusies

Sporten en bewegen is de basis van een gezonde en actieve leefstijl. Iedere Nederlander moet kunnen sporten en bewegen in de buurt. Het aantal gemeenten waar buurtsportcoaches zijn aangesteld is in 2013 gegroeid van 373 naar 377. Zij hebben voor 2013 gezamenlijk ingetekend voor 2.761 fte. Een groot deel van de buurtsportcoaches is nog werkzaam in de combinatie tussen sport, onderwijs en cultuur. Nu een bredere inzet van de buurtsportcoaches mogelijk is, worden lokaal echter steeds meer verbindingen gemaakt van sport met de welzijnssector, de zorg en het bedrijfsleven. In september 2012 zijn 171 projecten, met als doel het stimuleren van sport- en beweegaanbod op lokaal niveau, binnen de Sportimpuls gehonoreerd. Deze projecten zijn in 2013 volledig in uitvoering genomen. In september 2013 zijn 166 nieuwe projecten vanuit de Sportimpuls gehonoreerd, waarvan 20 projecten speciaal gericht zijn op «Kinderen op sportief gewicht». Ook is in 2013, in nauwe samenwerking met het Ministerie van OCW, de Onderwijsagenda Sport, Bewegen en een Gezonde Leefstijl in uitvoering genomen. Daarmee is in 2013 voor meer Nederlanders een passend sport- en beweegaanbod beschikbaar gekomen.

NOC*NSF is, in samenwerking met de sportbonden, in de volle breedte aan de slag met de uitvoering van het actieplan Naar een veiliger sportklimaat (TK 30 234, nr. 55). In 2013 is het aantal deelnemende sportbonden gestegen met 12 naar totaal 42 bonden. Deze sportbonden vertegenwoordigen 18.000 verenigingen (74% van het totaal aantal verenigingen) en 4,4 miljoen leden (91% van het totaal aantal leden).

Om de aansluiting met de top te behouden heeft NOC*NSF, in samenwerking met de sportbonden, in de sportagenda 2013–2016 vorm gegeven aan een topsportbeleid met scherpere focus. In aansluiting daarop zijn met NOC*NSF nieuwe afspraken gemaakt over de wijze van financiering van de topsport. Dat is vorm gegeven in een instellingssubsidie aan NOC*NSF voor de uitvoering van het topsportbeleid van de sportsector. Het leeftijdsgedifferentieerd stipendium voor topsporters blijkt in een grote behoefte te voorzien. In combinatie met de goede prestaties van de paralympische sporters, heeft dat gezorgd voor een grotere aanspraak op de stipendiumregeling.

In november 2013 is het Nationaal Topsport Netwerk van start gegaan. Hierin gaat de Minister het gesprek aan met (voormalig) topsporters om binding met de sport te houden en van sporters zelf te horen wat er leeft in de sport. Dit topsportnetwerk is de start van een landelijk sportnetwerk met als doel het inspireren, verbinden en het delen van concrete resultaten om meer Nederlanders aan het sporten en bewegen te krijgen (sportparticipatie) en om prestaties te verbeteren (topsport).

In het najaar is een nieuw beleidskader voor sportevenementen gepresenteerd. Hierin ligt de nadruk op internationaal toonaangevende evenementen en is extra aandacht voor het realiseren van maatschappelijke en economische spin-off rondom deze evenementen (TK 30 234, nr. 94).

In 2013 is het Onderzoeksprogramma sport 2013–2016 van start gegaan. Binnen dit programma zijn 25 onderzoeksvoorstellen gehonoreerd op het gebied van Presteren, Meedoen en Vitaal. VWS is opdrachtgever en financier van het programma (totaal € 6 miljoen) samen met NOC*NSF en Stichting Innovatie Alliantie (SIA). Het programma wordt uitgevoerd door ZonMw, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Geesteswetenschappen en de Stichting voor de Technische Wetenschappen (STW). Genoemde organisaties hebben alle een bijdrage geleverd aan het programma waarmee het totaalbudget uitkomt op € 9,75 miljoen. Daarnaast wordt vanuit de projectconsortia nog eens ruim € 5 miljoen (deels in natura) geïnvesteerd in de onderzoeksvoorstellen.

Daarnaast is in 2013 extra aandacht uitgegaan naar de monitoring van kernindicatoren voor sport. In 2013 zijn rapportages verschenen op het gebied van bewegen en blessures (TNO), sportdeelname en sportbeleving (SCP), bewegingsonderwijs (Mulier Instituut) en sporteconomie (CBS).

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

42.713

80.526

122.849

– 42.323

         

Uitgaven

79.557

70.639

135.000

– 64.361

         

1. Passend sport- en beweegaanbod

 

25.487

86.524

– 61.037

         

Subsidies

 

17.373

29.833

– 12.460

Sport en bewegen in de buurt

 

4.892

16.515

– 11.623

Stimuleren van een veiliger sportklimaat

 

7.111

7.094

17

Gehandicaptensport

 

2.966

3.153

– 187

Verantwoord sporten en bewegen

 

2.404

3.071

– 667

         

Opdrachten

 

50

0

50

         

Bekostiging

 

8.065

9.357

– 1.292

Compensatie van betaalde energiebelasting

 

8.065

9.357

– 1.292

         

Bijdrage aan medeoverheden

 

0

47.334

– 47.334

Sport en bewegen in de buurt

 

0

47.334

– 47.334

         

2. Uitblinken in sport

 

37.018

37.768

– 750

         

Subsidies

 

26.842

29.724

– 2.882

Topsportevenementen

 

4.065

9.785

– 5.720

Topsportprogramma's

 

21.109

18.700

2.409

Dopingbestrijding

 

1.668

1.239

429

         

Opdrachten

 

28

0

28

         

Bijdragen aan internationale organisatie

 

0

193

– 193

Dopingbestrijding

 

0

193

– 193

         

Inkomensoverdrachten

 

10.148

7.851

2.297

Stipendiumregeling

 

10.148

7.851

2.297

         

3. Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en

       

kennisdeling

 

8.134

10.708

– 2.574

         

Subsidies

 

7.415

10.808

– 3.393

Kennis en innovatie

 

6.297

9.008

– 2.711

Olympische ambitie

 

1.003

1.300

– 297

Internationaal beleid

 

116

500

– 384

         

Opdrachten

 

661

– 100

761

Olympische ambitie

 

0

– 300

300

Kennis en innovatie

 

397

200

197

Internationaal beleid

 

264

0

264

         

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

 

58

0

58

         

Ontvangsten

3.238

661

1.740

– 1.079

E. Toelichting op de Instrumenten

1. Passend sport- en beweegaanbod

Binnen deze doelstelling is de realisatie € 25,5 miljoen. Dat is € 61 miljoen lager dan het in de begroting opgenomen bedrag van € 86,5 miljoen. Dit is een gevolg van een overboeking naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in verband met uitkeringen aan gemeenten via het Gemeentefonds, en van een overboeking naar artikel 4 van de VWS-begroting. Deze overboekingen worden bij de desbetreffende instrumenten nader toegelicht.

Subsidies

Sport en bewegen in de buurt

In 2013 is € 11,1 miljoen ingezet voor de Sportimpuls, met als doel het stimuleren van sport- en beweegaanbod op lokaal niveau. Dit bedrag is overgeboekt naar artikel 4 van de VWS-begroting. Vanuit dat artikel is de opdracht aan ZonMw verstrekt. Aan andere activiteiten op het terrein van sport en bewegen in de buurt en voor de implementatie en ondersteuning van het programma sport en bewegen in de buurt is € 4,9 miljoen uitgegeven.

Stimuleren van een veiliger sportklimaat

Het NOC*NSF heeft € 7 miljoen subsidie ontvangen voor de uitvoering van een programma ten behoeve van een veiliger sportklimaat. NOC*NSF verzorgt dit programma in nauwe samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de Koninklijke Nederlandse Hockey Bond (KNHB). Ook andere sportbonden zijn hierbij betrokken.

Gehandicaptensport

Er is voor een bedrag van € 3 miljoen aan subsidies verleend aan Onbeperkt Sportief ten behoeve van het stimuleren van gehandicaptensport.

Verantwoord sporten en bewegen

Er is voor € 2,4 miljoen uitgegeven voor ondersteuning van activiteiten op het gebied van de opleiding van sportartsen, het verbeteren van de kwaliteit van de sportgeneeskunde en het verzamelen en verspreiden van kennis en informatie over gezonde sportbeoefening. Daarnaast is via artikel 4 van de VWS-begroting een bedrag van € 0,9 miljoen besteed aan activiteiten op het terrein van blessurepreventie.

Bekostiging

Compensatie van betaalde energiebelasting

Sportverenigingen hebben € 8,1 miljoen ontvangen om de kosten als gevolg van de regulerende energiebelasting voor 50% te compenseren. Totaal is € 1,3 miljoen minder uitgekeerd dan geraamd.

Bijdragen aan medeoverheden

Sport en bewegen in de buurt

Binnen het programma sport en bewegen in de buurt worden binnen gemeenten in Nederland buurtsportcoaches ingezet om de verbinding te leggen tussen sport en andere sectoren als onderwijs, welzijn, zorg, e.d. Totaal is in 2013 € 55,2 miljoen uitgekeerd aan deelnemende gemeenten. Deze decentralisatie-uitkeringen zijn verleend via het Gemeentefonds. Daarvoor zijn middelen overgeboekt vanuit de begrotingen van OCW (€ 10,9 miljoen) en VWS (€ 44,3 miljoen) naar het Ministerie van BZK. Van het niet benodigde budget van € 3 miljoen is € 2,1 miljoen ingezet voor de Stipendiumregeling en is € 0,8 miljoen overgeboekt naar OCW voor activiteiten op het terrein van sport en onderwijs.

2. Uitblinken in sport

Subsidies

Topsportevenementen

Er zijn subsidies verleend aan (sport)organisaties voor het verkrijgen en organiseren van aansprekende topsportevenementen in Nederland en voor de noodzakelijke aanpassingen aan de daarvoor beschikbare (multifunctionele) accommodaties. Het aantal topsportevenementen dat in enig jaar in Nederland georganiseerd wordt en de omvang van die evenementen fluctueert sterk. In verband daarmee zijn afspraken gemaakt over een kasschuif. In het kader van die kasschuif is een budget van € 3,8 miljoen doorgeschoven naar latere jaren. Daarnaast is een bedrag van € 0,4 miljoen overgeboekt naar artikel 9 van de VWS-begroting in verband met een verzameluitkering aan de gemeente Den Haag in verband met het WK Hockey 2014.

Topsportprogramma’s

Om de top tien ambitie waar te kunnen maken is het topsportprogramma dat NOC*NSF, samen met de sportbonden en andere partijen, uitvoert financieel ondersteund. Daaraan is, conform begroting, € 18,4 miljoen uitgegeven. Daarnaast is € 2,7 miljoen uitgegeven in verband met de uitfinanciering en afbouw van topsportsubsidies uit voorgaande jaren.

Dopingbestrijding

Voor het tegengaan van dopinggebruik zijn op basis van internationale afspraken subsidies verleend (totaal € 1,7 miljoen) aan (inter)nationale antidopingorganisaties.

Inkomensoverdracht

Stipendiumregeling

De aanspraken op de stipendiumregeling zijn sterker gestegen dan verwacht als gevolg van enerzijds de invoering van het leeftijdsvariabel stipendium en anderzijds de sterk verbeterde prestaties van de paralympische sporters. Daarom is € 2,3 miljoen meer uitgegeven dan het geraamde bedrag van € 7,8 miljoen.

3. Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling

Subsidies

Olympische ambitie

De Alliantie Olympisch Vuur heeft in 2013 haar activiteiten afgebouwd en er daarbij zorg voor gedragen dat de opgebouwde kennis en ervaring is geborgd.

Kennis en innovatie

Ingezet is op het valideren van kansrijke sport- en beweegconcepten en op het borgen en verspreiden van beschikbare kennis via onder meer het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB), Mulier Instituut en TNO. Totaal is daar € 5,3 miljoen aan besteed. Daarnaast is € 1 miljoen uitgekeerd aan InnoSportNL ten behoeve van het ontwikkelen en stimuleren van innovaties in de sport. Middels amendementen aangenomen bij de ontwerpbegroting is € 1 miljoen overgeheveld naar de doelstelling Uitblinken in sport. Daarnaast is € 1,9 miljoen overgeheveld naar artikel 4 van de VWS-begroting. Daarvan is € 1,5 miljoen besteed aan het Onderzoeksprogramma Sport 2013–2016, dat wordt uitgevoerd door NWO, STW en ZonMw, en is € 0,4 miljoen uitgekeerd aan RIVM voor kennisgerichte activiteiten.

Ontvangsten

Aan ontvangsten is € 0,7 miljoen gerealiseerd. Dit hangt samen met het terugvorderen van niet bestede subsidiegelden. De realisatie blijft achter op de raming doordat het aantal verleende en vastgestelde subsidies vanuit dit begrotingsartikel terug loopt.

Beleidsartikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II

A. Algemene beleidsdoelstelling

De zorg voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit de Tweede Wereldoorlog (WOII) is geborgd en mensen beseffen, mede op basis van de gebeurtenissen uit WOII, wat het betekent om in vrijheid te kunnen leven.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister vervult een regisserende rol met betrekking tot het actueel houden van de wet- en regelgeving voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen van WOII en het in stand houden van een infrastructuur die het mogelijk maakt om de herinnering aan WOII blijvend betekenis te laten houden1.

De Minister van VWS is (mede)financier van maatschappelijk werk en sociale dienstverlening aan erkende deelnemers aan het voormalig verzet en oorlogsgetroffenen, door het subsidiëren van de zogenoemde begeleidende instellingen en Stichting Cogis.

Vanuit de rol van «uitvoerder» verstrekt de Minister van VWS opdrachten aan de zelfstandige bestuursorganen Pensioen en Uitkeringsraad (PUR), Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR) voor de uitvoering en toepassing van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII. Ook houdt zij toezicht op deze organisaties.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII en de herinnering aan WOII.

Het subsidiëren van begeleidende instellingen voor maatschappelijk werk en sociale dienstverlening aan erkende deelnemers aan het voormalig verzet en oorlogsgetroffenen.

Het in stand houden van een infrastructuur die het mogelijk maakt om de herinnering aan WOII blijvend betekenis te laten houden.

 

Wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.

 

Het actueel houden van de wet – en regelgeving voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII.

Opdrachtgever en toezichthouder van/op zelfstandige bestuursorganen Pensioen- en Uitkeringsraad, Sociale Verzekeringsbank en Commissie Algemene Ongevallenregeling Indonesië voor uitvoering en toepassing van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII.

C. Beleidsconclusies

Door monitoring en bijsturing van ontwikkelingen op het terrein van de zorg- en dienstverlening en op het terrein van de herinnering WOII, is bijgedragen aan continuïteit en kwaliteit van het stelsel van voorzieningen en organisaties.

In 2013 zijn de voorbereidingen afgerond om de Stichting Pelita een nieuwe toekomst te bieden. Per 1 januari 2014 is het onderdeel maatschappelijk werk ondergebracht bij Stichting De Basis. De overige delen van de Stichting Pelita zijn ondergebracht bij Stichting Arq.

Met ingang van 2013 is de bekostiging van de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen op basis van een prijs-per-product-model georganiseerd. De wijze van bekostigen legt de verantwoordelijkheid voor een doelmatige taakuitvoering in casu bij de SVB.

Voorts is om doelmatigheidsredenen de ondersteuning van de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen in Israël geconcentreerd bij de ambassade in Tel Aviv onder gelijktijdige overheveling van een aantal procedurele taken naar de SVB te Leiden.

Een gerechtelijke uitspraak noodzaakt tot een wijziging van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv). Recent is bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel aanhangig gemaakt dat regelt dat de uitkeringen in Indonesië net als in alle andere landen worden berekend op basis van een euro-grondslag in plaats van een rupiah-grondslag, zoals de Wuv nu voorschrijft.

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

340.290

322.143

331.354

– 9.211

         

Uitgaven

343.020

341.447

331.574

9.873

         

1. De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII en de herinnering aan WOII

 

16.459

19.365

– 2.906

         

Subsidies

 

16.123

16.392

– 269

waarvan onder andere:

       

Nationaal Comité 4 en 5 mei

 

5.519

5.465

54

Nationale herinneringscentra

 

2.052

1.705

347

Zorg- en dienstverlening

 

6.958

6.989

– 31

         

Bekostiging

 

0

654

– 654

         

Opdrachten

 

336

2.119

– 1.783

         

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

0

100

– 100

         

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

 

0

100

– 100

         

2. Pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII

 

324.988

312.209

12.779

         

Inkomensoverdrachten

 

304.946

289.205

15.741

waarvan onder andere:

       

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv)

 

169.567

152.709

16.858

Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo)

 

73.400

71.710

1.690

Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp)

 

51.800

53.885

– 2.085

         

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

20.043

23.004

– 2.961

waarvan onder andere:

       

Sociale Verzekeringsbank

 

13.398

16.917

– 3.519

Pensioen- en Uitkeringsraad

 

4.428

3.628

800

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen

 

1.928

1.775

153

         

Ontvangsten

1.043

1.298

901

397

E. Toelichting op de Instrumenten

1. De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII en de herinnering aan WOII

Het Ministerie van VWS zorgt dat er een infrastructuur is die het levend houden van de herinnering aan WOII mogelijk maakt. Om invulling te kunnen geven aan een centrale positie binnen die infrastructuur is het essentieel dat het Nationaal Comité samenwerkt op het gebied van zowel herdenken als herinneren en de samenwerking tussen andere organisaties op die gebieden stimuleert. Die samenwerking is in 2013 geïntensiveerd.

Kengetal: percentage van de bevolking dat (veel) belang hecht aan 4 en 5 mei

Bron: Nationaal Comité 4 en 5 mei – Nationaal Vrijheidsonderzoek

Het draagvlak voor zowel de Nationale Herdenking op 4 mei als de viering van de Bevrijding op 5 mei is groot. De Minister van VWS ziet het als haar taak om die belangstelling voor en bewustzijn over de gebeurtenissen uit WO II te ondersteunen.

Subsidies

Herinnering aan WOII

Het Ministerie van VWS verleent vanuit haar regisserende rol instellingssubsidies aan vier nationale herinneringscentra: Kamp Vught, Kamp Westerbork, Kamp Amersfoort en het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek (circa € 1,8 miljoen). Het Nationaal Comité 4 en 5 mei ontvangt een instellingssubsidie van circa € 4,5 miljoen. Daarnaast verstrekt het Nationaal Comité 4 en 5 mei (in mandaat van de Minister van VWS) projectsubsidies (€ 0,98 miljoen) aan derden op het terrein van de educatie over de gebeurtenissen uit WOII. De ervaringen die het Comité in deze versterkte uitvoerende rol opdoet, kunnen bijdragen aan de effectiviteit van het VWS-beleid.

Zorg- en dienstverlening

Om zorg- en dienstverlening (maatschappelijk werk, sociale dienstverlening) aan (erkende) verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen mogelijk te maken, worden subsidies (circa € 7,1 miljoen) verleend aan gespecialiseerde instellingen, waaronder de Stichting Cogis en de zogenoemde begeleidende instellingen: de Stichting Pelita, de Stichting de Basis, de Stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) en de Stichting 1940–1945.

2. Pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII

Inkomensoverdrachten

Wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

De wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen worden alleen nog bijgesteld als wijzigingen in aanpalende wetten, bijvoorbeeld op het terrein van zorg en sociale zekerheid, dat noodzakelijk maken. Voor 2013 is circa € 305 miljoen uitgegeven, dat is € 16 miljoen meer dan geraamd. Dit is vooral veroorzaakt door hogere uitgaven bij de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945. Totaal bijna € 170 miljoen tegenover een raming van € 153 miljoen. Dit hangt samen met mutaties die reeds bij eerste en tweede suppletoire wet zijn gemeld. Vanwege de stijging van het wettelijk minimumloon en de kortingen op de pensioenen is het budget met € 3,8 miljoen verhoogd. Als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep worden de uitkeringsgerechtigden in Indonesië voortaan niet in Indonesische rupiah maar in euro’s uitbetaald. Daardoor zijn de uitgaven € 7,5 miljoen hoger. Tevens is € 7,3 miljoen overgeboekt vanuit het budget voor de bijdragen aan ZBO’s en RWT’s (PUR en SVB).

Kengetal: uitgaven Wuv, Wubo, Wbp en AOR

Kengetal: uitgaven Wuv, Wubo, Wbp en AOR

Bedragen x € 1 miljoen

Bron: SVB en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen

Wuv = Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945

Wubo = Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945

Wbp = Wet buitengewoon pensioen 1940–1945

AOR= Algemene Ongevallenregeling

Bovenstaand figuur geeft een overzicht van (de ontwikkeling van) de totale gerealiseerde

programma-uitgaven in het kader van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en

oorlogsgetroffenen over de periode 2007–2011. De uitgaven voor de periode 2012–2017 betreffen

ramingen. Het gemiddeld aantal uitkeringen bij Wuv, Wubo en Wbp daalt geleidelijk met circa 5%

per jaar. Bij de AOR-regeling is nog sprake van een lichte stijging, direct of indirect als gevolg van

de publiciteit in verband met de projecten «Gerichte benadering» en «Brede benadering».

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

Om pensioenen, uitkeringen en bijzondere voorzieningen te kunnen verlenen aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, zijn in 2013 bijdragen (circa € 20 miljoen) ter beschikking gesteld aan de PUR, de SVB en de CAOR. Dat is € 3 miljoen minder dan geraamd, doordat aan de SVB € 3,5 miljoen minder en aan de PUR € 0,8 miljoen meer aan uitvoeringskosten is toegekend dan oorspronkelijk geraamd.

Indicator: percentage eerste aanvragen dat door de PUR en de SVB binnen de (verlengde) wettelijke termijn is afgehandeld.

Indicator: percentage eerste aanvragen dat door de PUR                   en de SVB binnen de (verlengde) wettelijke termijn is afgehandeld.

Bron: De gerealiseerde percentages worden jaarlijks gepubliceerd in het jaarverslag van de PUR en de SVB.

Het aantal nieuwe «eerste» aanvragen ligt momenteel op circa 500 per jaar. Het hoogste aantal nieuwe eerste aanvragen in de afgelopen 5 jaar bedroeg ruim 3.200 in 2009. (N.B.: Er geldt geen leeftijdsgrens voor aanvragers; de cijfers zijn inclusief weduwen die een pensioen of uitkering aanvragen).

De percentages voor de afhandeling van de eerste aanvragen betreffen een gewogen gemiddelde van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv), de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) en de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp). Vanaf 2011 is de uitvoering van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen overgeheveld van de PUR naar de SVB, afdeling Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen (V&O). De feitelijke behandeltijd is mede afhankelijk van derden. Er wordt door de SVB gestreefd naar minimale doorlooptijden. Het percentage aanvragen dat is afgehandeld binnen de (verlengde) wettelijke termijn is een cruciale indicator voor de kwaliteit van de wetsuitvoering.

Beleidsartikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

A. Algemene beleidsdoelstelling

Zorg dragen voor een tegemoetkoming in de kosten van premie van de zorgverzekering en inkomensondersteuning voor mensen die geconfronteerd worden met meerkosten als gevolg van een handicap of chronische ziekte.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De zorgtoeslag is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van de premie van de zorgverzekering en valt als zodanig onder de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de vaststelling van de hoogte van de zorgtoeslag en de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving. Dit hangt samen met de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS voor betaalbare zorg. De Minister van Financiën is wettelijk verantwoordelijk gesteld om de zorgtoeslag uit te voeren. De uitvoering van de zorgtoeslag is opgedragen aan de Belastingdienst. Dit is vastgelegd in de Wet op de Zorgtoeslag. In het jaarverslag van het Ministerie van Financiën en het beheersverslag van de Belastingdienst wordt over de uitvoering van de zorgtoeslag verantwoording afgelegd.

De Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) regelt een tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten die geconfronteerd worden met meerkosten als gevolg van hun aandoening. Het gaat om een forfaitaire regeling, die automatisch wordt uitgekeerd. De forfaitaire regeling is idealiter zo vorm gegeven dat de rechthebbenden automatisch geselecteerd en bereikt worden. De automatische selectie wordt nagestreefd door het hanteren van afbakeningscriteria die gebaseerd zijn op het zorggebruik en de zorgvraag op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het zorggebruik wordt gezien als aanwijzing of iemand een bepaalde aandoening en/of handicap heeft die leidt tot meerkosten en daarmee of iemand recht heeft op een forfaitaire tegemoetkoming. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de vaststelling van het niveau van de forfaitaire tegemoetkoming en de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving. Dit hangt samen met de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS voor betaalbare zorg. In de Wtcg is het CAK belast met de vaststelling van het recht op en de hoogte van de tegemoetkoming. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de sturing en het toezicht op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van deze regeling door het CAK.

Met de invoering van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten per 1 januari 2009 is in de Wet inkomstenbelasting 2001 de regeling tegemoetkoming buitengewone uitgaven (TBU-regeling) vervangen door de regeling tegemoetkoming specifieke zorgkosten (TSZ-regeling). De TSZ-regeling is een tegemoetkomingsregeling voor personen die in de inkomstenbelasting hun uitgaven voor specifieke zorgkosten als gevolg van heffingskortingen niet of niet geheel kunnen verzilveren. De Belastingdienst is belast met de vaststelling van het recht en de hoogte van de tegemoetkoming specifieke zorgkosten. De uitbetaalde tegemoetkomingen op grond van de TSZ-regeling komen ten laste van de begroting van het Ministerie van VWS.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Financieren

1. Zorgtoeslag

Financieren van de zorgtoeslag. Vaststellen van de hoogte van de zorgtoeslag en de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving.

   

2. Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten

Financieren van de tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten die geconfronteerd worden met meerkosten als gevolg van hun aandoening. Vaststellen van het niveau van de forfaitaire tegemoetkoming en de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving.

   

3. Tegemoetkoming specifieke zorgkosten

Financieren van de tegemoetkoming voor personen die in de inkomstenbelasting hun uitgaven voor specifieke zorgkosten als gevolg van heffingskortingen niet of niet geheel kunnen verzilveren.

C. Beleidsconclusies
Zorgtoeslag

Jaar

Aantal ontvangers zorgtoeslag

2008

5.031.225

2009

5.152.195

2010

5.396.210

2011

5.729.590

2012

5.698.380

2013

5.395.748

Dit is de stand van het aantal beschikkingen voor de zorgtoeslag voor het betreffende toeslagjaar. De cijfers betreffen de stand van 31 december 2013 (bron Belastingdienst). In de stand van het aantal beschikkingen zijn zowel definitieve als voorlopige beschikkingen meegenomen.

Het aantal ontvangers kan hoger of lager uitvallen, omdat de zorgtoeslag met terugwerkende kracht kan worden aangevraagd. Als alle aanvragen definitief beschikt zijn, is pas duidelijk hoeveel rechthebbenden er zijn.

Daarnaast geldt dat ook al zijn alle aanvragen definitief beschikt, dan nog kunnen nieuwe aanvragen bijkomen. Immers, zolang er uitstel IB is bij de Belastingdienst kan er nog een aanvraag worden gedaan. Dat kan soms nog vijf jaar na afloop van het berekeningsjaar. Verder geldt dat bij een herziening van het inkomen de toeslag eveneens dient te worden herzien. Ook dat kan consequenties hebben voor het aantal zorgtoeslagen.

De Wtcg is met ingang van 2012 inkomensafhankelijk gemaakt. De tegemoetkomingen Wtcg 2012 zijn vanaf december 2013 uitgekeerd. Paren met een inkomen boven € 35.100 en alleenstaanden met een inkomen hoger dan € 24.570 hebben geen tegemoetkoming meer ontvangen. Een uitzondering is gemaakt voor huishoudens met meerdere tegemoetkomingen; zij hebben maximaal één tegemoetkoming verloren.

In 2013 hebben circa 1 miljoen personen een tegemoetkoming Wtcg 2012 ontvangen en zijn er circa 240.000 tegemoetkomingen Wtcg betaald over de eerdere tegemoetkomingsjaren (Wtcg 2009 t/m 2011). Doordat het checken van gegevens, waaronder het inkomen en huishoudsamenstelling, een langere doorlooptijd kende dan op grond van het testen werd verwacht zijn er in 2013 minder Wtcg 2012 tegemoetkomingen uitbetaald dan van tevoren geraamd.

D. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

6.375.508

5.588.214

5.220.557

367.657

         

Uitgaven

5.971.354

5.992.369

5.220.557

771.812

         

Inkomensoverdrachten

 

5.992.369

5.220.557

771.812

1. Zorgtoeslag1

 

5.618.160

4.802.826

815.334

2. Wet tegemoetkoming chronisch zieken en

       

gehandicapten (Wtcg)

 

326.065

375.432

– 49.367

3. Tegemoetkoming specifieke zorgkosten/TBU

 

48.143

42.299

5.844

         

Ontvangsten

669.003

607.111

0

607.111

X Noot
1

Van het bedrag van € 5.618.160 is in 2012 reeds een bedrag van € 404.154.144 verplicht, het resterende verplichtingenbedrag € 5.214.006 is in 2013 aangegaan.

E. Toelichting op instrumenten

1. Zorgtoeslag

De zorgtoeslag is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van de premie van de zorgverzekering. Als er sprake is van een laag (midden) inkomen dan kan een bijdrage worden ontvangen in de kosten van de zorgverzekering. Die bijdrage heet zorgtoeslag.

De Belastingdienst/Toeslagen betaalt deze zorgtoeslag uit. Hierdoor betaalt idealiter niemand een groter dan aanvaardbaar deel aan Zvw-premie.

De uitgavenraming zorgtoeslag is op basis van ramingen van het Centraal Planbureau bij eerste suppletoire wet met € 13,2 miljoen naar boven bijgesteld en bij tweede suppletoire wet met € 11,6 miljoen naar beneden bijgesteld. De Belastingdienst heeft in 2013 in totaal € 5.618,2 miljoen betaald aan voorschotten zorgtoeslag en nabetalingen voor de definitieve tegemoetkomingen oude jaren. Dit leidt tot een bijstelling van € 815,3 miljoen. Deze endogene toename volgt uit de economische ontwikkelingen en de ontwikkelingen op het gebied van de kosten van de zorg in Nederland in de afgelopen jaren.

Onder Kengetal: Ontwikkeling aantal ontvangers zorgtoeslag

Onder Kengetal: Ontwikkeling aantal ontvangers                   zorgtoeslag

Bron: Belastingdienst

2. Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg)

Oorspronkelijk is voor de Wtcg een bedrag van € 375,4 miljoen begroot. Bij de eerste suppletoire wet is het budget voor de Wtcg met € 9,9 miljoen opgehoogd vanuit artikel 11 (Nominaal en onvoorzien) in verband met de prijsbijstelling tranche 2013. Daarnaast is op basis van gegevens van het CAK de raming van de Wtcg-uitgaven bij eerste suppletoire wet opwaarts bijgesteld met € 3,4 miljoen en bij tweede suppletoire wet met € 13,7 miljoen. In verband met de complexiteit van de uitvoering van de inkomensafhankelijke Wtcg is een deel van de tegemoetkomingen Wtcg 2012 niet in 2013 tot uitbetaling gekomen (circa € 71 miljoen). De betaling van deze tegemoetkomingen vindt plaats in 2014. Daarnaast zijn de betalingen over eerdere tegemoetkomingsjaren (Wtcg 2009, Wtcg 2010 en Wtcg 2011) lager uitgevallen dan geraamd (circa € 5 miljoen).

Kengetal Wtcg

In 2013 zijn er in totaal bijna 1.240.000 tegemoetkomingen uitbetaald. Het gaat hierbij om tegemoetkomingen over de tegemoetkomingsjaren 2009 t/m 2012.

3. Tegemoetkoming specifieke zorgkosten/TBU

In 2013 is € 43,6 miljoen aan TSZ-tegemoetkomingen uitbetaald en is € 0,1 miljoen aan TSZ-uitkeringen ontvangen. Voor de TBU-regeling is € 4,6 miljoen uitgegeven en een bedrag van € 0,3 miljoen ontvangen. Dit is in totaal € 5,8 miljoen hoger dan geraamd. De uitgaven voor de TSZ en TBU zijn lastig te ramen. De Belastingdienst bepaalt per aangifte welk bedrag er mag worden verzilverd.

Ontvangsten

De ontvangsten bestaan uit ontvangsten zorgtoeslag voor een bedrag van € 606,7 miljoen. Het betreft verrekeningen van verstrekte voorschotten en terugvorderingen op definitief vastgestelde tegemoetkomingen. Daarnaast is sprake van € 0,4 miljoen aan terugontvangsten van TSZ-tegemoetkomingen en TBU-uitkeringen.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

Niet-beleidsartikel 9 Algemeen

A. Algemene doelstelling

In dit niet-beleidsartikel worden de departementsbrede uitgaven geboekt die niet zinvol kunnen worden toegerekend aan een beleidsartikel.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

71.254

29.611

21.936

7.675

         

Uitgaven

82.468

22.577

27.936

– 5.359

         

1. Internationale samenwerking

 

5.002

4.721

281

         

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

 

5.002

4.721

281

waarvan onder andere:

       

WHO

 

4.721

4.721

0

         

2. Verzameluitkering VWS

 

1.729

541

1.188

         

3. Strategisch onderzoek RIVM

 

15.846

22.674

– 6.828

         

Bekostiging

 

15.846

22.674

– 6.828

waarvan onder andere:

       

Strategisch onderzoek RIVM

 

15.846

22.674

– 6.828

         

Ontvangsten

32.484

0

0

0

C. Toelichting

In onderstaande toelichting worden de opmerkelijke verschillen tussen de budgettaire raming en de realisatie in het verslagjaar toegelicht.

1. Internationale samenwerking

De uitgaven hebben betrekking op conferenties, handelsmissies en werkbezoeken van de Minister en Staatssecretaris. Aan de WHO is in verband met het partnership circa € 4,7 miljoen uitgekeerd.

2. Verzameluitkering VWS

In een verzameluitkering worden per ministerie alle financieel geringe overdrachten (beleidsthema’s) aan een medeoverheid opgenomen. Alle bedragen waarvoor een budget beschikbaar is dat onder het grensbedrag (gesteld op maximaal € 10 miljoen) ligt, moeten in de verzameluitkering worden opgenomen. De Financiële-verhoudingswet geeft de wettelijke grondslag voor de verzameluitkering. In de uitkering zijn de volgende beleidsthema’s opgenomen met de daarbij voor het begrotingsjaar uitgetrokken en gerealiseerde budgetten:

Verzameluitkering (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Begroting

Verschil

Beleidsthema

2013

2013

2013

       
       

Jeugd

848

311

537

       

Sport

421

0

421

       

Langdurige Zorg

461

230

231

       

Totaal

1.730

541

1.189

Via de verzameluitkering heeft het Ministerie van VWS de bestuurskosten 3 grootstedelijke regio's (€ 0,3 miljoen) en invoeringskosten decentralisatie jeugd (€ 0,45 miljoen) uitgekeerd. Aan de gemeente Amsterdam zijn middelen uitgekeerd voor School2Care (circa € 0,1 miljoen).

Aan de gemeente Den Haag is voor het WK Hockey in 2014 een bijdrage uitgekeerd van circa € 0,4 miljoen.

Aan Frieslab is circa € 0,5 miljoen uitgekeerd. Dit is de begrote bijdrage voor 2012 en 2013. De bijdrage voor 2012 is in 2013 uitgekeerd vanwege vertraging in de administratieve verwerking. Frieslab werkt op basis van knelpunten in zorg en dienstverlening. Binnengekomen knelpunten worden geanalyseerd en indien mogelijk opgelost. In projecten wordt hiermee geëxperimenteerd.

Met de verzameluitkering wordt beoogd de medeoverheden ruimte te bieden voor lokaal maatwerk en de administratieve lasten bij het Rijk en de medeoverheden te beperken (zie ook TK 31 327, nr. 2 en Staatsblad 2008, 312).

3. Strategisch onderzoek RIVM

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is een agentschap van het Ministerie van VWS en doet projectmatig onderzoek voor zijn primaire opdrachtgevers: de Ministeries van VWS, EZ, SZW en IenM. Daarnaast voert het RIVM ook strategisch onderzoek uit. Dit is onderzoek om de expertise te ontwikkelen die nodig is voor de continuïteit van het instituut. Zo kan het RIVM zijn toekomstige taken voor de opdrachtgevers adequaat uitvoeren, op zowel de middellange als de lange termijn. Het strategisch onderzoek richt zich enerzijds op lacunes in actuele kennis en anderzijds op nieuwe ontwikkelingen. Op dit artikel zijn verder onder meer middelen voor huisvesting van het RIVM geraamd. De realisatie 2013 op deze doelstelling bedraagt € 15,8 miljoen. Dat is € 7,0 miljoen lager dan het in de begroting opgenomen bedrag van € 22,7 miljoen. Dit houdt verband met mutaties die in de eerste suppletoire wet 2013 zijn verwerkt:

  • Er is € 2,5 miljoen overgeboekt van artikel 9 naar artikel 1 (Volksgezondheid). Dit betreft het budget voor de basisovereenkomst tussen het agentschap RIVM en het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU) voor het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC). Het budget wordt met ingang van 2013 door de coördinerend opdrachtgever (vanuit artikel 1) aan het RIVM beschikbaar gesteld in plaats van door de eigenaar (vanuit artikel 9).

  • In verband met de oprichting van de projectdirectie Antonie van Leeuwenhoekterrein (ALT) is er € 4,4 miljoen overgeboekt van artikel 9 naar artikel 10 (Apparaatsuitgaven). Het betreft budget voor het strategisch-vaccinonderzoeksprogramma (€ 2,1 miljoen) en het gemeenschappelijk proefdierenlaboratorium (€ 2,2 miljoen) die niet langer deel uitmaken van het RIVM respectievelijk het voormalige NVI, maar zijn ondergebracht bij de projectdirectie ALT.

Niet-beleidsartikel 10 Apparaatsuitgaven

A. Algemene doelstelling

In dit niet-beleidsartikel staan de personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met uitzondering van de agentschappen.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

248.927

361.267

230.895

130.372

         

Uitgaven

245.655

353.373

230.968

122.405

         

1a. Personeel kerndepartement

 

117.484

92.008

25.476

waarvan eigen personeel

 

105.385

81.421

23.964

waarvan externe inhuur

 

10.278

9.218

1.060

         

1b. Materieel kerndepartement

 

149.551

60.438

89.113

waarvan ICT

 

2.479

10.511

– 8.032

waarvan bijdrage aan SSO’s

 

68.867

39.103

29.764

waarvan overig materieel

 

78.205

10.824

67.381

         

2. Apparaatsuitgaven inspecties

 

65.825

67.174

– 1.349

         

3. Apparaatsuitgaven SCP en raden

 

20.512

11.348

9.164

         

Ontvangsten

16.044

54.067

5.353

48.714

C. Toelichting

Personeel Kerndepartement

De personele uitgaven kernministerie bestaan uit alle personeelsuitgaven van het kernministerie inclusief de inhuur van externen van zowel primaire – als ondersteunende processen. De personele uitgaven van het kerndepartement waren door diverse oorzaken € 25,8 miljoen hoger dan geraamd.

  • De personele uitgaven voor de projectdirectie ALT waren in de oorspronkelijke begroting niet op artikel 10 geraamd (€ 11,7 miljoen). Bij de opheffing van het agentschap Nederlands Vaccin Instituut (NVI) per 1 januari 2013 is besloten om de resterende activiteiten van het NVI samen te voegen met vaccinologietaken van het RIVM en de taken van het Facilitair Bedrijf van het RIVM die verbonden zijn met het Antonie van Leeuwenhoekterrein (ALT) in Bilthoven. Deze onderdelen zijn ondergebracht in de tijdelijke uitvoerende projectdirectie ALT. De met die wijziging samenhangende mutatie was al grotendeels (€ 10,7 miljoen) verwerkt in de eerste suppletoire wet.

  • Daarnaast hebben als uitvloeisel van de invoering van Verantwoord Begroten in de loop van het jaar herschikkingen tussen personele en materiële budgetten plaatsgevonden, als correctie van de verdeling uit de oorspronkelijke begroting. Zo waren de personele uitgaven voor de Eenheid Secretariaten Medische Tuchtcolleges (€ 3,9 miljoen) in de begroting als materiële uitgaven geraamd.

  • Ook bij de budgetten voor de bedrijfsvoering van het kerndepartement was sprake van een substantiële herschikking tussen materiële en personele uitgaven. Bij eerste suppletoire wet zijn de personele budgetten hierdoor per saldo met € 4,8 miljoen verhoogd, grotendeels als gevolg van overboekingen van ICT (materieel) naar externe inhuur (personeel) in verband met de informatiseringsagenda. De uitgaven voor externe inhuur vielen uiteindelijk circa € 1,5 miljoen hoger uit dan bij eerste suppletoire wet was voorzien.

  • Ook de personele uitgaven voor wetgeving en juridische zaken waren hoger dan in de oorspronkelijke begroting voorzien (€ 2,1 miljoen). Het grootste deel van de verhoging wordt veroorzaakt doordat in 2013 voor het eerst de uitgaven voor de Landadvocaat (€ 1,4 miljoen) als personele uitgaven zijn geboekt, alsmede door concentratie van de behandeling WOB-verzoeken en bestuursrechtelijke beroepen bij de directie Wetgeving en Juridische zaken.

  • Uitgaven voor een pool van medewerkers voor inzet bij tijdelijke projecten waren niet in de begroting geraamd; tegenover € 1,9 miljoen uitgaven hiervoor stonden overigens € 0,7 miljoen ontvangsten.

  • Ook voor gedetacheerde communicatiemedewerkers stonden tegenover hogere uitgaven (€ 1 miljoen) niet geraamde ontvangsten (€ 0,4 miljoen).

  • Anderzijds waren de personele uitgaven voor ziektewetuitkeringen, vervoerskaarten e.d. € 3,2 miljoen lager dan geraamd.

  • Op de overige personele budgetten was sprake van per saldo € 2,1 miljoen hogere uitgaven.

Materieel Kerndepartement

De materiële uitgaven hebben uitsluitend betrekking op de ondersteunende processen. Dit omvat onder andere ICT, bijdragen aan shared service organisaties (SSO’s) en overige materiële kosten zoals huisvestingskosten.

De materiële uitgaven van het kerndepartement waren € 88,8 miljoen hoger dan geraamd.

  • De hogere uitgaven zijn het gevolg van niet geraamde materiële uitgaven voor de projectdirectie ALT (€ 94,7 miljoen; zie ook onder Personeel Kerndepartement). Bij eerste suppletoire wet is hiervoor op basis van overboeking van budget van artikel 9 en desaldering van verwachte apparaatsontvangsten € 35 miljoen geboekt op materieel. Bij tweede suppletoire wet is het materieel budget op basis van de verwachte uitgaven voor heel 2013 met een bedrag van € 14 miljoen verhoogd. Daarnaast is toen € 50 miljoen gereserveerd voor de geplande verkoop van het ALT. De uiteindelijke materiële uitgaven voor projectdirectie ALT waren € 94,7 miljoen, waarvan € 49,9 miljoen een betaling was aan de Rijksgebouwendienst, voortvloeiend uit de afrekening met betrekking tot de verkoop van het ALT. Het ging daarbij om het VWS-aandeel in het verschil tussen de opbrengst van het terrein en de boekwaarde van het terrein, incl. onderhanden werk en de kosten voor vervroegde afkoop van op verschillende gebouwen rustende leasecontracten.

  • Op de overige materiële budgetten was sprake van per saldo € 5,9 miljoen lagere uitgaven, met name als gevolg van herschikkingen als uitvloeisel van de invoering van Verantwoord Begroten (zie de toelichting bij Personeel Kerndepartement).

Apparaatsuitgaven Inspecties

Hier zijn bij eerste suppletoire wet mutaties verwerkt tussen personele en materiële uitgaven als gevolg van Verantwoord Begroten.

Apparaatsuitgaven SCP en raden

Het budget is bij eerste en bij tweede suppletoire wet met respectievelijk € 4,7 miljoen en € 2,9 miljoen verhoogd.

Ontvangsten

De apparaatsontvangsten waren € 48,8 miljoen hoger dan in de oorspronkelijke begroting voorzien. Het verschil hangt met name samen met mutaties die eerder in de suppletoire wetten zijn verwerkt:

  • Het budget voor ontvangsten is bij eerste suppletoire wet met € 32,6 miljoen opgehoogd, waarvan € 30,6 miljoen vanwege de ontvangsten uit onderlinge dienstverlening tussen de projectdirectie ALT met het RIVM en het Planbureau voor de Leefomgeving.

  • Bij tweede suppletoire wet is het budget voor ontvangsten met € 16 miljoen opgehoogd naar € 53,9 miljoen, waarvan € 12 miljoen verband hield met een desaldering vanwege de boedelscheiding tussen de projectdirectie ALT (kas/verplichtingenstelsel) en het RIVM (agentschap) per 1 januari 2013.

D. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten agentschappen en Zelfstandige Bestuursorganen/Rechtspersonen met een wettelijke taak
Totaaloverzicht apparaatsuitgaven Ministerie van VWS (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Totaal apparaatsuitgaven

245.655

353.373

230.968

122.405

         

1. Apparaatsuitgaven kernministerie

 

267.036

152.446

114.590

         

2. Apparaatsuitgaven inspecties

 

65.825

67.174

– 1.349

Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ)

 

60.010

61.304

– 1.294

Inspectie Jeugdzorg (IJZ)

 

5.815

5.870

– 55

         

3. Appaaraatsuitgaven SCP en raden

 

20.512

11.348

9.164

Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en Raad

       

voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO)

 

10.945

5.746

5.199

Gezondheidsraad (GR)

 

7.077

3.055

4.022

Raad voor Volksgezondheid en Zorg (RVZ)

 

2.490

2.547

– 57

Overzicht apparaatskosten agentschappen en begrotingsgefinancierde ZBO’s/RWT’s van het Ministerie van VWS (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Agentschappen

495.897

444.267

463.038

– 18.771

ACBG

 

35.936

38.174

– 2.238

CIBG

 

43.561

34.523

9.038

RIVM

 

341.784

367.486

– 25.702

Almata

 

10.306

9.337

969

De Lindenhorst

 

12.680

13.518

– 838

         

2. Totaal apparaatskosten ZBO’s en RWT’s

 

475.607

413.120

62.487

Zorg Onderzoek Nederland/ Medische

       

Wetenschappen (ZonMw)

 

6.351

6.262

89

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

 

100.764

101.064

– 300

Centraal Administratie Kantoor (CAK)

 

96.798

87.600

9.198

Accommodaties op grond van de Wet op

       

jeugdzorg

 

152.300

125.600

26.700

Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

 

4.197

4.428

– 231

Centrale Commissie voor Mensgebonden

       

Onderzoek (CCMO), inclusief Medisch

       

Ethische Commissies (METC’s)

 

1.826

1.661

165

Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

 

46.844

32.356

14.488

College voor zorgverzekeringen (CVZ)

 

64.004

51.436

12.568

College Sanering Zorginstellingen (CSZ)

 

2.523

2.713

– 190

Voor het CAK, ZonMw, CCMO en de accommodaties jeugdwet betreft het overzicht begroting- en realisatiecijfers 2012.

Toelichting

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

De verantwoordelijkheid voor de financiële en inhoudelijke aansturing van DBC-Onderhoud is per 1 januari 2013 verlegd van VWS naar de NZa. De middelen hiervoor zijn bij eerste suppletoire wet overgeheveld (€ 13,3 miljoen). Daarnaast zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor uitvoering van het werkplan (€ 1,2 miljoen).

Het College voor Zorgverzekeringen (CVZ)

Bij eerste en tweede suppletoire wet zijn met name voor de uitvoeringskosten van de regelingen bijzondere groepen extra middelen beschikbaar gesteld (ruim € 12,6 miljoen).

Niet-beleidsartikel 11 Nominaal en onvoorzien

A. Algemene beleidsdoelstelling

Dit niet-beleidsartikel heeft een technisch-administratief karakter. Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen de begroting plaats. Ook worden er taakstellingen of extra middelen op dit artikel geplaatst die nog niet aan de artikelen zijn toegedeeld.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2013

2013

Verplichtingen

0

0

– 36.359

36.359

         

Uitgaven

0

0

– 36.359

36.359

         

1. Loonbijstelling

 

0

790

– 790

2. Prijsbijstelling

 

0

16.430

– 16.430

3. Onvoorzien

 

0

0

0

4. Taakstelling

 

0

– 53.579

53.579

         

Ontvangsten

0

0

5.000

– 5.000

C. Toelichting

Loonbijstelling

Op dit onderdeel wordt de loonbijstelling verwerkt in het kader van algemene salarismaatregelen, incidentele loonontwikkeling en overige specifieke maatregelen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en premies sociale zekerheid. Het artikel heeft het karakter van een «parkeerartikel» totdat de loonbijstelling toegedeeld kan worden aan de relevante begrotingsartikelen. De door het Ministerie van Financiën toegekende loonbijstelling tranche 2013 is aan de begrotingsartikelen toegedeeld, inclusief het beperkte restant van de loonbijstelling tranche 2012 uit de begroting 2013.

Prijsbijstelling

Op dit onderdeel worden de in het kader van de prijsbijstelling ontvangen bedragen geboekt totdat toerekening plaatsvindt aan prijsgevoelige begrotingsartikelen. Door het Ministerie van Financiën is geen prijsbijstelling tranche 2013 toegekend. De na verwerking van de amendementen 33 400 XVI, nrs. 47 en 48 op de begroting 2013 resterende prijsbijstelling tranche 2012 voor het kader Rijksbegroting is ingezet voor VWS-brede problematiek. De bij begroting 2013 nog niet toegedeelde prijsbijstelling tranche 2012 voor de kaders Zorg en Niet behorend tot enige ijklijn is aan de betreffende begrotingsartikelen toegedeeld.

Onvoorzien

De grondslag voor dit onderdeel ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen. VWS heeft daar in 2013 geen gebruik van gemaakt.

Taakstelling

Op dit onderdeel worden taakstellingen geboekt in afwachting van concrete invulling ervan en inboeking op de betreffende begrotingsartikelen. De in de begroting 2013 opgenomen taakstelling betrof nagenoeg een taakstellende onderuitputting (€ 46,9 miljoen) en een nog te dekken overboeking naar het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) met het oog op de compensatie overheidsbijdrage in arbeidsontwikkeling (ova) tranche 2012 voor Academische Ziekenhuizen (€ 6,4 miljoen). In de loop van 2013 is daar dekking voor vergelijkbare compensatie voor de tranche 2013 bijgekomen (€ 6,6 miljoen), alsmede een nog in te vullen restant van een P&M-taakstelling voor VWS op basis van het Begrotingsakkoord 2013 (€ 3 miljoen). De taakstellende onderuitputting is voor een klein deel ingevuld bij eerste suppletoire wet (€ 10,1 miljoen). Bij eerste suppletoire wet is ook dekking voor de ova-compensatie gerealiseerd; de compensatie voor de ova-tranche 2013 is bij tweede suppletoire wet overgeheveld naar OCW. Bij tweede suppletoire wet is ook het resterende tekort (€ 33,5 miljoen) ingevuld. Daarvoor zijn de ramingen op de overige begrotingsartikelen verlaagd.

Ontvangsten

De ontvangstenraming van VWS is bij de voorjaarsbesluitvorming in 2010 structureel verhoogd met € 5 miljoen. De taakstelling op de ontvangsten van artikel 11 is in 2013 bij slotwet ingevuld met per saldo ontvangstenmeevallers op de overige artikelen.

BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF VWS JAARVERSLAG 2013

Rechtmatigheid begrotingsuitvoering

Artikeltoleranties

De artikeltolerantie bij artikel 4 is overschreden, voornamelijk door onzekerheid over de rechtmatigheid van de uitgaven 2011 van Caribisch Nederland. De onzekerheid op artikel 4 is € 58,5 miljoen, dit is een onzekerheid van 7,2% op het totaal van artikel 4.

Het M&O-beleid

Het beleid van VWS ten aanzien van het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik bij subsidieverstrekking is toereikend geweest. Voor de uitvoering van het M&O-beleid voor de zorgtoeslag wordt verwezen naar het jaarverslag van het Ministerie van Financiën.

Totstandkoming beleidsinformatie

Er zijn geen belangrijke tekortkomingen geconstateerd bij de totstandkoming van de beleidsinformatie. Wel constateert de Auditdienst Rijk dat het ook in 2013 ontbreekt aan goede procesbeschrijvingen en een gestructureerd dossier of audittrail. Deze punten worden in 2014 opgepakt. Met betrekking tot de informatie over beleid en bedrijfsvoering in het beleidsverslag en het jaarverslag heeft VWS een verbetering bewerkstelligd.

Financieel en materieelbeheer

Subsidiebeheer

Het Ministerie van VWS heeft de in gang gezette verbetering van het subsidiebeheer in 2013 gecontinueerd. De normatiek subsidiebeheer VWS, waarmee eerder en beter kan worden bijgestuurd op de belangrijkste risico’s, was ongewijzigd van kracht. Het verscherpt toezicht op het subsidiebeheer door de directie Financieel-Economische Zaken is onverminderd voortgezet. Het subsidiebeheer heeft in heel 2013 voldaan aan de gestelde eisen: de signaalwaarden zijn niet overschreden. VWS had naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer in 2012 nog één resterende onvolkomenheid in het subsidiebeheer. Dit betrof de werk