Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 november 2013
Gemeenten zijn hard bezig geweest met het opstellen van de regionale transitiearrangementen
in het kader van de jeugdhulp. Alle 41 regio’s hebben uiterlijk 31 oktober een regionaal
transitiearrangement ingediend bij de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd.
Daarnaast zal er ook een landelijk arrangement beschikbaar komen. Gezien de beperkte
tijd die beschikbaar was voor het opstellen van de arrangementen is dit een prestatie
van formaat.
Bij het opstellen van de regionale transitiearrangementen hebben veel regio’s een
uitvraag gedaan naar de omzetcijfers van aanbieders en naar de cijfers van verzekeraars
voor de jongeren in de regio. Een aantal regio’s heeft aangegeven dat de opgevraagde
cijfers op een hoger budget uitkomen dan de opgetelde (indicatieve) budgetten uit
de meicirculaire 2013 van de regiogemeenten. Zoals ik u ook aangaf in mijn antwoorden
van 3 oktober jongstleden op de vragen van het lid Kooiman (SP) over het bericht dat
wethouders alarm slaan over de budgetten jeugdzorg1 ben ik met de betreffende regio’s in gesprek gegaan over de mogelijke verklaringen
van de verschillen en hebben we nadere analyses uitgevoerd.
Ook de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd (TSJ) wijst ondermeer op de behoefte
aan meer duidelijkheid over de gemeentelijke budgetten. Zoals de Staatssecretaris
van Veiligheid en Justitie en ik aangaven in de brief van 4 oktober jongstleden aan
uw Kamer met de Tussenrapportage TSJ en actualisatie Transitieplan Jeugd2 onderkennen wij het belang voor de gemeenten en zorgaanbieders dat voldoende helderheid
over het budget nodig is om definitieve afspraken te kunnen maken, opdat continuïteit
van zorg wordt gegarandeerd.
De gesprekken met de regio’s heeft ons nader inzicht verschaft. Het eerste resultaat
hiervan is dat het over te hevelen macrobudget jeugd-ggz ten opzichte van het in het
SCP-rapport3 opgenomen bedrag van € 700 miljoen (waar het macrobedrag in de meicirculaire op is
gebaseerd) wordt opgehoogd met ongeveer 20% naar ca € 850 miljoen.4 Het geld dat nodig is voor de medebehandeling van bijvoorbeeld «ouders» in relatie
tot de problematiek van het kind was niet meegenomen in het budget in de meicirculaire
2013, terwijl dit na overheveling wel de verantwoordelijkheid wordt van de gemeenten.
Situaties waarin instellingen in de jeugd-GGZ zich gesteld zagen voor een korting
van 20 of 30 procent, zullen daarmee op grond van het historisch budget niet meer
optreden. GGZ Nederland en Zorgverzekeraars Nederland herkennen zich in de reden voor
het ophogen van het budget, en zullen de komende weken samen met VWS de technische
doorrekening verder uitwerken en het bedrag waar nodig nog nader preciseren. Zorgverzekeraars
Nederland en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zijn nu met elkaar in gesprek
over de tijdelijke inkoop van jeugd-GGZ door zorgverzekeraars. Daarin kunnen deze
middelen meegenomen worden.
Verder is duidelijk geworden dat aanbieders in hun berekening soms andere uitgangspunten
en aannames hanteren dan in de, door de Algemene Rekenkamer getoetste, berekeningen
voor de meicirculaire 2013. Zo zijn bijvoorbeeld soms ten onrechte ook uitgaven aan
langdurige jeugd-GGZ die uit de AWBZ wordt gefinancierd meegenomen in de vergelijking
met het budget uit de Zorgverzekeringswet. Dit verklaart waarom in sommige regio’s
het verschil met de meicirculaire meer is dan het nu toegevoegde bedrag.
Verder onderzoek in diverse regio’s vindt op dit moment plaats. De inzichten uit de
analyses van de regio’s kunnen helpen in het vergelijkbaar maken van de berekeningen
van gemeenten met die van het Rijk. In antwoord op de motie Keijzer5 laat ik een nieuwe doorrekening maken om deze uiterlijk in december 2013 te publiceren.
In de nieuwe berekening wordt de ophoging van het budget voor de jeugd-GGZ meegenomen,
evenals andere aanpassingen op het budget uit de meicirculaire 2013. Dit bedrag geeft
daarmee een goed beeld van het historisch budget met de huidige beschikbare gegevens.
In december 2013 zal aan de regio’s een toelichting gegeven worden op de herziene
budgetten en krijgen gemeenten de gelegenheid hun vragen en knelpunten naar voren
te brengen. Het in mei 2014 te presenteren definitief over te hevelen budget, dat
overigens ook getoetst wordt door de Algemene Rekenkamer, heeft dan meer recente jaren
als basis.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.J. van Rijn