Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 67, pagina 4698-4701

Vragen van het lid Arib aan de minister van Justitie over het artikel waarin wordt bericht over seksueel misbruik van gehandicapten door loverboys en waarin staat dat steeds meer Turkse en Marokkaanse mannen een vrouw kopen in land van herkomst die hier vervolgens als slavinnen thuis worden gehouden.

Mevrouw Arib (PvdA):

Voorzitter. Voor de zoveelste keer staat er een bericht in de krant over mensenhandel, dit keer in het dagblad Trouw van afgelopen vrijdag. Het Coördinatiecentrum Mensenhandel registreerde vorig jaar 716 slachtoffers van mensenhandel, een stijging van 27%. Het Coördinatiecentrum Mensenhandel meldt in hetzelfde artikel dat steeds meer loverboys hun pijlen richten op zwakbegaafde meisjes. Zij lopen rond scholen en zorginstellingen waar verstandelijk gehandicapte meisjes verblijven en slaan hun slag. Al in juni 2006 heb ik hierover schriftelijke vragen gesteld. De voormalige staatssecretaris van VWS antwoordde toen dat het gaat om incidenten. Uit de laatste cijfers blijkt echter dat dit probleem niet incidenteel is, maar dat het een structureel en toenemend probleem is. Ik wil van de minister weten wat hij hieraan concreet gaat doen. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat hun kinderen veilig en beschermd zijn op de instelling of school waar zij verblijven.

Scholen, ouders, maar ook andere burgers zien vaak dat een meisje misbruikt wordt. Voordat een loverboy wordt opgepakt, zijn er al allerlei signalen afgegeven, waarmee echter weinig wordt gedaan. De meeste mensen weten ook niet waar zij terechtkunnen met hun signalen. Waarom bestaat er geen "meldpunt loverboys", mogelijk uitgebreid met jeugdprostitutie, analoog aan het Meldpunt Kinderporno?

Een ander punt dat het artikel in Trouw aan de orde stelt is het opsluiten van Turkse en Marokkaanse vrouwen. Ook in 2006 heb ik hierover vragen gesteld. Voormalig minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, mevrouw Verdonk, antwoordde toen dat zij deze vrouwen via inburgeringscursussen probeerde te bereiken. Als dit niet lukt, zou het gaan om een moeilijk bereikbare groep. Hoe is dit mogelijk? Hoe is het in deze tijd mogelijk dat vrouwen opgesloten worden? Hebben wij geen huisartsen en verloskundigen? Komen die vrouwen nooit buiten? Waarom worden deze vrouwen niet gezien? Eigenlijk komt het erop neer dat mannen zich schuldig maken aan vrijheidsberoving. Welke juridische mogelijkheden zijn er om deze mannen aan te pakken?

Minister Hirsch Ballin:

Voorzitter. Laat ik beginnen te zeggen dat ik de grote zorgen die mevrouw Arib verwoordt over de door haar beschreven situaties, vanzelfsprekend volledig deel. Zij vraagt naar de mate waarin dit verschijnsel voorkomt en, in het verlengde daarvan, hoe wij ervoor kunnen zorgen dat gevallen niet aan het oog onttrokken blijven.

Het is goed om voorop te stellen dat in de wettelijke bepalingen over misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid, waaronder mensenhandel, eigenlijk alles vervat is wat nodig is om strafrechtelijk te kunnen optreden. Mensenhandel is breed gedefinieerd. Er zijn ook andere strafbepalingen, onder meer over vrijheidsbeneming en dwang, die de mogelijkheid geven om strafrechtelijk op te treden. Dit betekent dat de vragen die hierbij moeten worden gesteld, mede naar aanleiding van de recente berichten en meldingen, bijvoorbeeld door CoMensHa, vooral betrekking hebben op het niet langer aan het oog onttrekken van dit soort situaties. Dit mag inderdaad niet gebeuren. De signalen die worden gegeven moeten wij goed opvangen.

Activiteiten van loverboys kunnen onder meer in het vizier komen als er wordt gereageerd op meisjes die wegblijven van school. Daarvan zijn praktijkvoorbeelden gegeven. Wanneer daarop tijdig wordt gereageerd en een goede diagnose wordt gesteld door de leerplichtfunctionaris, en als een verbinding wordt gelegd met de Raad voor de Kinderbescherming of andere instanties die zich met de problematiek van deze meisjes bezighouden, is dit een vroeg en bruikbaar signaal van de mogelijkheid dat meisjes in handen komen van een loverboy. De Stichting tegen Vrouwenhandel, tegenwoordig CoMensHa geheten, is een rol en subsidie toegekend door de staatssecretaris van VWS, om minderjarige slachtoffers van jeugdprostitutie te registreren. Dat is dus ook een mogelijkheid om signalen op te vangen. Daarbij kunnen met name de Bureaus Jeugdzorg een rol spelen.

Er gebeurt intussen, gelukkig en met recht en reden, veel op het gebied van de bestrijding van mensenhandel; de activiteiten van loverboys moeten tot mensenhandel worden gerekend. Het is een van de prioriteiten in het beleid van staatssecretaris Albayrak en mij om krachtig tegen mensenhandel op te treden, niet alleen in de internationale samenwerking die bij de grensoverschrijdende mensenhandel van belang is, maar ook bij het nationaal beleid op dit gebied. Artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht geeft dus ook de mogelijkheid om op te treden tegen nationale situaties, zoals loverboys die in Nederland hun slachtoffers exploiteren.

Mevrouw Arib sneed het punt aan van vrouwen die in een afhankelijke situatie naar Nederland komen en ondanks inburgeringscursussen in die afhankelijke situatie worden gehouden. Daarbij is het zeker van belang dat die cursussen tegenwoordig verplicht zijn. Er mag worden verwacht – dat zal ik via de minister voor Wonen, Wijken en Integratie ook onder de aandacht brengen – dat als mensen wegblijven van de inburgeringscursussen of van andere bijeenkomsten waarbij hun aanwezigheid mag worden verwacht, dat ook moet dienen als een signaal dat er mogelijk meer aan de hand is dan het enkele wegblijven, dat natuurlijk op zichzelf al verkeerd is.

Dat betekent dat het over de hele linie er vooral op zal aankomen dat de verschillende diensten die kunnen bijdragen aan het signaleren van problemen, de weg weten te vinden naar de andere instanties die bij het optreden een rol kunnen spelen. Zoals de Kamer weet, speelt in ons beleid de formule van samenwerking van de veiligheidshuizen een belangrijke rol. Ik zal dus, mede naar aanleiding van deze berichten, dit ook uitdrukkelijk onder de aandacht brengen van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en bij de taskforce ter verbetering van de samenwerking bij de bestrijding van mensenhandel, die de staatssecretaris van Justitie en ik onlangs hebben ingesteld.

Mevrouw Arib (PvdA):

Voorzitter. Over dat laatste punt geeft de minister hetzelfde antwoord als de voormalig minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, mevrouw Verdonk, namelijk dat die vrouwen via de inburgeringscursussen kunnen worden bereikt. Het gaat echter om een groep vrouwen die kennelijk nergens ingeschreven staat. Waar vindt dan zo'n gat plaats waarop niemand inspeelt? Waarom wordt er desnoods niet thuis aangebeld als er signalen zijn dat er iemand is die nooit naar buiten komt? Op die vragen wil ik graag een antwoord, van zowel de minister van Justitie als de minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Hoe groot is die groep? Hoe kunnen wij misschien op een onorthodoxe manier toch proberen die vrouwen te bereiken? Hoe kunnen wij desnoods de mannen als zij zich inderdaad schuldig maken aan vrijheidsberoving, strafbaar stellen?

Er zijn wel wat algemene meldpunten ter bestrijding van loverboys, maar in de praktijk blijken deze voor burgers niet herkenbaar te zijn voor het doorgeven van signalen. Is de minister bereid om analoog aan het Meldpunt Kinderporno – het blijkt dat daar heel veel meldingen binnenkomen die eerder niet gedaan werden – te bezien of het toch nodig is om een apart herkenbaar meldpunt ter bestrijding van loverboys en jeugdprostitutie in te stellen?

Minister Hirsch Ballin:

Wat het eerste punt betreft, herhaal ik graag mijn toezegging om dit op te nemen met de minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Het is sowieso een onwenselijke situatie dat mensen wegblijven van de inburgeringscursussen, maar het kan een indicatie zijn dat er iets ernstigers aan de hand is. In dat laatste geval moet er een vervolgactie in gang worden gezet.

Zoals gezegd, vallen het meldpunt en de herkenbaarheid daarvan onder het bereik van de gesubsidieerde stichting CoMensHa. De stichting kan dus fungeren als meldpunt. Het probleem is niet dat er geen meldpunt is, maar dat het blijkbaar onvoldoende herkenbaar is. Ook dat zal ik graag onder de aandacht brengen bij de onlangs ingestelde task force.

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. Uit het rapport blijkt dat er vooral een verschuiving plaatsvindt naar pooiers die zich richten op verstandelijk gehandicapte meisjes. Uit de cijfers van de politie van vorig jaar blijkt dat 5 van de 25 politiekorpsen hun zaken nog niet op orde hebben, als het gaat over dit soort ernstige feiten. In de eerste plaats wil ik weten hoe de minister garandeert dat de aangifte van met name verstandelijk gehandicapte meisjes serieus wordt genomen en hoe de minister garandeert dat er iets met deze aangifte gebeurt. Ik kan mij er veel bij voorstellen dat dit niet gebeurt. In de tweede plaats wil ik weten of de zaak nu wel op orde is bij de andere twintig korpsen.

Minister Hirsch Ballin:

Het aantal van twintig lijkt mij correct. Het Korps Landelijke Politiediensten moet inderdaad niet worden meegeteld bij de vraag van de heer De Wit. Aan het einde van het jaar is er weer een moment waarop wij met de regionale politiekorpsen beoordelen in welke mate de landelijke prioriteiten in het regionale beleid zijn uitgevoerd. De heer De Wit weet dat ervoor gekozen is om aan het eind van het komend jaar het bestaande politiebestel te ijken aan de hand van de punten die in het coalitieakkoord zijn afgesproken. Er is dus geen landelijke aansturing, maar het gaat via afspraken die met de regionale korpsen worden gemaakt. Er kan absoluut geen twijfel over bestaan dat het onderwerp behoort tot de prioriteiten van het Openbaar Ministerie. Dat is in alle beleidsdocumenten van het OM uitdrukkelijk aangegeven. Wij verwachten dus ook niet alleen van die vijf, maar van alle 25 regionale korpsen dat zij hieraan uitvoering geven. Ik zal dit punt ook nadrukkelijk aandacht geven aan het eind van dit jaar als wij bezien hoe de afspraken zijn uitgevoerd die voor 2008 waren gemaakt.

De andere vraag betreft de geestelijk gehandicapte slachtoffers van loverboys en dus ook van misdrijven. Er is absoluut geen twijfel over mogelijk dat deze situatie extreem af te keuren is. Het is sowieso een vorm van criminaliteit waartegen wij zo krachtig mogelijk willen optreden. Als geestelijk gehandicapte meisjes het slachtoffer worden, is het duidelijk hoe onaanvaardbaar dit is. Er mag inderdaad van de politie worden verwacht dat zij er serieus gevolg aan geeft. Dat mag trouwens ook worden verwacht van degenen die verantwoordelijkheid dragen voor de zorg- en hulpverlening aan deze meisjes. Ik heb al gemeld dat er op dit punt nauw wordt samengewerkt met onze collega's van het ministerie van VWS. Het probleem kan dus ook in de zorginstellingen voor gehandicapten onder de aandacht worden gebracht. Dat zullen wij naar aanleiding van deze rapportage doen.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Voorzitter. Ik heb een vraag.

De heer De Wit (SP):

Ik vroeg hoe het ging met de aangifte. De aangifte moet serieus worden genomen.

De voorzitter:

Bijna alle leden stellen dubbele vragen, en er staat ook nog een vierde vraag, voor de minister van Verkeer en Waterstaat, op het schema. Dat is weliswaar niet uw vraag, mijnheer De Wit, maar die van een collega met wie u natuurlijk meeleeft. Het woord is aan de minister.

Minister Hirsch Ballin:

Ik bedoelde eigenlijk dat het opnemen van de aangifte behoort tot de dingen die wij van de regionale korpsen verwachten. Uiteraard moeten zij de aangifte behoorlijk opnemen. Dit punt is genoteerd. Ik zal het ook betrekken in de beoordeling van de wijze waarop de plannen voor 2008 zijn nagekomen.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Voorzitter. Er zijn allerlei initiatieven en intensiveringen van vervolging en opsporing van deze echt criminele activiteiten tegen mensen. Toch heb ik een vraag over het tweede deel van het artikel, waar gesproken wordt over het feit dat steeds meer Turkse en Marokkaanse mannen een vrouw "kopen" in het land van herkomst. Op het moment dat bij mij het woord "kopen" op het netvlies komt, denk ik ook altijd dat er een verkoper is. Kan de minister hier iets over zeggen? Naar mijn inschatting gaat het hier niet over gedwongen huwelijken, maar over puur criminele vormen van mensenhandel. Op welke wijze komt de recherche deze vormen van mensenhandel op het spoor? Overlegt de minister met de regeringen in de landen van herkomst?

Minister Hirsch Ballin:

Het is duidelijk dat nader onderzocht moet worden in hoeverre er inderdaad sprake is van kopen. Tot nu toe was er in de berichten sprake van het in een afhankelijkheidssituatie naar Nederland brengen. Als er inderdaad sprake is van kopen, in de zin van een transactie, maakt dat het natuurlijk nog een graad ernstiger. Wij moeten nagaan in hoeverre het beeld klopt dat hier wordt geschetst. Het bericht is op dit punt wat onbepaald; er wordt gerefereerd aan "een andere trend die wordt waargenomen". Wij moeten nagaan in hoeverre er sprake is van een toename. Hiermee wil ik trouwens absoluut niet suggereren dat als er geen toename is, het niet erg zou zijn. Natuurlijk is het erg, ook als het stabiel zou zijn. Wij zullen dit beeld preciseren en waar nodig bespreken met de autoriteiten in de landen van herkomst.

De heer Teeven (VVD):

Voorzitter. Kan de minister aangeven of de informatie-uitwisseling over dit onderwerp tussen de 25 regiokorpsen en het KLPD op orde is? Weet de nationale recherche mensenhandelaanpak wat er op dit moment gebeurt in de 25 korpsen? Wanneer is een officiële reactie van het kabinet te verwachten op het rapport van de nationale rapporteur mensenhandel?

Minister Hirsch Ballin:

Wij hebben onlangs gesproken over een rapportage van de nationale rapporteur mensenhandel. Ons beleid in dezen is duidelijk. Ik heb daarover aanvullende brieven gestuurd, onder andere over het onderdeel dat op mensenhandel betrekking heeft. De recent ingestelde taskforce is mede een reactie op wat in recente rapporten van de nationale rapporteur mensenhandel naar voren is gekomen.

Wat betreft de verhouding tussen het KLPD en de regionale korpsen: de opvolging zal moeten worden gegeven door de regionale korpsen, ook bij meldingen die binnenkomen bij het Korps landelijke politiediensten. Daarvoor geldt de toezegging die ik zo-even heb gedaan aan de heer De Wit.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik weet dat de gemeente Zwolle erg goed scoort bij de aanpak van loverboys. Dat geldt ook voor de wijze waarop Zwolle het meldpunt heeft ingericht. Ik beveel aan om dat mee te nemen.

De minister heeft aangegeven dat het goed is als de zorginstellingen voor meisjes met een verstandelijke beperking op de hoogte zijn van de problematiek, zodat zij daaraan aandacht kunnen geven. Daarom lijkt mij actie geboden, zowel vanuit VWS als vanuit OCW. Is er voldoende voorlichtingsaanbod? En is een lespakket over seksuele weerbaarheid voldoende voorhanden en wordt daaraan voldoende aandacht besteed in de zorginstellingen en in het onderwijs? Als dat niet het geval is, wat doet de minister dan om dit wel voor elkaar te krijgen?

Minister Hirsch Ballin:

Mij is bekend dat in zorginstellingen voor mensen met een verstandelijke beperking veel aandacht wordt gegeven aan seksuele weerbaarheid. Dat is de afgelopen vijf à tien jaar echt aanzienlijk toegenomen.

Ik heb al gesproken over het belang dat wij hechten aan een schakeling tussen toezicht op leerplicht en het tegengaan van spijbelen. Op 20 maart heb ik daarover een brief aan de Kamer gestuurd. Het is een van de manieren waarop dit kan worden gesignaleerd. De samenwerking tussen de verschillende instanties proberen wij vooral te bevorderen door consequent in elke regio te bewerkstellingen dat er een veiligheidshuis is, waarin de instanties die mevrouw Wiegman net noemde en die al eerder in dit vragenuurtje ter sprake kwamen, inclusief instellingen van jeugdbescherming en instellingen die bezig zijn met de leerplicht, een plaats krijgen. Het onderwijs wordt er dus ook bij betrokken.

Op dit moment zijn nog niet in hele land veiligheidshuizen. Vanuit Justitie bevorderen wij de totstandkoming daarvan. Via bezoeken van de staatssecretaris en mijzelf aan alle regio's waar veiligheidshuizen zijn of zouden moeten komen, houden wij direct contact met betrokkenen. Daarbij komt dit soort vragen steeds aan de orde.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

De afgelopen jaren werden vaker Turkse en Marokkaanse vrouwen en meisjes naar Nederland gehaald en vervolgens door hun man maar ook door hun schoonfamilie als slavin behandeld. Vrijheidsberoving is een strafbaar feit.

Minister Hirsch Ballin:

Zeker.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Vervolging kan daarbij een afschrikwekkend effect hebben. Wat mij betreft is hierbij maar één concrete vraag mogelijk. Hoe vaak is er afgelopen jaren sprake geweest van vervolging? Ik vraag de minister mij concrete aantallen te geven.

Minister Hirsch Ballin:

De aantallen heb ik hier niet bij de hand. Die zijn te vinden in het laatste rapport van de nationale rapporteur mensenhandel. Misschien is het het beste als ik daarnaar verwijs voor de precieze gegevens.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Dat zijn algemene cijfers.

De voorzitter:

Mevrouw Azough, dat is echt een antwoord. Als u meer wilt weten, moet u dat via schriftelijke vragen of op een andere manier doen. Ik wil echt de volgende vraag ook nog doen.

De heer De Roon (PVV):

Mensenhandel is een van meest verschrikkelijke misdrijven die wij kennen. Uit de gegevens van CoMensHa blijkt dat steeds vaker sprake is van gedwongen huwelijken, waarbij voornamelijk Turkse en Marokkaanse mannen een vrouw kopen in hun land van herkomst. Een vrouw kopen, dat klinkt middeleeuws, minister. Het betekent dat wij in wezen middeleeuwse praktijken uit islamitische landen in ons land importeren. Bent u het met mij eens dat wij dit moeten tegengaan, dat wij deze praktijken uit ons land moeten verbannen? Bent u het ook met mij eens dat de mannen die zich hieraan schuldig maken in ons land, niet alleen hun straf moeten ondergaan, maar dat hun ook, als zij een dubbele nationaliteit hebben – en de meesten hebben dat – de Nederlandse nationaliteit moet worden ontnomen? Zij moeten in dat geval gewoon teruggaan naar hun land, waar dit soort praktijken kennelijk normaal is.

Ik stel ook een vraag aan mevrouw Arib. Ik heb op de website van de PvdA een artikel gelezen, waarin staat dat uit onderzoek blijkt dat 40% van de loverboys van allochtone afkomst is. Kan zij dat bevestigen en zo ja, heeft zij ideeën over de manier waarop die forse oververtegenwoordiging van allochtonen onder loverboys moet worden aangepakt?

Minister Hirsch Ballin:

De vraag van de heer De Roon valt in een aantal delen uiteen. Ik heb er geen twijfel over laten bestaan hoezeer de bestrijding van mensenhandel prioriteit is van het beleid. Ik heb de Kamer daarover eerder bericht. Het is duidelijk dat kopen als onderdeel van mensenhandel volstrekt onaanvaardbaar is. Ik verwijs op dit punt naar mijn antwoord op dezelfde vraag van mevrouw De Pater. De herkomstlanden van de slachtoffers accepteren dit soort praktijken evenmin. Ik heb daarom eerder in mijn antwoorden van vanmiddag al toegezegd dat als wij deze situatie op het spoor komen, wij in samenwerking met de landen van herkomst daartegen zullen optreden.

Mevrouw Arib (PvdA):

Ik weet niet naar welk onderzoek de heer De Roon verwijst, maar feit is dat een belangrijk deel van de loverboys van allochtone afkomst is. Dat is reden temeer om daar keihard tegen op te optreden, net zo goed als wij keihard moeten optreden tegen andere mensenhandelaren. Ik weet niet wat de heer De Roon met zijn vraag beoogt. Ik vind mensenhandel ernstig, of het nu door een allochtoon of een autochtoon gebeurt, en er moet keihard tegen worden opgetreden. Dat was ook de insteek van mijn vragen.