Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 67, pagina 4691-4695

Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 136 van het Reglement van Orde.

Vragen van het lid Dibi aan de minister voor Jeugd en Gezin over het schrijnende tekort aan crisisopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar in de Randstad.

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Als ik denk aan kindermishandeling en -verwaarlozing, dan denk ik vaak aan andere landen. Ik schrik als ik steeds vaker merk dat zelfs in ons land kinderen het ontzettend moeilijk kunnen hebben. Ik heb het dan natuurlijk over kinderen op de wachtlijsten, in de cel en in probleemgezinnen. Over die laatsten wil ik het met de minister nu hebben.

Opvoeden is niet gemakkelijk en steeds meer kinderen worden uit hun gezin gehaald en ondergebracht in een pleeggezin, het beste alternatief. Er blijkt echter een schreeuwend tekort aan pleeggezinnen voor deze kinderen. Wat gaat de minister hieraan doen en weet hij ook hoe groot dat tekort precies is?

Tegelijkertijd blijkt ook dat de slechte controle op pleegouders ertoe kan leiden dat kwetsbare kinderen in een pleeggezin opnieuw worden mishandeld of verwaarloosd, omdat de pleegouders een strafblad hebben. Dit is onacceptabel en ik eis onmiddellijke actie van de minister. Wat gaat hij hiertegen doen? Een onderzoekje vind ik echt niet genoeg!

Voorzitter. Pleegouders moeten wij koesteren, want zij vervullen een heel belangrijke taak in het leven van een kind. GroenLinks wil dat pleegouders een financiële vergoeding krijgen en beter begeleid worden, zodat zij zich goed kunnen voorbereiden op de komst van het kind. Graag een toezegging van de minister.

Minister Rouvoet:

Voorzitter. Ook ik heb natuurlijk verleden week het bericht in het Nederlands Dagblad gelezen over onvoldoende pleegzorg, met name in crisissituaties voor zeer jonge kinderen. Dat speelt dan met name in de Randstad. Ik vind dat een serieus signaal. Over dit onderwerp hebben wij vaker gesproken en ook over het capaciteitsprobleem in de gehele jeugdzorg, maar specifiek als het gaat om pleegzorg. Dit is een voorbeeld waar vraag en aanbod in ieder geval op dit moment onvoldoende op elkaar aansluiten. De signalen in het Nederlands Dagblad – het bericht waar de heer Dibi zijn vragen ook op heeft gebaseerd – wijzen erop dat vooral gelet op de extra zorg die zeer jonge kinderen, de 0- tot 4-jarigen, vereisen, dit zich vaak slecht laat combineren met situaties van tweeverdieners, waardoor het moeilijk is om met name voor die groep voldoende pleeggezinnen te vinden. Juist op het punt van vraag en aanbod is het, zoals ik de Kamer al eerder heb gezegd, van belang dat degenen die primair verantwoordelijk zijn voor het verzorgen van voldoende jeugdzorg in alle vormen van zorg, pleegzorg, residentiële zorg, dagbehandeling enzovoorts, ermee aan de slag gaan en het zijn volgens de Wet op de jeugdzorg de provincies die verantwoordelijk zijn voor het aanbod van jeugdzorg. Ik zal de provincies overigens opnieuw attenderen op dit specifieke punt. Het blijkt opnieuw van belang dat de eerstverantwoordelijken, de provincies, vraag en aanbod voldoende op elkaar afstemmen.

Omdat het bericht in de media voornamelijk leek te gaan over crisisplaatsen, lijkt het mij van belang nog eens te wijzen op hetgeen ik de Kamer al eerder heb gemeld. Er hebben mij geen signalen bereikt dat het niet lukt om voldoende crisisplaatsen te vinden. Dat wil niet zeggen dat het altijd direct in de eigen regio of provincie beschikbaar is, maar – zoals ook is gebleken uit een ronde van de inspectie – er zijn geen signalen dat er een tekort zou zijn aan crisisplaatsen. Het lukt de Bureaus Jeugdzorg altijd weer om een crisisplaats te vinden. Wel is het probleem dat het niet altijd mogelijk is om jongeren op tijd ook weer door te plaatsen naar een vervolginstelling. Daarom is van de kant van de inspectie ook de aanbeveling gekomen om te zorgen voor voldoende vervolgplaatsen.

De voorzitter:

Ik geef de heer Dibi de gelegenheid voor een interruptie.

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Dit antwoord valt mij toch tegen. Wij hebben er inderdaad vaker over gesproken, maar de portefeuille van deze minister is in het leven geroepen om dit soort problemen in de jeugdzorg en de pleegzorg uit de wereld te helpen en niet om steeds de verantwoordelijkheid af te schuiven naar de instanties en provincies. Wat gaat de minister doen om dat tekort op te vangen en wanneer is dat tekort weggewerkt? Ook graag een antwoord op mijn andere vragen. De minister praat er wel heel erg omheen, ik wil gewoon antwoorden.

Minister Rouvoet:

Ik was nog niet aan het einde van mijn beantwoording. Ik wil de heer Dibi wel graag zeggen wat ik ook in eerdere debatten heb aangegeven. Met de Wet op de jeugdzorg is gekozen voor een verantwoordelijkheidsverdeling. Er is dus geen sprake van het afschuiven van verantwoordelijkheden op anderen, maar wel van het respecteren van de verantwoordelijkheden zoals zij door middel van de Wet op de jeugdzorg door de wetgever – dus ook door de Kamer – zijn belegd.

Ik zal de heer Dibi ook vertellen wat ik er zelf aan doe. Het is de Kamer bekend dat ik op dit moment in gesprek ben met de provincies en de grootstedelijke regio's. Het probleem lijkt zich te concentreren in de Randstad. Dat gesprek gaat over de manier waarop de wachtlijsten in de jeugdzorg in bredere zin het beste kunnen worden weggewerkt. Ik heb de Kamer beloofd om haar eind maart over de uitkomsten ervan te berichten. Dat zal ook gebeuren. Een van de zaken die hierbij in ieder geval aan de orde zal komen en die ik echt tot mijn verantwoordelijkheid reken, is dat van provincies wordt gevraagd om het aanbod meer te richten op de vraag. Dat raakt dus ook deze vorm van jeugdzorg. Het gaat erom dat er minder afspraken worden gemaakt met aanbieders op basis van wachtlijsten en capaciteit en meer op basis van de geraamde vraag. Dat sluit ook aan bij de nieuwe financieringssystematiek die wij met ingang van 2009 in de jeugdzorg willen invoeren, waarbij wij eerst gaan ramen wat de vraag zal zijn voor de verschillende vormen van jeugdzorg en vervolgens het aanbod daarop gaan toepassen met de financiën zoals belegd in het traject. Uit het onderhavige voorbeeld blijkt dat het nu al nodig is om dit meer te doen. Dit punt zal ook behoren tot de afspraken die ik met de provincies wil maken en waarover ik uw Kamer in het kader van het wegwerken van de wachtlijsten dezer dagen zal informeren.

Daarnaast heeft de heer Dibi gevraagd om, waar het gaat om mishandeling, niet alleen naar de kwantiteit van het aanbod te kijken maar ook naar de kwaliteit, met name bij deze kwetsbare groep kinderen. Het tegengaan van kindermishandeling in algemene zin is een belangrijk speerpunt uit mijn beleidsprogramma. Wij hebben niet voor niets de stuurgroep-Opstelten op dit onderwerp gezet en er veel acties op ondernomen. Met name voor kwetsbare kinderen die al uit hun eigen gezinnen zijn gehaald, is het van belang om hierop echt heel alert te zijn. Er zijn twee manieren waarop wordt gekeken welk kind in welk pleeggezin kan worden gezet. In de eerste plaats gebeurt dat door de Voorziening voor Pleegzorg, die gezinnen met name beoordeelt op de geschiktheid. Dit betreft vooral de pedagogische kant. In de tweede plaats is er de toetsende rol van de Raad voor de Kinderbescherming, die een justitiële screening doet waarbij met name wordt gelet op de veiligheidsrisico's voor kinderen, bijvoorbeeld als sprake is van een veroordeling voor geweldsmisdrijven.

De Inspectie jeugdzorg is in februari jongstleden gestart met onderzoek naar de kwaliteit van de pleegzorg. De veiligheid van het kind in pleeggezinnen staat daarbij centraal. Een belangrijk element van dit onderzoek is de kwaliteit en de beoordeling van de screening van pleeggezinnen. Het onderzoek is gericht op verenigingen met veel pleeggezinnen en op verenigingen waarvan alarmerende signalen bekend zijn. Dit onderzoek van de Inspectie jeugdzorg, dat wij nodig hebben om een goed beeld te krijgen van de situatie die door de heer Dibi aan de orde is gesteld, moet ertoe leiden dat er aan het einde van 2008 per provincie een beeld bestaat van de kwaliteit van de pleegzorg, zodat wij daaraan waar nodig consequenties kunnen verbinden.

De heer Dibi (GroenLinks):

Veel woorden, maar weinig daden. Uit onderzoek blijkt dat een pleeggezin het beste alternatief is voor kinderen met een problematische thuissituatie. De GroenLinksfractie wil graag dat dit aantrekkelijk wordt gemaakt. De overheid moet zich realiseren dat het opnemen van een kind in een pleeggezin goedkoper is dan opvang in een tehuis. Dat moeten wij benoemen en dat moeten wij belonen. Ik heb de minister gevraagd om pleegouders een financiële vergoeding te geven en beter te begeleiden dan nu het geval is, zodat zij goed zijn voorbereid op de komst van het kind. Wanneer kunnen de pleegouders die financiële vergoeding tegemoet zien?

Minister Rouvoet:

Zoals de heer Dibi weet, is er een pleegvergoeding voor pleeggezinnen die vrij recent nog is verhoogd. Aan de Kamer is overigens toegezegd dat wij nog breder met elkaar zullen spreken over pleegzorg, inclusief de daarbij behorende vergoedingen. De heer Dibi weet ook dat het hart van de pleegzorg nu juist is dat het geen professionele hulpverlening is en ook niet moet worden. De pleegvergoeding moet adequaat zijn. Zij is in onze ogen ook adequaat, zeker na de vrij recente verhoging en het besluit om de vergoeding te indexeren. Er zat in de pleegvergoeding een verbod op cumulatie van vergoedingen. Die is eruit gehaald, zodat de pleegvergoeding in verschillende opzichten royaler is dan zij voorheen was. Mij zijn geen signalen bekend dat het probleem hem daarin zit.

Ik hecht er overigens wel aan, erop te wijzen dat er ook langs andere wegen inspanningen worden verricht om tegemoet te komen aan het probleem waarover de vragen gingen, namelijk het tekort aan pleeggezinnen voor bepaalde kinderen. Op verschillende manieren en door verschillende aanbieders worden er op dit vlak inspanningen geleverd. Mij zijn dergelijke inspanningen bekend. Het is mogelijk, met name in crisissituaties, om aanbod van pleegzorg buiten de eigen provincie of regio te verzorgen. Daarvoor bestaan regelingen, waarvan ook gebruik wordt gemaakt. Er zijn mij initiatieven bekend van verschillende pleegzorgaanbieders, waarbij op een heel creatieve manier en op bijzondere plaatsen wordt gewerkt aan het werven van pleeggezinnen, vooral voor de jonge kinderen. Dit verdient navolging en het kan een plaats krijgen in de gesprekken naar aanleiding van het wegwerken van de wachtlijsten, om van elkaar te leren wat de beste methoden zijn om voldoende aanbod te verwerven.

De voorzitter:

Ik verzoek de minister, beknopter te antwoorden, want anders hebben wij een probleem met de drie andere series vragen die er dit uur nog aankomen.

Het woord is aan mevrouw Agema.

Mevrouw Agema (PVV):

Ik heb deze minister eerder al de minister van "lief en naïef" genoemd, maar ik kan hem beter de minister van de lange blabla-antwoorden noemen. Wij hebben een aantal minuten naar hem mogen luisteren, maar ik heb geen enkel concreet voorstel gehoord. Ik stel u nogmaals de vraag: kom alstublieft met drie concrete maatregelen of ideeën om meer pleeggezinnen voor jonge kinderen te werven. Het gaat om ouders met een goede gezinssituatie, die een kindje tijdelijk zouden kunnen opvangen.

Minister Rouvoet:

Ik heb u daarvan drie voorbeelden genoemd. Het eerste is het beter ramen van de vraag, zodat je het aanbod daarop kunt afstemmen. Het is mijn verantwoordelijkheid om daarover met de provincies te spreken. Ik doe dat nu al en blijf het de komende tijd doen. Het tweede voorbeeld is het creatief werven van pleeggezinnen. Uit de berichtgeving in de media begrijp ik dat het probleem veel met tweeverdienerschap te maken heeft. In bepaalde kringen, waar het eenverdienerschap gangbaarder is, kun je gemakkelijker een stabiele omgeving voor kinderen vinden. Daarop kunnen wij onze wervingsactiviteit toespitsen. Er zijn zorgaanbieders die niet alleen op straat of op de markt pleeggezinnen werven, maar die bijvoorbeeld naar kerkelijke bijeenkomsten gaan, waar vaker sprake is van eenverdienerschap, waardoor er een stabiele omgeving kan worden geboden. De derde mogelijkheid is: over de grenzen van de eigen provincie heen kijken, om te bezien of er daar ruimte is voor opvang die in de eigen provincie niet kan worden geregeld, zeker in crisissituaties.

Mevrouw Bouchibti (PvdA):

Pleegouders worden niet goed gescreend. Zij krijgen twee keer een huisbezoek. Op basis daarvan wordt er een belangrijke beslissing in het leven van het kind genomen. Waarom kunnen mensen met een alcohol- en drugsverleden en mensen met een strafblad pleegouder worden? Waarom geeft de Raad voor de Kinderbescherming dat niet door aan de pleegzorg?

Minister Rouvoet:

Ik begrijp die vraag heel goed en daarom is het van belang dat de inspectie let op de kwaliteit van het pleegzorgaanbod. Het gaat dan met name om de manier van screening. Ik ben het met u eens dat je, als je van tevoren kunt weten dat er risico's zijn, goed moet weten wat je doet als je daar toch een pleegzorgsituatie creëert. Dat is de reden waarom de inspectie in februari is begonnen met te letten op de kwaliteit van de pleegzorg. Het gaat er dan met name om, te bezien of de screening toereikend is om dit soort situaties te voorkomen.

Mevrouw Bouchibti (PvdA):

Voorzitter...

De voorzitter:

Neen, mevrouw Bouchibti, u mag één keer interrumperen. Of hebt u een vraag die helemaal niet is beantwoord?

Mevrouw Bouchibti (PvdA):

Een beetje wel, natuurlijk, maar...

De voorzitter:

Neen, neen, ik geef u alleen het woord als uw vraag echt niet is beantwoord.

Het woord is aan de heer Çörüz.

De heer Çörüz (CDA):

Het CDA heeft een prachtige initiatiefnota ingediend bij de Tweede Kamer over de pleegzorg. Daarin staat een twintigtal aanbevelingen. Een aantal van de problemen waarover wij het hebben, wordt daarmee hopelijk opgelost. De minister komt met een reactie, en ik daag hem uit om er voortvarend mee aan de slag te gaan.

De minister heeft altijd gezegd dat er in een crisissituatie geen probleem is, omdat kinderen dan altijd een plek hebben. Is dat zo? Ik hoor het de minister niet duidelijk zeggen.

Wij hebben het over de grote steden. Een van onze aanbevelingen is, om daar met name heel gericht te werven onder allochtone potentiële pleegouders.

Minister Rouvoet:

Ik duidde al even op het bredere debat over de pleegzorg dat ik graag met de Kamer wil voeren. Daarbij zal de nota van het CDA worden betrokken. Er wordt voortvarend aan gewerkt en ik zie uit naar het debat, want het is een belangrijk onderwerp. Wat de crisisplaatsen betreft: inderdaad is dat zo. Zowel van de kant van de brancheorganisaties als van de inspectie komt het bericht dat het bij de Bureaus Jeugdzorg uiteindelijk altijd lukt om een crisisplaats te vinden. Dat is misschien niet altijd de optimale plek in de buurt. Men zal begrijpen dat het soms juist van belang is om een kind in het kader van de pleegzorg niet in de buurt van de thuisplek te hebben; een alternatief dat verder weg ligt, is dan geen bezwaar. Het is bekend dat er afspraken tussen provincies zijn om tot op zekere hoogte over de provinciegrenzen heen te gaan. Het is altijd mogelijk om zorgaanbod elders in het land in te kopen. Het blijkt dat er bij crises uiteindelijk altijd een plek gevonden wordt. Gelukkig, voeg ik eraan toe. De berichten gaan echter iets verder dan alleen crisisplaatsen; het gaat meer structureel over plaatsing van jonge kinderen.

Er is nog een vraag gesteld over allochtone gezinnen. Onderdeel van de wervingsactie is om breder te werven; er wordt dus ook naar allochtone gezinnen gekeken. Dat heeft een specifiek knelpunt; het is namelijk lastig om voor kinderen met een allochtone achtergrond een allochtoon gezin te vinden waar de match goed is. De match is het eerste wat telt bij pleegzorg. Daarbij gaat het om de optimale afstemming tussen het kind dat geplaatst moet worden en het gezin. Het werven van allochtone gezinnen speelt dus nadrukkelijk een rol in dit kader. Nogmaals, dit maakt ook onderdeel uit van de lopende campagnes.

Mevrouw Langkamp (SP):

Voorzitter. Wij hebben het nu over de opvang van jonge kinderen (0-4 jaar) in een stabiele omgeving, omdat zij tijdelijk niet thuis kunnen verblijven. Het gezinshuis, kleinschalige opvang in de wijken, waar een van de ouders er altijd is voor de kinderen, kan een alternatief zijn voor die tijdelijke opvang. Is de minister bereid, daarnaar te kijken en deze vorm van opvang te stimuleren?

De volgende vraag is gericht aan de heer Dibi van de fractie van GroenLinks. Deze fractie wil alle ouders aan het werk hebben. Dat is prima, maar deelt hij mijn zorg dat juist dit ertoe leidt dat pleeggezinnen voor met name jonge kinderen, voor wie het van groot belang is dat een van de ouders thuis is, er straks niet meer zijn?

Minister Rouvoet:

Voorzitter. Het antwoord aan mevrouw Langkamp is bevestigend. Zij weet ook dat ik positief over de gezinshuizen ben. Naar aanleiding van haar inbreng is toegezegd dat wij dat graag betrekken bij het debat over de pleegzorg. In deze gevallen gaat het om jonge kinderen die er echt baat bij hebben dat ten minste een van de pleegouders continu beschikbaar is. Tegen deze achtergrond kan een gezinshuis een uitstekend alternatief zijn. Ik herhaal dat ik graag bereid ben om dat te betrekken bij het debat over de pleegzorg. Het is nu al bekend van mij dat ik zeer positief ben over gezinshuizen.

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Bij dit onderwerp, waarbij het gaat over kinderen in kwetsbare situaties, moeten wij geen partijpolitiek bedrijven. Mijn reactie op de prikkelende vraag van mevrouw Langkamp is de volgende. Ik vind het erg dat, als wij de situatie in stand houden van kinderen in kwetsbare gezinnen, met ouders die een uitkering hebben, erven die kinderen de achterstandspositie van hun ouders. Wij zijn dus voorstander van een sollicitatieplicht voor tienermoeders. Wij hebben vandaag ook gehoord dat dat heel erg belangrijk is om uit die achterstandspositie te komen.

Tegen mevrouw Langkamp wil ik dan ook zeggen: juist de SP, die opkomt voor de armeren in onze samenleving, zou dat moeten willen doorbreken. De huidige verzorgingsstaat is onhoudbaar.

Mevrouw Langkamp (SP):

Voorzitter. De heer Dibi weet net zo goed als ik dat het krijgen van een baan er lang niet altijd toe leidt dan men gelijk uit de armoede is.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. De minister zei dat pleegzorg ook over de provinciegrenzen mogelijk is. Wij weten dat dit gebeurt. Wij hebben in deze Kamer in dit kader nog gesproken over een landelijk coördinatiepunt. Ik wil dit nog eens onder de aandacht van de minister brengen. Dit zou een heel snelle vorm van coördineren en afstemmen kunnen zijn bij crisisopvang om onderdak te vinden.

Minister Rouvoet:

Voorzitter. Dit is inderdaad al enkele keren aan de orde geweest. Ik heb daarbij aangegeven dat ik bij zowel de provincies als de MOgroep, dus de zorgaanbieders zelf, navraag heb gedaan. Die hebben aangegeven dat in de huidige praktijk uitwisseling over de grenzen mogelijk is, binnen bepaalde marges en met gesloten beurzen. Dan wordt aangegeven dat het een crisisplaatsing betreft en dat die uitwisseling nodig is. Bij een dergelijke kortetermijnbeslissing moet het niet uitmaken of dat in Rotterdam dan wel Gelderland wordt uitgevoerd. Het gaat immers om een oplossing voor het kind. Uit de praktijk blijkt dus dat zonder landelijk steunpunt zorgaanbod zonder problemen kan worden ingekocht over de provinciegrenzen heen. De mogelijkheden voor een optimale afstemming tussen vraag en aanbod blijven echter op het provinciale c.q. regionale niveau. Dit geldt zeker ook in de Randstad. Op dat niveau kan men zien wat nodig is en waarover men beschikt. In de praktijk blijkt evenwel dat het geen probleem is om zorgaanbod over de provinciegrenzen heen in te kopen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik heb drie vragen. De eerste luidt of de minister overweegt om de kinderbijslag met het pleegkind mee te laten gaan. De tweede luidt of de berichten dat in een pleeggezin ook ouders met een drugsverleden kunnen zijn, juist zijn en zo ja, hoe ik dit moet zien. De derde vraag betreft de uitspraak van de minister voor Jeugd en Gezin dat tweeverdieners niet geschikt zouden zijn om een pleegkind op te vangen. Ik krijg van deze minister graag een toelichting waarom hij van mening is dat dit niet kan.

Minister Rouvoet:

Ik heb de Kamer toegezegd dat ik naar aanleiding van een eerder gestelde vraag uitvoerig op de eerste vraag zal terugkomen. Het staat enigszins bezijden het punt dat nu aan de orde is, te weten de capaciteitsvraag in de pleegzorg. Ik zal de Kamer nader informeren hoe de kinderbijslag en het kindgebonden budget zich verhouden tot de pleegvergoeding. Deze toezegging heb ik al gedaan en zal ik uiteraard nakomen.

De tweede vraag van mevrouw Dezentjé Hamming is of het mogelijk is dat er pleegouders zijn met een drugsverleden. Ja, dat is eerder door de heer Dibi aan de orde gesteld. Ik heb in antwoord op zijn vragen gezegd dat het van belang is om te kijken naar de kwaliteit van de pleegzorg en naar de wijze waarop de justitiële screening door de Raad voor de Kinderbescherming plaatsvindt. Ik heb al gezegd dat de inspectie hiermee bezig is. Hiermee heb ik ook de tweede vraag van mevrouw Dezentjé Hamming beantwoord.

Ten aanzien van haar derde vraag merk ik op dat het van belang is om goed weer te geven wat wel en niet is gezegd. Mevrouw Dezentjé Hamming kan niet waarmaken dat ik zou hebben gezegd dat tweeverdieners niet of minder in staat zouden zijn om als pleegouders te fungeren. Integendeel. Het bericht waarvoor de Kamer heeft gemeend mij naar de Kamer te moeten roepen, luidt dat blijkt dat het op grond van het tweeverdienerschap vaak een probleem blijkt om voldoende pleegouders te vinden voor de jongste groep pleegkinderen die veel zorg nodig hebben. Het bericht luidde dat pleegouders, wanneer sprake is van een pleegouderschap, er de voorkeur aan zouden geven om wat meer zelfstandige kinderen te krijgen en dus niet de jongste categorie waarvoor heel veel aandacht nodig is. Daaruit vloeit een capaciteitsvraag voort. Daar gaan mijn antwoorden dan ook over. Ik stel vast dat een aantal aanbieders om deze reden specifiek zoekt naar pleegouders waarbij de kans op een "neen" kleiner is: degenen bij wie sprake is van een eenverdienerschap en die bereid zijn ook pleegouders te worden voor deze specifieke groep. Zo luidde het bericht. Mijn bevindingen sporen daarmee.

De voorzitter:

Neen, mevrouw Dezentjé, dit was het antwoord op uw vraag.

Ik dank de minister voor zijn beantwoording.