Advies Raad van State inzake het voorstel van algemene maatregel van bestuur houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving)

Nader Rapport

29 juni 2018

2018-0000524056

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Aan de Koning

Nader Rapport inzake het voorstel van algemene maatregel van bestuur houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving)

Blijkens de mededelingen van de Directeur van Uw kabinet van 5 juli 2017, nr. 2017001152, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft hierover een advies uitgebracht dat gelijkluidend is aan de adviezen over de ontwerpen van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en de Invoeringswet Omgevingswet. Dit advies, gedateerd 22 december 2017, W14.17.0186/I, is integraal opgenomen in dit nader rapport en cursief gedrukt.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met haar opmerkingen rekening zal zijn gehouden.

Hieronder ga ik in op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (verder: de Afdeling).

De Afdeling beschouwt in haar advies ten eerste het stelsel als het geheel. De Afdeling spreekt waardering uit voor de wijze waarop het stelsel in het ontwerp voor de Invoeringswet Omgevingswet (verder: de Invoeringswet) en de ontwerpbesluiten is uitgewerkt. Zij gaat in haar beschouwing vooral in op flexibiliteit, beschermingsniveau, bestuurlijke samenwerking en invoeringsondersteuning. Deze belangrijke punten hebben ook bij de parlementaire behandeling van de Omgevingswet en de ontwerpbesluiten veel aandacht gehad. De beschouwing van de Afdeling is aangegrepen om op deze punten nader toe te lichten hoe het stelsel is ingericht en welke acties worden ondernomen voor een goede invoering van de Omgevingswet. Het centrale advies in deze beschouwing is om aan deze onderwerpen specifiek aandacht te besteden bij de geplande evaluatie van de Omgevingswet. Dit advies wordt vanzelfsprekend gaarne gevolgd. Naar aanleiding van de beschouwing zijn de toelichtingen bij het ontwerp voor de Invoeringswet en de ontwerpbesluiten op een aantal punten aangevuld. In de regels over het projectbesluit is naar aanleiding van het advies een correctie doorgevoerd in het ontwerp van het Besluit kwaliteit leefomgeving en het wetsvoorstel voor de Invoeringswet.

Na deze stelselbrede beschouwing volgen meer specifieke adviezen. De specifieke adviezen over de Invoeringswet en over de uitwerking van Europeesrechtelijke verplichtingen in de ontwerpbesluiten hebben geleid tot verbetering van de ontwerpen of aanvulling of versterking van de toelichting daarbij. De belangrijkste wijzigingen naar aanleiding van het advies zijn:

  • De regeling voor nadeelcompensatie is voorzien van een vast forfait, er is een grondslag voor de schadeberekening en voor het aanwijzen van een informatieverplichting in het voorstel voor de Invoeringswet opgenomen. Daarnaast is de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Invoeringswet op een aantal punten verduidelijkt, bijvoorbeeld de passages over het verloop van de schadeprocedure en het omgaan met verschillende of opeenvolgende schadeoorzaken.

  • Er is een mededelingsplicht in de wet opgenomen voor besluiten die met de reguliere procedure zijn voorbereid, zodat belanghebbenden beter geïnformeerd worden. Ook is in het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Invoeringswet beter gemotiveerd waarom de aanvrager bepaalt of er voor de uitgebreide procedure wordt gekozen.

  • De regeling voor de ombouw van de huidige bestemmingsplannen naar één omgevingsplan in de overgangsfase is verduidelijkt. Ook wordt met voorbeelden uitgelegd hoe het overgangsrecht uitpakt voor bestaande vergunningen en is de wet daartoe op een aantal punten aangescherpt.

  • In de bruidsschat die deel gaat uitmaken van het omgevingsplan zal een vergunningplicht voor bouwen worden opgenomen. Dat geeft gemeenten en initiatiefnemers meer houvast. Bij inwerkingtreding geldt er dus een vergunningplicht voor bouwactiviteiten die gemeenten bij het maken van hun eigen omgevingsplan weer kunnen veranderen.

  • Om de complexiteit van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) te reduceren is een basisniveau van serviceverlening vastgesteld. Dit basisniveau zal op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet gerealiseerd zijn. Om het digitale stelsel te vereenvoudigen zijn de termen ‘informatiehuizen’ en ’informatieproducten’ geschrapt. Via het DSO wordt in eerste instantie vooral bestaande informatie ontsloten.

De vier ontwerpbesluiten en het gewijzigde wetsvoorstel bieden daarmee naar het oordeel van het kabinet een bestendige en duurzame basis voor het nieuwe stelsel van omgevingsrecht. Ik zie uit naar een vruchtbare voortzetting van het overleg en de samenwerking met het parlement en de maatschappelijke partners.

Het nader rapport volgt de structuur van het advies. Het advies is ingedeeld in zeven hoofdstukken, die steeds bestaan uit meerdere punten:

  • A. Inleiding (punten 1 en 2);

  • B. Algemeen oordeel en hoofdpunten van het advies (punten 3 en 4);

  • C. Beschouwing over flexibiliteit in het stelsel (punten 5 tot en met 11);

  • D. Digitaal Stelsel Omgevingswet (punten 12 tot en met 16);

  • E. Unierechtelijke aspecten (punten 17 en 18);

  • F. Nadeelcompensatie (punten 19 tot en met 22);

  • G. Bijzondere onderwerpen (punten 23, 24 en 25).

Mijn reactie is steeds opgenomen na een genummerd punt van het advies. Na de reacties op het advies zijn de ambtshalve wijzigingen in de ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur en het wetsvoorstel voor de Invoeringswet vermeld. Ten slotte wordt ingegaan op de slotbeschouwing. Als bijlage bij het nader rapport is een transponeringstabel voor de Invoeringswet gevoegd, omdat de indeling en nummering is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp dat aan de Afdeling is voorgelegd.

Bij Kabinetsmissive van 5 juli 2017, no. 2017001152, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving), met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State brengt over dit ontwerpbesluit (verder: Bbl) advies uit dat gelijkluidend is aan het advies over:

  • a. de Invoeringswet Omgevingswet1 (verder: Invoeringswet);

  • b. het Omgevingsbesluit2 (Ob);

  • c. het Besluit kwaliteit leefomgeving3 (Bkl);

  • d. het Besluit activiteiten leefomgeving4 (Bal).5

Dit pakket geeft nader invulling aan het stelsel waartoe door de wetgever werd besloten bij aanvaarding van de Omgevingswet in 2016.6 De Afdeling heeft de belangrijkste aspecten van het stelsel in 2012 (voorlichting) en in 2014 (advies bij het wetsvoorstel) al uitvoerig behandeld en daarbij kritische opmerkingen gemaakt.7 Uitgaande van de gemaakte keuzes is de Afdeling van oordeel dat het nu voorliggende pakket een consistente en helder gestructureerde invulling aan het stelsel geeft. De praktijk zal echter moeten uitwijzen of de doelstellingen van de stelselherziening uiteindelijk zullen worden gehaald. De Afdeling heeft daarbij zorgen op het punt van voldoende houvast, gelijkwaardige bescherming (van milieu en rechtsposities) en invoeringslasten.

Het pakket biedt bewust bijzonder veel flexibiliteit, zowel op het vlak van regelgeving en in de interbestuurlijke verhoudingen als bij de uitvoering. Daardoor wordt echter onzeker of burger, overheid en rechter voldoende houvast geboden wordt en of de bescherming uiteindelijk gelijkwaardig zal zijn aan het huidige niveau. De balans tussen ‘benutten’ en ‘beschermen’ kan dan doorslaan naar benutten. Het stelsel is zo ingericht dat de opdracht om voldoende houvast en gelijkwaardige bescherming te bieden feitelijk vooral bij de gemeente ligt. In de aanloop naar inwerkingtreding van de wet en daarna tijdens een lange en complexe overgangsperiode worden (vooral) gemeenten sowieso al geconfronteerd met de lasten van de invoering van het nieuwe stelsel. De lasten van de opdracht inhoudelijk voldoende houvast en bescherming te bieden komen daar nog bovenop. Voor en na de invoering bestaat daarbij ook nog grote afhankelijkheid van ICT die nog moet worden ontwikkeld (Digitaal stelsel omgevingswet). De Afdeling vreest dat zonder forse inzet op versterking van de bestuurskracht van de gemeenten en op substantiële ondersteuning bij de invoering van het stelsel wezenlijke risico's ontstaan.

De Afdeling adviseert binnen het stelsel op een relatief beperkt aantal concrete punten meer houvast te bieden. Meer algemeen zou voorzien moeten worden in wettelijke waarborgen voor onafhankelijke evaluatie op het punt van houvast en gelijkwaardige bescherming. Verder benadrukt zij het belang van begeleiding en monitoring bij de invoering en wordt ingegaan op een aantal belangrijke, maar meer opzichzelfstaande onderwerpen.

A. INLEIDING

1. Eén advies, toetsing en indeling

a. Eén integraal advies

Met de bekendmaking van de Omgevingswet is een eerste essentiële stap gezet naar een stelsel waarin de regelgeving voor de fysieke leefomgeving is geïntegreerd. Uitgangspunt van het nieuwe stelsel is dat de materiële bepalingen voornamelijk in de algemene maatregelen van bestuur (amvb) zullen zijn opgenomen. Of het nieuwe stelsel beantwoordt aan de doelstellingen kan daardoor alleen in samenhang goed worden bezien. Het wetsvoorstel voor de Invoeringswet en de ontwerpbesluiten zijn om die reden, in navolging van het advies van de Afdeling over het voorstel voor de Omgevingswet, gelijktijdig aan de Afdeling voorgelegd. Tegelijk ligt ook voor het wetsvoorstel voor een Aanvullingswet Natuur. Daarover wordt apart advies uitgebracht. In een later stadium volgen nog een belangrijke aanvullingswet (grondeigendom) en de aanvullingsbesluiten die behoren bij de aanvullingswetten, een invoeringsbesluit en een ministeriële regeling die een invoeringsregeling zal bevatten en enkele aanvullingsregelingen. De regering wil alle nieuwe regelgeving tegelijk met de Omgevingswet – in 2021 – in werking laten treden.8

Het voorstel voor de Invoeringswet vult de Omgevingswet met enkele essentiële onderdelen aan, wijzigt andere wetten of trekt deze in en regelt het overgangsrecht. De vier amvb’s zijn voor de werking van het stelsel cruciaal. Het stelsel is als geheel ook op dit moment nog niet volledig in beeld. Er volgen immers nog belangrijke aanvullingswetten- en besluiten. Dat neemt niet weg dat de hoofdlijnen met dit pakket regelgeving wel zodanig nader worden ingevuld dat sprake is van de tweede essentiële stap in de stelselherziening. De Afdeling ziet hierin en in de onderlinge samenhang aanleiding één integraal advies uit te brengen over de Invoeringswet en de uitvoeringsbesluiten. Gelet op de omvang en voorgeschiedenis van het pakket beperkt de Afdeling zich tot de hooflijnen van het stelsel zoals die nu worden ingevuld. Van een toets op detailniveau is afgezien.

b. Opbouw van het advies

Het advies is als volgt opgebouwd. Hierna worden in punt 2 eerst de doelen en uitgangspunten, het instrumentarium en de belangrijkste systeemkeuzes in de Omgevingswet geschetst. Deel B bevat het algemene oordeel van de Afdeling over het voorliggende pakket in het licht van de doelstellingen van de stelselherziening, alsmede de daarmee verband houdende hoofdpunten van het advies. De analyses die aan dat oordeel ten grondslag liggen zijn opgenomen in deel C. Daarna wordt ingegaan op een aantal meer opzichzelfstaande punten waarbij in deel D het Digitaal Stelsel Omgevingswet aan de orde komt. Vervolgens komen Unierechtelijke aspecten (in deel E) en de nadeelcompensatie (deel F) aan de orde, en ten slotte andere bijzondere onderwerpen zoals voorbereidingsprocedures en overgangsrecht (deel G). Het advies eindigt met een slotbeschouwing.

Reactie op de inleiding van het advies

Eén integraal nader rapport

De Afdeling heeft één integraal advies uitgebracht over het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het voorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet. De Afdeling heeft dit gedaan vanwege de onderlinge samenhang van de wetgevingsproducten en omdat zij dit pakket ziet als de tweede essentiële stap in de stelselherziening. Diverse door de Afdeling aangesneden thema’s, zoals flexibiliteit, komen in verschillende producten terug. Dat geldt ook voor onderwerpen die voor het gehele stelsel van belang zijn, zoals het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Daarom zijn in het verlengde van het gelijkluidende advies voor de vijf wetgevingsproducten gelijkluidende nadere rapporten opgesteld.

2. Het stelsel in het kort

a. Doelen en uitgangspunten

Het maatschappelijke doel van het nieuwe stelsel is in de Omgevingswet zelf expliciet vastgelegd en wordt vaak kortweg geduid als 'ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit' of 'beschermen en benutten'.9 Vier concrete verbeterdoelen zijn:

  • 1. vergroten inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak,

  • 2. samenhangende benadering in beleid, besluitvorming en regelgeving,

  • 3. vergroten bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken, en

  • 4. versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten.

Daarnaast zijn uitgangspunten voor het nieuwe stelsel geformuleerd. Een belangrijk uitgangspunt is 'gelijkwaardige bescherming': het niveau van bescherming van gezondheid, veiligheid en omgevingskwaliteit moet gelijkwaardig zijn aan het huidige niveau. Hetzelfde geldt voor het niveau van rechtsbescherming. De Afdeling heeft in eerdere adviezen aangekondigd zich in het bijzonder op deze doelen en uitgangspunten te zullen richten.10 Ander belangrijk uitgangspunt is de vergroting van de bestuurlijke afwegingsruimte binnen de doelen van de wet en de overige wettelijke bepalingen. Tenslotte geldt als belangrijk uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’; de gemeente is primair verantwoordelijk voor de zorg voor de fysieke leefomgeving.

b. Instrumentarium en systeemkeuzes
  • i. Doorwerking van beleid

    De zorg van de overheid voor de leefomgeving wordt in het nieuwe stelsel inhoudelijk gekleurd en geconcretiseerd met normen die gericht zijn tot bestuursorganen – omgevingswaarden en instructieregels – en met algemene regels voor burgers en bedrijven.11 Omgevingswaarden zijn maatstaven die voor de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan de gewenste staat of kwaliteit, de toelaatbare belasting door activiteiten, de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen als beleidsdoel vastleggen.12 Deze omgevingswaarden kunnen bij omgevingsplan (door de gemeente), omgevingsverordening (door de provincie) of amvb worden vastgesteld. Zonder nadere bepalingen werken omgevingswaarden niet door bij de vaststelling van besluiten zoals omgevingsvisies, omgevingsplannen en omgevingsvergunningen. Om doorwerking te bewerkstelligen dienen instructieregels (van het Rijk of de provincie) die het bevoegd gezag verplichten een omgevingswaarde op een bepaalde wijze te betrekken bij een besluit.13 Het Rijk en de provincies kunnen bij amvb onderscheidenlijk omgevingsverordening instructieregels geven over de inhoud, toelichting of motivering van besluiten of over de uitoefening van taken door andere overheden.14 Voor een aantal onderwerpen is het stellen van instructieregels verplicht omdat zij bestaande wettelijke verplichtingen tot provinciale normstelling vervangen of leiden tot beperkingen van eigendomsrechten en gebruiksrechten of omdat zij voortvloeien uit internationale verplichtingen.15 Instructieregels zijn bindend voor overheden.

  • ii. Kerninstrumenten

    De Omgevingswet kent zes kerninstrumenten:

    • 1. de omgevingsvisie: een samenhangend strategisch plan met betrekking tot de fysieke leefomgeving;

    • 2. het programma: een pakket van beleidsvoornemens en maatregelen die dienen om omgevingswaarden of doelen in de fysieke leefomgeving te bereiken en daaraan te blijven voldoen;

    • 3. decentrale regelgeving: namelijk het omgevingsplan van de gemeente, de waterschapsverordening van het waterschap en de omgevingsverordening van de provincie, waarin het decentraal bestuur gebiedsdekkend algemene regels en vergunningplichten vastlegt;

    • 4. algemene rijksregels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving;

    • 5. de omgevingsvergunning, waarmee een initiatiefnemer via één aanvraag bij één loket toestemming kan verkrijgen voor het geheel van door hem gewenste activiteiten;

    • 6. het projectbesluit: een generieke regeling voor besluitvorming over projecten met een publiek belang.

    Daarnaast omvat de Omgevingswet ondersteunende instrumenten zoals gedoogplichten, procedurebepalingen en regelingen voor toezicht en handhaving.

  • iii. Systeemkeuzes

    Uitgangspunt is dat de algemene rijksregels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving worden neergelegd in de vier amvb's die nu in ontwerp voorliggen. De materiële normen die zich rechtstreeks richten tot burgers en bedrijven zijn bij elkaar ondergebracht in het Bal en het Bbl, de normen die zich richten tot andere overheden in het Bkl. De laatste zijn instructieregels, die door toedoen van de betrokken overheid (vaak de gemeente) moeten doorwerken als bindende normen (vaak het omgevingsplan). Deze vorm past bij de wens tot differentiatie naar verschillende locaties. Het Bal past bij locatieonafhankelijke preventieve maatregelen en beste beschikbare technieken.16 Procedurele bepalingen ten slotte zijn bij elkaar gezet in het Omgevingsbesluit.

Reactie op punt 2 van het advies

Dit onderdeel bevat een feitelijke beschrijving en vergt geen reactie.

B. ALGEMEEN OORDEEL EN HOOFDPUNTEN VAN HET ADVIES

3. Algemeen oordeel

In haar advies bij de Omgevingswet overwoog de Afdeling dat het wetsvoorstel weliswaar de basis kan vormen voor een inzichtelijk, samenhangend, flexibel en efficiënt stelsel, maar dat de verwezenlijking daarvan afhankelijk is van de inhoud en opbouw van de uitvoeringsregelingen. Alles overwegende is de Afdeling van oordeel dat de uitvoeringsregelgeving op adequate en helder gestructureerde wijze uitwerking geeft aan de Omgevingswet. De inrichting van het stelsel komt daarbij in ruime mate tegemoet aan de behoefte aan bestuurlijke afwegingsruimte, samenhangende benadering en versnelling van besluitvorming over projecten. De Afdeling spreekt dan ook graag in algemene zin en gegeven de door de wetgever gemaakte keuzes waardering uit voor de wijze waarop het stelsel in het voorliggende pakket verder is uitgewerkt. De praktijk zal de komende jaren echter moeten uitwijzen of de doelstellingen van de stelselherziening uiteindelijk worden gehaald. De Afdeling ziet aanleiding om in het hiernavolgende aandacht te vragen voor de wezenlijke risico’s die met het oog op de feitelijke realisering van deze doelstellingen kunnen worden gesignaleerd. Deze risico’s ontstaan in de eerste plaats door de verregaande mate van flexibiliteit in het stelsel waardoor onzeker is of burger, overheid en rechter voldoende houvast geboden wordt en ook of de bescherming uiteindelijk gelijkwaardig zal zijn aan het huidige niveau. Voorts ziet de Afdeling risico’s die samenhangen met de invoering van het nieuwe stelsel dat vanwege zijn complexiteit een aanzienlijke bestuurskracht van gemeenten zal vergen en waarbij bovendien een grote afhankelijkheid bestaat van ICT die nog moet worden ontwikkeld. Wat de risico’s betreft wordt in het hiernavolgende een aantal adviezen gegeven.

Reactie op punt 3 van het advies

Het is verheugend dat de Afdeling aangeeft dat de inrichting van het stelsel in ruime mate tegemoetkomt aan de behoefte aan bestuurlijke afwegingsruimte, samenhangende benadering en versnelling van besluitvorming over projecten en dat de Afdeling waardering uitspreekt voor de adequate en helder gestructureerde wijze waarop de ontwerpbesluiten uitwerking geven aan de Omgevingswet. De waardering van de Afdeling wordt ervaren als een steun in de rug om de ingezette beweging voort te zetten.

De afdeling wijst terecht op het belang van de toepassing van de regelgeving in de praktijk. Samen met de bestuurlijke partners en maatschappelijke organisaties wordt het nieuwe stelsel van wetgeving voor de fysieke leefomgeving opgebouwd en gewerkt aan de toekomstige toepassing daarvan. Het wettelijk stelsel beoogt te voorzien in overzichtelijke, samenhangende en efficiënte regels voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Deze nieuwe regels helpen bij de beweging naar duurzame ontwikkeling, waarvoor veel partijen in ons land zich verantwoordelijk voelen.

De Afdeling ziet wel een aantal risico’s bij de feitelijke realisering van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet en de verbeterdoelen van de stelselherziening. Hieronder zal meer specifiek ingegaan worden op de gesignaleerde risico’s. Daarbij wordt de opbouw van het advies gevolgd.

4. Risico’s van flexibiliteit

Het onderstaande is gebaseerd op de beschouwing in deel C.

De Afdeling signaleerde in het advies over de Omgevingswet dat het wetsvoorstel op zichzelf veel flexibiliteit biedt, maar weinig houvast geeft bij de toepassing ervan. De inzichtelijkheid van het stelsel van het omgevingsrecht zou kunnen afnemen als uit de uitvoeringregelgeving onvoldoende zou blijken hoe en ten aanzien van welke specifieke belangen de overheid kan interveniëren, welke mate van flexibiliteit wordt geboden en welke grenzen daarbij in acht worden genomen. Ook wees de Afdeling op de ruime mogelijkheden om van (hogere) regels af te wijken waardoor het waarborgkarakter van eenmaal krachtens de wet gestelde regels afneemt. Het wetsvoorstel zette daarmee in op flexibiliteit, wat ten koste kan gaan van de rechtszekerheid en rechtsbescherming, aldus het advies.17 Of het maatschappelijk doel van de Omgevingswet – balans tussen beschermen en benutten – en de verbeterdoelstellingen van het stelsel zullen worden gehaald is dan ook in hoge mate afhankelijk van de vraag of het nu voorliggende pakket voldoende houvast biedt aan burgers, bedrijven, openbaar bestuur en rechtspraak.

Hier is reden tot zorg. De Afdeling constateert dat binnen het nieuwe stelsel maar in beperkte mate sprake is van materiële voorschriften waarvan geen afwijking mogelijk is. De duidelijke structuur en doorgaans concrete en helder geformuleerde voorschriften in Bkl, Bal en Bbl bieden daardoor uiteindelijk toch maar in beperkte mate echt houvast. De bescherming die niet (meer) uit deze regelgeving zelf voortvloeit, moet per saldo alsnog door (vooral) de gemeente in het omgevingsplan geboden worden. Of een gelijkwaardig beschermingsniveau wordt geboden is daarmee vooral afhankelijk van de inzet en afwegingen op decentraal niveau.

Als het gaat om de bestuurlijke praktijk is de vraag of altijd voldoende duidelijkheid zal bestaan over ieders rol in de gedeelde zorg voor de fysieke leefomgeving. Taken en bevoegdheden zullen niet meer exclusief aan één bestuursorgaan zijn toebedeeld maar een gedeelte verantwoordelijkheid zijn van meerdere overheden. Tegelijkertijd geldt het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’. Het is niet denkbeeldig dat door de flexibiliteit die de wet hier biedt ingewikkelde uitvoeringsvraagstukken en interbestuurlijke fricties zullen ontstaan. Illustratief is de wijze waarop luchtkwaliteit in het stelsel wordt geregeld. Gemeenten krijgen hier een belangrijke taak, maar mede vanwege het gemeentegrens overschrijdende karakter van luchtkwaliteit, is het de vraag of zij die taak altijd kunnen waarmaken. Daarnaast signaleert de Afdeling dat (vooral kleine) gemeenten met een grote opgave worden geconfronteerd bij de implementatie van het nieuwe stelsel. Voor die gemeenten wordt het waarschijnlijk noodzakelijk om uitvoeringsdiensten in te schakelen, in het bijzonder bij het opstellen van een omgevingsplan. Uiteindelijk kan dat wezenlijke gevolgen hebben voor de democratische legitimering van beleidsvorming en de verantwoording van uitvoering.

Verder signaleert de Afdeling dat het streven naar ‘globale en flexibele’ omgevingsplannen met zoveel mogelijk open normen, het schrappen van de vergunningplicht voor de planologische aspecten van bouwen, het loslaten van standaard overgangsrecht in bestemmingsplannen en de nieuwe systematiek voor schadevergoeding bij besluiten (nadeelcompensatie) weliswaar kan bijdragen aan de doelstelling om meer te ‘benutten’, maar tegelijkertijd ook tot onduidelijkheid en rechtsonzekerheid kan leiden voor burgers, bedrijven, overheid en rechtspraak. Datzelfde geldt voor het toenemend gebruik van (algemene en specifieke) zorgplichten in plaats van het uitschrijven van regels waar iedereen zich aan moet houden en de mogelijkheid om bij bouwen gelijkwaardige maatregelen te treffen zonder voorafgaande toestemming of melding.

Advies

De Afdeling stelt vast dat voor alle hoofdrolspelers in het omgevingsrecht in belangrijke mate houvast afneemt of ontbreekt. De Afdeling ziet mogelijkheden daar op een aantal punten verbetering in te brengen:

  • bij het verlenen van ontheffing van een instructieregel voorzien in extra waarborgen voor transparantie en zorgvuldige afweging, bijvoorbeeld in de vorm van een advies van een kwaliteitsteam waar veel gemeenten al gebruik van maken18 (zie punt 6b);

  • de verhouding tussen het projectbesluit en de bepalingen in het omgevingsplan die strekken tot uitvoering van het Bkl verduidelijken, in het bijzonder voor zover deze bepalingen zien op nakoming van EU- of andere internationaalrechtelijke verplichtingen (zie punt 6b);

  • meerwaarde van maatwerk in het Bbl bezien (zie punt 6b);

  • op wetsniveau voorzien in een vergunningplicht voor de ruimtelijke aspecten van bouwen, echter met de mogelijkheid voor de gemeenteraad deze in het omgevingsplan uit te schakelen indien dat gelet op de plansystematiek (de formulering van de algemenere regels van het omgevingsplan samen met de verbeelding) verantwoord is

    (zie punt 9a);

  • bezien of het mogelijk is om, in geval van vergunningvrij bouwen, op verzoek van de initiatiefnemer een overheidsdocument te verstrekken, waaruit blijkt dat de bouw rechtmatig is (conformiteitsverklaring) (zie ook punt 9a);

  • in het Bbl voorzien in een toestemmingsbesluit of in elk geval een meldingsplicht voor het treffen van gelijkwaardige maatregelen (zie punt 10).

Naast deze concrete adviespunten merkt de Afdeling nog het volgende op. Het risico bestaat dat, waar onvoldoende houvast is, de balans tussen ‘benutten’ en ‘beschermen’ doorslaat naar benutten. De Afdeling adviseert daarom niet te volstaan met de standaard evaluatiebepaling zoals die thans is opgenomen in artikel 23.9 van de Omgevingswet, maar waarborgen voor onafhankelijke uitvoering van de evaluatie in de wet op te nemen en in de wet tot uitdrukking te brengen op welke punten de evaluatie zich in het bijzonder zou moeten richten. Daarbij kan worden gedacht aan:

  • de vraag of een gelijkwaardige bescherming van de fysieke leefomgeving en een gelijkwaardige rechtsbescherming wordt bereikt;

  • de wijze waarop de verschillende overheidslagen hun taken uitvoeren en de samenhang daarin;

  • de vraag of de uitvoeringspraktijk adequaat is, met inbegrip van de rol die de Omgevingsdiensten spelen vanuit het perspectief van adequate democratische legitimatie;

  • de vraag of de globale en flexibele omgevingsplannen, de toenemende betekenis van algemene en specifieke zorgplichten en het nieuwe systeem van nadeelcompensatie voldoende houvast bieden aan initiatiefnemer, burger, bestuurder en rechter.

Reactie op punt 4 van het advies

Dit onderdeel van het advies geeft aanleiding tot een nadere beschouwing over flexibiliteit, gelijkwaardig beschermingsniveau en bestuurlijke praktijk. Daarnaast wordt gereageerd op de adviezen over een kwaliteitsteam en de evaluatiebepaling. Voor een reactie op de andere genoemde specifieke punten wordt verwezen naar de reacties op de nadere uitwerking van het advies in hoofdstuk C, punten 6, onder b (Afwijking van algemene regels, onder ‘projectbesluit’, ‘bieden van maatwerkmogelijkheden in het Bal’ en ‘technische regels in het Bbl’), 7 (Bescherming door nationale regels), 9, onder a (Globale en flexibele omgevingsplannen, onder ‘vergunningvrij bouwen’), 10 (Gelijkwaardige maatregelen) en 11 (Specifieke zorgplichten) van het advies.

Flexibiliteit

De Afdeling constateert terecht dat binnen het nieuwe stelsel maar in beperkte mate sprake is van materiële regels waarvan geen afwijking mogelijk is. De Afdeling stelt dat de besluiten daardoor onvoldoende houvast zouden kunnen geven voor de praktijk.

Een van de verbeterdoelen die zijn nagestreefd bij het ontwikkelen van de Omgevingswet en de vier ontwerpbesluiten is het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte. Voor dit verbeterdoel is gekozen omdat uit de praktijk het geluid komt dat de huidige regelgeving onnodig knellend is.19 Daarom is ervoor gekozen de afweging tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving op dat bestuurlijke niveau te leggen waar deze het beste tot zijn recht komt. Dat betekent dat afwegingen vaker dan nu op regionaal of lokaal niveau komen te liggen. Juist regionale en lokale besturen zijn in staat om een weloverwogen afweging te maken die rekening houdt met de regionale en lokale omstandigheden. Het Rijk borgt daarbij een basisbeschermingsniveau van veiligheid en gezondheid. Vanzelfsprekend zal de praktijk met de grotere bestuurlijke afwegingsruimte moeten leren werken. In de reactie op punt 5 van het advies zal worden ingegaan op de geboden invoeringsondersteuning. Die zal ook zien op het gebruiken van bestuurlijke afwegingsruimte. De bestuurlijke afwegingsruimte is in veel gevallen overigens wel ingekaderd. In lijn met de opbouw van het advies zal daarop worden ingegaan in de reactie op punten 6 en 7.

Het stelsel biedt bestuursorganen bij het toepassen van de afwegingsruimte wel houvast. Waar het Rijk regels schrapt, vindt het decentrale bestuursorgaan in het stelsel een standaard die voor de meeste gevallen als verstandige praktijk kan gelden. Bij direct werkende regels in het Bal en Bbl geldt de rijksregel als standaard en kan alleen via maatwerk, gebiedsgericht of individueel, onderbouwd afgeweken worden van de standaard. Daarbij gelden inhoudelijke waarborgen uit de Omgevingswet. Voor geluid en trillingen van de meeste activiteiten en voor geur van enkele activiteiten worden de direct werkende rijksregels losgelaten en komen daarvoor instructieregels in de plaats. Bij het reguleren van deze onderwerpen in het omgevingsplan wordt de gemeente houvast geboden doordat het Bkl standaardwaarden en grenswaarden bevat. Bovendien worden in de regelgeving waarborgen ingebouwd voor een soepele overgang naar dit nieuwe systeem. Voor de activiteiten die het Rijk niet langer reguleert, zoals de horeca en bepaalde lozingen in regionale wateren, zal de voorgenomen ‘bruidsschat’20 zorgen voor continuïteit en als startpunt en referentie dienen voor regulering door de gemeenten en waterschappen. In de reactie op punt 6, onder a, van het advies wordt hier nader op ingegaan.

In eenvoudige situaties wordt de behoefte aan bestuurlijke afwegingsruimte in de praktijk niet zo gevoeld. Hier zal het toepassen van de regels van het Bal en het Bbl, het overnemen van de standaardwaarden of het continueren van de regels uit de ‘bruidsschat’ vaak voldoen. Bij middelgrote en grote projecten ervaren gebruikers de huidige regelgeving vaak als knellend. Dat inzicht heeft de afgelopen twee decennia al geleid tot veel verschillende mogelijkheden voor afwijking van rijksregels. Bijvoorbeeld de mogelijkheden om bij maatwerkvoorschrift of verordening af te wijken van de regels in het Activiteitenbesluit milieubeheer, de mogelijkheden van de Interimwet stad- en milieubenadering en de Crisis- en herstelwet. Deze mogelijkheden zijn deels zeer succesvol, maar gaan wel gepaard met extra complexiteit voor de gemeente en de betrokken burgers en bedrijven, onder meer als gevolg van bijzondere motiveringsvereisten, procedures en de aparte verordeningen voor maatwerk. Deze bestaande vormen van bestuurlijke afwegingsruimte zijn geïntegreerd in het stelsel. Onder het nieuwe stelsel kan een gemeente die de algemene rijksregels, de standaardwaarden, of de geboden bruidsschat als knellend ervaart de bestuurlijke afwegingsruimte die de ontwerpbesluiten bieden toepassen binnen de gangbare procedures voor totstandkoming van besluiten, zoals inspraak en rechtsbescherming. Daarbij gelden er inhoudelijke vereisten. Zo kan een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel alleen worden gesteld met hetzelfde oogmerk en dezelfde strekking waarmee de algemene rijksregel is gesteld. Een maatwerkvoorschrift bij een milieubelastende activiteit kan bijvoorbeeld alleen worden gesteld met het oog op ‘het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu’ en dient er onder meer toe te strekken dat alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen en de beste beschikbare technieken worden toegepast.21 Bij de onderbouwing van de keuze om soepeler of strenger te zijn dan de standaard geldt verder het motiveringsvereiste van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor de immissies van geluid en trillingen van de meeste activiteiten en geur van een aantal activiteiten geeft het Bkl standaardwaarden en grenswaarden. Als er geen aanleiding is voor soepelere of strengere eisen kan aan het motiveringsvereiste van de Awb worden voldaan door te verwijzen naar de standaardwaarden. Dit biedt houvast. Hogere of lagere waarden dan de standaardwaarden vereisen een nadere inhoudelijke motivering. Van grenswaarden, die het basisbeschermingsniveau tot uitdrukking brengen, kan niet of alleen in nauw omgeschreven situaties worden afgeweken, zodat een gelijkwaardig beschermingsniveau geboden wordt aan dat van het huidige recht.

Burgers en bedrijven vinden straks hun houvast niet alleen in de landelijk uniforme milieuregelgeving van het Bal (en voor bouw- en sloopactiviteiten het Bbl), maar ook in het omgevingsplan. Daarin zullen zij ook een deel van de milieuregels vinden, toegespitst op de lokale situatie. De gemeenteraad biedt daarmee vooraf duidelijkheid over wat in de verschillende delen van het grondgebied een aanvaardbaar niveau van bijvoorbeeld geluidimmissies is. Dat bevordert de rechtszekerheid van de burgers én van bedrijven die in een gebied activiteiten willen verrichten. Samengevat bevatten de Omgevingswet en de ontwerpbesluiten voldoende houvast voor de praktijk. Dat is ook uiteengezet bij de parlementaire behandeling van de Omgevingswet en uitvoerig besproken met het Parlement.22 Het advies van de Afdeling bevat daarnaast nog een aantal nuttige suggesties om het houvast verder versterken. In de reacties op hoofdstuk C van het advies is aangegeven hoe die concrete suggesties van de Afdeling zijn verwerkt.

Gelijkwaardig beschermingsniveau

Vanaf het begin van de stelselherziening is het uitgangspunt dat het beschermingsniveau van gezondheid, veiligheid en omgevingskwaliteit gelijkwaardig is aan het huidige recht. Dit uitgangspunt is ook bij de parlementaire behandeling van de Omgevingswet en de ontwerpbesluiten aan de orde geweest.23 Zoals daar ook is beschreven wordt met deze term gedoeld op een beschermingsniveau dat net zo goed is als het beschermingsniveau van de huidige regelgeving, en niet op een beschermingsniveau dat daar in alle gevallen identiek aan is. Een identiek beschermingsniveau kan niet worden bereikt zonder de complexiteit van het huidige stelsel, met alle bijzondere regels en uitzonderingen, mee te nemen naar het nieuwe stelsel. Dat zou de mogelijkheden om de verbeterdoelen van de stelselherziening te bereiken ernstig beperken. De kwaliteit van de fysieke leefomgeving zal zich met het nieuwe stelsel wel anders ontwikkelen dan onder de huidige regelgeving, maar niet slechter dan wanneer de huidige regels gecontinueerd zouden worden. Het uitgangspunt dat het beschermingsniveau gelijkwaardig blijft geldt zowel voor gelijkwaardige procedurele bescherming, bijvoorbeeld op het gebied van inspraak en rechtsbescherming, als voor gelijkwaardige inhoudelijke normering voor de bescherming van de fysieke leefomgeving. Het gaat daarbij niet alleen om het voorkomen van de gevolgen van nieuwe of gewijzigde activiteiten, maar ook om het beperken van de gevolgen van bestaande activiteiten. Voor Europese en internationale regelgeving zijn de inhoudelijke normering en de procedurele verplichtingen overigens wel onverkort overgenomen in het nieuwe stelsel.

De kwaliteit van de fysieke leefomgeving wordt onder de Omgevingswet, net als onder het huidige recht, bewaakt door een combinatie van regels op de verschillende niveaus: gemeente, waterschap, provincie, het Rijk en de Europese Unie. Het evenwicht in de verantwoordelijkheden van de verschillende bestuursorganen is afhankelijk van de opgaven en politieke opvattingen. Het subsidiariteitsbeginsel bepaalt daarbij in hoeverre een provincie, het Rijk of de Europese Unie het reguleren van een onderwerp aan zich trekt. Het aan zich trekken van een onderwerp leidt binnen het omgevingsrecht in veel gevallen niet tot een uitputtende regeling. Vaak wordt de uitwerking van beleid en regelgeving opgedragen aan een decentraal bestuursorgaan (vrij medebewind). In andere gevallen is de regeling op centraal niveau uitputtend, maar wordt de uitvoering opgedragen aan decentrale overheden, waarbij er vaak nog wel beoordelingsruimte bij de uitvoerder ligt; vergunningverlening en maatwerk zijn daarvan sprekende voorbeelden. Dergelijke verhoudingen zijn er zowel tussen de Europese Unie en haar lidstaten, als tussen het Rijk en de decentrale overheden.

In het licht van het bovenstaande zijn met de stelselherziening enkele belangrijke wijzingen doorgevoerd. Met de vier ontwerpbesluiten stelt het Rijk niet langer direct werkende regels voor geur, geluid en trillingen van de meeste activiteiten, een beperkte groep milieubelastende activiteiten en een deel van de lozingsactiviteiten in de regionale wateren. Omdat de problematiek die daarbij aan de orde is lokaal van aard is, komt de verantwoordelijkheid om die aspecten en activiteiten te regelen te liggen bij het decentrale bestuur. Overigens wordt de regulering van geur, geluid en trillingen daarbij opgedragen aan de gemeenten met instructieregels in het Bkl. Hetzelfde geldt voor de lozingsactiviteiten, met instructieregels die gericht zijn tot de waterschappen. Deze onderwerpen worden dus niet overgelaten aan de vrije regelruimte van de decentrale overheden. Daarnaast wordt bij de algemene rijksregels voor onder meer milieubelastende activiteiten en bruikbaarheidseisen voor bouwactiviteiten meer ruimte geboden om decentraal af te wijken van de algemene rijksregels (maatwerkregels en maatwerkvoorschriften zijn in beginsel mogelijk).

Zoals de Afdeling terecht concludeert is de consequentie hiervan dat de mate van (milieu)bescherming op de genoemde punten meer dan onder huidig recht bepaald wordt door decentrale keuzes. Dat past bij het verbeterdoel om de decentrale afwegingsruimte te vergroten om zo beter te kunnen inspelen op lokale omstandigheden. Keuzes worden primair gemaakt in het omgevingsplan, zodat de gekozen volksvertegenwoordigers in een gemeenteraad beslissen over de gewenste balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving in verschillende delen van het grondgebied.

De ervaring leert dat decentrale overheden de afwegingsruimte die het huidige recht kent zowel inzetten ten gunste van de bescherming van de fysieke leefomgeving als ten gunste van de benutting van de fysieke leefomgeving. Bij het eind vorige eeuw introduceren van maatwerk in de huidige algemene rijksregels bestond bij de bedrijven de vrees dat bevoegde instanties deze maatwerkvoorschriften zullen aangrijpen om ook wanneer het niet nodig is onnodige of strengere regels te stellen. De milieubeweging vreesde dat mogelijkheden voor versoepeling van regels oneigenlijk zouden worden toegepast en tot achteruitgang van de milieukwaliteit zouden leiden. Deze vrees is in beide gevallen onterecht gebleken, zoals blijkt uit de evaluatie van het Activiteitenbesluit milieubeheer.24

Relevant in dit verband is de algemene opdracht die de Omgevingswet aan de overheden geeft om bij de uitoefening van hun bevoegdheden evenwicht te bieden tussen het beschermen en benutten. Deze opdracht is expliciet verankerd in de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3), die op grond van artikel 2.1, eerste lid, doorwerken naar de uitoefening van taken en bevoegdheden, waaronder bijvoorbeeld de bevoegdheid om een omgevingsplan, waterschapsverordening of omgevingsverordening vast te stellen. Ook de opdracht in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet om in het omgevingsplan regels te stellen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties beklemtoont het belang van een evenwicht tussen beschermen en benutten.

Met de Afdeling wordt het van belang geacht om te monitoren of het gewenste evenwicht in de praktijk inderdaad gevonden wordt. Naar aanleiding van de door het kabinet gesteunde motie-Çegerek/Veldman25 zullen de gevolgen van de toepassing van de afwegingsruimte van de decentrale overheden voor het beschermingsniveau en de regeldruk voor bedrijven onderdeel zijn van de implementatiemonitor. Het spreekt voor zich dat de resultaten van die monitor ook benut zullen worden bij de formele evaluatie van de Omgevingswet.

Bestuurlijke praktijk

De Afdeling geeft aan dat in het nieuwe stelsel van omgevingsrecht taken en bevoegdheden niet meer exclusief aan één bestuursorgaan of bestuurslaag zijn toebedeeld maar een gedeelde verantwoordelijkheid zijn van meerdere overheden. Deze formulering kan onbedoeld een misverstand oproepen. Wat de regering heeft geschreven over een gedeelde verantwoordelijkheid26 is een weergave van de wijze waarop beleid en regelgeving voor de fysieke leefomgeving werken en geen beoogde wijziging van de taakverdeling. De verdeling van taken en bevoegdheden is niet fundamenteel gewijzigd in het nieuwe stelsel.27 In de reactie op punt 8 wordt hier nader op ingegaan.

De samenhang tussen de onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving maakt het ook niet mogelijk tot een taakverdeling te komen waarbij steeds één bestuursorgaan verantwoordelijk is voor een opgave. De integratie van het één is immers de desintegratie van het ander. Een integratie van bevoegdheden rond activiteiten leidt ertoe dat verantwoordelijkheden voor het beheersen van cumulatieve gevolgen van verschillende activiteiten niet in één hand liggen. Een integratie van bevoegdheden rond gevolgen leidt ertoe dat verschillende bestuursorganen verantwoordelijk zijn voor een activiteit.

Daarom is er onder de Omgevingswet, net als nu, voor sommige onderwerpen sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid voor de fysieke leefomgeving. De kwaliteit van de fysieke leefomgeving wordt bepaald door bevoegdheidsuitoefening van gemeenten, waterschappen, provincies, het Rijk en de Europese Unie gezamenlijk. In de reactie op punt 8 wordt nader ingegaan op bestuurlijke praktijk en de noodzaak van bestuurlijke samenwerking.

Voor luchtkwaliteit zijn enkele noodzakelijke veranderingen in de taaktoedeling om praktische redenen gekoppeld aan de stelselherziening. Overschrijdingen van omgevingswaarden voor een aantal stoffen in de lucht zijn als gevolg van de verbeteringen gedurende de afgelopen jaren een lokaal probleem geworden dat dan ook meestal een lokale oplossing vergt. Daarom wordt de programmaplicht voor deze stoffen bij de gemeente belegd. Dat laat onverlet dat het Rijk zich blijft inzetten voor de luchtkwaliteit. Voor een nadere toelichting zie de reactie op punt 17, onder c, van het advies.

De constatering van de Afdeling dat gemeenten met een grote opgave worden geconfronteerd bij de implementatie van het nieuwe stelsel is terecht. Gelet daarop wordt voorzien in een adequate invoeringsondersteuning. In de reactie op punt 5 van het advies wordt nader ingegaan op die ondersteuning. Toch zal het ambtelijk apparaat van kleinere gemeenten niet altijd alle kennis in huis hebben. Het kan zeker nuttig zijn als zij de omgevingsdienst betrekken bij het opnemen van milieuregels in het omgevingsplan. De Afdeling refereert daar terecht aan. Voor een nadere toelichting zie de reactie op punt 8, onder c, van het advies.

Kwaliteitsteam bij ontheffing

De Afdeling adviseert om bij het verlenen van ontheffing van een instructieregel te voorzien in extra waarborgen voor transparantie en zorgvuldige afweging, bijvoorbeeld in de vorm van een advies van een kwaliteitsteam. Een dergelijk advies zou echter weinig bijdragen, gezien de keuze die er bij het verlenen van een ontheffing voorligt. Bij het ontwerpen van het Bkl is ervoor gekozen om alle afwegingsruimte die er is bij instructieregels die een algemeen belang behartigen, zoals bescherming van het milieu, over te laten aan het bestuursorgaan tot wie de instructieregel gericht is. De toepassing van de ontheffingsmogelijkheid is beperkt tot instructieregels die voorvloeien uit een specifieke taak of belang van het Rijk, zoals defensietaken of de hoofdinfrastructuur. Er is dan sprake van een afweging tussen een specifieke taak of belang van het Rijk en een veelal specifiek belang van een decentraal bestuursorgaan. De verantwoordelijke minister of ministers maken de afweging tussen beide belangen. Zo nodig vindt daarbij bestuurlijk overleg plaats met het desbetreffende decentrale bestuursorgaan. Een verplicht extern advies van een kwaliteitsteam zou daaraan weinig toevoegen. Omdat een ontheffing meestal zal zien op de wijziging van een omgevingsplan of een projectbesluit, bieden participatie bij de voorbereiding van het besluit en de toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 Awb voldoende transparantie en mogelijkheden voor inbreng van maatschappelijke partijen die belang hebben bij de instructieregel waarvan voor dat besluit ontheffing wordt gevraagd.

Evaluatiebepaling

Het belang van een goede evaluatie van de werking van de Omgevingswet wordt onderschreven. Zoals nader beschreven onder punt 5 is daarom voorzien in een implementatiemonitor. Artikel 23.9 van de Omgevingswet voorziet daarnaast in evaluatie van de Omgevingswet. Om een goed beeld te krijgen van de werking van het stelsel, ligt het in de rede om alle onderdelen van het stelsel te evalueren. De Afdeling vraagt specifiek aandacht voor de gelijkwaardigheid van het beschermingsniveau, het houvast, de bestuurlijke praktijk en de rol van omgevingsdiensten. Deze onderwerpen zullen in de evaluatie zeker een plek krijgen. Naar aanleiding van het advies is dit in hoofdstuk 6 van de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Invoeringswet verduidelijkt.

Bij de evaluatie zal uitdrukkelijk de vraag worden betrokken of de balans tussen beschermen en benutten niet doorslaat naar benutten, noch naar beschermen. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van de implementatiemonitor waarin naar aanleiding van motie-Çegerek/Veldman28 de toepassing van de afwegingsruimte van de decentrale overheden voor het beschermingsniveau en de regeldruk voor bedrijven onderdeel zijn worden opgenomen. Bij de evaluatie zal ook gekeken worden naar de werking van instrumenten van het nieuwe stelsel, met bijzondere aandacht voor de zes kerninstrumenten, maar ook voor regels die de toepassing van deze instrumenten aansturen, zoals omgevingswaarden en instructieregels. Deze instrumenten en regels zijn immers van belang voor de werking van het stelsel en kunnen niet los gezien worden van de balans tussen beschermen en benutten. De evaluatie zal ook zien op de omzetting van regels die het Rijk loslaat en in nieuwe stelsel decentraal geregeld worden (zoals geur, geluid en trillingen van de meeste activiteiten, bepaalde lozingen).

De Afdeling wijst terecht op het belang van een onafhankelijke evaluatie van de wet. Aan de hand van de eerste ervaringen met de wet en de ontwerpbesluiten zal na inwerkingtreding van de wet bekeken worden in welke vorm en samenstelling de evaluatie wordt uitgevoerd. Daarbij kan per onderwerp een andere keuze worden gemaakt: een evaluatie op het gebied van grondeigendom of nadeelcompensatie is immers iets heel anders dan een evaluatie op de werking van de kerninstrumenten of de milieueffectrapportage.

Wat betreft nadeelcompensatie, dat de Afdeling ook noemt, wordt nog opgemerkt dat vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet al op grond van de Crisis- en herstelwet kan worden geëxperimenteerd met het nieuwe systeem en dat de ervaringen die daarmee worden opgedaan nauwlettend worden gevolgd.

5. Invoeringsrisico’s

Het onderstaande is gebaseerd op de beschouwingen in deel C en D.

Als gevolg van het uitgangspunt 'decentraal tenzij' en de cruciale functie die het omgevingsplan in het stelsel heeft, komt de verantwoordelijkheid om houvast te bieden in hoge mate bij de gemeente te liggen. Ook de verantwoordelijkheid voor het halen van de andere verbeterdoelstelling van de stelselherziening – vergroten inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak – ligt in feite grotendeels bij de gemeente. De mate waarin fysieke leefomgeving en burgers een gelijkwaardig beschermingsniveau genieten zal vooral afhankelijk zijn van de inspanningen en de afwegingen van de gemeente. Daarbij wordt een integrale benadering van de fysieke leefomgeving gevergd, terwijl – ingegeven door de huidige sectorale wetgeving – het ambtelijk apparaat van gemeenten veelal sectoraal is georganiseerd.29 Verder is van belang op te merken dat de invoering van de Omgevingswet vanaf het moment van inwerkingtreding aanzienlijke lasten voor de gemeenten meebrengt, omdat het vanaf de inwerkingtreding van de Invoeringswet gemeenten in tien jaar een nieuw omgevingsplan moeten maken. Het overgangsrecht is daarbij zo vorm gegeven dat gedurende die periode het oude en het nieuwe regime naast elkaar bestaan. Het Interprovinciaal Overleg (IPO) wijst er in haar consultatiereactie op dat het naast elkaar bestaan van verschillende regimes in de praktijk een grote aanslag op de capaciteit van de gemeentes zal vormen en het daarom een belangrijk aandachtspunt is bij het streven naar een goede acceptatie van en een soepele overgangsfase naar het nieuwe stelsel.30

Ten slotte is nog van belang dat ook de extra vrijheid voor (vooral) gemeenten extra verantwoordelijkheid en daarmee extra bestuurslasten meebrengt. Dit geldt al bij het benutten van de nieuwe ruimte voor gewenste initiatieven, maar te meer ook als ongewenste initiatieven die een beroep kunnen doen op de geboden nieuwe ruimte moeten worden tegengegaan. Al deze verantwoordelijkheden moet een gemeente waarmaken in een context waarbij feitelijk grote afhankelijkheid bestaat van niet alleen de eigen gemeentelijke ICT-voorzieningen, maar ook van de werking van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (zie deel D over het DSO). Er is immers een grote wederzijdse afhankelijkheid tussen het wettelijke stelsel en het digitale stelsel. DSO kan pas operationeel worden wanneer de regelgeving van kracht is. Omgekeerd is de uitvoering van de regelgeving zonder operationeel DSO niet mogelijk zonder ingrijpende aanpassing van de bestaande systemen.

Advies

Invoering van het nieuwe stelsel brengt aanzienlijke lasten mee voor met name de gemeenten, zowel door de overgang naar een nieuw stelsel – met DSO – als door de extra vrijheid die gemeenten krijgen. Dat vergt grote gemeentelijke bestuurskracht en een sterk ambtelijk apparaat. Het is aannemelijk dat wat dat betreft forse inzet van betrokken overheden en ondersteuning van (vooral) gemeenten nodig zijn om het nieuwe stelsel zonder wezenlijke risico’s in te kunnen voeren. Risico’s zijn er ook als het gaat om de verregaande mate van samenwerking die het stelsel vraagt van overheden: in het voorgaande is al gesignaleerd dat zich in verband daarmee ingewikkelde uitvoeringsvraagstukken kunnen voordoen met interbestuurlijke fricties als gevolg.

Om deze met de invoering van het stelsel gepaard gaande risico’s te mitigeren benadrukt de Afdeling in algemene zin het belang van invoeringsbegeleiding voor gemeenten, onder meer bij het omzetten van bestemmingsplannen naar omgevingsplannen en de uitdagingen die DSO wat dat betreft met zich brengt. Verder verdient de totstandkoming van solide bestuurlijke afspraken – en de nakoming daarvan – de aandacht van alle overheden. De Afdeling adviseert te monitoren of de benodigde inspanningen worden verricht, zowel in de komende jaren waarin het stelsel verder wordt voorbereid als in de eerste periode na de inwerkingtreding daarvan.

Wat de invoering van DSO betreft ziet de Afdeling een aantal mogelijkheden om de risico’s te verminderen als:

  • een DSO is getest op het niveau van het huidige niveau van dienstverlening (punt 12a);

  • de financiering van DSO geborgd is, in de fase tot en met de start maar zeker ook in de fase van going concern (punt 12b);

  • de noodzakelijke toezichtsbevoegdheden (uit oogpunt van ‘uitvoeringsvervlechting’) zijn geregeld (punt 12c);

  • de voorgestelde informatiehuizen en informatieproducten beter, en zo mogelijk, minder complex, zijn gedefinieerd, en private uitvoering nader is bezien (punten 13a en 13d);

  • bezien is of de opdracht aan de informatiehuizen aanbestedingsplichtig is (punt 13c);

  • de verhouding met het stelsel van basisregistraties is geëxpliciteerd (punt 14);

  • de bescherming van persoonsgegevens is gewaarborgd (punt 15);

  • vragen over de ontsluiting van aanvragen en meldingen via DSO zijn opgehelderd (punt 16).

Reactie op punt 5 van het advies

Bij het ontwikkelen van de Omgevingswet en de vier ontwerpbesluiten is gekozen voor bestuurlijke afwegingsruimte waarmee beter kan worden ingespeeld op de behoeften van initiatiefnemers, belanghebbenden en bestuursorganen. Om goed gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden die het nieuwe stelsel biedt, is niet alleen voldoende kennis van het nieuwe juridische stelsel nodig, maar ook een cultuuromslag bij de gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk. De Afdeling merkt terecht op dat het nieuwe stelsel met name veel verantwoordelijkheid legt bij gemeenten. Het opstellen van het omgevingsplan, een van de kerninstrumenten van de wet, en de invoering van de nieuwe integrale werkwijze vraagt grote gemeentelijke bestuurskracht en een verandering binnen de veelal sectoraal ingerichte gemeentelijke organisaties.

De stelselherziening is een gezamenlijke opgave van het Rijk en andere overheden. Daar zijn alle partners zich van bewust. De Minister van Infrastructuur en Milieu en de bestuurlijke partners, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW) hebben dan ook in juli 2015 gezamenlijk bestuurlijke afspraken opgesteld in het Bestuursakkoord implementatie Omgevingswet. Deze afspraken blijven uiteraard van kracht nu de verantwoordelijkheid voor de stelselherziening onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties valt. In dit bestuursakkoord is aangegeven waar de partijen gezamenlijk naar toe werken. Het bevat afspraken die ervoor zorgen dat dit op een goede en efficiënte manier gebeurt. Hierbij is ook aandacht voor de samenwerking tussen de verschillende bestuursorganen die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de fysieke leefomgeving. In het bestuursakkoord is verder aangegeven dat de gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk zelf verantwoordelijk zijn voor de verandering in cultuur en werkwijze van de eigen organisatie. Zij worden hierbij ondersteund door een interbestuurlijk implementatieprogramma. De naleving van de afspraken uit het bestuursakkoord wordt gevolgd in het Bestuurlijk Overleg tussen de minister van BZK, de VNG, het IPO en de UvW.

Invoeringsondersteuning

De Afdeling beklemtoont terecht de noodzaak van een goede invoeringsbegeleiding. De uitvoering van het hierboven genoemde Bestuursakkoord implementatie Omgevingswet ligt bij het interbestuurlijk implementatieprogramma Aan de Slag met de Omgevingswet. Binnen dit implementatieprogramma is een deelprogramma Invoeringsondersteuning opgericht. De activiteiten binnen dit deelprogramma gaan zoveel mogelijk in op de behoeften uit de praktijk en worden vormgegeven in overleg met gemeenten, provincies en het Rijk. Eén van de speerpunten van het deelprogramma is de uitleg van de kerninstrumenten van de wet en de samenhang daartussen. Hierbij worden specifieke thema’s zoals bestuurlijke afwegingsruimte, mens en organisatie, participatie en regionale samenwerking meegenomen. Een ander speerpunt is de ondersteuning van het werken met het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Samen met de VNG, de UvW en het IPO wordt een implementatiestrategie voor het DSO ontwikkeld.

De activiteiten van het deelprogramma zijn gericht op ondersteuning van gemeenten, waterschappen, provincies en uitvoerende rijksdiensten. Omdat er voor de gemeenten, zoals de Afdeling terecht constateert, een forse veranderopgave ligt wordt aan gemeenten hulp geboden door het opstellen van onder andere handreikingen voor omgevingsplannen, bijvoorbeeld handreikingen voor verschillende gebiedstypen zoals ‘centrum stedelijk gebied’ en ‘buitencentrum stedelijk gebied’ en voor diverse thema’s zoals bedrijfsmatige activiteiten en energietransitie. Ook worden competentieprofielen voor medewerkers ontwikkeld. Dit ondersteunt de overheden in de overgang van een sectoraal georganiseerde naar een integrale werkwijze. Daarnaast wordt er in experimenten volop geoefend met onder andere het opstellen van omgevingsvisies.

Ook de VNG biedt een groot ondersteuningsaanbod. Zo worden er diverse kennisproducten (publicaties, praktijkvoorbeelden, routekaarten) en opleidingen ontwikkeld voor projectleiders, wethouders en raadsleden. Vanuit de UvW en het IPO wordt ook gewerkt aan handreikingen voor respectievelijk de waterschapsverordening en de omgevingsverordening.

Er is dus op verschillende niveaus voorzien in de benodigde invoeringsbegeleiding.

Beperken implementatieopgave

De invoering van het nieuwe stelsel vraagt vanzelfsprekend een flinke inzet van gemeenten. De omvang van de gemeentelijke regelgeving is te groot om deze al voor inwerkingtreding van de stelselherziening om te bouwen. Daarom bevat het voorstel voor de Invoeringswet een regeling voor een overgangsfase. Vanaf dag één vormen alle bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen, beheersverordeningen en inpassingsplannen van rechtswege één omgevingsplan per gemeente (zie artikel 4.6 van het voorstel voor de Invoeringswet). Dit omgevingsplan voldoet dan nog niet aan de wettelijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet. De gemeente kan dit stapsgewijs omzetten in een eigen omgevingsplan dat volledig voldoet aan de eisen van de Omgevingswet en het Bkl. Bijvoorbeeld per locatie waar de gemeente een ontwikkeling mogelijk wil maken. Vergunningaanvragen voor die locatie worden dan op basis van dat gewijzigde deel van het omgevingsplan beoordeeld. Op 18 april 2018 heeft U het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet ruimtelijke ordening en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening bekrachtigd dat regelt dat bestemmingsplannen niet langer verplicht tienjaarlijks hoeven te worden geactualiseerd.31 Hiermee komt op korte termijn ambtelijke slagkracht beschikbaar die ingezet kan worden voor het opstellen van het omgevingsplan.

Voor de implementatieopgave is het belangrijk om te melden dat het voorstel voor de Invoeringswet erin voorziet dat de regels die het Rijk niet langer stelt (zie punt 4 onder ‘gelijkwaardig beschermingsniveau’) via het Invoeringsbesluit onderdeel wordt gemaakt van de omgevingsplannen en de waterschapsverordeningen. Gemeenten en waterschappen kunnen deze zogenoemde ‘bruidsschat’ vanaf dag één van de stelselherziening aanpassen, laten vervallen of ongewijzigd voort laten bestaan binnen de grenzen van de instructieregels van het Bkl. Deze ‘bruidsschat’ beperkt de implementatieopgave en voorkomt dat dat er een rechtsvacuüm ontstaat zolang gemeenten en waterschappen nog geen vervangende regels hebben gesteld voor de regels die het Rijk niet langer stelt.

Monitoring

De Afdeling adviseert te monitoren of de benodigde inspanningen worden verricht. In het bestuursakkoord is besloten tot de inrichting van een meerjarige monitor om de implementatie van de Omgevingswet te ondersteunen. In deze Monitor Omgevingswet wordt de voorbereiding op de komst van de Omgevingswet door gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk nauwlettend gemonitord. Daarnaast wordt de Monitor Omgevingswet gebruikt om de Eerste en Tweede Kamer te informeren over de voortgang van de implementatie. Na inwerkingtreding van de wet zal de Monitor Omgevingswet ook worden gebruikt om te monitoren in hoeverre de invoering van de Omgevingswet succesvol is.

Daarnaast worden de producten en bijeenkomsten van het programma ‘Aan de slag met de Omgevingswet’ continu geëvalueerd door gebruikers en deelnemers. De resultaten worden gebruikt om het aanbod van het implementatieprogramma waar nodig aan te passen zodat dit aansluit bij de behoefte van de praktijk.

Lasten bestuurlijke afwegingsruimte

Als het gaat om de lasten voor medeoverheden wijst de Afdeling op mogelijke kosten van de toegenomen flexibiliteit van het stelsel. Er is sprake van toegenomen decentrale bestuurlijke afwegingsruimte voor medeoverheden en dit zou volgens de Afdeling kunnen leiden tot een toename van bestuurlijke lasten.

De stelselherziening leidt naar verwachting op termijn per saldo juist tot een structurele besparing op bestuurlijke lasten voor de medeoverheden. Op deze gedachte zijn de afspraken in het financiële akkoord tussen Rijk en medeoverheden gebaseerd. Om dit te toetsen worden de verschillende wetgevingsproducten in het kader van de stelselherziening telkens op financiële effecten, ook die voor medeoverheden, bezien. De effecten van de toegenomen decentrale afwegingsruimte zullen nog onderzocht worden. Zoals hiervoor aangegeven bevat het stelsel diverse faciliteiten (zoals de standaardwaarden, de regels uit de bruidsschat en de algemene rijksregels) die door decentrale bestuursorganen veelal eenvoudig gehanteerd kunnen worden, wanneer zij geen behoefte hebben om gebruik te maken van de decentrale beleidsruimte. Deze effecten zullen dan onderdeel vormen van het totaalbeeld aan financiële effecten dat conform artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet in kaart wordt gebracht. Uiterlijk een half jaar voor de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel zal het totaalbeeld aan financiële effecten bezien worden door het Rijk en de medeoverheden.

DSO

Op de adviezen over het DSO zal worden ingegaan in de reactie op hoofdstuk D (punten 12 tot en met 16) van het advies.

C. BESCHOUWING OVER FLEXIBILITEIT IN HET STELSEL

In het hiernavolgende komt in beschouwende zin aan de orde waar het bieden van flexibiliteit in zodanige mate geschiedt dat dat ten koste zou kunnen gaan van voldoende houvast voor bestuurders, burgers en bedrijven. Eerst wordt daartoe beschreven in welke mate afwijking van algemene beschermende regels mogelijk is gemaakt. In de voorlichting uit 2014 heeft de Afdeling al nadrukkelijk gewezen op een aantal problematische aspecten hiervan.32 Vervolgens wordt ingegaan op de flexibiliteit die wordt geboden wat betreft de verdeling van taken en bevoegdheden en de bestuurlijke verhoudingen, omgevingsplannen, gelijkwaardige maatregelen en specifieke zorgplichten.

6. Afwijking van algemene regels

a. Reikwijdte bescherming nationale regels

Bij de clustering en bundeling van de bestaande regelgeving in de nu voorliggende amvb’s is getoetst aan het uitgangspunt 'decentraal tenzij' en aan het uitgangspunt dat bij implementatie van EU-richtlijnen niets anders of meer in de regelgeving wordt vastgelegd dan waartoe de EU-richtlijn verplicht.33 De reikwijdte van de normering via het Bkl (instructieregels waarbij differentiatie per locatie aangewezen is) is als gevolg hiervan niet wezenlijk kleiner geworden. Slechts de gedetailleerde sturing op de beoordeling van de gevolgen van ammoniak emissies is losgelaten.34 De normering via het Bal is met het oog op 'decentraal tenzij' wel beperkt in de zin dat milieubelastende activiteiten in de sfeer van o.a. horeca, recreatie, detailhandel, scholen, dierenpensions ed. in beginsel decentraal moeten worden geregeld, terwijl daarvoor in de huidige situatie doorgaans wel ook rijksregels gelden.35 Daarnaast zijn bepaalde concrete voorschriften in het Bal vervangen door specifieke zorgplichten. Het gaat dan volgens de toelichting om regels die 'vanzelfsprekend' zijn of die een zeldzaam geval betreffen. Dit beperkt echter wel de houvast die voor bescherming aan de regelgeving kan worden ontleend. Gedetailleerd uitgewerkte regels bieden immers meer houvast dan abstracte zorgplichten, wat er zij van de nadelen die daar volgens de nota van toelichting aan kleven.36

De reikwijdte van het geheel aan concrete nationale beschermende voorschriften zal dus afnemen en daarmee ook de houvast die daar aan kan worden ontleend.37

b. Afwijking van algemene regels

Door de centrale rol van het omgevingsplan38 in het stelsel is het nuttig onderscheid te maken tussen:

  • i. mogelijkheden om een omgevingsplan vast te stellen dat afwijkt van hogere regels;

  • ii. mogelijkheden om vervolgens van het omgevingsplan zelf nog af te wijken.

ad. i. Bescherming van de fysieke leefomgeving krijgt primair vorm in het omgevingsplan vanuit de gedachte dat regels met betrekking tot bijvoorbeeld geluid, geur, trillingen en externe veiligheid zoveel mogelijk per locatie door gemeenten zouden moeten worden vastgesteld. De ruimte voor gemeenten wordt in dit opzicht alleen beperkt door instructieregels van provincie en rijk (provinciale verordening en Bkl). De wet bevat een aantal concrete onderwerpen waarvoor op landelijk of provinciaal niveau instructieregels (al dan niet met behulp van omgevingswaarden) moeten worden vastgesteld. Het gaat daarbij om uitvoering van een groot aantal richtlijnen (rijk) maar ook om o.a. cultureel erfgoed, geluidbelasting, drinkwater, luchthavens, wateroverlast etc.39

Bij inzet van de algemene instructiebevoegdheid zijn provincie en rijk verplicht ook aan te geven in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de regels kan worden afgeweken.40 Daarnaast kunnen minister en gedeputeerde staten bepalen dat ontheffing van hun instructieregel (amvb resp. verordening) mogelijk is indien de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de instructieregel.41 In het Bkl is de toepassing hiervan vooralsnog beperkt tot instructieregels die voortvloeien uit een specifieke taak van of belang van het Rijk.42 De voorganger van de ontheffingsbepaling in de huidige wetgeving eist voor ontheffing het bestaan van 'bijzondere omstandigheden'.43 Deze beperking wordt nu verlaten zodat een ruimere toepassing als algemeen flexibiliteitsinstrument mogelijk wordt. Blijkens de toelichting is dit ook beoogd.44

Ook van de regels die niet het karakter van instructie hebben maar rechtstreeks en dus ook los van het omgevingsplan gelden (Bal en Bbl) kan volgens de Omgevingswet in het concrete geval worden afgeweken door maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften en in zijn algemeenheid door maatwerkregels. Dit geldt echter alleen voor zover Bal of Bbl dat zelf bepalen.45

De Omgevingswet biedt nog andere mogelijkheden tot afwijking voor specifieke situaties. Zo wordt bij toepassing van de 'programmatische aanpak' om omgevingswaarden of andere doelstellingen te halen in een bepaald gebied de toelaatbaarheid van activiteiten niet op reguliere wijze getoetst, maar op de specifiek voor dat programma geldende wijze.46 In het programma aangewezen algemeen geldende regels blijven dan in zoverre buiten toepassing.47

Ad. ii. Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat van gestelde regels afgeweken kan worden binnen de materiële en formele begrenzingen die ook van toepassing zijn bij het stellen van de regels waarvan afwijking gewenst is.48 Als uitgangspunt wordt zo dus afwijking mogelijk gemaakt, tenzij hierdoor strijd ontstaat met hogere regelgeving. Voor het omgevingsplan zelf is dit uitgewerkt in de bepaling dat een omgevingsvergunning ook kan worden verleend voor een activiteit die volgens het omgevingsplan niet is toegestaan, maar die wel strookt met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en voldoet aan het Bkl en de provinciale instructieregels.49 Dit is te zien als de opvolger van de bestaande mogelijkheid van 'buitenplanse' afwijking van een bestemmingsplan, zij het dat de afwijkingsmogelijkheid materieel verruimd is omdat deze niet beperkt is tot ruimtelijke ordeningsaspecten en dus ook afwijking van de overige bepalingen van het omgevingsplan toelaat.

Bescherming van de omgeving door regelgeving van rijk en provincie is zo per saldo beperkt tot de voorschriften in Bal, Bbl, Bkl en in provinciale verordeningen en dan nog het (beperkte) deel daarvan waarvan niet kan worden afgeweken.

Als sprake is van een projectbesluit kunnen minister en gedeputeerde staten ter uitvoering daarvan onevenredig belemmerende regels uit het omgevingsplan om dringende redenen buiten toepassing laten.50 De Omgevingswet bepaalt niet dat het daarbij niet kan gaan om regels die op grond van een instructieregel van rijk of provincie in het omgevingsplan zijn opgenomen. In zoverre lijkt bovengenoemd uitgangspunt bij projectbesluiten niet op te gaan en zou het dus toch ook mogelijk zijn van bepalingen uit het Bkl af te wijken zonder ontheffing en zonder dat het Bkl zelf die mogelijkheid geeft. Voor zover het Bkl strekt tot implementatie van EU-richtlijnen of uitvoering van andere internationaalrechtelijke verplichtingen ontstaat hier de onjuiste indruk dat afwijking ook daarvan mogelijk zou zijn.

Voor de boven omschreven programmatische aanpak geldt tenslotte nog dat zo nodig eveneens van in het omgevingsplan gestelde regels over het verlenen of weigeren van een vergunning zal worden afgeweken. Hierbij is wel expliciet bepaald dat daarbij ook kan worden afgeweken van het Bkl en de provinciale verordening. Die ruimte bestaat echter weer niet als het gaat om op grond van de Omgevingswet verplichte instructieregels.51

Resumerend kan worden gezegd dat binnen het nieuwe stelsel maar beperkt sprake is van materiële voorschriften waarvan geen afwijking mogelijk is, namelijk alleen als:

  • de regel is opgenomen in Bkl, provinciale verordening, Bbl of Bal;

  • afwijking van de instructieregel niet mogelijk is gemaakt (Bkl, verordening);

  • ontheffing van de instructieregel niet mogelijk is gemaakt (Bkl, verordening);

  • afwijking bij maatwerkvoorschrift, vergunningvoorschrift of maatwerkregel niet mogelijk is gemaakt (Bal, Bbl, verordening);

  • de regel niet onevenredig belemmerend is bij de uitvoering van een project waarvoor een projectbesluit geldt; en

  • afwijking van de regel ten dienste van de programmatische aanpak niet mogelijk is.

De mogelijkheden tot ontheffing van het Bkl zijn daarbij (vooralsnog) beperkt tot de met rijkstaken samenhangende instructieregels. Afwijking door projectbesluiten is weliswaar materieel geclausuleerd, maar lijkt ook mogelijk te zijn ten aanzien van voorschriften uit het omgevingsplan die uit het Bkl voortvloeien. Hier ontstaat zelfs de indruk dat ook afwijking van EU- of andere internationale verplichtingen mogelijk zou zijn. Afwijking van het Bal en van het Bbl wordt ruimschoots toegelaten.52 Bij het Bbl doet zich op dit punt spanning voor met het technische karakter van de regels en de wenselijkheid van landelijke uniforme bouwregelgeving. Uit diverse inspraakreacties komt naar voren dat verschillen tussen gemeenten, bijvoorbeeld wat betreft de energiezuinigheid en milieuprestatie van gebouwen en bouwmaterialen, onwenselijk zijn en dat in de praktijk de mogelijkheden tot maatwerk feitelijk beperkt zijn vanwege het technische karakter.

Tegen deze achtergrond is de Afdeling van oordeel dat de duidelijke structuur en de doorgaans concrete en helder geformuleerde voorschriften in Bkl, Bal en Bbl uiteindelijk toch maar beperkt echt houvast bieden aan burger, overheid en rechter.

Reactie op punt 6 van het advies

a. Reikwijdte bescherming nationale regels

Invulling van ‘decentraal, tenzij’ in het Bal

Het is van belang dat het nieuwe stelsel een goede balans biedt tussen rechtszekerheid en flexibiliteit. Die balans heeft zich vertaald in de keuzes die zijn gemaakt in het stelsel van de Omgevingswet en de ontwerpbesluiten. Zoals ook de Afdeling constateert regelt het Bal, in vergelijking met bestaande regelgeving, inderdaad enkele milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die voorheen onder rijksregels vielen niet of niet geheel meer. Ook bij de parlementaire behandeling van het Bal is dit aan de orde geweest.53 Het betreft activiteiten waarvoor de regels vooral de gevolgen voor de specifieke omgeving reguleren, en niet landelijk uniforme preventieve maatregelen of beste beschikbare technieken inhouden. Het met een landelijke regel reguleren van gevolgen voor de specifieke leefomgeving is lastig, omdat die specifieke omgeving in algemene landelijke regels moet worden vertaald, waarbij rekening moet worden gehouden met verschillende situaties. Dat leidt dan tot regels zoals de geluidregels in paragraaf 2.8 het Activiteitenbesluit milieubeheer, die acht kantjes beslaat, met veel uitzonderingen en sectorale verbijzonderingen, waarna er vervolgens toch nog maatwerkregels bij verordening mogelijk zijn.

De reden voor het niet meer of niet geheel reguleren van een deel van de activiteiten is gelegen in het besef, dat de gemeente en het waterschap de mogelijkheid hebben om regels aan specifieke locaties te koppelen en direct op die locaties toe te spitsen. Daardoor wordt die lokale regel niet alleen korter, maar ook duidelijker. Als de gemeente of het waterschap kiest voor op de locatie toegesneden regels, zal dat regels opleveren die daadwerkelijk eenvoudig en beter zijn, en die de afweging die een bedrijf maakt over locatiekeuze of uitvoering van zijn activiteit vergemakkelijken (zie paragraaf 4.2.1 van de nota van toelichting bij het Bal). Het is dus niet zo, dat als gevolg van de keuze om bepaalde activiteiten niet meer landelijk te regelen voor alle hoofdrolspelers houvast ontbreekt of substantieel afneemt. Een decentrale regel kan bij deze activiteiten uiteindelijk dus juist meer houvast bieden.

Om te voorkomen dat de huidige algemene rijksregels regels abrupt vervallen bij de inwerkingtreding van het stelsel, wat inderdaad zou leiden tot minder houvast, voorziet de Invoeringswet er via de zogenoemde ‘bruidsschat’ in dat de regels die het Rijk niet meer stelt van rechtswege worden ingebouwd in de omgevingsplannen en waterschapsverordeningen. Dat waarborgt een voortzetting van het beschermingsniveau en blijft houvast bieden aan diegenen die activiteiten verrichten op het moment van inwerkingtreding van het stelsel, vergelijkbaar met de mate van houvast die de huidige algemene rijksregels bieden. De gemeente en het waterschap kunnen vanaf de eerste dag dat het stelsel in werking is de regels waar nodig verder afstemmen op de lokale problematiek. Hierop is in de reactie op punt 4, onder ‘Flexibiliteit’, al ingegaan.

Tot slot geeft de rijksregelgeving voor deze aanpassingen van decentrale regels ook houvast door middel van instructieregels. Voor verschillende onderwerpen bevat het Bkl instructieregels over het opstellen van omgevingsplannen en waterschapsverordeningen. Het gaat zowel om instructieregels met een nationale achtergrond (geur, geluid en trillingen) als instructieregels ter uitvoering van Europeesrechtelijke verplichtingen (bijvoorbeeld de kaderrichtlijn water). Voor sommige onderwerpen is in het Bkl ook aangegeven, dat met bepaalde standaardwaarden in ieder geval aan de instructieregels kan worden voldaan. Deze instructieregels bieden houvast aan het bevoegd gezag bij het opstellen van regels. Ook zorgen ze voor een adequaat beschermingsniveau, rekening houdend met lokale en regionale verschillen, en vormen daarmee een extra waarborg dat de balans tussen ‘benutten’ en ‘beschermen’ niet doorslaat naar benutten. Het wettelijk stelsel bevat zo een adequaat pakket aan waarborgen die tezamen zorgen voor houvast, waar de Afdeling met reden aandacht voor vraagt.

Vervangen concrete voorschriften door specifieke zorgplichten

De Afdeling is van mening dat het houvast wordt beperkt door het vervangen van concrete voorschriften door specifieke zorgplichten. Als de optredende nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving van een activiteit kunnen worden gereguleerd door concrete locatie-onafhankelijke doelvoorschriften of middelvoorschriften is dat ook gedaan en is niet gekozen voor een specifieke zorgplicht. In dat soort gevallen zou een specifieke zorgplicht het houvast voor de gebruiker te zeer verminderen. Maar de keuze voor doelvoorschriften of middelvoorschriften is niet mogelijk of wenselijk in drie situaties. Deze drie situaties worden toegelicht met een aantal voorbeelden.

Ten eerste is het niet wenselijk om regels uit te schrijven die evident zijn. Een luchtfilter moet worden schoongemaakt en vervangen als dat voor de goede werking nodig is. Deze regel komt nu 54 keer voor in de Activiteitenregeling milieubeheer. Het spreekt voor zich dat een filter moeten worden schoongemaakt als dit vies of verstopt is. En uiteraard zal een filter moeten worden vervangen als dit niet (goed) meer werkt. Naast deze regels zijn heel wat meer handelingen met het filter evident. Niet in detailregels is opgeschreven dat het filter aan moet staan, dat het geschikt moet zijn voor de soort emissies die bij de activiteit voorkomen, dat het goed moet zijn afgesteld en dat het regelmatig gecontroleerd moet worden door iemand die daar verstand van heeft. Dergelijke gedragsregulerende regels uitschrijven zou tot overregulering leiden, waarbij de concreet uitgewerkte regels als emissiegrenswaarden of concrete technische eisen aan installaties zouden ondersneeuwen in een veelheid van algemeen geformuleerde vanzelfsprekendheden. En het opnemen van slechts enkele van deze regels zou tot a contrario redeneringen kunnen leiden. Ook een bodembeschermende voorziening, olieafscheider of tankinstallatie moet immers worden schoongemaakt als deze vies is, en worden vervangen als deze niet langer werkt. Daarom zijn dergelijke regels niet langer uitgeschreven, maar worden deze als onderdeel van de specifieke zorgplicht beschouwd. De specifieke zorgplicht geeft daarbij helder het doel aan. Dat is duidelijker voor de initiatiefnemer dan een niet-uitputtende lijst van maatregelen. Dit punt is ook bij de parlementaire behandeling van het Bal aan de orde geweest.54

Ten tweede zijn geen doelvoorschriften of middelvoorschriften gesteld als het nadelige gevolg van een activiteit zich in de praktijk zeer zelden voordoet. In die gevallen is in de praktijk vaak alsnog een individuele beoordeling nodig. Het opnemen van doelvoorschriften of middelvoorschriften zou daarmee slechts een schijn van zekerheid bieden. Een voorbeeld hiervan is de aanwezigheid van een opslagtank in een grondwaterbeschermingsgebied. Ook al zou eventueel een algemene regel gesteld kunnen worden over het frequenter keuren van de opslagtank, het blijft noodzakelijk rekening te houden met de soort tank en de locatie daarvan en eventueel aanvullende maatregelen voor te schrijven. Daarom is de specifieke zorgplicht in deze gevallen niet nader uitgewerkt in voorschriften. De provincie kan, toegesneden op de problematiek van het grondwaterbeschermingsgebied, zo nodig in de omgevingsverordening maatwerkregels stellen aan activiteiten in dat gebied.

Ten derde ontbreken doel- en middelvoorschriften voor nieuwe (deel)activiteiten of het op een andere manier dan gebruikelijk verrichten van bestaande activiteiten, waarmee bij het opstellen van regels geen rekening kon worden gehouden. De specifieke zorgplicht geldt in deze situaties als vangnet. Desgewenst kunnen maatwerkvoorschriften worden ingezet om voor deze, bij het opstellen van de rijksregels onvoorziene, situaties concreet uitgewerkte regels te stellen.

Naar aanleiding van deze opmerking van de Afdeling is paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de toelichting bij het Bal aangevuld.

b. Afwijking van algemene regels

Ontheffing

De Afdeling stelt dat de voorganger van de ontheffingsbepaling in de huidige wetgeving voor ontheffing het bestaan van ‘bijzondere omstandigheden’ eist. Die constatering is juist voor zover het de Wet ruimtelijke ordening betreft, maar de ontheffing is ook de beoogde opvolger van de verklaring van geen bezwaar in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart. Dat artikel kent geen beperking tot bijzondere omstandigheden. Ontwikkelingen van bijvoorbeeld hoge gebouwen in de omgeving van een luchthaven zijn geen bijzondere omstandigheid, maar eisen steeds een toetsing door de minister die verantwoordelijk is voor de vliegveiligheid. Ook op andere terreinen kunnen zich vergelijkbare situaties voordoen, waarbij afwijking van de algemene regels van geval tot geval bezien moet worden. Het criterium uit de Wet ruimtelijke ordening is dus te beperkend, gegeven de bredere reikwijdte van de Omgevingswet.

De Afdeling constateert terecht dat de toepassing van de ontheffingsmogelijkheid beperkt is tot instructieregels die voorvloeien uit een specifieke taak of specifiek belang van het Rijk, zoals militaire terreinen of de hoofdinfrastructuur. Bij dergelijke regels is het belang van het Rijk vaak anders dan het belang van een decentrale overheid. Daarom wil het Rijk de afweging of er in een individueel geval kan worden afgeweken van deze instructieregels aan zich houden. Dat ligt anders bij algemene belangen die door meerdere bestuursorganen gezamenlijk behartigd worden, ieder voor hun deel. In dat geval zijn de belangen van verschillende bestuursorganen meer gelijkgericht. De afwegingsruimte die er nog is wordt dan geheel gelegd bij het bestuursorgaan tot wie de instructieregel is gericht. Voor de instructieregels in het Bkl met een Europeesrechtelijke of internationaalrechtelijke achtergrond is de ontheffingsmogelijkheid niet opengesteld, omdat deze regels in het huidige Bkl steeds een algemeen belang behartigen en dat bovendien tot onderimplementatie zou leiden. Dat kan anders liggen als bij een toekomstige aanvulling van het Bkl internationaalrechtelijke verplichtingen worden opgenomen die wel zien op een specifieke taak of specifiek belang van het Rijk en die ruimte laten voor een nationale beoordeling. De ontheffing biedt dan de mogelijkheid voor een nationale beoordeling door de verantwoordelijke vakminister. Die minister zal een ontheffing die leidt tot strijd met een internationaalrechtelijke verplichting moeten weigeren. In die gevallen zal het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing is gevraagd altijd dienen te prevaleren en is er daarom geen sprake van een onevenredige belemmering van de uitoefening van een taak of bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.32 van de Omgevingswet. Dit is in paragraaf 8.3 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl verduidelijkt naar aanleiding van het advies van de Afdeling.

Programmatische aanpak

De programmatische aanpak biedt, anders dan de andere onder dit punt van het advies genoemde mogelijkheden, geen extra inhoudelijke ruimte voor het betrokken bestuursorgaan ten opzichte van de normering. Dit bijzondere programma is niet bedoeld om af te wijken van omgevingswaarden of andere wettelijke doelstellingen, maar juist om daaraan te kunnen voldoen.55 Cumulatieve gevolgen van meerdere activiteiten zijn er vaak de oorzaak van dat niet voldaan wordt aan een omgevingswaarde of een doelstelling niet wordt gehaald. Met de programmatische aanpak kan er in dat soort gevallen voor worden gekozen om de toelating van activiteiten te sturen via een programma dat zorgt voor een evenwicht tussen activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving en maatregelen die die gevolgen beperken. Daarmee wordt dan aan de omgevingswaarden voldaan of worden andere doelstellingen bereikt. Activiteiten die passen binnen het programma kunnen worden toegelaten als zij voldoen aan de voor dat specifieke programma geldende wijze van toetsing. Activiteiten die niet passen binnen het programma kunnen niet worden toegelaten zonder het programma aan te vullen met maatregelen. Omdat de wijze van toetsing verschilt, kan bij het instellen van de programmatische aanpak bepaald worden dat de reguliere instructieregels of beoordelingsregels geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven. Dat gebeurt overigens op hetzelfde niveau (AMvB, omgevingsverordening of omgevingsplan) als waar die regels opgenomen zijn. Zie in dit verband de voorgestelde verduidelijking van artikel 3.15 van de Omgevingswet die is opgenomen in het voorstel voor de Invoeringswet. Bij het instellen van een programmatische aanpak die betrekking heeft op rijksregels is het parlement betrokken via de voorhangprocedure. Heeft de programmatische aanpak betrekking op decentrale regels dan is het vertegenwoordigend orgaan op dat niveau betrokken.

De constatering van de Afdeling dat de programmatische aanpak niet ziet op de op grond van de Omgevingswet verplichte instructieregels berust op een misverstand. Op grond van artikel 3.16 van de Omgevingswet kan in beginsel bepaald worden dat een wettelijk verplichte instructieregel geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft als het programma met een programmatische aanpak van toepassing is op een activiteit. Daar zal echter niet gauw aanleiding voor zijn. Zoals beschreven kan de programmatische aanpak gehanteerd worden in situaties waar meer grip nodig is op activiteiten in verband met de cumulatieve gevolgen daarvan. De programmatische aanpak is daardoor minder geschikt voor de huidige wettelijk verplichte instructieregels over besluiten, omdat die regels niet zien op de cumulatieve gevolgen van meerdere activiteiten.

Projectbesluit

De Afdeling wijst terecht op de mogelijkheid in artikel 5.53, derde of vierde lid, van de Omgevingswet voor gedeputeerde staten of een minister om te kunnen afwijken van decentrale regels die de uitvoering van een projectbesluit onevenredig belemmeren. Daaronder kunnen ook decentrale regels vallen die dienen ter uitvoering van een Europeesrechtelijke of internationale verplichting. Artikel 5.53 voorziet in een mogelijkheid om af te wijken bij projectbesluit, maar ook bij een apart besluit. De instructieregels van het Bkl zijn van toepassing als het afwijken gebeurt als onderdeel van het projectbesluit, maar niet op een apart besluit tot afwijking. Daardoor is de naleving van de Europeesrechtelijke of internationale verplichting die geïmplementeerd is in instructieregels inderdaad niet juridisch geborgd. Ter correctie hiervan bevat het voorstel voor de Invoeringswet een aanvulling van artikel 2.25, derde lid, van de Omgevingswet. Deze maakt het mogelijk ook instructieregels te stellen over een apart besluit tot afwijking van decentrale regels. Bij Invoeringsbesluit zal vervolgens worden geregeld dat voor deze besluiten dezelfde instructieregels gelden als voor projectbesluiten.

Anders dan de Afdeling meent, ziet deze afwijkingsmogelijkheid niet op het omgevingsplan. Het projectbesluit wijzigt het omgevingsplan zoals bepaald in artikel 5.52 van de Omgevingswet, waarna er geen regels meer in het omgevingsplan opgenomen zullen zijn die de uitvoering van het project belemmeren. Bovendien is het voor een gemeente op grond van artikel 4.19a van de Omgevingswet, zoals opgenomen in het voorstel voor de Invoeringswet, niet mogelijk om in het omgevingsplan regels op te nemen die uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk belemmeren. Het omgevingsplan kan dus geen onevenredige belemmering vormen voor het project en aan de toepassing van artikel 5.53, derde of vierde lid, wordt niet toegekomen. Artikel 5.53, derde en vierde lid, is daarom alleen van belang voor het afwijken van regels die zijn gesteld bij een andere gemeentelijke verordening dan het omgevingsplan, en van regels in de waterschapsverordening, de omgevingsverordening of een andere verordening van een waterschap of provincie. Het wetsvoorstel voor de Invoeringswet is, gelet op het advies van de Afdeling, aangevuld met een verduidelijking van het artikel op dit punt.

Naar aanleiding van het advies is verder bezien of de implementatie sluitend is bij Europese of internationaalrechtelijke verplichtingen die niet direct in rijksregels neerslaan, maar via instructieregels doorwerken naar het omgevingsplan. In artikel 9.1 van het Bkl, zoals dat aan de Afdeling is voorgelegd, was al bepaald dat die instructieregels ook van toepassing zijn op de projectbesluiten. Gewezen wordt op de instructieregels die gesteld zijn ter uitvoering van de Seveso-richtlijn (paragraaf 5.1.2.7 Bkl), de richtlijn luchtkwaliteit (paragraaf 5.1.4.1 Bkl), de verdragen van Granada en Valletta (paragaaf 5.1.5.5 Bkl) en het VN-gehandicaptenverdrag (paragraaf 5.1.8 Bkl). Het bevoegd gezag voor het projectbesluit kan de Europese of internationaalrechtelijke verplichting in het projectbesluit soms wel anders invullen dan de gemeente voorzien had, binnen de grenzen die de instructieregel en dus ook de richtlijn of het verdrag biedt. Maar het bevoegd gezag kan de internationaalrechtelijke verplichting niet naast zich neerleggen.

Wel is naar aanleiding van het advies van de Afdeling een weeffout geconstateerd bij de zogenoemde getrapte instructieregels. Getrapte instructieregels zijn instructieregels die de provincie verplichten om in de omgevingsverordening een instructieregel op te nemen voor het omgevingsplan en de projectbesluiten van waterschappen en provincies. Het Bkl bevat dergelijke getrapte instructieregels over een aantal werelderfgoederen, ter uitvoering van het werelderfgoedverdrag, en het natuurnetwerk Nederland, waarmee invulling wordt gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag56, de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn. Omdat een bestuursorgaan van het Rijk – ook zonder gebruik te maken van artikel 5.53, vierde lid – niet gebonden is aan de instructieregels in de omgevingsverordening, werken de Europese en internationale verplichtingen in dit geval niet door naar rijksprojectbesluiten. Hoewel dat niet zou betekenen dat het rijksprojectbesluit niet zou hoeven te voldoen aan de Europese of internationaalrechtelijke verplichting, is daarmee de implementatie van de genoemde verdragen en richtlijnen niet volledig sluitend. Aan hoofdstuk 9 van het Bkl zijn daarom direct werkende instructieregels over het projectbesluit toegevoegd met dezelfde strekking als de instructieregels over het omgevingsplan die de werelderfgoederen en het natuurnetwerk Nederland beschermen (artikelen 9.2 en 9.3). Ook zijn aan artikel 9.1 van het Bkl nog twee instructieregels met een internationale achtergrond toegevoegd die eerder per abuis niet van overeenkomstige toepassing waren verklaard.

Daarnaast is het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl naar aanleiding van het advies aangevuld op dit punt, verwezen wordt naar de passage ‘Doorwerking van internationale verplichtingen’ in paragraaf 12.1 van het algemeen deel van die nota van toelichting.

Bieden van maatwerkmogelijkheden in het Bal

Ook in verband met de maatwerkmogelijkheden in het Bal wijst de Afdeling op mogelijke afname van houvast.

Een belangrijke reden voor het bieden van maatwerkmogelijkheden bij activiteiten die onder het Bal zijn geregeld is dat bij die activiteiten naast landelijk uniforme regels, die landelijke preventieve maatregelen en beste beschikbare technieken beschrijven, ook het stellen van regels die de gevolgen voor de specifieke omgeving reguleren gewenst is. Het betreft vaak dezelfde onderwerpen die ook spelen bij de activiteiten die niet in het Bal worden gereguleerd, zoals geluidhinder, trillinghinder, geurhinder, of het afstemmen van de omvang van de lozingen op de aard en capaciteit van het ontvangende rioolstelsel en de omvang en kwetsbaarheid van het oppervlaktewater. Het Bkl verplicht om deze onderwerpen in het omgevingsplan of de waterschapsverordening te reguleren. Die regels in het omgevingsplan of de omgevingsverordening gelden dan – als maatwerkregels – ook voor de activiteiten die wel onder het Bal zijn gebracht. Wat betreft houvast bieden bij het stellen van deze maatwerkregels geldt hetzelfde wat hiervoor bij ‘decentraal, tenzij’ is aangegeven.

De mogelijkheid voor het stellen van maatwerkvoorschriften is soms nodig om de landelijk wel uitgewerkte preventieve maatregelen en beste beschikbare technieken af te stemmen op de specifieke activiteit, bijvoorbeeld vanwege de omvang daarvan, of omdat bij die activiteit nieuwe innovatieve oplossingen worden toegepast, waarmee bij het vormgeven van rijksregel (nog) geen rekening kon worden gehouden. Ook kunnen maatwerkvoorschriften worden ingezet om, waar nodig, de specifieke zorgplicht voor een concrete activiteit nader in te vullen. Zoals in paragraaf 3.4 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal is aangegeven is ervoor gekozen om mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften niet per individuele regel open te stellen, maar in algemene zin. In die nota van toelichting is ook ingegaan op de inhoudelijke en procedurele waarborgen bij het toepassen van maatwerk. Die inhoudelijke en procedurele waarborgen zorgen ook voor houvast. Het is dus niet zo dat maatwerkvoorschriften zonder enige beperking kunnen worden ingezet. Ondanks het feit dat de bevoegdheid breed wordt geboden is het uitgangspunt en ook de verwachting dat toepassing van maatwerkvoorschriften een uitzondering zal zijn.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling is paragraaf 3.4 van de nota van toelichting bij het Bal aangevuld, waarbij duidelijker is aangegeven op welke wijze de rijksregels houvast bieden.

Technische regels in het Bbl

Voor de technische regels over bouwactiviteiten in het Bbl is landelijke uniformiteit een belangrijk uitgangspunt. Gezien het karakter van de technische regels, die grotendeels gesteld zijn met het oog op het waarborgen van de veiligheid, is lokaal maatwerk meestal ook niet nodig. Maar onverkorte toepassing van deze landelijke uniformiteit zou in individuele gevallen onredelijk kunnen uitpakken. In het Bbl is landelijke uniformiteit dan ook het vertrekpunt en is maatwerk alleen bedoeld als uitzondering op algemene regels die in de meeste gevallen toereikend zijn. Daarom is maatwerk in het Bbl niet bij alle onderwerpen mogelijk en zijn de geboden mogelijkheden bovendien afgebakend met toepassingscriteria.

De in het Bbl opgenomen maatwerkvoorschriften voor het individuele geval zijn een voortzetting van bestaande mogelijkheden die in het Bbl met het begrip maatwerk worden aangeduid.

De door de Afdeling genoemde nieuwe maatwerkmogelijkheden bij energiezuinigheid en de milieuprestatie zijn doelbewust geïntroduceerd om ruimte te bieden aan lokale duurzaamheidsambities. Als een gemeente gebruik maakt van die mogelijkheid kan dat alleen door een maatwerkregel in het omgevingsplan te stellen. Deze methodiek biedt iedereen vooraf duidelijkheid. Doordat op lokaal niveau alleen de in het Bbl opgenomen grenswaarde mag worden aangescherpt, blijven systematiek, terminologie, bepalingsmethode en dergelijke landelijk uniform.

Hiermee is er bij de technische bouwregels sprake van een verantwoord evenwicht tussen het bieden van landelijk uniform houvast en de wenselijkheid in individuele gevallen rekening te kunnen houden met lokale verschillen. Overigens zal op een later moment als gevolg van de implementatie van de herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen, de huidige EPC-systematiek in het Bbl worden vervangen door een nieuwe systematiek (BENG: bijna energieneutrale gebouwen). In die context wordt bezien of er ook in die nieuwe systematiek ruimte moet zijn voor lokaal maatwerk. Daarbij zal het advies van de Afdeling op dit punt worden betrokken.

Algemeen

In de reactie op punt 4 is al gereageerd op de flexibiliteit van het nieuwe stelsel waarop in het resumé van dit punt wordt ingegaan.

7. Bescherming door nationale regels

Om binnen het stelsel op een bepaald onderwerp op een gelijkwaardig beschermingsniveau uit te komen, moet de bescherming die niet (meer) uit deze regelgeving voortvloeit, alsnog door (vooral) de gemeente in het omgevingsplan, en in beleid en praktijk op het punt van afwijking van dat plan, geboden worden. Eerder concludeerde het RIVM dat de Omgevingswet uitgaat van een ‘fundamenteel ander juridisch construct waardoor niet zonder meer kan worden gesteld dat sprake is van een gelijkwaardig beschermingsniveau. Het bieden van een beschermingsniveau gelijk aan het huidige is op lokaal niveau veelal mogelijk, maar is afhankelijk van de uitvoeringspraktijk’.57 In het stelsel is zo bezien 'ingebakken' dat de opdracht om te komen tot per saldo gelijkwaardige bescherming uiteindelijk op de gemeente rust.

De Afdeling is in dat verband op hoofdlijnen nagegaan in hoeverre te verwachten is dat uit Bkl, Bal en Bbl al een zekere mate van gelijkwaardigheid voortvloeit. Waar gekozen is voor opneming van grenswaarden in het Bkl of algemene regels in Bal of Bbl zijn deze doorgaans één op één overgezet uit bestaande regelgeving (onder andere Wet milieubeheer, Wet geluidhinder, Activiteitenbesluit milieubeheer). Zeker waar de normen uit het Unierecht volgen ligt dit ook voor de hand en is gelijkwaardigheid in beginsel ook geen punt van zorg. In het Bkl zijn voor geluid, trillingen en geur standaardwaarden voor immissies op gevoelige gebouwen en gevoelige locaties opgenomen.58 Het reguleren van de blootstelling van gevoelige en kwetsbare gebouwen en locaties aan deze milieuaspecten gebeurt niet meer door middel van algemene rijksregels rechtstreeks gericht tot individuele bedrijven, maar door naleving van instructieregels door de gemeente in het omgevingsplan. Er is beoordelingsvrijheid en gemeenten kunnen in het omgevingsplan zowel hogere als lagere waarden vaststellen. Ten aanzien van geluid kunnen gemeenten ook geen waarden of andere regels in plaats van waarden vaststellen.59 De keuze voor afwijkende normen vereist dan uiteraard deugdelijke motivering en wordt in beginsel begrensd door grenswaarden, het basisbeschermingsniveau.60 De grenswaarden voor maximale geluidniveaus (LA max) in de avond- en nachtperiode worden in het Bkl (deels) hoger.61 In navolging van het RIVM constateert de Afdeling daarnaast dat grenswaarden voor maximale geluidniveaus (LA max) overdag niet terugkeren.62 Gemeenten zullen op dit punt mensen die overdag moeten slapen of rusten, zoals bijvoorbeeld kinderen, ouderen, mensen die nachtdiensten draaien of van ziekte moeten herstellen zelf actief bescherming moeten bieden om op gelijkwaardigheid uit te komen. De Crisis en herstelwet en de Interimwet stad- en milieubenadering kennen nu ook mogelijkheden tot overschrijding van maximale waarden. Deze zullen terugkeren en ook worden verruimd om ook in andere uitzonderlijke, onvoorziene situaties overschrijding van de maximale waarde toe te kunnen staan, al dan niet voor bepaalde tijd. De memorie van toelichting stelt daarbij dat het enkel beoordelen van het nieuwe systeem aan de getalswaarden het nieuwe systeem onrecht zou doen en dat een vergelijking van de oude en nieuwe systematiek laat zien dat over het geheel een ten minste gelijk beschermingsniveau wordt geboden.63 Of dit inderdaad zo is hangt echter in hoge mate af van de invulling van de beleidsruimte door (vooral) de gemeenten.

Het RIVM en de toelichting wijzen er nog op dat o.a. kantoren, en penitentiaire inrichtingen niet meer automatisch als geurgevoelig worden aangemerkt zodat de bescherming tegen geurhinder niet vanzelf gelijkwaardig is.64 Het RIVM signaleert ook met betrekking tot externe veiligheid dat niet zonder meer sprake is van een gelijkwaardig beschermingsniveau.

Reactie op punt 7 van het advies

In haar beschouwing constateert de Afdeling terecht dat het bieden van een gelijkwaardig beschermingsniveau een samenspel is van decentrale en nationale regels. In de reactie op punt 4 is al ingegaan op de rol van de decentrale overheden bij het beschermingsniveau. Onder punt 7 gaat de Afdeling meer specifiek in op het beschermingsniveau dat de nationale regels bieden. Zij constateert dat de grenswaarden of algemene regels doorgaans een-op-een zijn overgezet uit bestaande regelgeving. De Afdeling wijst op de gewijzigde systematiek voor het reguleren van de immissies van geur, geluid en trillingen op gevoelige gebouwen.

De Afdeling noemt enkele specifieke gevallen waarin de normering gewijzigd is.

Voor geluid is het van belang te constateren dat nieuwe regeling geen een-op-een-omzetting van de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer is, noch van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening die onder huidig recht wordt gebruikt voor vergunningplichtige inrichtingen. De regeling voor geluid in het Bkl is anders, maar wel gelijkwaardig aan de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de normering in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Als landelijke eis geldt in het Bkl dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. Daarvoor biedt het Bkl standaardwaarden die overeenkomen met de waarden die de onder huidig recht gelden voor de meeste inrichtingen. Deze regeling ziet op alle activiteiten, behalve wonen, en dus niet alleen op de in het bijlage I bij het huidige Besluit omgevingsrecht aangewezen inrichtingen. Zo zien de regels in het Bkl bijvoorbeeld op detailhandelsbedrijven met een opgesteld motorvermogen van minder dan 1500 W en op tijdelijke activiteiten, die onder huidig recht niet gelden als inrichting. Het beschermingsniveau van de rijksregelgeving wordt zo uitgebreid ten opzichte van het huidige recht. Ook komen veel uitzonderingen en sectorale verbijzonderingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet terug in de instructieregels. Het Bkl biedt de gemeente wel de mogelijkheid voor om uitzonderingen en verbijzonderingen te continueren als dat gezien de aard van de activiteit of de lokale situatie nodig is.

De Afdeling wijst op de wijziging voor piekgeluid. Voor de dagperiode schrijft het Rijk niet langer een maximale waarde voor piekgeluid voor. Zoals de Afdeling terecht stelt kunnen gemeenten ervoor kiezen om op locaties waar dat nodig is, bijvoorbeeld ziekenhuizen, wel een waarde voor piekgeluid overdag in het omgevingsplan op te nemen. Daarbij moet worden opgemerkt dat de huidige waarden voor de dagperiode – die hoger liggen dan de waarden voor de nachtperiode – geen toereikende bescherming bieden tegen slaapverstoring van personen die overdag slapen. Voor de nachtperiode zijn de standaardwaarden anders dan de waarden onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze wijziging berust op nieuw inzicht over het effect van geluid op slaapverstoring. Dit blijkt afhankelijk van de stijgsnelheid van het geluid en minder van het maximale geluidniveau dat tijdens een geluidgebeurtenis wordt bereikt.65 Deze wijziging is geen gevolg van de stelselherziening, maar is daar om praktische redenen mee gecombineerd.

De geurregels voor zuiveringtechnische werken, veehouderijen en andere agrarische activiteiten zijn qua normniveau gelijk gebleven. De mogelijkheid die onder de Wet geurhinder en veehouderij bestaat om afwijkende waarden voor de geurimmissie te stellen in een verordening is behouden in de nieuwe systematiek: waar de gemeente onder huidig recht met een geurverordening kan afwijken van de rijksregels, kan de gemeente in het nieuwe stelsel afwijken van de standaardwaarden bij het vaststellen van geurimmissienormen in het omgevingsplan. De maximale waarden uit de Wet geurhinder en veehouderij komen in het Bkl terug als grenswaarden. De Afdeling merkt terecht op dat een beperking heeft plaatsgevonden van de set gebouwen die als geurgevoelig worden aangemerkt. Ook in de schriftelijke behandeling van het Bkl in de Tweede Kamer heeft dit aandacht gehad.66 Dit heeft twee redenen: ten eerste de onduidelijkheid die het huidige begrip ‘geurgevoelig object’ in de praktijk oplevert en ten tweede de wens tot harmoniseren met de onderwerpen geluid en trillingen. De bescherming van gebouwen waar langdurig mensen verblijven tegen geur blijft onverminderd van belang, maar het wordt aan de gemeente overgelaten om daarin te voorzien, rekening houdend met alle relevante omstandigheden ter plaatse. Met de eerdergenoemde ‘bruidsschat’ zal ervoor worden gezorgd dat gebouwen die nu beschermd worden tegen geur ook beschermd blijven, zodat het een bewuste keuze wordt of een gemeente – door de regels van de bruidsschat op dit punt te schrappen – de bescherming tegen geur van bijvoorbeeld een kantoor of werkplaats beperkt. Nieuw is dat de gemeente ervoor kan kiezen om de geurregels ook toe te passen op locaties waar veel mensen langdurig verblijven, maar geen gebouwen staan, zoals sportvelden en campings. Onder huidig recht zijn dat geen geurgevoelige objecten.

De Afdeling stelt dat de mogelijkheden van de Crisis- en herstelwet en de Interimwet stad-en-milieubenadering tot overschrijding van maximale waarden zullen terugkeren en worden verruimd. Het gebruik van de toekomende tijd kan tot verwarring leiden. Deze mogelijkheden zijn al geïntegreerd in het Bkl. Introductie van andere mogelijkheden voor overschrijding van de grenswaarden is niet voorzien.

Voor externe veiligheid geldt, net als voor piekgeluid, dat een al voorziene beleidswijziging is gecombineerd met de stelselherziening om zo de wijziging van inhoud en stelsel te laten samenvallen.

De Afdeling haalt in dit verband een passage aan uit de milieueffectentoets van het RIVM op de consultatieversie van de ontwerpbesluiten uit november 2016. Daarin staat dat er op het gebied van externe veiligheid niet zonder meer sprake is van een gelijkwaardig beschermingsniveau. Achtergrond hiervan is dat het nieuwe beleid voor het omgaan met het groepsrisico zich, explicieter dan nu, richt op het beschermen van mensen die zich binnen een aandachtsgebied bevinden.

Bij het opstellen van het Bkl is het uitgangspunt geweest dat een gelijkwaardig beschermingsniveau wordt geboden, ook op het gebied van externe veiligheid. Dit heeft de toenmalige Minister van Infrastructuur en Milieu in november 2016 ook in haar brief aan de Tweede Kamer aangegeven.67 Het basisbeschermingsniveau voor externe veiligheid zoals dat sinds 2004 in het Besluit externe veiligheid inrichtingen verankerd is blijft in het Bkl gehandhaafd: de kans dat iemand op een bepaalde plaats in de omgeving (binnen of buiten) van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij die activiteit mag niet meer dan één op de miljoen per jaar zijn.

In aanvulling daarop is de beleidsvernieuwing omgevingsveiligheid erop gericht dat het bevoegd gezag externe veiligheid als ontwerpvariabele zo vroeg mogelijk bij de totstandkoming van omgevingsplannen betrekt. In de ontwerpfase zijn nog meerdere keuzen mogelijk, zoals een keuze voor een andere, minder risicovolle locatie of voor het voorschrijven van maatregelen die de kans op maatschappelijke ontwrichting bij een ongeval (een groot aantal slachtoffers, grote schade aan het milieu of aan vitale infrastructuur) verminderen. Ook is een categorie ‘zeer kwetsbare gebouwen’ geïntroduceerd. Hierdoor wordt voor zorginstellingen, kinderdagverblijven en scholen extra bescherming geboden.

Deze nieuwe opzet zorgt voor een gelijkwaardig beschermingsniveau.

8. Taken en bevoegdheden en bestuurlijke verhoudingen

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn alle van oudsher belast met de zorg voor de fysieke leefomgeving. Er is niet zozeer sprake van exclusieve, maar veel meer van complementaire taakbehartiging. De Omgevingswet sluit daarbij aan. De wetgever heeft geen wezenlijke verschuiving van taken en bevoegdheden voor ogen, maar wel een vergroting van de ruimte voor decentrale overheden om zelf regels te stellen en om eigen afwegingen te maken. Deze decentralisatie verschilt daarom substantieel van aard met de decentralisatie in het sociale domein die de afgelopen jaren z’n beslag heeft gekregen: daar gaat het wel om een wezenlijke verschuiving van taken en bevoegdheden.

Artikel 2.1 van de Omgevingswet bevat de kernopdracht voor overheden: de taken en bevoegdheden worden uitgevoerd met oog voor de onderlinge samenhang van de relevante onderdelen of aspecten van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen. De Omgevingswet bewerkstelligt volgens de toelichting een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving en doorbreekt de kaders en sectoren die de huidige omgevingsrechtelijke wetgeving kenmerken. Integrale zorg voor de omgeving is dus het uitgangspunt.68 Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn daarvoor gezamenlijk verantwoordelijk. Artikel 2.2 verplicht bestuursorganen tot onderlinge afstemming en brengt daarnaast tot uitdrukking dat zij taken en bevoegdheden ook gezamenlijk kunnen uitoefenen. De afstemmingsverplichting is er op gericht onnodige bureaucratie te voorkomen. De wet gaat hier uit van vertrouwen tussen overheden en geeft de ruimte om samenwerking en afstemming op veel verschillende manieren vorm te geven.69 Verder is de Omgevingswet opgebouwd vanuit het subsidiariteitsbeginsel ‘decentraal, tenzij’. Dat betekent dat het in eerste instantie aan de gemeente is om bij nieuwe ontwikkelingen alle belangen af te wegen en de besluitvorming over het gebruik van de fysieke leefomgeving zo in te richten dat die bijdraagt aan een veilige gezonde leefomgeving. Dat is tot uitdrukking gebracht in artikel 2.3. Het samenstel van de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Omgevingswet brengt de integrale en gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden in abstracto tot uitdrukking en vormt daarmee de basis voor de bestuurlijke verhoudingen.

Artikel 2.2 (afstemming en samenwerking)

1. Een bestuursorgaan houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.

2. Bestuursorganen kunnen taken en bevoegdheden gezamenlijk uitoefenen. Daarbij wordt niet voorzien in een overdracht van taken of bevoegdheden.

3. Een bestuursorgaan treedt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden slechts in de taken en bevoegdheden van een ander bestuursorgaan voor zover dat nodig is voor de uitvoering van zijn eigen taken en bevoegdheden.

Artikel 2.3 (algemene criteria verdeling van taken en bevoegdheden)

1. De uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van deze wet wordt overgelaten aan de bestuursorganen van een gemeente, tenzij daarover andere regels zijn gesteld.

2. Een bestuursorgaan van een provincie oefent een taak of bevoegdheid, als dat bij de regeling daarvan is bepaald, alleen uit als dat nodig is:

a. met het oog op een provinciaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kan worden behartigd, of

b. voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van deze wet of de uitvoering van een internationaalrechtelijke verplichting.

3. Een bestuursorgaan van het Rijk oefent een taak of bevoegdheid, als dat bij de regeling daarvan is bepaald, alleen uit als dat nodig is:

a. met het oog op een nationaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het provinciebestuur of gemeentebestuur kan worden behartigd, of

b. voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van deze wet of de uitvoering van een internationaalrechtelijke verplichting.

4. Bestuursorganen van het Rijk oefenen ook de taken en bevoegdheden uit voor het niet provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied.

a. De bestuurlijke praktijk

De algemene afstemmingsverplichting van artikel 2.2 voorkomt volgens de wetgever de noodzaak om elders in de wet of in uitvoeringsregelingen specifieke afstemmingsbepalingen op te nemen.70 In de ontwerpbesluiten zijn dergelijke bepalingen dan ook niet opgenomen. De Afdeling is het eens met de gedachte dat een veelheid aan specifieke, wettelijke overleg- en afstemmingverplichtingen tot onnodige bureaucratie kan leiden. Maar daar staat tegenover dat dergelijke verplichtingen bestuursorganen wel een waardevol houvast kunnen bieden, niet alleen bij de concrete uitoefening van hun eigen taken en bevoegdheden maar ook als waarborg voor de behartiging van hun belangen bij de uitoefening van taken en bevoegdheden door andere bestuursorganen.71

Het subsidiariteitsbeginsel en de wijze waarop daaraan in de Omgevingswet vorm is gegeven verdient hier ook nadere aandacht.72 De toepassing van dat beginsel gebeurt ten dele door de wetgever zelf: in de wet is een aantal specifieke (beheers)taken toebedeeld.73 De Omgevingswet gaat er echter van uit dat het niet mogelijk is om in alle gevallen op voorhand vast te stellen welk bestuursorgaan bevoegd moet zijn. Dat is volgens de toelichting deels afhankelijk van de bestuurlijke context op een bepaald moment: in veel gevallen kan het subsidiariteitsbeginsel daarom pas worden toegepast bij het concreet uitoefenen van een taak of bevoegdheid.74 Artikel 2.3 bevat de criteria voor de door het Rijk of de provincie bij hun taak- en bevoegdheidsuitoefening te maken subsidiariteitsafweging. De uitoefening van dergelijke taken en bevoegdheden door het Rijk of de provincie is daarom expliciet gekoppeld aan deze bepaling.75

De Afdeling betwijfelt of artikel 2.3 voor de begrenzing van de uitoefening van bevoegdheden door de provincie en het Rijk een wezenlijk houvast zal bieden.76 Deze bepaling bevat uitsluitend niet nader omschreven open normen. Cruciaal zijn vooral de begrippen ‘provinciaal belang’ en ‘nationaal belang’. Het gebruik van die begrippen is niet nieuw: in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het begrip ‘provinciaal belang’ gebruikt om de uitoefening van bevoegdheden door de provincie te begrenzen.77 Maar in de Omgevingswet – die een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving regelt – krijgt deze belangbenadering een bredere werking. Daarbij komt, dat artikel 2.3 de bedoeling heeft gehad het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’ meer te benadrukken dan thans het geval is in de Wro. Tot nu toe heeft de belangbenadering niet voor een wezenlijke afbakening van provinciale bevoegdheden gezorgd. Zo komt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over dit begrip in de kern naar voren dat het voldoende is dat het belang zich vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten leent voor behartiging op provinciaal niveau en dat het provinciaal belang overlap mag hebben met gemeentelijke belangen. Illustratief is in dit verband dat de Afdeling bestuursrechtspraak tot nu toe geen enkele keer heeft geoordeeld dat voor de vaststelling van algemene regels of het geven van een reactieve aanwijzing een provinciaal belang ontbrak.

Resumerend kan worden gezegd dat het samenstel van de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 voor de bestuurlijke praktijk weinig houvast biedt. Het is de vraag of altijd voldoende duidelijkheid zal bestaan over ieders rol in de gedeelde zorg voor de fysieke leefomgeving. Duidelijke afspraken hierover zullen cruciaal zijn om interbestuurlijke fricties te voorkomen. De totstandkoming van solide bestuurlijke afspraken – en de nakoming daarvan – verdient daarom de aandacht van alle betrokken overheden, zowel in de komende jaren waarin het stelsel verder wordt voorbereid als in de periode na de inwerkingtreding daarvan.

b. Decentraal, of toch centraal

Zoals hiervoor beschreven zullen in het nieuwe stelsel van omgevingsrecht taken en bevoegdheden niet meer exclusief aan één bestuursorgaan of bestuurslaag zijn toebedeeld maar een gedeelde verantwoordelijkheid zijn van meerdere overheden die alle een bijdrage moeten leveren aan het gemeenschappelijk doel. Tegelijkertijd geldt daarbij het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’.

In dit stelsel ligt in abstracto het gevaar besloten dat als het Rijk of de provincie de behartiging van een belang niet op zich nemen, de gemeente geacht wordt dat te doen, ook als het gaat om een belang dat het schaalniveau of de bestuurlijke mogelijkheden van de gemeente eigenlijk te boven gaat. Illustratief is de wijze waarop in het stelsel het belang van de kwaliteit van de buitenlucht vorm krijgt: daar kunnen zich ingewikkelde uitvoeringsvraagstukken voordoen. In het Bkl zijn omgevingswaarden gesteld voor luchtkwaliteit.78 Dat zijn grens- of streefwaarden (vormgegeven als resultaats- of inspanningsverplichtingen) voor de concentratie van diverse stoffen in de buitenlucht, zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide en fijn stof (PM2,5 en PM10).79 Deze omgevingswaarden sluiten aan bij Unierechtelijke verplichtingen.80 De hoofdregel is dat bij (dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde het college van burgemeester en wethouders een programma vaststelt dat is gericht op het voldoen aan de omgevingswaarde (de zogenoemde programmaplicht).81 Voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen is de programmaplicht neergelegd bij de provincie of het Rijk.82 Voor een aantal omgevingswaarden voor luchtkwaliteit – waaronder ook die voor PM10 – blijft de programmaplicht bij de gemeente. In de toelichting wordt de verwachting uitgesproken dat er vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet nauwelijks meer overschrijdingen van rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit zullen optreden en dat het voor zover die er toch nog zijn dan zal gaan om lokale overschrijdingen.83 Dat is natuurlijk nog maar de vraag. Luchtkwaliteit is naar zijn aard niet een lokaal probleem, maar kan bij uitstek gemeentegrens overstijgend zijn. De Afdeling veronderstelt dat het niet altijd geheel in de macht van de gemeente ligt om met een programma te bewerkstelligen dat aan rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan, zeker niet als overschrijdingen – hoe lokaal ook – mede worden veroorzaakt door bijvoorbeeld de aanwezigheid van een rijksweg. De gemeente zal in zo’n geval dus afhankelijk zijn van de medewerking van andere overheden. Dit zou tot ingewikkelde uitvoeringsvraagstukken kunnen leiden. In het hiernavolgende – in punt 17 – zal hier vanuit het perspectief van Unierechtelijke verplichtingen nader op worden ingegaan.

Het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’ kent ook een ander risico. In haar vierde periodieke beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen heeft de Afdeling er op gewezen dat het gevaar bestaat dat van stelselverantwoordelijkheid van het Rijk een centraliserende werking uitgaat doordat naar aanleiding van incidenten bij de uitoefening van gedecentraliseerde bevoegdheden de rijksoverheid te snel corrigeert of bijstuurt.84 Het gevolg daarvan kan zijn dat bevoegdheden die de wetgever heeft gedecentraliseerd in voorkomende gevallen – op gespannen voet met de bedoeling van de wetgever – feitelijk op centraal niveau worden uitgeoefend. In de voorliggende ontwerpbesluiten heeft het gevaar op een centralistische invulling van stelselverantwoordelijkheid zich – voor zover dat valt te overzien – niet gemanifesteerd. De Afdeling signaleert wel het volgende. De Invoeringswet regelt dat gemeenten de ruimte krijgen om zelf te bepalen wanneer er wel of geen vergunning nodig is voor bouwwerken en dat gemeenten hierover zelf per locatie afgewogen keuzes kunnen maken. Op die keuze zal in het hiernavolgende – in punt 9a – nader worden ingegaan. Hier is echter het volgende van belang. De toelichting vermeldt dat de vrijheid die gemeenten krijgen niet is bedoeld om alle bouwwerken die nu – in het huidige stelsel – vergunningvrij zijn weer vergunningplichtig te maken: bij het Invoeringsbesluit zal worden bezien of er instructieregels kunnen worden opgesteld die dat voorkomen. Ook zal daarbij invulling worden gegeven aan de te behouden landelijk uniforme categorie van vergunningvrije bouwwerken.85 Deze kunnen volgens de toelichting zonder vergunning worden gebouwd en in stand worden gehouden, ongeacht de eventuele regels die het omgevingsplan hierover stelt.86 Dit voornemen voor het Invoeringsbesluit staat op gespannen voet met het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’ en met het verbeterdoel van het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte.87

c. Rol van de omgevingsdiensten

Het voorstel voor de Invoeringswet voorziet erin dat paragraaf 5.2 van de Wabo, zoals deze is komen te luiden bij inwerkingtreding van de Wet verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving (wet VTH), wordt overgeheveld naar de Omgevingswet.88 De wet VTH vormde de verankering van de afspraken die tussen de rijksoverheid, de provincies en gemeenten in 2009 zijn gemaakt om de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van het omgevingsrecht beter te organiseren. Daarmee is de basis gelegd voor een landelijk dekkend stelsel van 29 omgevingsdiensten. In deze diensten brengen provincies en gemeenten de uitvoering van een aantal VTH-taken – in mandaat – onder, waardoor expertise kan worden gebundeld. Gemeenten en provincies blijven bevoegd gezag voor deze taken. Bij de overheveling van de Wabo naar de Omgevingswet worden geen inhoudelijke, beleidsmatige veranderingen voorgesteld.89 Dat betekent volgens de toelichting ook dat het in het Besluit omgevingsrecht vastgelegde basistakenpakket dat door gemeenten en provincies wordt opgedragen aan de omgevingsdiensten via het Invoeringsbesluit Omgevingswet zal worden overgenomen in het Omgevingsbesluit.90

De toelichting bij de Invoeringswet vermeldt dat de omgevingsdiensten zijn uitgegroeid tot professionele uitvoeringsorganisaties die werken voor gemeenten, provincies en soms voor waterschappen. Dat beeld wordt bevestigd in de recente evaluatie van de wet VTH. Volgens de rapportage heeft de wet VTH in korte tijd geleid tot een robuuste uitvoeringspraktijk die een blijvende impuls heeft gegeven aan de uitvoeringskwaliteit van de VTH-taken.91 De verwachting van de regering is dat de omgevingsdiensten onder de Omgevingswet een belangrijke rol gaan spelen bij de uitvoering van die taken. De toelichting bij de Invoeringswet stelt dat de kennis en deskundigheid van de omgevingsdiensten door gemeenten ook kan worden benut bij bijvoorbeeld het opstellen van omgevingsplannen. Volgens de genoemde evaluatierapportage zijn de omgevingsdiensten onmisbaar in de beleidsontwikkeling en cruciaal in de uitvoering. De omgevingsdiensten wordt aanbevolen om – in de woorden van de rapportage – ‘een actieve houding in te nemen ten opzichte van de implementatie van de Omgevingswet en een rol te pakken in de beleidvorming om de uitvoerbaarheid te borgen en kennis en expertise in te brengen’.92

De Afdeling signaleert dat gemeenten zich bij de implementatie van het nieuwe stelsel voor een grote opgave gesteld zullen zien, in het bijzonder bij het opstellen van een omgevingsplan. Voor (vooral kleinere) gemeenten zal het waarschijnlijk noodzakelijk zijn om daarbij de (regionale) kennis en deskundigheid van de omgevingsdiensten te benutten. Zoals in het voorgaande al is beschreven biedt de Omgevingswet de gemeente veel ruimte om in het omgevingsplan zelf regels te stellen en om eigen afwegingen te maken. Het opstellen van een omgevingsplan is daarmee ook een ingewikkelde puzzel waarvoor niet alleen beleidsmatige kennis maar ook vakinhoudelijke en technische kennis op het gebied van bescherming van de fysieke leefomgeving noodzakelijk is. Daarnaast is kennis nodig van de bestaande bedrijven en hun vergunningen en de plannen die zij hebben voor de toekomst. Het is ook noodzakelijk dat duidelijk is welke instructieregels (van het Rijk en van de provincie) gelden en waar en in welke omvang daarbij nog ruimte zit voor een eigen, gemeentelijke afweging. Al die kennis zal niet meer bij alle gemeenten aanwezig zijn, maar naar verwachting wel bij de omgevingsdiensten.93

Het opstellen van omgevingsplannen zal niet behoren tot het basistakenpakket dat door gemeenten bij mandaat in ieder geval moet worden opgedragen aan de omgevingsdiensten.94 Hoewel niet uitgesloten, ligt het ook niet in de lijn der verwachting dat gemeenten het opstellen van een omgevingsplan desondanks integraal zullen opdragen aan omgevingsdiensten. Het is echter niet denkbeeldig dat de ruimte die de gemeente heeft bij het opstellen van omgevingsplannen in de praktijk – doordat sterk op de (regionale) kennis en deskundigheid van de omgevingsdienst wordt geleund – in belangrijke mate feitelijk wordt ingevuld door de omgevingsdienst. In haar vierde periodieke beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen heeft de Afdeling in algemene zin aandacht gevraagd voor regionalisering.95 Zij heeft er daarbij op gewezen dat zolang de samenwerking bij de uitvoering van taken leidt tot grotere doelmatigheid, er sprake is van ‘verlengd lokaal bestuur’ waarbij zeggenschap en controle op lokaal niveau gegarandeerd blijven. Wanneer evenwel ook – zoals zich onder de Omgevingswet zou kunnen aftekenen – de beleidsontwikkeling en daarmee samenhangende besluitvorming op regionaal niveau plaatsvindt en gemeenten in de praktijk nauwelijks of geen eigen ruimte overhouden (of claimen) voor eigen beleid kan feitelijk niet meer van verlengd lokaal bestuur worden gesproken. Dit kan wezenlijke gevolgen hebben voor de democratische legitimering van beleidsvorming en de verantwoording van uitvoering.

Reactie op punt 8 van het advies

a. De bestuurlijke praktijk

In haar beschouwing uit de Afdeling de zorg dat de Omgevingswet voor de bestuurlijke praktijk weinig houvast biedt voor het bepalen van ieders rol in de gedeelde zorg voor de fysieke leefomgeving. Deze brede constatering is opvallend gezien de mildere advieslijn over de Omgevingswet en het opvolgen van adviezen op dit gebied.96

De Omgevingswet gaat, zoals de Afdeling terecht opmerkt, ervan uit dat gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de fysieke leefomgeving. Uitgangspunt daarbij was en is dat de Omgevingswet zoveel mogelijk aansluit op de bestaande taakverdeling in de fysieke leefomgeving, rekening houdend met de (los van de stelselherziening) gemaakte keuzes over die taakverdeling in bestuursafspraken en recente wetgeving.97 Om houvast te bieden voor de praktijk bevatten de wet en de ontwerpbesluiten, in lijn met de huidige regelgeving, diverse bepalingen waarin of op grond waarvan specifieke taken en bevoegdheden aan de afzonderlijke bestuursorganen zijn toegedeeld. Voorbeelden daarvan zijn de toedeling van de verschillende beheertaken in afdeling 2.4 van de Omgevingswet, de toedeling van het bevoegd gezag voor vergunningverlening in paragraaf 5.1.2 van de wet die is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van het Omgevingsbesluit, de toedeling van het bevoegd gezag voor maatwerk die is uitgewerkt in het Bal en het Bbl en de toedeling van het bevoegd gezag voor handhaving in afdeling 18.1 van de wet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Waar het gaat om concrete regels die burgers raken, is daardoor steeds duidelijk welk bestuursorgaan bevoegd is. De Omgevingswet deelt niet meer of minder taken toe dan de huidige regelgeving. De wet biedt zo houvast voor het bepalen van ieders rol.

De Omgevingswet zorgt voor een paradigmawisseling waarbij de ontwikkelingen en opgaven in de fysieke leefomgeving én de kwaliteit van de fysieke leefomgeving als geheel centraal komen te staan.98 Dat blijkt ook uit de verwijzing in artikel 2.1, eerste lid, naar de doelen van de Omgevingswet als algemeen oogmerk van het overheidshandelen. Verder vereist artikel 2.1, tweede lid, van die wet bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet in beginsel een samenhangende benadering met een belangenafweging die meerdere sectoren en belangen omvat. Die brede en samenhangende benadering is in het bijzonder van belang in de eerste fase van de beleidscyclus, bij de beleidsvorming in de omgevingsvisie, maar ook bijvoorbeeld bij het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften en projectbesluiten. De fysieke leefomgeving blijft echter opgebouwd uit verschillende componenten, factoren, netwerken, objecten en structuren die door aard, belang en schaal soms om verschillende benaderingen vragen. Om die reden biedt artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet ook de ruimte om het oogmerk voor de uitoefening van taken en bevoegdheden en de opdracht tot een samenhangende benadering in concrete gevallen te begrenzen door de aspecten en belangen die een bestuursorgaan, in een latere fase van de beleidscyclus bij het nemen van een concreet besluit moet afwegen of betrekken vooraf vast te leggen. Van deze ruimte is in het Bkl gebruik gemaakt bij het formuleren van de beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen, waarbij bijvoorbeeld bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit de afweging wordt beperkt tot het belang van de monumentenzorg en het belang van de gebruiker (hoofdstuk 8 van dat besluit). Ook is van deze ruimte gebruik gemaakt in het Bal en het Bbl bij het bepalen van de mogelijkheden voor decentraal maatwerk, waarbij maatwerk alleen mogelijk is als dat overeenstemt met oogmerk van de algemene rijksregels waarvan afwijking wordt toegestaan. Daar waar dit wenselijk en nodig is geacht is de decentrale beslisruimte dus beperkt tot een afweging van vooraf aangeduide belangen. Op deze manier wordt houvast geboden voor het uitoefenen van de taken en bevoegdheden.

De opdracht tot onderlinge afstemming en de mogelijkheid tot samenwerking uit artikel 2.2 van de Omgevingswet voorkomt de noodzaak om in de wet of uitvoeringsregelingen specifieke overleg- en afstemmingsbepalingen op te nemen en beoogt onnodige bureaucratie te voorkomen. Deze gedachte wordt door de Afdeling onderschreven. De ruimte om de afstemming en samenwerking vorm te geven is een afgeleide van de beslisruimte die bij of krachtens de wet is gegeven. De wijze waarop bestuursorganen deze onderlinge afstemming en samenwerking vormgeven is niet ingevuld, zodat zij die – passend bij de fase in de beleidscyclus en de initiatieven en opgaven in de fysieke leefomgeving – zelf optimaal kunnen vormgeven.

Ter illustratie: Gemeenten en waterschappen kunnen zich beide ontfermen over het belang van de watergebonden recreatie. De gemeente kan dit doen vanuit de opdracht om te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het waterschap kan dit doen om de functievervulling door watersystemen te bevorderen. Zowel de gemeente als het waterschap kan dit belang niet volledig in zijn eentje behartigen. Het waterschap heeft als enige invloed op het peilbeheer in het watersysteem en op de aan- en afvoer van water van voldoende kwaliteit. De gemeente heeft als enige invloed op de inrichting van de locatie (buiten het watersysteem zelf) en staat ook als eerste aan de lat om maatregelen te nemen aan riooloverstorten die de waterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. De gedeelde zorg voor de fysieke leefomgeving vraagt van deze overheden om met elkaar te bepalen wie welke maatregelen treft, zodat het belang van de watergebonden recreatie tegen de laagste maatschappelijke kosten wordt gerealiseerd. Gezamenlijke inzet leidt tot een beter resultaat. Daarom instrueert artikel 2.2 van de Omgevingswet dat verschillende bestuursorganen de uitoefening van taken en bevoegdheden zo nodig met elkaar afstemmen.

De Afdeling onderschrijft enerzijds het belang van artikel 2.2 om onnodige bureaucratie te voorkomen, maar is ook van oordeel dat specifieke bepalingen een waardevol houvast kunnen bieden. Dat beeld wordt gedeeld. In de ontwerpbesluiten wordt daarom in bepaalde gevallen nadere sturing gegeven aan de vereiste afstemming. Waar het gaat om uitoefening van bevoegdheden, voorziet het Omgevingsbesluit in diverse adviesverplichtingen. Ook bevat het Omgevingsbesluit een beperkt aantal overlegverplichtingen met een Europeesrechtelijke of internationaalrechtelijke achtergrond en de in de memorie van toelichting bij de Omgevingswet aangekondigde verplichtingen om voorafgaand aan het geven van een instructie of de inzet van de provinciale reactieve interventiebevoegdheid overleg te voeren.99 Verder bevat het Bkl enkele instructieregels en beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen die niet alleen sturen op de te maken afweging maar ook sturing geven aan de vereiste afstemming.100 Een voorbeeld is de verplichting in artikel 5.37 Bkl om in het omgevingsplan rekening te houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Met zo’n instructieregel wordt vanuit het achterliggende doel – het te wegen belang – dus ook beoogd sturing te geven aan de vereiste afstemming met een ander bestuursorgaan. Op de opmerking in een voetnoot over de overlegverplichtingen in de Wet natuurbescherming zal nader worden ingegaan in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State over het voorstel voor de Aanvullingswet natuur.

Er zijn, net als onder de huidige regelgeving, onderwerpen van zorg voor de fysieke leefomgeving waarvoor de wet niet in een taaktoedeling voorziet omdat niet op voorhand is vast te stellen door welke overheid (of overheden) zij het beste kunnen worden behartigd. Bij die onderwerpen is de eerste fase van de beleidscyclus van groot belang. In de omgevingsvisie wordt bepaald welke belangen de desbetreffende overheid wenst te behartigen, wat de beleidsdoelen zijn en welk integraal beleid zij daarop wil voeren. Daarbij is het aanbevelenswaardig dat al in deze beleidsvormende fase, in afstemming met andere bestuursorganen en andere belanghebbenden, wordt bepaald met de inzet van welke en wiens uitvoeringsinstrumenten de beleidsdoelen het meest doelmatig en doeltreffend kunnen worden gerealiseerd. Voor de inzet van taken en bevoegdheden voor beleidsdoelen waarvan niet op voorhand vast te stellen is door welke overheid zij het beste kunnen worden behartigd, bevat artikel 2.3 van de Omgevingswet een, naar aanleiding van het advies van de Afdeling over het ontwerp van die wet, aangescherpte regeling die moet worden toegepast in de fase van de uitoefening van taken en bevoegdheden.101 Dit artikel bepaalt dat de gemeente in beginsel als eerste aan de lat staat bij de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet. In sommige gevallen kan een onderwerp beter door de inzet van bevoegdheden door de provincie of het Rijk worden behartigd. Het tweede en derde lid van artikel 2.3 bevatten de criteria op grond waarvan de provincie of het Rijk daartoe kunnen besluiten. De daarin opgenomen criteria zijn niet alleen geïnspireerd op Wet ruimtelijke ordening, maar ook op de regeling van het subsidiariteitsbeginsel in de Gemeentewet en Provinciewet102. Dit betekent dat niet alleen de begrippen ‘provinciaal belang’ en ‘nationaal belang’ cruciaal zijn. De inzet van de bevoegdheid moet ook nodig zijn omdat het provinciale belang ‘niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kan worden behartigd’ of het nationale belang ‘niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het provinciebestuur of gemeentebestuur kan worden behartigd’. De te maken afweging bestaat dus niet enkel uit een belangbenadering maar omvat ook een doelmatigheid- en doeltreffendheidsafweging. De inzet van een bevoegdheid door de provincie of het Rijk zal dus meerwaarde moeten hebben ten opzichte van de enkele behartiging van dat belang door de gemeente. Hoewel deze criteria nog steeds ruimte bieden voor interpretatie en ook een overlap van belangen toestaan, geven zij een scherpere afbakening van de provinciale en nationale bevoegdheden dan onder de Wet ruimtelijke ordening het geval is en houvast voor de begrenzing van de uitoefening van bevoegdheden door de provincies en het Rijk.

De Afdeling stelt dat deze wettelijke afbakening van de provinciale en nationale bevoegdheden onder de Omgevingswet een bredere werking heeft dan de afbakening onder het huidige recht omdat deze is verbreed van het aspect ruimtelijke ordening naar alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Inderdaad ziet artikel 2.3 niet alleen op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (als opvolger van ‘ruimtelijke ordening’), maar ook op andere bevoegdheden in de Omgevingswet. Toch is inhoudelijk gezien geen sprake van een verbreding. De Omgevingswet bevat een taak- en bevoegdheidstoedeling die gebaseerd is op de verdeling uit de bestaande wetten op het terrein van de fysieke leefomgeving (zie de artikelen die zijn genoemd in de eerste alinea van deze reactie). Onderwerpen van zorg voor de fysieke leefomgeving die in geen van die bestaande wetten zijn toegedeeld, behoren op grond van het in de Gemeentewet en de Provinciewet neergelegde subsidiariteitsbeginsel in beginsel te worden behartigd door de gemeente. Onttrekking aan de gemeentelijke respectievelijk provinciale autonomie is daarbij onderworpen aan een toets aan het subsidiariteitsbeginsel zoals dat in de Gemeentewet en Provinciewet is vastgelegd. De toets aan het subsidiariteitsbeginsel vindt onder de Omgevingswet nog steeds plaats, maar dan op grond van artikel 2.3 van de Omgevingswet. In zoverre is er dus een formele, maar geen materiële, verbreding van de werking van dit artikel ten opzichte van de situatie onder de Wet ruimtelijke ordening.

Geconcludeerd kan worden dat het samenstel van de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Omgevingswet en de specifieke toedeling van taken en bevoegdheden in de Omgevingswet meer handvatten voor de bestuurlijke praktijk bieden dan de Afdeling veronderstelt. Voor de gewenste paradigmawisseling en een goede uitvoering van het nieuwe stelsel is wel een herijking van de samenwerking en afstemming binnen een nieuw te ontwikkelen bestuurscultuur nodig. Dit geldt in het bijzonder voor die onderwerpen van zorg voor de fysieke leefomgeving die niet op voorhand zijn toegedeeld omdat ze tot de gemeentelijke en provinciale autonomie behoren, of waar de bevoegdheden verdeeld zijn over verschillende bestuursorganen zoals dat op milieugebied het geval is. Als dit kan worden versterkt door het maken van bestuurlijke afspraken strekt dat tot aanbeveling. De constatering van de Afdeling dat het maken van zulke bestuurlijke afspraken aandacht verdient, wordt dus gedeeld.

Rondom de totstandkoming van de Omgevingswet zijn daarom ook op nationaal niveau tweemaal bestuurlijke afspraken gemaakt over de uitoefening van taken en bevoegdheden. In 2013 heeft het Rijk met de afzonderlijke koepels afsprakenkaders opgesteld. In elk van deze afsprakenkaders was de uitoefening van taken en bevoegdheden een aandachtspunt. In het afsprakenkader met de VNG is bijvoorbeeld vastgelegd dat evenals in Wro en de Wabo in de Omgevingswet de toepasbaarheid van bovengemeentelijke instrumenten zal worden begrensd door hetgeen respectievelijk van nationaal of provinciaal belang is. De nadere invulling van die begrippen wordt beschouwd als een interbestuurlijke gelegenheid.103 Met de Unie van Waterschappen is toen bijvoorbeeld afgesproken dat er door de stuurgroep Water een handreiking wordt opgesteld om een optimale aansluiting te bevorderen tussen het provinciale regionaal waterprogramma en het waterbeheerprogramma van het waterschap.104 En IPO en de Minister van Infrastructuur en Milieu spraken met betrekking tot het provinciaal interventieinstrumentarium af een bijzondere bevoegdheid op te nemen, zodat provincies hun verantwoordelijkheid kunnen waarmaken bij dreigende lokale inbreuk op het provinciaal beleid. Deze voorwaarden zijn het vergroten van de voorspelbaarheid en een terughoudend gebruik van dit instrument richting gemeenten.105

Vervolgens is in 2015 het Bestuursakkoord Implementatie Omgevingswet vastgesteld.106 Hierin is onder meer een afspraak gemaakt over het provinciaal belang: ‘Het provinciaal belang, vastgesteld door Provinciale Staten, moet altijd kenbaar zijn én gemotiveerd worden. Uit de motivering moet duidelijk worden dat het Provinciaal belang niet doelmatig en doeltreffend door het gemeentelijk bevoegd gezag kan worden behartigd. Provincies zullen hier terughoudend mee om gaan’. Deze afspraak is ook geborgd in de recent opgestelde handreiking Omgevingsverordening die het IPO heeft opgesteld.

Met de decentrale overheden is al afgesproken dat aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) een concreet bestuursakkoord gekoppeld wordt. De kern daarvan is interbestuurlijke en maatschappelijke samenwerking. Daarvoor worden actiegerichte afspraken gemaakt over de realisatie van de opgaven en de aansluiting tussen de NOVI, de provinciale omgevingsvisies en de gemeentelijke omgevingsvisies. Dit bestuursakkoord wordt gekoppeld aan het ontwerp van de NOVI zal na het verschijnen daarvan worden gesloten. Zodoende geeft het invulling aan de verantwoordelijkheidsverdeling die vast ligt in de Omgevingswet.107

VNG, UvW en IPO hebben aangegeven op dit moment geen behoefte te hebben aan aanvullende bestuurlijke afspraken over de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet. Wel kan het wenselijk zijn dat decentrale bestuursorganen zelf nagaan of er voor concrete gebieden en concrete beleidsthema’s een dergelijke behoefte bestaat. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar dat een waterschap en een provincie afspraken maken over de regulering van regionale lozingen in een gebied. Dat type afspraken zal dan in regionaal verband worden gemaakt. Dit past ook bij de gewenste nieuwe bestuurscultuur. Vanzelfsprekend maakt de verdeling en de wijze van uitoefening van taken en bevoegdheden onderdeel uit van de evaluatie van de Omgevingswet.

b. Decentraal, of toch centraal

De Afdeling stelt in haar beschouwing twee punten aan de orde over de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel. Ten eerste de vraag wat er gebeurt als het doelmatig en doeltreffend is een belang centraal te behartigen, maar het bestuur op dat niveau die verantwoordelijkheid niet of onvoldoende neemt. Ten tweede stelt zij het risico aan de orde dat het Rijk te snel corrigeert of bijstuurt naar aanleiding van incidenten bij de uitoefening van gedecentraliseerde bevoegdheden.

Net zomin als onder het huidige recht is er onder de Omgevingswet op deze bestuurlijke vragen een sluitend juridisch antwoord te geven. De Omgevingswet gaat ervan uit dat erop vertrouwd kan worden dat de verschillende bestuursniveaus hun rol en verantwoordelijkheid serieus nemen. Een groot aantal taken en bevoegdheden is, zoals beschreven onder a, toegedeeld aan een bestuursorgaan, wat het risico dat de Afdeling identificeert beperkt. De wet biedt ook de instrumenten om de rollen en verantwoordelijkheden in het kader van het doorlopen van de beleidscyclus te bepalen en waar nodig te herijken. Maar ook de waarborgen om die niet te lichtzinnig te wijzigen.

Vooral bij het opstellen van de omgevingsvisies zullen bestuursorganen op verschillende niveaus zich moeten afvragen wat de opgaven voor de komende jaren zijn, wat hun rol daarbij is, en wat de rol van andere overheden moet zijn. De omgevingsvisies gaan nu over het volle terrein van de fysieke leefomgeving en vragen op het gebied van subsidiariteit komen daarin (zoals hiervoor uiteengezet is) nadrukkelijk aan de orde. Het stelsel nodigt daarmee uit om de vraag te stellen op welk overheidsniveau een bepaalde opgave het meest doelmatig en doeltreffend kan worden opgepakt. Ook nodigt het stelsel de bestuursorganen op verschillende niveaus uit om het gesprek over de doelstellingen voor de fysieke leefomgeving en de verdeling van verantwoordelijkheden aan te gaan (artikel 2.2 van de Omgevingswet, zie over de betekenis van dat artikel ook hiervoor). Mocht op lokaal niveau geconstateerd worden dat een belang ook inzet van een waterschap, de provincie of het Rijk vraagt, dan kan de gemeente dat bestuursorgaan daarop in het kader van de afstemming van de taken en bevoegdheden aanspreken en kan waar nodig de samenwerking worden gezocht. Datzelfde geldt als op nationaal niveau geconstateerd wordt dat een belang meer of anders gerichte inzet van het decentrale bestuur vergt. De afstemming en samenwerking kan plaatsvinden in de fase van het opstellen van de omgevingsvisies, maar beperkt zich niet tot die fase. Ook in de fase van de beleidsuitvoering, kunnen initiatieven en opgaven in de fysieke leefomgeving aanleiding geven tot (nadere) beleidsontwikkeling, afstemming, een herverdeling van niet-wettelijke verantwoordelijkheden en waar nodig tot samenwerking. Dit kan leiden tot tussentijdse aanpassing of aanvulling van de omgevingsvisie(s), het opstellen van een programma of het sluiten van een bestuursakkoord. Dit is echter lang niet altijd noodzakelijk. Vaak volstaat een onderling afgestemde uitoefening van de in de wet toegedeelde taken en bevoegdheden van de verschillende bestuursorganen.

Onderdeel van de beleidscyclus is verder de monitoring en evaluatie van het gevoerde beleid. Als een bestuursorgaan, eventueel gebruik makend van het instrument programma, beleid uitvoert en uit de monitoring of de evaluatie van de genomen maatregelen blijkt dat de beleidsdoelstelling niet wordt bereikt of dreigt niet te worden bereikt, dan vergt dat de heroverweging van de inzet van de gekozen instrumenten voor de uitvoering van het beleid en heroverweging van de rol van dat bestuursorgaan. De Omgevingswet voorziet in verplichte monitoring van de omgevingswaarden en het Bkl in verplichte monitoring van enkele andere parameters. De Omgevingswet voorziet in evaluatie van de Omgevingswet108 en de vierjaarlijkse rapportages van het Planbureau voor de Leefomgeving over de ontwikkeling van de kwaliteit van onderdelen van de fysieke leefomgeving109, terwijl ook andere beleidsevaluaties blijven plaatsvinden. Een evaluatie kan aanleiding geven om samen met de andere bestuursniveaus te bezien wie welke rol moet vervullen en met welke maatregelen wél doelmatig en doeltreffend de beleidsdoelstelling kan worden bereikt. Daarbij kan ook aan de orde komen of een bepaalde taak of bevoegdheid beter bij een ander bestuursniveau kan worden belegd dan nu het geval is, of dat bijvoorbeeld instructieregels nodig zijn over de uitoefening van een taak of bevoegdheid. Een wijziging van taken en bevoegdheden of het stellen van instructieregels vereist een aanpassing van de Omgevingswet of de bijbehorende AMvB’s, wat een waarborg is tegen ‘incidentenpolitiek’.

De zorg voor de fysieke leefomgeving en de wens om de doelen voor die fysieke leefomgeving op een doelmatige en doeltreffende wijze te behartigen vergt dus dat het iteratieve proces van de beleidscyclus, waarvoor de Omgevingswet en de ontwerpbesluiten de instrumenten bieden, door de verschillende bestuursniveaus wordt doorlopen. Daarnaast vergt het een bestuurscultuur die open staat voor afstemming en samenwerking.

Voor wat betreft luchtkwaliteit wordt verwezen naar de reactie onder punt 17, onder c.

De Afdeling signaleert een spanning tussen de voorgenomen regeling voor vergunningvrij bouwen en het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’ en het verbeterdoel om de bestuurlijke afwegingsruimte te vergroten. Bij de regeling voor vergunningvrij bouwen is er, gegeven het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’, aanleiding voor een heroverweging bij de inpassing van de huidige regeling voor vergunningvrij bouwen in het nieuwe stelsel. Gemeenten krijgen in de nieuwe opzet meer ruimte om zelf te bepalen of voor bouwactiviteiten een vergunning nodig is. Tegelijkertijd is sturing van het Rijk op het vergunningvrij zijn van bouwwerken een historisch gegeven, vanuit de veelvuldig door het parlement geuite wens om tot vermindering van regeldruk en administratieve lastenverlichting te komen. Vóór 1 oktober 1992 konden gemeenten op grond van de bouwverordening nog geheel zelf vergunningvrije bouwwerken aanwijzen. Daar bestond destijds bij gemeenten heel weinig animo voor. Het gevolg van de dereguleringsoperaties op het terrein van de bouwregelgeving uit de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw is was eerst op wetsniveau en later bij AMvB een steeds betekenisvollere categorie van vergunningvrije bouwwerken werd aangewezen. Het betreft hier inmiddels de grote bulk van kleinschalige bouwactiviteiten die vooral in het ‘privédomein’ plaatsvinden. Op dit gebied is terughoudende overheidsregulering op zijn plaats. Een landelijk uniforme opzet biedt evidente voordelen. Zij laat zich adequaat toelichten en ondersteunen met voorlichtingsmateriaal en internettools, waarbij met vergunningenchecks kan worden nagegaan of voor een bepaalde bouwactiviteit een vergunning nodig is. Ook krijgen vraagstukken die spelen in de jurisprudentie direct landelijke betekenis, zodat zij bijdragen aan een uniforme uitleg en toepassing. Daarnaast is er op sommige punten sprake van een nationaal belang, bijvoorbeeld het vergunningvrij bouwen van bouwwerken voor infrastructurele of openbare voorzieningen (zoals het plaatsen van ov-chippaaltjes). De voorstellen voor vergunningvrij bouwen die het voorgenomen Invoeringsbesluit zal bevatten, zullen in het kader van de voorhangprocedure aan het parlement worden voorgelegd. De precieze balans tussen decentrale ruimte en centrale sturing op dit onderwerp, kan dan tegen de achtergrond van administratieve lastendruk opnieuw worden bepaald.

c. Rol van de omgevingsdiensten

De Afdeling merkt op dat de omgevingsdiensten vooral bij kleine gemeenten mogelijk een zwaardere rol kunnen hebben bij het opstellen van omgevingsplannen. Zij wijst daarbij op het risico dat beleidsontwikkeling en daarmee samenhangende besluitvorming op regionaal niveau zouden plaatsvinden, wat wezenlijke gevolgen kan hebben democratische legitimering. De zorg van de Afdeling verdient nuancering. De huidige praktijk laat namelijk een ander beeld zien: in een groot aantal regio’s worden de omgevingsdiensten niet betrokken wanneer de gemeenten bestemmingsplannen opstellen. Het is overigens wel wenselijk dat de omgevingsdiensten geconsulteerd worden bij het opstellen van omgevingsplannen. Bij hen berust veel kennis van geldende milieunormen en de milieugevolgen van bedrijven en zij kunnen inzicht geven in relevante regionale ontwikkelingen. Daar waar omgevingsdiensten al langer bestaan en gemeenten al langer samenwerken is te zien dat de omgevingsdiensten prima in staat zijn om deze gemeenten goed te adviseren over onderwerpen in het omgevingsplan.

Het ligt niet direct voor de hand dat de omgevingsdienst voor de gemeente het volledige omgevingsplan opstelt, hoewel het gemeenten vrij staat de omgevingsdienst een opdracht te geven voor het opstellen van het omgevingsplan of onderdelen daarvan, zoals zij nu vaak een particulier bureau inhuren voor de uitvoering van deze taak. De vaststelling van het omgevingsplan vindt plaats in de gemeenteraad. Dat het ambtelijk apparaat bij het opstellen is ondersteund door externen leidt niet tot mindere of andere democratische legitimering van het omgevingsplan.

9. Globale en flexibele omgevingsplannen

Het streven van de Omgevingswet is blijkens de toelichting onder meer dat gemeenten hun omgevingsplannen zoveel als mogelijk ‘globaal en flexibel’ inrichten.110 De huidige bestemmingsplannen worden vaak ‘gedetailleerd’ ingericht.111 Daarmee kunnen ze een ‘keurslijf’ vormen en in de weg staan aan ontwikkelingen, aldus de toelichting.112 De Omgevingswet moet hier verandering in brengen.

De Omgevingswet maakt het mogelijk dat gemeenten in omgevingsplannen algemene regels kunnen opnemen over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de gehele fysieke leefomgeving.113 Volgens de toelichting wordt die bevoegdheid in het geval van bestemmingsplannen begrensd door een ‘goede ruimtelijke ordening’.114 De Invoeringswet maakt het verder mogelijk dat omgevingsplannen ook regels kunnen bevatten waarmee activiteiten aan een vergunningplicht worden verbonden.115 De toelichting116 wijst erop dat dit anders dan in een bestemmingsplan niet beperkt is tot aanlegwerken en aanlegwerkzaamheden of het slopen van bouwwerken. Een vergunningstelsel in een omgevingsplan kan bijvoorbeeld ook gaan over het bouwen van bouwwerken, aldus de toelichting.117 Voorts kunnen gemeenten op grond van de Omgevingswet in een omgevingsplan een meldingsregeling opnemen.118

Volgens de toelichting geeft de mogelijkheid voor gemeenten om over de gehele fysieke leefomgeving algemene regels te stellen, de gemeenten ook de mogelijkheid om voor alle onderwerpen die de fysieke leefomgeving omvat, de algemene regels met ‘open’ of ‘gesloten normen’ vorm te geven (de toelichting spreekt van ‘autonome regelgevende bevoegdheid’). Regels met open normen zijn regels die interpretatie vergen. Regels met gesloten normen zijn regels die niet of nauwelijks interpretatie vergen. Als voorbeeld van een algemene regel met een open norm in een omgevingsplan over de toelaatbaarheid van bouwwerken wordt in de toelichting genoemd: ‘de bouwhoogte op een locatie moet aansluiten op het bebouwingspatroon in de omgeving waarbij rekening moet worden gehouden met schaduwwerking op belendende percelen.’119

Het werken met open normen in omgevingsplannen wordt in de toelichting aangemoedigd, omdat het meer dan in het geval van gesloten normen de mogelijkheid biedt om in te spelen op actuele ruimtelijke ontwikkelingen. Functies kunnen globaler, in een hogere abstractie, worden toegedeeld, aldus de toelichting.120 Daarbij wijst de toelichting erop dat het gebruik van open normen als voordeel heeft dat onderzoeksopgaven voor een belangrijk deel verschuiven naar de fase van vergunningverlening. In de realisatiefase kan onderzoek zich toespitsen op de concreet voorgenomen initiatieven en hoeven er bij de vaststelling van een omgevingsplannen geen fictieve varianten meer te worden doorgerekend van ontwikkelingen die mogelijkerwijs helemaal niet in die vorm zullen plaatsvinden, aldus de toelichting.121

Een andere maatregel ten slotte die de gemeenten meer mogelijkheden moeten geven tot het ontwerpen van globale en flexibele omgevingsplannen is het niet overnemen in het Ob van de bestaande verplichte standaardregels in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) over overgangsrecht in bestemmingsplannen. Die standaardregels komen er onder meer op neer dat bestaand legaal gebruik, ondanks een bestemmingswijziging of aangescherpte regels, mag worden voortgezet. Ook dat wordt nu blijkens de toelichting een zaak van de autonome regelgevende bevoegdheid van gemeenten.122

De Afdeling heeft begrip voor het streven naar meer globale en flexibele plannen teneinde beter in te kunnen spelen op actuele ontwikkelingen. Het werken met algemene regels heeft echter gevolgen voor de rechtszekerheid van burgers en bedrijven. Dat wordt hieronder uiteengezet.

a. Vergunningvrij bouwen

De Invoeringswet regelt dat voor de planologische aspecten van bouwen geen vergunning meer is vereist.123 Het ‘ruimtelijk deel’ van bouwen is voortaan dus in beginsel vergunningvrij. Gemeenten mogen in hun omgevingsplannen zelf bepalen of ze daarvoor een vergunningplicht willen. Daarmee wordt volgens de toelichting voorkomen dat onnodig aan regels wordt getoetst en wordt het aantal vergunningplichtige activiteiten beperkt.124 Dat scheelt in het aanleveren van gegevens en dus in de administratieve lasten. Ook kan sneller worden gebouwd, omdat geen procedures hoeven worden te doorlopen.

Volgens de toelichting kunnen regels in het omgevingsplan voor bouwwerken concreet, helder, beperkt in aantal en overzichtelijk worden vastgelegd.125 Bij zulke regels – dus in het geval van gesloten normen – is een vergunningplicht volgens de toelichting vermoedelijk niet nodig en heeft het werken met algemene regels de voorkeur. In het geval van open normen is een vergunningplicht het meest aangewezen, aldus de toelichting.

De Afdeling merkt op dat wanneer in een omgevingsplan een vergunningplicht (of een appellabele reactie op een melding) voor bouwen ontbreekt dit tot onduidelijkheid en rechtsonzekerheid voor burgers en bedrijven kan leiden. Dat geldt niet alleen wanneer de algemene regels over bouwen open normen bevatten, maar ook wanneer die gesloten normen bevatten.

Aannemelijk is immers dat een bouwer of aannemer in veel gevallen vooraf van de gemeente duidelijkheid wil verkrijgen over de vraag of hetgeen hij wil bouwen op grond van de algemene regels in het omgevingsplan is toegestaan. Dat geldt voor de kleine bouwers die bijvoorbeeld een aanbouw willen realiseren, maar ook voor de grotere bouwpartijen. In de meeste gevallen zal de initiatiefnemer het bouwwerk via een hypotheekverstrekker financieren. Er mag van worden uitgegaan dat de hypotheekverstrekker, alvorens het een hypotheek zal verstrekken met het gebouw als onderpand, zekerheid wil over de planologische toelaatbaarheid van het te bouwen gebouw.

Met deze onzekerheden kan verwacht worden dat initiatiefnemers soms van de gemeente willen vernemen of het voorgenomen bouwplan past in de regels van het omgevingsplan en zullen zij het college om een rechtsoordeel vragen. Wanneer een vergunningplicht (of appellabele reactie op een melding) ontbreekt, kan die zekerheid niet worden verkregen. Volgens vaste jurisprudentie wordt een bestuurlijk rechtsoordeel slechts bij hoge uitzondering aangemerkt als een besluit waartegen rechtsmiddelen open staan. Rechterlijke toetsing zal in veel van de gevallen pas mogelijk zijn op het moment waarop om handhaving door omwonenden wordt verzocht of wanneer het college ambtshalve handhavend gaat optreden.

In de literatuur126 wordt erop gewezen dat het aanvragen van een vergunning – ook al geldt er geen vergunningplicht – ook een mogelijkheid is om een besluit te verkrijgen waarin door het college wordt bevestigd dat het bouwplan voldoet aan de algemene bouwregels uit het omgevingsplan. In het kader van een aanvraag om een vergunning moet het bevoegd gezag als voorvraag beoordelen of voor een voorgenomen handeling een vergunning is vereist. Tegen de aan het besluit daarop ten grondslag liggende oordeel omtrent de vergunningplicht kan door het aanwenden van een rechtsmiddel worden opgekomen.127 Nadeel van dit alternatief is dat de initiatiefnemer moet voldoen aan alle eisen voor een vergunningaanvraag en leges moet betalen.

Onzekerheid is er niet alleen voor de initiatiefnemers, maar ook voor andere belanghebbenden, zoals omwonenden. Wanneer een vergunningplicht (of appellabele reactie op een melding) ontbreekt is een verzoek om handhaving pas het eerste moment waarop belanghebbenden de aanvaardbaarheid van een bouwwerk kunnen laten beoordelen. Onduidelijk is op welk moment precies zij dan een verzoek om handhaving zouden kunnen doen. Bij voorbereidende bouwwerkzaamheden is fysiek nog niets aanwezig en is het dus de vraag of het college dan al handhavend kan optreden. Het risico bestaat dat als het gebouw er eenmaal staat, dit vaker tot toestemming en legalisatie zal leiden dan in het geval waarin alleen het bouwplan wordt beoordeeld.

Wanneer open normen worden gebruikt voor de beoordeling van bouwactiviteiten en een vergunningplicht (of een appellabele reactie op een melding) ontbreekt, levert dat eens te meer spanning op met het rechtszekerheidsbeginsel. In dat geval kan immers elke vorm van duidelijkheid over wat er gebouwd mag worden ontbreken. De toelichting vermeldt om die reden ook dat in dat geval een vergunningplicht het meest aangewezen is. Een verplichting daartoe ontbreekt echter. De situatie dat in een omgevingsplan open normen worden gebruikt voor de beoordeling van de (planologische) toelaatbaarheid van bouwactiviteiten, terwijl een vergunningplicht ontbreekt aan de hand waarvan vooraf kan worden beoordeeld of het bouwen voldoet aan die norm, kan zich dus wel degelijk voordoen. Hierdoor bestaat eveneens het risico dat geen gelijkwaardig niveau van rechtsbescherming wordt bereikt. Gelet hierop en op de spanning met het rechtszekerheidsbeginsel, kan worden verwacht dat de bestuursrechter dit zal ondervangen door uit te gaan van wat het omgevingsplan planologisch maximaal mogelijk maakt. Dat strookt dan echter niet met het streven om met ‘globale en flexibele’ omgevingsplannen tot een meer dynamische gebiedsontwikkeling te komen.

Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling op wetsniveau te voorzien in een vergunningplicht voor de ruimtelijke aspecten van bouwen, echter met de mogelijkheid voor de gemeenteraad deze in het omgevingsplan uit te schakelen indien dat gelet op de plansystematiek (de formulering van de algemenere regels van het omgevingsplan samen met de verbeelding) verantwoord is.

b. Nadeelcompensatie

Vanwege het streven naar meer globale omgevingsplannen voorziet de Invoeringswet in een nieuw systeem voor nadeelcompensatie. Het nieuwe systeem voorziet kort gezegd in een andere keuze ten aanzien van de besluiten die als schadeveroorzakend kunnen worden aangemerkt. Deze systeemwijziging is noodzakelijk, omdat het op basis van een globaal omgevingsplan lastig is de schadevergoeding van dat plan vast te stellen. Dit wordt tevens gecompliceerd door de beoogde brede reikwijdte van het omgevingsplan. Op basis van de Invoeringswet kunnen belanghebbenden dan ook pas om vergoeding van schade verzoeken op het moment dat uitvoering aan een omgevingsplan wordt gegeven. Op zichzelf acht de Afdeling dit een positieve ontwikkeling, omdat het dan niet meer gaat om hypothetische schade, maar om concrete schade. Daar staat tegenover dat het voorgestelde systeem voor nadeelcompensatie ook voor onduidelijkheden voor burgers en bedrijven kan zorgen.

Het moment waarop uitvoering wordt gegeven aan het omgevingsplan kan op basis van een vergunning, of feitelijk handelen zijn. Dat laatste zal zich steeds vaker kunnen voordoen, nu de Invoeringswet het mogelijk maakt dat voor planologische aspecten van bouwactiviteiten geen vergunning meer is vereist, maar het aan gemeenten zelf is om al dan niet een bouwvergunning te vereisen. Door de verschuiving naar het moment van uitvoering van het plan kan er een lange periode verstrijken tussen de vaststelling van het plan en het moment dat om schade kan worden verzocht. Nu een globaal omgevingsplan alleen een indicatie geeft van de mogelijke ontwikkelingen op een bepaalde locatie, kan dit lange tijd ‘boven de markt’ hangen. Dit kan zogenoemde schaduwschade opleveren. Dat is schade door de in een plan voorziene ontwikkeling, waarvoor pas een tegemoetkoming kan worden toegekend na het verlenen van de vergunning of op het moment van het feitelijk handelen. Belanghebbenden moeten steeds alert blijven of er iets gebeurt, voordat zij schadevergoeding kunnen vragen. Daarnaast is het in de situatie dat geen vergunning nodig is voor de uitvoering van het plan erg onduidelijk welk moment het schadeveroorzakende moment zich voordoet; het kan daarbij lastig te beoordelen zijn of het feitelijk handelen in overeenstemming is met het omgevingsplan. In deel F van dit advies zal nader worden ingegaan op de in de Invoeringswet opgenomen bepalingen over nadeelcompensatie.

c. Overgangsrecht in omgevingsplannen

De standaardregels in het Bro over overgangsrecht in bestemmingsplannen met betrekking tot onder meer bestaand legaal gebruik worden in het Ob niet overgenomen. Dit valt vanuit de behoefte aan een meer dynamische gebiedsontwikkeling te begrijpen. Het vergroot de mogelijkheden voor gemeenten om bestaand gebruik van gronden te wijzigen.128 Het niet overnemen van deze standaardregels leidt echter ook tot meer rechtsonzekerheid voor burgers en bedrijven. Zij kunnen immers gemakkelijker dan nu worden geconfronteerd met de verplichting om bestaand gebruik te wijzigen. Weliswaar stellen het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en de eigendomsbescherming van het EVRM hier volgens de toelichting beperkingen aan129, maar die beperkingen bieden minder houvast dan de huidige standaardregels hierover in een algemene maatregel van bestuur. Zoals ook in de toelichting wordt opgemerkt, opent het ontbreken van standaardregels immers mogelijkheden voor gemeenten om per regel te bezien of en in welke vorm in overgangsrecht wordt voorzien.130

Reactie op punt 9 van het advies

a. Vergunningvrij bouwen

De Afdeling heeft begrip voor het streven naar meer globale en flexibele omgevingsplannen. Terecht benadrukt de Afdeling daarbij het belang van rechtszekerheid voor initiatiefnemers en andere belanghebbenden, zoals omwonenden en hypotheekverstrekkers, over de vraag of een voorgenomen bouwplan past in de regels van het omgevingsplan. Naar aanleiding van deze opmerking van de Afdeling zal bij de inwerkingtreding van de stelselherziening voorzien zijn in een vergunningplicht voor de ruimtelijke aspecten van het bouwen, met de mogelijkheid voor de gemeenteraad deze in het omgevingsplan uit te schakelen. Paragraaf 2.2.1.3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de Invoeringswet is daarop aangepast. Uitwerking daarvan zal in het voorgenomen Invoeringsbesluit plaatsvinden door de vergunningplicht voor de ruimtelijke aspecten van het bouwen als regel op te nemen in de ‘bruidsschat’131 waardoor deze onderdeel wordt van het omgevingsplan. De onzekerheid die kan bestaan als de gemeenteraad de vergunningplicht in het omgevingsplan heeft uitgeschakeld kan, zoals ook de Afdeling aangeeft, weggenomen worden door een vergunning aan te vragen. Op grond van die aanvraag beoordeelt het bevoegd gezag als voorvraag of voor het voorgenomen bouwplan een vergunning is vereist. In dat geval geeft het bevoegd gezag door de beslissing op de vergunningaanvraag het oordeel of een vergunning nodig is. Tegen dat oordeel over de vergunningplicht kan door het aanwenden van een rechtsmiddel worden opgekomen. Het door de Afdeling geconstateerde nadeel daarvan, dat de initiatiefnemer moet voldoen aan alle eisen voor een vergunningaanvraag en leges moet betalen, kan ondervangen worden door lokaal voor zo’n aanvraag minder indieningsvereisten verplicht te stellen en te werken met een gereduceerd legestarief. Het door de Afdeling geschetste alternatief (conformiteitsverklaring) heeft als nadeel dat een nieuw instrument wordt geïntroduceerd met een eigen procedurele regeling van een aanvraag, indieningsvereisten, bevoegd gezag, beslistermijn en rechtsbeschermingsmogelijkheden. Aangezien de zekerheid voor een initiatiefnemer ook bereikt kan worden met de ook nu al bestaande mogelijkheid om een vergunning aan te vragen, is er geen nieuw instrument in de vorm van een conformiteitsverklaring geïntroduceerd.

b. Nadeelcompensatie

Op de adviezen van de Afdeling over nadeelcompensatie wordt gereageerd in hoofdstuk F.

c. Overgangsrecht in omgevingsplannen

De Afdeling merkt op dat het niet overnemen van huidige standaardregels over het overgangsrecht leidt tot meer rechtsonzekerheid. Deze opmerking verdient nuancering. Een omgevingsplan is geen bestemmingsplan. Alleen al de verbrede reikwijdte van het omgevingsplan ten opzichte van een bestemmingsplan maakt een nieuwe benadering van het overgangsrecht onvermijdelijk. Zoals dat evident geldt bij de vaststelling van nieuwe regels, bijvoorbeeld in de waterschapsverordening, de omgevingsverordening of in AMvB’s, zal ook bij het vaststellen van nieuwe regels in een omgevingsplan afgewogen moeten worden in hoeverre er in overgangsrecht moet worden voorzien. Het past niet in het streven naar meer bestuurlijke afwegingsruimte, het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’ en het uitgangspunt vertrouwen als op rijksniveau nog steeds een gestandaardiseerd (eerbiedigend) overgangsrecht zou worden voorgeschreven. Het zou zich ook moeilijk laten verklaren waarom een dergelijk overgangsrecht wel voor het omgevingsplan, maar niet voor de waterschapsverordening of de omgevingsverordening zou worden voorgeschreven. Aan de bevoegdheid van de gemeente om regels te stellen is inherent de mogelijkheid verbonden om in overgangsrecht te voorzien, maar de keuze welk overgangsrecht passend is bij een bepaalde wijziging van de regels kan niet langer op rijksniveau worden bepaald. Het verplichte eerbiedigend overgangsrecht van het huidige Besluit ruimtelijke ordening ziet op de bouwmogelijkheden in bestemmingsplannen. Verwacht mag worden dat juist bij die regels bestaande rechten veelal zullen worden geëerbiedigd, omdat bij een inbreuk daarop een gerechtvaardigd beroep op nadeelcompensatie aan de orde kan zijn. Maar ook waar dat niet het geval is, mag erop vertrouwd worden dat overheden passend overgangsrecht bieden dat rekening houdt met bestaande situaties.

Over de rechtszekerheid kan nog worden opgemerkt dat, anders dan bijvoorbeeld de omgevingsverordening en de waterschapsverordening, een besluit tot vaststelling van het omgevingsplan appellabel is. Een belanghebbende die naar zijn oordeel nadelig wordt getroffen door overgangsrechtelijke bepalingen of het ontbreken daarvan, kan daarvoor dus naar de rechter.

10. Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet bepaalt dat als regels voor het verrichten van activiteiten voorschrijven dat een maatregel moet worden getroffen, dat dan op aanvraag toestemming kan worden verleend om, in plaats daarvan, een gelijkwaardige maatregel te treffen.132 De toelichting vermeldt dat het verlenen of weigeren van de toestemming een beschikking is, zodat daartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.133 De Omgevingswet bepaalt verder dat bij regels voor het verrichten van activiteiten het treffen van gelijkwaardige maatregelen kan worden toegestaan zonder voorafgaande toestemming, al dan niet gekoppeld aan een verbod om de maatregel te treffen zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag.134 De Omgevingswet bepaalt ten slotte ook dat onder meer in de uitvoeringsbesluiten van de Omgevingswet nadere regels kunnen worden gesteld over de toepassing van de gelijkwaardigheidsregeling.135

In onder andere het Bbl zijn nadere regels opgenomen over het treffen van gelijkwaardige maatregelen. In het Bbl wordt onder meer geregeld dat als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van de wet geen omgevingsvergunning is vereist en waarvoor in dit besluit geen melding is voorgeschreven, ook geen voorafgaande toestemming is vereist.136 Dat betekent dat bij vergunningvrij bouwen niet vooraf wordt vastgesteld of een maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak) in haar consultatiereactie ook al opmerkte, levert dat onzekerheid op voor de initiatiefnemer, omdat het bevoegd gezag dan pas achteraf in het kader van handhaving kan oordelen of de maatregel gelijkwaardig is.137 Wanneer achteraf blijkt dat een maatregel niet gelijkwaardig is bestaan zelfs risico’s voor het waarborgen van de veiligheid.

Reactie op punt 10 van het advies

De Afdeling constateert dat het niet verlangen van voorafgaande toestemming voor het toepassen van een gelijkwaardige maatregel onzekerheid oplevert voor de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag kan dan immers pas achteraf in het kader van handhaving oordelen of de maatregel gelijkwaardig is. Hoewel in de kern juist, kan deze constatering om de volgende redenen gerelativeerd worden. Het gaat in de praktijk om een beperkt aantal gevallen waarbij initiatiefnemers kiezen voor een andere maatregel dan de regelgeving voorschrijft. Als dit al leidt tot rechtsonzekerheid, dan wordt dat veroorzaakt door de initiatiefnemer zelf. Hij kan ook kiezen voor de verplichte maatregel en dan is rechtsonzekerheid niet aan de orde. Verder is er sprake van een voortzetting van bestaand recht: in de bouwregelgeving bestaat deze uitzondering al jaren en er zijn geen signalen dat dit leidt tot problemen. Het verlangen van voorafgaande toestemming is tot slot niet proportioneel, het gaat hier immers om bouwvergunningvrije bouwwerken, en zou leiden tot onnodige stijging van de regeldruk.

11. Specifieke zorgplichten

In het Bal zijn voor verschillende categorieën activiteiten algemene regels geformuleerd. Het gaat om de volgende categorieën: milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten, activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk, activiteiten in de Noordzee, activiteiten rond rijkswegen, activiteiten die het cultureel erfgoed betreffen en activiteiten die het werelderfgoed betreffen. Voor ieder van deze categorieën van activiteiten zijn in het Bal specifieke zorgplichten opgenomen.138

De reden voor het opnemen van specifieke zorgplichten voor deze categorieën is onder meer gelegen in het streven naar deregulering. Door het opnemen van zorgplichten hoeven regels niet langer in detail te worden uitgeschreven. In het huidige omgevingsrecht zijn ook al zorgplichten opgenomen.139 Maar de bedoeling is dat ze in het nieuwe omgevingsrecht een grotere betekenis krijgen. Verschillende concrete regels worden geschrapt en worden vervangen door zorgplichtbepalingen. De specifieke zorgplichten komen naast de algemene zorgplichten in de Omgevingswet te staan.140 Daarom worden ze specifieke zorgplichten genoemd. De algemene zorgplichten zijn alleen bestuursrechtelijk handhaafbaar. De specifieke zorgplichten zijn zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk handhaafbaar.

In de specifieke zorgplichtbepalingen worden veel vage termen als passend, geschikt, representatief, doelmatig en redelijkerwijs gebruikt. Hoewel een zekere vaagheid inherent is aan het formuleren van zorgplichten, is er in de consultatiereactie van de Afdeling bestuursrechtspraak op gewezen dat door het gebruik van genoemde vage termen valt te verwachten dat zich in de praktijk regelmatig geschillen zullen voordoen over de invulling daarvan.141 Dat zal met name zo zijn in de handhavingssfeer, waarbij niet op voorhand voor een initiatiefnemer en andere belanghebbenden duidelijk zal zijn welke concrete verplichtingen uit een zorgplichtbepaling voortvloeien, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak in de consultatiereactie.

In het bijzonder is er daarbij in de consultatiereactie op gewezen dat in een aantal van de zorgplichtbepalingen is bepaald dat de zorgplicht mede inhoudt dat de initiatiefnemer de beste beschikbare technieken toepast. De regelgeving die met het vereiste van beste beschikbare technieken samenhangt is complex, omvangrijk en technisch-juridisch van aard. Gelet hierop is in de consultatiereactie dan ook opgemerkt dat op voorhand niet duidelijk is wat er in de praktijk van een initiatiefnemer op grond van dit onderdeel van de specifieke zorgplicht kan worden gevergd.

In het verslag over de consultatiereacties142 wordt opgemerkt dat uit vaste jurisprudentie volgt dat steeds geldt dat er sprake moet zijn van een ‘onmiskenbaar’ in strijd handelen met een zorgplicht voordat er direct handhavend kan worden opgetreden, zodat niet meer geschillen worden verwacht. De term ‘onmiskenbaar’ is echter evengoed vaag. Geschillen over de invulling van vage termen in specifieke zorgplichten kunnen zich daarmee verplaatsen naar de invulling van het begrip ‘onmiskenbaar’. De Afdeling verwacht dan ook niet dat dit criterium een toename van geschillen kan voorkomen.

Reactie op punt 11 van het advies

In haar beschouwing over de specifieke zorgplichten merkt de Afdeling terecht op dat het gebruik van open termen inherent is aan het formuleren van deze zorgplichten. Het gebruik van open termen is ook bij de parlementaire behandeling van het Bal aan de orde geweest.143 Ook de zorgplichten van het huidige recht, zoals artikel 1.1a van de Wet milieubeheer, artikel 13 van de Wet bodembescherming en artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, bevatten open termen zoals ‘redelijkerwijs’ en ‘zo veel mogelijk’. Dat doet echter niet af aan de functie die de specifieke zorgplichten in het Bal en Bbl vervullen. De specifieke zorgplichten bieden bescherming van de fysieke leefomgeving bij nieuwe activiteiten, bij activiteiten die op een andere manier worden verricht dan gebruikelijk en in bijzondere situaties. De inherente ruimte voor invulling van de specifieke zorgplichten biedt flexibiliteit voor degene die de activiteit verricht. En de specifieke zorgplichten maken het mogelijk om het aantal gedetailleerde regels in het Bal en Bbl te beperken. Dat is bijvoorbeeld gedaan door ‘good housekeeping’-maatregelen (zoals het voorschrift dat een gebrek in een lekdetectiesysteem moet worden hersteld) aan de specifieke zorgplicht over te laten en niet uit te schrijven, zoals in de huidige Activiteitenregeling milieubeheer is gedaan. Hierop is in de reactie op punt 6, onder a, al ingegaan.

Daarbij wordt opgemerkt dat decentrale overheden in het nieuwe stelsel meer mogelijkheden krijgen om aspecten zoals geluid, cumulatie van emissies of de doelmatige werking van de voorzieningen voor afvalwater lokaal in te vullen via maatwerkregels. Dat biedt de mogelijkheid om concrete regels te stellen die zijn toegesneden op de lokale situatie, waarmee feitelijk de betekenis van open termen in de specifieke zorgplicht voor die situatie wordt verduidelijkt.

De Afdeling refereert aan de consultatiereactie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin wordt gesteld dat het gebruiken van open termen kan leiden tot meer geschillen. Dit beeld verdient nuancering. De bestuursrechter wordt ook nu niet bovenmatig vaak gevraagd om uitspraak te doen over de invulling van open termen in de zorgplichten. Er is ook geen reden om aan te nemen dat het aantal geschillen hierover in het nieuwe stelsel van het omgevingsrecht zal toenemen. De specifieke zorgplicht voor bijvoorbeeld milieubelastende activiteiten is immers verduidelijkt ten opzichte van het huidige recht, door toevoeging van een opsomming van wat er in ieder geval onder die zorgplicht wordt verstaan. Weliswaar bevatten termen als ‘passende preventieve maatregelen’ en ‘geen significante milieuverontreiniging’ in deze opsomming ruimte voor interpretatie, maar die termen zijn toch duidelijker dan ‘het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zo veel mogelijk beperken van nadelige gevolgen voor het milieu’, zoals het huidige Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalt.

De opmerking van de Afdeling dat de regelgeving over beste beschikbare technieken (BBT) complex, omvangrijk en technisch-juridisch van aard is, verdient nuancering. Juist voor de complexere bedrijven zijn de BBT uitgewerkt in Europese BBT-referentiedocumenten. Daar waar mogelijk zijn BBT, ook voor minder complexe bedrijven, uitgewerkt in de algemene regels van het al. Dit biedt in veel gevallen vooraf duidelijkheid voor de initiatiefnemer over de eisen die voortvloeien uit het toepassen van BBT. De specifieke zorgplicht heeft in dit verband vooral betekenis voor bijzondere bedrijfssituaties of nieuwe activiteiten. Het vereiste om BBT toe te passen geeft voor die situaties of activiteiten een werkbare, concretere invulling aan een open norm als de zorgplicht. Het opnemen hiervan geeft richting aan wat van een initiatiefnemer wordt verwacht en biedt daarmee houvast zowel voor de initiatiefnemer als het bevoegd gezag. Vanzelfsprekend moet de initiatiefnemer het vereiste van het toepassen van BBT vervolgens vertalen naar zijn bedrijfssituatie. De initiatiefnemer is daar het beste toe is staat, omdat hij precies weet wat er allemaal speelt. Zo nodig kan de initiatiefnemer overleggen met het bevoegd gezag, als hij twijfelt of de voorgenomen maatregelen wel of niet als BBT zijn aan te merken.

Het opnemen van het vereiste van BBT heeft een toegevoegde waarde naast het vereiste om passende preventieve maatregelen toe te passen. Passende preventieve maatregelen zijn maatregelen die in een individueel geval passend zijn. BBT zijn maatregelen die economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast; deze zijn dus per definitie onafhankelijk van het individuele geval. Dit is een belangrijk verschil. Door in de uitwerking van de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten ook het vereiste op te nemen dat steeds BBT worden toegepast, is het duidelijk voor de initiatiefnemer dat hij alle maatregelen moet nemen om emissies naar het milieu terug te dringen die in de desbetreffende bedrijfstak economisch en technisch haalbaar zijn. Het is dus niet toegestaan om ‘een tandje minder te doen’ als de lokale omstandigheden dat toelaten en minder vergaande maatregelen ook als passend zouden kunnen worden gezien.

Er is ook geen toename te verwachten van geschillen over de term ‘onmiskenbaar’. De term ‘onmiskenbaar’ wordt gebruikt als aanduiding van overtredingen van de specifieke zorgplicht waartegen het bevoegd gezag direct handhavend kan optreden door een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang, of een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sanctie op te leggen. Door het open karakter van de specifieke zorgplicht zijn er daarnaast overtredingen waarbij het niet onmiskenbaar is dat de specifieke zorgplicht wordt geschonden. In die gevallen ligt direct handhavend optreden niet voor de hand, maar zou het bevoegd gezag eerst moeten verduidelijken wat er op grond van de specifieke zorgplicht in het concrete geval wordt verwacht van degene die de activiteit verricht. Het bevoegd gezag kan dat doen door een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift te stellen. De procedure van een maatwerkvoorschrift of wijziging van de omgevingsvergunning (voorbereiding waarbij degene die de activiteit verricht en eventuele andere belanghebbenden worden betrokken, rechtsbescherming) biedt het bevoegd gezag en degene die de activiteit verricht de ruimte om een constructieve discussie te voeren over de noodzaak van bepaalde maatregelen ter invulling van de specifieke zorgplicht, die niet wordt overschaduwd door de dreiging van een sanctie of kostenverhaal. De verduidelijking van de specifieke zorgplicht kan echter ook plaatsvinden met een niet-juridische interventie in het kader van handhavend optreden, bijvoorbeeld via een informerende brief over de gewenste invulling van de zorgplicht.144 Als degene die de activiteit verricht geen gevolg geeft aan zo’n brief, is alsnog sprake van een onmiskenbare overtreding van de specifieke zorgplicht, waartegen handhavend optreden mogelijk is. Degene die de activiteit verricht kan dan immers niet meer volhouden dat onduidelijk is welke maatregelen er op grond van de specifieke zorgplicht worden verwacht. Mocht de handhavingsactie vervolgens tot een geschil leiden dat aan de rechter wordt voorgelegd, dan zal de onmiskenbaarheid van de overtreding evident zijn. De rechter zal vanzelfsprekend wel nagaan of de gevraagde invulling van de specifieke zorgplicht door het bevoegd gezag rechtmatig is.

Het bevoegd gezag zal in iedere situatie moeten beoordelen welke reactie op een geconstateerde overtreding van de specifieke zorgplicht passend is. Daarbij speelt, in lijn met de eerdergenoemde landelijke handhavingsstrategie, onder meer een rol wat de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving is, om wat voor type overtreder het gaat (burger of professional) en wat het eerdere naleefgedrag was. Het bevoegd gezag heeft met de mogelijkheid van maatwerkvoorschriften, brieven en waarschuwingen voldoende middelen in handen om geschillen bij de rechter over de onmiskenbaarheid van de overtreding te beperken.

De algemene delen van de nota’s van toelichting bij het Bal (paragraaf 3.1) en het Bbl (paragraaf 2.3.6) zijn naar aanleiding van de beschouwing van de Afdeling aangevuld.

D. Digitaal Stelsel Omgevingswet

12. Betrouwbaarheid, financiering en toezicht

Het voorstel voor de Invoeringswet voorziet in de instelling van een elektronische databank, het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO). DSO bevat openbare informatie over de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan DSO worden gebruikt voor het indienen van aanvragen en het doen van meldingen onder de Omgevingswet.145

Volgens de toelichting gaat DSO van start bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.146 Een half jaar voor inwerkingtreding van de Omgevingswet moet het landelijk register omgevingsdocumenten echter al ontsloten zijn via het stelsel’.147 De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft in de consultatie benadrukt dat het voor gemeenten noodzakelijk is dat tenminste een jaar voor invoering de standaarden zijn vastgesteld, dat een halfjaar voor inwerkingtreding van de wet het DSO zo ver is ontwikkeld dat gemeenten en hun softwareleveranciers de werking van het systeem en koppelvlakken kunnen testen met eigen applicaties, en dat de Omgevingswet pas in werking kan treden als er een goed werkend DSO is.148

Sindsdien is besloten de inwerkingtreding van de Omgevingswet met drie jaar uit te stellen, onder andere met het oog op DSO. De nieuwe datum van inwerkingtreding wordt 1 januari 2021. DSO zal stapsgewijs worden gerealiseerd, waarbij bij inwerkingtreding een basis wordt gelegd die vergelijkbaar is met het huidige dienstverleningsniveau. Dat kan in de jaren daarna uitgebouwd worden.149

De verantwoordelijkheid voor DSO als geheel berust bij een groot aantal bestuursorganen en andere instanties.

  • De Minister wordt verantwoordelijk voor de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van DSO.

  • Er wordt een bestuursorgaan aangewezen als beheerder van het register omgevingsdocumenten (dat wordt het Kadaster).150

  • De colleges van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten, de dagelijkse besturen van waterschappen en enkele ministers worden verantwoordelijk voor het aanleveren van omgevingsdocumenten.151

  • Het lijkt er op dat het grootste deel van deze taak feitelijk worden verricht door de 25 regionale omgevingsdiensten, onder verantwoordelijkheid van de besturen van provincies en gemeenten.152

  • Verder is het de bedoeling dat de gegevens uit omgevingsdocumenten door tien informatiehuizen (in de toelichting aangeduid als ‘uitvoeringsorganisaties’) worden verrijkt tot informatieproducten.153

  • Daarnaast bevat DSO gegevens over ‘ingediende aanvragen, gedane meldingen, verstrekte gegevens en bescheiden en ingediende andere berichten’; bij amvb zal worden bepaald welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor beheer, toegang en verwerking van persoonsgegevens.154

Met dit grote aantal verantwoordelijken onderscheidt DSO zich van de meeste overheidsdatabanken: het komt er op neer dat enkele honderden bestuursorganen er samen voor dienen te zorgen dat de gegevens in DSO correct, relevant, volledig en actueel zijn. Het Bureau ICT-Toetsing (BIT) constateert dat de stelselcatalogus die is ontwikkeld om de gegevens te standaardiseren 80.000 begrippen bevat. DSO ontsluit bovendien, naast feitelijke gegevens, ook enkele tientallen wetten en honderden lokale regelingen op het hele terrein van het omgevingsrecht.155 De regering heeft dan ook de aanbeveling van het BIT ter harte genomen om DSO in eerste instantie te beperken tot een minimale invulling van het huidige niveau van dienstverlening; er zal worden begonnen met een beperkte set begrippen.156

De Afdeling constateert dat sprake is van grote wederzijdse afhankelijkheid tussen het wettelijke stelsel en het digitale stelsel. Het DSO kan pas operationeel worden als de regelgeving van kracht is. Omgekeerd is uitvoering van de regelgeving zonder operationeel DSO niet mogelijk zonder ingrijpende aanpassing van de bestaande systemen.

a. Betrouwbaarheid van DSO

De Afdeling acht het op zichzelf verstandig om – zoals BIT adviseert – DSO bij invoering te beperken tot het noodzakelijke. Dat laat onverlet dat het stelsel bestuurlijk zeer complex is en dat het risico bestaat dat het, ook na het overwinnen van kinderziektes, niet de kwaliteit en betrouwbaarheid kan leveren die van het stelsel verwacht mag worden. In haar advies over de Miljoenennota 2018 heeft de Afdeling gewezen op de ‘spanning tussen vergaande en fijnmazige beleidsambities en de verwachting dat met ICT-voorzieningen deze hoge ambities kunnen worden waargemaakt, alsook wat voor investeringen in onder andere ICT nodig zijn om deze ambities werkelijk te kunnen realiseren.’157 De totstandkoming van DSO verdient daarom niet alleen in technisch opzicht, maar ook vanuit het perspectief van bestuurlijke verhoudingen de aandacht van alle betrokken overheden, zowel in de komende jaren waarin het stelsel verder wordt voorbereid als in de periode na de inwerkingtreding daarvan.

Het (wetgevings-) proces waarmee de regelgeving tot stand komt, is van andere aard, en wordt ook door andere functionarissen opgesteld, dan het (digitale) proces waarin het DSO wordt ontwikkeld. De Afdeling constateert dat professioneel wordt gewerkt aan het DSO158 volgens de laatste inzichten bij het ontwikkelen van dit soort (grote) ICT-projecten, dat wil zeggen met ruimte voor experimenten, interactie met opdrachtgevers, bestuurders en gebruikers; als het ware in lijn met inzichten dat ICT ‘permanent bèta’ is. Dat verhoudt zich moeilijk met regelgeving die burgers en bestuur juist houvast beogen te bieden, inhoudelijk en procedureel. De Afdeling acht expliciete, transparante aandacht voor deze problematiek van ‘vertaling’ tussen beiden domeinen gewenst. De Afdeling kan zich voorstellen dat op dit punt het eerder genoemde BIT nog een keer om een expliciet advies wordt gevraagd.

Tegen deze achtergrond adviseert de Afdeling om eerst een DSO te testen op het niveau van een minimale invulling van het huidige niveau van dienstverlening, alvorens de stelselherziening en het DSO tegelijkertijd van start gaan.

b. Financiering van DSO

Cruciaal is voorts dat de ontwikkeling van DSO goed georganiseerd is en dat voldoende financiering ook op de langere termijn is gewaarborgd. De ontwikkeling van het DSO zal een zaak van lange adem zijn, zeker nu besloten is bij invoering te volstaan met het noodzakelijke en het systeem gaandeweg verder uit te bouwen.

In de toelichting wordt echter nog niet ingegaan op de financiële gevolgen van DSO. De werking van DSO zal later duidelijker worden en juridisch verankerd worden in het Invoeringsbesluit Omgevingswet. De nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet zal daarom de financiële effecten waaronder de bestuurslasten van het DSO beschrijven.159

De Afdeling adviseert in het bijzonder de bestuurslasten van DSO nu al zo goed mogelijk in kaart te brengen en ook in de toelichting in te gaan op de wijze waarop gewaarborgd is dat deze kosten – met inbegrip van eventuele tegenvallers – structureel zijn gedekt.

c. Toezichtsbevoegdheden

Bij ministeriële regeling zullen standaarden en kwaliteitseisen voor de aan te leveren gegevens worden vastgesteld. Gegevens die daar niet aan voldoen worden geweigerd.160 Als echter een bestuursorgaan niet in staat of bereid is om de vereiste gegevens volgens de juiste standaarden aan te leveren, komt de betrouwbaarheid en volledigheid van DSO in het geding. DSO zal immers gegevens bevatten over één bepaalde locatie die afkomstig zijn van verschillende bestuursorganen.

Het is niet duidelijk welke bevoegdheden de Minister dan effectief kan aanwenden. Zijn bevoegdheid om een instructie te geven aan het bestuur van een provincie, gemeente of waterschap is in dit geval niet van toepassing, omdat die bevoegdheid alleen betrekking kan hebben op een evenwichtige toedeling van functies aan een locatie.161 Wel kan hij de bevoegdheden van het generiek toezicht (indeplaatsstelling, schorsing en vernietiging) inzetten162 (het uitgangspunt dat toezicht wordt uitgeoefend door het naasthogere bestuursorgaan geldt hier niet163), maar dat zijn zware instrumenten die zelden worden toegepast, in een stadium waarin de taakuitoefening al langer tekortschiet.

Bij de invoering van het generiek toezicht is benadrukt dat er in bijzondere wetten niet wordt voorzien in specifieke toezichtsvormen, behalve als daarvoor bijzondere redenen bestaan. Een van die redenen is dat sprake is van ‘uitvoeringsvervlechting’, waarbij een hogere bestuurslaag een eigen wettelijke operationele verantwoordelijkheid heeft en daarbij volledig is aangewezen op een decentrale uitvoeringsorganisatie, zoals bij de veiligheidsregio’s.164 De Afdeling meent dat bij DSO de uitvoering zo sterk is vervlochten dat dat de toekenning van specifieke toezichtsbevoegdheden rechtvaardigt.

Die bevoegdheden zijn – zo meent de Afdeling – niet alleen van belang om de kwaliteit van DSO structureel op peil te houden, maar ook om ervoor te zorgen dat DSO in de invoeringsfase daadwerkelijk tot stand komt. Dat kan reden zijn om voor een dergelijke vorm van toezicht nodige bepalingen eerder in werking te laten treden dan de andere bepalingen van de Invoeringswet.

De Afdeling adviseert de wenselijkheid van een specifiek toezichtregime te bezien en daarbij de vraag te betrekken of dat toezichtregime eerder in werking moet treden.

Reactie op punt 12 van het advies

a. Betrouwbaarheid van DSO

Het DSO is een stelsel waarin diverse partijen samenwerken aan onder meer beschikbaarstelling van informatie, die wordt ontsloten via een landelijke voorziening. Zowel de Afdeling als het Bureau ICT-toetsing (BIT) adviseren om het DSO bij inwerkingtreding te beperken tot het noodzakelijke. De analyse en het advies van de Afdeling op dit punt worden onderschreven. In de reactie op het BIT-advies is aangegeven dat de bouw van het DSO in eerste instantie wordt beperkt tot een minimale invulling van het huidige niveau van dienstverlening, om het van daaruit gecontroleerd verder te bouwen.165 Dat betekent dat bij inwerkingtreding een basis-DSO beschikbaar is, dat een met de huidige situatie vergelijkbaar niveau van dienstverlening biedt. Dit basisniveau biedt, naast het raadplegen van regels uit bijvoorbeeld een omgevingsplan voor een bepaalde locatie, de mogelijkheid om voor veel voorkomende activiteiten op een eenvoudige manier te checken of een vergunning of melding moet worden gedaan. Tot de basis behoort ook de loketfunctie om een omgevingsvergunning aan te vragen, een melding te doen, of aan andere informatieverplichtingen voor burgers en bedrijven te voldoen. Vanuit dit basisniveau zal vervolgens verder worden gebouwd aan het DSO. Deze aanpak zorgt voor een geleidelijke groei van de dienstverlening die het digitaal stelsel biedt. Het basisniveau is in maart 2018 interbestuurlijk vastgesteld. Het wetsvoorstel maakt een stapsgewijze doorontwikkeling vanuit het basisniveau mogelijk.

Bij de ontwikkeling van het digitale stelsel worden de relevante overheidspartijen en experts uit de praktijk nadrukkelijk betrokken. Elk kwartaal worden de resultaten van de ontwikkeling van het DSO aan vertegenwoordigers van verschillende overheden en leveranciers gepresenteerd.

De toenmalige Minister van Infrastructuur en Milieu heeft in haar brief van oktober 2013166 aangegeven dat digitalisering bijdraagt aan het vergroten van het gebruiksgemak en snellere en betere besluitvorming. Ook in de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Omgevingswet is aangegeven dat digitalisering een belangrijk hulpmiddel is voor een goede en eenvoudige uitvoering van de Omgevingswet.167 De Afdeling constateert terecht dat er een wederzijdse afhankelijkheid is tussen ICT en het wettelijk stelsel. Om te zorgen dat het DSO bij inwerkingtreding van het wettelijk stelsel operationeel is, wordt het DSO medio 2019 al opgeleverd. Het biedt dan het interbestuurlijk vastgestelde basisniveau. Op die manier hebben overheden en leveranciers de tijd zich voor te bereiden op het DSO. Tot die tijd zijn overheden en leveranciers steeds betrokken bij de ontwikkeling van systemen en koppelvlakken. Daarbij worden, via praktijkproeven, de ervaringen uit de praktijk betrokken. De plicht om besluiten en andere rechtsfiguren en andere informatie te ontsluiten via de landelijke voorziening ontstaat echter pas bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.

De Afdeling vraagt daarnaast aandacht voor de spanning tussen enerzijds de ICT-ontwikkeling, met ruimte voor experimenten, interactie met opdrachtgevers, bestuurders en gebruikers en anderzijds de ontwikkeling van de regelgeving die burgers en bestuur juist houvast beoogt te bieden. In de werkprocessen en planning wordt hiermee rekening gehouden door ervoor te zorgen dat de benodigde nadere uitwerkingen breed worden gedragen en tijdig gereed zijn (ook in de vorm van ontwerp-uitvoeringsregelgeving) voor feitelijke implementatie. Daarnaast wordt de regelgeving getrapt opgesteld, waarbij uitgangspunten en principes op wetsniveau worden geregeld en de uitwerking bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling plaatsvindt. Dit biedt enerzijds houvast en anderzijds voldoende flexibiliteit, waardoor het mogelijk is om beide stelsels parallel aan elkaar te ontwikkelen.

b. Financiering van DSO

De Afdeling merkt terecht op dat de financiering van het DSO goed gewaarborgd moeten zijn. In het Hoofdlijnenakkoord financiële afspraken stelselherziening omgevingsrecht hebben het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen financiële afspraken gemaakt over de investerings- en de uitvoeringskosten van het digitale stelsel. Daarbij is al rekening gehouden met de stapsgewijze ontwikkeling van het DSO. Deze afspraken zijn gebaseerd op een financieel onderzoek.

In het wetsvoorstel voor de Invoeringswet wordt de basis gelegd voor het DSO. Deze wettelijke basis is nodig om de processen onder de Omgevingswet digitaal te kunnen ondersteunen. De feitelijke invulling van het DSO op basis van de wettelijke grondslagen bepalen uiteindelijk de financiële effecten. Met het IPO, de VNG en de UvW worden hierover afspraken gemaakt.

Voor de verdere ontwikkeling en het beheer van het DSO na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal in het najaar van 2018 een voorstel worden opgesteld. Mede op basis van wettelijke taken en verantwoordelijkheden zal worden bekeken hoe de samenwerking van de betrokken bestuurlijke en andere partijen in het kader van DSO in de beheerfase wordt vormgegeven.

c. Toezichtsbevoegdheden

De Afdeling adviseert de wenselijkheid van een specifiek toezichtregime te bezien en daarbij de vraag te betrekken of dat toezichtregime eerder in werking moet treden.

Conform het advies van de Afdeling is de wenselijkheid van een specifiek toezichtregime bezien. Het advies geeft aanleiding om de overwegingen over het toezichtregime nader toe te lichten. Generiek toezicht in plaats van specifiek toezicht sluit aan bij de Wet revitalisering generiek toezicht. De Omgevingswet en de Wet revitalisering gaan beide uit van vertrouwen. Daarbij past dat medeoverheden zelf verantwoordelijkheid nemen voor de continuïteit en kwaliteit van de informatie die zij aan de landelijke voorziening DSO moeten leveren. In lijn met de kaders voor generiek toezicht vindt de sturing plaats door regels te stellen voor het leveren van informatie met een bepaalde kwaliteit. Met een generieke toezichtsbevoegdheid, en de daaraan voorafgaande interventieladder, wordt de interventiebevoegdheid afdoende geacht. Dit ook omdat bij de inrichting van het strategisch beheer van het DSO aandacht zal worden besteed aan een systeem van kwaliteitszorg, dat vooral op de inhoudelijke kwaliteit gericht zal zijn. Daarbij kan gedacht worden aan het organiseren van monitoring van gegevenskwaliteit door onder meer bestandsvergelijkingen en van ondersteuning van bronhouders bij het oplossen van eventuele gesignaleerde problemen. Aanvullend hierop kunnen afspraken worden gemaakt over een vorm van periodieke zelfcontrole die de bronhouders in hun interne kwaliteitszorg kan ondersteunen. Zo’n aanpak komt overeen met de wijze waarop kwaliteitszorg voor bijvoorbeeld de Basisregistratie adressen en gebouwen is ingericht.

Voor eerdere inwerkingtreding van een toezichtregime en de daaraan onlosmakelijk verbonden regels voor de taakuitoefening als zodanig in het kader van informatievoorziening, voorafgaand aan inwerkingtreding van de wet, wordt geen aanleiding gezien. Voorbereiding op goede taakuitoefening is uiteraard, zoals gebruikelijk, wel onderdeel van de intensieve invoeringsondersteuning.

13. Informatiehuizen en digitale informatieproducten

a. Omschrijving van ‘digitale informatieproducten’

DSO zal, naast omgevingsdocumenten, ook digitale informatieproducten bevatten. Deze producten zullen worden vervaardigd door ‘informatiehuizen’: bestuursorganen of rechtspersonen die bij algemene maatregel van bestuur zijn belast met de taak om zulke producten te vervaardigen.

Het voorstel omschrijft niet wat digitale informatieproducten zijn. Wel zal bij ministeriële regeling worden bepaald welke digitale informatieproducten worden vervaardigd.168

Digitale informatieproducten lijken bedoeld te zijn als een belangrijk instrument om informatie over de fysieke leefomgeving te ontsluiten. Daarom zal tenminste in algemene zin moeten worden geregeld wat onder zulke producten moet worden verstaan. Als dat nu nog niet mogelijk is, is het nog te vroeg om dit onderwerp wettelijk te regelen.169

De Afdeling adviseert het voorstel aan te passen.

b. Wenselijkheid van informatiehuizen in dit stadium

Het BIT heeft grote vraagtekens gezet bij het werken met informatiehuizen: dat maakt het stelsel onnodig ingewikkeld. Het BIT ziet (voorlopig) geen enkele noodzaak om informatiehuizen in te richten, en adviseert om daar pas in een veel later stadium mee aan de slag te gaan als de regering daar aan vast wil houden.170

De Afdeling onderschrijft deze aanbeveling van het BIT. Het belang daarvan wordt onderstreept door de bestuurlijke complexiteit van DSO, een aspect dat door het BIT niet wordt behandeld.

De Afdeling adviseert de inschakeling van informatiehuizen voorlopig uit te stellen.

c. Mededingings- en aanbestedingsrecht

Onverminderd het voorgaande punt, merkt de Afdeling het volgende op.

Informatiehuizen hoeven geen bestuursorganen te zijn: ook andere entiteiten met rechtspersoonlijkheid kunnen met deze taak worden belast. Volgens de toelichting zal altijd worden bekeken of niet de markt in de gebruikersbehoeften kan voorzien in plaats van de overheid met het DSO.171

Bij de vervaardiging van informatieproducten gaat het om een activiteit op een concurrerende (digitale informatie-) markt en dus – waarschijnlijk – om economische activiteiten.172 Indien de markt niet in de gebruikersbehoeften kan voorzien, en een bestuursorgaan deze activiteiten gaat verrichten, komen artikel 25g en volgende van de Mededingingswet ('Markt en Overheid') in beeld.173 Wanneer de Minister een derde selecteert om deze werkzaamheden met uitsluiting van anderen te verrichten, lijkt een vorm van transparante selectie aangewezen. Het verlenen van een opdracht om informatieproducten te vervaardigen komt in feite neer op het plaatsen van een overheidsopdracht en moet dus in beginsel worden aanbesteed.174 Er bestaan (beperkt) mogelijkheden om niet aan te hoeven besteden, bijvoorbeeld door inzet van wetgeving.175

De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de wijze van opdrachtverlening aan de informatiehuizen en op de wijze waarop aan de relevante mededingingsrechtelijke vereisten zal worden voldaan, voor zover opdracht wordt verleend aan een bestuursorgaan.

d. Gevolgen van private uitvoering

Bij het opstellen van de voorwaarden waaronder een opdracht om digitale informatieproducten te vervaardigen wordt verleend, zal rekening moeten worden gehouden met de mogelijkheid dat deze opdracht wordt uitbesteed aan een organisatie buiten de overheid. Die voorwaarden dienen transparant, objectief en non-discriminatoir te zijn en zullen in ieder geval moeten inhouden:

  • dat het digitale informatieproduct objectief en neutraal is. Eventuele beleidskeuzes (bijvoorbeeld bij het modelmatig berekenen van geluidhinder) kunnen alleen worden genomen door de regering als opdrachtgever, zodat de regering over die keuzes verantwoording kan afleggen;

  • dat een particulier informatiehuis bij het ontwikkelen van digitale informatieproducten niet de beschikking krijgt over persoonsgegevens die niet openbaar zijn;176

  • dat beslissingen op een verzoek om gegevens openbaar te maken (WOB-verzoeken) niet worden genomen door een particulier informatiehuis;177

  • dat de digitale informatieproducten vrij toegankelijk zijn en niet worden gefinancierd met advertenties;

  • dat het informatiehuis geen gegevens verzamelt van personen die een digitaal informatieproduct gebruiken.

De Afdeling heeft twijfels of een informatiehuis binnen deze randvoorwaarden doelmatig en doeltreffend kan werken. Zij adviseert dan ook, de mogelijkheid om digitale informatieproducten te laten vervaardigen door ondernemingen buiten de overheid nader te bezien.

Reactie op punt 13 van het advies

Vanwege de samenhang van de onderdelen a, b, c en d worden deze in combinatie behandeld.

Het wetsvoorstel voor de Invoeringswet is, ook op basis van het advies van het BIT, zo aangepast dat het voorstel niet een kader voor een bepaalde organisatie van informatievoorziening regelt. De begrippen ‘informatiehuis’ en ‘informatieproduct’ worden in het voorstel niet meer gebruikt, waarmee aan de opmerkingen van de Afdeling daarover tegemoet is gekomen. Het voorstel regelt de kern die nodig is voor informatievoorziening: grondslagen voor aanwijzing van de informatie die beschikbaar moet worden gesteld, de vorm waarin en de wijze waarop die beschikbaarstelling moet gebeuren en de toedeling van taken daartoe aan betrokken partijen.

Bij aan te wijzen informatie zal het in beginsel gaan om informatie die door diverse overheden wordt ingewonnen in het kader van de eigen taakuitoefening. Het doel hiervan is brede beschikbaarheid van de informatie via een centraal loket, wat in lijn is met het kabinetsbeleid over open data. Voor zover er behoefte bestaat aan bewerkingen van gegevens, zoals verrijking met andere gegevens of aggregatie, biedt het voorstel de mogelijkheid om de taaktoedeling zo vorm te geven dat een inwinnende partij gegevens levert aan een andere partij die tot taak krijgt om zo’n bewerking uit te voeren en de informatie vervolgens ter beschikking te stellen voor ontsluiting via de landelijke voorziening DSO.

Bij de taaktoedeling worden uiteraard de regels van mededingings- en aanbestedingsrecht in acht genomen. Een plicht tot beschikbaarstelling van informatie, in een vorm die digitaal verwerkbaar en raadpleegbaar is, is overigens een publieke taak en geen marktactiviteit. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling over de private uitvoering wordt benadrukt dat niet bedoeld is om taken in het kader van afdeling 20.5 van het wetsvoorstel ook aan particuliere bedrijven op te dragen. Dat naast bestuursorganen ook rechtspersonen kunnen worden aangewezen, komt voort uit het feit dat sommige relevante informatie kan berusten bij organisaties die wel tot de overheid behoren, maar geen bestuursorgaan zijn. De memorie van toelichting is op dit punt verduidelijkt naar aanleiding van het advies.

In paragraaf 2.1.4.4 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Invoeringswet is de regeling over informatievoorziening toegelicht.

14. Verhouding met het stelsel van basisregistraties

Er is in Nederland een stelsel van basisregistraties, dat door de overheid in stand wordt gehouden. Een van de uitgangspunten van het stelsel is dat burgers en bedrijven maar eenmaal wordt verzocht gegevens aan te leveren (‘eenmalige gegevensverstrekking’). Spiegelbeeldig daaraan zijn overheidsinstanties in beginsel verplicht de als authentiek aangemerkte gegevens in een basisregistratie te gebruiken (‘verplicht gebruik’).178 Er zijn basisregistraties voor – onder meer – personen, adressen en gebouwen, topografie en de ondergrond. Het kadaster en het handelsregister zijn eveneens basisregistraties.

DSO zal gegevens ontlenen aan basisregistraties (zoals de Basisregistratie personen, de Basisregistratie grootschalige topografie en de Basisregistraties adressen en gebouwen). De landelijke voorziening zal aan die basisregistraties worden gekoppeld.179

DSO wordt geen basisregistratie, maar gaat wel een centrale rol spelen bij het verzamelen, ordenen en beschikbaar stellen van zeer veel gegevens over de fysieke leefomgeving. Als DSO op termijn steeds meer gegevens zal bevatten, zullen bestuursorganen en burgers DSO gaan gebruiken als primaire informatiebron. Besluiten met soms ver strekkende gevolgen zullen worden gebaseerd op de gegevens in DSO. Zo is DSO natuurlijk ook bedoeld. Dit roept vragen op over de verhouding tussen DSO en het stelsel van basisregistraties, zoals:

  • of DSO op termijn een basisregistratie wordt,

  • of de basisregistraties waar DSO uit put opgaan in DSO,

  • of het beheer over DSO en het beheer over de ruimtelijke basisregistraties zal worden afgestemd.

Het zal nu nog te vroeg om deze vragen te kunnen beantwoorden, maar wel zal voorkomen moeten worden dat een bestaand overheidsstelsel geleidelijk aan van betekenis verandert zonder dat daarover een bewuste beslissing is genomen.

De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de verhouding tussen DSO en het stelsel van basisregistraties op langere termijn.

Reactie op punt 14 van het advies

Basisregistraties bevatten ieder een beperkte set authentieke basisgegevens over objecten of entiteiten (zoals personen, rechtspersonen, gebouwen). Die basisgegevens worden in de registratie bijgehouden voor niet-domeingebonden gebruik. Het gebruik van gegevens uit basisregistraties is voor de overheid in beginsel verplicht. Een doel van het DSO is om diverse informatie over onderdelen van de fysieke leefomgeving te organiseren en via een landelijke voorziening te ontsluiten voor toepassing van de Omgevingswet. Het blikveld van het DSO is daarmee, vanwege de diversiteit van de informatie, breder dan de basisgegevens waar basisregistraties op zien, en het toepassingsbereik beperkter dan dat van basisregistraties. Het DSO heeft dan ook niet tot doel om een nieuwe basisregistratie in te voeren. Evenmin is het de bedoeling dat bestaande basisregistraties opgaan in het DSO. Het gebruik van basisregistraties in het kader van toepassing van de Omgevingswet zal niet anders zijn dan het gebruik in overheidsprocessen binnen andere domeinen. De landelijke voorziening DSO zal uiteraard wel het gebruik van (gegevens uit) relevante basisregistraties technisch kunnen ondersteunen.

15. Bescherming van persoonsgegevens

DSO is openbaar en geeft ondersteuning aan de uitvoering van een taak van algemeen belang. Volgens de toelichting zal DSO persoonsgegevens bevatten. De toelichting gaat slechts kort in op de vraag of DSO voldoet aan de eisen van de Algemene verordening gegevensbescherming.180 Met name wordt niet ingegaan op de vraag of – bij of krachtens de wet – zal worden voorzien in een wettelijke grondslag voor de onderwerpen, genoemd in artikel 6, derde lid, van de AVG. Evenmin wordt ingegaan op de vraag of wordt voldaan aan de bepaling dat persoonsgegevens in beginsel niet zonder menselijke tussenkomst voor een onbeperkt aantal natuurlijke personen toegankelijk worden gemaakt.181

De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen.

Reactie op punt 15 van het advies

Naar aanleiding van het Advies van de Afdeling is de toelichting aangepast. In de toelichting is onder meer uiteengezet op grond van welke wettelijke grondslagen persoonsgegevens kunnen worden verwerkt, voor zover dit noodzakelijk is. Op de vraag van de Afdeling of wordt voldaan aan de bepaling dat persoonsgegevens in beginsel niet zonder menselijke tussenkomst voor een onbeperkt aantal natuurlijke personen toegankelijk worden gemaakt, kan het volgende worden aangegeven. Via het digitaal stelsel wordt in beginsel openbare informatie verstrekt (voor een ieder). Het is niet de bedoeling om persoonsgegevens beschikbaar te stellen aan een onbeperkt aantal natuurlijke personen.

Naast informatieverstrekking aan een ieder zal via de landelijke voorziening, net als nu het geval is, een aanvraag kunnen worden ingediend, een melding kunnen worden gedaan of aan een andere informatieverplichting kunnen worden voldaan. In dat kader worden ook persoonsgegevens verwerkt, maar deze komen niet beschikbaar voor een onbeperkt aantal natuurlijke personen: de aanvraag of melding wordt doorgeleid naar het bevoegd gezag.

In de nota van toelichting bij het voorgenomen Invoeringsbesluit zal nader worden ingegaan op de verwerking van persoonsgegevens en op het beheer van gegevens in de landelijke voorziening. In het Invoeringsbesluit zal immers nog nader bepaald moeten worden welke persoonsgegevens voor welk van de in afdeling 20.5 genoemde doelen in de landelijke voorziening worden verwerkt.

16. Ontsluiting van aanvragen en meldingen via DSO

Het bevoegd gezag geeft kennis van de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze.182 Deze bepaling is ontleend aan artikel 3.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de memorie van toelichting bij de Omgevingswet werd opgemerkt dat publicatie van de aanvraag op internet ook in de lijn van die wet ligt, nu de wet elektronische indiening van de aanvraag mogelijk maakt.183

De Invoeringswet regelt niets over publicatie van de aanvraag in DSO.184 Dat roept de vraag op waarom die mogelijkheid niet wordt benut (waarbij het belang van de bescherming van persoonsgegevens natuurlijk zal moeten worden meegewogen). DSO is immers opgezet om burgers en bedrijven informatie te verschaffen over de fysieke leefomgeving, zodat zij snel zien wat op een locatie wel of niet mag, en zij in een moeite door een aanvraag kunnen indienen of een melding kunnen doen.185 Lopende aanvragen en meldingen bevatten relevante informatie voor zulke gebruikers, ook als niet op voorhand duidelijk is of een aanvraag zal worden gehonoreerd.

De Omgevingswet regelt al dat gegevens over lopende aanvragen en meldingen in DSO aanwezig zijn; bij de totstandkoming van de Wabo is gewezen op de mogelijkheid van ontsluiting via internet. Dit roept de vraag op waarom deze mogelijkheid niet wordt benut.

De Afdeling adviseert in de Invoeringswet te regelen dat gegevens over lopende aanvragen en meldingen (met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens) worden ontsloten voor alle gebruikers, of te motiveren waarom daar op dit moment nog geen mogelijkheid toe bestaat.

Reactie op punt 16 van het advies

Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zal het DSO een basisniveau bieden (zie voor een nadere toelichting ook de reactie op punt 12, onder a, ‘betrouwbaarheid van DSO’). In dit basisniveau zullen gegevens over lopende aanvragen en meldingen niet via het DSO worden ontsloten, zoals in de huidige situatie ook niet het geval is in het Omgevingsloket online. In lijn met het advies van het Bureau ICT-toetsing (BIT) zal het DSO na inwerkingtreding van de Omgevingswet gefaseerd worden doorontwikkeld. In dat kader zal worden bezien hoe en wanneer gegevens over lopende aanvragen en meldingen via het DSO worden ontsloten. Dit is verduidelijkt in paragraaf 2.1.4.3 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Invoeringswet.

E. Unierechtelijke aspecten

17. Richtlijn luchtkwaliteit186

Bij de herimplementatie van Europese richtlijnen in het nieuwe stelsel is steeds de afweging gemaakt waar ruimte wordt gelaten aan het decentrale niveau en wat op nationaal niveau zal worden vastgelegd, conform het subsidiariteitsbeginsel.187 De Afdeling heeft vanuit dat perspectief opmerkingen over de implementatie van de richtlijn luchtkwaliteit.

a. Doorwerking omgevingswaarden

De omgevingswaarden voor luchtkwaliteit in het Bkl sluiten aan bij de grens- en streefwaarden van de richtlijn luchtkwaliteit.188 Die omgevingswaarden werken als volgt door. Op grond van instructieregels in het Bkl moeten bij de vaststelling van bepaalde omgevingsplannen de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit in acht worden genomen. Dat is het geval bij omgevingsplannen die de aanleg van tunnels van ten minste 100 m of van auto(snel)wegen mogelijk maken.189 Daarnaast moet bij omgevingsplannen in de aangewezen aandachtsgebieden190 voor activiteiten en werken die bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxiden en/of PM10, de omgevingswaarden voor die stoffen in acht genomen worden.191 Het Bkl bevat ook instructieregels op grond waarvan aanvragen voor omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten dienen te worden getoetst aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit.192 Deze toets is niet beperkt tot activiteiten in de aangewezen aandachtsgebieden en geldt dus voor heel Nederland. Net als onder de huidige regeling193 geldt dat bij de vaststelling van omgevingsplannen of bij de vergunningverlening geen toets hoeft plaats te vinden indien het gaat om activiteiten die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxide en PM10 in de buitenlucht.194 Naast de instructieregels voor omgevingsplannen en omgevingsvergunningen zijn er programmaplichten: bij (dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde voor luchtkwaliteit moet door het college van burgemeester en wethouders een programma worden vastgesteld dat is gericht op het voldoen aan de omgevingswaarde.195 Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat de systematiek van omgevingswaarden met doorwerking naar besluiten, bezien in combinatie met de programmaplichten, in beginsel geen correcte implementatie van de richtlijn oplevert. De Afdeling vraagt wel aandacht voor het volgende.

b. Normopvulling

Het IPO betoogt in de consultatiereactie bij de ontwerpbesluiten196 dat de systematiek in de hand werkt dat buiten de aandachtsgebieden normopvulling plaatsvindt. Daarmee wordt bedoeld dat in die gebieden activiteiten zouden kunnen worden toegelaten die er aan bijdragen dat steeds hogere totale concentraties van luchtverontreinigende stoffen ontstaan zodat uiteindelijk overschrijding van omgevingswaarden dreigt. Het is de Afdeling op basis van de toelichting niet duidelijk of dat een reële veronderstelling is. Mocht dit het geval zijn, dan is de vraag hoe dit zich verhoudt tot artikel 12 van de richtlijn op grond waarvan lidstaten verplicht zijn in gebieden waar de niveaus van stoffen lager zijn dan de voorgeschreven grenswaarden, de niveaus beneden de grenswaarden te houden en te streven naar bescherming van de beste met duurzame ontwikkeling verenigbare luchtkwaliteit.197

De Afdeling adviseert in de toelichting bij het Bkl op het voorgaande in te gaan, mede in relatie tot de richtlijnverplichtingen, en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

c. Uitvoeringsvraagstukken programmaplicht

Onverminderd het voorgaande, volgt uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de uitvoering van een richtlijn de volledige toepassing ervan moet verzekeren. Hieruit volgt dat een lidstaat ook na vaststelling van maatregelen die een richtlijn naar behoren uitvoeren, gehouden blijft daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn te verzekeren. Dit houdt mede in dat de regelgeving in de praktijk effectief kan worden toegepast en gehandhaafd.198

In punt 8 van dit advies is gesignaleerd dat de gemeente bij de invulling van de programmaplicht voor luchtkwaliteit soms afhankelijk zal zijn van de medewerking van andere overheden en dat dit tot ingewikkelde uitvoeringsvraagstukken zou kunnen leiden. Er is daarom in zoverre reden tot zorg over de effectiviteit van het systeem.

In de toelichting bij het Bkl199 wordt weliswaar opgemerkt dat als sprake is van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheden, van die overheden mag worden verwacht dat zij een bijdrage leveren aan het opstellen van het programma, en voorts dat het kabinet – om de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het verbeteren van de luchtkwaliteit nader te verankeren – voornemens is om bestuurlijke afspraken te maken met gemeenten en provincies in de aandachtsgebieden. Het is de Afdeling echter niet duidelijk hoe medewerking van andere gemeenten en overheden is verzekerd en aldus wordt geborgd dat in geval van een (dreigende) overschrijding van omgevingswaarden passende maatregelen worden getroffen, ‘zodat de periode van overschrijding zo kort mogelijk kan worden gehouden’.200 De Afdeling wijst in dit verband op de mogelijkheid van artikel 3.13 van de Omgevingswet om bij amvb bestuursorganen te verplichten om programma’s gezamenlijk vast te stellen. Het komt de Afdeling voor dat dit een geschikt instrument is voor de luchtkwaliteitsproblematiek.201

Voorts is het volgende van belang. De keuze van de wetgever om de luchtkwaliteitsproblematiek door lokale overheden te laten aanpakken ontslaat het Rijk niet van zijn verantwoordelijkheid op grond van het Unierecht. De rijksoverheid kan zich in voorkomend geval niet beroepen op de decentrale aanpak en de eigen verantwoordelijkheden dienaangaande van andere overheden. Tegenover de Europese Unie blijft de lidstaat Nederland verantwoordelijk voor de naleving van het Unierecht.202 In het geval een gemeente bij een overschrijding van de omgevingswaarde niet (tijdig of adequaat) voldoet aan haar programmaplicht staan het Rijk – als de Afdeling het goed ziet – binnen de systematiek van de Omgevingswet geen specifieke instrumenten ter beschikking om in te grijpen. Het Rijk is dus aangewezen op het generiek toezichtinstrumentarium tot vernietiging van besluiten en indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing die voortvloeien uit de Gemeentewet en Provinciewet en in uiterste gevallen de mogelijkheden die de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten biedt.

Tegen de achtergrond van het voorgaande adviseert de Afdeling in de toelichting de systematiek van programmaplichten in relatie tot richtlijn 2008/50/EG nader toe te lichten en het voorstel zo nodig aan te passen, bijvoorbeeld door in het Bkl toepassing te geven aan de mogelijkheid om bestuursorganen te verplichten om programma’s gezamenlijk vast te stellen.

Reactie op punt 17 van het advies

a. Doorwerking omgevingswaarden

Het is goed te constateren dat de Afdeling geen aanwijzingen heeft dat de voorgestelde herimplementatie van de richtlijn luchtkwaliteit correctie zou behoeven voor de doorwerking naar besluiten. De gemaakte keuzes voor de doorwerking van omgevingswaarden blijven ongewijzigd.

b. Normopvulling

De Afdeling haalt de consultatiereactie van het IPO aan, waarin het IPO stelt dat het systeem zou aanzetten tot normopvulling voor luchtkwaliteit buiten de aandachtsgebieden. De Afdeling stelt de vraag aan orde of dit juist is en hoe deze veronderstelling zich verhoudt tot artikel 12 van de richtlijn luchtkwaliteit. Artikel 12 bepaalt dat in gebieden waar de niveaus van bepaalde stoffen in de lucht lager zijn dan de voorgeschreven grenswaarden, de lidstaten de niveaus van die stoffen beneden de grenswaarden moeten houden en ernaar moeten streven de beste met duurzame ontwikkeling verenigbare luchtkwaliteit te beschermen.

Het nieuwe systeem zet niet aan tot normopvulling. In het stelsel van de wet zijn verschillende waarborgen ingebouwd om normopvulling en (dreigende) overschrijdingen te voorkomen. De eerste waarborg betreft de plicht in wet dat omgevingswaarden moeten worden gemonitord en dat een programma bij een (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarde moet worden opgesteld. Om te voorkomen dat een programma moet worden opgesteld, zullen bestuursorganen extra alert zijn op normopvulling. De programmaplicht volstaat om artikel 12 van de richtlijn te implementeren. Ook onder het huidige recht volstaat de implementatie van deze bepaling via een programmaplicht bij een dreigende overschrijding (artikel 5.12, eerste lid, Wet milieubeheer).

Een tweede waarborg is dat de bescherming van de fysieke leefomgeving veelal op voorhand is geregeld met algemene regels voor milieubelastende activiteiten in het Bal.203 Met die regels worden beste beschikbare technieken voorgeschreven om de nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen of beperken. Dit leidt tot een rem op normopvulling, ongeacht de keuzes die in een gebied worden gemaakt om de beschikbare gebruiksruimte tussen activiteiten en locaties te verdelen.

Een derde waarborg betreft de mogelijkheden voor gemeenten en provincies om eigen omgevingswaarden te stellen. Hierdoor kan lokaal verder gewerkt worden aan een verdere verbetering van de luchtkwaliteit, ook beneden de rijksomgevingswaarde. Ook is het mogelijk om een aanvullende omgevingswaarde vast te stellen voor een parameter die niet door het Rijk is genormeerd, zoals voor roet. Deze verschillende mogelijkheden dragen bij aan het behoud van een goede kwaliteit, de verbetering van een slechte kwaliteit of het beheer van een bepaald kwaliteitsniveau in een dynamisch gebied.

Wel is het zo dat, net als in het huidige recht, een toename van concentraties door activiteiten mogelijk is op locaties waar aan de rijksomgevingswaarde wordt voldaan, zolang een activiteit maar niet tot een overschrijding daarvan leidt.

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is paragraaf 5.2.1 van de nota van toelichting bij het Bkl verduidelijkt en aangevuld.

c. Uitvoeringsvraagstukken programmaplicht

De Afdeling adviseert om te overwegen om de voorziene programmaplicht voor de gemeente te vervangen door een gezamenlijke programmaplicht voor het Rijk en de desbetreffende gemeente. Naar aanleiding hiervan wordt aangegeven dat het gaat om lokale en specifieke luchtkwaliteitsproblemen voor fijnstof en stikstofdioxide, zoals locaties rondom veehouderijen of lokale wegen. De primaire verantwoordelijkheid ligt daarom bij de gemeente. Voor stoffen met een sterk gemeentegrensoverschrijdend karakter ligt de programmaplicht bij het Rijk of de provincie. Wanneer de programmaplicht voor de eerstgenoemde stoffen ook bij het Rijk zou komen te liggen, zou dit het onwenselijke gevolg hebben dat het Rijk voor de resterende knelpunten zou meebeslissen over in het programma op te nemen verkeersmaatregelen op straatniveau. Gemeenten zijn, gegeven de aard en omvang van eventuele (dreigende) overschrijdingen van de omgevingswaarden, het best in staat maatregelen te treffen die lokale overschrijdingen wegnemen.204

Bovendien is het bij deze stoffen niet op voorhand te zeggen welke bestuursorganen naast de gemeente betrokken zijn bij een specifieke overschrijdingssituatie of activiteit. Naast of in plaats van het Rijk kunnen ook buurgemeenten, waterschappen of provincies betrokken zijn. Het maken van een algemene regeling die op alle specifieke situaties ziet is daarom niet realistisch. In de praktijk weten overheden elkaar te vinden. Het Rijk neemt hierin zijn verantwoordelijkheid en blijft actief betrokken.205 Artikel 2.2 van de Omgevingswet, dat bepaalt dat bestuursorganen rekening met elkaar moeten houden en zo nodig moeten afstemmen, onderstreept het belang van afstemming en samenwerking.

Paragraaf 7.1 van de nota van toelichting bij het Bkl is op dit punt verder verduidelijkt.

18. Kaderrichtlijn Water (Krw)206

Artikel 4, eerste lid, van de Krw bepaalt onder meer dat vanaf 2015 voor alle oppervlakte- en grondwaterlichamen in principe een ‘goede oppervlaktewatertoestand'207 respectievelijk ‘goede grondwatertoestand'208 moet zijn bereikt. De goede watertoestand is bereikt wanneer aan meerdere eisen voor concentraties en parameters wordt voldaan. Daarbij wordt bij een goede oppervlaktewatertoestand onderscheid gemaakt tussen de ‘goede chemische toestand’ en de ‘goede ecologische toestand’ en bij een goede grondwatertoestand tussen de 'goede chemische toestand' en de 'goede kwantitatieve toestand'. De toestand van een waterlichaam wordt bepaald door de laagste klasse van de chemische of ecologische toestand (oppervlaktewater) dan wel chemische of kwantitatieve toestand (grondwater) waarin het waterlichaam verkeert.209 Om de goede toestand te bereiken gelden voor de waterkwaliteit van een krw-oppervlaktewaterlichaam de omgevingswaarden genoemd in de artikelen 2.12 en 2.13 van het Bkl. Artikel 4.13 van het Bkl bepaalt dat met de vaststelling van een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma en het nationale waterprogramma210 tijdig moet worden voldaan aan deze omgevingswaarden.211

De ontwikkeling en het tijdig bereiken van deze omgevingswaarden wordt gevolgd door monitoring.212 Als de resultaten van de monitoring daarvoor aanleiding geven, moeten de waterprogramma’s worden aangepast.213 Blijkens de toelichting dient dit bij de eerstkomende of daaropvolgende herziening te geschieden.214Daarbij kan gekozen worden voor het opnemen van extra of andere maatregelen, zodat wel aan de omgevingswaarde kan worden voldaan.

Naast deze doelstelling van het bereiken van een goede toestand legt artikel 4, eerste lid, van de Krw voor oppervlakte- en grondwaterlichamen tevens de verplichting op om achteruitgang van de toestand te voorkomen.215 Deze doelstelling moet blijkens artikel 4.15 van het Bkl worden bereikt via het instrument van de waterprogramma’s.216 Hierdoor is de eis van ‘geen achteruitgang’ een onderdeel van de beleidscyclus (gekoppeld aan de programma’s) en gekoppeld aan de verplichting om met behulp van deze programma’s te voldoen aan de omgevingswaarden van de goede toestand in krw-oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen.

Het Bkl legt ten slotte de verplichting op dat een wateractiviteit217, waarop een aangevraagde omgevingsvergunning betrekking heeft, verenigbaar moet zijn met de in artikel 8.85 van het Bkl genoemde belangen, waarbij rekening wordt gehouden met de waterprogramma's die zijn vastgesteld voor het deel van het watersysteem waarop de aanvraag betrekking heeft. Aanvragen voor omgevingsvergunningen worden dus niet rechtstreeks getoetst aan de aan de Krw ontleende waterkwaliteitsnormen, maar aan de waterprogramma's. In de toelichting bij het Bkl218 staat dat als bij de beoordeling van een aanvraag aan de hand van de relevante waterprogramma’s blijkt dat er – gelet op de bestaande waterkwaliteit, de overige maatregelen en de daarin geformuleerde doelstellingen – geen ruimte meer is voor nieuwe projecten of activiteiten, de omgevingsvergunning geweigerd moet worden. Deze werkwijze is in lijn met jurisprudentie van het Hof van Justitie, aldus de toelichting.

De Afdeling merkt op dat uit de jurisprudentie van het Hof219 volgt dat artikel 4, eerste lid, van de Krw dwingend voorschrijft dat lidstaten ook bij de vergunningverlening voor een specifiek project de nodige maatregelen ten uitvoer leggen ter voorkoming van achteruitgang van de toestand van alle oppervlaktewaterlichamen. Het gaat niet om slechts in programmatische bewoordingen geformuleerde, eenvoudige doelstellingen van beheersplanning. Dit betekent dat een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een wateractiviteit dient te worden geweigerd als dit project in strijd is met de doelstellingen van geen achteruitgang en het bereiken van een goede toestand. Hoewel in artikel 8.85 van het Bkl – dat ziet op de aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning – is bepaald dat rekening moet worden gehouden met de waterprogramma's waarin beide doelstellingen uit de Krw zijn opgenomen, biedt dit volgens de Afdeling beoordelingsruimte voor het bevoegd gezag.220 Hiermee is niet verzekerd dat een omgevingsvergunning wordt geweigerd als dit project in strijd is met de doelstellingen van geen achteruitgang en het bereiken van een goede toestand.

Tegen deze achtergrond adviseert de Afdeling in artikel 8.85 van het Bkl te voorzien in een dwingende toetsing aan de waterprogramma's.

Reactie op punt 18 van het advies

De opmerkingen van de Afdeling zijn aanleiding geweest om opnieuw naar de relatie tussen Krw-doelen, waterprogramma’s en beoordelingsregels te kijken. Dat heeft ertoe geleid dat artikel 8.85 Bkl (artikel 8.84, nieuw) is aangepast. Met de aanpassing blijft wettelijk geborgd dat een vergunning niet verleend kan worden als er strijd ontstaat met de Krw-verplichtingen. Anders dan de Afdeling adviseerde is niet voorzien in direct dwingende toetsing aan waterprogramma’s, vanwege de daaraan verbonden nadelen. De doorwerkingsconstructie waarbij ‘rekening moet worden gehouden’ met deze programma’s bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten is in de eerste plaats van belang omdat daarin het algemene waterbeleid is vastgelegd. Dit betreft een veel breder spectrum dan alleen het waterkwaliteitsbeleid zoals dat is vastgesteld ter implementatie van de Krw. Gemotiveerd afwijken in concrete gevallen moet hiervoor mogelijk blijven. Daarnaast is veel van dit beleid in te algemene termen geformuleerd om te kunnen werken met de dwingender doorwerkingsconstructie ‘in acht nemen’. In paragraaf 11.10 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl is verduidelijkt hoe genoemd artikel zich verhoudt met de regulering onder de Waterwet.

Artikel 8.85 (artikel 8.84, nieuw) ziet, anders dan de beoordelingsregels van de Waterwet, alleen op wateractiviteiten die het Rijk vergunningplichtig stelt. Om een goede implementatie van de Krw te borgen zullen de hier opgenomen regels ook moeten gelden voor omgevingsvergunningen voor activiteiten met gevolgen voor een watersysteem die in een waterschapsverordening of omgevingsverordening in het leven worden geroepen. Daarom zijn de artikelen 6.2 en 7.12 in het Bkl ingevoegd, die regelen dat waterschappen respectievelijk provincies verplicht zijn om aan te sluiten bij het generieke toetsingskader voor vergunningen voor wateractiviteiten op rijksniveau, voor zover dat voortvloeit uit de kaderrichtlijn water.

De opmerkingen van de Afdeling hebben verder nog tot enkele aanpassingen in artikel 4.15 van het Bkl geleid. Deze aanpassingen zijn opgenomen om te verduidelijken dat de bepaling in overeenstemming is met jurisprudentie van het Hof van Justitie waarnaar de Afdeling verwijst.

F. Nadeelcompensatie

In het wetsvoorstel is voorzien in een nieuw systeem voor nadeelcompensatie voor het omgevingsrecht. Dit systeem bevat een specifieke regeling ten opzichte van de nog in werking te treden Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten.221 In het algemeen deel van dit advies is reeds ingegaan op het onderdeel nadeelcompensatie in het kader van houvast voor burgers en bedrijven in het licht van globale en flexibele omgevingsplannen. Daarnaast worden hier enkele specifieke opmerkingen gemaakt.

19. Schaduwschade

In de huidige systematiek is onder meer het bestemmingsplan een schadeveroorzakend besluit. Dat heeft tot gevolg dat na vaststelling van het plan (tot vijf jaar nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden) degenen die menen schade van dat plan te ondervinden, een verzoek tot vergoeding daarvan kunnen doen. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek, werd de in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen juridische situatie vergeleken met de juridische situatie onder het voorgaande plan. Daardoor ging het in beginsel om hypothetische schade, op basis van een vergelijking van de maximale mogelijkheden in de plannen.

Doordat in de voorgestelde systematiek geen verzoek om schadevergoeding kan worden gedaan nadat het plan onherroepelijk is geworden, maar pas als uitvoering aan het plan wordt gegeven, kan er sinds dat moment veel tijd verstrijken tot het moment dat een dergelijk verzoek kan worden gedaan. In de tussentijd kan dit echter wel effecten voor belanghebbenden hebben.

a. Berekening van de schade

Aan het omgevingsplan kan uitvoering worden gegeven door verlening van een vergunning of door feitelijk handelen. Voor feitelijk handelen wordt de wijze van vaststelling van schade bepaald aan de hand van een vergelijking van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor en na het tijdstip van informatieverstrekking, dan wel het tijdstip van het begin van de activiteiten.222 De wijze van vaststellen van de schade bij vergunningverlening, wordt niet in de wet geregeld. In de toelichting wordt vermeld dat dat de schade wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de waarde van de onroerende zaak direct voor en direct na de verlening van de omgevingsvergunning.

De Afdeling mist hierbij een nadere toelichting van de wijze waarop bij de berekening van de waarde van de onroerende zaak rekening kan worden gehouden met het effect van waardevermindering door schaduwschade. De praktijk leert dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de indirecte schade in de vorm van waardevermindering geleidelijk ontstaat en toeneemt. Zo kan een eerste schade ontstaan door publicatie van een beleidsdocument, zoals een omgevingsvisie, waarin die ontwikkeling wordt beschreven. De schade zal waarschijnlijk toenemen, wanneer diezelfde ontwikkeling in een omgevingsplan wordt opgenomen. De schade zal waarschijnlijk weer verder toenemen wanneer een vergunning wordt verleend ter uitvoering van dat plan dan wel wanneer de feitelijke uitvoering plaats vindt. Wanneer de feitelijke situatie direct vóór en direct na de vergunningverlening of de uitvoering worden vergeleken ter bepaling van de schade, zou dat betekenen dat de eerdere waardevermindering (door de omgevingsvisie en het omgevingsplan) buiten beschouwing blijft. Dat lijkt niet redelijk en is waarschijnlijk niet de bedoeling. Voornoemde potentiele waardevermindering acht de Afdeling des te meer van belang gelet op de verhoging van het forfaitaire bedrag voor het normaal maatschappelijk risico, waaraan hierna aandacht zal worden besteed.

De Afdeling adviseert de grondslag van de schadeberekening in geval van vergunningverlening alsnog in de wet vast te leggen. Daarnaast adviseert de Afdeling om in de toelichting daarbij evenals in de toelichting bij het feitelijk handelen nader in te gaan op de waardeberekening in het licht van de schaduwschade.

b. Uitzondering bij verkoop van woning

In het voorstel is een bepaling opgenomen om deze effecten deels te mitigeren in geval van aankoop van een woning.223 Op grond hiervan wordt aan degene die een woning koopt na de vaststelling van een omgevingsplan niet tegengeworpen dat hij het risico heeft aanvaard op schade door het plan. Hij kan dus op het moment dat uitvoering wordt gegeven aan het plan, nog steeds om vergoeding van de op grond daarvan ontstane schade vragen. De toelichting vermeldt dat verkoper en koper naar verwachting met het behoud van het recht op schadevergoeding rekening zullen houden bij de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak.224

De Afdeling constateert dat enerzijds hierdoor de kans bestaat dat de koper een vergoeding krijgt voor schade die nooit is geleden, namelijk als de planologische ontwikkeling en/of schade voor de verkoper zelf wel voorzienbaar was en is verdisconteerd in de prijs die de verkoper heeft betaald. Anderzijds is de tegenhanger van deze keuze dat degene die de woning verkoopt voordat het omgevingsplan wordt uitgevoerd, geen mogelijkheid heeft om schadevergoeding te vragen. Nu er wel reeds een omgevingsplan is vastgesteld waarin bepaalde mogelijkheden zijn opgenomen, zal dit effecten hebben op de marktwaarde van de woning, die de verkoper niet vergoed kan krijgen.225 De Afdeling betwijfelt dan ook de in de toelichting neergelegde fictie dat de koper de reguliere prijs zal betalen, en na uitvoering van het plan de schade zelf kan claimen.

De Afdeling adviseert te overwegen in het voorstel een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat nadeelcompensatie pas mogelijk is bij vergunningverlening of uitvoering, en wel voor het geval een onroerende zaak wordt verkocht na vaststelling van het omgevingsplan, maar voordat vergunning wordt verleend dan wel de feitelijke uitvoering ter hand wordt genomen. In dat geval wordt de indirecte schade immers al manifest op een eerder moment.226 In een dergelijke situatie zou een representatieve, redelijkerwijs te verwachten invulling van het plan vergeleken moeten worden met een representatieve invulling van de oude planologische situatie. Die vergelijking levert dan het nadeel voor de verkoper op. Aan de koper, die de koopprijs zal hebben afgestemd op het nieuwe omgevingsplan, kan dan uiteraard in zoverre de voorzienbaarheid van (de representatieve invulling van) het plan worden tegen geworpen. Bij een representatieve invulling zou bij gebleken hogere feitelijke schade een nader verzoek van de koper om schadevergoeding mogelijk moeten zijn. De Afdeling realiseert zich daarbij dat hiermee een afwijking van de nieuwe systematiek zou ontstaan, doch dit is slechts nodig voor bijzondere situaties als correctie op het algemene regime.

De Afdeling adviseert het voorstel op dit punt aan te passen.

Reactie op punt 19 van het advies

a. Berekening van de schade

De Afdeling adviseert om, in het geval dat de omgevingsvergunning de schadeoorzaak is, de grondslag van de schadeberekening alsnog in de wet vast te leggen. Hoewel ook voor de gevallen dat de omgevingsvergunning de schadeoorzaak is, de grondslag al blijkt uit het systeem van nadeelcompensatie dat volgt uit het voorgestelde artikel 15.1 van de Omgevingswet, bestaat tegen het expliciet opnemen van een dergelijke grondslag geen bezwaar. Het legt voor gevallen van indirecte schade in de vorm van waardevermindering van een onroerende zaak de peildatum vast, en biedt burgers en bedrijven op dat punt meer houvast. Daarom is het wetsvoorstel conform het advies van de Afdeling aangevuld met een nieuw artikel 15.3 (schadebepaling als een omgevingsvergunning is vereist).

De Afdeling adviseert daarnaast om in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel voor de Invoeringswet nader in te gaan op de waardeberekening in het licht van schaduwschade. De toelichting is op dit punt aangevuld.

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling wordt nog opgemerkt dat de lijn die in het wetsvoorstel voor de Invoeringswet is gekozen, is dat schade wordt vergoed op basis van activiteiten die daadwerkelijk worden verricht en niet op basis van plannen. Inherent aan die lijn is dat tussentijdse waardeschommelingen – ten voor- of nadele van de burger – niet bij de vaststelling van de schade worden betrokken.

Verwacht wordt dat het effect van het omgevingsplan op tussentijdse waardeschommelingen beperkt zal zijn. Het omgevingsplan is maar één van de factoren die van invloed zijn op de waarde van een onroerende zaak. De waarde van een onroerende zaak wordt ook bepaald door andere factoren, zoals de ligging van de zaak en algemene economische en financiële ontwikkelingen. Bijvoorbeeld als sprake is van een hoogconjunctuur in de economie. In de regel zal de schade zich pas manifesteren als een activiteit op grond van het omgevingsplan daadwerkelijk wordt verricht.

Het effect dat de Afdeling hier beschrijft kan zich overigens ook onder de geldende wetgeving voordoen. Artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening kent al een aantal mogelijkheden om het aangrijpingspunt van bestemmingsplan naar uitwerking of binnenplanse afwijking te verleggen. Niet gebleken is dat dit effect in de praktijk tot onredelijke uitkomsten leidt.

b. Uitzondering bij verkoop van woning

In het wetsvoorstel voor de Invoeringswet wordt ten opzichte van de geldende wetgeving voorgesteld om het moment dat om vergoeding van (indirecte) schade kan worden gevraagd, te verleggen van de inwerkingtreding van een plan naar het moment dat een omgevingsvergunning wordt verleend of met een activiteit is begonnen.227 Op grond van de geldende wetgeving wordt schade vergoed aan de hand van de maximale mogelijkheden die het plan biedt, ook als later blijkt dat niet van alle mogelijkheden gebruik is gemaakt. Schadevergoeding op basis van planmaximalisatie wordt als een belemmering gezien voor het maken van globale bestemmingsplannen, omdat het risico op schade aanzienlijk is. Het voorstel tot het verleggen van het moment dat om schadevergoeding kan worden verzocht, leidt tot een realistischer schadevergoeding, waarmee de praktijk naar verwachting beter uit de voeten kan en belemmeringen voor het maken van globale en flexibele omgevingsplannen worden weggenomen.

Het wetsvoorstel voorziet ook in een regeling voor gevallen waarbij het schadevergoedingsmoment wordt verlegd naar de vergunning of de activiteit en de koper niet beroeps- of bedrijfsmatig handelt. In die gevallen heeft de koper het risico niet aanvaard als hij aankoopt na vaststelling van het omgevingsplan.228 Het recht op schadevergoeding blijft zo behouden en gaat van de verkoper over op de koper. Naar verwachting wordt een mogelijk waardedrukkend effect van nog niet benutte mogelijkheden van een omgevingsplan met deze regeling ten minste in enige mate beperkt. Een dergelijke regeling kan bijdragen aan een vermindering van nadelige effecten die omgevingsplan mogelijk kan hebben.

De Afdeling adviseert een uitzondering te maken op het verleggen van het schademoment voor de gevallen dat de verkoper de onroerende zaak verkoopt in de periode dat een omgevingsplan in werking is getreden, maar nog geen vergunning voor de activiteit is verleend of nog niet met de activiteit is begonnen. De situatie waarop de geadviseerde uitzondering op het verleggen betrekking heeft, kan zich in de praktijk vaak voordoen. Verwacht wordt dat de situatie dus niet uitzonderlijk zal zijn. Als het advies van de Afdeling zou worden overgenomen, wordt afbreuk gedaan aan het voorstel om het moment dat om schadevergoeding kan worden verzocht, te verleggen van plan naar vergunning of het verrichten van de activiteit. Inpassing van het advies van de Afdeling in het wetsvoorstel zou leiden tot een hybride stelsel, waarbij schadevergoeding zowel na vaststelling van het omgevingsplan als na vergunningverlening of verrichting van de activiteit mogelijk is. De risico’s op schade zouden daardoor weer toenemen. Daardoor dreigt opnieuw een belemmering voor globale planvorming te ontstaan. Om die belemmering weg te nemen, is juist een schaderegeling beoogd die beter aansluit op wat er in werkelijkheid gebeurt.

Bij een hybride systeem worden in de praktijk ook diverse uitvoeringsproblemen verwacht. Het is namelijk lastig om al bij het vaststellen van een omgevingsplan te bepalen wat de ‘redelijkerwijs te verwachten invulling’ zal zijn. Dat geldt zeker voor een omgevingsplan met een brede reikwijdte dat veel ruimte laat aan burgers en bedrijven om te komen met eigen initiatieven. Ook verdient een schadesysteem met één schademoment de voorkeur boven een situatie met meerdere schadeoorzaken. Dat zou tot onduidelijkheid voor betrokkenen en hogere bestuurslasten kunnen leiden. Met de door de Afdeling voorgestelde uitzondering kan schadevergoeding zowel door de verkoper worden verkregen bij verkoop van de onroerende zaak, als daarna door de koper als de vergunning is verleend of de activiteit daarna wordt verricht. Daarbij kunnen diverse toerekeningsvragen opkomen, zoals de vraag welk deel van de schade aan het omgevingsplan en welk deel aan de omgevingsvergunning kan worden toegerekend, of welk deel van de schade kan worden verhaald op de initiatiefnemer. Om de genoemde redenen is het wetsvoorstel op het onderdeel van het verleggen van het schademoment niet aangepast.

20. Opeenvolgende schademomenten

In het wetsvoorstel is geen verjaringstermijn opgenomen. Daarmee zal de regeling in de nog niet in werking getreden Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten op dat punt gaan gelden. Op grond daarvan kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen indien op het tijdstip van de aanvraag vijf jaren zijn verstreken na aanvang van de dag na die waarop de benadeelde bekend is geworden zowel met de schade als met het voor de schadeveroorzakende gebeurtenis verantwoordelijke bestuursorgaan, en in ieder geval na verloop van twintig jaren nadat de schade is veroorzaakt. Indien een aanvraag betrekking heeft op schade veroorzaakt door een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, vangt de termijn van vijf jaren niet aan voordat dit besluit onherroepelijk is geworden.229

De Afdeling merkt op dat nu niet langer het plan het schademoment creëert, er meerdere schadeveroorzakende momenten kunnen ontstaan. Bijvoorbeeld door het stapsgewijs vergunnen van een woonwijk of een bedrijventerrein, of het binnen een pand diverse malen wijzigen van het gebruik. In het voorstel wordt wel aandacht besteed aan anticumulatie van het forfait in die situatie,230 maar lijkt ervan te worden uitgegaan dat een betrokkene bij iedere wijziging opnieuw schadevergoeding moet vragen. Daarbij wordt geen aandacht besteed aan de vraag of belanghebbenden hun claims ook kunnen ‘opsparen’ en pas voor het eerst verzoeken om schadevergoeding na een serie van ontwikkelingen. Het lijkt dan niet redelijk om een beperkte invulling aan de nog in werking te treden bepaling van de Awb te geven, waarbij aan belanghebbenden wordt tegengeworpen niet bij de eerste uitvoeringshandeling reeds om schadevergoeding te hebben verzocht.

De Afdeling adviseert om hier nader op in te gaan in de toelichting.

Reactie op punt 20 van het advies

In paragraaf 2.1.2.6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 15.7, tweede en derde lid, (nieuw) bij het wetsvoorstel voor de Invoeringswet is conform het advies van de Afdeling ingegaan op de vraag onder welke omstandigheden benadeelden hun aanvraag om schadevergoeding kunnen opsparen zonder de verjaring van hun vordering tegengeworpen te krijgen.

De voorgestelde nadeelcompensatieregeling biedt de benadeelde de keuze tussen het doen van een gebundelde aanvraag om schadevergoeding of het doen van opeenvolgende aanvragen als verschillende oorzaken de schade hebben veroorzaakt. Die keuze is er overigens alleen als voor ieder van de schadeoorzaken hetzelfde bestuursorgaan bevoegd is op de aanvraag om schadevergoeding te beslissen.

De toepasselijkheid van artikel 4:131 Awb heeft tot gevolg dat een verzoek om schade vijf jaar na het onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit, of tot vijf jaar (en in ieder geval na verloop van twintig jaar) na het bekend worden met de schade en het verantwoordelijke bestuursorgaan, kan worden afgewezen door het bestuursorgaan. De keuze om de aanvang van de verjaringstermijn te koppelen aan een afzonderlijke schadeoorzaak is gemaakt bij de totstandkoming van titel 4.5 Awb. Daarbij is bepaald dat het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om schadevergoeding niet verplicht, maar bevoegd is om de aanvraag af te wijzen als de verjaringstermijn is verstreken.

Degene die schade ervaart hoeft niet direct in actie te komen door een aanvraag om schadevergoeding in te dienen. Hij kan eerst een ontwikkeling verder afwachten en daarna een gebundelde aanvraag om schadevergoeding indienen. Verwacht mag worden dat een termijn van vijf jaar in het algemeen voldoende zal zijn om een aanvraag om schadevergoeding in te dienen naar aanleiding van besluiten en activiteiten die met elkaar samenhangen. Mocht de termijn voor een of meerdere schadeoorzaken toch zijn verstreken, dan kan het bestuursorgaan de aanvraag om schadevergoeding deels afwijzen, maar dat is niet verplicht.

Het voorgestelde artikel 15.6, tweede en derde lid, (artikel 15.7, tweede en derde lid, (nieuw)) van de Omgevingswet bevat voorzieningen om tegemoet te komen aan de benadeelde die wordt geconfronteerd met verschillende schadeoorzaken die met elkaar samenhangen.

Als de benadeelde een gebundelde aanvraag indient, die ziet op schade ontstaan door meerdere schadeveroorzakende besluiten die onderling met elkaar samenhangen, wordt het wettelijke forfait van het voorgestelde artikel 15.6, eerste lid, (artikel 15.7, eerste lid, (nieuw)) toegepast op het totale schadebedrag van die gebundelde aanvraag. Voor een gebundelde aanvraag om schadevergoeding kan bijvoorbeeld gedacht worden aan schade door de bouw van een woning in de plaats van een verouderde bedrijfsloods, waarvoor een boom moet worden gekapt, en waaraan later een garage met uitweg wordt toegevoegd. Het forfait wordt in die gevallen dus niet op iedere schadeoorzaak afzonderlijk toegepast, maar op het gehele schadebedrag van de verschillende oorzaken tezamen.

De aanvrager kan ook afzonderlijke aanvragen om schadevergoeding indienen. Het bestuursorgaan dat de aanvragen om schadevergoeding ontvangt, kan ambtshalve of op verzoek toepassing geven aan artikel 15.6, derde lid, (artikel 15.7, derde lid, (nieuw)) en het forfait slechts eenmaal toepassen op schade door meerdere besluiten.

Het voorgestelde artikel 15.6, tweede en derde lid, (artikel 15.7, tweede en derde lid, (nieuw)) van de Omgevingswet en de daarbij behorende toelichting zijn naar aanleiding van het advies van de Afdeling verduidelijkt.

21. Forfait

In het voorstel wordt bij indirecte schade het normaal maatschappelijk risico op in ieder geval vijf procent gesteld (forfait).231 Volgens de toelichting is de reden voor het vaststellen van een forfait de behoefte aan voorspelbaarheid van de uitkomsten van schadeprocedures en wordt de rechtszekerheid vergroot.232 Verder wordt overwogen dat in de praktijk geregeld een hoger percentage dan het thans op grond van de Wro bestaande minimumforfait van twee procent in mindering wordt gebracht op de schade.

De Afdeling constateert dat in de nog niet in werking getreden Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten geen forfait voor het normaal maatschappelijk risico is opgenomen. Met de verhoging voor het omgevingsrecht van twee naar vijf procent wordt de drempel voor vergoeding verhoogd: door de vaststelling op vijf procent zullen er gevallen zijn die onder het huidige recht wel een beroep op schadevergoeding kunnen doen, maar dat onder het nieuwe recht niet meer zullen kunnen. Op zichzelf is het voorzien in meer duidelijkheid en voorspelbaarheid van de uitkomst van schadevergoedingsprocedures een goede ontwikkeling. De Afdeling ziet evenwel niet in hoe het vaststellen van het forfait op in ieder geval op vijf procent dit bereikt, nu dan even goed als de vaststelling op minimaal twee procent ruimte laat om het hoger vast te stellen. Het enige dat bereikt wordt is dat in ieder geval niet onder de vijf procent kan worden gegaan. De Afdeling meent dat als beoogd is de rechtszekerheid en voorspelbaarheid te dienen, het percentage vastgesteld zou moeten worden zonder een afwijkingsmogelijkheid om toch een hoger percentage aftrek vast te stellen. Zo de regering meent dat er op voorhand situaties zijn waar dit tot ongewenste resultaten zou leiden, kan ervoor worden gekozen voor andere categorieën een ander percentage vast te stellen.

De Afdeling adviseert in artikel 15.6, eerste lid, de woorden ‘in ieder geval’ te schrappen en zo nodig te bezien of differentiatie nodig is en andere vaste categorieën dienen te worden vastgesteld.

Reactie op punt 21 van het advies

Om tot uitdrukking te brengen dat schade die bestaat uit waardevermindering van een onroerende zaak tot op zekere hoogte een normaal maatschappelijk risico is, bevatte het wetsvoorstel voor de Invoeringswet, zoals dat aan de afdeling is voorgelegd, een forfait van ‘in ieder geval’ vijf procent. Het werken met een forfait is, zoals de Afdeling terecht samenvat, ingegeven door de behoefte om alle betrokkenen bij een schadeprocedure meer duidelijkheid te bieden over de uitkomst van schadeprocedures. De Afdeling beschouwt het voorzien in meer duidelijkheid en voorspelbaarheid van de uitkomst van schadevergoedingsprocedures als een goede ontwikkeling.

Inderdaad komt het schrappen van de woorden ‘in ieder geval’ ten goede aan de voorspelbaarheid over de uitkomst van schadeprocedures. Het voorgestelde artikel 15.6, eerste lid, (artikel 15.7, eerste lid (nieuw), van de Omgevingswet is, evenals de bijbehorende toelichting, conform dit advies van de Afdeling aangepast. Dit betekent dat als indirecte schade bestaat uit waardevermindering van een onroerende zaak, de aftrek op de schadevergoeding altijd 5% bedraagt van de waarde van de onroerende zaak die het voor de peildatum had.

Conform het advies is bezien of er aanleiding is om te differentiëren naar andere vaste categorieën. Dat bleek niet het geval. Elke differentiatie of uitzondering zou weer afbreuk doen aan de behoefte om te voorzien in meer duidelijkheid over de uitkomst van een schadeprocedure. Overigens is het vaste forfait alleen van toepassing op indirecte schade die bestaat uit waardevermindering van een onroerende zaak en daarmee beperkt tot één categorie of type schade.

Ook wat betreft het aanwijzen van vaste categorieën is het wetsvoorstel naar aanleiding van het advies van de Afdeling aangepast. De grondslag die het voorgestelde artikel 15.6, vierde lid, (artikel 15.7, vierde lid, (nieuw)) van de Omgevingswet biedt om bij algemene maatregel van bestuur gevallen aan te wijzen, blijft na de aanpassing beperkt tot gevallen, waarvan kan worden vastgesteld dat de schade op voorhand niet uitstijgt boven het normaal maatschappelijke risico. Concreet komt dat neer op het schrappen van de woorden ‘of slechts gedeeltelijk’ in dat artikellid. Daarmee ontbreekt de grondslag om voor bepaalde categorieën van activiteiten een hoger (of lager) vast forfait dan 5% vast te stellen. Dat komt ten goede aan de duidelijkheid over de uitkomst van schadeprocedures en aan duidelijkheid over de reikwijdte van deze grondslag en geeft benadeelden houvast over de uitkomst van de schadeprocedure.

22. Feitelijk handelen als peilmoment

Op grond van het voorstel is het moment van uitvoeren van het plan het moment waarop schadevergoeding kan worden gevraagd. Dat kan het moment van vergunningverlening zijn, maar ook het moment van feitelijk handelen.233 In de toelichting is aangegeven dat naar aanleiding van de opmerkingen op de consultatiereactie dat het moment van feitelijk handelen onduidelijk kan zijn, een regeling zal worden bezien voor een nadere informatieplicht.234

Hiervoor is ingegaan op enkele gevolgen van het verschuiven van de mogelijkheid van het verzoeken om planschade van het plan naar de uitvoering van het plan. Dat levert reeds complexe situaties op als het gaat om vergunningverlening, maar voor de situaties waarin het feitelijk handelen maatgevend is dit nog complexer.235 Gelet op de extra nadelen die aan dit punt kleven, zoals mede uiteen gezet in het algemeen deel van dit advies, acht de Afdeling het van belang dat reeds bij het wetsvoorstel inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze aan de bezwaren tegemoet kan worden gekomen door de invulling van de informatieplicht dan wel anderszins. Alleen dan kan een afweging worden gemaakt of de voordelen van deze keuze opwegen tegen de nadelen daarvan.

De Afdeling adviseert hier nader op in te gaan in de toelichting en zo nodig het voorstel aan te passen.

Reactie op punt 22 van het advies

In paragraaf 2.1.2.6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Invoeringswet, dat handelt over de voorgestelde afdeling 15.1 van de Omgevingswet, is op hoofdlijnen het verloop van de procedure geschetst als een omgevingsvergunning of het verrichten van de activiteit het aangrijpingspunt vormt voor de aanvraag om schadevergoeding voor indirecte schade in de vorm van waardevermindering van een onroerende zaak. Om het verloop van de procedure goed vast te leggen bij activiteiten waarvoor geen vergunningplicht geldt, is naar aanleiding van het advies het voorgestelde artikel 15.3 (artikel 15.4 (nieuw)) van de Omgevingswet aangepast. Voorgesteld wordt om bij dat artikel ook de peildatum en de aanvang van de verjaringstermijn vast te leggen als een meldings- of informatieplicht geldt.

In het wetsvoorstel is, mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling, verder voorzien in een wettelijke grondslag om bij algemene maatregel van bestuur regels op te nemen over een informatieverplichting (zie voorgesteld artikel 15.10 (nieuw) van de Omgevingswet). De instructieregels kunnen gaan over het instellen van een informatieverplichting die de indiening van een aanvraag om schadevergoeding faciliteert voor schade door activiteiten waarvoor geen vergunning-, meldings- of informatieplicht geldt.

Verwacht wordt dat verreweg de meeste activiteiten die schade kunnen veroorzaken, worden gedekt door vergunning, meldings- of informatieplichten die zullen bestaan op grond van de Omgevingswet.

Een deel van de regels over de fysieke leefomgeving wordt gesteld op decentraal niveau. Voor deze regels is het niet van tevoren duidelijk of en voor welke activiteiten een vergunning-, meldings- of informatieplicht opgenomen wordt. Er mag op vertrouwd worden dat decentrale overheden bij het opstellen van hun regels voldoende oog hebben voor de consequenties voor de afhandeling van nadeelcompensatie. Bij de vormgeving van deze decentrale regelgeving zal dan ook besloten moeten worden of er voor bepaalde activiteiten een informatieverplichting, als vangnet in het kader van nadeelcompensatie, nodig is.

Voor het geval dat er in de praktijk desondanks behoefte blijkt te zijn om een aanvullende informatieverplichting in het leven te roepen, is de grondslag om hierover instructieregels te stellen, in artikel 15.10 opgenomen. Op basis van de bestaande en mogelijk aanvullende informatieplichten, kan de benadeelde weten wanneer een aanvraag om schadevergoeding kan worden ingediend. In het naar aanleiding van punt 19, onder a, van het advies toegevoegde artikel 15.3 en het al eerder opgenomen artikel 15.3 (artikel 15.4 (nieuw)) is vastgelegd welke peildatum geldt als de vergunning of een meldings- of informatieplicht het aangrijpingspunt is. Dat biedt voldoende houvast aan de benadeelde.

G. Bijzondere onderwerpen

23. Voorbereidingsprocedure omgevingsvergunningen

Voor de voorbereiding van omgevingsvergunningen gaat de Omgevingswet uit van twee procedures: de reguliere procedure en de uitgebreide procedure. De reguliere procedure houdt kort gezegd in dat de overheid een besluit neemt waartegen bezwaar kan worden gemaakt en daarna beroep kan worden ingesteld. De uitgebreide procedure houdt kort gezegd in dat de overheid eerst een ontwerpbesluit neemt waarop iedereen kan reageren door het indienen van zienswijzen; daarna wordt een besluit genomen en kan beroep worden ingesteld.

a. Uitgebreide procedure op verzoek of met instemming van de aanvrager

Het uitgangspunt in de Omgevingswet is dat voor omgevingsvergunningen de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is.236 De uitgebreide procedure is van toepassing wanneer het Ob dat bepaalt. In hoofdzaak komt de uitwerking in het Ob erop neer dat de uitgebreide procedure van toepassing is wanneer daartoe Unie- of internationaalrechtelijke verplichtingen bestaan.237

De reden voor het uitgangspunt dat voor omgevingsvergunningen de reguliere procedure van toepassing is, is dat de beslistermijnen voor de reguliere procedure korter zijn dan voor de uitgebreide procedure. De termijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning is in het geval van de reguliere procedure in beginsel acht weken.238 In het geval van de uitgebreide procedure is dat in beginsel zes maanden.239 De gedachte is dat procedures in het Omgevingsrecht sneller en voortvarender zullen verlopen wanneer vaker (dan nu) de reguliere procedure van toepassing is.

De toelichting240 vermeldt evenwel dat er activiteiten zijn waarin de uitgebreide procedure voordelen biedt. Dat kan volgens de toelichting bijvoorbeeld het geval zijn bij een aanvraag voor een grootschalig project, die een complexe afweging vergt en waartegen naar verwachting meerdere belanghebbenden bedenkingen hebben. De Invoeringswet maakt het daarom mogelijk om – in lijn met de motie Meijer c.s.241 – in gevallen waarin de reguliere procedure van toepassing is op verzoek of met instemming van de aanvrager de uitgebreide procedure toe te passen. In andere gevallen kan het bevoegd gezag de uitgebreide procedure niet bij besluit van toepassing verklaren.

Aldus wordt in de Invoeringswet voorgesteld om de keuze voor het toepassen van de uitgebreide procedure in gevallen waarin de reguliere procedure van toepassing is, primair te beleggen bij de initiatiefnemer. De toelichting vermeldt dat aan het bevoegd gezag geen zelfstandige bevoegdheid is toegekend om bij besluit alsnog de uitgebreide procedure toe te passen, omdat dit zou leiden tot onvoorspelbaarheid voor de aanvrager die plotseling wordt geconfronteerd met de uitgebreide procedure die zes maanden in beslag neemt.

De Afdeling merkt op dat deze motivering voor de keuze om de procedure primair in handen te leggen van de initiatiefnemer niet evenwichtig is. In het omgevingsrecht zijn immers, zeker bij grootschalige projecten, doorgaans vele belanghebbenden betrokken. Ook zij hebben belang bij voorspelbaarheid over de toe passen procedure, zodat zij weten of ze een bezwaarschrift moeten indienen of zienswijzen naar voren moeten brengen.242 De toelichting gaat aan de positie van belanghebbenden voorbij. Daar komt bij dat de hoofdregel van de Algemene wet bestuursrecht is dat het bestuursorgaan bepaalt welke procedure van toepassing is.243 Daar wordt nu van afgeweken.

De Afdeling adviseert de keuze om primair de aanvrager te laten kiezen voor de uitgebreide procedure alsnog dragend te motiveren en anders het wetsvoorstel zodanig aan te passen dat het bestuursorgaan overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht kan besluiten tot toepassing van de uitgebreide procedure.

b. Geen aanzienlijke nadelige effecten op de gezondheid van de mens of het milieu

Zoals hiervoor opgemerkt komt de uitwerking in het Ob er in hoofdzaak op neer dat dat de uitgebreide procedure van toepassing is wanneer daartoe Unie- of internationaalrechtelijke verplichtingen bestaan. Het Ob bevat hierop een uitzondering: wanneer het gaat om een wijziging van een omgevingsvergunning die ‘geen aanzienlijke nadelige effecten heeft op de gezondheid van de mens of het milieu’, dan is de reguliere procedure van toepassing.244

De toelichting245 geeft aan dat deze uitzondering is opgenomen met het oog op het Europese en internationale recht. Daaruit volgt, kort samengevat en voor zover hier van belang, dat de uitgebreide procedure niet hoeft te worden gevolgd wanneer het gaat om een ‘niet belangrijke wijziging’. Ook wordt volgens de toelichting met deze uitzondering beoogd de regeling in de Wabo voort te zetten die bepaalt dat de reguliere procedure van toepassing is voor een wijziging ‘die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan’.246 Verder merkt de toelichting247 op dat in de consultatieversie van het Ob de term ‘niet belangrijke wijzigingen’ werd gehanteerd, maar dat deze term naar aanleiding van de consultatie en een toezegging in de Eerste Kamer nu is verduidelijkt.

De Afdeling merkt op dat het criterium ‘geen aanzienlijke nadelige effecten heeft op de gezondheid van de mens of het milieu’ wat specifieker is dan ‘niet belangrijke wijziging’, maar nog altijd tamelijk vaag is. Uit de toelichting wordt duidelijk dat voor dit criterium wordt gekozen in plaats van het bestaande criterium in de Wabo, omdat het meer ruimte laat en daarom naar verwachting meer wijzigingen van omgevingsvergunningen met de reguliere procedure kunnen worden afgehandeld. Dat zorgt voor kortere beslistermijnen. Dit gaat er echter aan voorbij dat juist door het ruimere criterium waar nu voor wordt gekozen gemakkelijk discussies kunnen ontstaan met procedurele complicaties die uiteindelijk ook tijdrovend zijn. Het bestaande criterium in de Wabo is wat duidelijker en de huidige rechtspraktijk kan met dit criterium goed uit te voeten.

De Afdeling adviseert aan te sluiten bij het criterium van de Wabo.

c. Beslistermijn in geval tevens instemming is vereist van een ander bestuursorgaan

De termijn voor het nemen van een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning in het geval van de reguliere procedure bedraagt in beginsel acht weken of, als instemming van een ander bestuursorgaan nodig is, twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.248

In het advies over de Omgevingswet is door de Afdeling de vraag gesteld of bestuursorganen over voldoende capaciteit in de zin van personeel en kennis beschikken om in het geval van complexe vergunningaanvragen binnen de beslistermijn van een reguliere procedure te kunnen beslissen.249 Mede naar aanleiding van deze vraag is de beslistermijn van de reguliere procedure in de Omgevingswet met vier weken verlengd ingeval er tevens instemming is vereist van een en ander bestuursorgaan. Betwijfeld kan worden of deze verlenging toereikend is. In de Wabo is in geval een verklaring van een ander bestuursorganen is vereist de uitgebreide procedure van toepassing.250 De beslistermijn in het geval van de uitgebreide procedure bedraagt in de Wabo (en in de Omgevingswet) in beginsel zes maanden.251 Bestuursorganen zullen dus, ondanks de verlenging van de beslistermijn van vier weken, nog altijd worden geconfronteerd met aanzienlijk kortere beslistermijnen in geval instemming van andere bestuursorganen is vereist dan thans het geval is.

De Afdeling adviseert de beslistermijn indien instemming is vereist verder te verlengen.

Reactie op punt 23 van het advies

a. Uitgebreide procedure op verzoek of met instemming van de aanvrager

De mogelijkheid om in specifieke gevallen de uitgebreide procedure toe te passen op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ook bij de parlementaire behandeling van het Omgevingsbesluit al aandacht gehad, culminerend in de aangenomen motie-Meijer c.s.252. Het wetsvoorstel voor de Invoeringswet strekt op dit punt tot uitvoering van deze motie. Het voorstel van de Afdeling om de gekozen opzet beter te motiveren is overgenomen in paragraaf 2.2.5 van het algemeen deel van de toelichting bij het voorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet. Daarnaast is tegemoetgekomen aan het punt van de Afdeling om belanghebbenden beter te informeren. Daartoe is een mededelingsplicht opgenomen in het wetsvoorstel (artikel 16.64, derde lid, van de Omgevingswet) voor besluiten die met de reguliere procedure zijn voorbereid, zoals een beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Door die mededeling in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kunnen belanghebbenden op de hoogte raken van een dergelijke beslissing.

b. Geen aanzienlijke nadelige effecten op de gezondheid van de mens of het milieu

Naar aanleiding van deze opmerking van de Afdeling is de formulering in artikel 8.22, vierde lid (artikel 10.24, vierde lid (nieuw)), van het Omgevingsbesluit gewijzigd in ‘geen significante nadelige gevolgen voor de gezondheid of het milieu’. Het bestaande criterium uit de Wabo is onder het nieuwe stelsel echter niet overgenomen. In de artikelsgewijze toelichting bij genoemd artikel is dit nader gemotiveerd. De Wabo kent als criterium een wijziging ‘die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan [...] en die niet leidt tot een andere inrichting dan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend’. Dit criterium kan niet zomaar in de Omgevingswet worden opgenomen. Dit criterium bestaat uit een toets of de inrichting niet is gewijzigd. Dit is niet een-op-een om te zetten naar de toets of er sprake is van een andere activiteit. Daarnaast worden de gevolgen voor het milieu deels via het omgevingsplan gereguleerd, dus de vraag of er sprake is van grotere gevolgen voor het milieu dan toegestaan zou ook in relatie tot het omgevingsplan beschouwd moeten worden.

c. Beslistermijn in geval tevens instemming is vereist van een ander bestuursorgaan

De betrokkenheid van andere bestuursorganen bij het nemen van een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning beperkt zich in veel gevallen tot advies op de ingekomen aanvraag. Hiertoe zendt het bevoegd gezag de aanvraag na ontvangst zo snel mogelijk door aan het adviserende bestuursorgaan. Op grond van artikel 3:6 Awb kan het bevoegd gezag daarbij een termijn geven waarbinnen het advies wordt verwacht. In sommige situaties geldt, aanvullend op het adviesrecht, ook een instemmingsbevoegdheid. In deze gevallen krijgt het adviserende orgaan ook nog de gelegenheid om zijn instemming te verlenen op het voorgenomen besluit. Dit is een mechanisme waarmee het betrokken orgaan kan controleren of zijn eerder gegeven advies op een juiste wijze in het besluit is verwerkt. Het instemmingsorgaan wordt in deze fase van de procedure dus niet geconfronteerd met een nieuw dossier, waar men zich geheel op moet inwerken en op basis waarvan een nieuwe afweging moet worden gemaakt over de te nemen beslissing op de aanvraag. Het zwaartepunt van de betrokkenheid van het andere bestuursorgaan ligt dan ook niet in de fase van instemming, maar in de fase van advisering. Gelet daarop moet de beslistermijn van de reguliere procedure toereikend worden geacht. Deze beslistermijn bedraagt, zoals bepaald in artikel 16.64, eerste lid, van de Omgevingswet, normaal acht weken, maar als een instemming nodig is bedraagt deze termijn twaalf weken. Los van het instemmingsrecht, bestaat er daarnaast ook nog altijd de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om de beslistermijn met zes weken te verlengen, waardoor een beslistermijn ontstaat van achttien weken. Er is geen aanleiding om te voorzien in de mogelijkheid om deze beslistermijn nog verder te verlengen.

24. Het lex certa-beginsel

Het lex certa-beginsel houdt in dat voorschriften die door punitieve sancties worden gehandhaafd, voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar moeten zijn.

a. Specifieke zorgplichten

In het Bal worden voor alle in dat besluit genoemde categorieën van activiteiten specifieke zorgplichten opgenomen. Zoals hiervoor (punt 11) reeds aan de orde gesteld worden in die zorgplichten vage termen als passend, geschikt, representatief, doelmatig en redelijkerwijs gebruikt. De zorgplichten zijn zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk handhaafbaar. Voor wat betreft de bestuursrechtelijke handhaving gaat het alleen om niet-punitieve sancties, namelijk een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang en geen bestuurlijke boete.

De Afdeling begrijpt dat een zekere vaagheid onontkoombaar is bij het formuleren van zorgplichten. Nu de zorgplichten strafrechtelijk handhaafbaar zijn, rijst echter de vraag hoe deze zorgplichten, gelet op de vage termen, zich verhouden tot het lex certa-beginsel. De toelichting gaat hier niet specifiek op in. De toelichting vermeldt wel dat strafrechtelijke handhaving van zorgplichten in het omgevingsrecht niet nieuw is.253 De toelichting wijst op de zorgplichtbepalingen in het Activiteitenbesluit en de Wet bodembescherming.254 De zorgplichten in het Bal krijgen echter een grotere betekenis dan ze nu hebben. Meer concrete voorschriften worden vervangen door zorgplichtbepalingen. Daarmee wordt de spanning met het lex certa-beginsel als gevolg van de strafrechtelijke handhaving pregnanter. De motivering in de toelichting dat niet is gekozen voor alleen bestuursrechtelijke handhaving, omdat dit ertoe zou leiden dat er druk ontstaat om vaker voor een ieder evidente verplichtingen in gedetailleerde voorschriften te vertalen, begrijpt de Afdeling niet.255

De Afdeling adviseert de strafrechtelijke handhaafbaarheid van de zorgplichten in het licht van het lex certa-beginsel alsnog dragend te motiveren en anders af te zien van handhaving van de zorgplichten met punitieve sancties.

b. Vangnetbepaling algemeen

Met de Invoeringswet wordt aan de Omgevingswet een algemene, strafrechtelijk handhaafbare vangnetbepaling toegevoegd.256 De bepaling houdt in dat het verboden is om een activiteit te verrichten of na te laten als door het verrichten of nalaten daarvan aanzienlijk nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan.257 Bij algemene maatregel van bestuur wordt de toepassing uitgewerkt of begrensd.258 De uitwerking of begrenzing moet in ieder geval strekken ter uitvoering van de Richtlijn milieustrafrecht259 en dient betrekking te hebben op de omvang van de nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving en de gevallen waarin de vangnetbepaling van toepassing. De vangnetbepaling is alleen van toepassing als er geen specifieke regels zijn op grond waarvan handhavend kan worden opgetreden.260

De toelichting vermeldt dat met deze vangnetbepaling voor heel Nederland wordt gewaarborgd dat tegen verwijtbaar handelen of nalaten dat leidt tot aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving zo nodig strafrechtelijk kan worden opgetreden.261 De vangnetbepaling vormt ook het sluitstuk van de nationale regelgeving ter implementatie van de Richtlijn milieustrafrecht, aldus de toelichting.

De Afdeling merkt op dat de vangnetbepaling buitengewoon onbepaald is. Dit terwijl het gaat om een bepaling die is bedoeld voor strafrechtelijke handhaving. Dat staat op gespannen voet met het lex certa-beginsel. Strafrechtelijk handhaafbare bepalingen met formuleringen zoals ‘nadelige gevolgen’ komen weliswaar nu ook al voor, maar zijn begrensd tot een bepaald domein, bijvoorbeeld het milieu.262 Het begrip ‘fysieke leefomgeving’ zoals gedefinieerd in de Omgevingswet omvat het gehele domein van de leefomgeving (van water tot werelderfgoed) en meer, omdat het begrip niet limitatief is opgesomd (‘in ieder geval’). Bovendien heeft een begrip als ‘milieu’ een zekere intrinsieke waarde, zodat doorgaans duidelijk zal zijn wanneer een handelen of nalaten aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Bij het neutrale begrip ‘fysieke leefomgeving’ is dat niet zo eenvoudig, omdat de fysieke leefomgeving op vele manieren kan worden beschermd of benut.

De Afdeling adviseert, in de algemene maatregel van bestuur waarin de vangnetbepaling zal worden uitgewerkt of begrensd, de onduidelijkheid over inhoud en reikwijdte van de vangnetbepaling zoveel mogelijk weg te nemen.

c. Vangnetbepaling en Richtlijn milieustrafrecht

De Richtlijn milieustrafrecht is al geïmplementeerd. Uit de toelichting blijkt niet of wettelijke bepalingen die eerder zijn vastgesteld ter implementatie van de richtlijn nu komen te vervallen. Als dat het geval is, dient daar in de toelichting concreet op te worden ingegaan, mede aan de hand van een bijgewerkte transponeringstabel. Worden echter geen implementatiebepalingen geschrapt, dan kan niet gezegd worden dat de vangnetbepaling mede strekt tot implementatie van de Richtlijn milieustrafrecht.

De Afdeling adviseert de toelichting aan te passen.

Reactie op punt 24 van het advies

a. Specifieke zorgplichten

Van de wetgever mag worden verwacht dat strafbepalingen zo duidelijk mogelijk worden geformuleerd, zodat de normadressaat weet voor welke gedragingen hij kan worden gestraft. De specifieke zorgplichten zijn daarom verduidelijkt ten opzichte van het huidige recht. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de duidelijkheid voor de initiatiefnemer van de verplichting dat er maatregelen moeten worden genomen, en de wijze waarop uitvoering kan worden geven aan deze verplichting.

Over de duidelijkheid van de verplichting kan geen twijfel bestaan. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor specifiek benoemde belangen is verplicht deze nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken. Een voorbeeld. Degene die voedingsmiddelen produceert weet of kan redelijkerwijs vermoeden dat er geuroverlast ontstaat. De verplichting die uit de specifieke zorgplicht voortvloeit is helder: deze geuroverlast moet worden voorkomen of beperkt. Als er geen maatregelen worden genomen om de geuroverlast tegen te gaan, dan kan bestuursrechtelijk en zo nodig strafrechtelijk worden gehandhaafd.

Niet te ontkennen is dat de wijze van uitvoering van de verplichting minder duidelijk is. Waar mogelijk is in de artikelen van de specifieke zorgplicht nader geconcretiseerd hoe invulling moet worden gegeven aan de verplichting. Inherent aan het karakter van een specifieke zorgplicht is echter dat het gaat om een open norm, waarbij de wijze van uitvoering niet dwingend of gedetailleerd wordt voorgeschreven. Nadere concretisering is enerzijds niet altijd mogelijk in verband met steeds veranderende omstandigheden en het niet uitputtend kunnen maken van regelgeving. Anderzijds is concretisering niet altijd wenselijk, omdat dit zou leiden tot uitgebreide en zeer gedetailleerde regelgeving. Voordeel van een open norm is dat deze ruimte biedt voor de initiatiefnemer om de verplichting in te vullen op een door hem gewenste wijze.

De specifieke zorgplicht is de basisnorm waaraan degene die een activiteit verricht altijd moet voldoen. Er zijn meer uitgewerkte inhoudelijke regels opgenomen als niet onmiddellijk voor de hand ligt wat deze basisnorm inhoudt. Overtreding van de basisnorm weegt even zwaar als overtreding van een meer uitgewerkte inhoudelijke regel. Het is daarom vanzelfsprekend dat ook een specifieke zorgplicht strafrechtelijk handhaafbaar is. Een voorbeeld. Uit de specifieke zorgplicht volgt dat degene die een milieubelastende activiteit verricht de kwaliteit van de bodem moet beschermen. In een concreet artikel kan worden opgeschreven dat hij daarvoor een vloeistofdichte bodemvoorziening moet aanleggen die periodiek volgens een vastgestelde norm moet worden gekeurd. Als dit niet gebeurt, is sprake van een overtreding van het Bal en kunnen naast bestuursrechtelijke ook strafrechtelijke handhavingsinstrumenten worden ingezet. Het is evident dat een vloeistofdichte bodemvoorziening, voor een goede werking daarvan, niet doorboord dient te worden. In dat geval zouden stoffen immers alsnog in de bodem geraken. Als een vloeistofdichte bodemvoorziening wel wordt doorboord, is strafrechtelijke handhaving net zo goed op zijn plaats.

De Afdeling geeft aan dat de spanning met het lex certa-beginsel als gevolg van de strafrechtelijke handhaving met het vervangen van concrete voorschriften door zorgplichtbepalingen pregnanter wordt. De specifieke zorgplichten bij de milieubelastende activiteit vervangen – ten opzichte van het huidige recht – met name de zogenoemde ‘good housekeeping’-maatregelen, zoals het tijdig legen van een olieafscheider. Het gaat nadrukkelijk niet om essentiële BBT-maatregelen of doelvoorschriften; die zijn altijd uitgeschreven in de regels van het Bal en Bbl. Het is voor de initiatiefnemer zonder meer duidelijk dat deze ‘good housekeeping’-maatregelen genomen moeten worden, of ze nu zijn uitgeschreven of niet. Niemand zal verrast zijn als er strafrechtelijk wordt opgetreden tegen het vol laten lopen van een olieafscheider, waardoor deze niet meer functioneert. Dat levert geen pregnante spanning met het lex certa-beginsel op.

Alles overwegende is er geen reden om af te zien van strafrechtelijke handhaving van de specifieke zorgplichten. Wel is, in lijn met het advies van de Afdeling op dit punt, paragraaf 3.1 van de nota van toelichting bij het Bal aangevuld. Ook is conform het advies de motivering verduidelijkt waarom alleen bestuursrechtelijke handhaving zou leiden tot druk om vaker voor een ieder evidente verplichtingen in gedetailleerde voorschriften uit te schrijven.

b. Vangnetbepaling algemeen

Het advies om de vangnetbepaling uit te werken en te begrenzen past geheel bij de lijn die inmiddels is ingezet bij de uitwerking van deze bepaling. De uitwerking en begrenzing maakt onderdeel uit van het Invoeringsbesluit dat op dit moment ambtelijk in voorbereiding is. Daarin zal worden aangegeven in welke gevallen de vangnetbepaling van toepassing is. Ook zal de reikwijdte van die bepaling nader worden begrensd door een duiding te geven van de omvang van de nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

c. Vangnetbepaling en Richtlijn milieustrafrecht

In de toelichting op het voorgestelde artikel 1.7a in de memorie van toelichting bij de Invoeringswet is conform het advies verduidelijkt hoe de voorgestelde vangnetbepaling bijdraagt aan de implementatie van de richtlijn milieustrafrecht.

25. Overgangsrecht

a. Het omgevingsplan van rechtswege

Onder het regime van de Omgevingswet dient iedere gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast te stellen, waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.263 De wetgever zorgt ervoor dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet al aan deze verplichting wordt voldaan – althans in die zin dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet iedere gemeente beschikt over een omgevingsplan van rechtswege. Het omgevingsplan van rechtswege is de optelsom van een reeks bestaande bestemmingsplannen, andere plannen en verordeningen, vastgesteld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Crisis- en herstelwet, de Erfgoedwet en de Wet milieubeheer.264

  • i. Actualisatieplicht

    Onder de Omgevingswet is het toegestaan een omgevingsvergunning te verlenen die afwijkt van het omgevingsplan, mits het omgevingsplan binnen vijf jaar daarmee in overeenstemming wordt gebracht.265 Een omgevingsplan van rechtswege voldoet nog niet volledig aan deze wettelijke opdracht. Volgens de toelichting is het ook niet efficiënt om in de overgangsfase vast te houden aan de actualisatietermijn van vijf jaar na het verlenen van een vergunning. Om die reden wordt bepaald dat gedurende de overgangsfase met het omgevingsplan aan die verplichtingen wordt voldaan.266

    De voorgestelde bepaling is onjuist en verwarrend. Bedoeld wordt immers dat gedurende de overgangsfase niet aan de actualisatietermijn hoeft te worden voldaan.

    De Afdeling adviseert het artikel aan te passen.

  • ii. Wijziging en aanvulling van het omgevingsplan van rechtswege

    Als een omgevingsplan, zoals dat van rechtswege geldt, wordt gewijzigd, moet het gaan voldoen aan de nieuwe wettelijke eis dat het omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat.267

    Volgens de toelichting kan het gemeentebestuur aanvullende functies en regels stellen, die gelden naast het omgevingsplan van rechtswege. Die worden dan onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege.268

    De Afdeling merkt op dat het onderscheid tussen een wijziging van en een aanvulling op het omgevingsplan van rechtswege niet is terug te voeren op de wettekst en dat het onderscheid in de praktijk bovendien niet duidelijk is.269

    De Afdeling adviseert in het voorstel een helder onderscheid te maken tussen wijziging en aanvulling. Is niet dat niet mogelijk, dan adviseert zij de passage uit de toelichting te schrappen.

b. Overgang van voorschriften voor een inrichting naar voorschriften voor activiteiten

De Invoeringswet regelt dat vergunningvoorschriften voor een inrichting die niet langer vergunningplichtig is maatwerkvoorschriften (kunnen) worden.270 Vergunningvoorschriften zijn nu vaak toegesneden op inrichtingen als geheel. Uit die toelichting wordt niet duidelijk hoe die vergunningvoorschriften kunnen worden ‘vertaald’ naar afzonderlijke activiteiten. Het IPO heeft in de consultatie op dit probleem gewezen: onder het huidige regime wordt een vergunningaanvraag integraal bekeken voor de hele inrichting. In de Invoeringswet wordt voor deze opsplitsing of toedeling niets geregeld waardoor grote problemen en onduidelijkheden in de uitvoerings- en handhavingstaak ontstaan, aldus het IPO.271 Ook de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de aandacht op dit probleem gevestigd.272

Zo kan een vergunning onder het huidige recht een voorschrift bevatten, waarvan niet direct duidelijk is hoe dit onder het nieuwe regime zal worden vertaald naar afzonderlijke activiteiten: ‘Het beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de tot de inrichting behorende toestellen en installaties en door de tot de inrichting behorende verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, waarvoor vergunning is aangevraagd, mag ter plaatse van de immissiepunten die zijn aangegeven in de onderstaande tabel niet meer bedragen dan (...)’

De Afdeling adviseert in de toelichting meer duidelijkheid te verschaffen, aan de hand van concrete voorbeelden.

Reactie op punt 25 van het advies

a. Het omgevingsplan van rechtswege

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling over het omgevingsplan van rechtswege, zijn het voorgestelde hoofdstuk 22 van de Omgevingswet en paragraaf 5.2 van de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Omgevingswet op diverse punten aangepast. Dit verduidelijkt dat vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet sprake zal zijn van één omgevingsplan per gemeente. Daarbij is ook ‘omgevingsplan van rechtswege’ als term komen te vervallen. Verduidelijkt is dat het omgevingsplan dat van rechtswege tot stand komt bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zal bestaan uit een ‘nieuw deel’ en een ‘tijdelijk deel’. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat onder meer uit de geldende planologische regels uit bestemmingsplannen en beheersverordeningen. De regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan dienen in de overgangsfase, bij (appellabele) besluiten tot vaststelling van het omgevingsplan, overgeheveld te worden naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Tegelijkertijd dienen in de overgangsfase de regels over de fysieke leefomgeving uit de andere gemeentelijke verordeningen te worden overgeheveld naar het omgevingsplan. In de overgangsfase zal het tijdelijke deel van het omgevingsplan steeds verder worden vervangen en uiteindelijk geheel verdwijnen, terwijl ondertussen het nieuwe deel van het omgevingsplan uitgroeit tot ‘het’ omgevingsplan waarin alle gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving samenhangend zijn gebundeld. In de voorgestelde artikelen 22.4 en 22.5 (artikelen 22.5 en 22.6 (nieuw)) van de Omgevingswet is verduidelijkt op welke wijze het tijdelijk deel, fasegewijs bij afzonderlijke besluiten, naar het nieuwe deel kan worden overgeheveld. Ook is verduidelijkt op welke wijze regels in het nieuwe deel kunnen worden opgenomen uit autonome verordeningen, zonder dat hierbij voor de desbetreffende locatie gelijktijdig het tijdelijk deel van het omgevingsplan hoeft te worden ingetrokken. Daarnaast is de overgangsrechtelijke regeling aangepast voor het in overeenstemming brengen van een omgevingsplan met een verleende omgevingsvergunning die van het omgevingsplan afwijkt. Hierbij zijn geconstateerde onjuistheden weggenomen.

b. Overgang van voorschriften voor een inrichting naar voorschriften over activiteiten

Het is inderdaad mogelijk dat onder huidig recht verleende omgevingsvergunning voor een inrichting in het nieuwe stelsel moet worden aangemerkt als vergunning of maatwerkvoorschrift voor meer dan één activiteit. De Afdeling vraagt om nader toe te lichten hoe die vergunningvoorschriften worden ‘vertaald’ naar afzonderlijke activiteiten. Aan het advies van de Afdeling is gehoor gegeven. In paragraaf 5.2.6 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Invoeringswet is met voorbeelden geïllustreerd hoe het overgangsrecht in deze situaties werkt. Daarbij is zowel ingegaan op situaties waarbij de activiteiten na inwerkingtreding onder rijksregels blijven vallen, als op situaties waarbij de activiteiten na inwerkingtreding volledig of deels onder decentrale regels zullen vallen. Met name wordt aandacht besteed aan vergunningvoorschriften die voor de gehele inrichting golden en die niet kunnen worden ‘opgeknipt’ naar de verschillende activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden.

Verder is aan artikel 11.10 (artikel 4.13 (nieuw)) van het voorstel voor de Invoeringswet een vierde lid toegevoegd dat ziet op de situatie dat een inrichting onder het nieuwe stelsel in zijn geheel een milieubelastende activiteit zal zijn, maar slechts voor een gedeelte daarvan een vergunningplicht zal gelden en een voorschrift dat verbonden is aan de huidige vergunning voor die inrichting niet ‘deelbaar’ is. Deze nieuwe bepaling voorziet erin dat een niet deelbaar voorschrift dat voor de gehele inrichting geldt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat gelden als maatwerkvoorschrift voor de gehele milieubelastende activiteit.

Ambtshalve wijzigingen

Tot slot is van de gelegenheid gebruik gemaakt om ambtshalve wijzigingen door te voeren in het wetsvoorstel voor de Invoeringswet en de memorie van toelichting, en in de vier ontwerpbesluiten en de daarbij behorende nota’s van toelichting.

In de eerste plaats zijn er verschillende redactionele en wetstechnische wijzigingen doorgevoerd. Zo zijn de artikelen van het wetsvoorstel en de ontwerpbesluiten vernummerd, zijn er redactionele correcties aangebracht en zijn verwijzingen waar nodig technisch aangepast. De ontwerpbesluiten zijn ook technisch aangepast in verband met de op 1 januari 2018 in werking getreden tiende wijziging van de Aanwijzingen voor de regelgeving273.

Ook zijn wijzigingen doorgevoerd in verband met harmonisatie en verbetering van de structuur van het wetgevingsproduct of het nieuwe stelsel. Zo is de formulering van een aantal bepalingen geharmoniseerd en zijn opschriften van paragrafen verduidelijkt. Daarnaast is gezorgd voor een verbeterde aansluiting bij de wet. Hierbij kan gedacht worden aan een nauwere aansluiting bij het wettelijk begrippenkader en verbetering naar verwijzingen in de wet. Verder zijn in de ontwerpbesluiten op een aantal plaatsen hoofdstukken, afdelingen of artikelen gereserveerd voor bepalingen die op een later moment via het Invoeringsbesluit Omgevingswet of een aanvullingsbesluit zullen worden ingevoegd of zijn eerdere reserveringen geschrapt. Tot slot zijn de memorie van toelichting bij de Invoeringswet en de nota’s van toelichting bij de ontwerpbesluiten (zowel het algemeen als het artikelsgewijs deel) ook los van wijzigingen in artikelen op een aantal onderdelen verduidelijkt.

Ten tweede zijn het voorstel voor de Invoeringswet en de ontwerpbesluiten aangepast in verband met de wijziging in de portefeuilleverdeling en benaming van de ministers en staatssecretarissen in het kabinet Rutte-III ten opzichte van het kabinet Rutte-II.

Ten derde zijn enkele andere wijzigingen doorgevoerd die voor een goede invoering of uitvoering van de wet en de ontwerpbesluiten noodzakelijk zijn en zijn enkele bepalingen aangepast, toegevoegd of verwijderd vanwege verbeterde herimplementatie van EU-richtlijnen. Deze meer inhoudelijke wijzigingen worden hieronder per wetgevingsproduct kort toegelicht. De memorie van toelichting bij de Invoeringswet en de nota’s van toelichting bij de ontwerpbesluiten zijn dienovereenkomstig aangepast.

Wijzigingen Omgevingsbesluit

  • 1. Omdat de Mijnbouwwet bij nader inzien al een uitputtende regeling biedt voor het adviesrecht van de Inspecteur-generaal der mijnen, is artikel 3.27 geschrapt.

  • 2. De ‘tenzij’-zinsnede aan het slot van artikel 3.15, tweede lid, (artikel 4.19, tweede lid, (nieuw)) en in samenhang daarmee artikel 3.16, derde lid, (artikel 4.20, derde lid, (nieuw)) over gemeentegrensoverschrijdende activiteiten, is geschrapt, omdat deze bepalingen bij nader inzien overbodig bleken te zijn.

  • 3. In hoofdstuk 8 (hoofdstuk 10 (nieuw)) van het Omgevingsbesluit is artikel 8.0 (artikel 10.1 (nieuw)) toegevoegd vanwege de bestuurlijke afspraak om voorafgaand aan de inzet van interventie-instrumenten die ingrijpen in het omgevingsplan overleg te plegen met het gemeentebestuur. Dit geldt onder de huidige wetgeving ook voor het voorbereidingsbesluit.

  • 4. In de artikelen 8.9 en 8.14 (artikelen 10.11 en 10.16 (nieuw)) is de overlegverplichting bij de totstandkoming van stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma met colleges van burgemeester en wethouders gewijzigd in een overlegverplichting met vertegenwoordigers vanuit die gemeenten voor de uitvoerbaarheid van die verplichting.

  • 5. De artikelen 3.6, vijfde lid en 10.4 van het Bkl zijn verplaatst naar hoofdstuk 8 (hoofdstuk 10 (nieuw)) van het Omgevingsbesluit vanwege de procedurele aard van die bepalingen (artikelen 10.4 en 10.28 (nieuw)).

  • 6. In hoofdstuk 8 (hoofdstuk 10 (nieuw)) zijn artikelen toegevoegd vanwege verbeterde her-implementatie van EU-richtlijnen (artikelen 10.29, tweede lid, 10.32, 10.34 en 10.40, tweede lid (nieuw)).

  • 7. In afdeling 8.8 (afdeling 10.8 (nieuw)) (verstrekken en beschikbaar stellen gegevens) is een aantal aanpassingen doorgevoerd in verband met een betere aansluiting bij de wet (met name artikel 20.14, vierde lid), betere implementatie van EU-richtlijnen, een duidelijkere afbakening tussen deze afdeling en hoofdstuk 10 Bkl en harmonisatie met dat hoofdstuk.

  • 8. Aan de kostensoortenlijst in bijlage IV is een kostensoort toegevoegd. Die heeft zijn herkomst in het huidige artikel 6.2.4, aanhef en onder j, van het Besluit ruimtelijke ordening. Dat onderdeel zou komen te vervallen omdat het te onbepaald is, maar is bij nader inzien wel nodig. Bovendien wordt over onder andere deze kostensoort in de Regeling plankosten exploitatieplan regels gesteld over de hoogte en de begrenzing ervan. Die regeling zal op basis van artikel 12.6, vijfde lid, van de Omgevingswet ook in de Omgevingsregeling worden opgenomen.

Wijzigingen Besluit kwaliteit leefomgeving

  • 1. Om beter aan te sluiten bij de formulering van de richtlijn luchtkwaliteit zijn onderdelen toegevoegd in artikel 2.2 (artikel 2.1 (nieuw)), artikel 2.6, vijfde lid, (artikel 2.5, vijfde lid (nieuw)) (stedelijk gebied) en artikel 4.2, tweede lid (programma luchtkwaliteit). Verder zijn in paragraaf 10.2.1.1 een aantal monitoringsverplichtingen gepreciseerd. Zo is in artikel 10.7, tweede lid, (artikel 10.11, tweede lid (nieuw)) gepreciseerd dat de monitoring van benzeen plaatsvindt door berekening in plaats van meting en is in artikel 10.8, derde lid (artikel 10.13, derde lid (nieuw)) geregeld dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een aantal gegevens verzamelt. Overigens zijn er ook verduidelijkingen doorgevoerd in paragraaf 5.1.4.1 (kwaliteit van de buitenlucht) en zijn de bijbehorende bijlagen geïntegreerd in de artikelen.

  • 2. In artikel 4.17, eerste lid, is verduidelijkt dat de daarin opgenomen plicht enkel ziet op de grondwaterlichamen die zijn aangewezen op grond van artikel 4.4, tweede lid.

  • 3. Er zijn aanpassingen doorgevoerd in artikel 4.25, tweede lid, over het actieplan geluid Rijk en in paragraaf 10.2.4 over gegevensverzameling en de plicht tot het opstellen van geluidbelastingkaarten, in verband met een verbeterde implementatie van de richtlijn omgevingslawaai.

  • 4. De begrenzing van het gifwolkaandachtsgebied is gewijzigd. Uit een oogpunt van proportionaliteit en kosteneffectiviteit is het gifwolkaandachtsgebied in de nieuwe benadering beperkt tot het gebied waarbinnen mogelijke fysieke veiligheidsmaatregelen in verhouding staan tot de veiligheidswinst die deze opleveren. In samenspraak met omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s is gekozen voor de begrenzing van het gifwolkaandachtsgebied op ten hoogste 1,5 kilometer vanaf de relevante locaties bij de activiteit.274

  • 5. De begrippen ‘geluidgevoelige locatie’ en ‘geurgevoelige locatie’ zijn komen te vervallen. Deze begrippen werden in het Bkl in de regels over geluid en geur gebruikt om de locaties waar woonwagens of drijvende woonfuncties mogen komen aan te duiden. Deze objecten werden echter wel als ‘kwetsbaar gebouw’ beschouwd. Om deze inconsistentie te voorkomen is nu gekozen voor het aanduiden als geluidgevoelig of geurgevoelig gebouw. De aanpassingen hebben geen inhoudelijke gevolgen voor het juridische regime voor woonwagens en drijvende woonfuncties.

  • 6. De bepalingen die duiden wat verstaan moet worden onder een ‘beperkt kwetsbaar gebouw’, een ‘kwetsbaar gebouw’, een ‘geluidgevoelig gebouw’, een ‘geluidgevoelige ruimte’, een ‘trillinggevoelig gebouw’, een ‘trillinggevoelige ruimte’ en een ‘geurgevoelig gebouw’ zijn verduidelijkt.

  • 7. De volgorde en de redactie van de instructieregels over geluid (paragraaf 5.1.4.2) zijn aangepast om ze beter toepasbaar te maken. Daarbij zijn enkele verduidelijkingen doorgevoerd.

  • 8. In paragraaf 5.1.4.2 (geluid) was de mogelijkheid om in een omgevingsplan ‘andere regels dan waarden’ (zoals regels over bijvoorbeeld sluitingstijden voor bedrijven of terrassen of aan te houden afstanden of venstertijden voor transport) op te nemen juridisch anders geregeld dan in de andere paragrafen van hoofdstuk 5. De artikelen 5.68 (5.71 (nieuw)), 5.69 (5.73 (nieuw)), 5.70 (5.74 (nieuw)) en 5.72 (5.76 (nieuw)) zijn daarom aangepast. Deze aanpassingen hebben geen inhoudelijke gevolgen.

  • 9. Artikel 5.55, tweede lid, onder c, bepaalde dat paragraaf 5.1.4.2 (geluid) niet van toepassing is op geluid afkomstig van activiteiten die worden verricht op industrieterreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor geluid afkomstig van specifieke activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.70 (5.74 (nieuw)) en 5.72 (5.76 (nieuw)) betreft dit een omissie: de regels voor geluid door die activiteiten moeten ook gelden als de activiteit wordt verricht op dergelijke industrieterreinen. Dit is hersteld door de artikelen 5.55, tweede lid, onder c, en 5.63 aan te passen.

  • 10. Om gemeenten meer houvast te bieden bij het opstellen van een omgevingsplan dat ziet op geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een militaire schietbaan of militair springterrein, is bij artikel 5.72 (5.74 (nieuw)) een bijlage gevoegd met een lijst van militaire terreinen waarop deze schietterreinen en springterreinen gelegen zijn. In artikel 7.10 (artikel 7.11 (nieuw)) is de verwijzing naar bijlage XV, onder B, komen te vervallen. Aangezien provincies in algemene zin kunnen regelen dat de regels voor de stiltegebieden niet van toepassing zijn op geluid afkomstig van militaire schietbanen en militaire springterreinen, is er geen noodzaak om deze bijlage op te nemen.

  • 11. In paragraaf 5.1.4.4 (trillingen) zijn twee verduidelijkingen aangebracht. In de eerste plaats is de reikwijdte van de paragraaf verduidelijkt door de frequenties aan te geven waarvoor de waarden gelden. Hiermee wordt een onvolkomenheid bij de omzetting vanuit de huidige wetgeving weggenomen. Daarnaast is de verhouding tussen de verschillende standaardwaarden voor trillingen afkomstig van activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw verduidelijkt.

  • 12. De volgorde en de redactie van de instructieregels over geur door zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten (subparagrafen 5.1.4.6.2 tot en met 5.1.4.6.4) zijn aangepast om ze beter toepasbaar te maken. Ook zijn in de subparagraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren enkele onvolkomenheden bij de omzetting vanuit de huidige wetgeving weggenomen.

  • 13. In artikel 5.161 (artikel 5.165 (nieuw)) is verduidelijkt dat de plicht om de richtlijn stedelijk afvalwater in acht te nemen voor lozingen van industrieel afvalwater afkomstig van milieubelastende activiteiten, ook geldt voor gemeenten.

  • 14. De artikelen 8.13 (8.14 (nieuw)) en 8.18 (8.19 (nieuw) zagen per abuis op een aantal activiteiten die in het Bal niet als omgevingsvergunningplichtige milieubelastende activiteiten zijn aangewezen. Aangezien beoordelingsregels geen betrekking hebben op niet-omgevingsvergunningplichtige activiteiten, is dit in deze artikelen aangepast.

  • 15. Aan artikel 8.23 is ter verduidelijking een zinsnede toegevoegd vanwege de omzetting van de Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer.

  • 16. In paragraaf 10.1.1 zijn de volgorde en redactie van de instructieregels over de gegevensverzameling en het register over externe veiligheidsrisico’s is aangepast om ze beter toepasbaar te maken. Om beter aan te laten sluiten bij de instructieregels in hoofdstuk 5 zijn de brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden toegevoegd.

  • 17. In hoofdstuk 10 is een aantal artikelen ingevoegd (artikelen 10.9, 10.15 en 10.35) en zijn de artikelen 10.6 (10.10 (nieuw)), 10.21 (10.19 (nieuw)) en 10.37 (10.36 (nieuw)) aangepast om beter aan te sluiten bij de wet.

  • 18. De instructieregels over de monitoring van waterkwaliteit in paragraaf 10.2.2.1 zijn vervallen. In verband met de opmerking van de Afdeling over de implementatie van de kaderrichtlijn water is implementatie van deze richtlijn op een aantal punten nader bezien. Gebleken is dat voor een betere implementatie van onder meer de artikelen 8 en 11, vijfde lid, van de kaderrichtlijn water, een aanpassing van de Omgevingswet nodig is. Deze wijziging is opgenomen in het voorstel voor de Invoeringswet. In verband met deze wijziging in de wet, zullen de regels over implementatie van de kaderrichtlijn water en andere regels met betrekking tot het monitoringsprogramma via het Invoeringsbesluit in het Bkl (en het Omgevingsbesluit) opgenomen worden.

  • 19. In bijlage VI is gespecificeerd dat evenementenlocaties voor 5.000 of meer personen kwetsbare locaties zijn. Voor deze categorie locaties gaf de formulering van ‘doorgaans ... gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig’ niet het onderscheidende beschermende effect en de gewenste houvast. Er is aangesloten bij het aantal personen dat in bijlage II bij de Regeling provinciale risicokaart wordt gehanteerd voor evenementenlocaties. Het staat gemeenten vrij om ook terreinen voor minder dan 5.000 personen als een kwetsbare locatie te behandelen. Daarnaast is in bijlage VI bij het besluit de categorie zeer kwetsbare gebouwen gepreciseerd en is de verhouding tussen de verschillende categorieën van kwetsbaarheid verduidelijkt.

  • 20. Verder zijn ter verbetering van de structuur van het besluit en het nieuwe stelsel de volgende aanpassingen doorgevoerd:

    • a. De artikelen 3.6, vijfde lid, en 10.4 zijn van het Bkl verplaatst naar het Omgevingsbesluit (artikelen 10.4 en 10.28 van het Omgevingsbesluit (nieuw)). Dit betreffen namelijk procedurele bepalingen, die gezien de structuur van het stelsel beter passen in het Omgevingsbesluit.

    • b. De artikelen 3.15 en 5.40, derde lid, zijn naar hoofdstuk 7 verplaatst, omdat het instructieregels over provinciale verordeningen betreffen (artikelen 7.13 en 7.2 (nieuw)). In artikel 5.40 is verduidelijkt wat de verhouding is tussen dat artikel en artikel 7.2.

    • c. In de paragrafen 5.1.2, 5.1.4, 8.5.1 en 10.2.4 zijn bepalingen opgenomen die aangeven dat de meet- en rekenmethoden in de Omgevingsregeling opgenomen zijn. Hiermee is de verhouding tussen het Bkl en de Omgevingsregeling verduidelijkt.

    • d. In artikel 5.4 is het toelaten van risicoverhogende bouwwerken geïntegreerd in het toepassingsbereik voor risicovolle activiteiten.

    • e. De paragraaf 5.1.3.2 over de weging van het waterbelang is geïntegreerd in de paragraaf 5.1.3.1 met algemene bepalingen, in lijn met vergelijkbare paragrafen, zoals 5.1.2.1.

    • f. In de artikelen 5.39 en 8.16, tweede lid, onder b, onder 2˚, (artikel 8.17, tweede lid, onder b, onder 2˚ (nieuw)) zijn de zinsneden over de aanwijzing van de geometrische begrenzing in het Bkl vervallen. De geometrische begrenzing past gezien de structuur van het stelsel beter in de Omgevingsregeling en zal daarom daar opgenomen worden.

    • g. Artikel 8.20 (beoordelingsregels milieubelastende activiteiten geur) is komen te vervallen, omdat de bepaling over meet- en rekenmethoden gaat. Bezien wordt of in de Omgevingsregeling de bepaling (in aangepaste vorm) moet worden opgenomen.

    • h. Artikel 8.28 is zodanig aangepast dat de inhoud van bijlage XIX (oud) is komen te vervallen. Deze bijlage past gezien de structuur van het stelsel beter in de Omgevingsregeling en zal daarom daar opgenomen worden.

    • i. In artikel 8.34 is een zinsnede die vooruitliep op het Invoeringsbesluit vervallen. Beoogd is met het Invoeringsbesluit alsnog te bepalen dat over emissies in het PRTR-verslag gegevens van een lager aggregatieniveau te verstrekken als dat voor de uitvoering van de PRTR-verordening noodzakelijk is.

    • j. In de regels over de monitoring van zwemwaterkwaliteit in paragraaf 10.2.3 zijn enkele wijzigingen doorgevoerd om de regels die in het Bkl horen en die in de ministeriële regeling horen zuiverder te splitsen.

    • k. Bijlage VII is aangepast op wijzigingen in het Bal en op onderdelen nader verduidelijkt.

    • l. In bijlage XVIII zijn de versie en vindplaats van de informatiedocumenten vervallen. Vindplaatsen en aanduidingen van versies passen gezien de structuur van het stelsel beter in de Omgevingsregeling en zullen daarom daar opgenomen worden.

  • 21. Tot slot is in paragraaf 8.1.3 van de nota van toelichting een passage ingevoegd over het afwijken van het basisbeschermingsniveau. Deze was door een technische oorzaak weggevallen uit de versie zoals voorgelegd aan de Afdeling.

Wijzigingen Besluit activiteiten leefomgeving

  • 1. In artikel 2.12, derde lid, (artikel 2.13, derde lid (nieuw)) is verduidelijkt wanneer een initiatiefnemer met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan afwijken van de verplichting om alle passende preventieve maatregelen en BBT toe te passen. In de richtlijn industriële emissies is opgenomen dat voor een termijn van ten hoogste negen maanden kan worden toegestaan van deze verplichting af te wijken om nieuwe technieken, die een hoger of gelijk beschermingsniveau kunnen opleveren, te testen of te gebruiken. De afwijkingsmogelijkheid was al in het Bkl opgenomen (artikel 8.35). Het Bal sluit door de wijziging beter aan op het Bkl.

  • 2. In artikel 2.12, derde lid, (artikel 2.13, vierde lid (nieuw)) is opgenomen dat het bevoegd gezag geen maatwerkvoorschrift kan stellen als het mogelijk is een voorschrift te verbinden aan een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 3. Hiermee wordt mogelijke twijfel weggenomen over de vraag op welke vergunning in dat lid wordt gedoeld. Het zou in theorie immers ook over een omgevingsvergunning op grond van een omgevingsplan, een waterschapsverordening of een omgevingsverordening kunnen gaan. De voorkeur voor vergunningvoorschriften boven maatwerkvoorschriften geldt echter alleen voor de vergunningplichten die door het Rijk zijn ingesteld. Vergelijkbare aanpassingen zijn opgenomen in de artikelen over maatwerk in hoofdstuk 6, 7 en 8.

  • 3. Aan artikel 3.25 (artikel 3.26 (nieuw)) is een derde lid toegevoegd waarmee wordt bepaald dat de algemene regels in hoofdstuk 4 niet gelden voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening. De algemene regels in hoofdstuk 4 zijn niet geschreven voor deze typen stoffen.

  • 4. In artikel 3.30 (artikel 3.31 (nieuw)) is de vergunningplicht uitgebreid tot het opslaan van ander vuurwerk dan vuurwerk dat op grond van het Vuurwerkbesluit ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. In hoofdstuk 4, meer specifiek in de artikelen 4.1033 (artikel 4.1035 (nieuw)) en 4.1044 (artikel 4.1046 (nieuw)), is verduidelijkt dat dergelijk vuurwerk ook niet mag worden opgeslagen en aanwezig mag zijn in de verkoopruimte. Dit is in overstemming met bestaand beleid en de bestaande regels.

  • 5. In artikel 3.243 (artikel 3.244 (nieuw)) is het derde lid geschrapt. Een bedrijf dat niet alleen een eigen laboratorium heeft, maar ook activiteiten verricht die zijn aangewezen in de afdelingen 3.4 of 3.5 werd in dat lid uitgezonderd van de verplichting om aan algemene regels over laboratoria en energiebesparing te voldoen. Deze uitzondering is per abuis opgenomen; in het huidige recht moeten zulke bedrijven wel voldoen aan algemene regels. De bestaande situatie wordt voortgezet, de uitzondering is daarom alsnog geschrapt.

  • 6. In de paragrafen 4.92 (paragraaf 4.93 (nieuw)) en 4.95 (paragraaf 4.96 (nieuw)) is de keuring van de potentiaalvereffening geschrapt. Deze keuring wordt al verricht bij de verplichte algemene keuring. Het is niet nodig om alsnog een aparte bepaling op te nemen.

  • 7. In artikel 4.911 (artikel 4.919 (nieuw)) is de eis over de minimale inhoud van de vulpuntmorsbak geschrapt. Dit is niet nodig omdat de controle hierop plaatsvindt in het kader van de gecertificeerde aanleg en keuring.

  • 8. De controle op bezinksel in artikel 4.913 (artikel 4.921 (nieuw)) is geschrapt. Deze eis bestaat ook niet in het bestaande recht voor bovengrondse opslagtanks.

  • 9. Er is een nieuw artikel 4.925 toegevoegd waarin het overgangsrecht voor opslagtanks met polyesterhars is opgenomen. Dat is een bestaande regel uit het Activiteitenbesluit milieubeheer die per abuis niet was opgenomen in het Bal.

  • 10. De artikelen 4.935 en 4.952 met daarin de verplichting dat een bovengrondse opslagtank met afgewerkte olie jaarlijks moet worden geleegd, zijn geschrapt. In het belang van de bescherming van de bodem is deze verplichting voor bovengrondse opslagtanks niet nodig.

  • 11. In het derde lid van de artikelen 4.966 (artikel 4.969 (nieuw)) en 4.986 (artikel 4.988 (nieuw)) is de zinsnede geschrapt over de bovenkant van het filter van de grondwaterpeilbuis. Dit bleek bij nader inzien niet te kloppen. Op dit punt is een betere uitleg op genomen in de toelichting.

  • 12. In de artikelen 4.973 (artikel 4.975 (nieuw)) en 4.992 (artikel 4.994 (nieuw)) is het vierde lid steeds aangepast en is steeds een nieuw vijfde lid toegevoegd. Bij nader inzien bleek het vierde lid niet te kloppen. De uitzondering moet niet gelden voor opslagtanks met een coating maar voor opslagtanks die dubbelwandig zijn uitgevoerd met lekdetectie. In het vijfde lid zijn de eisen opgenomen voor de lekdetectie. Die eisen zijn in overeenstemming met de andere artikelen. De aanpassingen zijn ook in overeenstemming met het bestaande recht.

  • 13. In artikel 4.1126 (artikel 4.1128 (nieuw)) is chloorbleekloog vervangen door hulpstoffen. Ook wanneer er aan koelwater andere middelen worden toegepast om aangroei of afzetting te beperken, moet in de melding van de activiteit informatie worden opgenomen over het lozingsdebiet en de resultaten van de immissietoets.

  • 14. In paragraaf 4.113 (paragraaf 4.114 (nieuw)) ontbrak de meldplicht. Niet alle gevallen waarin de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht ontplofbare stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1 opslaat of bewerkt zijn vergunningplichtig. Voor de niet-vergunningplichtige gevallen is een melding nodig.

  • 15. In artikel 6.16 (artikel 6.17 (nieuw)) is vaargeul vervangen door vaarweg. De vaargeul is het gedeelte van de vaarweg dat op diepte wordt gehouden voor de scheepvaart. De vergunningplicht voor onder andere steigers moet echter betrekking hebben op de gehele vaarweg; ook buiten de vaargeul kunnen deze werken de functie van de vaarweg belemmeren.

  • 16. In de artikelen 6.21 (artikel 6.22 (nieuw)) en 7.20 (artikel 7.21 (nieuw)) is een uitzondering gemaakt op het verbod om afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken te lozen in een oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater dat afkomstig is van het afwassen van een bouwwerk met water of van het schoonspuiten van een bouwwerk met water onder een druk van maximaal 200 bar, mag wel worden geloosd. Dit afvalwater heeft geen nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit.

  • 17. In artikel 7.51 was een verbod opgenomen voor het lozen van toiletwater vanaf pleziervaartuigen in de Noordzee. Dit verbod was overgenomen uit het Besluit lozen buiten inrichtingen en sluit aan op de regels voor lozingen vanaf pleziervaartuigen in de binnenwateren in afdeling 15.2 (afdeling 17.2 (nieuw)). Hoewel het voor de hand ligt dat pleziervaartuigen, die in de binnenwateren toiletwater opvangen, dat toiletwater niet op de Noordzee lozen, heeft het lozingsverbod onbedoeld een verdergaande strekking dan de regels die onder het oude recht golden. De eigenaren van pleziervaartuigen die alleen op doortocht zijn en de Nederlandse binnenwateren niet aandoen, zouden met strengere regels kunnen worden geconfronteerd. Het lozingsverbod is daarom geschrapt. Lozingen van toiletwater vanaf pleziervaartuigen vallen daardoor onder de specifieke zorgplicht van artikel 7.6. Op grond daarvan kan toiletwater vanaf pleziervaartuigen, die de voorzieningen aan boord hebben om dat toiletwater op te vangen en in havens af te geven, niet zonder meer op de Noordzee worden geloosd. Voor pleziervaartuigen zonder dergelijke voorzieningen geldt dat niet.

  • 18. In artikel 8.28 (artikel 8.29 (nieuw)) was een regeling opgenomen voor het verleggen van kabels en leidingen in het beperkingengebied met betrekking tot wegen in beheer bij het Rijk. Ook voor andere werken geldt dat deze moeten worden verwijderd als de aanleg of wijziging van een rijksweg dat nodig maken. En hetzelfde geldt ook voor de aanleg en wijziging van waterstaatswerken, geregeld in hoofdstuk 6 en 7. Daarom is aan het eind van de afdelingen 6.1, 7.1 en 8.1 een generieke regeling opgenomen voor het verwijderen van werken en objecten in beperkingengebieden, als het betrokken waterstaatswerk of de betrokken weg gewijzigd of aangelegd wordt.

  • 19. In verschillende artikelen is de term ‘hergebruiken van afvalwater’ vervangen door ‘opnieuw gebruiken van water’. Dat sluit beter aan bij de definities zoals die in onder andere de kaderrichtlijn afvalstoffen worden gebruikt. Opnieuw gebruiken van water zorgt er juist voor dat dit water geen afvalwater wordt. De toelichting is hier eveneens op aangepast.

Wijzigingen Besluit bouwwerken leefomgeving

  • 1. Er is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in artikel 7.11, onderdeel f, zo aan te passen dat de verplichting om het sloopveiligheidsplan te overleggen alleen van toepassing is als dat door het bevoegd gezag in het kader van een maatwerkvoorschrift is gevraagd.

  • 2. In artikel 4.49 is aan de verwijzing naar NVN 7125 toegevoegd ‘de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven voornorm’ en is de begripsomschrijving die slechts één keer nodig is, in de bijlage geschrapt.

  • 3. Ook is een aantal verwijzingen naar de ministeriële regeling geschrapt, zie bijvoorbeeld artikel 4.159, vijfde lid. Dergelijke verwijzingen zijn niet nodig nu de grondslag voor de ministeriële regeling niet in het besluit ligt maar rechtstreeks in de wet. In voorkomende gevallen wordt er in de artikelsgewijze toelichting nu wel ten overvloede op gewezen dat het ook nodig is om de regeling te raadplegen. Omdat de grondslag voor de ministeriële regeling rechtstreeks in de wet is opgenomen, is artikel 4.14, met alleen een verwijzing naar de bij ministeriële regeling gestelde regels over belastingen op bouwwerken door aardbevingen als gevolg van de gaswinning in de provincie Groningen, volledig geschrapt.

  • 4. Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt om het besluit te actualiseren en om enkele redactionele wijzigingen door te voeren. Deze redactionele wijzigingen houden voor een deel verband met harmonisatie met de andere besluiten onder de Omgevingswet, of zorgen voor een betere aansluiting op de wet zonder een inhoudelijke wijziging te behelzen. Deze harmonisatie met de andere besluiten betreft vooral artikel 1.2 en begrippen over normalisatie in bijlage I. Ook zijn er redactionele wijzigingen aangebracht om de opschriften van enkele artikelen in de hoofdstukken 3 en 4 beter op elkaar af te stemmen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het opschrift van artikel 3.69.

Wijzigingen Invoeringswet Omgevingswet

Wijziging structuur van de Invoeringswet

  • 1. In verband met de wijziging in de portefeuilleverdeling en benaming van de ministers en staatssecretarissen in het kabinet Rutte-III ten opzichte van het kabinet Rutte-II is ook de hoofdstukindeling van de Invoeringswet aangepast. De door de Invoeringswet te wijzigen wetten staan niet meer gerangschikt naar departement, maar op alfabetische volgorde. Het aantal hoofdstukken is daardoor teruggegaan van 12 naar 5. In een transponeringstabel is dit inzichtelijk gemaakt.

Aanvulling en wijziging Omgevingswet

  • 2. Aan artikel 1.1 is een lid toegevoegd als gevolg waarvan de definities in de algemene maatregelen van bestuur op grond van de Omgevingswet ook zullen gelden voor ministeriële regelingen die rechtstreeks op de Omgevingswet zijn gebaseerd, zoals de voorgenomen Omgevingsregeling. Er is daarbij ook voorzien in de bevoegdheid om bij ministeriële regeling van deze definities af te wijken.

  • 3. In artikel 2.10 van de Omgevingswet is het vaststellen van een termijn waarbinnen aan een omgevingswaarde moet worden voldaan niet langer vereist. De reden hiervoor is dat de meeste omgevingswaarden die in het huidige Bkl worden gesteld een voortzetting zijn van bestaand recht en er onmiddellijk aan moet worden voldaan. Voor dergelijke omgevingswaarden is een termijn waarbinnen aan die waarden moet worden voldaan, overbodig.

  • 4. In artikel 2.15, eerste lid, onder d, is de zinsnede over dijktrajecten geschrapt. Hiermee worden de opdrachten tot het vaststellen van omgevingswaarden voor primaire waterkeringen en voor andere waterkeringen die in beheer zijn bij het Rijk geharmoniseerd.

  • 5. De artikelen 2.19 en 2.36 zijn aangevuld met een taak voor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om toezicht te houden op de uitoefening van de taken voor het digitale stelsel van het omgevingsrecht door de waterschappen en de bevoegdheid om zo nodig in de plaats te kunnen treden. Dit is nodig om het goede functioneren van het digitale stelsel te kunnen borgen.

  • 6. Aan artikel 2.25, eerste lid, is de mogelijkheid toegevoegd om instructieregels te stellen over de regels over bouwactiviteiten in het omgevingsplan. Deze mogelijkheid was abusievelijk vervallen door het schrappen van het begrip ‘locatieontwikkelingsregels’ in het wetsvoorstel voor de Omgevingswet, naar aanleiding van het advies van de Afdeling over het ontwerp van dat wetsvoorstel. De definitie van ‘locatieontwikkelingsregels’ in het ontwerp van de Omgevingswet zoals dat is voorgelegd aan de Afdeling luidde: ‘regels over de toedeling van functies aan locaties, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels waarvan de werking door een geometrische plaatsbepaling beperkt is tot die locaties, en overige regels over bouwactiviteiten’.

  • 7. Er zijn grondslagen opgenomen die het mogelijk maken om bij algemene maatregel van bestuur tot het vaststellen van een monitoringsprogramma te verplichten en om instructieregels over en procedurele eisen aan een monitoringsprogramma te stellen (artikelen 2.25, 16.88 en 20.2 van de Omgevingswet). Dit dient een betere implementatie van de kaderrichtlijn water. Op dit moment is er nog geen grondslag in de Omgevingswet die het mogelijk maakt om instructieregels te kunnen stellen als dat monitoringsprogramma geen onderdeel uitmaakt van een ander instrument uit de Omgevingswet. Opgemerkt wordt dat hoewel ‘monitoringsprogramma’ het woord ‘programma’ in zich heeft, een monitoringsprogramma gelet op zijn aard vanzelfsprekend geen programma is als bedoeld in afdeling 3.2 van de Omgevingswet.

  • 8. In de artikelen 2.26, 2.30 en 2.38 zijn wijzigingen aangebracht voor een betere implementatie van de zwemwaterrichtlijn.

  • 9. De omzetting van artikel 7a van de Mijnbouwwet naar het stelsel van de Omgevingswet bleek bij nadere beschouwing niet mogelijk te zijn op basis van de bestaande grondslagen in de Omgevingswet. Dit heeft geleid tot wijziging van de artikelen 2.28, 4.24 en 5.27 en van de definitie van de mijnbouwlocatieactiviteit. In paragraaf 3.2 van het algemeen deel van de memorie van toelichting is een passage over deze omzetting opgenomen.

  • 10. De gedoogplicht uit artikel 15 van het Stortbesluit bodembescherming is aan de gedoogplichten in hoofdstuk 10 van de Omgevingswet toegevoegd. Dat is de enige gedoogplicht die niet op het niveau van de wet, maar op het niveau van een besluit is geregeld. Deze was abusievelijk nog niet eerder meegenomen.

  • 11. Naar aanleiding van onduidelijkheid over artikel 4.2, die aan de orde kwam bij vingeroefeningen met het omgevingsplan, is een voorstel tot wijziging van dit artikel opgenomen. Dit vereist ook aanpassingen in diverse andere artikelen in de Omgevingswet en het wetsvoorstel voor de Invoeringswet die expliciet of impliciet naar artikel 4.2 verwijzen. Verder zijn de nota’s van toelichting bij het Bkl en het Omgevingsbesluit consistent gemaakt met de uitleg van dit artikel in de memorie van toelichting bij de Invoeringswet.

  • 12. De Wet verduidelijking voorschriften woonboten is met ingang van 1 januari 2018 in werking getreden. Deze wet regelt nader de positionering van drijvende bouwwerken binnen de bouwregelgeving. In verband met de omzetting van deze wet naar het stelsel van de Omgevingswet, is de begripsomschrijving van ‘bouwwerk’ gewijzigd en is een nieuw artikel 5.36a van de Omgevingswet aan het wetsvoorstel toegevoegd. Ook is vanuit artikel 5.36 naar dit nieuwe artikel de bestaande regeling voor seizoensgebonden bouwwerken overgeheveld, omdat daaraan een vergelijkbaar principe ten grondslag ligt als aan de regeling voor de drijvende bouwwerken. Artikel 5.36 is in verband hiermee ingekort. De regeling in artikel 5.37a van de Omgevingswet, dat betrekking heeft op de mogelijkheid om verantwoordelijkheden binnen de omgevingsvergunning tussen vergunninghouders te verdelen, krijgt een breder toepassingsbereik. Aan dit artikel ligt ten grondslag artikel 4, derde lid, van de richtlijn industriële emissies, dat een facultatief te implementeren bepaling betreft. Gelet op deze achtergrond was het aanvankelijk de bedoeling om het artikel alleen van toepassing te verklaren op bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, waarbij gedacht werd aan vergunningplichtige milieubelastende activiteiten met betrekking tot een ippc-installatie en een andere milieubelastende installatie en de daarop betrekking hebbende lozingsactiviteiten en wateronttrekkingsactiviteiten. De verantwoordelijkheidsverdeling zag in die benadering op de verdeling binnen de omgevingsvergunning voor één activiteit. Bij nadere beschouwing is aanleiding gezien om de regeling breder open te stellen omdat niet valt in te zien dat ook bij een omgevingsvergunning voor meerdere of andere activiteiten de regeling niet in een behoefte voorziet. In artikel 5.37a is de regeling daarom nu generiek gemaakt, waarbij zekerheidshalve de mogelijkheid is opgehouden om bij algemene maatregel van bestuur uitzonderingen aan te wijzen.

  • 13. In artikel 5.44 is een nieuw vijfde lid ingevoegd waarmee het dagelijks bestuur van het waterschap waarin een project in hoofdzaak wordt uitgevoerd, bevoegd wordt een projectbesluit vast te stellen voor een project dat zich deels buiten het eigen grondgebied bevindt. Een vergelijkbare regeling bestond al voor de provincies in het vierde lid van dat artikel.

  • 14. In artikel 5.44 is een nieuw achtste lid toegevoegd waarin is bepaald dat de uitwerking of wijziging van een projectbesluit, in afwijking van dat wat bepaald is in het eerste en zesde lid, wordt vastgesteld door Onze Minister die het aangaat. Daarnaast is bepaald dat bij ministeriële regeling andere gevallen kunnen worden aangewezen waarin Onze Minister die het aangaat bevoegd is. In deze gevallen is er bij een projectbesluit dus geen betrokkenheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 15. In artikel 5.47 is verduidelijkt dat het bepalen wanneer in ieder geval een voorkeursbeslissing wordt genomen, een bevoegdheid is, en dus geen verplichting.

  • 16. Artikel 5.52, eerste lid, is gewijzigd om te verduidelijken dat het projectbesluit direct het omgevingsplan wijzigt met de regels die nodig zijn voor het project.

  • 17. De redactie van de artikelen 5.55 (gemeentelijk project van publiek belang) en 16.29 (kennisgeving voornemen) is gewijzigd om te verduidelijken dat deze bepalingen ook van toepassing zijn als de bevoegdheid tot vaststelling van een omgevingsplan is gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 18. Het plaatsen van de bevoegdheid tot het sluiten van een schadevergoedingsovereenkomst in hoofdstuk 13 van de Omgevingswet, als artikel 13.3c. In het aan de Afdeling voorgelegde ontwerp was deze bevoegdheid opgenomen als artikel 15.9.

  • 19. Artikel 7.17, eerste lid, van de Waterwet is in een nieuw artikel 13.3d geïntegreerd. Artikel 7.17, eerste lid, van de Waterwet regelt de bevoegdheid om schadevergoeding die door het bevoegd gezag vanwege besluiten op grond van de Waterwet is betaald in rekening te brengen bij de aanvrager van dat besluit. Die regeling moet terugkomen onder de Omgevingswet, maar dat was abusievelijk eerder nog niet gedaan. Artikel 13.3d maakt het mogelijk dat in ieder geval hetgeen onder de Waterwet mogelijk was, ook onder de Omgevingswet kan worden voortgezet. Zie verder de artikelsgewijze toelichting bij artikel 13.3d.

  • 20. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet zal zo worden ingericht dat besluiten en andere rechtsfiguren op grond van de Omgevingswet die al beschikbaar zijn in de generieke voorziening voor officiële publicaties (her)gebruikt worden. Daarmee is de wettelijke instelling van een afzonderlijk register omgevingsdocumenten niet meer nodig en wordt voorgesteld artikel 16.2 te schrappen. Voor de kennisgeving of bekendmaking van (ontwerp)besluiten of andere rechtsfiguren op grond van de Omgevingswet zal in beginsel worden aangesloten op de generieke publicatievoorziening. In het wetsvoorstel is om die reden een publicatieplicht voor een vastgestelde omgevingsvisie opgenomen.

  • 21. Artikel 16.3 bevatte een algemene grondslag om regels te stellen over consolidatie van verschillende besluiten of andere rechtsfiguren op grond van de Omgevingswet. Een specifieke procedurele bepaling voor consolidatie blijkt alleen nodig te zijn voor het omgevingsplan, omdat deze rechtsfiguur ook door een besluit van een ander bevoegd gezag dan de gemeenteraad kan worden gewijzigd. Artikel 16.3 is daarom vervangen door een tekst voor het omgevingsplan, die aansluit bij het voornoemde uitgangspunt: het bestuursorgaan dat het omgevingsplan wijzigt, verwerkt die wijziging ook in het (geconsolideerde) omgevingsplan.

  • 22. In artikel 16.20, eerste lid, aanhef en onder a, is een omissie hersteld door op te nemen dat instemming bij een projectbesluit van het Rijk dat beoogt te gelden als omgevingsvergunning, wel vereist is als de instemmingsbevoegdheid ligt bij een ander bestuursorgaan van het Rijk.

  • 23. In afdeling 16.4 zijn enkele artikelen aangepast vanwege de implementatie van Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2014, L 124) (wijzigingsrichtlijn mer)). De artikelsgewijze toelichting geeft aan welke artikelen implementatie vormen van artikelen uit de wijzigingsrichtlijn mer.

  • 24. In de artikelen 16.64a en 16.66 is opgenomen dat bij toepassing van de reguliere procedure in de mededeling, bedoeld in artikel 16.64, derde lid, en bij toepassing van de uitgebreide procedure in de kennisgeving en de mededeling, bedoeld in de artikelen 3:12 en 3:44 Awb wordt opgenomen dat geen omgevingsvergunning nodig is of dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend in afwijking van het omgevingsplan. Als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend in afwijking van het omgevingsplan geldt daarnaast dat de mededeling wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Deze eis bestond ook al op grond van artikel 6.14 van het Besluit omgevingsrecht.

  • 25. In artikel 16.78, eerste en derde lid, is als aangrijpingspunt voor het vaststellen van het moment van inwerkingtreding van een omgevingsplan en een projectbesluit niet meer het moment van bekendmaking opgenomen, maar het moment van terinzagelegging van het vastgestelde besluit. Hiermee wordt beter aangesloten bij de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht en bij de (gewijzigde) bepaling over de inwerkingtreding van omgevingsvergunningen in artikel 16.79. De artikelen 16.77a en 16.21 zijn op overeenkomstige wijze aangepast.

  • 26. De wijze waarop in artikel 16.79, tweede lid, uitvoering is gegeven aan de motie van het lid Meijer c.s. die bij de behandeling van het voorstel van de Omgevingswet in de Eerste Kamer is aangenomen275, is gewijzigd. Aanvankelijk was erin voorzien om bij algemene maatregel van bestuur een uitputtende categorie van gevallen aan te wijzen van zogeheten ‘onomkeerbare activiteiten’ waarvoor de regeling van de uitgestelde inwerkingtreding van de omgevingsvergunning zou gelden. Invulling van die grondslag is niet goed mogelijk gebleken; los van enkele evidente gevallen (slopen, veranderen monument) zijn veel activiteiten divers van aard, waarbij variaties in onomkeerbare gevolgen dwars door de activiteiten heen lopen. Aanwijzing van gevallen zal dan een te grofmazig karakter hebben, waarbij vaak van uitgestelde inwerkingtreding zal ontstaan zonder dat daartoe een aanleiding bestaat. Om die reden is nu uitgekomen op het in artikel 16.79, tweede lid, opnemen van relevante beoordelingscriteria, op grond waarvan het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning de uitgestelde inwerkingtreding bepaalt. Daarmee ontstaat de mogelijkheid dat precies voor die activiteiten een uitgestelde inwerkingtreding in de vergunning wordt bepaald waar die gelet op de gegeven criteria nodig is. Aanvullend is in artikel 16.79, derde lid, nog wel een grondslag opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur categorieën van gevallen aan te wijzen waarbij in ieder geval door het bevoegd gezag in de vergunning een uitgestelde inwerkingtreding moet worden bepaald. Deze grondslag is bedoeld voor enkele gevallen waarin de beoordeling voor een uitgestelde inwerkingtreding niet aan het bevoegd gezag wordt overgelaten.

  • 27. Artikel 16.87, derde lid, is gewijzigd om te verduidelijken dat de daarin opgenomen rechterlijke beslistermijn in voorkomend geval ook geldt voor een besluit waarop weliswaar de coördinatieregeling van afdeling 3.5 Awb van toepassing is, maar dat op grond van die regeling niet gecoördineerd wordt voorbereid. Zie hierover nader de memorie van toelichting.

  • 28. In hoofdstuk 18 is het nieuwe artikel 18.5a opgenomen dat de verhouding regelt tussen Minister van Economische Zaken en Klimaat en de inspecteur-generaal der mijnen waar het gaat om toezicht en handhaving op mijnbouwregels. Deze wijziging is ingegeven door de wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings-, en opslagvergunningen) die op 1 januari 2017 in werking is getreden, waarmee de onafhankelijke positie van de inspecteur-generaal der mijnen is versterkt en zijn toezichts- en handhavingstaken in de Mijnbouwwet zijn neergelegd.

  • 29. In artikel 18.25 was ten onrechte een te ruime plicht tot informatieverstrekking opgenomen (deze was niet beperkt tot de gegevens in verband met de werkzaamheden, bedoeld in artikel 18.22, eerste lid). Deze omissie is hersteld.

  • 30. In hoofdstuk 19 is een aanvullende grondslag opgenomen om in geval van bijzondere omstandigheden in de fysieke leefomgeving bij regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 voor activiteiten te kunnen bepalen dat een bepaalde set regels alleen geldt als zich in die regels aangegeven omstandigheden voordoen. Hierbij valt te denken aan een wateronttrekkingsverbod bij waterschaarste of het toestaan dat langer mest wordt uitgereden bij extreme weersomstandigheden.

  • 31. Artikel 20.2 is in lijn gebracht met de wijziging van artikel 19.10 (alarmeringswaarden worden bij ministeriële regeling vastgesteld).

  • 32. In artikel 20.20, onder a, is de zinsnede ‘door het ontsluiten van omgevingsdocumenten als bedoeld in artikel 16.2, andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens en informatieproducten, vervallen omdat hiermee niet het doel werd beschreven maar de wijze waarop dat doel zou kunnen worden bereikt.

  • 33. De regels over gegevensbeheer en over de verwerking van persoonsgegevens waren in één artikel opgenomen (artikel 20.26). Deze regels zijn nu in afzonderlijke artikelen (artikelen 20.24 en 20.25 (nieuw)) opgenomen, omdat het verschillende onderwerpen betreft. In beide artikelen is voorts verduidelijkt dat de te stellen regels alleen betrekking hebben op gegevens respectievelijk persoonsgegevens die (tijdelijk) in de landelijke voorziening zijn opgenomen.

  • 34. In de regels over het elektronische formulier werd er ten onrechte vanuit gegaan dat dit formulier op basis van in het digitaal stelsel beschikbare informatie zou kunnen worden samengesteld. Bij de heroverweging naar aanleiding van het BIT-advies is geconstateerd dat dit bij inwerkingtreding van de stelselherziening waarschijnlijk niet of in beperkte mate mogelijk is. In artikel 20.25, tweede lid, (artikel 20.28, tweede lid (nieuw)) is daarom bepaald dat als bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het beschikbaar stellen van het formulier, daarbij ook wordt bepaald welk bestuursorgaan het formulier vaststelt en welk bestuursorgaan hiervoor de benodigde informatie levert.

  • 35. De regeling over validatie (artikel 20.33) is vervallen, omdat deze zo nodig, afhankelijk van de aan te wijzen informatie, bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld op grond van artikel 20.21 (artikel 20.27 (nieuw)).

  • 36. In het artikel over de systeembeschrijving (artikel 20.34, artikel 20.29 (nieuw)) is aan het slot een zinsnede toegevoegd waarmee wordt verduidelijkt dat de systeembeschrijving betrekking heeft op de informatie-uitwisseling ‘tussen de landelijke voorziening en de daarop aangesloten partijen’.

  • 37. In artikel 22.14 (artikel 22.16 (nieuw)) is verduidelijkt dat als een projectbesluit gedurende de overgangsfase het omgevingsplan niet wijzigt, het in zoverre geldt als vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In verband daarmee is een derde lid toegevoegd waarin is bepaald dat in het omgevingsplan geen regels mogen worden opgenomen die in strijd zijn met die vergunning.

  • 38. De begripsomschrijving van ‘stortingsactiviteit op zee’ is gewijzigd in verband met de totstandkoming van de Wet van 14 maart 2018 tot wijziging van de Waterwet en van de Wet maritiem beheer BES in verband met de uitvoering van de wijziging van het Protocol van 1996 bij het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972 (mariene geo-engineering)276. Dit gaat om het protocol dat in de Omgevingswet is omschreven als Londen-protocol. Door de wijzigingen in de begripsomschrijving worden in bijlage 4 bij het Londen-protocol aangewezen mariene geo-engineeringsactiviteiten onder de vergunningplicht voor de ‘stortingsactiviteit op zee’ gebracht.

Wijziging andere wetten, intrekking wetten, overgangsrecht en slotbepalingen

  • 39. In het wetsvoorstel was al de bevoegdheid voor gemeenten opgenomen om voorschriften over afval in plaats van in de afvalstoffenverordening in het omgevingsplan op te nemen (artikel 8.23, onderdelen AE tot en met AI; artikel 2.45, onderdelen AG tot en met AK (nieuw)). In verband met deze voorgestelde wijzigingen is aan de voorgestelde wijzigingen van de Gemeentewet een wijziging van artikel 154b van die wet toegevoegd. Met deze wijziging wordt het ook mogelijk om bij gemeentelijke verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van afvalvoorschriften die zijn opgenomen in het omgevingsplan.

  • 40. Er is voorzien in een wijziging van de Mijnbouwwet waarmee toezicht en handhaving van mijnbouwvoorschriften op grond van de Omgevingswet worden toegevoegd aan het takenpakket van de inspecteur-generaal der mijnen (artikel 2.17, onderdelen M, N en O (nieuw)). Deze wijziging is ingegeven door de wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings-, en opslagvergunningen) die op 1 januari 2017 in werking is getreden, waarmee de onafhankelijke positie van de inspecteur-generaal der mijnen is versterkt en zijn toezichts- en handhavingstaken in de Mijnbouwwet zijn neergelegd.

  • 41. In het artikel dat in de wijzigingen van de Wet milieubeheer voorziet is een aantal wijzigingen aangebracht. Aan de artikelen 10.14 en 10.29a van die wet zijn de taken en bevoegdheden op grond van artikel 4.1 van de Omgevingswet toegevoegd. Op deze wijze is geborgd dat ook rekening wordt gehouden met het afvalbeheerplan en de voorkeursvolgorde voor afvalwater bij omgevingsplan, waterschapsverordening en omgevingsverordening. Daarnaast is erin voorzien dat titel 11.2 van die wet vervalt. De inhoud van die titel, die regels bevat over geluidsbelastingkaarten en actieplannen geluid, is in de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving geïntegreerd.

  • 42. Er is een aantal wijzigingen in de Wet veiligheidsregio’s doorgevoerd. In artikel 31 van de Wet veiligheidsregio’s is opgenomen dat een locatie waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht kan worden aangewezen. Dit is gedaan omdat milieubelastende activiteit te beperkt is in verband met de aanwijzingsbevoegdheid van het bestuur van de veiligheidsregio. In artikel 48, tweede lid van de Wet veiligheidsregio’s is toegevoegd dat het exploitatieverbod ook kan worden opgelegd aan degene die de milieubelastende activiteit gaat verrichten of de inrichting gaat exploiteren. Die wijziging is in overeenstemming met het huidige artikel 48, tweede lid.

  • 43. Het overgangsrecht dat was opgenomen voor keuren van waterschappen is herzien omdat gebleken is dat de voorgestelde overgangsregeling om de bestaande keuren en leggers hun gelding te laten behouden tot de waterschapsverordening er is, niet verenigbaar is met de wijzigingen met de Omgevingswet en het Bal wat betreft lozingsactiviteiten worden doorgevoerd. Zo is, anders dan nu het geval is, in het Besluit activiteiten leefomgeving de vergunningplicht voor lozingsactiviteiten niet meer gekoppeld aan een type afvalwaterstroom, maar aan een bedrijf als geheel. Daarnaast wordt in de huidige regelgeving onderscheid gemaakt wordt tussen waterkwaliteit (brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam, op nationaal niveau geregeld) en waterkwantiteit (brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam, geregeld in de keur). In de Omgevingswet verdwijnt dit onderscheid. De Omgevingswet biedt de grondslag om bij algemene maatregel van bestuur zowel over de waterkwaliteit als over de waterkwantiteit regels te stellen. Het nieuwe artikel 22.14 voorziet in een bundeling van een aantal verordeningen, leggers en andere besluiten tot een deel van een waterschapsverordening die op de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet een deel van de waterschapsverordening zullen vormen en waarop als gevolg daarvan het regime van de Omgevingswet van toepassing zal zijn. Het andere deel van de waterschapsverordening zal bestaan uit de zogenaamde bruidsschat waarvoor dat artikel ook de basis biedt. Het overgangsrecht voor de Tracéwet is aangevuld door te bepalen dat het tracébesluit geldt als een projectbesluit en – voor zover nodig – als een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.

  • 44. Artikel 12.1 (artikel 5.1 (nieuw)) van het wetsvoorstel is zodanig aangepast dat het ook een grondslag biedt om nog niet uitgewerkt overgangsrecht dat is opgenomen in een in te trekken wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling zijn gelding te laten behouden.

TEN SLOTTE

Met de aanvaarding van de Omgevingswet door de Staten-Generaal is een majeure systeemwijziging van het omgevingsrecht in gang gezet. De Omgevingswet is een integrale kaderwet, die uitgewerkt wordt in aanvullingswetten en de voorliggende amvb’s.

Bij de behandeling van de Omgevingswet zijn kritische opmerkingen gemaakt die te maken hebben met de vraag of de uitgangspunten en doelstellingen van de wet gerealiseerd zullen worden. De uitwerking van het wettelijk kader in de voorliggende amvb’s is consequent gebeurd, maar de onzekerheden zijn hiermee slechts ten dele weggenomen. De wijze waarop de onderscheiden overheden invulling geven aan de balans tussen benutten en beschermen, is voorts bepalend voor de vraag of de uitgangspunten en doelstellingen worden bereikt. Dat is reden voor het advies tot wijzigingen en aanvullingen en tevens om aan de uitwerking van het stelsel op het bereiken van doelstellingen en uitgangspunten in de voorziene evaluatie extra aandacht te besteden.

De invoering van het nieuwe systeem is enkele malen uitgesteld, onder andere in verband met de realisering van het DSO. Dat is terecht, maar ondanks dit uitstel blijft dit digitale systeem een groot invoeringsrisico. De Afdeling adviseert dan ook om te bezien of onderdelen van het digitale systeem niet of later moeten worden ingevoerd. Er moet ook niet te veel tijd verloren gaan, nu in den lande al wordt voorgesorteerd op de invoering van het stelsel.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

BIJLAGE: TRANSPONERINGSTABEL WIJZIGING INDELING WETSVOORSTEL INVOERINGSWET OMGEVINGSWET

De departementale hoofdstukindeling van het wetsvoorstel voor de Invoeringswet is naar aanleiding van de kabinetswisseling in 2017 gewijzigd naar een hoofdstukindeling waarin de te wijzigen wetten, anders dan de Omgevingswet, op alfabetische volgorde worden gezet. Onderstaande transponeringstabel biedt een overzicht van deze wijzigingen. De eerste kolom geeft de hoofdstukken, afdelingen en artikelen op basis van de departementale indeling weer (oud). In de derde en vierde kolom staat weergegeven waar dat hoofdstuk, die afdeling of dat artikel terug te vinden is in de nieuwe indeling van het wetsvoorstel voor de Invoeringswet.

Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

Oude indeling (departementale indeling)

Nieuwe indeling (alfabetisch)

HOOFDSTUK

ARTIKEL

HOOFDSTUK

ARTIKEL

HOOFDSTUK 1

Aanvulling en wijziging van de Omgevingswet

 

HOOFDSTUK 1

Aanvulling en wijziging Omgevingswet

 

HOOFDSTUK 2

Ministerie van Algemene Zaken

 

HOOFDSTUK 2

Wijziging andere wetten

 
 

2.1 (Coördinatiewet uitzonderingstoestanden)

 

2.4

HOOFDSTUK 3

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

     
 

3.1 (Gemeentewet)

 

2.10

 

3.2 (Huisvestingswet 2014)

 

2.11

 

3.3 (Leegstandwet)

 

2.14

 

3.4 (Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte)

 

2.21

 

3.5 (Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag)

 

2.22

 

3.6 (Wet algemene regels herindeling)

 

2.31

 

3.7 (Wet op de huurtoeslag)

 

2.48

 

3.8 (Wet normering topinkomens)

 

2.46

 

3.9 (Woningwet)

 

2.55

HOOFDSTUK 4

Ministerie van Buitenlandse Zaken

     
 

4.1 (Uitvoeringswet verdrag chemische wapens)

 

2.23

 

4.2 (Wet grenzen Nederlandse territoriale zee)

 

2.36

HOOFDSTUK 5

Ministerie van Defensie

     
 

5.1 (Belemmeringenwet Landsverdediging)

 

3.1

HOOFDSTUK 6

Ministerie van Economische Zaken

     
 

6.1 (Elektriciteitswet 1998)

 

2.7

 

6.2 (Gaswet)

 

2.9

 

6.3 (Meststoffenwet)

 

2.16

 

6.4 (Mijnbouwwet)

 

2.17

 

6.5 (Telecommunicatiewet)

 

2.19

 

6.6 (Uitvoeringswet grondkamers)

 

2.20

 

6.7 (Warmtewet)

 

2.24

 

6.8 (Wet verbod pelsdierhouderij)

 

2.50

 

6.9 (Wet windenergie op zee)

 

2.54

HOOFDSTUK 7

Ministerie van Financiën

     
 

7.1 (Algemene douanewet)

 

2.1

 

7.2 (Wet waardering onroerende zaken)

 

2.53

HOOFDSTUK 8

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

     

Afdeling 8.1

Intrekking van wetten

8.1 (intrekken wetten)

HOOFDSTUK 3

Intrekking wetten

3.1

Afdeling 8.2

Wijziging van wetten

8.2 (Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening)

HOOFDSTUK 2

Wijziging andere wetten

2.5

 

8.3 (Drinkwaterwet)

 

2.6

 

8.4 (Kernenergiewet)

 

2.13

 

8.5 (Luchtvaartwet)

 

2.15

 

8.6 (Spoorwegwet)

 

2.18

 

8.7 (Waterschapswet)

 

2.25

 

8.8 (Waterstaatswet 1900)

 

2.26

 

8.9 (Waterwet)

 

2.27

 

8.10 (Wegenverkeerswet 1994)

 

2.28

 

8.11 (Wegenwet)

 

2.29

 

8.12 (Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels)

 

2.30

 

8.13 (Wet basisregistratie grootschalige topografie)

 

2.32

 

8.14 (Wet beheer rijkswaterstaatswerken)

 

2.33

 

8.15 (Wet bescherming Antarctica)

 

2.34

 

8.16 (Wet herverdeling wegenbeheer)

 

2.37

 

8.17 (Wet houdende verklaring van het algemeen nut der onteigening van percelen, erfdienstbaarheden en andere zakelijke rechten ten behoeve van de inrichting van een buisleidingenstraat vanaf Pernis langs Klundert naar de Schelde nabij de Nederlands-Belgische grens)

 

2.38

 

8.18 (Wet Infrastructuurfonds)

 

2.40

 

8.19 (Wet kabelbaaninstallaties)

 

2.42

 

8.20 (Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken)

 

 

8.21 (Wet lokaal spoor)

 

2.43

 

8.22 (Wet luchtvaart)

 

2.44

 

8.23 (Wet milieubeheer)

 

2.45

 

8.24 (Wet vervoer gevaarlijke stoffen)

 

2.51

 

8.25 (Wet voorkoming verontreiniging door schepen)

 

2.52

HOOFDSTUK 9

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

     
 

9.1 (Erfgoedwet)

 

2.8

HOOFDSTUK 10

Ministerie van Veiligheid en Justitie

     
 

10.1 (Algemene wet bestuursrecht)

 

2.2

 

10.2 (Burgerlijk Wetboek)

 

2.3

 

10.3 (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur)

 

2.35

 

10.4 (Wet Justitie-subsidies)

 

2.41

 

10.5 (Wet op de economische delicten)

 

2.47

 

10.6 (Wet veiligheidsregio’s)

 

2.49

HOOFDSTUK 11

Overgangsrecht

 

HOOFDSTUK 4

Overgangsrecht

 

Afdeling 11.1

Algemene overgangsbepalingen lopende procedures besluiten

     

toepassingsbereik afdeling 11.1 besluiten

11.1

 

4.1

toepassingsbereik afdeling 11.1 besluiten gedoogplicht

11.2

 

4.2

besluiten op aanvraag

11.3

 

4.3

ambtshalve besluiten met toepassing van afdeling 3.4 Awb

11.4

 

4.4

ambtshalve besluiten met toepassing van titel 4.1 Awb

11.5

 

4.5

Afdeling 11.2 overgangsbepalingen per onderwerp Omgevingswet

11.2

 

4.2

§ Overgangsbepalingen omgevingsplannen

§ 11.2.1

 

§ 4.2.1

omgevingsplan van rechtswege

11.6

 

4.6

omgevingsplan

11.7

 

§ Overgangsbepalingen omgevingsvisies

§ 11.2.2

 

§ 4.2.3

uitgestelde werking gemeentelijke omgevingsvisie

11.8

 

4.9

gelijkstelling omgevingsvisies

11.9

 

4.10

§ Overgangsbepalingen omgevingsvergunningen

§ 11.2.3

 

§ 4.2.5

ontheffingen en vergunningen

11.10

 

4.13

nieuwe vergunningplicht

11.11

 

4.14

wijziging bevoegd gezag vergunningverlening

11.12

 

4.15

§ Overgangsbepaling gedoogplichten

§ 11.2.4

 

§ 4.2.6

gedoogplichtbeschikkingen, concessie en schadevergoeding

11.13

 

4.16

§ Overgangsbepalingen nadeelcompensatie

§ 11.2.5

 

§ 4.2.7

nadeelcompensatie Mijnbouwwet, Monumentenwet 1988 zoals die luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, Ontgrondingenwet, Tracéwet, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet milieubeheer en artikel 6.1, tweede lid, onder g, van de Wet ruimtelijke ordening

11.14

 

4.17

nadeelcompensatie Spoedwet wegverbreding en artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening

11.15

 

4.18

nadeelcompensatie artikel 6.1, tweede lid, onder a, b, e of f, van de Wet ruimtelijke ordening

11.16

 

4.19

nadeelcompensatie artikel 6.1, tweede lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening

11.17

 

4.20

nadeelcompensatie Waterwet

11.18

 

4.21

§ Overgangsbepaling bestuurlijke sanctiebesluiten

§ 11.2.6

 

§ 4.2.8

bestuurlijke sanctiebesluiten

11.19

 

4.22

4.23

§ Overgangsbepalingen landelijke voorziening

§ 11.2.7

 

§ 4.2.9

landelijke voorziening krachtens Wabo en Waterwet; omgevingsloket online

11.20

 

4.24

landelijke voorziening krachtens Wro; ruimtelijkeplannen.nl

11.21

 

4.25

Afdeling 11.3

Overgangsbepalingen per ingetrokken of gewijzigde wet

11.3

 

4.3

§ Overgangsbepalingen Belemmeringenwet Privaatrecht

§ 11.3.1

 

§ 4.3.1

besluiten gebaseerd op Belemmeringenwet Privaatrecht

11.22

 

4.26

lopende procedures gebaseerd op Belemmeringenwet Privaatrecht

11.23

 

4.27

§ Overgangsbepalingen Crisis- en herstelwet

§ 11.3.2

 

§ 4.3.2

Chw-bestemmingsplan

11.24

 

4.28

Chw-inpassingsplan

11.25

 

4.29

projectuitvoeringsbesluit

11.26

 

4.31

§ Overgangsbepaling Elektriciteitswet 1998

§ 11.3.3

 

§ 4.3.3

vergevorderde projecten Rijk en provincie

11.27

 

4.32

§ Overgangsbepalingen Erfgoedwet en Monumentenwet 1988

§ 11.3.4

 

§ 4.3.4

voorbeschermd rijksmonument

11.28

 

4.33

lopende procedures vergunningen archeologische rijksmonumenten

11.29

 

4.34

aanwijzingen als beschermd stads- of dorpsgezicht

11.30

 

4.35

schade of dreigende schade aan archeologische monumenten

11.31

 

4.36

§ Overgangsbepaling Gaswet

§ 11.3.5

 

§ 4.3.5

vergevorderde projecten Rijk

11.32

 

4.37

§ Overgangsbepaling Interimwet stad-en-milieubenadering

§ 11.3.6

 

§ 4.3.6

lopende procedures gebaseerd op de Interimwet stad-en-milieubenadering

11.33

 

4.38

§ Overgangsbepaling Mijnbouwwet

§ 11.3.7

 

§ 4.3.7

vergevorderde projecten Rijk

11.34

 

4.39

§ Overgangsbepalingen Ontgrondingenwet

§ 11.3.8

 

§ 4.3.8

ontgrondingenheffing

11.35

 

4.40

vergoeding kosten schadevergoeding

11.36

 

4.41

§ Overgangsbepalingen Tracéwet

§ 11.3.9

 

§ 4.3.9

startbeslissing

11.37

 

4.42

structuurvisie

11.38

 

4.43

tracébesluit

11.39

 

4.44

vergevorderde projecten

11.40

 

4.45

tracébesluiten Blankenburgverbinding en Via15

11.41

 

4.46

tracébesluit: omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit

11.42

 

4.47

tracébesluit: verkeersbesluit

11.43

 

     

4.48

tracébesluit: voorbereidingsbescherming

11.44

 

4.49

aanpassen omgevingsplan aan tracébesluit

11.45

 

4.50

coördinatie uitvoeringsbesluiten tracébesluit

11.46

 

4.51

§ Overgangsbepalingen Waterwet

§ 11.3.10

 

§ 4.3.10

technische leidraad

11.47

 

4.52

kaart kustlijn

11.48

 

4.53

aanwijzing provincie

11.49

 

4.54

aanwijzing Rijk

11.50

 

4.55

nationaal waterplan

11.51

 

4.56

regionaal waterplan

11.52

 

4.57

beheerplan waterschappen en Rijk

11.53

 

4.58

legger

11.54

 

4.59

waterschapsverordening inclusief beschermingszone

11.55

 

technisch beheersregister

11.56

 

vrijstelling leggerplicht

11.57

 

4.60

peilbesluit

11.58

 

4.61

projectplan waterschap artikel 5.4 Waterwet

11.59

 

4.62

projectplan Rijk artikel 5.4 Waterwet

11.60

 

4.63

projectplan waterschap met projectprocedure § 5.2 Waterwet

11.61

 

4.64

projectplan Rijk met projectprocedure § 5.2 Waterwet

11.62

 

4.65

ongewoon voorval bodem of oever

11.63

 

4.66

calamiteitenplan

11.64

 

4.67

maatregelen bij gevaar voor waterstaatswerken

11.65

 

4.68

aanwijzing provincie bij gevaar voor waterstaatswerken

11.66

 

4.69

getrapte aanwijzing Rijk bij gevaar voor waterstaatswerken

11.67

 

4.70

aanwijzing Rijk bij gevaar voor waterstaatswerken

11.68

 

4.71

toegangsverbod of toegangsbeperking

11.69

 

4.72

besluiten met toepassing van de coördinatiebepaling

11.70

 

4.73

grondwateronttrekkingsheffing

11.71

 

4.74

vergoeding kosten schadevergoeding

11.72

 

4.75

schade grondwateronttrekking

11.73

 

4.76

schade aan waterstaatswerken

11.74

 

4.77

verhaal kosten verontreiniging of aantasting bodem of oever

11.75

 

4.78

§ Overgangsbepalingen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

§ 11.3.11

 

§ 4.3.11

gefaseerde omgevingsvergunning artikel 2.5 Wabo

11.76

 

4.79

melding wijziging vergunninghouder

11.77

 

4.80

besluiten met toepassing van de coördinatiebepaling

11.78

 

4.81

§ Overgangsbepaling Wet beheer rijkswaterstaatswerken

§ 11.3.12

 

§ 4.3.12

toegangsverbod of toegangsbeperking

11.79

 

4.82

schade aan waterstaatswerken

11.80

 

4.83

§ Overgangsbepaling Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden

§ 11.3.13

 

§ 4.3.13

zwemverbod of negatief zwemadvies

11.81

 

4.84

§ Overgangsbepaling Wet lokaal spoor

§ 11.3.14

 

§ 4.3.14

ruimtelijk profiel

11.82

 

4.85

§ Overgangsbepalingen Wet luchtvaart

§ 11.3.15

 

§ 4.3.15

actieplan geluid Rijk

11.83

 

4.87

actieplan geluid provincie

11.84

 

4.88

wijziging grondslag gebieden in luchthavenindelingbesluit

11.85

 

4.89

voorbereidingsprocedure wijziging luchthavenverkeerbesluit en luchthavenbesluit

11.86

 

4.90

verklaring van geen bezwaar

11.87

 

4.91

§ Overgangsbepalingen Wet inzake de luchtverontreiniging

§ 11.3.16

 

§ 4.3.16

besluiten en lopende procedures gebaseerd op de Wet inzake de luchtverontreiniging

11.88

 

4.92

§ Overgangsbepalingen Wet milieubeheer

§ 11.3.17

 

§ 4.3.17

gemeentelijk rioleringsplan

11.89

 

4.93

mededeling voornemen verzoek om besluit mer-beoordelingsplichtige activiteit

11.90

 

4.94

besluit mer-beoordelingsplichtige activiteit

11.91

 

4.95

ontheffing van de plicht tot het maken van een project-mer of een beoordeling

11.92

 

4.96

     

4.97

     

4.98

besluit tot treffen maatregelen bij ongewoon voorval

11.93

 

4.99

gelijkstelling gemeentelijk luchtkwaliteitsplan

11.94

 

4.100

grondwaterbeschermingsheffing

11.95

 

4.101

§ Overgangsbepalingen Wet ruimtelijke ordening

§ 11.3.18

 

§ 4.3.18

nadere eisen

11.96

 

4.102

voorbereidingsbesluit bestemmingsplan

11.97

 

4.103

voorbereidingsbesluit inpassingsplan provincie en Rijk

11.98

 

4.104

geen belemmering provinciaal inpassingsplan

11.99

 

4.105

geen belemmering rijksinpassingsplan

11.100

 

4.106

ruimtelijke ontheffing provinciale verordening

11.101

 

4.108

provinciale ruimtelijke aanwijzing

11.102

 

4.109

ruimtelijke ontheffing Rijk

11.103

 

4.110

ruimtelijke aanwijzing door het Rijk

11.104

 

4.111

eerbiedigende werking grondexploitatieovereenkomsten

11.105

 

4.112

vergoeding hogere kosten gemeente

11.106

 

4.113

§ Overgangsbepaling Woningwet

§ 11.3.19

 

§ 4.3.19

welstandsnota

11.107

 

4.114

       

HOOFDSTUK 12

Slotbepalingen

 

HOOFDSTUK 5

Slotbepalingen

 
 

12.1 (overgangsrecht in Invoeringsbesluit, vangnetbepaling en hardheidsclausule)

 

5.1

 

12.2 (internetpublicatie, voorhang en andere totstandkomingsvereisten Invoeringsbesluit en Invoeringsregelingen Omgevingswet)

 

5.2

 

12.3 (inwerkingtreding)

 

5.3

 

12.4 (citeertitel)

 

5.4

 

12.5 (Staatsblad)

 

5.5

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, K.H. Ollongren.

Advies Raad van State

No. W04.17.0186/I

’s-Gravenhage, 22 december 2017

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 5 juli 2017, no.2017001152, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving), met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State brengt over dit ontwerpbesluit (verder: Bbl) advies uit dat gelijkluidend is aan het advies over:

  • a. de Invoeringswet Omgevingswet1 (verder: Invoeringswet);

  • b. het Omgevingsbesluit2 (Ob);

  • c. het Besluit kwaliteit leefomgeving3 (Bkl);

  • d. het Besluit activiteiten leefomgeving4 (Bal).5

Dit pakket geeft nader invulling aan het stelsel waartoe door de wetgever werd besloten bij aanvaarding van de Omgevingswet in 2016.6 De Afdeling heeft de belangrijkste aspecten van het stelsel in 2012 (voorlichting) en in 2014 (advies bij het wetsvoorstel) al uitvoerig behandeld en daarbij kritische opmerkingen gemaakt.7 Uitgaande van de gemaakte keuzes is de Afdeling van oordeel dat het nu voorliggende pakket een consistente en helder gestructureerde invulling aan het stelsel geeft. De praktijk zal echter moeten uitwijzen of de doelstellingen van de stelselherziening uiteindelijk zullen worden gehaald. De Afdeling heeft daarbij zorgen op het punt van voldoende houvast, gelijkwaardige bescherming (van milieu en rechtsposities) en invoeringslasten.

Het pakket biedt bewust bijzonder veel flexibiliteit, zowel op het vlak van regelgeving en in de interbestuurlijke verhoudingen als bij de uitvoering. Daardoor wordt echter onzeker of burger, overheid en rechter voldoende houvast geboden wordt en of de bescherming uiteindelijk gelijkwaardig zal zijn aan het huidige niveau. De balans tussen ‘benutten’ en ‘beschermen’ kan dan doorslaan naar benutten. Het stelsel is zo ingericht dat de opdracht om voldoende houvast en gelijkwaardige bescherming te bieden feitelijk vooral bij de gemeente ligt. In de aanloop naar inwerkingtreding van de wet en daarna tijdens een lange en complexe overgangsperiode worden (vooral) gemeenten sowieso al geconfronteerd met de lasten van de invoering van het nieuwe stelsel. De lasten van de opdracht inhoudelijk voldoende houvast en bescherming te bieden komen daar nog bovenop. Voor en na de invoering bestaat daarbij ook nog grote afhankelijkheid van ICT die nog moet worden ontwikkeld (Digitaal stelsel omgevingswet). De Afdeling vreest dat zonder forse inzet op versterking van de bestuurskracht van de gemeenten en op substantiële ondersteuning bij de invoering van het stelsel wezenlijke risico's ontstaan.

De Afdeling adviseert binnen het stelsel op een relatief beperkt aantal concrete punten meer houvast te bieden. Meer algemeen zou voorzien moeten worden in wettelijke waarborgen voor onafhankelijke evaluatie op het punt van houvast en gelijkwaardige bescherming. Verder benadrukt zij het belang van begeleiding en monitoring bij de invoering en wordt ingegaan op een aantal belangrijke, maar meer opzichzelfstaande onderwerpen.

A. INLEIDING

1. Eén advies, toetsing en indeling

a. Eén integraal advies

Met de bekendmaking van de Omgevingswet is een eerste essentiële stap gezet naar een stelsel waarin de regelgeving voor de fysieke leefomgeving is geïntegreerd. Uitgangspunt van het nieuwe stelsel is dat de materiële bepalingen voornamelijk in de algemene maatregelen van bestuur (amvb) zullen zijn opgenomen. Of het nieuwe stelsel beantwoordt aan de doelstellingen kan daardoor alleen in samenhang goed worden bezien. Het wetsvoorstel voor de Invoeringswet en de ontwerpbesluiten zijn om die reden, in navolging van het advies van de Afdeling over het voorstel voor de Omgevingswet, gelijktijdig aan de Afdeling voorgelegd. Tegelijk ligt ook voor het wetsvoorstel voor een Aanvullingswet Natuur. Daarover wordt apart advies uitgebracht. In een later stadium volgen nog een belangrijke aanvullingswet (grondeigendom) en de aanvullingsbesluiten die behoren bij de aanvullingswetten, een invoeringsbesluit en een ministeriële regeling die een invoeringsregeling zal bevatten en enkele aanvullingsregelingen. De regering wil alle nieuwe regelgeving tegelijk met de Omgevingswet – in 2021 – in werking laten treden.8

Het voorstel voor de Invoeringswet vult de Omgevingswet met enkele essentiële onderdelen aan, wijzigt andere wetten of trekt deze in en regelt het overgangsrecht. De vier amvb’s zijn voor de werking van het stelsel cruciaal. Het stelsel is als geheel ook op dit moment nog niet volledig in beeld. Er volgen immers nog belangrijke aanvullingswetten- en besluiten. Dat neemt niet weg dat de hoofdlijnen met dit pakket regelgeving wel zodanig nader worden ingevuld dat sprake is van de tweede essentiële stap in de stelselherziening. De Afdeling ziet hierin en in de onderlinge samenhang aanleiding één integraal advies uit te brengen over de Invoeringswet en de uitvoeringsbesluiten. Gelet op de omvang en voorgeschiedenis van het pakket beperkt de Afdeling zich tot de hooflijnen van het stelsel zoals die nu worden ingevuld. Van een toets op detailniveau is afgezien.

b. Opbouw van het advies

Het advies is als volgt opgebouwd. Hierna worden in punt 2 eerst de doelen en uitgangspunten, het instrumentarium en de belangrijkste systeemkeuzes in de Omgevingswet geschetst. Deel B bevat het algemene oordeel van de Afdeling over het voorliggende pakket in het licht van de doelstellingen van de stelselherziening, alsmede de daarmee verband houdende hoofdpunten van het advies. De analyses die aan dat oordeel ten grondslag liggen zijn opgenomen in deel C. Daarna wordt ingegaan op een aantal meer opzichzelfstaande punten waarbij in deel D het Digitaal Stelsel Omgevingswet aan de orde komt. Vervolgens komen Unierechtelijke aspecten (in deel E) en de nadeelcompensatie (deel F) aan de orde, en ten slotte andere bijzondere onderwerpen zoals voorbereidingsprocedures en overgangsrecht (deel G). Het advies eindigt met een slotbeschouwing.

2. Het stelsel in het kort

a. Doelen en uitgangspunten

Het maatschappelijke doel van het nieuwe stelsel is in de Omgevingswet zelf expliciet vastgelegd en wordt vaak kortweg geduid als 'ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit' of 'beschermen en benutten'.9 Vier concrete verbeterdoelen zijn:

  • 1. vergroten inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak,

  • 2. samenhangende benadering in beleid, besluitvorming en regelgeving,

  • 3. vergroten bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken, en

  • 4. versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten.

Daarnaast zijn uitgangspunten voor het nieuwe stelsel geformuleerd. Een belangrijk uitgangspunt is 'gelijkwaardige bescherming': het niveau van bescherming van gezondheid, veiligheid en omgevingskwaliteit moet gelijkwaardig zijn aan het huidige niveau. Hetzelfde geldt voor het niveau van rechtsbescherming. De Afdeling heeft in eerdere adviezen aangekondigd zich in het bijzonder op deze doelen en uitgangspunten te zullen richten.10 Ander belangrijk uitgangspunt is de vergroting van de bestuurlijke afwegingsruimte binnen de doelen van de wet en de overige wettelijke bepalingen. Tenslotte geldt als belangrijk uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’; de gemeente is primair verantwoordelijk voor de zorg voor de fysieke leefomgeving.

b. Instrumentarium en systeemkeuzes

  • i. Doorwerking van beleid

    De zorg van de overheid voor de leefomgeving wordt in het nieuwe stelsel inhoudelijk gekleurd en geconcretiseerd met normen die gericht zijn tot bestuursorganen – omgevingswaarden en instructieregels – en met algemene regels voor burgers en bedrijven.11 Omgevingswaarden zijn maatstaven die voor de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan de gewenste staat of kwaliteit, de toelaatbare belasting door activiteiten, de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen als beleidsdoel vastleggen.12 Deze omgevingswaarden kunnen bij omgevingsplan (door de gemeente), omgevingsverordening (door de provincie) of amvb worden vastgesteld. Zonder nadere bepalingen werken omgevingswaarden niet door bij de vaststelling van besluiten zoals omgevingsvisies, omgevingsplannen en omgevingsvergunningen. Om doorwerking te bewerkstelligen dienen instructieregels (van het Rijk of de provincie) die het bevoegd gezag verplichten een omgevingswaarde op een bepaalde wijze te betrekken bij een besluit.13 Het Rijk en de provincies kunnen bij amvb onderscheidenlijk omgevingsverordening instructieregels geven over de inhoud, toelichting of motivering van besluiten of over de uitoefening van taken door andere overheden.14 Voor een aantal onderwerpen is het stellen van instructieregels verplicht omdat zij bestaande wettelijke verplichtingen tot provinciale normstelling vervangen of leiden tot beperkingen van eigendomsrechten en gebruiksrechten of omdat zij voortvloeien uit internationale verplichtingen.15 Instructieregels zijn bindend voor overheden.

  • ii. Kerninstrumenten

    De Omgevingswet kent zes kerninstrumenten:

    • 1. de omgevingsvisie: een samenhangend strategisch plan met betrekking tot de fysieke leefomgeving;

    • 2. het programma: een pakket van beleidsvoornemens en maatregelen die dienen om omgevingswaarden of doelen in de fysieke leefomgeving te bereiken en daaraan te blijven voldoen;

    • 3. decentrale regelgeving: namelijk het omgevingsplan van de gemeente, de waterschapsverordening van het waterschap en de omgevingsverordening van de provincie, waarin het decentraal bestuur gebiedsdekkend algemene regels en vergunningplichten vastlegt;

    • 4. algemene rijksregels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving;

    • 5. de omgevingsvergunning, waarmee een initiatiefnemer via één aanvraag bij één loket toestemming kan verkrijgen voor het geheel van door hem gewenste activiteiten;

    • 6. het projectbesluit: een generieke regeling voor besluitvorming over projecten met een publiek belang.

    Daarnaast omvat de Omgevingswet ondersteunende instrumenten zoals gedoogplichten, procedurebepalingen en regelingen voor toezicht en handhaving.

  • iii. Systeemkeuzes

    Uitgangspunt is dat de algemene rijksregels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving worden neergelegd in de vier amvb's die nu in ontwerp voorliggen. De materiële normen die zich rechtstreeks richten tot burgers en bedrijven zijn bij elkaar ondergebracht in het Bal en het Bbl, de normen die zich richten tot andere overheden in het Bkl. De laatste zijn instructieregels, die door toedoen van de betrokken overheid (vaak de gemeente) moeten doorwerken als bindende normen (vaak het omgevingsplan). Deze vorm past bij de wens tot differentiatie naar verschillende locaties. Het Bal past bij locatieonafhankelijke preventieve maatregelen en beste beschikbare technieken.16 Procedurele bepalingen ten slotte zijn bij elkaar gezet in het Omgevingsbesluit.

B. ALGEMEEN OORDEEL EN HOOFDPUNTEN VAN HET ADVIES

3. Algemeen oordeel

In haar advies bij de Omgevingswet overwoog de Afdeling dat het wetsvoorstel weliswaar de basis kan vormen voor een inzichtelijk, samenhangend, flexibel en efficiënt stelsel, maar dat de verwezenlijking daarvan afhankelijk is van de inhoud en opbouw van de uitvoeringsregelingen. Alles overwegende is de Afdeling van oordeel dat de uitvoeringsregelgeving op adequate en helder gestructureerde wijze uitwerking geeft aan de Omgevingswet. De inrichting van het stelsel komt daarbij in ruime mate tegemoet aan de behoefte aan bestuurlijke afwegingsruimte, samenhangende benadering en versnelling van besluitvorming over projecten. De Afdeling spreekt dan ook graag in algemene zin en gegeven de door de wetgever gemaakte keuzes waardering uit voor de wijze waarop het stelsel in het voorliggende pakket verder is uitgewerkt. De praktijk zal de komende jaren echter moeten uitwijzen of de doelstellingen van de stelselherziening uiteindelijk worden gehaald. De Afdeling ziet aanleiding om in het hiernavolgende aandacht te vragen voor de wezenlijke risico’s die met het oog op de feitelijke realisering van deze doelstellingen kunnen worden gesignaleerd. Deze risico’s ontstaan in de eerste plaats door de verregaande mate van flexibiliteit in het stelsel waardoor onzeker is of burger, overheid en rechter voldoende houvast geboden wordt en ook of de bescherming uiteindelijk gelijkwaardig zal zijn aan het huidige niveau. Voorts ziet de Afdeling risico’s die samenhangen met de invoering van het nieuwe stelsel dat vanwege zijn complexiteit een aanzienlijke bestuurskracht van gemeenten zal vergen en waarbij bovendien een grote afhankelijkheid bestaat van ICT die nog moet worden ontwikkeld. Wat de risico’s betreft wordt in het hiernavolgende een aantal adviezen gegeven.

4. Risico’s van flexibiliteit

Het onderstaande is gebaseerd op de beschouwing in deel C.

De Afdeling signaleerde in het advies over de Omgevingswet dat het wetsvoorstel op zichzelf veel flexibiliteit biedt, maar weinig houvast geeft bij de toepassing ervan. De inzichtelijkheid van het stelsel van het omgevingsrecht zou kunnen afnemen als uit de uitvoeringregelgeving onvoldoende zou blijken hoe en ten aanzien van welke specifieke belangen de overheid kan interveniëren, welke mate van flexibiliteit wordt geboden en welke grenzen daarbij in acht worden genomen. Ook wees de Afdeling op de ruime mogelijkheden om van (hogere) regels af te wijken waardoor het waarborgkarakter van eenmaal krachtens de wet gestelde regels afneemt. Het wetsvoorstel zette daarmee in op flexibiliteit, wat ten koste kan gaan van de rechtszekerheid en rechtsbescherming, aldus het advies.17 Of het maatschappelijk doel van de Omgevingswet – balans tussen beschermen en benutten – en de verbeterdoelstellingen van het stelsel zullen worden gehaald is dan ook in hoge mate afhankelijk van de vraag of het nu voorliggende pakket voldoende houvast biedt aan burgers, bedrijven, openbaar bestuur en rechtspraak.

Hier is reden tot zorg. De Afdeling constateert dat binnen het nieuwe stelsel maar in beperkte mate sprake is van materiële voorschriften waarvan geen afwijking mogelijk is. De duidelijke structuur en doorgaans concrete en helder geformuleerde voorschriften in Bkl, Bal en Bbl bieden daardoor uiteindelijk toch maar in beperkte mate echt houvast. De bescherming die niet (meer) uit deze regelgeving zelf voortvloeit, moet per saldo alsnog door (vooral) de gemeente in het omgevingsplan geboden worden. Of een gelijkwaardig beschermingsniveau wordt geboden is daarmee vooral afhankelijk van de inzet en afwegingen op decentraal niveau.

Als het gaat om de bestuurlijke praktijk is de vraag of altijd voldoende duidelijkheid zal bestaan over ieders rol in de gedeelde zorg voor de fysieke leefomgeving. Taken en bevoegdheden zullen niet meer exclusief aan één bestuursorgaan zijn toebedeeld maar een gedeelte verantwoordelijkheid zijn van meerdere overheden. Tegelijkertijd geldt het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’. Het is niet denkbeeldig dat door de flexibiliteit die de wet hier biedt ingewikkelde uitvoeringsvraagstukken en interbestuurlijke fricties zullen ontstaan. Illustratief is de wijze waarop luchtkwaliteit in het stelsel wordt geregeld. Gemeenten krijgen hier een belangrijke taak, maar mede vanwege het gemeentegrens overschrijdende karakter van luchtkwaliteit, is het de vraag of zij die taak altijd kunnen waarmaken. Daarnaast signaleert de Afdeling dat (vooral kleine) gemeenten met een grote opgave worden geconfronteerd bij de implementatie van het nieuwe stelsel. Voor die gemeenten wordt het waarschijnlijk noodzakelijk om uitvoeringsdiensten in te schakelen, in het bijzonder bij het opstellen van een omgevingsplan. Uiteindelijk kan dat wezenlijke gevolgen hebben voor de democratische legitimering van beleidsvorming en de verantwoording van uitvoering.

Verder signaleert de Afdeling dat het streven naar ‘globale en flexibele’ omgevingsplannen met zoveel mogelijk open normen, het schrappen van de vergunningplicht voor de planologische aspecten van bouwen, het loslaten van standaard overgangsrecht in bestemmingsplannen en de nieuwe systematiek voor schadevergoeding bij besluiten (nadeelcompensatie) weliswaar kan bijdragen aan de doelstelling om meer te ‘benutten’, maar tegelijkertijd ook tot onduidelijkheid en rechtsonzekerheid kan leiden voor burgers, bedrijven, overheid en rechtspraak. Datzelfde geldt voor het toenemend gebruik van (algemene en specifieke) zorgplichten in plaats van het uitschrijven van regels waar iedereen zich aan moet houden en de mogelijkheid om bij bouwen gelijkwaardige maatregelen te treffen zonder voorafgaande toestemming of melding.

Advies

De Afdeling stelt vast dat voor alle hoofdrolspelers in het omgevingsrecht in belangrijke mate houvast afneemt of ontbreekt. De Afdeling ziet mogelijkheden daar op een aantal punten verbetering in te brengen:

  • bij het verlenen van ontheffing van een instructieregel voorzien in extra waarborgen voor transparantie en zorgvuldige afweging, bijvoorbeeld in de vorm van een advies van een kwaliteitsteam waar veel gemeenten al gebruik van maken18 (zie punt 6b);

  • de verhouding tussen het projectbesluit en de bepalingen in het omgevingsplan die strekken tot uitvoering van het Bkl verduidelijken, in het bijzonder voor zover deze bepalingen zien op nakoming van EU- of andere internationaalrechtelijke verplichtingen (zie punt 6b);

  • meerwaarde van maatwerk in het Bbl bezien (zie punt 6b);

  • op wetsniveau voorzien in een vergunningplicht voor de ruimtelijke aspecten van bouwen, echter met de mogelijkheid voor de gemeenteraad deze in het omgevingsplan uit te schakelen indien dat gelet op de plansystematiek (de formulering van de algemenere regels van het omgevingsplan samen met de verbeelding) verantwoord is

    (zie punt 9a);

  • bezien of het mogelijk is om, in geval van vergunningvrij bouwen, op verzoek van de initiatiefnemer een overheidsdocument te verstrekken, waaruit blijkt dat de bouw rechtmatig is (conformiteitsverklaring) (zie ook punt 9a);

  • in het Bbl voorzien in een toestemmingsbesluit of in elk geval een meldingsplicht voor het treffen van gelijkwaardige maatregelen (zie punt 10).

Naast deze concrete adviespunten merkt de Afdeling nog het volgende op. Het risico bestaat dat, waar onvoldoende houvast is, de balans tussen ‘benutten’ en ‘beschermen’ doorslaat naar benutten. De Afdeling adviseert daarom niet te volstaan met de standaard evaluatiebepaling zoals die thans is opgenomen in artikel 23.9 van de Omgevingswet, maar waarborgen voor onafhankelijke uitvoering van de evaluatie in de wet op te nemen en in de wet tot uitdrukking te brengen op welke punten de evaluatie zich in het bijzonder zou moeten richten. Daarbij kan worden gedacht aan:

  • de vraag of een gelijkwaardige bescherming van de fysieke leefomgeving en een gelijkwaardige rechtsbescherming wordt bereikt;

  • de wijze waarop de verschillende overheidslagen hun taken uitvoeren en de samenhang daarin;

  • de vraag of de uitvoeringspraktijk adequaat is, met inbegrip van de rol die de Omgevingsdiensten spelen vanuit het perspectief van adequate democratische legitimatie;

  • de vraag of de globale en flexibele omgevingsplannen, de toenemende betekenis van algemene en specifieke zorgplichten en het nieuwe systeem van nadeelcompensatie voldoende houvast bieden aan initiatiefnemer, burger, bestuurder en rechter.

5. Invoeringsrisico’s

Het onderstaande is gebaseerd op de beschouwingen in deel C en D.

Als gevolg van het uitgangspunt 'decentraal tenzij' en de cruciale functie die het omgevingsplan in het stelsel heeft, komt de verantwoordelijkheid om houvast te bieden in hoge mate bij de gemeente te liggen. Ook de verantwoordelijkheid voor het halen van de andere verbeterdoelstelling van de stelselherziening – vergroten inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak – ligt in feite grotendeels bij de gemeente. De mate waarin fysieke leefomgeving en burgers een gelijkwaardig beschermingsniveau genieten zal vooral afhankelijk zijn van de inspanningen en de afwegingen van de gemeente. Daarbij wordt een integrale benadering van de fysieke leefomgeving gevergd, terwijl – ingegeven door de huidige sectorale wetgeving – het ambtelijk apparaat van gemeenten veelal sectoraal is georganiseerd.19 Verder is van belang op te merken dat de invoering van de Omgevingswet vanaf het moment van inwerkingtreding aanzienlijke lasten voor de gemeenten meebrengt, omdat het vanaf de inwerkingtreding van de Invoeringswet gemeenten in tien jaar een nieuw omgevingsplan moeten maken. Het overgangsrecht is daarbij zo vorm gegeven dat gedurende die periode het oude en het nieuwe regime naast elkaar bestaan. Het Interprovinciaal Overleg (IPO) wijst er in haar consultatiereactie op dat het naast elkaar bestaan van verschillende regimes in de praktijk een grote aanslag op de capaciteit van de gemeentes zal vormen en het daarom een belangrijk aandachtspunt is bij het streven naar een goede acceptatie van en een soepele overgangsfase naar het nieuwe stelsel.20

Ten slotte is nog van belang dat ook de extra vrijheid voor (vooral) gemeenten extra verantwoordelijkheid en daarmee extra bestuurslasten meebrengt. Dit geldt al bij het benutten van de nieuwe ruimte voor gewenste initiatieven, maar te meer ook als ongewenste initiatieven die een beroep kunnen doen op de geboden nieuwe ruimte moeten worden tegengegaan. Al deze verantwoordelijkheden moet een gemeente waarmaken in een context waarbij feitelijk grote afhankelijkheid bestaat van niet alleen de eigen gemeentelijke ICT-voorzieningen, maar ook van de werking van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (zie deel D over het DSO). Er is immers een grote wederzijdse afhankelijkheid tussen het wettelijke stelsel en het digitale stelsel. DSO kan pas operationeel worden wanneer de regelgeving van kracht is. Omgekeerd is de uitvoering van de regelgeving zonder operationeel DSO niet mogelijk zonder ingrijpende aanpassing van de bestaande systemen.

Advies

Invoering van het nieuwe stelsel brengt aanzienlijke lasten mee voor met name de gemeenten, zowel door de overgang naar een nieuw stelsel – met DSO – als door de extra vrijheid die gemeenten krijgen. Dat vergt grote gemeentelijke bestuurskracht en een sterk ambtelijk apparaat. Het is aannemelijk dat wat dat betreft forse inzet van betrokken overheden en ondersteuning van (vooral) gemeenten nodig zijn om het nieuwe stelsel zonder wezenlijke risico’s in te kunnen voeren. Risico’s zijn er ook als het gaat om de verregaande mate van samenwerking die het stelsel vraagt van overheden: in het voorgaande is al gesignaleerd dat zich in verband daarmee ingewikkelde uitvoeringsvraagstukken kunnen voordoen met interbestuurlijke fricties als gevolg.

Om deze met de invoering van het stelsel gepaard gaande risico’s te mitigeren benadrukt de Afdeling in algemene zin het belang van invoeringsbegeleiding voor gemeenten, onder meer bij het omzetten van bestemmingsplannen naar omgevingsplannen en de uitdagingen die DSO wat dat betreft met zich brengt. Verder verdient de totstandkoming van solide bestuurlijke afspraken – en de nakoming daarvan – de aandacht van alle overheden. De Afdeling adviseert te monitoren of de benodigde inspanningen worden verricht, zowel in de komende jaren waarin het stelsel verder wordt voorbereid als in de eerste periode na de inwerkingtreding daarvan.

Wat de invoering van DSO betreft ziet de Afdeling een aantal mogelijkheden om de risico’s te verminderen als:

  • een DSO is getest op het niveau van het huidige niveau van dienstverlening (punt 12a);

  • de financiering van DSO geborgd is, in de fase tot en met de start maar zeker ook in de fase van going concern (punt 12b);

  • de noodzakelijke toezichtsbevoegdheden (uit oogpunt van ‘uitvoeringsvervlechting’) zijn geregeld (punt 12c);

  • de voorgestelde informatiehuizen en informatieproducten beter, en zo mogelijk, minder complex, zijn gedefinieerd, en private uitvoering nader is bezien (punten 13a en 13d);

  • bezien is of de opdracht aan de informatiehuizen aanbestedingsplichtig is (punt 13c);

  • de verhouding met het stelsel van basisregistraties is geëxpliciteerd (punt 14);

  • de bescherming van persoonsgegevens is gewaarborgd (punt 15);

  • vragen over de ontsluiting van aanvragen en meldingen via DSO zijn opgehelderd (punt 16).

C. BESCHOUWING OVER FLEXIBILITEIT IN HET STELSEL

In het hiernavolgende komt in beschouwende zin aan de orde waar het bieden van flexibiliteit in zodanige mate geschiedt dat dat ten koste zou kunnen gaan van voldoende houvast voor bestuurders, burgers en bedrijven. Eerst wordt daartoe beschreven in welke mate afwijking van algemene beschermende regels mogelijk is gemaakt. In de voorlichting uit 2014 heeft de Afdeling al nadrukkelijk gewezen op een aantal problematische aspecten hiervan.21 Vervolgens wordt ingegaan op de flexibiliteit die wordt geboden wat betreft de verdeling van taken en bevoegdheden en de bestuurlijke verhoudingen, omgevingsplannen, gelijkwaardige maatregelen en specifieke zorgplichten.

6. Afwijking van algemene regels

a. Reikwijdte bescherming nationale regels

Bij de clustering en bundeling van de bestaande regelgeving in de nu voorliggende amvb’s is getoetst aan het uitgangspunt 'decentraal tenzij' en aan het uitgangspunt dat bij implementatie van EU-richtlijnen niets anders of meer in de regelgeving wordt vastgelegd dan waartoe de EU-richtlijn verplicht.22 De reikwijdte van de normering via het Bkl (instructieregels waarbij differentiatie per locatie aangewezen is) is als gevolg hiervan niet wezenlijk kleiner geworden. Slechts de gedetailleerde sturing op de beoordeling van de gevolgen van ammoniak emissies is losgelaten.23 De normering via het Bal is met het oog op 'decentraal tenzij' wel beperkt in de zin dat milieubelastende activiteiten in de sfeer van o.a. horeca, recreatie, detailhandel, scholen, dierenpensions ed. in beginsel decentraal moeten worden geregeld, terwijl daarvoor in de huidige situatie doorgaans wel ook rijksregels gelden.24 Daarnaast zijn bepaalde concrete voorschriften in het Bal vervangen door specifieke zorgplichten. Het gaat dan volgens de toelichting om regels die 'vanzelfsprekend' zijn of die een zeldzaam geval betreffen. Dit beperkt echter wel de houvast die voor bescherming aan de regelgeving kan worden ontleend. Gedetailleerd uitgewerkte regels bieden immers meer houvast dan abstracte zorgplichten, wat er zij van de nadelen die daar volgens de nota van toelichting aan kleven.25

De reikwijdte van het geheel aan concrete nationale beschermende voorschriften zal dus afnemen en daarmee ook de houvast die daar aan kan worden ontleend.26

b . Afwijking van algemene regels

Door de centrale rol van het omgevingsplan27 in het stelsel is het nuttig onderscheid te maken tussen:

  • i. mogelijkheden om een omgevingsplan vast te stellen dat afwijkt van hogere regels;

  • ii. mogelijkheden om vervolgens van het omgevingsplan zelf nog af te wijken.

ad. i. Bescherming van de fysieke leefomgeving krijgt primair vorm in het omgevingsplan vanuit de gedachte dat regels met betrekking tot bijvoorbeeld geluid, geur, trillingen en externe veiligheid zoveel mogelijk per locatie door gemeenten zouden moeten worden vastgesteld. De ruimte voor gemeenten wordt in dit opzicht alleen beperkt door instructieregels van provincie en rijk (provinciale verordening en Bkl). De wet bevat een aantal concrete onderwerpen waarvoor op landelijk of provinciaal niveau instructieregels (al dan niet met behulp van omgevingswaarden) moeten worden vastgesteld. Het gaat daarbij om uitvoering van een groot aantal richtlijnen (rijk) maar ook om o.a. cultureel erfgoed, geluidbelasting, drinkwater, luchthavens, wateroverlast etc.28

Bij inzet van de algemene instructiebevoegdheid zijn provincie en rijk verplicht ook aan te geven in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de regels kan worden afgeweken.29 Daarnaast kunnen minister en gedeputeerde staten bepalen dat ontheffing van hun instructieregel (amvb resp. verordening) mogelijk is indien de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de instructieregel.30 In het Bkl is de toepassing hiervan vooralsnog beperkt tot instructieregels die voortvloeien uit een specifieke taak van of belang van het Rijk.31 De voorganger van de ontheffingsbepaling in de huidige wetgeving eist voor ontheffing het bestaan van 'bijzondere omstandigheden'.32 Deze beperking wordt nu verlaten zodat een ruimere toepassing als algemeen flexibiliteitsinstrument mogelijk wordt. Blijkens de toelichting is dit ook beoogd.33

Ook van de regels die niet het karakter van instructie hebben maar rechtstreeks en dus ook los van het omgevingsplan gelden (Bal en Bbl) kan volgens de Omgevingswet in het concrete geval worden afgeweken door maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften en in zijn algemeenheid door maatwerkregels. Dit geldt echter alleen voor zover Bal of Bbl dat zelf bepalen.34

De Omgevingswet biedt nog andere mogelijkheden tot afwijking voor specifieke situaties. Zo wordt bij toepassing van de 'programmatische aanpak' om omgevingswaarden of andere doelstellingen te halen in een bepaald gebied de toelaatbaarheid van activiteiten niet op reguliere wijze getoetst, maar op de specifiek voor dat programma geldende wijze.35 In het programma aangewezen algemeen geldende regels blijven dan in zoverre buiten toepassing.36

Ad. ii. Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat van gestelde regels afgeweken kan worden binnen de materiële en formele begrenzingen die ook van toepassing zijn bij het stellen van de regels waarvan afwijking gewenst is.37 Als uitgangspunt wordt zo dus afwijking mogelijk gemaakt, tenzij hierdoor strijd ontstaat met hogere regelgeving. Voor het omgevingsplan zelf is dit uitgewerkt in de bepaling dat een omgevingsvergunning ook kan worden verleend voor een activiteit die volgens het omgevingsplan niet is toegestaan, maar die wel strookt met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en voldoet aan het Bkl en de provinciale instructieregels.38 Dit is te zien als de opvolger van de bestaande mogelijkheid van 'buitenplanse' afwijking van een bestemmingsplan, zij het dat de afwijkingsmogelijkheid materieel verruimd is omdat deze niet beperkt is tot ruimtelijke ordeningsaspecten en dus ook afwijking van de overige bepalingen van het omgevingsplan toelaat.

Bescherming van de omgeving door regelgeving van rijk en provincie is zo per saldo beperkt tot de voorschriften in Bal, Bbl, Bkl en in provinciale verordeningen en dan nog het (beperkte) deel daarvan waarvan niet kan worden afgeweken.

Als sprake is van een projectbesluit kunnen minister en gedeputeerde staten ter uitvoering daarvan onevenredig belemmerende regels uit het omgevingsplan om dringende redenen buiten toepassing laten.39 De Omgevingswet bepaalt niet dat het daarbij niet kan gaan om regels die op grond van een instructieregel van rijk of provincie in het omgevingsplan zijn opgenomen. In zoverre lijkt bovengenoemd uitgangspunt bij projectbesluiten niet op te gaan en zou het dus toch ook mogelijk zijn van bepalingen uit het Bkl af te wijken zonder ontheffing en zonder dat het Bkl zelf die mogelijkheid geeft. Voor zover het Bkl strekt tot implementatie van EU-richtlijnen of uitvoering van andere internationaalrechtelijke verplichtingen ontstaat hier de onjuiste indruk dat afwijking ook daarvan mogelijk zou zijn.

Voor de boven omschreven programmatische aanpak geldt tenslotte nog dat zo nodig eveneens van in het omgevingsplan gestelde regels over het verlenen of weigeren van een vergunning zal worden afgeweken. Hierbij is wel expliciet bepaald dat daarbij ook kan worden afgeweken van het Bkl en de provinciale verordening. Die ruimte bestaat echter weer niet als het gaat om op grond van de Omgevingswet verplichte instructieregels.40

Resumerend kan worden gezegd dat binnen het nieuwe stelsel maar beperkt sprake is van materiële voorschriften waarvan geen afwijking mogelijk is, namelijk alleen als:

  • de regel is opgenomen in Bkl, provinciale verordening, Bbl of Bal;

  • afwijking van de instructieregel niet mogelijk is gemaakt (Bkl, verordening);

  • ontheffing van de instructieregel niet mogelijk is gemaakt (Bkl, verordening);

  • afwijking bij maatwerkvoorschrift, vergunningvoorschrift of maatwerkregel niet mogelijk is gemaakt (Bal, Bbl, verordening);

  • de regel niet onevenredig belemmerend is bij de uitvoering van een project waarvoor een projectbesluit geldt; en

  • afwijking van de regel ten dienste van de programmatische aanpak niet mogelijk is.

De mogelijkheden tot ontheffing van het Bkl zijn daarbij (vooralsnog) beperkt tot de met rijkstaken samenhangende instructieregels. Afwijking door projectbesluiten is weliswaar materieel geclausuleerd, maar lijkt ook mogelijk te zijn ten aanzien van voorschriften uit het omgevingsplan die uit het Bkl voortvloeien. Hier ontstaat zelfs de indruk dat ook afwijking van EU- of andere internationale verplichtingen mogelijk zou zijn. Afwijking van het Bal en van het Bbl wordt ruimschoots toegelaten.41 Bij het Bbl doet zich op dit punt spanning voor met het technische karakter van de regels en de wenselijkheid van landelijke uniforme bouwregelgeving. Uit diverse inspraakreacties komt naar voren dat verschillen tussen gemeenten, bijvoorbeeld wat betreft de energiezuinigheid en milieuprestatie van gebouwen en bouwmaterialen, onwenselijk zijn en dat in de praktijk de mogelijkheden tot maatwerk feitelijk beperkt zijn vanwege het technische karakter.

Tegen deze achtergrond is de Afdeling van oordeel dat de duidelijke structuur en de doorgaans concrete en helder geformuleerde voorschriften in Bkl, Bal en Bbl uiteindelijk toch maar beperkt echt houvast bieden aan burger, overheid en rechter.

7. Bescherming door nationale regels

Om binnen het stelsel op een bepaald onderwerp op een gelijkwaardig beschermingsniveau uit te komen, moet de bescherming die niet (meer) uit deze regelgeving voortvloeit, alsnog door (vooral) de gemeente in het omgevingsplan, en in beleid en praktijk op het punt van afwijking van dat plan, geboden worden. Eerder concludeerde het RIVM dat de Omgevingswet uitgaat van een ‘fundamenteel ander juridisch construct waardoor niet zonder meer kan worden gesteld dat sprake is van een gelijkwaardig beschermingsniveau. Het bieden van een beschermingsniveau gelijk aan het huidige is op lokaal niveau veelal mogelijk, maar is afhankelijk van de uitvoeringspraktijk’.42 In het stelsel is zo bezien 'ingebakken' dat de opdracht om te komen tot per saldo gelijkwaardige bescherming uiteindelijk op de gemeente rust.

De Afdeling is in dat verband op hoofdlijnen nagegaan in hoeverre te verwachten is dat uit Bkl, Bal en Bbl al een zekere mate van gelijkwaardigheid voortvloeit. Waar gekozen is voor opneming van grenswaarden in het Bkl of algemene regels in Bal of Bbl zijn deze doorgaans één op één overgezet uit bestaande regelgeving (onder andere Wet milieubeheer, Wet geluidhinder, Activiteitenbesluit milieubeheer). Zeker waar de normen uit het Unierecht volgen ligt dit ook voor de hand en is gelijkwaardigheid in beginsel ook geen punt van zorg. In het Bkl zijn voor geluid, trillingen en geur standaardwaarden voor immissies op gevoelige gebouwen en gevoelige locaties opgenomen.43 Het reguleren van de blootstelling van gevoelige en kwetsbare gebouwen en locaties aan deze milieuaspecten gebeurt niet meer door middel van algemene rijksregels rechtstreeks gericht tot individuele bedrijven, maar door naleving van instructieregels door de gemeente in het omgevingsplan. Er is beoordelingsvrijheid en gemeenten kunnen in het omgevingsplan zowel hogere als lagere waarden vaststellen. Ten aanzien van geluid kunnen gemeenten ook geen waarden of andere regels in plaats van waarden vaststellen.44 De keuze voor afwijkende normen vereist dan uiteraard deugdelijke motivering en wordt in beginsel begrensd door grenswaarden, het basisbeschermingsniveau.45 De grenswaarden voor maximale geluidniveaus (LA max) in de avond- en nachtperiode worden in het Bkl (deels) hoger.46 In navolging van het RIVM constateert de Afdeling daarnaast dat grenswaarden voor maximale geluidniveaus (LA max) overdag niet terugkeren.47 Gemeenten zullen op dit punt mensen die overdag moeten slapen of rusten, zoals bijvoorbeeld kinderen, ouderen, mensen die nachtdiensten draaien of van ziekte moeten herstellen zelf actief bescherming moeten bieden om op gelijkwaardigheid uit te komen. De Crisis en herstelwet en de Interimwet stad- en milieubenadering kennen nu ook mogelijkheden tot overschrijding van maximale waarden. Deze zullen terugkeren en ook worden verruimd om ook in andere uitzonderlijke, onvoorziene situaties overschrijding van de maximale waarde toe te kunnen staan, al dan niet voor bepaalde tijd. De memorie van toelichting stelt daarbij dat het enkel beoordelen van het nieuwe systeem aan de getalswaarden het nieuwe systeem onrecht zou doen en dat een vergelijking van de oude en nieuwe systematiek laat zien dat over het geheel een ten minste gelijk beschermingsniveau wordt geboden.48 Of dit inderdaad zo is hangt echter in hoge mate af van de invulling van de beleidsruimte door (vooral) de gemeenten.

Het RIVM en de toelichting wijzen er nog op dat o.a. kantoren, en penitentiaire inrichtingen niet meer automatisch als geurgevoelig worden aangemerkt zodat de bescherming tegen geurhinder niet vanzelf gelijkwaardig is.49 Het RIVM signaleert ook met betrekking tot externe veiligheid dat niet zonder meer sprake is van een gelijkwaardig beschermingsniveau.

8. Taken en bevoegdheden en bestuurlijke verhoudingen

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn alle van oudsher belast met de zorg voor de fysieke leefomgeving. Er is niet zozeer sprake van exclusieve, maar veel meer van complementaire taakbehartiging. De Omgevingswet sluit daarbij aan. De wetgever heeft geen wezenlijke verschuiving van taken en bevoegdheden voor ogen, maar wel een vergroting van de ruimte voor decentrale overheden om zelf regels te stellen en om eigen afwegingen te maken. Deze decentralisatie verschilt daarom substantieel van aard met de decentralisatie in het sociale domein die de afgelopen jaren z’n beslag heeft gekregen: daar gaat het wel om een wezenlijke verschuiving van taken en bevoegdheden.

Artikel 2.1 van de Omgevingswet bevat de kernopdracht voor overheden: de taken en bevoegdheden worden uitgevoerd met oog voor de onderlinge samenhang van de relevante onderdelen of aspecten van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen. De Omgevingswet bewerkstelligt volgens de toelichting een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving en doorbreekt de kaders en sectoren die de huidige omgevingsrechtelijke wetgeving kenmerken. Integrale zorg voor de omgeving is dus het uitgangspunt.50 Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn daarvoor gezamenlijk verantwoordelijk. Artikel 2.2 verplicht bestuursorganen tot onderlinge afstemming en brengt daarnaast tot uitdrukking dat zij taken en bevoegdheden ook gezamenlijk kunnen uitoefenen. De afstemmingsverplichting is er op gericht onnodige bureaucratie te voorkomen. De wet gaat hier uit van vertrouwen tussen overheden en geeft de ruimte om samenwerking en afstemming op veel verschillende manieren vorm te geven.51 Verder is de Omgevingswet opgebouwd vanuit het subsidiariteitsbeginsel ‘decentraal, tenzij’. Dat betekent dat het in eerste instantie aan de gemeente is om bij nieuwe ontwikkelingen alle belangen af te wegen en de besluitvorming over het gebruik van de fysieke leefomgeving zo in te richten dat die bijdraagt aan een veilige gezonde leefomgeving. Dat is tot uitdrukking gebracht in artikel 2.3.

Het samenstel van de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Omgevingswet brengt de integrale en gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden in abstracto tot uitdrukking en vormt daarmee de basis voor de bestuurlijke verhoudingen.

Artikel 2.2 (afstemming en samenwerking)

1. Een bestuursorgaan houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.

2. Bestuursorganen kunnen taken en bevoegdheden gezamenlijk uitoefenen. Daarbij wordt niet voorzien in een overdracht van taken of bevoegdheden.

3. Een bestuursorgaan treedt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden slechts in de taken en bevoegdheden van een ander bestuursorgaan voor zover dat nodig is voor de uitvoering van zijn eigen taken en bevoegdheden.

Artikel 2.3 (algemene criteria verdeling van taken en bevoegdheden)

1. De uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van deze wet wordt overgelaten aan de bestuursorganen van een gemeente, tenzij daarover andere regels zijn gesteld.

2. Een bestuursorgaan van een provincie oefent een taak of bevoegdheid, als dat bij de regeling daarvan is bepaald, alleen uit als dat nodig is:

a. met het oog op een provinciaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kan worden behartigd, of

b. voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van deze wet of de uitvoering van een internationaalrechtelijke verplichting.

3. Een bestuursorgaan van het Rijk oefent een taak of bevoegdheid, als dat bij de regeling daarvan is bepaald, alleen uit als dat nodig is:

a. met het oog op een nationaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het provinciebestuur of gemeentebestuur kan worden behartigd, of

b. voor een doelmatige en doeltreffende uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van deze wet of de uitvoering van een internationaalrechtelijke verplichting.

4. Bestuursorganen van het Rijk oefenen ook de taken en bevoegdheden uit voor het niet provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied.

a. De bestuurlijke praktijk

De algemene afstemmingsverplichting van artikel 2.2 voorkomt volgens de wetgever de noodzaak om elders in de wet of in uitvoeringsregelingen specifieke afstemmingsbepalingen op te nemen.52 In de ontwerpbesluiten zijn dergelijke bepalingen dan ook niet opgenomen. De Afdeling is het eens met de gedachte dat een veelheid aan specifieke, wettelijke overleg- en afstemmingverplichtingen tot onnodige bureaucratie kan leiden. Maar daar staat tegenover dat dergelijke verplichtingen bestuursorganen wel een waardevol houvast kunnen bieden, niet alleen bij de concrete uitoefening van hun eigen taken en bevoegdheden maar ook als waarborg voor de behartiging van hun belangen bij de uitoefening van taken en bevoegdheden door andere bestuursorganen.53

Het subsidiariteitsbeginsel en de wijze waarop daaraan in de Omgevingswet vorm is gegeven verdient hier ook nadere aandacht.54 De toepassing van dat beginsel gebeurt ten dele door de wetgever zelf: in de wet is een aantal specifieke (beheers)taken toebedeeld.55 De Omgevingswet gaat er echter van uit dat het niet mogelijk is om in alle gevallen op voorhand vast te stellen welk bestuursorgaan bevoegd moet zijn. Dat is volgens de toelichting deels afhankelijk van de bestuurlijke context op een bepaald moment: in veel gevallen kan het subsidiariteitsbeginsel daarom pas worden toegepast bij het concreet uitoefenen van een taak of bevoegdheid.56 Artikel 2.3 bevat de criteria voor de door het Rijk of de provincie bij hun taak- en bevoegdheidsuitoefening te maken subsidiariteitsafweging. De uitoefening van dergelijke taken en bevoegdheden door het Rijk of de provincie is daarom expliciet gekoppeld aan deze bepaling.57

De Afdeling betwijfelt of artikel 2.3 voor de begrenzing van de uitoefening van bevoegdheden door de provincie en het Rijk een wezenlijk houvast zal bieden.58 Deze bepaling bevat uitsluitend niet nader omschreven open normen. Cruciaal zijn vooral de begrippen ‘provinciaal belang’ en ‘nationaal belang’. Het gebruik van die begrippen is niet nieuw: in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het begrip ‘provinciaal belang’ gebruikt om de uitoefening van bevoegdheden door de provincie te begrenzen.59 Maar in de Omgevingswet – die een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving regelt – krijgt deze belangbenadering een bredere werking. Daarbij komt, dat artikel 2.3 de bedoeling heeft gehad het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’ meer te benadrukken dan thans het geval is in de Wro. Tot nu toe heeft de belangbenadering niet voor een wezenlijke afbakening van provinciale bevoegdheden gezorgd. Zo komt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over dit begrip in de kern naar voren dat het voldoende is dat het belang zich vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten leent voor behartiging op provinciaal niveau en dat het provinciaal belang overlap mag hebben met gemeentelijke belangen. Illustratief is in dit verband dat de Afdeling bestuursrechtspraak tot nu toe geen enkele keer heeft geoordeeld dat voor de vaststelling van algemene regels of het geven van een reactieve aanwijzing een provinciaal belang ontbrak.

Resumerend kan worden gezegd dat het samenstel van de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 voor de bestuurlijke praktijk weinig houvast biedt. Het is de vraag of altijd voldoende duidelijkheid zal bestaan over ieders rol in de gedeelde zorg voor de fysieke leefomgeving. Duidelijke afspraken hierover zullen cruciaal zijn om interbestuurlijke fricties te voorkomen. De totstandkoming van solide bestuurlijke afspraken – en de nakoming daarvan – verdient daarom de aandacht van alle betrokken overheden, zowel in de komende jaren waarin het stelsel verder wordt voorbereid als in de periode na de inwerkingtreding daarvan.

b. Decentraal, of toch centraal

Zoals hiervoor beschreven zullen in het nieuwe stelsel van omgevingsrecht taken en bevoegdheden niet meer exclusief aan één bestuursorgaan of bestuurslaag zijn toebedeeld maar een gedeelde verantwoordelijkheid zijn van meerdere overheden die alle een bijdrage moeten leveren aan het gemeenschappelijk doel. Tegelijkertijd geldt daarbij het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’.

In dit stelsel ligt in abstracto het gevaar besloten dat als het Rijk of de provincie de behartiging van een belang niet op zich nemen, de gemeente geacht wordt dat te doen, ook als het gaat om een belang dat het schaalniveau of de bestuurlijke mogelijkheden van de gemeente eigenlijk te boven gaat. Illustratief is de wijze waarop in het stelsel het belang van de kwaliteit van de buitenlucht vorm krijgt: daar kunnen zich ingewikkelde uitvoeringsvraagstukken voordoen. In het Bkl zijn omgevingswaarden gesteld voor luchtkwaliteit.60 Dat zijn grens- of streefwaarden (vormgegeven als resultaats- of inspanningsverplichtingen) voor de concentratie van diverse stoffen in de buitenlucht, zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide en fijn stof (PM2,5 en PM10).61 Deze omgevingswaarden sluiten aan bij Unierechtelijke verplichtingen.62 De hoofdregel is dat bij (dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde het college van burgemeester en wethouders een programma vaststelt dat is gericht op het voldoen aan de omgevingswaarde (de zogenoemde programmaplicht).63 Voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen is de programmaplicht neergelegd bij de provincie of het Rijk.64 Voor een aantal omgevingswaarden voor luchtkwaliteit – waaronder ook die voor PM10 – blijft de programmaplicht bij de gemeente. In de toelichting wordt de verwachting uitgesproken dat er vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet nauwelijks meer overschrijdingen van rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit zullen optreden en dat het voor zover die er toch nog zijn dan zal gaan om lokale overschrijdingen.65 Dat is natuurlijk nog maar de vraag. Luchtkwaliteit is naar zijn aard niet een lokaal probleem, maar kan bij uitstek gemeentegrens overstijgend zijn. De Afdeling veronderstelt dat het niet altijd geheel in de macht van de gemeente ligt om met een programma te bewerkstelligen dat aan rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan, zeker niet als overschrijdingen – hoe lokaal ook – mede worden veroorzaakt door bijvoorbeeld de aanwezigheid van een rijksweg. De gemeente zal in zo’n geval dus afhankelijk zijn van de medewerking van andere overheden. Dit zou tot ingewikkelde uitvoeringsvraagstukken kunnen leiden. In het hiernavolgende – in punt 17 – zal hier vanuit het perspectief van Unierechtelijke verplichtingen nader op worden ingegaan.

Het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’ kent ook een ander risico. In haar vierde periodieke beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen heeft de Afdeling er op gewezen dat het gevaar bestaat dat van stelselverantwoordelijkheid van het Rijk een centraliserende werking uitgaat doordat naar aanleiding van incidenten bij de uitoefening van gedecentraliseerde bevoegdheden de rijksoverheid te snel corrigeert of bijstuurt.66 Het gevolg daarvan kan zijn dat bevoegdheden die de wetgever heeft gedecentraliseerd in voorkomende gevallen – op gespannen voet met de bedoeling van de wetgever – feitelijk op centraal niveau worden uitgeoefend. In de voorliggende ontwerpbesluiten heeft het gevaar op een centralistische invulling van stelselverantwoordelijkheid zich – voor zover dat valt te overzien – niet gemanifesteerd. De Afdeling signaleert wel het volgende. De Invoeringswet regelt dat gemeenten de ruimte krijgen om zelf te bepalen wanneer er wel of geen vergunning nodig is voor bouwwerken en dat gemeenten hierover zelf per locatie afgewogen keuzes kunnen maken. Op die keuze zal in het hiernavolgende – in punt 9a – nader worden ingegaan. Hier is echter het volgende van belang. De toelichting vermeldt dat de vrijheid die gemeenten krijgen niet is bedoeld om alle bouwwerken die nu – in het huidige stelsel – vergunningvrij zijn weer vergunningplichtig te maken: bij het Invoeringsbesluit zal worden bezien of er instructieregels kunnen worden opgesteld die dat voorkomen. Ook zal daarbij invulling worden gegeven aan de te behouden landelijk uniforme categorie van vergunningvrije bouwwerken.67 Deze kunnen volgens de toelichting zonder vergunning worden gebouwd en in stand worden gehouden, ongeacht de eventuele regels die het omgevingsplan hierover stelt.68 Dit voornemen voor het Invoeringsbesluit staat op gespannen voet met het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’ en met het verbeterdoel van het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte.69

c. Rol van de omgevingsdiensten

Het voorstel voor de Invoeringswet voorziet erin dat paragraaf 5.2 van de Wabo, zoals deze is komen te luiden bij inwerkingtreding van de Wet verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving (wet VTH), wordt overgeheveld naar de Omgevingswet.70 De wet VTH vormde de verankering van de afspraken die tussen de rijksoverheid, de provincies en gemeenten in 2009 zijn gemaakt om de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van het omgevingsrecht beter te organiseren. Daarmee is de basis gelegd voor een landelijk dekkend stelsel van 29 omgevingsdiensten. In deze diensten brengen provincies en gemeenten de uitvoering van een aantal VTH-taken – in mandaat – onder, waardoor expertise kan worden gebundeld. Gemeenten en provincies blijven bevoegd gezag voor deze taken. Bij de overheveling van de Wabo naar de Omgevingswet worden geen inhoudelijke, beleidsmatige veranderingen voorgesteld.71 Dat betekent volgens de toelichting ook dat het in het Besluit omgevingsrecht vastgelegde basistakenpakket dat door gemeenten en provincies wordt opgedragen aan de omgevingsdiensten via het Invoeringsbesluit Omgevingswet zal worden overgenomen in het Omgevingsbesluit.72

De toelichting bij de Invoeringswet vermeldt dat de omgevingsdiensten zijn uitgegroeid tot professionele uitvoeringsorganisaties die werken voor gemeenten, provincies en soms voor waterschappen. Dat beeld wordt bevestigd in de recente evaluatie van de wet VTH. Volgens de rapportage heeft de wet VTH in korte tijd geleid tot een robuuste uitvoeringspraktijk die een blijvende impuls heeft gegeven aan de uitvoeringskwaliteit van de VTH-taken.73 De verwachting van de regering is dat de omgevingsdiensten onder de Omgevingswet een belangrijke rol gaan spelen bij de uitvoering van die taken. De toelichting bij de Invoeringswet stelt dat de kennis en deskundigheid van de omgevingsdiensten door gemeenten ook kan worden benut bij bijvoorbeeld het opstellen van omgevingsplannen. Volgens de genoemde evaluatierapportage zijn de omgevingsdiensten onmisbaar in de beleidsontwikkeling en cruciaal in de uitvoering. De omgevingsdiensten wordt aanbevolen om – in de woorden van de rapportage – ‘een actieve houding in te nemen ten opzichte van de implementatie van de Omgevingswet en een rol te pakken in de beleidvorming om de uitvoerbaarheid te borgen en kennis en expertise in te brengen’.74

De Afdeling signaleert dat gemeenten zich bij de implementatie van het nieuwe stelsel voor een grote opgave gesteld zullen zien, in het bijzonder bij het opstellen van een omgevingsplan. Voor (vooral kleinere) gemeenten zal het waarschijnlijk noodzakelijk zijn om daarbij de (regionale) kennis en deskundigheid van de omgevingsdiensten te benutten. Zoals in het voorgaande al is beschreven biedt de Omgevingswet de gemeente veel ruimte om in het omgevingsplan zelf regels te stellen en om eigen afwegingen te maken. Het opstellen van een omgevingsplan is daarmee ook een ingewikkelde puzzel waarvoor niet alleen beleidsmatige kennis maar ook vakinhoudelijke en technische kennis op het gebied van bescherming van de fysieke leefomgeving noodzakelijk is. Daarnaast is kennis nodig van de bestaande bedrijven en hun vergunningen en de plannen die zij hebben voor de toekomst. Het is ook noodzakelijk dat duidelijk is welke instructieregels (van het Rijk en van de provincie) gelden en waar en in welke omvang daarbij nog ruimte zit voor een eigen, gemeentelijke afweging. Al die kennis zal niet meer bij alle gemeenten aanwezig zijn, maar naar verwachting wel bij de omgevingsdiensten.75

Het opstellen van omgevingsplannen zal niet behoren tot het basistakenpakket dat door gemeenten bij mandaat in ieder geval moet worden opgedragen aan de omgevingsdiensten.76 Hoewel niet uitgesloten, ligt het ook niet in de lijn der verwachting dat gemeenten het opstellen van een omgevingsplan desondanks integraal zullen opdragen aan omgevingsdiensten. Het is echter niet denkbeeldig dat de ruimte die de gemeente heeft bij het opstellen van omgevingsplannen in de praktijk – doordat sterk op de (regionale) kennis en deskundigheid van de omgevingsdienst wordt geleund – in belangrijke mate feitelijk wordt ingevuld door de omgevingsdienst. In haar vierde periodieke beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen heeft de Afdeling in algemene zin aandacht gevraagd voor regionalisering.77 Zij heeft er daarbij op gewezen dat zolang de samenwerking bij de uitvoering van taken leidt tot grotere doelmatigheid, er sprake is van ‘verlengd lokaal bestuur’ waarbij zeggenschap en controle op lokaal niveau gegarandeerd blijven. Wanneer evenwel ook – zoals zich onder de Omgevingswet zou kunnen aftekenen – de beleidsontwikkeling en daarmee samenhangende besluitvorming op regionaal niveau plaatsvindt en gemeenten in de praktijk nauwelijks of geen eigen ruimte overhouden (of claimen) voor eigen beleid kan feitelijk niet meer van verlengd lokaal bestuur worden gesproken. Dit kan wezenlijke gevolgen hebben voor de democratische legitimering van beleidsvorming en de verantwoording van uitvoering.

9. Globale en flexibele omgevingsplannen

Het streven van de Omgevingswet is blijkens de toelichting onder meer dat gemeenten hun omgevingsplannen zoveel als mogelijk ‘globaal en flexibel’ inrichten.78 De huidige bestemmingsplannen worden vaak ‘gedetailleerd’ ingericht.79 Daarmee kunnen ze een ‘keurslijf’ vormen en in de weg staan aan ontwikkelingen, aldus de toelichting.80 De Omgevingswet moet hier verandering in brengen.

De Omgevingswet maakt het mogelijk dat gemeenten in omgevingsplannen algemene regels kunnen opnemen over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de gehele fysieke leefomgeving.81 Volgens de toelichting wordt die bevoegdheid in het geval van bestemmingsplannen begrensd door een ‘goede ruimtelijke ordening’.82 De Invoeringswet maakt het verder mogelijk dat omgevingsplannen ook regels kunnen bevatten waarmee activiteiten aan een vergunningplicht worden verbonden.83 De toelichting84 wijst erop dat dit anders dan in een bestemmingsplan niet beperkt is tot aanlegwerken en aanlegwerkzaamheden of het slopen van bouwwerken. Een vergunningstelsel in een omgevingsplan kan bijvoorbeeld ook gaan over het bouwen van bouwwerken, aldus de toelichting.85 Voorts kunnen gemeenten op grond van de Omgevingswet in een omgevingsplan een meldingsregeling opnemen.86

Volgens de toelichting geeft de mogelijkheid voor gemeenten om over de gehele fysieke leefomgeving algemene regels te stellen, de gemeenten ook de mogelijkheid om voor alle onderwerpen die de fysieke leefomgeving omvat, de algemene regels met ‘open’ of ‘gesloten normen’ vorm te geven (de toelichting spreekt van ‘autonome regelgevende bevoegdheid’). Regels met open normen zijn regels die interpretatie vergen. Regels met gesloten normen zijn regels die niet of nauwelijks interpretatie vergen. Als voorbeeld van een algemene regel met een open norm in een omgevingsplan over de toelaatbaarheid van bouwwerken wordt in de toelichting genoemd: ‘de bouwhoogte op een locatie moet aansluiten op het bebouwingspatroon in de omgeving waarbij rekening moet worden gehouden met schaduwwerking op belendende percelen.’87

Het werken met open normen in omgevingsplannen wordt in de toelichting aangemoedigd, omdat het meer dan in het geval van gesloten normen de mogelijkheid biedt om in te spelen op actuele ruimtelijke ontwikkelingen. Functies kunnen globaler, in een hogere abstractie, worden toegedeeld, aldus de toelichting.88 Daarbij wijst de toelichting erop dat het gebruik van open normen als voordeel heeft dat onderzoeksopgaven voor een belangrijk deel verschuiven naar de fase van vergunningverlening. In de realisatiefase kan onderzoek zich toespitsen op de concreet voorgenomen initiatieven en hoeven er bij de vaststelling van een omgevingsplannen geen fictieve varianten meer te worden doorgerekend van ontwikkelingen die mogelijkerwijs helemaal niet in die vorm zullen plaatsvinden, aldus de toelichting.89

Een andere maatregel ten slotte die de gemeenten meer mogelijkheden moeten geven tot het ontwerpen van globale en flexibele omgevingsplannen is het niet overnemen in het Ob van de bestaande verplichte standaardregels in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) over overgangsrecht in bestemmingsplannen. Die standaardregels komen er onder meer op neer dat bestaand legaal gebruik, ondanks een bestemmingswijziging of aangescherpte regels, mag worden voortgezet. Ook dat wordt nu blijkens de toelichting een zaak van de autonome regelgevende bevoegdheid van gemeenten.90

De Afdeling heeft begrip voor het streven naar meer globale en flexibele plannen teneinde beter in te kunnen spelen op actuele ontwikkelingen. Het werken met algemene regels heeft echter gevolgen voor de rechtszekerheid van burgers en bedrijven. Dat wordt hieronder uiteengezet.

a. Vergunningvrij bouwen

De Invoeringswet regelt dat voor de planologische aspecten van bouwen geen vergunning meer is vereist.91 Het ‘ruimtelijk deel’ van bouwen is voortaan dus in beginsel vergunningvrij. Gemeenten mogen in hun omgevingsplannen zelf bepalen of ze daarvoor een vergunningplicht willen. Daarmee wordt volgens de toelichting voorkomen dat onnodig aan regels wordt getoetst en wordt het aantal vergunningplichtige activiteiten beperkt.92 Dat scheelt in het aanleveren van gegevens en dus in de administratieve lasten. Ook kan sneller worden gebouwd, omdat geen procedures hoeven worden te doorlopen.

Volgens de toelichting kunnen regels in het omgevingsplan voor bouwwerken concreet, helder, beperkt in aantal en overzichtelijk worden vastgelegd.93 Bij zulke regels – dus in het geval van gesloten normen – is een vergunningplicht volgens de toelichting vermoedelijk niet nodig en heeft het werken met algemene regels de voorkeur. In het geval van open normen is een vergunningplicht het meest aangewezen, aldus de toelichting.

De Afdeling merkt op dat wanneer in een omgevingsplan een vergunningplicht (of een appellabele reactie op een melding) voor bouwen ontbreekt dit tot onduidelijkheid en rechtsonzekerheid voor burgers en bedrijven kan leiden. Dat geldt niet alleen wanneer de algemene regels over bouwen open normen bevatten, maar ook wanneer die gesloten normen bevatten.

Aannemelijk is immers dat een bouwer of aannemer in veel gevallen vooraf van de gemeente duidelijkheid wil verkrijgen over de vraag of hetgeen hij wil bouwen op grond van de algemene regels in het omgevingsplan is toegestaan. Dat geldt voor de kleine bouwers die bijvoorbeeld een aanbouw willen realiseren, maar ook voor de grotere bouwpartijen. In de meeste gevallen zal de initiatiefnemer het bouwwerk via een hypotheekverstrekker financieren. Er mag van worden uitgegaan dat de hypotheekverstrekker, alvorens het een hypotheek zal verstrekken met het gebouw als onderpand, zekerheid wil over de planologische toelaatbaarheid van het te bouwen gebouw.

Met deze onzekerheden kan verwacht worden dat initiatiefnemers soms van de gemeente willen vernemen of het voorgenomen bouwplan past in de regels van het omgevingsplan en zullen zij het college om een rechtsoordeel vragen. Wanneer een vergunningplicht (of appellabele reactie op een melding) ontbreekt, kan die zekerheid niet worden verkregen. Volgens vaste jurisprudentie wordt een bestuurlijk rechtsoordeel slechts bij hoge uitzondering aangemerkt als een besluit waartegen rechtsmiddelen open staan. Rechterlijke toetsing zal in veel van de gevallen pas mogelijk zijn op het moment waarop om handhaving door omwonenden wordt verzocht of wanneer het college ambtshalve handhavend gaat optreden.

In de literatuur94 wordt erop gewezen dat het aanvragen van een vergunning – ook al geldt er geen vergunningplicht – ook een mogelijkheid is om een besluit te verkrijgen waarin door het college wordt bevestigd dat het bouwplan voldoet aan de algemene bouwregels uit het omgevingsplan. In het kader van een aanvraag om een vergunning moet het bevoegd gezag als voorvraag beoordelen of voor een voorgenomen handeling een vergunning is vereist. Tegen de aan het besluit daarop ten grondslag liggende oordeel omtrent de vergunningplicht kan door het aanwenden van een rechtsmiddel worden opgekomen.95 Nadeel van dit alternatief is dat de initiatiefnemer moet voldoen aan alle eisen voor een vergunningaanvraag en leges moet betalen.

Onzekerheid is er niet alleen voor de initiatiefnemers, maar ook voor andere belanghebbenden, zoals omwonenden. Wanneer een vergunningplicht (of appellabele reactie op een melding) ontbreekt is een verzoek om handhaving pas het eerste moment waarop belanghebbenden de aanvaardbaarheid van een bouwwerk kunnen laten beoordelen. Onduidelijk is op welk moment precies zij dan een verzoek om handhaving zouden kunnen doen. Bij voorbereidende bouwwerkzaamheden is fysiek nog niets aanwezig en is het dus de vraag of het college dan al handhavend kan optreden. Het risico bestaat dat als het gebouw er eenmaal staat, dit vaker tot toestemming en legalisatie zal leiden dan in het geval waarin alleen het bouwplan wordt beoordeeld.

Wanneer open normen worden gebruikt voor de beoordeling van bouwactiviteiten en een vergunningplicht (of een appellabele reactie op een melding) ontbreekt, levert dat eens te meer spanning op met het rechtszekerheidsbeginsel. In dat geval kan immers elke vorm van duidelijkheid over wat er gebouwd mag worden ontbreken. De toelichting vermeldt om die reden ook dat in dat geval een vergunningplicht het meest aangewezen is. Een verplichting daartoe ontbreekt echter. De situatie dat in een omgevingsplan open normen worden gebruikt voor de beoordeling van de (planologische) toelaatbaarheid van bouwactiviteiten, terwijl een vergunningplicht ontbreekt aan de hand waarvan vooraf kan worden beoordeeld of het bouwen voldoet aan die norm, kan zich dus wel degelijk voordoen. Hierdoor bestaat eveneens het risico dat geen gelijkwaardig niveau van rechtsbescherming wordt bereikt. Gelet hierop en op de spanning met het rechtszekerheidsbeginsel, kan worden verwacht dat de bestuursrechter dit zal ondervangen door uit te gaan van wat het omgevingsplan planologisch maximaal mogelijk maakt. Dat strookt dan echter niet met het streven om met ‘globale en flexibele’ omgevingsplannen tot een meer dynamische gebiedsontwikkeling te komen.

Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling op wetsniveau te voorzien in een vergunningplicht voor de ruimtelijke aspecten van bouwen, echter met de mogelijkheid voor de gemeenteraad deze in het omgevingsplan uit te schakelen indien dat gelet op de plansystematiek (de formulering van de algemenere regels van het omgevingsplan samen met de verbeelding) verantwoord is.

b. Nadeelcompensatie

Vanwege het streven naar meer globale omgevingsplannen voorziet de Invoeringswet in een nieuw systeem voor nadeelcompensatie. Het nieuwe systeem voorziet kort gezegd in een andere keuze ten aanzien van de besluiten die als schadeveroorzakend kunnen worden aangemerkt. Deze systeemwijziging is noodzakelijk, omdat het op basis van een globaal omgevingsplan lastig is de schadevergoeding van dat plan vast te stellen. Dit wordt tevens gecompliceerd door de beoogde brede reikwijdte van het omgevingsplan. Op basis van de Invoeringswet kunnen belanghebbenden dan ook pas om vergoeding van schade verzoeken op het moment dat uitvoering aan een omgevingsplan wordt gegeven. Op zichzelf acht de Afdeling dit een positieve ontwikkeling, omdat het dan niet meer gaat om hypothetische schade, maar om concrete schade. Daar staat tegenover dat het voorgestelde systeem voor nadeelcompensatie ook voor onduidelijkheden voor burgers en bedrijven kan zorgen.

Het moment waarop uitvoering wordt gegeven aan het omgevingsplan kan op basis van een vergunning, of feitelijk handelen zijn. Dat laatste zal zich steeds vaker kunnen voordoen, nu de Invoeringswet het mogelijk maakt dat voor planologische aspecten van bouwactiviteiten geen vergunning meer is vereist, maar het aan gemeenten zelf is om al dan niet een bouwvergunning te vereisen. Door de verschuiving naar het moment van uitvoering van het plan kan er een lange periode verstrijken tussen de vaststelling van het plan en het moment dat om schade kan worden verzocht. Nu een globaal omgevingsplan alleen een indicatie geeft van de mogelijke ontwikkelingen op een bepaalde locatie, kan dit lange tijd ‘boven de markt’ hangen. Dit kan zogenoemde schaduwschade opleveren. Dat is schade door de in een plan voorziene ontwikkeling, waarvoor pas een tegemoetkoming kan worden toegekend na het verlenen van de vergunning of op het moment van het feitelijk handelen. Belanghebbenden moeten steeds alert blijven of er iets gebeurt, voordat zij schadevergoeding kunnen vragen. Daarnaast is het in de situatie dat geen vergunning nodig is voor de uitvoering van het plan erg onduidelijk welk moment het schadeveroorzakende moment zich voordoet; het kan daarbij lastig te beoordelen zijn of het feitelijk handelen in overeenstemming is met het omgevingsplan. In deel F van dit advies zal nader worden ingegaan op de in de Invoeringswet opgenomen bepalingen over nadeelcompensatie.

c. Overgangsrecht in omgevingsplannen

De standaardregels in het Bro over overgangsrecht in bestemmingsplannen met betrekking tot onder meer bestaand legaal gebruik worden in het Ob niet overgenomen. Dit valt vanuit de behoefte aan een meer dynamische gebiedsontwikkeling te begrijpen. Het vergroot de mogelijkheden voor gemeenten om bestaand gebruik van gronden te wijzigen.96 Het niet overnemen van deze standaardregels leidt echter ook tot meer rechtsonzekerheid voor burgers en bedrijven. Zij kunnen immers gemakkelijker dan nu worden geconfronteerd met de verplichting om bestaand gebruik te wijzigen. Weliswaar stellen het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en de eigendomsbescherming van het EVRM hier volgens de toelichting beperkingen aan97, maar die beperkingen bieden minder houvast dan de huidige standaardregels hierover in een algemene maatregel van bestuur. Zoals ook in de toelichting wordt opgemerkt, opent het ontbreken van standaardregels immers mogelijkheden voor gemeenten om per regel te bezien of en in welke vorm in overgangsrecht wordt voorzien.98

10. Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet bepaalt dat als regels voor het verrichten van activiteiten voorschrijven dat een maatregel moet worden getroffen, dat dan op aanvraag toestemming kan worden verleend om, in plaats daarvan, een gelijkwaardige maatregel te treffen.99 De toelichting vermeldt dat het verlenen of weigeren van de toestemming een beschikking is, zodat daartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.100 De Omgevingswet bepaalt verder dat bij regels voor het verrichten van activiteiten het treffen van gelijkwaardige maatregelen kan worden toegestaan zonder voorafgaande toestemming, al dan niet gekoppeld aan een verbod om de maatregel te treffen zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag.101 De Omgevingswet bepaalt ten slotte ook dat onder meer in de uitvoeringsbesluiten van de Omgevingswet nadere regels kunnen worden gesteld over de toepassing van de gelijkwaardigheidsregeling.102

In onder andere het Bbl zijn nadere regels opgenomen over het treffen van gelijkwaardige maatregelen. In het Bbl wordt onder meer geregeld dat als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van de wet geen omgevingsvergunning is vereist en waarvoor in dit besluit geen melding is voorgeschreven, ook geen voorafgaande toestemming is vereist.103 Dat betekent dat bij vergunningvrij bouwen niet vooraf wordt vastgesteld of een maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak) in haar consultatiereactie ook al opmerkte, levert dat onzekerheid op voor de initiatiefnemer, omdat het bevoegd gezag dan pas achteraf in het kader van handhaving kan oordelen of de maatregel gelijkwaardig is.104 Wanneer achteraf blijkt dat een maatregel niet gelijkwaardig is bestaan zelfs risico’s voor het waarborgen van de veiligheid.

11. Specifieke zorgplichten

In het Bal zijn voor verschillende categorieën activiteiten algemene regels geformuleerd. Het gaat om de volgende categorieën: milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten, activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk, activiteiten in de Noordzee, activiteiten rond rijkswegen, activiteiten die het cultureel erfgoed betreffen en activiteiten die het werelderfgoed betreffen. Voor ieder van deze categorieën van activiteiten zijn in het Bal specifieke zorgplichten opgenomen.105

De reden voor het opnemen van specifieke zorgplichten voor deze categorieën is onder meer gelegen in het streven naar deregulering. Door het opnemen van zorgplichten hoeven regels niet langer in detail te worden uitgeschreven. In het huidige omgevingsrecht zijn ook al zorgplichten opgenomen.106 Maar de bedoeling is dat ze in het nieuwe omgevingsrecht een grotere betekenis krijgen. Verschillende concrete regels worden geschrapt en worden vervangen door zorgplichtbepalingen. De specifieke zorgplichten komen naast de algemene zorgplichten in de Omgevingswet te staan.107 Daarom worden ze specifieke zorgplichten genoemd. De algemene zorgplichten zijn alleen bestuursrechtelijk handhaafbaar. De specifieke zorgplichten zijn zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk handhaafbaar.

In de specifieke zorgplichtbepalingen worden veel vage termen als passend, geschikt, representatief, doelmatig en redelijkerwijs gebruikt. Hoewel een zekere vaagheid inherent is aan het formuleren van zorgplichten, is er in de consultatiereactie van de Afdeling bestuursrechtspraak op gewezen dat door het gebruik van genoemde vage termen valt te verwachten dat zich in de praktijk regelmatig geschillen zullen voordoen over de invulling daarvan.108 Dat zal met name zo zijn in de handhavingssfeer, waarbij niet op voorhand voor een initiatiefnemer en andere belanghebbenden duidelijk zal zijn welke concrete verplichtingen uit een zorgplichtbepaling voortvloeien, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak in de consultatiereactie.

In het bijzonder is er daarbij in de consultatiereactie op gewezen dat in een aantal van de zorgplichtbepalingen is bepaald dat de zorgplicht mede inhoudt dat de initiatiefnemer de beste beschikbare technieken toepast. De regelgeving die met het vereiste van beste beschikbare technieken samenhangt is complex, omvangrijk en technisch-juridisch van aard. Gelet hierop is in de consultatiereactie dan ook opgemerkt dat op voorhand niet duidelijk is wat er in de praktijk van een initiatiefnemer op grond van dit onderdeel van de specifieke zorgplicht kan worden gevergd.

In het verslag over de consultatiereacties109 wordt opgemerkt dat uit vaste jurisprudentie volgt dat steeds geldt dat er sprake moet zijn van een ‘onmiskenbaar’ in strijd handelen met een zorgplicht voordat er direct handhavend kan worden opgetreden, zodat niet meer geschillen worden verwacht. De term ‘onmiskenbaar’ is echter evengoed vaag. Geschillen over de invulling van vage termen in specifieke zorgplichten kunnen zich daarmee verplaatsen naar de invulling van het begrip ‘onmiskenbaar’. De Afdeling verwacht dan ook niet dat dit criterium een toename van geschillen kan voorkomen.

D. Digitaal Stelsel Omgevingswet

12. Betrouwbaarheid, financiering en toezicht

Het voorstel voor de Invoeringswet voorziet in de instelling van een elektronische databank, het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO). DSO bevat openbare informatie over de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan DSO worden gebruikt voor het indienen van aanvragen en het doen van meldingen onder de Omgevingswet.110

Volgens de toelichting gaat DSO van start bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.111 Een half jaar voor inwerkingtreding van de Omgevingswet moet het landelijk register omgevingsdocumenten echter al ontsloten zijn via het stelsel’.112 De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft in de consultatie benadrukt dat het voor gemeenten noodzakelijk is dat tenminste een jaar voor invoering de standaarden zijn vastgesteld, dat een halfjaar voor inwerkingtreding van de wet het DSO zo ver is ontwikkeld dat gemeenten en hun softwareleveranciers de werking van het systeem en koppelvlakken kunnen testen met eigen applicaties, en dat de Omgevingswet pas in werking kan treden als er een goed werkend DSO is.113

Sindsdien is besloten de inwerkingtreding van de Omgevingswet met drie jaar uit te stellen, onder andere met het oog op DSO. De nieuwe datum van inwerkingtreding wordt 1 januari 2021. DSO zal stapsgewijs worden gerealiseerd, waarbij bij inwerkingtreding een basis wordt gelegd die vergelijkbaar is met het huidige dienstverleningsniveau. Dat kan in de jaren daarna uitgebouwd worden.114

De verantwoordelijkheid voor DSO als geheel berust bij een groot aantal bestuursorganen en andere instanties.

  • De Minister wordt verantwoordelijk voor de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van DSO.

  • Er wordt een bestuursorgaan aangewezen als beheerder van het register omgevingsdocumenten (dat wordt het Kadaster).115

  • De colleges van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten, de dagelijkse besturen van waterschappen en enkele ministers worden verantwoordelijk voor het aanleveren van omgevingsdocumenten.116

  • Het lijkt er op dat het grootste deel van deze taak feitelijk worden verricht door de 25 regionale omgevingsdiensten, onder verantwoordelijkheid van de besturen van provincies en gemeenten.117

  • Verder is het de bedoeling dat de gegevens uit omgevingsdocumenten door tien informatiehuizen (in de toelichting aangeduid als ‘uitvoeringsorganisaties’) worden verrijkt tot informatieproducten.118

  • Daarnaast bevat DSO gegevens over ‘ingediende aanvragen, gedane meldingen, verstrekte gegevens en bescheiden en ingediende andere berichten’; bij amvb zal worden bepaald welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor beheer, toegang en verwerking van persoonsgegevens.119

Met dit grote aantal verantwoordelijken onderscheidt DSO zich van de meeste overheidsdatabanken: het komt er op neer dat enkele honderden bestuursorganen er samen voor dienen te zorgen dat de gegevens in DSO correct, relevant, volledig en actueel zijn. Het Bureau ICT-Toetsing (BIT) constateert dat de stelselcatalogus die is ontwikkeld om de gegevens te standaardiseren 80.000 begrippen bevat. DSO ontsluit bovendien, naast feitelijke gegevens, ook enkele tientallen wetten en honderden lokale regelingen op het hele terrein van het omgevingsrecht.120 De regering heeft dan ook de aanbeveling van het BIT ter harte genomen om DSO in eerste instantie te beperken tot een minimale invulling van het huidige niveau van dienstverlening; er zal worden begonnen met een beperkte set begrippen.121

De Afdeling constateert dat sprake is van grote wederzijdse afhankelijkheid tussen het wettelijke stelsel en het digitale stelsel. Het DSO kan pas operationeel worden als de regelgeving van kracht is. Omgekeerd is uitvoering van de regelgeving zonder operationeel DSO niet mogelijk zonder ingrijpende aanpassing van de bestaande systemen.

a. Betrouwbaarheid van DSO

De Afdeling acht het op zichzelf verstandig om – zoals BIT adviseert – DSO bij invoering te beperken tot het noodzakelijke. Dat laat onverlet dat het stelsel bestuurlijk zeer complex is en dat het risico bestaat dat het, ook na het overwinnen van kinderziektes, niet de kwaliteit en betrouwbaarheid kan leveren die van het stelsel verwacht mag worden. In haar advies over de Miljoenennota 2018 heeft de Afdeling gewezen op de ‘spanning tussen vergaande en fijnmazige beleidsambities en de verwachting dat met ICT-voorzieningen deze hoge ambities kunnen worden waargemaakt, alsook wat voor investeringen in onder andere ICT nodig zijn om deze ambities werkelijk te kunnen realiseren.’122 De totstandkoming van DSO verdient daarom niet alleen in technisch opzicht, maar ook vanuit het perspectief van bestuurlijke verhoudingen de aandacht van alle betrokken overheden, zowel in de komende jaren waarin het stelsel verder wordt voorbereid als in de periode na de inwerkingtreding daarvan.

Het (wetgevings-) proces waarmee de regelgeving tot stand komt, is van andere aard, en wordt ook door andere functionarissen opgesteld, dan het (digitale) proces waarin het DSO wordt ontwikkeld. De Afdeling constateert dat professioneel wordt gewerkt aan het DSO123 volgens de laatste inzichten bij het ontwikkelen van dit soort (grote) ICT-projecten, dat wil zeggen met ruimte voor experimenten, interactie met opdrachtgevers, bestuurders en gebruikers; als het ware in lijn met inzichten dat ICT ‘permanent bèta’ is. Dat verhoudt zich moeilijk met regelgeving die burgers en bestuur juist houvast beogen te bieden, inhoudelijk en procedureel. De Afdeling acht expliciete, transparante aandacht voor deze problematiek van ‘vertaling’ tussen beiden domeinen gewenst. De Afdeling kan zich voorstellen dat op dit punt het eerder genoemde BIT nog een keer om een expliciet advies wordt gevraagd.

Tegen deze achtergrond adviseert de Afdeling om eerst een DSO te testen op het niveau van een minimale invulling van het huidige niveau van dienstverlening, alvorens de stelselherziening en het DSO tegelijkertijd van start gaan.

b. Financiering van DSO

Cruciaal is voorts dat de ontwikkeling van DSO goed georganiseerd is en dat voldoende financiering ook op de langere termijn is gewaarborgd. De ontwikkeling van het DSO zal een zaak van lange adem zijn, zeker nu besloten is bij invoering te volstaan met het noodzakelijke en het systeem gaandeweg verder uit te bouwen.

In de toelichting wordt echter nog niet ingegaan op de financiële gevolgen van DSO. De werking van DSO zal later duidelijker worden en juridisch verankerd worden in het Invoeringsbesluit Omgevingswet. De nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet zal daarom de financiële effecten waaronder de bestuurslasten van het DSO beschrijven.124

De Afdeling adviseert in het bijzonder de bestuurslasten van DSO nu al zo goed mogelijk in kaart te brengen en ook in de toelichting in te gaan op de wijze waarop gewaarborgd is dat deze kosten – met inbegrip van eventuele tegenvallers – structureel zijn gedekt.

c. Toezichtsbevoegdheden

Bij ministeriële regeling zullen standaarden en kwaliteitseisen voor de aan te leveren gegevens worden vastgesteld. Gegevens die daar niet aan voldoen worden geweigerd.125 Als echter een bestuursorgaan niet in staat of bereid is om de vereiste gegevens volgens de juiste standaarden aan te leveren, komt de betrouwbaarheid en volledigheid van DSO in het geding. DSO zal immers gegevens bevatten over één bepaalde locatie die afkomstig zijn van verschillende bestuursorganen.

Het is niet duidelijk welke bevoegdheden de Minister dan effectief kan aanwenden. Zijn bevoegdheid om een instructie te geven aan het bestuur van een provincie, gemeente of waterschap is in dit geval niet van toepassing, omdat die bevoegdheid alleen betrekking kan hebben op een evenwichtige toedeling van functies aan een locatie.126 Wel kan hij de bevoegdheden van het generiek toezicht (indeplaatsstelling, schorsing en vernietiging) inzetten127 (het uitgangspunt dat toezicht wordt uitgeoefend door het naasthogere bestuursorgaan geldt hier niet128), maar dat zijn zware instrumenten die zelden worden toegepast, in een stadium waarin de taakuitoefening al langer tekortschiet.

Bij de invoering van het generiek toezicht is benadrukt dat er in bijzondere wetten niet wordt voorzien in specifieke toezichtsvormen, behalve als daarvoor bijzondere redenen bestaan. Een van die redenen is dat sprake is van ‘uitvoeringsvervlechting’, waarbij een hogere bestuurslaag een eigen wettelijke operationele verantwoordelijkheid heeft en daarbij volledig is aangewezen op een decentrale uitvoeringsorganisatie, zoals bij de veiligheidsregio’s.129 De Afdeling meent dat bij DSO de uitvoering zo sterk is vervlochten dat dat de toekenning van specifieke toezichtsbevoegdheden rechtvaardigt.

Die bevoegdheden zijn – zo meent de Afdeling – niet alleen van belang om de kwaliteit van DSO structureel op peil te houden, maar ook om ervoor te zorgen dat DSO in de invoeringsfase daadwerkelijk tot stand komt. Dat kan reden zijn om voor een dergelijke vorm van toezicht nodige bepalingen eerder in werking te laten treden dan de andere bepalingen van de Invoeringswet.

De Afdeling adviseert de wenselijkheid van een specifiek toezichtregime te bezien en daarbij de vraag te betrekken of dat toezichtregime eerder in werking moet treden.

13. Informatiehuizen en digitale informatieproducten

a. Omschrijving van ‘digitale informatieproducten’

DSO zal, naast omgevingsdocumenten, ook digitale informatieproducten bevatten. Deze producten zullen worden vervaardigd door ‘informatiehuizen’: bestuursorganen of rechtspersonen die bij algemene maatregel van bestuur zijn belast met de taak om zulke producten te vervaardigen.

Het voorstel omschrijft niet wat digitale informatieproducten zijn. Wel zal bij ministeriële regeling worden bepaald welke digitale informatieproducten worden vervaardigd.130

Digitale informatieproducten lijken bedoeld te zijn als een belangrijk instrument om informatie over de fysieke leefomgeving te ontsluiten. Daarom zal tenminste in algemene zin moeten worden geregeld wat onder zulke producten moet worden verstaan. Als dat nu nog niet mogelijk is, is het nog te vroeg om dit onderwerp wettelijk te regelen.131

De Afdeling adviseert het voorstel aan te passen.

b. Wenselijkheid van informatiehuizen in dit stadium

Het BIT heeft grote vraagtekens gezet bij het werken met informatiehuizen: dat maakt het stelsel onnodig ingewikkeld. Het BIT ziet (voorlopig) geen enkele noodzaak om informatiehuizen in te richten, en adviseert om daar pas in een veel later stadium mee aan de slag te gaan als de regering daar aan vast wil houden.132

De Afdeling onderschrijft deze aanbeveling van het BIT. Het belang daarvan wordt onderstreept door de bestuurlijke complexiteit van DSO, een aspect dat door het BIT niet wordt behandeld.

De Afdeling adviseert de inschakeling van informatiehuizen voorlopig uit te stellen.

c. Mededingings- en aanbestedingsrecht

Onverminderd het voorgaande punt, merkt de Afdeling het volgende op.

Informatiehuizen hoeven geen bestuursorganen te zijn: ook andere entiteiten met rechtspersoonlijkheid kunnen met deze taak worden belast. Volgens de toelichting zal altijd worden bekeken of niet de markt in de gebruikersbehoeften kan voorzien in plaats van de overheid met het DSO.133

Bij de vervaardiging van informatieproducten gaat het om een activiteit op een concurrerende (digitale informatie-) markt en dus – waarschijnlijk – om economische activiteiten.134 Indien de markt niet in de gebruikersbehoeften kan voorzien, en een bestuursorgaan deze activiteiten gaat verrichten, komen artikel 25g en volgende van de Mededingingswet ('Markt en Overheid') in beeld.135 Wanneer de Minister een derde selecteert om deze werkzaamheden met uitsluiting van anderen te verrichten, lijkt een vorm van transparante selectie aangewezen. Het verlenen van een opdracht om informatieproducten te vervaardigen komt in feite neer op het plaatsen van een overheidsopdracht en moet dus in beginsel worden aanbesteed.136 Er bestaan (beperkt) mogelijkheden om niet aan te hoeven besteden, bijvoorbeeld door inzet van wetgeving.137

De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de wijze van opdrachtverlening aan de informatiehuizen en op de wijze waarop aan de relevante mededingingsrechtelijke vereisten zal worden voldaan, voor zover opdracht wordt verleend aan een bestuursorgaan.

d. Gevolgen van private uitvoering

Bij het opstellen van de voorwaarden waaronder een opdracht om digitale informatieproducten te vervaardigen wordt verleend, zal rekening moeten worden gehouden met de mogelijkheid dat deze opdracht wordt uitbesteed aan een organisatie buiten de overheid. Die voorwaarden dienen transparant, objectief en non-discriminatoir te zijn en zullen in ieder geval moeten inhouden:

  • dat het digitale informatieproduct objectief en neutraal is. Eventuele beleidskeuzes (bijvoorbeeld bij het modelmatig berekenen van geluidhinder) kunnen alleen worden genomen door de regering als opdrachtgever, zodat de regering over die keuzes verantwoording kan afleggen;

  • dat een particulier informatiehuis bij het ontwikkelen van digitale informatieproducten niet de beschikking krijgt over persoonsgegevens die niet openbaar zijn;138

  • dat beslissingen op een verzoek om gegevens openbaar te maken (WOB-verzoeken) niet worden genomen door een particulier informatiehuis;139

  • dat de digitale informatieproducten vrij toegankelijk zijn en niet worden gefinancierd met advertenties;

  • dat het informatiehuis geen gegevens verzamelt van personen die een digitaal informatieproduct gebruiken.

De Afdeling heeft twijfels of een informatiehuis binnen deze randvoorwaarden doelmatig en doeltreffend kan werken. Zij adviseert dan ook, de mogelijkheid om digitale informatieproducten te laten vervaardigen door ondernemingen buiten de overheid nader te bezien.

14. Verhouding met het stelsel van basisregistraties

Er is in Nederland een stelsel van basisregistraties, dat door de overheid in stand wordt gehouden. Een van de uitgangspunten van het stelsel is dat burgers en bedrijven maar eenmaal wordt verzocht gegevens aan te leveren (‘eenmalige gegevensverstrekking’). Spiegelbeeldig daaraan zijn overheidsinstanties in beginsel verplicht de als authentiek aangemerkte gegevens in een basisregistratie te gebruiken (‘verplicht gebruik’).140 Er zijn basisregistraties voor – onder meer – personen, adressen en gebouwen, topografie en de ondergrond. Het kadaster en het handelsregister zijn eveneens basisregistraties.

DSO zal gegevens ontlenen aan basisregistraties (zoals de Basisregistratie personen, de Basisregistratie grootschalige topografie en de Basisregistraties adressen en gebouwen). De landelijke voorziening zal aan die basisregistraties worden gekoppeld.141

DSO wordt geen basisregistratie, maar gaat wel een centrale rol spelen bij het verzamelen, ordenen en beschikbaar stellen van zeer veel gegevens over de fysieke leefomgeving. Als DSO op termijn steeds meer gegevens zal bevatten, zullen bestuursorganen en burgers DSO gaan gebruiken als primaire informatiebron. Besluiten met soms ver strekkende gevolgen zullen worden gebaseerd op de gegevens in DSO. Zo is DSO natuurlijk ook bedoeld. Dit roept vragen op over de verhouding tussen DSO en het stelsel van basisregistraties, zoals:

  • of DSO op termijn een basisregistratie wordt,

  • of de basisregistraties waar DSO uit put opgaan in DSO,

  • of het beheer over DSO en het beheer over de ruimtelijke basisregistraties zal worden afgestemd.

Het zal nu nog te vroeg om deze vragen te kunnen beantwoorden, maar wel zal voorkomen moeten worden dat een bestaand overheidsstelsel geleidelijk aan van betekenis verandert zonder dat daarover een bewuste beslissing is genomen.

De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de verhouding tussen DSO en het stelsel van basisregistraties op langere termijn.

15. Bescherming van persoonsgegevens

DSO is openbaar en geeft ondersteuning aan de uitvoering van een taak van algemeen belang. Volgens de toelichting zal DSO persoonsgegevens bevatten. De toelichting gaat slechts kort in op de vraag of DSO voldoet aan de eisen van de Algemene verordening gegevensbescherming.142 Met name wordt niet ingegaan op de vraag of – bij of krachtens de wet – zal worden voorzien in een wettelijke grondslag voor de onderwerpen, genoemd in artikel 6, derde lid, van de AVG. Evenmin wordt ingegaan op de vraag of wordt voldaan aan de bepaling dat persoonsgegevens in beginsel niet zonder menselijke tussenkomst voor een onbeperkt aantal natuurlijke personen toegankelijk worden gemaakt.143

De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen.

16. Ontsluiting van aanvragen en meldingen via DSO

Het bevoegd gezag geeft kennis van de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze.144 Deze bepaling is ontleend aan artikel 3.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de memorie van toelichting bij de Omgevingswet werd opgemerkt dat publicatie van de aanvraag op internet ook in de lijn van die wet ligt, nu de wet elektronische indiening van de aanvraag mogelijk maakt.145

De Invoeringswet regelt niets over publicatie van de aanvraag in DSO.146 Dat roept de vraag op waarom die mogelijkheid niet wordt benut (waarbij het belang van de bescherming van persoonsgegevens natuurlijk zal moeten worden meegewogen). DSO is immers opgezet om burgers en bedrijven informatie te verschaffen over de fysieke leefomgeving, zodat zij snel zien wat op een locatie wel of niet mag, en zij in een moeite door een aanvraag kunnen indienen of een melding kunnen doen.147 Lopende aanvragen en meldingen bevatten relevante informatie voor zulke gebruikers, ook als niet op voorhand duidelijk is of een aanvraag zal worden gehonoreerd.

De Omgevingswet regelt al dat gegevens over lopende aanvragen en meldingen in DSO aanwezig zijn; bij de totstandkoming van de Wabo is gewezen op de mogelijkheid van ontsluiting via internet. Dit roept de vraag op waarom deze mogelijkheid niet wordt benut.

De Afdeling adviseert in de Invoeringswet te regelen dat gegevens over lopende aanvragen en meldingen (met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens) worden ontsloten voor alle gebruikers, of te motiveren waarom daar op dit moment nog geen mogelijkheid toe bestaat.

E. Unierechtelijke aspecten

17. Richtlijn luchtkwaliteit Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB 2008, L 152/1).

Bij de herimplementatie van Europese richtlijnen in het nieuwe stelsel is steeds de afweging gemaakt waar ruimte wordt gelaten aan het decentrale niveau en wat op nationaal niveau zal worden vastgelegd, conform het subsidiariteitsbeginsel.148 De Afdeling heeft vanuit dat perspectief opmerkingen over de implementatie van de richtlijn luchtkwaliteit.

a. Doorwerking omgevingswaarden

De omgevingswaarden voor luchtkwaliteit in het Bkl sluiten aan bij de grens- en streefwaarden van de richtlijn luchtkwaliteit.149 Die omgevingswaarden werken als volgt door. Op grond van instructieregels in het Bkl moeten bij de vaststelling van bepaalde omgevingsplannen de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit in acht worden genomen. Dat is het geval bij omgevingsplannen die de aanleg van tunnels van ten minste 100 m of van auto(snel)wegen mogelijk maken.150 Daarnaast moet bij omgevingsplannen in de aangewezen aandachtsgebieden151 voor activiteiten en werken die bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxiden en/of PM10, de omgevingswaarden voor die stoffen in acht genomen worden.152 Het Bkl bevat ook instructieregels op grond waarvan aanvragen voor omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten dienen te worden getoetst aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit.153 Deze toets is niet beperkt tot activiteiten in de aangewezen aandachtsgebieden en geldt dus voor heel Nederland. Net als onder de huidige regeling154 geldt dat bij de vaststelling van omgevingsplannen of bij de vergunningverlening geen toets hoeft plaats te vinden indien het gaat om activiteiten die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxide en PM10 in de buitenlucht.155 Naast de instructieregels voor omgevingsplannen en omgevingsvergunningen zijn er programmaplichten: bij (dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde voor luchtkwaliteit moet door het college van burgemeester en wethouders een programma worden vastgesteld dat is gericht op het voldoen aan de omgevingswaarde.156 Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat de systematiek van omgevingswaarden met doorwerking naar besluiten, bezien in combinatie met de programmaplichten, in beginsel geen correcte implementatie van de richtlijn oplevert. De Afdeling vraagt wel aandacht voor het volgende.

b. Normopvulling

Het IPO betoogt in de consultatiereactie bij de ontwerpbesluiten157 dat de systematiek in de hand werkt dat buiten de aandachtsgebieden normopvulling plaatsvindt. Daarmee wordt bedoeld dat in die gebieden activiteiten zouden kunnen worden toegelaten die er aan bijdragen dat steeds hogere totale concentraties van luchtverontreinigende stoffen ontstaan zodat uiteindelijk overschrijding van omgevingswaarden dreigt. Het is de Afdeling op basis van de toelichting niet duidelijk of dat een reële veronderstelling is. Mocht dit het geval zijn, dan is de vraag hoe dit zich verhoudt tot artikel 12 van de richtlijn op grond waarvan lidstaten verplicht zijn in gebieden waar de niveaus van stoffen lager zijn dan de voorgeschreven grenswaarden, de niveaus beneden de grenswaarden te houden en te streven naar bescherming van de beste met duurzame ontwikkeling verenigbare luchtkwaliteit.158

De Afdeling adviseert in de toelichting bij het Bkl op het voorgaande in te gaan, mede in relatie tot de richtlijnverplichtingen, en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

c. Uitvoeringsvraagstukken programmaplicht

Onverminderd het voorgaande, volgt uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de uitvoering van een richtlijn de volledige toepassing ervan moet verzekeren. Hieruit volgt dat een lidstaat ook na vaststelling van maatregelen die een richtlijn naar behoren uitvoeren, gehouden blijft daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn te verzekeren. Dit houdt mede in dat de regelgeving in de praktijk effectief kan worden toegepast en gehandhaafd.159

In punt 8 van dit advies is gesignaleerd dat de gemeente bij de invulling van de programmaplicht voor luchtkwaliteit soms afhankelijk zal zijn van de medewerking van andere overheden en dat dit tot ingewikkelde uitvoeringsvraagstukken zou kunnen leiden. Er is daarom in zoverre reden tot zorg over de effectiviteit van het systeem.

In de toelichting bij het Bkl160 wordt weliswaar opgemerkt dat als sprake is van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheden, van die overheden mag worden verwacht dat zij een bijdrage leveren aan het opstellen van het programma, en voorts dat het kabinet – om de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het verbeteren van de luchtkwaliteit nader te verankeren – voornemens is om bestuurlijke afspraken te maken met gemeenten en provincies in de aandachtsgebieden. Het is de Afdeling echter niet duidelijk hoe medewerking van andere gemeenten en overheden is verzekerd en aldus wordt geborgd dat in geval van een (dreigende) overschrijding van omgevingswaarden passende maatregelen worden getroffen, ‘zodat de periode van overschrijding zo kort mogelijk kan worden gehouden’.161 De Afdeling wijst in dit verband op de mogelijkheid van artikel 3.13 van de Omgevingswet om bij amvb bestuursorganen te verplichten om programma’s gezamenlijk vast te stellen. Het komt de Afdeling voor dat dit een geschikt instrument is voor de luchtkwaliteitsproblematiek.162

Voorts is het volgende van belang. De keuze van de wetgever om de luchtkwaliteitsproblematiek door lokale overheden te laten aanpakken ontslaat het Rijk niet van zijn verantwoordelijkheid op grond van het Unierecht. De rijksoverheid kan zich in voorkomend geval niet beroepen op de decentrale aanpak en de eigen verantwoordelijkheden dienaangaande van andere overheden. Tegenover de Europese Unie blijft de lidstaat Nederland verantwoordelijk voor de naleving van het Unierecht.163 In het geval een gemeente bij een overschrijding van de omgevingswaarde niet (tijdig of adequaat) voldoet aan haar programmaplicht staan het Rijk – als de Afdeling het goed ziet – binnen de systematiek van de Omgevingswet geen specifieke instrumenten ter beschikking om in te grijpen. Het Rijk is dus aangewezen op het generiek toezichtinstrumentarium tot vernietiging van besluiten en indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing die voortvloeien uit de Gemeentewet en Provinciewet en in uiterste gevallen de mogelijkheden die de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten biedt.

Tegen de achtergrond van het voorgaande adviseert de Afdeling in de toelichting de systematiek van programmaplichten in relatie tot richtlijn 2008/50/EG nader toe te lichten en het voorstel zo nodig aan te passen, bijvoorbeeld door in het Bkl toepassing te geven aan de mogelijkheid om bestuursorganen te verplichten om programma’s gezamenlijk vast te stellen.

18. Kaderrichtlijn Water (Krw)164

Artikel 4, eerste lid, van de Krw bepaalt onder meer dat vanaf 2015 voor alle oppervlakte- en grondwaterlichamen in principe een ‘goede oppervlaktewatertoestand'165 respectievelijk ‘goede grondwatertoestand'166 moet zijn bereikt. De goede watertoestand is bereikt wanneer aan meerdere eisen voor concentraties en parameters wordt voldaan. Daarbij wordt bij een goede oppervlaktewatertoestand onderscheid gemaakt tussen de ‘goede chemische toestand’ en de ‘goede ecologische toestand’ en bij een goede grondwatertoestand tussen de 'goede chemische toestand' en de 'goede kwantitatieve toestand'. De toestand van een waterlichaam wordt bepaald door de laagste klasse van de chemische of ecologische toestand (oppervlaktewater) dan wel chemische of kwantitatieve toestand (grondwater) waarin het waterlichaam verkeert.167 Om de goede toestand te bereiken gelden voor de waterkwaliteit van een krw-oppervlaktewaterlichaam de omgevingswaarden genoemd in de artikelen 2.12 en 2.13 van het Bkl. Artikel 4.13 van het Bkl bepaalt dat met de vaststelling van een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma en het nationale waterprogramma168 tijdig moet worden voldaan aan deze omgevingswaarden.169

De ontwikkeling en het tijdig bereiken van deze omgevingswaarden wordt gevolgd door monitoring.170 Als de resultaten van de monitoring daarvoor aanleiding geven, moeten de waterprogramma’s worden aangepast.171 Blijkens de toelichting dient dit bij de eerstkomende of daaropvolgende herziening te geschieden.172Daarbij kan gekozen worden voor het opnemen van extra of andere maatregelen, zodat wel aan de omgevingswaarde kan worden voldaan.

Naast deze doelstelling van het bereiken van een goede toestand legt artikel 4, eerste lid, van de Krw voor oppervlakte- en grondwaterlichamen tevens de verplichting op om achteruitgang van de toestand te voorkomen.173 Deze doelstelling moet blijkens artikel 4.15 van het Bkl worden bereikt via het instrument van de waterprogramma’s.174 Hierdoor is de eis van ‘geen achteruitgang’ een onderdeel van de beleidscyclus (gekoppeld aan de programma’s) en gekoppeld aan de verplichting om met behulp van deze programma’s te voldoen aan de omgevingswaarden van de goede toestand in krw-oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen.

Het Bkl legt ten slotte de verplichting op dat een wateractiviteit175, waarop een aangevraagde omgevingsvergunning betrekking heeft, verenigbaar moet zijn met de in artikel 8.85 van het Bkl genoemde belangen, waarbij rekening wordt gehouden met de waterprogramma's die zijn vastgesteld voor het deel van het watersysteem waarop de aanvraag betrekking heeft. Aanvragen voor omgevingsvergunningen worden dus niet rechtstreeks getoetst aan de aan de Krw ontleende waterkwaliteitsnormen, maar aan de waterprogramma's. In de toelichting bij het Bkl176 staat dat als bij de beoordeling van een aanvraag aan de hand van de relevante waterprogramma’s blijkt dat er – gelet op de bestaande waterkwaliteit, de overige maatregelen en de daarin geformuleerde doelstellingen – geen ruimte meer is voor nieuwe projecten of activiteiten, de omgevingsvergunning geweigerd moet worden. Deze werkwijze is in lijn met jurisprudentie van het Hof van Justitie, aldus de toelichting.

De Afdeling merkt op dat uit de jurisprudentie van het Hof177 volgt dat artikel 4, eerste lid, van de Krw dwingend voorschrijft dat lidstaten ook bij de vergunningverlening voor een specifiek project de nodige maatregelen ten uitvoer leggen ter voorkoming van achteruitgang van de toestand van alle oppervlaktewaterlichamen. Het gaat niet om slechts in programmatische bewoordingen geformuleerde, eenvoudige doelstellingen van beheersplanning. Dit betekent dat een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een wateractiviteit dient te worden geweigerd als dit project in strijd is met de doelstellingen van geen achteruitgang en het bereiken van een goede toestand. Hoewel in artikel 8.85 van het Bkl – dat ziet op de aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning – is bepaald dat rekening moet worden gehouden met de waterprogramma's waarin beide doelstellingen uit de Krw zijn opgenomen, biedt dit volgens de Afdeling beoordelingsruimte voor het bevoegd gezag.178 Hiermee is niet verzekerd dat een omgevingsvergunning wordt geweigerd als dit project in strijd is met de doelstellingen van geen achteruitgang en het bereiken van een goede toestand.

Tegen deze achtergrond adviseert de Afdeling in artikel 8.85 van het Bkl te voorzien in een dwingende toetsing aan de waterprogramma's.

F. Nadeelcompensatie

In het wetsvoorstel is voorzien in een nieuw systeem voor nadeelcompensatie voor het omgevingsrecht. Dit systeem bevat een specifieke regeling ten opzichte van de nog in werking te treden Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten.179 In het algemeen deel van dit advies is reeds ingegaan op het onderdeel nadeelcompensatie in het kader van houvast voor burgers en bedrijven in het licht van globale en flexibele omgevingsplannen. Daarnaast worden hier enkele specifieke opmerkingen gemaakt.

19. Schaduwschade

In de huidige systematiek is onder meer het bestemmingsplan een schadeveroorzakend besluit. Dat heeft tot gevolg dat na vaststelling van het plan (tot vijf jaar nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden) degenen die menen schade van dat plan te ondervinden, een verzoek tot vergoeding daarvan kunnen doen. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek, werd de in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen juridische situatie vergeleken met de juridische situatie onder het voorgaande plan. Daardoor ging het in beginsel om hypothetische schade, op basis van een vergelijking van de maximale mogelijkheden in de plannen.

Doordat in de voorgestelde systematiek geen verzoek om schadevergoeding kan worden gedaan nadat het plan onherroepelijk is geworden, maar pas als uitvoering aan het plan wordt gegeven, kan er sinds dat moment veel tijd verstrijken tot het moment dat een dergelijk verzoek kan worden gedaan. In de tussentijd kan dit echter wel effecten voor belanghebbenden hebben.

a. Berekening van de schade

Aan het omgevingsplan kan uitvoering worden gegeven door verlening van een vergunning of door feitelijk handelen. Voor feitelijk handelen wordt de wijze van vaststelling van schade bepaald aan de hand van een vergelijking van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor en na het tijdstip van informatieverstrekking, dan wel het tijdstip van het begin van de activiteiten.180 De wijze van vaststellen van de schade bij vergunningverlening, wordt niet in de wet geregeld. In de toelichting wordt vermeld dat dat de schade wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de waarde van de onroerende zaak direct voor en direct na de verlening van de omgevingsvergunning.

De Afdeling mist hierbij een nadere toelichting van de wijze waarop bij de berekening van de waarde van de onroerende zaak rekening kan worden gehouden met het effect van waardevermindering door schaduwschade. De praktijk leert dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de indirecte schade in de vorm van waardevermindering geleidelijk ontstaat en toeneemt. Zo kan een eerste schade ontstaan door publicatie van een beleidsdocument, zoals een omgevingsvisie, waarin die ontwikkeling wordt beschreven. De schade zal waarschijnlijk toenemen, wanneer diezelfde ontwikkeling in een omgevingsplan wordt opgenomen. De schade zal waarschijnlijk weer verder toenemen wanneer een vergunning wordt verleend ter uitvoering van dat plan dan wel wanneer de feitelijke uitvoering plaats vindt. Wanneer de feitelijke situatie direct vóór en direct na de vergunningverlening of de uitvoering worden vergeleken ter bepaling van de schade, zou dat betekenen dat de eerdere waardevermindering (door de omgevingsvisie en het omgevingsplan) buiten beschouwing blijft. Dat lijkt niet redelijk en is waarschijnlijk niet de bedoeling. Voornoemde potentiele waardevermindering acht de Afdeling des te meer van belang gelet op de verhoging van het forfaitaire bedrag voor het normaal maatschappelijk risico, waaraan hierna aandacht zal worden besteed.

De Afdeling adviseert de grondslag van de schadeberekening in geval van vergunningverlening alsnog in de wet vast te leggen. Daarnaast adviseert de Afdeling om in de toelichting daarbij evenals in de toelichting bij het feitelijk handelen nader in te gaan op de waardeberekening in het licht van de schaduwschade.

b. Uitzondering bij verkoop van woning

In het voorstel is een bepaling opgenomen om deze effecten deels te mitigeren in geval van aankoop van een woning.181 Op grond hiervan wordt aan degene die een woning koopt na de vaststelling van een omgevingsplan niet tegengeworpen dat hij het risico heeft aanvaard op schade door het plan. Hij kan dus op het moment dat uitvoering wordt gegeven aan het plan, nog steeds om vergoeding van de op grond daarvan ontstane schade vragen. De toelichting vermeldt dat verkoper en koper naar verwachting met het behoud van het recht op schadevergoeding rekening zullen houden bij de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak.182

De Afdeling constateert dat enerzijds hierdoor de kans bestaat dat de koper een vergoeding krijgt voor schade die nooit is geleden, namelijk als de planologische ontwikkeling en/of schade voor de verkoper zelf wel voorzienbaar was en is verdisconteerd in de prijs die de verkoper heeft betaald. Anderzijds is de tegenhanger van deze keuze dat degene die de woning verkoopt voordat het omgevingsplan wordt uitgevoerd, geen mogelijkheid heeft om schadevergoeding te vragen. Nu er wel reeds een omgevingsplan is vastgesteld waarin bepaalde mogelijkheden zijn opgenomen, zal dit effecten hebben op de marktwaarde van de woning, die de verkoper niet vergoed kan krijgen.183 De Afdeling betwijfelt dan ook de in de toelichting neergelegde fictie dat de koper de reguliere prijs zal betalen, en na uitvoering van het plan de schade zelf kan claimen.

De Afdeling adviseert te overwegen in het voorstel een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat nadeelcompensatie pas mogelijk is bij vergunningverlening of uitvoering, en wel voor het geval een onroerende zaak wordt verkocht na vaststelling van het omgevingsplan, maar voordat vergunning wordt verleend dan wel de feitelijke uitvoering ter hand wordt genomen. In dat geval wordt de indirecte schade immers al manifest op een eerder moment.184 In een dergelijke situatie zou een representatieve, redelijkerwijs te verwachten invulling van het plan vergeleken moeten worden met een representatieve invulling van de oude planologische situatie. Die vergelijking levert dan het nadeel voor de verkoper op. Aan de koper, die de koopprijs zal hebben afgestemd op het nieuwe omgevingsplan, kan dan uiteraard in zoverre de voorzienbaarheid van (de representatieve invulling van) het plan worden tegen geworpen. Bij een representatieve invulling zou bij gebleken hogere feitelijke schade een nader verzoek van de koper om schadevergoeding mogelijk moeten zijn. De Afdeling realiseert zich daarbij dat hiermee een afwijking van de nieuwe systematiek zou ontstaan, doch dit is slechts nodig voor bijzondere situaties als correctie op het algemene regime.

De Afdeling adviseert het voorstel op dit punt aan te passen.

20. Opeenvolgende schademomenten

In het wetsvoorstel is geen verjaringstermijn opgenomen. Daarmee zal de regeling in de nog niet in werking getreden Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten op dat punt gaan gelden. Op grond daarvan kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen indien op het tijdstip van de aanvraag vijf jaren zijn verstreken na aanvang van de dag na die waarop de benadeelde bekend is geworden zowel met de schade als met het voor de schadeveroorzakende gebeurtenis verantwoordelijke bestuursorgaan, en in ieder geval na verloop van twintig jaren nadat de schade is veroorzaakt. Indien een aanvraag betrekking heeft op schade veroorzaakt door een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, vangt de termijn van vijf jaren niet aan voordat dit besluit onherroepelijk is geworden.185

De Afdeling merkt op dat nu niet langer het plan het schademoment creëert, er meerdere schadeveroorzakende momenten kunnen ontstaan. Bijvoorbeeld door het stapsgewijs vergunnen van een woonwijk of een bedrijventerrein, of het binnen een pand diverse malen wijzigen van het gebruik. In het voorstel wordt wel aandacht besteed aan anticumulatie van het forfait in die situatie,186 maar lijkt ervan te worden uitgegaan dat een betrokkene bij iedere wijziging opnieuw schadevergoeding moet vragen. Daarbij wordt geen aandacht besteed aan de vraag of belanghebbenden hun claims ook kunnen ‘opsparen’ en pas voor het eerst verzoeken om schadevergoeding na een serie van ontwikkelingen. Het lijkt dan niet redelijk om een beperkte invulling aan de nog in werking te treden bepaling van de Awb te geven, waarbij aan belanghebbenden wordt tegengeworpen niet bij de eerste uitvoeringshandeling reeds om schadevergoeding te hebben verzocht.

De Afdeling adviseert om hier nader op in te gaan in de toelichting.

21. Forfait

In het voorstel wordt bij indirecte schade het normaal maatschappelijk risico op in ieder geval vijf procent gesteld (forfait).187 Volgens de toelichting is de reden voor het vaststellen van een forfait de behoefte aan voorspelbaarheid van de uitkomsten van schadeprocedures en wordt de rechtszekerheid vergroot.188 Verder wordt overwogen dat in de praktijk geregeld een hoger percentage dan het thans op grond van de Wro bestaande minimumforfait van twee procent in mindering wordt gebracht op de schade.

De Afdeling constateert dat in de nog niet in werking getreden Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten geen forfait voor het normaal maatschappelijk risico is opgenomen. Met de verhoging voor het omgevingsrecht van twee naar vijf procent wordt de drempel voor vergoeding verhoogd: door de vaststelling op vijf procent zullen er gevallen zijn die onder het huidige recht wel een beroep op schadevergoeding kunnen doen, maar dat onder het nieuwe recht niet meer zullen kunnen. Op zichzelf is het voorzien in meer duidelijkheid en voorspelbaarheid van de uitkomst van schadevergoedingsprocedures een goede ontwikkeling. De Afdeling ziet evenwel niet in hoe het vaststellen van het forfait op in ieder geval op vijf procent dit bereikt, nu dan even goed als de vaststelling op minimaal twee procent ruimte laat om het hoger vast te stellen. Het enige dat bereikt wordt is dat in ieder geval niet onder de vijf procent kan worden gegaan. De Afdeling meent dat als beoogd is de rechtszekerheid en voorspelbaarheid te dienen, het percentage vastgesteld zou moeten worden zonder een afwijkingsmogelijkheid om toch een hoger percentage aftrek vast te stellen. Zo de regering meent dat er op voorhand situaties zijn waar dit tot ongewenste resultaten zou leiden, kan ervoor worden gekozen voor andere categorieën een ander percentage vast te stellen.

De Afdeling adviseert in artikel 15.6, eerste lid, de woorden ‘in ieder geval’ te schrappen en zo nodig te bezien of differentiatie nodig is en andere vaste categorieën dienen te worden vastgesteld.

22. Feitelijk handelen als peilmoment

Op grond van het voorstel is het moment van uitvoeren van het plan het moment waarop schadevergoeding kan worden gevraagd. Dat kan het moment van vergunningverlening zijn, maar ook het moment van feitelijk handelen.189 In de toelichting is aangegeven dat naar aanleiding van de opmerkingen op de consultatiereactie dat het moment van feitelijk handelen onduidelijk kan zijn, een regeling zal worden bezien voor een nadere informatieplicht.190

Hiervoor is ingegaan op enkele gevolgen van het verschuiven van de mogelijkheid van het verzoeken om planschade van het plan naar de uitvoering van het plan. Dat levert reeds complexe situaties op als het gaat om vergunningverlening, maar voor de situaties waarin het feitelijk handelen maatgevend is dit nog complexer.191 Gelet op de extra nadelen die aan dit punt kleven, zoals mede uiteen gezet in het algemeen deel van dit advies, acht de Afdeling het van belang dat reeds bij het wetsvoorstel inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze aan de bezwaren tegemoet kan worden gekomen door de invulling van de informatieplicht dan wel anderszins. Alleen dan kan een afweging worden gemaakt of de voordelen van deze keuze opwegen tegen de nadelen daarvan.

De Afdeling adviseert hier nader op in te gaan in de toelichting en zo nodig het voorstel aan te passen.

G. Bijzondere onderwerpen

23. Voorbereidingsprocedure omgevingsvergunningen

Voor de voorbereiding van omgevingsvergunningen gaat de Omgevingswet uit van twee procedures: de reguliere procedure en de uitgebreide procedure. De reguliere procedure houdt kort gezegd in dat de overheid een besluit neemt waartegen bezwaar kan worden gemaakt en daarna beroep kan worden ingesteld. De uitgebreide procedure houdt kort gezegd in dat de overheid eerst een ontwerpbesluit neemt waarop iedereen kan reageren door het indienen van zienswijzen; daarna wordt een besluit genomen en kan beroep worden ingesteld.

a. Uitgebreide procedure op verzoek of met instemming van de aanvrager

Het uitgangspunt in de Omgevingswet is dat voor omgevingsvergunningen de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is.192 De uitgebreide procedure is van toepassing wanneer het Ob dat bepaalt. In hoofdzaak komt de uitwerking in het Ob erop neer dat de uitgebreide procedure van toepassing is wanneer daartoe Unie- of internationaalrechtelijke verplichtingen bestaan.193

De reden voor het uitgangspunt dat voor omgevingsvergunningen de reguliere procedure van toepassing is, is dat de beslistermijnen voor de reguliere procedure korter zijn dan voor de uitgebreide procedure. De termijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning is in het geval van de reguliere procedure in beginsel acht weken.194 In het geval van de uitgebreide procedure is dat in beginsel zes maanden.195 De gedachte is dat procedures in het Omgevingsrecht sneller en voortvarender zullen verlopen wanneer vaker (dan nu) de reguliere procedure van toepassing is.

De toelichting196 vermeldt evenwel dat er activiteiten zijn waarin de uitgebreide procedure voordelen biedt. Dat kan volgens de toelichting bijvoorbeeld het geval zijn bij een aanvraag voor een grootschalig project, die een complexe afweging vergt en waartegen naar verwachting meerdere belanghebbenden bedenkingen hebben. De Invoeringswet maakt het daarom mogelijk om – in lijn met de motie Meijer c.s.197 – in gevallen waarin de reguliere procedure van toepassing is op verzoek of met instemming van de aanvrager de uitgebreide procedure toe te passen. In andere gevallen kan het bevoegd gezag de uitgebreide procedure niet bij besluit van toepassing verklaren.

Aldus wordt in de Invoeringswet voorgesteld om de keuze voor het toepassen van de uitgebreide procedure in gevallen waarin de reguliere procedure van toepassing is, primair te beleggen bij de initiatiefnemer. De toelichting vermeldt dat aan het bevoegd gezag geen zelfstandige bevoegdheid is toegekend om bij besluit alsnog de uitgebreide procedure toe te passen, omdat dit zou leiden tot onvoorspelbaarheid voor de aanvrager die plotseling wordt geconfronteerd met de uitgebreide procedure die zes maanden in beslag neemt.

De Afdeling merkt op dat deze motivering voor de keuze om de procedure primair in handen te leggen van de initiatiefnemer niet evenwichtig is. In het omgevingsrecht zijn immers, zeker bij grootschalige projecten, doorgaans vele belanghebbenden betrokken. Ook zij hebben belang bij voorspelbaarheid over de toe passen procedure, zodat zij weten of ze een bezwaarschrift moeten indienen of zienswijzen naar voren moeten brengen.198 De toelichting gaat aan de positie van belanghebbenden voorbij. Daar komt bij dat de hoofdregel van de Algemene wet bestuursrecht is dat het bestuursorgaan bepaalt welke procedure van toepassing is.199 Daar wordt nu van afgeweken.

De Afdeling adviseert de keuze om primair de aanvrager te laten kiezen voor de uitgebreide procedure alsnog dragend te motiveren en anders het wetsvoorstel zodanig aan te passen dat het bestuursorgaan overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht kan besluiten tot toepassing van de uitgebreide procedure.

b. Geen aanzienlijke nadelige effecten op de gezondheid van de mens of het milieu

Zoals hiervoor opgemerkt komt de uitwerking in het Ob er in hoofdzaak op neer dat dat de uitgebreide procedure van toepassing is wanneer daartoe Unie- of internationaalrechtelijke verplichtingen bestaan. Het Ob bevat hierop een uitzondering: wanneer het gaat om een wijziging van een omgevingsvergunning die ‘geen aanzienlijke nadelige effecten heeft op de gezondheid van de mens of het milieu’, dan is de reguliere procedure van toepassing.200

De toelichting201 geeft aan dat deze uitzondering is opgenomen met het oog op het Europese en internationale recht. Daaruit volgt, kort samengevat en voor zover hier van belang, dat de uitgebreide procedure niet hoeft te worden gevolgd wanneer het gaat om een ‘niet belangrijke wijziging’. Ook wordt volgens de toelichting met deze uitzondering beoogd de regeling in de Wabo voort te zetten die bepaalt dat de reguliere procedure van toepassing is voor een wijziging ‘die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan’.202 Verder merkt de toelichting203 op dat in de consultatieversie van het Ob de term ‘niet belangrijke wijzigingen’ werd gehanteerd, maar dat deze term naar aanleiding van de consultatie en een toezegging in de Eerste Kamer nu is verduidelijkt.

De Afdeling merkt op dat het criterium ‘geen aanzienlijke nadelige effecten heeft op de gezondheid van de mens of het milieu’ wat specifieker is dan ‘niet belangrijke wijziging’, maar nog altijd tamelijk vaag is. Uit de toelichting wordt duidelijk dat voor dit criterium wordt gekozen, in plaats van het bestaande criterium in de Wabo, omdat het meer ruimte laat en daarom naar verwachting meer wijzigingen van omgevingsvergunningen met de reguliere procedure kunnen worden afgehandeld. Dat zorgt voor kortere beslistermijnen. Dit gaat er echter aan voorbij dat juist door het ruimere criterium waar nu voor wordt gekozen gemakkelijk discussies kunnen ontstaan met procedurele complicaties die uiteindelijk ook tijdrovend zijn. Het bestaande criterium in de Wabo is wat duidelijker en de huidige rechtspraktijk kan met dit criterium goed uit te voeten.

De Afdeling adviseert aan te sluiten bij het criterium van de Wabo.

c. Beslistermijn in geval tevens instemming is vereist van een ander bestuursorgaan

De termijn voor het nemen van een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning in het geval van de reguliere procedure bedraagt in beginsel acht weken of, als instemming van een ander bestuursorgaan nodig is, twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.204

In het advies over de Omgevingswet is door de Afdeling de vraag gesteld of bestuursorganen over voldoende capaciteit in de zin van personeel en kennis beschikken om in het geval van complexe vergunningaanvragen binnen de beslistermijn van een reguliere procedure te kunnen beslissen.205 Mede naar aanleiding van deze vraag is de beslistermijn van de reguliere procedure in de Omgevingswet met vier weken verlengd ingeval er tevens instemming is vereist van een en ander bestuursorgaan. Betwijfeld kan worden of deze verlenging toereikend is. In de Wabo is in geval een verklaring van een ander bestuursorganen is vereist de uitgebreide procedure van toepassing.206 De beslistermijn in het geval van de uitgebreide procedure bedraagt in de Wabo (en in de Omgevingswet) in beginsel zes maanden.207 Bestuursorganen zullen dus, ondanks de verlenging van de beslistermijn van vier weken, nog altijd worden geconfronteerd met aanzienlijk kortere beslistermijnen in geval instemming van andere bestuursorganen is vereist dan thans het geval is.

De Afdeling adviseert de beslistermijn indien instemming is vereist verder te verlengen.

24. Het lex certa-beginsel

Het lex certa-beginsel houdt in dat voorschriften die door punitieve sancties worden gehandhaafd, voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar moeten zijn.

a. Specifieke zorgplichten

In het Bal worden voor alle in dat besluit genoemde categorieën van activiteiten specifieke zorgplichten opgenomen. Zoals hiervoor (punt 11) reeds aan de orde gesteld worden in die zorgplichten vage termen als passend, geschikt, representatief, doelmatig en redelijkerwijs gebruikt. De zorgplichten zijn zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk handhaafbaar. Voor wat betreft de bestuursrechtelijke handhaving gaat het alleen om niet-punitieve sancties, namelijk een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang en geen bestuurlijke boete.

De Afdeling begrijpt dat een zekere vaagheid onontkoombaar is bij het formuleren van zorgplichten. Nu de zorgplichten strafrechtelijk handhaafbaar zijn, rijst echter de vraag hoe deze zorgplichten, gelet op de vage termen, zich verhouden tot het lex certa-beginsel. De toelichting gaat hier niet specifiek op in. De toelichting vermeldt wel dat strafrechtelijke handhaving van zorgplichten in het omgevingsrecht niet nieuw is.208 De toelichting wijst op de zorgplichtbepalingen in het Activiteitenbesluit en de Wet bodembescherming.209 De zorgplichten in het Bal krijgen echter een grotere betekenis dan ze nu hebben. Meer concrete voorschriften worden vervangen door zorgplichtbepalingen. Daarmee wordt de spanning met het lex certa-beginsel als gevolg van de strafrechtelijke handhaving pregnanter. De motivering in de toelichting dat niet is gekozen voor alleen bestuursrechtelijke handhaving, omdat dit ertoe zou leiden dat er druk ontstaat om vaker voor een ieder evidente verplichtingen in gedetailleerde voorschriften te vertalen, begrijpt de Afdeling niet.210

De Afdeling adviseert de strafrechtelijke handhaafbaarheid van de zorgplichten in het licht van het lex certa-beginsel alsnog dragend te motiveren en anders af te zien van handhaving van de zorgplichten met punitieve sancties.

b. Vangnetbepaling algemeen

Met de Invoeringswet wordt aan de Omgevingswet een algemene, strafrechtelijk handhaafbare vangnetbepaling toegevoegd.211 De bepaling houdt in dat het verboden is om een activiteit te verrichten of na te laten als door het verrichten of nalaten daarvan aanzienlijk nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan.212 Bij algemene maatregel van bestuur wordt de toepassing uitgewerkt of begrensd.213 De uitwerking of begrenzing moet in ieder geval strekken ter uitvoering van de Richtlijn milieustrafrecht214 en dient betrekking te hebben op de omvang van de nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving en de gevallen waarin de vangnetbepaling van toepassing. De vangnetbepaling is alleen van toepassing als er geen specifieke regels zijn op grond waarvan handhavend kan worden opgetreden.215

De toelichting vermeldt dat met deze vangnetbepaling voor heel Nederland wordt gewaarborgd dat tegen verwijtbaar handelen of nalaten dat leidt tot aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving zo nodig strafrechtelijk kan worden opgetreden.216 De vangnetbepaling vormt ook het sluitstuk van de nationale regelgeving ter implementatie van de Richtlijn milieustrafrecht, aldus de toelichting.

De Afdeling merkt op dat de vangnetbepaling buitengewoon onbepaald is. Dit terwijl het gaat om een bepaling die is bedoeld voor strafrechtelijke handhaving. Dat staat op gespannen voet met het lex certa-beginsel. Strafrechtelijk handhaafbare bepalingen met formuleringen zoals ‘nadelige gevolgen’ komen weliswaar nu ook al voor, maar zijn begrensd tot een bepaald domein, bijvoorbeeld het milieu.217 Het begrip ‘fysieke leefomgeving’ zoals gedefinieerd in de Omgevingswet omvat het gehele domein van de leefomgeving (van water tot werelderfgoed) en meer, omdat het begrip niet limitatief is opgesomd (‘in ieder geval’). Bovendien heeft een begrip als ‘milieu’ een zekere intrinsieke waarde, zodat doorgaans duidelijk zal zijn wanneer een handelen of nalaten aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Bij het neutrale begrip ‘fysieke leefomgeving’ is dat niet zo eenvoudig, omdat de fysieke leefomgeving op vele manieren kan worden beschermd of benut.

De Afdeling adviseert, in de algemene maatregel van bestuur waarin de vangnetbepaling zal worden uitgewerkt of begrensd, de onduidelijkheid over inhoud en reikwijdte van de vangnetbepaling zoveel mogelijk weg te nemen.

c. Vangnetbepaling en Richtlijn milieustrafrecht

De Richtlijn milieustrafrecht is al geïmplementeerd. Uit de toelichting blijkt niet of wettelijke bepalingen die eerder zijn vastgesteld ter implementatie van de richtlijn nu komen te vervallen. Als dat het geval is, dient daar in de toelichting concreet op te worden ingegaan, mede aan de hand van een bijgewerkte transponeringstabel. Worden echter geen implementatiebepalingen geschrapt, dan kan niet gezegd worden dat de vangnetbepaling mede strekt tot implementatie van de Richtlijn milieustrafrecht.

De Afdeling adviseert de toelichting aan te passen.

25. Overgangsrecht

a. Het omgevingsplan van rechtswege

Onder het regime van de Omgevingswet dient iedere gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast te stellen, waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.218 De wetgever zorgt ervoor dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet al aan deze verplichting wordt voldaan – althans in die zin dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet iedere gemeente beschikt over een omgevingsplan van rechtswege. Het omgevingsplan van rechtswege is de optelsom van een reeks bestaande bestemmingsplannen, andere plannen en verordeningen, vastgesteld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Crisis- en herstelwet, de Erfgoedwet en de Wet milieubeheer.219

  • i. Actualisatieplicht

    Onder de Omgevingswet is het toegestaan een omgevingsvergunning te verlenen die afwijkt van het omgevingsplan, mits het omgevingsplan binnen vijf jaar daarmee in overeenstemming wordt gebracht.220 Een omgevingsplan van rechtswege voldoet nog niet volledig aan deze wettelijke opdracht. Volgens de toelichting is het ook niet efficiënt om in de overgangsfase vast te houden aan de actualisatietermijn van vijf jaar na het verlenen van een vergunning. Om die reden wordt bepaald dat gedurende de overgangsfase met het omgevingsplan aan die verplichtingen wordt voldaan.221

    De voorgestelde bepaling is onjuist en verwarrend. Bedoeld wordt immers dat gedurende de overgangsfase niet aan de actualisatietermijn hoeft te worden voldaan.

    De Afdeling adviseert het artikel aan te passen.

  • ii. Wijziging en aanvulling van het omgevingsplan van rechtswege

    Als een omgevingsplan, zoals dat van rechtswege geldt, wordt gewijzigd, moet het gaan voldoen aan de nieuwe wettelijke eis dat het omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevat.222

    Volgens de toelichting kan het gemeentebestuur aanvullende functies en regels stellen, die gelden naast het omgevingsplan van rechtswege. Die worden dan onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege.223

    De Afdeling merkt op dat het onderscheid tussen een wijziging van en een aanvulling op het omgevingsplan van rechtswege niet is terug te voeren op de wettekst en dat het onderscheid in de praktijk bovendien niet duidelijk is.224

De Afdeling adviseert in het voorstel een helder onderscheid te maken tussen wijziging en aanvulling. Is niet dat niet mogelijk, dan adviseert zij de passage uit de toelichting te schrappen.

b. Overgang van voorschriften voor een inrichting naar voorschriften voor activiteiten

De Invoeringswet regelt dat vergunningvoorschriften voor een inrichting die niet langer vergunningplichtig is maatwerkvoorschriften (kunnen) worden.225 Vergunningvoorschriften zijn nu vaak toegesneden op inrichtingen als geheel. Uit die toelichting wordt niet duidelijk hoe die vergunningvoorschriften kunnen worden ‘vertaald’ naar afzonderlijke activiteiten. Het IPO heeft in de consultatie op dit probleem gewezen: onder het huidige regime wordt een vergunningaanvraag integraal bekeken voor de hele inrichting. In de Invoeringswet wordt voor deze opsplitsing of toedeling niets geregeld waardoor grote problemen en onduidelijkheden in de uitvoerings- en handhavingstaak ontstaan, aldus het IPO.226 Ook de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de aandacht op dit probleem gevestigd.227

Zo kan een vergunning onder het huidige recht een voorschrift bevatten, waarvan niet direct duidelijk is hoe dit onder het nieuwe regime zal worden vertaald naar afzonderlijke activiteiten: ‘Het beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de tot de inrichting behorende toestellen en installaties en door de tot de inrichting behorende verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, waarvoor vergunning is aangevraagd, mag ter plaatse van de immissiepunten die zijn aangegeven in de onderstaande tabel niet meer bedragen dan (...)”

De Afdeling adviseert in de toelichting meer duidelijkheid te verschaffen, aan de hand van concrete voorbeelden.

TEN SLOTTE

Met de aanvaarding van de Omgevingswet door de Staten-Generaal is een majeure systeemwijziging van het omgevingsrecht in gang gezet. De Omgevingswet is een integrale kaderwet, die uitgewerkt wordt in aanvullingswetten en de voorliggende amvb’s.

Bij de behandeling van de Omgevingswet zijn kritische opmerkingen gemaakt die te maken hebben met de vraag of de uitgangspunten en doelstellingen van de wet gerealiseerd zullen worden. De uitwerking van het wettelijk kader in de voorliggende amvb’s is consequent gebeurd, maar de onzekerheden zijn hiermee slechts ten dele weggenomen. De wijze waarop de onderscheiden overheden invulling geven aan de balans tussen benutten en beschermen, is voorts bepalend voor de vraag of de uitgangspunten en doelstellingen worden bereikt. Dat is reden voor het advies tot wijzigingen en aanvullingen en tevens om aan de uitwerking van het stelsel op het bereiken van doelstellingen en uitgangspunten in de voorziene evaluatie extra aandacht te besteden.

De invoering van het nieuwe systeem is enkele malen uitgesteld, onder andere in verband met de realisering van het DSO. Dat is terecht, maar ondanks dit uitstel blijft dit digitale systeem een groot invoeringsrisico. De Afdeling adviseert dan ook om te bezien of onderdelen van het digitale systeem niet of later moeten worden ingevoerd. Er moet ook niet te veel tijd verloren gaan, nu in den lande al wordt voorgesorteerd op de invoering van het stelsel.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State, J.P.H. Donner.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van (...), houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van ........., nr. ... Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

Gelet op de richtlijn energieprestatie van gebouwen, de richtlijn hernieuwbare energie, de richtlijn veiligheid wegtunnels, de verordening bouwproducten en het VN-gehandicaptenverdrag;

Gelet op de artikelen 4.3, eerste lid, en 5.1, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet en artikel 119 van de Woningwet 1;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van...., nr. .... );

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van ......, nr. ..., Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

AFDELING 1.1 ALGEMEEN
Artikel 1.1 (begrippen)

Bijlage I bij dit besluit bevat begrippen en definities voor de toepassing van dit besluit.

AFDELING 1.2 INTERNATIONAALRECHTELIJKE VERPLICHTINGEN
Artikel 1.2 (wederzijdse erkenning)

Met een kwaliteitsverklaring, certificaat, keuring of inspectieschema als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een kwaliteitsverklaring, certificaat, keuring of inspectieschema, afgegeven, uitgevoerd of goedgekeurd door een daartoe bevoegde onafhankelijke instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is en partij is bij een verdrag dat Nederland bindt, met een beschermingsniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

HOOFDSTUK 2 ALGEMENE BEPALINGEN VOOR BOUWWERKEN

AFDELING 2.1 ALGEMEEN
Artikel 2.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op bouwwerken.

Artikel 2.2 (bevoegd gezag)
  • 1. Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag:

    • a. waaraan een melding wordt gedaan,

    • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen, en

    • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

  • 2. In afwijking van het eerste lid zijn voor een activiteit als bedoeld in dit besluit, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit bedoeld in afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvoor een door gedeputeerde staten eerder verleende omgevingsvergunning geldt, gedeputeerde staten het bevoegd gezag voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2.3 (maatwerkregels)

Een maatwerkregel wordt in het omgevingsplan gesteld.

Artikel 2.4 (gelijkwaardigheid bij melding of vergunningsvrije activiteit)
  • 1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een activiteit waarvoor in dit besluit een melding is voorgeschreven:

    • a. is voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist, en

    • b. is het verboden de maatregel te treffen zonder voorafgaande melding.

  • 2. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van de wet geen omgevingsvergunning is vereist en waarvoor in dit besluit geen melding is voorgeschreven, is voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist.

Artikel 2.5 (instandhouden gelijkwaardige maatregel)

Een gelijkwaardige maatregel die betrekking heeft op een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel wordt bij het gebruik van het bouwwerk in stand gehouden.

Artikel 2.6 (specifieke zorgplicht: bouwwerkinstallatie)

Een krachtens de wet aanwezige bouwwerkinstallatie:

  • a. functioneert in overeenstemming met de op die installatie van toepassing zijnde regels,

  • b. wordt adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd, en

  • c. wordt zodanig gebruikt dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Artikel 2.7 (gemeenschappelijk en gezamenlijk)
  • 1. Voor de toepassing van een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel is een bouwwerk, een ruimte, een voorziening, of een gedeelte daarvan naar keuze gemeenschappelijk of niet-gemeenschappelijk, tenzij in de betreffende paragraaf voor een regel anders is aangegeven.

  • 2. Voor de toepassing van een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel wordt een gedeelte van een bouwwerk, een ruimte of een voorziening die ten dienste staat van meer dan een gebruiksfunctie, aangemerkt als gemeenschappelijk. Dit gedeelte, deze ruimte of deze voorziening maakt, met uitzondering van een nevengebruiksfunctie, voor de toepassing van deze hoofdstukken deel uit van alle daarop aangewezen gebruiksfuncties.

  • 3. Voor de toepassing van een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel wordt een gedeelte van een woonfunctie, een celfunctie of een logiesfunctie of een ruimte of voorziening die ten dienste staat van die gebruiksfunctie, gebruikt door meer dan een wooneenheid, celeenheid of logiesverblijf in die gebruiksfunctie, aangemerkt als gezamenlijk.

Artikel 2.8 (monumenten)

Voor zover een omgevingsvergunning voor:

  • a. een afwijkactiviteit die betrekking heeft op:

    • 1°. een activiteit in strijd met regels als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, met betrekking tot een monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie van gemeentelijk of provinciaal monument is toegedeeld, of

    • 2°. een activiteit in strijd met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.14, 4.15 of 4.16, eerste lid, van de wet, voor zover die activiteit in strijd is met regels in het voorbereidingsbesluit die betrekking hebben op een monument of archeologisch monument waarvoor het voornemen bestaat daaraan in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie van gemeentelijk of provinciaal monument toe te delen of, ingeval die functie al is toegedeeld, om de daarvoor in het omgevingsplan of de omgevingsverordening gestelde regels te wijzigen,

  • b. een activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden als die activiteit betrekking heeft op een monument of archeologisch monument waaraan in de omgevingsverordening de functie van provinciaal monument is toegedeeld, of

  • c. een rijksmonumentenactiviteit,

afwijkt van een in de hoofdstukken 3 tot en met 5 gestelde regel, zijn alleen de omgevingsvergunning en de aan daaraan verbonden voorschriften van toepassing.

Artikel 2.9 (afwijking wegens implementatie van Europese regelgeving)

Voor zover een in het Warenwetbesluit machines, het Warenwetbesluit liften 2016 of het Besluit gastoestellen, ter implementatie van Europese regelgeving gestelde eis, afwijkt van een in de hoofdstukken 3 tot en met met 5 gestelde regel, is alleen de krachtens die besluiten gestelde eis van toepassing.

Artikel 2.10 (aantal personen in een bouwwerk)

In een bouwwerk of gedeelte daarvan zijn niet meer personen aanwezig dan het aantal personen waarvoor het bouwwerk of gedeelte daarvan in overeenstemming met dit besluit is bestemd.

Artikel 2.11 (overgangsrecht: aantal personen in een bouwwerk)

Zolang het aantal personen dat in een bouwwerk of een gedeelte daarvan aanwezig is niet groter is dan het onmiddellijk voorafgaand aan 1 april 2012 voor dat bouwwerk toegestane aantal personen blijft artikel 2.10 buiten toepassing.

AFDELING 2.2 CE-MARKERINGEN EN KWALITEITSVERKLARINGEN
Artikel 2.12 (verordening bouwproducten)

Handelen in strijd met de plichten die voortvloeien uit de verordening bouwproducten is verboden.

Artikel 2.13 (toepassing CE-markering en kwaliteitsverklaringen)
  • 1. Als een bouwproduct waarop een CE-markering als bedoeld in artikel 8 van de verordening bouwproducten is aangebracht, aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het wordt toegepast voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproduct is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden prestatieverklaring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening bouwproducten.

  • 2. Als een bouwproduct moet voldoen aan bepaalde prestaties die niet onder een in artikel 2, elfde lid, van de verordening bouwproducten bedoelde geharmoniseerde norm vallen, zodat het bouwwerk waarin het wordt toegepast voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproduct is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring.

  • 3. Als een bouwproces aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het wordt uitgevoerd voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproces is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring.

  • 4. Een in het eerste lid bedoelde prestatieverklaring wordt in de Nederlandse taal verstrekt.

  • 5. Instructies en informatie als bedoeld in de artikelen 11, zesde en achtste lid, 13, vierde en negende lid, 14, tweede en vijfde lid, en van de verordening bouwproducten zijn in de Nederlandse taal gesteld.

Artikel 2.14 (erkenning kwaliteitsverklaringen)

Kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 2.13, tweede en derde lid, worden afgegeven op basis van een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw.

AFDELING 2.3 AANWIJZING VERGUNNINGPLICHTIGE GEVALLEN

P.M.

AFDELING 2.4 KWALITEITSBORGING VOOR HET BOUWEN

P.M.

HOOFDSTUK 3 BESTAANDE BOUW

AFDELING 3.1 ALGEMEEN
Artikel 3.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit hoofdstuk is van toepassing op het in stand houden van een bestaand bouwwerk.

Artikel 3.2 (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a. het waarborgen van de veiligheid,

  • b. het beschermen van de gezondheid, en

  • c. duurzaamheid en bruikbaarheid.

Artikel 3.3 (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door de eigenaar van het bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 3.4 (toepassingsbereik: aansturingsartikel niet van toepassing)

Een aansturingsartikel in dit hoofdstuk is niet van toepassing op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van dat aansturingsartikel.

Dit geldt niet bij de artikelen 3.11, 3.30, 3.36, 3.42 en 3.114.

Artikel 3.5 (specifieke zorgplicht: bestaande bouwwerken)

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

Artikel 3.6 (onderzoeksplicht)
  • 1. De eigenaar van een bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk is verplicht onderzoek te doen naar de staat van dat bouwwerk als het behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie bouwwerken waarvan redelijkerwijs is komen vast te staan dat die een gevaar voor de gezondheid of veiligheid kunnen opleveren.

  • 2. Het onderzoek vindt plaats in overeenstemming met bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel 3.7 (maatwerkvoorschriften)
  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 3.5 en de afdelingen 3.2 tot en met 3.7, met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden.

  • 2. Een maatwerkvoorschrift over de afdelingen 3.2 tot en met 3.7 kan alleen inhouden het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen om de staat van een bouwwerk op een niveau te brengen dat hoger is dan het niveau van de regels in dit hoofdstuk, maar niet hoger dan het niveau van de regels in hoofdstuk 4. Het maatwerkvoorschrift wordt alleen gesteld als het treffen van die voorzieningen naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift als bedoeld in de artikelen 3.86, 3.130 en 3.132 alleen het bepaalde in die artikelen inhouden.

AFDELING 3.2 VEILIGHEID
§ 3.2.1 Constructieve veiligheid
Artikel 3.8 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is bestand tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.8 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.8

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    Fundamentele

    belastingscombinaties

    uiterste grenstoestand

       

    artikel

    3.9

    3.10

       

    lid

    *

    1

    2

    1

    Woonfunctie

         
     

    a.

    in een woongebouw

    *

    1

     

    b.

    andere woonfunctie

    *

    1

    2

    7

    Logiesfunctie

         
     

    a.

    in een logiesgebouw

    *

    1

     

    b.

    andere logiesfunctie

    *

    1

    2

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

    *

    1

Artikel 3.9 (fundamentele belastingscombinaties)

Een bouwconstructie bezwijkt niet gedurende de in NEN 8700 bedoelde restlevensduur bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN 8700.

Artikel 3.10 (bepalingsmethode niet-bezwijken)
  • 1. Het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, wordt bepaald volgens NEN 8700.

  • 2. Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen woonfunctie of logiesfunctie kan bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.

§ 3.2.2 Constructieve veiligheid bij brand
Artikel 3.11 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is bestand tegen brand zodat er geen sprake zal zijn van instorting die een gevaar oplevert voor het vluchten of hulpverlening bij brand gedurende een redelijke tijd.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.11 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.11

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    tijdsduur niet-bezwijken

    bepalingsmethode

       

    artikel

    3.12

    3.13

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    1

    2

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    Celfunctie

    1

    4

    1

    2

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                   
     

    a

    met bedgebied

    1

    4

    1

    2

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    3

    1

    2

    5

    Industriefunctie

    1

    3

    1

    2

    6

    Kantoorfunctie

    1

    3

    1

    2

    7

    Logiesfunctie

    1

    4

    1

    2

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    3

    1

    2

    9

    Sportfunctie

    1

    3

    1

    2

    10

    Winkelfunctie

    1

    3

    1

    2

    11

    Overige gebruiksfunctie

                   
     

    a

    voor het personenvervoer

    1

    3

    1

    2

     

    b

    andere overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                   
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    5

    1

    2

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    6

    1

    2

Artikel 3.12 (tijdsduur niet-bezwijken)
  • 1. Een vloer, trap of hellingbaan, waarover of waaronder een beschermde route voert, bezwijkt niet binnen 20 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die beschermde route niet ligt.

  • 2. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12a genoemde tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.

    Tabel 3.12a brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

    Woonfunctie

    tijdsduur in minuten

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau

    30

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

    60

  • 3. Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 30 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

  • 4. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12b genoemde tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

    Tabel 3.12b brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

    Andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie

    tijdsduur in minuten

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau

    30

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

    60

  • 5. Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 30 minuten en voor zover deze onder open water ligt niet binnen 60 minuten bij brand in de tunnel.

  • 6. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Artikel 3.13 (bepalingsmethode niet-bezwijken)
  • 1. Bij het bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie als bedoeld in artikel 3.12 wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand.

  • 2. De tijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.12, wordt bepaald volgens:

    • a. NEN 8700, of

    • b. NEN 6069.

§ 3.2.3 Afscheiding aan de rand van een vloer, trap of hellingbaan
Artikel 3.14 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van de rand van een vloer, een trap en een hellingbaan door personen, zo veel mogelijk wordt voorkomen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.14 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.14

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    aanwezigheid

    hoogte

    openingen

    openingen

       

    artikel

    3.15

    3.16

    3.17

    3.17

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

                               

    [m]

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    0,2

    2

    Bijeenkomstfunctie

                           
     

    a

    voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    0,1

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    2

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    2

Artikel 3.15 (aanwezigheid)
  • 1. Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

  • 2. Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding.

  • 3. Een hellingbaan heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding.

  • 4. Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

    • a. een trap, of

    • b. een hellingbaan.

  • 5. Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:

    • a. een rand van een podium,

    • b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst,

    • c. een rand van een laadvloer,

    • d. een rand van een perron, en

    • e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer.

Artikel 3.16 (hoogte)
  • 1. Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 0,9 m, gemeten vanaf de vloer.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, ter plaatse van een wel of niet-beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de vloer.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m, als de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1 m is.

  • 4. Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste en tweede lid, heeft een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.

Artikel 3.17 (openingen)
  • 1. Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15 heeft tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 3.14 genoemde waarde.

  • 2. De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, is niet groter dan 0,1 m.

§ 3.2.4 Veilig overbruggen van hoogteverschillen
Artikel 3.18 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft op een vluchtroute voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.19 (voorziening bij hoogteverschil)
  • 1. Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt ook voor hoogteverschil tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein.

  • 2. Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.

Artikel 3.20 (afmetingen trap)

Een trap als bedoeld in artikel 3.19, voldoet aan de in tabel 3.20 genoemde afmetingen.

Tabel 3.20 afmetingen van een trap

Minimum breedte van de trap

0,7 m

Minimum vrije hoogte boven de trap

1,9 m

Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede

0,13 m

Maximum hoogte van een optrede

0,22 m

Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap

0,2 m

Artikel 3.21 (trapbordes)

Een trap als bedoeld in artikel 3.19 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.

Artikel 3.22 (leuning)

Een trap als bedoeld in artikel 3.19 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3, heeft voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m.

Artikel 3.23 (afmetingen hellingbaan)

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 heeft een breedte van ten minste 0,7 m en een helling van ten hoogste 1:10.

Artikel 3.24 (hellingbaanbordes)

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.

§ 3.2.5 Beweegbare constructieonderdelen
Artikel 3.25 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf.

Artikel 3.26 (beweegbaar constructieonderdeel: gevarenzone)
  • 1. Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg.

  • 2. Dit geldt niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m2.

§ 3.2.6 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
Artikel 3.27 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.28 (stookplaats)
  • 1. Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, als:

    • a. op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2, of

    • b. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.

  • 2. Bij toepassing van het eerste lid kan in plaats van onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, worden uitgegaan van brandklasse A1, of A1fl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 3.29 (rookgasafvoer)
  • 1. Materiaal van een afvoervoorziening voor rookgas en materiaal dat in de nabijheid van die voorziening is toegepast, waarin een volgens NEN 8062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 90 °C:

    • a. voldoet aan brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1, of

    • b. is onbrandbaar bepaald volgens NEN 6064.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een samenstel van een afvoervoorziening voor rookgas en materiaal in de nabijheid daarvan dat voldoet aan NEN 6062.

§ 3.2.7 Beperking van het ontwikkelen van brand en rook
Artikel 3.30 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.30 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.30

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

                   

    zijde grenzend aan de

                   

    binnenlucht

    buitenlucht

         

    binnenoppervlak

    buitenoppervlak

    beloopbaar vlak

    vrijgestelde oppervlakte

    toepassing Euroklassen

    extra beschermde vluchtroute

    beschermde route

    overig

    extra beschermde vluchtroute

    beschermde route

    overig

       

    artikel

    3.31

    3.32

    3.33

    3.34

    3.35

    3.31

    3.32

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    *

    1

    1

                                   

    [brandklasse]

    [brandklasse]

    1

    Woonfunctie

                                         
     

    a

    in een woongebouw

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    2

    4

    2

    2

    4

     

    b

    andere woonfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    3

    Celfunctie

    1

    3

    4

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    1

    1

    4

    1

    1

    4

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                         
     

    a

    met bedgebied

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    2

    4

    2

    4

    4

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    5

    Industriefunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    6

    Kantoorfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    7

    Logiesfunctie

                                         
     

    a

    in een logiesgebouw

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    2

    4

    2

    4

    4

     

    b

    andere logiesfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    9

    Sportfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    10

    Winkelfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                         
     

    a

    tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    2

    *

    2

    4

    4

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    2

    *

    2

    4

    4

Artikel 3.31 (binnenoppervlak)
  • 1. Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 genoemde brandklasse en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een beschermde route voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

  • 3. In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

  • 4. In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een celeenheid een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

Artikel 3.32 (buitenoppervlak)
  • 1. Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 genoemde brandklasse.

  • 2. In afwijking van het eerste lid hebben een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan klasse 4.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.

Artikel 3.33 (beloopbaar vlak)
  • 1. In afwijking van artikel 3.31 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan, die grenst aan de binnenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1.

  • 2. In afwijking van artikel 3.32 geldt voor de bovenzijde van een vloer, trap of een hellingbaan, die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan, waarover een extra beschermde vluchtroute voert een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T1.

Artikel 3.34 (vrijgestelde oppervlakte)
  • 1. Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

  • 2. Voor bouwwerken geen gebouw zijnde is op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, die eis niet van toepassing.

Artikel 3.35 (toepassing Euroklassen)

Bij toepassing van de artikelen 3.31 tot en met 3.33 kan in plaats van:

  • a. brandklasse 1 bepaald volgens NEN 6065 worden uitgegaan van brandklasse B bepaald volgens NEN-EN 13501-1,

  • b. brandklasse 2 bepaald volgens NEN 6065 in een besloten ruimte worden uitgegaan van brandklasse B en in een niet-besloten ruimte van brandklasse C beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1,

  • c. brandklasse 3 bepaald volgens NEN 6065 worden uitgegaan van brandklasse C bepaald volgens NEN-EN 13501-1,

  • d. brandklasse 4 bepaald volgens NEN 6065 worden uitgegaan van brandklasse D bepaald volgens NEN-EN 13501-1,

  • e. brandklasse T1 bepaald volgens NEN 1775 worden uitgegaan van brandklasse Cfl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1,

  • f. brandklasse T3 bepaald volgens NEN 1775 worden uitgegaan van brandklasse Dfl, bepaald volgens volgens NEN-EN 13501-1, en

  • g. een rookproductie met een rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1 of 5,4 m-1 bepaald volgens NEN 6066 worden uitgegaan van rookklasse s2 bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

§ 3.2.8 Beperking van uitbreiding van brand
Artikel 3.36 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand:

    • a. naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft, en

    • b. geen gevaar oplevert voor het vluchten en hulpverlening bij brand.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.36 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.36

    gebruiksfuctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    brandcompartiment:

    ligging

    brandcompartiment:

    omvang

    opvangcompartiment

    wbdbo:

    niveau van eisen

    wbdbo:

    bepalingsmethode

    brandcompartiment:

    omvang

       

    artikel

    3.37

    3.38

    3.39

    3.40

    3.41

    3.38

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    1

                                                   

    [m2]

    1

    Woonfunctie

                                               
     

    a

    woonwagen

    1

    2

    2

    1

    2

     

    b

    andere woonfunctie

    1

    3

    1

    3

    5

    6

    7

    1

    1

    2

    2.000

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    8

    1

    1

    2

    2.000

    3

    Celfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    1

    1

    1

    2

    2.000

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                               
     

    a

    met bedgebied

    1

    3

    1

    3

    7

    2

    1

    1

    2

    2.000

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    1

    1

    2

    2.000

    5

    Industriefunctie

                                               
     

    a

    lichte industriefunctie voor het houden van dieren

    1

    3

    4

    5

    6

    7

    1

    3

    7

    1

    1

    2

    3.000

     

    b

    andere lichte industriefunctie

    1

    3

    4

    5

    6

    7

    1

    3

    1

    1

    2

    3.000

     

    c

    andere industriefunctie

    1

    3

    4

    5

    1

    3

    1

    1

    2

    3.000

    6

    Kantoorfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    8

    1

    1

    2

    2.000

    7

    Logiesfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    1

    1

    2

    1.000

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    1

    1

    2

    3.000

    9

    Sportfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    1

    1

    2

    3.000

    10

    Winkelfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    8

    1

    1

    2

    2.000

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    3

    4

    5

    6

    1

    3

    7

    8

    1

    1

    2

    3.000

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                               
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    2

    3

    4

    1

    1

    2

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.37 (brandcompartiment: ligging)
  • 1. Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op:

    • a. een toiletruimte,

    • b. een badruimte,

    • c. een liftschacht, als de constructieonderdelen aan de binnenzijde van de schacht voldoen aan een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan klasse 2 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1, of aan brandklasse B en rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1, en

    • d. een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW.

  • 2. Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment.

  • 3. In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.

  • 4. Een niet-besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment.

  • 5. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte niet meer dan 3.000 m2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

  • 6. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2.

  • 7. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een permanente vuurbelasting niet groter dan 200 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

Artikel 3.38 (brandcompartiment: omvang)
  • 1. Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 3.36 genoemde oppervlakte.

  • 2. In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevengebruiksfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2.

  • 3. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een bouwwerkperceel.

  • 4. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.

  • 5. In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan, als dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is.

  • 7. Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2 is een afzonderlijk brandcompartiment.

  • 8. Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties.

Artikel 3.39 (opvangcompartiment)
  • 1. In afwijking van artikel 3.38, eerste lid, is de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer celeenheden ten hoogste 1.000 m2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw.

  • 2. Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt.

Artikel 3.40 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen)
  • 1. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert is ten minste 20 minuten.

  • 2. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 20 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 m.

Artikel 3.41 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode)
  • 1. De in artikel 3.40 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bepaald volgens volgens NEN 6068.

  • 2. Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere bouwwerkperceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Als het bouwwerkperceel grenst aan:

    • a. een openbare weg,

    • b. openbaar water,openbaar groen, of

    • c. een perceel daarvan dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen,

    vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.

§ 3.2.9 Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook
Artikel 3.42 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan bepaald in paragraaf 3.2.8, zodat veilig kan worden gevlucht.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.42 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.42

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    subbrandcompartiment: ligging

    beschermd subbrandcompartiment:

    ligging

    omvang beschermd

    subbrandcompartiment

    wtrd

    wbdbo

    omvang beschermd

    subbrandcompartiment

       

    artikel

    3.43

    3.44

    3.45

    3.46

    3.47

    3.45

       

    lid

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    *

    1

    2

    1

                                           

    [m2]

    1

    Woonfunctie

                                       
     

    a

    voor zorg met een g.o. > 1.000 m2

    1

    2

    3

    1

    1

    2

    *

    1

    200

     

    b

    woonwagen

    1

    2

    *

     

    c

    andere woonfunctie

    1

    2

    3

    1

    1

    *

    1

    1.000

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    3

    3

    *

    1

    2

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                       
     

    a

    met bedgebied

    1

    2

    3

    2

    4

    5

    *

    1

    2

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    *

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    3

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    *

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    6

    7

    *

    1

    1.000

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    3

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                       
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer

    dan 250 m

    1

    2

    3

    *

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.43 (subbrandcompartiment: ligging)
  • 1. Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of ruimten waardoor een beschermde route voert.

  • 2. Een beschermde route ligt niet in het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen als:

    • a. constructieonderdelen in dat gebied voldoen aan de eisen die artikel 3.31 stelt aan constructieonderdelen die grenzen aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een beschermde route voert, en

    • b. aankleding in dat gebied voldoet aan de eisen die artikel 6.14 stelt aan aankleding in een ruimte waardoor een beschermde route voert.

Artikel 3.44 (beschermd subbrandcompartiment: ligging)
  • 1. Een verblijfsruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

  • 2. Een bedruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

  • 3. Een celeenheid ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

  • 4. Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Artikel 3.45 (beschermd subbrandcompartiment: omvang)
  • 1. Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 3.42 genoemde oppervlakte.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een beschermd subbrandcompartiment met alleen gezamenlijke ruimten een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

  • 3. Een celeenheid is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

  • 4. Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat alleen een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten, en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

  • 5. Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vierde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2 zonder bewaking en ten hoogste 1.000 m2 bij permanente bewaking.

  • 6. Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

  • 7. Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment.

Artikel 3.46 (subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang)

De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.

Artikel 3.47 (beschermd subbrandcompartiment: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)
  • 1. De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 3.44 naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.

  • 2. Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bedoeld in het eerste lid, blijft onder een deur een oppervlak van niet meer dan 0,02 m2 bij een hoogte van niet meer dan 0,05 m, gemeten vanaf de vloer, buiten beschouwing.

§ 3.2.10 Vluchtroutes: verloop
Artikel 3.48 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.48 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.48

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    vluchtroute

    vluchten naar de uitgang van een

    subbrandcompartiment

    beschermde route

    extra beschermde vluchtroute

    veiligheidsroute

    tweede vluchtroute

    vluchten naar de uitgang van een

    subbrandcompartiment

       

    artikel

    3.49

    3.50

    3.51

    3.52

    3.53

    3.54

    3.50

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    3

    1

                                           

    [m]

    1

    Woonfunctie

    1

    1

    1

    1

    1

    1

    2

    3

    45

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    60

    3

    Celfunctie

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    60

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                       
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    3

    2

    1

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    4

Artikel 3.49 (vluchtroute)
  • 1. Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.

  • 2. Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevengebruiksfunctie daarvan begint een vluchtroute die, wel of niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment.

  • 3. Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de buiten de wegtunnel gelegen openbare weg.

  • 4. Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat in geval van brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht.

Artikel 3.50 (vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment)
  • 1. De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 3.48 genoemde afstand.

  • 2. De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand.

  • 3. Een subbrandcompartiment en een daarin gelegen verblijfsruimte, voor meer dan 225 personen hebben ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt.

Artikel 3.51 (beschermde route)
  • 1. Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

  • 2. Een vluchtroute waarop ten hoogste 60 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Artikel 3.52 (extra beschermde vluchtroute)
  • 1. Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een extra beschermde vluchtroute.

  • 2. Een vluchtroute waarop meer dan 60 en ten hoogste 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

  • 3. Een vluchtroute in een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 12,5 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute.

Artikel 3.53 (veiligheidsroute)
  • 1. Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 1.500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een veiligheidsroute.

  • 2. Een vluchtroute waarop meer dan 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Artikel 3.54 (tweede vluchtroute)
  • 1. Als op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint, zijn de artikelen 3.51, 3.52, eerste en tweede lid, en 3.53 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren als:

    • a. de ruimte grenst aan de uitgang van het subbrandcompartiment,

    • b. de vluchtroutes in de ruimte naar verschillende uitgangen voeren, en

    • c. als de ruimte een besloten ruimte is, de loopafstand in die ruimte gemeten over beide vluchtroutes ten hoogste 30 m is en ten hoogste 70 m als de vluchtroutes in die ruimte beschermde routes zijn.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsroute is.

§ 3.2.11 Vluchtroutes: inrichting
Artikel 3.55 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft vluchtroutes met een zodanige inrichting dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.55 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.55

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    inrichting vluchtroute: rookdoorgang

    inrichting vluchtroute: wbdbo

    inrichting vluchtroute: permanente

    vuurbelasting

    inrichting vluchtroute: vrije doorgang

    inrichting vluchtroute: niet-besloten

    ruimte

    breedte

    hoogte

       

    artikel

    3.56

    3.57

    3.58

    3.59

    3.60

    3.59

       

    lid

    *

    *

    *

    1

    2

    *

    1

                     

    [m]

    [m]

    1

    Woonfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    2

    Bijeenkomstfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    3

    Celfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                   
     

    a

    met bedgebied

    *

    *

    *

    1

    2

    *

    0,5

    1,7

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    5

    Industriefunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    6

    Kantoorfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    7

    Logiesfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    8

    Onderwijsfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    9

    Sportfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    10

    Winkelfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    11

    Overige gebruiksfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                   
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    *

    *

    1

    *

    0,7

    1,9

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    *

Artikel 3.56 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang)

De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde route of extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte is ten minste 20 minuten.

Artikel 3.57 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)

Tussen de verschillende ruimten, bedoeld in artikel 3.54, eerste lid, is een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 20 minuten.

Artikel 3.58 (inrichting vluchtroute: permanente vuurbelasting)

Het product van de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting en de netto-vloeroppervlakte van een ruimte waardoor een veiligheidsroute voert is per bouwlaag ten hoogste 7.000 MJ.

Artikel 3.59 (inrichting vluchtroute: vrije doorgang)
  • 1. Een ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een vrije doorgang met ten minste de in tabel 3.55 genoemde breedte en hoogte.

  • 2. Een ruimte waardoor een vluchtroute voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 3.39, tweede lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze vluchtroute voert niet over een trap of door een liftkooi.

Artikel 3.60 (inrichting vluchtroute: niet-besloten ruimte)

Een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook, en de toevoer van verse lucht dat die ruimte tijdens brand kan worden gebruikt om te vluchten en voor het verrichten van reddings- en bluswerkzaamheden.

§ 3.2.12 Wegtunnels: hulpverlening bij brand
Artikel 3.61 (aansturingsartikel)
  • 1. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf.

Artikel 3.62 (hulppost wegtunnel)

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.

AFDELING 3.3 GEZONDHEID
§ 3.3.1 Wering van vocht
Artikel 3.63 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige scheidingsconstructies dat de vorming van allergenen door vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.63 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.63

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

       

    vocht van buiten

    wateropname

     

    artikel

    3.64

    3.65

     

    lid

    1

    2

    3

    *

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    3

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    *

    5

    Industriefunctie

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    *

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    3

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.64 (wering van vocht van buiten)
  • 1. Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

  • 2. Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in de verblijfsruimte, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

  • 3. Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een andere verblijfsruimte, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Artikel 3.65 (wateropname)

Een scheidingsconstructie van een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte tot 1 m boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0.01 kg/(m2.s½) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m2.s½).

§ 3.3.2 Luchtverversing
Artikel 3.66 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.66 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.66

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    luchtverversing

    verblijfsruimte,

    toiletruimte en

    badruimte

    luchtverversing

    overige ruimten

    verdunning en plaats

    van de opening

    luchtkwaliteit:

    toevoer van

    ventilatielucht

    luchtkwaliteit: afvoer

    van binnenlucht

    luchtverversing

    verblijfsruimte

       

    artikel

    3.67

    3.68

    3.69

    3.70

    3.71

    3.67

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    2

                   

    dm3/sec per persoon

    1

    Woonfunctie

    1

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    2

    Bijeenkomstfunctie

                                           
     

    a

    voor kinderopvang

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    2,12

    3

    Celfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

     
       

    1 verblijfsruimte van een celeenheid

                                         

    6,40

       

    2 andere verblijfsruimte

                                         

    3,44

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

    5

    Industriefunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

    6

    Kantoorfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

    7

    Logiesfunctie

    2

    3

    4

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    6,40

    8

    Onderwijsfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

    9

    Sportfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

    10

    Winkelfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    2,12

    11

    Overige gebruiksfunctie

                                           
     

    a.

    voor het stallen van motorvoertuigen

    6

    1

    2

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    4

     

    b.

    andere overige gebruiksfunctie

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                           
     

    a.

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    5

    3

    3

     

    b.

    andere tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer

    5

     

    c.

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

    3

    1

    1

Artikel 3.67 (luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte)
  • 1. Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm3/s.

  • 2. Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.66 genoemde capaciteit per persoon.

  • 3. Onverminderd het eerste en tweede lid heeft een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel of met een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel voor warmwater een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm3/s. Een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW, of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is, blijft hierbij buiten beschouwing.

  • 4. Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsruimte heeft een capaciteit die ten minste voldoet aan de hoogste waarde die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor een op die voorziening aangewezen verblijfsruimte.

  • 5. Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsgebied dat bestaat uit meer dan een gemeenschappelijke verblijfsruimte heeft, in afwijking van het vierde lid, een capaciteit die ten minste voldoet aan de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor de op die voorziening aangewezen verblijfsruimten.

  • 6. Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste:

    • a. 7 dm3/s bij een toiletruimte, en

    • b. 14 dm3/s bij een badruimte.

Artikel 3.68 (luchtverversing overige ruimten)
  • 1. Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm3/s.

  • 2. Een schacht voor een lift heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die liftschacht.

  • 3. Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, of een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 100 dm3/s als de ruimte groter is dan 10 m2.

  • 4. Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

  • 5. Een tunnel heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de voorziening een mechanische voorziening voor luchtverversing.

Artikel 3.69 (verdunning en plaats van de opening bij de afvoer van binnenlucht)

Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingsruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:

  • a. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw ligt met een hoogste daklijn die meer dan 5 m boven het straatniveau ligt, ten minste 1 m boven de hoogste daklijn van dat gebouw, en

  • b. is de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m/s.

Artikel 3.70 (luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht)
  • 1. De toevoer van verse lucht naar een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks van buiten plaats, of alleen via de liftmachineruimte van buiten.

  • 2. De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats.

  • 3. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats.

Artikel 3.71 (luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht)
  • 1. De afvoer van binnenlucht uit een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of alleen via de liftmachineruimte naar buiten.

  • 2. De afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar buiten plaats uit:

    • a. een toiletruimte,

    • b. een badruimte, en

    • c. een opslagruimte voor huishoudelijk afval

  • 3. De afvoer van binnenlucht uit een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

  • 4. Ten minste 21 dm3/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

§ 3.3.3 Spuivoorziening
Artikel 3.72 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.72 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.72

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    capaciteit

       

    artikel

    3.73

       

    lid

    1

    2

    3

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    3

    2

    Bijeenkomstfunctie

         
     

    a

    voor kinderopvang

    1

    3

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

Artikel 3.73 (capaciteit)
  • 1. Een verblijfsruimte heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een gemeenschappelijke verblijfsruimte.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde capaciteit kan worden gerealiseerd met de in artikel 3.67 bedoelde voorziening voor luchtverversing.

§ 3.3.4 Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht
Artikel 3.74 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft zodanige voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, dat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.74 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.74

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    aanwezigheid

    capaciteit: afvoer van rookgas

    capaciteit: toevoer

    verbrandingslucht

    rookdoorlatendheid

       

    artikel

    3.75

    3.76

    3.77

    3.78

       

    lid

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    *

Artikel 3.75 (aanwezigheid)
  • 1. Een ruimte met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de afvoer van rookgas en de toevoer van verbrandingslucht. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte met een of meer kook- of warmwatertoestellen met open verbranding met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW per toestel.

  • 2. Een open verbrandingstoestel is niet opgesteld in een toiletruimte of badruimte.

Artikel 3.76 (capaciteit: afvoer van rookgas)
  • 1. Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde afvoercapaciteit.

  • 2. Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

  • 3. Een combinatie van een voorziening voor de afvoer van rookgas met een voorziening voor de afvoer van binnenlucht heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de afzonderlijke voorzieningen.

  • 4. Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 8757, vanaf een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 3.77 (capaciteit: toevoer van verbrandingslucht)
  • 1. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit groter of gelijk aan de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde capaciteit.

  • 2. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

  • 3. De richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar een verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceelgelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 3.78 (rookdoorlatendheid)

Het inwendig oppervlak van een overdrukvoorziening voor de afvoer van rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 8757 bepaalde doorlatendheid die bij een drukverschil van 200 Pa niet groter is dan 0,006 x 10-3m3/s per m2.

§ 3.3.5 Bescherming tegen ratten en muizen
Artikel 3.79 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.79 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.79

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

       

    openingen

     

    artikel

    3.80

     

    lid

    1

    2

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    Celfunctie

    1

    2

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    5

    Industriefunctie

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.80 (openingen)
  • 1. Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit is niet van toepassing op een afsluitbare opening en een uitmonding van:

    • a. een voorziening voor luchtverversing,

    • b. een afvoervoorziening voor rookgas, en

    • c. een ont- en beluchting van een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is een grotere opening toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor bij of krachtens de Wet natuurbescherming beschermde diersoorten.

§ 3.3.6 Daglicht
Artikel 3.81 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.81 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.81

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    daglichtoppervlakte

    daglichtoppervlakte

       

    artikel

    3.82

    3.82

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    1

           

    [m2]

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    8

    0,5

    2

    Bijeenkomstfunctie

                     
     

    a

    kinderopvang

    1

    2

    3

    4

    8

    0,5

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    5

    8

    0,15

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    6

    8

    0,5

    5

    Industriefunctie

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    8

    0,5

    7

    Logiesfunctie

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    7

    8

    0,5

    9

    Sportfunctie

    10

    Winkelfunctie

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.82 (daglichtoppervlakte)
  • 1. Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.81 genoemde oppervlakte.

  • 2. Bij het bepalen van een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste lid:

    • a. blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing,

    • b. blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen buiten beschouwing waarbij, als het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen, en

    • c. is de in rekening te brengen belemmeringshoek α, bedoeld in NEN 2057 voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

  • 4. Het eerste lid geldt niet voor een bedruimte.

  • 5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan in een celeenheid of andere ruimte voor het insluiten van personen worden volstaan met het waarneembaar zijn van de dag- en nachtcyclus.

  • 6. Het eerste lid geldt alleen voor een bedruimte.

  • 7. Het eerste lid geldt niet voor een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2.

  • 8. Als de op grond van het eerste tot en met zevende lid vereiste equivalente daglichtoppervlakte groter is dan de met artikel 4.147 vastgestelde ten minste aan te houden equivalente daglichtoppervlakte kan in plaats van het eerste tot en met de zevende lid artikel 4.147 worden toegepast.

AFDELING 3.4 DUURZAAMHEID
Artikel 3.83 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is voldoende energiezuinig.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.83 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.83

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    energiebesparende maatregelen

    aanbevelingen energielabel

    afbakening maatwerkvoorschriften

    energiebesparende maatregelen

    overgangsrecht:

    energiebesparende maatregelen

       

    artikel

    3.84

    3.85

    3.86

    3.87

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    *

    *

    *

    1

    Woonfunctie

                 
     

    a

    groepszorgwoning

    1

    2

    3

    4

    *

    *

    *

     

    b.

    andere woonfunctie

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

    1

    2

    3

    4

    *

    *

    *

Artikel 3.84 (energiebesparende maatregelen)
  • 1. Aan een gebouw of gedeelte daarvan worden alle energiebesparende maatregelen getroffen met een terugverdientijd van ten hoogste 5 jaar.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. op een gebouw of gedeelte daarvan, waarop artikel 5.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is,

    • b. op een gebouw waarvan het energieverbruik van het totaal aan activiteiten in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen, of

    • c. op een gebouw of gedeelte daarvan:

      • 1°. als bedoeld in artikel 6.28,of

      • 2°. als bedoeld in artikel 3.85.

  • 3. Bij gebouwen op hetzelfde bouwwerkperceel of op een aangrenzend bouwwerkperceel van dezelfde eigenaar of gebruiker wordt voor de bepaling van het in het tweede lid bedoelde energieverbruik uitgegaan van het gezamenlijke energieverbruik van die gebouwen.

  • 4. Aan het eerste lid is in ieder geval voldaan door het treffen van de bij ministeriële regeling vastgestelde energiebesparende maatregelen.

Artikel 3.85 (uitvoering van aanbevelingen bij het energielabel)

Een overheidsinstantie voert voor een gebouw of gedeelte daarvan, dat in haar eigendom is, de in artikel 6.29, eerste lid, bedoelde aanbevelingen uit binnen de geldigheidsperiode van het energielabel.

Artikel 3.86 (afbakening maatwerkvoorschriften energiebesparende maatregelen)

Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.84 kan alleen inhouden het toestaan van een gefaseerde uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid.

Artikel 3.87 (overgangsrecht: energiebesparende maatregelen)

De artikelen 3.83, 3.84 en 3.86 zijn van toepassing tot en met 31 december 2020.

AFDELING 3.5 BRUIKBAARHEID
§ 3.5.1 Verblijfsgebied en verblijfsruimte
Artikel 3.88 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie heeft een verblijfsgebied dat bruikbaar is voor de voor de woonfunctie kenmerkende activiteiten.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.89 (aanwezigheid)

Een woonfunctie heeft een vloeroppervlakte van ten minste 10 m2 aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied.

Artikel 3.90 (afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte)
  • 1. In ten minste een verblijfsgebied ligt een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 7,5 m2 en een breedte van ten minste 2,4 m.

  • 2. Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben boven de vloer een hoogte van ten minste 2,1 m.

§ 3.5.2 Toiletruimte
Artikel 3.91 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie heeft voldoende toiletruimte.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.92 (aanwezigheid)

Een woonfunctie heeft een toiletruimte.

Artikel 3.93 (afmetingen)

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 3.92 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,64 m2, met een breedte van ten minste 0,6 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2 m.

§ 3.5.3 Opstelplaatsen
Artikel 3.94 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie heeft opstelplaatsen voor een aanrecht en voor een kooktoestel.

  • 2. Als voor een woonfunctie in tabel 3.94 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.94

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    aanwezigheid

    afmetingen

       

    artikel

    3.95

    3.96

       

    lid

    *

    1

    2

    1

    Woonfunctie

         
     

    a

    voor zorg

     

    b

    andere woonfunctie

    *

    1

    2

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

Artikel 3.95 (aanwezigheid)

Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel die in een besloten ruimte liggen.

Artikel 3.96 (afmetingen)
  • 1. Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,4 m.

  • 2. Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,4 m x 0,4 m.

AFDELING 3.6 TOEGANKELIJKHEID, BEREIKBAARHEID VANAF DE OPENBARE WEG
Artikel 3.97 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk met een toegankelijkheidssector is vanaf de openbare weg toegankelijk voor personen met een functiebeperking.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.98 (bereikbaarheid van een gebouw)
  • 1. Ten minste een route tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector van een gebouw loopt over een pad met:

    • a. een breedte van ten minste 1,1 m, en

    • b. bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 3.2.4.

  • 2. Een doorgang waardoor een in het eerste lid bedoelde route voert heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een vrije hoogte van ten minste 2 m.

AFDELING 3.7 BOUWWERKINSTALLATIES
§ 3.7.1 Verlichting
Artikel 3.99 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.99 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.99

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    verlichting

    noodverlichting

    aansluiting op voorziening

    voor elektriciteit

    verduisterde ruimte

    overgangsrecht

       

    artikel

    3.100

    3.101

    3.102

    3.103

    3.104

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    *

    *

    1

    Woonfunctie

    4

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    3

    Celfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    5

    Industriefunctie

                             
     

    a

    lichte industriefunctie

    *

     

    b

    andere industriefunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    7

    Logiesfunctie

                             
     

    a

    in een logiesgebouw

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

     

    b

    andere logiesfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

                             
     

    a

    voor het personenvervoer

    2

    3

    4

    2

    3

    5

    *

    *

    *

     

    b

    voor het stallen van motorvoertuigen

    2

    4

    2

    3

    5

    *

    *

    *

     

    c

    andere overige gebruiksfunctie

    4

    *

    *

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                             
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    4

    5

    3

    4

    5

    *

    *

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    4

    3

    5

    *

    *

    *

Artikel 3.100 (verlichting)
  • 1. Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 2. Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 3. Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 4. Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute of beschermde route voert heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 5. Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Artikel 3.101 (noodverlichting)
  • 1. Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.

  • 2. Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 3.100, tweede lid, heeft noodverlichting.

  • 3. Een besloten ruimte als bedoeld in artikel 3.100, vierde lid, heeft noodverlichting.

  • 4. Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting.

  • 5. Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.

Artikel 3.102 (aansluiting op voorziening voor elektriciteit)

Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 3.100 en 3.101 is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit.

Artikel 3.103 (verduisterde ruimte)

Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.

Artikel 3.104 (overgangsrecht: noodverlichting)

Zolang de indeling van een bouwwerk of een gedeelte daarvan niet verandert en het aantal personen in dat bouwwerk of gedeelte niet groter is dan het onmiddellijk voorafgaand aan 1 april 2012 voor dat bouwwerk toegestane aantal personen blijft op dat bouwwerk of gedeelte artikel 3.101 buiten toepassing als dat bouwwerk of dat gedeelte daarvan voldoet aan de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2003 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaande aan 1 april 2012.

§ 3.7.2 Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie
Artikel 3.105 (aansturingsartikel)
  • 1. Bij een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie is die voorziening veilig zodat er geen sprake kan zijn van ongevallen zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden of verwonding door explosies.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.106 (voorziening voor elektriciteit)

Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:

  • a. NEN 1010 bij lage spanning, en

  • b. norm V 1041 bij hoge spanning.

Artikel 3.107 (voorziening voor gas)

Een voorziening voor gas voldoet aan:

  • a. NEN 8078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar, en

  • b. NEN 2078 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.

§ 3.7.3 Watervoorziening
Artikel 3.108 (aansturingsartikel)
  • 1. Bij een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater is die voorziening zodanig dat de gezondheid niet nadelig kan worden beïnvloed als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.109 (drinkwatervoorziening)

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006.

Artikel 3.110 (warmwatervoorziening)

Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006.

§ 3.7.4 Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater
Artikel 3.111 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.111 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.111

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    afvoer van huishoudelijk

    afvalwater

    afvoer van hemelwater

       

    artikel

    3.112

    3.113

       

    lid

    1

    2

    *

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    *

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    *

    7

    Logiesfunctie

         
     

    a.

    in een logiesgebouw

    1

    2

    *

     

    b.

    andere logiesfunctie

    1

    2

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

Artikel 3.112 (afvoer van huishoudelijk afvalwater)
  • 1. Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor dat lozingstoestel een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.

  • 2. Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater als bedoeld in het eerste lid heeft een zodanige capaciteit dat elk daarop aangesloten lozingstoestel binnen 5 minuten kan worden geleegd en een lucht- en waterdichtheid die voldoen aan NEN 3215.

Artikel 3.113 (afvoer van hemelwater)

Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.

§ 3.7.5 Tijdig vaststellen van brand
Artikel 3.114 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.114 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.114

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    brandmeldinstallatie

    melding en doormelding

    rookmelders

       

    artikel

    3.115

    3.116

    3.117

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    Woonfunctie

                         
     

    a.

    zorgclusterwoning in een woongebouw

    1

    2

    1

    2

     

    b.

    zorgclusterwoning niet in een woongebouw

    1

    2

     

    c.

    groepszorgwoning voor 24-uurs zorg

    1

    2

    1

    2

     

    d.

    groepszorgwoning niet voor 24-uurs zorg

    1

    2

    1

     

    e.

    voor kamergewijze verhuur

    1

    2

    4

     

    f.

    andere woonfunctie

    2

    Bijeenkomstfunctie

                         
     

    a

    voor het aanschouwen van sport

    3

     

    b

    voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

    1

    2

    3

    4

    2

    3

    4

     

    c

    andere bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    2

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    2

    5

    Industriefunctie

                         
     

    a

    lichte industriefunctie

     

    b

    andere industriefunctie

    1

    2

    3

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    7

    Logiesfunctie

                         
     

    a.

    in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking

    1

    2

    3

    3

    4

    5

     

    b.

    in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking

    1

    2

    3

    2

    3

    4

     

    c.

    andere logiesfunctie

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    11

    Overige gebruiksfunctie

                         
     

    a

    voor het stallen van motorvoertuigen

    1

    2

    3

     

    b

    voor het personenvervoer

    1

    2

    3

     

    c

    andere overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.115 (brandmeldinstallatie)
  • 1. Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals genoemd in bijlage II bij dit besluit, als:

    • a. de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in deze bijlage genoemde waarde,

    • b. de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger ligt dan op de in deze bijlage genoemde hoogte, of

    • c. deze bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een hoogte als hierboven bedoeld.

  • 2. Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met een zelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie.

  • 3. Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte in niet meer dan een richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert, evenals verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico en een doorgang die aan die buiten die verblijfsruimte gelegen ruimte grenst, voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, als:

    • a. de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is,

    • b. de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert evenals van de daarop aangewezen verblijfsruimten meer dan 200 m2 is, of

    • c. het aantal op de enkele vluchtroute aangewezen verblijfsruimten meer dan twee is.

  • 4. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing als boven de in bijlage II bij dit besluit bedoelde hoogste vloer niet meer dan 6 opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn.

Artikel 3.116 (melding en doormelding)
  • 1. Een in artikel 3.115 bedoelde brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks:

    • a. naar een zorgcentrale bij zorg op afroep, en

    • b. naar een zusterpost bij 24-uurszorg.

  • 2. Een doormelding als bedoeld in artikel 3.115 vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.

Artikel 3.117 (rookmelders)
  • 1. Bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.

  • 2. Een verblijfsruimte heeft een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte in een wooneenheid als elke wooneenheid in de woonfunctie in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit dat beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment van ten minste 30 minuten.

  • 3. Een verblijfsruimte en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van het gebouw hebben een of meer rookmelders die voldoen aan de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.

  • 4. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115.

  • 5. In aanvulling op het derde lid is het in de primaire inrichtingseisen bedoelde alarmeringssignaal, permanent waarneembaar door de voor de 24-uurs bewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

§ 3.7.6 Vluchten bij brand
Artikel 3.118 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat de gebruikers het bouwwerk kunnen ontvluchten of anderszins in veiligheid kunnen worden gebracht.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.118 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.118

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    ontruimtingsalarminstallatie

    vluchtrouteaanduiding

    deuren in vluchtroutes:

    draairichting

    deuren in vluchtroutes:

    weerstand bij het openen

    zelfsluitende

    constructieonderdelen

       

    artikel

    3.119

    3.120

    3.121

    3.122

    3.123

       

    lid

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    4

    1

    Woonfunctie

                                             
     

    a.

    voor zorg met een g.o. > 500 m2

    1

    4

    5

    6

    1

    2

    3

     

    b.

    andere woonfunctie voor zorg

    1

    4

    5

    1

    2

    3

     

    c.

    voor kamergewijze verhuur

    1

    3

    4

    5

    1

    2

    3

     

    d.

    andere woonfunctie

    4

    5

    1

    2

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    3

    Celfunctie

    1

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    4

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    5

    Industriefunctie

                                             
     

    a.

    lichte industriefunctie

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

     

    b.

    andere industriefunctie

    1

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    6

    Kantoorfunctie

    1

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    7

    Logiesfunctie

                                       

     

    a.

    in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking

    1

    3

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

     

    b.

    in een ander logiesgebouw

    1

    2

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

     

    c.

    andere logiesfunctie

    1

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    9

    Sportfunctie

    1

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    10

    Winkelfunctie

    1

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    11

    Overige gebruiksfunctie

                                             
     

    a.

    voor het stallen van motorvoertuigen

    1

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

     

    b.

    voor het personenvervoer

    1

    1

    3

    4

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

     

    c.

    andere overige gebruiksfunctie

    1

    2

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                             
     

    a.

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    2

    3

    5

    3

    4

    5

    6

    1

     

    b.

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

    2

    4

    5

    6

    1

Artikel 3.119 (ontruimingsalarminstallatie)
  • 1. Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115, eerste tot en met derde lid, heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.

  • 2. Het ontruimingssignaal van een in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie wordt bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder onmiddellijk en in het gehele gebouw in werking gesteld.

  • 3. In aanvulling op het tweede lid is het ontruimingssignaal permanent waarneembaar door de voor de 24-uurs bewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

Artikel 3.120 (vluchtrouteaanduiding)
  • 1. Een ruimte waardoor een verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen hebben een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838.

  • 2. Een wegtunnel heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838. De vluchtrouteaanduiding is niet hoger dan 1,5 m boven de vloer aangebracht en de afstand tussen twee vluchtrouteaanduidingen is niet meer dan 25 m, gemeten langs de tunnelwand. Bij de vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar aangegeven de loopafstand in twee richtingen tot het einde van de tunnelbuis of, als die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije toegang tot een beschermde route als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid.

  • 3. Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste en tweede lid:

    • a. is aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats, en

    • b. voldoet binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende een periode van ten minste 60 minuten, aan de in het eerste of tweede lid bedoelde zichtbaarheidseisen.

  • 4. Op een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste lid gelegen op een vluchtroute vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die geen noodverlichting is als bedoeld in artikel 3.101, zijn bij het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit de in het eerste lid bedoelde zichtbaarheidseisen niet van toepassing.

  • 5. Een deur in een tunnel die toegang geeft tot een beschermde route als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, is uitgevoerd in de kleur groen, RAL 6024.

Artikel 3.121 (deuren in vluchtroutes: draairichting)
  • 1. Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in als meer dan 60 personen op die uitgang zijn aangewezen.

  • 2. Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn.

  • 3. Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

Artikel 3.122 (deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen)
  • 1. Een deur op een vluchtroute vanaf de uitgang van een wooneenheid naar de uitgang van de woonfunctie voor kamergewijze verhuur kan worden geopend:

    • a. door een lichte druk tegen de deur, of

    • b. met behulp van een ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 179 of aan NEN-EN 1125.

  • 2. Een deur waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen kan worden geopend door:

    • a. een lichte druk tegen de deur, of

    • b. een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer over de volle breedte van de deur aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125.

  • 3. Een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen, kan tijdens het vluchten met een sleutel worden geopend.

  • 4. Een automatisch werkende deur en een voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole op een vluchtroute mogen het vluchten niet belemmeren.

  • 5. Een deur die toegang geeft tot een overdruktrappenhuis is voorzien van een aanduiding waaruit blijkt dat hard duwen noodzakelijk kan zijn. Dit is niet van toepassing op een schuifdeur.

  • 6. Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011.

Artikel 3.123 (zelfsluitende constructieonderdelen)
  • 1. Een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, is zelfsluitend.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gemeenschappelijke doorgang.

  • 3. Het tweede lid geldt niet voor een deur in een gezamenlijke doorgang.

  • 4. Het eerste lid geldt niet voor een deur van een celeenheid.

§ 3.7.7 Bestrijden van brand
Artikel 3.124 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.124 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.124

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    droge blusleiding

    bluswatervoorziening

    blustoestellen

       

    artikel

    3.125

    3.126

    3.127

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    3

    1

    Woonfunctie

                   
     

    a

    voor zorg met een g.o. > 500 m2

    1

    3

    4

    3

     

    b

    voor kamergewijze verhuur

    1

    3

    4

    1

    3

     

    c

    andere woonfunctie

    1

    3

    4

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    3

    4

    3

    3

    Celfunctie

    1

    3

    4

    3

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    3

    4

    3

    5

    Industriefunctie

    1

    3

    4

    3

    6

    Kantoorfunctie

    1

    3

    4

    3

    7

    Logiesfunctie

    1

    3

    4

    3

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    3

    4

    3

    9

    Sportfunctie

    1

    3

    4

    3

    10

    Winkelfunctie

    1

    3

    4

    3

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    3

    4

    3

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                   
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    2

    4

    *

    2

    3

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.125 (droge blusleiding)
  • 1. Een gebruiksfunctie met een vloer van een verblijfsgebied hoger gelegen dan 20 m boven het meetniveau, heeft een droge blusleiding.

  • 2. Een wegtunnelbuis heeft een op een in artikel 3.126 bedoelde bluswatervoorziening aangesloten droge blusleiding met in een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 een brandslangaansluiting die bij brand een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

  • 3. De loopafstand tussen een brandslangaansluiting van een in het eerste lid bedoelde droge blusleiding en een punt in een op die aansluiting aangewezen gebruiksgebied is niet groter dan 110 m.

  • 4. De inrichting van een droge blusleiding voldoet aan NEN 1594 voor:

    • a. de drukbestendigheid,

    • b. de onbrandbaarheid van het materiaal van de leiding,

    • c. de soorten koppelingen voor de aansluiting van brandslangen,

    • d. de aanduiding van de brandslangaansluitingen, en

    • e. de aanduiding van de voedingsaansluitingen.

Artikel 3.126 (bluswatervoorziening wegtunnel)

Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

Artikel 3.127 (blustoestellen)
  • 1. Een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een draagbaar blustoestel in een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert. Dit is niet van toepassing bij de aanwezigheid van brandslanghaspels als bedoeld in artikel 6.36, tweede lid.

  • 2. Een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 heeft een draagbaar brandblusapparaat.

  • 3. Een blustoestel als bedoeld in het eerste en tweede lid is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.

§ 3.7.8 Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten
Artikel 3.128 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig toegankelijk voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.128 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.128

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    brandweeringang

    afbakening maatwerkvoorschriften

    brandweeringang

    mobiele radiocommunicatie

    hulpverleningsdiensten

    afbakening maatwerkvoorschriften

    mobiele communicatie

    hulpverleningsdiensten

       

    artikel

    3.129

    3.130

    3.131

    3.132

       

    lid

    1

    2

    *

    1

    2

    *

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    *

    1

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    *

    1

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    *

    1

    *

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    *

    1

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    *

    1

    *

    7

    Logiesfunctie

               
     

    a

    in een logiesgebouw

    1

    2

    *

    1

    *

     

    b

    andere logiesfunctie

    1

    2

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    *

    1

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    *

    1

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    *

    1

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    *

    1

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

               
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    2

    2

    *

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

    *

    1

    *

Artikel 3.129 (brandweeringang)
  • 1. Een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat heeft een brandweeringang.

  • 2. In een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding wordt een brandweeringang bij een brandmelding automatisch ontsloten of ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Artikel 3.130 (afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang)

Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.129 kan alleen inhouden:

  • a. dat een bouwwerk geen brandweeringang hoeft te hebben als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist, of

  • b. het aanwijzen van een of meer toegangen als brandweeringang als een bouwwerk meerdere toegangen heeft.

Artikel 3.131 (mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten)
  • 1. Een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk waarbij het goed functioneren van hulpverleningsdiensten afhankelijk is van mobiele radiocommunicatie heeft als dat voor die communicatie nodig is een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk.

  • 2. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten die wegtunnel.

Artikel 3.132 (afbakening maatwerkvoorschriften mobiele communicatie hulpverleningsdiensten)

Met een maatwerkvoorschrift over artikel 3.131, eerste lid, kan alleen nadere invulling worden gegeven aan de maatregelen voor binnenhuisdekking.

§ 3.7.9 Aanvullende regels tunnelveiligheid
Artikel 3.133 (aansturingsartikel)
  • 1. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft zodanige voorzieningen dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.134 (uitrusting hulppost wegtunnel)

Een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 heeft een noodtelefoon en een wandcontactdoos met een elektrische spanning van 230 volt.

Artikel 3.135 (bedieningscentrale wegtunnel)

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m is aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen en van brand.

Artikel 3.136 (afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen)

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen een voorziening voor de afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen.

Artikel 3.137 (verkeerstechnische aspecten tunnelbuis)
  • 1. Een op een wegtunnelbuis aansluitende rijbaan heeft een zelfde aantal rijstroken als de rijbaan in de wegtunnelbuis. Een eventuele wijziging van het aantal rijstroken buiten de tunnelbuis vindt op zodanige afstand van de tunnelbuis plaats dat geen onrustige verkeersbewegingen in de tunnelbuis door die wijziging kunnen optreden.

  • 2. In een wegtunnelbuis is geen tweerichtingsverkeer toegestaan.

  • 3. In afwijking van het tweede lid is tweerichtingsverkeer toegestaan indien is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is en het tweerichtingsverkeer met voldoende veiligheidswaarborgen is omgeven.

  • 4. Bij toepassing van het in het derde lid bedoelde tweerichtingsverkeer, is de wegtunnelbuis in ieder geval voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.

Artikel 3.138 (communicatievoorzieningen wegtunnel)
  • 1. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m heeft een voorziening:

    • a. waarmee door luidsprekers mededelingen kunnen worden gedaan aan personen op elke rijbaan en vluchtroute,

    • b. voor heruitzending van radiosignalen in elke wegtunnelbuis, en

    • c. om radio-uitzendingen te kunnen onderbreken om mededelingen te doen.

  • 2. Een mededeling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, wordt ten minste in het Nederlands en het Engels gedaan.

Artikel 3.139 (aansluiting op noodstroomvoorziening)

De voor een evacuatie noodzakelijke voorzieningen, systemen en installaties in een wegtunnel, die voor het functioneren zijn aangewezen op een voorziening voor elektriciteit, zijn aangesloten op een voorziening die binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten de werking van die voorzieningen, systemen en installaties zeker stelt.

§ 3.7.10 Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit
Artikel 3.140 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woongebouw heeft zodanige voorzieningen dat veel voorkomende criminaliteit wordt voorkomen.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.141 (voorkomen van veel voorkomende criminaliteit in een woongebouw)
  • 1. Een afsluitbare toegang van een woongebouw heeft een zelfsluitende deur die van buitenaf niet zonder sleutel kan worden geopend.

  • 2. Als een woonfunctie in een woongebouw alleen bereikbaar is via een afsluitbare gemeenschappelijke verkeersruimte, heeft ten minste een toegang van het woongebouw aan de buitenkant een voorziening waarmee een signaal kan worden gegeven dat in een niet-gemeenschappelijke ruimte van die woonfunctie waarneembaar is.

§ 3.7.11 Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht
Artikel 3.142 (aansturingsartikel)
  • 1. Een onderwijsfunctie voor basisonderwijs heeft een voorziening die inzicht geeft in de kwaliteit van de binnenlucht.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.143 (kooldioxidemeter)

Een verblijfsruimte in een onderwijsfunctie voor basisonderwijs heeft een kooldioxidemeter die aan de bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet.

Artikel 3.144 (overgangsrecht: kooldioxidemeter)

Artikel 3.143 is niet van toepassing op een verblijfsruimte waarvan de ventilatievoorzieningen, bedoeld in paragraaf 3.3.2, zijn gebouwd voor 1 juli 2015.

HOOFDSTUK 4 NIEUWBOUW

AFDELING 4.1 ALGEMEEN
Artikel 4.1 (toepassingsbereik: activiteiten)
  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen.

  • 2. Met het bouwen van nieuwe bouwwerken wordt gelijkgesteld het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert.

Artikel 4.2 (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a. het waarborgen van de veiligheid,

  • b. het beschermen van de gezondheid, en

  • c. duurzaamheid en bruikbaarheid

Artikel 4.3 (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die het bouwwerk bouwt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 4.4 (toepassingsbereik: aansturingsartikel niet van toepassing)

Een aansturingsartikel in dit hoofdstuk is niet van toepassing op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van dat aansturingsartikel. Dit geldt niet voor de artikelen 4.16, 4.49, 4.56, 4.83, 4.171 en 4.207.

Artikel 4.5 (maatwerkvoorschriften)
  • 1. Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 5.35 van de wet kan worden gesteld over de afdelingen 4.2 tot en met 4.7, met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de in het eerste lid bedoelde afdelingen, waarbij afwijken alleen versoepelen kan inhouden.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift als bedoeld in de artikelen 4.227 en 4.230 alleen het bepaalde in die artikelen inhouden.

  • 4. Een maatwerkvoorschrift op initiatief van het bevoegd gezag wordt alleen gesteld over de artikelen 4.227 en 4.230.

  • 5. Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk bouwt kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 4.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich niet verzetten.

Artikel 4.6 (maatwerkvoorschriften herbouw)
  • 1. in afwijking van artikel 4.5 kan een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift over het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert, alleen versoepelen inhouden.

  • 2. Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk bouwt, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 4.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich niet verzetten.

Artikel 4.7 (maatwerkregels)

Een maatwerkregel kan worden gesteld over afdeling 4.4a en de artikelen 4.150, 4.160 en 4.161, met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden.

Artikel 4.8 (tijdelijk bouwwerk)
  • 1. Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de regels van de afdelingen 3.2 tot en met 3.7 van toepassing, tenzij in de afdelingen 4.2 tot en met 4.7 anders is bepaald.

  • 2. Als een als tijdelijk bouwwerk bedoeld bouwwerk na het verstrijken van de instandhoudingstermijn op de locatie aanwezig blijft, wordt dat bouwwerk voor het verstrijken van die termijn in overeenstemming gebracht met de regels van de afdelingen 4.2 tot en met 4.7.

Artikel 4.9 (uitzonderingen woonfunctie voor particulier eigendom)

Op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom zijn afdeling 4.6 en de paragrafen 4.5.5, 4.5.6, 4.6.1 en 4.6.4 niet van toepassing. Wat betreft de paragrafen 4.2.3, 4.2.4, 4.3.10, 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.7 zijn de regels van de paragrafen 3.2.3, 3.2.4, 3.3.6, 3.5.1 tot en met 3.5.3 voor een bestaand bouwwerk van toepassing. Wat betreft artikel 4.78, eerste lid, is artikel 3.59, eerste lid, voor een bestaand bouwwerk van toepassing.

AFDELING 4.2 VEILIGHEID
§ 4.2.1 Constructieve veiligheid
Artikel 4.10 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is bestand tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend en is zodanig dat bij een calamiteit voortschrijdende instorting van het bouwwerk wordt voorkomen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.10 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.10

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    fundamentele

    belastingscombinaties

    buitengewone

    belastingscombinaties

    bepalingsmethode niet

    bezwijken

    aardbevingen

    tijdelijk bouwwerk

       

    artikel

    4.11

    4.12

    4.13

    4.14

    4.15

       

    lid

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    2

    1

    Woonfunctie

                     
     

    a.

    in een woongebouw

    *

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

     

    b.

    andere woonfunctie

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    2

    7

    Logiesfunctie

                     
     

    a.

    in een logiesgebouw

    *

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

     

    b.

    andere logiesfunctie

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    2

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

    *

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

Artikel 4.11 (fundamentele belastingscombinaties)

Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990.

Artikel 4.12 (buitengewone belastingscombinaties)
  • 1. Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990, als dit leidt tot het bezwijken van een andere bouwconstructie die niet in de directe nabijheid ligt van de bouwconstructie. Daarbij wordt uitgegaan van de bekende buitengewone belastingen, bedoeld in NEN-EN 1991.

  • 2. Een dak of een vloerafscheiding bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990. Daarbij wordt uitgegaan van stootbelastingen, bedoeld in NEN-EN 1991.

Artikel 4.13 (bepalingsmethode niet-bezwijken)
  • 1. Het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.11 en 4.12, wordt bepaald volgens:

    • a. NEN-EN 1999 of NEN-EN 1993, als de constructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen,

    • b. NEN-EN 1992 of NEN-EN 1996, als de constructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen,

    • c. NEN-EN 1994, als de constructie is vervaardigd van staal-beton als bedoeld in die norm,

    • d. NEN-EN 1995, als de constructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm,

    • e. NEN 2608, als de constructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm, of

    • f. NEN 6707, als de constructie van de bevestiging van de dakbedekking is vervaardigd van materiaal als bedoeld in die norm.

  • 2. Als een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan bedoeld in het eerste lid, wordt het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.11 en 4.12, bepaald volgens NEN-EN 1990.

  • 3. Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen gebruiksfunctie kan bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.11 en 4.12, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.

Artikel 4.14 (aardbevingen)

Bij toepassing van de artikelen 4.11 tot en met 4.13 wordt rekening gehouden met de bij ministeriële regeling gestelde regels over belastingen op bouwwerken door aardbevingen als gevolg van de gaswinning in de provincie Groningen.

Artikel 4.15 (tijdelijk bouwwerk)
  • 1. Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 5 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.11, 4.13 en 4.14 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 15 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.11 tot en met 4.14 van overeenkomstige toepassing.

§ 4.2.2 Constructieve veiligheid bij brand
Artikel 4.16 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is bestand tegen brand zodat geen sprake zal zijn van instorting die gevaar oplevert voor het vluchten of hulpverlening bij brand gedurende een redelijke tijd.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.16 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.16

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    tijdsduur

    niet-bezwijken

    bepalingsmethode

    niet-bezwijken

       

    artikel

    4.17

    4.18

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    1

    2

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    3

    1

    2

    2

    Bijeenkomstfunctie

                       
     

    a

    voor kinderopvang met bedgebied

    1

    5

    6

    1

    2

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    1

    4

    6

    1

    2

    3

    Celfunctie

    1

    5

    6

    1

    2

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                       
     

    a

    met bedgebied

    1

    5

    6

    1

    2

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    4

    6

    1

    2

    5

    Industriefunctie

    1

    4

    6

    1

    2

    6

    Kantoorfunctie

    1

    4

    6

    1

    2

    7

    Logiesfunctie

    1

    5

    6

    1

    2

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    4

    6

    1

    2

    9

    Sportfunctie

    1

    4

    6

    1

    2

    10

    Winkelfunctie

    1

    4

    6

    1

    2

    11

    Overige gebruiksfunctie

                       
     

    a.

    voor personenvervoer

    1

    4

    6

    1

    2

     

    b.

    voor het stallen van motorvoertuigen

    1

    4

    6

    1

    2

     

    c.

    andere overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                       
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    7

    1

    2

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    8

    1

    2

Artikel 4.17 (tijdsduur niet-bezwijken)
  • 1. Een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute voert, bezwijkt niet binnen 30 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die vluchtroute niet ligt. Dit is niet van toepassing op de vloer van een buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175.

  • 2. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 4.17a genoemde tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Voor zover dat brandcompartiment een woonfunctie is, geldt dit niet voor een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.

    Tabel 4.17a brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

    woonfunctie

    tijdsduur in minuten

    Als geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau

    60

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

    90

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

    120

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort, als geen vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau en de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2.

  • 4. Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau of lager dan 5 m onder het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 90 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

  • 5. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 4.17b genoemde tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

    Tabel 4.17b brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

    gebruiksfunctie maar geen woonfunctie

    tijdsduur in minuten

    Als geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau

    60

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m en geen vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

    90

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

    120

  • 6. In afwijking van het vierde en vijfde lid, wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort, als de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2.

  • 7. Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 60 minuten en voor zover deze onder open water ligt niet binnen 120 minuten bij brand in de tunnel.

  • 8. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Artikel 4.18 (bepalingsmethode niet-bezwijken)
  • 1. Bij het bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie als bedoeld in artikel 4.17, wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN-EN 1990 kunnen optreden bij brand.

  • 2. De tijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 4.17, wordt afhankelijk van het materiaal van de bouwconstructie bepaald volgens:

    • a. NEN-EN 1992,

    • b. NEN-EN 1993,

    • c. NEN-EN 1994,

    • d. NEN-EN 1995,

    • e. NEN-EN 1996,

    • f. NEN-EN 1999, of

    • g. NEN 6069.

§ 4.2.3 Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan
Artikel 4.19 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan door personen zo veel mogelijk wordt voorkomen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.19 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.18

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    aanwezigheid

    hoogte

    openingen

    voorkomen overklauteren

    openingen

       

    artikel

    4.20

    4.21

    4.22

    4.23

    4.22

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

                                           

    [m]

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    5

    1

    2

    3

    4

    1

    0,2

    2

    Bijeenkomstfunctie

                                       
     

    a

    voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    5

    1

    2

    3

    4

    1

    0,1

     

    b

    andere kinderopvang

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    5

    1

    2

    3

    4

    1

    0,2

     

    c

    andere bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    0,5

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    0,3

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    0,5

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    5

    1

    3

    4

    0,5

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    0,5

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    0,5

    8

    Onderwijsfunctie

                                       
     

    a

    voor basisonderwijs

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    5

    1

    2

    3

    4

    1

    0,2

     

    b

    andere onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    0,5

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    0,5

    #

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    0,5

    #

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    0,5

    #

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    0,5

Artikel 4.20 (aanwezigheid)
  • 1. Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een niet-beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

  • 2. Een trap als bedoeld in artikel 4.25 heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet-beweegbare afscheiding.

  • 3. Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4.25 heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet-beweegbare afscheiding.

  • 4. Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

    • a. een trap, en

    • b. een hellingbaan.

  • 5. Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:

    • a. een rand van een podium,

    • b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst,

    • c. een rand van een laadvloer,

    • d. een rand van een perron, en

    • e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d gelijk te stellen rand van een vloer.

Artikel 4.21 (hoogte)
  • 1. Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 1 m, gemeten vanaf de vloer.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een vloer die hoger ligt dan 13 m boven een aangrenzende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,2 m, gemeten vanaf de vloer.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, ter plaatse van een wel of niet-beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de vloer.

  • 4. In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,7 m, als de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1,1 m is.

  • 5. Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.19, tweede of derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.

Artikel 4.22 (openingen)
  • 1. Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 heeft geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 4.19 genoemde diameter.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 tot een hoogte van 0,7 m boven een vloer of een tredevlak geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan 0,1 m.

  • 3. De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 is niet groter dan 0,05 m.

  • 4. De bovenregel van een in artikel 4.20 bedoelde afscheiding heeft geen onderbreking van meer dan 0,1 m.

  • 5. Het tweede lid is niet van toepassing op een vloer of een tredevlak of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.

Artikel 4.23 (voorkomen overklauteren)
  • 1. Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 of een constructieonderdeel dat, bouwwerkinstallatie die of onderdeel van een bouwwerkinstallatie dat aan of naast een dergelijke afscheiding is geplaatst heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een vloer of een tredevlak.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een vloer of een tredevlak of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.

§ 4.2.4 Veilig overbruggen van hoogteverschillen
Artikel 4.24 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.24 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.24

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    voorziening bij hoogteverschil

    afmetingen trap

    trapbordes

    leuning

    regenwerend

    afmetingen hellingbaan

    hellinbaanbordes

    geleiderand

    tijdelijk bouwwerk

       

    artikel

    4.25

    4.26

    4.27

    4.28

    4.29

    4.30

    4.31

    4.32

    4.33

       

    lid

    1

    2

    1

    2

    *

    *

     

    *

    *

    *

    *

    1

    Woonfunctie

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

    *

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

                         
     

    a.

    voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

    *

     

    b.

    andere kinderopvang

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

     
     

    c.

    andere bijeenkomstfunctie

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

     

    3

    Celfunctie

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

    *

    5

    Industriefunctie

    1

    1

    *

    *

    *

    *

    *

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

    *

    7

    Logiesfunctie

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

    *

    8

    Onderwijsfunctie

                         
     

    a.

    voor basisonderwijs

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

    *

     

    b.

    andere onderwijsfunctie

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    1

    2

    *

    *

    *

    *

    *

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    1

    *

    *

    *

    *

    *

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                         
     

    a.

    tunnel of tunelvorming bouwwerk voor verkeer

    1

    2

    1

    *

    *

    *

    *

    *

    *

     

    b.

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    1

    *

    *

    *

    *

    *

    *

Artikel 4.25 (voorziening bij hoogteverschil)
  • 1. Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt voor een hoogteverschil tussen:

    • a. vloeren waarover een vluchtroute voert,

    • b. vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten,

    • c. vloeren voor bezoekers, en

    • d. vloeren van een verkeersroute die deze vloeren met elkaar verbindt.

    Dit geldt ook voor hoogteverschil op een route vanaf het aansluitende terrein naar een in dit lid bedoelde vloer.

  • 2. Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.

Artikel 4.26 (afmetingen trap)
  • 1. Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voldoet aan de in tabel 4.26 genoemde afmetingen.

  • 2. Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 m.

    Tabel 4.26 Afmetingen trap
     

    reguliere trap

    trap uitsluitend voor ontvluchten

     

    woonfunctie

    andere gebruiksfunctie

    alle gebruiksfuncties

    Minimum breedte van de trap

    0,8 m

    0,8 m

    0,8 m

    Minimum vrije hoogte boven de trap

    2,3 m

    2,1 m

    2,1 m

    Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede

    0,22 m

    0,185 m

    0,185 m

    Maximum hoogte van een optrede

    0,188 m

    0,21 m

    0,21 m

    Minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

    0,05 m

    0,05 m

    0,05 m

    Minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

    0,23 m

    0,23 m

    0,23 m

    Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap

    0,3 m

    0,3 m

    0,3 m

Artikel 4.27 (trapbordes)

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m.

Artikel 4.28 (leuning)

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en met een helling ter plaatse van de klimlijn groter dan 2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m.

Artikel 4.29 (regenwerend)

Een gemeenschappelijke verkeersruimte met een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1,5 m is ter plaatse van die trap, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend. Dit is niet van toepassing op een trap die alleen bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten.

Artikel 4.30 (afmetingen hellingbaan)

Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25 en 4.192 heeft een breedte van ten minste 1,1 m, een hoogte van niet meer dan 1 m en een helling van ten hoogste:

  • a. 1 : 12 als het hoogteverschil niet groter is dan 0,25 m,

  • b. 1 : 16 als het hoogteverschil groter is dan 0,25 m, maar niet groter dan 0,5 m, en

  • c. 1 : 20 als het hoogteverschil groter is dan 0,5 m.

Artikel 4.31 (hellingbaanbordes)

Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25 en 4.192 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 1,4 m x 1,4 m.

Artikel 4.32 (geleiderand)

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4.25 heeft aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand, met een vanaf de vloer van de hellingbaan gemeten hoogte van ten minste 0,04 m.

Artikel 4.33 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 4.25 van toepassing.

§ 4.2.5 Beweegbare constructieonderdelen
Artikel 4.34 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.35 (beweegbaar constructieonderdeel: gevarenzone)
  • 1. Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg of boven een strook van 0,6 m grenzend aan die weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg of strook.

  • 2. Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een niet voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 2,2 m boven die weg. Dit is niet van toepassing op een nooddeur.

  • 3. Het eerste en tweede lid gelden niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m2.

Artikel 4.36 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 4.35, tweede en derde lid, van toepassing.

§ 4.2.6 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
Artikel 4.37 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.38 (stookplaats)

Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats voldoet aan brandklasse A1 of voor zover het de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan betreft aan brandklasse A1fl, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1, als:

  • a. op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2, of

  • b. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.

Artikel 4.39 (schacht, koker of kanaal)
  • 1. Materiaal toegepast aan de binnenzijde van een schacht, een koker of een kanaal grenzend aan meer dan een brandcompartiment of subbrandcompartiment met een inwendige doorsnede groter dan 0,015 m2, voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a. een schacht die alleen is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten en die niet door andere ruimten voert,

    • b. ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de in dat lid bedoelde binnenzijde, en

    • c. het materiaal van een constructie- of bouwwerkinstallatieonderdeel dat wordt omsloten door een in dat lid bedoelde schacht, koker of kanaal.

Artikel 4.40 (rookgasafvoer)

Een afvoervoorziening voor rookgas is brandveilig, bepaald volgens NEN 6062.

Artikel 4.41 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.38 tot en met 4.40 van toepassing.

§ 4.2.7 Beperking van het ontwikkelen van brand en rook
Artikel 4.42 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.42 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.42

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

                     

    zijde grenzend aan de

    bovenzijde

         

    binnenlucht

    buitenlucht

     
         

    binnenoppervlak

    buitenoppervlak

    beloopbaar vlak

    vrijgesteld

    dakoppervlak

    tijdelijk bouwwerk

    extra beschermde vluchtroute

    beschermde vluchtroute

    overig

    extra beschermde vluchtroute

    beschermde vluchtroute

    overig

    extra beschermde vluchtroute

    beschermde vluchtroute

    overig

       

    artikel

    4.43

    4.44

    4.45

    4.46

    4.47

    4.48

    4.43

    4.44

    4.45

       

    lid

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    *

    1 en 2

    1

    1 en 2

                                       

    [brandklasse]

    [brandklasse]

    [brandklasse]

    1

    Woonfunctie

                                                   
     

    a

    in een woongebouw

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    1

    *

    B

    B

    D

    C

    C

    D

    Cfl

    Cfl

    Dfl

     

    b

    voor zorg met een g.o. > 500 m2

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    1

    *

    B

    B

    D

    C

    C

    D

    Cfl

    Cfl

    Dfl

     

    c

    andere woonfunctie

    1

    1

    2

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    1

    *

    B

    D

    D

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

    2

    Bijeenkomstfunctie

                                                   
     

    a

    voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    1

    *

    B

    B

    D

    C

    C

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    1

    *

    B

    D

    D

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

    3

    Celfunctie

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    1

    *

    B

    B

    C

    B

    B

    D

    Cfl

    Cfl

    Cfl

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                                   
     

    a

    met bedgebied

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    1

    *

    B

    B

    D

    C

    C

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    1

    *

    B

    D

    D

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

    5

    Industriefunctie

                                                   
     

    a

    lichte industriefunctie voor bedrijfsmatig houden van dieren

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    1

    *

    B

    B

    B

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

     

    b

    andere industriefunctie

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    1

    *

    B

    D

    D

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

    6

    Kantoorfunctie

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    1

    *

    B

    D

    D

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

    7

    Logiesfunctie

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    1

    *

    B

    B

    D

    C

    C

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    1

    *

    B

    D

    D

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

    9

    Sportfunctie

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    1

    *

    B

    D

    D

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

    10

    Winkelfunctie

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    1

    *

    B

    D

    D

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    *

    B

    D

    D

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                                   
     

    a

    tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer

    1

    1

    2

    4

    5

    1

    2

    3

    1

    2

    *

    B

    B

    B

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

    4

    5

    1

    2

    3

    1

    2

    *

    C

    D

    D

    Cfl

    Dfl

    Dfl

Artikel 4.43 (binnenoppervlak)
  • 1. Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht voldoet aan de in tabel 4.42 genoemde brandklasse en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt de eis aan de rookklasse alleen bij een beschermde vluchtroute.

Artikel 4.44 (buitenoppervlak)
  • 1. Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht voldoet aan de in tabel 4.42 genoemde brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

  • 2. Het deel van een zijde van een constructieonderdeel dat grenst aan de buitenlucht en hoger ligt dan 13 m, voldoet aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

  • 3. Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht, van een bouwwerk waarvan een voor personen bestemde vloer ten minste 5 m boven het meetniveau ligt, voldoet vanaf het aansluitende terrein tot een hoogte van ten minste 2,5 m aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.

  • 5. In afwijking van het eerste tot en met derde lid voldoet een deur, een raam, een kozijn en een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 4.45 (beloopbaar vlak)
  • 1. In afwijking van artikel 4.43 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht rookklasse s1fl en de in tabel 4.42 genoemde brandklasse, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

  • 2. In afwijking van de artikel 4.44 geldt voor een bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 genoemde brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 4.46 (vrijgesteld)
  • 1. Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte waarvoor volgens de artikelen 4.43 tot en met 4.45 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

  • 2. Op ten hoogste 10% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte waardoor geen beschermde vluchtroute voert, is de in artikel 4.43 bedoelde eis aan de rookklasse niet van toepassing.

  • 3. Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen waarvoor volgens de artikelen 4.43 tot en met 4.45 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

Artikel 4.47 (dakoppervlak)
  • 1. De bovenzijde van een dak van een bouwwerk is, bepaald volgens NEN 6063, niet brandgevaarlijk. Dit geldt niet als het bouwwerk geen voor personen bestemde vloer heeft die hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, en de brandgevaarlijke delen van het dak ten minste 15 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen. Als het perceel waarop het bouwwerk ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water, openbaar groen of een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2.

Artikel 4.48 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.44, derde lid, en 4.47 van toepassing.

§ 4.2.8 Beperking van uitbreiding van brand
Artikel 4.49 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand:

    • a. naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft, en

    • b. geen gevaar oplevert voor het vluchten of hulpverlening bij brand.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.49 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.49

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    brandcompartiment:

    ligging

    brandcompartiment:

    omvang

    opvangcompartiment

    weerstand tegen branddoorslag

    en brandoverslag: niveau van eisen

    weerstand tegen branddoorslag

    en brandoverslag: bepalingsmethode

    tijdelijk bouwwerk

    omvang

       

    artikel

    4.50

    4.51

    4.52

    4.53

    4.54

    4.55

    4.51

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    9

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    9

    10

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    1

    Woonfunctie

                                                                       

    [m2]

     

    a

    woonwagen

    1

    2

    4

    2

    8

    9

    1

    2

    3

    4

     

    b

    andere woonfunctie

    1

    2

    4

    1

    3

    5

    6

    7

    1

    2

    3

    7

    1

    2

    3

    *

    1.000

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    4

    1

    3

    7

    8

    1

    4

    7

    1

    2

    3

    *

    1.000

    3

    Celfunctie

    1

    2

    4

    1

    3

    7

    1

    1

    1

    2

    3

    *

    1.000

    4

    Gezondheidszorgfunctie

       

                                                     

         

       
     

    a

    met bedgebied

    1

    2

    4

    1

    3

    7

    2

    1

    1

    2

    3

    *

    1.000

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    4

    1

    3

    7

    1

    4

    7

    1

    2

    3

    *

    1.000

    5

    Industriefunctie

       

                                                     

         

       
     

    a

    lichte industriefunctie

    1

    2

    4

    5

    6

    7

    8

    1

    3

    1

    4

    5

    7

    1

    2

    3

    *

    2.500

     

    b

    lichte industriefunctie voor het houden van dieren

    1

    4

    5

    6

    7

    1

    3

    9

    1

    4

    5

    6

    7

    10

    1

    2

    3

    *

    2.500

     

    c

    andere industriefunctie

    1

    2

    4

    5

    6

    1

    3

    1

    4

    5

    7

    1

    2

    3

    *

    2.500

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    4

    1

    3

    7

    8

    1

    4

    7

    1

    2

    3

    *

    1.000

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    4

    1

    3

    7

    1

    4

    7

    1

    2

    3

    *

    500

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    4

    1

    3

    7

    8

    1

    4

    7

    1

    2

    3

    *

    1.000

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    4

    1

    3

    7

    1

    4

    7

    1

    2

    3

    *

    1.000

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    4

    1

    3

    7

    8

    1

    4

    7

    1

    2

    3

    *

    1.000

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    4

    5

    6

    7

    1

    3

    7

    8

    1

    4

    7

    1

    2

    3

    *

    1.000

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                                                         
     

    a

    Wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    2

    3

    4

    4

    1

    1

    2

    3

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.50 (brandcompartiment: ligging)
  • 1. Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a. een toiletruimte,

    • b. een badruimte,

    • c. een liftschacht, als de constructieonderdelen aan de binnenzijde van de schacht voldoen aan brandklasse B en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1, en

    • d. een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW.

  • 3. Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment.

  • 4. In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.

  • 5. Een niet-besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment.

  • 6. Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

  • 7. Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2. Deze uitzondering geldt niet als het bouwwerk aan een of meer andere bouwwerken grenst en de gezamenlijke gebruiksoppervlakte groter is dan 50 m2.

  • 8. Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie voor het telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting niet groter dan 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

Artikel 4.51 (brandcompartiment: omvang)
  • 1. Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 4.49 genoemde oppervlakte, of een grotere gebruiksoppervlakte als dat niet tot een lager veiligheidsniveau leidt, bepaald volgens NEN 6060 of NEN 6079.

  • 2. In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevengebruiksfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

  • 3. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een bouwwerkperceel.

  • 4. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.

  • 5. In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan als dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is.

  • 7. Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 is een afzonderlijk brandcompartiment.

  • 8. Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2.

  • 9. Een technische ruimte is een afzonderlijk brandcompartiment.

Artikel 4.52 (opvangcompartiment)
  • 1. In afwijking van het eerste lid is de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer celeenheden ten hoogste 500 m2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw.

  • 2. Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt.

Artikel 4.53 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen)
  • 1. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, naar een niet-besloten veiligheidsvluchtroute en naar een liftschacht van een brandweerlift is ten minste 60 minuten.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert worden volstaan met 30 minuten.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met 30 minuten als:

    • a. de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2, en

    • b. in het gebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau.

  • 4. In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met 30 minuten als:

    • a. de in het eerste lid bedoelde ruimten op hetzelfde bouwwerkperceel liggen, en

    • b. in het gebouw geen vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing op een brandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2.

  • 6. Het vierde lid is niet van toepassing op een technische ruimte.

  • 7. Het tweede tot en met vierde lid gelden niet voor een ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert.

  • 8. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een woonwagen naar een andere woonwagen is ten minste 30 minuten.

  • 9. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 30 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 m.

  • 10. In afwijking van het eerste lid geldt geen weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW.

Artikel 4.54 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode)
  • 1. De in artikel 4.53 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bepaald volgens NEN 6068.

  • 2. Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere perceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de bouwwerkperceelsgrens gelegen gebouw. Als het bouwwerkperceel grenst aan:

    • a. een openbare weg,

    • b. openbaar water of, openbaar groen, of

    • c. een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen,

    vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.

  • 3. In aanvulling op het tweede lid is het aandeel van de uitwendige scheidingsconstructie van het spiegelsymmetrische gebouw in de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag niet groter dan het aandeel van de uitwendige scheidingsconstructie van het brandcompartiment.

  • 4. Bij het bepalen van de in artikel 4.53, achtste lid, bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt uitgegaan van een identieke maar spiegelsymmetrisch op een afstand van 5 m geplaatste woonwagen.

Artikel 4.55 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.50 en 4.51 van toepassing en is artikel 4.53 van overeenkomstige toepassing waarbij de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag ten minste 30 minuten is.

§ 4.2.9 Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook
Artikel 4.56 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan is beoogd met paragraaf 4.2.8 zodat veilig kan worden gevlucht.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.56 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.56

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    ligging: subbrandcompartiment:

    ligging: beschermd

    subbrandcompartiment:

    beschermd subbrandcompartiment:

    omvang

    weerstand tegen branddoorslag

    en brandoverslag

    weerstand tegen rookdoorgang:

    subbrandcompartiment

    weerstand tegen rookdoorgang:

    beschermd subbrandcompartiment

    tijdelijk bouwwerk

    beschermd

    subbrandcompartiment: omvang

       

    artikel

    4.57

    4.58

    4.59

    4.60

    4.61

    4.62

    4.63

    4.59

       

    lid

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    1

    Woonfunctie

                                                         
     

    a

    voor zorg met een g.o. > 500 m2

    1

    2

    3

    1

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    4

    *

    100

     

    b

    woonwagen

    1

    2

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    4

    *

     

    c

    andere woonfunctie

    1

    2

    3

    1

    1

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    3

    4

    *

    500

    2

    Bijeenkomstfunctie

                                                         
     

    a

    voor kinderopvang met bedgebied

    1

    2

    3

    2

    1

    3

    8

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    3

    4

    *

    200

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    4

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    3

    1

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    4

    *

    500

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                                         
     

    a

    met bedgebied

    1

    2

    3

    2

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    4

    *

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    4

    *

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    4

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    4

    *

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    7

    8

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    3

    4

    *

    500

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    4

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    4

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    4

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    4

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                                         
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    4

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.57 (ligging: subbrandcompartiment)
  • 1. Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert.

  • 2. Een beschermde vluchtroute ligt niet in een subbrandcompartiment.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen als:

    • a. constructieonderdelen in dat gebied voldoen aan de eisen die artikel 4.43 stelt aan constuctieonderdelen die grenzen aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, en

    • b. aankleding in dat gebied voldoet aan de eisen die artikel 6.14 stelt aan aankleding in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert.

Artikel 4.58 (ligging: beschermd subbrandcompartiment)
  • 1. Een verblijfsgebied ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

  • 2. Een bedgebied ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

  • 3. Een celeenheid ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

  • 4. Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Artikel 4.59 (beschermd subbrandcompartiment: omvang)
  • 1. Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 4.56 genoemde oppervlakte.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is een gezamenlijke verblijfsruimte een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m2.

  • 3. Een beschermd subbrandcompartiment omvat niet meer dan een gebruiksfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfunctie.

  • 4. Een celeenheid is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

  • 5. Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat alleen een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten, en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m2.

  • 6. Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vijfde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten, heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2 zonder bewaking en ten hoogste 500 m2 bij permanente bewaking.

  • 7. Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

  • 8. Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment.

Artikel 4.60 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)
  • 1. De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 30 minuten.

  • 2. De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment, is ten minste 20 minuten, waarbij voor de bepaling van de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie van een scheidingsconstructie alleen rekening wordt gehouden met het beoordelingscriterium vlamdichtheid met betrekking op de afdichting.

Artikel 4.61 (weerstand tegen rookdoorgang: subbrandcompartiment)
  • 1. De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een ander subbrandcompartiment is Sa bepaald volgens NEN 6075.

  • 2. De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, is Sa bepaald volgens NEN 6075.

  • 3. De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment, is S200 bepaald volgens NEN 6075.

  • 4. De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is S200 bepaald volgens NEN 6075.

Artikel 4.62 (weerstand tegen rookdoorgang: beschermd subbrandcompartiment)
  • 1. De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een ander beschermd subbrandcompartiment is S200 bepaald volgens NEN 6075.

  • 2. De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een subbrandcompartiment is S200 bepaald volgens NEN 6075.

  • 3. De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een subbrandcompartiment is Sa bepaald volgens NEN 6075.

  • 4. De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, is S200 bepaald volgens NEN 6075.

Artikel 4.63 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.60, tweede lid, 4.61 en 4.62 van toepassing.

§ 4.2.10 Vluchtroutes: verloop
Artikel 4.64 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.64 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.64

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    vluchtroute

    vluchten naar de uitgagn van een

    subbrandcompartiment

    uitgang van een beschermd

    subbrandcompartiment

    beschermde vluchtroute

    extra beschermde vluchtroute

    veiligheidsvluchtroute

    tweede vluchtroute

    tijdelijk bouwwerk

    vluchten naar de uitgagn van een

    subbrandcompartiment

    extra beschermde vluchtroute

       

    artikel

    4.65

    4.66

    4.67

    4.68

    4.69

    4.70

    4.71

    4.72

    4.66

    4.69

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    *

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    1 en 2

    6

                                                                     

    [m]

    [m]

    1

    Woonfunctie

                                                                   
     

    a

    woonwagen

    1

    1

    *

    30

     

    b

    andere woonfunctie

    1

    2

    1

    1

    2

    3

    4

    7

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    30

    2

    Bijeenkomstfunctie

                                                                   
     

    a voor kinderopvang met bedgebied

    1

    2

    1

    2

    6

    1

    6

    7

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    30

    5

     

    b andere bijeenkomstfunctie

    1

    2

    1

    2

    6

    7

    1

    2

    5

    6

    7

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    30

    30

    3

    Celfunctie

    2

    1

    2

    3

    6

    7

    *

    1

    6

    7

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    22,5

    22,5

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                                                   
     

    a met bedgebied

    1

    2

    1

    2

    3

    6

    *

    1

    6

    7

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    30

    20

     

    b andere gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    1

    2

    3

    6

    7

    1

    2

    5

    6

    7

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    30

    30

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    7

    1

    2

    5

    6

    7

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    30

    30

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    1

    2

    3

    6

    7

    1

    2

    5

    6

    7

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    30

    30

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    1

    2

    6

    7

    1

    6

    7

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    *

    30

    20

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    1

    2

    6

    7

    1

    2

    5

    6

    7

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    30

    15

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    6

    7

    1

    2

    5

    6

    7

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    30

    30

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    6

    7

    1

    2

    5

    6

    7

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    30

    30

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    7

    1

    2

    5

    6

    7

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    30

    30

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                                                   
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    3

    5

    3

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    4

Artikel 4.65 (vluchtroute)
  • 1. Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.

  • 2. Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevengebruiksfunctie daarvan begint een vluchtroute die, wel of niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment.

  • 3. Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de buiten de wegtunnel gelegen openbare weg.

  • 4. Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat in geval van brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht.

Artikel 4.66 (vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment)
  • 1. De gecorrigeerde loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 4.64 genoemde afstand.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt bij een niet nader in te delen gebruiksgebied en bij een verblijfsruimte in plaats van de gecorrigeerde loopafstand uitgegaan van de loopafstand die niet groter is dan de in tabel 4.64 genoemde afstand.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt bij een bezetting van minder dan 1 persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte van het subbrandcompartiment een afstand van ten hoogste 45 m.

  • 4. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt bij een bezetting van minder dan 1 persoon per 30 m2 gebruiksoppervlakte van het subbrandcompartiment een afstand van ten hoogste 60 m.

  • 5. De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand.

  • 6. Op elk punt van een voor personen bestemde vloer in een subbrandcompartiment begint ten minste een vluchtroute met een op die vluchtroute te overbruggen hoogteverschil naar een uitgang van het subbrandcompartiment van ten hoogste 4 m.

  • 7. Een subbrandcompartiment en een daarin gelegen verblijfsruimte voor meer dan 150 personen hebben ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt. De onderlinge afstand tussen de uitgangen is ten minste 5 m.

Artikel 4.67 (uitgang van een beschermd subbrandcompartiment)

Ten minste een uitgang van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 4.58, tweede en derde lid:

  • a. is de uitgang van het subbrandcompartiment waarin het beschermde subbrandcompartiment ligt, of

  • b. is een uitgang waarbij een vluchtroute begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een uitgang van het subbrandcompartiment voert.

Artikel 4.68 (beschermde vluchtroute)
  • 1. Een vluchtroute waarop ten hoogste 37 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

  • 2. Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment tot de volgende uitgang op de vluchtroute een loopafstand niet groter dan 30 m. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute door een trappenhuis voert.

  • 3. Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute door een andere wegtunnelbuis voert dan de wegtunnelbuis waar de vluchtroute begint.

Artikel 4.69 (extra beschermde vluchtroute)
  • 1. Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde vluchtroute voert niet langs een beweegbaar constructieonderdeel van een andere woonfunctie dan de woonfunctie waarin de vluchtroute begint. Dit geldt niet bij de toegang van een woonfunctie die recht tegenover de toegang ligt van de woonfunctie waarin de vluchtroute begint.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde vluchtroute voert niet door een trappenhuis.

  • 4. Het tweede en derde lid gelden niet als de route door een trappenhuis voert, de uitgangen van de op die route aangewezen woonfuncties rechtstreeks aan het trappenhuis grenzen, op die route alleen woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan zijn aangewezen, en de uitgang van het trappenhuis rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein en:

    • a. er niet meer dan 6 woonfuncties op die route zijn aangewezen en geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 6 m boven het meetniveau, of

    • b. de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties die op de route zijn aangewezen:

      • ten hoogste 800 m2 is,

      • geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau, en

      • geen van die woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m2.

  • 5. Een vluchtroute waarop meer dan 37 en ten hoogste 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

  • 6. In een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is de loopafstand vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint tot het punt waar een tweede vluchtroute of een veiligheidsvluchtroute begint, of tot het aansluitende terrein niet groter dan de in tabel 4.64 genoemde afstand.

  • 7. Een vluchtroute in een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 8 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute.

Artikel 4.70 (veiligheidsvluchtroute)
  • 1. Een vluchtroute waarop meer dan 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsvluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

  • 2. Een vluchtroute in een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 12,5 m wordt overbrugd, is een veiligheidsvluchtroute.

Artikel 4.71 (tweede vluchtroute)
  • 1. Als op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint zijn de artikelen 4.68, 4.69, eerste tot en met zesde lid, en 4.70 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.

  • 2. Buiten het brandcompartiment waarin de in het eerste lid bedoelde tweede vluchtroute begint, voeren de twee vluchtroutes niet door eenzelfde brandcompartiment.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren als:

    • a. die ruimte aan die uitgang van het subbrandcompartiment grenst,

    • b. de vluchtroutes in die ruimte beschermde vluchtroutes en voor zover deze buiten een brandcompartiment liggen extra beschermde vluchtroutes zijn,

    • c. de loopafstand in die ruimte gemeten over beide vluchtroutes ten hoogste 30 m is als de ruimte besloten is, en

    • d. de vluchtroutes in verschillende richtingen voeren.

  • 4. In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is.

  • 5. De in het vierde lid bedoelde veiligheidsvluchtroute voert alleen door een trappenhuis.

Artikel 4.72 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.65 tot en met 4.71 van toepassing.

§ 4.2.11 Vluchtroutes: inrichting en capaciteit
Artikel 4.73 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft vluchtroutes met een zodanige inrichting en capaciteit dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.73 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.73

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    inrichting vluchtroute:

    rookdoorgang

    wrd

    inrichting vluchtroute:

    wbdbo

    inrichting vluchtroute:

    permanente vuurlast

    rooksluis

    vrije doorgang

    van een vluchtroute

    vluchtroute door niet

    besloten ruimte

    doorstroomcapaciteit

    doorstroomcapaciteit bij

    opvangcapaciteit

    tijdelijk bouwwerk

       

    artikel

    4.74

    4.75

    4.76

    4.77

    4.78

    4.79

    4.80

    4.81

    4.82

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    1

    Woonfunctie

                                                 
     

    a

    woonwagen

    1

    *

    *

     

    b

    andere woonfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    1

    2

    1

    2

    1

    3

    *

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

                                                 
     

    a voor kinderopvang met bedgebied

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    *

     

    b andere bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                                 
     

    a

    met bedgebied

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    4

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    *

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    2

    1

    1

    *

    1

    1

    2

    3

    4

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                                 
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    *

    1

    2

    *

    2

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    *

    2

Artikel 4.74 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang)
  • 1. De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, is Sa bepaald volgens NEN 6075.

  • 2. De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is S200 bepaald volgens NEN 6075.

  • 3. De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, is Sa bepaald volgens NEN 6075.

  • 4. De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitend besloten trappenhuis waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is S200 bepaald volgens NEN 6075.

  • 5. De weerstand tegen rookdoorgang tussen de twee ruimten, bedoeld in artikel 4.71, eerste lid, is S200 bepaald volgens NEN 6075.

Artikel 4.75 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)

Tussen de verschillende ruimten, bedoeld in artikel 4.71, eerste lid, is een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten.

Artikel 4.76 (inrichting vluchtroute: permanente vuurlast)
  • 1. Per bouwlaag is de permanente vuurlast van een trappenhuis waardoor een beschermde of een extra beschermde vluchtroute voert, met inbegrip van de vanuit dat trappenhuis rechtstreeks bereikbare besloten ruimten, ten hoogste 3.500 MJ. Bij de bepaling van de vuurlast blijft een besloten ruimte buiten beschouwing als de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen die ruimte en het trappenhuis ten minste 30 minuten is, bepaald volgens NEN 6068. Bij de in rekening te brengen vuurlast van de dakconstructie op de bovenste bouwlaag van het trappenhuis waardoor geen veiligheidsvluchtroute voert, wordt een reductie van 50% toegepast. Dit is niet van toepassing op een trappenhuis als bedoeld in artikel 4.69, vierde lid.

  • 2. Per bouwlaag is de permanente vuurlast van een besloten ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert, met inbegrip van de vanuit die ruimte rechtstreeks bereikbare besloten ruimten, ten hoogste 3.500 MJ. Bij de bepaling van de vuurlast blijft een besloten ruimte buiten beschouwing als de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen die ruimte en de ruimte waardoor de veiligheidsvluchtroute voert ten minste 30 minuten is, bepaald volgens NEN 6068.

Artikel 4.77 (rooksluis)
  • 1. Een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 20 m wordt overbrugd, wordt in de vluchtrichting alleen bereikt door een afzonderlijke beschermde vluchtroute met een loopafstand van ten minste 2 m.

  • 2. Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde afzonderlijke vluchtroute.

Artikel 4.78 (vrije doorgang van een vluchtroute)
  • 1. Een vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2,1 m. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute over een trap voert.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een beschermde vluchtroute, voor zover deze niet door een uitgang of over een trap voert, een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m.

  • 3. Als op een trap in totaal meer dan 600 m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied is aangewezen, is de breedte van de trap ten minste 1,2 m.

  • 4. Een vluchtroute die voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 4.52, tweede lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze route voert niet over een trap of via een liftkooi.

Artikel 4.79 (vluchtroute door niet-besloten ruimte)

Een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert, heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook en de toevoer van verse lucht dat die ruimte bij brand kan worden gebruikt om te vluchten en voor het verrichten van reddings- en bluswerkzaamheden.

Artikel 4.80 (doorstroomcapaciteit zonder opvangcapaciteit)
  • 1. De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute, uitgedrukt in personen, is ten minste het aantal personen dat op dat gedeelte is aangewezen. Bij de bepaling van de doorstroomcapaciteit wordt uitgegaan van:

    • a. 45 personen per meter vrije breedte van een trap bij het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en 90 personen per meter vrije breedte bij een hoogteverschil van ten hoogste 1 m, voor zover de aantrede van de trap ten minste 0,17 m bedraagt,

    • b. 90 personen per meter vrije breedte van een ruimte,

    • c. 90 personen per meter vrije breedte van een doorgang als zich in de doorgang een dubbele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden,

    • d. 110 personen per meter vrije breedte van een doorgang als zich in de doorgang een enkele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden, en

    • e. 135 personen per meter vrije breedte van een andere doorgang.

  • 2. De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute is zodanig, dat de op dat gedeelte aangewezen personen veilig kunnen vluchten.

Artikel 4.81 (doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit)
  • 1. Op een gedeelte van een vluchtroute, gelegen buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, kan van artikel 4.80 worden afgeweken als de personen die zijn aangewezen op dat gedeelte en eventueel daarop volgende gedeelten van de vluchtroute het aansluitende terrein kunnen bereiken binnen:

    • a. 30 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is,

    • b. 20 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een extra beschermde vluchtroute is die in de vluchtrichting alleen wordt bereikt door een afzonderlijke ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert met een lengte van ten minste 2 m, of

    • c. 15 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een andere vluchtroute is.

  • 2. De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat het bedreigde subbrandcompartiment waarin een vluchtroute begint binnen 1 minuut na aanvang van het vluchten kan worden verlaten.

  • 3. De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat elke ruimte, maar geen trappenhuis, op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment:

    • a. binnen 3,5 minuten na aanvang van het vluchten kan worden verlaten, of

    • b. binnen 6 minuten als:

      • 1°. de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag of brandoverslag naar deze ruimte vanuit het bedreigde subbrandcompartiment ten minste 30 minuten is, en

      • 2°. de volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang naar deze ruimte vanuit het bedreigde subbrandcompartiment, of vanuit elke ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert die in de vluchtrichting uitkomt in deze ruimte, S200 is.

  • 4. Bij toepassing van het eerste tot en met derde lid gelden de volgende uitgangspunten:

    • a. berekeningen worden uitgevoerd in tijdstappen van 30 seconden,

    • b. bij het begin van het vluchten wordt aangenomen dat alle personen in het subbrandcompartiment zich nabij de uitgangen van dat compartiment bevinden en tegelijkertijd beginnen te vluchten,

    • c. vluchtroutes worden tijdens het vluchten alleen in een richting benut,

    • d. door doorgangen en over trappen voeren de vluchtroutes niet in tegenovergestelde richting,

    • e. bij samenkomende vluchtroutes wordt de beschikbare doorstroom- en opvangcapaciteit op de volgende wijze verdeeld:

      • 1°. bij samenkomst in een trappenhuis wordt 50% van de beschikbare capaciteit toegedeeld aan het bovengelegen deel van het trappenhuis. De resterende 50% wordt verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen op die bouwlaag tot het trappenhuis,

      • 2°. bij samenkomst in een ruimte, maar geen trappenhuis, wordt de capaciteit evenredig verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen tot die ruimte, en

      • 3°. als de beschikbare opvang- en doorstroomcapaciteit van de ruimte vanuit een of meer toegangen van die ruimte of het bovengelegen deel van het trappenhuis niet volledig wordt benut, wordt de restcapaciteit op de onder 1° en 2° beschreven wijze verdeeld over de resterende toegangen en het bovengelegen deel van het trappenhuis,

    • f. het hoogteverschil tussen bouwlagen in het trappenhuis is ten minste 2,1 m en ten hoogste 4 m,

    • g. de daalsnelheid is 30 seconden per bouwlaag voor zover de vluchtroute over een trap of door een trappenhuis voert,

    • h. de opvangcapaciteit van een trap is 0,5 persoon per trede, voor zover de breedte van de trap niet groter is dan 1,1 m,

    • i. de opvangcapaciteit van een trap is 0,9 persoon per trede per m breedte van die trede, voor zover de breedte van de trap groter is dan 1,1 m en de breedte van het tredevlak groter is dan 0,17 m,

    • j. de opvangcapaciteit van een vloer of hellingbaan is ten hoogste vier personen per m2 vrije vloeroppervlakte,

    • k. het gestelde in artikel 4.80, waarbij voor ‘personen’ wordt gelezen: personen per minuut.

    • l. het gestelde in artikel 4.216, derde lid, waarbij voor ‘37 personen’ wordt gelezen: 37 personen per minuut,

    • m. in afwijking van onderdeel l geldt het gestelde in artikel 4.216, derde lid, onverkort als in de ruimte voor de deur tijdens een tijdstap meer dan 37 personen aanwezig zijn,

    • n. brand ontstaat niet op twee of meer plaatsen tegelijk,

    • o. in ieder subbrandcompartiment kan brand ontstaan, en

    • p. de opvang- en doorstroomcapaciteit van vluchtroutes die door het bedreigde subbrandcompartiment voeren blijven buiten beschouwing.

  • 5. Bij toepassing van het vierde lid, onder j, geldt voor een bijeenkomstfunctie een opvangcapaciteit van ten hoogste twee personen per m2 vrije vloeroppervlakte als bij een tijdstap als bedoeld in het vierde lid, onder a, in een ruimte als bedoeld in het derde lid meer dan 200 personen aanwezig zijn en die ruimte niet door alle personen binnen 3,5 minuten kan worden verlaten.

Artikel 4.82 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.80 en 4.81 van toepassing.

§ 4.2.12 Hulpverlening bij brand
Artikel 4.83 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.83 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.83

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    brandweerlift

    loopafstand

    hulppost

    tijdelijk bouwwerk

       

    artikel

    4.84

    4.85

    4.86

    4.87

       

    lid

    1

    2

    1

    2

    *

    *

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    1

    2

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    1

    2

    *

    3

    Celfunctie

    1

    1

    2

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    1

    2

    *

    5

    Industriefunctie

    1

    1

    2

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    1

    2

    *

    7

    Logiesfunctie

    1

    1

    2

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    1

    2

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    1

    2

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    1

    2

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

               
     

    a.

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    *

     

    b.

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.84 (brandweerlift)
  • 1. Vanaf een lifttoegang van een brandweerlift is vanaf een verdieping de lifttoegang op de verdieping daarboven bereikbaar via een extra beschermde vluchtroute.

  • 2. Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde extra beschermde vluchtroute voor zover die voert door een ruimte die rechtstreeks grenst aan de lifttoegang.

Artikel 4.85 (loopafstand)
  • 1. De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een toegang van een trappenhuis is niet groter dan 75 m.

  • 2. De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een lifttoegang van een brandweerlift is niet groter dan 120 m.

Artikel 4.86 (hulppost)

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.

Artikel 4.87 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.84 en 4.85 van toepassing.

§ 4.2.13 Hoge en ondergrondse gebouwen
Artikel 4.88 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven of lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zodanig ingericht dat het bouwwerk brandveilig is.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.89 (inrichting)
  • 1. Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven het meetniveau ligt:

    • a. is zo ingericht dat het bouwwerk een zelfde mate van brandveiligheid heeft als beoogd met de paragrafen 4.2.2, 4.2.6, 4.2.7, 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.11 en 4.2.12, of,

    • b. voldoet aan de SBR Handreiking Brandveiligheid in hoge gebouwen.

  • 2. Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zo ingericht dat het bouwwerk een zelfde mate van brandveiligheid heeft als beoogd met de paragrafen 4.2.2, 4.2.6, 4.2.7, 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.11 en 4.2.12.

§ 4.2.14 Brand- en explosievoorschriftengebieden
Artikel 4.90 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk in een brandvoorschriftengebied of in een explosievoorschriftengebied is zodanig dat de gevolgen voor personen van het aan het voorschriftengebied verbonden risico op brand of explosie worden beperkt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.90 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    tabel 4.90

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    brandwerendheid

    brandklasse gevel en vloeren

    brandklasse dak

    Vluchtroute

    Sterkte bij brand

    scherfwerking

       

    artikel

    4.91

    4.92

    4.93

    4.94

    4.95

    4.96

       

    lid

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    *

    1

    Woonfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    *

    3

    Celfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    *

    5

    Industriefunctie

                           
     

    a.

    lichte industriefunctie

     

    b.

    andere industriefunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    *

    6

    Kantoorfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    *

    7

    Logiesfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    *

    9

    Sportfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    *

    10

    Winkelfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    *

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.91 (brandwerendheid)

Een uitwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment heeft voor zover die constructie in een brandvoorschriftengebied ligt een brandwerendheid van buiten naar binnen van ten minste 60 minuten, bepaald volgens NEN 6069. Bij het bepalen van de brandwerendheid wordt het in het brandvoorschriftengebied gelegen aansluitende terrein aangemerkt als een als brandcompartiment en uitgegaan van de in NEN-EN 13501-2 bedoelde buitenbrandkromme.

Artikel 4.92 (brandklasse gevel en vloeren)
  • 1. Een aan de buitenlucht grenzende zijde van een uitwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment voldoet voor zover die constructie in een brandvoorschriftengebied ligt aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

  • 2. In afwijking van het eerste lid voldoet een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

  • 3. Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen in ieder vlak van de uitwendige scheidingsconstructie met een afmeting van 3 m bij 3 m, waarvoor volgens het eerste lid een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.

Artikel 4.93 (brandklasse dak)
  • 1. Een dak van een brandcompartiment is, voor zover dat dak in een brandvoorschriftengebied ligt, bedekt met constructieonderdelen waarvan de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

  • 2. Op ten hoogste 5% van de oppervlakte van het dak is de eis van het eerste lid niet van toepassing.

Artikel 4.94 (vluchtroute)
  • 1. In een aan de buitenlucht grenzende zijde van een gedeeltelijk in een brandvoorschriftengebied, gelegen bouwwerk is geen in het brandvoorschriftengebied gelegen doorgang waardoor een vluchtroute voert aanwezig.

  • 2. In een aan de buitenlucht grenzende zijde van een volledig in een brandvoorschriftengebied gelegen bouwwerk voert een vluchtroute door een van het hart van het voorschriftengebied afgekeerde doorgang.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een in meer dan één brandvoorschriftengebied gelegen bouwwerk voor elk brandvoorschriften gebied een vluchtroute door een uitgang van het bouwwerk die niet grenst aan een brandvoorschriftengebied of die is afgekeerd van het voorschriftengebied.

Artikel 4.95 (sterkte bij brand)

Voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan dat gelegen is in een brandvoorschriftengebied, zijn de regels van paragraaf 4.2.2 van overeenkomstige toepassing waarbij een in een brandvoorschriftengebied gelegen buitenruimte een brandcompartiment is en wordt uitgegaan van een buitenbrandkromme volgens NEN-EN 13501-2.

Artikel 4.96 (scherfwerking)

In een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing is zodanig dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen.

§ 4.2.15 Aanvullende regels tunnelveiligheid
Artikel 4.97 (aansturingsartikel)
  • 1. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.98 (verkeersveiligheid)
  • 1. Een buiten de bebouwde kom gelegen wegtunnel voor twee rijrichtingen heeft ten minste twee wegtunnelbuizen.

  • 2. Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m heeft een rijbaanvloer met een helling van ten hoogste 1 : 20.

  • 3. Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m heeft, voor een doelmatige doorgang voor wegvoertuigen, een vloer met een breedte van ten minste 7 m en een hoogte boven die breedte van ten minste 4,2 m.

§ 4.2.16 Inbraakwerendheid
Artikel 4.99 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie, anders dan een woonfunctie van een woonwagen, biedt weerstand tegen inbraak.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.100 (reikwijdte)

Deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen in een scheidingsconstructie van een niet-gemeenschappelijke ruimte die volgens NEN 5087 bereikbaar zijn voor inbraak, hebben een volgens NEN 5096 bepaalde inbraakwerendheid die voldoet aan de in die norm bedoelde weerstandsklasse 2.

AFDELING 4.3 GEZONDHEID
§ 4.3.1 Bescherming tegen geluid van buiten
Artikel 4.101 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk biedt in een verblijfsgebied bescherming tegen geluid van buiten.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.101 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.101

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    bescherming tegen geluid van

    buiten

    bescherming tegen weg-,

    spoorweg-, of

    industriegeluid

    geluidwering bij luchtvaartlawaai

    tijdelijk bouwwerk

       

    artikel

    4.102

    4.103

    4.104

    4.105

       

    lid

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    Woonfunctie

                       
     

    a

    woonwagen

    *

     

    b

    andere woonfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

                       
     

    a

    voor kinderopvang

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    *

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    3

    Celfunctie

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    *

    5

    Industriefunctie

    6

    Kantoorfunctie

    7

    Logiesfunctie

    8

    Onderwijsfunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    *

    9

    Sportfunctie

    10

    Winkelfunctie

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.102 (bescherming tegen geluid van buiten)

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van ten minste 20 dB.

Artikel 4.103 (bescherming tegen weg-, spoorweg- of industriegeluid)
  • 1. Bij een krachtens de Wet geluidhinder of de Tracéwet vastgesteld hogere-waardenbesluit is de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner dan het verschil tussen de in dat besluit opgenomen hoogst toelaatbare geluidsbelasting voor weg- spoorweg- of industriegeluid en 33 dB bij weg- of spoorweggeluid of 35 dB(A) bij industriegeluid.

  • 2. Als het toepassen van het reken- en meetvoorschrift, bedoeld in artikel 110d van de Wet geluidhinder, leidt tot een lagere karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie dan bij toepassing van het eerste lid, kan de geluidbelasting worden bepaald volgens dat reken- en meetvoorschrift.

  • 3. Op een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied als bedoeld in het eerste lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste lid van toepassing is, is dat lid van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste en derde lid, van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die maximaal 2 dB of dB(A) lager is dan de in het eerste en derde lid bedoelde karakteristieke geluidwering uitgaande van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.

Artikel 4.104 (geluidwering bij luchtvaartlawaai)
  • 1. Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart vastgestelde Ke-geluidzone bij een militaire luchthaven heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die niet kleiner is dan het in tabel 4.104 genoemde geluidniveau. Als de geluidbelasting ligt tussen de in de eerste kolom opgenomen Ke-waarden, wordt de te bereiken geluidwering bepaald door rechtevenredige interpolatie tussen de in de tweede kolom opgenomen dB-waarden.

    Tabel 4.104 geluidwering bij luchtvaartlawaai

    geluidbelasting in Ke

    vereiste karakteristieke geluidwering in dB

    36–40

    30–33

    41–45

    33–36

    46–50

    36–40

    meer dan 50

    40

  • 2. Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een voor de luchthaven Schiphol op de kaarten in bijlage 3B, nummer 4, van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol aangewezen gebied of een krachtens de Wet luchtvaart vastgestelde 56 dB(A) Lden beperkingengebied of een vastgestelde 35 Ke-geluidzone bij een burgerluchthaven heeft een zodanige volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering dat het karakteristiek geluidniveau in het verblijfsgebied ten hoogste 33 dB is. Daarbij wordt uitgegaan van de krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart bepaalde geluidbelasting op de uitwendige scheidingsconstructie.

  • 3. Op een inwendige scheidingsconstructie van een gebied als bedoeld in het eerste en tweede lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste en tweede lid van toepassing zijn, zijn deze leden van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste tot en met derde lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die maximaal 2 dB of dB(A) lager is dan de karakteristieke geluidwering, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.

Artikel 4.105 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.102 tot en met 4.104 van overeenkomstige toepassing, waarbij bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB of dB(A) lager is dan het in die artikelen bedoelde niveau.

§ 4.3.2 Bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties
Artikel 4.106 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk biedt bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.106 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.106

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    aangrenzend

    bouwwerkperceel

    zelfde bouwwerkperceel

    tijdelijk bouwwerk

    zelfde bouwwerkperceel

       

    artikel

    4.107

    4.108

    4.109

    4.108

       

    lid

    *

    1

    2

    *

    2

    1

    Woonfunctie

    *

    1

    2

    *

    30

    2

    Bijeenkomstfunctie

             
     

    a

    voor kinderopvang

    *

    1

    2

    *

    35

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    *

    1

    *

    3

    Celfunctie

    *

    1

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    *

    1

    *

    5

    Industriefunctie

    *

    1

    *

    6

    Kantoorfunctie

    *

    1

    *

    7

    Logiesfunctie

    *

    1

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    *

    1

    2

    *

    35

    9

    Sportfunctie

    *

    1

    *

    10

    Winkelfunctie

    *

    1

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    *

    1

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

    *

    1

Artikel 4.107 (aangrenzend bouwwerkperceel)

Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een warmwatertoestel, een installatie voor het verhogen van waterdruk of een lift veroorzaakt in een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen verblijfsgebied een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB. Dit is niet van toepassing op een op een aangrenzend perceel gelegen lichte industriefunctie of overige gebruiksfunctie.

Artikel 4.108 (zelfde bouwwerkperceel)
  • 1. Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een warmwatertoestel, een installatie voor verhoging van waterdruk of een lift veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte van een aangrenzende op hetzelfde bouwwerkperceel gelegen woonfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB.

  • 2. Een mechanische voorziening voor luchtverversing, warmteopwekking of warmteterugwinning veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte van de gebruiksfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste het in tabel 4.106 genoemde geluidniveau.

Artikel 4.109 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.107 en 4.108 van overeenkomstige toepassing, waarbij bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in die artikelen bedoelde niveau.

§ 4.3.3 Beperking van galm
Artikel 4.110 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woongebouw heeft in een gemeenschappelijke verkeersruimte een zodanige geluidsabsorptie, dat geluidhinder door galm wordt beperkt.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.111 (geluidsabsorptie)

Een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte voor het ontsluiten van een woonfunctie die grenst aan een niet-gemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie, heeft een volgens NEN-EN 12354-6 bepaalde totale geluidsabsorptie met een getalswaarde, uitgedrukt in m2, die niet kleiner is dan 1/8 van de getalswaarde van de inhoud van die ruimte, uitgedrukt in m3, in elk van de octaafbanden met middenfrequenties van 250, 500, 1.000 en 2.000 Hz.

§ 4.3.4 Geluidwering tussen ruimten
Artikel 4.112 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk biedt bescherming tegen geluidsoverlast tussen gebruiksfuncties en tussen ruimten in een woonfunctie voor zover in het bouwwerk een woonfunctie ligt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.112 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.112

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    ander bouwwerkperceel

    verschillende gebruiksfuncties

    op hetzelfde bouwwerkperceel

    verblijfsruimten van

    dezelfde woonfunctie

    tijdelijk bouwwerk

    ander bouwwerkperceel

    verschillende gebruiksfuncties

    op hetzelfde bouwwerkperceel

       

    artikel

    4.113

    4.114

    4.115

    4.116

    4.113

    4.114

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    1

    2

    3

    *

    3

    4

    3

    4

                                         

    [dB]

    [dB]

    1

    Woonfunctie

                                           
     

    a.

    woonwagen

     

    b.

    in een woongebouw

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    6

    7

    8

    1

    2

    3

    *

    54

    59

    54

    59

     

    c.

    andere woonfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    *

    54

    59

    54

    59

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    *

    59

    64

    59

    64

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    *

    59

    64

    59

    64

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    *

    59

    64

    59

    64

    5

    Industriefunctie

                                           
     

    a.

    lichte industriefunctie

     

    b.

    andere industriefunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    *

    59

    64

    59

    64

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    59

    64

    59

    64

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    59

    64

    59

    64

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    *

    59

    64

    59

    64

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    59

    64

    59

    64

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    59

    64

    59

    64

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    59

    64

    59

    64

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.113 (ander bouwwerkperceel)
  • 1. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet kleiner dan 52 dB.

  • 2. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet kleiner dan 47 dB.

  • 3. Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 genoemde geluidniveau.

  • 4. Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 genoemde geluidniveau.

Artikel 4.114 (verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel)
  • 1. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet kleiner dan 52 dB.

  • 2. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet kleiner dan 47 dB.

  • 3. Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 genoemde geluidniveau.

  • 4. Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 genoemde geluidniveau.

  • 5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een nevengebruiksfunctie van een woonfunctie naar die woonfunctie.

  • 6. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke ruimte naar een aangrenzende gemeenschappelijke ruimte.

  • 7. Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een gemeenschappelijk verkeersruimte of op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte.

  • 8. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een aangrenzende woonfunctie voor bewoners die zijn ingeschreven aan een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of aan een universiteit of hogeschool als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 4.115 (verblijfsruimten van dezelfde woonfunctie)
  • 1. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een verblijfsruimte naar een andere verblijfsruimte van dezelfde woonfunctie is niet kleiner dan 32 dB.

  • 2. Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een verblijfsruimte naar een andere verblijfsruimte van dezelfde woonfunctie is niet groter dan 79 dB.

  • 3. Het eerste en tweede lid gelden niet als de verblijfsruimten met elkaar in open verbinding staan, of als de ene verblijfsruimte vanuit de andere rechtstreeks bereikbaar is door een deuropening.

Artikel 4.116 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.113 tot en met 4.115 van overeenkomstige toepassing, waarbij bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in die artikelen bedoelde niveau.

§ 4.3.5 Wering van vocht
Artikel 4.117 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige scheidingsconstructies dat de vorming van allergenen door vocht in verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.117 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.117

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

       

    wering van vocht van

    buiten

    factor van de

    temperatuur

    Wateropname

    factor van de

    temperatuur

     

    artikel

    4.118

    4.119

    4.120

    4.119

     

    lid

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    0,65

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    0,5

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    0,5

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    0,5

    5

    Industriefunctie

    *

    1

    2

    0,5

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    0,5

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    0,5

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    0,5

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    0,5

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    0,5

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.118 (wering van vocht van buiten)
  • 1. Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

  • 2. Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

  • 3. Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een ander verblijfsgebied, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

  • 4. Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de specifieke luchtvolumestroom naar het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, heeft een volgens NEN 2690 bepaalde, specifieke luchtvolumestroom van ten hoogste 20.10-6m3 /(m2.s).

Artikel 4.119 (factor van de temperatuur)

Een scheidingsconstructie waarvoor een warmteweerstand als bedoeld in artikel 4.152 geldt, heeft aan de zijde die grenst aan een verblijfsgebied een volgens NEN 2778 bepaalde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte, die niet kleiner is dan de in tabel 4.117 genoemde waarde.

Artikel 4.120 (wateropname)
  • 1. Een scheidingsconstructie van een toiletruimte of een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte, tot 1,2 m hoogte boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0,01 kg/(m2.s½) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m2.s½).

  • 2. Een badruimte heeft in aanvulling op het eerste lid ter plaatse van de opstelplaats voor een bad of een douche een in het eerste lid bedoelde beperking aan de wateropname over een lengte van ten minste 3 m, tot een hoogte van 2,1 m boven de vloer van die ruimte.

§ 4.3.6 Luchtverversing
Artikel 4.121 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor luchtverversing dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.121 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.121

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

                         

    capaciteit

         

    luchtverversing

    verblijfsgebied,

    verblijfsruimte,

    toiletruimte en badruimte

    thermisch comfort

    regelbaarheid en

    uitschakelbaarheid

    luchtverversing

    overige ruimten

    plaats van de opening

    luchtkwaliteit

    toevoer van ventilatielucht

    luchtkwaliteit:

    afvoer van binnenlucht

    tijdelijk bouwwerk

    luchtverversing

       

    artikel

    4.122

    4.123

    4.124

    4.125

    4.126

    4.127

    4.128

    4.129

    4.122

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    *

    2

                                                                         

    [dm3/s per persoon]

    1

    Woonfunctie

    1

    3

    4

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    5

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

                                                                     
     

    a

    voor kinderopvang

    2

    3

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    4

    5

    2

    3

    5

    *

    6,5

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    2

    3

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    4

    5

    2

    3

    5

    4

    3

    Celfunctie

    2

    3

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    4

    5

    2

    3

    5

     
       

    1 verblijfsgebied van celeenheid

                                                                   

    12

       

    2 ander verblijfsgebied

                                                                   

    6,5

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    2

    3

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    4

    5

    2

    3

    5

     
       

    1 bedgebied

                                                                   

    12

       

    2 ander verblijfsgebied

                                                                   

    6,5

    5

    Industriefunctie

    2

    3

    5

    4

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    4

    5

    2

    3

    5

    6,5

    6

    Kantoorfunctie

    2

    3

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    4

    5

    2

    3

    5

    6,5

    7

    Logiesfunctie

                                                                     
     

    a.

    in een logiesgebouw

    2

    3

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    4

    5

    2

    3

    5

    12

     

    b.

    andere logiesfunctie

    2

    3

    4

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    4

    5

    2

    3

    5

    12

    8

    Onderwijsfunctie

    2

    3

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    4

    5

    2

    3

    5

    *

    8,5

    9

    Sportfunctie

    2

    3

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    4

    5

    2

    3

    5

    6,5

    #

    Winkelfunctie

    2

    3

    5

    *

    1

    2

    3

    4

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    4

    5

    2

    3

    5

    4

    #

    Overige gebruiksfunctie

                                                                     
     

    a.

    voor het stallen van motorvoertuigen

    5

    2

    3

    4

    5

    3

    4

    5

    2

    3

    5

    6

     

    b.

    andere overige gebruiksfunctie

    5

    2

    3

    4

    4

    5

    2

    3

    5

    #

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                                                     
     

    a.

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    4

    6

    6

    4

     

    b.

    andere tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer

    6

     

    c.

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    2

    4

    4

    5

    2

    3

Artikel 4.122 (luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte)
  • 1. Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste:

    • a. 0,9 dm3/s per m2 vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm3/s bij een verblijfsgebied, en

    • b. 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm3/s bij een verblijfsruimte.

  • 2. Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 4.121 genoemde capaciteit per persoon.

  • 3. Onverminderd het eerste en tweede lid heeft een verblijfsgebied en een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm3/s.

  • 4. Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsgebied heeft een capaciteit die niet kleiner is dan de hoogste waarde die volgens het eerste en tweede lid geldt voor elk afzonderlijk verblijfsgebied. In aanvulling daarop is de capaciteit niet kleiner dan 70% van de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid gelden voor de op die voorziening aangewezen verblijfsgebieden.

  • 5. Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste:

    • a. 7 dm3/s bij een toiletruimte, en

    • b. 14 dm3/s bij een badruimte.

Artikel 4.123 (thermisch comfort)

De toevoer van verse lucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied een volgens NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s.

Artikel 4.124 (regelbaarheid en uitschakelbaarheid)
  • 1. Een voorziening voor natuurlijke toevoer van verse lucht is regelbaar in het gebied van 0% tot 30% van de capaciteit, bedoeld in artikel 4.122, en heeft, bepaald volgens NEN 1087, naast een laagste stand van ten hoogste 10% van die capaciteit en een stand van 100% van die capaciteit, ten minste twee regelstanden in het regelgebied die onderling ten minste 10% in capaciteit verschillen.

  • 2. Een voorziening voor mechanische toevoer van verse lucht heeft een dichtstand, is regelbaar in het gebied van 10% tot 100% van de capaciteit, bedoeld in artikel 4.122, en heeft naast een laagste stand van ten hoogste 10% van die capaciteit en een stand van 100% van die capaciteit, ten minste een regelstand in het regelgebied.

  • 3. Een voorziening voor toevoer van verse lucht als bedoeld in het eerste en tweede lid mag zelfregelend zijn in het regelgebied.

  • 4. Een mechanisch ventilatiessysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.

Artikel 4.125 (luchtverversing overige ruimten)
  • 1. Een gemeenschappelijke verkeersruimte heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,5 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

  • 2. Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm3/s.

  • 3. Een schacht voor een lift heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die liftschacht.

  • 4. Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

  • 5. Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

  • 6. Een tunnel heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de voorziening een mechanische voorziening voor luchtverversing.

Artikel 4.126 (verdunning en plaats van de opening bij de afvoer van binnenlucht)
  • 1. De volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor luchtverversing is ter plaatse van een instroomopening van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 4.122 niet groter dan 0,01. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen afvoervoorzieningen en belemmeringen buiten beschouwing.

  • 2. Een instroomopening en een uitmonding van een voorziening voor luchtverversing liggen op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Dit is niet van toepassing op een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding. Als het bouwwerkperceel, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

  • 3. Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingsruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:

    • a. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw ligt met een hoogste daklijn die meer dan 5 m boven het straatniveau ligt, ten minste 1 m boven de hoogste daklijn van dat gebouw, en

    • b. is de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m/s.

Artikel 4.127 (luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht)
  • 1. De toevoer van de in artikel 4.122 bedoelde hoeveelheid verse lucht naar een verblijfsgebied vindt rechtstreeks van buiten plaats.

  • 2. In afwijking van het eerste lid mag, bij de toevoer van verse lucht naar een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied, ten hoogste 50% van de in artikel 4.122 bedoelde hoeveelheid via een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte van dezelfde gebruiksfunctie worden aangevoerd.

  • 3. De toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte vindt rechtstreeks van buiten plaats.

  • 4. De toevoer van verse lucht naar een schacht voor een lift vindt rechtstreeks van buiten of via de liftmachineruimte van buiten plaats.

  • 5. De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats.

  • 6. De toevoer van verse lucht naar een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt rechtstreeks van buiten plaats.

Artikel 4.128 (luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht)
  • 1. De afvoer van binnenlucht uit een gemeenschappelijke verkeersruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

  • 2. De afvoer van binnenlucht uit een schacht voor een lift vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of via de liftmachineruimte naar buiten.

  • 3. De afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar buiten plaats uit:

    • a. een toiletruimte,

    • b. een badruimte,

    • c. een opslagruimte voor huishoudelijk afval.

  • 4. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten plaats.

  • 5. Ten minste 21 dm3/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsgebied of een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.122, derde lid, bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

  • 6. De afvoer van binnenlucht uit een stallingruimte voor motorvoertuigen vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

Artikel 4.129 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.122 tot en met 4.128 van toepassing.

§ 4.3.7 Spuivoorziening
Artikel 4.130 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.130 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.130

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    capaciteit

    plaats van de opening

    tijdelijk bouwwerk

       

    artikel

    4.131

    4.132

    4.133

       

    lid

    1

    2

    3

    *

    *

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    *

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

             
     

    a

    voor kinderopvang

    1

    2

    3

    *

    *

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    3

    Celfunctie

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    5

    Industriefunctie

    6

    Kantoorfunctie

    7

    Logiesfunctie

    8

    Onderwijsfunctie

             
     

    a

    voor basisonderwijs

    1

    2

    *

    *

     

    b

    andere onderwijsfunctie

    9

    Sportfunctie

    10

    Winkelfunctie

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.131 (capaciteit)
  • 1. Een verblijfsgebied heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 6 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van dat gebied. In een uitwendige scheidingsconstructie van dat gebied zijn beweegbare constructieonderdelen die op die capaciteit zijn afgestemd.

  • 2. Een verblijfsruimte heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte. In een uitwendige scheidingsconstructie van die ruimte zijn beweegbare constructieonderdelen die op die capaciteit zijn afgestemd. Ten minste een van die beweegbare constructieonderdelen is een raam, of een deur die grenst aan een tot de woonfunctie behorende buitenruimte.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de bedoelde capaciteit worden gerealiseerd met een in artikel 4.122 bedoelde voorziening voor luchtverversing.

Artikel 4.132 (plaats van de opening)

Een opening van een spuivoorziening als bedoeld in artikel 4.131, eerste lid, ligt op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

Artikel 4.133 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.131 en 4.132 van toepassing.

§ 4.3.8 Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht
Artikel 4.134 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft zodanige voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, dat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.134 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.134

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    aanwezigheid

    capaciteit:

    afvoer van rookgas

    capaciteit:

    toevoer van verbrandingslucht

    plaats van de uitmonding

    plaats van de instroomopening

    thermisch comfort

    rookdoorlatendheid

    tijdelijk bouwwerk

       

    artikel

    4.135

    4.136

    4.137

    4.138

    4.139

    4.140

    4.141

    4.142

       

    lid

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    *

    *

    *

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    *

    *

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    *

    *

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    *

    *

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    *

    *

    *

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    *

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    *

    *

    *

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    *

    *

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    *

    *

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    *

    *

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    *

    *

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    1

    2

    1

    3

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    2

    3

    *

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.135 (aanwezigheid)
  • 1. Een ruimte met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de afvoer van rookgas en de toevoer van verbrandingslucht. Een kooktoestel met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW, gelegen in een verblijfsruimte, blijft hierbij buiten beschouwing.

  • 2. Een open verbrandingstoestel is niet opgesteld in een toiletruimte of een badruimte.

Artikel 4.136 (capaciteit: afvoer van rookgas)
  • 1. Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde afvoercapaciteit.

  • 2. Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 2757, vanaf een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 4.137 (capaciteit: toevoer van verbrandingslucht)
  • 1. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde toevoercapaciteit.

  • 2. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

  • 3. De volgens NEN 1087 bepaalde richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar het verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 4.138 (plaats van de uitmonding)
  • 1. De volgens NEN 2757 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor rookgas is ter plaatse van een instroomopening van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 4.122 niet groter dan genoemd in tabel 4.138. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen voorzieningen en belemmeringen buiten beschouwing.

    Tabel 4.138 Verdunningsfactoren

    soort afvoer

    verdunningsfactor

    Afvoervoorziening voor rookgas bij gasgestookte toestellen

    0,01

    Afvoervoorziening voor rookgas bij toestellen met andere brandstoffen

    0,0015

    Afvoervoorziening voor luchtverversing

    0,01

  • 2. Een niet boven het dakvlak gelegen uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas ligt:

    • a. ligt op een afstand van ten minste 1 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten langszij aan de uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie, en

    • b. op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie.

  • 3. Een boven het dakvlak gelegen uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas voor een niet-gasgestookt verbrandingstoestel ligt op een afstand van ten minste 1 m van de bouwwerkperceelsgrens.

  • 4. Een uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel voor vaste brandstoffen ligt boven het dakvlak.

  • 5. Als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt bij het bepalen van de in het tweede en derde lid bedoelde afstand uitgegaan van de afstand tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

  • 6. Een uitmonding van een afvoervoerziening voor rookgas, gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, liggen, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructieonderdeel of dat terrein.

Artikel 4.139 (plaats van de instroomopening)
  • 1. Bij toevoer van verbrandingslucht via een verblijfsgebied is de volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor luchtverversing en van een afvoervoorziening voor rookgas, ter plaatse van een in de uitwendige scheidingsconstructie gelegen instroomopening voor verbrandingslucht, niet groter dan genoemd in tabel 4.138. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen afvoervoorzieningen en belemmeringen buiten beschouwing.

  • 2. Een instroomopening van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht ligt op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Dit is niet van toepassing op een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding. Als bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

  • 3. Een instroomopening van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, ligt, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructieonderdeel of dat terrein.

Artikel 4.140 (thermisch comfort)

De toevoer van verbrandingslucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied een volgens NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s.

Artikel 4.141 (rookdoorlatendheid)

Het inwendig oppervlak van een afvoervoorziening voor rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 2757 bepaalde doorlatendheid die niet groter is dan de doorlatendheid, genoemd in tabel 4.141.

Tabel 4.141 Rookdoorlatendheid

soort rookgasafvoer

toegestane doorlatendheid

Een overdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757

0,006 x 10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak, gemeten bij een drukverschil van 200 Pa

Een onderdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757

3 x 10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak, gemeten bij een drukverschil van 40 Pa

Artikel 4.142 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.135 tot en met 4.141 van toepassing.

§ 4.3.9 Bescherming tegen ratten en muizen
Artikel 4.143 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.143 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.143

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    openingen

    rattenscherm

       

    artikel

    4.144

    4.145

       

    lid

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    Woonfunctie

               
     

    a.

    woonwagen

    1

    2

    3

     

    b.

    andere woonfunctie

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    5

    Industriefunctie

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    7

    Logiesfunctie

               
     

    a.

    in een logiesbouw

    1

    2

    3

    1

    2

    3

     

    b.

    andere logiesfunctie

    1

    2

    3

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.144 (openingen)
  • 1. Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit is niet van toepassing op een afsluitbare opening en een uitmonding van:

    • a. een afvoervoorziening voor luchtverversing,

    • b. een afvoervoorziening voor rookgas, en

    • c. een ont- en beluchting van een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is een grotere opening toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor bij of krachtens de Wet natuurbescherming beschermde diersoorten.

  • 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

Artikel 4.145 (rattenscherm)
  • 1. Een gebruiksfunctie heeft ter plaatse van een uitwendige scheidingsconstructie, een scherm tot een vanaf het aansluitende terrein gemeten diepte van ten minste 0,6 m. Het scherm heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

  • 3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een scheidingsconstructie van een technische ruimte, als zich, ter plaatse van de inwendige scheidingsconstructies die de scheiding vormen tussen die ruimte en een andere ruimte van de gebruiksfunctie, een scherm als bedoeld in het eerste lid bevindt.

§ 4.3.10 Daglicht
Artikel 4.146 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.146 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.146

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    daglichtoppervlakte

    daglichtoppervlakte

       

    artikel

    4.147

               

    4.147

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    1

    2

                         

    [%]

    [m2]

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    3

    10

    0,5

    2

    Bijeenkomstfunctie

                       
     

    a

    voor kinderopvang

    1

    2

    3

    4

    5

    5

    0,5

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    4

    6

    3

    0,2

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    4

    7

    5

    0,5

    5

    Industriefunctie

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    4

    2,5

    0,5

    7

    Logiesfunctie

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    4

    8

    5

    0,5

    9

    Sportfunctie

    10

    Winkelfunctie

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.147 (daglichtoppervlakte)
  • 1. Een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte in m2 waarvan de getalswaarde niet kleiner is dan de getalswaarde van het in tabel 4.146 aangegeven deel van de vloeroppervlakte in m2 van dat verblijfsgebied.

  • 2. Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 4.146 genoemde oppervlakte.

  • 3. Bij het bepalen van de equivalente daglichtoppervlakte:

    • a. blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing,

    • b. blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen, buiten beschouwing, waarbij, als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van de weg, het water of het groen, en

    • c. is de in rekening te brengen belemmeringshoek α, bedoeld in NEN 2057 voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 20°.

  • 4. Het eerste en tweede lid gelden niet voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

  • 5. Het eerste en tweede lid gelden niet voor een bedgebied dat niet ook bestemd is voor spelactiviteiten.

  • 6. In afwijking van het eerste lid en tweede lid kan in een celeenheid of andere ruimte voor het insluiten van personen worden volstaan met het waarneembaar zijn van de dag- en nachtcyclus.

  • 7. Het eerste en tweede lid gelden alleen voor een bedgebied.

  • 8. Bij de bepaling van de in het eerste lid bedoelde vloeroppervlakte van een verblijfsgebied blijft een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2 buiten beschouwing. Op een dergelijke verblijfsruimte is het tweede lid niet van toepassing.

AFDELING 4.4 DUURZAAMHEID
§ 4.4.1 Energiezuinigheid
Artikel 4.148 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is energiezuinig.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.148 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.148

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    energieprestatiecoëfficiënt

    afbakening maatwerkregels

    energieprestatie

    bijna energieneutraal

    thermische isolatie, warmteweerstand

    thermische isolatie,

    warmtedoorgangscoëfficiënt

    luchtvolumestroom

    onverwarmde gebruiksfunctie

    tijdelijk bouwwerk

    overgangsrecht: energiezuinigheid

    energieprestatiecoëfficiënt

    thermische isolatie, warmteweerstand

       

    artikel

    4.149

    4.150

    4.151

    4.152

    4.153

    4.154

    4.155

    4.156

    4.157

    4.149

    4.152

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    *

    1

    2

    1, 2 en 3

    1 en 5

    2

    3 en 4

                                                   

    [–]

     

    [m2.K/W]

     

    1

    Woonfunctie

                                                     
     

    a.

    woonwagen

    1

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

    1,3

    2,5

    2,5

    2,5

     

    b.

    andere woonfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

    0,4

    4,5

    6,0

    3,5

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    *

    1

    2

    1,1

    4,5

    6,0

    3,5

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

    1

    4,5

    6,0

    3,5

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                                     
     

    a.

    met bedgebied

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

    1,8

    4,5

    6,0

    3,5

     

    b.

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

    0,8

    4,5

    6,0

    3,5

    5

    Industriefunctie

    *

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    *

    1

    2

    4,5

    6,0

    3,5

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

    0,8

    4,5

    6,0

    3,5

    7

    Logiesfunctie

                                                     
     

    a.

    in een logiesgebouw

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

    1

    4,5

    6,0

    3,5

     

    b.

    andere logiesfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    *

    1

    2

    1,4

    4,5

    6,0

    3,5

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

    0,7

    4,5

    6,0

    3,5

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    *

    1

    2

    0,9

    4,5

    6,0

    3,5

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    2

    *

    *

    1

    2

    1,7

    4,5

    6,0

    3,5

    11

    Overige gebruiksfunctie

     

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

     

Artikel 4.149 (energieprestatiecoëfficiënt)
  • 1. Een gebruiksfunctie heeft een volgens NEN 7120 bepaalde energieprestatiecoëfficiënt van ten hoogste de in tabel 4.148 genoemde waarde. De in de tabel genoemde waarden van de ten hoogste aan te houden energieprestatiecoëfficient worden tenminste om de vijf jaar getoetst, en zo mogelijk aangepast aan de technische ontwikkelingen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een gebouw of een gedeelte daarvan dat op niet meer dan een bouwwerkperceel ligt, met meerdere gebruiksfuncties waarvoor volgens het eerste lid een energieprestatiecoëfficiënt geldt, een totaal volgens NEN 7120 bepaald karakteristiek energiegebruik dat niet hoger is dan het totale volgens NEN 7120 bepaalde toelaatbare energiegebruik. Bij het bepalen van het toelaatbare energiegebruik wordt per gebruiksfunctie uitgegaan van de in tabel 4.148 genoemde waarde.

  • 3. Als bij toepassing van NEN 7120 gebruik wordt gemaakt van NVN 7125 dan is de waarde van de zonder NVN 7125 bepaalde energieprestatiecoëfficiënt ten hoogste 1,33 maal de in tabel 4.148 genoemde waarde.

  • 4. Als bij een gebruiksfunctie gebruik kan worden gemaakt van een energie-infrastructuur op gebiedsniveau als bedoeld in NVN 7125, dan zal bij de bepaling van de energieprestatiecoëfficiënt de technische, functionele en economische haalbaarheid in overweging worden genomen, waarbij rekening wordt gehouden met de bij ministeriële regeling gestelde regels. De resultaten van deze overwegingen worden gedocumenteerd en beschikbaar gehouden voor controle.

Artikel 4.150 (afbakening maatwerkregels energieprestatie)

Met een maatwerkregel kunnen alleen gebieden of categorien gebruiksfuncties worden aangewezen waarin de in artikel 4.149 bedoelde energieprestatiecoefficientwordt aangescherpt.

Artikel 4.151 (bijna energieneutraal)
  • 1. Een gebouw waarvan de overheid eigenaar is en waarin overheidinstanties zijn gevestigd, is bijna energieneutraal.

  • 2. Een gebouw, anders dan een in het eerste lid bedoeld gebouw, is bijna energieneutraal.

Artikel 4.152 (thermische isolatie: warmteweerstand)
  • 1. Een verticale uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148 genoemde waarde.

  • 2. Een horizontale of schuine uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148 genoemde waarde.

  • 3. Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand, heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148 genoemde waarde.

  • 4. Een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en de grond of het water heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148 genoemde waarde.

  • 5. Een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een ruimte die niet wordt verwarmd of die wordt verwarmd voor alleen een ander doel dan het verblijven van personen, heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148 genoemde waarde.

  • 6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op een oppervlakte aan scheidingsconstructies waarvan de getalswaarde niet groter is dan 2% van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie.

Artikel 4.153 (thermische isolatie: warmtedoorgangscoëfficent)
  • 1. Ramen, deuren en kozijnen in een in artikel 4.152 bedoelde scheidingsconstructie hebben een volgens NEN 1068 bepaalde warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 2,2 W/m2.K. De gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt van de ramen, deuren en kozijnen in de in artikel 4.152 bedoelde scheidingsconstructies van een bouwwerk is, bepaald volgens een bij ministeriële regeling gegeven methode, ten hoogste 1,65 W/m2.K.

  • 2. Met ramen, deuren, kozijnen gelijk te stellen constructieonderdelen in een in artikel 4.152 bedoelde scheidingsconstructie hebben een volgens NEN 1068 bepaalde warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 1,65 W/m2.K.

Artikel 4.154 (luchtvolumestroom)
  • 1. De volgens NEN 2686 bepaalde luchtvolumestroom van het totaal aan verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten van een gebruiksfunctie is niet groter dan 0,2 m3/s.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een gebouw of een gedeelte daarvan dat op niet meer dan een bouwwerkperceel ligt, met meerdere gebruiksfuncties waarvoor volgens het eerste lid een eis aan de luchtvolumestroom geldt, een volgens NEN 2686 bepaalde luchtvolumestroom van het totaal aan verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten van de gebruiksfuncties die niet groter is dan 0,2 m3/s.

Artikel 4.155 (onverwarmde gebruiksfunctie)

Op een gebruiksfunctie die niet bestemd is om te worden verwarmd, of als de verwarming alleen is bestemd voor een ander doel dan het verblijven van personen, zijn de artikelen 4.149 tot en met 4.154 niet van toepassing.

Artikel 4.156 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk dat bestemd is om te worden verwarmd is artikel 4.152 van overeenkomstige toepassing, waarbij de warmteweerstand ten minste 1,3 m2•K/W en de warmtedoorgangscoëfficiënt ten hoogste 4,2 W/m2•K is.

Artikel 4.157 (overgangsrecht: energiezuinigheid)
  • 1. Op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, ingediend voor 1 januari 2019, is artikel 4.151, eerste lid, niet van toepassing.

  • 2. Op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, ingediend voor 31 december 2020, is artikel 4.151, tweede lid, niet van toepassing.

§ 4.4.2 Milieuprestatie
Artikel 4.158 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat de belasting van het milieu door de in het bouwwerk toe te passen materialen wordt beperkt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.158 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.158

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    milieuprestatie

    maatwerkregels

    milieuprestatie

       

    artikel

    4.159

    4.160

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    1

    Woonfunctie

               
     

    a.

    woonwagen

     

    b.

    andere woonfunctie

    1

    5

    *

    6

    Kantoorfunctie

    2

    3

    4

    5

    *

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

Artikel 4.159 (milieuprestatie)
  • 1. Een woonfunctie heeft een milieuprestatie van ten hoogste 1, bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.

  • 2. Een kantoorgebouw heeft een milieuprestatie van ten hoogste 1, bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw als de totale gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in het kantoorgebouw of in het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt kleiner is dan 100 m2.

  • 4. Het tweede lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw dat deel uitmaakt van een gebouw met andere gebruiksfuncties dan de kantoorfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven over het in het eerste en tweede lid bepaalde.

Artikel 4.160 (afbakening maatwerkregels milieuprestatie)

Met een maatwerkregel kunnen alleen gebieden worden aangewezen waarin de volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken bepaalde milieuprestatie, bedoeld in artikel 4.159, voor een woonfunctie of kantoorgebouw wordt aangescherpt.

AFDELING 4.5 BRUIKBAARHEID
§ 4.5.1 Algemeen
Artikel 4.161 (afbakening maatwerkregels bruikbaarheid)

Met een maatwerkregel kunnen alleen gebieden of categoriën woonfuncties worden aangewezen waarbij kan worden afgeweken van een regel in deze afdeling, waarbij afwijken alleen versoepelen kan inhouden.

§ 4.5.2 Verblijfsgebied en verblijfsruimte
Artikel 4.162 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie heeft een verblijfsgebied dat bruikbaar is voor de woonfunctie kenmerkende activiteiten.

  • 2. Als voor een woonfunctie in tabel 4.162 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.162

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    aanwezigheid

    afmetingen verblijfsgebied en

    verblijfsruimte

    aanwezigheid

    afmetingen verblijfsgebied en

    verblijfsruimte

       

    artikel

    4.163

    4.164

    4.163

    4.164

       

    lid

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    4

                     

    [m2]

    [m]

    1

    Woonfunctie

                   
     

    a

    woonwagen

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    18

    2,2

     

    b

    voor studenten

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    15

    2,6

     

    c

    andere woonfunctie

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    18

    2,6

Artikel 4.163 (aanwezigheid)
  • 1. Een woonfunctie heeft ten minste de in tabel 4.162 aangegeven vloeroppervlakte aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied.

  • 2. Ten minste 55% van de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie is verblijfsgebied.

Artikel 4.164 (afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte)
  • 1. Een verblijfsgebied heeft een vloeroppervlakte van ten minste 5 m2.

  • 2. Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben een breedte van ten minste 1,8 m.

  • 3. In ten minste een verblijfsgebied ligt een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 11 m2 bij een breedte van ten minste 3 m.

  • 4. Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben ten minste de in tabel 4.162 aangegeven hoogte boven de vloer.

§ 4.5.3 Toiletruimte
Artikel 4.165 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie heeft voldoende toiletruimte.

  • 2. Als voor een woonfunctie in tabel 4.165 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.165

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

     

    aanwezigheid

    afmetingen

    afmetingen

    artikel

    4.166

    4.167

    4.167

    lid

    1

    2

    3

    1

    2

    2

    1

    Woonfunctie

             

    [m]

     

    a

    woonwagen

    1

    2

    3

    1

    2

    2,1

     

    b

    andere woonfunctie

    1

    2

    3

    1

    2

    2,3

Artikel 4.166 (aanwezigheid)
  • 1. Een woonfunctie heeft een toiletruimte.

  • 2. Op een toiletruimte zijn niet meer dan vijf woonfuncties aangewezen.

  • 3. Op een toiletruimte zijn uitsluitend woonfuncties of een nevengebruiksfunctie daarvan aangewezen.

Artikel 4.167 (afmetingen)
  • 1. Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.166 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,9 m x 1,2 m.

  • 2. Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid heeft boven die vloer ten minste de in tabel 4.165 aangegeven hoogte.

§ 4.5.4 Badruimte
Artikel 4.168 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie heeft voldoende badruimte.

  • 2. Als voor een woonfunctie in tabel 4.168 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid gestelde eis voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.168

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    aanwezigheid

    afmetingen

    afmetingen

       

    artikel

    4.169

    4.170

    4.170

       

    lid

    *

    1

    2

    3

    3

    1

    Woonfunctie

           

    [m]

     

    a

    woonwagen

    *

    1

    2

    3

    2,1

     

    b

    andere woonfunctie

    *

    1

    2

    3

    2,3

Artikel 4.169 (aanwezigheid)

Een woonfunctie heeft een badruimte.

Artikel 4.170 (afmetingen)
  • 1. Een badruimte als bedoeld in artikel 4.169 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,6 m2 en een breedte van ten minste 0,8 m.

  • 2. Een badruimte als bedoeld in artikel 4.169 die is samengevoegd met een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.166 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 2,2 m2 en een breedte van ten minste 0,9 m.

  • 3. Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste en tweede lid heeft boven die vloer ten minste de in tabel 4.168 aangegeven hoogte.

§ 4.5.5 Buitenberging
Artikel 4.171 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie, anders dan een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden, heeft een afsluitbare bergruimte om fietsen of scootmobielen beschermd tegen weer en wind te kunnen opbergen.

  • 2. Als voor een woonfunctie in tabel 4.171 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels

    Tabel 4.171

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    aanwezigheid,

    bereikbaarheid en

    afmetingen

    regenwerend

       

    artikel

    4.172

    4.173

       

    lid

    1

    2

    3

    *

    1

    Woonfunctie

           
     

    a

    voor zorg

     

    b

    voor studenten

     

    b

    andere woonfunctie

    1

    2

    3

    *

Artikel 4.172 (aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen)
  • 1. Een woonfunctie heeft als nevengebruiksfunctie een niet-gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 bij een breedte van ten minste 1,8 m en een hoogte daarboven van ten minste 2,3 m.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 de bergruimte gemeenschappelijk zijn als de vloeroppervlakte van de bergruimte ten minste 1,5 m2 per woonfunctie bedraagt.

  • 3. Een bergruimte als bedoeld in dit artikel is vanaf de openbare weg rechtstreeks bereikbaar via het aansluitende terrein of een gemeenschappelijke verkeersruimte.

Artikel 4.173 (regenwerend)

De uitwendige scheidingsconstructie van een bergruimte als bedoeld in artikel 4.172 is, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend.

§ 4.5.6 Buitenruimte
Artikel 4.174 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie, anders dan een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden, heeft een rechtstreeks bereikbare buitenruimte.

  • 2. Als voor een woonfunctie in tabel 4.174 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.174

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    aanwezigheid,

    afmetingen en

    bereikbaarheid

       

    artikel

    4.175

       

    lid

    1

    2

    1

    Woonfunctie

       
     

    a

    voor zorg

     

    b

    voor studenten

     

    c

    andere woonfunctie

    1

    2

Artikel 4.175 (aanwezigheid, afmetingen en bereikbaarheid)
  • 1. Een woonfunctie heeft een niet-gemeenschappelijke buitenruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 4 m2 en een breedte van ten minste 1,5 m, die rechtstreeks bereikbaar is vanuit een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van die woonfunctie.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 de buitenruimte gemeenschappelijk zijn als de vloeroppervlakte aan buitenruimte ten minste 1 m2 per op die buitenruimte aangewezen woonfunctie bedraagt, met een minimum van 4 m2 en een breedte van ten minste 1,3 m. De buitenruimte is rechtstreeks vanuit de woning bereikbaar of via gemeenschappelijke ruimten.

§ 4.5.7 Opstelplaatsen
Artikel 4.176 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie heeft opstelplaatsen voor een aanrecht, een kooktoestel, een verwarmingstoestel en een warmwatertoestel.

  • 2. Als voor een woonfunctie in tabel 4.176 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid gestelde eis voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.176

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    aanwezigheid

    afmetingen

       

    artikel

    4.177

    4.178

       

    lid

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    Woonfunctie

             
     

    a

    voor zorg

    2

    3

     

    b

    andere woonfunctie

    1

    2

    3

    1

    2

Artikel 4.177 (aanwezigheid)
  • 1. Een woonfunctie heeft in ten minste een verblijfsgebied een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel.

  • 2. Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een verwarmingstoestel, waarvan de afmetingen zijn afgestemd op het te plaatsen toestel. Dit geldt niet als de gebruiksfunctie wordt aangesloten op een publieke voorziening voor verwarming.

  • 3. Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een warmwatertoestel, waarvan de afmetingen zijn afgestemd op het te plaatsen toestel. Dit geldt niet als de gebruiksfunctie wordt aangesloten op een publieke voorziening voor warm water.

Artikel 4.178 (afmetingen)
  • 1. Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 4.177, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 0,6 m.

  • 2. Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.177, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,6 m x 0,6 m.

AFDELING 4.6 TOEGANKELIJKHEID
§ 4.6.1 Bereikbaarheid, algemeen
Artikel 4.179 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft ruimten die voldoende bereikbaar zijn.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.179 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.179

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    vrije doorgang: doorgang

    vrije doorgang: verkeersroute

    overbrugging van

    hoogteverschillen

    vrije doorgang: doorgang

    vrije doorgang: verkeersroute

       

    artikel

    4.180

    4.181

    4.182

    4.180

    4.181

       

    lid

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    1 en 2

    1

    1

    Woonfunctie

                         

    [m]

    [m]

     

    a.

    woonwagen

    1

    2

    1

    2,1

    2,1

     

    b.

    andere woonfunctie

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    2,3

    2,3

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    1

    2,1

    2,1

    3

    Celfunctie

    1

    2

    1

    2,1

    2,1

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    1

    2,1

    2,1

    5

    Industriefunctie

                             
     

    a.

    lichte industriefunctie

     

    b.

    andere industriefunctie

    1

    2

    1

    2,1

    2,1

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    1

    2,1

    2,1

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    1

    2,1

    2,1

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    1

    2,1

    2,1

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    1

    2,1

    2,1

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    1

    2,1

    2,1

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.180 (vrije doorgang: doorgang)
  • 1. Een doorgang heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en ten minste de in tabel 4.179 aangegeven vrije hoogte. Dit geldt voor een doorgang naar:

    • a. een verblijfsgebied,

    • b. een verblijfsruimte,

    • c. een toiletruimte als bedoeld in de artikelen 4.166 en 4.186,

    • d. een badruimte als bedoeld in de artikelen 4.169 en 4.186,

    • e. een bergruimte als bedoeld in artikel 4.171,

    • f. een buitenruimte als bedoeld in artikel 4.174, en

    • g. een ruimte voor het bereiken van een lift als bedoeld in artikel 4.189.

    Dit geldt ook voor een doorgang op een route vanaf het aansluitende terrein naar een in dit lid bedoelde ruimte.

  • 2. Een lifttoegang heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een tussen de onderdelen van de bouwconstructie gemeten hoogte van ten minste de in tabel 4.179 aangegeven vrije hoogte.

Artikel 4.181 (vrije doorgang: verkeersroute)
  • 1. Een verkeersroute die begint bij een doorgang als bedoeld in artikel 4.180 loopt door een ruimte met een vrije breedte van ten minste 0,85 m en ten minste de in tabel 4.179 aangegeven vrije hoogte. Dit geldt niet voor zover de verkeersroute over een trap voert.

  • 2. Als de in het eerste lid bedoelde ruimte een gemeenschappelijke verkeersruimte is, is de vrije breedte ten minste 1,2 m. Dit geldt niet voor zover de verkeersroute over een trap voert.

  • 3. Een toegang van een woongebouw als bedoeld in artikel 173, tweede lid, ontsluit een gemeenschappelijke verkeersruimte die bij die toegang over een lengte van ten minste 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m.

  • 4. Aan een doorgang van een liftschacht grenst een ruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 1,5 m.

  • 5. In aanvulling op het tweede lid heeft een gemeenschappelijke verkeersruimte over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,5 m. Dit geldt niet als een rolstoelgebruiker vanuit die verkeersruimte zonder te keren het aansluitende terrein kan bereiken.

Artikel 4.182 (overbrugging van hoogteverschillen)
  • 1. Op ten minste een route tussen de vloer ter plaatse van de toegang van een woongebouw zonder een toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.

  • 2. Bij ten minste een toegang van een woonfunctie is een hoogteverschil op de route tussen een niet-gemeenschappelijke vloer en de aangrenzende vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein of de gemeenschappelijke verkeersruimte is niet groter dan 1 m.

  • 3. Op ten minste een route tussen ten minste een uitgang van een woonfunctie en een gemeenschappelijke buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175, tweede lid, is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een lift of een hellingbaan.

  • 4. Een woongebouw waarin de vloer ter plaatse van de toegang van een woonfunctie hoger ligt dan 3 m boven het meetniveau, heeft op elke bouwlaag een opstelplaats voor een lift, met een liftkooi met een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

§ 4.6.2 Toegankelijkheidssector
Artikel 4.183 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft ruimten die voldoende toegankelijk zijn voor personen met een functiebeperking.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.179 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.183

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    toegankelijkheidssector:

    aanwezigheid

    toegankelijkheidssector:

    vloeroppervlakte algemeen

    toegankelijkheidssector:

    aanwezigheid specifieke ruimten

    toegankelijkheidssector:

    vloeroppervlakte specifieke

    ruimten

    toegankelijkheidssector:

    bereikbaarheid

    toegankelijkheidssector:

    hoogteverschillen

    lift: afmetingen en loopafstand

    toegankelijkheidssector:

    aanwezigheid

    toegankelijkheidssector:

    vloeroppervlakte algemeen

    toegankelijkheidssector:

    aanwezigheid specifieke ruimten

       

    artikel

    4.184

    4.185

    4.186

    4.187

    4.188

    4.189

    4.190

    4.184

    4.185

    4.186

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    1

    2

    3

    3

    1

    4

    1

    Woonfunctie

                                                     

    [m2]

    [%]

    [n]

     

    a.

    woonwagen

     

    b.

    voor zorg met een g.o. > 500 m2

    1

    2

    1

    3

    6

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    1

    2

    3

     

    c.

    andere woonfunctie

    1

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    1

    2

    3

    2

    Bijeenkomstfunctie

                                                           
     

    a.

    voor alcoholgebruik

    3

    4

    1

    3

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    250

    80

     

    b.

    voor het aanschouwen van sport, voor film, voor muziek of voor theater.

    3

    4

    1

    3

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    250

    40

     

    c.

    andere bijeenkomstfunctie

    3

    1

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    250

    80

    3

    Celfunctie

    3

    1

    3

    4

    6

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    *

    1

    400

    40

    300

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                                           
     

    a.

    met bedgebied

    3

    1

    3

    4

    5

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    *

    1

    250

    80

    300

     

    b.

    andere gezondheidszorgfunctie

    3

    1

    3

    4

    5

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    250

    80

    300

    5

    Industriefunctie

                                                           
     

    a.

    lichte industriefunctie

     

    b.

    andere industriefunctie

    3

    1

    3

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    400

    40

    6

    Kantoorfunctie

    3

    1

    3

    4

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    400

    40

    300

    7

    Logiesfunctie

                                                           
     

    a.

    in een logiesgebouw

    3

    1

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    *

    1

    250

     

    b.

    andere logiesfunctie

    3

    1

    3

    6

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    *

    1

    400

    40

    8

    Onderwijsfunctie

    3

    1

    3

    4

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    400

    100

    1.050

    9

    Sportfunctie

    3

    1

    3

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    400

    40

    10

    Winkelfunctie

    3

    1

    3

    2

    1

    2

    3

    *

    1

    250

    60

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.184 (toegankelijkheidssector: aanwezigheid)
  • 1. Een woongebouw heeft een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector als:

    • a. de vloer van een verblijfsgebied in het woongebouw hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau, of

    • b. het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3.500 m2 die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau.

  • 2. Een woonfunctie voor zorg met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 heeft een toegankelijkheidssector.

  • 3. Een gebruiksfunctie heeft een toegankelijkheidssector als de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie, samen met de gebruiksoppervlakte van andere in hetzelfde gebouw gelegen gebruiksfuncties waarvoor deze regel geldt, groter is dan de in tabel 4.179 genoemde oppervlakte.

  • 4. Een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m2 heeft een toegankelijkheidssector.

Artikel 4.185 (toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte algemeen)
  • 1. In een gebouw met een toegankelijkheidssector ligt ten minste het in tabel 4.179 genoemde percentage van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van de gebruiksfunctie in een toegankelijkheidssector.

  • 2. Voor zover de in het eerste lid bedoelde gebruiksfunctie een nevengebruiksfunctie van een kantoor- of industriefunctie is, ligt, in afwijking van het eerste lid, ten minste 40% van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van die gebruiksfunctie in een toegankelijkheidssector.

Artikel 4.186 (toegankelijkheidssector: aanwezigheid specifieke ruimten)
  • 1. In een toegankelijkheidssector ligt een verblijfsgebied.

  • 2. In een logiesgebouw met een toegankelijkheidssector ligt ten minste 5% van de logiesverblijven, op een geheel getal naar boven afgerond, in een toegankelijkheidssector.

  • 3. In een toegankelijkheidssector ligt een integraal toegankelijke toiletruimte.

  • 4. Op een in het derde lid bedoelde toiletruimte zijn niet meer personen aangewezen dan het in tabel 4.179 genoemde aantal.

  • 5. Een gezondheidszorgfunctie met een bedgebied met toegankelijkheidssector heeft ten minste een integraal toegankelijke badruimte per 500 m2 vloeroppervlakte aan bedgebied, op een geheel getal naar boven afgerond.

  • 6. Een gebruiksfunctie met een toegankelijkheidssector heeft een aantal integraal toegankelijke badruimten van ten minste de getalswaarde van het aantal aanwezige badruimten gedeeld door 20, op een geheel getal naar boven afgerond.

Artikel 4.187 (toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte specifieke ruimten)
  • 1. In een in 4.186, eerste lid, bedoeld verblijfsgebied is ten minste een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 14 m2 bij een breedte van ten minste 3,2 m.

  • 2. Een integraal toegankelijke toiletruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,65 m x 2,2 m.

  • 3. Een integraal toegankelijke badruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,6 m x 1,8 m.

  • 4. Een integraal toegankelijke badruimte die is samengevoegd met een toiletruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 2,2 m x 2,2 m.

Artikel 4.188 (toegankelijkheidssector: bereikbaarheid)
  • 1. Een ruimte die in een toegankelijkheidssector ligt, is rechtstreeks bereikbaar vanaf het aansluitende terrein of langs een verkeersroute die alleen door een toegankelijkheidssector voert.

  • 2. Ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector die rechtstreeks bereikbaar is vanaf het aansluitend terrein is de hoofdtoegang van het gebouw.

  • 3. Een verkeersroute in een toegankelijkheidssector loopt door een ruimte met een vrije breedte van ten minste 1,2 m en een vrije hoogte van ten minste 2,1 m.

  • 4. Een verkeersroute als bedoeld in het eerste lid voert niet door een niet-gemeenschappelijke ruimte van een andere gebruiksfunctie.

  • 5. De toegang van een woonfunctie gelegen in een woongebouw met een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.184, eerste lid, grenst aan een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector.

Artikel 4.189 (toegankelijkheidssector: hoogteverschillen)

Op ten minste een route tussen een punt in een toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een lift of een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen de op die route gelegen toegang van de toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.

Artikel 4.190 (lift: afmetingen en loopafstand)
  • 1. De kooi van een lift als bedoeld in artikel 4.189, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 1,35 m.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft de kooi van een lift in een woongebouw met meer dan 6 woonfuncties een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

  • 3. De loopafstand tussen de toegang van een woonfunctie en de toegang van ten minste een lift als bedoeld in artikel 4.189, eerste lid, is ten hoogste 90 m. Als het tweede lid van toepassing is, wordt de loopafstand bepaald tussen de toegang van de woonfunctie en de toegang van ten minste een in het tweede lid bedoelde lift.

§ 4.6.3 Bereikbaarheid van een bouwwerk met een toegankelijkheidssector
Artikel 4.191 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk met een toegankelijkheidssector is vanaf de openbare weg voldoende toegankelijk voor personen met een functiebeperking.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.192 (bereikbaarheid van een gebouw)
  • 1. De hoofdtoegang van een gebouw met een toegankelijkheidssector grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een pad voert met:

    • a. een breedte van ten minste 1,1 m, en

    • b. bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 4.2.4.

  • 2. Een doorgang waardoor een in het eerste lid bedoelde route voert, heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een vrije hoogte van ten minste 2 m.

AFDELING 4.7 BOUWWERKINSTALLATIES
§ 4.7.1 Verlichting
Artikel 4.193 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.193 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.193

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    verlichting

    noodverlichting

    aansluiting op voorziening

    voor elektriciteit

    verduisterde ruimte

       

    artikel

    4.194

    4.195

    4.196

    4.197

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    *

    1

    Woonfunctie

    4

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    3

    Celfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    5

    Industriefunctie

                             
     

    a.

    lichte industriefunctie

    4

    *

     

    b.

    andere industriefunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    7

    Logiesfunctie

                             
     

    a.

    in een logiesgebouw

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

     

    b.

    andere logiesfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    #

    Winkelfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    #

    Overige gebruiksfunctie

                             
     

    a.

    voor het personenvervoer

    2

    3

    4

    2

    3

    5

    *

    *

     

    b.

    voor het stallen van motorvoertuigen

    2

    4

    2

    3

    5

    *

    *

     

    c.

    andere overige gebruiksfunctie

    4

    *

    *

    #

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                             
     

    a.

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    4

    5

    6

    3

    4

    5

    *

     

    b.

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    4

    3

    5

    *

    *

Artikel 4.194 (verlichting)
  • 1. Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 2. Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 3. Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 4. Een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaangemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 5. Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux en een voorziening die een uit oogpunt van verkeersveiligheid voldoende geleidelijke overgang van daglicht naar kunstlicht waarborgt.

  • 6. Een wegtunnelbuis heeft een voorziening die een uit oogpunt van verkeersveiligheid voldoende geleidelijke overgang van daglicht naar kunstlicht waarborgt.

Artikel 4.195 (noodverlichting)
  • 1. Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.

  • 2. Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 4.194, tweede lid, heeft noodverlichting.

  • 3. Een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft noodverlichting.

  • 4. Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting.

  • 5. Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op de vloer en het tredevlak gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.

Artikel 4.196 (aansluiting op voorziening voor elektriciteit)

Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 4.194 en 4.195 is aangesloten op een in artikel 4.199 bedoelde voorziening voor elektriciteit.

Artikel 4.197 (verduisterde ruimte)

Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.

§ 4.7.2 Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie
Artikel 4.198 (aansturingsartikel)
  • 1. Bij een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie is die voorziening veilig zodat er geen sprake kan zijn van ongevallen zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden of verwonding door explosies.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.199 (voorziening voor elektriciteit)

Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:

  • a. NEN 1010 bij lage spanning, en

  • b. NEN-EN-IEC 61936-1 en NEN-EN 50522, bij hoge spanning.

Artikel 4.200 (voorziening voor gas)
  • 1. Een voorziening voor gas voldoet aan:

    • a. NEN 1078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar, en

    • b. NEN-EN 15001-1 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.

  • 2. Een bouwwerk met een aansluiting op het distributienet voor gas heeft, voor die aansluiting, leidingdoorvoeren en een mantelbuis die voldoen aan NEN 2768.

§ 4.7.3 Watervoorziening
Artikel 4.201 (aansturingsartikel)
  • 1. Bij een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater is die voorziening zodanig dat de gezondheid niet nadelig kan worden beïnvloed als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.202 (drinkwatervoorziening)

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006.

Artikel 4.203 (warmwatervoorziening)

Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006.

§ 4.7.4 Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater
Artikel 4.204 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.204 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.204

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    afvoer van huishoudelijk

    afvalwater

    afvoer van hemelwater

       

    artikel

    4.205

    4.206

       

    lid

    1

    2

    1

    2

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    1

    2

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    1

    2

    3

    Celfunctie

    1

    2

    1

    2

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    1

    2

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    1

    2

    7

    Logiesfunctie

           
     

    a.

    in een logiesgebouw

    1

    2

    1

    2

     

    b.

    andere logiesfunctie

    1

    2

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    1

    2

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    1

    2

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    1

    2

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

Artikel 4.205 (afvoer van huishoudelijk afvalwater)
  • 1. Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor die opstelplaats een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.

  • 2. Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater als bedoeld in het eerste lid heeft een capaciteit, een lucht- en waterdichtheid en een uitmonding en capaciteit van de ontspanningsleiding die voldoen aan NEN 3215.

Artikel 4.206 (afvoer van hemelwater)
  • 1. Een dak van een bouwwerk heeft een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater met een volgens NEN 3215 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens die norm bepaalde belasting van die voorziening.

  • 2. Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.

§ 4.7.5 Tijdig vaststellen van brand
Artikel 4.207 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.207 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.207

    Gebruiksfunctie

    Leden van toepassing

         

    brandmeldinstallatie

    melding en doormelding

    inspectiecertificaat

    brandmeldinstallatie

    rookmelders

       

    Artikel

    4.208

    4.209

    4.210

    4.211

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    *

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    Woonfunctie

                           
     

    a.

    zorgclusterwoning in een woongebouw

    1

    2

    1

    2

    *

    1

     

    b.

    zorgclusterwoning niet in een woongebouw

    1

    2

    1

     

    c.

    groepszorgwoning voor 24-uurs zorg

    1

    2

    1

    2

    *

    1

    2

    4

     

    d.

    groepszorgwoning niet voor 24-uurs zorg

    1

    2

    1

    *

    1

    2

    4

     

    e.

    voor kamergewijze verhuur

    1

    2

    4

     

    f.

    andere woonfunctie

    1

    2

    Bijeenkomstfunctie

                           
     

    a.

    voor het aanschouwen van sport

    3

     

    b.

    voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

    1

    2

    3

    4

    2

    *

    3

    4

     

    c.

    andere bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    2

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    2

    *

    5

    Industriefunctie

                           
     

    a.

    lichte industriefunctie

     

    b.

    andere industriefunctie

    1

    2

    3

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    *

    7

    Logiesfunctie

                           
     

    a.

    in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking

    1

    2

    3

    *

    3

    4

    5

     

    b.

    in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking

    1

    2

    3

    2

    *

    3

    4

     

    c.

    andere logiesfunctie

    3

    4

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

                           
     

    a.

    voor het stallen van motorvoertuigen

    1

    2

    3

    *

     

    b.

    voor het personenvervoer

    1

    2

    3

    *

     

    c.

    andere overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.208 (brandmeldinstallatie)
  • 1. Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals genoemd in bijlage II bij dit besluit, als:

    • a. de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in deze bijlage genoemde waarde,

    • b. de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger ligt dan op de in deze bijlage aangegeven hoogte, of

    • c. deze bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een hoogte als hierboven bedoeld.

  • 2. Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met een zelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie.

  • 3. Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte in niet meer dan een richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert, evenals verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico en een doorgang die aan die buiten die verblijfsruimte gelegen ruimte grenzen, voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, als:

    • a. de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is,

    • b. de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert evenals van de daarop aangewezen verblijfsruimten meer dan 200 m2 is, of

    • c. het aantal op de enkele vluchtroute aangewezen verblijfsruimten meer dan twee is.

  • 4. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing als boven de in bijlage II bij dit besluit bedoelde hoogste vloer niet meer dan 6 opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn.

Artikel 4.209 (melding en doormelding)
  • 1. Een in artikel 4.208 bedoelde brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks:

    • a. naar een zorgcentrale bij zorg op afroep, en

    • b. naar een zusterpost bij 24-uurszorg.

  • 2. Een doormelding als bedoeld in artikel 4.208 vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.

Artikel 4.210 (inspectiecertificaat brandmeldinstallatie)

In de in bijlage II bij dit besluit aangewezen gevallen heeft een in artikel 4.193 voorgeschreven brandmeldinstallatie voor ingebruikname van het bouwwerk een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

Artikel 4.211 (rookmelders)
  • 1. Bij een woonfunctie heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een woonfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.193.

  • 2. Een verblijfsruimte heeft een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte in een wooneenheid als elke wooneenheid in de woonfunctie in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit dat beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment van ten minste 30 minuten.

  • 3. Een verblijfsruimte en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van het gebouw hebben een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.

  • 4. het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.193.

  • 5. In aanvulling op het derde lid is het in de primaire inrichtingseisen bedoelde alarmeringssignaal permanent waarneembaar door de voor de 24-uurs bewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

§ 4.7.6 Vluchten bij brand
Artikel 4.212 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat de gebruikers bij brand tijdig het bouwwerk kunnen ontvluchten of anderszins in veiligheid kunnen worden gebracht.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.212 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.212
     

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    ontruimtingsalarminstallatie

    inspectiecertificaat

    ontruimingsalarminstallatie

    vluchtorueteaanduidingen

    deuren in vluchtroutes,

    draairichting

    deuren in vluchtroutes,

    weerstand bij het openen

    zelfsluitende

    constructieonderdelen

       

    artikel

    4.213

    4.214

    4.215

    4.216

    4.217

    4.218

       

    lid

    1

    2

    3

    *

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    Woonfunctie

                                                   
     

    a.

    voor zorg met een g.o. > 500 m2

    1

    *

    1

    3

    4

    5

    6

    1

    4

     

    b.

    andere woonfunctie voor zorg

    1

    *

    1

    3

    4

    5

    1

    4

     

    c.

    voor kamergewijze verhuur

    1

    1

    3

    4

    5

    1

    4

     

    d.

    andere woonfunctie

    1

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    3

    Celfunctie

    1

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    5

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    5

    Industriefunctie

                                                   
     

    a.

    lichte industriefunctie

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

     

    b.

    andere industriefunctie

    1

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    6

    Kantoorfunctie

    1

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    7

    Logiesfunctie

                                           

     

    a.

    in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking

    1

    3

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

     

    b.

    in een ander logiesgebouw

    1

    2

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

     

    c.

    andere logiesfunctie

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    9

    Sportfunctie

    1

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    10

    Winkelfunctie

    1

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    11

    Overige gebruiksfunctie

                                                   
     

    a.

    voor het stallen van motorvoertuigen

    1

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

     

    b.

    voor het personenvervoer

    1

    *

    1

    3

    4

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

     

    c.

    andere overige gebruiksfunctie

    2

    3

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                                   
     

    a.

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    2

    3

    5

    4

    4

    5

    6

    1

     

    b.

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    2

    3

    2

    4

    5

    6

    1

Artikel 4.213 (ontruimingsalarminstallatie)
  • 1. Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.193 heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.

  • 2. Het ontruimingssignaal van een in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie wordt bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder onmiddellijk en in het gehele gebouw in werking gesteld.

  • 3. In aanvulling op het eerste lid is het in het tweede lid bedoelde alarmeringssignaal permanent waarneembaar door de voor de 24-uurs bewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

Artikel 4.214 (inspectiecertificaat ontruimingsalarminstallatie)

Een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in artikel 4.213, eerste lid, die behoort bij een brandmeldinstallatie waarop artikel 4.210 van toepassing is, heeft een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

Artikel 4.215 (vluchtrouteaanduiding)
  • 1. Een ruimte waardoor een verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen hebben een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 3011.

  • 2. Een wegtunnel heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838. De vluchtrouteaanduiding is niet hoger dan 1,5 m boven de vloer aangebracht en de afstand tussen vluchtrouteaanduidingen is niet meer dan 25 m, gemeten langs de tunnelwand. Bij de vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar aangegeven de loopafstand in twee richtingen tot het einde van de tunnelbuis of, als die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije toegang, bedoeld in artikel 4.68, derde lid.

  • 3. Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste of tweede lid:

    • a. is aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats, en

    • b. voldoet binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende een periode van ten minste 60 minuten, aan de zichtbaarheidseisen die volgen uit het eerste en tweede lid.

  • 4. Op een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste lid gelegen op een vluchtroute vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die geen noodverlichting is als bedoeld in artikel 4.195, zijn bij het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit de in het eerste lid bedoelde zichtbaarheidseisen niet van toepassing.

  • 5. Een deur in een tunnel die toegang geeft tot een beschermde vluchtroute als bedoeld in artikel 4.68, derde lid, is uitgevoerd in de kleur groen, RAL 6024.

Artikel 4.216 (deuren in vluchtroutes: draairichting)
  • 1. Een deur op een gemeenschappelijke vluchtroute die toegang geeft tot een trappenhuis van een woongebouw draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.2. Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in als meer dan 37 personen op die uitgang zijn aangewezen.

  • 3. Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn.

  • 4. Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

Artikel 4.217 (deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen)
  • 1. Een deur op een vluchtroute vanaf de uitgang van een wooneenheid naar de uitgang van de woonfunctie voor kamergewijze verhuur kan worden geopend:

    • a. door een lichte druk tegen de deur, of

    • b. met behulp van een ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 179 of aan NEN-EN 1125.

  • 2. Een deur waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen kan worden geopend door:

    • a. een lichte druk tegen de deur, of

    • b. een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer over de volle breedte van de deur aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125.

  • 3. Een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen, kan tijdens het vluchten met een sleutel worden geopend.

  • 4. Een automatisch werkende deur en een voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole op een vluchtroute mogen het vluchten niet belemmeren.

  • 5. Een deur die toegang geeft tot een overdruktrappenhuis is voorzien van een aanduiding waaruit blijkt dat hard duwen noodzakelijk kan zijn. Dit is niet van toepassing op een schuifdeur.

  • 6. Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011.

Artikel 4.218 (zelfsluitende constructieonderdelen)
  • 1. Een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, is zelfsluitend.

  • 2. Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gemeenschappelijke doorgang.

  • 3. Het tweede lid geldt niet voor een deur die grenst aan een in artikel 4.69, vierde lid, bedoeld trappenhuis.

  • 4. Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gezamenlijke doorgang.

  • 5. Het eerste lid geldt niet voor een deur van een celeenheid.

§ 4.7.7 Bestrijden van brand
Artikel 4.219 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.219 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.219

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    brandslanghaspels

    droge blusleiding

    bluswatervoorziening wegtunnel

    blustoestellen

    tijdelijk bouwwerk

    brandslanghaspels

       

    artikel

    4.220

    4.221

    4.222

    4.223

    4.224

    4.220

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    *

    1

    2

    3

    *

    2

    1

    Woonfunctie

                               

    [m2]

     

    a.

    voor zorg met een g.o. > 500 m2

    1

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

     

    b.

    voor kamergewijze verhuur

    1

    3

    4

    1

    3

    *

     

    c.

    andere woonfunctie

    1

    3

    4

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

                                 
     

    a.

    voor kinderopvang

    1

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

     

    b.

    andere bijeenkomstfunctie

    2

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

    500

    3

    Celfunctie

    1

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                 
     

    a.

    met bedgebied

    1

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

     

    b.

    ander gezondheidszorgfunctie

    2

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

    500

    5

    Industriefunctie

                                 
     

    a.

    lichte industriefunctie

    1

    3

    4

    3

    *

     

    b.

    andere industriefunctie

    2

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

    1.000

    6

    Kantoorfunctie

    2

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

    500

    7

    Logiesfunctie

                                 
     

    a.

    in een logiesgebouw

    1

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

     

    b.

    andere logiesfunctie

    2

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

    500

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

    9

    Sportfunctie

    2

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

    500

    10

    Winkelfunctie

    2

    3

    4

    5

    1

    3

    4

    3

    *

    500

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    3

    4

    3

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                 
     

    a.

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    2

    4

    *

    2

    3

    *

     

    b.

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.220 (brandslanghaspels)
  • 1. Een gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel.

  • 2. Een gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel als de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw groter is dan de waarde vermeld in tabel 4.219.

  • 3. De gecorrigeerde loopafstand tussen een brandslanghaspel als bedoeld in het eerste en tweede lid en elk punt van de vloer van een gebruiksfunctie is niet groter dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 5 m. Dit is niet van toepassing op een niet in een gebruiksgebied gelegen vloer die alleen door niet-besloten ruimten kan worden bereikt.

  • 4. Een brandslanghaspel als bedoeld in het eerste en tweede lid:

    • a. heeft een slang met een lengte van niet meer dan 30 m,

    • b. is aangesloten op een voorziening voor drinkwater als bedoeld in artikel 4.202, die bij het mondstuk een statische druk geeft van niet minder dan 100 kPa en een capaciteit heeft van 1,3 m3/h bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels, en

    • c. ligt niet in een ruimte met een trap waarover een beschermde vluchtroute voert.

  • 5. Een brandslanghaspel als bedoeld in het eerste of tweede lid is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.

Artikel 4.221 (droge blusleiding)
  • 1. Een gebruiksfunctie met een vloer van een verblijfsgebied hoger gelegen dan 20 m boven het meetniveau heeft een droge blusleiding.

  • 2. Een wegtunnelbuis heeft een op een in artikel 4.222 bedoelde bluswatervoorziening aangesloten droge blusleiding met in elke hulppost als bedoeld in artikel 4.86 een brandslangaansluiting die bij brand een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

  • 3. De loopafstand tussen een brandslangaansluiting van een in het eerste lid bedoelde droge blusleiding en een punt in een op die aansluiting aangewezen gebruiksgebied is niet groter dan 60 m.

  • 4. Een droge blusleiding voldoet aan NEN 1594.

Artikel 4.222 (bluswatervoorziening wegtunnel)

Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

Artikel 4.223 (blustoestellen)
  • 1. Een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een draagbaar blustoestel in een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert. Dit is niet van toepassing bij de aanwezigheid van brandslanghaspels als bedoeld in artikel 4.220.

  • 2. Elke hulppost als bedoeld in artikel 4.86 heeft een draagbaar blustoestel.

  • 3. Een blustoestel als bedoeld in het eerste en tweede lid is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.

Artikel 4.224 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.220 en 4.221 van toepassing.

§ 4.7.8 Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten
Artikel 4.225 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig toegankelijk voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.225 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 4.225

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    brandweeringang

    afbakening

    maatwerkvoorschriften

    brandweeringang

    brandweerlift

    mobiele radiocommunicatie

    hulpverleningsdiensten

    afbakening

    maatwerkvoorschriften mobiele

    communicatie

    hulpverleningsdiensten

       

    artikel

    4.226

    4.227

    4.228

    4.229

    4.230

       

    lid

    1

    2

    *

    *

    1

    2

    *

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    *

    *

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    *

    *

    1

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    *

    *

    1

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    *

    *

    1

    *

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    *

    *

    1

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    *

    *

    1

    *

    7

    Logiesfunctie

                 
     

    a.

    in een logiesgebouw

    1

    2

    *

    *

    1

    *

     

    b.

    andere logiesfunctie

    1

    2

    *

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    *

    *

    1

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    *

    *

    1

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    *

    *

    1

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    *

    1

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                 
     

    a.

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    2

    *

    2

    *

     

    b.

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

    *

    1

    *

Artikel 4.226 (brandweeringang)
  • 1. Een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat heeft een brandweeringang.

  • 2. In een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding, wordt een brandweeringang bij een brandmelding automatisch ontsloten of ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Artikel 4.227 (afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang)

Een maatwerkvoorschrift over artikel 4.226 kan alleen inhouden:

  • a. dat een bouwwerk geen brandweeringang hoeft te hebben, als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist, of

  • b. het aanwijzen van een of meer toegangen als brandweeringang, als een bouwwerk meerdere toegangen heeft.

Artikel 4.228 (brandweerlift)

Een gebouw waarvan een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20 m boven het meetniveau heeft een brandweerlift.

Artikel 4.229 (mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten)
  • 1. Een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk waarbij het goed functioneren van hulpverleningsdiensten afhankelijk is van mobiele radiocommunicatie heeft als dat voor die communicatie nodig is een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk.

  • 2. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten die wegtunnel.

Artikel 4.230 (afbakening maatwerkvoorschriften mobiele communicatie hulpverleningsdiensten)

Met een maatwerkvoorschrift over artikel 4.229 kan alleen nadere invulling worden gegeven aan de maatregelen voor binnenhuisdekking.

§ 4.7.9 Aanvullende regels tunnelveiligheid
Artikel 4.231 (aansturingsartikel)
  • 1. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft zodanige voorzieningen dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.232 (uitrusting hulppost)

Een hulppost als bedoeld in artikel 4.86 heeft een noodtelefoon en een wandcontactdoos met een elektrische spanning van 230 volt.

Artikel 4.233 (bedieningscentrale wegtunnel)

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m is aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen en van brand.

Artikel 4.234 (afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen)

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen, in een rijbaanvloer ten minste iedere 20 m gemeten in de lengterichting van de tunnelbuis, een voorziening voor de afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen.

Artikel 4.235 (verkeerstechnische aspecten tunnelbuis)
  • 1. Een op een wegtunnelbuis aansluitende rijbaan heeft een zelfde aantal rijstroken als de rijbaan in de wegtunnelbuis. Een eventuele wijziging van het aantal rijstroken buiten de tunnelbuis vindt op zodanige afstand van de tunnelbuis plaats dat geen onrustige verkeersbewegingen in de tunnelbuis door die wijziging kunnen optreden.

  • 2. In een wegtunnelbuis is geen tweerichtingsverkeer toegestaan.

  • 3. In afwijking van het tweede lid is tweerichtingsverkeer toegestaan indien is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is en het tweerichtingsverkeer met voldoende veiligheidswaarborgen is omgeven.

  • 4. Bij toepassing van het in het derde lid bedoelde tweerichtingsverkeer, is de wegtunnelbuis in ieder geval voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.

Artikel 4.236 (communicatievoorzieningen wegtunnel)
  • 1. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m heeft een voorziening:

    • a. waarmee door luidsprekers mededelingen kunnen worden gedaan aan personen op elke rijbaan en vluchtroute,

    • b. voor heruitzending van radiosignalen in elke wegtunnelbuis, en

    • c. om radio-uitzendingen te kunnen onderbreken om mededelingen te doen.

  • 2. Een mededeling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, wordt ten minste in het Nederlands en het Engels gedaan.

Artikel 4.237 (aansluiting op noodstroomvoorziening)

De voor een evacuatie noodzakelijke voorzieningen, systemen en installaties in een wegtunnel die voor het functioneren zijn aangewezen op een voorziening voor elektriciteit, zijn aangesloten op een voorziening die binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten de werking van die voorzieningen, systemen en installaties zeker stelt.

§ 4.7.10 Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit
Artikel 4.238 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woongebouw heeft zodanige voorzieningen dat veel voorkomende criminaliteit wordt voorkomen.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.239 (voorkomen van veel voorkomende criminaliteit in een woongebouw)
  • 1. Een toegang van een woongebouw heeft een zelfsluitende deur die van buitenaf niet zonder sleutel kan worden geopend.

  • 2. Ten minste een toegang van een woongebouw:

    • a. heeft aan de buitenkant een voorziening waarmee een signaal kan worden gegeven dat in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een op die toegang aangewezen woonfunctie waarneembaar is,

    • b. heeft een spreekinstallatie die vanuit ten minste een niet-gemeenschappelijke ruimte van een op die toegang aangewezen woonfunctie kan worden bediend, en

    • c. kan vanuit ten minste een niet-gemeenschappelijke ruimte van een op die toegang aangewezen woonfunctie worden geopend.

§ 4.7.11 Veilig onderhoud gebouwen
Artikel 4.240 (aansturingsartikel)
  • 1. Een gebouw is zodanig dat onderhoud aan het gebouw veilig kan worden uitgevoerd.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.241 (veiligheidsvoorzieningen voor onderhoud)
  • 1. Als onderhoud niet veilig kan worden uitgevoerd zonder gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen, heeft een gebouw daarvoor voldoende gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen.

  • 2. Bij toepassing van het in het eerste lid bepaalde wordt rekening gehouden met de bij ministeriële regeling gestelde regels.

§ 4.7.12 Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht
Artikel 4.242 (aansturingsartikel)
  • 1. Een onderwijsfunctie voor basisonderwijs heeft een voorziening die inzicht geeft in de kwaliteit van de binnenlucht.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.243 (kooldioxidemeter)

Een verblijfsruimte in een onderwijsfunctie voor basisonderwijs heeft een kooldioxidemeter die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde regels.

HOOFDSTUK 5 VERBOUW EN VERPLAATSING VAN EEN BOUWWERK EN WIJZIGING VAN EEN GEBRUIKSFUNCTIE

AFDELING 5.1 ALGEMEEN
Artikel 5.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwactiviteiten die het verbouwen en het verplaatsen van een bestaand bouwwerk betreffen en op de wijziging van een gebruiksfunctie.

Artikel 5.2 (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a. het waarborgen van de veiligheid,

  • b. het beschermen van de gezondheid, en

  • c. duurzaamheid en bruikbaarheid.

Artikel 5.3 (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door de degene die het bouwwerk verbouwt of verplaatst of de gebruiksfunctie wijzigt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

AFDELING 5.2 ALGEMENE REGELS BIJ HET VERBOUWEN OF VERPLAATSEN VAN EEN BOUWWERK EN BIJ GEBRUIKSFUNCTIEWIJZIGING.
Artikel 5.4 (verbouw)
  • 1. Op het verbouwen van een bouwwerk zijn de regels van hoofdstuk 4 van toepassing, waarbij in plaats van een in die regels bedoelde niveau van eisen wordt uitgegaan van het in artikel 5.5 bedoelde rechtens verkregen niveau tenzij in afdeling 5.3 anders is bepaald.

  • 2. In afwijking van het eerste lid zijn de regels van paragraaf 4.4.2 niet van toepassing.

  • 3. In aanvulling op het eerste lid zijn op het geheel vernieuwen of geheel nieuw aanbrengen van een bouwwerkinstallatie de regels van afdeling 4.7 van toepassing.

  • 4. Als een bouwwerk wordt verbouwd zijn de regels van het eerste tot en met derde lid alleen van toepassing op de vernieuwing, verandering of vergroting, tenzij in afdeling 5.3 anders is aangegeven.

Artikel 5.5 (rechtens verkregen niveau)
  • 1. Het kwaliteitsniveau van een bouwwerk of gedeelte daarvan is na een verbouwing niet lager dan het toegestane kwaliteitsniveau onmiddellijk voorafgaand aan die verbouwing.

  • 2. Voor zover het in het eerste lid bedoelde kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing lager is dan het niveau voor bestaande bouw, dan geldt in afwijking van eerste lid het niveau voor bestaande bouw als het ten minste aan te houden kwaliteitsniveau.

  • 3. Voor zover het kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing hoger is dan het niveau voor nieuwbouw, dan geldt in afwijking van eerste lid het niveau voor nieuwbouw als ten minste aan te houden kwaliteitsniveau.

Artikel 5.6 (verplaatsing)
  • 1. Op een bestaand bouwwerk dat in ongewijzigde samenstelling wordt verplaatst zijn bij verplaatsing de regels van hoofdstuk 3 van toepassing. De voorwaarde van ongewijzigde samenstelling is niet van toepassing op de fundering van het bouwwerk.

  • 2. Op een tijdelijk bouwwerk is het eerste lid alleen van toepassing als het bouwwerk na verplaatsing een tijdelijk bouwwerk is.

Artikel 5.7 (wijziging van een gebruiksfunctie)
  • 1. Bij wijziging van de gebruiksfunctie van een bouwwerk of een onderdeel daarvan zijn de regels van hoofdstuk 3 van toepassing, tenzij in afdeling 5.4 anders is aangegeven.

  • 2. Het eerste lid is alleen van toepassing op het gedeelte van het bouwwerk waarop de wijziging betrekking heeft, tenzij in afdeling 5.4 anders is aangegeven.

  • 3. Voor zover een wijziging gepaard gaat met een verbouwing zijn in afwijking van het eerste lid op die verbouwing de regels van artikel 5.4 van toepassing, tenzij in afdeling 5.4 anders is aangegeven.

AFDELING 5.3 VERBOUW
Artikel 5.8 (aansturingsartikel)

De regels in deze afdeling zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 5.8 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.

Tabel 5.8

gebruiksfunctie

leden van toepassing

     

constructieve veiligheid

constructieve veiligheid bij brand

beperken van het ontstaan van

een brandgevaarlijke situatie

beperking van het ontwikkelen

van brand en rook

beperking van uitbreiding

van brand

bescherming tegen geluid

van gebouwinstallaties

luchtverversing

afvoer van rookgas en toevoer

van verbrandingslucht

verblijfsgebied en verblijfsruimte

toiletruimte

badruimte

energiezuinigheid

technische bouwsystemen

   

artikel

5.9

5.10

5.11

5.12

5.13

5.14

5.15

5.16

5.17

5.18

5.19

5.20

5.21

   

lid

1

2

*

*

1

2

*

*

1

2

1

2

3

*

*

*

1

2

3

4

5

1

2

1

Woonfunctie

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

*

*

*

1

2

3

4

5

1

2

2

Bijeenkomstfunctie

                                             
 

a

voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

 

b

andere kinderopvang

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

 

c

andere bijeenkomstfunctie

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

3

Celfunctie

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

5

Industriefunctie

                                             
 

a.

lichte industriefunctie voor het houden van dieren

1

2

*

*

1

2

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

 

b.

andere industriefunctie

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

6

Kantoorfunctie

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

7

Logiesfunctie

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

8

Onderwijsfunctie

                                             
 

a

basisonderwijs

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

 

b

andere onderwijsfunctie

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

9

Sportfunctie

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

10

Winkelfunctie

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

4

5

1

2

11

Overige gebruiksfunctie

                                             
 

a.

voor het personenvervoer

1

2

*

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

 

b.

andere overige gebruiksfunctie

1

2

*

1

*

*

1

2

1

2

3

1

2

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                             
 

a.

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

2

*

*

1

*

1

2

 

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

2

*

*

1

1

2

Artikel 5.9 (constructieve veiligheid)
  • 1. Op het verbouwen van een bouwwerk zijn de artikelen 4.11 tot en met 4.13 van toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het niveau voor verbouw zoals aangegeven in NEN 8700.

  • 2. Voor zover door een verbouwing de in NEN 8700 bedoelde fundamentele belastingscombinaties op een bestaande bouwconstructie van het bouwwerk toenemen, zijn op die constructie de artikelen 4.11 en 4.13 van toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het niveau voor verbouw zoals aangegeven in NEN 8700.

Artikel 5.10 (constructieve veiligheid bij brand)

Op het verbouwen van een bouwwerk zijn de artikelen 4.17 en 4.18 van toepassing,

waarbij in plaats van het in artikel 4.17 aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en waarbij, in afwijking van artikel 4.17, eerste lid, wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand.

Artikel 5.11 (beperken van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie)

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt het in de artikelen 4.38 tot en met 4.40 aangegeven prestatieniveau.

Artikel 5.12 (beperking van het ontwikkelen van brand en rook)
  • 1. Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt, in aanvulling op artikel 5.4, het in artikel 4.44, derde lid, aangegeven prestatieniveau.

  • 2. Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt, in aanvulling op artikel 5.4, het in artikel 4.43, eerste lid, aangegeven prestatieniveau.

Artikel 5.13 (beperking van uitbreiding van brand)

Bij het verbouwen van een bouwwerk wordt, in aanvulling op artikel 5.4, uitgegaan van een in paragraaf 4.2.8 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten of het rechtens verkregen niveau als dat hoger is.

Artikel 5.14 (bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties)

Bij het verbouwen van een bouwwerk zijn de artikelen 4.107 tot en met 4.108 van toepassing waarbij wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in de artikelen 4.107 tot en met 4.108 aangegeven prestatieniveau, of het rechtens verkregen niveau als dat hoger is.

Artikel 5.15 (luchtverversing)
  • 1. Bij het installeren van een voorziening voor luchtverversing gelden, in aanvulling op artikel 5.4, de in de artikelen 4.126 en 4.127 aangegeven prestatieniveaus.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing bij het vervangen van een bestaande voorziening waarbij de plaats van de uitmonding of toevoeropening niet wijzigt.

Artikel 5.16 (afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht)
  • 1. Bij het installeren van een afvoervoorziening voor rookgas gelden, in aanvulling op artikel 5.4, de in de artikelen 4.138 en 4.141 aangegeven prestatieniveaus.

  • 2. Bij het installeren van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht gelden, in aanvulling op artikel 5.4, de in artikel 4.139 aangegeven prestatieniveaus.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing bij het vervangen van een bestaande voorziening waarbij de plaats van de uitmonding of toevoeropening niet wijzigt.

Artikel 5.17 (verblijfsgebied en verblijfsruimte)

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt, in afwijking van artikel 5.4, voor de in het vierde lid van artikel 4.164 bedoelde hoogte boven de vloer van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte, een hoogte van ten minste 2,1 m.

Artikel 5.18 (toiletruimte)

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt, in afwijking van artikel 5.4, voor de in artikel 4.167, tweede lid, bedoelde hoogte boven de vloer van een toiletruimte, een hoogte van ten minste 2 m.

Artikel 5.19 (badruimte)

Bij het verbouwen van een bouwwerk geldt, in afwijking van artikel 5.4, voor de in artikel 4.170, derde lid, bedoelde hoogte boven de vloer van een badruimte, een hoogte van ten minste 2 m.

Artikel 5.20 (energiezuinigheid)
  • 1. Bij het verbouwen van een bouwwerk is artikel 4.149 niet van toepassing en het in artikel 4.152 bedoelde niveau voor de warmteweerstand niet lager dan 1,3 m2.K/W of geldt het rechtens verkregen niveau als dat hoger is.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt bij het vernieuwen of vervangen van isolatielagen een warmteweerstand van ten minste 2,5 m2.K/W voor een vloer, 1,3 m2.K/W voor een gevel en 2,0 m2.K/W voor een dak, bepaald volgens NEN 1068, en bij het vernieuwen of vervangen van ramen, deuren en kozijnen een warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 2,2W/m2.K, bepaald volgens NEN 1068, of het rechtens verkregen niveau als dat hoger is.

  • 3. Bij het geheel oprichten of geheel vernieuwen van een dakkapel of van een bijbehorend bouwwerk gelden, in afwijking van het eerste lid, de in de artikelen 4.152 en 4.153 aangegeven prestatieniveaus.

  • 4. Bij een ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen geldt, in afwijking van het eerste lid, het in artikel 4.152 aangegeven prestatieniveau.

  • 5. Bij toepassing van het begrip ingrijpende renovatie, bedoeld in het vierde lid, wordt rekening gehouden met de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 5.21 (technische bouwsystemen)
  • 1. Bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een technisch bouwsysteem, waarbij het volgens de ministeriele regeling bepaalde systeemrendement wordt beïnvloed, is het rechtens verkregen niveau van toepassing waarbij het rendement van dat systeem niet lager mag zijn dan aangegeven in tabel 5.21 en wat betreft het in die tabel genoemde ventilatiesysteem niet hoger mag zijn dan aangegeven in die tabel.

  • 2. Als een technisch bouwsysteem bestaat uit een combinatie van de in tabel 5.21 opgenomen bouwsystemen is in afwijking van het eerste lid, het systeemrendement van dat systeem niet lager dan het rendement naar rato berekend op basis van de in die tabel opgenomen rendementen van de systemen die deel uitmaken van de combinatie.

    Tabel 5.21 systeemrendement technisch bouwsysteem

    technisch bouwsysteem

    systeemrendement

    verwarmingssysteem voor woonfunctie, niet-lokaal

    0,71

    verwarmingssysteem voor overige functies, niet-lokaal

    0,65

    lokaal verwarmingssysteem

    0,63

    warmtapwatersysteem

    0,29

    koelsysteem

    0,75

    ventilatiesysteem met ventilatiecapaciteit > 5.000 m3/h, uitgedrukt in W/(dm3/s)

    2,50

AFDELING 5.4 WIJZIGING VAN EEN GEBRUIKSFUNCTIE
Artikel 5.22 (aansturingsartikel)

De regels in deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 5.22 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.

Tabel 5.22

gebruiksfunctie

leden van toepassing

     

weg-, spoorweg- of

industriegeluid

tijdig vaststellen van brand

   

artikel

5.23

5.24

   

lid

1

2

3

*

1

Woonfunctie

1

2

3

*

2

Bijeenkomstfunctie

       
 

a

voor kinderopvang

1

2

3

 

b

andere bijeenkomstfunctie

3

Celfunctie

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

3

5

Industriefunctie

6

Kantoorfunctie

7

Logiesfunctie

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

9

Sportfunctie

10

Winkelfunctie

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 5.23 (bescherming tegen weg-, spoorweg- of industriegeluid)
  • 1. Bij wijziging van de gebruiksfunctie van een bouwwerk of een gedeelte daarvan is de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte niet kleiner dan het verschil tussen de in het omgevingsplan opgenomen hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel en 41dB.

  • 2. Als het toepassen van het reken- en meetvoorschrift, bedoeld in artikel 110d van de Wet geluidhinder 2, leidt tot een lagere karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie dan bij toepassing van het eerste lid, kan de geluidbelasting worden bepaald volgens dat reken- en meetvoorschrift.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een wijziging van de gebruiksfunctie voor minder dan 10 jaar.

Artikel 5.24 (tijdig vaststellen van brand)

Bij wijziging van de gebruiksfunctie van een bouwwerk of een gedeelte daarvan heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert, tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie, een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een woonfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115.

HOOFDSTUK 6 GEBRUIK VAN BOUWWERKEN

AFDELING 6.1 ALGEMEEN
§ 6.1.1 Algemeen
Artikel 6.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit hoofdstuk is van toepassing op het gebruik van bouwwerken.

Artikel 6.2 (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a. het waarborgen van de brandveiligheid,

  • b. het beschermen van de gezondheid tegen schadelijke concentraties asbestvezels en formaldehyde, en

  • c. duurzaamheid, wat betreft:

    • 1°. de beschikbaarheid en kenbaarheid van het energielabel en de uitvoering van daaraan verbonden aanbevelingen, en

    • 2°. de keuring van airconditioningsystemen en stooktoestellen.

Artikel 6.3 (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die het bouwwerk gebruikt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 6.4 (specifieke zorgplicht: brandveilig gebruik van bouwwerken)

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik een van de volgende situaties kan ontstaan is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat:

  • a. brandgevaar wordt veroorzaakt,

  • b. bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt,

  • c. de melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd,

  • d. het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd,

  • e. het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd, en

  • f. er anderszins gevaar voor de brandveiligheid ontstaat of voortduurt.

Artikel 6.5 (maatwerkvoorschriften)
  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over afdeling 6.2 en artikel 6.4, met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden.

  • 2. Een maatwerkvoorschrift op initiatief van het bevoegd gezag wordt alleen gesteld met het oog op het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand.

  • 3. Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk gebruikt kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 6.2, onder a, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich niet verzetten.

  • 4. Een maatwerkvoorschrift over afdeling 6.2 kan alleen worden gesteld na een gebruiksmelding.

  • 5. Een maatwerkvoorschrift over afdeling 6.2 kan alleen worden gewijzigd:

    • a. als een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, die bij de beoordeling van de melding een rol hebben gespeeld dit noodzakelijk maken, of

    • b. op verzoek van degene die de activiteit verricht.

§ 6.1.2 Gebruiksmelding
Artikel 6.6 (aansturingsartikel)

De regels van deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.6 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.

Tabel 6.6

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

     

gebruiksmelding

gegevens en bescheiden

bij gebruiksmelding

gegevens en bescheiden na gebruiksmelding

maatwerkregels gebruiksmelding

aanwezigheid

   

artikel

6.7

6.8

6.9

6.10

6.7

   

lid

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

2

                         

[personen]

1

Woonfunctie

                     
 

a

voor kamergewijze verhuur

1

3

5

1

2

3

*

 

b

voor zorg

1

3

5

1

2

3

*

 

c

andere woonfunctie

2

Bijeenkomstfunctie

                     
 

a

voor kinderen jonger dan 12 jaar

1

2

3

5

1

2

3

*

10

 

b

voor personen met een fysieke of geestelijke beperking

1

2

3

5

1

2

3

*

10

 

c

andere bijeenkomstfunctie

1

2

3

5

1

2

3

*

50

3

Celfunctie

1

2

3

5

1

2

3

*

*

10

4

Gezondheidszorgfunctie

                     
 

a

met bedgebied

1

2

3

5

1

2

3

*

*

10

 

c

andere gezondheidszorgfunctie

1

2

3

5

1

2

3

*

*

50

5

Industriefunctie

1

2

3

5

1

2

3

*

150

6

Kantoorfunctie

1

2

3

5

1

2

3

*

150

7

Logiesfunctie

                     
 

a

in een logiesgebouw

1

2

3

5

1

2

3

*

*

10

 

b

andere logiesfunctie

1

2

3

5

1

2

3

*

50

8

Onderwijsfunctie

                     
 

a

voor basisonderwijs

1

2

3

5

1

2

3

*

10

 

b

andere onderwijsfunctie

1

2

3

5

1

2

3

*

50

9

Sportfunctie

1

2

3

5

1

2

3

*

50

10

Winkelfunctie

1

2

3

5

1

2

3

*

50

11

Overige gebruiksfunctie

                     
 

a

voor het stallen van motorvoertuigen

1

2

3

4

5

1

2

3

*

50

 

b

voor het personenvervoer

1

2

3

4

5

1

2

3

*

50

 

c

andere overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

                     
 

a

voor het wegverkeer

 

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

2

3

5

1

2

3

*

50

Artikel 6.7 (gebruiksmelding)
  • 1. Het is verboden een bouwwerk te gebruiken zonder dit ten minste vier weken voor het begin van het gebruik van het bouwwerk te melden.

  • 2. Het eerste lid is alleen van toepassing, als in het bouwwerk meer personen aanwezig zijn dan in tabel 6.6 is aangegeven voor een in het bouwwerk aanwezige gebruiksfunctie.

  • 3. Voor een bijeenkomstfunctie of een overige gebruiksfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een kantoor- of industriefunctie geldt in afwijking van tabel 6.6 een waarde van 150 personen.

  • 4. Bij het bepalen van het in het tweede lid bedoelde aantal personen worden personen in een in artikel 4.79 bedoelde niet-besloten ruimte buiten beschouwing gelaten.

  • 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bouwwerk mede verstaan een gedeelte daarvan dat is bestemd om afzonderlijk te worden gebruikt.

Artikel 6.8 (gegevens en bescheiden bij gebruiksmelding)
  • 1. Een gebruiksmelding wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden:

    • a. naam en adres van de melder en als van toepassing, van de gemachtigde om te melden,

    • b. de dagtekening,

    • c. adres, kadastrale aanduiding of ligging van het bouwwerk, en

    • d. een situatieschets met noordpijl met een schaal die niet kleiner is dan 1:1.000, en per bouwlaag een plattegrondtekening met een schaal die niet kleiner is dan 1:100 bij een gebouw met een brutovloeroppervlakte van minder dan 10.000 m2 en niet kleiner dan 1:200 bij een grotere brutovloeroppervlakte. Op de plattegrondtekening of een bijlage daarvan is aangegeven:

      • 1°. schaalaanduiding,

      • 2°. per bouwlaag: hoogte van de vloer boven meetniveau, gebruiksoppervlakte, maximaal aantal personen,

      • 3°. per ruimte:

        • i. vloeroppervlakte,

        • ii. gebruiksfunctie,

        • iii. bij ruimten voor meer dan 25 personen, de hoogste bezetting van die ruimte, en

        • iv. opstelling van inventaris en van inrichtingselementen als bedoeld in dit besluit,

      • 4°. met aanduidingen van de plaats van, voor zover deze aanwezig zijn:

        • i. brand- en/of rookwerende scheidingsconstructies,

        • ii. vluchtroutes,

        • iii. draairichting van deuren,

        • iv. zelfsluitende deuren als bedoeld in artikel 3.123,

        • v. sluitwerk van deuren als bedoeld in de artikelen 3.121 en 3.122,

        • vi. vluchtroute-aanduidingen,

        • vii. noodverlichting,

        • viii. oriëntatieverlichting als bedoeld in artikel 3.103,

        • ix. brandmeldcentrale en brandmeldpaneel,

        • x. brandslanghaspels,

        • xi. mobiele brandblusapparaten,

        • xii. droge blusleidingen,

        • xiii. brandweeringang,

        • xiv. sleutelkluis of -buis, en

        • xv. brandweerlift,

      • 5°. gegevens en bescheiden over de aard en de plaats van de brandveiligheidsinstallaties. De aanduidingen zijn conform NEN 1413 voor zover deze norm daarin voorziet, en

      • 6°. bij de toepassing van een gelijkwaardige maatregel bij de regels van afdeling 6.2 en paragraaf 6.5.1 de gegevens en bescheiden waarmee de gelijkwaardigheid aannemelijk wordt gemaakt.

  • 2. Bij een gebruiksmelding voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik van een bouwwerk wordt door de melder aangegeven voor welke periode of voor welke tijdvakken in een kalenderjaar het gebruik is beoogd.

  • 3. Een gebruiksmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.

Artikel 6.9 (gegevens en bescheiden na gebruiksmelding)

Als door het veranderen van het bouwwerk waarvoor eerder een gebruiksmelding is gedaan een afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en bescheiden, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden ten minste vier weken voor die verandering verstrekt.

Artikel 6.10 (afbakening maatwerkregels gebruiksmelding)

Een maatwerkregel kan worden gesteld over artikel 6.7. Met deze maatwerkregel kan alleen worden afgeweken van het in tabel 6.6 aangegeven aantal personen voor de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie en de logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw.

AFDELING 6.2 BRANDVEILIGHEID
§ 6.2.1 Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand
Artikel 6.11 (aansturingsartikel)

De regels van deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.11 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.

Tabel 6.11

gebruiksfunctie

leden van toepassing

     

verbod op roken en open vuur

vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel

aankleding

brandveiligheid

inrichtingselementen

brandveilig gebruik grote

brandcompartimenten

behandeling constructieonderdeel

overgangsrecht: aankleding

   

artikel

6.12

6.13

6.14

6.15

6.16

6.17

6.18

   

lid

1

2

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

1

Woonfunctie

1

*

1

2

4

5

1

2

3

*

*

2

Industriefunctie

                           
 

a

lichte industriefunctie voor het houden van dieren

1

2

*

3

4

1

2

*

*

*

 

b

andere industriefunctie

1

2

*

1

2

4

1

2

*

*

3

Logiesfunctie

                           
 

a

in een logiesgebouw

1

2

*

1

2

4

1

2

*

*

 

b

andere logiesfunctie

1

2

*

1

2

4

5

1

2

3

*

*

Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

1

2

*

1

2

4

1

2

*

*

Artikel 6.12 (verbod op roken en open vuur)
  • 1. Het is verboden te roken of open vuur te hebben:

    • a. in een ruimte die is bestemd voor de opslag van een brandgevaarlijke stof,

    • b. bij het verrichten van een handeling die het uitstromen van een brandgevaarlijke stof kan veroorzaken, en

    • c. bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandgevaarlijke stof.

  • 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt goed zichtbaar aangegeven door het aanbrengen van een gestandaardiseerd symbool als bedoeld in NEN 3011.

Artikel 6.13 (vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel)

Een zelfsluitend constructieonderdeel als bedoeld in de artikelen 3.123, eerste lid, en 4.218, eerste lid, mag niet in geopende stand zijn vastgezet tenzij het constructieonderdeel bij brand en bij rook door brand automatisch wordt losgelaten.

Artikel 6.14 (aankleding)
  • 1. Aankleding in een besloten ruimte mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is in ieder geval niet aanwezig als de aankleding:

    • a. een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert,

    • b. onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064,

    • c. voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1,

    • d. voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen als bedoeld in de paragrafen 3.2.7 en 4.3, of

    • e. een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.

  • 2. Bij een besloten ruimte voor het verblijven of vluchten van meer dan 50 personen, of voor een besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute of een beschermde route voert, is het eerste lid, onderdeel e, niet van toepassing, als de aankleding:

    • a. zich bevindt boven een gedeelte van de vloer waar zich personen kunnen bevinden,

    • b. de verticale vrije ruimte tussen de vloer en de aankleding minder dan 2,5 m is, en

    • c. niet rechtstreeks op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht.

  • 3. Aankleding in een besloten ruimte die niet rechtstreeks op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is in ieder geval niet aanwezig als de aankleding:

    • a. een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert,

    • b. onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064,

    • c. voldoet aan brandklasse A1, bedoeld in NEN-EN 13501-1 of

    • d. voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen als bedoeld in paragrafen 3.2.7 of 4.2.7.

  • 4. Aankleding ter plaatse van of nabij apparatuur en installaties die warmte ontwikkelen voldoet aan brandklasse A1, bedoeld in NEN-EN 13501-1, of is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, als:

    • a. op de aankleding een intensiteit van de warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2, of

    • b. in de aankleding een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.

  • 5. Het eerste, tweede en vierde lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.

Artikel 6.15 (brandveiligheid inrichtingselementen)
  • 1. In een voor publiek toegankelijke ruimte opgestelde stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen zijn brandveilig.

  • 2. Aan het in het eerste lid gestelde is in ieder geval voldaan als een naar de lucht gekeerd onderdeel van het inrichtingselement:

    • a. onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064,

    • b. voldoet aan brandklasse A1, bedoeld in NEN-EN 13501-1,

    • c. een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan brandklasse D, bedoeld in NEN-EN 13501-1,

    • d. een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan klasse 4, bedoeld in NEN 6065, of

    • e. een dikte heeft van minder dan 3,5 mm en over de volle oppervlakte is verlijmd met een onderdeel als bedoeld onder c of d.

  • 3. Het eerste en tweede lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.

Artikel 6.16 (brandveilig gebruik grote brandcompartimenten)

Als bij de toepassing van artikel 4.51, eerste lid, gebruik is gemaakt van de bepalingsmethoden van NEN 6060 of NEN 6079 wordt bij het gebruik van het bouwwerk rekening gehouden met de gebruiksvoorwaarden in die normbladen.

Artikel 6.17 (behandeling constructieonderdeel)

Een constructieonderdeel waarvoor op grond van dit besluit een eis met betrekking tot de sterkte bij brand of brand, brandvoortplanting, rookdichtheid, brandklasse of rookklasse geldt waaraan het constructieonderdeel alleen met een aanvullende behandeling kan blijven voldoen, wordt op adequate wijze onderhouden.

Artikel 6.18 (overgangsrecht: aankleding)

Op aankleding die voor 1 april 2014 is aangebracht in een besloten ruimte van een lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren, maar niet rechtstreeks op de vloer, trap of hellingbaan, is artikel 7.4, eerste lid van het Bouwbesluit 2012 van toepassing zoals dit luidde voor 1 april 2014.

§ 6.2.2 Veilig vluchten bij brand
Artikel 6.19 (aansturingsartikel)

De regels van deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.14 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.

Tabel 6.19

gebruiksfunctie

leden van toepassing

     

ontruiming bij brand

deuren in vluchtroutes

opstelling zitplaatsen en verdere

inrcihting

gangpaden

beperking van gevaar voor letsel

   

artikel

6.20

6.21

6.22

6.23

6.24

   

lid

1

2

3

4

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

5

1

Woonfunctie

                                         
 

a.

voor zorg

1

2

3

1

2

1

2

3

4

 

b.

andere woonfunctie

1

3

1

2

3

4

2

Bijeenkomstfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

3

Celfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

Gezondheidszorgfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

5

Industriefunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

6

Kantoorfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

7

Logiesfunctie

                                         
 

a.

in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking

1

3

4

1

2

4

1

2

1

2

3

5

 

b.

in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking

1

3

1

2

4

1

2

1

2

3

5

 

c.

andere logiesfunctie

1

1

2

4

8

Onderwijsfunctie

                                         
 

a.

voor het basisonderwijs

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

 

b.

andere onderwijsfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

9

Sportfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

10

Winkelfunctie

1

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

11

Overige gebruiksfunctie

3

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                         
 

a.

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

5

 

b.

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

Artikel 6.20 (ontruiming bij brand)
  • 1. In een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 en in een bouwwerk waarvoor een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 6.7 is gedaan, zijn voldoende personen aangewezen om de ontruiming bij brand voldoende snel te laten verlopen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een woonfunctie voor zorg met zorg op afspraak of met zorg op afroep.

  • 3. Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115, heeft een ontruimingsplan.

  • 4. In een logiesfunctie met 24-uurs bewaking is 24 uur per dag een functionaris aanwezig op het eigen perceel of op een loopafstand van ten hoogste 100 m vanaf een toegang van het logiesgebouw.

Artikel 6.21 (deuren in vluchtroutes)
  • 1. Een deur op een vluchtroute is bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk alleen gesloten als die deur tijdens het vluchten, zonder gebruik te moeten maken van een sleutel onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden geopend.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen, als bedoeld in de artikelen 3.122, derde lid, en 4.217, derde lid, tijdens het vluchten met een sleutel over de ten minste vereiste breedte worden geopend, mits de inrichting, het gebruik en de organisatie zodanig zijn dat het in het met artikel 6.2 beoogde brandveiligheidsniveau is gewaarborgd.

  • 3. Het eerste lid geldt niet voor een niet-gemeenschappelijke vluchtroute.

  • 4. Het eerste lid geldt niet voor een vluchtroute in een logiesverblijf.

  • 5. In afwijking van het eerste lid kan een deur op een vluchtroute in een tunnel worden ontgrendeld met een automatische ontgrendeling.

Artikel 6.22 (opstelling zitplaatsen en verdere inrichting)
  • 1. De inrichting van een ruimte is zodanig dat:

    • a. voor elke persoon zonder zitplaats ten minste 0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is,

    • b. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,3 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is, als geen inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang, en

    • c. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,5 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is, als inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang.

    Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris.

  • 2. In een ruimte met meer dan 100 zitplaatsen zijn de zitplaatsen gekoppeld of aan de vloer bevestigd, zodanig dat deze niet kunnen verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang, voor zover die zitplaatsen in meer dan 4 rijen van meer dan 4 stoelen zijn opgesteld.

  • 3. Bij in rijen opgestelde zitplaatsen is tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig met een breedte van ten minste 0,4 m, gemeten tussen de loodlijnen op de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Als in de rij tussen de zitplaatsen een tafel is geplaatst, bevindt deze zich niet in de vrije ruimte.

  • 4. Een rij zitplaatsen die alleen aan een einde op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft niet meer dan 8 zitplaatsen.

  • 5. Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft ten hoogste:

    • a. 16 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, niet groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is,

    • b. 32 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is, of

    • c. 50 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 1,1 m is.

Artikel 6.23 (gangpaden)
  • 1. Gangpaden tussen stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen in een voor publiek toegankelijke ruimte zijn ten minste 1,1 m breed.

  • 2. Voor een uitgang in een ruimte als bedoeld in het eerste lid is een vrije vloeroppervlakte met een lengte en een breedte van ten minste de breedte van deze uitgang.

Artikel 6.24 (beperking van gevaar voor letsel)
  • 1. Tegen of onder het plafond aangebracht glas is veiligheidsglas of glas voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 0,016 m.

  • 2. Textiel, folie of papier in horizontale toepassing is onderspannen met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 m, of metaaldraad in twee richtingen met een maximale maaswijdte van 0,7 m.

  • 3. Aankleding in een besloten ruimte mag bij brand geen druppelvorming geven boven een gedeelte van een vloer bestemd voor gebruik door personen.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.

  • 5. Het eerste tot en met derde lid gelden niet in een logiesverblijf.

AFDELING 6.3 ASBESTVEZELS EN FORMALDEHYDE
Artikel 6.25 (concentratie asbestvezels)

De concentratie van asbestvezels in de binnenlucht van een voor personen toegankelijke ruimte van een bouwwerk is niet hoger dan 2.000 vezels/m3 bepaald volgens NEN 2991.

Artikel 6.26 (concentratie formaldehyde)

De concentratie van formaldehyde in de binnenlucht van een voor personen toegankelijke ruimte van een bouwwerk is niet groter dan 120 µg/m3, bepaald volgens NEN-EN-ISO 16.000-2.

AFDELING 6.4 ENERGIELABEL
Artikel 6.27 (beschikbaarheid energielabel)
  • 1. Bij oplevering van een gebouw of gedeelte daarvan, stelt de verkoper van dat gebouw of gedeelte daarvan, een geldig energielabel beschikbaar aan de koper.

  • 2. In afwijking van het eerste lid zorgt de eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan, voor de aanwezigheid van een geldig energielabel bij oplevering als dat gebouw of gedeelte is gebouwd in opdrachtgeverschap waarbij die eigenaar de volledige zeggenschap heeft over en verantwoordelijkheid draagt voor de bouw.

  • 3. Bij de verhuur van een gebouw of gedeelte daarvan, stelt de eigenaar een afschrift van een geldig energielabel voor dat gebouw of gedeelte daarvan, beschikbaar aan de nieuwe huurder.

  • 4. Bij de verkoop van een gebouw of gedeelte daarvan, of van een deelnemings- of lidmaatschapsrecht dat recht geeft op het gebruik van dat gebouw of gedeelte, stelt de eigenaar een geldig energielabel beschikbaar aan de koper.

  • 5. De eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan, waarvan een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 in gebruik is bij een overheidsinstelling en dat veelvuldig door het publiek wordt bezocht, heeft een geldig energielabel voor dat gebouw.

Artikel 6.28 (uitzonderingen energielabel)

Artikel 6.27, eerste lid, is niet van toepassing op:

  • a. een gebouw of gedeelte daarvan, waarvoor geen energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen,

  • b. een monument waaraan in het omgevingsplan respectievelijk de omgevingsverordening de functie van gemeentelijk of provinciaal monument is toegedeeld of waarvoor blijkens een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.14, 4.15 of 4.16, eerste lid, van de wet het voornemen bestaat daaraan in het omgevingsplan respectievelijk de omgevingsverordening de functie van gemeentelijk monument of provinciaal monument toe te delen, of een rijksmonument, of voorbeschermd rijksmonument,

  • c. een gebouw of gedeelte daarvan, dat wordt gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten,

  • d. een gebouw of gedeelte daarvan, dat bestemd is om te worden gebruikt voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden, en dat een lage energiebehoefte heeft,

  • e. een gebouw of gedeelte daarvan, dat ten hoogste twee jaar wordt gebruikt,

  • f. een gebouw of gedeelte daarvan, met een woonfunctie of logiesfunctie, dat minder dan vier maanden per jaar wordt gebruikt, en een verwacht energieverbruik heeft van minder dan 25% van het energieverbruik bij permanent gebruik,

  • g. een alleenstaand gebouw met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2, en

  • h. een gebouw of gedeelte daarvan, dat bij minnelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 17 van de Onteigeningswet wordt verkregen en voor de uitvoering van het werk waarmee die verkrijging verband houdt zal worden gesloopt.

Artikel 6.29 (eisen aan het energielabel)
  • 1. Een energielabel bevat:

    • a. het resultaat van de berekening van de energieprestatie,

    • b. referentiewaarden waarmee de energieprestatie kan worden vergeleken en beoordeeld, en

    • c. aanbevelingen voor een kostenoptimale of kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie, tenzij er voor een dergelijke verbetering geen redelijk potentieel is ten opzichte van de geldende energieprestatie-eisen.

  • 2. Deze aanbevelingen zijn technisch haalbaar voor het gebouw of gedeelte daarvan, waarvoor het energielabel is afgegeven en kunnen een raming bieden van de terugverdientijden of kostenvoordelen gedurende de economische levensduur. De aanbevelingen omvatten in ieder geval maatregelen over de ingrijpende renovatie van de bouwschil of technische bouwsystemen en maatregelen voor individuele onderdelen van dat gebouw of gedeelte zonder dat sprake is van een ingrijpende renovatie, alsmede een vindplaats voor extra informatie.

  • 3. Een energielabel is voorzien van een in een letter of lettercombinatie uitgedrukte energieprestatie-indicator waarmee de energieprestatie van het gebouw of gedeelte daarvan, waarvoor het label is afgegeven, wordt weergegeven.

  • 4. Bij de berekening van de energieprestatie wordt rekening gehouden met de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 5. Een energielabel is tien jaar geldig gerekend vanaf de datum van afgifte.

Artikel 6.30 (kenbaarheid energielabel)
  • 1. Degene die een gebouw of gedeelte daarvan, waarvoor een geldig energielabel is afgegeven te koop of te huur aanbiedt door middel van advertenties in commerciële media, vermeldt in die advertenties de in dat energielabel opgenomen energieprestatie-indicator, bedoeld in artikel 6.29, derde lid.

  • 2. De eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan, brengt het energielabel aan op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats in dat gebouw of gedeelte, als:

    • a. een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 in gebruik is bij een overheidsinstantie en dat gebouw of gedeelte veelvuldig door het publiek wordt bezocht, of

    • b. voor dat gebouw of gedeelte een geldig energielabel als bedoeld in artikel 6.29 is afgegeven, het een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 heeft en veelvuldig door het publiek wordt bezocht.

Artikel 6.31 (uitvoering van aanbevelingen bij het energielabel)

Een overheidsinstantie voert voor een gebouw of gedeelte daarvan, dat in haar eigendom is, de in het energielabel opgenomen aanbevelingen uit binnen de geldigheidsperiode van dat energielabel.

Artikel 6.32 (nadere regels)

Bij de toepassing van de artikelen 6.27 tot en met 6.31 wordt rekening gehouden met de bij ministeriële regeling gestelde regels.

AFDELING 6.5 BOUWWERKINSTALLATIES
§ 6.5.1 Brandveiligheidsinstallaties
Artikel 6.33 (brandmeldinstallatie)
  • 1. In de in bijlage II bij dit besluit bedoelde gevallen heeft een in artikel 3.115 voorgeschreven brandmeldinstallatie een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

  • 2. Een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie wordt op adequate wijze beheerd, gecontroleerd en onderhouden.

  • 3. Een inspectiecertificaat als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Als op grond van artikel 3.115 doormelding verplicht is, dan is de geldigheiddsduur een jaar.

Artikel 6.34 (ontruimingsalarminstallatie)
  • 1. In de in bijlage II bij dit besluit bedoelde gevallen heeft een in artikel 3.119 voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

  • 2. Een krachtens de wet voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie wordt op adequate wijze beheerd, gecontroleerd en onderhouden.

  • 3. Een inspectiecertificaat als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Als op grond van artikel 3.115 doormelding verplicht is, dan is de geldigheiddsduur een jaar.

Artikel 6.35 (droge blusleiding)

Een krachtens de wet voorgeschreven droge blusleiding en pompinstallatie worden eenmaal in de vijf jaar getest volgens NEN 1594.

Artikel 6.36 (blustoestellen en brandslanghaspels)
  • 1. Een krachtens de wet voorgeschreven draagbaar of verrijdbaar blustoestel wordt ten minste eenmaal per twee jaar op adequate wijze onderhouden, waarbij tevens de goede werking van dat blustoestel wordt gecontroleerd.

  • 2. Een krachtens de wet voorgeschreven brandslanghaspel wordt ten minste eenmaal per twee jaar op adequate wijze onderhouden, waarbij tevens de goede werking van die brandslanghaspel wordt gecontroleerd.

Artikel 6.37 (automatische brandblusinstallatie en rookbeheersingssysteem)
  • 1. Een krachtens de wet voorgeschreven automatische brandblusinstallatie is voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

  • 2. Een krachtens de wet voorgeschreven rookbeheersingsinstallatie is voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

  • 3. Een inspectiecertificaat als bedoeld in het eerste en tweede lid heeft een geldigheidsduur van een jaar.

§ 6.5.2 Airconditioningssystemen
Artikel 6.38 (keuring van airconditioningsystemen)
  • 1. De toegankelijke delen van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW worden ten minste eenmaal per vijf jaar gekeurd.

  • 2. De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan, gelet op de koelingsbehoeften van het gebouw.

  • 3. De beoordeling van de dimensionering, bedoeld in het tweede lid, kan achterwege blijven zolang er tussen de eerste keuring en opvolgende keuringen geen veranderingen plaatsvinden aan het verwarmingssysteem of de koelingsbehoeften van het gebouw.

  • 4. Na de keuring wordt aan de eigenaar of huurder van het gebouw een keuringsverslag verstrekt dat ten minste het resultaat van de verrichte keuring evenals aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde airconditioningsysteem bevat.

  • 5. De keuring wordt op onafhankelijke wijze uitgevoerd door een gekwalificeerde deskundige die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde beroeps- en kwaliteitseisen.

§ 6.5.3 Stookinstallaties
Artikel 6.39 (keuring van stookinstallaties)
  • 1. Een niet-gasgestookte stookinstallatie met een nominaal vermogen van:

    • a. 20 kW tot ten hoogste 100 kW, wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid,

    • b. meer dan 100 kW, wordt ten minste eenmaal per twee jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.

  • 2. Een gasgestookte stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.

  • 3. Een keuring als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt voor de eerste keer uitgevoerd binnen zes weken na ingebruikname.

  • 4. Het eerste en tweede lid gelden alleen voor een stookinstallatie die onderdeel is van een technisch bouwsysteem.

  • 5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op een niet-gemeenschappelijk stooktoestel met een nominaal vermogen van ten hoogste 100 kW van een woonfunctie.

Artikel 6.40 (afstellen en onderhoud)
  • 1. Een keuring als bedoeld in artikel 6.39 omvat ook de afstelling voor de verbranding, het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht en de afvoer van verbrandingsgassen.

  • 2. Als uit de keuring blijkt dat de installatie onderhoud nodig heeft, vindt dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaats.

Artikel 6.41 (certificatie keuringsinstelling)

Een keuring als bedoeld in artikel 6.39 wordt verricht door een bedrijf dat beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instantie die door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd om uitvoering te kunnen geven aan de van de ‘Certificatieregeling voor inspectie en onderhoud stookinstallaties’ onderdeel uitmakende ‘Beoordelingrichtlijn voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties’ van de Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties.

Artikel 6.42 (inzage in bescheiden)
  • 1. Het verslag van de in artikel 6.39 bedoelde keuring, ondertekend door degene die de keuring heeft verricht, ligt bij het bouwwerk ter inzage van het bevoegd gezag.

  • 2. Na uitvoering van onderhoud als bedoeld in artikel 6.40 ligt een bewijs van uitvoering van dat onderhoud, gedateerd en ondertekend door degene die het onderhoud heeft uitgevoerd bij het bouwwerk ter inzage van het bevoegd gezag.

HOOFDSTUK 7 BOUW- EN SLOOPWERKZAAMHEDEN

AFDELING 7.1 BOUW- EN SLOOPWERKZAAMHEDEN AAN BOUWWERKEN
§ 7.1.1 Algemeen
Artikel 7.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Deze afdeling is van toepassing op bouw- en sloopactiviteiten die het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken betreffen, met uitzondering van het mobiel breken van bouw- en sloopafval.

Artikel 7.2 (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a. het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid in de directe omgeving van bouw- en sloopwerkzaamheden, en

  • b. het waarborgen van duurzaamheid bij het scheiden van bouw- en sloopafval op een bouw- en sloopterrein.

Artikel 7.3 (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 7.4 (specifieke zorgplicht)

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving kunnen leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

Artikel 7.5 (maatwerkvoorschriften)
  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de paragrafen 7.1.2 tot en met 7.1.5 en artikel 7.4, met uitzondering van de artikelen 7.20 en 7.22 en bepalingen over:

    • a. meldingplichten, en

    • b. meet- of rekenmethoden.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de in het eerste lid bedoelde regels, waarbij afwijken van de artikelen 7.17 en 7.18 alleen versoepelen als bedoeld in artikel 7.23, eerste lid, kan inhouden.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift over artikel 7.21 alleen nadere invulling van het bepaalde in dat artikel inhouden.

  • 4. Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 7.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich niet verzetten.

Artikel 7.6 (geen gelijkwaardige maatregel)

Het treffen van een gelijkwaardige maatregel is uitgesloten voor de artikelen 7.9, 7.20 en 7.22.

§ 7.1.2 Procedure bouwwerkzaamheden
Artikel 7.7 (informeren: aanvang en beëindiging bouwwerkzaamheden)
  • 1. Ten minste twee werkdagen voor het begin van bouwwerkzaamheden, met inbegrip van ontgravingswerkzaamheden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, daarover geïnformeerd.

  • 2. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, wordt uiterlijk op de eerste werkdag na beëindiging van de bouwwerkzaamheden daarover geinformeerd. Het bouwwerk wordt niet in gebruik genomen voordat aan deze informatieplicht is voldaan.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn alleen van toepassing op het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit nodig is.

Artikel 7.8 (aanwezigheid gegevens en bescheiden)

Tijdens het verrichten van bouwwerkzaamheden zijn, voor zover deze documenten zijn opgesteld, de volgende gegevens en bescheiden of een afschrift daarvan, op het bouwterrein aanwezig:

  • a. de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit,

  • b. gegevens en bescheiden over de maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de bouwwerkzaamheden (bouwveiligheidsplan),

  • c. een afschrift van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.7,

  • d. een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom, en

  • e. overige voor het bouwen van belang zijnde gegevens en bescheiden.

§ 7.1.3 Procedure sloopwerkzaamheden
Artikel 7.9 (asbestinventarisatieplicht)
  • 1. De normadressaat beschikt over een asbestinventarisatierapport voor het gedeelte van het bouwwerk waar gesloopt wordt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a. werkzaamheden die worden uitgevoerd in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan, dat vanaf 1 januari 1994 is gebouwd,

    • b. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen,

    • c. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf, geheel of gedeeltelijk:

      • 1°. verwijderen van waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor zover deze deel uitmaken van een ondergronds openbaar gas-, water- en rioolleidingnet,

      • 2°. verwijderen van geklemde vloerplaten onder een verwarmingstoestel,

      • 3°. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van een kas, of

      • 4°. verwijderen van pakkingen uit:

        • i. een verbrandingsmotor,

        • ii. uit een verwarmingstoestel met een nominaal vermogen van ten hoogste 2.250 kW, of

        • iii. uit een procesinstallatie, en

    • d. het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloerbedekking of vloertegels in totaal maximaal 35 m2 bedraagt.

  • 3. Degene die een handeling laat verrichten waarop het eerste lid van toepassing is, verstrekt, voordat de handeling wordt verricht, een afschrift van het asbestinventarisatierapport aan degene die de handeling verricht.

Artikel 7.10 (sloopmelding)
  • 1. Het is verboden een bouwwerk of gedeelte daarvan, te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste 4 weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden (sloopmelding).

  • 2. De in het eerste lid genoemde termijn is ten minste 5 werkdagen als:

    • a. de sloopwerkzaamheden in het kader van reparatie- of mutatieonderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd aan een asbesthoudende toepassing en handhaving van de termijn tot onnodige leegstand zou leiden of het gebruiksgenot van het bouwwerk ernstig zou belemmeren, of

    • b. de sloopwerkzaamheden bestaan uit het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloerbedekking of vloertegels in totaal maximaal 35 m2 bedraagt.

  • 3. Als dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is, kan worden afgeweken van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het:

    • a. slopen van een seizoensgebonden bouwwerk,

    • b. slopen op grond van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.6, of van een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom, en

    • c. slopen dat alleen bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende:

      • 1°. geklemde vloerplaten onder een verwarmingstoestel,

      • 2°. beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van een kas,

      • 3°. rem- en frictiematerialen,

      • 4°. pakkingen uit:

        • i. een verbrandingsmotor,

        • ii. een verwarmingstoestel met een nominaal vermogen van ten hoogste 2.250 kW, of

        • iii. een procesinstallatie.

  • 5. Een sloopmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.

Artikel 7.11 (gegevens en bescheiden bij sloopmelding)
  • 1. Een sloopmelding wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden:

    • a. naam en adres van de eigenaar van het te slopen bouwwerk en, voor zover van toepassing, van diegene die om een andere reden bevoegd is tot het slopen of laten slopen van het bouwwerk,

    • b. naam en adres van diegene die de sloopwerkzaamheden zal verrichten, als de uitvoerder een ander persoon is dan bedoeld onder a,

    • c. de dagtekening,

    • d. adres, kadastrale aanduiding en aard van het te slopen bouwwerk of onderdeel daarvan,

    • e. de data, de tijdstippen en een beschrijving van de wijze waarop het verrichten van de sloopwerkzaamheden zal plaatsvinden,

    • f. gegevens en bescheiden over de maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de sloopwerkzaamheden (sloopveiligheidsplan),

    • g. een globale inventarisatie van de aard en de hoeveelheid van de afvalstoffen die naar verwachting zullen vrijkomen bij de sloopwerkzaamheden en een opgave van de voorgenomen afvoerbestemming van die stoffen,

    • h. als op grond van artikel 7.9 een asbestinventarisatierapport is vereist, het asbestinventarisatierapport of een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 7.22.

  • 2. In afwijking van het eerste lid worden de gegevens, bedoeld in onderdeel b van dat lid, ten minste twee werkdagen voor het begin van de sloopwerkzaamheden verstrekt.

  • 3. Als tijdens het slopen asbest wordt ontdekt dat niet is opgenomen in het asbestinventarisatierapport wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, daarover onmiddellijk geïnformeerd.

Artikel 7.12 (informeren: aanvang en beëindiging sloopwerkzaamheden)
  • 1. Ten minste twee werkdagen voor het begin van sloopwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, daarover geïnformeerd.

  • 2. Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, wordt uiterlijk op de eerste werkdag na beeindiging van de sloopwerkzaamheden daarover geinformeerd.

  • 3. Voor zover van toepassing verstrekt degene die de sloopwerkzaamheden heeft uitgevoerd bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, binnen twee weken na beëindiging van de werkzaamheden een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 7.22.

  • 4. Het eerste en tweede lid zijn alleen van toepassing op het slopen van een bouwwerk waarvoor een sloopmelding nodig is.

Artikel 7.13 (aanwezigheid gegevens en bescheiden)

Tijdens het slopen zijn, voor zover deze zijn opgesteld, de volgende gegevens en bescheiden of een afschrift daarvan, op het sloopterrein aanwezig:

  • a. de sloopmelding en de daarbij behorende gegevens en bescheiden,

  • b. gegevens en bescheiden over de maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de sloopwerkzaamheden (sloopveiligheidsplan),

  • c. een afschrift van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.7,

  • d. een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom,

  • e. overige voor het slopen van belang zijnde gegevens en bescheiden, en

  • f. als op grond van artikel 7.9 een asbestinventarisatierapport is vereist, het asbestinventarisatierapport, of een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 7.22.

Artikel 7.14 (afbakening maatwerkvoorschriften procedure sloopwerkzaamheden)

Een maatwerkvoorschrift over deze paragraaf kan alleen inhouden dat degene die meldingplichtige sloopwerkzaamheden heeft verricht, wordt verplicht binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn na beëindiging van de werkzaamheden een opgave te doen van de aard en de hoeveelheid van de bij de sloopwerkzaamheden vrijgekomen afvalstoffen en van de afvoerbestemming van die stoffen.

§ 7.1.4 Materiële regels
Artikel 7.15 (veiligheid in de directe omgeving)

Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van:

  • a. letsel aan personen in de directe omgeving van het bouw- en sloopterrein,

  • b. letsel aan personen die het bouw- en sloopterrein onbevoegd betreden, en

  • c. gevaar voor de veiligheid van belendingen.

Artikel 7.16 (grondwaterstand)

Het bemalen van een bouwput, leidingsleuf of andere tijdelijke ontgraving ten behoeve van bouwwerkzaamheden leidt niet tot een voor de veiligheid van belendingen gevaarlijke grondwaterstand.

Artikel 7.17 (geluidhinder)
  • 1. Bedrijfsmatige bouw- en sloopwerkzaamheden worden alleen op werkdagen en op zaterdag, tussen 7.00 uur en 19.00 uur verricht.

  • 2. Bij het verrichten van die bedrijfsmatige werkzaamheden worden de dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur, genoemd in tabel 7.17 niet overschreden.

    Tabel 7.17 dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur

    Dagwaarde

    ≤60 dB(A)

    >60 dB(A)

    >65 dB(A)

    >70 dB(A)

    >75 dB(A)

    >80 dB(A)

    maximale blootstellingsduur op de gevel van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, gezondheidszorgfunctie of onderwijsfunctie, of op de grens van een geluidsgevoelig terrein

    onbeperkt

    50 dagen

    30 dagen

    15 dagen

    5 dagen

    0 dagen

  • 3. Als het bevoegd gezag over het veroorzaken van geluidhinder bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden beleidsregels, bedoeld in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft vastgesteld, is in afwijking van artikel 7.23 geen maatwerkvoorschrift vereist als het verrichten van de werkzaamheden voldoet aan die beleidsregels en het bevoegd gezag ten minste twee werkdagen voor het begin van de overschrijding daarover geïnformeerd is.

Artikel 7.18 (trillinghinder)
  • 1. Trillingen veroorzaakt door het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden bedragen in een verblijfsgebied niet meer dan de trillingsterkte genoemd in tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» 2006 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam.

  • 2. Het eerste lid is alleen van toepassing op een verblijfsgebied van een woonfunctie, een bijeenkomstfunctie voor kinderdagopvang, een gezondheidszorgfunctie en een onderwijsfunctie.

Artikel 7.19 (stofhinder)

Tijdens het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen om visueel waarneembare stofverspreiding buiten het bouw- en sloopterrein te beperken.

Artikel 7.20 (verwijderen asbest risicoklasse 2 en 2A)
  • 1. Als de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A, bedoeld in artikel 4.48 of 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan mogen de volgende handelingen slechts worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit:

    • a. het slopen van een bouwwerk als in dat bouwwerk asbest of een asbesthoudend product is verwerkt, en

    • b. het verwijderen van asbest of een asbesthoudend product uit een bouwwerk.

  • 2. De onderdelen b tot en met d van artikel 7.9, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.21 (asbestverwijdering anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf)

Degene die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelingen als bedoeld in artikel 7.9, tweede lid, onder d, verricht, zorgt er voor dat:

  • a. de verwijderingshandeling, wanneer technisch mogelijk, wordt verricht voor het bouwwerk wordt gesloopt,

  • b. verwijderde asbest en asbesthoudende producten, onmiddellijk van niet-asbesthoudende producten worden gescheiden,

  • c. verwijderde asbest en asbesthoudende producten onmiddellijk worden verzameld en, tenzij dit door vorm of formaat niet mogelijk is, verpakt in niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal van zodanige dikte en sterkte dat deze niet scheurt waarbij:

    • 1°. de verpakking van de verpakte asbest en asbesthoudende producten onmiddellijk wordt afgesloten en opgeslagen in een afgesloten opslagplaats,

    • 2°. de niet verpakte asbest en asbesthoudende producten onmiddellijk worden opgeslagen in een afgesloten container,

  • d. het verpakkingsmateriaal op duidelijke wijze is voorzien van aanduidingen volgens artikel 7 van het Productenbesluit asbest, en

  • e. de verwijderde asbest en asbesthoudende producten binnen twee weken na de onder a bedoelde verwijderingshandeling worden afgevoerd naar een bedrijf als bedoeld in paragraaf 3.5.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.22 (eindbeoordeling asbestverwijdering)
Artikel 7.23 (afbakening maatwerkvoorschriften veiligheid en gezondheid in directe omgeving bouw- en sloopwerkzaamheden)
  • 1. Met een maatwerkvoorschrift over de artikelen 7.17 en 7.18 kunnen alleen worden versoepeld:

    • a. de dagwaarden, blootstellingsduur, tijdstippen of perioden, bedoeld in artikel 7.17, eerste en tweede lid, en

    • b. de trillingsterkte, bedoeld in artikel 7.18.

  • 2. Onverkort het in een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid gestelde, wordt bij het uitvoeren van de bouw- en sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de beste beschikbare stille technieken.

  • 3. Als uit de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, onder f, blijkt dat de voorgenomen maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de bouw- of sloopwerkzaamheden onvoldoende zijn, kunnen met een maatwerkvoorschrift aanvullende maatregelen worden opgelegd.

§ 7.1.5 Scheiden bouw- en sloopafval
Artikel 7.24 (vrijkomend bouw- en sloopafval)

Bouw- en sloopwerkzaamheden worden zodanig uitgevoerd dat tijdens de uitvoering vrijkomend gevaarlijk en overig bouw- en sloopafval deugdelijk wordt gescheiden.

Artikel 7.25 (scheiden gevaarlijk bouw- en sloopafval)
  • 1. Ongeacht de hoeveelheid wordt gevaarlijk bouw- en sloopafval in ieder geval gescheiden in de volgende fracties:

    • a. als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen als bedoeld in hoofdstuk 17 van de afvalstoffenlijst bedoeld in de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover deze stoffen niet in de onderdelen b tot en met d van dit lid zijn opgenomen.

    • b. teerhoudende dakbedekking, wel of niet met dakbeschot,

    • c. teerhoudend asfalt, en

    • d. gasontladingslampen.

  • 2. Een gevaarlijke stof als bedoeld in het eerste lid wordt niet gemengd of gescheiden.

  • 3. De fracties, bedoeld in het eerste lid, worden op het bouw- en sloopterrein gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd.

  • 4. In afwijking van het derde lid kunnen de fracties, bedoeld in het eerste lid, op een andere plaats worden gescheiden voor zover scheiding op het bouw- en sloopterrein redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 7.26 (scheiden overig bouw- en sloopafval)
  • 1. Overig bouw- en sloopafval wordt in ieder geval gescheiden in de volgende fracties:

    • a. bitumineuze dakbedekking, wel of niet met dakbeschot,

    • b. niet-teerhoudend asfalt,

    • c. vlakglas, wel of niet met kozijn,

    • d. gipsblokken en gipsplaatmateriaal,

    • e. dakgrind, en

    • f. armaturen.

  • 2. De fracties, bedoeld in het eerste lid, worden op het bouw- of sloopterrein gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover de hoeveelheid afval van de betreffende fractie minder dan 1 m3 bedraagt.

  • 4. In afwijking van het tweede lid kunnen de fracties, bedoeld in het eerste lid, op een andere plaats worden gescheiden voor zover scheiding op het bouw- en sloopterrein redelijkerwijs niet mogelijk is.

AFDELING 7.2 MOBIEL BREKEN VAN BOUW- EN SLOOPAFVAL
§ 7.2.1 Algemeen
Artikel 7.27 (toepassingsbereik: activiteiten)

Deze afdeling is van toepassing op het breken van steenachtige bedrijfsafvalstoffen afkomstig van het bouwen en slopen van bouwwerken of wegen met een mobiele installatie voor het bewerken van bouw- en sloopafval, met inbegrip van alle daarbij gebruikte overige installaties en toestellen (mobiele puinbreker), gedurende een periode van ten hoogste drie maanden op of in de directe nabijheid van de sloop- of bouwplaats waar het afval vrijkomt.

Artikel 7.28 (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a. het waarborgen van de veiligheid,

  • b. het beschermen van de gezondheid,

  • c. het beschermen van de kwaliteit van lucht en bodem,

  • d. het zuinig gebruik van energie en grondstoffen,

  • e. een doelmatig beheer van afvalstoffen,

  • f. het beperken van de kans op en de gevolgen van ongewone voorvallen, en

  • g. het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder.

Artikel 7.29 (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die een mobiele puinbreker in werking heeft. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 7.30 (bevoegd gezag)
  • 1. Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag voor het mobiel breken:

    • a. waaraan een melding wordt gedaan,

    • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen, en

    • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

  • 2. In afwijking van het eerste lid zijn voor een activiteit als bedoeld in dit besluit, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeldin afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvoor een door gedeputeerde staten eerder verleende omgevingsvergunning geldt, gedeputeerde staten het bevoegd gezag voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 7.31 (specifieke zorgplicht)
  • 1. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het in werking hebben van een mobiele puinbreker nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 7.28, is verplicht:

    • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen,

    • b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en

    • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2. Voor het in werking hebben van een mobiele puinbreker houdt deze plicht in ieder geval in dat:

    • a. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen,

    • b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen,

    • c. de beste beschikbare technieken worden toegepast,

    • d. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt,

    • e. alle passende maatregelen worden getroffen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen,

    • f. metingen representatief zijn,

    • g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd, en

    • h. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft.

Artikel 7.32 (maatwerkvoorschriften)
  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de paragrafen 7.2.2 en 7.2.3 en artikel 7.31, met uitzondering van bepalingen over:

    • a. meldingplichten, en

    • b. meet- of rekenmethoden.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de regels in de paragrafen 7.2.2 en 7.2.3, waarbij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 7.37 alleen het bepaalde in dat artikel kan inhouden.

  • 3. Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die de mobiele puinbreker in werking heeft, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 7.28, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich niet verzetten.

§ 7.2.2 Procedurele regels
Artikel 7.33 (melding mobiel puinbreken)

Het is verboden een mobiele puinbreker in werking te hebben of te laten hebben zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden (melding mobiel puinbreken).

Artikel 7.34 (gegevens en bescheiden bij melding mobiel puinbreken)

Een melding wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. naam en adres van de natuurlijke of rechtspersoon die de mobiele puinbreker in werking heeft en van de eigenaar van het recyclinggranulaat,

  • b. de dagtekening,

  • c. adres, kadastrale aanduiding of de plaatselijke aanduiding van de locatie, met de exacte positie aldaar waar de mobiele puinbreker in werking zal worden gebracht,

  • d. de data en de tijdstippen dat met een mobiele puinbreker bouw- of sloopafval wordt bewerkt,

  • e. een globale inventarisatie van de hoeveelheid en de aard van het met de mobiele puinbreker te bewerken bouw- en sloopafval, en

  • f. een beschrijving van de bronsterkte (LW) in dB(A) van de mobiele puinbreker.

Artikel 7.35 (informeren: aanvang mobiel breken)

Ten minste twee werkdagen voor het begin van het in werking hebben van een mobiel puinbreker wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, daarover geïnformeerd.

Artikel 7.36 (aanwezigheid bescheiden)
  • 1. Tijdens het in werking zijn van een mobiele puinbreker zijn, voor zover deze zijn opgesteld, de volgende bescheiden of een afschrift daarvan op het terrein aanwezig:

    • a. de melding mobiel breken,

    • b. gegevens over de bronsterkte in dB(A) van de mobiele puinbreker,

    • c. het inspectie- en onderhoudsschema van de mobiele puinbreker en de kalibratiegegevens, en

    • d. certificaten of bewijzen van:

      • 1°. de installatie van tanks, filters en andere voorzieningen, en

      • 2°. onderhoud of keuringen van voor de mobiele puinbreker aanwezige voorzieningen en installaties.

Artikel 7.37 (afbakening maatwerkvoorschriften procedure sloopwerkzaamheden)

Met een maatwerkvoorschrift kan degene die een mobiele puinbreker in werking heeft gehad, worden verplicht binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn na beëindiging van de werkzaamheden een opgave te doen van de aard en de hoeveelheid van de bij de werkzaamheden vrijgekomen afvalstoffen en van de afvoerbestemming van die stoffen.

§ 7.2.3 Materiële regels
Artikel 7.38 (overeenkomstige toepassing materiële regels sloopwerkzaamheden)

Met uitzondering van artikel 7.17 zijn de regels in de paragrafen 7.1.4 en 7.1.5 van overeenkomstige toepassing op het in werking hebben van een mobiele puinbreker.

Artikel 7.39 (geluidhinder)
  • 1. Een mobiele puinbreker is alleen op werkdagen tussen 7.00 uur en 19.00 uur in werking.

  • 2. Daarbij worden de dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur, genoemd in tabel 7.39, niet overschreden.

    Tabel 7.39 dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur

    Dagwaarde

    ≤ 60 dB(A)

    > 60 dB(A)

    > 65 dB(A)

    > 70 dB(A)

    > 75 dB(A)

    maximale blootstellingsduur op de gevel van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang of op de grens van een geluidsgevoelig terrein

    65 dagen

    65 dagen

    15 dagen

    5 dagen

    0 dagen

    maximale blootstellingsduur op de gevel van een gezondheidszorgfunctie en een onderwijsfunctie

    65 dagen

    0 dagen

    0 dagen

    0 dagen

    0 dagen

Artikel 7.40 (registratie)

Op de locatie waar de mobiele puinbreker in werking is, wordt een registratie bijgehouden. Op deze registratie is artikel 8.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN

Artikel 8.1 (inwerkingtreding)

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 8.2 (citeertitel)

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bouwwerken leefomgeving.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

BIJLAGE I BIJ ARTIKEL 1.1 VAN DIT BESLUIT (BEGRIPPEN)

A. Begrippen: algemeen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

aankleding:

op of aan een constructieonderdeel bevestigd materiaal;

aansluitend terrein:

aan een bouwwerk grenzend onbebouwd gedeelte van een bouwwerkperceel of openbaar toegankelijk gebied;

airconditioningsysteem: technisch bouwsysteem voor een vorm van inpandige luchtbehandeling, waardoor de temperatuur wordt geregeld of kan worden verlaagd;

asbest:

asbest als bedoeld in het Asbestverwijderingsbesluit 2005

asbestinventarisatierapport:

rapport dat voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 4.54a, eerste, derde en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

bedgebied:

verblijfsgebied met een of meer bedruimten;

bedruimte:

verblijfsruimte bestemd voor een of meer bedden bestemd voor slapen of voor het verblijf van aan bed gebonden patiënten in die ruimte;

beschermd subbrandcompartiment:

gedeelte van een bouwwerk dat binnen de begrenzing van een subbrandcompartiment ligt of daarmee samenvalt, dat meer bescherming biedt tegen brand of rook dan een subbrandcompartiment;

beschermde route:

buiten het subbrandcompartiment waar de vluchtroute begint gelegen gedeelte van een vluchtroute;

beschermde vluchtroute:

buiten een subbrandcompartiment gelegen gedeelte van een vluchtroute die alleen voert door een verkeersruimte;

bijna energieneutraal gebouw:

gebouw met een zeer hoge energieprestatie, waarbij de dicht bij nul liggende of zeer lage hoeveelheid energie die is vereist in zeer aanzienlijke mate wordt geleverd uit hernieuwbare bronnen die deels ter plaatse of dichtbij wordt geproduceerd;

bouwconstructie:

onderdeel van een bouwwerk voor het dragen van belastingen;

bouwschil:

de geïntegreerde onderdelen die de binnenruimte van een gebouw scheiden van de daar buiten gelegen onderdelen van de fysieke leefomgeving;

bouwwerkinstallatie:

voor het functioneren van een bouwwerk of een gedeelte daarvan noodzakelijke voorziening van niet-bouwkundige aard;

bouwwerkperceel:

perceel dat als uitgangspunt dient bij het toetsen van een bouwwerk aan de regels van dit besluit;

brandcompartiment:

gedeelte van een of meer bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand;

brandvoorschriftengebied:

brandvoorschriftengebied als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

brandweerlift:

lift die met een eenvoudige handeling ter beschikking van de brandweer kan worden gesteld voor het vervoer van materieel en manschappen;

bruto-vloeroppervlakte:

bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

constructieonderdeel:

onderdeel van een bouwwerk voor het voldoen van het bouwwerk aan de technische eisen van de hoofdstukken 3 tot en met 5;

dagwaarde:

de waarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor geluid tussen 07.00 tot 19.00 uur op de gevel van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, gezondheidszorgfunctie of onderwijsfunctie, of op de grens van een geluidsgevoelig terrein, inclusief een eventuele toeslag voor geluid met een impulskarakter, bepaald volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, internetuitgave 2004;

energieprestatie:

berekende of gemeten hoeveelheid energie die nodig is om aan de vraag naar energie te voldoen bij een genormaliseerd gebruik van een gebouw, waaronder energie die wordt gebruikt voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening en verlichting;

energielabel:

schriftelijke verklaring over de energieprestatie van een gebouw;

explosievoorschriftengebied:

explosievoorschriftengebied als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

extra beschermde vluchtroute:

buiten een brandcompartiment gelegen gedeelte van een beschermde vluchtroute;

functiegebied:

gebruiksgebied of een gedeelte daarvan, waar de voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten anders dan het verblijven van personen plaatsvinden;

functieruimte:

in een functiegebied gelegen ruimte;

gebouw:

bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

gebruiksfunctie:

gedeelten van een of meer bouwwerken die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die samen een gebruikseenheid vormen;

gebruiksgebied:

vrij indeelbaar gedeelte van een gebruiksfunctie waar voor de gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden, dat bestaat uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen ruimten gelegen in een brandcompartiment die niet door een dragende scheidingsconstructie van elkaar zijn gescheiden en die geen toiletruimte, badruimte, technische ruimte of verkeersruimte zijn, tenzij die ruimte zelf een functieruimte is;

gebruiksoppervlakte:

gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

gecorrigeerde loopafstand:

loopafstand waarbij constructieonderdelen die geen onderdeel uitmaken van de bouwconstructie buiten beschouwing worden gelaten, waarbij de loopafstand voor zover deze door een gebruiksgebied voert met 1,5 wordt vermenigvuldigd;

gelijkwaardige maatregel:

gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 van de wet;

hoge spanning:

nominale wisselspanning van meer dan 1.000 volt of een nominale gelijkspanning van meer dan 1.500 volt;

geluidsgevoelig terrein:

geluidsgevoelig terrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet Geluidhinder3;

inwendige scheidingsconstructie:

constructie die de scheiding vormt tussen twee voor personen toegankelijke besloten ruimten van een gebouw, inclusief de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een in dit besluit gestelde eis;

klimlijn:

denkbeeldige, vloeiend verlopende lijn die de voorkanten van de treden van een trap met elkaar verbindt;

koelsysteem:

technisch bouwsysteem met als doel het koelen van een ruimte binnen een gebouw of gedeelte daarvan, door het toevoeren van koude of het ontvochtigen van de lucht of een combinatie van beide;

kwaliteitsverklaring:

schriftelijk bewijs, voorzien van een merkteken, aangewezen door Onze Minister minster van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, afgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, aangewezen door deze minister, op grond waarvan een bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan wel een bouwwijze, indien dat bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan wel die bouwwijze bij het bouwen van een bouwwerk wordt toegepast, wordt geacht te voldoen aan krachtens deze wet aan dat bouwmateriaal, bouwdeel of samenstel van bouwmaterialen of bouwdelen dan wel die bouwwijze gestelde eisen;

lage spanning:

nominale wisselspanning van niet meer dan 1.000 volt, of nominale gelijkspanning van niet meer dan 1.500 volt;

leefzone:

gedeelte van een verblijfsgebied waarbij de ruimte gelegen binnen 1 m van een uitwendige scheidingsconstructie, binnen 0,2 m van een inwendige scheidingsconstructie en hoger gelegen dan 1,8 m boven de vloer buiten beschouwing blijft;

lift:

lift voor personen als bedoeld in artikel 1 van het Warenwetbesluit liften 2016;

loopafstand:

afstand, gemeten langs een denkbeeldige, kortst realiseerbare lijn tussen twee punten, waarover op een afstand van ten minste 0,3 m van constructieonderdelen kan worden gelopen en waarbij de loopafstand over een trap samenvalt met de klimlijn;

meetniveau:

hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw;

NEN:

norm die door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut is uitgegeven;

NEN-EN:

door CEN gepubliceerde Europese norm, die door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut is uitgegeven;

nevengebruiksfunctie:

gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie;

nominale belasting:

maximale belasting van een verbrandingstoestel, bepaald op basis van de calorische bovenwaarde van de brandstof waarvoor dat toestel is ingericht;

nooddeur:

deur die alleen is bestemd om te vluchten;

permanente vuurbelasting:

volgens NEN 6090 bepaalde vuurbelasting van de brandbare materialen in de constructieonderdelen van een bouwwerk of van een daarin gelegen ruimte, of de constructieonderdelen die dat bouwwerk of die ruimte begrenzen;

permanente vuurlast:

product van de permanente vuurbelasting van een ruimte of een groep van ruimten en de volgens NEN 2580 bepaalde netto-vloeroppervlakte van het beschouwde gedeelte van het bouwwerk;

prestatieverklaring:

verklaring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening bouwproducten;

rijbaan:

rijbaan als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

stookplaats:

opstelplaats voor een verbrandingstoestel voor open verbranding van vaste brandstoffen;

subbrandcompartiment:

gedeelte van een bouwwerk dat binnen de begrenzing van een brandcompartiment ligt of daarmee samenvalt, voor beperking van verspreiding van rook of verdere beperking van het uitbreidingsgebied van brand;

systeemrendement:

verhouding tussen de door het technisch bouwsysteem nuttig geleverde energie voor het doelmatig functioneren van dat systeem en de door dat systeem aangewende primaire energie;

technisch bouwsysteem:

gebouwgebonden samenstelling van alle bestanddelen van een installatie, waaronder de isolatiekenmerken daarvan, die is bedoeld voor het verwarmen, koelen, ventileren, of het voorzien van warmtapwater, of een combinatie daarvan, van een gebouw of een gedeelte daarvan;

technische ruimte:

ruimte voor het plaatsen van de apparatuur, noodzakelijk voor het functioneren van het bouwwerk, waartoe in ieder geval behoort een meterruimte, een liftmachineruimte en een stookruimte;

tijdelijk bouwwerk:

bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 15 jaar op dezelfde locatie;

toegankelijkheidssector:

voor personen met een functiebeperking zelfstandig bruikbaar en toegankelijk gedeelte van een gebouw;

trappenhuis:

verkeersruimte waarin een trap ligt;

tunnelbuislengte:

lengte van het omsloten gedeelte van een tunnelbuis;

tunnellengte:

lengte van de langste tunnelbuis in een tunnel;

uitwendige scheidingsconstructie:

constructie die de scheiding vormt tussen een voor personen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water, inclusief de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een in dit besluit gestelde eis;

veiligheidsroute:

gedeelte van een extra beschermde vluchtroute dat voert door een niet-besloten ruimte en aansluitend daarop door een ruimte die in de vluchtrichting alleen kan worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte;

veiligheidsvluchtroute:

gedeelte van een extra beschermde vluchtroute dat voert door een niet-besloten ruimte en aansluitend daarop door een ruimte die alleen kan worden bereikt vanuit niet-besloten ruimten;

ventilatiesysteem:

technisch bouwsysteem, geen onderdeel uitmakend van een verwarmings- of koelsysteem, dat verse lucht toevoert of verontreinigde binnenlucht afvoert, of een combinatie daarvan;

verblijfsgebied:

gebruiksgebied of een gedeelte daarvan voor het verblijven van personen;

verblijfsruimte:

in een verblijfsgebied gelegen ruimte voor het verblijven van personen;

verbouwen:

gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of vergroten, anders dan vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert;

verkeersroute:

route die begint bij een doorgang van een ruimte, alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt bij de doorgang van een andere ruimte;

verkeersruimte:

ruimte voor het bereiken van een andere ruimte, die niet ligt in een verblijfsgebied of in een functiegebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte;

verordening bouwproducten:

verordening van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (305/2011/EU, PbEU L88);

verwarmingssysteem:

technisch bouwsysteem waarin warmte wordt opgewekt, gedistribueerd of afgegeven of een combinatie daarvan;

vluchtroute:

route die begint in ruimte voor personen, alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik moet worden gemaakt van een lift;

voor personen bestemde vloer of ruimte:

vloer of ruimte waarvan het kenmerkende gebruik verbonden is met de aanwezigheid van personen;

vrije breedte:

kleinste afstand tussen constructieonderdelen aan weerskanten van een doorgang;

vrije hoogte:

vrije hoogte als bedoeld in NEN 2580;

vuurbelasting:

hoeveelheid warmte die vrijkomt per eenheid vloeroppervlakte bij verbranding van alle in een gebouw of een daarin gelegen ruimte aanwezige brandbare materialen;

warmtapwatersysteem:

technisch bouwsysteem waarin warmtapwater wordt opgewekt, gedistribueerd of afgegeven;

wegtunnel:

tunnel of tunnelvormig bouwwerk alleen of mede bestemd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van die wet;

wegtunnelbuis:

gedeelte van een wegtunnel voor een rijbaan;

wet:

Omgevingswet;

zorg op afroep:

vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg voor professionele zorgverlening aan de bewoners op afroep;

zorg op afspraak:

vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg voor professionele zorgverlening aan de bewoners op afspraak;

24-uurszorg:

vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg voor professionele zorgverlening aan de bewoners gedurende 24 uur per dag.

B. Begrippen: gebruiksfuncties

Voor de toepassing van dit besluit wordt voorts verstaan onder:

bijeenkomstfunctie:

gebruiksfunctie voor het samenkomen van personen voor kunst, cultuur, godsdienst, communicatie, kinderopvang, het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse, ontspanning of het aanschouwen van sport;

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang:

bijeenkomstfunctie voor het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en begeleiden van kinderen die het basisonderwijs nog niet hebben beëindigd, maar geen gastouderopvang als bedoeld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

bouwwerk geen gebouw zijnde:

bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is;

celeenheid:

voor een enkel persoon of een afzonderlijke groep personen bestemd gedeelte van een celfunctie;

celfunctie:

gebruiksfunctie voor dwangverblijf van personen;

gezondheidszorgfunctie:

gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of behandeling;

groepszorgwoning:

woonfunctie waarbij aan ten minste vijf bewoners professionele zorg wordt verleend met een vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg;

industriefunctie:

gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor bedrijfsmatige agrarische doeleinden;

kantoorfunctie:

gebruiksfunctie voor administratie;

Kantoorgebouw:

gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend een of meer kantoorfuncties en nevenfuncties daarvan;

lichte industriefunctie:

industriefunctie waarin activiteiten plaatsvinden, waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt;

lichte industriefunctie voor het houden van dieren:

lichte industriefunctie waarin dieren als bedoeld in bijlage II bij het Besluit houders van dieren, bedrijfsmatig worden gehouden;

logiesfunctie:

gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen;

logiesgebouw:

gebouw of gedeelte van een gebouw met alleen logiesfuncties of nevengebruiksfuncties daarvan, waarin meer dan een logiesverblijf ligt, dat is aangewezen op een gezamenlijke verkeersroute;

logiesverblijf:

voor een enkel persoon of een afzonderlijke groep personen bestemd gedeelte van een logiesfunctie;

onderwijsfunctie:

gebruiksfunctie voor het geven van onderwijs;

overige gebruiksfunctie:

niet in dit onderdeel benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt;

overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer:

overige gebruiksfunctie voor aankomst of vertrek van vervoermiddelen voor weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer van personen;

sportfunctie:

gebruiksfunctie voor het beoefenen van sport;

winkelfunctie:

gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of diensten;

wooneenheid:

gedeelte van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur voor afzonderlijke bewoning;

woonfunctie:

gebruiksfunctie voor het wonen;

woonfunctie voor kamergewijze verhuur:

niet-gemeenschappelijk deel van een woonfunctie waarin zich vijf of meer wooneenheden bevinden;

woonfunctie voor particulier eigendom:

woonfunctie die wordt gebouwd in particulier opdrachtgeverschap als bedoeld in het Omgevingsbesluit4 of die wordt bewoond door de eigenaar;

woonfunctie voor zorg:

woonfunctie waarbij aan de bewoners professionele zorg wordt verleend met een vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg;

woongebouw:

gebouw of gedeelte daarvan met alleen woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan, waarin meer dan een woonfunctie ligt die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute;

woonwagen:

woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen;

zorgclusterwoning:

woonfunctie in een cluster van meer dan drie aan elkaar grenzende woonfuncties voor zorg.

C. Tabel: symbolen en afkortingen

Voor de toepassing van dit besluit wordt in een tabel verstaan onder:

–: dit lid is niet van toepassing;

*: het hele artikel is van toepassing;

≤ : alle waarden kleiner dan of gelijk aan de achter dit teken aangegeven waarde;

> : alle waarden groter dan de achter dit teken aangegeven waarde;

≥ : alle waarden groter dan of gelijk aan de achter dit teken aangegeven waarde;

g.o. : gebruiksoppervlakte;

w.b.d.b.o : weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag.

BIJLAGE II BIJ DE ARTIKELEN 3.115 EN 4.208 VAN DIT BESLUIT (BRANDMELDINSTALLATIE)

 

gebruiksoppervlakte

hoogste vloer van de

gebruiksfunctie gemeten boven

het meetniveau

omvang van de bewaking,

volgens NEN 2535

doormelding volgens NEN 2535

geldig inspectiecertificaat

Groter dan [m2]

Hoger dan [m]

     

1

Woonfunctie

         
 

a.

woonfunctie voor zorg

         
   

1

Zorgclusterwoning voor zorg op afroep in een woongebouw

Gedeeltelijk

   

2

Zorgclusterwoning voor 24-uurs zorg in een woongebouw

Gedeeltelijk

ja

ja

   

3

Zorgclusterwoning voor 24-uurs zorg niet in een woongebouw

Volledig

   

4

Groepszorgwoning voor zorg op afspraak

Volledig

   

5

Groepszorgwoning voor zorg op afroep

Volledig

   

6

Groepszorgwoning voor 24-uurs zorg

Volledig

ja

ja

   

7

Andere woonfunctie voor zorg

 

b.

andere woonfunctie

2

Bijeenkomstfunctie

         
 

a

voor het aanschouwen van sport

 

b

kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

200

Volledig

       

1,5

Volledig

ja

ja

 

c

andere bijeenkomstfunctie

5

Gedeeltelijk

ja

       

50

Volledig

ja

       

500

Niet-automatisch

       

1.000

Gedeeltelijk

ja

       

5.000

Volledig

ja

3

Celfunctie

Volledig

ja

ja

4

Gezondheidszorgfunctie

         
 

a

gezondheidszorgfunctie met bedgebied

Volledig

ja

ja

 

b

andere gezondheidszorgfunctie

50

Gedeeltelijk

ja

ja

       

4,1

Niet-automatisch

       

250

1,5

Niet-automatisch

       

500

Niet-automatisch

5

Industriefunctie

         
 

a.

lichte industriefunctie

 

b.

andere industriefunctie

20

Niet-automatisch

       

750

4,1

Niet-automatisch

       

1.500

1,5

Niet-automatisch

       

2.500

Niet-automatisch

6

Kantoorfunctie

20

Niet-automatisch

       

50

Gedeeltelijk

ja

       

500

4,1

Niet-automatisch

       

750

1,5

Niet-automatisch

       

1.500

Niet-automatisch

7

Logiesfunctie

         
 

a.

in een logiesgebouw met 24-uursbewaking

250

Volledig

ja

 

b.

in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking

1,5

Volledig

ja

ja

     

250

Volledig

ja

 

c.

niet in een logiesgebouw

8

Onderwijsfunctie

4,1

Niet-automatisch

       

50

Gedeeltelijk

ja

       

250

1,5

Niet-automatisch

       

500

Niet-automatisch

9

Sportfunctie

4,1

Niet-automatisch

       

50

Gedeeltelijk

ja

       

500

1,5

Niet-automatisch

       

1.000

Niet-automatisch

10

Winkelfunctie

4,1

Niet-automatisch

       

50

Volledig

ja

       

500

1,5

Niet-automatisch

       

1.000

Niet-automatisch

       

5.000

13

Gedeeltelijk

ja

       

10.000

Gedeeltelijk

ja

       

10.000

13

Volledig

ja

11

Overige gebruiksfunctie

         
 

a

besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen

1,5

Niet-automatisch

       

1.000

Volledig

       

2.500

Volledig

ja

                 
 

b

besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer

1,5

Niet-automatisch

       

13

Gedeeltelijk

       

1.000

Niet-automatisch

       

2.500

Gedeeltelijk

ja

 

c

andere overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

NOTA VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

Samenvatting Besluit bouwwerken leefomgeving

00

     

1

Inleiding

00

 

1.1 Aanleiding

00

 

1.2 Grondslag en reikwijdte

00

 

1.3 Verhouding tot andere regelgeving

00

 

1.4 Medebetrokkenheid

00

 

1.5 Leeswijzer

00

     

2

Achtergrond, uitgangspunten en hoofdkeuzes

00

 

2.1 Achtergrond stelselherziening

00

 

2.1.1 Naar een nieuwe uitvoeringspraktijk

00

 

2.1.2 Naar een eenduidig instrumentenpalet

00

 

2.1.3 Integraal Afwegingskader

00

 

2.2 Uitgangspunten

00

 

2.2.1 Algemene uitgangspunten

00

 

2.2.2 Herimplementatie Europees recht en internationale verdragen

00

 

2.2.3 Uitwerking van de algemene uitgangspunten voor dit besluit

00

 

2.3 Hoofdkeuzes van dit besluit

00

 

2.3.1 Landelijk uniforme regels

00

 

2.3.2 Vergunningvrij, melding en vergunningplichtig

00

 

2.3.3 Bevoegd gezag en verboden

00

 

2.3.4 Doel- en middelvoorschriften en gelijkwaardigheid

00

 

2.3.5 Maatwerk

00

 

2.3.6 Zorgplicht

00

 

2.3.7 Normadressaat

00

 

2.3.8 Overige uitgangspunten voor dit besluit

00

     

3

Hoofdlijnen van dit besluit

00

 

3.1 Hoofdlijnen van de inzet van instrumenten

00

 

3.2 Structuur van het besluit

00

 

3.3 Bestaande bouw

00

 

3.3.1 Wijzigingen ten opzichte van voorgaande regelgeving en effecten van deze wijzigingen

00

 

3.4 Nieuwbouw

00

 

3.4.1 Wijzigingen ten opzichte van voorgaande regelgeving en effecten van deze wijzigingen

00

 

3.5 Verbouw en verplaatsing van een bouwwerk en wijziging van de gebruiksfunctie

00

 

3.5.1 Wijzigingen ten opzichte van voorgaande regelgeving en effecten van deze wijzigingen

00

 

3.6 Gebruik van bouwwerken

00

 

3.6.1 Wijzigingen ten opzichte van voorgaande regelgeving en effecten van deze wijzigingen

00

 

3.7 Bouw- en sloopwerkzaamheden

00

 

3.7.1 Wijzigingen ten opzichte van voorgaande regelgeving en effecten van deze wijzigingen

00

 

3.8 Systematiek van de bouwregelgeving

00

     

4

Verhouding tot andere regelgeving

00

 

4.1 Andere besluiten onder de Omgevingswet

00

 

4.2 Voorgaande regelgeving

00

 

4.2.1 Bouwbesluit 2012

00

 

4.2.2 Besluit energieprestatie gebouwen

00

 

4.2.3 Activiteitenbesluit milieubeheer

00

 

4.3 Overgangsrecht

00

     

5

Uitvoering, toezicht en handhaving

00

 

5.1 Uitvoering

00

 

5.2 Toezicht

00

 

5.3 Handhaving

00

     

6

Effecten van de AMvB’s onder de Omgevingswet

00

 

6.1 Algemeen

00

 

6.2 Financiële effecten

00

 

6.2.1 Financiële effecten algemeen

00

 

6.2.2 Effect op de regeldruk voor burgers en bedrijven

00

 

6.2.3 Structureel effect op bestuurlijke lasten voor overheden

00

 

6.2.4 Eenmalige kosten

00

 

6.3 Effect op het milieu

00

 

6.3.1 Effect op beschermingsniveau en realisatie milieuambities

00

 

6.3.2 Beginselen van het EU-milieubeleid

00

 

6.3.3 Effecten van de beginselen van het EU-milieubeleid voor dit besluit

00

 

6.4 Effect op de rechterlijke macht en de handhaafbaarheid

00

     

7

Totstandkoming besluit en consultatie

00

 

7.1 Totstandkoming besluit

00

 

7.2 Centrale thema’s in de consultatiereacties

00

 

7.3 Verwerking consultatiereacties in dit besluit

00

 

7.4 Wijzigingen naar aanleiding van de parlementaire behandeling

00

     

8

Notificatie

00

     

9

Invoering

00

 

9.1 Implementatieprogramma

00

 

9.2 Invoeringsondersteuning aan gebruikers

00

 

9.3 Veranderopgave van overheden

00

 

9.4 Digitaal stelsel Omgevingswet

00

     

10

Overgangsrecht

00

     

11

Implementatietabellen

00

     

ARTIKELSGEWIJS

00

Samenvatting Besluit bouwwerken leefomgeving

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna Besluit bouwwerken leefomgeving of dit besluit) is een van de vier AMvB’s die uitvoering geven aan de Omgevingswet (hierna Omgevingswet of de wet). Het besluit bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat voornamelijk regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de inhoudelijke kaders voor overheidsorganen, waarbinnen zij hun taken en bevoegdheden op het terrein van de fysieke leefomgeving uitoefenen.

Het Omgevingsbesluit regelt welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen. Ook regelt het welke bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs betrokken moeten worden bij de besluitvorming, de invulling van procedures en stelt het regels aan een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage.

Reikwijdte van de Omgevingswet

De Omgevingswet gaat over beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Hiervoor stelt het Rijk alleen regels als dat nodig is op basis van nationaal beleid of als dat voortvloeit uit internationale verplichtingen.

Er zijn vijf typen maatschappelijke opgaven op het terrein van de fysieke leefomgeving waarvoor het Rijk regels stelt:

  • Het beschermen van kwetsbare onderdelen van fysieke leefomgeving, zoals gebouwen waar mensen verblijven. Hiervoor gelden regels met het oog op geur, geluid en externe veiligheid. Ook cultureel erfgoed wordt gezien als een kwetsbaar onderdeel, waarvoor in dit besluit regels zijn gesteld.

  • Het beschermen van onderdelen van de fysieke leefomgeving van nationaal belang, zoals rijkswegen en waterstaatswerken in beheer van het Rijk tegen gevolgen van activiteiten.

  • De zorg voor een aanvaardbare kwaliteit van specifieke onderdelen van de fysieke leefomgeving, zoals de kwaliteit van de buitenlucht, de bodem of het oppervlaktewater.

  • Het waarborgen van een aanvaardbare kwaliteit van onderdelen van de fysieke leefomgeving waar een eigenaar of beheerder aan zet is, zoals de minimumkwaliteit van bouwwerken of de kwaliteit van badgelegenheden.

  • Het benadrukken van algemene belangen, zoals het belang van het beschermen van de gezondheid of het waarborgen van de veiligheid, waaronder het voorkomen van rampen.

Waar gaat dit besluit over?
• Activiteiten waaraan het Rijk regels stelt

Dit besluit geeft invulling aan de grondslag uit artikel 4.3, eerste lid, onder a, van de wet. Op grond van dat artikel moeten er bij AMvB algemene rijksregels worden gesteld over bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en in stand houden van bouwwerken. De grondslag uit artikel 4.3 van de wet is in de artikelen 4.21 en 4.22 verder uitgewerkt voor respectievelijk bouwwerken en milieubelastende activiteiten. Dit besluit geeft invulling aan artikel 4.21 (rijksregels bouwwerken) en alleen voor het onderwerp mobiele puinbrekers ook aan artikel 4.22 (rijksregels milieubelastende activiteit).

• Aanwijzing bevoegd gezag voor algemene rijksregels

Dit besluit bepaalt welk bestuursorgaan bevoegd gezag is voor de algemene rijksregels. Het gaat om het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan, dat een maatwerkvoorschrift kan stellen, dat beslist op een verzoek tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel en dat zorg draagt voor de bestuursrechtelijke handhaving van de algemene rijksregels. In dit besluit is in de regel het college van burgemeester en wethouders hiervoor aangewezen. Voor een aantal onderwerpen geldt een afwijkende regeling. Dit betreft regels over de verordening bouwproducten en een aantal regels ter implementatie van de richtlijn energieprestatie gebouwen, zoals over het energielabel. In die gevallen is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het bevoegd gezag. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning naast een bouwactiviteit ook een andere activiteit bevat (magneetactiviteit) kan een ander bestuursorgaan, zoals gedeputeerde staten of een andere minister, bevoegd gezag zijn voor de omgevingsvergunning voor die beide activiteiten.

• Type voorschriften

Het grootste deel van de regels in dit besluit is uitgewerkt in de vorm van doel- en middelvoorschriften. Aan het doelvoorschrift moet altijd voldaan worden, het middelvoorschrift biedt een betrouwbare werkwijze om aan het doelvoorschrift te voldoen. Als waarborg voor de flexibiliteit voor degene die de activiteit verricht, bevat artikel 4.7 van de wet een regeling van gelijkwaardigheid. Dit geeft in praktisch alle gevallen het recht om een andere maatregel toe te passen die gelijkwaardig is aan de oorspronkelijke maatregel in het besluit. Hiermee worden ook innovatieve oplossingen die nog niet in regelgeving zijn vastgelegd mogelijk gemaakt.

Op een aantal plekken in dit besluit zijn specifieke zorgplichten opgenomen. Deze zorgplichten doen een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van degene die de activiteit verricht. Behalve het naleven van de uitgewerkte regels moet er permanent worden nagegaan of er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat of voortduurt. In de regel zal het voldoende zijn wanneer de algemene rijksregels worden nageleefd.

Voor een deel van de activiteiten geldt een meldingsplicht. Het betreft het soort activiteiten waarbij het gelet op mogelijk nadelige gevolgen wenselijk is, dat de activiteit niet start, voordat het bevoegd gezag daarvan op de hoogte is gebracht.

Wanneer het noodzakelijk is dat het bevoegd gezag een activiteit van te voren beoordeelt, voorschriften daarvoor opstelt en expliciet instemt met de uitvoering daarvan, is een omgevingsvergunning vereist. Doorgaans geldt dit voor complexere activiteiten met mogelijk grote gevolgen.

• Reservering overige onderwerpen

Op dit moment zijn afdelingen gereserveerd voor de onderwerpen ‘Kwaliteitsborging voor het bouwen’ en ‘Aanwijzing vergunningplichtige gevallen’. Deze onderwerpen zullen te zijner tijd via de Invoeringswet Omgevingswet en het bijbehorende besluit in dit besluit worden opgenomen.

Belangrijkste veranderingen en verbeteringen
• Vereenvoudiging

Dit besluit draagt bij aan de vereenvoudiging van het omgevingsrecht en het verminderen van het aantal wetten, amvb’s en ministeriële regelingen. Dit besluit bevat regels die afkomstig zijn uit de Woningwet, het Bouwbesluit 2012 en de daarmee samenhangende ministeriële regeling, het Besluit energieprestatie gebouwen en de daarmee samenhangende ministeriële regeling, het Besluit omgevingsrecht, enkele voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer met betrekking tot gebouwinstallaties en andere gebouwgebonden voorzieningen, het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voor wat betreft het verwijderen van asbest uit bouwwerken en het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval en de daarmee samenhangende bijlage.

Door het samenbrengen van (onderdelen van) verschillende regels in één besluit is sprake van meer samenhang en zijn regels eenvoudiger vindbaar. Daarnaast zijn de begrippen die in de vier AMvB’s gebruikt worden goed op elkaar afgestemd waardoor de vier AMvB’s een samenhangend geheel vormen.

Invulling van het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’

Aan dit uitgangspunt is in eerste instantie invulling gegeven door middel van het toepassingsbereik van dit besluit gebaseerd op artikelen 4.3 en 4.21 van de wet. Door algemene rijksregels over een onderwerp te stellen regelt het Rijk deze onderwerpen in principe uitputtend. Indien er over een onderwerp geen algemene rijksregels zijn gesteld, bestaat er een eigen bevoegdheid voor decentrale overheden. Twee voorbeelden:

  • In tegenstelling tot het Bouwbesluit 2012 worden geen regels gesteld aan de staat van open erven en terreinen. Daarmee krijgen gemeenten de bevoegdheid over dit onderwerp regels te stellen in hun omgevingsplan.

  • Over de activiteit ‘gebruik van een bouwwerk’ bevat dit besluit alleen regels die zijn gesteld met het oog op het waarborgen van het aspect ‘brandveiligheid’, van een deel aspect van het aspect ‘gezondheid’ en van enkele deelaspecten van het aspect ‘duurzaamheid’. Het staat gemeenten daarom vrij om algemene regels over andere (deel) aspecten van het gebruik van bouwwerken te stellen, bijvoorbeeld over het maximale aantal personen dat vanuit oogpunt van gezondheid tegelijk in een woning mag verblijven zodat zogenoemde overbewoning wordt voorkomen.

• Maatwerk

Vanuit het oogpunt van lastenbeperking, rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en voorspelbaarheid zijn de regels van dit besluit in beginsel landelijk uniform. Door gemeenten waar nodig ruimte voor nadere invulling, aanvulling of afwijking van regels te laten, kan bij de toepassing gebiedsgericht of in individuele gevallen maatwerk worden geleverd.

De mogelijkheden tot maatwerk zijn in dit besluit duidelijk afgebakend. Een deel van de maatwerkmogelijkheden bestond al in de eerdere bouwregelgeving. Het gaat daarbij om mogelijkheden die voorheen werden geboden door de Woningwet (de ontheffingsmogelijkheid van artikel 7 en de aanschrijfmogelijkheid van artikel 13) en het Bouwbesluit 2012 (de mogelijkheid van artikel 1.21 tot het stellen van nadere eisen na een gebruiksmelding en de mogelijkheid van artikel 1.29 tot het stellen van nadere eisen na een sloopmelding). Die mogelijkheden zijn dus niet nieuw. Een belangrijke nieuwe mogelijkheid die in dit besluit wordt geïntroduceerd is de bevoegdheid voor gemeente om in hun omgevingsplan maatwerkregels op te nemen waarin zij de algemene rijksregels over energiezuinigheid bij nieuwbouw (EPC-norm) en de milieuprestatie van bij nieuwbouw toe te passen bouwmaterialen, kunnen aanscherpen of waarin zij de algemene rijksregels over bruikbaarheid van woonfuncties kunnen versoepelen.

Maatwerk is niet mogelijk als de mogelijkheid daartoe niet expliciet in dit besluit is opgenomen. Maatwerk moet bovendien altijd goed worden gemotiveerd.

• Deregulering

Het grootste deel van de regels in dit besluit is afkomstig uit het Bouwbesluit 2012 en de daarmee samenhangende ministeriële regeling en de Woningwet. Aangezien het Bouwbesluit 2012 al voor 2012 grondig was herzien, waarbij deregulering één van de hoofddoelen was, is de insteek geweest de inhoud hiervan zoveel mogelijk ongewijzigd over te zetten naar dit besluit. De meeste inhoudelijke regels zullen voor de gebruiker dus ook herkenbaar zijn.

Om verschillende redenen is in een aantal gevallen besloten tot verdergaande deregulering:

  • Er is besloten een aantal regels niet over te nemen maar te dereguleren en onder specifieke zorgplichten te laten vallen. Dit omdat deze regels zo vanzelfsprekend zijn dat het opnemen van een regel niet gerechtvaardigd is. Een voorbeeld daarvan is het restrisico veilig vluchten bij brand ( artikel 7.16 Bouwbesluit 2012).

  • Zoals ook bij het punt ‘decentraal tenzij’ genoemd zijn regels over open erven en terreinen grotendeels gedereguleerd, evenals regels over kleinschalige hinder en overlast. Deze onderwerpen kunnen lokaal ingevuld worden in het omgevingplan.

  • De bruikbaarheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 zijn voor de niet-woonfuncties gedereguleerd Deze deregulering resulteert in meer vrijheid voor de markt. Waar in het verleden landelijk uniforme eisen werden gesteld aan kunnen projectontwikkelaars bij de ontwikkeling van utiliteitsgebouwen nu met meer vrijheid inspelen op wat in een bepaald segment van de markt of een specifieke regio gewenst is.

• Indeling van het besluit

In dit besluit is vastgehouden aan de uit de eerdere bouwregelgeving bekende systematiek van doel- en middelvoorschriften en het gebruik van tabellen in de wetgeving. Om aan te sluiten bij de systematiek van de wet en de drie andere besluiten, is dit besluit op andere onderdelen wel aangepast.

De regels in dit besluit zijn geclusterd rondom een bepaalde activiteit die te maken heeft met het bouwwerk5, in hoofdstukken voor: bestaande bouw, nieuwbouw, verbouw, gebruik en bouw- en sloopwerkzaamheden. Binnen deze hoofdstukken zijn de oogmerken veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid, voor zover van toepassing, terug te vinden.

Daarnaast is de volgorde waarin de bestaande bouw en nieuwbouw aandacht krijgen omgedraaid ten opzichte van het Bouwbesluit 2012. In dit besluit zijn de regels over bestaande bouw in het eerste inhoudelijke hoofdstuk (hoofdstuk 3) opgenomen, in het daar op volgende hoofdstuk komen de nieuwbouwregels aan de orde. Deze wijziging ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 doet beter recht aan de daadwerkelijke situatie in Nederland, namelijk dat het grootste gedeelte van de gewenste gebouwvoorraad in Nederland al bestaat en een kleiner deel in de komende decennia nog gebouwd zal moeten worden.

• Inperking van vergunning- en meldingplichten

De gebruiksmelding brandveilig gebruik is aangepast ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 waardoor in minder gevallen een melding hoeft te worden gedaan.

Een verdere beperking van gevallen waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen geldt zal via de Invoeringswet Omgevingswet en het bijbehorende besluit worden opgenomen in het voorliggende besluit.

1 Inleiding

1.1 Aanleiding
Maatschappelijke doelen en verbeterdoelen stelselherziening

Het Besluit bouwwerken leefomgeving maakt onderdeel uit van het vernieuwde stelsel voor het omgevingsrecht. Het nieuwe juridische stelsel bestaat uit de Omgevingswet en vier daarbij behorende algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en de daarmee samenhangende ministeriële regeling. Samen bieden ze het juridische kader voor maatschappelijke opgaven en ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Met dit nieuwe stelsel kan, beter dan voorheen, worden ingespeeld op de dynamiek in de fysieke leefomgeving. Het stelsel is gericht op: het met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, en in onderlinge samenhang:

bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Deze zogenoemde maatschappelijke doelen zijn opgenomen in artikel 1.3 van de Omgevingswet. Ze kunnen worden samengevat in het motto: ‘ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit’. De Omgevingswet (hierna ook: de wet) en de uitvoeringsregelgeving dragen zo bij aan de versterking van de economie én aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving van ons land.

De vorm en de inhoud van de stelselherziening van het omgevingsrecht zijn gebaseerd op vier verbeterdoelen. Deze verbeterdoelen zijn sturend geweest voor de gemaakte keuzen voor de verdere uitwerking van het stelsel in de wet en in de AMvB’s. De vier verbeterdoelen drukken uit wat de regering wil bereiken met de stelselherziening. De vier verbeterdoelen zijn:

  • het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht;

  • het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;

  • het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving;

  • het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving.

Aanleiding stelselherziening

De Omgevingswet en de uitvoeringsregelgeving zijn de weerslag van een herziening van het stelsel voor het omgevingsrecht. Deze was om twee redenen nodig. In de eerste plaats sloot de oude regelgeving niet goed meer aan op huidige en toekomstige ontwikkelingen. Zo richtten de oude regels zich onvoldoende op duurzame ontwikkeling. Ze hielden onvoldoende rekening met regionale verschillen, de behoefte aan maatwerk in concrete projecten en het belang van vroegtijdige betrokkenheid van belanghebbenden bij de besluitvorming over projecten. In de tweede plaats was het voormalige omgevingsrecht verbrokkeld. Het was verdeeld over tientallen wetten en zo'n 120 voornamelijk sectorale AMvB’s voor betrekking tot bodem, bouwen, geluid, infrastructuur, mijnbouw, milieu, monumentenzorg, natuur, ruimtelijke ordening en waterbeheer. Deze verbrokkeling leidde tot problemen in de afstemming en de coördinatie . Ook wisten gebruikers niet altijd bij welke overheidsinstanties er moesten zijn en of ze wel alle regels gevonden hadden die op hen van toepassing zijn. Initiatiefnemers van activiteiten worstelden met de vele verschillende wetten en AMvB’s, met elk hun eigen procedures, planvormen en regels. Bevoegde gezagsinstanties konden initiatieven niet beoordelen in samenhang en integraal beleid kwam niet of alleen moeizaam tot stand. Deze problemen lieten zich vooral voelen door de toegenomen gebiedsgerichte benadering.

In het voormalige omgevingsrecht waren in de loop van de jaren al verbeteringen doorgevoerd, die op zichzelf weliswaar succesvol waren, maar tegelijkertijd de transparantie van het stelsel belemmerden door de stapeling en versnippering van wetgeving. Bovendien lag de nadruk te zeer op zekerheid en te weinig op een op duurzaamheid gerichte groei.

De wet biedt een fundament voor bundeling van het omgevingsrecht in één wet en vier AMvB’s. Het integreert met name de ‘gebiedsgerichte’ onderdelen van het oude omgevingsrecht in één samenhangend stelsel van planning, besluitvorming en uitvoering. De stelselherziening leidt daarmee tot betere mogelijkheden voor integraal beleid, tot betere bruikbaarheid en substantiële vereenvoudiging van het omgevingsrecht. Plannen en vergunningen worden zo veel mogelijk gebundeld, procedures worden korter. Deze bundeling biedt mogelijkheden voor slimme (win-win) combinaties, kostenbesparing, beperking van onderzoekslasten en betere mogelijkheden voor digitale beschikbaarheid van plannen, besluiten en onderzoeken.

Vier AMvB’s

In totaal zijn zo'n zestig sectorale AMvB's opgegaan in de vier AMvB's onder de wet. In het eindbeeld van het nieuwe stelsel, zoals beschreven in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel voor de Omgevingswet6, gaan ook de andere AMvB's onder de reikwijdte van de Omgevingswet vallen. Bij de indeling van de vier AMvB's is gekozen om deze zoveel mogelijk helder te koppelen aan de doelgroep en het type regelgeving om op die manier het omgevingsrecht inzichtelijker te maken, gemakkelijker in het gebruik en meer samenhangend. Dit heeft geleid tot de volgende AMvB’s:

Het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit besluit stelt algemene, rechtstreeks werkende rijksregels over activiteiten in de fysieke leefomgeving aan burgers, bedrijven en overheden in de rol van initiatiefnemer. Het gaat daarbij vooral om milieubelastende activiteiten en wateractiviteiten.

Het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit besluit stelt rechtstreeks werkende regels aan activiteiten met betrekking tot bouwwerken, zoals bouwen en slopen. Dit besluit is gericht op een ieder die deze activiteiten uitvoert, in de praktijk vooral burgers en bedrijven.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit besluit richt zich tot bestuursorganen en bevat de inhoudelijke normen voor de bestuurlijke taakuitoefening en besluitvorming.

Het Omgevingsbesluit. Dit besluit bevat de algemene en procedurele bepalingen voor de uitwerking van de instrumenten van de wet die voor een ieder van belang zijn, zowel voor overheden als voor bedrijven en burgers.

De indeling van de AMvB's naar doelgroepen en type regels is gevisualiseerd in figuur 1.1.

De gekozen indeling van de AMvB’s betekent dat de verschillende doelgroepen de regels die op hen van toepassing zijn duidelijker bij elkaar kunnen vinden. Een initiatiefnemer heeft vooral te maken met het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Omgevingsbesluit. Dat besluit geeft helder aan welke algemene rijksregels gelden voor bijvoorbeeld een glastuinbouwbedrijf, een betoncentrale, een tankstation, of voor het uitvoeren van activiteiten langs rijkswegen en rijkswateren en voor activiteiten die van invloed zijn op cultureel erfgoed. Daarbij geeft dat besluit aan in welke gevallen daarvoor een vergunning nodig is. Als een burger of bedrijf als onderdeel van zijn plannen ook iets wil bouwen of slopen, kan hij terecht in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hij kan in het Omgevingsbesluit vinden welke procedures hij moet doorlopen en wie het bevoegde gezag is. In het omgevingsplan van de gemeente vindt hij ten slotte welke gemeentelijke regels verder nog gelden voor zijn initiatief.

Voor de gemeente, het waterschap en de provincie is daarnaast ook het Besluit kwaliteit leefomgeving van belang. Dat besluit schrijft voor welke regels het bestuursorgaan moet opnemen in zijn omgevingsplan of verordening en welk beoordelingskader geldt bij vergunningen. In het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving kan het bestuursorgaan vinden welke ruimte er is om maatwerk te bieden in aanvulling op de algemene rijksregels. Hiermee kan hij waar nodig extra ruimte creëren voor gewenste ontwikkelingen en innovaties, of juist strengere eisen stellen als de situatie hierom vraagt. Het Omgevingsbesluit geeft ten slotte duidelijkheid over procedures en over instrumenten als milieueffectrapportage, kostenverhaal en financiële zekerheidsstelling. Ook hier zijn hierin de regels te vinden rondom participatie en wordt uitwerking gegeven aan de projectprocedure.

1.2 Grondslag en reikwijdte

Met dit besluit wordt invulling gegeven aan artikel 4.3 van de wet, dat een grondslag biedt voor het stellen van algemene regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De grondslag in de wet maakt onderscheid tussen activiteiten waarvoor algemene rijksregels moeten worden gesteld (artikel 4.3, eerste lid) en activiteiten waarvoor algemene rijksregels kunnen worden gesteld (artikel 4.3, tweede lid). Dit besluit bevat de algemene rijksregels voor bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken. Dit zijn regels die genoemd zijn in artikel 4.3, eerste lid, van de wet. De regels met betrekking tot de overige in artikel 4.3, eerste lid, van de wet genoemde activiteiten en enkele als bedoeld in het tweede lid van artikel 4.3 zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.3, eerste lid, is de grondslag voor het onderhavige besluit. Hiernaast is vooral artikel 4.21, rijksregels bouwwerken, van belang. In artikel 4.21, eerste lid, is bepaald dat de in artikel 4.3 bedoelde regels worden gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het waarborgen van duurzaamheid en bruikbaarheid. In het tweede lid is aangegeven aan welke eisen de regels moeten voldoen. De regels moeten in ieder geval zo zijn dat een minimumkwaliteit van bouwwerken is gewaarborgd evenals een brandveilig gebruik. Ook moet het belang van de veiligheid en gezondheid in de directe omgeving van het bouwen en slopen worden gewaarborgd. Verder moet voor nieuw te realiseren bouwwerken en de directe omgeving daarvan de toegankelijkheid voor mensen met een functiebeperking worden gewaarborgd. De eisen van artikel 4.21, eerste lid, komen aan het begin van ieder hoofdstuk terug in de regels met betrekking tot het toepassingsbereik. Deze regels zijn van belang voor de afbakening van de precieze reikwijdte van de betreffende regels en voor het beoordelen van de vraag of er sprake van een gelijkwaardige oplossing is. Met de eisen van artikel 4.21, tweede lid, is bij het maken van de ‘technische regels’ in de hoofdstukken 3 tot en met 7 rekening gehouden.

Het begrip fysieke leefomgeving is zelf niet in de wet gedefinieerd, maar artikel 4.21, eerste lid, maakt duidelijk dat de regels van dit besluit uitsluitend worden gesteld met het oog op de hiervoor genoemde vier oogmerken. Er kunnen dus geen algemene rijksregels over een bouwactiviteit gesteld worden met het oog op andere doelen dan genoemd in artikel 4.21 van de wet.

Voor afdeling 7.2 van dit besluit is ook de in artikel 4.3 van de wet opgenomen grondslag in samenhang met de eisen van artikel 4.22 voor rijksregels over milieubelastende activiteiten van belang. In afdeling 7.2 zijn regels gesteld over het met een mobiele puinbreker breken van bouw- en sloopafval, afkomstig van het bouwen en slopen van bouwwerken of wegen. Die regels, die voorheen waren opgenomen in het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval, zijn voortaan in dit besluit opgenomen in verband met hun inhoudelijke samenhang met de overige regels die in dit besluit over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden zijn gesteld. Omdat de reikwijdte van artikel 4.21 het niet mogelijk maakt om op grond daarvan in dit besluit regels te stellen over het mobiel breken van puin, afkomstig van wegen, is voor het stellen van die regels gebruik gemaakt van artikel 4.22.

1.3 Verhouding tot andere regelgeving
Verhouding tot voorheen geldende regelgeving

Dit besluit bevat regels die afkomstig zijn uit de Woningwet, het Bouwbesluit 2012 en de daarmee samenhangende ministeriële regeling, het Besluit energieprestatie gebouwen en de daarmee samenhangende ministeriële regeling, het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval, het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (voor zover het asbestverwijdering uit bouwwerken betreft), enkele regels uit het Besluit omgevingsrecht en enkele regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer met betrekking tot gebouwinstallaties en andere gebouwgebonden voorzieningen.

Een nadere beschrijving van deze voorheen geldende regelgeving en de wijze waarop deze geheel of gedeeltelijk is overgegaan naar dit besluit is te vinden in hoofdstuk 4 van deze toelichting

Aanvullingswetten en -besluiten en voorziene aanpassingen bij invoeringsbesluit

Dit besluit zal naar verwachting nog voor inwerkingtreding worden aangevuld en gewijzigd met een aantal onderwerpen waar in verband met lopende beleidswijzingen een andere planning noodzakelijk was. Het gaat hier ten eerste om wijzigingen als gevolg van de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen7. Invoering van die wet is voorzien voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Mogelijk gaan ook wijzigingen van dit besluit voortkomen uit de aanvullingswetten voor bodem en geluid8 waarmee de Omgevingswet gewijzigd gaat worden en uit de integratie van de nieuwe natuurwetgeving in de Omgevingswet.

Ook zijn er wijzigingen voorzien in de nu geldende uitvoeringsregelgeving zoals enkele wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 betreffende te bouwen drijvende bouwwerken zoals nieuwe woonarken9 en de implementatie van de voorgenomen herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen.

Verder zijn wijzigingen voorzien in de Omgevingswet zelf, via de Invoeringswet Omgevingswet. Via de Invoeringswet Omgevingswet zal verder uitwerking worden gegeven aan afspraken met de VNG over de mogelijkheid tot het kunnen opnemen van vergunningstelsels in het omgevingsplan. Dat wordt bereikt door de vergunningplicht voor de bouwactiviteit op te splitsen in een vergunningplicht voor een ‘technische bouwactiviteit’ en een vergunningplicht op grond van het omgevingsplan10. In dit besluit zullen vervolgens de technische bouwactiviteiten worden aangewezen waarvoor, met het oog op een preventieve toets aan de technische bouwregels, een omgevingsvergunning nodig is. Alleen voor bouwwerken met een zwaarder risicoprofiel zal nog een omgevingsvergunning nodig zijn. Gedacht kan worden aan bouwwerken met meerdere bouwlagen en verdiepingsvloeren, verbouwingen met wijzigingen in de brandcompartimentering of bouwwerken met een hoogte van meer dan 5 meter. Daarmee komt een eind aan de vreemde situatie waarin bijvoorbeeld een dakkapel aan de voorkant van een woning, die vergunningplichtig is vanwege de ruimtelijke effecten, in de vergunningprocedure ook volledig wordt getoetst aan het Bouwbesluit terwijl een identieke dakkapel aan de achterzijde van een woning geheel vergunningvrij is. Het aanwijzen van de technische vergunningplichtige categorie bouwwerken zal via het Invoeringsbesluit Omgevingswet bij de inwerkingtreding onderdeel worden van het voorliggende besluit.

Voorts kunnen nog wijzigingen gaan voortvloeien uit de kabinetsvoornemens tot introductie van een asbestdakenverbod en een wettelijke verplichting tot gebruik van het landelijk asbestvolgsysteem bij asbestgerelateerde handelingen in of aan bouwwerken11, alsmede uit de nadere verkenning die het kabinet uitvoert naar de mogelijke introductie van een verplicht energielabel C voor kantoren12. Ook kunnen mogelijk wijzigingen voortvloeien uit de verdere uitwerking van de Energieagenda13 en het Deltaplan ruimtelijke adaptatie14.

Dwarsverbanden met andere besluiten

Voor sommige onderwerpen die in dit besluit worden geregeld, zijn ook een of meer van de andere besluiten onder de Omgevingswet van belang. Dit besluit bevat technische bouweisen. Het bouwwerk moet daarnaast passen binnen de mogelijkheden van het omgevingsplan. Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Instructieregels voor het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Meer specifiek doen zich verder de volgende raakvlakken voor:

de omgevingsvergunning: de vergunningplichtige gevallen zullen worden aangewezen in dit besluit, de wijze van aanvraag is opgenomen in het Omgevingbesluit; de beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning zijn opgenomen in hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

aanwijzing bevoegd gezag: voor activiteiten die onder dit besluit vallen, wordt in dit besluit het bevoegd gezag voor die algemene rijksregels aangewezen (het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan, dat een maatwerkvoorschrift kan stellen, dat beslist op een verzoek tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel en dat zorg draagt voor de bestuursrechtelijke handhaving); het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning wordt aangewezen in het Omgevingsbesluit;

procedurele aspecten van de omgevingsvergunning, zoals de voorbereidingsprocedure, zijn opgenomen in het Omgevingbesluit.

1.4 Medebetrokkenheid

De inhoud van deze nota van toelichting is afgestemd met de Minister van Infrastructuur en Milieu, de Minister van Economische Zaken en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1.5 Leeswijzer

In dit eerste hoofdstuk wordt op een aantal meer algemene onderwerpen, zoals de aanleiding, grondslag en reikwijdte ingegaan.

In hoofdstuk 2 zijn de algemene uitgangspunten en hoofdkeuzes die gelden bij de uitvoeringsregelgeving onder de Omgevingswet opgenomen. In dit tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de vier verbeterdoelen van de stelselherziening, op de achtergronden en algemene uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld in onderdeel 2.1.1 over de zogenoemde paradigmawisseling. Ook wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de specifieke hoofdkeuzes van dit besluit. Dit zijn: landelijke uniformiteit, doel- en middelvoorschriften en gelijkwaardigheid, maatwerkvoorschriften en maatwerkregels, en de zorgplicht. In onderdeel 2.3.1, landelijk uniforme regels, wordt ook ingegaan op de daarbij kenmerkende aspecten, zoals uitputtendheid, toepassingsbereik, vergunningvrij, melding en vergunningplichtig, informatieplichten, bevoegd gezag en verboden.

In hoofdstuk 3 komen de structuur en indeling van dit besluit aan de orde, hierbij wordt ook ingegaan op de specifieke systematiek van de bouwregelgeving waarbij ook aandacht aan de wijzigingen ten opzichte van de voorgaande regelgeving, zoals het Bouwbesluit 2012 wordt besteed in hoofdstuk 4 is ingegaan verhouding tot andere regelgeving, zoals de andere besluiten onder de Omgevingswet. Ook in dit hoofdstuk komt de voorgaande regelgeving aan de orde en is een paragraaf gewijd aan het overgangsrecht

In hoofdstuk 5 komen uitvoering, toezicht en handhaving van dit besluit aan de orde. Het gaat hier vooral om beantwoording van de vraag op welke wijze de naleving wordt gegarandeerd.

Hoofdstuk 6 gaat in op de effecten van dit besluit en de ander de drie besluiten naar verwachting zullen hebben op de Nederlandse samenleving. Aan bod komen daar bij de financiële effecten, het effect op het milieu en het effect op de rechtspraak.

Hoofdstuk 7 gaat over de totstandkoming van dit besluit en de consultatie. Behalve informatie over formeel juridische stappen die zijn genomen bevat dit hoofdstuk ook informatie over de consultatiereacties en wat daarmee gedaan is.

Hoofdstuk 8 bevat de notificatieparagraaf.

In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de invoering van het besluit. Hier komen onderwerpen als voorlichting en kennisoverdracht en digitalisering aan de orde.

Hoofdstuk 10 gaat over het overgangsrecht.

Hoofdstuk 11 bevat informatie over de implementatietabellen.

2 Achtergrond, uitgangspunten en hoofdkeuzes

2.1 Achtergrond stelselherziening
2.1.1 Naar een nieuwe uitvoeringspraktijk

De stelselherziening van het omgevingsrecht is bedoeld als meer dan een verbetering en vereenvoudiging van bestaande regels. Nadrukkelijk beoogt de regering een paradigmawisseling, waarbij ontwikkelingen en opgaven in de fysieke leefomgeving zelf centraal staan. Hiermee wordt het gemakkelijker om te denken vanuit de gebruiker of de initiatiefnemer in de fysieke leefomgeving. Dit vraagt om een integrale aanpak, omdat een initiatief vaak een belangenafweging vergt over meerdere sectoren en meerdere belangen. Regulering van kwaliteiten vanuit een sectorale invalshoek voldoet dan niet meer.

Van een paradigmawisseling is pas daadwerkelijk sprake als deze ook tot uitdrukking komt in de dagelijkse praktijk en in de bestuurscultuur. Het gaat erom dat burgers, bedrijven en overheden in onderlinge samenspraak komen tot een goede afweging van alle belangen bij het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Dit vraagt erom dat partijen meer oog krijgen voor de samenhang van relevante aspecten van de fysieke leefomgeving.

Deze benadering sluit aan bij de veranderende rol van de overheid, waarin de overheid steeds minder centraal bepalend is. Hierbij past een bestuurscultuur die meer gericht is op samenwerking met alle spelers in het veld. Zo moet een beweging ontstaan van: ‘projecteren van centraal beleid op projecten’ naar ‘het voorop stellen van ontwikkelingen’. Het wettelijk instrumentarium moet deze gewenste uitvoeringspraktijk faciliteren. Daarom zijn in de AMvB’s de ontwikkelingen en opgaven in de fysieke leefomgeving meer dan voorheen centraal gesteld. Uiteraard staat daarbij steeds een gezonde en veilige fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit centraal. De overheid blijft dit borgen, zowel op rijksniveau via de AMvB’s als op decentraal niveau door onder meer in het omgevingsplan.

2.1.2 Naar een eenduidig instrumentenpalet

De wet biedt een vernieuwd palet aan instrumenten, die in een aantal gevallen bij AMvB verder zijn uitgewerkt. Deze instrumenten geven invulling aan de beleidscyclus (zie figuur 2.1)15. Deze cyclus is onder meer afgeleid uit analyse van EU-richtlijnen op het gebied van de fysieke leefomgeving en ligt ten grondslag aan de structuur en het instrumentenpalet van de Omgevingswet en de besluiten. De beleidscyclus is een denkmodel dat overheden kunnen gebruiken om te komen tot een evenwichtige en effectieve inzet van het wettelijke instrumentarium.

De cyclus begint bij het opstellen van een strategische, integrale omgevingsvisie voor het gehele grondgebied. Hierin heeft de overheid zijn ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd en de daarbij behorende sturingsfilosofie. Rijk, provincies en gemeenten maken elk een eigen omgevingsvisie. De overheidszorg wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving geconcretiseerd met instructieregels die gericht zijn tot bestuursorganen, onder meer nationale omgevingswaarden en andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.

De gemeente maakt op basis van deze instructieregels en de eigen ambities een omgevingsplan (en de provincie en het waterschap respectievelijk een omgevingsverordening en een waterschapsverordening). In programma’s formuleert de overheid waar nodig de maatregelen die leiden tot de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

Regels in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het omgevingsplan van de gemeente en verordeningen van provincie en waterschap geven directe sturing aan de uitvoering van activiteiten en projecten. Voor activiteiten waar toestemming vooraf nodig is, wordt die gegeven met een omgevingsvergunning of een projectbesluit.

Aan het einde van de cyclus wordt toezicht gehouden op de naleving van de regels en wordt zo nodig gehandhaafd. Via monitoring bepaalt de overheid ten slotte of aan die omgevingswaarden of andere doelstellingen wordt voldaan. Als de omgevingswaarden niet worden gehaald, moet de overheid een programma vaststellen om dit alsnog voor elkaar te krijgen.

De AMvB's bestrijken elk een deel of het geheel van de beleidscyclus. Het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn gericht op de uitvoering. In deze besluiten ligt daarom de nadruk op algemene regels en vergunningen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is gericht op het handelen van de overheid en heeft daarom de focus op de rechterkant van de beleidscyclus: instructieregels en programma's. Het Omgevingsbesluit raakt de gehele beleidscyclus. Het zwaartepunt ligt ook hier echter op de uitvoering bij de aanwijzing van het bevoegd gezag, kostenverhaal, financiële bepalingen en de projectprocedure.

2.1.3 Integraal Afwegingskader

Het Integraal Afwegingskader is een hulpmiddel om te bepalen of regelgeving nodig en wenselijk is en om te komen tot de meest doelmatige vorm hiervan. Het nieuwe stelsel vervangt bestaande wetten en besluiten die betrekking hebben op belangrijke overheidstaken. De wet verplicht in veel gevallen tot het stellen van regels bij algemene maatregel van bestuur. Ook vanuit Europees of internationaal recht is implementatie of uitvoering nodig op besluitniveau. Aan de hand van de verbeterdoelen en uitgangspunten van de stelselherziening is daarbij steeds gezocht naar de meest doelmatige vorm van regelgeving.

Het Integraal Afwegingskader is zo steeds betrokken bij de verschillende onderwerpen die in dit besluit zijn opgenomen. Bij ieder onderwerp is steeds systematisch gekeken welk probleem de regelgeving over het onderwerp beoogt op te lossen, wat het doel is van het betreffende regel was en of overheidsinterventie of op rijksniveau gerechtvaardigd is. Hier wordt in hoofdstuk 4 van het algemeen deel van deze nota van toelichting per onderwerp nader op ingegaan. Door deze systematische blik is in samenspraak met betrokkenen de regelgeving op onderdelen vereenvoudigd. Het heeft in enkele gevallen geleid tot inzet van andere juridische instrumenten, zoals het gebruik van algemene regels in plaats van vergunningen, of tot het niet meer stellen van rijksregels, zoals de regels voor afstemming tussen overheden.

In het algemeen deel van deze nota van toelichting is op verschillende plekken ingegaan op de vragen die volgen uit het Integraal Afwegingskader:

In de paragrafen 1.1 en 2.1 wordt ingegaan op de aanleiding en de probleemstelling van de stelselherziening.

In de paragrafen 1.1 en 2.2 wordt ingegaan op de doelen van de stelselherziening en van dit besluit.

Uit de paragrafen 2.2 en 2.3 kan worden geconcludeerd wat overheidsinterventie rechtvaardigt en wat het beste instrument is.

In hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze toelichting wordt ingegaan op de effecten van de stelselherziening en dit besluit voor burgers, bedrijven, overheid en milieu.

In hoofdstuk 7 van het algemeen deel van deze toelichting wordt ingegaan op welke partijen betrokken zijn geweest.

2.2 Uitgangspunten
2.2.1 Algemene uitgangspunten

De in paragraaf 1.1 genoemde vier verbeterdoelen zijn de basis voor de beleidsmatige uitgangspunten die zijn gebruikt bij de stelselherziening van het omgevingsrecht. Deze uitgangspunten zijn uitgebreid beschreven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Omgevingswet16. De zeven belangrijkste uitgangspunten voor de stelselherziening zijn de volgende:

Europees recht en internationale verdragen: uitgangspunt is dat in de Omgevingswet voor onderwerpen die door EU-richtlijnen en relevante internationale verdragen worden bestreken, niets anders of méér wordt vastgelegd dan wat die richtlijnen voorschrijven, tenzij daar na afweging van alle belangen aanleiding toe is.

Gelijkwaardige bescherming: uitgangspunt is dat het niveau van bescherming van gezondheid, veiligheid en omgevingskwaliteit gelijkwaardig blijft aan het oude niveau. De vormgeving van het juridische instrumentarium kan wel worden aangepast, maar het achterliggende beleidsdoel blijft in beginsel gehandhaafd. Ook gelijkwaardige rechtsbescherming is een uitgangspunt. De rechtsbescherming met de Omgevingswet mag niet minder worden. De vereenvoudiging van procedures voor initiatiefnemers leidt niet tot inperking van de rechten van andere belanghebbenden.

Flexibiliteit (afwegingsruimte en maatwerkmogelijkheden): uitgangspunt is dat ruimte wordt geboden om betere en meer samenhangende afwegingen te maken, die rekening houden met lokale omstandigheden en ontwikkelingen. Daarbij is flexibiliteit altijd bedoeld om de doelen van de wet te dienen – dus om de fysieke leefomgeving te beschermen en doelmatig te benutten.

Aansluiting bij bestaande rollen en verantwoordelijkheden van burgers, bedrijven en overheid: uitgangspunt is dat voorkomen moet worden dat activiteiten van enkelen nadelige gevolgen (kunnen) hebben voor velen. Daarom worden bepaalde activiteiten gebonden aan vergunningen of algemene regels (waarbij regulering met algemene regels de voorkeur verdient).

Aansluiten bij de bestaande bestuurlijke taakverdeling: uitgangspunt is dat de gemeente primair verantwoordelijk is en blijft voor de zorg van de fysieke leefomgeving ('decentraal tenzij'). In een aantal situaties is om pragmatische redenen of omwille van doelmatigheid gekozen voor een toedeling van een taak aan een ander bestuursorgaan.

Vertrouwen: uitgangspunt is meer ruimte voor maatschappelijke initiatieven, betere betrokkenheid van de maatschappij bij besluitvormingsprocessen en minder regels gericht op de verzekering van professioneel gedrag van overheden.

Toezicht en handhaving: uitgangspunt is dat in het kader van de stelselherziening geen ingrijpende vernieuwing van het handhavingsinstrumentarium nodig is. Waar initiatiefnemers zelf of door het inschakelen van derde private partijen actief zorgen voor een continue borging van de naleving van regels, kan overheidstoezicht worden teruggebracht.

Bij de voorbereiding van de uitvoeringsregelgeving, en dus ook van dit besluit, zijn verder de afsprakenkaders17 met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van waterschappen (UvW) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) betrokken.

2.2.2 Herimplementatie Europees recht en internationale verdragen

De volgende EU-richtlijnen en EU-verordeningen zijn geheel of gedeeltelijk uitgewerkt in dit besluit: De richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD), de herziening van die richtlijn hernieuwbare energie18, richtlijn veiligheid wegtunnels (richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 over minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201)) en de verordening bouwproducten.

Ook zijn met dit besluit een aantal afspraken uit het VN-gehandicaptenverdrag omgezet.

De EPBD stimuleert de verbetering van de energieprestatie van gebouwen in de Europese Unie, met inachtneming van zowel de klimatologische en plaatselijke omstandigheden buiten het gebouw als van de eisen voor het binnenklimaat en de kostenefficiëntie. De richtlijn voorziet in voorschriften met betrekking tot de toepassing van minimumeisen op de energieprestatie van nieuwe gebouwen, maar ook van bestaande gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan. Ook stelt de richtlijn eisen aan de energiecertificering van gebouwen. Deze richtlijn was eerder omgezet met het Bouwbesluit 2012, de Regeling Bouwbesluit 2012, het Besluit energieprestatie gebouwen en de Regeling energieprestatie gebouwen. In de in hoofdstuk 11 van dit algemeen deel opgenomen implementatietabel is aangegeven met welke artikelen van dit besluit de eerdere omzetting is uitgewerkt.

De richtlijn veiligheid wegtunnels beoogt een minimaal veiligheidsniveau te verzekeren voor weggebruikers in tunnels van het trans-Europese wegennet door het voorkomen van gevaarlijke situaties die mensenlevens, milieu en tunnelinstallaties in gevaar kunnen brengen en door bescherming te bieden bij ongevallen. De bouwtechnische eisen uit deze richtlijn zijn eerder met het Bouwbesluit 2012 en daarvoor het Bouwbesluit 2003 zijn omgezet. In de in hoofdstuk 11 van dit algemeen deel opgenomen implementatietabel is aangegeven met welke artikelen van dit besluit de eerdere omzetting is uitgewerkt.

De verordening bouwproducten bepaalt de voorwaarden voor het in de handel brengen of aanbieders van bouwproducten door geharmoniseerde voorwaarden vaststellen voor de wijze waarop de prestaties van bouwproducten met betrekking tot hun essentiële kenmerken worden uitgedrukt, en voor het gebruik van de CE markering op die producten. Gezien de rechtstreekse werking van de verordening zijn eerder slechts een beperkt aantal artikelen van deze verordening omgezet in het Bouwbesluit 2012.

In het VN-gehandicaptenverdrag zijn eisen gesteld aan de fysieke toegankelijkheid van gebouwen voor gehandicapten. Met de regels van afdeling 4.6, toegankelijkheid, van dit besluit is hieraan uitvoering gegeven. Zie ook de artikelsgewijze toelichting op de artikelen van deze afdeling en in het bijzonder op de artikelen 4.184 tot en met 4.192.

2.2.3 Uitwerking van de algemene uitgangspunten voor dit besluit

Dit besluit draagt op meerdere manieren aan het bereiken van de verbeterdoelen van de stelselherziening genoemd in paragraaf 1.1 van dit algemeen deel. Deze bijdrage wordt geleverd door:

  • een grotere inzichtelijkheid, meer gebruiksgemak en meer inhoudelijke samenhang van de uitvoeringsregelgeving door ten eerste het samenbrengen van de regels over het (ver)bouwen, in stand houden, gebruiken en slopen van gebouwen en andere bouwwerken uit de Woningwet, vijf AMvB's en twee ministeriële regelingen in één AMvB en ten tweede een goede afstemming van dit besluit met de AMvB waarin de algemene rijksregels over overige activiteiten van burgers en bedrijven zijn gesteld (het Besluit activiteiten leefomgeving),

  • meer lokale afwegingsruimte door deregulering, decentralisatie van taken en meer ruimte voor lokaal maatwerk, en

  • versnelling van projecten door vervanging van vergunningplichten door algemene regels en meldingplichten.

In hoofdstuk 3, dat ingaat op de hoofdlijnen van dit besluit, is per onderdeel meer uitgebreid aangegeven wat de voordelen van dit besluit zijn in vergelijking met de eerdere regelgeving.

De algemene uitgangspunten zoals hierboven onder 2.2.1 genoemd zijn maatgevend voor de in dit besluit gemaakte hoofdkeuzes. Dit betekent bijvoorbeeld dat de relevante Europese richtlijnen zoals de richtlijn energieprestatie gebouwen evenals dat onder de eerdere regelgeving het geval is, strikt in dit besluit zijn omgezet. Wat betreft de gelijkwaardige bescherming wordt opgemerkt dat het niveau van de regels in dit besluit hetzelfde is als het beschermingsniveau dat werd gewaarborgd door de eerdere regels. Er wordt daarbij meer algemeen gesproken van bescherming van gezondheid, veiligheid en omgevingskwaliteit. In dit besluit gaat het daarbij om het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en duurzaamheid en bruikbaarheid.

2.3 Hoofdkeuzes van dit besluit
2.3.1 Landelijk uniforme regels
Landelijke uniformiteit

Vanuit het oogpunt van lastenbeperking, rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en voorspelbaarheid zijn de regels van dit besluit in beginsel landelijk uniform. Door gemeenten waar nodig ruimte voor nadere invulling, aanvulling of afwijking van regels te laten, kan bij de toepassing gebiedsgericht of in individuele gevallen maatwerk worden geleverd. Voorbeelden daarvan in dit besluit zijn:

het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen op verzoek van een aanvrager door middel van een maatwerkvoorschrift bepalen dat de technische nieuwbouweisen in dat specifieke geval niet gelden. Hierbij geldt een adviesrecht met instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties,

het bevoegd gezag kan, indien noodzakelijk, een maatwerkvoorschrift stellen met betrekking tot het treffen van voorzieningen aan een bestaand bouwwerk, mits het niveau niet hoger komt te liggen dan de technische nieuwbouweisen,

het bevoegd gezag kan na een gebruiksmelding met een maatwerkvoorschrift nadere voorwaarden opleggen aan het gebruik van het bouwwerk als deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand,

het bevoegd gezag kan na een sloopmelding door middel van een maatwerkvoorschrift nadere voorwaarden opleggen aan het slopen van het bouwwerk als deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen of beperken van een onveilige situatie bij het uitvoeren van sloopwerkzaamheden,

aan een monumentenvergunning verbonden voorschriften gaan boven technische eisen uit de algemene rijksregels voor het vernieuwen, veranderen of vergroten van een bestaand bouwwerk, en

in aanvulling op deze mogelijkheden introduceert dit besluit een nieuwe, gebiedsgerichte maatwerkmogelijkheid rondom energiezuinigheid, duurzaam bouwen en de bruikbaarheid van woonfuncties. Gemeenten kunnen door een maatwerkregel in het omgevingsplan gebieden aanwijzen, waar voor nieuwbouw strengere energiezuinigheidseisen gelden of strengere milieuprestatie-eisen aan de toe te passen bouwmaterialen of soepeler bruikbaarheid eisen voor woonfuncties. Dit geeft ruimte aan de lokale ambities van gemeenten.

Uitputtendheid

In de Omgevingswet is uitoefening van taken en bevoegdheden met betrekking tot de fysieke leefomgeving primair aan de gemeenten toebedeeld, maar kan ook het Rijk (met inachtneming van artikel 2.3, tweede lid, van de wet) taken en bevoegdheden uitoefenen als daar regels over zijn gesteld. Artikel 4.3 van de wet bevat zo’n regel. Op grond daarvan moeten bij AMvB algemene regels worden gesteld over een aantal activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, waaronder het bouwen, in stand houden, gebruiken en slopen van bouwwerken. Uit oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en beperking van administratieve en bestuurlijke lasten is het van belang dat voor iedereen vooraf voldoende duidelijk is of de algemene regels van dit besluit uitputtend bedoeld zijn. Onduidelijkheid daarover leidt in de uitvoeringspraktijk tot geschillen over de vraag in hoeverre andere bestuursorganen ruimte wordt gelaten om zelf ook regels of voorschriften over het betreffende onderwerp te stellen.

Toepassingsbereik

Met artikel 4.3 van de wet beoogt de regering de onderwerpen waarvoor het Rijk aan de lat staat om algemene regels te stellen, af te bakenen ten opzichte van de onderwerpen waarvoor uitsluitend decentrale overheden binnen hun verordenende bevoegdheid regels over activiteiten kunnen stellen (artikel 4.1). De enkele opname van de grondslag in de wet om voor de opgesomde activiteiten algemene rijksregels te stellen betekent niet dat decentrale overheden van rechtswege elke verordenende bevoegdheid verliezen om algemene regels te stellen over die activiteiten. Voor zover activiteiten of aspecten daarvan buiten het toepassingsbereik van de AMvB vallen, resteert een vrije verordenende bevoegdheid voor decentrale overheden. Bijvoorbeeld: het staat gemeenten vrij om in het omgevingsplan eisen te stellen aan het waterhuishoudkundig bouwrijp maken van een locatie. Onder de Omgevingswet is het een gemeentelijke keuze of de gemeente vanuit wateroogpunt in het omgevingsplan wil voorschrijven op welk niveau het bouw- of vloerpeil (bijvoorbeeld ten opzichte van het straatpeil) bij nieuw te bouwen gebouwen moet liggen en of er beperkingen ten aanzien van uitlogende bouwmaterialen moeten worden gesteld om ongewenste gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit te voorkomen; het onderhavige besluit regelt die aspecten niet zodat eventuele regulering daarvan op grond van artikel 2.3 van de wet aan de gemeenten is (zij het dat ten aanzien van uitlogen uit steenachtige bouwmaterialen rijksregels op grond van het Besluit bodemkwaliteit gelden19). Ander voorbeeld: over de activiteit ‘gebruik van een bouwwerk’ bevat dit besluit alleen regels die zijn gesteld met het oog op het waarborgen van het aspect ‘brandveiligheid’ , van een deelaspect van het aspect ‘gezondheid’ (namelijk de beperking van de concentratie van de schadelijke stoffen asbest en formaldehyde in de binnenlucht) en van enkele deelaspecten van het aspect ‘duurzaamheid’ (te weten de beschikbaarheid en kenbaarheid van het energielabel en de uitvoering van daaraan verbonden aanbevelingen en de keuring van airconditioningsystemen).

Het staat gemeenten daarom vrij om in het omgevingsplan algemene regels over andere (deel)aspecten van het gebruik van bouwwerken te stellen, bijvoorbeeld over het maximale aantal personen dat vanuit oogpunt van gezondheid tegelijk in een woning mag verblijven zodat zogenoemde overbewoning wordt voorkomen. Dit besluit regelt dat aspect immers geheel niet. Nog een voorbeeld: dit besluit bevat geen regels die verplichten tot het voorzien in de parkeer- en stallingbehoeften die voortvloeien uit het gebruik van het bouwwerk. Omdat dit aspect niet wordt geregeld mag de gemeente daarover in het omgevingsplan regels stellen, bijvoorbeeld de regel dat op eigen terrein in de behoefte aan het stallen van fietsen en het parkeren van motorvoertuigen moet worden voorzien. De gemeente kan – gegeven de gebruiksfunctie(s) van het bouwwerk – die behoefte in het omgevingsplan desgewenst ook nog normeren. Het is vervolgens aan de markt om te bepalen hoe in de parkeer- en stallingbehoefte wordt voorzien. Als daarbij wordt gekozen voor een oplossing in de vorm van een bouwwerk, zoals een parkeergarage voor motorvoertuigen of een fietsenstalling, moet dat bouwwerk voldoen aan de regels van dit besluit over de technische kwaliteit van zulke bouwwerken. Deze zijn uitputtend bedoeld. In het omgevingsplan kunnen dan ook geen regels over de technische kwaliteit van bouwwerken worden opgenomen voor zover dat (deel)aspecten die uitputtend door dit besluit zijn geregeld betreft.

Voor zover activiteiten en aspecten daarvan wel onder het toepassingsbereik van dit besluit vallen en uitputtend zijn geregeld, bestaat geen ruimte voor het stellen van gemeentelijke regels tenzij de regels in dit besluit die mogelijkheid expliciet bieden in de vorm van maatwerkregels op grond van artikel 4.6 van de wet. Bijvoorbeeld: afhankelijk van de gebruiksfunctie van het gebouw en het aantal personen dat daarin tegelijk zal verblijven, is het op grond van dit besluit in sommige gevallen verboden om een gebouw zonder gebruiksmelding in gebruik te nemen. Dit besluit biedt gemeenten expliciet de mogelijkheid om door een maatwerkregel in het omgevingsplan voor een aantal gebruiksfuncties van die landelijke grenswaarde af te wijken. Daarmee is in dit besluit dit deelaspect van het brandveilig gebruik van gebouwen uitputtend geregeld, daarbij ruimte voor lokale maatwerkregels biedend.

De hoofdstukken 2 tot en met 7 van dit besluit bevatten met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de bescherming van gezondheid, duurzaamheid20 en bruikbaarheid, algemene technische en procedurele regels over het bouwen, in stand houden, gebruiken en slopen van bouwwerken. Die regels zijn uitputtend voor activiteiten en aspecten die binnen het toepassingsbereik van die regels vallen. Zij bieden provincies en waterschappen geen enkele maatwerkruimte. Zij bieden gemeenten alleen maatwerkruimte over de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen als dat expliciet in die hoofdstukken is bepaald. Dit betekent dus dat gemeenten, provincies en waterschappen, buiten de in die hoofdstukken genoemde maatwerkmogelijkheden voor gemeenten, geen ruimte hebben om zelf regels te stellen over de onderwerpen die in dit besluit genoemd zijn.

Evenals bij de huidige bouwregelgeving (Woningwet, Bouwbesluit 2012) vallen openbare orde en zedelijkheid niet onder de reikwijdte van de Omgevingswet, dus ook niet onder de reikwijdte van de daarmee samenhangende uitvoeringsregels. Zie ook de toelichting op het toepassingsgebied van de wet in paragraaf 4.1.3 van de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3). Als een gemeente bijvoorbeeld over bordelen regels wil stellen in het belang van openbare orde of zedelijkheid, zal zij dat dus niet op voet van de Omgevingswet kunnen doen maar op voet van een andere wet (zoals bijvoorbeeld de Gemeentewet) moeten doen. Het belang van het beschermen van de gezondheid valt wel onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Gemeenten hebben in dit verband mogelijkheden om regels in het belang van de gezondheid te stellen voor zover er geen uitputtend bedoelde rijksregels over het betreffende gezondheidsaspect zijn. Dat is onder de huidige bouwregelgeving niet anders.

2.3.2 Vergunningvrij, melding en vergunningplichtig

Bij de meeste categorieën van activiteiten bieden de algemene regels, waar nodig aangevuld met maatwerkvoorschriften of maatwerkregels, voldoende mogelijkheid tot het reguleren van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Wat administratieve lasten betreft is de lichtste vorm van reguleren het stellen van algemene regels die nageleefd moeten worden door degene die de activiteit verricht, zonder dat er voorafgaande procedurele verplichtingen gelden. De initiatiefnemer kan dan snel aan de slag. Bij een deel van de activiteiten is het echter gewenst dat de activiteit niet mag starten, voordat het bevoegd gezag op de hoogte van de activiteit is gebracht of voorafgaand met het uitvoeren van de activiteit heeft ingestemd. In dergelijke gevallen is een voorafgaande melding of omgevingsvergunning vereist.

Meldingplicht

Dit besluit bevat de volgende meldingplichten:

  • de melding brandveilig gebruik,

  • de sloopmelding, en

  • de melding mobiel breken.

Op grond van artikel 4.4 van de wet kan in de algemene regels een verbod worden opgenomen om zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag een activiteit te verrichten. Deze melding geeft het bevoegd gezag de tijd voor een initiële controle van de voorgenomen activiteit zodat het zich er van kan vergewissen dat de voorgenomen bouwactiviteit voldoet aan de regels van dit besluit. Een andere aanleiding voor het opnemen van een meldingplicht is dat het bevoegd gezag dan tijdig kan beoordelen of het nodig is maatwerkvoorschriften te stellen. Soms zal het bevoegd gezag zelf maatregelen moeten nemen in verband met de voorgenomen activiteit, zoals bij een sloopactiviteit langs een weg die tot het nemen van verkeersmaatregelen noodzaakt. Zonder tijdige melding is het verboden de activiteit te verrichten. Als een activiteit geen onmiddellijke substantiële gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben, is in dit besluit veelal gekozen geen melding te eisen. Bij die activiteiten is het immers niet strikt noodzakelijk dat het bevoegd gezag voorafgaand aan de activiteit een beoordeling uitvoert van de naleving van de regels of van de noodzaak voor maatwerk. Dat kan immers ook nadat de activiteit is aangevangen.

Een melding kan digitaal worden gedaan. Als een voorgenomen activiteit meerdere meldingplichtige activiteiten omvat, kan de melding in één keer worden gedaan. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als voor het slopen van een bouwwerk een sloopmelding is vereist en ook melding moet worden gedaan van de inzet van een mobiele breker voor het op de sloopplaats breken van het van die sloop afkomstige puin. Beide meldingen kunnen tegelijk via hetzelfde (digitale) formulier worden gedaan.

De melding met het daaraan gekoppelde verbod om binnen vier weken met de betreffende activiteit te starten heeft het mogelijk gemaakt om een groter aantal activiteiten die vroeger vergunningplichtig waren onder algemene regels te brengen. Dit betreft in dit besluit met name het brandveilig gebruik van sommige categorieën gebouwen.

Bij een melding moeten de in dit besluit aangegeven gegevens en bescheiden worden aangeleverd. Van een melding in de zin van dit besluit is pas sprake als de vereiste gegevens en bescheiden daadwerkelijk zijn aangeleverd. Een ‘onvolledige’ melding is dus geen melding.

Omdat een melding ten minste vier weken voor het begin van de activiteit bij het bevoegd gezag moet zijn ingediend, is het belangrijk dat over de juiste datum van indiening geen misverstand moet kunnen bestaan. Om die reden ontvangt de melder door of namens het bevoegd gezag een ontvangstbevestiging waarin de datum van ontvangst is vermeld.

Vergunningplicht

De wet bevat voor de meeste categorieën van activiteiten waarvoor op grond van artikel 4.3 algemene regels moeten of kunnen worden gesteld ook een grondslag voor een vergunningplicht in artikel 5.1. Die grondslag is er ook voor een vergunningplicht voor het bouwen van bouwwerken. De aanwijzing van de vergunningplichtige respectievelijk vergunningvrije gevallen voor de bouwactiviteit zal voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit via het Invoeringsbesluit in dit besluit worden opgenomen vanwege de samenhang met algemene regels. Zie ook paragraaf 1.3 van deze toelichting en paragraaf 3.2.8 van het algemeen deel van de toelichting op het Omgevingsbesluit. Voor inzet van het instrument vergunningplicht is bij bouwen met name gekozen als de bouwactiviteit dusdanige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben, dat voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag voor die activiteit gewenst is. Op basis van deze risicobenadering is een deel van de bouwactiviteiten omgevingsvergunningplichtig.

De keuze die gemaakt is bij het opstellen van dit besluit tussen de instrumenten algemene regel met gelijkwaardigheidsmogelijkheid, algemene regel met melding (al dan niet in combinatie met maatwerkvoorschriften en maatwerkregels) en een vergunningplicht hangt van het specifieke geval af. Bovendien als voor een vergunningplicht is gekozen, betekent dat niet dat er geen algemene regels gelden. Een voorbeeld daarvan is het stelsel voor de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Wat de bouw- en installatietechnische aspecten van het bouwplan betreft moet de vergunning worden verleend (en mag die niet worden geweigerd) als het bouwplan voldoet aan de regels die daarop op grond van dit besluit van toepassing zijn. De algemene rijksregels van dit besluit hebben dus niet alleen rechtstreekse werking maar zijn ook onderdeel van het beoordelingskader voor aanvragen om omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het limitatief-imperatieve karakter van dat beoordelingskader komt ook tot uitdrukking in artikel 5.20, tweede lid, onder a, van de wet, dat aangeeft dat de vergunning een bouwactiviteit wordt geweigerd als niet aan de gestelde regels over bouwactiviteiten is voldaan.

Informatieplichten

De informatieplicht moet worden onderscheiden van de meldingplicht. Er is sprake van een informatieplicht wanneer degene die een bepaalde activiteit verricht bepaalde informatie aan het bevoegd gezag moet verstrekken. In het Bouwbesluit 2012 werd hier van een mededelingsplicht gesproken. De informatieplicht is een gebod om op een bepaald moment bepaalde informatie te verstrekken, wanneer niet aan dat gebod wordt voldaan heeft dat niet direct consequenties. Dit is dus anders dan bij het niet voldoen aan een meldingplicht. Een meldingplicht is altijd rechtstreeks gekoppeld aan een verbod om de betreffende activiteit zonder die melding te starten. Zie ook hierboven. Informatieplichten zijn bedoeld om het bevoegd gezag te ondersteunen bij de controle van de naleving van de regels van dit besluit, bij de beoordeling van de gevolgen van activiteiten voor de fysieke leefomgeving (bijvoorbeeld in verband met cumulatie) of bij het nakomen van een eigen verplichting van het bevoegd gezag om bepaalde activiteiten te registreren (bijvoorbeeld vanwege de implementatie van Europees recht). Voorbeelden van zulke informatieplichten in dit besluit zijn dat het bevoegd gezag ten minste twee werkdagen voor het begin van (omgevingsvergunningplichtige) bouwwerkzaamheden of (sloopmeldingplichtige) sloopwerkzaamheden moet worden geïnformeerd en opnieuw ten hoogste één werkdag na beëindiging van die werkzaamheden.

2.3.3 Bevoegd gezag en verboden

Het bevoegd gezag voor de algemene regels opgenomen in dit besluit is over het algemeen het college van burgemeester en wethouders. Uit artikel 4.9 van de wet vloeit voort dat dat het bevoegd gezag voor de melding, het stellen van maatwerk en het toestaan van gelijkwaardige maatregelen ingevolge artikel 18.2 van de wet ook het bevoegd gezag tot handhaven van de algemene regels is. Voor een aantal onderwerpen is een afwijkende regeling. Dit betreft regels aangaande de verordening bouwproducten en een aantal regels ter implementatie van de richtlijn energieprestatie gebouwen, zoals het energielabel. In die gevallen is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het bevoegd gezag. Voor informatieplichten op grond van dit besluit geldt een soortgelijke regeling van het bevoegd gezag: in het algemeen is het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag, tenzij anders is bepaald. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning naast een bouwactiviteit ook een zogenoemde ‘magneetactiviteit’ omvat kan een ander bestuursorgaan, zoals gedeputeerde staten of een andere minister, bevoegd gezag zijn voor de omgevingsvergunning voor beide activiteiten.

De meeste regels in dit besluit bestaan uit relatieve geboden. De regels verplichten dan niet tot het uitvoeren van activiteiten, maar bevatten regels waaraan moet worden voldaan als een initiatiefnemer een activiteit uitvoert. De regels waaraan het bouwen van een bouwwerk moet voldoen schrijven voor waar de staat van het bouwwerk bij oplevering aan moet voldoen en de regels inzake het in stand laten van bouwwerken schrijven voor wat de staat van een bestaand bouwwerk minimaal moet zijn. Die regels gaan dus over het ‘product’ bouwwerk. De regels voor het in stand houden van bouwwerken gebieden dus impliciet om te gaan verbouwen of te slopen wanneer aan dat laagste niveau niet langer wordt voldaan. Voor verbouw en wijziging van de gebruiksfunctie geldt ook dat wanneer men iets wil gaan doen met het gebouw, aan bepaalde regels moet worden voldaan. Zo ook de regels voor nieuwbouw. In enkele gevallen is er sprake van absolute geboden waarbij de eigenaar (of degene die uit andere hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan een bouwwerk) verplicht is iets te doen. Zo’n gebod kan worden opgelegd door het bevoegd gezag bij bestaande bouwwerken door middel van een maatwerkvoorschrift, dan wel door handhavend op te treden. Verder geldt er voor bestaande bouwwerken een gebod in de vorm van een onderzoeksplicht voor de eigenaar of degene die uit andere hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan een bouwwerk indien het bouwwerk behoort tot een bij ministeriële regeling aan te wijzen categorie waarvan is gebleken dat dat type bouwwerken een gevaar voor de veiligheid of gezondheid op kan leveren.

Daarnaast zijn er nog de regels over het gebruiken van bouwwerken en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Deze regels bevatten in een aantal gevallen wel absolute geboden en verboden. Bijvoorbeeld het verbod op open vuur.

Bij het handelen of nalaten in strijd met deze ge- of verboden is altijd sprake van een overtreding waartegen het bevoegd gezag bestuursrechtelijk handhavend kan optreden. Dat blijkt uit artikel 18.1, aanhef en onder c, van de wet.

Onder de Woningwet was in artikel 1b van de wet een verbod om het Bouwbesluit 2012 te overtreden opgenomen. De opzet van de Omgevingswet is vergelijkbaar. Er kan bij vaststellen van het handelen of nalaten in strijd met de regels meteen worden opgetreden met een last onder bestuursdwang of dwangsom.

2.3.4 Doel- en middelvoorschriften en gelijkwaardigheid

De inhoudelijke regels van de hoofdstukken 2 tot en met 5 van dit besluit zijn uitgewerkt in de vorm van doel- en middelvoorschriften. Een voorbeeld van een doelvoorschrift uit dit besluit is dat een gebouw bij brand binnen redelijke tijd door de aanwezigen moet kunnen worden verlaten. Een voorbeeld van een middelvoorschrift is dat een deur 30 minuten brandwerend moet zijn. De initiatiefnemer kan aan de doelvoorschriften voldoen door de middelvoorschriften toe te passen of door een gelijkwaardige maatregel te nemen. Als waarborg voor de flexibiliteit voor degene die de activiteit verricht, bevat artikel 4.7 van de wet een regeling van gelijkwaardigheid. Dit geeft het recht om een maatregel toe te mogen passen die gelijkwaardig is aan de maatregel die in het besluit is voorgeschreven. De term ‘maatregel’ moet daarbij niet te nauw worden gelezen: ook werkwijzen of meetmethoden vallen hieronder. Innovatieve oplossingen die nog niet in dit besluit zijn vastgelegd, worden hiermee mogelijk gemaakt.

De wet heeft in artikel 4.7, eerste lid, als uitgangspunt dat het bevoegd gezag voorafgaand toestemming moet verlenen voor de toepassing van een gelijkwaardige maatregel. Dit uitgangspunt betreft alle algemene regels, ongeacht of dat gemeentelijke, provinciale of rijksregels zijn. Als de gelijkwaardige maatregel onderdeel is van een vergunningplichtige activiteit wordt die toestemming door indiening van de vergunningaanvraag aangevraagd. Het bevoegd gezag beoordeelt de gelijkwaardigheid van de maatregel dan als onderdeel van het bouwplan waarvoor vergunning is aangevraagd. Door de vergunning te verlenen voor het bouwplan wordt impliciet tevens toestemming voor de toepassing van de gelijkwaardige maatregel verleend. Dit sluit aan bij de tot op heden bestaande praktijk van vergunningverlening voor bouwactiviteiten.

Het tweede lid van artikel 4.7 van de wet biedt de mogelijkheid om toepassing van een gelijkwaardige maatregel toe te staan zonder voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag. Van deze mogelijkheid is in dit besluit gebruik gemaakt door te bepalen:

dat de toepassing van een gelijkwaardige maatregel is toegestaan na een melding als de gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van dit besluit een melding is voorgeschreven, en

dat de toepassing van een gelijkwaardige maatregel is toegestaan zonder voorafgaande toestemming en zonder voorafgaande melding als de gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van de wet of dit besluit geen vergunning of melding is voorgeschreven.

In die gevallen heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om de gelijkwaardigheid van de toegepaste maatregel repressief te beoordelen.

Ongeacht of de gelijkwaardigheid door het bevoegd gezag preventief of achteraf wordt beoordeeld, geldt altijd dat de gelijkwaardigheid voldoende aannemelijk moet worden gemaakt door degene die in het concrete geval een beroep op gelijkwaardigheid doet, dus ook bij een beroep op gelijkwaardigheid bij een meldingplichtige of vergunningvrije activiteit. De bewijslast moet dus geleverd worden door degene die zich op de gelijkwaardigheid van de toe te passen respectievelijk toegepaste maatregel beroept.

Het derde lid van artikel 4.7 van de wet geeft de mogelijkheid om het gelijkwaardigheidsbeginsel in dit besluit uit te sluiten of de toepassing daarvan te begrenzen. Daarvan is gebruik gemaakt om in afdeling 7.1 het gelijkwaardigheidsbeginsel uit te sluiten van activiteiten met asbest of asbesthoudende producten die slechts verricht mogen worden door een gecertificeerd bedrijf. Reden voor die uitsluiting is dat het in verband met risico’s voor mens en milieu ongewenst is om toepassing van eventuele gelijkwaardigheden te laten plaatsvinden buiten het kader van de certificatieschema’s die krachtens het Arbeidsomstandighedenbesluit op de bedoelde handelingen van toepassing zijn.

2.3.5 Maatwerk

Bij de toepassing van algemene rijksregels over activiteiten kan behoefte bestaan om de door het Rijk gestelde regels te laten aansluiten op lokale omstandigheden of de specifieke situatie van degene die de activiteit verricht. Ook het feit dat het Rijk op grond van doelmatigheids- en doeltreffendheidsoverwegingen een onderwerp van zorg voor de fysieke leefomgeving aan zich trekt, sluit een rol van andere bestuursorganen niet uit. Uit het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel van artikel 2.3 van de wet volgt dat de inzet van een bevoegdheid niet verder mag gaan dan vanuit doelmatigheids- en doeltreffendheidsoverwegingen noodzakelijk is. Dit brengt met zich dat op grond van dit besluit voor het decentraal bestuur vaak ruimte bestaat om – op onderdelen en binnen bepaalde grenzen – lokaal maatwerk te bieden. De wet biedt daartoe, naast de hiervoor beschreven regeling van gelijkwaardigheid, verschillende mogelijkheden:

het stellen van maatwerkvoorschriften in het individuele geval, waarmee algemene regels kunnen worden ingevuld, aangevuld of waarmee van algemene regels kan worden afgeweken. Maatwerkvoorschriften zijn beschikkingen, gericht tot degene die de activiteit verricht, dus een bepaald persoon of bepaald bedrijf,

het stellen van maatwerkregels, waarmee algemene rijksregels kunnen worden ingevuld, aangevuld of waarmee van algemene regels kan worden afgeweken. Maatwerkregels zijn algemeen verbindende voorschriften die in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening worden opgenomen. Zij gelden voor een bepaalde locatie of een bepaald gebied en daarmee dus voor een variërende doelgroep, en

het instellen van een vergunningplicht, waarbij een activiteit voorafgaand aan de daarvan individueel moet worden getoetst.

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de hoofdkeuzes over maatwerkvoorschriften en maatwerkregels.

Inhoudelijke waarborgen

Aan het toepassen van maatwerkmogelijkheden zijn grenzen. De eerste begrenzing vloeit voort uit het oogmerk en de strekking van de algemene rijksregels, zoals beschreven in paragraaf 4.3.2 van de wet. De artikelen 4.5 (maatwerkvoorschriften) en 4.6 (maatwerkregels) van de wet bepalen dat die paragraaf van overeenkomstige toepassing is op het stellen van maatwerkvoorschriften en maatwerkregels. Maatwerk kan dus niet gesteld worden met een ander oogmerk dan in de wet is voorgeschreven. Hiermee is geborgd dat het bevoegd gezag niet willekeurig mag omspringen met de mogelijkheid van maatwerk en ook dat bij het toepassen van maatwerk in ieder geval de doelen en strekking van de wet en de besluiten moeten worden nageleefd. Dit is van belang omdat de overheid de rechtszekerheid en gelijkheid van burgers en bedrijven dient te waarborgen en te bevorderen. Het betekent ook dat de regels in dit besluit ondubbelzinnig moeten zijn en bij voorbaat duidelijk moeten maken wat de rechtspositie van de initiatiefnemer en andere belanghebbenden is. Daarmee is het speelveld voor iedereen gelijk. Tegelijkertijd moet worden erkend dat de regels van dit besluit in zeer uiteenlopende omstandigheden van toepassing zijn. Daarom is in sommige situaties een aanpassing of aanvulling van de algemene regels nodig, om tot de beste regel voor die specifieke context te komen. Dit betekent dat de vereisten van rechtszekerheid en gelijkheid niet alleen een beschermende functie hebben (ondubbelzinnige regels) maar ook een activerende functie.21 Van het bevoegd gezag wordt een actieve houding verwacht bij het realiseren van het doel en de strekking van de regels in dit besluit. Waar nodig leidt dat tot het toepassen van maatwerk, om de regels goed te laten aansluiten op de omstandigheden van het geval. Doordat dit niet willekeurig mag gebeuren, maar op basis van transparante besluitvorming en met de mogelijkheid van bezwaar en beroep, is ook bij maatwerk sprake van waarborgen voor de rechtszekerheid.

Procedurele waarborgen

Naast de inhoudelijke waarborgen zijn er ook procedurele waarborgen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en maatwerkregels, die voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Net als bij ieder ander besluit moet het bevoegd gezag voldoende onderzoek doen naar de belangen die met het maatwerkvoorschrift of de maatwerkregel zijn gemoeid. Het besluit moet daarnaast worden voorzien van een deugdelijke motivering. Een andere procedurele waarborg is dat in de voorbereidingsprocedure van maatwerk wordt voorzien in betrokkenheid van belanghebbenden. Maatwerkregels worden opgenomen in het omgevingsplan en volgen dus de voorbereidingsprocedure van dat plan (afdeling 3.4 Awb, zie paragraaf 16.3.5 van de wet). Daarbij kan een ieder een zienswijze indienen op het ontwerp van het plan of de verordening. Tegen het vaststellen van het omgevingsplan staat bovendien beroep open – dus ook tegen de daarin opgenomen maatwerkregels. Maatwerkvoorschriften daarentegen worden voorbereid met de reguliere procedure van afdeling 4.1.2 Awb (tenzij het bevoegd gezag in een concreet geval besluit om afdeling 3.4 Awb toe te passen). Als het bevoegd gezag ambtshalve een maatwerkvoorschrift wil stellen, zal het op grond van artikel 4:8 Awb belanghebbenden die daartegen naar verwachting bezwaren hebben in de gelegenheid moeten stellen om een zienswijze in te dienen. Tegen een maatwerkvoorschrift is beroep mogelijk (voorafgegaan door bezwaar, als de reguliere procedure is toegepast). De zorgvuldigheidseisen van de Awb en de betrokkenheid van belanghebbenden dragen eraan bij dat maatwerk in lijn met de wet en dit besluit wordt toegepast. Op deze manier is de rechtszekerheid van de betrokkenen procedureel geborgd.

Maatwerkvoorschriften algemeen

Maatwerk op de algemene rijksregels moet op besluitniveau expliciet opengezet worden. Als maatwerk nodig is om de algemene regels beter te laten aansluiten op een specifiek geval bestaat daarvoor in beginsel vaak ruimte. Dat betekent niet dat het stellen van maatwerkvoorschriften onbeperkt mogelijk is. Ten eerste bepaalt de wet dat het oogmerk en de strekking van de algemene rijksregels, zoals in de wet vastgelegd, ook van toepassing zijn op de bevoegdheid tot het stellen van voor maatwerkvoorschriften. Als in dit besluit het oogmerk en de strekking nader is afgebakend of uitgewerkt, geldt die afbakening of uitwerking ook voor maatwerkvoorschriften. Ten tweede is er in algemene zin wel sprake van een aantal beperkingen aan de mogelijkheid van maatwerk. Het is niet mogelijk het toepassingsbereik van de rijksregels via maatwerk anders te regelen. Dat ligt buiten de bevoegdheid zoals deze uit de wet volgt en behoeft dus geen regeling in dit besluit. Indien maatwerk mogelijk is op regels die zoals de meeste regels in dit besluit over het verrichten van activiteiten gaan, kan geen maatwerk worden gegeven wanneer er geen sprake is van het verrichten van een bepaalde activiteit, maar juist van nalaten. Het toepassingsbereik van de regels strekt zich niet uit tot nalaten. In een voorkomend geval kan het nalaten van een activiteit of handeling wel tot een overtreding van de algemene zorgplicht van artikel 1.7 van de wet leiden, waartegen het bevoegd gezag dan handhavend kan optreden.

Ook wordt in het besluit geregeld dat geen maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over meldingplichten (vanwege het daaraan gekoppelde verbod om met een activiteit te starten), meet- en rekenmethoden (omdat daarbij uniformiteit verzekerd moet zijn en wat flexibiliteit betreft met regeling van gelijkwaardigheid kan worden volstaan) en bij dwingende internationaalrechtelijke verplichtingen. Om willekeur bij het toepassen van maatwerk te voorkomen, is bij de artikelen over maatwerk telkens expliciet aangegeven welke belangen daarmee gediend moeten worden.

Maatwerkvoorschriften in dit besluit

Er wordt op gewezen dat de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften in dit besluit uiteindelijk zo specifiek mogelijk opengezet is. De landelijke uniformiteit van de bouwregelgeving sinds 1992 wordt als een groot goed beschouwd, vanwege de zekerheid die dit aan partijen geeft. Bij de voorbereiding en consultatie van dit besluit is het belang van het behoud hiervan ook door een overgroot deel van de betrokken partijen benadrukt.

Dit betekent niet dat maatwerk niet mogelijk is bij de regels in dit besluit, maar wel dat de mogelijkheden daartoe grotendeels in het verlengde liggen van hetgeen eerder op grond van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 mogelijk was. Onder de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 bestonden specifieke bevoegdheden om in bepaalde gevallen ontheffing van regels te verlenen of juist nadere of aanvullende eisen te stellen. Deze mogelijkheden werden toen nog niet bestempeld als maatwerk, maar zijn binnen het stelsel van de Omgevingswet wel als zodanig te beschouwen. Deze al bestaande mogelijkheden zijn waar nodig aangepast en als maatwerkmogelijkheden opgenomen in dit besluit. Het gaat hierbij met name om de volgende artikelen uit de Woningwet en het Bouwbesluit 2012:

  • de ontheffingsmogelijkheid van artikel 7 van de Woningwet is opgenomen in artikel 4.5 van dit besluit,

  • de aanschrijfmogelijkheid van artikel 13 van de Woningwet is opgenomen in artikel 3.7, en

  • de mogelijkheid van artikel 1.21 Bouwbesluit 2012 tot het stellen van nadere eisen na een gebruiksmelding is opgenomen in artikel 6.5.

In de praktijk is gebleken dat er terughoudend gebruik wordt gemaakt van zulke maatwerkbevoegdheden. Aangezien ook onder dit besluit de rijksregels in het overgrote deel van de gevallen afdoende zullen zijn, is het niet de verwachting dat deze mogelijkheden anders of vaker ingezet zullen gaan worden.

Daarnaast bevatte het Bouwbesluit 2012 op enkele plaatsen de term ‘naar het oordeel van het bevoegd gezag’, een voorbeeld hiervan was te vinden in artikel 6.36 (brandweeringang) van het Bouwbesluit 2012. Daarbij werd aan het bevoegd gezag de mogelijkheid geboden in het specifieke geval te beoordelen of wel of geen brandweeringang nodig was, feitelijk een afwijking van de landelijke regel. Dit kan beschouwd worden als een vorm van maatwerk; het in gevallen aanpassen van de algemene regel zodat deze past op de lokale situatie. In dit besluit zijn deze bevoegdheden voor het bevoegd gezag ook vormgegeven als maatwerk (het maatwerk bij de brandweeringang is opgenomen in artikel 3.130 van dit besluit).

Ten slotte zijn vergeleken met het Bouwbesluit 2012 enkele nieuwe maatwerkmogelijkheden opgenomen. Het gaat hier bijvoorbeeld op de maatwerkmogelijkheden rondom het onderwerp mobiel breken, een onderwerp afkomstig uit het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval. Daarnaast is in bepaalde gevallen ook maatwerk mogelijk op de specifieke zorgplicht. Dit stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid nadere invulling te geven aan de zorgplicht zodat het voor de normadressaat duidelijk is waar hij aan moet voldoen.

Waar maatwerkmogelijkheden openstaan is dit expliciet aangegeven in de openingsafdeling van elk hoofdstuk. De afbakening van deze mogelijkheid is indien mogelijk direct daarbij gegeven, of waar dit gaat om een specifieke afbakening voor een bepaalde regel, zo dicht mogelijk bij deze regel. Een afbakening kan bijvoorbeeld inhouden dat maatwerk alleen afwijking kan inhouden en niet nadere invulling, of dat maatwerk alleen mogelijk is na een melding. Zie hiervoor ook de artikelgewijze toelichting.

Zoals ook in paragraaf 1.3 van dit algemeen deel is aangegeven zal de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen naar verwachting voor de Omgevingswet in werking treden. Een deel van de taken in het kader van de vergunningverlening die op dit moment bij de gemeente berust, zal op termijn worden overgenomen door een private kwaliteitsborger. Ook in deze situatie behoudt het bevoegd gezag echter de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen aangezien het stelsel van kwaliteisborging gefaseerd ingevoerd zal worden. Bij gevolgklasse 2 en 3 behoudt de gemeente vooralsnog dezelfde bevoegdheden. Voor de onderwerpen omgevingsveiligheid (hoofdstuk 7) en bestaande bouw (hoofdstuk 3) verandert het stelsel van kwaliteitsborging ook niets aan de bevoegdheden van de gemeente. De maatwerkmogelijkheden die in deze hoofdstukken geboden worden aan het bevoegd gezag blijven dus inzetbaar als de gemeente dit noodzakelijk acht.

Wanneer in dit besluit is aangegeven dat een maatwerkvoorschrift op aanvraag kan worden gesteld, is deze aanvraag vormvrij. De Awb is hierop van toepassing.

Maatwerkregels algemeen

Het instrument maatwerkregels maakt het in beginsel mogelijk om in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening de algemene rijksregels in te vullen, aan te vullen of daarvan af te wijken. Hierbij wordt opgemerkt dat afwijken van de regel iets anders is dan door toepassing van een gelijkwaardige maatregel aan een regel voldoen. Op grond van het gelijkwaardigheidbeginsel mag ook een andere dan de voorgeschreven maatregel worden toegepast. Voorwaarde daarbij is echter dat met die andere maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Bij toepassing van een gelijkwaardige maatregel is dus aan de regel voldaan en is er geen sprake van afwijken.

Maatwerkregels in dit besluit

Toepassing van maatwerkregels ligt niet bij alle categorieën van activiteiten voor de hand:

  • de regels in dit besluit betreffen onderwerpen waarbij geen taken en bevoegdheden voor provincie en waterschap zijn belegd, zodat in dit besluit ook geen sprake kan zijn van op deze overheden gerichte maatwerkmogelijkheden,

  • maatwerkregels hebben in het algemeen vooral nut bij onderwerpen met een gebiedsgerichte component. Omdat verreweg de meeste regels in dit besluit betrekking hebben op technische eisen aan individuele bouwwerken ontbreekt daar op voorhand die gebiedsgerichte component.

Toch wordt met dit besluit voor enkele gevallen de mogelijkheid geboden om maatwerkregels te stellen. Opgemerkt wordt dat de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkregels in dit besluit alleen geboden wordt aan gemeenten. Dit is het geval bij energiezuinigheid, duurzaam bouwen en alleen bij de woonfunctie de bruikbaarheidseisen. Gemeenten kunnen door een maatwerkregel in het omgevingsplan gebieden aanwijzen waar voor nieuwbouw strengere energiezuinigheidseisen gelden of strengere milieuprestatie-eisen aan de toe te passen bouwmaterialen. Dit geeft ruimte aan lokale ambities van gemeenten. Ook kan een gemeente in het omgevingplan maatwerkregels opnemen voor de bruikbaarheid van de woonfunctie. De gemeente mag de bruikbaarheidseisen van dit besluit alleen versoepelen. Bij dergelijke maatwerkregels kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het versoepelen van de eisen voor de opstelplaatsen voor een aanrecht, een kooktoestel, een verwarmingstoestel en een warmwatertoestel.

2.3.6 Zorgplicht

Dit besluit bevat algemene regels. Bij activiteiten die direct betrekking hebben op het handelen van mensen, zoals het gebruik en onderhoud van bouwwerkinstallaties, brandveilig gebruik van bouwwerken en het daadwerkelijk uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden, zijn dergelijke regels gecombineerd met een specifieke zorgplicht. In de hoofdstukken 4 en 5, waarin concrete regels over het product ‘bouwwerk’ zijn opgenomen, zijn geen specifieke zorgplichten opgenomen. Zo’n zorgplicht is bij die regels niet nodig omdat de regels van dit besluit waarmee technische eisen aan het product ‘bouwwerk’ worden gesteld, op zich al voldoende zijn voor het bereiken van de technische kwaliteit die bouwwerken vanuit oogpunt van veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid minimaal moeten hebben. Als bijvoorbeeld, een nieuw gebouw gebouwd wordt dat aan de in dit besluit gestelde eisen over constructieve veiligheid voldoet, is de constructieve veiligheid van dat gebouw door die regels al voldoende geborgd. Er is in aanvulling op die regels geen behoefte aan een specifieke zorgplicht. Het staat de opdrachtgever van de bouw vrij om een constructief nog veiliger gebouw te laten bouwen maar dat is dan zijn eigen keuze. Een zorgplicht heeft in dat verband geen toegevoegde waarde. Dat geldt in beginsel ook voor de regels die in hoofdstuk 3 zijn opgenomen over de staat van bestaande bouwwerken. Die regels zijn in het algemeen voldoende om te borgen dat geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat of voortduurt. Als een dergelijke regel wordt overtreden, kan het bevoegd gezag zo nodig een maatwerkvoorschrift stellen of handhavend optreden door het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Daarmee is echter niet geheel uitgesloten dat zich bij een bestaand bouwwerk toch een gevaar voor de gezondheid of veiligheid voordoet waartegen het bevoegd gezag vanwege het ontbreken van een grondslag niet handhavend kan optreden. Vanuit de handhavingspraktijk is dan ook behoefte aan een vangnet in de vorm van een specifieke zorgplicht omdat niet alle denkbare situaties vooraf in regelgeving kunnen worden ondervangen. Daarnaast zou het ontbreken daarvan ook het streven naar deregulering en vereenvoudiging van de bouwregelgeving frustreren. Om die reden is in hoofdstuk 3 van dit besluit een specifieke zorgplicht opgenomen.

De specifieke zorgplichten in de hoofdstukken 2, 3, 6 en 7 borduren voort op de algemene zorgplicht in de wet, maar zijn concreter. Ten eerste zijn de specifieke zorgplichten beperkt tot expliciet benoemde activiteiten en oogmerken die tot het toepassingsbereik van de betreffende activiteit in dit besluit behoren. Ten tweede bevatten de specifieke zorgplichten een nadere omschrijving van het soort maatregelen die degene die de activiteit verricht met het oog op de genoemde oogmerken in elk geval moet nemen. De omschrijving van de te nemen maatregelen sluit aan bij de strekking van de algemene regels, zoals die zijn opgenomen in paragraaf 4.3.2 van de wet. Waar mogelijk is deze strekking verder uitgewerkt en meer in detail aangegeven ten opzichte van de wet. In de wet is immers alleen opgenomen wat de algemene regels in ieder geval moeten inhouden. Dit maakt het mogelijk de strekking van de algemene regels aan te vullen, zodat de inhoud van de specifieke zorgplicht voor degene die de activiteit verricht nog duidelijker is.

De specifieke zorgplicht gaat over het verrichten van activiteiten en de verantwoordelijkheden van degene die de activiteit uitvoert. Een specifieke zorgplicht heeft geen betrekking op het nalaten om een activiteit te verrichten en kan daarom niet ingezet worden om bij dergelijk nalaten handhavend op te treden. Wel kan het nalaten van een activiteit of handeling een overtreding van de algemene zorgplicht van artikel 1.7 van de wet opleveren, waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden. Voorbeelden van specifieke zorgplichten die over het verrichten van activiteiten gaan zijn te vinden in hoofdstukken 6 en 7 van dit besluit. De specifieke zorgplicht voor gebouwinstallaties in hoofdstuk 2 is anders. Deze zorgplicht is ook niet verder uitgewerkt in dat hoofdstuk. De zorgplicht in hoofdstuk 2 wordt op verschillende plekken in het besluit wel verder uitgewerkt indien er aanvullende of specifieke eisen aan bepaalde bouwwerkinstallaties worden gesteld. Zie bijvoorbeeld afdeling 6.5. De zorgplicht van artikel 2.6 blijft echter een belangrijke basisregel. Alle aanwezige bouwwerkinstallaties moeten op een zodanige manier onderhouden en gebruikt worden dat hierdoor geen gevaar voor de gezondheid en veiligheid ontstaat. De zorgplicht van artikel 2.5 is specifieker dan de algemene zorgplicht op wetsniveau omdat dit artikel duidelijk maakt dat in ieder geval de op de installaties van toepassing zijnde regels moeten worden gevolgd en de installatie adequaat moet worden beheerd, onderhouden en gecontroleerd. De gebruiker kan naar eigen inzicht invulling geven aan deze twee specifieke onderdelen van de zorgplicht, maar hij moet hier in ieder geval aan voldoen.

De specifieke zorgplichten in de hoofdstukken 6 en 7 vormen het fundament waarop de in die hoofdstukken opgenomen concrete regels voortbouwen. Bij het formuleren van die regels is niet beoogd om alle belangen voor iedere activiteit binnen een categorie van activiteiten volledig af te dekken. Dat zou ook niet mogelijk zijn. In de fysieke leefomgeving vindt een breed scala aan activiteiten plaats en het is niet mogelijk om alle gevolgen van activiteiten vooraf te voorzien en daarvoor concrete regels te stellen. Dat zou bovendien tot een enorm woud van regels leiden. De specifieke zorgplicht maakt het mogelijk om de concreet uitgewerkte algemene rijksregels te concentreren op de belangrijkste activiteiten en belangen die daarbij het meest in geding zijn.

Wat betreft de verhouding van de specifieke zorgplicht tot de overige regels zijn in dit besluit drie mogelijkheden te onderscheiden:

  • de specifieke zorgplicht treedt niet terug als in het besluit ook concrete regels zijn gesteld,

  • de specifieke zorgplicht geldt ook voor vergunningplichtige activiteiten, en

  • de specifieke zorgplicht is zowel bestuursrechtelijk en strafrechtelijk handhaafbaar gesteld.

Specifieke zorgplicht treedt niet terug

Zoals hiervoor is aangegeven, omschrijven de regels in dit besluit de essentie van de maatregelen die degene die de activiteit verricht moet nemen. Er is van afgezien om die maatregelen tot in detail uit te schrijven, ook om de omvang van het regelbestand te beperken.

Vanwege de keuze voor inzet van specifieke zorgplichten in de hoofdstukken 2, 3, 6 en 7 zijn in dit besluit geen bepalingen opgenomen die vergelijkbaar zijn met artikel 1.8 van de wet. In dat artikel is geregeld dat de algemene zorgplicht ‘terugtreedt’ wanneer er specifieke regels zijn gesteld met het oog op de doelen van de wet en die regels worden nageleefd. Voor de specifieke zorgplicht is zo’n regeling niet gewenst. De specifieke zorgplicht blijft van kracht, ook als er concrete regels zijn gesteld ter behartiging van de belangen binnen de reikwijdte van de algemene regels. Degene die de activiteit verricht blijft gehouden om de zorgplicht na te leven en die maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen of te beperken. In het algemeen zal het naleven van de regels van de hoofdstukken 2, 3, 6 en 7 al voldoende zijn om nadelige effecten bij het verrichten van de betreffende activiteiten te voorkomen en heeft de specifieke zorgplicht daarnaast beperkte betekenis. Maar wanneer degene die de activiteit verricht bepaalde handelingen uitvoert (of nalaat) waarvan ieder redelijk denkend mens kan weten dat daardoor nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen ontstaan die eenvoudig voorkomen hadden kunnen worden, heeft de specifieke zorgplicht wel betekenis.

Specifieke zorgplicht geldt ook voor vergunningplichtige activiteiten

Voor de in dit besluit geregelde activiteiten bestaat op grond van de Omgevingswet alleen een vergunningplicht voor de bouwactiviteit, voor zover die activiteit in dit besluit niet als vergunningvrij is aangewezen. Aan die vergunning kunnen voorschriften over het daadwerkelijk uitvoeren van de bouwwerkzaamheden worden verbonden. Ook daarbij zullen niet altijd door middel van een allesomvattend voorschriftenpakket alle gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen worden afgedekt. Dit wordt nog versterkt door het feit dat de vergunningplicht in toenemende mate alleen wordt ingezet voor de complexe situaties. Ook in die vergunning kan daarom een specifieke zorgplicht niet altijd gemist worden om adequate bescherming van de leefomgeving te waarborgen. In dit besluit is er daarom voor gekozen om de specifieke zorgplicht voor het daadwerkelijk uitvoeren van bouwwerkzaamheden ook van toepassing te laten zijn op het uitvoeren van vergunningplichtige bouwactiviteiten. De specifieke zorgplicht is daarmee op te vatten als een norm waaraan steeds moet worden voldaan, zowel bij algemeen geregelde activiteiten als bij vergunningplichtige activiteiten. De keuze om de specifieke zorgplicht vast te stellen als algemene norm die altijd geldt, ondersteunt de praktijk waarin de algemene regels en de vergunning alleen ingaan op de belangrijkste onderwerpen. De vergunning hoeft dan bijvoorbeeld niet meer voor alle mogelijke gevolgen van de activiteit concrete voorschriften te bevatten; voor minder belangrijke aspecten of effecten fungeert de zorgplicht als een vangnet.

De volgende figuur laat de voorgestelde verhouding zien tussen de diverse typen regels en voorschriften.

Specifieke zorgplicht zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk handhaafbaar

Vanwege bovenbeschreven keuzes over inzet van specifieke zorgplichten ligt het niet voor de hand om bij de mogelijkheden tot strafrechtelijke handhaving van de zorgplicht een onderscheid te maken tussen de zorgplicht en de overige algemene regels. Anders dan de algemene zorgplicht in de wet is de specifieke zorgplicht ook strafrechtelijk handhaafbaar.

2.3.7 Normadressaat

De regels van dit besluit zijn gesteld ter regulering van activiteiten van burgers, bedrijven en uitvoerende overheden bij het bouwen, in stand houden, gebruiken en slopen van bouwwerken. Verreweg de meeste van deze regels zijn rechtstreeks werkend en gelden voor diegene die een dergelijke activiteit verricht of laat verrichten, een ander woord voor diegene is de normadressaat. Bij het bouwen van een nieuw bouwwerk zijn de normadressaten in het algemeen de opdrachtgever en de bouwer van het bouwwerk. Bij een bestaand bouwwerk is de normadressaat in het algemeen de eigenaar of degene die uit andere hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het bouwwerk, zoals bijvoorbeeld de beheerder of de gebruiker. Bij het slopen van een bouwwerk zijn de normadressaten in het algemeen de opdrachtgever van de sloop en de sloper. Voor zover de genoemde partijen betrokken zijn, gelden voor hen de regels van dit besluit. In de praktijk kan het dus betekenen dat er bij een bepaalde activiteit meerdere normadressaten tegelijk kunnen zijn. Wie het eerste aanspreekpunt is zal in een dergelijk geval ook afhangen van de tussen betrokkenen gemaakte (privaatrechtelijke) afspraken. In de inhoudelijke hoofdstukken (3 tot en met 7) is in de eerste afdeling (algemeen) telkens een regel over de normadressaat opgenomen (toepassingsbereik: normadressaat).

2.3.8 Overige uitgangspunten voor dit besluit

Evenals bij de Woningwet het geval was, is dit besluit gebaseerd op het uitgangspunt dat de opdrachtgever/ontwerper/bouwer van een nieuw bouwwerk en de eigenaar/beheerder/gebruiker van een bestaand bouwwerk in principe zelf verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit, het gebruik en de instandhouding daarvan. Om te zorgen dat de uitoefening van die verantwoordelijkheid niet leidt tot maatschappelijk ongewenste situaties op het terrein van veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid is daarvoor een publiekrechtelijk kader nodig. Dit besluit mag de uitoefening van die eigen verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en instellingen niet verder beperken dan met het oog op het maatschappelijk belang strikt noodzakelijk is. Dit uitgangspunt komt onder andere tot uitdrukking in het hanteren van een minimumniveau van eisen alsmede in de vrije indeelbaarheid en het beginsel van verworven rechten (rechtens verkregen niveau).

Minimumniveau

Dit besluit bevat minimumeisen. Het is altijd toegestaan om een hoger kwaliteitsniveau te realiseren dan op grond van dit besluit minimaal vereist is.

Vrije indeelbaarheid

Vrije indeelbaarheid betekent dat de ontwerper van een bouwwerk in principe de vrijheid heeft om oplossingen te bedenken die aansluiten bij de wensen van de opdrachtgever en de marktsituatie. De technische bouwvoorschriften in dit besluit zijn er daarom op gericht de voorschriften op een zo hoog mogelijk niveau (aan een zo groot mogelijke bouwkundige eenheid) te stellen. Eén eis aan een eigenschap van een gebouw is te prefereren boven een aantal eisen aan bouwdelen en één eis aan een bouwdeel is weer te verkiezen boven een aantal eisen aan bouwmaterialen.

Verworven rechten

Het beginsel van verworven rechten (rechtens verkregen niveau) houdt in dat bestaande bouwwerken zoveel mogelijk worden ontzien wanneer bestaande technische eisen worden aangescherpt of nieuwe eisen worden geïntroduceerd. In artikel 5.5 zijn de randvoorwaarden voor dit rechtens verkregen niveau opgenomen.

Toegankelijkheid voor gehandicapten

Een ander belangrijk uitgangspunt is de toegankelijkheid voor gehandicapten. Eisen met het oog op de fysieke toegankelijkheid voor mensen met een functiebeperking zijn van groot maatschappelijk belang. In dit besluit zijn naast de bruikbaarheidseisen voor de woonfunctie de toegankelijkheidseisen voor alle gebruiksfuncties uit het Bouwbesluit 2012 één op één overgenomen. Deze toegankelijkheidseisen betekenen dat nieuw te bouwen bouwwerken afhankelijk van de aard en omvang een toegankelijkheidssector moeten hebben en toegankelijk moeten zijn vanaf het aansluitende terrein. Als partij bij het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap moet Nederland op grond van artikel 9 van dat verdrag passende maatregelen nemen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang tot de fysieke leefomgeving, waaronder gebouwen, te garanderen. Met hiervoor genoemde toegankelijkheidseisen is invulling gegeven aan de voor Nederland uit dit verdrag voortvloeiende verplichtingen.

Brandveiligheid

Doel bij de brandveiligheidsregels in dit besluit is het voorkomen van slachtoffers (gewonden en doden) en het voorkomen dat een brand zich uitbreidt naar bouwwerken op andere percelen. Het behouden van het bouwwerk en het voorkomen van schade aan het milieu, monumenten of maatschappelijke voorzieningen of belangen zijn geen doelstellingen van dit besluit. Bij de brandveiligheidsregels voor nieuw te bouwen gebouwen is in dit besluit uitgegaan van het volgende tijdsmodel voor vluchten en hulpverlening:

  • binnen 15 minuten na het ontstaan van een brand is de brand ontdekt en zijn de door die brand bedreigde personen en de brandweer gealarmeerd;

  • binnen 15 minuten na die alarmering hebben de door de brand bedreigde personen zonder hulp van de brandweer het gebouw kunnen ontvlucht;

  • de brandweer is aanwezig en operationeel binnen 15 minuten na het melden van de brand, en

  • de brandweer heeft de brand binnen 60 minuten na het ontstaan onder controle, wat inhoudt dat voorkomen wordt dat de brand verder uitbreidt. Op dat moment zijn de laatste door de brand bedreigde personen met behulp van de brandweer gered.

Verwijzing naar technische normen

Dit besluit maakt evenals hiervoor het Bouwbesluit 2012 gebruik van technische normen als bepalingsmethode. Deze NEN-ENs en NEN-normen zijn echter nooit dwingend voorgeschreven omdat het altijd mogelijk is om met een beroep op gelijkwaardigheid op een andere wijze aan de functionele eis van het eerste artikel van iedere paragraaf te voldoen. Zie ook de artikelsgewijze toelichting op het begrip NEN.

3 Hoofdlijnen van dit besluit

3.1 Hoofdlijnen van de inzet van instrumenten

De belangrijkste instrumenten in dit besluit zijn de algemene regels, doel- en middelvoorschriften en gelijkwaardigheid, maatwerk en zorgplicht. In paragraaf 2.3, Hoofdkeuzes van dit besluit, zijn deze instrumenten besproken. In dit onderdeel wordt ingegaan op de inzet van deze instrumenten in de praktijk. Zoals uit het navolgende zal blijken is het in veel gevallen niet voldoende om alleen dit besluit te raadplegen. Degene die een activiteit als beschreven in de hoofdstukken 3 tot en met 7 van dit besluit gaat uitvoeren zal in sommige gevallen ook te maken krijgen met het Omgevingsbesluit. Dit kan van het soort activiteit afhangen maar ook van de omvang van de activiteit.

3.2 Structuur van het besluit

Dit besluit bevat acht hoofdstukken.

De regels van hoofdstukken 1 en 2, Algemene bepalingen, zijn algemeen van toepassing, waarbij hoofdstuk 1 regels bevat over onderwerpen die in alle hoofdstukken van dit besluit een rol (kunnen) spelen. Hoofdstuk 2 bevat algemene onderwerpen die in dit besluit alleen een rol spelen bij bouwwerken. Daarnaast zijn in dit hoofdstuk regels opgenomen ter implementatie van de verordening bouwproducten. In hoofdstukken 1 en 2 zijn onderwerpen zoals de rol en de plaats van de begrippen, gelijkwaardigheid, bevoegd gezag en dergelijke opgenomen. Deze algemene bepalingen zijn van toepassing naast de algemene regels die in de inhoudelijke hoofdstukken 3 tot en met 7 per fase in de levenscyclus van een gebouw zijn opgenomen.

De hoofdstukken 3 tot en met 7 bevatten vooral technische maar ook enkele procedurele regels. Ieder hoofdstuk bevat daarnaast in de eerste afdeling enkele algemene regels die specifiek op dat hoofdstuk van toepassing zijn. Opgemerkt wordt dat de opzet en structuur niet op alle onderdelen volledig overeenkomt met die van de andere besluiten. Dit is een gevolg van de indeling in een aantal inhoudelijke hoofdstukken afhankelijk van de soort bouwactiviteit (bestaande bouw, nieuwbouw, verbouw, gebruik en bouw- en sloopwerkzaamheden). Hiervoor is gekozen met het oog op de toegankelijkheid voor de gebruiker, die in het algemeen naast de algemene hoofdstukken met slechts één van deze hoofdstukken te maken zal krijgen. Hoofdstuk 8 bevat de slotbepalingen.

3.3 Bestaande bouw

Hoofdstuk 3, Bestaande bouw, ziet toe op het in stand houden van bouwwerken. Hierin worden regels gegeven met het oog op veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid.

Deze regels bestaan uit een combinatie van doel- en middelvoorschriften, uitgewerkt in functionele omschrijvingen en prestatie-eisen. Bestaande bouwwerken moeten ten minste aan deze regels voldoen. Veelal zullen bouwwerken een hoger kwaliteitsniveau hebben dan uit deze regels volgt. Bij verbouw van bestaande bouwwerken moet ten minste het bestaande kwaliteitsniveau in stand worden gehouden. Zie ook paragraaf 3.5 van dit algemeen deel en de artikelsgewijze toelichting op hoofdstuk 5.

Zoals in paragraaf 2.3.6 toegelicht bevat dit hoofdstuk ook een specifieke zorgplicht. Als men voldoet aan die zorgplicht en aan de overige regels in hoofdstuk 3 dan voldoet men op dit punt aan de Omgevingswet. De regels zijn uitputtend bedoeld als invulling van de geregelde belangen (veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid). Met deze rijksregels is beoogd dat in heel Nederland dezelfde minimumregels gelden. Gemeenten kunnen geen aanvullende eisen stellen. Een uitzondering hierop zijn de mogelijkheden tot maatwerk. Voor een nadere toelichting daarop wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting op artikel 3.7.

3.3.1 Wijzigingen ten opzichte van voorgaande regelgeving en effecten van deze wijzigingen

De indeling van dit besluit wijkt op een aantal punten af van de indeling in het Bouwbesluit 2012. Zo zijn de inhoudelijke regels niet langer in hoofdstukken ingedeeld met de onderwerpen veiligheid, gezondheid, energiezuinigheid en dergelijke. In plaats daarvan zijn de regels geclusterd rondom een bepaalde activiteit die te maken heeft met het bouwwerk, te weten: bestaande bouw, nieuwbouw, verbouw, gebruik en bouw- en sloopwerkzaamheden. Binnen deze hoofdstukken zijn de onderwerpen veiligheid, gezondheid, energiezuinigheid en dergelijke en de daarmee samenhangende regels die van toepassing zijn op de bepaalde activiteit, terug te vinden.

Het effect hiervan is dat de gebruiker veel sneller en eenvoudiger de regels kan vinden die op zijn situatie van toepassing zijn. Iemand die meer wil weten over bestaande bouw hoeft niet meer alle hoofdstukken na te lopen, maar gaat direct naar hoofdstuk 3 en kan daar zien welke onderwerpen geregeld zijn.

Daarnaast is de volgorde waarin de bestaande bouw en nieuwbouw aandacht krijgen omgedraaid. In dit besluit zijn de regels over bestaande bouw in het eerste inhoudelijke hoofdstuk (hoofdstuk 3) opgenomen, in het daar op volgende hoofdstuk komen de nieuwbouwregels aan de orde. Deze wijziging ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 doet beter recht aan de daadwerkelijke situatie in Nederland, namelijk dat het grootste gedeelte van de gewenste gebouwvoorraad in Nederland al bestaat en een kleiner deel in de komende decennia nog gebouwd zal moeten worden. Het effect van deze wijziging in de volgorde van de hoofdstukken is ook dat de toegankelijkheid van de regelgeving is verbeterd. Door deze aanpassingen in de opzet en systematiek bestaat de bouwregelgeving nog meer dan voorheen uit een duidelijke set toekomstbestendige regels die geschikt is voor de bouwopgave van vandaag en morgen. De gebruiksfuncties uit het Bouwbesluit 2012 zijn overgenomen in dit besluit. Een gebruiker die goed thuis was in het Bouwbesluit 2012 kan dus voortbouwen op eerder opgedane kennis. Een verandering ten opzichte van het vroegere systeem onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is echter dat onder de Omgevingswet de verschillende gebruiksfuncties en de bijbehorende definities breder gebruikt worden dan alleen in de bouwregelgeving en dit besluit. Bijvoorbeeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de gebruiksfuncties uit het Bouwbesluit 2012 ook terug te vinden. Deze harmonisering resulteert in een begrijpelijke set regels voor de gebruiker.

3.4 Nieuwbouw

Hoofdstuk 4, Nieuwbouw, ziet toe op het bouwen van bouwwerken. Hierin worden technische rijksregels gegeven met het oog op veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid.

Ook de regels in dit hoofdstuk bestaan uit een combinatie van doel- en middelvoorschriften, uitgewerkt in functionele omschrijvingen en prestatie-eisen. Nieuw te bouwen bouwwerken moeten ten minste aan deze rijksregels voldoen. Het is natuurlijk toegestaan om bouwwerken met een hoger kwaliteitsniveau te bouwen dan uit deze rijksregels volgt. Zoals beschreven onder het uitgangspunt ‘vrije indeelbaarheid’ in paragraaf 2.3.8 van deze toelichting zijn de regels op een zo hoog mogelijk abstractieniveau gesteld. De ontwerper van een bouwwerk heeft hiermee veel vrijheid die oplossingen te bedenken die het beste aansluiten bij de wensen van de opdrachtgever of bij de marktsituatie.

Voor nieuwbouwbouwactiviteiten is er geen specifieke zorgplicht geformuleerd. Als men voldoet aan de rijksregels in hoofdstuk 4 dan voldoet men aan de wet. De rijksregels zijn uitputtend bedoeld als invulling van de geregelde oogmerken (veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid). Met deze rijksregels is beoogd dat in heel Nederland dezelfde minimum regels gelden voor bouwwerken. Gemeenten kunnen geen aanvullende eisen stellen. Een uitzondering hierop zijn de mogelijkheden tot maatwerk. Voor nadere informatie wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikelen 4.5 tot en met 4.7.

Er zijn in dit hoofdstuk geen rijksregels gegeven voor de voorzieningen buiten het bouwwerk die ten dienste staan van het bouwwerk. Het stellen voor regels aan dergelijke voorzieningen is overgelaten aan de gemeenten. Daarbij moet gedacht worden aan de aansluitingen op nutsvoorzieningen (energienet, warmtenet, riolering) en voorzieningen voor de brandweerinzet (opstelplaatsen, bluswater).

Een uitzondering hierop betreft de toegankelijkheid van gebouwen voor personen met een functiebeperking. In dit hoofdstuk zijn daar eisen aan gesteld, evenals overigens in hoofdstuk 3.

3.4.1 Wijzigingen ten opzichte van voorgaande regelgeving en effecten van deze wijzigingen

De regels over de bruikbaarheid van utiliteitsgebouwen (andere gebruiksfuncties dan de woonfunctie) zoals eerder opgenomen in hoofdstuk 4 van het Bouwbesluit 2012, zijn in dit besluit niet overgenomen. Deze deregulering resulteert in meer vrijheid voor de markt. Waar in het verleden landelijk uniforme eisen werden gesteld hebben ontwikkelaars bij utiliteitsgebouwen nu meer vrijheid en kunnen dus beter inspelen op wat in een bepaald segment van de markt of een specifieke regio gewenst is. Meer concreet betekent dit dat voortaan bijvoorbeeld een eigen invulling aan de plafondhoogte van een te ontwikkelen utiliteitsgebouw kan worden gegeven. Een vergelijkbare deregulering van de bruikbaarheidseisen heeft al eerder plaatsgevonden voor de particuliere eigenbouw.

Dit besluit biedt ook mogelijkheden voor decentraal maatwerk. Voor nieuwbouw geldt een landelijk vastgestelde energieprestatiecoëfficiënt en een milieuprestatie(waarde) (artikelen 4.149 en 4.159). Onder dit besluit krijgen gemeenten de mogelijkheid om lokale ambities op het terrein van energiezuinigheid en de milieuprestatie te realiseren door in een maatwerkregel in het omgevingsplan strengere eisen te stellen dan de landelijke geldende eisen. Ook kan de gemeente in het omgevingplan maatwerkregels opnemen voor de bruikbaarheid van de woonfunctie (artikel 4.161). De gemeente mag die landelijke bruikbaarheidseisen alleen versoepelen. Daarnaast gelden bij nieuwbouw mogelijkheden tot het stellen van versoepelende maatwerkvoorschriften in specifieke gevallen (artikel 4.5), Artikel 4.5 is qua mogelijkheden vergelijkbaar met het maatwerk zoals dat voorheen mogelijk was op basis van artikel 7 van de Woningwet. Ook bij het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert (herbouw) kunnen versoepelende maatwerkvoorschriften worden gesteld (artikel 4.6). Bij deze laatste maatwerkmogelijkheid is de procedure voor ontheffing van de nieuwbouwvoorschriften eenvoudiger omdat geen advies met instemming van de minister is voorgeschreven.

Opgemerkt wordt dat bij een gebouw waarin arbeid wordt verricht rekening moet worden gehouden met de regels voor arbeidsplaatsen bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet. Zo is, ingevolge de Europese richtlijn voor arbeidsplaatsen (89/654/EEG) de vrijheid voor de markt bij utiliteitsgebouwen, in ieder geval wat betreft toiletten, beperkt door artikel 3.24 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Zie ook hierna de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.165.

3.5 Verbouw en verplaatsing van een bouwwerk en wijziging van de gebruiksfunctie

Hoofdstuk 5 ziet toe op het verbouwen en, verplaatsen van een bouwwerk en op het wijzigen van de gebruiksfunctie van een bouwwerk. Hierin worden technische rijksregels gegeven met het oog op veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid. Ook de regels in dit hoofdstuk bestaan uit een combinatie van doel- en middelvoorschriften, uitgewerkt in functionele omschrijvingen en prestatie-eisen.

Verbouwen

Uitgangspunt is dat bij verbouw de nieuwbouwregels van hoofdstuk 4 gelden, waarbij in plaats van het nieuwbouwniveau mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Bij na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert gelden de nieuwbouwvoorschriften onverkort.

De hoofdregel is dat dit alleen anders is wanneer dit in afdeling 5.3, Verbouw, voor een bepaald geval anders is aangegeven. Zie ook de begripsbepaling verbouwen (bijlage I bij artikel 1.1), de artikelen 5.4 (verbouw), 5.5 (rechtens verkregen niveau) en de artikelsgewijze toelichting daarop.

Verplaatsen

Op verplaatsing in ongewijzigde samenstelling zijn de eisen voor bestaande bouw uit hoofdstuk 3 van toepassing. Als een bouwwerk wordt gewijzigd dan is geen sprake meer van een ongewijzigde samenstelling en gelden dus niet de regels van hoofdstuk 3, maar die van hoofdstuk 4. Zie hiervoor artikel 5.6 en de artikelsgewijze toelichting daarop.

Wijziging van de gebruiksfunctie

Ook bij wijziging van de gebruiksfunctie zijn in principe de regels voor bestaande bouw uit hoofdstuk 3 van toepassing. Daarbij gelden twee uitzonderingen. Om de bewoners te beschermen tegen geluidoverlast moeten verblijfsruimten in bouwwerken die een woonfunctie of een andere geluidgevoelige functie krijgen voldoen aan minimale eisen voor geluidisolatie. Ook is aanwezigheid van rookmelders verplicht. Deze specifieke regels zijn opgenomen in afdeling 5.4, Wijziging van een gebruiksfunctie. Zie verder de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.22 tot en met 5.24. Ook is voor verbouwen, verplaatsen en functiewijzigingen geen specifieke zorgplicht opgenomen. Als aan de regels in hoofdstuk 5 is voldaan dan is dat voldoende.

3.5.1 Wijzigingen ten opzichte van voorgaande regelgeving en effecten van deze wijzigingen

Door in dit besluit aan de activiteit ‘verbouw’ een eigen hoofdstuk toe te kennen, zijn de regels die daarop van toepassing zijn overzichtelijker en eenvoudiger weergegeven dan voorheen. Dit verbetert de toegankelijkheid voor de gebruiker van dit besluit.

3.6 Gebruik van bouwwerken

Hoofdstuk 6 ziet toe op het gebruiken van bouwwerken. Hierin worden rijksregels gegeven met het oog op het waarborgen van de brandveiligheid, het beschermen van de gezondheid en duurzaamheid de regels over duurzaamheid beperken zich tot voorschriften over de beschikbaarheid en kenbaarheid van het energielabel en de uitvoering van daaraan verbonden aanbevelingen en de keuring van airconditioningsystemen.

De regels over gezondheid in dit hoofdstuk betreffen alleen het gevaar van te hoge concentraties asbest en formaldehyde in voor personen toegankelijke ruimten van een bouwwerk. Over andere deelaspecten van het gebruik van bouwwerken vanuit het oogpunt van gezondheid kunnen gemeenten in het omgevingsplan desgewenst regels stellen. Dit biedt gemeenten bijvoorbeeld mogelijkheden om eisen te stellen om overbewoning van woningen tegen te gaan.

De regels over het brandveilig gebruik van bouwwerken bestaan alleen uit prestatie-eisen ofwel middelvoorschriften.

Deze prestatie-eisen zijn niet uitputtend, daarom is in dit hoofdstuk ook een specifieke zorgplicht brandveilig gebruik opgenomen. Zie hiervoor ook paragraaf 2.3.6.

Voor brandveilig gebruik geldt er ook een gebruiksmeldingplicht. Bouwwerken waarin veel personen verblijven zijn op grond van paragraaf 6.1.2, Gebruiksmelding, van dit besluit meldingplichtig. De meldingplicht is daarom niet van toepassing voor woonfuncties, behalve woonfuncties voor kamergewijze verhuur en zorg, en niet als het aantal aanwezige personen in een gebruiksfunctie onder een in genoemde paragraaf bepaald maximum aantal blijft. Bij een gebruiksmelding is er voor gemeenten ook de mogelijkheid maatwerkvoorschriften te stellen. Omdat het oogmerk van dit hoofdstuk zich niet richt op gezondheid wordt opgemerkt dat het daarom voor gemeenten mogelijk is eisen te stellen om overbewoning van woningen tegen te gaan.

3.6.1 Wijzigingen ten opzichte van voorgaande regelgeving en effecten van deze wijzigingen

In vergelijking met het Bouwbesluit 2012 zijn regels over open erven en terreinen, kleinschalige hinder en overlast voor een groot deel gedereguleerd. Vergeleken met de Woningwet zijn de regels over het welstandstoezicht gedereguleerd. Gemeenten krijgen de mogelijkheid zelf regels op te nemen in het omgevingsplan voor zover hier landelijk geen regels over zijn opgenomen. Er ontstaat daarmee meer bestuurlijke afwegingsruimte voor gemeenten en meer invloed voor de burger om aan de voorkant van het beleidsproces te bepalen of regels nodig zijn over open erven en terreinen, kleinschalige hinder en overlast en het uiterlijk van bouwwerken.

Hoofdstuk 6 bevat een zorgplicht brandveilig gebruik. Deze zorgplicht maakt mogelijk voor het bevoegd gezag om zowel bestuurs- als strafrechtelijk te kunnen optreden indien er een gevaarlijke situatie bestaat of dreigt te ontstaan, net zoals in het verleden mogelijk was op basis van artikel 1a van de Woningwet. Tegelijkertijd maakt het opnemen van deze specifieke zorgplicht het mogelijk om enkele regels te schrappen die eerder waren opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Het gaat hier om de zogenoemde restrisico-artikelen zoals bijvoorbeeld artikel 7.16 van dat besluit (restrisico veilig vluchten bij brand). Indien er in de praktijk toch problemen mochten ontstaan kan voortaan worden opgetreden op basis van de specifieke zorgplicht.

3.7 Bouw- en sloopwerkzaamheden

Hoofdstuk 7 ziet toe op het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

Voor de bouw- en sloopwerkzaamheden worden algemene regels gegeven met het oog op veiligheid, gezondheid en duurzaamheid. Naast concrete regels gelden specifieke zorgplichten voor het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden en het mobile breken van puin, afkomstig van de bouw of de sloop van een bouwwerk of een weg. Zie hiervoor paragraaf 2.3.6 van dit algemeen deel. Daarnaast kunnen gemeenten maatwerkvoorschriften stellen. Zie hiervoor de artikelen 7.5 en 7.32 van dit besluit en de artikelsgewijze toelichting op die artikelen. Voor het slopen en het mobiel puinbreken gelden meldingsplichten.

3.7.1 Wijzigingen ten opzichte van voorgaande regelgeving en effecten van deze wijzigingen

De regels voor het breken van sloopafval met behulp van een mobiele breker zijn in dit besluit terug te vinden in het hoofdstuk bouw- en sloopwerkzaamheden in plaats van in een separaat besluit. Zowel de regels rondom het breken van afval afkomstig van bouwwerken, als het breken van afval afkomstig van wegen zijn in dit besluit overgenomen zodat de gebruiker van een mobiele breker te allen tijde dit besluit kan raadplegen en er geen kleine onbedoelde verschillen in de regels kunnen ontstaan.

Het effect van het opnemen van de regels rondom mobiele brekers in dit besluit is dat de regels die gelden tijdens sloopwerkzaamheden (bijvoorbeeld ten aanzien van geluid, trilling en dergelijke) nu altijd gelijk zijn, ongeacht of daar wel of geen mobiele breker bij wordt gebruikt. Hiermee wordt zowel voor gebruikers, handhavers, omwonenden en andere betrokkenen eenvoudig duidelijk wat de regels tijdens sloopwerkzaamheden zijn.

Hoofdstuk 7 bevat een zorgplicht voor iedereen die bouw- of sloopwerkzaamheden verricht of laat verrichten om gevaar voor de gezondheid en veiligheid in de directe omgeving te voorkomen of niet te laten voortduren. Deze zorgplicht maakt het mogelijk voor het bevoegd gezag om zowel bestuurs- als strafrechtelijk te kunnen optreden indien er een gevaarlijke situatie bestaat of dreigt te ontstaan, net zoals in het verleden mogelijk was op basis van artikel 1a Woningwet. Tegelijkertijd maakt het opnemen van deze specifieke zorgplicht het mogelijk om enkele regels te schrappen die eerder waren opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval. Deze regels spreken in de praktijk al zo voor zich dat deregulering voor de hand ligt. Indien er op enig moment toch problemen mochten ontstaan kan opgetreden worden op basis van de specifieke zorgplicht.

3.8 Systematiek van de bouwregelgeving

De eisen die in dit besluit gesteld worden aan bouwwerken zijn afgestemd op het gebruik van deze bouwwerken. Binnen één bouwwerk kan sprake van verschillende soorten gebruik. Denk bijvoorbeeld aan een woongebouw met daaronder winkels en een parkeergarage. De systematiek van dit besluit is zo gekozen dat het eenvoudig is om bouwwerken met verschillende soorten gebruiksfuncties te ontwerpen en toetsen op de eisen. Het begrip ‘gebruiksfunctie’ is daarbij een kernbegrip.

Volgens de begripsomschrijving wordt met gebruiksfunctie bedoeld: de gedeelten van een bouwwerk die eenzelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen.

Elk bouwwerk heeft ten minste één gebruiksfunctie. Het besluit kent de volgende 12 gebruiksfuncties: woonfunctie, bijeenkomstfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, logiesfunctie, onderwijsfunctie, sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie, bouwwerk geen gebouw zijnde.

De hoofdgebruiksfuncties zijn soms onderverdeeld in subgebruiksfuncties. Zo zijn bij de hoofdgebruiksfunctie «woonfunctie» als subgebruiksfuncties onderscheiden: de woonfunctie voor zorg (met een gebruiksoppervlakte > 500 m2), de woonfunctie voor kamergewijze verhuur, de woonfunctie in een woongebouw, de woonwagen en de andere woonfunctie. Zo’n onderverdeling is alleen aan de orde wanneer die strikt noodzakelijk is voor het gewenste niveau van de voorschriften.

Onderdeel van de systematiek is ook het gebruik van zogenaamde aansturingstabellen waarin per gebruiksfunctie de van toepassing zijnde eisen staan aangegeven. Met deze systematiek is het in dit besluit mogelijk om zowel complexe gebouwen, als eenvoudige gebouwen (woning, schuur) te beschrijven en te beoordelen. Deze systematiek heeft zich sinds 2003 (Bouwbesluit 2003) bewezen in de praktijk en kent vanuit de bouwsector een groot draagvlak.

Gebruiksfuncties

Om een bouwwerk te beoordelen op de regels van dit besluit, moet het worden opgedeeld in gebruiksfuncties. Een bouwwerk bestaat bijvoorbeeld uit woonfuncties, een of meerdere winkelfuncties en een ‘overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen. Een winkel kan echter weer uit andere gebruiksfuncties bestaan dan alleen de winkelfunctie. In de winkel kan naast de winkelfunctie bijvoorbeeld sprake zijn van een kantoor (kantoorfunctie), van een magazijn (industriefunctie), van een personeelskantine (bijeenkomstfunctie). Ook bij de woningen kan sprake zijn van andere gebruiksfuncties, bijvoorbeeld fietsenbergingen (overige gebruiksfunctie). Een bouwwerk bestaat zodoende vaak uit meerdere gebruiksfuncties.

De indeling in gebruiksfuncties is aan de initiatiefnemer of de eigenaar van een bouwwerk. Al naar gelang deze indeling volgen de van toepassing zijnde voorschriften voor de bouw, het gebruik en de staat van bestaande bouwwerken. Voor een woonfunctie, winkelfunctie en een overige gebruiksfunctie gelden verschillende eisen.

Het begrip ‘gebruiksfunctie’ is niet hetzelfde als de functies die uit oogpunt van ruimtelijke ordening worden genoemd in een omgevingsplan. Het begrip functie in het omgevingsplan heeft betrekking op het bepalende gebruik van een locatie. Is aan een bepaalde locatie bijvoorbeeld de functie ‘detailhandel’ toegedeeld dan zouden op een winkel die op die locatie wordt gevestigd meerdere gebruiksfuncties zoals gebruikt in dit besluit van toepassing kunnen zijn. Primair zal het dan gaan om een winkelfunctie, maar binnen het winkelpand kan zoals hierboven beschreven ook sprake zijn van een bijeenkomstfunctie, een industriefunctie en een kantoorfunctie. Deze verzameling aan gebruiksfuncties blijkt in beginsel niet uit het omgevingsplan. Een initiatiefnemer of gebouweigenaar zal altijd tijdens de bouw, het gebruik van een bouwwerk en het instandhouden van een bestaand bouwwerk aan de juiste eisen uit dit besluit moeten voldoen die van toepassing zijn op de betreffende gebruiksfunctie.

In een bouwwerk met verschillende gebruiksfuncties zullen delen van het bouwwerk ten dienste kunnen staan van meerdere gebruiksfunctie. Ook hiervoor is de systematiek achter de voorschriften bruikbaar. Als bijvoorbeeld een trap voor meerdere gebruiksfuncties bedoeld is, dan is in dit besluit sprake van een gemeenschappelijke trap en gelden voor deze trap de eisen voor alle gebruiksfuncties die op die trap zijn aangewezen.

Behalve dat bouwwerken voor de beoordeling moeten worden opgedeeld in gebruiksfuncties, is een verdere opdeling nodig in ruimten. Een gebouw bestaat uit een of meer gebruiksgebieden en «restruimten» zoals technische ruimten en toiletruimten. Gebruiksgebieden kunnen onderverdeeld zijn in verblijfsgebieden of functiegebieden. En verblijfsgebieden kunnen zijn onderverdeeld in één of meer verblijfsruimten en andere ruimten, en functiegebieden weer in een of meer functieruimten en andere ruimten.

Ook de constructies waaruit een gebouw bestaat en de installaties in een gebouw zijn van belang bij de beoordeling van een gebouw. Ruimten, constructies en installaties die deel uitmaken van die gebruiksfuncties moeten voldoen aan alle eisen die het besluit daarvoor aan die gebruiksfuncties stelt.

Tabellen

Iedere paragraaf in de hoofdstukken 3 tot en met 5 heeft een aansturingartikel gevolgd door een tabel. De opbouw van deze artikelen is altijd hetzelfde. In het eerste lid is de zogenoemde functionele eis geformuleerd. In deze functionele eis is beschreven waaraan het bouwwerk wat betreft het onderwerp van die paragraaf, bijvoorbeeld paragraaf 4.3.4, Geluidwering tussen ruimten, moet voldoen. In dat geval is bijvoorbeeld in artikel 4.115, eerste lid, bepaald dat een bouwwerk bescherming biedt tegen geluidsoverlast tussen gebruiksfuncties en tussen ruimten in een woonfunctie. In het tweede lid staat dat wanneer voor een gebruiksfunctie in tabel 4.112 regels zijn aangewezen voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid wordt voldaan door naleving van de regels. In tabel 4.112 zijn in de verticale kolom de gebruiksfuncties opgenomen (altijd in dezelfde volgorde). Horizontaal zijn de verschillende artikelen en leden daarvan geplaatst. Vervolgens kan in de tabel eenvoudig worden afgelezen of voor een bepaalde gebruiksfunctie een bepaald artikel of lid van toepassing is. In tabel 4.83 is echter voor gebruiksfunctie 12, bouwwerk geen gebouw zijnde, geen enkel voorschrift aangewezen. In artikel 4.4 (toepassingsbereik: aansturingsartikel niet van toepassing) is bepaald dat wanneer er voor een gebruiksfunctie in een tabel in hoofdstuk 4 geen regel is aangewezen dan zijn de regels van de paragraaf waarin de tabel is opgenomen niet op de gebruiksfunctie van toepassing. Dit betekent dat de functionele eis van artikel 4.112 niet van toepassing is op bouwwerken geen gebouw zijnde. In artikel 3.4 is voor bestaande bouw een soortgelijk artikel over het niet van toepassing kunnen zijn van het aansturingartikel opgenomen.

4 Verhouding tot andere regelgeving

4.1 Andere besluiten onder de Omgevingswet

Zoals hiervoor in de inleiding is te lezen zijn onder de Omgevingswet vier besluiten opgenomen:

het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit besluit. Degene die een bouwwerk wil bouwen krijgt het meest te maken met dit besluit omdat hier immers de regels waaraan bouwwerken moeten voldoen zijn opgenomen. Daarnaast kan het evenwel zijn dat voor het bouwen van het bouwwerk een omgevingsvergunning benodigd is op grond van de Omgevingswet. Het bevoegd gezag moet voor het verlenen van de vergunning aan het Besluit kwaliteit leefomgeving voldoen. In dat besluit zullen via een invoeringsbesluit de beoordelingsregels opgenomen worden die voor het bevoegd gezag gelden bij de beoordeling of een omgevingsvergunning voor het bouwen moet worden verleend. Welke gegevens de aanvrager dient aan te leveren ter beoordeling van de omgevingsvergunning zal opgenomen worden in de bij de vier besluiten behorende ministeriële regeling. In het Omgevingsbesluit staan ook algemene en procedurele voorschriften. Hierin is bijvoorbeeld aangegeven wanneer sprake is van advies met instemming bij het opleggen van een maatwerkvoorschrift of het verlenen van een vergunning. In dit besluit zijn over dit onderwerp geen bepalingen opgenomen. Voor de bouwactiviteit is advies met instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de orde als het gaat om het stellen van een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift door het bevoegd gezag waarmee een op grond van dit besluit geldende nieuwbouweis in een concreet geval wordt versoepeld (zie artikel 3.23 van het Omgevingsbesluit).

Ook is in het Omgevingsbesluit opgenomen hoe bepaalde gegevens aangeleverd dienen te worden (digitaal, en welk soort formulier), ook met betrekking tot de melding en daartoe benodigde gegevens en bescheiden.

Met het Besluit activiteiten leefomgeving heeft degene die wil bouwen over het algemeen niet veel van doen. Er kan evenwel een samenloop zijn van activiteiten, maar indien men niet van plan is een milieubelastende activiteit of beperkingengebiedactiviteit uit te voeren is hiervan meestal geen sprake. Een samenloop van activiteiten die zijn geregeld in dit besluit en het Besluit activiteiten leefomgeving zal bij het bouwen van een woning niet snel aan de orde zijn. Een tweetal uitzonderingen worden hierna genoemd:

Bij het verbouwen van een monument zal zich deze samenloop zich wel kunnen voordoen. In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels die het ‘verstoren’ van een monument verbieden opgenomen, terwijl voor de bouwtechnische regels voor het verbouwen van een monument in dit besluit moet worden gekeken . Daarnaast is overigens ook in het voorliggende besluit geregeld dat de eisen voortvloeiend uit de omgevingsvergunning voor het wijzigen van het monument voor gaan op de technische eisen uit dit besluit die daarmee strijdig zijn.

Een tweede uitzondering is het bouwen in een beperkingengebied, bijvoorbeeld bouwen in de uiterwaarden van een rivier. Hier moet voldaan worden aan de regels van dit besluit en het Besluit activiteiten leefomgeving. Het komt ook voor dat een bouwwerk vergunningvrij zal zijn op grond van dit besluit, maar het bouwen daarvan een vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteit is op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Bij andere functies dan de woonfunctie zal wellicht sneller sprake zijn van een samenloop, bijvoorbeeld bij de industriefunctie. Het kan dan voorkomen dat er vanuit het oogpunt van de milieubelastende activiteit strengere eisen gesteld worden aan bouwwerken indien die milieubelastende activiteit bijvoorbeeld in het bouwwerk plaatsvindt. Er is zoveel mogelijk geprobeerd de technische regels voor het bouwwerk op te nemen in het voorliggende besluit, echter wanneer de regels dusdanig specifiek zijn en volledig samenhangen met de milieubelastende activiteit, is besloten die regels toch in het Besluit activiteiten leefomgeving op te nemen omwille van de samenhang.

Wanneer iemand een bouwwerk wil gaan (ver)bouwen of laten (ver)bouwen zal men eerst in het omgevingsplan kijken om te bezien of hetgeen iemand op een bepaalde locatie wil realiseren op die locatie is toegestaan. Naast de regels uit het omgevingsplan zijn de technische eisen uit dit besluit van toepassing. Welstandsbeleid wordt onder de Omgevingswet geregeld in het omgevingsplan. Daarnaast kan de gemeente in het omgevingsplan regelen of het is toegestaan om te bouwen zonder vergunning als aan bepaalde regels uit het omgevingplan is voldaan of dat het verboden is te bouwen zonder een vergunning. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden instructieregels gegeven over het omgevingsplan.

Wanneer men weet wat op een bepaalde locatie is toegestaan en daadwerkelijk wil gaan bouwen, staat in dit besluit aan welke technische eisen het bouwwerk moet voldoen. Ook zal door een wijziging met het Invoeringsbesluit in dit besluit te vinden zijn of er voor de bouwactiviteit voor wat betreft de technische regels nog een voorafgaande toestemming in de vorm van een omgevingsvergunning nodig is, of dat er een melding moet worden gedaan, of dat men gewoon kan gaan bouwen zonder dat het bevoegd gezag daarvan op de hoogte hoeft te zijn gesteld. In alle gevallen moet daarbij uiteraard aan de regels uit dit besluit worden voldaan.

Regelingen

Naast dit besluit komt een ministeriële regeling over de onderwerpen die in dit besluit geregeld zijn.

Op grond van artikel 4.3, derde lid, van de wet kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld als deze uitvoeringstechnische, administratieve en meet- of rekenvoorschriften inhouden. In dit besluit is voor bepaalde onderdelen aangegeven dat daaraan uitvoering wordt gegeven in de bedoelde regeling. Dit betreft onder andere de onderzoeksplicht voor bepaalde categorieën bestaande bouwwerken. De categorie bouwwerken waarvoor de onderzoeksplicht geldt wordt bij ministeriële regeling aangegeven, inclusief de regels over het uit te voeren onderzoek. Daarnaast wordt bij ministeriële regeling ook aangegeven welke (delen van) technische normen van toepassing zijn en hoe de toepassing van normen plaats dient te vinden. Een ander voorbeeld is het stellen van beroeps- en kwaliteitseisen aan de personen die aircosystemen moeten keuren. De regeling bevat geen andere onderwerpen dan die bedoeld in artikel 4.3 van de wet. In tegenstelling tot hetgeen mogelijk was onder het Bouwbesluit 2012 is het niet mogelijk vanuit dit besluit door te delegeren naar de regeling.

4.2 Voorgaande regelgeving
4.2.1 Bouwbesluit 2012

Dit besluit bevat regels die afkomstig zijn uit Woningwet, het Bouwbesluit 2012 en de daarmee samenhangende ministeriële regeling, het Besluit energieprestatie gebouwen en de daarmee samenhangende ministeriële regeling, het Besluit omgevingsrecht en enkele voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer met betrekking tot gebouwinstallaties en andere gebouwgebonden voorzieningen, het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voor wat betreft het verwijderen van asbest uit bouwwerken en het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval en de daarmee samenhangende bijlage.

Een aantal onderwerpen dat voorheen in de Woningwet werd geregeld, wordt onder de Omgevingswet op AMvB- niveau geregeld. In dit besluit zijn, zij het in enigszins gewijzigde vorm, de artikelen 4, 6, 7, 7a en 13 van de Woningwet te herkennen. Het betreft regels over de inperking van verbouw, afstemming met regels rond monumenten en regels waarin maatwerk mogelijk wordt gemaakt, enerzijds met advies met instemming en anderzijds voor het bevoegd gezag zelf. De zorgplicht die in artikel 1a van de Woningwet was opgenomen komt deels terug in dit besluit, en het algehele verbod om de regels te overtreden komt niet terug. De directe werking van de regels blijkt uit de hoofdstukken 4 en 18 van de Omgevingswet, in samenhang gelezen. Ook gaan sommige specifieke grondslagen uit de Woningwet op in de algemenere grondslagen onder de Omgevingswet.

Een nadere beschrijving van de wijze waarop voorheen geldende regelgeving en geheel of gedeeltelijk overgaat naar dit besluit is op hoofdlijnen te vinden in dit algemeen deel en meer gedetailleerd in de artikelsgewijze toelichting.

Dit besluit zal naar verwachting nog voor inwerkingtreding worden aangevuld en gewijzigd met een aantal onderwerpen waar in verband met lopende beleidswijzingen een andere planning noodzakelijk was. Hierop is in paragraaf 1.3 al ingegaan.

In dit besluit is uitgegaan van integratie van de regels zoals die gelden op 1 januari 2016.

Verder zijn wijzigingen voorzien in de Omgevingswet zelf, via de Invoeringswet Omgevingswet. Daar is in dit conceptbesluit op geanticipeerd voor zover het gaat om kleinere technische wijzigingen die bijvoorbeeld nodig bleken als gevolg van parallelle wetgevingstrajecten of tijdens het werk aan dit besluit.

4.2.2 Besluit energieprestatie gebouwen

De implementatie van de richtlijn energieprestatie van gebouwen (richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen, de Energy Performance of Buildings Directive ofwel EPBD) schrijft voor dat lidstaten minimumeisen voor energieprestatie bij nieuwbouw en ingrijpende renovatie van bestaande gebouwen, voor technische bouwsystemen, keuring van airconditioningsystemen en verwarmingsinstallaties, het proces op weg naar bijna-energieneutrale gebouwen en het energielabel vaststellen. De richtlijn verplicht de lidstaten sancties op te leggen bij het overtreden van de nationale bepalingen die worden gesteld ter implementatie van de richtlijn. De regels die ter implementatie van de richtlijn voorheen opgenomen waren in het Besluit energieprestatie gebouwen en het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn geïntegreerd in dit besluit. In principe zijn de regels een op een in dit besluit overgezet en is er geen sprake van inhoudelijke verschillen. Overigens wordt opgemerkt dat deze regels voortvloeien uit een strikte implementatie van de EPBD.

4.2.3 Activiteitenbesluit milieubeheer

Een aantal onderwerpen dat eerder in het Activiteitenbesluit milieubeheer geregeld was, is in dit besluit geïntegreerd. Dit betreft voornamelijk de verplichting voor bedrijven bepaalde energiebesparende maatregelen te nemen. Zie ook artikel 3.84 van dit besluit en de toelichting daarop.

4.3 Overgangsrecht

De inwerkingtreding van dit besluit zal plaatsvinden samen met de Omgevingswet en de drie andere uitvoeringsbesluiten onder de Omgevingswet. Het overgangsrecht maakt in principe geen onderdeel van dit besluit uit, maar zal in het Invoeringsbesluit Omgevingswet worden opgenomen. Dit overgangsrecht zal bestaan uit algemeen overgangsrecht en specifiek overgangsrecht. Met het algemene overgangsrecht wordt bereikt dat vergunningsaanvragen en meldingen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit worden afgedaan volgens het recht zoals het gold voor de inwerkingtreding van dit besluit. Dit betekent dat dit besluit eerst van toepassing is op aanvragen en meldingen die na de inwerkingtreding van dit besluit worden gedaan. Dit overgangsrecht is vergelijkbaar met het overgangsrecht uit artikel 9.1 van het Bouwbesluit 2012. Het specifieke overgangsrecht is vergelijkbaar met het overgangsrecht uit artikel 9.2 van het Bouwbesluit 2012. Toch zijn in dit besluit enkele specifieke overgangsbepalingen opgenomen. Het gaat hier enkele voorschriften die dermate direct in verband staan met de eisen van dit besluit dat er met het oog op de toegankelijkheid voor is gekozen om ze direct bij die eisen op te nemen. Hiermee wordt aan de gebruiker duidelijk gemaakt dat een bepaald artikel alleen van toepassing is op een situatie voor of na een bepaalde datum. Die datum is niet de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Een voorbeeld van dit specifieke overgangsrecht is artikel 3.87 (overgangsrecht: energiebesparende maatregelen) dat het van toepassing zijn van een aantal artikelen beperkt tot en met 31 december 2020. Een ander voorbeeld is het artikel over de kooldioxidemeter. In artikel 3.132 is bepaald dat een onderwijsfunctie voor basisonderwijs een kooldioxidemeter moet hebben. In artikel 3.133 (overgangsrecht: kooldioxidemeter) is bepaald dat artikel 3.132 niet geldt voor basisscholen met een ventilatievoorziening die voor 1 juli 2015 is aangelegd. Zie ook hierna hoofdstuk 10.

Welstandstoezicht wordt onder de Omgevingswet geregeld in het omgevingsplan. Gemeenten kunnen daarin regels stellen over het uiterlijk (welstand) van nieuw te bouwen bouwwerken en het uiterlijk van bestaande bouwwerken (welstandsexcessen). Op dit moment word het verbod van excessief ontsierende gebouwen nog geregeld in de Woningwet. Als onderdeel van het overgangsrecht wordt er voor gezorgd dat dit verbod direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet aan het omgevingsplan wordt toegevoegd. Dit gebeurt met de zo wel genoemde ‘bruidschatmethode’. De bestemmingsplannen, inpassingsplannen en beheersverordeningen worden bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch als het gemeentelijke omgevingsplan aangemerkt. Een aantal regels die op rijksniveau komen te vervallen, zullen met het overgangsrecht als een ‘bruidschat’ aan dat omgevingsplan worden toegevoegd. Op deze manier wordt voorkomen dat er bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet een hiaat in het beschermingsniveau ontstaat. Ook de beleidsregels in de gemeentelijke welstandsnota blijven gewoon van toepassing. Zo blijft het ook direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onverminderd mogelijk om op te treden tegen verwaarloosde panden. Gemeenten kunnen op een later moment zelfstandig bezien in hoeverre men de met de bruidschat toegevoegde regels in het omgevingsplan, en de daarbij geldende beleidsregels, wensen aan te passen.

5 Uitvoering, toezicht en handhaving

5.1 Uitvoering

De regels die in dit besluit zijn opgenomen zijn rechtstreeks geldend. Dit blijkt uit het feit dat naar aanleiding van enig handelen of nalaten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet opgetreden kan worden door het bestuursorgaan bij wie de handhavingstaak ligt. Dit impliceert daarmee ook meteen dat de normadressaat gehouden is te voldoen aan alle regels die bij of krachtens de wet gesteld zijn. Dit geldt niet slechts voor het overtreden van verboden, maar ook voor het nalaten te voldoen aan geboden. Allereerst vindt de daadwerkelijke naleving plaats door de normadressaat. Dat is dan ook degene die zich aan de regels moet houden en in de praktijk daarmee zorgt voor uitvoering van de regels. De uitvoering van de handhaving van die regels wordt gedaan door het bestuursorgaan dat de taak heeft tot handhaving. Burgemeester en wethouders zullen in de meeste gevallen zelf uitvoering geven aan de handhavingstaak, maar kunnen de handhaving van de bouwregelgeving ook mandateren aan bijvoorbeeld een regionale uitvoeringsdienst. Daar waar de Minister van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties de handhavende taak heeft, is de uitvoering van die taak gemandateerd aan de Inspecteur-Generaal voor Leefomgeving en Transport.

5.2 Toezicht

Op grond van artikel 18.6, eerste lid, van de wet moeten personen worden aangewezen die belast zijn met het toezicht op de naleving van dit besluit

Deze aanwijzing vindt plaats bij besluit van het college van burgemeester en wethouders voor het grootste deel van dit besluit. Dit zullen veelal gemeenteambtenaren zijn, maar zoals uit de formulering op wetniveau blijkt hoeven dit geen ambtenaren te zijn. Het kunnen ook andere personen zijn. De Minister van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties wijst de toezichthouders aan voor het toezicht op de naleving van de regels in dit besluit over de verordening bouwproducten (CE-markering) en de regels inzake aircokeuringen en energielabels. De minister heeft daartoe de ambtenaren van de Inspectie voor Leefomgeving- en Transport benoemd als toezichthouders.

Interbestuurlijk toezicht

Gedeputeerde Staten van de provincie hebben op het gebied van bouwen een rol waar het interbestuurlijk toezicht aangaat. Er kan ingegrepen worden door middel van indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing. Het instrumentarium ziet toe op individuele gevallen en kan niet generiek worden ingezet. Daarnaast kunnen de instrumenten schorsing en vernietiging gebruikt worden . Als het bevoegd gezag besluiten neemt die in strijd zijn met het recht of het algemeen belang, kan de Kroon deze besluiten schorsen en/of vernietigen op voordracht van Gedeputeerde Staten. Dit gebeurt bij koninklijk besluit. Dit is geregeld in de Gemeentewet (Titel V).

5.3 Handhaving
Bestuursrechtelijke handhavingstaak

De bestuursrechtelijke handhavingstaak omvat het houden van toezicht op de naleving van de regels, het behandelen van klachten over de naleving en het sanctioneren van overtredingen van de regels gesteld in dit besluit. Dit is geregeld in hoofdstuk 18 van de wet.

Voor de meeste regels, zoals de regels over de bouwactiviteit, heeft het college van burgemeester en wethouders de handhavingstaak. Dat blijkt uit artikel 18.2, vierde lid, van de wet. Uit artikel 18.2, eerste lid, in samenhang met artikel 4.9 van de wet blijkt dat het college tevens het bevoegd gezag is voor de handhaving inzake de melding, maatwerkvoorschriften en het treffen van een gelijkwaardige maatregel blijkt.

In het Omgevingsbesluit is aangegeven wanneer een ander bestuursorgaan tot handhaving bevoegd is, dat blijkt uit artikel 18.2, vierde lid, van de wet. Ten aanzien van onderdelen van dit besluit is van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Voor de regels ter implementatie van de richtlijn energieprestatie gebouwen en de verordening bouwproducten is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties degene aan wie de handhavingstaak is toebedeeld, tenzij het bijvoorbeeld technische eisen betreft die op grond van artikel 4.21 van de wet gesteld worden. Het tot handhaving bevoegd gezag is tevens bevoegd om ter handhaving van de regels een last onder bestuursdwang op te leggen. Voor de ministers is deze bevoegdheid opgenomen in de wet. Voor het college van burgemeester en wethouders is dit opgenomen in de Gemeentewet.

Daarnaast bestaat voor veruit de meeste overtredingen van regels in dit besluit de mogelijkheid om handhavend op te treden met een bestuursrechtelijke boete.

Bijzondere bevoegdheden

Een aantal bevoegdheden is specifiek opgenomen ter handhaving van de bouwregelgeving. Naast de hiervoor genoemde bestuurlijke boete is er ook de mogelijkheid om een bouwwerk te sluiten, het beheer over te nemen of een bouw-, sloop-, of gebruikstop op te leggen. Met uitzondering van de laatste mogelijkheid zijn deze mogelijkheden laatstelijk gewijzigd op 1 januari 2015 en blijven zij voorlopig opgenomen in de Woningwet. De wijziging van de Woningwet op deze onderdelen wordt geëvalueerd en kan in een later stadium, afhankelijk van het tijdpad en de uitkomst van die evaluatie via invoeringswet nog tot wijzigingen leiden in de Omgevingswet.

Daarnaast blijft ook de mogelijkheid om een last onder bestuursdwang tegelijk met de verplichting om voorzieningen aan te brengen (maatwerk) op te leggen, beschikbaar.

Bekostiging handhaving

De handhaving wordt bekostigd uit de algemene middelen.

Daar waar het tot handhaving bevoegd gezag daadwerkelijk overgaat tot het sanctioneren van de overtreder, kunnen de eventueel te innen gelden weer terugvloeien in de gemeentekas. Voor zover er sprake is van toepassen van bestuursdwang kunnen de kosten op grond van de Awb worden verhaald op de overtreder. Indien een last onder dwangsom is opgelegd en de dwangsom is verbeurd, kan die geïnd worden. Ook de gelden die betaald worden in het kader van de bestuursrechtelijke boete vloeien terug in de gemeentekas. Wanneer de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het tot handhaving bevoegd gezag is, wordt de handhaving bekostigd door de centrale overheid. Evenals hiervoor beschreven kunnen kosten van bestuursdwang worden verhaald op de overtreders en kunnen ook gelden terugvloeien in de staatskas vanuit opgelegde bestuurlijke boetes en verbeurde dwangsommen.

Rechtsbescherming

Bij overtreding van de algemene regels opgenomen in dit besluit kan het bevoegd gezag een handhavingsbesluit opleggen aan de overtreder. Daarnaast is er op onderdelen in dit besluit voor gekozen om een maatwerkvoorschrift te stellen. Tegen deze besluiten kan degene tot wie het besluit zich richt in bezwaar gaan bij het bevoegd gezag. Daarop zijn de procedureregels uit de Awb van toepassing. Na bezwaar staat beroep op de rechter open tegen een door het bevoegd gezag genomen beslissing op het bezwaar. Wanneer gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om maatwerkregels te stellen in het omgevingsplan geldt voor de rechtsbescherming de bij het vaststellen van het omgevingsplan gebruikelijke procedure. Zie hiervoor ook het algemeen deel van de toelichting op het Omgevingbesluit.

Strafrechtelijke sanctionering

De in dit besluit opgenomen regels kunnen evenals dat voorheen het geval was op grond van het Bouwbesluit 2012 strafrechtelijk worden gehandhaafd. Om dit mogelijk te maken wordt de Wet economische delicten via de Invoeringswet Omgevingswet technisch aangepast.

6 Effecten van de AMvB’s onder de Omgevingswet

6.1 Algemeen

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de effecten die de vier AMvB’s (het Omgevingsbesluit, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving) gezamenlijk naar verwachting zullen hebben op de Nederlandse samenleving. Aan bod komen achtereenvolgens de financiële effecten op burgers en bedrijven en op overheden, het effect op het milieu en het effect op de rechtspraak.

Om voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de onderliggende AMvB’s een inschatting te kunnen maken van de effecten van deze AMvB’s voor de samenleving is een aantal onderzoeken gedaan en zijn toetsen uitgevoerd. Er is voor gekozen om de effecten voor de vier AMvB’s gezamenlijk te behandelen omdat dit een meer samenhangend beeld geeft van de effecten van de stelselherziening. Het gaat om de volgende toetsen en adviezen:

  • de Actal-toets (Adviescollege toetsing regeldruk);

  • Onderzoek naar financiële effecten (SIRA);

  • Bedrijfseffectentoets AMvB’s Omgevingswet (SIRA);

  • Milieueffectentoets (RIVM);

  • Advies van de Raad voor de rechtspraak;

  • Advies van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State;

  • HUF-toets (Inspectie Leefomgeving en Transport).

De effecten van de AMvB’s die in dit hoofdstuk worden geschetst zijn ook betrokken bij de verwerking van de consultatie door de regering.

6.2 Financiële effecten
6.2.1 Financiële effecten algemeen

Het onderzoeksbureau SIRA Consulting heeft onderzoek gedaan naar de financiële effecten van de AMvB’s voor burgers, bedrijven en overheden en heeft ook de bedrijfseffectentoets uitgevoerd. 22 Het gaat bij de financiële effecten om de administratieve lasten, zoals de kosten van het invullen van formulieren, de ‘inhoudelijke nalevingskosten’, zoals de kosten van het lekdicht maken van een vloer, en om de financiële kosten, zoals leges. Deze drie kostensoorten vormen samen de nalevingskosten. De term regeldruk betreft alleen de administratieve lasten en ‘inhoudelijke nalevingskosten’. Daarnaast heeft SIRA gekeken naar de bestuurlijke lasten, dit zijn de kosten die overheden maken voor de uitvoering van de regelgeving.

Er zijn een aantal belangrijke overkoepelende positieve effecten. Deze worden beschreven in de volgende paragraaf. Hoewel niet alle effecten volledig kwantificeerbaar zijn, is er sprake van een flinke besparing op de kosten voor bedrijven en burgers en op de bestuurlijke lasten voor overheden. Het bedrag kan oplopen tot iets meer dan € 200 miljoen dat ieder jaar opnieuw bespaard kan worden. Daarmee dragen de AMvB’s fors bij aan de besparingen die de gehele stelselherziening kan opleveren. Het Adviescollege toetsing regeldruk (Actal) onderschrijft in haar advies over de ontwerp-AMvB’s dat deze een forse slag maken om de regeldrukreductie te realiseren.

Actal stelt verder dat de effecten van het schrappen van regels op rijksniveau en de wijze waarop decentrale overheden de geboden bevoegdheden en afwegingsruimte invullen, nog in beeld moeten worden gebracht. Actal geeft aan dat het decentraal afwegen kansen biedt voor het beperken van de regeldruk en noemt daarbij als voorbeeld de gerichte aanpak met geluidproductieplafonds bij industrieterreinen. Tegelijkertijd wijst men ook op het risico van toename van regeldruk op decentraal niveau.

Actal adviseert daarom de effecten van de decentralisatie van regels en de toename van bestuurlijke afwegingsruimte voor de regeldruk te onderzoeken voorafgaand aan de inwerkingtreding. Op basis van dit inzicht zouden samen met de VNG, de UvW en het IPO afspraken moeten worden gemaakt over de implementatie van de bestuurlijke afwegingsruimte. Ook adviseert Actal de effecten van de benutting van de afwegingsruimte mee te nemen in de monitoring van de effecten van de stelselherziening. De regering is inmiddels met de bestuurlijke koepels overeengekomen een afspraak te maken over een optimale invulling van de decentrale afwegingsruimte die recht doet aan de gedecentraliseerde verantwoordelijkheden, zowel wat betreft het beschermingsniveau als wat betreft de regeldruk. Conform het advies van Actal zullen bovendien de effecten op de regeldruk van deze invulling deel uit maken van de implementatiemonitor.

6.2.2 Effect op de regeldruk voor burgers en bedrijven

De AMvB’s hebben een effect op alle bedrijven in Nederland. Het gaat over bijna 150.000 bedrijven. Als er rekening mee wordt gehouden dat een bedrijf op meerdere locaties gevestigd kan zijn, loopt dit aantal op tot meer dan 400.000. Ruwweg 135.000 bedrijven krijgen incidenteel met de nieuwe regelgeving te maken omdat zij de kwaliteit van de fysieke leefomgeving beïnvloeden. Zij krijgen met name met de regelgeving te maken wanneer ze een nieuw bedrijfsproces starten, een nieuwe bedrijfsruimte bouwen of de bestaande omgevingsvergunning aanpassen. Voor bijna 13.000 bedrijven geldt dat zij structureel op de hoogte moeten zijn van de aanpassingen in de regelgeving omdat zij met het nieuwe stelsel moeten kunnen werken. Het gaat daarbij om bedrijven die in de fysieke leefomgeving projecten uitvoeren (6.000 bedrijven) of om bedrijven die adviseren over projecten in de fysieke leefomgeving (7.000 bedrijven).

De AMvB’s pakken positief uit voor de regeldruk. Daarbij is sprake van een aantal ‘overkoepelende effecten’ die volgens het onderzoek van SIRA belangrijke winst opleveren, maar die niet of niet volledig gekwantificeerd kunnen worden. Dit betreft de snelheid van procedures, de kenbaarheid van regels, de samenhang van beleid, besluitvorming en regelgeving en de integrale benadering.

Snellere procedures

Betere stroomlijning van de verschillende procedures waar overheden en bedrijfsleven mee te maken krijgen, moet ertoe leiden dat de doorlooptijd van het totaal van procedures korter wordt. Daarnaast zijn er op verschillende punten wijzigingen in de regelgeving om de proceduretijd te verkorten. Dit heeft met name economische voordelen omdat activiteiten eerder kunnen worden gestart doordat er eerder duidelijkheid is voor het bedrijf. Dit werkt bijvoorbeeld positief door op de kosten voor de financiering van projecten. Ook kunnen de bedrijven en de overheden sneller anticiperen op gebeurtenissen in de markt. De potentiële winsten die bedrijven kunnen behalen door deze kortere doorlooptijden, zijn naar verwachting groot.

Kenbaarheid

Naast versnelling van procedures wordt ook een positief financieel effect behaald met de harmonisering, de bundeling en de vergroting van de kenbaarheid van regels. Dit moet regelgeving niet alleen sneller en beter toegankelijk maken, maar zeker ook bijdragen aan een betere kwaliteit van regelgeving en besluitvorming. De duidelijkere regels en de grotere nadruk op participatie en goede voorbereiding geven uiteindelijk minder bezwaar- en beroepsprocedures en bespaart initiatiefnemer sommige situaties ook de kosten voor de inhuur van deskundigen.

Betere samenhang beleid, besluitvorming en regelgeving

De Omgevingswet en de vier AMvB’s staan voor een betere samenhang van het beleid, de besluitvorming en de regelgeving bij de verschillende lagen van de overheid. Dit is een belangrijk winstpunt. De bundeling van landelijke regels gaat de bestaande versnippering tegen en vergroot de samenhang, de inzichtelijkheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht. Ook moeten regels over de fysieke leefomgeving binnen een bestuurslaag zoveel mogelijk op één plek en in samenhang worden geregeld, bijvoorbeeld in het omgevingsplan voor gemeenten. Tenslotte vraagt het stelsel om zaken als beleid, besluitvorming en regelgeving zoveel mogelijk in samenspraak met de betrokken stakeholders te maken. Bij overleg met de betrokken overheden zal dit leiden tot minder tegenstrijdige of elkaar tegenwerkende situaties. Ook hier is een lastenvermindering mogelijk doordat minder procedures nodig zijn en minder discussies over tegenstrijdigheden ontstaan. Verder lopen ondernemers minder snel tegen belemmeringen aan doordat zaken beter op elkaar zijn afgestemd dan voorheen en ontstaat er daardoor meer ruimte om te ondernemen.

Met integrale blik denken vanuit kansen

Het stelsel van de Omgevingswet nodigt overheden uit integraal naar de omgeving te kijken en primair te denken vanuit de mogelijkheden om plannen en activiteiten mogelijk te maken. Hiermee kunnen meer economische activiteiten mogelijk worden en kan de benutting van de openbare ruimte effectiever plaatsvinden.

Kwantificeerbare effecten

Hoewel SIRA bovenstaande overkoepelende effecten niet of niet volledig kon kwantificeren, geldt dit wel voor veel van de specifieke wijzigingen in de regelgeving. Als het gaat om de kwantificeerbare financiële effecten is sprake van een daling van € 51 à 100 miljoen per jaar aan administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Daarnaast zullen burgers en bedrijven jaarlijks € 20 à 41 miljoen minder betalen aan leges. Tenslotte rapporteert SIRA een bedrag van € 21 à € 42 miljoen aan vermindering nalevingskosten door het bedrijfsleven.

Bedrijfseffectentoets, overige effecten voor bedrijven

In de bedrijfseffectentoets is naast de zojuist genoemde administratieve lasten ook gekeken naar de mogelijke effecten op de werking van de Nederlandse markt. Hoewel de stelselherziening niet als doel heeft direct of indirect de werking van de markt te beïnvloeden, is toch sprake van positieve effecten. De stelselherziening moet voor alle bedrijven leiden tot transparante regelgeving en verplichtingen, meer mogelijkheden tot ondernemen en snellere procedures. En deze veranderingen zijn per sector voor alle bedrijven gelijk. Ook maakt de stelselherziening het voor toetreders wat makkelijker om de markt te betreden.

6.2.3 Structureel effect op bestuurlijke lasten voor overheden

De regelgeving in de vier AMvB’s kan voor overheden tot een significante besparing op de bestuurlijke lasten leiden. Van de hierboven genoemde voordelen die niet, of niet volledig, gekwantificeerd konden worden zal ook sprake zijn bij overheden. Daarnaast geldt dat er sprake kan zijn van een jaarlijkse besparing op bestuurslasten bij de overheden van € 38 à 67 miljoen. Deze besparingen kunnen vooral bij gemeenten gerealiseerd worden. Het gaat daarbij uiteraard om inschattingen. Na de inwerkingtreding zal daadwerkelijk blijken hoe groot de financiële voordelen uiteindelijk zijn.

Tegenover de daling van de bestuurlijke lasten staat bij gemeenten een (minder grote) daling van de legesinkomsten. Deze daling bedraagt naar verwachting € 20 à 41 miljoen per jaar.

6.2.4 Eenmalige kosten

SIRA heeft ook een inschatting gemaakt van de eenmalige lasten voor burgers, bedrijven en overheden. Voor burgers en bedrijven heeft SIRA in het onderzoek naar de effecten van de Omgevingswet al de zogenoemde kennisnamekosten geraamd. SIRA verwacht dat ten opzichte daarvan geen sprake zal zijn van extra eenmalige kennisnamekosten voor de AMvB’s.

Voor de medeoverheden verwacht SIRA wel extra eenmalige kosten door de AMvB’s naast de al eerder in kaart gebrachte eenmalige kosten. Het gaat hierbij om kosten om aan specifieke verplichtingen uit de AMvB’s te kunnen voldoen en kosten van de interne organisatie van de implementatie van het nieuwe stelsel. In totaal gaat het om een bedrag van € 29 à 43 miljoen aan eenmalige kosten.

6.3 Effect op het milieu

Deze paragraaf start met de resultaten van de milieueffectentoets door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Daarna wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de beginselen van het EU-milieubeleid toegelicht.

6.3.1 Effect op beschermingsniveau en realisatie milieuambities

Het RIVM heeft een milieueffectentoets op de AMvB’s uitgevoerd. Bij deze toets is bekeken in hoeverre de AMvB’s invulling geven aan het uitgangspunt van een gelijkwaardig beschermingsniveau voor de fysieke leefomgeving. Ook is getoetst in hoeverre de AMvB’s borgen dat de ambities van het Rijk voor milieu, gezondheid, duurzaamheid en veiligheid worden gerealiseerd. Het RIVM concludeert in de milieueffectentoets voor de vier AMvB’s dat het Rijk voor een gelijkwaardig beschermingsniveau en het realiseren van haar ambities in het nieuwe stelsel meer afhankelijk wordt van keuzes van medeoverheden.

Gelijkwaardig beschermingsniveau

Het uitgangspunt van een gelijkwaardige bescherming bij de AMvB’s houdt in dat het niveau van bescherming van gezondheid, veiligheid en omgevingskwaliteit gelijkwaardig blijft aan het oude niveau. Voor het beschermingsniveau constateert het RIVM dat met de AMvB’s een niveau gelijkwaardig aan het huidige mogelijk is op lokaal niveau, maar dat ook beleidsverlies zou kunnen optreden.

De regering verwacht dat er geen beleidsverlies zal optreden. Voor de balans tussen bescherming van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en benutting van diezelfde leefomgeving zet de regering bewust in op het creëren van meer bestuurlijke afwegingsruimte. Op deze manier kan optimaal rekening worden gehouden met de lokale omstandigheden en kunnen strengere eisen worden gesteld aan de bescherming van de fysieke leefomgeving voor die gebieden waar dat nodig is. De huidige regelgeving biedt op een aantal onderdelen al flexibiliteit om in te spelen op regionale en lokale versschillen, maar dit wordt in de AMvB’s beter en consequenter ontsloten. Gemeenten en provincies maken nu ook al gebruik van deze mogelijkheden om strengere eisen te stellen of juist meer ruimte te bieden. Zij gaan hier zorgvuldig mee om. Tot slot wordt in de AMvB’s de bestuurlijke afwegingsruimte begrensd waar dat nodig is voor de bescherming van de fysieke leefomgeving.

Ambities van het Rijk voor de fysieke leefomgeving

Volgens het RIVM wordt het bereiken van de ambities op het gebied van milieu, duurzaamheid, gezondheid en veiligheid in beginsel goed geborgd in de AMvB’s door het gebruik van de beleidscyclus, maar zijn er enkele kanttekeningen bij de uitwerking. Zo zouden de AMvB’s moeten duiden waar de omgevingsvisie aan moet voldoen, opdat milieuambities een prominentere plaats krijgen in de belangenafweging van gemeenten en provincies. Hoewel het omgevingsplan kan werken als ondergrens, zouden de AMvB’s gemeenten meer moeten stimuleren om te komen tot een integrale beoordeling met geïntegreerde indicatoren voor integrale gezondheidseffecten. Ook vindt het RIVM een programmaplicht wenselijk voor de ambities voor duurzaamheid en gezonde fysieke leefomgeving, zodat zichtbaar en controleerbaar is wat er concreet gebeurt voor die ambities. Over de doorwerking van regels voor milieubelastende activiteiten via het omgevingsplan merkt het RIVM op dat pas in de uitvoeringspraktijk blijkt of dit zal werken. Voor de interpretatie van de regels in de handhavingsfase zou volgens het RIVM de relatie nodig met de visie, het plan en het programma moeten worden verduidelijkt.

De regering deelt de visie van het RIVM dat ambities voor grote thema’s zoals duurzaamheid, gezondheid en veiligheid niet gerealiseerd kunnen worden met alleen de kerninstrumenten in de Omgevingswet en de AMvB’s. Ook via andere sporen werkt de regering aan de realisatie van haar ambities, bijvoorbeeld via het implementatietraject. De realisatie van de ambities voor de maatschappelijke opgaven vereisen de inzet en betrokkenheid van alle overheden en van private partijen. De Omgevingswet en de bijbehorende AMvB’s dragen hieraan bij door de overheden een krachtiger instrumentarium te bieden voor sturing op oplossingen voor deze maatschappelijke opgaven, voor zover het de fysieke leefomgeving betreft. Zo geven de AMvB’s meer ruimte aan duurzame ontwikkeling. De realisatie van private initiatieven voor zonnepanelen en warmte-koude-opslag wordt eenvoudiger door kortere vergunningprocedures en meer ruimte voor maatwerk. Met de gelijkwaardigheidsbepaling krijgen bedrijven ruimte om nieuwe effectieve technieken voor duurzame energievoorziening toe te passen. Gemeenten kunnen bovendien met het omgevingsplan beter sturen op energieprestaties van nieuwbouw of een aansluitplicht op restwarmte. De regering ziet net als het RIVM de waarde van het programma als sturingsinstrument. De AMvB’s geven niet alleen aan in welke gevallen het gebruik van het programma verplicht is, maar bieden ruimte aan overheden het programma ook in te zetten in andere gevallen waar het toegevoegde waarde heeft. Ook zal bij de implementatie nadere aandacht worden besteed aan het gebruik van het programma voor het realiseren van milieuambities.

De AMvB’s bieden volgens de regering een goed instrumentarium aan de uitvoeringspraktijk om zowel de huidige als de toekomstige maatschappelijke opgaven goed te kunnen borgen en stimuleren. Rondom een aantal van de door het RIVM genoemde thema’s vindt beleidsvernieuwing plaats. De komende tijd zullen de AMvB’s op onderdelen mogelijk nog worden aangepast voor de uitwerking van trajecten voor energietransitie en klimaatadaptatie. Zo wordt bij de uitwerking van de Energieagenda bekeken of en zo ja, hoe de ’uitvoeringsregelgeving onder de Omgevingswet moet worden aangepast voor gewenste energietransitie. Hetzelfde geldt voor de door het kabinet toegezegde Deltaplan ruimtelijke adaptatie. Door klimaatverandering neemt de kans op schade door wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe.

6.3.2 Beginselen van het EU-milieubeleid

Als gevolg van het amendement-Albert de Vries/Dik-Faber23 is in de wet artikel 23.6 ingevoegd, dat bepaalt dat in de nota van toelichting bij een algemene maatregel van bestuur gemotiveerd wordt op welke wijze rekening is gehouden met de vier beginselen van het milieubeleid van de Europese Unie: het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

Deze beginselen hebben in de eerste plaats een rol gespeeld bij de totstandkoming van de EU-richtlijnen die zijn geïmplementeerd in dit besluit. De motiveringsplicht van artikel 23.6 reikt niet zo ver dat de motivering van die richtlijnen hier herhaald hoeft te worden. De rol van de beginselen bij de implementatie van de richtlijnen is vervolgens beperkt geweest, gezien de keuze voor een lastenluwe implementatie, waarbij niets anders of méér wordt vastgelegd dan dat wat de EU-richtlijn voorschrijft.

In de tweede plaats spelen de beginselen een rol in het nationale beleid. Dat blijkt ook uit artikel 3.3 van de wet, dat voorschrijft dat in een omgevingsvisie rekening wordt gehouden met de vier genoemde beginselen. Het beleid dat in de omgevingsvisies zal worden opgenomen is bepalend voor keuzes die worden gemaakt in de regelgeving. Dit besluit is echter niet gebaseerd op het beleid in één actuele omgevingsvisie, maar bevat een bundeling en vernieuwing van regelgeving die de afgelopen decennia ontwikkeld is vanuit verschillende beleidsachtergronden, en waarin de beginselen op verschillende wijzen doorwerken. Deze motivering gaat inhoudelijk in op de toepasselijkheid van de beginselen, los van de historische beleidsachtergrond van een regel.

Artikel 3.3 van de wet schrijft voor dat bestuursorganen beginselen betrekken bij totstandkoming van beleid en artikel 23.6 schrijft voor dat het Rijk toelicht hoe beginselen betrokken zijn bij de regelgeving. In beide gevallen hebben de beginselen het karakter van een richtsnoer en heeft de uitleg ervan door het betrokken bestuursorgaan een dynamisch karakter. De milieubeginselen vormen dus geen rechtsregel waar het bestuursorgaan aan gebonden is, maar dragen samen met de algemene rechtsbeginselen zoals redelijkheid en billijkheid, het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel bij aan de kwaliteit van beleid en regelgeving. Op deze wijze dragen de beginselen bij aan het vinden van een goede balans tussen bescherming en benutting van de fysieke leefomgeving.

In artikel 23.6 van de wet is gekozen voor een letterlijke overname van de beginselen van het milieubeleid van de Europese Unie. De Unie gaat uit van een breed milieubegrip, dat in ieder geval water, bodem, lucht, natuur en landschap omvat. De Omgevingswet gaat behalve over het milieu ook over de gebouwde omgeving: bouwwerken en infrastructuur zijn onderdelen van de fysieke leefomgeving. Het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen zijn algemeen verwoord en ze zijn daardoor in principe van toepassing op de gehele regelgeving. De andere twee beginselen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt, zijn gezien de verwoording alleen van toepassing op het milieuterrein.

6.3.3 Effecten van de beginselen van het EU-milieubeleid voor dit besluit

Het voorzorgsbeginsel houdt in dat de overheid maatregelen kan nemen als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, maar de beschikbare wetenschappelijke gegevens nog geen uitvoerige risico-evaluatie mogelijk maken.24 Met dit beginsel dient op grond van artikel 3.3 van de wet expliciet rekening te worden gehouden in de omgevingsvisie. Die visie werkt niet rechtstreeks door in de uitvoering van dit besluit, zoals een maatwerkvoorschrift of een handhavingsbeschikking. Dit betekent dat het bestuursorgaan niet rechtstreeks aan de visie gebonden is of aan het voorzorgbeginsel als dat in de omgevingsvisie aan de orde is. In een concreet geval kan wel sprake zijn van een indirecte doorwerking daarvan, op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het vereiste van een deugdelijke motivering van een besluit op basis van artikel 3.46 van de Algemene wet bestuursrecht. Daaruit volgt dat bij de besluitvorming rekening moeten worden gehouden met het eigen strategische beleid, waaronder de beleidsuitspraken in de eigen omgevingsvisie over voorzorg.

Voor initiatiefnemers kan het voorzorgbeginsel soms van betekenis zijn bij de toepassing van de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplichten in dit besluit laten veel ruimte voor het eigen initiatief om op juiste en passende wijze een bepaalde zorg voor de leefomgeving te betrachten. Ongeacht die ruimte zijn de specifieke zorgplichten in dit besluit wel een rechtstreeks werkende regel voor de initiatiefnemer, die daarmee de plicht heeft de voorgeschreven zorg te betrachten. Dit past bij het uitgangspunt van de wet, dat initiatiefnemers uitdrukkelijk een eigen verantwoordelijkheid hebben om consequenties te verbinden aan potentiële nadelige effecten van hun activiteit. Vaak zal het volstrekt evident zijn wat deze verantwoordelijkheid inhoudt. Maar soms kan in een concreet geval sprake zijn van gerede twijfel over de kans dat bepaalde nadelige gevolgen kunnen optreden. Wanneer het bevoegd gezag dit risico niet wil laten bestaan, kan via een maatwerkvoorschrift evident worden gemaakt wat de zorgplicht van de initiatiefnemer dan inhoudt, mede uit een oogpunt van voorzorg.

Het beginsel van preventief handelen houdt in dat nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Dit vanuit de premisse dat voorkomen beter is dan ongedaan maken (‘genezen’). Net als het voorzorgbeginsel wordt met dit beginsel van preventief handelen rekening gehouden in de omgevingsvisie. En ook dit beginsel kan indirect doorwerken in besluiten die worden vastgesteld vanwege dit besluit, zoals maatwerkvoorschriften en handhavingsbeschikkingen, vanwege de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de deugdelijke motivering van die besluiten. Het beginsel is ook herkenbaar in de specifieke zorgplicht die bij diverse activiteiten in dit besluit is gesteld. Op basis daarvan wordt van de initiatiefnemer vereist dat hij alle maatregelen neemt die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om bepaalde nadelige gevolgen te voorkomen.

Het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden gaat uit van de premisse dat het aanpakken van een probleem bij de bron effectiever is dan het bestrijden van negatieve gevolgen. Zoals al aangegeven in de vorige paragraaf is dit beginsel alleen van toepassing op het milieuterrein. Omdat dit besluit algemene regels geeft op het terrein van de gebouwde omgeving, is dit beginsel hier niet toegepast en kunnen de effecten hier ook niet worden toegelicht.

Het beginsel dat de vervuiler betaalt houdt in dat degene die activiteiten verricht financieel verantwoordelijk is voor het voorkomen, beperken en zo nodig ongedaan maken van nadelige gevolgen van die activiteiten voor het milieu. Zoals aangegeven in de vorige paragraaf is dit beginsel alleen van toepassing op het milieuterrein. Omdat dit besluit algemene regels geeft op het terrein van de gebouwde omgeving, is dit beginsel hier niet toegepast en kunnen de effecten hier ook niet worden toegelicht.

6.4 Effect op de rechterlijke macht en de handhaafbaarheid

In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op de effecten voor de rechtspraak en de gevolgen voor de organisatie en de werklast van de rechtspraak. Vervolgens worden de conclusies van de Inspectie Leefomgeving en Transport over de effecten op de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid behandeld. Bij de effecten op de rechtspraak en de gevolgen voor de organisatie wordt het advies betrokken dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling bestuursrechtspraak) en de Raad voor de rechtspraak hebben uitgebracht over de vier ontwerp-AMvB’s. De Afdeling bestuursrechtspraak en de Raad voor de rechtspraak hebben ook opmerkingen gemaakt over de inhoudelijke thema’s en keuzes. De reactie van de regering op die thema’s wordt gegeven bij de toelichting op die onderdelen.

De effecten van de stelselherziening van het omgevingsrecht voor de rechtspraak volgen deels uit de wet, deels uit de uitvoeringsregelgeving en deels uit de invoeringsregelgeving. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Omgevingswet is aangegeven dat de effecten voor de organisatie en de werklast pas te overzien zijn als de inhoud van de invoeringsregelgeving en uitvoeringsregelgeving bekend is. Nu de inhoud van de AMvB’s grotendeels bekend is, kan meer gezegd worden over de effecten op de werklast van de rechtspraak. Tegelijkertijd moet bedacht worden dat ook het voorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet sterk bepalend zal zijn voor de rechtspraak. Zo regelt het voorstel voor de Invoeringswet het overgangsrecht, de beroepsmogelijkheden (door wijziging van bijlage 2 bij de Awb), het tempo en de wijze van overgang van bestemmingsplannen naar omgevingsplannen, de schade als gevolg van besluiten die op grond van de Omgevingswet worden genomen en het Digitaal Stelsel Omgevingswet. De Raad voor de rechtspraak wijst er terecht op dat de werklastgevolgen pas concreet te kwantificeren is als alle onderdelen van de stelselherziening gereed zijn. De regering zegt toe ook de andere onderdelen van de stelselherziening voor advies voor te leggen aan de Afdeling bestuursrechtspraak en de Raad voor de rechtspraak. Deels is dat ook al gebeurd voor bijvoorbeeld de Invoeringswet Omgevingswet en de aanvullingswet grondeigendom.

Een belangrijk effect van de wet is dat minder losse toestemmingen van de overheid nodig zullen zijn voor het mogelijk maken van activiteiten. Een initiatiefnemer kan steeds in één procedure alle toestemmingen voor zijn activiteit krijgen. Elke gemeente heeft straks één omgevingplan, dat gemakkelijker actueel te houden is, waardoor minder vaak behoefte zal bestaan aan wijzigingen of omgevingsvergunningen voor afwijkactiviteiten voor concrete ontwikkelingen. Dat zal naar verwachting leiden tot minder geschillen bij de bestuursrechter.

In het vervolg van deze paragraaf zal worden ingegaan op de effecten van de wijzigingen die de uitvoeringsregelgeving met zich meebrengt voor de rechtspraak.

Wijzigingen die kunnen leiden tot vergroting van de werklast

De Raad voor de rechtspraak vraagt aandacht voor de initiële kosten die het nieuwe stelsel met zich meebrengt voor de rechterlijke macht. Die opmerking betreft overigens het de invoering van het gehele stelsel en niet alleen de AMvB’s. Rechters zullen kennis moeten nemen van het nieuwe stelsel en dat zal in de beginfase substantieel aandacht vragen, zo is de inschatting van de Raad voor de rechtspraak. Ook zullen overgangsrechtelijke situaties soms complexe vragen voor de rechter opleveren. De ingrijpende stelselwijziging zal soms leiden tot nieuwe rechtsvragen, die bij conflicten aan de rechter worden voorgelegd. Deze zijn niet altijd vooraf te voorzien. Al wel te voorzien is dat een deel van de vaste jurisprudentie over begrippen als ‘inrichting’ en ‘goede ruimtelijke ordening’ zijn betekenis zal verliezen; voor de opvolgers van deze begrippen zal gaandeweg een nieuwe bestendige lijn door de rechtspraak ontwikkeld moeten worden. Een mitigerende werking hierbij gaat uit van de invoeringsbegeleiding, die ervoor moet zorgen dat alle overheidspartijen in staat zijn om de wet en de uitvoeringsregelgeving op goede wijze toe te passen. Bij de invoeringsbegeleiding zal er ook aandacht zijn voor de rechtspraak.

Een structurele wijziging wordt verwacht op één punt. Het omgevingsplan kan een aantal nieuwe onderwerpen bevatten, ten opzichte van het bestemmingsplan en de gemeentelijke verordeningen:

  • regels over milieubelastende activiteiten waarover het Rijk niet langer regels stelt;

  • maatwerkregels bij de algemene rijksregels;

  • lokale omgevingswaarden.

Deze mogelijkheden sluiten aan bij het verbeterdoel om bestuursorganen meer bestuurlijke afwegingsruimte te geven. Zo kunnen de regels in het omgevingsplan worden ingezet voor het aanpakken van knelpunten met milieugebruiksruimte, zoals bij cumulatie van geluidhinder of geurhinder. Omdat het hele omgevingsplan openstaat voor beroep, kan tegen deze regels beroep worden ingesteld, waar dat voorheen meestal niet kon omdat er sprake was van algemeen verbindende voorschriften. Afhankelijk van de wijze waarop gemeenten de nieuwe mogelijkheden hanteren, kan dat in bepaalde gevallen leiden tot geschillen die aan de Afdeling bestuursrechtspraak worden voorgelegd. Ook kunnen burgers omgevingsvergunningen aanvragen voor het afwijken van zulke regels, waarvan een deel voorgelegd zal worden aan de bestuursrechter.

Los van het openstellen van het hele omgevingsplan voor beroep wijzen de Afdeling bestuursrechtspraak en de Raad voor de rechtspraak beide ook in algemene zin op de verruiming van de mogelijkheden voor maatwerk en de vergroting van de bestuurlijke afwegingsruimte. Zij schatten in dat de werklast van de rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak hierdoor zal toenemen. De regering verwacht echter geen significant effect op de werklast van de rechterlijke macht. Zo wordt de mogelijkheid voor maatwerk weliswaar generiek geboden, maar in de meeste gevallen zullen de algemene rijksregels volstaan. Wel voorstelbaar is dat de zwaarte en de ingewikkeldheid van een zaak waarin maatwerk of bestuurlijke afwegingsruimte een rol spelen zal toenemen. De Raad voor de rechtspraak wijst daar voor maatwerkvoorschriften bijvoorbeeld op. Onderstaand wordt zowel voor maatwerk als voor bestuurlijke afwegingsruimte aangegeven waarom de regering inschat dat er geen significante effecten te verwachten zijn voor de rechtspraak.

Maatwerk

De verruiming van de mogelijkheden voor maatwerk zou er in theorie toe kunnen leiden dat meer verzoeken om maatwerkvoorschriften gedaan zullen worden, zowel door initiatiefnemers (verruiming) als andere belanghebbenden (aanscherping). In het merendeel van de gevallen zullen de algemene rijksregels echter voldoen en zullen er geen maatwerkvoorschriften gesteld worden. Bovendien gaat de voorkeur uit naar de inzet van het nieuwe instrument maatwerkregels, waarmee bestuursorganen proactief aangeven dat maatwerk nodig is in verband met bijzondere gevoeligheid of kwetsbaarheid van een locatie. De gebiedsgerichte inzet van maatwerk via maatwerkregels beperkt de noodzaak tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Het stellen van een maatwerkvoorschrift zal – ondanks de verbreding – dan ook een uitzondering blijven en net als voorheen zullen naar verwachting weinig maatwerkvoorschriften aan de bestuursrechter worden voorgelegd.

Bestuurlijke afwegingsruimte

Op een aantal punten is de bestuurlijke afwegingsruimte voor bestuursorganen bij het toepassen van instructieregels vergroot. Bestuursorganen zullen binnen de ontstane afwegingsruimte een afweging moeten maken, die door de bestuursrechter getoetst wordt. Hij bepaalt of het bestuursorgaan een besluit in redelijkheid, gelet op de daarbij betrokken belangen, had mogen nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak geeft aan dat de algemene eisen van behoorlijk bestuur, waaronder motiveringseisen, zorgvuldigheid en de proportionaliteit, daarbij een belangrijke rol spelen. Ook onder het oude recht moest in verreweg de meeste gevallen al een afweging gemaakt worden. Verruiming van de afwegingsruimte leidt naar de inschatting van de regering dan ook niet tot een grotere werklast Daarom wordt geen significant effect verwacht op de werklast van de rechterlijke macht.

Wijzigingen die kunnen leiden tot beperking van de werklast

Zoals toegelicht in de eerdere hoofdstukken van deze toelichting dragen diverse wijzigingen bij aan één van de vier verbeterdoelen van de stelselherziening, het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht. Dit is niet alleen van belang voor burgers, bedrijven en overheden, maar ook voor rechters, die immers onder het voormalige recht ook geconfronteerd werden met een onoverzichtelijk geheel van wetgeving. Rechters zullen bij de voorbereiding van hun uitspraken profiteren van het bijeenbrengen van de regels in vier besluiten, het aanpakken van onduidelijke, schurende, tegenstrijdige of onrealistische regels, het uniformeren van procedures en begrippen, het harmoniseren van de redactie van de regels, het beperken van de lijsten met uitzonderingsgevallen en het verduidelijken van de status van niet-wettelijke documenten die bestuursorganen toepassen bij hun oordeelsvorming.

De werklast voor de rechterlijke macht is onder andere afhankelijk van de kwaliteit van de besluitvorming door bestuursorganen. Het nieuwe stelsel draagt bij aan de kwaliteit daarvan. Als bestuursorganen beter voorbereide besluiten nemen, vermindert dat de werklast voor de rechterlijke macht. Van groot belang daarbij is dat de wet meer samenhang in beleid en regelgeving afdwingt. Ook de regelgeving in dit besluit en de andere AMvB’s onder de wet heeft een gunstige invloed hierop. Zo zullen rechters minder vaak procedurefouten hoeven te beoordelen omdat er minder procedurele eisen worden gesteld. De Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving bevatten ten opzichte van de Awb zo min mogelijk aanvullende voorbereidings-, afstemmings- en motiveringseisen. De Afdeling bestuursrechtspraak wijst er wel op dat de te beschermen belangen dan nog wel over de band van de algemene zorgvuldigheids- en motiveringseisen aan de orde kunnen komen. Dat is op zich juist. In de AMvB’s is nauwer aangesloten op de EU-regelgeving en de daarin gangbare begrippen, wat de kans verkleint dat rechters zullen oordelen dat er een implementatiegebrek is en zij direct moeten toetsen aan een EU-richtlijn.

Eén van de belangrijkste wijzigingen ter uitvoering van het verbeterdoel om de besluitvorming te versnellen en verbeteren is de verruiming van de inzet van de reguliere procedure in plaats van de uniforme uitgebreide voorbereidingsprocedure voor omgevingsvergunningen. Dit betekent dat in meer gevallen bezwaar kan worden gemaakt. De reguliere procedure biedt naar het oordeel van de regering goede condities voor de inhoudelijke behandeling van besluiten: hoor en wederhoor en een heroverweging. Dat maakt dat er na het doorlopen van de reguliere procedure gemiddeld gesproken deugdelijk voorbereide besluiten zullen worden voorgelegd aan de bestuursrechter. De regering schat in dat dit een gunstig effect heeft op de werklast voor de rechter. In de bezwaarfase is een hoorzitting voorgeschreven, zodat tussen bezwaarmakers, het bestuursorgaan en andere partijen in het geding een mondelinge gedachtewisseling kan plaatsvinden. Ook laten bestuursorganen zich over het algemeen adviseren door een onafhankelijke bezwaarschriftencommissie en niet alleen door de eigen ambtenaren. De regering onderschrijft dat het vaker toepassen van de reguliere procedure wel zou kunnen leiden tot een toename van het aantal verzoeken om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarfase. De Afdeling bestuursrechtspraak en de Raad voor de rechtspraak wijzen daar beide op.

De wet en het Omgevingsbesluit borgen dat in een vroeg stadium van het besluitvormingstraject van een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning participatie wordt gestimuleerd. Participatie draagt bij aan beter gedragen besluiten en minder gerechtelijke procedures.

De eerder onder ‘Wijzigingen die kunnen leiden tot vergroting van de werklast’ beschreven nieuwe maatwerkmogelijkheden in het omgevingsplan kunnen overigens ook bijdragen aan het voorkomen van geschillen. Zo zouden maatwerkregels in het omgevingsplan voor een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan juist kunnen waarborgen dat een specifiek belang veiliggesteld is. Dan kan het voorkomen dat omwonenden in beroep gaan tegen de functietoedeling. Onder het voormalige recht was beroep tegen die bestemming in het bestemmingsplan in een dergelijk geval de gebruikelijke weg.

Wijzigingen zonder substantieel effect voor de werklast

De Raad voor de rechtspraak wijst op de verschuiving van vergunningen naar algemene regels. De Raad vreest dit naar verwachting tot meer handhavingsprocedures leidt. De Omgevingswet maakt voor enkele activiteiten een verschuiving van vergunningen naar algemene regels mogelijk. Met activiteiten waarbij dat voorheen al mogelijk was, zoals bouwactiviteiten en milieubelastende activiteiten, heeft in het recente verleden al zo’n verschuiving plaatsgevonden. De verschuiving naar algemene regels betreft nu vooral kleinschalige lozingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten. Dergelijke activiteiten leidden in het verleden al niet gauw tot een gang naar de rechter en de verschuiving zal dan ook weinig betekenen voor de werklast.

De Raad voor de rechtspraak vraagt aandacht voor het afschaffen van het gestandaardiseerd overgangsrecht. Er wordt gevreesd voor bewerkelijker zaken omdat telkens beoordeeld moet worden wat het lokale overgangsrecht is. De regering deelt deze vrees niet. Met het afschaffen van het gestandaardiseerde overgangsrecht wordt het juist mogelijk om het overgangsrecht beter toe te snijden op het specifieke geval. Ingewikkelde rechtspraak omdat het gestandaardiseerde overgangsrecht niet goed past wordt hiermee juist voorkomen. De regering verwacht dan ook geen substantieel effect voor de werklast.

Handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de AMvB’s getoetst op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudegevoeligheid. De ILT concludeert hiervoor dat de opzet en structuur van de besluiten bijdraagt aan de toegankelijkheid en transparantie van het gehele normenkader. Ook worden de doelen van vereenvoudiging van de regelgeving en het aanbrengen van meer samenhang tussen regelgeving volgens het ILT voor een belangrijk deel bereikt. Naast deze algemene conclusies heeft de ILT op enkele terreinen specifieke opmerkingen over de handhaafbaarheid en de uitvoerbaarheid gemaakt, onder andere voor toezicht eigen werken Rijkswaterstaat.

De regering heeft de opmerkingen van de ILT verwerkt. Deze opmerkingen betreffen onder andere de aspecten bij de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid voor eigen werken van Rijkswaterstaat in het Besluit activiteiten leefomgeving, enkele bepalingen over omgevingsveiligheid in het Besluit kwaliteit leefomgeving en de relatie van het Besluit bouwwerken leefomgeving met de EU-verordening bouwproducten. De verwerking heeft op diverse plaatsen geleid tot aanpassing van de tekst van de AMvB’s en van de bijbehorende toelichting. Hier wordt in de toelichting over de onderwerpen die het betreft nader op ingegaan.

7 Totstandkoming besluit en consultatie

7.1 Totstandkoming besluit

Bij de totstandkoming van dit besluit is een veelheid aan organisaties en partijen betrokken geweest. In artikel 23.5 van de wet is de betrokkenheid van het parlement voor dit besluit via de voorhangprocedure geregeld. Daarnaast hebben ook veel maatschappelijke organisaties en partijen uit de uitvoeringspraktijk inbreng geleverd voor de ontwikkeling van dit besluit, zowel tijdens de formele consultatie als op andere momenten in het proces. In deze paragraaf worden de processen voor de informele en formele consultatie en de voorhang in het parlement beschreven. Daarna worden in de tweede paragraaf een aantal centrale onderwerpen uit de consultatie uitgelicht. De wijze waarop de consultatie per hoofdstuk zijn verwerkt wordt nader toegelicht in de derde paragraaf. Vervolgens wordt in de vierde paragraaf toegelicht op welke wijze de aangenomen moties van en de toezeggingen aan het parlement tijdens de voorhang zijn verwerkt in dit besluit en de toelichting.

Informele consultatie

Bij de totstandkoming van dit besluit is een zorgvuldig en uitgebreid proces doorlopen. Voor een zo groot mogelijk draagvlak en een goede beleids- en wetgevingskwaliteit werden kennis en ervaringen uit de praktijk op veel manieren betrokken bij de ontwikkeling van de ontwerpversie van de AMvB’s onder de Omgevingswet. Er heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden met de medeoverheden, het bedrijfsleven, de wetenschap en belangenorganisaties op het gebied van milieu, natuur, landschap, erfgoed, landbouw, recreatie en water, en met het Overlegorgaan Infrastructuur en Milieu (OIM). In zogenoemde ‘botsproeven’ werden de belangrijkste onderdelen van de AMvB’s nadrukkelijk getest met praktijkcasussen. Hierbij was een brede vertegenwoordiging vanuit die praktijk betrokken. Voorafgaand aan de toetsing en consultatie is dit besluit samen met de drie andere AMvB’s in de preconsultatie doorgelicht door de bestuurlijke koepels, de stichting Natuur&Milieu, VNO-NCW en het OIM. Dit gehele proces heeft veel verbetervoorstellen opgeleverd. De AMvB’s werden tussentijds regelmatig aangescherpt met resultaten van deze overleggen, botsproeven en commentaarrondes.

Formele consultatie

In periode 1 juli tot en met 16 september 2016 heeft de internetconsultatie op de ontwerp-AMvB’s plaatsgevonden en de formele toetsing was van 1 juli tot en met 1 oktober 2016. In het totaal hebben circa 250 organisaties en individuen gebruik gemaakt van de consultatiemogelijkheid, waaronder VNO/NCW, de Stichting Natuur en Milieu, de Vereniging van Nederlandse Projectontwikkeling Maatschappijen (NEPROM), de Commissie voor de Milieueffectrapportage (Commissie mer), Omgevingsdienst NL, het Overleg Platform Bouwregelgeving (OPB), het Overleg Infrastructuur en Milieu (OIM), Vereniging van Waterbedrijven (VEWIN), de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI), ProRail, Brandweer Nederland, GGD Nederland en GHOR Nederland, Geonovum, de Federatie Grote Monumentengemeenten (FGM) en het College van Rijksadviseurs (CRA). Ook ook zijn de ontwerp-AMvB’s vanwege de code Interbestuurlijke Verhoudingen voorgelegd aan het IPO, de VNG en de UvW. De wijze waarop de consultatiereacties zijn verwerkt in dit besluit en de toelichting is hieronder in paragraaf 7.3 toegelicht. Tijdens de consultatie zijn ook reacties ingediend over de invoeringsregelgeving, de implementatie en het Digitaal Stelsel Omgevingswet ingediend. Deze reacties worden betrokken bij de trajecten voor die onderdelen van het stelsel.

Gelijktijdig met de consultatie werden de ontwerp-AMvB’s onderworpen aan een toets op administratieve en bestuurlijke lasten door het Adviescollege toetsing regeldruk, op milieueffecten door het RIVM en op gevolgen voor de rechtspraak door de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De twee citaten van de toetsen en de verwerking ervan in dit besluit zijn beschreven in het vorige hoofdstuk.

Parlementaire betrokkenheid

Op 1 juli 2016 is het ontwerp van dit besluit, samen met de drie andere ontwerp-AMvB’s, aan de Tweede Kamer en Eerste Kamer toegezonden. Tijdens de voorhang hebben de Tweede Kamer en de Eerste Kamer diverse overleggen over de AMvB’s georganiseerd, zowel met de minister en het ministerie van Infrastructuur en Milieu als met uiteenlopende belangenorganisaties, wetenschappers en burgers. Ook hebben de Tweede Kamer en de Eerste Kamer schriftelijke vragen over de ontwerp-AMvB’s gesteld, respectievelijk in oktober 2016 en het voorjaar van 2017. De Tweede Kamer heeft in het notaoverleg van 19 december 2016 de ontwerp-AMvB’s besproken met de Minister van Infrastructuur en Milieu en de (toenmalige) Minister voor Wonen en Rijksdienst. Op 22 december 2016 zijn 31 moties ingediend, waarvan er 19 zijn aangenomen. De Eerste Kamer heeft de ontwerp-AMvB’s besproken in de plenaire vergadering op 30 mei 2017, waarbij in totaal 8 moties zijn ingediend. Hiervan zijn 4 moties aangenomen en 3 moties aangehouden. In paragraaf 7.4 wordt beschreven op welke wijze de aangenomen moties van en toezeggingen aan de Eerste en Tweede Kamer zijn verwerkt in dit besluit en de toelichting.

7.2 Centrale thema’s in de consultatiereacties

De toetsversies van de AMvB’s zijn overwegend positief ontvangen. In de consultatiereacties is veel waardering en steun uitgesproken voor de ingeslagen richting met meer samenhang en flexibiliteit in de regelgeving, een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving en het vroegtijdig betrekken van burgers, bedrijven en belanghebbenden. Veel partijen hebben aangeven dat het werken met aanvullingswetten voor grote beleidswijzigingen het lastig maakt om in de consultatiefase al een overkoepelend oordeel te geven. De regering begrijpt dit, maar hecht aan een zorgvuldige behandeling van deze wijzigingen in het parlement in eigenstandige trajecten.

Hoewel de meeste punten uit de toetsing en de consultatie gingen over specifieke en veelal technische aspecten, was er ook een aantal centrale thema’s uit de consultatiereacties te destilleren. Dit zijn de thema’s afwegingsruimte voor gemeenten, sturen op gebruiksruimte, gezondheid, complexe bedrijven, participatie, energietransitie en digitaal stelsel Omgevingswet. Voor zover deze centrale thema’s ook voor dit besluit relevant zijn worden ze hieronder toegelicht.

Afwegingsruimte voor gemeenten

Veel organisaties hebben bij de consultatie gereageerd op de bestuurlijke afwegingsruimte. Het bedrijfsleven was enerzijds zeer positief over de grotere flexibiliteit vanwege de mogelijkheden voor nieuwe bedrijven en bedrijfsactiviteiten. Anderzijds pleitten bedrijven voor terughoudend gebruik van dit instrumentarium door gemeenten voor een gelijk speelveld. Gemeenten hebben positief gereageerd op de extra bestuurlijke afwegingsruimte, maar hadden vragen over de wijze waarop dit kan worden ingezet. Ook waren er zorgen over mogelijke lastenverzwaringen en beroepsprocedures. De Stichting Natuur&Milieu, de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit en de Brabantse Milieufederatie waren bezorgd over de waarborgen voor een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Actal wees op de mogelijke gevolgen voor regeldruk en lastenvermindering.

De consultatiereacties waren samen met de in het kader van de voorhang aangenomen moties aanleiding om de mogelijkheden en de grenzen van bestuurlijke afwegingsruimte in het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving op een aantal punten verder te verduidelijken, en op een enkel punt aan te scherpen. Zo is nu bepaald dat voor de geluidbelasting van tijdelijke geluid gevoelige gebouwen en geluidgevoelige locaties de gemeente moet bezien of de geluidbelasting veroorzaakt door activiteiten aanvaardbaar is25. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het tijdelijk gebruik van leegstaande kantoren als woningen. Ook is in de nota van toelichting van het Besluit kwaliteit leefomgeving verduidelijkt wat, gelet op de Algemene wet bestuursrecht, verwacht wordt bij de motivering van een besluit om af te wijken van de grenswaarden en dat de afwijking niet langer duurt dan noodzakelijk is26. Voor decentrale omgevingswaarden is duidelijker toegelicht dat decentrale overheden een besluit tot het stellen van omgevingswaarden en regels ter realisatie daarvan weloverwogen moeten nemen. In de tekst van het Besluit kwaliteit leefomgeving is daarbij expliciet gemaakt dat hier ook de economische effecten bij moeten worden betrokken27. In algemene zin is verder naar aanleiding van de consultatie in de toelichting bij dat besluit veel aandacht besteed aan de toepassing van de afwegingsruimte bij de regels voor geluid. Ook is de provinciale afwegingsruimte voor zwemwater en het natuurnetwerk Nederlands verhelderd.

De bestuurlijke afwegingsruimte bij het Besluit activiteiten leefomgeving bestaat uit de mogelijkheden voor maatwerk. Volgens de regering is de inzet van maatwerk essentieel voor de vereenvoudiging van regels, de vermindering van regeldruk en het bereiken van een balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Naar aanleiding van de consultatiereacties is een beperking op het stellen van maatwerkvoorschriften over meet- en rekenmethoden geschrapt voor milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten op het oppervlaktewater of een zuiveringtechnisch werk. Verder zal de regering, ook naar aanleiding van de consultatie en ter uitvoering van de motie van de leden Cegerek en Veldman het effect van decentrale afweegruimte op het gelijke speelveld, de regeldruk voor bedrijven en het beschermingsniveau opnemen als onderdeel van de implementatie-monitor 28. Daarnaast is de bevoegdheid om gegevens op te vragen ter voorbereiding van een besluit over ambtshalve maatwerk ingeperkt (op dezelfde wijze als voor het actualiseren van vergunningplichtige gevallen is geregeld in de Omgevingswet).

Naar aanleiding de behandeling in de Tweede Kamer en een motie29 is er gemeentelijke afwegingsruimte in het Besluit bouwwerken leefomgeving geïntroduceerd om ontheffing van de bruikbaarheidseisen voor woningen mogelijk te maken. Het oorspronkelijke voornemen om deze regels te schrappen en de markt in dit verband meer ruimte te bieden, is voor woningen teruggedraaid. Hier hebben diverse organisaties in de consultatie om gevraagd. In de uitwerking wordt gemeenten de mogelijkheid geboden in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen waarmee deze landelijk uniforme regels kunnen worden versoepeld.

Energietransitie en doelmatig gebruik van energie

Diverse organisaties zoals de NVDE, Eneco, de Gasunie, Energie Nederland, NUON, Netbeheer Nederland en Tennet gaven aan dat de Omgevingswet essentieel is voor een goede uitwerking van de energietransitie. Zij vonden dat de AMvB’s er in samenhang voor moeten zorgen dat in omgevingsplannen aandacht wordt besteed aan de energie- en klimaatdoelen, inclusief doorvertaling van deze doelen naar de gemeente. Ook zouden de AMvB's veranderingen in energie-infrastructuur soepel moeten faciliteren. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied had vragen over energiebesparende maatregelen na 2020 en het niet regelen van de onderzoeksplicht voor grote energieverbruikers (EED) in het Bal.

De regering onderschrijft het belang van de energietransitie, zoals ook blijkt uit de in december 2016 gepresenteerde Energieagenda, en de rol van de Omgevingswet met de bijbehorende AMvB’s voor die transitie. In de toelichting van het Bal en het Bbl wordt nu duidelijker uitgelegd dat een nieuw en samenhangend stelsel van energiebesparende regels voor respectievelijk milieubelastende activiteiten en utiliteitsgebouwen zal worden opgenomen. Verder wordt verduidelijkt dat de internationale en nationale afspraken over energiebesparing ook na 2020 worden uitgevoerd en dat daarbij rekening wordt gehouden met lopende ontwikkelingen, zoals de voorziene herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen (EPBD), het Energieakkoord en de Energieagenda. De regels die voortkomen uit deze ontwikkelingen zullen worden opgenomen in het nieuwe stelsel en het is nadrukkelijk niet de bedoeling om de huidige verplichtingen na 2020 te versoepelen. Voor de richtlijn energie-efficiëntie (EED), inclusief de onderzoeksplicht voor grotere energiegebruikers wordt onderzocht op welke manier de implementatie van de richtlijn in het Bbl en Bal vorm kan krijgen. Daarom is gekozen om deze regels met het Invoeringsbesluit te verwerken in de regelgeving.

Digitaal stelsel omgevingswet

Uit de consultatiereacties bleek dat veel partijen belang hechten aan een goede en tijdige digitale ondersteuning bij de uitvoering van de Omgevingswet. Verschillende partijen benadrukken het belang van het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) voor de realisatie van de verbeterdoelen inzichtelijkheid en bruikbaarheid bij de Omgevingswet. Ook wezen diverse partijen in hun consultatiereactie op een reeks aandachtspunten en gebruikerswensen voor het DSO. Onder meer VNO-NCW, de G4 en de G32 geven aan dat zij willen meedenken over de ontwikkeling van het DSO.

De wettelijke borging van het DSO is niet uitgewerkt in de ontwerpversie van de AMvB's, maar wordt vormgegeven in de Invoeringswet en het Invoeringsbesluit. Ook zullen uitvoeringsonderzoeken worden gedaan naar de verschillende onderdelen van het digitale stelsel. Het kabinet zal de aandachtspunten die zijn ingebracht bij de consultatie zoveel mogelijk in die trajecten meenemen en betrekt partijen zoals VNO-NCW, de G4 en G32 graag bij de ontwikkeling van het DSO. De opmerkingen die in de consultatie zijn gemaakt over omgevingsdocumenten zijn uiteraard wel betrokken bij de vormgeving van dit besluit en de toelichting.

7.3 Verwerking consultatiereacties in dit besluit

In de reacties die op het ontwerp-Besluit bouwwerken leefomgeving zijn ontvangen in de publieke internetconsultatie en de bestuurlijke consultatie is door veel organisaties ingegaan op het voorgenomen schrappen van de bruikbaarheidseisen voor gebouwen en op de grotere mogelijkheden voor lokaal maatwerk. Daarnaast is op specifieke onderwerpen ingegaan. In het navolgende wordt aangegeven hoe de regering met deze reacties is omgegaan.

Bruikbaarheidseisen gebouwen

Een aantal organisaties, waaronder de VNG, de Branchevereniging voor Nederlandse Architectenbureaus (BNA) en de Woonalliantie (Ieder(in), VACpuntWonen en de Woonbond) hebben in de consultatie aangegeven tegen het (geheel) vervallen van de bruikbaarheidseisen te zijn. Zij vreesden dat dit met name aan de onderkant van de woningmarkt, waar mensen het minder voor het kiezen hebben, zou leiden tot minimale woningen met bijvoorbeeld lage plafonds. Deze opmerkingen betroffen zowel goedkope huurwoningen als projectnieuwbouw en verbouw van woningen.

Het voorgenomen schrappen van de bruikbaarheidseisen heeft ook ruime aandacht gekregen in de behandeling van het ontwerpbesluit door de Tweede Kamer. Bij die kamerbehandeling zijn hierover 4 moties ingediend. Door de minister voor Wonen en Rijksdienst is daarbij toegezegd de huidige bruikbaarheidseisen van het Bouwbesluit 2012 voor woningen een op een over te nemen in het ontwerp-Besluit bouwwerken leefomgeving en daaraan een gemeentelijke maatwerkmogelijkheid voor versoepeling van die eisen te koppelen. Deze toezeggingen zijn in het voorliggende ontwerp-besluit verwerkt.

Lokale maatwerkruimte bij duurzaamheidseisen

Evenals het Bouwbesluit 2012 bevat dit besluit vooral landelijk uniforme technische regels. Nieuw is de gemeentelijke mogelijkheid om door maatwerkregels in het omgevingsplan strengere eisen aan nieuwe gebouwen te stellen voor de energieprestatie en de milieuprestatie van toe te passen bouwmaterialen. De bouwpraktijk en VNO-NCW hebben aangegeven geen voorstander te zijn van het afwijken van die landelijk uniforme benadering. Lokale verschillen in duurzaamheidseisen kunnen leiden tot gebruik van verschillende materialen, waarmee standaard bouwconcepten minder vaak kunnen worden gebruikt. Dit zoutot verhoging van bouwkosten en minder eenvoudige kwaliteitsborging kunnen leiden. VNO-NCW heeft in dit kader gepleit voor een terughoudend gebruik van deze mogelijkheid door gemeenten en voor een rol van het Rijk om dit in de gaten te houden.

Deze kritiek heeft niet tot aanpassing van het ontwerpbesluit geleid. In het nieuwe stelsel is door de regering nadrukkelijk gekeken waar meer decentrale bestuurlijke afweegruimte nodig en mogelijk is. In dit besluit krijgen gemeenten de mogelijkheid om lokale ambities op het terrein van energiezuinigheid en milieuprestaties te realiseren door strengere lokale eisen te stellen. Dit is al langer een wens van gemeenten en sluit aan bij de decentrale opzet van het nieuwe stelsel. Vanuit het belang van milieu en energiebesparing vindt de regering het van belang om aan deze geïntroduceerde mogelijkheden vast te houden.

Veiligheid en gezondheid

In de consultatieversie van het ontwerpbesluit weken enkele eisen over veiligheid en gezondheid af van die van het Bouwbesluit 2012. De G4, de Branchevereniging Nederlandse Architectenbureaus (BNA), Vereniging bouw- en woningtoezicht Nederland (VBWTN) en NLingenieurs hadden daarbij vragen voor zover het de eisen aan daglichttoetreding betrof. BNA, G4, VBWTN, de Nederlandse branchevereniging timmerindustrie en de Koninklijke vereniging van Nederlandse houtondernemingen stelden vragen gesteld over de eisen aan de veiligheid van trappen.

De regering herkent dit commentaar ten aanzien van daglichttoetreding en de veiligheid van trappen. De betreffende eisen zijn in het voorliggende besluit teruggebracht naar het niveau van bescherming zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012.

Specifieke zorgplicht bestaande bouwwerken

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de daarmee samenhangende uitvoeringsregels komt de huidige specifieke zorgplicht van artikel 1a van de Woningwet te vervallen. In afwijking van die huidige zorgplicht omvatte het toepassingsbereik van de specifieke zorgplichten zoals opgenomen in de consultatieversie van dit besluit, niet de straat van bestaande bouwwerken. De G4 heeft bepleit in het ontwerp-besluit alsnog te bepalen dat de eigenaar van een bouwwerk er zorg voor draagt dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt. Deze zorgplicht kan naar hun oordeel niet worden gemist aangezien het Bbl niet alle gevaren voor de veiligheid en gezondheid afdekt. De G4 hebben naar het oordeel van de regering hier een terecht punt. De betreffende zorgplicht is inmiddels toegevoegd aan hoofdstuk 3 van dit besluit.

7.4 Wijzigingen naar aanleiding van de parlementaire behandeling

In de voorgaande paragrafen is bij de verschillende onderwerpen al ingegaan op de relevante moties. In deze paragraaf zijn de voor dit besluit relevante uitkomsten van de voorhangprocedure bij de Eerste en Tweede Kamer nog een keer kort en overzichtelijk bij elkaar gezet.

In de Eerste Kamer is een motie30 over de Nationale Omgevingsvisie aangenomen. In de motie Stienen wordt de regering verzocht in de Nationale Omgevingsvisie heldere en richtinggevende kaders voor de korte en de lange termijn vast te leggen waarbinnen noodzakelijke transities van nationaal belang vorm moeten krijgen. Deze motie ziet de regering als ondersteuning van haar beleid. In de Nationale Omgevingsvisie zal voor een aantal grote thema’s, zoals de transitie voor klimaat en energie, een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving en de transformatie van landelijk gebied, aan de orde worden gesteld wat de ambities van het Rijk zijn en hoe het Rijk deze ambities ruimtelijk en milieutechnisch wil vertalen. Deze visie zal kaderstellend zijn voor het nationale beleid. Vervolgens wordt gekeken naar de inzet van de instrumenten, waaronder regelgeving en normstelling, om de ambities te realiseren.

Van de in de Tweede Kamer ingediende moties hadden er 10 betrekking op dit besluit. Daarvan zijn er 6 aangenomen. De leden Ronnes en Van Veldhoven hebben een motie ingediend over het maximaal achterwege laten van belemmerende regels voor de energietransitie31. Deze motie is beoordeeld als ondersteuning van beleid, bij het opstellen van het ontwerp-Besluit bouwwerken leefomgeving is zoveel mogelijk bezien hoe in de regelgeving rekening kan worden gehouden met ontwikkelingen zoals de energietransitie. Daarnaast zal dit besluit mogelijk verder aangepast gaan worden op dit onderwerp naar aanleiding van de verdere uitwerking van de Energieagenda en het Deltaplan ruimtelijke adaptatie, zie hiervoor ook onderdeel 1.3 van deze nota van toelichting.

De andere vijf aangenomen moties hebben betrekking op de onderwerpen bruikbaarheid en toegankelijkheid van gebouwen.

Het lid Van Veldhoven heeft twee moties ingediend met betrekking tot de bruikbaarheidseisen. Ten eerste is verzocht de regels voor fietsenstallingen te handhaven32 en ten tweede, overwegende de woningnood voor studenten, om de regels te handhaven om uitbuiting van studenten te voorkomen33.

De leden Cegerek en Veldman hebben in hun motie verzocht de bruikbaarheidseisen van het Bouwbesluit 2012 voor de woonfunctie alsnog over te nemen in het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarbij gemeenten een maatwerkmogelijkheid wordt geboden.34

De leden Ronnes en Keijzer hebben een motie35 ingediend waarin is verzocht de bruikbaarheidseisen uit het Bouwbesluit in het Besluit bouwwerken leefomgeving op te nemen en zo nodig aan te vullen en daarnaast niet meer vrijstellingsmogelijkheden te geven dan het VN-verdrag inzake rechten van personen met een handicap toelaat.

Conform deze vier moties en de uitleg hiervan en de toezegging van de minister voor Wonen en Rijksdienst tijdens het notaoverleg van 19 december 2016, zijn de bruikbaarheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 voor de woonfunctie inmiddels één op één overgenomen in dit besluit voor zowel bestaande als nieuwbouw (respectievelijk hoofdstuk 3 en 4 van het besluit). Daarbij wordt voor het onderwerp bruikbaarheid bij nieuwbouw de mogelijkheid aan gemeenten gegeven om door middel van een maatwerkregel één of meerdere bruikbaarheidseisen te versoepelen. Er worden geen vrijstellingsmogelijkheden op het onderwerp toegankelijkheid toegestaan, hiermee is invulling gegeven aan motie nr. 79.

Met de motie van het lid Cegerek36 is de regering onder andere verzocht de regels over toegankelijkheid te monitoren om te bezien of deze in de praktijk voldoende bijdragen aan de toegankelijkheid van gebouwen en verbetervoorstellen te doen als dit onvoldoende blijkt. Aan deze motie zal invulling gegeven worden door na inwerkingtreding van dit besluit deze regels te monitoren.

Daarnaast is op 22 december 2016 ook een motie van het lid Volp37 aangenomen waarin verzocht wordt een actieplan voor toegankelijkheid in de bouw tot stand te brengen, dit is een actieplan in het kader van de implementatie van het VN-verdrag inzake rechten van personen met een handicap. De Eerste en Tweede Kamer worden voor de zomer van 2017 over de voortgang van dit actieplan geïnformeerd. Waar van toepassing zal in dit actieplan ook een relatie met het dit besluit gelegd worden.

Bij de behandeling door de Eerste Kamer zijn geen moties over dit besluit ingediend.

8 Notificatie

Technische notificatie

Het ontwerpbesluit is op xxxxx volgens artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie. De meeste bepalingen van dit besluit bevatten mogelijk technische voorschriften in de jong wel zo dat een Jaar ook die jij Een verhouding die nu al al die al die zal zin van deze richtlijn. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; zij zijn evenredig en waar nodig voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning (zie artikel 1.3 van dit besluit). Naar aanleiding van de reacties van de Europese Commissie wordt het volgende opgemerkt. PM

Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen

Melding aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie ingevolge artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) heeft niet plaatsgevonden nu in casu geen sprake is van significante gevolgen voor de handel.

Dienstenrichtlijn

Het besluit bevat eisen die onder het toepassingsbereik van de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt) kunnen vallen, nu het gaat om eisen die invloed hebben op de toegang tot of de uitoefening van economische activiteiten, die anders dan in loondienst en gewoonlijk tegen vergoeding geschieden. Het gaat daarbij in ieder geval om een deel van de bepalingen waarin vergunningplichtige gevallen worden aangewezen.

De eisen zijn non-discriminatoir nu er geen direct of indirect onderscheid wordt gemaakt tussen de dienstverrichters. Ook zijn de eisen evenredig en gerechtvaardigd, gelet op het belang van veiligheid, nu een minder verstrekkende maatregel niet mogelijk is om dit belang afdoende te beschermen.

De melding wordt niet aangemerkt als vergunning in de zin van de Dienstenrichtlijn. Het bevoegd gezag heeft op grond van dit besluit in bepaalde gevallen de mogelijkheid om maatwerkregels of maatwerkvoorschriften te stellen. Deze bevoegdheid is niet verbonden met de melding; het bevoegd gezag kan te allen tijde een maatwerkvoorschrift of -regel stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen wel worden aangemerkt als vergunning in de zin van de dienstenrichtlijn. Het besluit zal naast bovengenoemde notificatie onder richtlijn 2015/1535/EU ook genotificeerd worden onder de Dienstenrichtlijn.

9 Invoering

9.1 Implementatieprogramma

Voor de stelselherziening van het omgevingsrecht is een uitgebreid implementatieprogramma opgezet in samenwerking met de bestuurlijke koepels VNG, IPO en Unie van Waterschappen. Het doel van dit programma is om de uitvoeringspraktijk in staat te stellen om de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsregels vanaf het moment van invoering op goede wijze toe te passen. In 2024 is de implementatie geheel afgerond en is het werken met de Omgevingswet voor iedereen de standaard geworden. Het programma zet niet alleen in op kennisoverdracht over de nieuwe regelgeving, maar ook op het vermogen om deze te kunnen toepassen in de geest van de stelselherziening. Het gaat daarbij dus nadrukkelijk ook om kunde, houding en gedrag. Het programma bestaat uit drie hoofdonderdelen:

invoeringsondersteuning aan gebruikers;

veranderopgave van overheden;

Digitaal Stelsel Omgevingswet.

Met de opzet van het implementatieprogramma is al in een vroegtijdig stadium begonnen, parallel aan de opbouw van de AMvB's. De implementatie van eerdere grote wetten en besluiten heeft geleerd dat het noodzakelijk is om tijdig te starten voor een goede bewustwording, netwerkvorming en digitale ondersteuning. Hiertoe is op 1 juli 2015 het Bestuursakkoord Implementatie Omgevingswet met de bestuurlijke koepels gesloten. In dit bestuursakkoord is afgesproken om de implementatie van de Omgevingswet gezamenlijk ter hand te nemen en zijn afspraken gemaakt over de stapsgewijze aanpak.

Bij de uitwerking van de benodigde implementatieproducten staat steeds de gebruiker centraal – initiatiefnemer, belanghebbende en bevoegd gezag. Alle producten, van handleidingen tot digitale voorzieningen, zijn zoveel mogelijk in samenspraak met gebruikers, vraaggericht ontwikkeld om te zorgen dat de implementatie zo goed mogelijk is toegesneden op de behoeften in de uitvoeringspraktijk. Door te werken in pilots en met experimenten kunnen voorlopers ervaring opdoen. De uitkomsten hiervan worden vertaald in ‘best practices’ die door anderen te benutten zijn. Voor het delen van deze best practices zijn onder meer netwerken van overheden opgebouwd binnen en tussen de bestuurslagen. Ook is samenwerking gezocht met maatschappelijke, sectorale en gebiedsgebonden organisaties die initiatiefnemers en belanghebbenden vertegenwoordigen.

De Programmaraad Implementatie, waarin alle overheden zijn vertegenwoordigd, bewaakt de voortgang en de samenhang tussen de verschillende onderdelen van het implementatieprogramma. Om zicht te houden op een succesvolle uitvoering van het programma is de Monitor Omgevingswet ingericht, die stelselmatig ervaringen uit de uitvoeringspraktijk verzamelt, eventuele knelpunten signaleert en inzichtelijk maakt in hoeverre de doelstellingen van de Omgevingswet worden gerealiseerd.

9.2 Invoeringsondersteuning aan gebruikers

Het doel van invoeringsondersteuning is dat de uitvoeringspraktijk bij inwerkingtreding kan werken met de Omgevingswet. Voor de invoeringsondersteuning wordt onder meer een informatiepunt ingericht en worden kennisproducten, opleidingsactiviteiten en communicatiemiddelen ontwikkeld.

Informatiepunt

Het informatiepunt is het centrale punt voor kennis, praktische informatie en voorbeelden over de Omgevingswet- en regelgeving, de digitale voorzieningen en de invoering. Onderdeel van de praktische informatie is in ieder geval een transponeringstabel waarbij per artikel(lid) van het besluit de herkomst is aangegeven. Het Informatiepunt is daarmee een vraagbaak voor professionals, zowel publiek als privaat. Het fungeert ook als back office voor de klantcontactcentra en publieksloketten.

Opleidingen en hulpmiddelen

Op basis van de behoefte bij gebruikers is bepaald welke hulpmiddelen, leidraden en handreikingen nodig zijn. Medewerkers bij bevoegde overheden hebben verschillende opleidingsbehoeften, afhankelijk van hun rol en functie. Voor de kernfunctionarissen die gaan werken met de Omgevingswet zijn competentieprofielen opgesteld. Op basis van een strategisch opleidingsplan zijn cursussen en trainingen opgezet voor de diverse doelgroepen gericht op leken, mediors en specialisten. Hierbij zijn opleidingsbureaus en kennisinstellingen betrokken (marktbenadering).

Pilots en experimenten

Overheden krijgen ondersteuning bij experimenten en trajecten om al te werken aan met de instrumenten en aan de doelen van de wet. Hiervoor is een pool van experts beschikbaar en zijn mogelijkheden voor (co)financiering opgezet. Doel van pilots en experimenten is niet alleen om goede initiatieven te ondersteunen, maar vooral ook het creëren van meerwaarde: leren en uitdragen. Voor dit laatste is ook een best practice catalogus gemaakt.

Netwerken

Netwerken zijn essentieel voor de overdracht van informatie, kennis en ervaring tussen betrokkenen en daarmee voor de brede verandering van werkwijze. Netwerken worden op allerlei niveaus en manieren gevormd, onder meer door bijeenkomsten, kennisnetwerken, expertplatforms en door per regio een passende en toegesneden ondersteuning te bieden.

9.3 Veranderopgave van overheden

De invoering van de Omgevingswet is een omvangrijke opgave, waarbij honderden overheden en vele duizenden ambtenaren betrokken zijn. Om de doelen van de Omgevingswet te realiseren is een verandering nodig op gebied van de samenwerking, het beleid, de werkprocessen, de informatiesystemen en de (bestuurs)cultuur bij overheden, kortom een grote transitieopgave. Tevens zullen initiatiefnemers en belanghebbenden van niet-overheden hun werkwijze moeten aanpassen om conform de bedoelingen van de wet te werken.

De Programmaraad Implementatie, waarin alle overheden zijn vertegenwoordigd, heeft een veranderstrategie opgesteld. Daarin wordt de veranderopgave gerealiseerd door onder meer het geven van trainingen, door het beschikbaar stellen van informatie en goede voorbeelden, door het organiseren van proeftuinen en experimenten, door het ondersteunen van goede initiatieven en pilots, door het opzetten van netwerken en expert pools en door het realiseren van collectieve voorzieningen, zoals het Digitaal Stelsel Omgevingswet. De basis is ‘zelf leren’ en ‘ervaring opdoen door te oefenen’.

9.4 Digitaal stelsel Omgevingswet

Digitalisering is een belangrijk hulpmiddel voor een goede en eenvoudige uitvoering van de Omgevingswet. Als onderdeel van de implementatie wordt het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) gerealiseerd. Dit stelsel is een geordend en verbonden geheel van gegevensverzamelingen, afspraken en ICT-voorzieningen. De ingang is een centrale gebruikersvoorziening die op een aantal manieren toegang geeft tot de beschikbare informatie, onder meer via een verbeelding op de kaart en gerichte vragen.

Het DSO ondersteunt de interactie tussen de betrokkenen die de wet uitvoeren, of die hierop een beroep doen. Het stelt initiatiefnemers in staat om eenvoudig digitaal vergunningen aan te vragen en meldingen te doen. Initiatiefnemers, belanghebbenden en bevoegd gezag kunnen sneller te beschikken over informatie over de huidige toestand van de fysieke leefomgeving en over de regels die daar gelden. Het brengt partijen in een meer gelijke informatiepositie, wat helpt bij de afstemming over initiatieven vroegtijdig in het proces. Het helpt het bevoegd gezag bij het opstellen van plannen en het voorbereiden en nemen van besluiten over initiatieven. De betere beschikbaarheid van informatie over de fysieke leefomgeving maakt doorlooptijden korter en helpt om onderzoekslasten te verlagen.

Het digitale stelsel wordt stapsgewijs gerealiseerd. Daarbij is het beeld om ‘met een klik op de kaart te kunnen zien wat mag en kan’. In eerste instantie zal de focus liggen op ‘zien wat mag’, gebaseerd op de wet, de uitvoeringsregelgeving en de omgevingsdocumenten. Door de jaren heen zal het DSO door het toevoegen van informatiebronnen een steeds rijker antwoord kunnen geven op ‘wat kan’. Aanvankelijk zal het stelsel voornamelijk ruimtelijke gegevens beslaan. In de toekomst kan dit aangevuld worden met andere informatie, bijvoorbeeld op het gebied van geluid, verkeer, luchtkwaliteit, natuur en cultureel erfgoed.

Het concept van het digitale stelsel is ontwikkeld parallel aan de totstandkoming van de Omgevingswet. Bij de Kamerbehandeling van de Omgevingswet is al een eerste stap gezet om deze twee beter aan elkaar te koppelen met het amendement-Smaling38. In de Invoeringswet Omgevingswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet wordt een aantal wijzigingen doorgevoerd die het DSO een volledige juridische basis geven.

10 Overgangsrecht

Het overgangsrecht regelt de overgang van de oude regelgeving naar de AMvB's onder de Omgevingswet. Het geeft aan wat de status is van onder het oude recht genomen besluiten, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, zoals omgevingsvergunningen of bestemmingsplannen. Ook regelt het overgangsrecht hoe procedures die onder het oude recht zijn gestart moeten worden afgehandeld na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarbij wordt zoveel mogelijk voorkomen dat bestaande rechten van burgers en bedrijven worden aangetast. Het overgangsrecht moet bovendien een snelle invoer van de Omgevingswet bevorderen. Dit betekent dat de nieuwe instrumenten zo snel als de uitvoeringspraktijk dat toestaat daadwerkelijk worden gebruikt. Daarvoor zijn uiteraard ook goede ICT-voorzieningen en implementatiebegeleiding van belang.

Het overgangsrecht bij dit besluit en de andere besluiten onder de Omgevingswet wordt geregeld in het Invoeringsbesluit.

11 Implementatietabellen

Een groot deel van het Nederlandse omgevingsrecht bestaat uit de implementatie van Europese en internationale regelgeving. In totaal zijn er met de vier AMvB’s 29 richtlijnen, 2 verordeningen, 11 verdragen en protocollen opnieuw geïmplementeerd of omgezet. In dit hoofdstuk wordt met zogenaamde implementatietabellen inzichtelijk gemaakt hoe die implementatie heeft plaatsgevonden.

In de Omgevingswet en de uitvoeringsregelgeving wordt uit gegaan van dynamische verwijzing. Dat geldt ook voor de implementatietabellen. Dit betekent dat in die tabellen is uitgegaan van de meest actuele versie van de betreffende Europese of internationale regeling. Bijvoorbeeld: bij de mer-richtlijn is uitgegaan van de tekst van de merrichtlijn, zoals gewijzigd door richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014.

Per richtlijn, verordening, verdrag of protocol is aangegeven welke bepalingen in de nieuwe regelgeving dienen ter implementatie van de verschillende bepalingen uit het Europees en internationaal recht. In de tabellen is niet alleen ingegaan op de implementatie in de AMvB’s, maar is ook inzichtelijk gemaakt wanneer onderdelen van de Europese en internationale regelgeving worden geïmplementeerd door de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet, het Invoeringsbesluit Omgevingswet of de ministeriële regeling. Ook is in de tabellen aangegeven wanneer implementatie verloopt via de aanvullingssporen grondeigendom, natuur, geluid of bodem. Soms vindt de implementatie ook plaats buiten het stelsel van de Omgevingswet om, bijvoorbeeld in de Awb. Dat zal in de implementatietabellen tot uitdrukking worden gebracht.

De implementatie van het Europees recht en de internationale verdragen en protocollen vindt soms geclusterd plaats in één AMvB. Denk bijvoorbeeld aan de mer-richtlijn die uitsluitend in de Omgevingswet en het Ob geïmplementeerd is. Maar vaker loopt de implementatie dwars door verschillende AMvB’s heen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de richtlijn industriële emissies en de Seveso-richtlijn. Zowel in het Ob, Bkl, als Bal zijn bepalingen opgenomen ter implementatie van deze richtlijnen. Er is voor gekozen om de implementatietabellen naar zwaartepunt te verdelen over de vier AMvB’s. Zo is de implementatietabel van de kaderrichtlijn mariene strategie bijvoorbeeld te vinden in de toelichting bij het Bkl, omdat het zwaartepunt van de implementatie ook plaatsvindt in het Bkl.

Met de vier AMvB’s is een groot deel van de herimplementatie gerealiseerd. Het is echter van belang om te benadrukken dat de herimplementatie met de Omgevingswet en de vier AMvB’s nog niet volledig is. Daarvoor zijn ook het invoeringsspoor (met Invoeringswet, Invoeringsbesluit en Invoeringsregeling) en de aanvullingssporen (aanvullingswetten en -besluiten bodem, geluid, natuur en grondeigendom) van belang.

In onderstaande tabellen worden de volgende afkortingen gebruikt:

Bbl: Besluit bouwwerken leefomgeving

mr: ministeriële regeling

Ow: Omgevingswet

Richtlijn epbd

Richtlijn 2010 /31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU L153/13)

Bepaling EU-regeling

(epbd)

Bepaling in implementatie-regeling of in bestaande regelgeving

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van beleidsruimte en andere toelichting

Artikel 1

Behoeft geen implementatie

 

Het artikel benoemt onderwerp en voorschriften waarop de richtlijn betrekking heeft.

Artikel 2

Artikel 1.1 Bbl

   

Artikel 3

Artikel 4.149 Bbl

   

Artikel 4

Artikelen 4.148, 4.149, 4.150, 4.152 tot en met 4.156 en 5.20 BbL

 

De uitzonderingen die mogelijk zijn op basis van artikel 4, tweede lid, zijn opgenomen in art. 6.27 Bbl.

Artikel 5

Behoeft geen implementatie

 

Het eerste en vierde lid betreffen activiteiten door de Europese Commissie. Het tweede en derde lid hebben betrekking op het indienen van een verslag door de lidstaten. Dat verslag is door Nederland op 20 maart 2013 ingediend.

Artikel 6

Deels geïmplementeerd met de artikelen 4.148, 4.149, 4.150, 4.152 tot en met 4.156 en 5.20 BBL

 

Niet alle onderdelen betreffen implementatie

Artikel 7

Artikel 5.20, tweede en vierde lid Bbl

   

Artikel 8, eerste lid

Artikelen 4.242 en 5.21 Bbl

   

Artikel 8, tweede lid

Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen

   

Artikel 9

Artikelen 4.149 en 4.151 Bbl en tabel 4.154 Bbl

 

Sinds 1 januari 2015 regelmatige aanscherping van de energieprestatiecoëfficient en van de isolatiewaarde (tabel 4.154 Bbl)

Artikel 10

Behoeft geen implementatie

 

In het kader van het eerste en tweede lid heeft Nederland op 30 april 2014 een lijst van maatregelen aan de Europese Commissie verstuurd. Het derde tot en met vijfde lid hebben betrekking op activiteiten van de Europese commissie. Uit de rapportage in het kader van het tweede lid blijkt dat in Nederland bij het verstrekken van prikkels voor de bouw of de ingrijpende renovatie rekening wordt gehouden met de kostenoptimale niveaus van energieprestatie. Het zevende lid betreft een constatering dat bepalingen van de richtlijn geen beletsel vormen om prikkels boven kostenoptimale niveaus te stellen.

Artikel 11, eerste tot en met vierde, zesde en zevende lid

Artikelen 1.1 en 6.30 Bbl en mr

Mogelijkheid tot certificering op basis van representativiteit.

Er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de richtlijn biedt op het gebruik van representativiteit.

Artikel 11, vijfde lid

Artikel 6.30, tweede lid, aanhef en onder a, Bbl

 

Daarnaast geeft de rijksoverheid het goede voorbeeld door invulling te geven aan het Energieakkoord om samen met gemeenten projecten voor het verduurzamen van de energievoorziening te stimuleren.

Artikel 11, achtste lid

Artikel 6.29, vijfde lid, Bbl

   

Artikel 11, negende lid

Behoeft geen implementatie

 

Het betreft een activiteit van de Europese Commissie.

Artikel 12

Artikelen 6.27 en 6.30, eerste lid, Bbl

 

Uitwerking in mr.

Artikel 13

Artikel 6.30 Bbl

   

Artikel 14

Wordt niet omgezet in regelgeving

Mogelijkheid maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat gebruikers geadviseerd worden.

Er is gekozen voor de mogelijkheid van informatieverstrekking aan gebruikers

Artikel 15

Artikel 6.38 Bbl

 

Nadere voorschriften zijn opgenomen in mr.

Artikel 16

Artikel 6.38 Bbl

   

Artikel 17

Artikel 6.38 Bbl

 

Nadere voorschriften zijn opgenomen in mr.

Artikel 18

Art. 23.1 Ow

   

Artikel 19

Behoeft geen implementatie

 

Het betreft een activiteit van de Europese Commissie.

Artikel 20

Behoeft geen implementatie

 

Het artikel betreft informatie, er is in het verleden ook veel aan voorlichting gedaan. Het vierde lid betreft een activiteit van de Europese Commissie.

Artikel 21

Behoeft geen implementatie

 

Er vindt regulier overleg met marktpartijen en lokale overheden plaats.

Artikel 22

Behoeft geen implementatie

 

Het betreft een activiteit van de Europese Commissie.

Artikel 23

Behoeft geen implementatie

 

Het betreft een activiteit van de Europese Commissie.

Artikel 24

Behoeft geen implementatie

 

Het artikel is gericht tot het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 25

Behoeft geen implementatie

 

Het artikel is gericht tot het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 26

Behoeft geen implementatie

 

Het artikel heeft betrekking op de Europese Commissie.

Artikel 27

Behoeft geen implementatie

Sanctiebepaling

Geen specifieke sancties opgenomen, maar via al bestaande sancties in bestuursrecht (last onder bestuursdwang, last onder dwangsom, bestuurlijke boete), strafrecht (economisch delict in Wet economische delicten en valsheid in geschrifte/oplichting in Wetboek van strafrecht) en civielrecht (wanprestatie in Burgerlijk wetboek).

Artikel 28

Behoeft geen implementatie

 

Het betreft een omzettingsbepaling.

Artikel 29

Behoeft geen implementatie

 

Het betreft een intrekkingsbepaling.

Artikel 30

Behoeft geen implementatie

 

Het betreft een inwerkingtredingsbepaling.

Artikel 31

Behoeft geen implementatie

 

Het betreft een adressatenbepaling.

Richtlijn veiligheid wegtunnels

Richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 over minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201)

Bepaling EU-regeling

(veiligheid wegtunnels)

Bepaling in implementatie-regeling of in bestaande regelgeving

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van beleidsruimte en andere toelichting

Artikel 3, tweede lid

Artikel 4.7 Ow

   

Bijlage 1, onderdeel 2.1.3

Artikelen 3.137 en 4.235 Bbl

 

Strekking en doel van het artikel zijn overgenomen.

Bijlage 1, onderdeel 2.3.5

Artikelen 3.49, derde lid, 3.50, tweede lid, Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.3.6

Artikelen 4.65, eerste en derde lid, Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.3.8

Artikel 4.66, vijfde lid, Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.3.9

Artikelen 3.60 en 4.79 Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.6

Artikelen 3.136 en 4.127 Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.7

Artikelen 3.12, vijfde lid, 3.13, 4.17, zevende lid, 4.18 Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.8.1

Artikelen 3.100, vijfde lid, en 4.194, vijfde lid Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.8.2

Artikelen 3.101, vierde en vijfde lid, en 4.195, vierde en vijfde lid, Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.8.3

Artikelen 3.120, tweede lid en 4.215, tweede, derde en vierde lid, Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.9.2

Artikelen 3.68, vijfde lid en 4.15, zesde lid, Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.10.2

Artikelen 3.127, tweede lid, 3.134, 4.223, tweede lid, en 4.232 Bbl

 

De richtlijn schrijft twee brandblusapparaten per hulppost voor. Het Bbl schrijft één brandblusapparaat per hulppost voor. Omdat de richtlijn een vereiste van maximaal 150 meter tussen twee hulpposten kent en het Bbl maximaal 60 meter eist, zijn er dus ruim twee brandblusapparaten per 150 meter beschikbaar.

Bijlage 1, onderdeel 2.10.3

Artikelen 3.62 en 4.86 Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.11

Artikelen 3.125, tweede lid, 3.126, 4.221, tweede lid en 4.222 Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.13

Artikelen 3.125 en 4.233 Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.14

Artikelen 3.125 en 4.233 Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.16

Artikelen 3.138 en 4.236 Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.17

Artikelen 3.139 en 4.237 Bbl

   

Bijlage 1, onderdeel 2.18

Brandbestendigheid noodvoorzieningen

   

ARTIKELSGEWIJS

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat algemene regels voor bouwwerken en voor niet-bouwwerken. Hoofdstuk 2 bevat daarnaast algemene regels die alleen op bouwwerken van toepassing zijn. De algemene regels van hoofdstuk 2 zijn daarmee gericht op de regels van de hoofdstukken 3 tot en met 6 en afdeling 7.1.

De beide artikelen van hoofdstuk 1 zijn van toepassing op het hele besluit. In dit besluit is geen artikel over de doorverwijzing naar normen en certificatie- en inspectieschema’s opgenomen. In de met dit besluit samenhangende regeling zijn de regels gesteld omtrent de toepassing van de normen waar dit besluit naar verwijst en over de toepassing van dit besluit genoemde certificatie- of inspectieschema’s. Het is dus evenals voorheen nodig om de regeling te raadplegen om bijvoorbeeld te weten welke versie van een norm van toepassing is. Het is daarvoor niet nodig in het voorliggende besluit een met artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2012 vergelijkbaar artikel op te nemen nu de delegatiegrondslag niet in dit besluit is opgenomen maar in de wet (artikel 4.3, derde lid).

Anders dan het Bouwbesluit 2012 bevat dit besluit geen regels voor de staat en het gebruik van open erven en terreinen. De Omgevingswet bevat geen grondslag voor het daarover stellen van regels in een algemene maatregel van bestuur. De gemeente kan over die onderwerpen desgewenst eigen regels stellen in het omgevingsplan.

Afdeling 1.1 Algemeen
Artikel 1.1 (begrippen)

Dit artikel bepaalt dat bijlage I de begrippen en definities bevat die voor dit besluit van belang zijn. Daarnaast zijn de begripsbepalingen uit de wet op dit besluit van toepassing. Er is voor gekozen de begripsbepalingen niet aan het begin van het besluit op te nemen maar evenals bij de wet het geval is, deze in een bijlage op te nemen.

Afdeling 1.2 Internationaalrechtelijke verplichtingen
Artikel 1.2 (wederzijdse erkenning)

Binnen de Europese Unie geldt het principe van de wederzijdse erkenning. Dit betekent dat kwaliteitsverklaringen, certificaten, keuringen of inspectieschema’s wanneer deze in een ander land op de legitieme manier tot stand zijn gekomen, moeten worden erkend in de landen van de Europese Unie. Voor de toepassing van deze regel maakt het niet uit of dat andere land wel of niet in de Europese Unie ligt. Dat andere land zal in het laatste geval dan wel partij moeten zijn bij een daar op gericht verdrag. Met deze regel worden handelsbelemmeringen voorkomen. Hiermee samen hangt de notificatieverplichting. Op grond van richtlijn 98/34/EG moeten de lidstaten elkaar en de Europese Commissie informeren voordat zij technische regelgeving maken of wijzigen. Zie hiervoor hoofdstuk 8 van het algemeen deel van de toelichting. Ook de gelijkwaardigheidbepaling zoals deze in artikel 3.115, eerste lid, bedoelde is opgenomen kan een rol spelen bij het voorkomen van handelsbelemmeringen. Zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel 2.4.

Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen voor bouwwerken

Hoofdstuk 2 bevat algemene regels die alleen voor bouwwerken gelden. Dit betekent dat de regels in dit hoofdstuk alleen van toepassing zijn op de hoofdstukken 3 tot en met 6 en afdeling 7.1. Die hoofdstukken gaan respectievelijk over bestaande bouw, nieuwbouw, verbouw en verplaatsing van een bouwwerk en wijziging van een gebruiksfunctie, en gebruik van een bouwwerk. Afdeling 7.1 gaat over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken. Bij toepassing van de hoofdstukken 3 tot en met 6 en afdeling 7.1 moet dus behalve met de algemene regels uit hoofdstuk 2 ook rekening worden gehouden met de algemene regels uit hoofdstuk 1. Bij toepassing van afdeling 7.2, dat niet over bouwwerken maar over het in werking hebben van een mobiele puinbreker gaat, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene regels uit hoofdstuk 1 maar niet met die van hoofdstuk 2.

Afdeling 2.1 Algemeen
Artikel 2.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

In dit artikel is bepaald dat de algemene regels van dit hoofdstuk alleen van toepassing zijn op bouwwerken en dus niet van toepassing op niet-bouwwerken.

Voor die laatste categorie gelden alleen de algemene regels van hoofdstuk 1.

Artikel 2.2 (bevoegd gezag)

Het eerste lid van dit artikel is een invulling van artikel 4.9 van de wet. Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan. Ook is het college het bevoegd gezag bij het stellen van maatwerkvoorschriften en neemt het college als bevoegd gezag de beslissing op een aanvraag tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Met het aanwijzen van het college van burgemeester en wethouders als het bevoegd gezag, is op basis van artikel 18.2, eerste lid, van de wet meteen ook geregeld dat de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het college berust.

Op basis van artikel 18.2, vierde lid, van de wet is het college ook het bevoegd gezag in andere gevallen, tenzij die taak bij algemene maatregel van bestuur is opgedragen aan een ander bestuursorgaan. Op grond van de Woningwet is de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties het tot handhaving bevoegd gezag voor de verordening bouwproducten.

Het tweede lid van dit artikel geeft invulling aan het principe ‘eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag’. Voor activiteiten die onder afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vallen kan gelden dat wanneer de gedeputeerde staten het bevoegd gezag is voor een bepaalde milieubelastende activiteit, gedeputeerde staten ook het bevoegd gezag is voor de algemene regels over andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie als de complexe bedrijven. Op dergelijke locaties komt daardoor voor alle activiteiten alles bij de provincie terecht: melding, vergunningverlening, het stellen van maatwerkvoorschriften, het houden van toezicht en bestuursrechtelijke handhaving en de toestemming voor een gelijkwaardige maatregel die betrekking hebben op een bouwwerk op die locatie. Een initiatiefnemer heeft hierdoor slechts te maken met één loket waar hij voor al zijn contact met het bevoegd gezag terecht kan. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat in een voorkomend geval regels over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden gesteld worden door de provincie. Zie ook de toelichting op artikel 7.5 maatwerkvoorschriften bij bouw- en sloopwerkzaamheden. Een initiatiefnemer heeft hierdoor slechts te maken met één loket waar hij voor al zijn contact met het bevoegd gezag terecht kan. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat in voorkomend geval regels over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden gesteld worden door de provincie. Dit laatste is het geval wanneer op grond van artikel 2.2, tweede lid, op een bepaalde locatie de provincie en niet de gemeente het bevoegd gezag is. Zie ook de toelichting op afdeling 7.1.

Artikel 2.3 (maatwerkregels)

Uit de regel dat een maatwerkregel in het omgevingplan wordt gesteld blijkt dat de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkregels in dit besluit alleen is opengesteld voor gemeenten.

Artikel 2.4 (gelijkwaardigheid bij melding of vergunningsvrije activiteit)

In artikel 4.7 van de wet wordt de mogelijkheid geboden om in plaats van de voorgeschreven maatregel een gelijkwaardige maatregel te treffen. Dit is een algemeen principe. Daarom is het niet nodig, om in dit besluit een algemene gelijkwaardigheidbepaling op te nemen. Artikel 2.4 bevat alleen nadere regels over het in de wet opgenomen principe van gelijkwaardigheid. Bij het toetsen van de gelijkwaardige maatregel moet worden beoordeeld of deze gelijkwaardige maatregel een zelfde mate van het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het waarborgen van duurzaamheid en bruikbaarheid biedt als beoogd is met de regels waarvoor een gelijkwaardige oplossing wordt geboden. Uitgangspunt daarbij is per paragraaf het aansturingsartikel. In die gevallen wanneer er sprake is van een activiteit waarvoor een vergunning nodig is wordt de gelijkwaardigheid bij de beoordeling van de vergunning betrokken. In die gevallen dat de gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van dit besluit een melding is voorgeschreven dan moet die gelijkwaardige oplossing op grond van het eerste lid ook worden gemeld. Pas na die melding is de maatregel toegestaan. In het tweede lid is bepaald dat wanneer een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een vergunningvrije activiteit, deze gelijkwaardige maatregel is toegestaan zonder voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag. Zie hierover ook onderdeel 2.3.4 van het algemeen deel van de toelichting van dit besluit. Zie hierover ook het algemeen deel van de toelichting van dit besluit. In de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen is de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de oplossing door het bevoegd gezag dus na afloop in plaats van preventief.

Opgemerkt wordt dat het begrip gelijkwaardige maatregel in de plaats is gekomen van het begrip gelijkwaardige oplossing uit het Bouwbesluit 2012.

Artikel 2.5 (instandhouden gelijkwaardige maatregel)

In dit artikel is bepaald dat een gelijkwaardige maatregel bij het gebruik van het bouwwerk in stand wordt gehouden. Deze instandhoudingsverplichting geldt zowel voor gelijkwaardige maatregelen waarvoor voorafgaande toestemming nodig is van het bevoegd gezag, als voor gelijkwaardige maatregelen waarbij dat niet het geval is. Zie ook de toelichting op artikel 2.4.

Artikel 2.6 (specifieke zorgplicht: bouwwerkinstallatie)

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor bouwwerkinstallaties. Het gaat om installaties die krachtens de wet aanwezig zijn. Er is hier gesproken van krachtens de wet omdat het niet alleen gaat om installaties die in de prestatie-eisen van dit besluit zijn voorgeschreven, maar ook om installaties die niet zijn voorgeschreven maar wel zijn ingezet om aan een prestatie-eis van dit besluit te voldoen en ook om installaties die zijn ingezet als onderdeel van een in artikel 4.7 van de Omgevingswet of artikel 2.4 van dit besluit bedoelde gelijkwaardige maatregel.

Een dergelijke installatie moet te allen tijde zodanig functioneren dat voldaan wordt aan de eisen van dit besluit (a). Daarvoor moet de installatie adequaat worden beheerd, onderhouden en gecontroleerd (b). Het is aan de eigenaar/gebruiker daar invulling aan te geven en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of daaraan op juiste wijze gevolg is gegeven.

In het algemeen zal het voldoende zijn wanneer daarvoor de in de handleiding of productspecificaties opgenomen instructies van de fabrikant, leverancier en installateur worden gevolgd. Ook moet het gebruik zodanig zijn dat er geen gevaar voor gezondheid of veiligheid is (c). Hiervoor geldt eveneens dat rekening moet worden gehouden met handleidingen en dergelijke. Voor bepaalde bouwwerkinstallaties is de zorgplicht, onverminderd het bepaalde in dit artikel verder uitgewerkt in afdeling 6.5, bouwwerkinstallaties. In die afdeling zijn specifieke eisen gesteld aan het beheer, de controle en of het onderhoud van brandveiligheidsinstallaties, airconditioningsystemen en kleine en middelgrote stooktoestellen voor ruimteverwarming.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de specifieke zorgplicht van dit artikel niet verlangt dat een installatie op nieuwbouwniveau blijft functioneren. Een installatie zal moeten blijven functioneren, waarbij rekening mag worden gehouden met een kwaliteitsvermindering door natuurlijke veroudering en slijtage, mits deze niet leidt tot een lager kwaliteitsniveau dan het kwaliteitsniveau voor bestaande bouw. Daartoe wordt niet gerekend slijtage door gebrekkig beheer of onderhoud of beschadiging. Bij brandveiligheidsinstallaties kan uit de eisen t.a.v. onderhoud en certificatie de verplichting voortvloeien om een hoger kwaliteitsniveau dan bestaande bouw te borgen.

Verder wordt opgemerkt dat het functioneren (inclusief beheer, onderhoud en controle) van niet in hoofdstuk 6 genoemde installaties, zoals bijvoorbeeld een ventilatiesysteem (inclusief de in de ventilatiekanalen aangebrachte brandkleppen) zoals dat voortaan onder het onderhavige artikel valt eerder onder de zorgplicht van artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet viel.

Artikel 2.7 (gemeenschappelijk en gezamenlijk)

Het eerste lid bevat de algemene regel: iedere in de hoofdstukken 3 tot en met 6 van dit besluit genoemde ruimte of voorziening mag naar keuze gemeenschappelijk of niet-gemeenschappelijk zijn tenzij bij een bepaalde regel anders is bepaald. Deze regel maakt het mogelijk dat bijvoorbeeld woningen, een toilet- of badruimte, of een keuken kunnen delen met een andere woning of met een andere gebruiksfunctie zoals een kantoorfunctie.

In een specifiek artikel kan zijn bepaald dat een nader aangegeven ruimte of voorziening alleen een gemeenschappelijke of alleen een niet-gemeenschappelijke ruimte of voorziening kan zijn. Een voorbeeld is de regel dat een verkeersroute voor personen met een functiebeperking niet door een niet-gemeenschappelijke ruimte van een andere gebruiksfunctie mag lopen (artikel 4.188, vierde lid, van dit besluit).

Het tweede lid geeft aan dat de aanduiding ‘gemeenschappelijk’ wordt gebruikt bij gedeelten van een bouwwerk, ruimte of voorzieningen die ten dienste staan van meer dan één gebruiksfunctie. Een dergelijk gedeelte, of een dergelijke ruimte of voorziening, met uitzondering van de nevengebruiksfunctie, maakt voor de toepassing van dit besluit deel uit van alle daarop aangewezen gebruiksfuncties.

Dit kunnen zowel verschillende soorten gebruiksfuncties zijn als meerdere gebruiksfuncties van dezelfde soort. Als voorbeeld van een gemeenschappelijke ruimte voor meerdere gebruiksfuncties van dezelfde soort kan de galerij die ten dienste staat van de daaraan gelegen appartementen worden genoemd. Een ruimte of voorziening zal moeten voldoen aan de eisen die aan een dergelijke ruimte of voorziening worden gesteld, uitgaande van die daarop aangewezen gebruiksfuncties. Nevengebruiksfuncties mogen daarbij buiten beschouwing worden gelaten.

Het derde lid geeft aan wanneer de aanduiding gezamenlijk wordt gebruikt. Dit is het geval wanneer een gedeelte van een woonfunctie, een celfunctie of een logiesfunctie of een ruimte of voorziening die ten dienste staat van een dergelijke gebruiksfunctie wordt gebruikt door meer dan een wooneenheid, cel of logiesverblijf van die gebruiksfunctie. Bij kamergewijze verhuur gaat het bijvoorbeeld om voorzieningen en ruimten als een gezamenlijke keuken of een gezamenlijke vluchtroute binnen de woning. Dit kan ook bij een cel in een celfunctie en een logiesverblijf (bijvoorbeeld hotelkamer) in een logiesfunctie (bijvoorbeeld hotel) spelen. Dergelijke ruimten kunnen niet als gemeenschappelijk worden benoemd omdat het om ruimten binnen dezelfde gebruiksfunctie gaat.

Artikel 2.7 is vergelijkbaar met artikel 1.4 van het Bouwbesluit 2012.

Artikel 2.8 (monumenten)

Dit artikel bevat een voorrangsregel voor monumenten en archeologische monumenten, voor zover die zijn beschermd of voorbeschermd op grond van het omgevingsplan, de omgevingsverordening of de Erfgoedwet. Het doel hiervan is om het bevoegd gezag in een concreet geval de mogelijkheid te geven te voorkomen dat de technische voorschriften in dit besluit afbreuk zouden doen aan de monumentale of archeologische waarden. Voor zover een omgevingsvergunning met betrekking tot een dergelijk monument of archeologisch monument afwijkt van de regels in de hoofdstukken 3 tot en met 5 dan zijn alleen die vergunning en de daaraan verbonden voorschriften met betrekking tot dat monument of archeologisch monument van toepassing. Archeologische monumenten die een (voorbeschermd) gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument zijn, zijn ook opgenomen omdat het anders denkbaar zou zijn dat er strijd zou zijn tussen een omgevingsvergunning die rekening houdt met hun archeologische waarden en de voorschriften uit de hoofdstukken 3 tot en met 5 van dit besluit. Hoewel dit artikel qua strekking vergelijkbaar is met artikel 1.13 van het Bouwbesluit 2012, is in de opzet gekozen voor een systematische opsomming van de verschillende beschermingsvormen, zowel wat betreft bestuurslaag van wie de bescherming uitgaat (gemeente, provincie of Rijk) als wat betreft de status ervan (beschermd of voorbeschermd). Het kan dus gaan om een omgevingsvergunning voor

  • a. een afwijkactiviteit die betrekking heeft op:

    • 1°. een activiteit in strijd met regels als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, met betrekking tot een monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie van gemeentelijk of provinciaal monument is toegedeeld, of

    • 2°. een activiteit in strijd met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in de artikelen 4.14, 4.15 of 4.16, eerste lid, van de wet, voor zover die activiteit in strijd is met regels in het voorbereidingsbesluit die betrekking hebben op een monument of archeologisch monument waarvoor het voornemen bestaat daaraan in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie van gemeentelijk of provinciaal monument toe te delen of, ingeval die functie al is toegedeeld, om de daarvoor in het omgevingsplan of de omgevingsverordening gestelde regels te wijzigen,

  • b. een activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden als die activiteit betrekking heeft op een monument of archeologisch monument waaraan in de omgevingsverordening de functie van provinciaal monument is toegedeeld, of

  • c. een rijksmonumentenactiviteit (met betrekking tot een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument).

In al deze gevallen gaan de desbetreffende omgevingsvergunning en de daarin opgenomen specifieke voorschriften boven de soortgelijke regels uit de hoofdstukken 3 tot en met 5 van dit besluit.

Wel kan vanuit het oogpunt van veiligheid onder omstandigheden een beperking van de gebruiksmogelijkheden van het monument voortvloeien uit een afwijking van dit besluit. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het op grond van de omgevingsvergunning niet is toegestaan om het monument zodanig te verbouwen dat de op grond van dit besluit vereiste vluchtroutes of brandcompartimenteringen aangebracht kunnen worden. Om het beoogde gebruik dan toch mogelijk te kunnen maken, kan dan worden gekeken of er een gelijkwaardige oplossing mogelijk is. Ook zal het in sommige gevallen mogelijk zijn om in plaats van het in het monument toegestane aantal personen te beperken, te kiezen voor organisatorische maatregelen. Dit is ter beoordeling van het bevoegd gezag.

Mocht op enig moment blijken dat de staat van een monument in strijd met de regels voor bestaande bouw is en het betreft een situatie die niet is voorzien in de omgevingsvergunning, dan kan hierop gehandhaafd worden. Bij dat handhavend optreden zal uiteraard rekening moeten worden gehouden met het feit dat de verbouwing of het herstel van het monument niet mag plaatsvinden zonder een daarop gerichte omgevingsvergunning.

Artikel 2.9 (afwijking wegens implementatie van Europese regelgeving)

Met deze regel is zeker gesteld dat in voorkomende gevallen rekening kan worden gehouden met eisen die voortvloeien uit de implementatie van de machinerichtlijn (richtlijn nr. 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van richtlijn 95/16/EG (herschikking) (PbEU L 157) en richtlijn 90/396/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake gastoestellen (PbEG L 196). Voor zover er sprake is van dergelijke eisen gaan deze boven de regels van dit besluit. Omdat het hier alleen gaat om de samenloop met het Warenwetbesluit machines, het Warenwetbesluit liften en het Besluit gastoestellen is duidelijk dat het alleen kan gaan om eisen aan constructieonderdelen en bouwwerkinstallaties.

Artikel 2.10 (aantal personen in een bouwwerk)

De regel in dit artikel is vergelijkbaar met artikel 1.2, van het Bouwbesluit 2012. In dat besluit was ook sprake van een minimaal aantal personen waarmee bij de aanvraag van een vergunning voor het bouwen rekening moest worden gehouden.

Alleen is het in de nieuwe opzet meer expliciet gemaakt dat het aan de aanvrager is, dus niet aan het bevoegd gezag, om bij het ontwerp van gebouw het aantal personen te bepalen dat in gebouw aanwezig zal zijn als het klaar en in gebruik is. De aantallen personen die daadwerkelijk gebruik maken van een gebouw moeten wel overeenstemmen met de aantallen waarvan is uitgegaan bij de bouwaanvraag. Nieuwbouwregels die een relatie hebben met het aantal personen zijn bijvoorbeeld de brandveiligheidsregels voor vluchten en de luchtverversingsregels. Mochten in een gebouw of een onderdeel daarvan meer personen verblijven dan het aantal personen dat is opgegeven in de aanvraag om omgevingsvergunning of melding, of mocht een vluchtroute of een ventilatievoorziening niet voldoende capaciteit hebben voor het aantal personen dat op die voorziening is aangewezen, dan kan daartegen handhavend worden opgetreden.

Dit besluit stelt voor de woonfunctie geen aan het aantal personen gerelateerde eisen. Dat wil zeggen dat uit artikel 2.10 geen beperking aan het aantal personen in een woning of wooneenheid kan voortvloeien. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zogenoemd overbewoningsartikel op te nemen waarmee tegen excessieve bewoning kan worden opgetreden.

Artikel 2.11 (overgangsrecht: aantal personen in een bouwwerk)

Dit artikel bevat een specifieke overgangsbepaling. Wanneer het aantal personen dat in een bouwwerk of gedeelte daarvan aanwezig mag zijn niet groter is dan was toegestaan voor 1 april 2012, het moment dat het Bouwbesluit 2012 in werking trad, dan is artikel 2.10 niet van toepassing.

Dit overgangsrecht is ook van toepassing bij verbouw en functiewijziging. Als er wordt verbouwd, en bijvoorbeeld het trappenhuis blijft ongewijzigd, dan geldt dit overgangsrecht ook voor de vluchtcapaciteit van dit vluchttrappenhuis. Hiermee wordt voorkomen dat het trappenhuis dat voor de inwerkingtreding als voldoende veilig werd beoordeeld, na verbouwing van de rest van het gebouw of bij verandering van gebruik niet meer voldoet. Dit geldt alleen als het aantal personen dat gebruik moet maken van dat trappenhuis niet groter wordt.

Als het aantal personen dat na een verbouwing of functiewijziging gebruik maakt van het trappenhuis groter is dan voorheen was toegestaan dan is dit overgangsrecht niet van toepassing, en moet gewoon aan deze regels van dit besluit worden voldaan. Het overgangsrecht is ook niet van toepassing wanneer het trappenhuis zodanig wordt verbouwd dat de brandveiligheid of vluchtcapaciteit afneemt.

Afdeling 2.2 CE-markeringen en kwaliteitsverklaringen
Artikel 2.12 (verordening bouwproducten)

Gedragingen in strijd met de verordening zijn verboden. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is op grond van dit artikel belast met de handhaving van dit verbod. De Minister heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport hiervoor gemandateerd. Overeenkomstig de Wet economische delicten is handelen in strijd met de verordening een strafbaar feit.

Artikel 2.13 (toepassing CE-markering en kwaliteitsverklaringen)

In het eerste lid van dit artikel is bepaald wanneer aan de eisen van dit besluit is voldaan. Een CE-markering biedt een zogenoemd vermoeden van conformiteit. Met andere woorden, de toezichthouder mag er in beginsel en zonder verdere controle op vertrouwen dat de prestaties zoals aangegeven in de prestatieverklaring correct zijn. Wanneer een fabrikant bijvoorbeeld in de prestatieverklaring verklaart dat de druksterkte van een partij bakstenen x N/mm2 bedraagt en in de constructieberekeningen voor een bouwwerk wordt uitgegaan van bakstenen met deze sterkte, dan vormt de prestatieverklaring op dat punt voldoende bewijs.

In het tweede lid is bepaald dat alleen voor die gevallen waarin er geen geharmoniseerde norm is (en dus ook geen CE-markering) een kwaliteitsverklaring van een bouwproduct, voldoende bewijs vormt dat aan de eisen van dit besluit is voldaan.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat voor prestaties met betrekking tot de essentiële kenmerken die zijn opgenomen in een Europese technische specificatie de CE-markering het enige merkteken is dat kenbaar maakt dat het product in overeenstemming met deze prestaties is. Dit betekent dat alleen zolang er geen geharmoniseerde norm is of de fabrikant geen Europese technische beoordeling heeft laten uitvoeren, deze fabrikant nog steeds gebruik mag maken van een kwaliteitsverklaring op die onderdelen waarvoor al wel een CE-markering bestaat. Op het moment dat die geharmoniseerde norm beschikbaar komt of wanneer een Europese technische beoordeling is afgegeven voor dat product moet de kwaliteitsverklaring alsnog vervallen. Op dat moment kan alleen nog een kwaliteitsverklaring worden afgegeven voor die kenmerken die niet in de CE-markering zijn opgenomen. Kwaliteitsverklaringen mogen niet worden gebruikt als alternatief voor de CE-markering, en ook niet als aanvullend bewijs voor een prestatie op een essentieel kenmerk dat valt onder de CE-markering.

In het derde lid is een soortgelijke eis opgenomen voor een bouwproces, met dien verstande dat er geen harmoniseerde norm (en dus ook geen CE-markering) is die op een proces toeziet. Als een bouwproces aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het proces wordt uitgevoerd voldoet aan de eisen van dit besluit dan is daaraan voldaan als dat bouwproces is toegepast in overeenstemming met een op die eisen toegesneden kwaliteitsverklaring.

In artikel 7 van de verordening bouwproducten is bepaald dat de prestatieverklaring wordt verstrekt in een taal of talen die de lidstaat waar het bouwproduct op de markt wordt aangeboden voorschrijft. Om die reden is in het vierde lid bepaald dat een prestatieverklaring voor het Nederlandse grondgebied in de Nederlandse taal moet worden verstrekt.

In het vijfde lid is een soortgelijke eis om de Nederlandse taal te gebruiken opgenomen voor een aantal specifiek in de verordening genoemde instructies en informaties.

Artikel 2.14 (erkenning kwaliteitsverklaringen)

Met dit artikel is verduidelijkt dat kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 2.13, tweede en derde lid, alleen mogen worden afgegeven op grond van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw.

Afdeling 2.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

P.M.

Afdeling 2.4 Kwaliteitsborging voor het bouwen

P.M.

Hoofdstuk 3 Bestaande bouw
Afdeling 3.1 Algemeen
Artikel 3.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit artikel bepaalt dat de regels van dit hoofdstuk van toepassing zijn op het in stand houden van bestaande bouwwerken. Met het woord bestaand wordt duidelijk gemaakt dat dit hoofdstuk niet van toepassing is op een bouwwerk dat nog in aanbouw is. Regels over het bouwen van nieuwe bouwwerken zijn opgenomen in hoofdstuk 4 en regels over het verbouwen van een bestaand bouwwerk in hoofdstuk 5.

Een uitgangspunt bij de regels voor bestaande bouw is dat het eisenniveau voor bestaande bouw niet hoger mag zijn dan het eisenniveau bij nieuwbouw.

Daar waar bij nieuwbouw sprake is van een minimaal wenselijk eisenniveau is bij bestaande bouw sprake van het minimaal acceptabel eisenniveau.

Het feit dat de regels van dit hoofdstuk op bestaande bouw van toepassing zijn wil niet zeggen dat met het voldoen aan de eisen voor bestaande bouw automatisch aan de bouwvoorschriften is voldaan. Een voorwaarde is namelijk dat het bestaande kwaliteitsniveau rechtmatig tot stand is gekomen. Een vermindering van het kwaliteitsniveau door bijvoorbeeld een verbouwing is alleen toelaatbaar voor zover de verbouweisen dat toelaten. Dat wil zeggen dat de prestaties van het bestaande bouwwerk of gedeelte daarvan in beginsel niet lager mogen zijn dan het eisenniveau dat gold bij de totstandkoming van dat bouwwerk of gedeelte daarvan.

Wel is er ruimte voor een zogenoemde autonome kwaliteitsvermindering. Dat is de kwaliteitsvermindering die optreedt door veroudering of slijtage. Echter, als de autonome kwaliteitsvermindering zodanig is dat niet meer wordt voldaan aan de eisen voor bestaande bouw, kan handhavend worden opgetreden zoals ook handhavend kan worden opgetreden tegen niet rechtmatige veranderingen aan een bouwwerk.

In dit hoofdstuk zijn ook regels ter verbetering van bestaande bouwwerken gesteld, zoals een plicht tot het treffen van energiebesparende maatregelen. Zie daarvoor de toelichting op artikel 3.84 (energiebesparende maatregelen). Als voor die verbetering moet worden verbouwd, dan zijn op die verbouwing ook de verbouweisen van hoofdstuk 5 van toepassing.

Regels over het verbouwen en verplaatsen van bestaande bouwwerken en over wijziging van de gebruiksfunctie van bestaande bouwwerken zijn opgenomen in hoofdstuk 5.

Artikel 3.2 (toepassingsbereik: oogmerken)

Dit artikel bepaalt dat de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a. het waarborgen van de veiligheid,

  • b. het beschermen van de gezondheid, en

  • c. duurzaamheid en bruikbaarheid.

Deze regels zijn uitputtend bedoeld. Gemeenten kunnen alleen eigen regels (of voorschriften) stellen voor zover de relevante maatwerkartikelen in dit besluit dat expliciet mogelijk maken. De mogelijkheden daarvoor zijn te vinden in artikel 3.7. Er wordt op gewezen dat op gemeenten grond van deze artikelen bij bestaande bouw alleen maatwerkvoorschriften (op individuele gevallen gerichte eisen) en geen maatwerkregels kunnen stellen (in het omgevingsplan opgenomen algemene eisen.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de titel van een aantal afdelingen van hoofdstuk 3 van dit besluit overeenkomt met een in dit artikel genoemd oogmerk. In deze afdelingen kunnen echter ook eisen zijn gesteld met een ander in artikel 3.2 bedoeld oogmerk. Ook de eisen van de afdelingen toegankelijkheid en bouwwerkinstallaties zijn gebaseerd op één of meer van de in artikel 3.2 bedoelde oogmerken.

De toegankelijkheidseisen zijn bijvoorbeeld hoofdzakelijk uit het oogpunt van bruikbaarheid gestelde eisen.

Artikel 3.3 (toepassingsbereik: normadressaat)

Op grond van dit artikel moet aan de regels van dit hoofdstuk worden voldaan door de eigenaar van het bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk.

Deze verplichting houdt ook in, dat bijvoorbeeld de eigenaar er voor zorgt, dat eventuele werknemers of andere bedrijven die binnen de activiteit in opdracht deelactiviteiten uitvoeren de regels naleven. Dat geldt ook voor eventuele regels die als maatwerkvoorschrift over de activiteit zijn gesteld, en voor het bij de activiteit eventueel gebruiken van een gelijkwaardige maatregel.

Artikel 3.4 (toepassingsbereik: aansturingsartikel niet van toepassing)

Met de aansturingstabel wordt bepaald met welke regels bij een bepaalde gebruiksfunctie aan het aansturingsartikel kan worden voldaan. In die gevallen waarin er in een paragraaf voor een bepaalde gebruiksfunctie geen regels zijn aangewezen zalis het in de meeste gevallen niet nodig zijn om aan het aansturingsartikel te voldoen. In andere gevallen moet ondanks het ontbreken van regels voor een bepaalde gebruiksfunctie toch aan de functionele eis van het aansturingsartikel worden voldaan. Onder het Bouwbesluit 2012 volgde dat onderscheid uit het zogenoemde derde lid in het aansturingsartikel. Als in het aansturingsartikel in een paragraaf een derde lid was opgenomen, dan gold de functionele eis van het eerste lid niet voor die gebruiksfuncties waarvoor geen eisen in de tabel waren opgenomen. In het onderhavige besluit is deze systematiek ongewijzigd. Wel is gekozen voor een verduidelijking door niet meer per paragraaf al dan niet een derde lid in het aansturingsartikel op te nemen, maar in de afdeling algemeen direct duidelijk te maken in welke gevallen het aansturingsartikel niet van toepassing is als er geen regels zijn opgenomen en in welke gevallen wel. Uit de eerste volzin van dit artikel volgt dat het in voorkomende gevallen niet van toepassing zijn van het aansturingsartikel de regel is. Uit de tweede volzin volgt dat deze regel niet geldt bij de tabellen 3.11, 3.30, 3.36, 3.42 en 3.114. Dit betreft 3.11 (constructieve veiligheid), 3.30 (beperking van het ontwikkelen van brand en rook), 3.36(beperking van uitbreiding van brand), 3.42 (verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook) en 3.114 (tijdig vaststellen van brand). Dit betekent dat wanneer uit genoemde tabellen blijkt dat bij een bepaalde gebruiksfunctie in die paragraaf geen regels zijn aangewezen, de functionele eis van het eerste lid van het aansturingsartikel toch geldt. In hoofdstuk 4 is in artikel 4.4 vergelijkbare regel voor de bestaande bouw opgenomen.

Artikel 3.5 (specifieke zorgplicht: bestaande bouwwerken)

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht ten aanzien van de staat van bouwwerken en gevaar voor de gezondheid of veiligheid. Zie voor een algemene uitleg van specifieke zorgplichten afdeling 2.3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting.

Op grond van artikel 1.8 van de wet blijft de algemene zorgplicht buiten toepassing voor zover in dit besluit specifieke regels of een specifieke zorgplicht zijn opgenomen. Dit is het geval bij de staat van bouwwerken. Tezamen met de andere in dit hoofdstuk opgenomen regels vormt de specifieke zorgplicht van dit artikel het kader waaraan bestaande bouwwerken moeten voldoen. Indien een bouwwerk niet voldoet aan een of meerdere regels uit dit hoofdstuk kan het bevoegd gezag handhavend optreden tegen deze situatie.

Uit artikel 3.3 (zie ook de toelichting op dit artikel) volgt al dat de regels in dit hoofdstuk zich richten tot de eigenaar van het bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het bouwwerk. Als inhoudelijke regel in dit hoofdstuk richt deze zorgplicht zich dus alleen tot personen die voldoen aan de omschrijving van de normadressaat in artikel 3.3. Daarnaast volgt uit de tekst van artikel 3.5 zelf de verdere afbakening dat alleen iemand die binnen de omschrijving van de normadressaat valt en die weet of zou kunnen weten dat er gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan zijn, in actie moet komen.

Deze zorgplicht werkt materieel hetzelfde als de zorgplicht die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet was opgenomen in artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet. Deze zorgplicht had een breder toepassingsbereik en ging ook over open erven en terreinen. In artikel 3.5 is de reikwijdte van de zorgplicht beperkt tot de staat van bestaande bouwwerken (open erven en terreinen vallen buiten de reikwijdte van dit besluit). Vanuit de handhavingspraktijk is behoefte aan een vangnet in de vorm van de zorgplicht omdat niet alle denkbare situaties vooraf in regelgeving kunnen worden ondervangen. Daarnaast zou dit ook het streven naar deregulering en vereenvoudiging van de bouwregelgeving frustreren.

Een tweetal voorbeelden van een situatie waarin het bevoegd gezag bij de handhaving een beroep op de zorgplicht kan doen zijn:

  • Er bestaat een reëel gevaar dat materiaal van een gebouw naar beneden kan vallen, bijvoorbeeld glas, tegels of gevelplaten. Ongeacht de vraag of er specifieke eisen van toepassing zijn die betrekking hebben op de hechtheid van materialen, zal de normadressaat de onveilige situatie ook voor de rest van het gebouw moeten aanpakken op grond van de zorgplicht. Het bevoegd gezag kan op grond van de zorgplicht optreden tegen situaties waarin sprake is van een (dreigend) gevaar voor de gezondheid of veiligheid, ook indien daarbij (nog) geen sprake is van strijd met andere bij of krachtens de Omgevingswet gegeven voorschriften. Het bevoegd gezag zal in een dergelijk geval de normadressaat net als voorheen op basis van het eerste lid van artikel 1a van de Woningwet gemotiveerd kunnen aanspreken.

  • In een gebouw ontbreken sanitaire voorzieningen (waarvoor geen aansluitplicht meer bestaat). Als hierdoor een zodanige situatie ontstaat dat er gevaar voor de gezondheid is, moet de normadressaat dit oplossen. Doet hij dit niet, dan kan hij daar op grond van de onderhavige zorgplicht op aangesproken worden en gedwongen worden om de situatie te beëindigen en niet te laten voortduren door dergelijke voorzieningen alsnog aan te brengen.

Opgemerkt wordt dat het bevoegd gezag bij de handhaving zoveel mogelijk geobjectiveerde maatregelen oplegt aan de hand van hetgeen in een bepaald geval vereist is om geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid te laten ontstaan of voortduren. Zo mag in het bovenstaande eerste voorbeeld opgelegd worden dat de tegels worden verwijderd of voldoende stevig worden bevestigd zodat er geen gevaar meer kan bestaat. Op grond van artikel 3.5 kan het bevoegd gezag niet eisen dat een geheel nieuwe muur van een ander materiaal wordt opgetrokken die ook beter in de omgeving past.

Als de zorgplicht wordt overtreden en een onveilige situatie ontstaat kan het bevoegd gezag hier handhavend tegen optreden. Daarbij maakt het niet uit of de situatie ontstaan is door actief handelen of nalaten, of dat de situatie al bestond. Het laten voortduren van een bestaande gevaarlijke situatie (ongeacht wie deze situatie in eerste instantie heeft laten doen ontstaan) is namelijk ook een overtreding van de zorgplicht. De zorgplicht als bedoeld in dit artikel kan zowel bestuurs- als strafrechtelijk gehandhaafd worden. Strafrechtelijke handhaving is uiteraard enkel mogelijk als de gedraging ook strafbaar is gesteld. Zie ook onderdeel 5.3 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 3.6 (onderzoeksplicht)

Het eerste lid van dit artikel bevat een onderzoeksplicht voor bij ministeriële regeling aangewezen categorieën bouwwerken waarvan redelijkerwijs is komen vast te staan dat die een gevaar voor de gezondheid of veiligheid kunnen opleveren. In een dergelijk geval is de eigenaar van het bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk (de normadressaat) verplicht onderzoek te doen of te laten uitvoeren naar de staat van dat bouwwerk. Als uit het onderzoek vervolgens blijkt dat de staat van het bouwwerk niet aan de eisen van dit hoofdstuk voldoet, dan moet de normadressaat het bouwwerk alsnog op het vereiste niveau brengen. Ook de kosten van het onderzoek moeten door hem worden gedragen. Het achterwege laten van dit onderzoek of het niet of niet tijdig treffen van de noodzakelijke voorzieningen is een overtreding waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden door het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Op grond van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is de toezichthouder bevoegd het onderzoeksrapport op te vragen bij de normadressaat en geldt een medewerkingsplicht om hieraan gehoor te geven. Tot de inwerkingtreding van dit besluit was een soortgelijke bevoegdheid tot opleggen van een onderzoeksplicht opgenomen in artikel 1a, derde lid, van de Woningwet. Aanleiding voor de introductie daarvan per 1 januari 2015 was een aantal incidenten zoals het bezwijken van gevelconstructies en galerijvloeren bij oude flatgebouwen, het bezwijken van RVS-ophangconstructies in zwembaden en de branddoorslag bij woningen door onvolkomen brandscheiding in dakconstructies. Het gaat bij de toepassing van de onderzoeksplicht dus om goed af te bakenen categorieën bouwwerken, bijvoorbeeld oude flatgebouwen of zwembaden, waarvan uit onderzoek is gebleken dat evidente veiligheids- of gezondheidsrisico’s aanwezig zijn of kunnen ontstaan.

Het tweede lid wijst erop dat het onderzoek in overeenstemming met de bij ministeriële regeling gestelde eisen moet worden uitgevoerd.

Artikel 3.7 (maatwerkvoorschriften)

Dit artikel maakt het voor het bevoegd gezag mogelijk om in concrete gevallen maatwerkvoorschriften te stellen over de technische staat van een bouwwerk. Het maatwerkinstrument in deze artikelen is vergelijkbaar met de aanschrijving zoals die voorheen mogelijk was op grond van artikel 13 van de Woningwet.

In het eerste lid is bepaald dat maatwerkvoorschriften mogen worden gesteld over de onderwerpen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.7 van dit besluit met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden. Afdeling 3.1 bevat geen inhoudelijke voorschriften, maatwerk over deze afdeling is dus ook niet mogelijk.

Met het tweede lid wordt invulling gegeven aan het eerste lid. In dit lid is bepaald dat het bevoegd gezag in een concreet geval de eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het bouwwerk, de plicht kan opleggen tot het treffen van voorzieningen om de staat van het bouwwerk op een hoger niveau dan het niveau bestaande bouw te brengen maar niet hoger dan het nieuwbouwniveau van hoofdstuk 4. Daarmee wordt het bevoegd gezag een bandbreedte geboden waarbinnen het een keuze moet maken: het technisch kwaliteitsniveau van het bouwwerk dat met het maatwerkvoorschrift moet worden bereikt, moet hoger liggen dan het absolute bodemniveau ‘bestaande bouw’ maar mag niet hoger liggen dan op grond van hoofdstuk 4 bij nieuwbouw van zo’n bouwwerk is vereist. In dat laatste geval is er sprake van een aanschrijving tot nieuwbouwniveau.

Indien een gemeente op grond van hoofdstuk 4 voor nieuwbouw een maatwerkregel in het omgevingsplan heeft opgenomen op grond waarvan lokaal een strengere eis dan die uit hoofdstuk 4 geldt (zie hiervoor de artikelen 4.150 en 4.160 en de toelichting daarop), is het niet mogelijk bij een aanschrijving op grond van artikel 3.7 tot dit strengere niveau aan te schrijven.

Het maatwerkvoorschrift mag alleen gaan over de onderwerpen die in de hoofdstukken 3 en 4 van dit besluit zijn opgenomen. Als over een onderwerp geen concrete regel is gesteld, mag via maatwerk op grond van dit hoofdstuk dus niet alsnog een concrete regel worden gesteld.

Met het derde lid van het artikel is bepaald dat in afwijking van de in het tweede lid beschreven algemene maatwerkmogelijkheden in dit hoofdstuk ook enkele specifiek afgebakende maatwerkmogelijkheden zijn opgenomen. Deze specifieke maatwerkmogelijkheden zijn te vinden in artikelen 3.86 over energiebesparende maatregelen, 3.130 over de brandweeringang en 3.132 over de mobiele communicatie hulpverleningsdiensten. In die artikelen is precies aangegeven wat het bevoegd gezag daarover zelf mag regelen.

Afdeling 3.2 Veiligheid
§ 3.2.1 Constructieve veiligheid
Artikel 3.8 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid bepaalt dat een bouwwerk bestand moet zijn tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend. Een bouwwerk moet bestand zijn tegen de krachten (belastingen) die horen bij dit gebruik. Met ‘bestand zijn tegen’ wordt bedoeld dat het bouwwerk voldoende sterk moet zijn zodat gedeeltelijk of gehele instorten bij het beoogde gebruik niet aannemelijk is.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.9 (fundamentele belastingscombinaties)

Het doel van dit artikel is te waarborgen dat een bouwconstructie gedurende de restlevensduur (duurzaam) bestand is tegen de krachten die op die bouwconstructie werken. De minimum restlevensduur, zoals beschreven in NEN 8700, is voor bestaande bouw 1 jaar. Een bestaande constructie moet gedurende ten minste een 1 jaar te gebruiken zijn voor het beoogde doel, rekening houdend met het voorziene onderhoud, maar zonder dat ingrijpend herstel nodig is.

De fundamentele belastingcombinaties zijn combinaties van nader aangegeven gelijktijdig optredende permanente en veranderlijke belastingen. Permanente belastingen zijn bijvoorbeeld het eigen gewicht van een constructie. Voorbeelden van veranderlijke belastingen zijn belastingen door meubilair, machines en personen.

Artikel 3.10 (bepalingsmethode niet-bezwijken)

Dit artikel bevat de bepalingsmethoden waarmee kan worden nagegaan of het bouwwerk voldoet aan het gestelde in de artikel 3.9.

Het eerste lid van dit artikel verwijst naar NEN 8700 als bepalingsmethode. NEN 8700 bevat de grondslagen van de beoordeling van de constructieve veiligheid van bestaande bouwwerken en is gebaseerd op de Eurocodes. Deze norm kan worden gezien als aanvulling voor bestaande bouw op NEN-EN 1990 met bijbehorende nationale bijlage en de daaraan verbonden andere normen in de Eurocodereeks (NEN-EN 1991-1 tot en met NEN-EN 1991-7).

De NEN 8700 verwijst door naar de rekennormen van de Eurocodereeks (NEN-EN 1991-1 tot en met NEN-EN 1991-7). Zo kan per bouwmateriaal worden bepaald hoe de op een bouwconstructie aangrijpende krachten daarin doorwerken wat betreft momenten, normaal en dwarskrachten en spanningen. Deze doorwerking, die ook afhankelijk is van de stijfheid van de bouwconstructie, wordt respons genoemd. Voorts bevatten deze normen rekenregels waarmee kan worden bepaald welke maximale momenten, normaal of dwarskrachten en spanningen of combinaties daarvan in de bouwconstructie kunnen worden opgenomen. Met deze rekenregels wordt de zogenoemde capaciteit van een bouwconstructie bepaald. Wanneer de aldus bepaalde respons groter is dan de capaciteit, is er sprake van het overschrijden van een uiterste grenstoestand.

Het tweede lid geeft een regel voor een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen woonfunctie (woning) en van een logiesfunctie (vakantiewoning of -huisje). In dergelijke gevallen mag rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorzieningen van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort. Dit betekent dat bij de beoordeling van de standzekerheid van een rijtjeswoning of een geschakelde vakantiewoning rekening mag worden gehouden met bijvoorbeeld het windverband (specifieke stabiliteitsvoorziening) van een belendende woning of logiesfunctie. Bij alle andere gebruiksfuncties moet aan alle eisen die aan de stabiliteit worden gesteld, zelfstandig (binnen de grenzen van het eigen perceel) worden voldaan.

§ 3.2.2 Constructieve veiligheid bij brand
Artikel 3.11 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een bouwwerk bestand moet zijn tegen brand zodat er geen sprake zal zijn van het bezwijken van een instorting die een gevaar oplevert voor het vluchten of de hulpverlening bij brand gedurende een redelijke tijd. Welke tijdsduur redelijk is, is tot uitdrukking gebracht in artikel 3.12 bedoelde ‘tijdsduur niet-bezwijken’. Bij bestaande bouw is uitgegaan van een kortere redelijke tijd dan bij nieuwbouw, om verworven rechten uit het verleden niet aan te tasten. Het is echter niet zo dat men de oorspronkelijke sterkte bij brand van een bouwwerk ongehinderd tot het in deze paragraaf gegeven niveau voor bestaande bouw mag laten teruglopen. Zowel artikel 5.4 (verbouw) als 6.17 (behandeling constructieonderdeel) zien toe op het behoud van het rechtens verkregen niveau. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.12 (tijdsduur niet-bezwijken)

Dit artikel bevat de eisen over de tijdsduur van bezwijken van bouwconstructies in het geval van brand. Uitgangspunt hierbij is dat het sub- of brandcompartiment waarin een brand heerst mag bezwijken, zolang dit binnen een bepaalde tijdsduur maar niet leidt tot het bezwijken van bouwconstructies buiten dit sub- of brandcompartiment. Het gaat om het voorkomen van voortschrijdende instorting: er bezwijkt een bouwconstructie door brand en als gevolg daarvan bezwijken andere bouwconstructies, bijvoorbeeld omdat zij afhankelijk zijn van de draagkracht van deze bouwconstructie. Met het door hitte bezwijken van glazen ramen boven het brandende compartiment behoeft hier geen rekening te worden gehouden.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het niet bezwijken bij brand ook een rol kan spelen bij een gelijkwaardige maatregel voor een brandcompartiment met een grotere gebruiksoppervlakte dan de maximale oppervlakte van een brandcompartiment als bedoeld in artikel 3.38. In dat licht kan het als onderdeel van de gelijkwaardige maatregel nodig zijn, wel rekening te houden met het bezwijken van een bouwconstructieonderdeel bij een brand in het brandcompartiment waarin die bouwconstructie ligt. Verder wordt opgemerkt dat bij de bouwconstructie van een scheidingsconstructie met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag de sterkte bij brand een belangrijke rol speelt om te voldoen aan die weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (artikelen 3.40 en 3.47). Het spreekt voor zich dat het bezwijken van zo’n constructieonderdeel niet mag leiden tot het te vroeg verloren gaan van de brandwerende eigenschappen van die constructie.

Het eerste lid geeft een regel voor een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een beschermde route voert. Die regel heeft betrekking op de bescherming van vluchtroutes. Bij brand in een subbrandcompartiment mogen de vluchtroutes buiten dit subbrandcompartiment niet binnen 20 minuten bezwijken. Met die regel is beoogd dat vluchtroutes die nog niet onbruikbaar zijn geworden door rook en/of vuur, ook niet onbruikbaar worden als gevolg van het bezwijken van een vloer, trap of hellingbaan onder of boven de vluchtroute. Een vluchtroute die binnen het subbrandcompartiment ligt waarin de brand is mag wel onbruikbaar worden als gevolg van bezwijken bij die brand omdat deze vluchtroute eerder onbruikbaar zal zijn door rook en vuur dan dat deze door de hitte bezwijkt.

Uit de in het tweede lid aangewezen tabel 3.12a volgt gedurende welke tijd een bouwconstructie van een woonfunctie bij brand niet mag bezwijken. Het gaat hier om een brand in een ander brandcompartiment dan waarin de woonfunctie ligt en de effecten van die brand op de bouwconstructies van die woonfunctie. De bouwconstructie van een aan het brandcompartiment met brand grenzend subbrandcompartiment (woning) of grenzende buitenruimte (balkon) hoeft niet te voldoen aan de uit de tabel volgende tijdsduur dat de constructie niet mag bezwijken. Uit tabel 3.12a volgt dat de tijdsduur tot het bezwijken 30 of 60 minuten is, afhankelijk van de hoogte van de vloeren van een woonfunctie. De gebruiksfunctie en de hoogte van de vloeren van het brandcompartiment waar de brand wordt verondersteld is hierbij niet relevant.

Het derde lid bevat een eis voor utiliteitsgebouwen waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau. De brandwerendheid met betrekking tot bezwijken moet voor die bouwwerken ten minste 30 minuten bedragen. Het gaat hier niet om de hoogte waarop de brand in het bouwwerk kan ontstaan maar om de hoogste vloer van enig verblijfsgebied van de gebruiksfunctie waarop die regel van toepassing is.

Het vierde lid stelt eisen aan verblijfsgebieden in de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie met bedgebied en logiesverblijven. Ook hier gaat het niet om de hoogte waarop de brand kan ontstaan maar om de hoogste vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie waarvoor de regel geldt.

Hoewel de eisen in artikel 3.12, eerste tot en met vierde lid, worden gesteld aan de te beschermen bouwconstructies buiten het compartiment waar de brand is, wordt de eis impliciet gesteld aan de bouwconstructies van het brandende compartiment zelf. De te beschermen bouwconstructie zelf worden namelijk niet belast door brand. In de praktijk wordt daarom de sterkte bij brand van de bouwconstructies van het brandende compartiment berekend. Als deze bouwconstructies gedurende de geëiste tijdsduur niet bezwijken, dan zal ook een te beschermen bouwconstructie buiten het compartiment niet (voortschrijdend) bezwijken.

Het vijfde lid geeft aan dat de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m ten minste 30 minuten moet bedragen. Voor zover de tunnel onder open water ligt is deze periode 60 minuten. Als bij brand een gedeelte van een tunnelbuis dat onder open water ligt bezwijkt, bestaat het gevaar dat de gehele tunnelbuis in korte tijd onder water komt te staan. Daardoor kunnen vluchtenden en hulpverleners, ook in gedeelten van de tunnel die niet direct door de brand worden bedreigd, in een levensbedreigende situatie komen. Om dit te voorkomen zal de bouwconstructie van het deel van de tunnel dat onder open water ligt gedurende langere tijd niet mogen bezwijken. Met open water wordt hier een rivier, waterbekken, zeearm, kanaal, meer of daarmee in verbinding staand water bedoeld, waardoor een vrijwel onbeperkte hoeveelheid water kan toestromen. Zou de tunnelwand bezwijken, dan is het noodzakelijk om de waterkerende functie te herstellen voordat de tunnel kan worden drooggepompt. Dit is in een tunnel die vol water staat een tijdrovende en kostbare aangelegenheid. Ook daarom is een langere periode van brandwerendheid met betrekking tot bezwijken hier zinvol.

Het zesde lid heeft betrekking op bouwwerken die geen gebouw zijn. Dit kan uiteen lopen van bruggen tot tribunes en zendmasten. De brandwerendheid met betrekking tot bezwijken moet afhankelijk van het soort bouwwerk en het gebruik daarvan zodanig zijn dat het bouwwerk bij brand kan worden verlaten en doorzocht. Dit zal van geval tot geval sterk kunnen verschillen. Om die reden is hier volstaan met een functionele eis. Bij een vergunningplichtig bouwwerk kan er van uit worden gegaan dat aan deze functionele eis gevolg is gegeven als het bouwwerk of onderdeel daarvan volgens de destijds verleende vergunning is gebouwd. Bij een vergunningsvrij bouwwerk is invulling van deze functionele eis aan de eigenaar van het bouwwerk en kan bevoegd gezag hierop toezien en handhaven. De gemeente kan daarbij van de eigenaar geen bewijsstukken verlangen over het voldoen aan de functionele eis.

Artikel 3.13 (bepalingsmethode niet-bezwijken)

Dit artikel bevat de bepalingsmethoden waarmee kan worden nagegaan of het bouwwerk voldoet aan het gestelde in de artikel 3.12.

Het eerste lid van dit artikel verwijst naar NEN 8700 op basis waarvan de buitengewone belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand kunnen worden vastgesteld. Het tweede lid geeft aan welke normen worden toegepast bij de toetsing op de tijdsduur voor bezwijken. Deze bepaling kan rekenkundig met NEN 8700 of door middel van beproeving volgens NEN 6069. Voor de rekenkundige bepaling verwijst de NEN 8700 door naar de Eurocode reeks zoals toegelicht bij artikel 3.10.

§ 3.2.3 Afscheiding aan de rand van een vloer, trap of hellingbaan

Deze paragraaf bevat de regels voor vloerafscheidingen, trapafscheidingen en afscheidingen van hellingbanen (ook een soort vloer). In deze paragraaf zijn de regels over afscheidingen uit paragraaf 2.3.2 van het Bouwbesluit 2012 overgenomen.

Het doel van deze regels is te voorkomen dat mensen van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan kunnen vallen. In de praktijk worden daarom bijvoorbeeld balustrades, hekken of borstweringen geplaatst. Deze paragraaf geeft de regels waaraan dergelijke afscheidingen moeten voldoen.

Deze eisen aan een afscheiding aan de rand van een vloer of trap wijken af van regelgeving op grond van de machinerichtlijn (NEN-EN-ISO 14122). Als op een bouwwerk of een deel daarvan ook dergelijke regelgeving van toepassing is gaan die regels boven de regels in dit besluit. Deze rangorde vloeit voort uit artikel 2.9 van dit besluit. Dit betekent in de praktijk bijvoorbeeld dat de regels van dit besluit niet van toepassing zijn op een hekwerk als onderdeel van een beweegbare brug waarop ook een in artikel 2.9 genoemd besluit van toepassing is. Wordt dat zelfde hekje echter geplaatst als afscheiding aan de rand van een dak, dan zijn op dat hekje niet de eisen op grond van de machinerichtlijn van toepassing maar van dit besluit.

Artikel 3.14 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van een vloer, trap en een hellingbaan door personen, zo veel mogelijk wordt voorkomen. De toevoeging door personen is geplaatst om het misverstand weg te nemen dat de eisen van deze paragraaf ook bestemd zouden zijn voor het voorkomen van het van een vloer of hellingbaan vallen van voertuigen. De veiligheid voor voertuigen vraagt echter om bijzondere maatregelen die buiten de reikwijdte van dit besluit vallen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.15 (aanwezigheid)

Het doel van dit artikel is aan te geven in welke situaties er voorzieningen aan de rand van een vloer, trap of hellingbaan nodig zijn.

Het eerste lid geeft de basisregel voor een vloerafscheiding bij een hoogteverschil tussen de rand van een voor personen bestemde vloer en de aangrenzende vloer, terrein of water. Als het hoogteverschil niet groter is dan 1,5 m kan bij bestaande situaties niet worden verlangd alsnog een vloerafscheiding aan te brengen. Bij een valhoogte minder dan 1,5 m, is het risico zodanig dat hiervoor in principe geen algemene regels nodig zijn.

Het tweede lid geeft een soortgelijke regel voor een trapafscheiding aan de zijkant van een trap. De zijkanten van een trap moeten evenals de randen van een vloer zijn voorzien van een afscheiding. Het zou voor bestaande situaties te ver voeren zo’n afscheiding te verlangen voor een lage trap van bijvoorbeeld zes treden. Daarom is de grens gelegd bij een hoogteverschil van ten minste 1,5 m. Bij trappen die hoger zijn en dus moeten zijn voorzien van een trapafscheiding is het niet nodig een afscheiding te hebben bij de onderste meter van de trap. Het zinsdeel ‘niet-beweegbare’ is voor bestaande bouw geschrapt waarmee de eisen voor trap- en hellingbaanafscheidingen in overeenstemming zijn gebracht met de eis aan een vloerafscheiding.

Het derde lid regelt hetzelfde voor een hellingbaan.

Het vierde lid benadrukt dat daar waar een vloer aansluit op de bovenzijde van een trap of hellingbaan er geen vloerafscheiding behoeft te zijn.

In het vijfde lid is aangegeven in welke situaties er, ongeacht het hoogteverschil met de aangrenzende vloer, het terrein of het water geen vloerafscheiding nodig is. Voorbeelden hiervan zijn een podium en een laadperron.

Artikel 3.16 (hoogte)

De algemene eis voor de minimale hoogte van een vereiste vloerafscheiding bedraagt krachtens het eerste lid 0,9 m. Deze hoogte moet worden gemeten vanaf de bovenkant van de bouwkundige vloer. De hoogte van een eventueel daarop aangebrachte aankleding, zoals parket, vloertegels, tapijt of een andere vloerbedekking mag daarbij buiten beschouwing worden gelaten.

Het tweede lid bevat in afwijking van de voorgaande leden een lagere minimumeis (0,6 m) voor afscheidingen (borstweringen) ter plaatse van een raam. De reden hiervoor is dat een raam een zekere bescherming biedt tegen vallen. Bij een raam moet altijd een vaste vloerafscheiding aanwezig zijn met een hoogte van ten minste 0,6 m. Dit geldt zowel voor een te openen als een niet te openen raam.

Het moeten hebben van een vaste borstwering geldt niet voor een raam op de begane grond, indien het hoogteverschil met het aansluitende terrein kleiner is dan 1,5 m. (zie artikel 3.15, eerste lid).

Op grond van het derde lid kan met een hoogte van 60 cm worden volstaan, indien de hoogte en de breedte van de afscheiding opgeteld ten minste 100 cm zijn. Dit betekent dat de afscheiding in dit geval een breedte van ten minste 40 cm moet hebben. De minimale som van 100 cm voor breedte en hoogte geeft uitgaande van een rechtmatig tot stand gekomen bestaande situatie voldoende waarborg dat iemand die tegen de afscheiding valt niet daaroverheen slaat. Deze regel sluit aan op bestaande voorzieningen in theaters en sporthallen. Het alsnog moeten verhogen zou kunnen leiden tot een onevenredige vergroting van de hinder voor het uitzicht van het publiek.

Het vierde lid heeft betrekking op de hoogte van de afscheiding naast een trap of een hellingbaan en schrijft een minimum hoogte voor van 0,60 m. Bij een trap moet de hoogte worden gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken en bij een hellingbaan net als bij een reguliere vloer, de hoogte boven de vloer.

Artikel 3.17 (openingen)

Dit artikel heeft betrekking op openingen in de voorgeschreven afscheiding zelf.

Het eerste lid geeft de basiseis voor de openingen in een afscheiding die zijn toegestaan in de eerste 60 cm boven de vloer. De toelaatbare opening kan eenvoudig worden bepaald aan de hand van een bol met de in de tabel opgenomen doorsnede. Als die bol door de opening past, dan is de opening te groot. Ligt een opening boven de 0,6 m dan wordt geen maximum gesteld aan de omvang van die opening.

Een vloerafscheiding mag volgens het tweede lid zijwaarts op enige afstand van de rand van de vloer zijn geplaatst. De opening tussen de rand van de vloer en de afscheiding mag niet groter zijn dan 10 cm om het risico te beperken dat mensen door zo’n opening vallen of erin bekneld raken.

§ 3.2.4 Veilig overbruggen van hoogteverschillen

De eisen voor het overbruggen van hoogteverschillen gelden alleen voor hoogteverschillen op een vluchtroute. Aan hoogteverschillen op andere routes worden geen eisen gesteld. Door de eisen aan het overbruggen van hoogteverschillen te verbinden aan vluchtroutes is gewaarborgd dat vanuit elk voor personen bestemd punt in een bouwwerk er altijd ten minste een route is waarbij eventuele hoogteverschillen op een verantwoorde wijze kunnen worden overbrugd.

Artikel 3.18 (aansturingsartikel)

Deze paragraaf heeft betrekking op het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

Uit het eerste lid volgt dat het gaat om het overbruggen van hoogteverschillen voor personen en niet om bijvoorbeeld een hellingbaan voor bijvoorbeeld fietsen en auto’s. Hoewel de regels in dit besluit zijn gesteld met het oog op personen en niet op dieren, zal in de regel een route of vluchtroute die geschikt is voor personen ook begaanbaar zijn voor een hulphond.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 3.19 (voorziening bij hoogteverschil)

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat hoogteverschillen die groter zijn dan 0,22 m moeten worden overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Een vaste trap is een trap die permanent is bevestigd en zodoende ook altijd direct beschikbaar en bruikbaar is. Het overbruggen van grotere hoogteverschillen op een vluchtroute zonder goed begaanbare vaste trap of hellingbaan geeft een te groot risico.

De regel geldt alleen voor hoogteverschillen op vluchtroutes. De regel geldt niet voor routes vanuit niet voor personen bestemde vloeren zoals kruipruimten, bergzolders en vlieringen. Als in dergelijke gevallen toch een trap of een hellingbaan wordt gemaakt, dan hoeft die niet te voldoen aan de regels van deze paragraaf.

In wegtunnels moeten, evenals bij gebouwen, hoogteverschillen van meer dan 22 cm zijn overbrugd door een trap of hellingbaan. In afwijking van dit eerste lid is in het tweede lid bepaald dat op de vluchtroute in de wegtunnelbuis hoogteverschillen van ten hoogste 30 cm zijn toegestaan zonder trap of hellingbaan. Die regel is opgenomen om te voorkomen dat randen naast de weg lager moeten zijn dan uit oogpunt van verkeersveiligheid verantwoord is.

Artikel 3.20 (afmetingen trap)

In dit artikel wordt voor minimale eisen aan de afmetingen van een voorgeschreven trap (een trap als bedoeld in artikel 3.19) verwezen naar tabel 3.20 (afmetingen van een trap).

Uit de verwijzing naar artikel 3.19 volgt dat deze eisen niet van toepassing zijn op een trap waarover niet een vluchtroute als bedoeld in artikel 3.49 voert. Dus een extra trap of een trap naar niet voor personen bestemde vloeren zoals de vloer van bijvoorbeeld een technische ruimte, een kruipruimte, een bergzolder, een vliering of een lichte industriefunctie behoeft niet aan deze afmetingseisen te voldoen.

Artikel 3.21 (trapbordes)

Artikel 3.21 geeft de afmetingseisen voor een trapbordes. Dit betekent dat in ieder geval aan de bovenzijde van een voorgeschreven trap een vloer moet zijn die aansluit over de volle breedte van de trap en een diepte (loopafstand) heeft van ten minste 0,7 m. Een bordes kan ook worden gebruikt om een te lange trap te splitsen in twee afzonderlijke trappen.

Een trapbordes is op zich geen onderdeel van de trap maar een vloer waarover een in artikel 3.59 (inrichting vluchtroute: vrije doorgang) bedoelde vluchtroute voert en dient de in dat artikel voorgeschreven hoogte boven de vloer te hebben.

Artikel 3.22 (leuning)

Elke volgens artikel 3.19 voorgeschreven trap waarmee een hoogteverschil van meer dan 1,5 m wordt overbrugd moet, als de hellingshoek van die trap groter is dan 2:3 aan ten minste één zijde van de trap een leuning hebben. Die leuning van een bestaande trap moet beginnen boven de trede op 1,5 m boven de aan de onderste traptrede grenzende vloer en doorlopen tot en met de bovenste traptrede.

De leuning kan onderdeel zijn van of zijn aangebracht op een in artikel 3.15 bedoelde vloerafscheiding. Bij het bepalen van de breedte van de trap mag de leuning buiten beschouwing worden gelaten, voor zover deze geen onderdeel is van de vloerafscheiding.

Artikel 3.23 (afmetingen hellingbaan)

Dit artikel stelt eisen aan de breedte en de hellingshoek van een voorgeschreven hellingbaan. De hellingshoek van een bestaande hellingbaan mag niet groter zijn dan 1:10 en de breedte niet kleiner dan 0,7. Een hellingbaanvloer waarover een vluchtroute voert is ook een onder een hellingshoek geplaatste vloer waarover een in artikel 3.59 (inrichting vluchtroute: vrije doorgang), bedoelde vluchtroute voert en moet daarom een in dat artikel voorgeschreven hoogte boven de vloer hebben.

Artikel 3.24 (hellingbaanbordes)

Artikel 3.24 geeft de afmetingseisen voor een hellingbaanbordes. Dit betekent dat in ieder geval aan de bovenzijde van een voorgeschreven hellingbaan een vloer moet zijn die aansluit over de volle breedte van de trap en een diepte (loopafstand) heeft van ten minste 0,7 m. Een bordes kan ook worden gebruikt om een te lange hellingbaan te splitsen in twee afzonderlijke hellingbanen.

Een hellingbaanbordes is op zich geen onderdeel van de hellingbaan maar wel een vloer waarover een in artikel 3.59 (inrichting vluchtroute: vrije doorgang) bedoelde vluchtroute voert en dient, net als de hellingbaanvloer, de in dat artikel voorgeschreven hoogte boven de vloer te hebben.

§ 3.2.5 Beweegbare constructieonderdelen
Artikel 3.25 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, geeft aan dat een bouwwerk zodanige beweegbare constructieonderdelen moet hebben dat deze geen hinder veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden voor alle gebruiksfuncties, daarom is in deze paragraaf geen tabel nodig.

Artikel 3.26 (beweegbaar constructieonderdeel: gevarenzone)

Met het eerste lid wordt beoogd te voorkomen dat beweegbare onderdelen van bouwwerken, zoals ramen, deuren en luiken, gevaar opleveren voor voorbijgangers en langskomend verkeer.

De regel heeft betrekking op beweegbare constructieonderdelen in gevels van bouwwerken die aan een weg grenzen. In zo’n gevel mogen zich tot de aangegeven hoogte slechts naar binnen draaiende deuren of ramen, dan wel schuifdeuren of schuiframen bevinden. De hoogtegrens van 4,2 m heeft betrekking op situaties waarin een bouwwerk onmiddellijk grenst aan een weg waar auto’s mogen komen met inbegrip van parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en dergelijke.

Het tweede lid maakt een uitzondering op de regels van dit artikel voor de deur van een technische ruimte bijvoorbeeld een meterkast of een kleine stookruimte met een vloeroppervlakte van 0,5 m2 of kleiner. Dergelijke deuren vormen in de regel geen probleem omdat zij nooit van binnen uit zullen worden geopend.

§ 3.2.6 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
Artikel 3.27 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een bouwwerk zodanig moet zijn dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Omdat de regels van deze paragraaf voor alle gebruiksfuncties gelden is geen tabel opgenomen.

Artikel 3.28 (stookplaats)

In dit artikel worden eisen gesteld aan het brandgedrag van materiaal ter plaatse van en nabij een stookplaats. Hiermee wordt voorkomen dat er bij een stookplaats brand ontstaat.

Hoewel het eerste lid betrekking heeft op elke stookplaats zal de in dit lid genoemde intensiteit van de warmtestraling en hoge temperatuur in de praktijk alleen voorkomen bij een open haard.

Buiten de vuurhaard (stookplaats) zelf mogen materialen niet spontaan tot ontbranding komen als gevolg van warmtestraling of hoge temperatuur. Om een dergelijke zelfontbranding te voorkomen moeten de in de nabijheid van een onbeschermde verbrandingsbron toegepaste materialen onbrandbaar bepaald volgens NEN 6064.

Het tweede lid geeft aan dat in plaats van onbrandbaar bepaald volgens NEN 6064 ook mag worden uitgegaan van de corresponderende volgens NEN-EN 13501-1 bepaalde brandklasse A1 of A1fl.

Artikel 3.29 (rookgasafvoer)

Een afvoervoorziening voor rookgas, zoals een schoorsteen, mag niet de oorzaak zijn van het ontstaan van brand. Daarom moet materiaal dat door het gebruik van de rookgasafvoervoorziening heter kan worden dan 90 °C voldoen aan brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1, of onbrandbaar zijn volgens NEN 6064. Welke temperatuur in het materiaal optreedt kan worden bepaald volgens NEN 8062. Bij het bepalen van de brandveiligheid van de rookgasafvoervoorziening worden gedurende een zekere tijd rookgassen met een bepaald vermogen en temperatuur ingeblazen waarbij gedurende de duur van de proef op verschillende plaatsen aan het oppervlak van brandbare materialen van de rookgasafvoervoorziening en ter plaatse van materialen in de nabijheid van die voorziening de temperatuur wordt gemeten. Uiteraard kan met een beroep op gelijkwaardigheid ook op andere wijze worden aangetoond dat de brandveiligheid is gewaarborgd.

Het tweede lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op een samenstel van een afvoervoorziening voor rook en materiaal in de nabijheid daarvan dat voldoet aan NEN 6062. Daarbij speelt naast de rookgastemperatuur en de kwaliteit van het rookgaskanaal ook de afstand tot het in de nabijheid aanwezige materiaal een rol. Het tweede lid sluit aan op de specificaties van een rookgasafvoer met CE markering (zie ook de toelichting op artikel 4.40).

De eis aan de minimale afstand tussen de uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas van een op vaste brandstof gestookt toestel en een brandgevaarlijk dak, artikel 2.59, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012, is niet meer in dit besluit opgenomen. Dit betrof namelijk niet een eis aan de rookgasafvoer maar aan het gebruik daarvan. Leidt een op de rookgasafvoer aangesloten open haard of houtkachel tot een risico op brand, bijvoorbeeld omdat in de nabije omgeving een niet geïmpregneerd rietendak is, dan kan op grond van de in artikel 6.4 bedoelde specifieke zorgplicht handhavend worden opgetreden.

§ 3.2.7 Beperking van het ontwikkelen van brand en rook
Artikel 3.30 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een bouwwerk zodanig moet zijn dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op het gedeelte van het te bouwen bouwwerk met die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.31 (binnenoppervlak)

Het eerste lid heeft zowel betrekking op de beperking van de brandvoortplanting als op de beperking van de ontwikkeling van rook in een ruimte. Deze eisen zijn gericht op het voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het binnenoppervlak van constructieonderdelen respectievelijk dat zich snel een te grote rookdichtheid ontwikkelt. Beide aspecten spelen een belangrijke rol bij het veilig kunnen vluchten uit een bouwwerk en het beperken van de ontwikkeling van de omvang van de brand.

Als niet aan deze eisen is voldaan zou voor gebruikers van dat bouwwerk onvoldoende tijd kunnen overblijven om het bouwwerk bij brand veilig te verlaten.

In de tabel is opgenomen aan welke brandklasse voor een bepaalde gebruiksfunctie moet worden voldaan. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen een extra beschermde vluchtroute, een beschermde route en overige ruimten. In alle gevallen mag de rookproductie niet leiden tot een rookdichtheid groter dan 10 m-1. Zowel de brand- als de rookklasse worden voor bestaande bouw bepaald volgens NEN 6066. Daarmee wordt recht gedaan aan het feit dat de bestaande gebouwenvoorraad nog grotendeels op basis van de Nederlandse normen is beoordeeld en gedocumenteerd.

De regels gelden voor die zijden van een constructieonderdeel die grenzen aan de binnenlucht en dus niet noodzakelijkerwijs voor het gehele constructieonderdeel.

Het tweede lid geeft een uitzondering voor een besloten ruimte waardoor een beschermde route voert in een aantal gebruiksfuncties waarin geslapen wordt, waarbij een zwaardere eis voor de maximale rookproductie wordt aangehouden.

In het derde lid is een zwaardere eis opgenomen voor de maximale rookproductie bij een ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert.

Vanwege het extra brandveiligheidsrisico in een cel geeft het vierde lid daarvoor een zwaardere eis voor het beperken van de maximale rookproductie.

Artikel 3.32 (buitenoppervlak)

Artikel 3.32 is wat betreft de beperking van ontwikkeling van brand vergelijkbaar met artikel 3.31. Het artikel stelt echter geen eisen aan de rookklasse, omdat de rookproductie aan de buitenzijde van een gebouw in de regel geen rol speelt bij het veilig kunnen vluchten. De regels van artikel 3.32 gelden voor een zijde die aan de buitenlucht grenst. Als een constructieonderdeel niet met een of meer zijden aan de buitenlucht grenst dan is dit artikel daarop dus niet van toepassing.

Het eerste lid geeft de basisregel waaraan een zijde van een constructieonderdeel dat aan de buitenlucht grenst moet voldoen. In de tabel is afhankelijk van het soort ruimte en de gebruiksfunctie aangegeven aan welke brandklasse in een bepaald geval ten minste moet worden voldaan.

Omdat van deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen, zoals een ventilatierooster, redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat deze voldoen aan een zwaardere brandklasse dan de volgens NEN 6065 bepaalde brandklasse 4, is in het tweede lid bepaald dat bij dergelijke constructieonderdelen kan worden volstaan met deze brandklasse (zie ook te toelichting op artikel 3.35). Het derde lid regelt dat het eerste lid niet van toepassing is op een naar de buitenlucht toegekeerd constructieonderdeel aan de buitenzijde van een bestaand dak. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat op een bestaand dak, in afwijking van de vergelijkbare nieuwbouweis, geen eis geldt ter beperking van het brandgevaar van het dak.

Omdat in het verleden geen eis is gesteld aan de brandklasse van een dak, kan niet van elk bestaand dak, zoals een monumentaal rietendak, worden verlangd dat deze alsnog minder brandgevaarlijk worden gemaakt. Artikel 6.17 stelt eisen aan het onderhoud van een bestaand dak waarop ten tijde van de bouw een nieuwbouweis ter beperking van het brandgevaar van het dak van toepassing was en die beperking is bewerkstelligd met bijvoorbeeld een brandwerende coating of impregnering deze coating en impregnering. Deze bescherming zal in de gebruiksfase van het gebouw adequaat moeten worden onderhouden. Het is aan de eigenaar/gebruiker daar invulling aan te geven en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of daaraan op juiste wijze gevolg is gegeven.

Artikel 3.33 (beloopbaar vlak)

De brandvoortplanting van de bovenzijde van een horizontaal vlak, met inbegrip van flauw hellende vlakken, zoals een vloer, een hellingbaan en de bovenzijde van een trap, wijkt sterk af van die van niet-horizontale vlakken.

Het eerste lid geeft een regel voor dergelijke vlakken die grenzen aan de binnenlucht. Daarom geldt voor dergelijke vlakken in afwijking van artikel 3.31 een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3 en een rookproductie die niet leidt tot een rookdichtheid groter dan 10 m-1. Deze specifieke eisen zijn afgestemd op het feit dat de brandvoortplanting op een horizontaal vlak anders verloopt dan op een verticaal vlak of een vlak aan de onderzijde van een vloer of van een ander constructieonderdeel.

Het tweede lid geeft een soortgelijke regel voor de brandklasse van een bovenzijde van de vloer, de trap of de hellingbaan aan de buitenlucht grenst.

Het derde lid regelt een op het bij een extra beschermde vluchtroute afgestemde zwaardere eis aan brandvoortplanting en beperking van de rookproductie.

Artikel 3.34 (vrijgestelde oppervlakte)

Voor het kunnen toepassen van plinten, stopcontacten en andere kleine constructieonderdelen, zoals lichtarmaturen, brand- en rookmelders, bevat dit artikel een uitzondering op de eisen over de brandvoortplanting en de ontwikkeling van rook. Ook voor bijvoorbeeld kunststofkozijnen kan gebruik van deze uitzondering worden gemaakt. De artikelen 3.31 tot en met 3.33 zijn niet van toepassing op een klein percentage van de oppervlakte opdat de gebruikelijke toepassing van deze kleine vaak kunststoffen constructieonderdelen mogelijk blijft. En deze kleine oppervlakte in de praktijk een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert. Concentratie van de vrijgestelde oppervlakte op één plaats is uiteraard niet de bedoeling.

Het eerste lid, dat op de meeste gebruiksfuncties van toepassing is, gaat uit van 5% per afzonderlijke ruimte.

Het tweede lid, dat alleen voor een bouwwerk geen gebouw zijnde geldt, gaat uit van 5% van de totale oppervlakte aan constructieonderdelen van het bouwwerk.

Artikel 3.35 (toepassing Euroklassen)

Artikel 3.35 biedt de keuzemogelijkheid om ook bij bestaande bouw gebruik te maken van de Europese bepalingsmethoden voor het aspect materiaalgedrag bij brand (reaction to fire). Deze zijn geharmoniseerd in NEN-EN 13501-1. De destijds in het Bouwbesluit 2012 geboden keuzemogelijkheid tussen de Nederlandse normen en de Europese normen is daarmee in stand gehouden. Daarmee is recht gedaan aan het feit dat de bestaande gebouwenvoorraad nog grotendeels op basis van de Nederlandse normen is beoordeeld en gedocumenteerd en aan het feit dat aan de bestaande gebouwenvoorraad gebouwen worden toegevoegd die met toepassing van de geharmoniseerde norm tot stand zijn gekomen.

§ 3.2.8 Beperking van uitbreiding van brand
Algemeen

De kans op een snelle uitbreiding van brand moet voldoende worden beperkt om een eventuele brand in een gebouw beheersbaar te kunnen houden. De belangrijkste bouwkundige voorziening daarbij is de brandcompartimentering. Een brandcompartiment is een gedeelte van een bouwwerk of een groep bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand (zie de toelichting op bijlage I).

In het verleden waren de eisen aan de beperking van uitbreiding van brand lager dan de huidige nieuwbouweisen. Om dit destijds rechtens verkregen niveau niet meer aan te tasten dan redelijkerwijs noodzakelijk kan worden geacht, zijn de eisen bij bestaande bouw lager dan bij nieuwbouw.

De regels van deze paragraaf zijn gericht op het waarborgen van de brandveiligheid bij een bestaand bouwwerk.

Regels gericht op de brandveiligheid bij een activiteit of proces, ook als dat een proces in een bouwwerk plaats vindt, zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving of de krachtens dat besluit gestelde eisen in bijvoorbeeld de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, deel 15 (PGS 15, Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, richtlijn voor opslag en tijdelijke opslag met betrekking tot brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid).

De regels die het Besluit activiteiten leefomgeving aan een activiteit stelt gelden in aanvulling op de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Zo kan het volgens het Besluit activiteiten nodig zijn een brandwerende scheidingsconstructie aan te brengen rondom een activiteit terwijl het onderhavige besluit aan die begrenzing geen eisen stelt. Ook kan het zo zijn dat de krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde weerstand tegen branddoorslag van die brandwerende scheidingsconstructie hoger is. Als de op een specifiek geval van toepassing zijnde besluiten verschillende eisenniveaus geven, is het hoogste niveau van toepassing.

Artikel 3.36 (aansturingsartikel)

Een bouwwerk moet volgens het eerste lid zodanig zijn dat een eventuele brand in dat bouwwerk beheerst kan worden zodat de kans op uitbreiding van die brand naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft. Het gaat daarbij niet om het voorkomen van schade maar wel op het voorkomen van een onbeheersbare brand die zich uitstrekt tot op een of meer op een ander perceel gelegen bouwwerken. Naast het beschermen van bouwwerken op andere percelen ziet de functionele eis ook toe op het vluchten en op de hulpverlening. De brand in een bouwwerk mag zich niet zodanig snel ontwikkelen dat het vluchten of de hulpverlening in gevaar komt, zowel op als buiten het perceel. De functionele eis impliceert dat een bouwwerk geheel mag afbranden zolang de brand maar niet overslaat naar bouwwerken op andere percelen en zolang de personen in het bouwwerk maar veilig kunnen vluchten. Er wordt op gewezen dat de wijzigingen ten opzichte van het vergelijkbare artikel in het Bouwbesluit 2012 ter verduidelijking zijn en geen inhoudelijke consequenties hebben.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op het gedeelte van het te bouwen bouwwerk met die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.37 (brandcompartiment: ligging)

In dit artikel is aangegeven wanneer een ruimte wel of niet in een brandcompartiment moet liggen.

De omvang van het brandcompartiment is geregeld in artikel 3.38 en de eisen waaraan het brandcompartiment moet voldoen (de wering tegen branddoorslag en brandoverslag) in artikel 3.40.

Het eerste lid geeft de basisregel. Iedere besloten ruimte moet in een brandcompartiment liggen. Deze regel geldt niet voor een toiletruimte en een badruimte en ook niet voor een liftschacht en een kleine technische ruimte als deze aan de in onderdeel c) respectievelijk d) genoemde randvoorwaarden voldoet.

In een brandcompartiment kunnen afhankelijk van de feitelijke situatie ook meerdere besloten ruimten liggen. Zo liggen de woonkamer, keuken, slaapkamers en andere ruimten in een woning over het algemeen in hetzelfde brandcompartiment.

Een toiletruimte, een badruimte, een liftschacht en een kleine technische ruimte hoeven niet altijd in een brandcompartiment te liggen maar mogen dat wel. Als de ruimte wel binnen de grenzen van een brandcompartiment ligt, wordt ook de gebruiksoppervlakte van die ruimte tot de gebruiksoppervlakte van het brandcompartiment gerekend. Dit eerste lid geeft de opsomming van ruimten die niet in een brandcompartiment behoeven te liggen, het mag echter wel. Aangenomen mag worden dat in de genoemde ruimten het risico op een onbeheersbare brand verwaarloosbaar is, zodat het niet nodig is dat die ruimte in een brandcompartiment ligt. Ook een liftschacht (onderdeel c) en een technische ruimte (onderdeel d) behoeven als aan de randvoorwaarden in die onderdelen is voldaan niet in een brandcompartiment te liggen.

Opgemerkt wordt dat technische ruimten die niet fysiek van elkaar zijn gescheiden als één geheel moeten worden beschouwd. Dit betekent dat de totale oppervlakte van deze ruimten moet worden opgeteld om te beoordelen of ze buiten een brandcompartiment mogen liggen. Dit geldt voor de ruimtes waar het aan een maximum aan de vloeroppervlakte is gesteld. Is er wel sprake van een fysieke scheiding, dan worden er echter geen eisen gesteld aan de kwaliteit van die fysieke scheiding.

Uit artikel 3.40, eerste lid, volgt dat in het branduitbreidingstraject tussen een brandcompartiment en een andere ruimte, zoals bijvoorbeeld een ander brandcompartiment, een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag moet zijn. Dit geldt ook als er tussen het brandcompartiment en de andere ruimte een ruimte ligt die zelf niet in een brandcompartiment behoeft te liggen. Dit maakt dat het nodig kan zijn ook bij een niet in een brandcompartiment gelegen ruimte een of meer brandwerendescheidingsconstructies te maken. Dit voorkomt dat de brand van het ene brandcompartiment, via die ruimte, in het andere brandcompartiment kan doordringen.

Het tweede lid is gericht op een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m. In aanvulling op het eerste lid is bepaald dat ook een niet-besloten gedeelte van een wegtunnelbuis in een brandcompartiment moet liggen. Een wegtunnelbuis staat per slot van rekening aan twee zijden in open verbinding met de buitenlucht en is daarom nabij de tunnelmond geen besloten ruimte in de zin van dit besluit. Toch mag een wegtunnelbuis niet per definitie worden beschouwd als een niet-besloten ruimte in de zin van dit besluit. Zie ook artikel 3.60, (inrichting vluchtroute: niet-besloten ruimte).

Het derde lid geeft aan dat een ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert nooit in een brandcompartiment mag liggen. Omdat een liftschacht (die aan de randvoorwaarden voldoet) volgens het eerste lid niet in een brandcompartiment hoeft te liggen, is het mogelijk een liftschacht op te nemen in een ruimte waardoor een in het derde lid bedoelde extra beschermde verkeersruimte voert. Het is echter ook mogelijk een liftschacht op te nemen in een brandcompartiment zodat de lift direct op een verblijfsgebied kan aansluiten. Een dergelijke liftschacht behoeft niet te voldoen aan de in het eerste lid, onderdeel c, gegeven voorwaarden voor een buiten een brandcompartiment gelegen lift. De brandveiligheid van een liftkooi, de attributen in een liftschacht en andere onderdelen van een lift wordt geregeld via de Europese richtlijn liften en het Warenwetbesluit liften. De aankleding van de lift en in het bijzonder van de liftkooi zal uiteraard moeten voldoen aan de regels van artikel 6.14 (aankleding).

Het vierde lid regelt voor de industriefunctie en de overige gebruiksfunctie dat ook de niet-besloten gebruiksgebieden in een brandcompartiment moeten liggen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een inpandige houtopslag die vaak, vanwege de voor het conditioneren van het hout wenselijke ventilatie, in een regenwerende maar niet-besloten ruimte ligt.

Het vijfde tot en met zevende lid geven voor een beperkt aantal gebruiksfuncties uitzonderingen op het eerste en vierde lid. De uitzonderingen betreffen nauwkeurig omschreven situaties waarvan mag worden aangenomen dat de kans op het ontstaan van een onbeheersbare brand er betrekkelijk gering is.

Het vijfde lid is van toepassing op een industriefunctie en een overige gebruiksfunctie met een geringe vuurbelasting.

Het zesde lid regelt dat het eerste en vierde lid niet van toepassing zijn op een of meer aangrenzende bouwwerken met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2 (bij de lichte industriefunctie en de overige gebruiksfunctie). Zo hoeft geen rekening gehouden te worden met de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van bijvoorbeeld een schuurtje in de achtertuin. Tegelijkertijd wordt echter voorkomen dat zonder meer een berging of een schuurtje tegen de bebouwing op het aangrenzende perceel kan worden geplaatst of dat een oneindig grote reeks bergingen tegen elkaar kan worden geplaatst zonder dat deze in een brandcompartiment liggen. Ook is hiermee duidelijk dat een berging in een woongebouw in een brandcompartiment moet liggen en dat er altijd een brandscheiding moet zijn tussen de bergingen en het portiek of vluchttrappenhuis. Bij het bepalen van de totale omvang gaat het namelijk om alle bouwwerken (en bouwwerkonderdelen) ongeacht de gebruiksfunctie daarvan, zodat een berging in een woongebouw nooit onder de vrijstelling van het zesde lid kan vallen. De uitzondering voor de lichte industriefunctie en de overige gebruiksfunctie geldt uitsluitend voor zover de totale gebruiksoppervlakte niet groter is dan 100 m2. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de gebruiksoppervlakte van het bouwwerk waarin de gebruiksfunctie zelf ligt maar ook naar aangrenzende bouwwerken, ongeacht de gebruiksfunctie van die aangrenzende bouwwerken. Dit betekent dat wanneer een schuurtje in een rij met een aantal andere schuurtjes staat de totale gebruiksoppervlakte van de rij schuurtjes bepalend is.

Wordt een schuurtje (buitenberging) opgenomen in een flatgebouw, dan moet dat schuurtje in een brandcompartiment liggen omdat de totale gebruiksoppervlakte van dat flatgebouw groter zal zijn dan 100 m2. Wordt een schuurtje tegen een huis aangebouwd, dan moet dat schuurtje in een brandcompartiment liggen als de gezamenlijke gebruiksoppervlakte groter is dan 100 m2. Als dat zelfde schuurtje bij de woning behoort kan er sprake zijn van een nevengebruiksfunctie zodat het schuurtje in hetzelfde brandcompartiment als die woonfunctie mag liggen (artikel 3.38, vijfde lid). Behoort dat schuurtje niet bij die woning dan moet het schuurtje in een afzonderlijk brandcompartiment liggen. Het zesde lid doet dus geen afbreuk aan het voorschrift van artikel 3.38, vijfde lid, dat regelt dat een berging of andere nevengebruiksfunctie in hetzelfde brandcompartiment als de betreffende woning mag liggen. Op grond van het derde lid van artikel 3.38 is het, als de bergruimten op één perceel liggen, niet nodig om tussen de bergruimten onderling een brandscheiding aan te brengen.

Het zevende lid geeft een uitzondering op het eerste en vierde lid voor een lichte industriefunctie met een beperkte permanente vuurbelasting.

Artikel 3.38 (brandcompartiment: omvang)

Het doel van brandcompartimentering is de ongehinderde uitbreiding van een brand te beperken tot een gedeelte van het gebouw. Dit artikel stelt eisen aan de maximale omvang van een brandcompartiment, zodat een eventuele brand beheersbaar blijft. Wanneer de brand binnen het brandcompartiment blijft, draagt dit bij aan de veiligheid van personen in andere gedeelten van het gebouw.

Een brandcompartiment mag om zijn functie van brandbegrenzer goed te kunnen vervullen niet te groot zijn. Ook kan het zinvol zijn ruimten met een bijzonder brandrisico in een afzonderlijk brandcompartiment op te nemen.

Het eerste lid geeft de basiseis die regelt dat de omvang van een brandcompartiment niet groter mag zijn dan de in tabel 3.36 genoemde gebruiksoppervlakte.

Het tweede lid geeft aan dat er ten hoogste 4 woonwagens met bijgebouwen (zie voor het begrip nevengebruiksfunctie bijlage I) bij elkaar mogen liggen binnen een brandcompartiment, op voorwaarde dat de totale gebruiksoppervlakte in dat brandcompartiment aan woonwagens en bijgebouwen niet groter is dan 1000 m2. Hiermee is het mogelijk om ook grotere woonwagens dan 125 m2 te plaatsen binnen een brandcompartiment. Het maximum van 1000 m2 past binnen de uitgangspunten van de Handreiking brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocaties, VROM-Inspectie, 15 maart 2009, op basis waarvan veel woonwagenlocaties zijn ingericht. De onderlinge afstand die hierbij tussen de woonwagens moet worden aangehouden is niet in dit besluit geregeld. De denkbeeldige afstand van 5 m in het negende lid van artikel 4.53, lid, die in de praktijk soms als onderlinge afstand wordt aangehouden is daar niet voor bedoeld. De in dat artikel genoemde afstand is alleen een rekenwaarde om de brandwerendheid te kunnen toetsen zonder dat de standplaats van de te bouwen woonwagen bekend hoeft te zijn. De daadwerkelijke afstand tussen de woonwagens volgt uit het omgevingsplan. Dit (tweede) lid geeft het bevoegd gezag alleen de mogelijkheid om op te treden tegen een brandonveilige opstelling van woonwagens wel of niet als gevolg van een onjuiste afstand tussen de woonwagens onderling. Een clusteromvang van ten hoogste 4 woonwagens biedt voldoende brandveiligheid en laat ruimte om woonwensen in te willigen.

Het derde lid bepaalt dat een brandcompartiment zich niet over meer dan een bouwwerkperceel mag uitstrekken. Een brandcompartiment mag zich wel uitstrekken over meer dan een gebouw (een groep gebouwen) mits de gebouwen op hetzelfde bouwwerkperceel liggen.

Aan het vierde lid wordt voor wegtunnels voldaan wanneer elke wegtunnelbuis brandwerend is gescheiden van een andere wegtunnelbuis. Dit betekent dat een andere wegtunnelbuis wel altijd in een ander brandcompartiment moet liggen. Andere ruimten, zoals een technische ruimte of hulppost mogen, voor zover deze niet in een andere wegtunnelbuis liggen, wel in hetzelfde brandcompartiment liggen. Het is dus ook niet uitgesloten dat in hetzelfde brandcompartiment als de tunnelbuis nog andere ruimten liggen.

Het vijfde lid benadrukt dat in een brandcompartiment van een woonfunctie alleen één woning mag liggen. Verder mogen in dat brandcompartiment alleen gebruiksfuncties van een andere soort liggen als die gebruiksfuncties nevengebruiksfuncties van die ene woonfunctie zijn. In de meeste gevallen zal het alleen om een enkele nevengebruiksfunctie gaan bijvoorbeeld een buitenberging (overige gebruiksfunctie). Het kan ook voorkomen dat er een kantoor aan huis of een andere nevengebruiksfunctie is. Een gemeenschappelijk verblijfsgebied behoort per definitie aan meer dan een woonfunctie.

Uit het zesde lid volgt dat woningen (in een woongebouw) een gemeenschappelijk verblijfsgebied mogen hebben als dit verblijfsgebied in een afzonderlijk brandcompartiment ligt. Bij een woning met een gemeenschappelijk verblijfsgebied, moet gedacht worden aan een woning met bijvoorbeeld met een gemeenschappelijke huiskamer en keuken. De gemeenschappelijke ruimten mogen dus niet binnen het brandcompartiment van een van de woningen liggen. Een gemeenschappelijke ruimte is een ruimte die ten dienste staat van een aantal afzonderlijke woonfuncties. Het gaat in dit lid dus niet om de ruimten binnen een woning die door verschillende bewoners van die woning, bijvoorbeeld een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, worden gedeeld. Een dergelijke ruimte is niet een gemeenschappelijke maar een gezamenlijke ruimte (zie artikel 2.7).

Het zevende lid moet worden onderscheiden van artikel 3.37, eerste lid, onderdeel d. De in dat lid bedoelde kleinere technische ruimte (ten hoogste 100 m2) hoeft niet in een brandcompartiment te liggen. Als een dergelijke kleinere ruimte wel in een brandcompartiment ligt dan mag deze samen met andere ruimten in dat brandcompartiment liggen. De in dit zevende lid beschreven grotere technische ruimte (meer dan 100 m2). Het zevende lid is niet meer aangestuurd voor de industriefunctie, anders dan een lichte industriefunctie voor het houden van dieren. In een industriefunctie is in het algemeen het brandrisico in een technische ruimte niet groter dan in andere ruimten in een industriefunctie. In andere ruimten kunnen namelijk ook verbrandingstoestellen staan, zij het dat deze verbrandingstoestellen geen bouwwerkinstallatie zijn maar een op het proces gerichte installatie.

Het achtste lid regelt dat bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m2 het eerste lid niet van toepassing is op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties zoals een kantoorfunctie.

Artikel 3.39 (opvangcompartiment)

Het eerste lid geeft voor de celfunctie een afwijking van het eerste lid van artikel 3.38. Een brandcompartiment waarin een celeenheid ligt, mag niet groter zijn dan 1000 m2 en mag nooit meer dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw zijn. Aan deze beide regels moet gelijktijdig zijn voldaan. Uit dit lid volgt dat een gebouw met een celfunctie naast het brandcompartiment waarin de cellen liggen altijd een buiten dat brandcompartiment gelegen gebruiksoppervlakte moet hebben. Deze gebruiksoppervlakte is noodzakelijk om de personen, bij brand in het brandcompartiment met cellen, buiten dat brandcompartiment in veiligheid te brengen en wordt daarom vaak aangeduid als opvangcompartiment.

Het tweede lid maakt duidelijk dat een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten niet meer dan 77% van de gebruiksoppervlakte van een bouwlaag mag omvatten Het tweede lid is van belang voor het in veiligheid kunnen brengen van bedgebonden patiënten. Deze moeten bij brand met bed en al verplaatst kunnen worden naar een andere brandcompartiment (opvangcompartiment) op dezelfde bouwlaag. Bij niet bedgebonden patiënten in een bedgebied zijn deze voorzieningen niet nodig omdat deze patiënten zelfstandig via de reguliere vluchtroutes naar een veilige plaats kunnen vluchten.

Artikel 3.40 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen)

Een brandcompartiment kan pas als brandcompartiment functioneren als aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment (in de praktijk ook afgekort tot wbdbo) is voldaan. Brandoverslag betekent in dit verband de uitbreiding van brand via de buitenlucht, terwijl met branddoorslag wordt bedoeld de branduitbreiding door een constructieonderdeel heen. De wbdbo wordt uitgedrukt in minuten.

Het eerste lid stelt een eis van 20 minuten wbdbo. Deze eis geldt van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment. Ook geldt deze eis van een brandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert.

Ook in het tweede lid regelt dat bij de bepaling van de kwaliteit van de brandscheiding tussen een in het tweede lid van artikel 3.38 bedoeld brandcompartiment met ten hoogste vier woonwagens en een ander brandcompartiment naar keuze kan worden uitgegaan van de afstand of de wbdbo. Wordt alleen uitgegaan van de afstand dan moet een afstand van ten minste 5 meter worden aangehouden. Een kleinere afstand is ook mogelijk, maar dan moet aannemelijk zijn dat de woonwagens zodanig zijn dat de wbdbo tussen het brandcompartiment met ten hoogste vier woonwagens en het aangrenzende compartiment ten minste 20 minuten is.

Artikel 3.41 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode)

Het eerste lid regelt dat voor het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag gebruik gemaakt kan worden van de in NEN 6068 opgenomen bepalingsmethode.

Het tweede lid beoogt het bestaande gebouw niet onevenredig zwaar te belasten door de eventuele slechte kwaliteit van de belending. Daarom moet bij het beoordelen van de brandveiligheid van een gebouw ter beperking van het gevaar van brandoverslag altijd rekening worden gehouden met een spiegelsymmetrisch, maar verder identiek gebouw op een naburig perceel. Voor dit denkbeeldige, identieke gebouw moet men uitgaan van een identieke gevel die op dezelfde afstand van de perceelsgrens ligt als de gevel van het te beoordelen gebouw. Hiermee wordt het mogelijk een bestaand bouwwerk te beoordelen zonder dat inzicht nodig is de kwaliteit van de belendingen. Ongeacht de feitelijke kwaliteit van de belendingen moet dus worden uitgegaan van een spiegelsymmetrisch aan het eigen gebouw identiek gebouw.

Voor het geval op het belendende perceel geen bouwbestemming rust en ook niet is bestemd voor een speeltuin, kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of de opslag van brandbare niet milieugevaarlijke stoffen, kan de spiegeling plaatsvinden als ware het perceel gelegen aan openbaar groen. Hierbij kan zo nodig ook een beroep op gelijkwaardigheid worden gedaan, ter beoordeling van het bevoegd gezag.

§ 3.2.9 Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook
Algemeen

Ieder brandcompartiment moet worden ingedeeld in één of meer subbrandcompartimenten of in verkeersruimten waardoor een beschermde route voert zodat brand en rook zich niet ongelimiteerd door het brandcompartiment kunnen verspreiden. Uitgangspunt is dat alle ruimten waarin brand zou kunnen ontstaan binnen een subbrandcompartiment liggen. In een subbrandcompartiment is men enige tijd beschermd tegen een brand die elders in het brandcompartiment is ontstaan. Dit is vooral ook van belang voor mensen die slapen of die niet zelfstandig kunnen vluchten, zoals kleine kinderen, bedgebonden patiënten of gedetineerden. In dergelijke gevallen is meer tijd nodig om iedereen in veiligheid te brengen. Voor dergelijke activiteiten bestemde ruimten moeten daarom in een beschermd subbrandcompartiment liggen.

Ook biedt een subbrandcompartiment bescherming tegen de brand in het subbrandcompartiment dat juist is ontvlucht. De eisen bij bestaande bouw zijn lager dan bij nieuwbouw. Verder wordt opgemerkt dat waar bij nieuwbouw is uitgegaan van beschermde vluchtroute bij bestaande bouw is uitgegaan van beschermde route (zie ook de toelichting op bijlage I). Bij bestaande bouw wordt in verder nog uitgegaan van de weerstand tegen rookdoorgang in plaats van de rookdoorgangseisen Sa en S200 bij nieuwbouw.

Artikel 3.42 (aansturingsartikel)

Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand in verdergaande mate wordt beperkt dan bepaald in paragraaf 3.2.8 en dat veilig kan worden gevlucht. Deze functionele eis (eerste lid) benadrukt dat de regels van paragraaf 3.2.8 een stap zijn in de brandveiligheid van een bestaand gebouw en dat met de regels van paragraaf 3.2.9 een volgende stap wordt gezet. De naam van deze paragraaf is dan ook verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.43 (subbrandcompartiment: ligging)

Het eerste lid bepaalt dat een brandcompartiment moet worden ingedeeld in subbrandcompartimenten of in verkeersruimten waardoor een beschermde route loopt. Dit betekent dat alle in een brandcompartiment gelegen ruimten, dus ieder functiegebied, verblijfsgebied met de daarin gelegen ruimten, ook in een subbrandcompartiment moeten liggen.

Naast subbrandcompartimenten mogen er ook een of meer beschermde routes in een brandcompartiment liggen. De afzonderlijke benoeming van de beschermde route doet recht aan het feit dat een beschermde route niet in het subbrandcompartiment mag liggen waar de vluchtroute begint (zie het tweede lid), terwijl die beschermde route wel in een brandcompartiment moet liggen (zie artikel3.37). Voor de volledigheid wordt opmerking dat het ‘of’ in dit eerste lid gelezen moet worden als ‘en/of’. Dit betekent dat in een brandcompartiment zowel een of meer subbrandcompartimenten mogen liggen, al dan niet in combinatie met een beschermde route, maar ook dat in het brandcompartiment alleen maar beschermde routes kunnen liggen.

Een buiten een brandcompartiment gelegen ruimte als bedoeld in artikel 3.37, tweede lid, behoeft ook niet in een subbrandcompartiment te liggen. Een brandcompartiment kan zowel volledig bestaan uit subbrandcompartimenten of uit een of meer subbrandcompartimenten en een of meer verkeersruimten waardoor een beschermde route voert. Of daadwerkelijk beschermde routes aanwezig moeten zijn volgt uit paragraaf 3.2.10, Vluchtroutes. Uit het eerste lid volgt ook dat een subbrandcompartiment niet groter kan zijn dan een brandcompartiment.

Het tweede lid benadrukt dat een beschermde route niet direct in een subbrandcompartiment begint waarin de vluchtroute start. Daarom zal tussen een subbrandcompartiment (waarin brand kan ontstaan) en een ruimte waardoor een beschermde route voert altijd een rookwerende scheiding aanwezig moeten zijn als bedoeld in artikel 3.46. Op die manier is een ruimte met een beschermde route beschermd bij brand in de aangrenzende functie- of verblijfsgebieden (subbrandcompartimenten). In afwijking van de beschermde vluchtroute (bij nieuwbouw) mag de beschermde route na het verlaten van een subbrandcompartiment wel door een in een ander subbrandcompartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte voeren.

Het derde lid biedt de mogelijkheid om een verblijfsgebied voor bewakingsdoeleinden, zoals een zusterpost in een ziekenhuis of een receptie in een kantoorgebouw, buiten een subbrandcompartiment liggen. Zou een dergelijk voor bewakingsdoeleinden bestemd verblijfsgebied wel in een subbrandcompartiment moeten liggen, dan zou op grond van artikel 3.46 tussen dat verblijfsgebied en de beschermde route vanuit dat subbrandcompartiment altijd een rookwerende scheiding moeten worden aangebracht. Een dergelijke fysieke scheiding zou het noodzakelijke contact met de op de zusterpost of receptie aangewezen ruimten bemoeilijken. Een oplossing daarvoor zou kunnen zijn de ruimte niet aan te merken als verblijfsgebied. Omdat dat zou betekenen dat de veiligheid en gezondheid voor de bewakers onvoldoende zijn gewaarborgd (bijvoorbeeld geen eisen aan de ventilatie) biedt dit de derde lid een alternatief. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 6.4 de mogelijkheid biedt om handhavend op te treden als het gebruik van de zusterpost of receptie, bijvoorbeeld door in de ruimte opgestelde brandonveilige apparatuur of inrichting, leidt tot een brandonveilige situatie voor bijvoorbeeld de bedgebieden die voor het vluchten op die ruimte zijn aangewezen.

Artikel 3.44 (beschermd subbrandcompartiment: ligging)

Het eerste lid benadrukt dat een verblijfsruimte van een woonfunctie altijd in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. In een reguliere woning zal de begrenzing van het beschermd subbrandcompartiment overeenkomen met de begrenzing van het brandcompartiment als bedoeld in artikel 3.42.

Het tweede lid stelt dat een bedruimte, dat wil zeggen een ruimte waar personen kunnen slapen of aan bed gebonden zijn, altijd in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. Een ruimte voor de opslag van bedden is geen bedruimte. Dit betekent dat voor een ruimte waar bedden worden gereinigd of opgeslagen, bijvoorbeeld in zieken- of verpleeghuizen, of een operatieruimte, of een ruimte waar kan worden gerust zonder dat deze ruimte bedoeld is om te slapen, de eis voor een beschermd subbrandcompartiment niet geldt.

Het derde lid stelt dat een celeenheid, in de praktijk kortweg cel genoemd, in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. Een celeenheid kan uit meerdere ruimten bestaan.

Het vierde lid schrijft voor dat elk logiesverblijf, zoals een hotelkamer, in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. Het is mogelijk dat in één subbrandcompartiment meer dan één verblijfsruimte van één logiesverblijf ligt, zodat ook een traditionele hotelkamer en suite mogelijk is.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 3.44 de basiseisen bevat omtrent de ligging van beschermde subbrandcompartimenten. Dit is iets anders dan de omvang van het compartiment. De eisen aan de maximale omvang zijn opgenomen in artikel 3.45 Het is daarom altijd nodig om beide artikelen gelijktijdig te raadplegen.

Artikel 3.45 (beschermd subbrandcompartiment: omvang)

Dit artikel stelt eisen aan de maximale omvang van beschermde subbrandcompartimenten bij de woonfunctie, de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie en de logiesfunctie. Aan andere gebruiksfuncties stelt dit artikel geen eisen omdat daar hooguit incidenteel sprake is van het bieden van slaapgelegenheid en zodoende ook geen eisen aan de aanwezigheid van een beschermd subbrandcompartiment in artikel 3.43.

Bij een incidenteel nachtgebruik (bijvoorbeeld het overnachten van padvinders in een scoutinggebouw) kan volstaan worden met een niet bouwkundige oplossing. Zie ook het algemeen deel van de toelichting. Aan de omvang van andere subbrandcompartimenten dan in dit artikel aangewezen worden alleen de eisen uit artikel 3.43 gesteld.

Het is zinvol ruimten waar gebruikers een extra bescherming tegen brand nodig hebben in een afzonder lijk beschermd subbrandcompartiment van beperkte omvang te plaatsen. Men is in ieder beschermd sub brandcompartiment namelijk enige tijd beschermd tegen brand in andere beschermde subbrandcompartimenten. Wanneer de brand ontstaat in het beschermde subbrandcompartiment zelf, dan kan de ontruiming zich in eerste instantie richten op de evacuatie van het relatief beperkte aantal personen in dat beschermde subbrandcompartiment, en daarna pas op alle andere ruimten in het brandcompartiment. Een beschermd subbrandcompartiment mag om zijn functie van brand- en rookbegrenzer goed te kunnen vervullen dus niet te groot zijn.

Met een beroep op de mogelijkheid een gelijkwaardige maatregel te treffen kan een groter beschermd subbrandcompartiment worden gerealiseerd dan volgens deze paragraaf mogelijk zou zijn. Die gelijkwaardigheid moet dan wel aannemelijk worden gemaakt.

Het eerste lid stelt in de tabel een grens aan de omvang van een beschermd subbrandcompartiment van een woonfunctie, een celfunctie en een logiesfunctie. Bij bestaande bouw is een dergelijke eis niet gesteld aan een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, omdat veel kinderopvang voorzieningen zijn gerealiseerd voor invoering van dit specifiek op kinderopvang gerichte nieuwbouweis.

Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid om in een woonfunctie voor zorg met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1000 m2 een gezamenlijke verblijfsruimte (woonkamer) te creëren, met een grotere omvang dan voor de individuele wooneenheden voor zorg is toegestaan (maximaal 200 m2).

Het derde lid geeft expliciet aan dat elke cel een apart beschermd subbrandcompartiment moet zijn. Het inrichten van elke cel als afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment zorgt dat de gevolgen van een celbrand tot die cel beperkt kunnen blijven dat er tijd beschikbaar is om andere cellen te ontruimen.

Het vierde lid beperkt de omvang van een beschermd subbrandcompartiment in een bestaande gezondheidszorgfunctie met bedgebied tot ten hoogste 1000 m2. Een opslagruimte voor bedden is geen bedgebied. Binnen het beschermd subbrandcompartiment met bedgebied mogen ook ruimten liggen die ten dienste staan van die patiëntenkamers, zoals een ruimte voor toezicht door verplegend personeel. Een dergelijke ruimte mag echter ook buiten een subbrandcompartiment liggen (artikel 3.43, derde lid).

Wanneer het gaat om bedgebonden patiënten dan is de specifieke eis van het vijfde lid van toepassing. Een bedgebonden patiënt is een patiënt die aan het bed is gekluisterd en daarom bij brand hulp nodig heeft om voldoende snel te kunnen vluchten. Wanneer het beschermde subbrandcompartiment bestemd is voor bedgebonden patiënten dan is de maximale omvang van het beschermde subbrandcompartiment afhankelijk van het bewakingsniveau. Bij een permanente bewaking, waarbij 24 uur per etmaal voldoende goed getraind personeel aanwezig moet zijn om de bedgebonden patiënten bij brand tijdig in veiligheid te kunnen brengen, is een beschermd subbrandcompartiment van 1000 m2 toegestaan. Is er geen permanente bewaking, dan mag het beschermde subbrandcompartiment niet groter zijn dan 100 m2. Is het niveau van de bewaking afgestemd op het bij brand tijdig in veiligheid kunnen brengen van een bepaald aantal bedgebonden patiënten, dan mag de omvang van het beschermd subbrandcompartiment zodanig zijn, dat dit aantal bedgebonden patiënten daarin kan worden ondergebracht. Dit betekent dat in voorkomende gevallen een beschermd subbrandcompartiment kan worden toegestaan met een omvang die ligt tussen de 100 m2 en 1000 m2. Het beschermd subbrandcompartiment mag echter, ongeacht het niveau van de bewaking, niet groter zijn dan 1000 m2.

Een logiesfunctie kan een aantal logiesverblijven bevatten (zie voor deze begrippen bijlage I). Het zesde lid maakt expliciet dat elk logiesverblijf, zoals een hotelkamer, behalve een afzonderlijk subbrandcompartiment ook een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is. Dit biedt de hoogst mogelijke bescherming als er brand uitbreekt in een ander beschermd subbrandcompartiment nabij dat logiesverblijf. In een groepsaccommodatie, zoals bij een kampeerboerderij, mogen de verschillende ruimten voor een enkele groep gasten samen in één beschermd subbrandcompartiment liggen. Deze verschillende ruimten zijn dan samen één logiesverblijf.

Het zevende lid regelt dat bij een logiesfunctie een afzonderlijke beschermd subbrandcompartiment tevens een afzonderlijk subbrandcompartiment moet zijn. Dat wil zeggen dat bij de uitgang van een logiesverblijf een beschermde route moet beginnen en dat de route, voor zover deze door een trappenhuis voert, een extra beschermde vluchtroute moet zijn.

Artikel 3.46 (subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang)

Dit artikel bevat de eisen aan de scheidingsconstructies die een subbrandcompartiment begrenzen. Deze scheidingsconstructies zijn dan de begrenzing van een uitbreidingsgebied van rook. De scheidingsconstructies moeten daarom rook in voldoende mate tegenhouden. De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment moet daarom ten minste 20 minuten zijn.

Artikel 3.47 (beschermd subbrandcompartiment: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)

Dit artikel bevat de eisen aan de scheidingsconstructies die een beschermd subbrandcompartiment begrenzen. Deze scheidingsconstructies zijn dan de begrenzing van een uitbreidingsgebied van brand. De scheidingsconstructies moeten daarom voldoende weerstand hebben tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo).

Het eerste lid stelt een eis van ten minste 20 minuten aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, die zwaarder is dan de in artikel 3.46 bedoelde eis aan de weerstand tegen rookdoorgang, van een subbrandcompartiment naar een andere ruimte in hetzelfde brandcompartiment.

Het tweede lid geeft aan dat bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde weerstand tegen branddoorslag een kier onder de deur buiten beschouwing mag worden gelaten bij de celfunctie en de gezondheidszorgfunctie.

§ 3.2.10 Vluchtroutes: verloop
Algemeen

Uitgangspunt bij de regels voor vluchtroutes is dat kan worden volstaan met één vluchtroute die start op de plaats waar het vluchten begint en eindigt op een veilige plaats. Met het uitgangspunt van een enkele vluchtroute is het uiteraard mogelijk een tweede vluchtroute te realiseren. In dat geval zijn een aantal regels die op een enkele vluchtroute van toepassing zijn niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren (zie artikel 3.54). Verder wordt opgemerkt dat waar bij nieuwbouw is uitgegaan van beschermde vluchtroute bij bestaande bouw is uitgegaan van beschermde route (zie ook de toelichting op bijlage I). Regels over installaties, en deuren in vluchtroutes zijn opgenomen in afdeling 3.7 en regels over het brandveilig gebruik in hoofdstuk 6 van dit besluit. Zo schrijft artikel 3.115, derde lid, bij doodlopende gangen in bepaalde situaties een daarop afgestemde brandmeldinstallatie voor.

Onder het Bouwbesluit 2012 was het mogelijk om bij ministeriële regeling eisen te stellen aan de capaciteit van vluchtroutes bij bestaande bouw (artikel 2.118). Aan dat artikel is op basis van het rapport ‘Onderzoek naar de juridische toegevoegde waarde van prestatie-eisen in het Bouwbesluit 2012 voor de capaciteit van vluchtroutes in bestaande bouwwerken’ (Nieman, 17 juli 2014, zie www.rijksoverheid.nl) nooit invulling gegeven. In dit besluit is daarom geen met genoemd artikel 2.118 vergelijkbare regel opgenomen. Indien op grond van artikel 6.7 een gebruiksmelding gedaan moet worden, kan het bevoegd gezag nadere voorwaarden stellen indien deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand (zie ook artikel 6.5 en de toelichting daarop). Als het met het oog hierop naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is om eisen te stellen aan het toelaatbaar aantal personen in een bestaand gebouw kan dit dus in een specifiek geval wel door middel van een maatwerkvoorschrift na een gebruiksmelding worden opgelegd.

Verder biedt artikel 3.7 (maatwerkvoorschriften) het bevoegd gezag de mogelijkheid de verplichting op te leggen tot het treffen van voorzieningen gericht op de capaciteit van vluchtroutes in bestaande bouwwerken, voor zover die verplichting niet tot een hoger prestatieniveau leidt dan de nieuwbouweisen in hoofdstuk 4.

Artikel 3.48 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt, is gericht op het veilig kunnen vluchten uit een bestaand bouwwerk.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.49 (vluchtroute)

Het eerste lid geeft aan dat op elk willekeurig punt in een bouwwerk een vluchtroute begint die voert naar het aansluitende terrein en eindigt bij de openbare weg. Een vluchtroute mag dus niet uitkomen op bijvoorbeeld een binnenplaats zonder doorgang naar de openbare weg. Hiermee wordt voorkomen dat men uiteindelijk toch nog door de brand ingesloten raakt. Uit het begrip voor personen bestemde vloer volgt dat deze regel geldt voor een ruimte waarin bij regulier gebruik personen aanwezig zijn. Met andere woorden, voor bijvoorbeeld een technische ruimte waarin incidenteel een onderhoudsmonteur aanwezig is gelden de regels voor een vluchtroute niet. Uit de Arbo regelgeving vloeit voort dat ook de onderhoudsmonteur de ruimte en het gebouw op een veilige wijze moet kunnen verlaten. Dit kan dan ook met persoonlijke beveiligingsmaatregelen. Het eerste lid geldt voor alle gebruiksfuncties behalve voor de celfunctie.

Op grond van het tweede lid mag een vluchtroute in een penitentiaire inrichting alleen leiden naar een ander brandcompartiment. Het is tenslotte niet de bedoeling dat de gedetineerden bij een calamiteit ongehinderd hun vrijheid tegemoet kunnen gaan. De toevoeging al dan niet via een buitenruimte betekent dat deze vluchtroute niet rechtstreeks hoeft te voeren naar een ander brandcompartiment, maar ook via een buitenruimte op het terrein van de inrichting mag lopen. Een penitentiaire inrichting bevat behalve celfuncties ook nevengebruiksfuncties, bijvoorbeeld een sportaccommodatie (sportfunctie) of een werkplaats (industriefunctie). In geval van brand moeten de gedetineerden ook vanuit die nevengebruiksfuncties naar een ander brandcompartiment kunnen vluchten. Zie het eerste lid voor een toelichting op het begrip voor personen bestemde vloer.

Het derde lid, op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg, is alleen van toepassing op wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. Een rijbaan van een wegtunnel is in beginsel niet bestemd voor personen. Deze uitzondering op het eerste en tweede lid, die uitgaan van een voor personen bestemde vloer, is opgenomen omdat de bestuurders van motorvoertuigen zich na een calamiteit te voet in veiligheid moeten kunnen stellen.

Het vierde lid geeft een functionele eis voor het veilig ontvluchten van een bouwwerk geen gebouw zijnde. De reden om hier een functionele eis op te nemen is de zeer uiteenlopende aard van dit soort bouwwerken, zoals open tribunes, steigers en bruggen. Met deze eis krijgt de gemeente enige beoordelingsruimte.

Artikel 3.50 (vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment)

In het eerste lid wordt een eis gesteld aan de maximale loopafstand van een vluchtroute binnen een gebruiksgebied in een subbrandcompartiment. De loopafstand is voor bijna alle gebruiksfuncties vastgesteld op maximaal 75 m. Deze maximale loopafstand is, rekening houdend met in het verleden verworven rechten, groter dan de maximale loopafstand bij nieuwbouw. Uit artikel 5.4, eerste lid, volgt dat een vluchtroute bij een verbouwing niet tot 75 meter verlengd mag worden.

In het tweede lid zijn beperkingen gesteld aan de maximale loopafstand vanaf de rijbaan in een wegtunnelbuis naar een uitgang van die tunnelbuis. Die loopafstand wordt op twee wijzen gemaximeerd. Ten eerste; er moet altijd binnen de 150 m een uitgang kunnen worden bereikt. Door in aanvulling daarop te stellen dat uitgangen niet verder dan 250 m uit elkaar mogen liggen is gewaarborgd dat, als een uitgang is geblokkeerd, altijd binnen 250 m een volgende uitgang wordt aangetroffen. Met de waarde van 150 m is rekening gehouden met de mogelijkheid dat in de tunnelbuis bouwkundige obstakels zijn (bijvoorbeeld hoogteverschillen groter dan 0,3 m, zonder trap of hellingbaan), zodat niet vanuit ieder punt op de rijbaanvloer in een rechte lijn naar de toegang kan worden gelopen. Het spreekt voor zich dat met de afstand tussen twee uitgangen de afstand tussen twee opeenvolgende uitgangen wordt bedoeld. In het algemeen betekenen deze maximale loopafstanden dat men binnen vijf minuten de wegtunnelbuis lopend kan verlaten.

Bij het bepalen van het niveau van eisen is al rekening gehouden met de mogelijkheid dat een uitgang als gevolg van een ongeval geblokkeerd kan raken. Dit mogelijke risico mag dus niet leiden tot nadere (lees: hogere) eisen aan de wegtunnel.

Het derde lid stelt dat een ruimte of subbrandcompartiment bestemd voor meer dan 225 personen ten minste twee uitgangen moet hebben, die in principe op dezelfde vluchtroute kunnen uitkomen. Deze eis wordt niet aangewezen voor de woonfunctie, de kinderopvang met bedgebied, de gezondheidszorgfunctie met bedgebied en het bouwwerk geen gebouw zijnde, omdat daar normaliter geen 225 personen in één subbrandcompartiment aanwezig zullen zijn. De (grens)waarde van 225 personen voor bestaande bouw is 1,5 keer de waarde voor nieuwbouw (artikel 4.66).

Artikel 3.51 (beschermde route)

Dit artikel geeft aan wanneer een enkele vluchtroute beschermd moet zijn en welke voorwaarden hierbij van toepassing zijn. Een beschermde route ligt tussen de uitgang van een subbrandcompartiment en de uitgang van een brandcompartiment. Bij een bestaand gebouw heet deze route niet zoals bij nieuwbouw een beschermde vluchtroute maar een beschermde route. Uit het onderscheid tussen beschermde vluchtroute en beschermde route volgt dat het beschermingsniveau bij bestaande bouw lager ligt dan bij nieuwbouw. De beschermde route is een soort vluchtroute met een lager beschermingsniveau dan een beschermde vluchtroute. Een beschermde route mag bijvoorbeeld wel door een subbrandcompartiment lopen. De kans op een brand op die route is daardoor wel iets hoger dan bij de bij nieuwbouw voorgeschreven beschermde vluchtroute.

Het eerste lid geldt voor de woonfunctie en de wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m. Deze regel is van toepassing ongeacht het aantal bewoners of gebruikers dat van de vluchtroute gebruik maakt. Indien het aansluitende terrein bij de uitgang van het subbrandcompartiment nog niet is bereikt, dan moet bij gebruik van een enkele vluchtroute via een beschermde route naar de uitgang van het brandcompartiment worden gevlucht.

Het tweede lid geldt voor de enkele vluchtroute in de utiliteitsbouw. Indien bij de uitgang van het subbrandcompartiment het aansluitende terrein nog niet is bereikt, dan moet verder richting het aansluitende terrein gevlucht kunnen worden via een beschermde vluchtroute. Op die route mogen dan hoogste 60 personen aangewezen zijn, bij meer dan 60 personen moet de route volgens artikel 3.52, tweede lid, een extra beschermde vluchtroute zijn.

Artikel 3.52 (extra beschermde vluchtroute)

Dit artikel geeft aan wanneer een enkele vluchtroute extra beschermd moet zijn. Een extra beschermde vluchtroute ligt per definitie niet in een brandcompartiment. Het doel van een extra beschermde vluchtroute is het veilig kunnen vluchten buiten een subbrandcompartiment. Uiteraard kan het doel van het veilig vluchten buiten een subbrandcompartiment ook worden bereikt met een gelijkwaardige maatregel, zoals detectie, alarmering, een automatische blusinstallatie en/of een verdere beperking van het aantal personen.

Het eerste lid geldt voor de enkele vluchtroute door een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw. Als op die vluchtroute meer dan 500 m2 gebruiksoppervlakte aan woningen is aangewezen, dan moet die enkele vluchtroute een extra beschermde vluchtroute zijn.

Het tweede lid bepaalt dat, indien op een buiten een subbrandcompartiment gelegen gedeelte van een vluchtroute tussen de 60 en 225 personen zijn aangewezen, dat gedeelte van die vluchtroute een extra beschermde vluchtroute moet zijn. Omdat een extra beschermde vluchtroute niet in een brandcompartiment mag liggen (artikel 3.37, derde lid), moet bij het betreden van de extra beschermde vluchtroute ook het brandcompartiment zijn verlaten.

Het derde lid bepaalt dat een vluchtroute die door een trappenhuis voert bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 12,5 m een extra beschermde vluchtroute moet zijn. Bij hoogbouw is het trappenhuis een essentiële voorziening voor het veilig vluchten bij brand en de bereikbaarheid van de brand door hulpverleningsdiensten. De aan een extra beschermde vluchtroute verbonden eisen borgen de veiligheid van de gebruikers van het trappenhuis.

Artikel 3.53 (veiligheidsroute)

Het eerste lid bepaalt dat een enkele vluchtroute van een woongebouw die door een trappenhuis voert een veiligheidsroute moet zijn, als op die vluchtroute een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 1.500 m2 aan woonfuncties is aangewezen. Bij hoogbouw is een trappenhuis waardoor een veiligheidsroute voert in het algemeen de voorziening voor het veilig vluchten bij brand en de bereikbaarheid van de brand door hulpverleningsdiensten in die situaties waar geen andere route beschikbaar is. Uit de begrippen veiligheidsvluchtroute en veiligheidsroute volgt dat de randvoorwaarden bij een veiligheidsroute minder zwaar zijn dan bij de bij nieuwbouw gangbare veiligheidsvluchtroute. Zie ook de toelichting op die begrippen in bijlage I.

Het tweede lid geeft aan dat als er meer dan 225 personen op een enkele vluchtroute zijn aangewezen, de vluchtroute voor zover deze buiten het subbrandcompartiment ligt moet voeren over een veiligheidsroute. Dit is niet nodig als de uitgang van het subbrandcompartiment direct uitkomt op het aansluitende terrein.

Artikel 3.54 (tweede vluchtroute)

Het doel van een tweede vluchtroute is het veilig kunnen vluchten als één van de twee routes bij brand onbruikbaar wordt. Dit doel zou met een beroep op het mogen treffen van een gelijkwaardige maatregel ook kunnen worden bereikt door detectie, alarmering, een automatische blusinstallatie en/of een verdere beperking van het aantal personen. Wanneer die tweede vluchtroute er is kan zonder een beroep op gelijkwaardigheid worden volstaan met minder zware eisen dan wanneer er slechts een enkele vluchtroute is.

Het eerste lid geeft de regels voor het geval er een tweede onafhankelijke vluchtroute is buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint. Vanaf het punt dat één van de vluchtroutes een deur naar een andere ruimte buiten het subbrandcompartiment passeert, en de vluchtroutes verder door ver schillende ruimten voeren, is er sprake van twee onafhankelijke vluchtroutes. Vanaf dat punt zijn de eisen voor een beschermde route, een extra beschermde vluchtroute, of een veiligheidsroute op die vluchtroute niet meer van toepassing. Daarmee is vanaf dat punt ook de beperking op het in de artikelen 3.51 tot en met 3.53 bedoelde aantal personen dat gebruik mag maken van de vluchtroute vervallen. De twee vluchtroutes moeten tot het aansluitende terrein van elkaar gescheiden blijven (dus niet door de zelfde ruimte lopen) tenzij er over dat samenlopende deel sprake is van een veiligheidsvluchtroute (zie het derde lid). Uitzondering op het niet meer van toepassing zijn van de eisen voor een extra beschermde vluchtroute is de situatie dat in de vluchtroute een hoogteverschil van meer dan 12,5 m moet worden overbrugd. Ook als er twee vluchtroutes zijn blijft het derde lid van artikel 3.52 namelijk van toepassing.

Het tweede lid biedt de praktijk de mogelijkheid om bij een subbrandcompartiment met één uitgang toch gebruik te kunnen maken van twee onafhankelijke vluchtroutes. De vluchtroutes mogen direct vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment door dezelfde ruimte voeren (onderdeel a) voordat zij als volledig onafhankelijk vluchtroutes verder gaan. Dit is toegestaan op voorwaarde dat de twee vluchtroutes naar twee uitgangen voeren (onderdeel b). De vluchtafstand door die ruimte mag niet meer dan 30 m, behalve bij een beschermde route. In dat geval mag de vluchtafstand door die ruimte maximaal 70 meter zijn (onderdeel c).

Het derde lid, maakt het mogelijk dat twee vluchtroutes door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is, omdat eenmaal op de veiligheidvluchtroute aangekomen waarlangs op een veilige manier het aansluitende terrein kan worden bereikt.

§ 3.2.11 Vluchtroutes: inrichting
Artikel 3.55 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, een bouwwerk heeft vluchtroutes met een zodanige inrichting dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt, is gericht op het veilig kunnen vluchten uit een bouwwerk.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.56 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang)

Dit artikel regelt de compartimentering (rookwerende deuren) in de besloten ruimte waardoor een beschermde route of extra beschermde vluchtroute voert door het voorschrijven van een rookscheiding met rookwerende deuren tussen in de vluchtrichting op elkaar aansluitende besloten ruimten. Hierbij geldt een weerstand tegen rookdoorgang van 20 minuten.

Artikel 3.57 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)

Deze regel is bedoeld om te waarborgen dat twee (onafhankelijke) vluchtroutes zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 3.54 afdoende brandwerend van elkaar gescheiden zijn zodat ze niet op hetzelfde moment onbruikbaar kunnen worden bij brand.

Artikel 3.58 (inrichting vluchtroute: permanente vuurbelasting)

Artikel 3.58 geldt voor een ruimte waardoor een veiligheidsroute voert. Deze ruimte, die een trappenhuis maar ook een andere ruimte kan zijn, moet zo min mogelijk brandbare materialen bevatten. Dit betekent in de praktijk dat de vloeren en wanden van die ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, de trappen van onbrandbaar materiaal (staal of steenachtig) en de deuren en kozijnen slechts in beperkte mate van hout mogen zijn. De grens ligt bij een vuurlast van ten hoogste 7.000 MJ per bouwlaag.

Artikel 3.59 (inrichting vluchtroute: vrije doorgang)

Het eerste lid geeft aan dat een vluchtroute voldoende breed en hoog moet zijn. Het gaat dan zowel om de hoogte en breedte van ruimten waardoor een vluchtroute voert als om de hoogte en breedte van deuropeningen (doorgangen). In het algemeen geldt een minimale breedte van ten minste 0,5 m en een hoogte van ten minste 1,7 m. Bij een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wordt daarvan met een breedte van 0,7 m en een hoogte van 1,9 meter afgeweken. Deze afwijking vloeit voort uit de richtlijn veiligheid wegtunnels (2004/54/EG).

Het tweede lid is voor de gezondheidszorgfunctie met bedgebied bedoeld en geldt voor de gehele vluchtroute. Aan bed gebonden patiënten moeten snel met bed en toebehoren horizontaal naar een ander brandcompartiment kunnen worden gebracht. De toegangen moeten daarvoor ruim genoeg zijn. Het in deze regel genoemde blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m (l x h x b) representeert daarbij een standaardziekenhuisbed.

Artikel 3.60 (inrichting vluchtroute: niet-besloten ruimte)

Artikel 3.60 bepaalt dat een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert een zodanige capaciteit van de afvoer van warmte en rook, en de toevoer van verse lucht moet hebben, dat die ruimte bruikbaar is voor het vluchten en voor het verrichten van reddings- en bluswerkzaamheden.

Deze regel is functioneel omschreven. Voor de invulling van het begrip niet-besloten ruimte wordt verwezen naar de toelichting op het overeenkomstige nieuwbouwartikel 4.79.

§ 3.2.12 Wegtunnels: hulpverlening bij brand
Artikel 3.61 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden, maakt duidelijk dat een bestaande wegtunnel van die lengte zodanig moet zijn dat hulpverleners hun werk kunnen doen.

Het tweede lid geeft aan dat als aan de regels van deze paragraaf is voldaan ook voldaan is aan de regels van het eerste lid.

Artikel 3.62 (hulppost wegtunnel)

Een hulppost is een ruimte waar men terecht kan voor onder meer alarmering (artikel 3.134), communicatievoorzieningen (artikel 3.138), een draagbaar brandblusapparaat (artikel 3.127) en een aansluiting op een droge blusleiding (artikel 3.125). Een hulppost is niet bedoeld om weggebruikers direct te beschermen tegen de gevolgen van brand. Met deze regel wordt bepaald hoeveel hulpposten in een bestaande wegtunnelbuis moeten zijn. De loopafstand vanaf ieder punt in de tunnel tot een hulppost mag niet groter zijn dan 75 m. De onderlinge afstand tussen twee hulpposten mag niet groter zijn dan 100 m.

Afdeling 3.3 Gezondheid
§ 3.3.1 Wering van vocht
Algemeen

Deze paragraaf heeft betrekking op het voorkomen van vochtoverlast in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten, ten gevolge van vocht van buiten en vocht van binnen. Met vocht van buiten wordt neerslag, grondwater en oppervlaktewater bedoeld. Dus het gaat ook om de waterdichtheid van een gebouw met uitwendige scheidingsconstructie die aan het water grenst, wat in ieder geval het geval is bij een drijvend bouwwerk.

Vocht van binnen is het vocht dat vrijkomt bij het gebruik van het gebouw, bijvoorbeeld door het koken van eten en het douchen en het vocht dat via de longen wordt uitgeademd.

In een vochtige omgeving kunnen zich stoffen en organismen ontwikkelen met een voor de gezondheid schadelijke werking, de zogenoemde allergenen.

Bij het voorkomen van een vochtige omgeving speelt naast de in deze paragraaf bedoelde wering van vocht ook de in paragraaf 3.3.2 bedoelde luchtverversing een belangrijke rol.

Artikel 3.63 (aansturingsartikel)

Het eerste lid geeft de functionele eis, een bouwwerk heeft zodanige scheidingsconstructies dat de vorming van allergenen door vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 3.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 3.64 (wering van vocht van buiten)

Artikel 3.64 verlangt bij bestaande gebouwen praktisch dezelfde mate van vochtwerendheid als bij nieuwbouw. Verschil is dat er bij bestaande bouw geen eis is gesteld aan de beperking van het doordringen van de meestal vochtige lucht (zoals voor nieuwbouw in artikel 4.118, vierde lid) vanuit de kruipruimte. Het stellen van zo’n eis zou namelijk betekenen dat houten vloeren in de bestaande voorraad niet langer zijn toegestaan.

Het doel is te voorkomen dat er in gebouwen vochtoverlast optreedt door regen, sneeuw, hagel, grondwater of oppervlaktewater. Dit artikel stelt daarom eisen aan de waterdichtheid van uitwendige en soms ook van inwendige scheidingsconstructies van verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten.

Het eerste lid bepaalt dat de uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsgebied, een toiletruimte en een badruimte waterdicht moeten zijn. Dit betekent dat het dak en de gevels regen, sneeuw en hagel moeten kunnen weren en dat een op staal gefundeerde vloer grondwater moet kunnen keren. Bovendien zal de onder het wateroppervlak gelegen uitwendige scheidingsconstructie van een drijvend bouwwerk of een aan de rand van het water geplaatst gebouw waterdicht moeten zijn.

Het tweede lid regelt dat hetgeen in het eerste lid voor de uitwendige scheidingsconstructie is geregeld ook bij de scheidingsconstructie met een kruipruimte van toepassing is.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor een industriefunctie, een overige gebruiksfunctie of een bouwwerk geen gebouw zijnde (bijvoorbeeld een fabriekshal, een schuurtje of een carport). Er zou bij in een dergelijke gebruiksfunctie dus een vochtig binnenmilieu kunnen ontstaan. Om te voorkomen dat daardoor vochtoverlast ontstaat in een bouwwerk of onderdeel daarvan waarop het eerste en tweede lid wel van toepassing zijn regelt het derde lid dat bijvoorbeeld de scheidingswand tussen een fabriekshal, een schuurtje of een carport en een aangrenzend bouwwerk waarvoor het eerste en tweede lid wel geldt, waterdicht moet zijn. Bij de bepaling van de waterdichtheid van de scheidingswand mag men rekening houden met de positieve effecten van het dak en de gevels van die fabriekshal, dat schuurtje of die carport. Dit vloeit voort uit de definitie van het begrip inwendige scheidingsconstructie.

Artikel 3.65 (wateropname)

Wanneer er als gevolg van het gebruik van water teveel vocht doordringt in de wanden of de vloer van een badruimte kan er schimmelvorming, rotting of lekkage ontstaan. Dit geldt zowel in de ruimte zelf als in een aangrenzende ruimte. Hierdoor kan op den duur de gezondheid van de gebruikers van het gebouw nadelig worden beïnvloed. Volgens dit artikel moeten de wanden tot een hoogte van 1 m en de volledige vloer van een badruimte waterafstotend zijn. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door het aanbrengen van tegels of vinyl. Deze eisen leiden er tevens toe dat de wanden en de vloer op effectieve wijze kunnen worden gereinigd. Opgemerkt wordt dat dit artikel ook geldt voor niet voorgeschreven badruimten. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij nieuwbouw ook eisen worden gesteld aan de beperking van de wateropname van een toiletruimte. Bij een verbouwing van een toiletruimte zal die waterdichtheid in stand gehouden moeten worden (artikel 5.4).

§ 3.3.2 Luchtverversing
Algemeen

Deze paragraaf bevat de regels voor luchtverversing. De vereiste ventilatiecapaciteit wordt voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte berekend aan de hand van het aantal personen dat in een ruimte of een gebied aanwezig is. Dit geldt voor elke gebruiksfunctie behalve voor de woonfunctie. Zie voor een toelichting op deze personenbenadering het algemeen deel van de toelichting en de toelichting op artikel 2.10 (aantal personen in een bouwwerk).

Artikel 3.66 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een bouwwerk een zodanige voorziening voor luchtverversing moet hebben dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.67 (luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte)

Artikel 3.67 schrijft de aanwezigheid voor van een voorziening voor luchtverversing (ventilatiemogelijkheid) waarmee een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Op deze wijze wordt zeker gesteld dat de noodzakelijke zuurstof kan worden aangevoerd en bijvoorbeeld kooldioxide, waterdamp, onaangename geurstoffen en stofdeeltjes kunnen worden afgevoerd. Ook speelt luchtverversing een rol bij het afvoeren van eventuele in de binnenlucht aanwezige schadelijke stoffen als gevolg van bijvoorbeeld formaldehyde-emissie, fijnstof en radonstraling.

De benodigde hoeveelheid luchtverversing van een verblijfsgebied of verblijfsruimte wordt bij de woonfunctie bepaald aan de hand van de vloeroppervlakte. Bij de utiliteitsfuncties wordt de benodigde hoeveelheid luchtverversing bepaald aan de hand van het aantal personen waarvoor de ruimte is bestemd (personenbenadering).

Het eerste lid gaat voor een verblijfsruimte van een woonfunctie uit van een voorgeschreven capaciteit van 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte. De capaciteit per verblijfsruimte mag echter niet kleiner zijn dan 7 dm3/s per verblijfsruimte, dus als de ruimte 10 m2 of kleiner is zal een ventilatiecapaciteit van ten minste 7 dm3/s moeten worden aangehouden. Daarmee is gewaarborgd dat er in elke verblijfsruimte, hoe klein ook, voldoende ventilatie voor één persoon is.

Het tweede lid heeft uitsluitend betrekking op utiliteitsfuncties met een verblijfsruimte. Dit lid geeft, gebaseerd op de personenbenadering, een minimumeis voor de luchtverversing in een verblijfsruimte.

De eis van het derde lid voor een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel is erop gericht dat geurstoffen en bij normale verbranding vrijkomende dampen en overmatige waterdampproductie in korte tijd kunnen worden afgevoerd en verbrandingslucht kan worden toegevoerd. Met deze regel wordt ook voorzien in de toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas bij een open verbrandingstoestel voor warmwater (keukengeiser). Deze eis is echter niet bedoeld voor een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW, of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is. Voor dergelijke toestellen gelden afzonderlijke regels voor de afvoer van rookgassen en toevoer van verbrandingslucht (paragraaf 3.3.4).

Het uitgangspunt van het vierde lid is niet elke ruimte van een woning gelijktijdig wordt gebruikt. De totale capaciteit van een centrale ventilatievoorziening moet voldoende zijn voor de verblijfsruimte met de grootste ventilatiecapaciteitsbehoefte die op die centrale ventilatievoorziening is aangesloten. De totaal benodigde ventilatiecapaciteit behoeft dus niet een optelsom te zijn van de in de verschillende verblijfsruimten benodigde capaciteit te zijn. Natuurlijk moet elke verblijfsruimte op enig moment kunnen beschikken over de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde capaciteit. Bij de wat oudere gebouwen kan dat in de regel gebeuren door hier en daar een ventilatietoevoeropening, zoals een ventilatierooster of klapraampje, te openen of te sluiten.

Het vijfde lid geeft een aanvulling op het vierde lid. Bij een gemeenschappelijk verblijfsgebied is het aannemelijk dat de daarin gelegen gemeenschappelijke verblijfsruimten gelijktijdig in volle bezetting worden benut. Als in een verblijfsgebied meer dan een gemeenschappelijke verblijfsruimte is, dan zal de capaciteit van de luchtverversing in dat verblijfsgebied daarom voldoende moeten zijn bij gelijktijdig gebruik van die gemeenschappelijke verblijfsruimten. Dit wijkt af van een niet-gemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie, omdat daarbij kan worden aangenomen dat bij volledige bezetting van de ene ruimte, bijvoorbeeld de woon- of eetkamer, de andere verblijfsruimten in de woning onbenut blijven, en zodoende de ventilatiecapaciteit van die andere ruimten ten goede kan komen aan die woon- of eetkamer.

Het zesde lid geeft aan dat zowel een toiletruimte als een badruimte een ventilatievoorziening moeten hebben. De capaciteit voor een toiletruimte moet zodanig zijn dat verontreinigde lucht in korte tijd kan worden afgevoerd. De voor een badruimte voorgeschreven capaciteit is afgestemd op het afvoeren van een overmaat aan waterdamp binnen zodanige tijd dat schimmelvorming wordt voorkomen. Is een ruimte bestemd als zowel toiletruimte als badruimte, dan moet voor die ruimte de zwaarste eis worden aangehouden, te weten 14 dm3/s.

In tabel 3.66 zijn de leden een tot en met vijf niet aangestuurd voor de overige gebruiksfunctie. Een parkeergarage of een andere overige gebruiksfunctie heeft namelijk geen verblijfsgebieden of verblijfsruimten maar alleen functiegebieden en functieruimten. De regels van artikel 3.67 die alleen betrekking hebben op verblijfsgebieden en verblijfsruimten zijn daarom niet van toepassing.

Artikel 3.68 (luchtverversing overige ruimten)

Ventilatie is niet alleen voor verblijfsruimten, toilet- en badruimten noodzakelijk maar ook voor een sommige andere ruimten in een gebruiksfunctie. Deze overige ruimten zijn weliswaar niet bestemd voor langdurig verblijf van mensen maar kunnen door de aard van hun gebruik zonder voldoende luchtverversing een verhoogde kans op gevaar voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening waarmee die andere ruimten in een gebruiksfunctie langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd.

Het eerste lid bepaalt dat een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter moeten worden geventileerd om te voorkomen dat in die ruimte door een eventueel gaslek een ontplofbaar gasmengsel kan ontstaan. Ook kan de ventilatie zorgen dat de aan de gaslucht verbonden geurstoffen zich snel door het gebouw verspreiden en een lekkage zodoende spoedig ergens in het gebouw wordt opgemerkt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook ruimte waar daadwerkelijk een gasmeter is geïnstalleerd een ruimte met een opstelplaats van een gasmeter is.

Voor een liftschacht van een personenlift geldt dat de ventilatievoorziening gewaarborgd moet zijn. Personen in een vastzittende lift zijn dikwijls afhankelijk van via de liftschacht aangevoerde verse lucht.

Het tweede lid stelt daarom een minimum ventilatie-eis aan de liftschacht. Voor de eisen aan de liftkooi zelf, dus ook aan de ventilatie in de liftkooi wordt naar het Besluit liften verwezen.

Het derde lid geeft een ventilatie-eis voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval, indien die ruimte een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft. Ventilatie is hier nodig om de kans te beperken dat er door de opslag van grote hoeveelheden afval stankhinder ontstaat.

Opgemerkt wordt dat een opslagruimte voor huishoudelijk afval niet is voorgeschreven, maar dat de ventilatie-eis voor iedere vrijwillig aangebrachte opslagruimte geldt. Huishoudelijk afval is het reguliere afval dat bij de huishouding vrijkomt. Dit geldt zowel voor afval dat vrijkomt bij de huishouding van een gezin als van een bedrijf. Afval dat bij een productieproces vrij komt is geen huishoudelijk afval maar bedrijfsafval. Deze regel is niet van toepassing op een opslagruimte voor bedrijfsafval. De opslagruimte in dit lid moet niet verward worden met de verzamel-, opslag- of verwerkingsruimte voor (voormalig huishoudelijk) afval in een afvalverwerkingsbedrijf. In dit derde lid is aangegeven dat een capaciteit van 100 dm3/s altijd voldoende is, ongeacht de vloeroppervlakte (dus ook bij grotere vloeroppervlakte dan 10 m2).

Het vierde lid heeft betrekking op een stallingsruimte voor motorvoertuigen. De eisen aan de luchtverversing voor parkeergarages gelden ongeacht de omvang van de parkeergarage.

Het vijfde lid geldt voor tunnels of tunnelvormige bouwwerken. Het gaat om een functionele eis die op iedere tunnel en ieder tunnelvormig bouwwerk van toepassing is. Er moet afhankelijk van het soort tunnel en de tunnellengte altijd voldoende luchtverversing zijn om de gezondheid van de gebruikers te kunnen waarborgen. Er moet rekening worden gehouden met de emissie van verontreinigende stoffen bij normaal verkeer, tijdens verkeerspieken en bij stilstand wegens een ongeval. Ook moet rekening worden gehouden met de beheersing van hitte en rook bij brand.

Bij kortere tunnels kan de natuurlijke ventilatie via de tunnelopeningen soms voldoende zijn. In dergelijke gevallen wordt door het rijdend verkeer een luchtstroming in de tunnelbuis opgewekt die in de meeste gevallen voldoende is voor verversing van de lucht. De schone lucht wordt dan aangevoerd via de ingang van de wegtunnelbuis en de vervuilde lucht verdwijnt via de uitgang. In sommige gevallen kan zelfs worden volstaan met de luchtbeweging door wind of tocht. In andere gevallen zijn aanvullende ventilatievoorzieningen nodig om voldoende ventilatiecapaciteit te waarborgen. Deze voorzieningen kunnen mechanisch zijn, maar dat hoeft niet. Bij een lange wegtunnelbuis kan niet worden vertrouwd op natuurlijke ventilatie. De laatste volzin van dit vijfde lid bepaalt daarom dat de ventilatievoorziening bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m altijd mechanisch moet zijn. Welke ventilatiecapaciteit in een specifiek geval voldoende zal zijn, is voor wegtunnels af te lezen uit hoofdstuk 12 van de Veiligheids Richtlijn deel C (VRC), uitgave van Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Steunpunt Tunnelveiligheid, januari 2004.

Artikel 3.69 (verdunning en plaats van de opening bij de afvoer van binnenlucht)

In dit artikel zijn eisen gesteld aan de ventilatieopeningen bij een parkeergarage. Deze regels waren eerder opgenomen in artikel 3.27l van de Activiteitenregeling milieubeheer en zijn opgesteld ter voorkoming ongezonde binnenlucht in gebouwen in nabijheid van een parkeergarage.

Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingsruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:

  • a. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 meter boven het straatniveau of, als binnen 25 meter van de uitblaasopening een gebouw ligt met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau ligt, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw, en

  • b. is de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

Uit sub a volgt dat moet worden uitgegaan van de feitelijk aanwezige bebouwing. Dat wil zeggen dat het nodig kan zijn de uitmonding van de bestaande parkeergarage aan te passen op het moment dat de omliggende bebouwing dichterbij komt of hoger wordt. Deze eis voor bestaande bouw is overigens gelijk aan de nieuwbouweis.

Artikel 3.70 (luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht)

De locatie van de ventilatieopeningen kan een belangrijke rol spelen bij de luchtkwaliteit in een daarop aangesloten ruimte. Het artikel luchtkwaliteit uit het Bouwbesluit 2012 is in dit besluit gesplitst in twee delen, dit artikel (gericht op de toevoer van ventilatielucht) en artikel 3.71 (gericht op de afvoer van binnenlucht).

Dit artikel regelt dat de aanvoer van ventilatielucht zodanig moet zijn dat de toegevoerde lucht daadwerkelijk verse lucht is en dat de toegevoerde lucht niet kan leiden tot een voor de gezondheid schadelijk binnenmilieu.

Het eerste lid regelt voor alle gebruiksfuncties dat bij een liftschacht van een brandweerlift de toevoer van ventilatielucht rechtstreeks van buiten of via de liftmachineruimte moet plaatsvinden. De liftmachineruimte moet dan in directe verbinding met de buitenlucht staan (al dan niet via een kanalensysteem). Deze regel beperkt de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte. Hoewel deze eis voor bestaande bouw is toegespitst is op de veiligheid van personen is deze eis toch in deze vooral op de gezondheid van personen gerichte afdeling opgenomen omwille van voor de praktijk logisch groeperen van ventilatie-eisen. Zie voor een toelichting op het begrip brandweerlift de toelichting op bijlage I.

Het tweede lid geeft aan dat de toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval rechtstreeks van buiten moet plaatsvinden om de kans op vervuiling van de binnenlucht in andere ruimten, bijvoorbeeld door een onbedoelde terugstroom van ventilatielucht, zo veel mogelijk te beperken.

In het derde lid is geregeld dat de toevoer van verse lucht naar wegtunnelbuis rechtstreeks van buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks van respectievelijk naar buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden aan- en afgevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse aan- en afvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.

Artikel 3.71 (luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht)

Dit artikel regelt dat de afvoer van ventilatielucht zodanig moet zijn dat deze afvoer de luchtkwaliteit in de betreffende ruimte of andere ruimten van een gebouw niet op een voor de gezondheid nadelige wijze beïnvloedt. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 3.70.

Het eerste lid regelt voor alle gebruiksfuncties dat bij een liftschacht van een brandweerlift de toevoer van ventilatielucht rechtstreeks naar buiten of via de liftmachineruimte plaatsvindt. De liftmachineruimte moet dan in directe verbinding met de buitenlucht staan (al dan niet via een kanalensysteem). Deze regel beperkt de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte. Zie voor een toelichting op het begrip brandweerlift de toelichting op bijlage I. Hoewel deze eis voor bestaande bouw is toegespitst is op de veiligheid van personen is deze eis toch in deze vooral op de gezondheid van personen gerichte afdeling opgenomen omwille van voor de praktijk logisch groeperen van de ventilatie-eisen.

Het tweede lid geeft aan dat de afvoer van binnenlucht uit een toiletruimte, een badruimte en een opslagruimte voor huishoudelijk afval rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden om de kans op vervuiling van de binnenlucht in andere ruimten zo veel mogelijk te beperken.

In het derde lid is geregeld dat de afvoer van binnenlucht van een wegtunnelbuis rechtstreeks naar buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks naar buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden afgevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse afvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.

De eis van het vierde lid heeft niet betrekking op alle afgevoerde binnenlucht uit de ruimte, maar op ten minste 21 dm3/s.

De capaciteit die hierboven uit gaat mag via een andere ruimte worden afgevoerd. Opgemerkt wordt dat dat dan geen ruimte mag zijn waar alle ventilatielucht direct van buiten moet worden aangevoerd. Zie ook het tweede lid.

§ 3.3.3 Spuivoorziening
Algemeen

Het principe van de spuivoorziening is dat in een gebouw ramen, luiken of deuren zo tegen elkaar open gezet kunnen worden dat er een flinke luchtstroming of -circulatie door de ruimte ontstaat. Soms kan het daarbij nodig zijn om naast de ramen, luiken of deuren in de gevel of het dak ook de binnendeuren tussen afzonderlijke ruimten open te zetten.

De regels van deze paragraaf zijn bij bestaande bouw alleen van toepassing op de woonfunctie en de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. Bij bestaande bouw is in afwijking van nieuwbouw geen eis gesteld aan de afstand tot de perceelsgrens.

Artikel 3.72 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, geeft aan dat een bouwwerk een voorziening moet hebben voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de andere gebruiksfuncties dan de woonfunctie en de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 3.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 3.73 (capaciteit)

In een gebouw kunnen zich soms situaties voordoen dat snel een zeer grote mate van luchtverversing (doorspuiing) moet kunnen plaatsvinden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het ’s ochtends luchten van een slaapkamer, het openzetten van het keukenraam na het koken van een maaltijd en het even openzetten van een raam in het kinderdagverblijf na het verschonen van een luier of kleding na een ongelukje van een van de peuters. De normale ventilatie (zie paragraaf 3.3.2) is niet afgestemd op deze tijdelijke verhoogde ventilatiebehoefte. Met het oog op zulke situaties is voorgeschreven dat er in de gevel of het dak van een woning of van een woonwagen voldoende beweegbare ramen, luiken of deuren aanwezig moeten zijn. Bij bestaande bouw behoeft er in afwijking van nieuwbouw niet altijd een spuivoorziening via een te openen raam te zijn.

In het eerste lid is een regel opgenomen voor verblijfsruimten. Iedere verblijfsruimte moet een totaal aan beweegbare ramen, deuren en/of luiken hebben dat groot genoeg is om de voorgeschreven spuicapaciteit van ten minste 3 dm3 per m2 vloeroppervlakte van de desbetreffende verblijfsruimte te waarborgen. Voor de bepalingsmethode wordt verwezen naar NEN 8087 die op in het verleden gerealiseerde spuivoorzieningen is afgestemd.

Het tweede lid geeft aan dat de regel van het eerste lid niet van toepassing is op een gemeenschappelijke verblijfsruimte van een woonfunctie.

Het derde lid bepaalt dat de spuicapaciteit ook mag worden gerealiseerd met de reguliere (dikwijls mechanische ventilatievoorziening) op voorwaarde dat deze de in het eerste lid bedoelde capaciteit kan geven.

§ 3.3.4 Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht
Artikel 3.74 (aansturingsartikel)

Het eerste lid geeft de functionele eis, een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft zodanige voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, dat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. Het gaat er om dat er geen onvolledige verbranding ten gevolge van onvoldoende toevoer van verbrandingslucht plaatsvindt en dat de bij het gebruik van een verbrandingstoestel vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes naar buiten kunnen worden afgevoerd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 3.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfunctie van toepassing is.

Artikel 3.75 (aanwezigheid)

Dit artikel regelt in het eerste lid de aanwezigheid van voorzieningen voor de afvoer van rookgas en voor de toevoer van verbrandingslucht bij verbrandingstoestellen die op gas, olie of vaste brandstof worden gestookt. Het gaat hier om voorzieningen zoals rookgasafvoerkanalen of schoorstenen en luchtroosters of ventilatiekanalen. Van deze regels zijn een kooktoestel of warmwatertoestel met open verbranding en een gering vermogen (nominale belasting niet meer dan 15 kW) uitgezonderd. Voor een dergelijk verbrandingstoestel voorziet de voorziening voor luchtverversing in een voldoende toevoer en afvoer. Het eerste lid van dit artikel heeft dus geen betrekking op een regulier kooktoestel in de keuken (verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel) of een traditionele (keuken)geiser. Artikel 3.67, derde lid, schrijft daarvoor al voldoende ventilatiecapaciteit voor om de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas via de ventilatievoorziening te kunnen waarborgen. Heeft een verbrandingstoestel een mogelijkheid voor aansluiting op een rookgasafvoerkanaal (schoorsteen), dan zal dat toestel, ook bij een gering vermogen, alleen veilig functioneren als dat toestel daadwerkelijk op een schoorsteen is aangesloten.

Het tweede lid regelt dat een geiser niet in een toiletruimte of badruimte (badkamer) mag liggen. In het verleden was het niet ongebruikelijk dat er badkamergeisers met open verbranding werden toegepast. Het risico van deze toestellen vanwege de grote verbrandingscapaciteit in een relatief kleine ruimte op bijvoorbeeld een koolmonoxide vergiftiging is zodanig groot geacht, dat een klassieke badkamergeiser ook in een situatie die in het verleden werd goedgekeurd naar huidige maatstaven onacceptabel is.

In het Bouwbesluit 2012 was deze eis nog opgenomen onder ‘Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie’. Het oogmerk van deze eis is niet het beperken van brandgevaar, maar het voorkomen van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.

Artikel 3.76 (capaciteit: afvoer van rookgas)

Een afvoervoorziening voor rookgas moet voldoende capaciteit hebben. Hoeveel rookgas moet worden afgevoerd is afhankelijk van de belasting van de te plaatsen verbrandingstoestellen en de te gebruiken brandstof. In dit artikel wordt niet meer zoals in het Bouwbesluit 2012 gebruik gemaakt van onafhankelijk van het verbrandingstoestel te bepalen waarden voor de berekening van de rookgasafvoer. In de praktijk blijkt deze namelijk sterk afhankelijk van de specifieke situatie, waarbij de specificaties van het feitelijk te plaatsen verbrandingstoestel sterk kunnen variëren en zodoende leiden tot een sterk verschillende behoefte aan afvoercapaciteit.

In overleg met de voor dit onderwerp verantwoordelijke NEN-commissie is besloten voortaan uit te gaan van de praktijk waarbij de producenten/leveranciers van toestellen in hun installatievoorschriften aangeven welke capaciteit er moet zijn voor hun toestel.

Het eerste lid heeft betrekking op de afvoer van rookgas bij een een verbrandingstoestel met een nominale belasting van ten hoogste 130 kW. Een cv-ketel van een reguliere woning valt onder deze categorie. Een afvoervoorziening voor rookgas moet voldoende capaciteit hebben om de bij de verbranding vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes te kunnen afvoeren. Bij het bepalen van die capaciteit moet net als bij de toevoervoorziening voor verbrandingslucht worden uitgegaan van de toestelspecificaties. Dit geldt zowel voor een toestel met als zonder toestelventilator. Is bij een toestel met toestelventilator in de specificaties de door de ventilator opgewekte volumestroom genoemd dan kan deze volumestroom als uitgangspunt worden genomen.

Het tweede lid geeft een functionele eis voor de capaciteit van de voorziening voor de afvoer van rookgas van een verbrandingstoestel met een totale capaciteit van meer dan 130 kW.

De capaciteit moet in ieder geval zodanig zijn dat in het te plaatsen verbrandingstoestel een doeltreffende verbranding mogelijk is. De verbranding is doeltreffend als de verbranding volgens de specificaties van het verbrandingstoestel verloopt. Bij dergelijke grote verbrandingstoestellen wordt in het algemeen ook de benodigde capaciteit aan afvoer van rookgas in de toestelspecificaties vermeld. Dit geldt zowel voor toestellen zonder als met toestelventilator. Is bij een toestel met toestelventilator in de specificaties de door de ventilator opgewekte volumestroom genoemd dan kan deze volumestroom als uitgangspunt worden genomen.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een verbrandingstoestel dat bedoeld is voor aansluiting op een rookgasafvoer, vanwege veiligheid en gezondheid niet gebruikt mag worden als deze niet op of niet op juiste wijze op een rookgasafvoer is aangesloten. Ook als de nominale belasting van dat toestel kleiner is dan 15 kW. Als het voor aansluiting op een rookgasafvoer bedoelde verbrandingstoestel niet op juiste wijze op een rookgasafvoer is aangesloten, dan kan daar tegen worden opgetreden op grond van de specifieke zorgplicht (artikel 3.5). Het derde lid stelt eisen aan de capaciteit van een afvoervoorziening die zowel bestemd is voor de afvoer van rookgas als voor de afvoer van binnenlucht.

Het vierde lid is bedoeld om zeker te stellen dat de rookgassen vanuit het verbrandingstoestel in de richting van de uitmonding van de rookgasafvoervoorziening (schoorsteen) stromen. Er moet worden voorkomen dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes terugstromen en dan via het verbrandingstoestel of de trekonderbreker alsnog het gebouw binnendringen. Bij de bepaling van de stromingsrichting mogen buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen, zoals het huis of de schuur van de buren buiten beschouwing blijven.

Artikel 3.77 (capaciteit: toevoer van verbrandingslucht)

Een toevoervoorziening voor verbrandingslucht moet zorgen voor voldoende toevoer van lucht voor het verbrandingstoestel. Hoeveel verbrandingslucht er nodig is, is afhankelijk van de belasting van de te plaatsen verbrandingstoestellen en de te gebruiken brandstof. In dit artikel wordt niet meer zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012 gebruik gemaakt van onafhankelijk van het verbrandingstoestel te bepalen waarden voor de berekening van de toevoer voor afzonderlijke toestellen. In overleg met de voor dit onderwerp verantwoordelijke NEN-commissie is besloten voortaan uit te gaan van de praktijk waarbij de producenten/leveranciers van toestellen in hun installatievoorschriften aangeven welke capaciteit er moet zijn voor hun toestel.

Het eerste lid bepaalt dat de toevoer van verbrandingslucht bij opstelplaatsen voor verbrandingstoestellen met een totale capaciteit van ten hoogste 130 kW ten minste de daarvoor in de toestelspecificaties genoemde capaciteit moet hebben. Of de toevoervoorziening die capaciteit daadwerkelijk heeft kan worden bepaald met NEN 8087. De bepalingsmethode wijkt af van de bepalingsmethode voor nieuwbouw waarvoor naar NEN 1087 wordt verwezen.

Het tweede lid geeft een functionele eis voor de capaciteit van de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht bij een opstelplaats voor een verbrandingstoestel met een totale capaciteit van meer dan 130 kW. De capaciteit moet in ieder geval zodanig zijn dat in het te plaatsen verbrandingstoestel een doeltreffende verbranding mogelijk is. De verbranding is doeltreffend als de verbranding volgens de specificaties van het verbrandingstoestel verloopt. Bij dergelijke grote verbrandingstoestellen wordt in het algemeen ook de daarvoor benodigde capaciteit aan toevoer van verbrandingslucht in de toestelspecificaties vermeld.

Het derde lid van dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de toevoervoorziening lucht afvoert in plaats van toevoert. Bij de bepaling van de stromingsrichting mogen buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen, zoals het huis of de schuur van de buren buiten beschouwing blijven.

Artikel 3.78 (rookdoorlatendheid)

De in artikel 3.78 gestelde eis aan de rookdoorlatendheid van de afvoervoorziening voor rookgas geeft aan dat een rookkanaal niet zodanig lek mag zijn dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen het gebouw kunnen verspreiden.

Het aansluitkanaal tussen een verbrandingstoestel en een rookkanaal zijn onderdelen van de afvoervoorziening van rookgas. Ook het aansluitkanaal en de aansluiting tussen het aansluitkanaal en het rookkanaal zal dus moeten voldoen aan de in dit artikel gestelde rookdoorlatendheidseis.

§ 3.3.5 Bescherming tegen ratten en muizen
Artikel 3.79 (aansturingsartikel)

De functionele eis bepaalt dat een bouwwerk zodanig moet zijn dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de industriefunctie, overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 3.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 3.80 (openingen)

Het eerste lid van artikel 3.80 geeft aan dat er in de schil geen openingen mogen zitten die breder zijn dan 0,01 m. Uitzonderingen hierop zijn afsluitbare openingen (ramen, deuren en luiken) en de uitmonding van de afvoervoorziening voor luchtverversing, de uitmonding voor een afvoervoorziening voor rook en de uitmonding van een beluchting van het binnenriool voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater. Dit betekent dat andere openingen, zoals een toevoervoorziening voor luchtverversing of afsluitbaar moeten zijn of zijn voorzien van een rooster met openingen die niet breder zijn dan 10 mm.

Het tweede lid geeft een specifieke bepaling voor openingen voor een nest of een rust- of verblijfplaats voor een beschermde diersoort. De Wet Natuurbescherming geeft aan welke diersoorten beschermd zijn. Een eventuele opening voor bijvoorbeeld een vogelnest of nestkast die onderdeel uit maakt van het bouwwerk is op grond van dit tweede lid niet aan afmetingseisen gebonden. Uiteraard moet bij het realiseren van een nestgelegenheid worden opgelet dat er geen ongedierte via de nestgelegenheid de spouw of de rest van het bouwwerk kan binnendringen.

§ 3.3.6 Daglicht
Artikel 3.81 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid bepaalt dat een bouwwerk zodanig moet zijn dat daglicht in voldoende mate kan toetreden. De bedoeling van deze paragraaf is te bereiken dat er uit een oogpunt van gezondheid voldoende daglicht kan toetreden in het bouwwerk. Deze regels hebben dus niet het waarborgen van uitzicht tot doel.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de andere bijeenkomstfunctie, de industriefunctie, de logiesfunctie, de sportfunctie, de winkelfunctie, de overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 3.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook kracht de arbeidsomstandighedenregelgeving eisen gesteld kunnen zijn aan de daglichttoetreding.

Artikel 3.82 (daglichtoppervlakte)

De bedoeling van dit artikel is te bereiken dat er uit een oogpunt van gezondheid voldoende daglicht kan toetreden tot een verblijfsgebied of verblijfsruimte.

Dit artikel heeft dus niet het waarborgen van uitzicht vanuit de genoemde ruimten tot doel. Dat aspect wordt aan de markt overgelaten. In NEN 2057 is aangegeven op welke wijze de vereiste daglichtoppervlakte moet zijn bepaald. Daarbij wordt onder equivalente daglichtoppervlakte verstaan de daglichtopening, voor zover hoger gelegen dan 60 cm boven de vloer, die met de in die norm aangegeven reductiefactoren wordt vermenigvuldigd. Daarbij wordt rekening gehouden met bepaalde belemmeringen zoals dakoverstekken en uitkragende balkons, die de toetreding van daglicht kunnen beperken.

De eis van het eerste lid geeft een minimum eis voor de daglichtopening van een verblijfsruimte. De oppervlakte wordt uitgedrukt als equivalente daglichtoppervlakte. Deze kan worden bepaald volgens NEN 2057. Bij bestaande bouw wordt in de regeling verwezen naar de uitgave van het normblad NEN 2057, 2001. Deze uitgave wijkt inhoudelijk af van de voor nieuwbouw aangestuurde meer recente uitgave.

Uit tabel 3.81 blijkt dat de getalswaarde van deze oppervlakte ten minste 0,5 moet bedragen, behalve bij de celfunctie waarbij moet worden uitgegaan van ten minste 0,15. De vereiste daglichtoppervlakte kan worden gerealiseerd door openingen in zowel uitwendige als inwendige scheidingsconstructies. Zo mag bijvoorbeeld wanneer er een serre aan de buitenkant van de gebruiksfunctie is, de daglichttoetreding via die serre zijn meegerekend voor een aangrenzend verblijfsgebied of aangrenzende verblijfsruimte. In tegenstelling tot bij nieuwbouw is er bij bestaande bouw niet een aan de vloeroppervlakte gerelateerde eis voor de daglichtopening.

Volgens het tweede lid behoeft bij het bepalen van de daglichttoetreding slechts rekening gehouden met bouwwerken die op hetzelfde bouwwerkperceel liggen (onderdeel a). Belemmeringen op het perceel van de buren mogen dus buiten beschouwing worden gelaten. Op die manier kan voor een gebruiksfunctie onafhankelijk van de omgeving worden nagegaan of de gebruiksfunctie aan de daglichteisen voldoet. Daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten op minder dan 2 m afstand van de perceelsgrens liggen blijven buiten beschouwing (onderdeel b). De afstand van 2 m is ontleend het Burgerlijk Wetboek. Wel moet men onafhankelijk van de omgeving (buiten het perceel gelegen objecten) rekening houden met een genormeerde belemmering van ten minste 25° (onderdeel c dat betrekking heeft op de aan te houden belemmeringshoek bij het bepalen van de equivalente oppervlakte). Op het eerste gezicht lijkt deze eis strenger dan de bij nieuwbouw aan te houden 20°. Het verschil tussen de 25° bij bestaande bouw en 20° bij nieuwbouw (artikel 4.147) komt doordat bij bestaande bouw wordt uitgegaan van NEN 2057 (2001) terwijl bij nieuwbouw een latere versie van het zelfde normblad met een nieuwe bepalingsmethode wordt aangestuurd. Bij berekening met de oude NEN 2057 komt een hellingshoek van 25° vrijwel overeen met een volgens de bij nieuwbouw aangewezen bepalingsmethode bij een hellingshoek van 20°. Een nadere toelichting hierop is te vinden in bijlage C van het nieuwbouwnormblad (zie ook figuur C.1 in genoemde bijlage). In deze bepalingsmethode wordt uitgegaan van een ander ‘projectievlak’ en een nauwkeuriger berekeningsmethodiek.

Het derde lid bepaalt dat de daglichteisen niet van toepassing zijn voor gebouwen die een rol spelen in de landsverdediging of de bescherming van de bevolking zoals als schuilkelders.

Het vierde lid geeft aan dat een afzonderlijke slaapruimte in een kinderdagverblijf geen daglichttoetreding behoeft te hebben. In een ruimte die naast voor slapen ook bedoeld is voor spelactiviteiten is daglichttoetreding wel voorgeschreven.

Met vijfde lid zijn de daglichteisen afgestemd op de daglichteisen als bedoeld in de Regeling politiecellencomplex.

Omdat daglichttoetreding in bijvoorbeeld onderzoeks- en operatieruimten van een gezondheidszorgfunctie vaak onnodig of zelfs onwenselijk is, bepaalt het zesde lid, dat daglichttoetreding uitsluitend nodig is in een bedgebied in een gezondheidszorgfunctie.

Het zevende lid voorziet in de mogelijkheid om bijvoorbeeld een aula, of grote onderwijsruimte in het universitair onderwijs zonder daglichtopeningen te maken.

In een incidenteel geval kan het voorkomen dat de volgens de regels voor bestaande bouw aan te houden uitgangspunten, waaronder de bepalingsmethode een minder gunstig resultaat geeft dan een berekening op basis van de nieuwbouwregel. In een dergelijk geval mag op grond van het achtste lid de nieuwbouwregel worden toegepast. De keuze is aan de gebouweigenaar of gebruiker. Het bevoegd gezag zal haar oordeel op die keuze moeten baseren.

Afdeling 3.4 Duurzaamheid
Artikel 3.83 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een (bestaand) bouwwerk voldoende energiezuinig moet zijn.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Daaruit volgt dat de regels van toepassing zijn op vrijwel elke gebruiksfunctie met uitzondering van de ‘reguliere’ woonfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.84 (energiebesparende maatregelen)

In het eerste lid is de eis uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, verwerkt.

Dit lid regelt dat aan een gebouw of gedeelte daarvan alle energiebesparende maatregelen moeten worden getroffen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of minder.

Het tweede lid geeft de uitzonderingen op deze eis. De verplichting geldt niet voor een gebouw waarop artikel 5.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is (a). En ook niet voor een gebouw met zowel een elektriciteitsgebruik van minder dan 50.000 kWh als een brandstofgebruik van minder dan 25.000 m3 aardgasequivalenten (b). De derde uitzondering (c) geldt voor een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat geen energielabel behoeft te hebben (artikel 6.28) en voor overheidsgebouwen waarvoor artikel 3.85 geldt.

Het derde lid geeft een speciale regeling voor een groep gebouwen van één eigenaar of één gebruiker. Als deze gebouwen op het zelfde bouwwerkperceel liggen of één of meer aangrenzende percelen, dan moet bij het berekenen van het in het tweede lid bedoelde energieverbruik worden uitgegaan van het gezamenlijke energieverbruik van die gebouwen.

Het vierde lid bepaalt dat in ieder geval aan de eis van het eerste lid is voldaan wanneer de voor een specifiek gebouw relevante maatregelen, die zijn opgenomen in de ministeriele regeling, zijn getroffen. Afhankelijk van het soort gebouw, het bouwjaar en het energielabel moet aan een specifiek pakket maatregelen worden voldaan om van het vierde lid gebruik te kunnen maken. Deze maatregelen staan in de praktijk ook bekend als ‘erkende maatregelen’.

Artikel 3.85 (uitvoering van aanbevelingen bij het energielabel)

Een overheidsinstantie moet voor een gebouw of gedeelte daarvan dat in haar eigendom is, de in artikel 6.29, eerste lid, bedoelde aanbevelingen binnen de geldigheidsperiode van het energielabel uitvoeren. Deze eis vloeit voort uit de richtlijn energieprestatie van gebouwen.

Artikel 3.86 (afbakening maatwerkvoorschriften energiebesparende maatregelen)

Dit artikel regelt dat een maatwerkvoorschrift over artikel 3.84 alleen kan gaan over de gefaseerde uitvoering van de in artikel 3.84, eerste lid, bedoelde maatregelen. Meer concreet betekent dit dat de gemeente alleen afspraken mag maken over het tijdpad bij de uitvoering van de maatregelen.

Artikel 3.87 (overgangsrecht: energiebesparende maatregelen)

Vanwege het tijdelijk karakter van deze regelgeving en omdat de inhoud en systematiek van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de bijbehorende erkende maatregelen afwijken van het voorliggende besluit is besloten deze regels door overgangsrecht in stand te houden en niet te verwerken in de inhoudelijke regels in dit besluit. De erkende maatregelen zijn gekoppeld aan het Energieakkoord dat loopt tot 31 december 2020 en dus van beperkte duur. Ook na 31 december 2020 is energiebesparing nodig. Er wordt daarom gewerkt aan nieuw en samenhangend stelsel van energiebesparende regels voor utiliteitsgebouwen dat met ingang van 1 januari 2021, maar zo mogelijk eerder, zal worden opgenomen in het voorliggende besluit.

Met dit overgangsrecht is geregeld dat de erkende maatregelen voor energiebesparing die met de vierde tranche wijziging van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling zijn geïntroduceerd tot 31 december 2020 blijven gelden. Daarmee blijven de in het Energieakkoord opgenomen ambities ten aanzien van energiebesparing geborgd. Hetzelfde zal overigens gelden voor wijzigingen van hiervoor genoemd besluit en de daarmee samenhangende regeling die nog zijn voorzien voor de inwerkingtreding van de uitvoeringsregels onder de Omgevingswet.

Afdeling 3.5 Bruikbaarheid

Vergeleken met het Bouwbesluit 2012 zijn de bruikbaarheidseisen niet meer van toepassing op niet voor bewoning bestemde bouwwerken (utiliteitsbouw). Voor de woonfunctie zijn alle bruikbaarheidsvoorschriften echter in stand gehouden. Dit volgt uit de aansturing. De invulling van deze kwaliteitsaspecten bij utiliteitsbouw wordt in het vervolg volledig aan burgers, bedrijven en markt overgelaten. Gemeenten kunnen hieraan ook geen (nadere) eisen stellen. Het vervallen van eisen bij bestaande bouw geldt niet voor de eisen voor de bereikbaarheid van een gebouw voor mensen met een functiebeperking.

§ 3.5.1 Verblijfsgebied en verblijfsruimte
Artikel 3.88 (aansturingsartikel)

In de functionele eis van artikel 3.88, eerste lid, is aangegeven dat een woonfunctie een verblijfsgebied moet hebben waarin de voor het wonen kenmerkende activiteiten kunnen plaatsvinden. Dat verblijfsgebied kan worden ingedeeld in verblijfsruimten en andere ruimten. Als er geen indeling in afzonderlijke ruimten is gemaakt dan geldt het verblijfsgebied in zijn geheel als verblijfsruimte. Niet alleen een woonfunctie, maar ook andere voor het verblijven van personen bestemde gebruiksfuncties moeten een verblijfsgebied hebben. Dit volgt uit de in bijlage I bij artikel 1.1 bedoelde begripsbepalingen. Uit artikel 3.88 volgt echter dat alleen bij de woonfunctie het verblijfsgebied moet voldoen aan de in paragraaf 3.5.1 bedoelde bruikbaarheidseisen

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.89 (aanwezigheid)

Om de voor een wonen kenmerkende activiteiten te kunnen verrichten is het noodzakelijk dat er in een woonfunctie voldoende vloeroppervlakte aan verblijfsgebied aanwezig is. Uit de regel volgt dat een woonfunctie ten minste 10 m2 aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied moet hebben. Naast deze oppervlakte aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied mag er ook gemeenschappelijk verblijfsgebied zijn. Aan de oppervlakte aan gemeenschappelijk verblijfsgebied is echter geen minimum verbonden.

Dat aan andere gebruiksfuncties geen minimale oppervlakte aan verblijfsgebied is voorgeschreven wil niet zeggen dat die gebruiksfuncties geen verblijfsgebied zullen hebben. Omdat bij elke voor het verblijven van personen bestaande gebruiksfunctie, elke ruimte waarin een voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteit plaatsvindt een verblijfsgebied. Zodoende zal bij elke voor het verblijven van personen bestemde gebruiksfunctie een verblijfsgebied moeten hebben.

Artikel 3.90 (afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte)

In dit artikel worden eisen gesteld aan de afmetingen van verblijfsgebieden en verblijfsruimten. Het eerste lid geeft aan dat Iedere woonfunctie ten minste een verblijfsgebied moet hebben met een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 7,5 m2 en een breedte van ten minste 2,4 m. Een ruimte van deze afmetingen biedt voldoende ruimte voor een zithoek voor vier personen. Dit wil overigens niet zeggen dat het verplicht is om daadwerkelijk in deze ruimte een zithoek te maken. Het staat de bewoners vrij om de ruimte te benutten voor een andere woonactiviteit of inrichting.

Als een gedeelte van het gebouw niet verblijfsgebied heeft dat aan deze eisen voldoet, dan kan dat gedeelte niet worden aangemerkt als een zelfstandige woonfunctie. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat deze eis niet van toepassing is op een wooneenheid, zoals een wooneenheid van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur. Ook in een woonfunctie voor kamergewijze verhuur zal echter ten minste een verblijfsgebied zijn dat aan deze eisen voldoet. Deze kan evengoed in een van de wooneenheden liggen als in een gezamenlijke gedeelte, zoals een gezamenlijke keuken, zit- of eetruimte.

Uit het tweede lid (hoogte boven de vloer) blijkt dat een verblijfsgebied moet voldoen aan het in tabel 4.161 bij de waarden aangegeven hoogte boven de vloer.

Alleen als aan de in het tweede lid gestelde hoogteeis is voldaan mag een vloeroppervlakte worden meegeteld bij het in artikel 3.89 bedoelde vloeroppervlakte aan verblijfsgebied.

§ 3.5.2 Toiletruimte
Artikel 3.91 (aansturingsartikel)

In de functionele eis van artikel 3.88, eerste lid, is aangegeven dat een woonfunctie voldoende toiletruimte moet hebben.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels zijn alleen van toepassing op een woonfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.92 (aanwezigheid)

Dit artikel regelt dat elke woning (woonfunctie) een toiletruimte moet hebben. Het is echter niet zo dat de toiletruimte in de woning moet liggen. In artikel 2.7 is tenslotte als uitganspunt gesteld dat elke elke ruimte en voorziening gemeenschappelijk mag zijn, tenzij anders is bepaald.

Artikel 3.93 (afmetingen)

Dit artikel heeft alleen betrekking op voorgeschreven toiletruimten.

De vloeroppervlakte van de toiletruimte zal ten minste 0,64 m2 bij een breedte van ten minste 60 cm en een hoogte van ten minste 2 meter. Een extra toiletruimte, bijvoorbeeld onder een trap of schuin dak, behoeft niet aan deze afmetingseisen te voldoen.

§ 3.5.3 Opstelplaatsen
Artikel 3.94 (aansturingsartikel)

De functionele eis geeft aan dat een woonfunctie opstelplaatsen voor een aanrecht en een kooktoestel moet hebben.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels zijn alleen van toepassing op een woonfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.95 (aanwezigheid)

Dit artikel bepaalt voor de woonfunctie dat deze een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel moet hebben. Deze opstelplaatsen moeten in een besloten ruimte liggen. De opstelplaatsen hoeven dus niet bij elkaar te liggen en ook niet in een verblijfsruimte of verblijfsgebied. In artikel 2.7 is als uitganspunt gesteld dat elke elke ruimte en voorziening gemeenschappelijk mag zijn, tenzij anders is bepaald. Voor de in deze paragraaf bedoelde opstelplaatsen geeft dit besluit geen afwijking op deze hoofdregel.

Artikel 3.96 (afmetingen)

Artikel 3.96, geeft de minimum opstelruimten voor een aanrecht en voor een kooktoestel. Dit voorschrift regelt de plaats die voor deze voorzieningen moet worden gereserveerd, maar niet de feitelijke aanwezigheid daarvan.

Afdeling 3.6 Toegankelijkheid, bereikbaarheid vanaf de openbare weg
Algemeen

De regels van deze paragraaf zijn van toepassing op een bestaand bouwwerk met een toegankelijkheidssector. Een bestaand bouwwerk moet een toegankelijkheidssector hebben als dit bij de totstandkoming van dat bouwwerk was voorgeschreven. In afdeling 4.6 zijn de eisen aan de bouwkundige voorzieningen voor toegankelijkheid opgenomen.

Artikel 3.97 (aansturingsartikel)

De in het eerste lid opgenomen functionele eis luidt dat een bouwwerk met een toegankelijkheidssector vanaf de openbare weg toegankelijk moet zijn voor personen met een functiebeperking. Dit betekent dat een bouwwerk met een toegankelijkheidssector door iedereen vanaf de openbare weg moet kunnen worden bereikt. Voor een toelichting op het begrip toegankelijkheidssector wordt verwezen naar de toelichting op bijlage I. Of een bestaand bouwwerk een toegankelijkheidssector heeft of zou moeten hebben kan worden afgelezen in de bouwvergunning of de omgevingsvergunning voor het bouwen, die aan de bestaande situatie ten grondslag ligt.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf.

Artikel 3.98 (bereikbaarheid van een gebouw)

Het eerste lid van artikel 3.98 geeft aan dat er tussen de toegang van een toegankelijkheidssector van een gebouw en de openbare weg een ook voor gehandicapten begaanbare route (weg of pad) aanwezig moet zijn met een breedte van ten minste 1,1 m. Bij een hoogteverschil van meer dan 2 cm moet dat hoogteverschil zijn overbrugd door een hellingbaan. Zie voor de eisen aan een bestaande hellingbaan § 3.2.4. Of een bestaand bouwwerk een toegankelijkheidssector heeft of zou moeten hebben kan worden afgelezen in de bouwvergunning of de omgevingsvergunning voor het bouwen, die aan de bestaande situatie ten grondslag ligt. Dit geldt ook voor de vraag welke toegang van het gebouw aan de toegankelijkheidssector grenst en zodoende vanaf de openbare weg bereikbaar moet zijn.

Of er een toegankelijkheidssector moet zijn volgt dus niet uit de regels voor bestaande bouw.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 5.4 regelt dat een gebouw dat voor een verbouwing rolstoeltoegankelijk was, ook na de verbouwing rolstoeltoegankelijk moet zijn.

Het tweede lid bevat de eisen waaraan een doorgang op een in het eerste lid bedoelde weg of pad moet voldoen. Een dergelijke doorgang moet een vrije breedte hebben van ten minste 0,85 m en een vrije hoogte van ten minste 2 m. Voor definitie van de begrippen vrije breedte en vrije hoogte wordt verwezen naar bijlage I.

Afdeling 3.7 Bouwwerkinstallaties
Algemeen

De voorschriften over bouwwerkinstallaties zijn bij bestaande bouw grotendeels gelijk aan de voorschriften bij nieuwbouw, zij het dat in de regeling bij dit besluit bij de aanwijzing van normbladen bij bestaande bouw vaak wordt uitgegaan van een oudere uitgave dan bij nieuwbouw. Dit kan echter niet leiden tot een hoger eisenniveau dan bij nieuwbouw.

§ 3.7.1 Verlichting
Artikel 3.99 (aansturingsartikel)

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat een bouwwerk een zodanige verlichtingsinstallatie moet hebben dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten. Deze functionele eis heeft geen betrekking op sociale veiligheid, arbeidsomstandigheden en bruikbaarheid. Dergelijk eisen aan de verlichtingsinstallatie volgen bijvoorbeeld uit specifieke programma’s van eisen of uit de krachtens de Arbeidsomstandighedenwet opgestelde zogenoemde arbocatalogie, die van geval tot geval kunnen variëren. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.100 (verlichting)

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een verlichtingsinstallatie en de vereiste verlichtingssterkte. Vanuit een oogpunt van gebruiksveiligheid (veilig vluchten) is in het algemeen een op de vloer (voor personen bestemde vloer of hellingbaanvloer) of het tredevlak (bovenzijde van een traptrede) gemeten verlichtingssterkte van 1 lux voldoende.

Bovenstaande uitgangspunten leiden ertoe dat op grond van het eerste lid voor bijna alle gebruiksfuncties een verlichtingsinstallatie in verblijfsruimten is voorgeschreven. Een in het eerste lid bedoelde verlichtingsinstallatie is niet vereist voor ruimten van een lichte industriefunctie (voor opslag, voor het houden van dieren of voor andere agrarische doeleinden), van een overige gebruiksfunctie of een bouwwerk geen gebouw zijnde. Deze gebruiksfuncties hebben in de regel functieruimten in plaats van verblijfsruimten.

Het tweede lid geeft voor ondergrondse stations en voor ondergrondse parkeergarages een soortgelijke regel als het eerste lid. In een functieruimte van een dergelijke gebruiksfunctie moet een verlichtingsinstallatie aanwezig zijn die voorziet in een op de vloer gemeten verlichtingssterkte van 1 lux. Zie bijlage I, onderdeel A, voor de definitie van en toelichting op het begrip functieruimte.

Het derde lid regelt dat in een functieruimte van een bovengrondse gebruiksfunctie voor het personenvervoer (stationsgebouw) met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 een verlichtingsinstallatie aanwezig moet zijn die voorziet in een op de vloer gemeten verlichtingssterkte van 1 lux.

Het vierde lid stelt de eis van 1 lux aan een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert. Een extra beschermde vluchtroute en een veiligheidsvluchtroute zijn een verbijzondering van een beschermde vluchtroute. Zodoende is deze eis ook op deze vluchtroutes van toepassing. Het vierde lid geldt voor alle gebruiksfuncties, behalve voor een lichte industriefunctie. Ook voor beschermde routes in bestaande bouwwerken is noodverlichting vereist. Of een vluchtroute een beschermde vluchtroute of beschermde route is volgt uit paragraaf 3.2.10. Als een vluchtroute door een ruimte voert die breder is dan de voor het vluchten benodigde breedte hoeft alleen in het gedeelte dat daadwerkelijk voor het vluchten nodig is noodverlichting te worden toegepast. Zie onderdeel A van bijlage I voor meer informatie over het begrip beschermde route.

Elke vloer, trap en hellingbaan van een wegtunnelbuis van een tunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m moet volgens het vijfde lid met 1 lux verlicht kunnen worden.

Artikel 3.101 (noodverlichting)

Om ook veilig te kunnen vluchten wanneer de elektriciteit uitvalt moet bij risicovolle situaties de verlichtingsinstallatie op een voorziening voor noodstroom zijn aangesloten (noodverlichting).

Op grond van het eerste lid is noodverlichting voorgeschreven voor verblijfsruimten met meer dan 75 personen en elke vluchtroute waarop de personen uit deze ruimte bij het vluchten zijn aangewezen, voor zover die routes door een besloten ruimte voeren. Het tweede lid richt zich op noodverlichting in een onder het meetniveau gelegen functieruimte.

Het derde lid schrijft noodverlichting voor in een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert.

Het vierde lid regelt de noodverlichting in een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m.

Uit het vijfde lid volgt dat alle noodverlichting binnen 15 seconden na het uitvallen van de hoofdvoorziening voor elektriciteit moet zijn geactiveerd en vervolgens gedurende ten minste 60 minuten aaneengesloten een verlichtingssterkte moet geven van ten minste 1 lux, gemeten op de vloer en het tredevlak.

Artikel 3.102 (aansluiting op voorziening voor elektriciteit)

Dit artikel regelt dat een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 3.100 en 3.101 moet zijnaangesloten op een voorziening voor elektriciteit.

Artikel 3.103 (verduisterde ruimte)

Dit artikel stelt een eis aan ruimten voor meer dan 50 personen waarin het gebruikelijk is om de normale verlichting te reduceren of uit te schakelen (bijvoorbeeld theaters en bioscopen). In een dergelijke ruimte is oriëntatieverlichting noodzakelijk zodat zo nodig in het donker kan worden gevlucht. Het gaat dan bijvoorbeeld om een lichtgevende markering van de route of het aanlichten van het gangpad of de traptreden naar een uitgang.

Artikel 3.104 (overgangsrecht: noodverlichting)

Artikel 3.104 geeft een uitzondering voor die gevallen waarin het bestaande gebruik van een bouwwerk sinds 1 maart 2012 niet is gewijzigd. Artikel 3.104 regelt dat de overgangsbepaling voor noodverlichting voortleeft, die nodig is vanwege de verzwaring van eisen aan noodverlichting in het Bouwbesluit 2012. Het is niet nodig om dit overgangsrecht te richten op de overgang van 6.3 van het Bouwbesluit 2012 naar dit besluit omdat bij deze overgang op dit aspect geen sprake is van een verzwaring van eisen.

§ 3.7.2 Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie
Algemeen

Het is niet voorgeschreven een elektriciteitsvoorziening te hebben en er worden geen eisen gesteld aan de omvang van de installatie, bijvoorbeeld het aantal stopcontacten. Maar als er een elektriciteitsvoorziening is dan gelden de eisen uit deze paragraaf. Een elektriciteitsvoorziening is in ieder geval nodig als er op grond van § 3.7.1 een verlichtingsinstallatie of noodverlichting nodig is.

Elektrische apparatuur die met aansluitsnoeren en verlengsnoeren op de elektriciteitsvoorziening wordt aangesloten valt niet onder de reikwijdte van deze paragraaf. De veiligheid van dergelijke elektrische apparatuur, snoeren en verlichtingsornamenten is geregeld in de Warenwet. Het veilig gebruik van dergelijke zaken en van niet in de handel gebrachte (onveilige) apparatuur onttrekt zich in het algemeen aan de beoordeling, maar kan zo nodig worden afgedwongen met behulp van de in artikel 1.8 van de wet bedoelde algemene zorgplicht en de in artikel 6.4 van dit besluit bedoelde specifieke zorgplicht: brandveilig gebruik van bouwwerken.

Ook gasvoorzieningen zijn niet voorgeschreven, maar moeten als ze aanwezig zijn voldoen aan de eisen in deze paragraaf. De verplichting om aan te sluiten op een distributienet voor elektriciteit of gasuit het Bouwbesluit 2012 (artikel 6.10) is vervallen. In dit besluit wordt niets meer geregeld over het aansluiten op distibutienetten. Een gemeenten kunnen hiervoor in een omgevingsplan lokale regels opstellen.

Een op de voorziening voor het afnemen of gebruiken van energie van een gebruiksfunctie aangesloten tuinverlichting of gasvoorziening in de tuin is een onderdeel van die bouwwerkinstallatie. De in de buitenlucht, in de grond grond, in een schuurtje of onder water aangebrachte onderdelen van de bouwwerkinstallatie zullen moeten voldoen aan de voor die specifieke situatie geldende eisen.

Als een terrein, erf of tuininstallatie niet is aangesloten op de bouwwerkinstallatie, dan zijn de eisen van dit besluit niet op deze terrein, erf of tuininstallatie van toepassing. Gemeenten hebben de bevoegheid om nadere eisen te stellen aan een installatie die geen bouwwerkinstallatie is.

De eisen van deze paragraaf zijn ook van toepassing op voorzieningen die niet in het bouwwerk zelf zijn gelegen, maar wel aangesloten op de bouwwerkinstallatie. Voorbeelden hiervan zijn tuinverlichting en voorzieningen in een bij woning behorende schuur.

Artikel 3.105 (aansturingsartikel)

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie veilig moet zijn zodat die voorziening in aanwezigheid en het gebruik geen onaanvaardbare ongevallen met zich kan meebrengen, zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden en verwondingen door explosies. Deze functionele eis is uitvoeriger beschreven dan in het Bouwbesluit 2012. Daar was alleen sprake van ‘ een veilige voorziening’. De nieuwe functionele eis geeft duidelijker aan wat wordt bedoeld met een veilige voorziening.Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf.

Artikel 3.106 (voorziening voor elektriciteit)

Dit artikel regelt dat een elektriciteitsvoorziening moet voldoen aan de veiligheidsregels van NEN 1010 bij lage spanning en bij hoge spanning V 1041. Deze eis is niet van toepassing op een bouwwerk zonder elektriciteitsvoorziening.

In de regeling bij dit besluit is aangegeven welke uitgave van NEN 1010 van toepassing is voor bestaande bouw. Het is niet voorgeschreven een elektriciteitsvoorziening te hebben en er worden geen eisen gesteld aan de omvang van de installatie, bijvoorbeeld het aantal stopcontacten. Maar als er een elektriciteitsvoorziening is dan gelden de eisen uit deze paragraaf. Deze eisen gelden zowel voor elektriciteitsvoorziening die is aangesloten op een distributienet als op een eigen stroomvoorziening.

Artikel 3.107 (voorziening voor gas)

Dit artikel regelt dat een bestaande voorziening voor gas moet voldoen aan NEN 8078. Het is niet voorgeschreven een gasvoorziening te hebben en er worden geen eisen gesteld aan de omvang van de installatie en dus ook niet aan het aantal aansluitingen in het bouwwerk. Bij een bestaande voorziening voor gas kan bij een nominale werkdruk tot en met 0,5 bar worden volstaan met het lagere niveau van eisen van NEN 8078. Bij een bestaande gasvoorziening met een hogere werkdruk dan 0,5 bar geldt NEN 2078, waarbij mag worden uitgegaan van het normblad uit 1987. Bij nieuwbouw moet worden uitgegaan van NEN-EN 15001-1. Bij meer dan 40 bar stelt dit besluit geen eisen.

Deze eisen gelden zowel voor een gasvoorziening die is aangesloten op een distributienet of een andere voorziening voor levering van gasvormige brandstof, zoals gasflessen, een gastank of een vergistingsinstallatie.

§ 3.7.3 Watervoorziening
Algemeen

Het is niet voorgeschreven een watervoorziening te hebben, maar als deze aanwezig is dan moet aan de in deze paragraaf opgenomen eisen worden voldaan. De verplichting om aan te sluiten op een distributienet voor drinkwater uit het Bouwbesluit 2012 (artikel 6.14) is vervallen. In dit besluit wordt niets meer geregeld over het aansluiten op distibutienetten. Gemeenten kunnen hiervoor in hun omgevingsplannen zonodig lokale regels opstellen.

Artikel 3.108 (aansturingsartikel)

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat als een bouwwerk een drink- of warmwatervoorziening heeft, deze voorziening de gezondheid niet nadelig mag beïnvloeden als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater. Deze functionele eis is uitvoeriger beschreven dan in het Bouwbesluit 2012. In het Bouwbesluit 2012 was alleen sprake van ‘een voorziening die de gezondheid niet nadelig mag beïnvloeden’ De nieuwe functionele eis geeft duidelijker aan wat wordt bedoeld.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden voor alle gebruiksfuncties in bestaande bouwwerken.

Artikel 3.109 (drinkwatervoorziening)

Wanneer een bouwwerk een voorziening voor drinkwater (een watervoorziening voor menselijke consumptie en voor hygiëne) heeft, moet die voorziening voldoen aan NEN 1006. Het doel van deze eis is te bereiken dat de drinkwatervoorziening van een bouwwerk niet leidt tot een relevant kwaliteitsverlies van het drinkwater. In de regeling is aangegeven welke uitgave van NEN 1006 van toepassing is voor bestaande bouw.

Artikel 3.110 (warmwatervoorziening)

Op grond van dit artikel moet een voorziening voor warmwater, net als de in artikel 3.109 bedoelde drinkwatervoorziening voldoen aan NEN 1006. Het doel van die eis is te bereiken dat de warmwatervoorziening geen afbreuk doet aan de kwaliteit van het voor de menselijke hygiëne bedoelde warmwater. Zie ook de toelichting op artikel 3.109.

§ 3.7.4 Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater
Algemeen

De regels van deze paragraaf hebben betrekking op voorzieningen voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater van bouwwerken. De regels hebben alleen betrekking op de voorzieningen die onderdeel zijn van het bouwwerk. De regels aan de terreinleiding uit het Bouwbesluit 2012 (artikel 6.18) zijn niet in dit besluit opgenomen. In dit besluit is niet meer geregeld hoe de riolering van het bouwwerk aansluiten buiten het bouwwerk wordt aangesloten op het openbaar riool. Gemeenten kunnen hiervoor in een omgevingsplan lokale regels opstellen.

Artikel 3.111 (aansturingsartikel)

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat de voorziening voor huishoudelijk afvalwater of hemelwater zodanig moet zijn dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.112 (afvoer van huishoudelijk afvalwater)

Het eerste lid bevat de eis dat een bouwwerk met een toilet- of een badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel, voor iedere opstelplaats een voorziening moet hebben voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater.

In het tweede lid worden eisen gesteld aan de capaciteit en de kwaliteit (lucht- en waterdichtheid) van die afvoervoorziening. Bij bestaande bouw gelden lagere eisen dan bij nieuwbouw. Er worden bij bestaande bouw geen eisen gesteld aan de aanwezigheid en de plaats van de uitmonding van de ontspanningleiding gesteld en er kan volstaan worden met een lagere capaciteit. Een bestaande afvoervoorziening moet zodanig zijn dat daarop aangesloten lozingstoestellen binnen 5 minuten kunnen worden geleegd. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit geldt voor elk toestel afzonderlijk en dus niet voor alle lozingstoestellen tegelijkertijd. Verder wordt opgemerkt dat een in de afvoervoorziening opgenomen voorziening voor voorbehandeling van huishoudelijk afvalwater beschouwd moet worden als onderdeel van de afvoervoorziening en daarom bij de bepaling van de capaciteit en kwaliteit betrokken moet worden.

De in dit artikel opgenomen regels gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor de inzameling, het transport of de zuivering van huishoudelijk afvalwater.

Artikel 3.113 (afvoer van hemelwater)

Dit artikel bepaalt dat een hemelwatervoorziening die door het gebouw zelf heen loopt lucht- en waterdicht moet zijn, zodat deze voorziening geen vochtoverlast in het gebouw kan geven.

§ 3.7.5 Tijdig vaststellen van brand
Algemeen

De voorschriften voor het tijdig vaststellen bij brand voor bestaande bouw van deze paragraaf zijn vergelijkbaar met de voorschriften voor nieuwbouw.

Daarbij geldt dat in de regeling bij dit besluit voor bestaande bouw bij de aanwijzing van normbladen voor deze paragraaf voor bestaande bouw in de regel wordt uitgegaan van een oudere uitgave dan voor nieuwbouw. Een voorbeeld van een verschil van eisen in de artikeltekst wordt aangetroffen in artikel 3.117 (rookmelders), deze zijn bij reguliere woningen wel voorgeschreven bij nieuwbouw, maar niet bij bestaande bouw.

Artikel 3.114 (aansturingsartikel)

In het eerste lid is als functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanige voorzieningen moet hebben dat een brand in een vroegtijdig stadium kan worden ontdekt (gelokaliseerd en gesignaleerd), zodat de gebruikers het bouwwerk veilig kunnen ontvluchten.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.115 (brandmeldinstallatie)

In dit artikel zijn de eisen aan brandmeldinstallaties opgenomen. Het doel van een brandmeldinstallatie is een brand in een dusdanig tijdig stadium te kunnen ontdekken, lokaliseren en signaleren, dat de interne organisatie wordt gewaarschuwd en automatisch alle noodzakelijke brandveiligheidsvoorzieningen worden geactiveerd, zodat personen zich in veiligheid kunnen brengen of in veiligheid kunnen worden gebracht.

Een brandmeldinstallatie is vooral nodig wanneer de kans groot is dat een brand zonder deze installatie niet tijdigwordt opgemerkt (onoverzichtelijk), een gebouw niet beroepbaar is of wanneer brandveiligheidsvoorzieningen niet kunnen functioneren zonder brandmeldinstallatie. Met beroepbaar wordt bedoeld dat het mogelijk moet zijn om de aanwezigen door aanroepen direct op de hoogte te stellen van een brand in het bouwwerk. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 3.119 (ontruimingsalarminstallatie).

Behalve de ontruimingsalarminstallatie kunnen bijvoorbeeld de volgende brandveiligheidsvoorzieningen afhankelijk zijn van een brandmeldinstallatie, zoals: automatische kleefmagneten bij zelfsluitende deuren, overdrukinstallaties, rook- en warmte-afvoerinstallaties, brandkleppen en brandpompen. Verder kan een brandmeldinstallatie worden gebruikt voor een automatische doormelding naar de regionale alarmcentrale van de brandweer (RAC) of een automatische melding aan een zorgcentrale of zusterpost (zie hierna het vierde lid).

Het eerste lid geeft aan wanneer een brandmeldinstallatie nodig is. Dit volgt uit tabel 3.114 in samenhang met bijlage II bij dit besluit (brandmeldinstallatie). Uit tabel 3.114 is zoals gebruikelijk per functie af te lezen welke regels uit deze paragraaf op welke gebruiksfunctie van toepassing zijn. In bijlage II is per gebruiksfunctie een nadere invulling gegeven aan de vereiste omvang van de bewaking en eventuele doormelding van het signaal naar de brandweer. Gezien het grote aantal variaties in omvang en doormelding is er voor gekozen deze variabelen in deze afzonderlijke bijlage II op te nemen. In deze tabel is dezelfde indeling in gebruiksfuncties gevolgd als in de reguliere aansturingstabellen in dit besluit. In bijlage II zijn alle gebruiksfuncties, dus ook die waarvoor op grond van tabel 3.114, geen regels zijn aangestuurd, opgenomen.

Een brandmeldinstallatie is voorgeschreven afhankelijk van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie (eerste lid, onderdeel a) en van de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau (eerste lid, onderdeel b). Zie voor het begrip meetniveau bijlage I, onderdeel A. Het gaat altijd om de afstand tussen de hoogste vloer met een verblijfsruimte en het aansluitende terrein als bedoeld in onderdeel b.

Voor ieder van de twee hiervoor genoemde criteria zijn in tabel II per gebruiksfunctie waarden opgenomen. Hiermee kan de gebruiker van een bouwwerk per gebruiksfunctie eenvoudig nagaan of een brandmeldinstallatie nodig is en, zo ja, wat de omvang daarvan is en of er sprake moet zijn van doormelding naar de brandweer.

Bij een kantoorgebouw met vier bouwlagen en zodoende een hoogste vloer van een verblijfsruimte op 12 m boven het meetniveau, kan bijvoorbeeld sprake zijn van drie bouwlagen met kantoorruimten, terwijl zich op de bovenste bouwlaag alleen een kantine en vergaderruimten bevinden. In dat geval heeft de kantoorfunctie drie bouwlagen en ligt de bijeenkomstfunctie op de vierde bouwlaag. Om vast te stellen welke installatie in de kantoorfunctie noodzakelijk is, gaat het om de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de kantoorfunctie (in dit geval twaalf meter boven meetniveau). Om vast te stellen welke installatie in de bijeenkomstfunctie noodzakelijk is, is de hoogte van de vierde bouwlaag boven meetniveau relevant. Uit de tabel blijkt dat de kantoorfunctie, als de gebruiksoppervlakte groter is dan 500 m2, een niet-automatische brandmeldinstallatie moet hebben, als de vloer van een verblijfsruimte van de kantoorfunctie meer dan 4,1 m boven het meetniveau ligt. Een doormelding naar de brandweer is daarbij niet vereist. Voor de bijeenkomstfunctie is in dit voorbeeld gezien de hoogte van een verblijfsruimte op meer dan 4,1 m boven meetniveau (de vierde bouwlaag) een automatische brandmeldinstallatie voorgeschreven. Ook daarbij is doormelding niet vereist.

Uit het eerste lid, onderdeel a, volgt dat wanneer in een gebouw verschillende gebruiksfuncties van dezelfde soort zijn opgenomen, en deze functies gebruik maken van een zelfde vluchtroute, de gebruiksoppervlakte van deze gebruiksfuncties moet worden opgeteld om te bepalen of een brandmeldinstallatie is voorgeschreven.

Zoals in het eerste lid, onderdeel b, is aangegeven is de hoogste vloer van een verblijfsruimte van een gebruiksfunctie, gemeten boven het meetniveau ook bepalend voor de vraag of een brandmeldinstallatie van bepaalde omvang is voorgeschreven. Het gaat hierbij dus niet altijd om de hoogste vloer van het gebouw waarin de gebruiksfunctie ligt maar wel altijd om de hoogste vloer van die gebruiksfunctie, gemeten vanaf het meetniveau.

Bij een aantal gebruiksfuncties is een brandmeldinstallatie voorgeschreven terwijl er in de tabel geen waarde is genoemd (eerste lid, onderdeel c). In die gevallen is de brandmeldinstallatie voorgeschreven ongeacht hoogte en omvang van de gebruiksfunctie(s). Dit is bij voorbeeld het geval bij de woonfunctie voor zorg en de gezondheidszorgfunctie met bedgebied.

Er wordt op gewezen dat op grond van tabel II geen eisen worden gesteld aan een logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw. Verder heeft een in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie zonder 24-uurs bewaking alleen doormelding nodig als een vloer van een verblijfsgebied van die gebruiksfunctie hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau, ongeacht de gebruiksoppervlakte van de logiesfunctie. Uit de tabel blijkt nu dat als er geen 24-uurs bewaking is, een brandmeldinstallatie met volledige bewaking en doormelding vereist is als de hoogste vloer hoger dan 1,5 meter is gelegen. Heeft een logiesfunctie in een logiesgebouw een vloeroppervlakte groter dan 250 m2, dan is los van het wel of niet aanwezig zijn van 24-uurs bewaking in alle gevallen een brandmeldinstallatie met volledige bewaking noodzakelijk, dus ook in het geval dat de gehele logiesfunctie op de begane grond is gelegen.

Bewakingsvormen

Bij een brandmeldinstallatie worden onder verwijzing naar NEN 2535 vier bewakingsvormen onderscheiden:

  • niet-automatische bewaking: brandmeldinstallatie met alleen handbrandmelders,

  • gedeeltelijke bewaking: brandmeldinstallatie met handbrandmelders en (in verkeersruimten en de ruimten met een verhoogd brandrisico – als bedoeld in NEN 2535, zoals opslag- en archiefruimten groter dan 2 m2, werkplaatsen, keukens en stallingsruimten) automatische brandmelders,

  • volledige bewaking: brandmeldinstallatie met handbrandmelders en (in nagenoeg alle ruimten) automatische brandmelders, en

  • ruimtebewaking: brandmeldinstallatie waarbij alleen in een bepaalde ruimte of ruimten automatische brandmelders zijn aangebracht. Een dergelijke vorm van bewaking is vereist als een alarmering van aanwezige personen wordt verlangd in verband met beperkte vluchtmogelijkheden (bijvoorbeeld als er niet meer dan één vluchtroute is).

De eerste drie vormen zijn in bijlage II opgenomen en de vierde, de ruimtebewaking, staat in het vijfde lid van dit artikel. Zie voor een toelichting op de ruimtebewaking de toelichting op dit vijfde lid.

Certificatie

Afhankelijk van het brandveiligheidsrisico zal een brandmeldinstallatie een inspectiecertificaat moeten hebben. Dit is geregeld in de artikelen 4.210, 4.214 bij nieuwbouw en de artikelen 6.33 en 6.34 bij een bestaand gebouw met een bestaande brandmeldinstallatie.

Woonfunctie voor zorg

In tabel 3.114 wordt bij de woonfunctie onderscheid gemaakt tussen de woonfunctie voor zorg (a), de woonfunctie voor kamergewijze verhuur (b) en een andere woonfunctie (c). De woonfunctie voor zorg bevat in bijlage II de volgende onderverdeling:

  • Zorgclusterwoning voor zorg op afroep, in een woongebouw

  • Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg niet in een woongebouw

  • Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg in een woongebouw

  • Groepszorgwoning voor zorg op afspraak

  • Groepszorgwoning voor zorg op afroep

  • Groepszorgwoning voor 24-uurszorg

  • Andere woonfunctie voor zorg

De eisen aan de brandveiligheidsvoorzieningen zijn afhankelijk van de mate van zorgverlening waarvoor de woonfunctie is bestemd worden eisen aan brandveiligheidsvoorzieningen gesteld.

Onder de woonfunctie voor zorg vallen de woonfuncties waarbij aan bewoners de hieronder omschreven professionele zorg wordt aangeboden. Bij een zorgclusterwoning of een groepszorgwoning gaat het om een groepering van zorgcliënten in specifieke woonvormen vanwege de professionele zorg die daar kan worden verleend. Er is sprake van een vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg. De zorgaanbieder neemt daarbij ook de verantwoordelijkheid voor de brandveiligheid van de cliënt over.

Of bij een woonfunctie voor zorg een brandmeldinstallatie aanwezig moet zijn en aan welke omvang van de bewaking deze moet voldoen hangt af van het soort woonfunctie voor zorg. Deze wordt bepaald door de woonvorm (zorgclusterof groepszorgwoning of andere woonfunctie voor zorg), de locatie van de woning (grondgebonden of in woongebouw), de zorgbehoefte en het daarbij behorende risicoprofiel. Voor de begripsomschrijving van deze verschillende vormen van de woonfunctie voor zorg, wordt verwezen naar de begripsbeschrijvingen in bijlage I en de daarbij horende toelichting.

Of er sprake is van een zorgclusterwoning of een groepszorgwoning, en welke variëteit daarvan wordt in principe bepaald door degene die de woonfunctie exploiteert of gaat exploiteren. Dit betekent nadrukkelijk niet dat de exploitant zijn eigen brandveiligheidsniveau mag bepalen. Is gekozen voor een bepaalde woonvorm, dan zal de woning aan de hand van die keuze moeten worden getoetst aan dit besluit. Bij een verandering van het zorgaanbod, die verzwaring van de brandveiligheidseisen tot gevolg zou hebben, is de exploitant verantwoordelijk voor het aanpassen aan deze nieuwe situatie. Maatgevend hierin is het zorgaanbod waar de exploitant zich op richt en niet de verzwaring van de zorgbehoefte van een bewoner. Wanneer het daadwerkelijk zorgaanbod zwaarder is dan het eerder door de exploitant aangegeven zorgaanbod, dan kan de exploitant die niet aan de op het zwaardere zorgaanbod afgestemde brandveiligheidseisen voldoet, zo nodig bestuursen/of strafrechtelijk worden vervolgd.

In een reguliere woning is de bewoner in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de brandveiligheid. Dit geldt ook als de bewoner gebruik maakt van professionele zorg of mantelzorg. In een dergelijk geval zijn de eisen voor een woonfunctie voor zorg niet van toepassing.

In het tweede lid wordt geregeld dat het totale brandcompartiment voorzien moet zijn van een brandmeldinstallatie als een in dat brandcompartiment aanwezige gebruiksfunctie een brandmeldinstallatie moet hebben. De omvang van de bewaking van het hele brandcompartiment is (ten minste) gelijk aan de bewaking die is voorgeschreven voor deze gebruiksfunctie.

Het derde lid bepaalt voor een verblijfsruimte met alleen één vluchtroute, dat de ruimten waarop men bij het vluchten is aangewezen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking moeten hebben. Er wordt hier geen onderscheid gemaakt tussen een verkeersruimte of een andere ruimte waardoor een vluchtroute voert. Het vierde lid geldt alleen wanneer:

  • de loopafstand tussen de uitgang van de verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is,

  • wanneer de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor het vluchten voert samen met de op die ruimten aangewezen verblijfsruimten groter is dan 200 m2, of

  • wanneer op de enkele vluchtroute meer dan twee verblijfsruimten zijn aangewezen.

Als bij de uitgang van de verblijfsruimte alleen één vluchtroute begint én een of meer van de onder a, b en c genoemde waarden zijn overschreden dan bestaat er een verhoogd risico dat de vluchtroute door brand geblokkeerd raakt voordat iedereen gevlucht is. In een dergelijk geval is een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535 nodig omdat mensen dan snel gealarmeerd worden en kunnen vluchten voordat de vluchtroute door brand is geblokkeerd. Er is geen sprake van een enkele vluchtroute (als bedoeld in het vierde lid), als bij de uitgang in twee richtingen kan worden gevlucht. Dit laatste is ook het geval als de ruimte waarin het vluchten start over twee of meer uitgangen beschikt die uitkomen op onafhankelijke vluchtroutes of als na het passeren van de uitgang in twee richtingen kan worden gevlucht.

Uit het vierde lid volgt dat bij de gebruiksfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar vanaf een gebruiksoppervlakte groter dan 200 m2 een brandmeldinstallatie met volledige bewaking nodig is. Doormelding en een geldig inspectiecertificaat zijn daarbij pas noodzakelijk als er in totaal meer dan 6 kinderen kunnen slapen in een of meer ruimten met een vloer hoger dan 1,5 m boven het meetniveau. De achtergrond hiervan is dat kinderen die slapen in een kinderopvang niet zelfstandig een pand via de trap kunnen verlaten in geval van brand maar hiervoor zijn aangewezen op hulp van medewerkers. In verband met dit hogere risico wordt doormelding noodzakelijk geacht. Het maximum van 6 kinderen is afgeleid van het onderscheid tussen gastouderopvang en kinderopvang zoals aangegeven in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Kinderopvang met een gebruiksoppervlakte van maximaal 200 m2 moet alleen voorzien zijn van doorgekoppelde rookmelders.

Gelijkwaardigheid

Bij brandmeldinstallaties kan de gelijkwaardigheid een belangrijke rol spelen. Bij overschrijding van de in de tabel opgenomen waarden moet er in beginsel een brandmeldinstallatie zijn. Soms kan een gebouw zo overzichtelijk zijn en zulke goede vluchtmogelijkheden hebben, wel of niet met behulp van een goede ontruimingsorganisatie, dat het beoogde veiligheidsniveau ook met een minder zware installatie of zelfs zonder installatie is gewaarborgd. In een dergelijk geval kan een beroep op gelijkwaardigheid worden gedaan. Het bevoegd gezag moet dit beroep honoreren, wanneer de aanvrager aantoont dat de kwaliteiten van het bouwwerk in samenhang met de getroffen maatregelen garanderen dat alle personen zich tijdig in veiligheid kunnen brengen of in veiligheid kunnen worden gebracht.

Voorbeeld 1. Uit de waarden in de tabel volgt dat bij een oppervlakte van meer dan 500 m2 in combinatie met een verblijfsruimte gelegen op een vloer die hoger ligt dan 4,1 m boven het meetniveau (bijvoorbeeld de tweede verdieping), een brandmeldinstallatie noodzakelijk is voor een gebouw met een kantoorfunctie. In de praktijk kan een groter kantoorgebouw toch zo overzichtelijk zijn en zo’n goede akoestiek met weinig omgevingsgeluid hebben (bijvoorbeeld kantoortuin of ruimten met open deuren, in combinatie met een atrium over de volledige hoogte), dat iedereen tijdig, zonder bijzondere installaties, kan worden gewaarschuwd. In een dergelijk geval ligt het in de rede dat het bevoegd gezag een beroep op gelijkwaardigheid honoreert.

Voorbeeld 2. Uit de waarden in de tabel volgt dat bij een andere bijeenkomstfunctie met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 een automatische brandmeldinstallatie met gedeeltelijke bewaking is voorgeschreven. Een groot kerkgebouw valt onder deze categorie. Een kerkzaal is in de regel zo overzichtelijk en heeft een zodanige akoestische kwaliteit dat zonder brandmeldinstallatie het beoogde doel kan worden bereikt (tijdige detectie van de brand). De volgende overwegingen kunnen daarbij een rol spelen:

  • de grote hoogte van de ruimte. Bij brand zal de warme rook opstijgen en vanaf het plafond naar beneden zakken. Voordat de rook het vluchten hindert kan het bouwwerk al ontruimd zijn, en

  • de beperkte vuurbelasting. De vuurbelasting in een kerk is vaak relatief beperkt, waardoor ook de rookproductie bij een brand beperkt zal zijn, wat een positief effect heeft op de ontvluchtingstijd.

Ook in een dergelijk geval is aannemelijk dat het bevoegd gezag een beroep op gelijkwaardigheid moet honoreren.

Er wordt nadrukkelijk op gewezen dat het bevoegd gezag zich bij het beoordelen van een dergelijk beroep op gelijkwaardigheid alleen mag baseren op overwegingen die betrekking hebben op het veilig kunnen vluchten van personen. Een overweging gericht op het beperken van de schade (het behoud van het bouwwerk) mag daarbij geen rol spelen.

Voor de volledigheid moet worden opgemerkt dat de eisen aan een brandmeldinstallatie voor een bestaand bouwwerk niet anders luiden dan voor een te bouwen bouwwerk, zij het dat in de Regeling Bouwwerken leefomgeving bij een bestaand bouwwerk een minder recente uitgave van het normblad wordt aangestuurd dan bij een te bouwen bouwwerk.

Artikel 3.116 (melding en doormelding)

Bij een woonfunctie voor zorg met zorg op afroep in een woongebouw of in een groepszorgwoning moet volgens het eerste lid rechtstreekse melding plaatsvinden naar een zorgcentrale. Bij 24-uurszorg in een woongebouw of in een groepszorgwoning moet deze melding plaatsvinden naar de zusterpost. In een dergelijk geval worden niet alleen de in de woning aanwezige personen gealarmeerd. Deze melding naar zorgcentrale of zusterpost vindt dus plaats naast de eventuele doormelding aan de RAC zoals die op grond van de tabel moet plaatsvinden. Bij een zorgfunctie voor 24-uurs zorg in een woongebouw en een groepszorgwoning voor 24-uurs zorg moet zodoende zowel een in het eerste lid bedoelde doormelding moet plaatsvinden naar de regionale alarmcentrale van de brandweer als naar een zorgcentrale of zusterpost. Dat de brandmeldinstallatie ook wordt ingezet voor het melden aan de zorgcentrale of zusterpost is van belang omdat de – zelfstandig wonende – minder zelfredzame cliënten van de zorginstelling hulp nodig kunnen hebben bij het beoordelen van de situatie of bij het vluchten. Het begrip doormelding in dit besluit heeft betrekking op doormelding aan de RAC en bij melding gaat het om melding aan een zorgcentrale of zusterpost. Opgemerkt wordt dat NEN 2535 het onderscheid tussen melding en doormelding anders invult. NEN 2535 noemt elke melding op afstand een doormelding. Bepalend is echter wat in dit besluit is opgenomen.

Het tweede lid regelt dat een doormelding als bedoeld in artikel 4.208 rechtstreeks naar de regionale alarmcentrale van de brandweer moet plaatsvinden.

Artikel 3.117 (rookmelders)

Op grond van tabel 3.114, zijn onder de in dit artikel aangegeven omstandigheden rookmelders voorgeschreven voor de woonfunctie voor kamergewijze verhuur, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan vier jaar en de logiesfunctie. In afwijking van nieuwbouw is geen rookmelder voorgeschreven voor een bestaande reguliere woonfunctie.

Het eerste lid schrijft rookmelders voor op de vluchtroutes bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur. Wanneer deze woonfunctie een voorgeschreven brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 heeft, zijn die rookmelders niet nodig. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een woonfunctie voor zorg.

Elke route tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur moet een of meer rookmelders hebben. Rookmelders moeten alleen worden geplaatst op de route naar de voordeur van de woning en niet op de route tussen de voordeur van de woning en de uitgang van het woongebouw.

Waaraan rookmelders moeten voldoen volgt uit de zogenoemde primaire inrichtingseisen van NEN 2555, dit zijn:

  • eisen aan de rookmelders zelf, inclusief het werkingsprincipe;

  • aansluiting op een voorziening voor elektriciteit,

  • aansluiting op een secundaire energievoorziening,

  • het wel of niet gekoppeld moeten zijn van de rookmelders,

  • het aantal en de projectering.

Het wel of niet doorkoppelen van de rookmelders wordt in NEN 2555 afhankelijk gesteld van het geluidsniveau van het alarmsignaal dat in de verblijfsruimten doorklinkt. Bij kamergewijze verhuur en logies zal hierdoor al snel sprake moeten zijn van extra of gekoppelde rookmelders aangezien een eventueel alarm in alle wooneenheden respectievelijk kamers (met gesloten deuren) voldoende duidelijk te horen moet zijn.

Ook het tweede lid van dit artikel geldt alleen voor kamergewijze verhuur.

Elke verblijfsruimte en alle ruimten op de vluchtroute tot aan de voordeur van de woonfunctie moeten doorgekoppelde rookmelders hebben. Wanneer een woonfunctie een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.119 heeft, zijn rookmelders niet nodig. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een woonfunctie voor zorg. Overigens wordt opgemerkt dat een woonfunctie voor kamergewijze verhuur bovendien kan zijn aangemerkt als een woonfunctie voor zorg. In een dergelijk geval geldt de zwaarste eis.

In de verblijfsruimten behoeven geen rookmelders te zijn als elke wooneenheid in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een wbdbo van ten minste 30 minuten. In een dergelijk geval moeten er wel rookmelders zijn in ruimten waardoor de vluchtroutes voeren tussen de uitgang van de wooneenheid en de uitgang van de woonfunctie (woning) en in de gezamenlijke ruimten van de woonfunctie. Gezamenlijk wil zeggen dat het gaat om een ruimte waarop wooneenheden binnen de woonfunctie zijn aangewezen, zoals een gezamenlijke keuken of woonkamer (zie ook artikel 2.7). De compartimentering in beschermde subbrandcompartimenten zorgt er voor dat bij een brand in een wooneenheid vanuit alle wooneenheden veilig naar buiten kan worden gevlucht.

Het derde lid is van toepassing op een kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar en op een logiesfunctie. In dergelijke gevallen moet iedere verblijfsruimte en elke op een vluchtroute gelegen besloten ruimte, tot aan de uitgang van het gebouw, een of meer rookmelders hebben.

Het vierde lid regelt dat als een dergelijke gebruiksfunctie op grond van artikel 3.115 een brandmeldinstallatie heeft dan is het niet nodig om in aanvulling op die brandmeldinstallatie rookmelders aan te brengen.

Het vijfde lid regelt, in aanvulling op het derde lid, dat het in de primaire inrichtingseisen bedoelde alarmeringssignaal, als dat geactiveerd wordt, altijd, dus ongeacht het moment op de dag. door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke verantwoordelijke functionaris moet kunnen worden waargenomen. Zit de functionaris bijvoorbeeld permanent achter de balie of in een portiersloge, dan zal het signaal daar moeten kunnen waarnemen. Wordt van de functionaris verwacht dat hij een ronde door het gebouw of over het terrein maakt of in zijn aan de logiesfunctie gerelateerde woning verblijft, dan zal hij het signaal moeten kunnen waarnemen, waar hij zich ook op zijn ronde of in die woning bevindt.

§ 3.7.6 Vluchten bij brand

De voorschriften voor het tijdig vaststellen bij brand voor bestaande bouw van deze paragraaf zijn grotendeels overeenkomstig de voorschriften voor nieuwbouw. Voor zover er sprake is van een verschillend niveau van eisen is bij bestaande bouw geen hoger eisenniveau beoogd dan bij nieuwbouw. Ook hier geldt dat in de regeling bij dit besluit voor bestaande bouw bij de aanwijzing van normbladen voor deze paragraaf voor bestaande bouw in de regel wordt uitgegaan van een oudere uitgave dan voor nieuwbouw.

Artikel 3.118 (aansturingsartikel)

In het eerste lid is als functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanige voorzieningen moet hebben dat een brand in een vroegtijdig stadium kan worden ontdekt (gelokaliseerd en gesignaleerd), zodat de gebruikers het bouwwerk veilig kunnen ontvluchten. Met andere woorden zodat mensen zich zelf in veiligheid kunnen brengen of in veiligheid kunnen worden gebracht.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Er wordt op gewezen dat in tabel 3.118 artikel 3.119 door het aanwijzen van elke bijeenkomsfunctie ook is aangewezen voor de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport. Hoewel deze subgebruiksfunctie op basis van het eerste lid van artikel 3.115 geen brandmeldinstallatie hoeft te hebben kan de plicht een brandmeldinstallatie te hebben ook voortvloeien uit het derde lid van artikel 3.115, Omdat in een dergelijk geval ook een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in artikel 3.119 nodig is, is artikel 3.119 ook aangewezen voor de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport. Daarmee geldt de regel voor alle bijeenkomstfuncties en is een onderverdeling in subgebruiksfuncties overbodig.

Artikel 3.119 (ontruimingsalarminstallatie)

Dit artikel heeft betrekking op ontruimingsalarminstallaties. Het doel van een ontruimingsalarminstallatie is de in het bouwwerk aanwezige personen na het ontdekken van een brand snel te alarmeren zodat een snelle en ordelijke ontruiming van de aanwezige personen kan plaatsvinden. Een ontruimingsalarminstallatie is vooral nodig wanneer personen door aanroepen niet snel genoeg op de hoogte kunnen worden gesteld. Zonder ontruimingsalarminstallatie zouden zij te laat geïnformeerd worden en niet direct met vluchten kunnen beginnen.

De ontruimingsalarminstallatie kan ook worden gebruikt om de voor het vluchten noodzakelijke hulp te mobiliseren, bijvoorbeeld door melding naar een zusterpost of zorgcentrale. Dit is bijvoorbeeld het geval bij minder zelfredzame personen, bij personen die onder dwang zijn ingesloten of bij het vluchten van grote hoeveelheden mensen. Het ontruimingssignaal zal soms een luid alarm, soms een stil alarm of een combinatie van beide moeten zijn.

Het eerste lid bevat regels over de aanwezigheid en de kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties. Zo’n installatie moet er zijn in die gevallen dat op grond van artikel 3.115, een brandmeldinstallatie aanwezig moet zijn. De ontruimingsalarminstallatie moet voldoen aan NEN 2575. In het eerste lid is geen sprake van een plicht om een (door het bevoegd gezag) goedgekeurd programma van eisen te hebben. Een dergelijk programma wordt ook niet bij de brandmeldinstallatie gevraagd. Het is niet nodig een separaat door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen te hebben nu het ontwerp van alle voorgeschreven brandveiligheidsinstallaties in het kader van de aanvraag om vergunning voor het bouwen en bij een nieuwe of gewijzigde installatie in het kader van een daaraan verbonden gebruiksmelding of een wijziging daarvan word beoordeeld door het bevoegd gezag.

Welk type installatie voorgeschreven wordt, hangt af van de specifieke situatie (zoals aanwezigheid van niet of minder zelfredzame personen, totaal aantal in het bouwwerk aanwezige personen, de concentratie van die personen en het aantal verdiepingen van het bouwwerk). Soms kiezen gebruikers van een bouwwerk op vrijwillige basis voor een brandmeldinstallatie. Bijvoorbeeld in een bouwwerk met een lage bezetting maar met een kostbare inventaris, zoals soms bij een lichte industriefunctie het geval kan zijn. Een ontruimingsalarminstallatie is bij een dergelijke vrijwillig geplaatste brandmeldinstallatie dus niet verplicht. Volgens het eerste lid van dit artikel moeten logiesfuncties gelegen in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking (zie de definitie in bijlage I van dit besluit) een brandmeldinstallatie met rechtstreekse doormelding naar de regionale alarmcentrale van de veiligheidsregio hebben.

Bij een in het tweede lid bedoeld logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking geldt dat bij detectie van brand het ontruimingsignaal direct in het gehele gebouw in werking moet worden gesteld. Een stil alarm of een vertraging in het alarm wordt dus niet toegestaan.

Gelijkwaardigheid

Vergelijkbaar met wat hierboven bij artikel 3.115 over gelijkwaardigheid bij de brandmeldinstallatie is beschreven, kan ook bij de ontruimingsalarminstallatie een beroep worden gedaan op gelijkwaardigheid. Bij bijvoorbeeld een situatie die zowel overzichtelijk is als een goede akoestiek heeft met weinig omgevingsgeluid kan een adequate alarmering ook plaatsvinden zonder een ontruimingsalarminstallatie.

Wanneer met een beroep op gelijkwaardigheid is vastgesteld dat geen brandmeldinstallatie is vereist, betekent dit dat ook geen ontruimingsalarminstallatie is vereist. Een ontruimingsalarminstallatie is namelijk alleen voorgeschreven in die gevallen dat er een brandmeldinstallatie moet zijn. De brandmeldinstallatie en ontruimingsalarminstallatie komen dus in de regel als combinatie voor. Al zijn er situaties denkbaar waarbij het beroep op gelijkwaardigheid bij de brandmeldinstallatie is afgewezen, terwijl dat bij de ontruimingsalarminstallatie is gehonoreerd. Andersom is minder realistisch omdat een ontruimingsalarminstallatie zonder brandmeldinstallatie geen aanturing heeft en dus ook geen betekenis. Wel is het denkbaar dat er met succes een beroep op gelijkwaardigheid wordt gedaan voor een brandmeldinstallatie met een lager bewakingsniveau, terwijl in de zelfde situatie bij een ontruimingsalarminstallatie met een lager alarmeringsniveau handhavend wordt opgetreden.

Volgens het eerste lid van dit artikel zijn logiesfuncties gelegen in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking vereist (zie de definitie in bijlage I van dit besluit) om een brandmeldinstallatie met rechtstreekse doormelding naar de regionale alarmcentrale van de veiligheidsregio te hebben. Bij de het in het tweede lid genoemde logiesfuncties geldt dat bij detectie van brand het ontruimingsignaal direct in het gehele gebouw in werking moet worden gesteld. Een stil alarm of een vertraging in het alarm wordt dus niet toegestaan. Voor logiesfuncties met 24-uurs bewaking gelden andere regels (zie de definitie over dit onderwerp in bijlage I van het besluit).

Bij een in het tweede lid bedoeld logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking geldt dat bij detectie van brand het ontruimingsignaal direct in het gehele gebouw in werking moet worden gesteld. Een stil alarm of een vertraging in het alarm wordt dus niet toegestaan. Deze regels zijn, inhoudelijk ongewijzigd, overgenomen uit de Regeling Bouwbesluit 2012 (artikel 2.2).

Het derde lid regelt dat het in het tweede lid bedoelde alarmeringssignaal, als dat geactiveerd wordt altijd, dus ongeacht het moment op de dag, door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke verantwoordelijke functionaris moet kunnen worden waargenomen. Zit de functionaris bijvoorbeeld permanent achter de balie of in een portiersloge, dan zal het signaal daar moeten kunnen waarnemen. Wordt van de functionaris verwacht dat hij een ronde door het gebouw of over het terrein maakt, of is hij thuis in zijn aan de logiesfunctie gerelateerde woning, dan zal hij het signaal moeten kunnen waarnemen, waar hij zich ook op zijn ronde bevindt, bijvoorbeeld met een in NEN 2575 bedoelde personenzoekinstallatie.

Artikel 3.120 (vluchtrouteaanduiding)

De vluchtrouteaanduiding is bedoeld om de gebruiker van een gebouw duidelijkheid te geven over het verloop van vluchtroutes, zodat ook personen die niet of minder bekend zijn met een specifieke vluchtroute of zich door rook of duisternis niet meer kunnen oriënteren, voldoende snel het aansluitend terrein kunnen bereiken. De aanwezigheidseis geldt in beginsel voor alle typen gebouwen. Tabel 3.118 geeft een uitzondering voor de lichte industriefunctie aangezien in die functie normaliter weinig personen aanwezig zijn (zie ook bijlage I, begrippen).

De vluchtrouteaanduiding is een voorziening die een of meer aanduidingen, in de praktijk ook wel nooduitgangsbordjes of transparanten kan omvatten. De verplichting de vluchtrouteaanduidingen goed te onderhouden en regelmatig te controleren vloeit voort uit artikel 2.6 (specifieke zorgplicht: bouwwerkinstallatie).

In het eerste lid is bepaald dat een bouwwerk een vluchtrouteaanduiding moet hebben in iedere ruimte waardoor een verkeersroute voert en in iedere ruimte die bedoeld is voor meer dan 50 personen. In ruimten voor minder dan 50 personen is dus geen aanduiding nodig tenzij door die ruimten een verkeersroute voert. Een vluchtrouteaanduiding is bijvoorbeeld niet noodzakelijk en gebruikelijk in een afgesloten kantoortje, maar wel in de gang of kantoortuin waardoor vanuit dat kantoortje naar een veilige plek wordt gevlucht. De term verkeersroute is afkomstig uit en heeft dezelfde betekenis als in het Bouwbesluit 2012. Zie ook de begrippen in bijlage I. NEN 6088 stelt eisen aan de gebruikte kleuren en symbolen (pictogrammen) van vluchtrouteaanduidingen.

De aanduidingen zullen voldoende moeten opvallen in het aanwezige omgevingslicht. In NEN-EN 1838 worden met name eisen gesteld aan luminantie en luminantieverhoudingen. De luminantie van elk deel van de veiligheidskleur van de vluchtrouteaanduiding moet minimaal 2 cd/m2 bedragen in alle relevante kijkrichtingen. Deze in het eerste lid aangewezen normen bevatten geen eisen over de verlichtingssterkte van de vluchtrouteaanduiding zelf. Vluchtrouteaanduidingen hoeven dan ook niet per definitie als inwendig verlichte armaturen te worden uitgevoerd. In een aantal gevallen kan worden volstaan met het aanbrengen van pictogramstickers die zo nodig door externe verlichting worden aangelicht om aan de luminantie-eis te kunnen voldoen. Bij bestaande bouw is de keuze gelaten om, net als bij nieuwbouw, voor eisen aan vluchtrouteaanduidingen gebruik te maken van NEN 3011 in plaats van NEN 6068.

Op grond van het tweede lid bedraagt de maximumhoogte waarop de vluchtrouteaanduidingen moeten zijn aangebracht zijn in een wegtunnel 1,5 m. Uiteraard is het toegestaan om in aanvulling op dit lid vluchtrouteaanduidingen boven vluchtuitgangen of -deuren aan te brengen. Verder moet de loopafstand tot het einde van de tunnelbuis, in twee richtingen of, als die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije deur die toegang geeft tot een beschermde route goed zichtbaar worden aangegeven.

In het derde lid is bepaald dat de vluchtrouteaanduiding moet zijn aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats, dus niet achter een deur, een muur, een gordijn of, bij een hoge ruimte direct onder het plafond, en dat een in het eerste lid bedoelde vluchtrouteaanduiding binnen 15 seconden na stroomuitval, gedurende ten minste 60 minuten aan de zichtbaarheidseisen van NEN-EN 1838 moet voldoen. Hoewel in de praktijk vaak van een intern verlichte armatuur gebruik zal worden gemaakt is het ook toegestaan de vluchtrouteaanduiding extern aan te lichten.

In het vierde lid is een uitzondering opgenomen voor een vluchtrouteaanduiding die op een vluchtroute ligt vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die niet is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 3.101 van dit besluit. Dergelijke vluchtrouteaanduidingen hoeven bij stroomuitval niet aan de zichtbaarheidseisen van NEN-EN 1838 te voldoen.

Het vijfde lid bepaalt dat een deur die toegang geeft tot een beschermde route aan beide zijden groen (RAL 6024) moet zijn. Die regel geldt alleen voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m.

Artikel 3.121 (deuren in vluchtroutes: draairichting)

Doel van dit artikel is te waarborgen dat deuren in vluchtroutes het vluchten bij brand zo min mogelijk hinderen. De regels hebben betrekking op de draairichting en het hangen sluitwerk van de deur. Regels over het brandveilig gebruik van deuren in vluchtroutes zijn opgenomen in artikel 6.21.

Vluchtroutes waarop veel personen zijn aangewezen lopen het gevaar geblokkeerd te raken als deuren op de vluchtroute tegen de vluchtrichting indraaien of niet tijdig kunnen worden geopend. Een groep mensen op de vlucht zou daarom in het gedrang kunnen komen. Daarom mogen deuren in vluchtroutes in bepaalde situaties niet tegen de vluchtrichting indraaien en kunnen eisen worden gesteld aan hang en sluitwerk.

In dit verband moet een draaideur worden aangemerkt als een deur die tegen de vluchtrichting indraait. Schuifdeuren zijn in de meeste situaties wel toegestaan. Zie echter het vierde lid voor een uitzondering voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m.

Het eerste lid schrijft voor dat een deur van een uitgang waardoor een vluchtroute loopt bij het openen met de vluchtrichting moet meedraaien wanneer bij het vluchten meer dan 60 personen op die deur zijn aangewezen.

Als een uitgang een nooddeur is, dan mag dat op grond van het tweede lid geen schuifdeur zijn. Bij een nooddeur zijn er vanwege het incidentele gebruik onvoldoende waarborgen dat het schuifmechanisme bij brand nog goed werkt. Bij regulier gebruik van een schuifdeur bijvoorbeeld in de toegang van een gebouw zijn er voldoende waarborgen dat het schuifmechanisme gangbaar blijft. Uit de aanvraag om vergunning voor het bouwen of een gebruiksmelding volgt hoeveel personen op een deur zijn aangewezen.

In het derde lid is voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m geregeld dat vluchtdeuren niet tegen de vluchtrichting in mogen draaien. Die regel is opgenomen omdat er bij een ongeluk in een wegtunnel bij elke uitgang van de wegtunnelbuis rekening moet worden gehouden met het feit dat door die uitgang veel mensen moeten kunnen vluchten.

Artikel 3.122 (deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen)

In het eerste lid zijn voor de woonfunctie voor kamergewijze verhuur eisen aan het ontsluitingsmechanisme van deuren gesteld. Elke deur op de vluchtroute moet komende vanaf de toegang van een wooneenheid eenvoudig met een lichte druk of een ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 179 en NEN-EN 1125 kunnen worden geopend. Er mag dus een panieksluiting worden aangebracht maar dat hoeft niet. Het gaat in dit lid niet om het ontsluitingsmechanisme van de toegangsdeur van de wooneenheid zelf maar om het eenvoudig in de vluchtrichting kunnen openen van deuren op de vluchtroute die loopt vanaf de toegang van de wooneenheid naar de voordeur van de woonfunctie.

In het tweede lid worden eisen gesteld aan deuren waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen. Dergelijke deuren moeten in de vluchtrichting kunnen worden geopend door een lichte druk tegen de deur uit te oefenen of door een lichte druk tegen een op een hoogte van circa 1 m aangebrachte panieksluiting. Een panieksluiting is een ontsluitingsmechanisme dat wordt bediend met een stang die over de volle deurbreedte op de deur is aangebracht. De panieksluiting moet voldoen aan NEN-EN 1125. In de vluchtrichting wil zeggen met de stroom vluchtenden mee. Er worden overigens geen eisen gesteld aan de wijze waarop de deur vanaf de andere kant moet worden geopend.

Op grond van het derde lid geldt een specifieke regel voor ruimten voor het insluiten van personen ongeacht de gebruiksfunctie (met uitzondering van de woonfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde). Dit betekent dat behalve een reguliere cel (in dit besluit wordt gesproken van ‘celeenheid’) ook bijvoorbeeld verhoorruimten, ophoudruimten en dergelijke in een politiebureau of rechtbank, een isoleerruimte in de gezondheidszorg wel met een sleutel mogen worden geopend. Voor deze afwijking van de het eerste en tweede lid is gekozen omdat het wel of niet gedwongen insluiten zich verzet tegen deuren die door iedereen zonder sleutel kunnen worden geopend. Zie ook de toelichting op het begrip celeenheid in bijlage I bij artikel 1.1 van dit besluit. Om het tijdig vluchten bij brand mogelijk te maken moeten de in dit tweede lid bedoelde deuren zo nodig voldoende snel kunnen worden geopend. In artikel 6.21, tweede lid, is daarvoor een eis gesteld.

Het vierde lid heeft betrekking op automatische (schuif)deuren en op voorzieningen voor toegangsof uitgangscontrole. Bij het wegvallen van de netspanning moeten dergelijke voorzieningen vanzelf (automatisch) opengaan of zonder gebruik van een sleutel kunnen worden geopend (zie ook artikel 6.21, eerste lid). Direct bij een automatische deur die in geval van brand handmatig moet worden geopend, moet duidelijk zijn aangegeven hoe deze kan worden geopend.

Op grond van het vijfde lid moet op deuren die toegang geven tot een zogenoemd overdruktrappenhuis duidelijk zichtbaar zijn aangegeven dat die deur toegang tot een dergelijk trappenhuis geeft. Wanneer een overdruktrappenhuis op overdruk staat (dit gebeurt automatisch bij brand), is de weerstand van de deuren die toegang tot dat trappenhuis geven hoger dan de weerstand onder normale omstandigheden. Vluchtende personen zouden daardoor kunnen concluderen dat de deur op slot zit. Met een opschrift, zoals Hard duwen, trappenhuis kan op overdruk staan, wordt men hierover geïnformeerd. Overigens wordt opgemerkt dat een overdruktrappenhuis niet in dit besluit wordt voorgeschreven. Een overdruktrappenhuis wordt echter regelmatig toegepast in het kader van gelijkwaardigheid, bijvoorbeeld als onderdeel van een alternatief voor rooksluizen voor trappenhuizen of om bij hoge gebouwen (> 70 m) te voldoen aan de brandveiligheidseisen. Deze regel is niet van toepassing op een schuifdeur. De schuifdeur moet overigens, volgens het eerste lid en tweede lid van dit artikel, zonder veel kracht te moeten zetten geopend kunnen worden, ook in overdruksituatie. Het gaat dan om het uitoefenen van een lichte druk in de schuifrichting van de deur.

Op grond van het zesde lid moet aan de buitenkant van een in een buitengevel aanwezige nooddeur het opschrift nooddeur vrijhouden of nooduitgang zijn aangebracht. Hiermee wordt voor iedereen duidelijk gemaakt dat deze deur of uitgang moet worden vrijgehouden, zodat daarvan in geval van een calamiteit onmiddellijk gebruik kan worden gemaakt. Het opschrift moet voldoen aan NEN 3011. Het vijfde lid geldt alleen voor nooddeuren en dus niet voor (nood-) uitgangen die naast vluchtmogelijkheid ook een andere bestemming hebben.

Artikel 3.123 (zelfsluitende constructieonderdelen)

Openingen in inwendige scheidingsconstructies tussen een brand of subbrandcompartiment en een buiten dat compartiment gelegen ruimte zouden de weerstand van zo’n constructie tegen branduitbreiding of rookdoorgang teniet doen. Daarmee zou ook niet meer worden voldaan aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen deze ruimten.

Daarom bepaalt het eerste lid dat deuren in de inwendige scheidingsconstructie voorzien moeten zijn van een dranger. De dranger mag ook een vrijloopdranger zijn. Dat is een dranger die bij brand automatisch wordt geactiveerd zodat het gebruik van de deur onder normale omstandigheden niet door de dranger wordt beïnvloed.

Het gaat hier om de scheidingsconstructies tussen een (sub)brandcompartiment en besloten ruimten daarbuiten en niet om scheidingsconstructies binnen een (sub)brandcompartiment of tussen een (sub)brandcompartiment en een niet-besloten ruimte. De bedoeling van dit lid is te regelen dat deuren in alle brandscheidingen zelfsluitend zijn, daarom is de regel ook van toepassing op inwendige scheidingsconstructies waarvoor alleen een eis aan de weerstand tegen branddoorslag geldt.

Het tweede lid maakt een uitzondering op het eerste lid. Op grond van het tweede lid geldt de zelfsluitendheidseis niet voor de voordeur van een woonfunctie (woning) en ook niet voor binnen de woning gelegen deuren. Mocht er op de route tussen de voordeur van de woning en het aansluitende terrein een brandwerende deur zijn, dan moet die deur wel zelfsluitend zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om een brandwerende deur van of vanaf een trappenhuis.

Het derde lid maakt een uitzondering voor het tweede lid, die als gevolg heeft dat een niet-gemeenschappelijke deur die ook een gezamenlijke deur is (een deur waarop meer dan een wooneenheid is aangewezen) wel zelfsluitend moet zijn.

Op grond van het vierde lid geldt deze zelfsluitendheidseis niet voor een celdeur (deur van een celeenheid).

§ 3.7.7 Bestrijden van brand
Artikel 3.124 (aansturingsartikel)

In het eerste lid is de functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand moet hebben, dat brand binnen redelijk tijd kan worden bestreden.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.125 (droge blusleiding)

Met het gebruik van het begrip droge blusleiding in dit artikel wordt niet beoogd een natte blusleiding te verbieden maar om te regelen dat er minimaal een blusleiding moet zijn die voldoet aan de eisen voor een droge blusleiding.

Het eerste lid van dit artikel schrijft voor gebouwen die een vloer van een verblijfsgebied hebben die hoger dan 20 m ligt een droge blusleiding voor. Ook in het kader van gelijkwaardigheid en het bouwen van hoge of ondergrondse gebouwen kan een dergelijke blusleiding noodzakelijk zijn. Omdat met name bij gebouwen met een vloer van een verblijfsgebied boven de 70 m, de opvoerhoogte van de pomp van een brandweerwagen onvoldoende is, is het daar niet mogelijk de blusleiding te laten functioneren zonder pompinstallatie. In al deze gevallen is sprake van krachtens de wet voorgeschreven blusleidingen en pompinstallaties, waaraan in artikel 6.35 eisen aan controle en onderhoud worden gesteld. Zie ook hierna het zevende lid.

Het tweede lid regelt dat een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m een droge blusleiding heeft met een aansluiting in elke in artikel 3.62 bedoelde hulppost. De droge blusleiding en de elke brandslangaansluiting moeten een doorstroomopening hebben die bij brand kan voorzien in een capaciteit van ten minste 120 m3 bluswater per uur. Uit artikel 3.126 volgt dat deze capaciteit gedurende ten minste één uur bij gebruik van ten minste één brandslangaansluiting moet zijn gewaarborgd. Het is dus niet zo dat bij gelijktijdig gebruik van twee aansluitingen een bluscapaciteit van 240 m3 beschikbaar moet zijn.

Het derde en vierde lid bevatten de eisen waaraan een blusleiding moet voldoen.

De blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie moeten regelmatig op een adequate wijze worden gecontroleerd en onderhouden. Dit betekent dat zo nodig ook reparaties moeten worden uitgevoerd, maar beter nog dat defecten worden voorkomen. In aanvulling op het specifieke zorgplicht van artikel 2.6 bepaalt artikel 6.35 dat een krachtens de wet voorgeschreven droge blusleiding en pompinstallatie bij oplevering, en vervolgens eenmaal in de vijf jaar, moeten worden getest in overeenstemming met NEN 1594.

Artikel 3.126 (bluswatervoorziening wegtunnel)

De algemene voorschriften voor bluswatervoorzieningen uit het eerste, derde en vierde lid van artikel 6.30 van het Bouwbesluit 2012 zijn niet overgenomen in dit besluit. Het stellen van regels aan andere bluswatervoorzieningen dan bluswatervoorzieningen voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wordt in het vervolg aan gemeente overgelaten. Gemeenten kunnen hiervoor in het omgevingsplan lokale regels stellen.

Artikel 3.126 regelt de aanwezigheid en de capaciteit van een bluswatervoorziening voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. De in artikel 3.125, tweede lid, bedoelde blusleiding van een wegtunnel moet op de bluswatervoorziening zijn aangesloten. Ongeacht het aantal aansluitingen op de blusleiding, moet de bluswatervoorziening ten minste één uur zijn gewaarborgd en moet in dit uur ten minste 120 m3 bluswater beschikbaar zijn. Daarbij kan evenals bij andere bouwwerken gebruik worden gemaakt van naar keuze een leidingnet, een watervoorraad of oppervlaktewater.

Artikel 3.127 (blustoestellen)

In dit besluit is alleen voor kamergewijze verhuur en wegtunnels een mobiel blustoestel voorgeschreven.

In het eerste lid van dit artikel is voor kamergewijze verhuur aangegeven dat er ten minste een blustoestel in een gezamenlijke keuken en per bouwlaag ten minste een in de gezamenlijke gang of op de overloop aanwezig moet zijn. Als een groepszorgwoning vijf of meer wooneenheden omvat, dan moet deze ook voldoen aan de aan een woonfunctie voor kamergewijze verhuur verbonden regels. Het is echter niet nodig dat er in een groepszorgwoning naast brandslanghaspels ook blustoestellen zijn. Het moeten dan wel brandslanghaspels zijn die ooit bij het bouwen van de betreffende woonfunctie voor kamergewijze verhuur waren voorgeschreven en die zullen ten minste eenmaal per twee jaar moeten worden onderhouden en gecontroleerd op goede werking als bedoeld in artikel 6.36.

Het tweede lid schrijft voor dat elke hulppost in een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m een draagbaar blustoestel moet hebben.

Het derde lid regelt dat een voorgeschreven blustoestel goed zichtbaar moet zijn opgehangen of gemarkeerd.

Het algemene voorschrift voor mobiele blustoestellen uit het Bouwbesluit 2012 is niet overgenomen in dit besluit. Het is de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om te beoordelen of het in andere dan de hierboven genoemde gevallen nodig is om bijvoorbeeld op grond van de Risico Inventarisatie en Evaluatie in het kader van de Arbo regelgeving dergelijke blustoestellen te plaatsen.

§ 3.7.8 Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten
Algemeen

Deze paragraaf heeft betrekking op de brandweeringang van bouwwerken waarin personen kunnen verblijven, de bereikbaarheid van dergelijke bouwwerken voor hulpverleningsdiensten, opstelplaatsen voor brandweervoertuigen, brandweerliften in bouwwerken en voorzieningen voor mobiele radiocommunicatie van hulpverleningsdiensten.

De voorschriften voor terreinvoorzieningen en de bereikbaarheid van het gebouw voor de brandweer, zoals opgenomen in artikel 6.38 (bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten) en artikel 6.39 (opstelplaatsen voor brandweervoertuigen) van het Bouwbesluit 2012 zijn niet in dit besluit overgenomen. Dit vanwege het feit dat onder de Omgevingswet de bevoegdheid voor het stellen van dergelijke eisen aan de omgeving van een gebouw bij de gemeente ligt. De gemeente kan die eisen, afgestemd op de locale situatie, opnemen in het omgevingsplan.

Artikel 3.128 (aansturingsartikel)

In het eerste lid is de functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanig toegankelijk voor hulpverleningsdiensten moet zijn, dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 3.129 (brandweeringang)

Om een snelle en adequate inzet mogelijk te maken, moet de brandweer een bouwwerk met een zodanig brandveiligheidsrisico dat het een brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat moet hebben op eenvoudige wijze kunnen betreden. Het is daarom van groot belang dat de brandweer direct weet waar zij het gebouw kan betreden.

Het eerste lid geeft daarom aan dat een bouwwerkmet een krachtens de wet (Omgevingswet) voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat een brandweeringang moet hebben. Voorbeelden van een krachtens de Omgevingswet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat zijn een brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat als bedoeld in artikel 6.33 en een brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat die onderdeel uitmaak van een in artikel 4.7 van de Omgevingswet bedoelde gelijkwaardige oplossing.

Het tweede lid stelt eisen aan het ontsluitingsmechanisme van de brandweeringang. Deze ingang moet bij brand of automatisch open gaan of kunnen worden geopend met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald, bijvoorbeeld met een brandweersleutel. Het tweede lid is alleen van toepassing op de in het eerste lid bedoelde gebouwen, voor zover bij die een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie een doormelding naar de regionale alarmcentrale van de brandweer is vereist. Voorbeelden van een krachtens de Omgevingswet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding zijn een in artikel 3.115, eerste lid, bedoelde brandmeldinstallatie met doormelding en een brandmeldinstallatie met doormelding die onderdeel uitmaak van een in artikel 4.7 van de Omgevingswet bedoelde gelijkwaardige oplossing.

De brandweer zal bij toepassing van artikel 3.129 rekening moeten houden met de mogelijkheid dat het bevoegd gezag op grond van artikel 3.130 beperkingen kan stellen.

Artikel 3.130 (afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang)

Met dit artikel zijn de mogelijkheden voor het bevoegd gezag om maatwerkvoorschriften over de brandweeringang te stellen afgebakend. Het bevoegd gezag mag alleen beslissen dat een bouwwerk geen brandweeringang behoeft te hebben als dat naar zijn oordeel gezien de aard, de ligging of het gebruik niet nodig is (a). Ook mag het bevoegd gezag bij een gebouw met meerdere toegangen beslissen welke toegang de brandweeringang moet worden. Zie ook de toelichting op artikel 3.7.

Artikel 3.131 (mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten)

Bij een calamiteit is adequate communicatie tussen publieke hulpverleners essentieel om goed te kunnen functioneren. In veel gevallen zijn hiervoor geen extra voorzieningen nodig. In dit artikel worden twee specifieke regels gegeven. Bij een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk kunnen bijzondere voorzieningen voor een adequate mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk nodig zijn (eerste lid). Bij wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m is een dergelijke door het bevoegd gezag goedgekeurde installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten de wegtunnel altijd nodig (tweede lid). Bij bouwwerken die voor grote aantallen bezoekers toegankelijk zijn is de noodzaak van een dergelijke installatie afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Dit zal bijvoorbeeld afhangen van de al beschikbare dekking van het communicatienetwerk van publieke hulpverleningsdiensten in en buiten het bouwwerk, het aantal personen en de complexiteit of de omvang van het gebouw. De al beschikbare dekking van het zogenoemde C 2000-systeem zal in de meeste gevallen voldoende zijn.

C 2000 is een landelijk digitaal radionetwerk voor de mobiele communicatie van de Nederlandse hulpverleningsdiensten. In de praktijk betekent dit dat de hulpverlener in Nederland altijd en overal buitenshuis een verbinding tot stand kan brengen met collega’s of met de meldkamer of alarmcentrale. Door de wijze waarop het C 2000-radionetwerk is ontworpen zal in veel gevallen ook sprake zijn van binnenhuisdekking. Dit is echter sterk afhankelijk van de aard en ligging van het bouwwerk. Het ontbreken van binnenhuisdekking kan soms tot bezwaarlijke situaties leiden in voor het grote publiek toegankelijke bouwwerken. Dergelijke locaties worden in C 2000-jargon aangeduid als special coverage locations (SCL’s). In die gevallen kan soms worden volstaan met plaatselijke en tijdelijke dekkingsmaatregelen zoals direct mode of operations (DMO) of met een zogenoemde DMO-TMO-gateway. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld.

Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk. Daarbij gaat het in de regel om voor het grote publiek toegankelijke bouwwerken, zoals voetbalstadions, grote overdekte winkelcentra, luchthavengebouwen, stations en ondergrondse bouwwerken zoals auto-, trein- en metrotunnels. Omdat in bijvoorbeeld kantoorgebouwen, schoolgebouwen en gerechtsgebouwen alleen grote aantallen gebruikers maar geen grote aantallen bezoekers aanwezig zijn, behoren zulke gebouwen niet tot de in het eerste lid bedoelde categorie bouwwerken. Vervolgens moet worden vastgesteld of het bouwwerk binnenshuis onvoldoende dekking heeft (SCL-locatie) en of er zonder aanvullende voorzieningen in die SCL onvoldoende binnenhuisdekking is van het bestaande radionetwerk (C 2000). Is die dekking er niet (of niet in het gehele bouwwerk), moet worden bepaald of DMO of DMO-TMO een voldoende oplossing biedt. Pas wanneer dat laatste niet het geval is moet op grond van artikel 3.131 voor die locatie worden gezocht worden naar een meer structurele oplossing voor adequate binnenhuisdekking.

Artikel 3.132 (afbakening maatwerkvoorschriften mobiele communicatie hulpverleningsdiensten)

Met dit artikel is de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om maatwerkvoorschriften te stellen over de mobiele communicatie van hulpverleners. Die mogelijk blijft beperkt tot het geven van nadere voorschriften over de binnenhuisdekking. Over de andere onderdelen van de mobiele communicatie mag de gemeente geen eigen eisen stellen. Zie ook de toelichting op artikel 3.7.

§ 3.7.9 Aanvullende regels tunnelveiligheid
Algemeen

De regels van deze paragraaf hebben betrekking op het veilig gebruik van wegtunnels. Zij strekken tot implementatie van de Richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 over minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201) (hierna: de richtlijn veiligheid wegtunnels).

Artikel 3.133 (aansturingsartikel)

Het eerste lid geeft als functionele eis dat een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m zodanige voorzieningen heeft dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf.

Artikel 3.134 (uitrusting hulppost wegtunnel)

Op grond van dit artikel moet een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 een noodtelefoon en een wandcontactdoos met 230 volt hebben. Hulpposten zijn bedoeld om diverse veiligheidsvoorzieningen te bieden, zoals noodtelefoons en brandblusapparatuur (zie ook artikel 3.127). Ze zijn echter niet bedoeld om weggebruikers te beschermen tegen de gevolgen van brand.

Artikel 3.135 (bedieningscentrale wegtunnel)

Op grond van dit artikel moet een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m zijn aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen en van brand. Dit artikel is ter implementatie van de richtlijn tunnelveiligheid. Omdat in Nederland dergelijke lange tunnels altijd van mechanische ventilatie voorzien zijn kan de bedieningscentrale bovendien worden gebruikt voor het bedienen van de mechanische ventilatie. Opgemerkt wordt dat de automatische detectiesystemen met name reageren op zogenaamde onderschrijding van de maximumsnelheid, derhalve ook op het langzamer rijden of stilstaan van auto’s, bijvoorbeeld in verband met pech of een ongeval.

De bedieningscentrale hoeft overigens niet of op nabij de tunnel te liggen. Het toezicht op verscheidene tunnels kan in één bedieningscentrale worden gecentraliseerd.

Artikel 3.136 (afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen)

Op grond van dit artikel moet een bestaande wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen in de rijbaanvloer een voorziening voor de afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen hebben. Met afvoervoorziening is het totale stelsel waarop de roosters en dergelijke zijn aangesloten bedoeld. Aan de capaciteit van de afzonderlijke roosters en de afvoerbuizen en dergelijke zijn geen concrete prestatie-eisen gesteld. Bij een calamiteit waarbij een lekkage van gevaarlijke vloeistoffen optreedt, is het, om het verspreiden of ontstaan van brand of verspreiding van giftige vloeistoffen te voorkomen, nodig dat deze vloeistoffen snel en veilig kunnen worden afgevoerd. Dit zal in het algemeen betekenen dat een afvoerbuis in het systeem een diameter moet hebben van ten minste 0,2 m en dat met verval of een pompsysteem een voldoend snelle afvoer naar een reservoir (middenkelder) mogelijk is. Informatie hierover is te vinden in de Veiligheids Richtlijn deel C (VRC), uitgave van Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Steunpunt Tunnelveiligheid, januari 2004.

Het verschil met de nieuwbouwregels van artikel 4.234 is dat er bij nieuwbouw bouw ook een maximum is gesteld aan de onderlinge afstand tussen de in de wegtunnelvloer opgenomen afvoervoorzieningen.

Artikel 3.137 (verkeerstechnische aspecten tunnelbuis)

Het eerste lid bepaalt dat een weg binnen en buiten de tunnel hetzelfde aantal rijstroken moet tellen. Eventuele vluchtstroken blijven daarbij buiten beschouwing. Als het aantal rijstroken verandert, moet dat gebeuren op voldoende afstand vóór het tunnelportaal.

Op grond van het tweede en derde lid is in een wegtunnelbuis in beginsel geen tweerichtingsverkeer toegestaan tenzij is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is en het tweerichtingsverkeer met voldoende veiligheidswaarborgen is omgeven.

Op grond van het vierde lid moet de wegtunnelbuis dan in ieder geval zijn voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.

Artikel 3.138 (communicatievoorzieningen wegtunnel)

Het eerste lid regelt dat een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m ter bevordering van de veiligheid een voorziening moet hebben:

  • a. waarmee door luidsprekers mededelingen kunnen worden gedaan aan personen op elke rijbaan en vluchtroute,

  • b. voor heruitzending van radiosignalen in elke wegtunnelbuis, en

  • c. om radio-uitzendingen te kunnen onderbreken om mededelingen te doen.

Het tweede lid geeft aan dat deze boodschappen in ten minste twee talen moeten worden gegeven waaronder in ieder geval het Nederlands en het Engels.

Artikel 3.139 (aansluiting op noodstroomvoorziening)

De in dit artikel bedoelde noodstroomvoorziening moet bij een wegtunnel (met een tunnellengte van meer dan 250 m, zie artikel 3.133) waarborgen dat de stroomvoorziening zodanig is dat de voor evacuatie essentiële veiligheidsvoorzieningen ook bij stroomuitval blijven werken.

§ 3.7.10 Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit
Artikel 3.140 (aansturingsartikel)

Met de in het eerste lid opgenomen functionele eis dat een woongebouw zodanige voorzieningen moet hebben dat veel voorkomende criminaliteit wordt voorkomen, is tot uitdrukking gebracht dat de regels in deze paragraaf geen betrekking hebben op andere gebouwen dan woongebouwen.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf.

Artikel 3.141 (voorkomen van veel voorkomende criminaliteit in een woongebouw)

Het doel van dit artikel is tegen te gaan dat onbevoegden op eenvoudige wijze een woongebouw kunnen binnenkomen.

Een afsluitbare toegang van een bestaand woongebouw moet zijn uitgerust met voorzieningen voor het in het slot vallen van de deur (eerste lid) en voor het geven van een signaal naar de betrokken woningen (tweede lid). Praktisch gezien komt dit neer op het aanwezig zijn van een dranger en een bel. Anders dan bij de nieuwbouw worden er dus geen deuropener en spreekinstallatie verlangd. Beide leden gelden alleen voor woongebouwen met een afsluitbare toegang. Een portiek zonder afsluitbare toegang (open of Haags portiek) is in de bestaande bouw toegestaan.

§ 3.7.11 Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht
Artikel 3.142 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een onderwijsfunctie voor basisonderwijs een voorziening moet hebben die inzicht geeft in de kwaliteit van de binnenlucht.

Het tweede lid geeft aan dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door het voldoen aan de regels van deze paragraaf.

Artikelen 3.143 (kooldioxidemeter)

Dit artikel regelt dat elk klaslokaal van een basisschool een kooldioxidemeter moet hebben die aan de bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet. De meter is bedoeld om de leerkracht objectief inzicht te geven in de kwaliteit van de binnenlucht zodat hij de hoeveelheid verse lucht optimaal kan regelen. Dit artikel stond in BB2012 in hoofdstuk 7. In het BBL is het zowel een eis voor bestaande bouw als nieuwbouw. De eis was opgenomen in het BB2012 als uitwerking van de toezegging aan de Tweede Kamer dat er in aanvulling op de vigerende ventilatieeisen voor scholen een verplichting in het Bouwbesluit 2012 zou komen voor de aanwezigheid van een CO2-meter in verblijfsruimten van scholen voor het primair onderwijs. Zie hiervoor de brief van 28 augustus 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 32 757, nr. 77).

3.144 (overgangsrecht: kooldioxidemeter)

In dit artikel is geregeld dat een CO2 meter niet is vereist in een klaslokaal met ventilatievoorzieningen die zijn gebouwd (of geïnstalleerd) voor 1 juli 2015. Deze overgangsregeling was voorheen opgenomen in Staatsblad 2015, 249, Artikel II.

Hoofdstuk 4 Nieuwbouw
Afdeling 4.1 Algemeen
Artikel 4.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de regels van dit hoofdstuk van toepassing zijn op het bouwen van nieuwe bouwwerken. Regels over het in stand houden van bestaande bouwwerken zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Regels over het verbouwen en verplaatsen van bestaande bouwwerken en over wijziging van de gebruiksfunctie van bestaande bouwwerken zijn opgenomen in hoofdstuk 5. Met ‘op het bouwen van nieuwe bouwwerken’ worden niet de regels voor het uitvoeren van bouwwerkzaamheden (het bouwproces) bedoeld, maar wordt bepaald dat de nieuwbouwregels van toepassing zijn op het bouwwerk op het moment dat het bouwwerk daadwerkelijk in gebruik wordt genomen. Regels over het uitvoeren van bouwwerkzaamheden zijn opgenomen in hoofdstuk 7.

Het tweede lid bepaalt dat het al dan niet gedeeltelijk vernieuwen na sloop waarbij alleen gebruik wordt gemaakt van de oorspronkelijke fundering geldt als nieuwbouw. Op elke vorm van bouwen nadat het vorige bouwwerk met uitzondering van de gehele of gedeeltelijke fundering is gesloopt zijn de nieuwbouwvoorschriften van toepassing. Bij de definitie van verbouw in bijlage I van dit besluit is rekening gehouden met dit uitgangspunt. Dit tweede lid is vergelijkbaar met het basisprincipe zoals dat eerder ook in artikel 1.12, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 was opgenomen. Met deze nieuwe opzet worden mogelijke onduidelijkheden over de uitleg van de vraag in hoeverre de nieuwbouwvoorschriften van toepassing zijn als er nog een restant van een eerder bouwwerk aanwezig is, voorkomen. Opgemerkt wordt dat voor dit vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert een eigen snellere maatwerkprocedure kan worden gevolgd. Zie artikel 4.6.

Artikel 4.2 (toepassingsbereik: oogmerken)

Dit artikel bepaalt dat de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a. het waarborgen van de veiligheid,

  • b. het beschermen van de gezondheid, en

  • c. duurzaamheid en bruikbaarheid.

Deze regels zijn uitputtend bedoeld. Gemeenten kunnen alleen eigen regels (of voorschriften) stellen voor zover maatwerkartikelen in dit besluit dat expliciet mogelijk maken. De mogelijkheden daarvoor zijn te vinden in de artikelen 4.5 tot en met 4.7.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de titel van een aantal afdelingen van hoofdstuk 4 van dit besluit overeenkomt met een in dit artikel genoemd oogmerk. In deze afdelingen kunnen echter ook eisen zijn gesteld met een ander in artikel 4.2 bedoeld oogmerk. Ook de eisen van de afdelingen toegankelijkheid en bouwwerkinstallaties zijn gebaseerd op één of meer van de in artikel 4.2 bedoelde oogmerken.

De toegankelijkheidseisen zijn bijvoorbeeld hoofdzakelijk uit het oogpunt van bruikbaarheid gestelde eisen.

Artikel 4.3 (toepassingsbereik: normadressaat)

Op grond van dit artikel moet aan de regels van dit hoofdstuk worden voldaan door degene die het bouwwerk bouwt. Daaronder wordt ook degene verstaan die een bouwwerk laat bouwen door een ander.

Deze verplichting houdt ook in, dat bijvoorbeeld een opdrachtgever er voor zorgt, dat eventuele werknemers of andere bedrijven die binnen de activiteit in opdracht deelactiviteiten uitvoeren de regels naleven. Dat geldt ook voor eventuele regels die als maatwerkvoorschrift over de activiteit zijn gesteld, en voor het bij de activiteit eventueel gebruiken van een gelijkwaardige maatregel.

Artikel 4.4 (toepassingsbereik: aansturingsartikel niet van toepassing)

Met de aansturingstabel wordt bepaald met welke regels bij een bepaalde gebruiksfunctie aan het aansturingsartikel kan worden voldaan. In die gevallen waarin er in een paragraaf voor een bepaalde gebruiksfunctie geen regels zijn aangewezen is het in de meeste gevallen niet nodig om aan het aansturingsartikel te voldoen. In andere gevallen moet ondanks het ontbreken van regels voor een bepaalde gebruiksfunctie toch aan de functionele eis van het aansturingsartikel worden voldaan. Onder het Bouwbesluit 2012 volgde dat onderscheid uit het zogenoemde derde lid in het aansturingsartikel. Als in het aansturingsartikel in een paragraaf een derde lid was opgenomen, dan gold de functionele eis van het eerste lid niet voor die gebruiksfuncties waarvoor geen eisen in de tabel waren opgenomen. In het onderhavige besluit is deze systematiek ongewijzigd. Wel is gekozen voor een verduidelijking door niet meer per paragraaf al dan niet een derde lid in het aansturingsartikel op te nemen, maar in de afdeling algemeen direct duidelijk te maken in welke gevallen het aansturingsartikel niet van toepassing is als er geen regels zijn opgenomen en in welke gevallen wel. Uit de eerste volzin van dit artikel volgt dat het i niet van toepassing zijn van het aansturingsartikel de regel is. Uit de tweede volzin volgt dat deze regel niet geldt bij de tabellen 4.16, 4.49, 4.56, 4.83 en 4.207. Dit betreft 4.16 (constructieve veiligheid bij brand), 4.49(beperking van uitbreiding van brand), 4.56 (verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook), 4.83 (hulpverleding bij brand) en 4.207(tijdig vaststellen van brand). Dit betekent dat wanneer uit genoemde tabellen blijkt dat bij een bepaalde gebruiksfunctie in die paragraaf geen regels zijn aangewezen, de functionele eis van het eerste lid van het aansturingsartikel toch geldt.

Artikel 4.5 (maatwerkvoorschriften)

Artikel 4.5 maakt het voor het bevoegd gezag mogelijk om in concrete gevallen maatwerkvoorschriften te stellen over het bouwen van een nieuw bouwwerk.

In artikel 4.5, eerste lid, is bepaald dat maatwerk- en vergunningvoorschriften mogen worden gesteld over de onderwerpen in de afdelingen 4.2 tot en met 4.7, met uitzondering van bepalingen over het toepassingsbereik en meet- of rekenmethoden en met artikel 4.6 is deze bevoegdheid afgebakend. Dat betekent dat over de onderwerpen van afdeling 4.1, zoals bijvoorbeeld het toepassingsbereik, geen maatwerk mogelijk is.

Met het tweede lid van artikel 4.5 is bepaald dat tenzij in een artikel in dit hoofdstuk anders is bepaald met een maatwerk- of vergunningvoorschrift van de regels van dit hoofdstuk mag worden afgeweken. Onder afwijken wordt hier alleen versoepelen verstaan. Dit betekent dat tenzij in de regels van dit hoofdstuk anders is bepaald de gemeente regels alleen kan versoepelen.

In het derde lid is opgenomen in welke gevallen in welke gevallen er in dit hoofdstuk een specifieke afbakening voor maatwerk over een bepaald onderwerp is opgenomen. In dit hoofdstuk is dat op enkele plekken het geval. In die gevallen is in afwijking van het tweede lid ook mogelijk dat een maatwerkvoorschrift bijvoorbeeld het stellen van nadere eisen mogelijk maakt. Zie voor de specifieke uitwerking daarvan de artikelen en toelichting daarop.

Bij dit maatwerk wordt onderscheid gemaakt tussen maatwerk- of vergunningvoorschriften op initiatief van het bevoegd gezag (vierde lid) en maatwerk- of vergunningvoorschriften op aanvraag van degene die het bouwwerk bouwt of laat bouwen (vijfde lid). Een maatwerk- of vergunningvoorschrift op initiatief van het bevoegd gezag mag alleen worden gesteld over de artikelen 4.226 (4.212 afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang) en 4.229 (4.215 mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten) en alleen als dat nodig is met het oog op de in artikel 4.2 bedoelde belangen. Dit betekent dat dit maatwerk nodig moet zijn voor het waarborgen van de veiligheid

Een maatwerk- of vergunningvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk bouwt of laat bouwen, mag gesteld worden met het oog op andere belangen dan de onder artikel 4.2 bedoelde belangen. Hierbij is wel een voorwaarde dat de onder artikel 4.2 bedoelde belangen zich niet verzetten. Met andere woorden het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het waarborgen van duurzaamheid en bruikbaarheid gaan altijd voor. Als aan die eisen is voldaan kan het bevoegd gezag in een concreet geval bij de bouw van een nieuw bouwwerk versoepeling toestaan van de nieuwbouweisen die op grond van de afdelingen 4.2 tot en met 4.7 op de bouw van zo’n bouwwerk van toepassing zijn. Artikel 7 van de Woningwet, zoals dat tot de inwerkingtreding van dit besluit luidde, bevatte een soortgelijke bepaling als nu is opgenomen in de artikel 4.5 van dit besluit. In artikel 7 van de Woningwet ging het om een ontheffingsmogelijkheid voor de minister voor Wonen en Rijksdienst waarvan hij alleen gebruik kon maken na een verklaring van het bevoegd gezag dat het met de versoepeling instemt. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkbevoegdheid voor het bevoegd gezag met advies met instemming van de minister. Materieel levert dit eenzelfde resultaat op: in beide constructies kunnen de regels bij nieuwbouw alleen worden versoepeld als eerst het bevoegd gezag en daarna de minister er in het concrete geval mee instemt.

Zoals hierboven uitgelegd kan met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 alleen versoepeling van de nieuwbouweisen in hoofdstuk 4 verleend worden. Deze maatwerkmogelijkheid en de andere maatwerkmogelijkheden in dit besluit bieden geen grondslag om maatwerk toe te passen op eisen die uit andere regelgeving voortvloeien, bijvoorbeeld op krachtens de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warvw) aan wegtunnels gestelde eisen.

Omdat landelijke uniformiteit van nieuwbouweisen in de bouwregelgeving uitgangspunt is en het belangrijk is dat afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering aan de orde is, kan het bevoegd gezag in een concreet geval alleen versoepeling van de nieuwbouweisen toestaan na advies met instemming van de minister voor Wonen en Rijksdienst als bedoeld in de artikelen 16.15 en 16.16 van de wet. Zie ook artikel 3.23 van het Omgevingsbesluit waarin de betrokkenheid van de minister bij die versoepeling nader is uitgewerkt.

Artikel 4.6 (maatwerkvoorschriften herbouw)

Er is voor gekozen om de maatwerkmogelijkheid voor vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert in een apart artikel op te nemen omdat de procedure voor ontheffing van de nieuwbouweisen bij vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert (herbouw) eenvoudiger en is dan de reguliere maatwerkprocedure van artikel 4.5. Als er geen sprake is van herbouw is namelijk advies met instemming van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgeschreven. Bij herbouw kan het bevoegd gezag in het specifieke geval zelf beoordelen welke eisen uit hoofdstuk 4 versoepeld dienen te worden.

Voor de systematiek van het maatwerkvoorschrift wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.5 en hoofdstuk 2.3.5 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 4.7 (maatwerkregels)

Samen met de artikelen 4.150 (afbakening maatwerkregels energieprestatie), 4.160 (afbakening maatwerkregel milieuprestatie) en artikel 4.161 (afbakening maatwerkregels bruikbaarheid) maakt artikel 4.7 het mogelijk om in het omgevingsplan ten aanzien van nieuw te bouwen bouwwerken maatwerkregels te stellen voor deze specifieke onderwerpen. Bij de eerste twee onderwerpen is het hiermee mogelijk strengere waarden dan de landelijke waarden te stellen. Dit stelt gemeenten in staat om gebiedsgericht hogere duurzaamheidsambities toe te passen als de gemeente dat wil. Door dit als maatwerkregel uit te werken, wordt die ambitie in het omgevingsplan neergelegd, zodat het besluit om een strengere eis te hanteren in een democratische procedure door de gemeenteraad wordt genomen (tegen welk besluit ook nog beroep bij de rechter openstaat).

Voor het onderwerp bruikbaarheid krijgen gemeenten de mogelijkheid met een maatwerkregel de landelijke eisen te versoepelen. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 4.161.

Door verplichte opname van maatwerkregels in het omgevingsplan is voor iedereen vooraf kenbaar of in het betreffende gebied een andere eis geldt. Bij de vergunningaanvraag zal de eis uit de maatwerkregel in het omgevingsplan ook onderdeel uitmaken van het toetsingskader en in de plaats komen van de regel uit dit besluit. Indien geen sprake is van een vergunningplichtige activiteit heeft de regel uit het omgevingsplan directe werking als algemeen verbindend voorschrift.

Deze maatwerkmogelijkheid is nieuw. Onder de Woningwet bestond deze niet in deze vorm.

Artikel 4.8 (tijdelijk bouwwerk)

Blijkens de in bijlage 1 bij dit besluit opgenomen omschrijving van dat begrip is een tijdelijk bouwwerk een bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 15 jaar op dezelfde locatie. Op grond van dit artikel hoeft zo’n bouwwerk slechts te voldoen aan de regels voor tijdelijke bouw.

Het eerste lid geeft de eisen waaraan tijdelijke bouwwerken moeten voldoen. Dit zijn de regels van de afdelingen 3.2 tot en met 3.7, tenzij in de afdelingen 4.2 tot en met 4.7 anders is bepaald. Tijdelijke bouwwerken mogen daarmee aan lagere eisen voldoen dan het nieuwbouwniveau.

In het tweede lid is bepaald dat een tijdelijk bouwwerk dat na het verstrijken van de instandhoudingstermijn op de locatie aanwezig blijft alsnog aan de nieuwbouweisen moet voldoen voor een regulier bouwwerk. Dit betekent dat in een dergelijk geval de noodzakelijke aanvullende voorzieningen moeten worden getroffen voor het verstrijken van de toegestane instandhoudingstermijn. Dit kan, afhankelijk van het soort bouwwerk en de aard van de veranderingen, ook betekenen dat voor die veranderingen een omgevingsvergunning nodig is. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het omgevingplan niet de in dit tweede lid bedoelde verlenging van de instandhouding in de weg moet staan.

Artikel 4.9 (uitzonderingen woonfunctie voor particulier eigendom)

Op grond van dit artikel behoeft bij het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom niet aan de in dit artikel genoemde afdeling 4.6 en de paragrafen 4.5.5, 4.5.6, 4.6.1 en 4.6.4 te worden voldaan. Deze uitzonderingen betreffen met name de toegankelijkheidvoorschriften en de eisen aan de badruimte en de buitenberging. Daarnaast is voor een aantal andere paragrafen bepaald dat niet de nieuwbouweisen van toepassing zijn maar de lichtere eisen van de corresponderende paragrafen voor een bestaand bouwwerk. De mogelijkheid om bij nieuwbouw of verbouw te kiezen voor het lagere niveau voor bestaande bouw is in dit besluit beperkt tot de paragrafen 4.2.3, 4.2.4, 4.3.10, 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.7. Dit zijn regels die niet direct betrekking hebben op de veiligheid en gezondheid, maar op bruikbaarheid, zoals bijvoorbeeld eisen aan het overbruggen van hoogteverschillen, trap- en vloerafscheidingen en de hoogte en de openingen in een balkonhek. In dit artikel is een onderscheid gemaakt tussen eisen waarbij het nieuwbouwniveau zonder meer niet van toepassing is en eisen waarbij in plaats van het nieuwbouwniveau het niveau bestaande bouw mag worden gekozen. Een dergelijk onderscheid is aangebracht omdat bij de eerste categorie geen eisenniveau voor bestaande bouw bestaat. Over die aspecten wordt bij particulier eigendom dus geen enkele eis gesteld.

Met de uitzonderingen van dit artikel 4.9 is het voor een particulier eenvoudiger om bouwactiviteiten te ontwikkelen. De achterliggende gedachte bij dit voorschrift is dat er bij particulier eigendom een direct eigen belang is bij het te realiseren kwaliteitsniveau en dat daarom voor een verantwoord minimaal kwaliteitsniveau wordt gekozen. Het voorschrijven van een minimaal kwaliteitsniveau door de overheid is dan niet of minder nodig. Dit in tegenstelling tot zogenaamde projectbouw, waarbij de consument wel een bepaalde bescherming nodig heeft om er voor te zorgen dat een projectontwikkelaar een bepaalde kwaliteit levert.

Dit artikel is overigens qua inhoud grotendeels hetzelfde als artikel 1.12a van het Bouwbesluit 2012. Vergeleken met het Bouwbesluit 2012 is alleen de aanwijzing van artikel 3.59, eerste lid, nieuw. Op grond van dit lid mag bij de vrije doorgang van een vluchtroute bij een woonfunctie voor particulier eigendom worden uitgegaan van het niveau van eisen voor bestaande bouw, ofwel een deurbreedte van ten minste 0,5 m en een deurhoogte van ten minste 1,7 m, in plaats van 0,85 respectievelijk 2,3 meter.

Afdeling 4.2 Veiligheid

Onderwerp van deze afdeling is het door bouwtechnische regels waarborgen van de kwaliteit van een gebouw in relatie tot de veiligheid in en om dat gebouw. Het gaat daarbij niet om het voorkomen van eventuele materiële schade aan een bouwwerk.

Vergeleken met het Bouwbesluit 2012 is een aantal onderwerpen vervallen of verplaatst.

De regels met betrekking tot een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel (artikel 3.33, Bouwbesluit 2012) zijn voortaan in de afdelingen over gezondheid opgenomen.

Dat een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel niet in een toiletruimte of een badruimte mag liggen is niet zozeer vanwege brandveiligheid maar met het oog op gezondheid.

Artikel 2.64, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012, over de afstand tussen de uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas van een op vaste brandstof gestookt toestel en een brandgevaarlijk dak, is vervallen. Handhaving van het met die regel beoogde veiligheidsniveau vindt zo nodig plaats op grond van de specifieke zorgplicht brandveilig gebruik. Zie ook de toelichting op artikel 6.4.

§ 4.2.1 Constructieve veiligheid
Artikel 4.10 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid bepaalt dat een bouwwerk bestand is tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend en zodanig is dat bij een calamiteit voorschrijdende instorting van het bouwwerk wordt voorkomen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

De functionele eis is ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 uitvoeriger beschreven. Dit is gedaan om meer duidelijkheid te geven over het doel van de regel. Er is hiermee geen beleidswijziging bedoeld ten opzichte van het Bouwbesluit 2012. Het eerste deel van de functionele eis richt zich op de krachten die horen bij het beoogde gebruik van een bouwwerk. Een bouwwerk moet bestand zijn tegen de krachten (belastingen) die horen bij dit gebruik. Met ‘bestand zijn tegen’ wordt bedoeld dat het bouwwerk voldoende sterk moet zijn zodat gedeeltelijk of gehele instorten bij het beoogde gebruik niet aannemelijk is. Het tweede deel richt zich op calamiteiten en de daarbij optredende krachten die niet zijn beoogd. Een bouwwerk mag bij het optreden van een calamiteit wel deels bezwijken, maar het bouwwerk moet zodanig zijn dat voorschrijdende instorting wordt voorkomen. Benadrukt wordt dat de functionele eis alleen betrekking heeft op het voorkomen van persoonlijke letsel en niet om economische schade.

In de prestatie-eisen wordt gebruik gemaakt van de NEN-EN 1990-normserie. Deze normen gaan uit van de zogenoemde probabilistische veiligheidsfilosofie. Uitgangspunt hierbij is een maximaal toelaatbaar individueel risico van 10-5. Dat wil zeggen dat de kans dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt door het instorten van een gebouw of onderdeel daarvan kleiner is dan één op de 100 duizend per jaar.

Artikel 4.11 (fundamentele belastingscombinaties)

Het doel van dit artikel is te waarborgen dat een bouwconstructie gedurende de ontwerplevensduur (duurzaam) bestand is tegen de krachten die op die bouwconstructie werken. Het begrip bouwconstructie is een overkoepelend begrip dat zowel de in de Eurocode gebruikte begrippen ‘constructie’ als ‘constructief element’ omvat.

De ontwerplevensduur, zoals beschreven in NEN-EN 1990, is de periode gedurende welke een constructie of een deel ervan te gebruiken is voor het beoogde doel, rekening houdend met het voorziene onderhoud, maar zonder dat ingrijpend herstel nodig is.

De hoofdregel is dat een gebouw, zoals in NEN-EN 1990 is aangegeven, 50 jaar moet meegaan. De fundamentele belastingcombinaties zijn combinaties van nader aangegeven gelijktijdig optredende permanente en veranderlijke belastingen. Permanente belastingen zijn bijvoorbeeld het eigen gewicht van een constructie. Voorbeelden van veranderlijke belastingen zijn belastingen door meubilair, machines en personen. NEN-EN 1990 verwijst voor de verdere specificatie van de verschillende belastingsoorten door naar NEN-EN 1991. Voor specifieke geotechnische belastingen (en weerstanden) verwijst NEN-EN 1990 door naar NEN-EN 1997. Deze NEN-EN 1991 en NEN-EN 1997 zijn niet genoemd in artikel 4.11, maar wel in NEN-EN 1990.

Door vermelding in de regeling bij dit besluit kunnen NEN-EN 1991 en NEN-EN1997, ondanks het feit dat deze niet rechtstreeks in dit besluit zijn aangewezen, toch betekenis hebben bij het toetsen aan dit besluit. In de praktijk van de bouwregelgeving wordt een niet direct in de artikelen van het besluit aangewezen normblad een tweedelijns norm genoemd.

Artikel 4.12 (buitengewone belastingscombinaties)

Het eerste lid stelt een eis aan de sterkte en stabiliteit van een bouwwerk of een gedeelte daarvan bij buitengewone belastingscombinaties. Uitgangspunt hierbij is dat een bouwconstructie die direct wordt belast zelf wel mag bezwijken zolang dit maar niet leidt tot het bezwijken van andere bouwconstructies dan bouwconstructies die in de directe nabijheid liggen. Als een constructieonderdeel bezwijkt, mogen direct in de nabijheid gelegen constructieonderdelen bezwijken. Dit mag echter niet bij verderop gelegen bouwconstructies gebeuren omdat dat zou kunnen leiden tot een voortschrijdende instorting. In de nationale bijlage bij NEN-EN 1991-7 zijn de bekende buitengewone (bijzondere) belastingen opgenomen die bij de beoordeling van een ontwerp een rol spelen. Dit betreft stootbelastingen door voertuigen, treinen en schepen, belastingen door binnengasexplosies, belastingen door extreem toegenomen (grond)waterstanden, het effect van storm bij geopende ramen en deuren en het effect van het verlies van een stabiliteitsvoorziening van een ander gebouw. De buitengewone belastingscombinaties zijn combinaties van nader aangegeven permanente, veranderlijke belastingen en buitengewone belastingen die gelijktijdig kunnen optreden.

NEN-EN 1990 spreekt overigens van ‘belastingcombinaties voor buitengewone ontwerpsituaties’ dit is in dit besluit beperkt tot het begrip ‘buitengewone belastingcombinaties’ zoals ook was gedaan in het Bouwbesluit 2012.

In het tweede lid zijn de regels gegeven voor het niet bezwijken van een dak of van een vloerafscheiding als gevolg van een calamiteit (bijvoorbeeld iemand die op het dak struikelt of hard tegen een vloerafscheiding valt of geduwd wordt). Deze stootbelasting is opgenomen in de nationale bijlage bij NEN-EN 1991-1-1.

Artikel 4.13 (bepalingsmethode niet-bezwijken)

Dit artikel bevat de bepalingsmethoden waarmee kan worden nagegaan of het bouwwerk voldoet aan het gestelde in de artikelen 4.11 en 4.12.

Het eerste lid van dit artikel verwijst naar de normen waarin eigenschappen van bekende materialen zijn vastgelegd. In die normen is per bouwmateriaal beschreven hoe de op een bouwconstructie aangrijpende krachten daarin doorwerken wat betreft momenten, normaal- en dwarskrachten en spanningen. Deze doorwerking, die ook afhankelijk is van de stijfheid van de bouwconstructie, wordt respons genoemd. Voorts bevatten deze normen rekenregels waarmee kan worden bepaald welke maximale momenten, normaal- of dwarskrachten en spanningen of combinaties daarvan in de bouwconstructie kunnen worden opgenomen. Met deze rekenregels wordt de zogenoemde capaciteit van een bouwconstructie bepaald. Wanneer de aldus bepaalde respons groter is dan de capaciteit, is er sprake van het overschrijden van een uiterste grenstoestand.

De nationale normen NEN 2608 en NEN 6707 voor respectievelijk glas (e) en de bevestiging van dakbedekkingen (f) zijn gehandhaafd. Voor deze onderwerpen zijn nog geen Eurocodes voorhanden.

Het tweede lid bepaalt dat bij toepassing van andere materialen en bepalingsmethoden het niet bezwijken van een constructie moet worden bepaald met NEN-EN 1990.

Het derde lid geeft een regel voor een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen woning en van een logiesfunctie. In dergelijke gevallen mag rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorzieningen van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort. Dit betekent dat bij de beoordeling van de standzekerheid van een rijtjeswoning of een geschakelde vakantiewoning rekening mag worden gehouden met bijvoorbeeld het windverband (specifieke stabiliteitsvoorziening) van een belendende woning of logiesfunctie. Bij alle andere gebruiksfuncties moet aan alle eisen die aan de stabiliteit worden gesteld, zelfstandig (binnen de grenzen van het eigen perceel) worden voldaan.

Artikel 4.14 (aardbevingen)

Dit artikel regelt dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld die rekening houden met de belastingen die kunnen optreden bij aardbevingen als gevolg van de gaswinning in de provincie Groningen. Deze regels kunnen worden gegeven over het bepaalde in de artikelen 4.11 tot en met 4.13. In genoemde artikelen zijn de prestatie-eisen en de bepalingsmethoden gegeven voor de constructieve veiligheid waarbij is verwezen naar de NEN-EN 1990-normserie. Deze eisen beogen dat gebouwen voldoende bestand zijn tegen belastingen en niet bezwijken. In deze normen zijn de belastingen die kunnen optreden als gevolg van aardbevingen nog niet meegenomen. Met artikel 4.14 wordt dit aangevuld in de ministeriële regeling.

Artikel 4.15 (tijdelijk bouwwerk)

Op grond van het eerste lid zijn op een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 5 jaar de artikelen 4.11, 4.13 en 4.14 van overeenkomstige toepassing. Op grond van het tweede lid moet bij een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 15 jaar worden uitgegaan van de artikelen 4.11 tot en met 4.14. Bij een potentieel langere levensduur van een tijdelijk bouwwerk hoort tenslotte een hoger veiligheidsniveau. Daarom is bij deze langere ontwerplevensduur ook artikel 4.12 van toepassing. Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.2.2 Constructieve veiligheid bij brand
Artikel 4.16 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid bepaalt dat een bouwwerk bestand is tegen brand zodat er geen sprake zal zijn van instorting die een gevaar oplevert voor het vluchten of hulpverlening bij brand gedurende een redelijk tijd. Welke tijdsduur redelijk is, is tot uitdrukking gebracht in de in artikel 4.17 bedoelde ‘tijdsduur niet-bezwijken’.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.4 regelt voor deze paragraaf dat de in het eerste lid bedoelde functionele eis onverkort van toepassing is op de gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen enkele regel is aangewezen (andere overige gebruiksfunctie). Dit is een afwijking van de hoofdregel die voor andere paragrafen aangeeft dat een aansturingsartikel niet van toepassing is op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van het aansturingsartikel.

De functionele eis is ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 anders beschreven. Dit is gedaan om meer duidelijkheid te geven over het doel van de regel. Er is hiermee geen beleidswijziging bedoeld ten opzichte van het Bouwbesluit 2012. Bij brand in een bouwwerk kan de bouwconstructie blootgesteld worden aan hitte waardoor de sterkte van die constructie kan afnemen. Uit de functionele eis volgt dat dit niet mag leiden tot instorting die een gevaar oplevert voor het vluchten of hulpverlening bij brand. Als bij brand alle personen uit een bouwwerk zijn gevlucht (al dan niet met hulp) mag een gebouw wel instorten. Als bij hogere gebouwen door dit instorten het vluchten en hulpverlening buiten het bouwwerk in gevaar kan komen, dan valt ook dit onder de functionele eis. De eis ziet niet toe op economische schadebeperking zowel voor wat betreft het bouwwerk dat afbrand en instort als economische gevolgschaden in de directe omgeving.

Artikel 4.17 (tijdsduur niet-bezwijken)

Dit artikel bevat de eisen over de tijdsduur van bezwijken van bouwconstructies in het geval van brand. Uitgangspunt hierbij is dat het sub- of brandcompartiment waarin een brand heerst mag bezwijken, zolang dit binnen een bepaalde tijdsduur maar niet leidt tot het bezwijken van bouwconstructies buiten dit sub- of brandcompartiment. Het gaat om het voorkomen van voortschrijdende instorting: er bezwijkt een bouwconstructie door brand en hierdoor bezwijken andere bouwconstructies, bijvoorbeeld omdat zij afhankelijk zijn van de draagkracht van deze bouwconstructie. Het door hitte bezwijken van glazen ramen boven het brandende compartiment valt hier bijvoorbeeld buiten.

Het eerste lid geeft een regel voor een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute voert. Die regel heeft betrekking op de bescherming van vluchtroutes. Bij brand in een subbrandcompartiment mogen de vluchtroutes buiten dit subbrandcompartiment niet binnen 30 minuten bezwijken. Dit geldt voor alle vluchtroutes dus niet alleen voor beschermde of extra beschermde vluchtroutes. Met die regel is beoogd dat vluchtroutes die nog niet onbruikbaar zijn geworden door rook en/of vuur, ook niet onbruikbaar worden als gevolg van het bezwijken van een vloer, trap of hellingbaan onder of boven de vluchtroute. Daarbij is er van uitgegaan dat iedereen binnen 30 minuten na het begin van de brand een veilige plaats kan hebben bereikt en dat de brandweer tijd heeft om het bouwwerk te doorzoeken op eventueel daarin achtergebleven personen. Een vluchtroute die binnen het subbrandcompartiment ligt waarin de brand woedt mag wel onbruikbaar worden als gevolg van bezwijken omdat deze vluchtroute toch al onbruikbaar is door rook en vuur.

Het eerste lid geldt niet voor de vloer van een buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175 van een woonfunctie. Over een vloer van een buitenruimte voert weliswaar een vluchtroute, namelijk de vluchtroute om de buitenruimten bij brand te kunnen verlaten, maar het is niet nodig om hieraan een eis wat betreft de sterkte bij brand te stellen.

Uit de in het tweede lid aangewezen tabel 4.17a volgt gedurende welke tijd een bouwconstructie van een woonfunctie bij brand niet mag bezwijken. Het gaat hier om een brand in een ander brandcompartiment dan waarin de woonfunctie ligt en de effecten van die brand op de bouwconstructies van die woonfunctie. Dit betekent praktisch gezien dat bij brand in een woning de bouwconstructie bij de aangrenzende buren mag bezwijken, maar niet bij de buren van de buren. Het bezwijken bij brand mag namelijk niet tot een voortschrijdende instorting leiden. De tweede zin geeft een uitzondering voor het geval dat aangrenzende brandcompartiment waar de brand is ook een woonfunctie is. In dat geval hoeft de bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte niet te voldoen aan de uit de tabel volgende tijdsduur dat er niet bezweken mag worden. Met andere woorden voor bijvoorbeeld een balkon in een woongebouw gelden deze eisen niet. Dit betekent echter niet dat de aangrenzende subbrandcompartimenten (woningen) onmiddellijk mogen bezwijken. Op grond van de artikelen 4.50 tot en met 4.55 geldt tussen woningen namelijk ook een eis aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) van 30 of 60 minuten. Die eis impliceert namelijk ook een mate van brandwerendheid met betrekking tot bezwijken. Uit tabel 4.17a volgt dat de tijdsduur tot het bezwijken afhankelijk is van de hoogte van de vloeren van een woonfunctie. De gebruiksfunctie en de hoogte van de vloeren van het brandcompartiment waar de brand wordt veronderstelt is hierbij niet relevant.

De eis van het tweede lid wordt op grond van het derde lid met 30 minuten verlaagd als de woonfunctie of het woongebouw waarin die woonfunctie ligt een geringe permanente vuurbelasting heeft (niet meer dan 500 MJ/m2). Dit is met name het geval wanneer het gebouw grotendeels is vervaardigd van metalen of steenachtige constructieonderdelen, die niet of nauwelijks kunnen branden, bijvoorbeeld baksteen, leem, beton en staal. Ook mag de woning of het woongebouw geen vloer van een verblijfsgebied hebben die hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau.

Benadrukt wordt dat het hierbij gaat om alle constructieonderdelen (zie het begrip in bijlage I) en niet alleen de onderdelen die belastingen dragen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het ook niet uitmaakt of een constructieonderdeel vergunningplichtig of vergunningsvrij is.

Ook wordt opgemerkt dat het niet bezwijken bij brand ook een rol kan spelen bij een gelijkwaardige maatregel voor een brandcompartiment met een grotere gebruiksoppervlakte dan de maximale oppervlakte van een brandcompartiment als bedoeld in artikel 4.49. In dat licht kan het als onderdeel van de gelijkwaardige maatregel nodig zijn, wel rekening te houden met het bezwijken van een bouwconstructieonderdeel bij een brand in het brandcompartiment waarin die bouwconstructie ligt.

Verder wordt opgemerkt dat de bouwconstructie van een scheidingsconstructie met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag de sterkte bij brand een belangrijke rol speelt bij het voldoen aan de eis aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (artikelen 4.53 en 4.60). Het spreekt voor zich dat het bezwijken van zo’n constructieonderdeel niet mag leiden tot het vroegtijdig verloren gaan van de brandwerende eigenschappen van die constructie (artikelen 4.53 en 4.60).

Het vierde lid bevat een eis voor utiliteitsgebouwen waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau of lager dan 5 m onder het meetniveau. De brandwerendheid met betrekking tot bezwijken moet voor die bouwwerken ten minste 90 minuten bedragen. Het gaat hier niet om de hoogte waarop de brand in het bouwwerk kan ontstaan maar om de hoogste vloer van enig verblijfsgebied van de gebruiksfunctie waarop die regel van toepassing is.

Het vijfde lid stelt eisen aan verblijfsgebieden in kinderopvang met bedgebied, de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie met bedgebied en logiesverblijven. Uit tabel 4.17b volgt dat de voorgeschreven tijdsduur van brandwerendheid met betrekking tot bezwijken afhankelijk is van de hoogte van vloeren. Ook hier gaat het niet om de hoogte waarop de brand kan ontstaan maar om de hoogste vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie waarvoor de regel geldt.

Het zesde lid bevat voor utiliteitsfuncties een soortgelijke beperking van de eisen als in het derde lid voor woonfuncties is geregeld. Het gaat hier om gebouwen waarvan de permanente vuurbelasting van alle constructieonderdelen samen niet of nauwelijks een bijdrage levert aan brand. In de praktijk betekent dit dat er een minder zware eis wordt gesteld aan gebouwen van steenachtig materiaal. Zie hiervoor de toelichting bij het derde lid.

Het zevende lid geeft aan dat de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m ten minste 60 minuten moet bedragen. Voor zover de tunnel onder open water ligt is deze periode 120 minuten. Als bij brand een gedeelte van een tunnelbuis dat onder open water ligt bezwijkt, bestaat het gevaar dat de gehele tunnelbuis in korte tijd onder water komt te staan. Daardoor kunnen vluchtenden en hulpverleners, ook in gedeelten van de tunnel die niet direct door de brand worden bedreigd, in een levensbedreigende situatie komen. Om dit te voorkomen zal de bouwconstructie van het deel van de tunnel dat onder open water ligt gedurende langere tijd niet mogen bezwijken. Met open water wordt hier een rivier, waterbekken, zeearm, kanaal, meer of daarmee in verbinding staand water bedoeld, waardoor een vrijwel onbeperkte hoeveelheid water kan toestromen. Zou de tunnelwand bezwijken, dan is het noodzakelijk om de waterkerende functie te herstellen voordat de tunnel kan worden drooggepompt. Dit is in een tunnel die vol water staat een tijdrovende en kostbare aangelegenheid. Ook daarom is een langere periode van brandwerendheid met betrekking tot bezwijken hier zinvol.

Het achtste lid heeft betrekking op bouwwerken die geen gebouw zijn. Dit kan uiteen lopen van bruggen tot tribunes. De brandwerendheid met betrekking tot bezwijken moet afhankelijk van het soort bouwwerk en het gebruik daarvan zodanig zijn dat het bouwwerk bij brand kan worden verlaten en doorzocht. Dit zal van geval tot geval sterk kunnen verschillen. Om die reden is hier volstaan met een functionele eis. Het is de indiener van een aanvraag om omgevingsvergunning die aannemelijk moet maken dat aan de functionele eis gevolg is gegeven.

Hoewel de eisen in artikel 4.17, eerste, tweede, vierde, vijfde en achtste lid, worden gesteld aan de te beschermen bouwconstructies buiten het compartiment waar de brand is, wordt de eis impliciet gesteld aan de bouwconstructies van het brandende compartiment zelf. De te beschermen bouwconstructie zelf worden namelijk niet belast door brand. In de praktijk wordt daarom de sterkte bij brand van de bouwconstructies van het brandende compartiment berekend. Als aangetoond is dat deze bouwconstructies gedurende de geëiste tijdsduur niet bezwijken, dan is daarmee ook aangetoond dat te beschermen bouwconstructie buiten het compartiment niet (voortschrijdend) bezwijken.

In paragraaf 4.2.14 zijn aanvullende eisen gesteld aan de constructieve veiligheid bij brand voor bouwwerken in brand- en explosievoorschriftengebieden.

Artikel 4.18 (bepalingsmethode niet-bezwijken)

Het eerste lid geeft aan welke buitengewone belastingscombinaties moeten worden aangehouden bij het bepalen of een bouwconstructie bezwijkt.

Het tweede lid geeft aan welke normen worden toegepast bij de toetsing op de tijdsduur voor bezwijken. De in de onderdelen a tot en met f genoemde Eurocodenormen bevatten berekeningsmethoden voor diverse materialen. Voor niet in deze Europese normen genoemde materialen en enkele bijzondere combinaties van materialen moet de tijdsduur met betrekking tot bezwijken worden bepaald volgens NEN 6069.

§ 4.2.3 Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan
Algemeen

Deze paragraaf bevat de regels voor vloerafscheidingen, trapafscheidingen en afscheidingen van hellingbanen. In deze paragraaf zijn de eisen met betrekking tot afscheidingen uit de oude paragraaf 2.3.1 van het Bouwbesluit 2012 opgenomen.

Het doel van deze paragraaf is te voorkomen dat mensen van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan kunnen vallen. In de praktijk worden daarvoor bijvoorbeeld balustrades, hekken of borstweringen geplaatst.

Deze eisen aan een afscheiding aan de rand van een vloer of trap wijken af van regelgeving op grond van de machinerichtlijn (NEN-EN-ISO 14122). Als op een bouwwerk of een deel daarvan ook dergelijke regelgeving van toepassing is gaan die regels boven de regels in dit besluit. Deze rangorde vloeit voort uit artikel 2.9 van dit besluit. Dit betekent in de praktijk bijvoorbeeld dat de regels van dit besluit niet van toepassing zijn op een hekwerk als onderdeel van een beweegbare brug waarop ook een in artikel 2.9 genoemd besluit van toepassing is. Wordt dat zelfde hekje echter geplaatst als afscheiding aan de rand van een dak, dan zijn op dat hekje niet de eisen op grond van de machinerichtlijn van toepassing maar van dit besluit.

Artikel 4.19 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van de rand een vloer door personen zo veel mogelijk wordt voorkomen, is gebaseerd op de oude functionele eis van paragraaf 2.3, afscheiding van vloer, trap en hellingbaan van het Bouwbesluit 2012. De toevoeging ‘door personen’ is bedoeld om het misverstand weg te nemen dat de eisen van deze paragraaf ook bestemd zouden zijn voor het voorkomen van het van een vloer of hellingbaan vallen van voertuigen. De veiligheid voor voertuigen vraagt echter om bijzondere maatregelen die buiten de reikwijdte van dit besluit vallen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.20 (aanwezigheid)

Het doel van dit artikel is aan te geven in welke situaties er voorzieningen aan de rand van een vloer nodig zijn.

Het eerste lid geeft de basisregel voor een vloerafscheiding bij een hoogteverschil tussen de rand van een voor personen bestemde vloer en de aangrenzende vloer, terrein of water. Als het hoogteverschil niet groter is dan 1 m is een vloerafscheiding niet nodig. Bij een valhoogte minder dan 1 m, wordt het risico beperkt geacht.

Een afscheiding mag niet beweegbaar zijn. Daarmee is bedoeld dat deze niet bij het regulier gebruik, zonder hulpmiddelen zoals een schroevendraaier of steeksleutel, zodanig kan worden geopend dat daardoor een valrisico ontstaat.

Het tweede lid geeft een soortgelijke regel voor een trapafscheiding aan de zijkant van een trap. De zijkanten van een trap moeten evenals de randen van een vloer zijn voorzien van een afscheiding. Het zou te ver voeren zo’n afscheiding te verlangen voor een lage trap van bijvoorbeeld vier treden. Daarom is de grens gelegd bij een hoogteverschil van ten minste 1 m. Bij trappen die hoger zijn en dus moeten zijn voorzien van een trapafscheiding is het niet nodig een afscheiding te hebben bij de onderste meter van de trap.

Het derde lid regelt hetzelfde voor een hellingbaan. Uiteraard zal wel over de gehele lengte van de hellingbaan de in artikel 4.32 voorgeschreven geleiderand van ten minste 4 cm hoogte aan de zijkanten van de vloer aanwezig moeten zijn.

Het vierde lid benadrukt dat op de plek waar een trap of een hellingbaan aansluit op de vloer geen vloerafscheiding hoeft te zijn.

In het vijfde lid is aangegeven in welke situaties er, ongeacht het hoogteverschil met de aangrenzende vloer, het terrein of het water geen vloerafscheiding nodig is. Voorbeelden hiervan zijn een podium en een laadperron.

Artikel 4.21 (hoogte)

De algemene eis voor de minimale hoogte van een vereiste vloerafscheiding bedraagt krachtens het eerste lid 1 m.

Bij een hoogteverschil tussen een vloer en een aangrenzende vloer, terrein of water van meer dan 13 m is op grond van het tweede lid een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,2 m voorgeschreven.

Het derde lid bevat in afwijking van de voorgaande leden een lagere minimumeis (0,85 m) voor afscheidingen (borstweringen) ter plaatse van een raam. De reden hiervoor is dat een raam een zekere bescherming biedt tegen vallen. Bij een raam moet altijd een vaste vloerafscheiding aanwezig zijn met een hoogte van ten minste 0,85 m. Om het misverstand weg te nemen dat de hoogte van ten minste 0,85 meter uitsluitend zou gelden bij een niet te openen raam, wordt in de artikeltekst gesproken van een wel of niet-beweegbaar raam.

Het moeten hebben van een vaste borstwering geldt niet voor een raam op de begane grond, als het hoogteverschil met het aansluitende terrein kleiner is dan 1 m. (zie artikel 4.19, eerste lid).

Op grond van het vierde lid kan met een hoogte van 70 cm worden volstaan, als de hoogte en de breedte van de afscheiding opgeteld ten minste 110 cm zijn. Dit betekent dat de afscheiding in dit geval een breedte van ten minste 40 cm moet hebben. De minimale som van 110 cm voor breedte en hoogte geeft voldoende waarborg dat iemand die tegen de afscheiding valt niet daaroverheen slaat. Die regel biedt de mogelijkheid bij bijvoorbeeld theaters en sporthallen de hinder voor het uitzicht te beperken.

Het vijfde lid heeft betrekking op de hoogte van de afscheiding naast een trap of een hellingbaan en schrijft een minimumhoogte voor van 0,85 m. Bij een trap moet de hoogte worden gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken en bij een hellingbaan net als bij een reguliere vloer, de hoogte boven de vloer.

Artikel 4.22 (openingen)

Dit artikel heeft betrekking op openingen in de voorgeschreven afscheiding zelf.

Het eerste lid geeft de basisregel voor de openingen die zijn toegestaan in een vloerafscheiding. Om dit eenvoudig te kunnen bepalen wordt de toelaatbare opening bepaald aan de hand van een bol met de in de tabel opgenomen doorsnede. Als die bol door de opening past, dan is de opening te groot.

Het tweede lid geeft een nadere eis voor de eerste 0,7 m boven de vloer. De systematiek is hetzelfde als bij het eerste lid, ‘geen opening waardoor een bol kan passeren met een doorsnede’. Verder is in de regel verduidelijkt dat het gaat om de hoogte boven elke vloer en elk tredevlak. Ook een vloer van een hellingbaan is een vloer als bedoeld in dit besluit.

Een vloerafscheiding mag volgens het derde lid zijwaarts op enige afstand van de rand van de vloer zijn geplaatst. De opening tussen de rand van de vloer en de afscheiding is aan regels gebonden om te voorkomen dat mensen door zo’n opening vallen of erin bekneld raken te voorkomen.

De bovenregel van een afscheiding mag onderbroken zijn. Het vierde lid stelt dat die onderbrekingen niet zodanig groot mogen zijn dat personen daar doorheen kunnen vallen.

Uit het vijfde lid volgt dat de eisen van het tweede lid niet van toepassing zijn op vloerafscheidingen in een gedeelte van een gebouw dat niet is bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar. Dit vijfde lid wordt in de tabel daarom niet aangestuurd voor die gebruiksfuncties waar altijd kinderen jonger dan 12 jaar te verwachten zijn (zoals bij kinderopvang en basisscholen). Bij dergelijke gebruiksfuncties moet dus worden voldaan aan de met name op kinderen gerichte eisen aan de maximale omvang van openingen in afscheidingen als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.23 (voorkomen overklauteren)

Het doel van het eerste lid is zoveel mogelijk te voorkomen dat kleine kinderen in een onbewaakt ogenblik over een vloerafscheiding kunnen klimmen. Tussen de 0,2 m en 0,7 m boven een vloer of een tredevlak mag een afscheiding geen opstapmogelijkheden hebben. Er mag dus in de vloerafscheiding bijvoorbeeld geen horizontaal vlak zijn waarop een kindervoetje past. Ook een hellingbaanvloer is een vloer waarop deze regel van toepassing is. De regel richt zich op het voorkomen van opstapmogelijkheden in constructieonderdelen en niet op onderdelen van de inrichting zoals meubilair. Het eerste lid geldt voor alle gebruiksfuncties met uitzondering van de industriefunctie en bouwwerken geen gebouw zijnde.

Het eerste lid heeft niet alleen betrekking op constructieonderdelen van de vloerafscheiding zelf maar ook op andere constructieonderdelen en bouwwerkinstallaties of bouwwerkinstallatieonderdelen die aan (tegen) of naast de vloerafscheiding zijn geplaatst. Een voorbeeld van een bouwwerkinstallatieonderdeel die vaak onder een raam tegen de borstwering wordt aangetroffen is een radiator van de centrale verwarming. Ook deze bouwwerkinstallatieonderdelen mogen, bijvoorbeeld als ze worden geplaatst onder een raamopening, geen opstapmogelijkheid bieden voor kinderen.

Het tweede lid heeft als strekking dat de eisen van het eerste lid niet van toepassing zijn op vloerafscheidingen in een gedeelte van een gebouw dat niet is bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar. Deze uitzonderingsmogelijkheden worden daarom niet aangestuurd voor die gebruiksfuncties waar altijd kinderen jonger dan 12 jaar te verwachten zijn (zoals bij kinderopvang en basisscholen). Alle ruimten in dergelijke gebruiksfuncties moeten dus voldoen aan deze anti-overklauterbaarheidseisen.

§ 4.2.4 Veilig overbruggen van hoogteverschillen
Artikel 4.24 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, geeft aan dat een bouwwerk voorzieningen moet hebben voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen. Uit het eerste lid volgt dat het gaat om het overbruggen van hoogteverschillen voor personen en niet om bijvoorbeeld een hellingbaan voor bijvoorbeeld fietsen en auto’s. In de nadere uitwerking van de artikelen is aandacht besteed aan de toegankelijkheid voor personen in rolstoelen. Hoewel de regels in dit besluit zijn gesteld met het oog op personen en niet op dieren, zal in de regel een route of vluchtroute die geschikt is voor personen ook begaanbaar zijn voor een hulphond.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.25 (voorziening bij hoogteverschil)

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat hoogteverschillen die groter zijn dan 0,21 m (is tevens de maximale optrede van een trap) moeten worden overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Het overbruggen van grotere hoogteverschillen zonder goed begaanbare trap of hellingbaan geeft een te groot risico. De regel geldt alleen voor hoogteverschillen tussen de met name genoemde ruimten bij alle gebruiksfuncties, dus ook voor een woonwagen en een bouwwerk geen gebouw zijnde. De regel geldt niet voor een hoogteverschil naar een niet voor personen bestemde vloer, zoals de vloer van een kruipruimten, bergzolders en vlieringen. Verder gelden deze eisen ook niet voor meubilair zoals een hoogslaper in een studentenkamer. Als in dergelijke gevallen toch een trap of een hellingbaan wordt gemaakt, dan hoeft die niet te voldoen aan de regels van deze paragraaf.

In wegtunnels moeten, net als bij gebouwen, hoogteverschillen van meer dan 21 cm zijn overbrugd door een trap of hellingbaan. In afwijking van dit eerste lid is in het tweede lid bepaald dat op de vluchtroute in de wegtunnelbuis hoogteverschillen van 30 cm zonder trap of hellingbaan zijn toegestaan. Die regel is opgenomen om te voorkomen dat randen naast de weg uit oogpunt van verkeersveiligheid te laag moeten zijn.

Artikel 4.26 (afmetingen trap)

In het eerste lid wordt voor minimale eisen aan de afmetingen van een voorgeschreven trap (een trap als bedoeld in artikel 4.25) verwezen naar tabel 4.26. In deze tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de reguliere trap en de trap alleen voor ontvluchten. De eisen aan een reguliere trap zijn onderverdeeld in eisen voor de woonfunctie en eisen voor andere gebruiksfuncties. Een trap voor een utiliteitsfunctie mag steiler zijn dan een trap voor een woonfunctie. Uit de verwijzing naar artikel 4.25 volgt dat deze eisen niet van toepassing zijn op een trap naar niet voor personen bestemde vloeren zoals vloeren van bijvoorbeeld een technische ruimte, een kruipruimte, een bergzolder, een vliering of een lichte industriefunctie. In een lichte industriefunctie is per definitie geen verblijfsgebied of -ruimte en daarmee ook geen voor personen bestemde vloeren. Omdat de woonwagen zich steeds meer ontwikkeld naar een reguliere woning en ook meer dan één bouwlaag kan omvatten is de regel ook aangestuurd voor de woonwagen. De eisen aan de doorstroomcapaciteit van een trap (artikel 4.80) kunnen invloed hebben op de minimale breedte van de trap. De maximale optrede is met 0,188 m zodanig gekozen dat het aantal treden gunstig uitkomt bij een hoogteverschil van 3 m tussen de vloeren.

Uit het tweede lid volgt dat een enkele trap geen hoogteverschil van meer dan 4 meter mag overbruggen. Bij een groter hoogteverschil zal een tussenbordes moeten worden geplaatst dat aan de afmetingseisen van artikel 4.27 voldoet.

Artikel 4.27 (trapbordes)

Artikel 4.27 geeft de afmetingseisen voor een trapbordes. Dit betekent dat in ieder geval aan de bovenzijde van een voorgeschreven trap een vloer moet zijn die aansluit over de volle breedte van de trap en een diepte (loopafstand) heeft van ten minste 0,8 m. Een bordes kan ook worden gebruikt om een te lange trap te splitsen in twee afzonderlijke trappen (zie de toelichting op artikel 4.26). Een trapbordes is dikwijls een vloer waarover een vluchtroute voert als bedoeld in artikel 4.78, eerste lid, (vrije doorgang van een vluchtroute) en moet dan de in dat artikel voorgeschreven hoogte boven de vloer te hebben. Artikel 4.80 stelt uit oogpunt van brandveiligheid eisen aan de doorstroomcapaciteit van een trapbordes als over dat bordes een vluchtroute voert. Het gaat dan om de doorstroomcapaciteit per meter vrije breedte van een ruimte, waarbij het trapbordes wordt gezien als de vloer van een ruimte.

Artikel 4.28 (leuning)

Elke volgens artikel 4.25 voorgeschreven trap waarmee een hoogteverschil van meer dan 1 m wordt overbrugd moet, als de hellingshoek van die trap groter is dan 2:3, over de volledige lengte van de trap een leuning hebben. Dit wijkt af van de eis voor een bestaande trap, die over de eerste 1,5 m van de trap geen leuning behoeft te hebben. De leuning kan zijn aangebracht op of onderdeel zijn van een in artikel 4.20 bedoelde vloerafscheiding.

Bij het bepalen van de breedte van de trap mag de leuning buiten beschouwing worden gelaten.

Artikel 4.29 (regenwerend)

Uit dit artikel volgt dat een gemeenschappelijke verkeersruimte waardoor een reguliere trap voert regenwerend moet zijn. Hiermee wordt voorkomen dat woningen in een woongebouw alleen bereikbaar zullen zijn via een buitentrap. Die regel geldt niet voor een trap die alleen bedoeld is voor het ontvluchten (noodtrap) of als het te overbruggen hoogteverschil kleiner is dan 1,5 m.

Artikel 4.30 (afmetingen hellingbaan)

Dit artikel stelt eisen aan de breedte, de hoogte en de hellingshoek van een voorgeschreven hellingbaan. De hellingshoek is afhankelijk van het hoogteverschil dat met de hellingbaan wordt overbrugd en varieert tussen de 1:12 en 1:20.

Eén enkele hellingbaan mag geen hoogteverschil van meer dan 1 m overbruggen. Bij een groter hoogteverschil zal een tussenbordes moeten worden geplaatst dat aan de afmetingseisen van artikel 4.31 voldoet. Een hellingbaanvloer is ook een onder een hellingshoek geplaatste vloer als bedoeld in artikel 4.78, eerste lid, (vrije doorgang van een vluchtroute) en moet de in dat artikel voorgeschreven hoogte boven de vloer te hebben.

Artikel 4.80 stelt uit oogpunt van brandveiligheid eisen aan de doorstroomcapaciteit van een hellingbaan als over die hellingbaan een vluchtroute voert. Het gaat dan om de doorstroomcapaciteit per meter vrije breedte van een ruimte, waarbij de hellingbaanvloer wordt gezien als de vloer van een ruimte. Genoemde eis kan maken dat de breedte groter moet zijn dan de in artikel 4.30 aangegeven breedte van ten minste 1,1 m.

Artikel 4.31 (hellingbaanbordes)

Artikel 4.31 geeft de afmetingseisen voor een bordes bij een voorgeschreven hellingbaan. Dit betekent dat in ieder geval aan de bovenzijde van de hellingbaan een vloer moet zijn die aansluit over de volle breedte van de hellingbaan. De vloeroppervlakte van het bordes moet ten minste 1,4 m bij 1,4 m bedragen. Een bordes kan ook worden gebruikt om een te lange hellingbaan te splitsen in twee afzonderlijke hellingbanen (zie ook artikel 4.30).

Een hellingbaanbordes is dikwijls een vloer waarover een vluchtroute voert als bedoeld in artikel 4.78, eerste lid, (vrije doorgang van een vluchtroute) en moet de in dat artikel voorgeschreven hoogte boven de vloer te hebben. Artikel 4.80 stelt uit oogpunt van brandveiligheid eisen aan de doorstroomcapaciteit van een hellingbaanbordes als over dat bordes een vluchtroute voert. Het gaat dan om de doorstroomcapaciteit per meter vrije breedte van een ruimte, waarbij het hellingbaanbordes wordt gezien als de vloer van een ruimte.

Artikel 4.32 (geleiderand)

Een voorgeschreven hellingbaan moet aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand hebben, met een vanaf de vloer van de hellingbaan gemeten hoogte van ten minste 0,04 m. Dit is nodig om te voorkomen dat een wiel van bijvoorbeeld een rolstoel of rollator naast de hellingbaan terecht komt, waardoor de rolstoel of rollator kan kantelen. Een geleiderand kan onderdeel zijn van een in artikel 4.20, derde lid, bedoelde afscheiding van een hellingbaan. Met andere woorden aan artikel 4.32 kan zowel voldaan worden met een vloerafscheiding als met een handrail of leuning. Voor zover er een in artikel 4.20 bedoelde vloerafscheiding is, en deze vloerafscheiding een doorlopende bovenregel heeft is met de minimale hoogte van die vloerafscheiding van 1 m ruimschoots voldaan aan de in dit artikel bedoelde minimale hoogte van 4 cm.

Artikel 4.33 (tijdelijk bouwwerk)

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de nieuwbouwregels van artikel 4.25 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.2.5 Beweegbare constructieonderdelen
Artikel 4.34 (aansturingsartikel)

In de functionele eis van het eerste lid, een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte, is de verwijzing naar het veilig kunnen vluchten bij brand vervallen. Zowel een vluchtroute die door een deuropening als voor een vluchtroute die langs een deuropening voert zal moeten voldoen aan de in artikel 4.78 bedoelde vrije doorgang en in artikel 4.80 bedoelde doorstroomcapaciteit. De vrije breedte en doorstroomcapaciteit moet worden bepaald met de deur in de stand die bij het volgen van de vluchtroute als geopende stand is aangemerkt (door de indiener). Moet de deur om de vereiste doorstroomcapaciteit te kunnen bereiken tegen de vluchtrichting worden inbewogen, dan moet ook rekening worden gehouden met artikel 4.216 (deuren in vluchtroutes: draairichting).

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 4.35 (beweegbaar constructieonderdeel: gevarenzone)

Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat beweegbare onderdelen van bouwwerken, zoals ramen, deuren en luiken, gevaar opleveren bij vluchten uit het bouwwerk, dan wel gevaar voor voorbijgangers en langskomend verkeer.

Het eerste en tweede lid hebben betrekking op beweegbare constructieonderdelen in gevels van bouwwerken die aan een weg grenzen. In zo’n gevel mogen zich tot de aangegeven hoogte slechts naar binnen draaiende deuren of ramen, dan wel schuifdeuren of schuiframen bevinden. Het eerste lid, met een hoogtegrens van 4,2 m, heeft betrekking op situaties waarin een bouwwerk onmiddellijk grenst aan een weg waar auto’s mogen komen met inbegrip van parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en dergelijke. Het tweede lid, met een hoogtegrens van 2,2 m, betreft situaties waarin alleen fietsers of voetgangers langs het bouwwerk kunnen komen.

De regel van het tweede lid geldt niet voor een zogenoemde nooddeur. Een nooddeur mag naar buiten draaien over bijvoorbeeld een voetpad. Een nooddeur wordt uitsluitend gebruikt voor het vluchten uit een gebouw. Als men het gebouw door die nooddeur moet ontvluchten, dan weegt het veilig kunnen vluchten zwaarder dan de hinder die dat voor eventuele passanten op de niet voor motorrijtuigen openstaande weg kan opleveren.

Het derde lid maakt een uitzondering op de regels van dit artikel voor de deur van een technische ruimte zoals een meterkast of een kleine stookruimte met een vloeroppervlakte van 0,5 m2 of kleiner. Dergelijke deuren vormen in de regel geen probleem omdat zij nooit van binnen uit zullen worden geopend.

Het vierde lid van artikel 2.51 van het Bouwbesluit 2012 is niet overgenomen in dit besluit. Dat lid regelde de hinder van een beweegbaar constructie-onderdeel bij een beschermde vluchtroute. Een dergelijke regel is niet meer nodig omdat de doorstroomcapaciteit van vluchtroutes afdoende is geregeld in paragraaf 4.7.6 van dit besluit.

Artikel 4.36 (tijdelijk bouwwerk)

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de nieuwbouwregels van het tweede en derde lid van artikel 4.35 van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 (tijdelijk bouwwerk) gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.2.6 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
Artikel 4.37 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een bouwwerk zodanig moet zijn dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt. Met het ontbreken van een aansturingstabel zijn de regels van deze paragraaf op alle bouwwerken van toepassing, dus ook op een woonwagen en een bouwwerk geen gebouw zijnde.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 4.38 (stookplaats)

In dit artikel worden eisen gesteld aan het brandgedrag van materiaal ter plaatse van en nabij een stookplaats. Hiermee wordt voorkomen dat er bij een stookplaats brand ontstaat.

Hoewel het artikel betrekking heeft op elke stookplaats zal de in het artikel genoemde intensiteit van de warmtestraling en hoge temperatuur in de praktijk alleen voorkomen bij een open haard.

Buiten de vuurhaard (stookplaats) zelf mogen materialen niet spontaan tot ontbranding komen als gevolg van warmtestraling of hoge temperatuur. Om een dergelijke zelfontbranding te voorkomen moeten de in de nabijheid van een onbeschermde verbrandingsbron toegepaste materialen voldoen aan brandklasse A1, met andere woorden onbrandbaar zijn. De onbrandbaarheid van een onder of nabij de vuurhaard gelegen bovenzijde van een constructieonderdeel zoals een vloer moet worden getoetst aan brandklasse A1.

Artikel 4.39 (schacht, koker of kanaal)

Een brand die ontstaat in een schacht, koker of kanaal kan gemakkelijk ontsnappen aan de aandacht van de brandweer. Als zo’n schacht, koker of kanaal langs een ander brandcompartiment voert, zou na enige tijd ook in dat andere brandcompartiment brand kunnen ontstaan. Om dit te voorkomen schrijft het eerste lid voor dat de combinatie van materialen die is toegepast aan de binnenzijde van die schacht of koker of dat kanaal moet voldoen aan brandklasse A2. Schachten, kokers en kanalen met een doorsnede met een oppervlakte van niet meer dan 0,015 m2 behoeven hier niet aan te voldoen. Brandklasse A2 staat toe dat de binnenzijde van een schacht, koker of kanaal kan worden afgewerkt met bijvoorbeeld gipsplaten. In het eerste lid wordt geen eis aan de dikte van het materiaal gesteld. Deze dikte is namelijk niet relevant voor de bepaling van de brandklasse A2 volgens NEN-EN 13501-1. Uit de regels van paragraaf 4.2.8 volgt dat brand niet via een schacht van het ene brandcompartiment naar het andere mag kunnen door- of overslaan.

Uit artikel 4.51 volgt dat een grote, voor personen betreedbare schacht in de regel in een brandcompartiment moet liggen. Daarbij geldt de in artikel 4.53 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) tussen het brandcompartiment waarin de schacht ligt en een ander brandcompartiment.

Het tweede lid maakt onder a een uitzondering op het eerste lid voor een schacht, koker of kanaal die alleen is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badkamers. In die situatie hoeft een schacht, koker of kanaal niet brandklasse A te hebben (‘onbrandbaar’). Voor deze uitzondering is gekozen omdat het brandrisico in badkamers en toiletten in de regel verwaarloosbaar is. Het tweede lid onder b maakt een uitzondering op het eerste lid voor ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de binnenzijde van de schacht, de koker of het kanaal. Een dergelijk kleine hoeveelheid materiaal levert een onbeduidende bijdrage aan het risico op de ontwikkeling van brand in de schacht, de koker of het kanaal.

Op grond van onderdeel c van het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing op in een schacht, koker of kanaal aangebrachte buizen, kanalen of leidingen. Zodoende kunnen kunststof rioolbuizen, leidingen voor elektriciteit en kanalen voor rookgasafvoer en verbrandingslucht worden aangebracht.

Bij een in een schacht, koker of kanaal aangebrachte afvoervoorziening voor rookgas zal altijd rekening moeten worden gehouden met de regels die aan een rookgasafvoerkanaal worden gesteld (zie onder meer de artikelen 4.40 en 4.141).

Artikel 4.40 (rookgasafvoer)

Een afvoervoorziening voor rookgas, zoals een schoorsteen, mag niet de oorzaak zijn van het ontstaan van brand. Daarom moet een dergelijke voorziening brandveilig zijn bepaald volgens NEN 6062. In de in dit normblad gegeven beproevingsmethode wordt onderscheid gemaakt naar gelang het gaat om kanalen voor vaste of voor andere (niet-vaste) brandstoffen. Bij de volgens NEN 6062 bepaalde brandveiligheid van een afvoervoorziening voor rookgas speelt de uittredetemperatuur van het rookgas een belangrijke rol. De zogenoemde temperatuurklasse van de rookgasafvoervoorziening moet zijn afgestemd op de genormeerde uittredetemperatuur van de ketel of kachel. Naar mate de uittredetemperatuur hoger is zal de rookgasafvoer tegen een hogere temperatuur bestand moeten zijn (hogere temperatuurklasse). Als op een rookgasafvoervoorziening een verbrandingstoestel wordt aangesloten met een hogere uittredetemperatuur dan de uittredetemperatuur waarop de brandveiligheid van die afvoervoorziening is vastgesteld, dan kan dat de brandveiligheid in gevaar brengen. Ook de aanwezigheid van brandbare materialen in de nabijheid van de rookgasafvoer speelt een rol bij de brandveiligheid. De temperatuur aan de buitenzijde van de rookgasafvoer moet zodanig laag zijn dat brandbare materialen direct er aan mogen grenzen. Dit stelt hoge eisen aan de thermische isolatie van de rookgasafvoer. Om te voldoen aan deze eis kan de afvoer van rookgas zijn voorzien van een omkokering.

Bij het aanschaffen, plaatsen en het voor de eerste keer in gebruik nemen van een ketel/kachel moet altijd worden nagegaan of de ketel/kachel geschikt is om te worden aangesloten op de aanwezige voorziening voor de afvoer van rookgas, waarbij naast de capaciteit van de rookgasafvoer ook de uittredetemperatuur van het rookgas een belangrijke rol speelt.

Onder de rookgasafvoer valt ook een eventuele aansluitleiding tussen een ‘schoorsteen’ en een verbrandingstoestel. Indien de rookgasafvoer onderdeel is van een verbrandingstoestel met CE-markering of wordt meegeleverd onder deze CE-markering gaat deze CE-markering voor de prestatie-eisen die dit besluit stelt. Als de installatie van het toestel en de voorzieningen plaats vindt conform de bij de CE-markering behorende toepassingsinstructies mag voor dat toestel en die voorzieningen worden aangenomen dat aan de functionele eis van artikel 4.37 is voldaan, die stelt dat een bouwwerk, inclusief bouwwerkinstallaties, zodanig moet zijn dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.

Artikel 4.41 (tijdelijk bouwwerk)

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de nieuwbouwregels van de artikelen 4.38 tot en met 4.40 van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 (tijdelijk bouwwerk) gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.2.7 Beperking van het ontwikkelen van brand en rook
Artikel 4.42 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een bouwwerk zodanig moet zijn dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.43 (binnenoppervlak)

Het eerste lid heeft zowel betrekking op de beperking van de ontwikkeling van brand als op de beperking van de ontwikkeling van rook in een ruimte. Deze eisen zijn gericht op het voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het binnenoppervlak van constructieonderdelen en te voorkomen dat zich snel een te grote rookdichtheid ontwikkelt. Beide aspecten spelen een belangrijke rol bij het veilig kunnen vluchten uit een bouwwerk en het beperken van de ontwikkeling van de omvang van de brand. Als niet aan deze eisen is voldaan zou voor gebruikers van dat bouwwerk onvoldoende tijd kunnen overblijven om het bouwwerk bij brand veilig te verlaten.

In de tabel is opgenomen aan welke brandklasse voor een bepaalde gebruiksfunctie moet worden voldaan. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen een extra beschermde vluchtroute, een beschermde vluchtroute en overige ruimten. De vereiste rookklasse is in alle gevallen s2.

De regels gelden voor die zijden van een constructieonderdeel die grenzen aan de binnenlucht en dus niet noodzakelijkerwijs voor het gehele constructieonderdeel. In tabel 4.42 geldt voor de lichte industriefunctie voor het houden van dieren vergeleken met de gewone industriefunctie (brandklasse D), een zwaardere brandklasse (brandklasse B).

Het tweede lid geeft een uitzondering voor de overige gebruiksfunctie. In een overige gebruiksfunctie geldt bij een beschermde vluchtroute een eis aan de rookklasse. Overigens is een extra beschermde vluchtroute een bijzondere vorm van een beschermde vluchtroute, ook daarvoor geldt dus de eis aan de rookklasse. Daarbij wordt opgemerkt dat de meeste overige gebruiksfuncties, bijvoorbeeld schuurtjes, geen beschermde vluchtroute hebben, zodat voor die overige gebruiksfuncties geen eis aan de rookklasse geldt.

Artikel 4.44 (buitenoppervlak)

Artikel 4.44 is wat betreft de beperking van ontwikkeling van brand vergelijkbaar met artikel 4.43. Het artikel stelt echter geen eisen aan de rookklasse, omdat de rookproductie aan de buitenzijde van een gebouw in de regel geen rol speelt bij het veilig kunnen vluchten. De regels van dit artikel gelden voor een zijde die aan de buitenlucht grenst. Als een constructieonderdeel niet met een of meer zijden aan de buitenlucht grenst dan is dit artikel daarop dus niet van toepassing.

Het eerste lid geeft de basisregel waaraan een zijde van een constructieonderdeel dat aan de buitenlucht grenst moet voldoen. In de tabel is afhankelijk van het soort ruimte en de gebruiksfunctie aangegeven aan welke brandklasse in een bepaald geval ten minste moet worden voldaan.

Het tweede lid bepaalt dat een gevel voor zover die hoger is dan 13 m, zodanig moet zijn samengesteld, dat een brand zich niet gemakkelijk daarlangs kan voortplanten. In deze gevallen geldt altijd de zwaardere brandklasse B. Voor de grens van 13 m is gekozen omdat een brand aan de gevel tot een hoogte van ten minste 13 m in het algemeen met gangbaar brandweermaterieel kan worden bestreden. De mogelijkheid bestaat dat een bouwwerk in brand raakt als gevolg van brandstichting in de nabijheid van dat bouwwerk.

Om te bewerkstelligen dat een buitenoppervlak van een voor personen bestemd bouwwerk, zoals een gevel of een buitenzijde van bijvoorbeeld een woongebouw, een theater, een schoolgebouw, of een kantoorgebouw, in zo’n situatie bestand is tegen vlam vatten, bevat het derde lid een speciale eis aan dit buitenoppervlak tot een hoogte van 2,5 m. Dergelijk buitenoppervlak moet ook aan brandklasse B voldoen.

Het vierde lid geeft aan dat het eerste tot en met derde lid niet van toepassing zijn op de bovenzijde van een dak. Zie ook de toelichting op artikel 4.47.

Omdat van deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen, zoals een ventilatierooster, niet kan worden verlangd dat deze voldoen aan een zwaardere klasse van brandvoortplanting dan brandklasse D is in het vijfde lid bepaald dat bij dergelijke constructieonderdelen kan worden volstaan met brandklasse D.

Artikel 4.45 (beloopbaar vlak)

De brandvoortplanting van de bovenzijde van een horizontaal vlak, met inbegrip van flauw hellende vlakken, zoals een vloer, een hellingbaan en de bovenzijde van een trap, wijkt sterk af van die van niet-horizontale vlakken.

Het eerste lid geeft een regel voor dergelijke vlakken die grenzen aan de binnenlucht. Daarom geldt voor dergelijke vlakken in afwijking van artikel 4.43 een rookklasse van ten minste s1fl en een in tabel 4.42 genoemde brandklasse, die afwijkt van de bij artikel 4.43 in tabel 4.42 opgenomen brandklasse. Deze specifieke brandklassen (Cfl en Dfl) zijn afgestemd op het feit dat de brandvoortplanting op een horizontaal vlak anders verloopt dan op een verticaal vlak of een vlak aan de onderzijde van een vloer of van een ander constructieonderdeel.

Het tweede lid geeft een soortgelijke regel voor de brandklasse van een bovenzijde van de vloer, de trap of de hellingbaan aan de buitenlucht grenst.

Artikel 4.46 (vrijgesteld)

Voor het kunnen toepassen van plinten, stopcontacten en andere kleine constructieonderdelen, zoals lichtarmaturen, brand- en rookmelders, bevat dit artikel een uitzondering op de eisen over de brandvoortplanting en de ontwikkeling van rook. Ook voor bijvoorbeeld kunststofkozijnen kan gebruik van deze uitzondering worden gemaakt. De artikelen 4.43 tot en met 4.45 zijn niet van toepassing op een klein percentage van de oppervlakte van deze constructieonderdelen. Concentratie van de vrijgestelde oppervlakte op één plaats is uiteraard niet de bedoeling.

Het eerste lid, dat op de meeste gebruiksfuncties van toepassing is, gaat uit van 5% per afzonderlijke ruimte.

Het tweede lid is een aanvulling op het eerste lid. De eis aan rookklasse (S2) is niet van toepassing op 10 % in plaats van de in het eerste lid bedoelde 5 %. Deze versoepeling van eisen ziet alleen toe op de rookklasse en niet op de brandklasse. In afwijking van het eerste lid geldt de in het tweede lid bedoelde versoepeling alleen voor ruimten waardoor geen beschermde vluchtroute voert.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat deze versoepeling ook niet van toepassing is op een extra beschermde vluchtroute. Zoals in de begrippen van bijlage I is aangegeven behoort de extra beschermde vluchtroute tot de verzameling beschermde vluchtroutes.

Uit het derde lid, dat alleen voor een bouwwerk geen gebouw zijnde geldt, gaat uit van 5% van de totale oppervlakte aan constructieonderdelen van het bouwwerk.

Artikel 4.47 (dakoppervlak)

Dit artikel heeft ten doel te voorkomen dat het dak van een bouwwerk door vliegvuur uit de omgeving in brand vliegt. Vliegvuur (of vonkenregen) kan worden veroorzaakt door bijvoorbeeld een open haard of een brand in een nabijgelegen bouwwerk.

Het eerste lid bepaalt dat geen enkel dak brandgevaarlijk mag zijn. Een uitzondering wordt gemaakt voor een bouwwerk dat geen voor personen bestemde vloer heeft die hoger ligt dan 5 m (dat wil bij woningen meestal zeggen maximaal twee bouwlagen). Het dak van dat bouwwerk mag bovendien geen brandgevaarlijke dakbedekking hebben voor zover dit dak binnen 15 m van de perceelsgrens ligt. Wanneer het bouwwerk binnen die 15 m grens ligt, dan mag het dus geen onbehandeld rieten dak hebben. De regel geldt niet voor vrijstaande woningen en vrijstaande utiliteitsgebouwen met maximaal twee verdiepingen, die op meer dan 15 m afstand van de perceelsgrens staan. In dergelijke gevallen is de kans op brand als gevolg van bijvoorbeeld het stoken van een open haard in een naburig bouwwerk tenslotte gering. Bovendien kan relatief gemakkelijk worden gevlucht uit een gebouw met niet meer dan een of twee bouwlagen..

Bij het bepalen van de afstand tot de bouwwerkperceelsgrens mag, net als bij de regels voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, in plaats van de afstand tot de perceelsgrens worden uitgegaan van de afstand tot het hart van een aangrenzende openbare weg, een aangrenzend openbaar water, openbaar groen, of perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of een aangrenzende speeltuin, een aangrenzend kampeerterrein of aangrenzende opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen.

Het tweede lid geeft een algemene uitzondering op het eerste lid voor bouwwerken van beperkte omvang (kleiner dan 50 m2). Een aparte berging of garage, mag dus wel een brandgevaarlijk dak hebben. Een berging of garage die aan de woning vastzit en daarmee onderdeel uitmaakt van het zelfde bouwwerk moet daarentegen aan de eisen van het eerste lid voldoen.

Artikel 4.48 (tijdelijk bouwwerk)

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.44, derde lid, en 4.47 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor bestaande bouwwerken van toepassing zijn.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.2.8 Beperking van uitbreiding van brand

De kans op de uitbreiding van brand moet voldoende worden beperkt. De belangrijkste bouwkundige voorziening daarbij is de brandcompartimentering. Een brandcompartiment is een gedeelte van een bouwwerk of een groep bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand (zie de toelichting op bijlage I). Paragraaf 4.2.8 bevat regels voor deze brandcompartimentering.

De regels die dit besluit stelt aan de brandveiligheid van bouwwerken zijn, evenals hiervoor de vergelijkbare voorschriften in het Bouwbesluit 2012, uitputtend bedoeld. Dit geldt daarmee ook voor de brandcompartimentering. Lokale overheden kunnen ook op dit onderdeel dus geen aanvullende regels stellen. Wel kan een gemeente in het omgevingsplan rekening houden met de brandveiligheid op gebiedsniveau. Bijvoorbeeld door de toedeling van functies, het stellen van ruimtelijke regels aan bouwwerken (maximale afmetingen, goothoogte, afstand tot perceelsgrenzen) en het stellen van regels op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Ook kunnen er voor specifieke milieubelastende activiteiten aanvullende bouwkundige regels volgen uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Zo kan het volgens het Besluit activiteiten nodig zijn een brandwerende scheidingsconstructie aan te brengen rondom een activiteit. Ook kan de krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde weerstand tegen branddoorslag van een brandwerende scheidingsconstructie hoger zijn dan uit het voorliggende besluit voortvloeit. Als in een dergelijk geval de beide van toepassing zijnde besluiten tot verschillende eisenniveaus leiden, geldt de zwaarste eis. Om de milieubelastende activiteit daadwerkelijk in het bouwwerk te kunnen laten plaatsvinden zal zowel de brandwerende scheidingsconstructie op grond van dit besluit moeten worden aangebracht als de hogere eis aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag moeten worden gerealiseerd.

Artikel 4.49 (aansturingsartikel)

Een bouwwerk moet volgens het eerste lid zodanig zijn dat een eventuele brand in dat bouwwerk beheerst kan worden zodat de kans op een uitbreiding van die brand naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft. Het gaat daarbij niet om het voorkomen van schade maar wel om het voorkomen van een onbeheersbare brand die zich uitstrekt tot andere bouwwerken in de omgeving. Naast het beschermen van bouwwerken op andere percelen ziet de functionele eis ook toe op het vluchten en op de hulpverlening. De brand in een bouwwerk mag zich niet zodanig snel ontwikkelen dat het vluchten of de hulpverlening in gevaar komt, zowel op als buiten het perceel. De functionele eis impliceert dat een bouwwerk desnoods helemaal mag afbranden zolang de brand maar niet overslaat naar bouwwerken op andere percelen en zolang de personen maar veilig kunnen vluchten. De functionele eis is vergeleken met het Bouwbesluit 2012 alleen redactioneel verduidelijkt. Het niveau van eisen is hetzelfde gebleven.

Artikel 4.4 regelt voor deze paragraaf dat de in het eerste lid bedoelde functionele eis onverkort van toepassing is op de gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen enkele regel is aangewezen (andere overige gebruiksfunctie). Dit is een afwijking van de hoofdregel die voor andere paragrafen aangeeft dat een aansturingsartikel niet van toepassing is op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van het aansturingsartikel.

Artikel 4.50 (brandcompartiment: ligging)

In dit artikel is aangegeven wanneer een ruimte wel of niet in een brandcompartiment moet liggen. De omvang van het brandcompartiment is geregeld in artikel 4.51 en de eisen waaraan het brandcompartiment moet voldoen (de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) als bedoeld in artikel 4.53.

Het eerste lid geeft de basisregel. Iedere besloten ruimte moet in een brandcompartiment liggen. Dit geldt op grond van het tweede lid niet voor een toiletruimte en een badruimte en ook niet voor een liftschacht en een kleine technische ruimte als deze aan de in onderdeel c respectievelijk d genoemde randvoorwaarden voldoet.

In een brandcompartiment kunnen afhankelijk van de feitelijke situatie ook meerdere besloten ruimten liggen. Zo liggen de woonkamer, keuken, slaapkamers en andere ruimten in een woning over het algemeen in hetzelfde brandcompartiment. Een toiletruimte en badruimte en een liftschacht en een kleine technische ruimte hoeven niet altijd in een brandcompartiment te liggen maar mogen dat wel. Als de ruimte wel binnen de grenzen van een brandcompartiment ligt, wordt de ruimte tot het brandcompartiment gerekend. Dit geldt niet voor de genoemde besloten ruimten die niet in een brandcompartiment behoeven te liggen, het mag echter wel. Aangenomen mag worden dat in de genoemde ruimten het risico op een onbeheersbare brand verwaarloosbaar is, zodat het niet nodig is dat die ruimte in een brandcompartiment ligt.

Opgemerkt wordt dat ruimten die niet goed van elkaar zijn gescheiden als één geheel moeten worden beschouwd. Dit betekent dat de totale oppervlakte van deze ruimtes moet worden opgeteld om te beoordelen of ze buiten een brandcompartiment mogen liggen.

Het eerste lid spreekt nadrukkelijk van een besloten ruimte. In een niet-besloten ruimte zal er namelijk geen brandontwikkeling tot flash-over kunnen optreden waardoor er een compartimentbrand ontstaat. Het rapport ‘Onderzoek niet-besloten ruimten’ (DGMR, dd 10 maart 2015, zie www.rijksoverheid.nl) geeft voor zo’n niet-besloten ruimte de volgende criteria:

  • Geen rookophoping met een temperatuur > 200°C (vorming van een rooklaag van 0,5 m dikte of meer), en

  • Tijdsduur: gelijk aan de hoogste wbdbo-eis naar omliggende compartimenten.

Het derde lid is gericht op een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m.

In aanvulling op het eerste lid is bepaald dat zowel een besloten als een niet-besloten gedeelte van een wegtunnelbuis in een brandcompartiment moet liggen. Een wegtunnelbuis staat per slot van rekening aan twee zijden in open verbinding met de buitenlucht en is daarom nabij de tunnelmond geen besloten ruimte in de zin van dit besluit. Toch mag een wegtunnelbuis niet per definitie worden beschouwd als een niet-besloten ruimte in de zin van dit besluit. Zie ook artikel 4.79.

Het vierde lid geeft aan dat een ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert nooit in een brandcompartiment mag liggen.

Omdat een liftschacht (die aan de randvoorwaarden voldoet) volgens het eerste lid niet in een brandcompartiment hoeft te liggen, is het mogelijk een liftschacht op te nemen in een ruimte waardoor een in het derde lid bedoelde extra beschermde verkeersruimte voert. Het is ook mogelijk een liftschacht op te nemen in een brandcompartiment zodat de lift direct op een verblijfsgebied kan aansluiten. Een dergelijke liftschacht hoeft niet te voldoen aan de in het eerste lid, onderdeel c, gegeven voorwaarden voor een buiten een brandcompartiment gelegen lift. De brandveiligheid van een liftkooi, de attributen in een liftschacht en andere onderdelen van een lift wordt geregeld via de Europese richtlijn liften en het Warenwetbesluit liften. Het vijfde lid regelt voor de industriefunctie en de overige gebruiksfunctie dat ook de niet-besloten gebruiksgebieden in een brandcompartiment moeten liggen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een inpandige houtopslag die vanwege de noodzakelijke ventilatie vaak in een niet-besloten ruimte ligt. Het zesde lid is van toepassing op de industriefunctie en op bouwwerken geen gebouw zijnde met een geringe vuurbelasting en geeft aan onder welke voorwaarden deze niet in een brandcompartiment behoeven te liggen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een gebruiksfunctie van de zelfde soort bijvoorbeeld een tweede industriefunctie in hetzelfde gebouw is. Daarbij wordt echter geen onderscheid gemaakt naar subgebruiksfunctie. Een industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren behoort tot de soort ‘industriefunctie’. Een als lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren aangemerkte veestal behoort dus evengoed tot de soort ‘industriefunctie’ als een als industriefunctie aangemerkte, loods voor het onderhoud van landbouwvoertuigen.

Het zevende lid regelt dat het eerste en vijfde lid niet van toepassing zijn op een of meer aangrenzende bouwwerken met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 (bij de lichte industriefunctie en de overige gebruiksfunctie). De uitzondering voor de lichte industriefunctie en de overige gebruiksfunctie geldt alleen voor zover de totale gebruiksoppervlakte niet groter is dan 50 m2. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de gebruiksoppervlakte van het bouwwerk waarin de gebruiksfunctie zelf ligt maar ook naar aangrenzende bouwwerken, ongeacht de gebruiksfunctie van die aangrenzende bouwwerken.Hiermee wordt voorkomen dat zonder meer een berging of een schuurtje tegen de bebouwing op het aangrenzende perceel kan worden geplaatst of dat een oneindig grote reeks bergingen tegen elkaar kan worden geplaatst zonder dat deze in een brandcompartiment liggen. Dit betekent dat wanneer een schuurtje in een rij met een aantal andere schuurtjes staat de totale gebruiksoppervlakte van de rij schuurtjes bepalend is. Ook is hiermee duidelijk dat een berging in een woongebouw in een brandcompartiment moet liggen en dat er altijd een brandscheiding moet zijn tussen de bergingen en het portiek of vluchttrappenhuis. Bij het bepalen van de totale omvang gaat het namelijk om alle bouwwerken (en bouwwerkonderdelen) ongeacht de gebruiksfunctie daarvan, zodat een berging in een woongebouw nooit onder de vrijstelling van het zevende lid kan vallen.

Wordt een schuurtje (buitenberging) opgenomen in een flatgebouw, dan moet dat schuurtje in een brandcompartiment liggen omdat de totale gebruiksoppervlakte van dat flatgebouw groter zal zijn dan 50 m2. Wordt een schuurtje tegen een huis aangebouwd, dan moet dat schuurtje in een brandcompartiment liggen als de gezamenlijke gebruiksoppervlakte groter is dan 50 m2. Als dat zelfde schuurtje bij de woning behoort kan er sprake zijn van een nevengebruiksfunctie zodat het schuurtje in hetzelfde brandcompartiment als die woonfunctie mag liggen (artikel 4.51, vijfde lid). Behoort dat schuurtje niet bij die woning, dan moet het schuurtje in een afzonderlijk brandcompartiment liggen. Het zevende lid doet geen afbreuk aan artikel 4.51, vijfde lid, dat regelt dat een berging of andere nevengebruiksfunctie in hetzelfde brandcompartiment als deze woning mag liggen. Op grond van artikel 4.51, derde lid, is het niet nodig om tussen de bergruimten onderling een brandscheiding aan te brengen.

Het achtste lid geeft een uitzondering op het eerste en vierde lid voor een lichte industriefunctie met een beperkte permanente vuurbelasting (van niet meer dan 150 MJ/m2. Deze uitzondering geldt alleen als het bouwwerk bedoeld is voor het telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten. Met vergelijkbare producten wordt gedoeld op uit een gewas voortkomende produkten zoals peulvruchten, granen, vezels, bloembollen en aardappels. Zodoende geldt de uitzonderling bijvoorbeeld niet voor het stallen een of meer voertuigen zoals een landbouwtractor, een aanhangwagen of caravan.

Artikel 4.51 (brandcompartiment: omvang)

Het doel van brandcompartimentering is de ongehinderde uitbreiding van een brand te beperken tot het perceel, het gebouw of een gedeelte daarvan. Dit artikel stelt eisen aan de maximale omvang van een brandcompartiment, zodat een eventuele brand beheersbaar blijft. Wanneer de brand binnen het brandcompartiment blijft, draagt dit bij aan de veiligheid van personen in andere gedeelten van het gebouw of naastgelegen gebouwen.

Een brandcompartiment mag om zijn functie van brandbegrenzer goed te kunnen vervullen niet te groot zijn. Ook kan het zinvol zijn ruimten met een bijzonder brandrisico in een afzonderlijk brandcompartiment op te nemen.

Onder bepaalde omstandigheden kan het toch mogelijk zijn een groter brandcompartiment te realiseren met een beroep op gelijkwaardigheid.

Het eerste lid geeft de basiseis die regelt dat de omvang van een brandcompartiment niet groter mag zijn dan de in tabel 4.49 genoemde gebruiksoppervlakte. Het brandcompartiment mag groter zijn dan de in de tabel genoemde oppervlakte als deze oppervlakte in samenhang met andere factoren, bepaald volgens NEN 6060 of NEN 6079, voorziet in een zelfde brandveiligheid. Met deze aanvulling is invulling gegeven aan de wens van de bouwpraktijk om gelijkwaardige maatregelen waar mogelijk om te zetten in concrete prestatie-eisen.

NEN 6060 geeft een aantal maatregelpakketten waarmee grote brandcompartimenten gelijkwaardige veiligheid hebben ten opzichte van de standaard brandcompartimentering. NEN 6079 geeft een probabilistische rekenmethode waarmee voor een groot brandcompartiment deze gelijkwaardigheid kan worden berekend. Bij toepassing van de bepalingsmethode uit NEN 6060 en NEN 6079 gelden alle voorwaarden en beperkingen uit deze normen. Zo worden beperkingen gesteld aan de aanwezigheid (stapelen) van andere compartimenten op het grote brandcompartiment. Ook zijn de normen niet van toepassing voor alle gebruiksfuncties. Het bouwwerk moet volledig voldoen aan deze normen en niet alleen het betreffende grote brandcompartiment. Ook geldt bij toepassing van deze normen in de gebruiksfase een toezichtsarrangement (zie hoofdstuk 6).

Nogmaals wordt benadrukt dat naast het toepassen van de NEN 6060 en NEN 6079 nog steeds de mogelijkheid open staat voor een in artikel 1.2 bedoelde gelijkwaardige oplossing. Het gaat om de mogelijkheid om op een andere manier dan door het voldoen aan de in artikel 4.51 bedoelde prestatie-eis, aannemelijk te maken dat de brandveiligheid van een groot brandcompartiment afdoende is geborgd. Bij een gelijkwaardige oplossing is het aan de indiener om te bepalen hoe hij het voor het bevoegd gezag aannemelijk maakt dat zijn oplossing een gelijkwaardige oplossing is.

Als er bij het voldoen aan een functionele eis keuze is uit meer dan een prestatie-eis, zoals in dit artikel met de aanvullende op de normbladen NEN 6060 en 6079 het geval is, dan mag de indiener daarvoor de prestatie-eis met de meest gunstige uitkomst kiezen.

Dit geldt ook bij gelijkwaardigheid. De indiener heeft daarbij de mogelijkheid de prestatie-eis met het voor de situatie meest gunstige uitgangspunt te gebruiken als referentiekader bij het aannemelijk maken dat er sprake is van een gelijkwaardige oplossing.

Het tweede lid geeft aan dat er ten hoogste 4 woonwagens met bijgebouwen (zie voor het begrip nevengebruiksfunctie bijlage I) bij elkaar mogen liggen binnen een brandcompartiment, op voorwaarde dat de totale gebruiksoppervlakte in dat brandcompartiment aan woonwagens en bijgebouwen niet groter is dan 1000 m2. Hiermee is het mogelijk om ook grotere woonwagens dan 125 m2 te plaatsen binnen een brandcompartiment. Het maximum van 1000 m2 past binnen de uitgangspunten van de Handreiking brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocaties, VROM-Inspectie, 15 maart 2009. De onderlinge afstand die hierbij tussen de woonwagens moet worden aangehouden is niet in dit besluit geregeld. De denkbeeldige afstand van 5 m in het vierde lid van artikel 4.54, die in de praktijk soms als onderlinge afstand wordt aangehouden is daar niet voor bedoeld. De in dat artikel genoemde afstand is alleen een rekenwaarde. De daadwerkelijke afstand tussen de woonwagens volgt uit het omgevingsplan.. Een clusteromvang van ten hoogste 4 woonwagens biedt voldoende brandveiligheid en laat ruimte om woonwensen in te willigen. Het derde lid bepaalt dat een brandcompartiment zich niet over meer dan een bouwwerkperceel mag uitstrekken. Het is dus niet toegestaan dat een brandcompartiment zich uitstrekt over meer dan één perceel, waarbij moet worden uitgegaan van de in de bouwaanvraag aangegeven perceelindeling. Een brandcompartiment mag zich wel uitstrekken over meer dan een gebouw (een groep gebouwen) mits de gebouwen op hetzelfde perceel liggen.

Aan het vierde lid wordt voor wegtunnels voldaan wanneer elke wegtunnelbuis brandwerend is gescheiden van een andere wegtunnelbuis. Dit betekent dat een andere wegtunnelbuis wel altijd in een ander brandcompartiment moet liggen. Andere ruimten, zoals een technische ruimte of hulppost mogen, voor zover deze niet in een andere wegtunnelbuis liggen, wel in hetzelfde brandcompartiment liggen. Het is dus ook niet uitgesloten dat in hetzelfde brandcompartiment als de tunnelbuis nog andere ruimten liggen.

Het vijfde lid benadrukt dat in een brandcompartiment van een woonfunctie slechts één woonfunctie (woning) mag liggen. Verder mogen in dat brandcompartiment alleen gebruiksfuncties van een andere soort liggen als die gebruiksfuncties nevengebruiksfuncties van die ene woonfunctie zijn. In de meeste gevallen zal het alleen om een enkele nevengebruiksfunctie gaan zoals bijvoorbeeld een buitenberging (overige gebruiksfunctie). Het kan ook voorkomen dat er een kantoor aan huis of een andere nevengebruiksfunctie is.

Een gemeenschappelijk verblijfsgebied behoort per definitie aan meer dan een woonfunctie. Uit het zesde lid volgt dat woningen (in een woongebouw) een gemeenschappelijk verblijfsgebied mogen hebben als dit verblijfsgebied in een afzonderlijk brandcompartiment ligt. Bij een woning met een gemeenschappelijk verblijfsgebied, moet gedacht worden aan een woning met bijvoorbeeld met een gemeenschappelijke huiskamer en keuken. De gemeenschappelijke ruimten mogen dus niet binnen het brandcompartiment van een van de woningen liggen. Een gemeenschappelijke ruimte is een ruimte die ten dienste staat van een aantal afzonderlijke woonfuncties. Het gaat in dit lid dus niet om de ruimten binnen een woning die door verschillende bewoners van die woning, bijvoorbeeld een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, worden gedeeld. Een dergelijke ruimte is niet een gemeenschappelijke maar een gezamenlijke ruimte (zie artikel 2.7).

Het zevende lid moet worden onderscheiden van artikel 4.50, eerste lid, onderdeel d. De in dat lid bedoelde kleinere technische ruimte (ten hoogste 50 m2) hoeft niet in een brandcompartiment te liggen. Als een dergelijke kleinere ruimte wel in een brandcompartiment ligt dan mag deze samen met andere ruimten in dat brandcompartiment liggen. De in dit zevende lid beschreven grotere technische ruimte (meer dan 50 m2) moet altijd een een afzonderlijk brandcompartiment zijn. Het zevende lid is niet meer aangewezen voor de industriefunctie. In een industriefunctie is in algemeen het brandrisico in een technische ruimte (een ruimte voor een bouwwerkinstallatie) niet groter dan in de andere ruimten die geen technische ruimte heten omdat de daarin opgestelde verbrandingstoestellen of apparatuur niet noodzakelijk zijn voor het functioneren van het bouwwerk. Aan deze voor het proces noodzakelijke apparatuur kunnen vergelijkbare risico’s zijn verbonden. Het is niet meer zo dat een of meer verbrandingstoestelen met totale nominale belasting van in totaal meer dan 130 kW in een afzonderlijk brandcompartiment moeten liggen. Huidige CV-installaties zijn meer voorzien van veiligheden waardoor brand niet veel voorkomt. Brand is nu vooral bij de kleine installaties in woningen.

Het achtste lid geeft een uitzondering op het eerste lid voor nevengebruiksfuncties van een industriefunctie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een kleine kantine of kantoorruimte die ten dienste staat van die industriefunctie. Uit de tabel blijkt dat de uitzondering geldt voor een bijeenkomstfunctie (kantine of vergaderruimte), een kantoorfunctie, een onderwijsfunctie (leslokaal), een winkelfunctie of een overige gebruiksfunctie. Op grond van het eerste lid mogen dergelijke gebruiksfuncties niet in een brandcompartiment liggen dat groter is dan 1.000 m2. Als die gebruiksfuncties ten dienste staan van de industriefunctie dan behoeven die gebruiksfuncties niet in een brandcompartiment van maximaal 1.000 m2 te liggen, maar mogen deze deel uitmaken van het brandcompartiment van de industriefunctie, dat zoals in de tabel is aangegeven maximaal 2.500 m2 mag zijn. De omvang van de nevengebruiksfuncties samen mag dan niet meer dan 100 m2 zijn.

Het negende lid geeft een specifieke regel voor de lichte industriefunctie voor het houden van dieren. Iedere technische ruimte (ook kleiner dan 50 m2) moet in afzonderlijk brandcompartiment liggen. Hiermee is voorkomen dat een brand in een technische ruimte zoals de meterruimte overslaat naar een naastgelegen ruimte waarin dieren aanwezig zijn. Zie bijlage I voor de definitie van een technische ruimte. Daar vloeit onder meer uit voort dat een ruimte voor een melkrobot geen technische ruimte is.

Artikel 4.52 (opvangcompartiment)

Het eerste lid geeft voor de celfunctie een afwijking van het eerste lid. Een brandcompartiment waarin een cel ligt, mag niet groter zijn dan 500 m2 en mag nooit meer dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw zijn. Aan deze beide regels moet gelijktijdig zijn voldaan. Uit dit lid volgt dat een gebouw met een celfunctie naast het brandcompartiment waarin de cellen liggen altijd een buiten dat brandcompartiment gelegen gebruiksoppervlakte moet hebben. Deze gebruiksoppervlakte is noodzakelijk om de personen, bij brand in het brandcompartiment met cellen, buiten dat brandcompartiment in veiligheid te brengen.

Het tweede lid regelt dat een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten niet meer dan 77% van de gebruiksoppervlakte van een bouwlaag mag omvatten. Op die manier kunnen personen, bij brand in het brandcompartiment, zo nodig met bed en al, in een buiten dat brandcompartiment maar wel op dezelfde verdieping gelegen ruimte in veiligheid worden gebracht. Het tweede lid is van belang voor het in veiligheid kunnen brengen van bedgebonden patiënten. Deze moeten bij brand met bed en al verplaatst kunnen worden naar een andere brandcompartiment op dezelfde bouwlaag. Bij niet bedgebonden patiënten in een bedgebied zijn deze voorzieningen niet nodig omdat deze patiënten zelfstandig via de reguliere vluchtroutes naar een veilige plaats kunnen vluchten.

Artikel 4.53 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen)

Een brandcompartiment kan pas als brandcompartiment functioneren als aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment (in de praktijk ook afgekort tot wbdbo) is voldaan. Brandoverslag betekent in dit verband de uitbreiding van brand via de buitenlucht, terwijl met branddoorslag wordt bedoeld de branduitbreiding door een constructieonderdeel heen. De wbdbo wordt uitgedrukt in minuten.

Het eerste lid stelt een basiseis van 60 minuten wbdbo. Deze eis geldt van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment. Ook geldt deze eis van een brandcompartiment naar een drietal specifieke maar niet in een brandcompartiment gelegen ruimten. Het gaat dan om een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, een liftschacht van een brandweerlift en een niet-besloten veiligheidsvluchtroute. Uit die regel volgt dat bij een veiligheidsvluchtroute een wbdbo van 60 minuten geldt, ongeacht of deze vluchtroute door een besloten of een niet-besloten ruimte voert. Een veiligheidsvluchtroute is per slot van rekening een bijzondere vorm van een extra beschermde vluchtroute (zie bijlage I). Daarbij moet worden opgemerkt dat een galerij van een flatgebouw in de regel geen veiligheidsvluchtroute is maar een extra beschermde vluchtroute.

Uit het eerste lid volgt dat er in het branduitbreidingstraject tussen een brandcompartiment en een andere ruimte, zoals bijvoorbeeld een ander brandcompartiment, een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag moet zijn. Dit geldt ook als er tussen het brandcompartiment en de andere ruimte een ruimte ligt die zelf niet in een brandcompartiment behoeft te liggen. Dit maakt dat het nodig kan zijn ook bij een niet in een brandcompartiment gelegen ruimte een of meer brandwerendescheidingsconstructies te maken. Het is namelijk niet wenselijk dat de brand van het ene brandcompartiment, via de niet in een brandcompartiment gelegen ruimte, in het andere brandcompartiment kan doordringen.

Het tweede lid geeft een uitzondering op het eerste lid voor de wbdbo tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert. Dit betekent dat er tussen een woning en een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte (corridor of gang in een woongebouw) kan worden volstaan met een wbdbo van 30 minuten.

In het eerste en tweede lid is sprake van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert. Als sprake is van een niet-besloten ruimte dan gelden deze regels niet. De niet-besloten ruimte moet dan zodanig zijn dat de vluchtroute begaanbaar blijft en dat er geen branduitbreiding via deze ruimte plaatsvindt. Omdat niet-besloten ruimten waardoor een extra beschermde vluchtroute loopt zoals een galerij of een atrium op talloze manieren kunnen worden ontworpen, kan de capaciteit van de benodigde warmte en rookafvoer (wel of niet mechanisch) uit deze ruimten niet met een eenduidige prestatie-eis worden bepaald. Voor de waarden waarbij het vluchten door een ruimte nog mogelijk is, kunnen volgens het rapport ‘Onderzoek niet-besloten ruimten’ (DGMR, dd 10 maart 2015, zie www.rijksoverheid.nl) als veilige waarden worden aangehouden:

  • 2,5 m rookvrij boven het hoogst gelegen deel van een vluchtroute. Als de hoogte boven de vloer van een ruimte kleiner is dan 2,5 m is, geldt een rookvrije hoogte van ten minste 2 m,

  • stralingsflux onder de rooklaag: niet groter dan 2 kW/m2,

  • tijdsduur: ten minste de tijd dat de niet-besloten ruimten voor vluchten wordt gebruikt.

In het geval van vluchten door rook, bijvoorbeeld bij een rookvrije hoogte van minder dan 2,5 m respectievelijk minder dan 2 m of bij homogene opmenging (dat wil zeggen dat de rook niet in een laag onder het plafond hangt maar als een soort mist over de ruimte is verdeeld):

  • de temperatuur niet hoger dan 45 °C, en

  • de zichtlengte bij lichtgevende voorwerpen ten minste 30 m

In de directe nabijheid van de brand van de uitstroomopening van de brandruimte en van de rookpluim erboven is het acceptabel als niet aan de genoemde criteria wordt voldaan als niet over die locaties hoeft te worden gevlucht.

Verder mag in de niet-besloten ruimte geen brandontwikkeling tot flash-over kunnen optreden. Het rapport ‘Onderzoek niet-besloten ruimten’ (DGMR, dd 10 maart 2015, zie www.rijksoverheid.nl) geeft hiervoor de volgende criteria:

  • geen rookophoping met een temperatuur hoger dan 200°C (vorming van een rooklaag van 0,5 m dikte of meer), en

  • tijdsduur: gelijk aan de WBDBO-eis vanuit de aangrenzend ruimte

Ook de inzet van de brandweer in de niet-besloten ruimte moet mogelijk zijn. Het DGMR rapport geeft de volgende waarden als de niet-besloten ruimte door de brandweer wordt gebruikt om een aanval in te zetten op de brand in een direct aangrenzende ruimte:

  • zichtlengte op ooghoogte ten minste 100 m,

  • temperatuur op ooghoogte niet hoger dan 60 °C,

  • straling ten hoogste 3 kW/m2, en

  • tijdsduur: overeenkomend met de WBDBO vanuit de aangrenzend ruimte.

Het derde lid geldt ook alleen voor woningen. In afwijking van het eerste lid kan daar worden volstaan met een wbdbo van 30 minuten. Voorwaarden hierbij zijn dat de permanente vuurbelasting van het brandcompartiment (over het algemeen de woning) niet groter is dan 500 MJ/m2 en dat in het woongebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau (zie bijlage I). Hieraan zal zijn voldaan bij woningen die hoofdzakelijk zijn opgebouwd uit materialen die niet of nauwelijks kunnen branden, zoals steen of beton.

Het vierde lid geeft een afwijking van het eerste lid voor bijna alle gebruiksfuncties met uitzondering van een woonfunctie, een celfunctie en een gezondheidszorggebouw met bedgebied. Er kan worden volstaan met een wbdbo van 30 minuten als de in het eerste lid bedoelde ruimten op hetzelfde perceel liggen en als het gebouw geen vloeren heeft die hoger liggen dan 5 m boven het meetniveau. Aan beide voorwaarden moet zijn voldaan.

Het vijfde lid geeft aan dat de in het vierde lid bedoelde reductie naar 30 minuten niet van toepassing is bij een brandcompartiment van een industriefunctie als de gebruiksoppervlakte van dat compartiment groter is dan 1000 m2. Bij dergelijke grote brandcompartimenten geldt dus 60 minuten.

In het zesde lid is voor stallen bepaald dat het vierde lid niet van toepassing is. Zie hierboven de toelichting bij het negende lid van artikel 4.51

Het zevende lid: De uitzonderingen van het tweede tot en met vierde lid gelden niet voor een ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert. Bij een dergelijke ruimte geldt altijd een wbdbo van ten minste 60 minuten.

Het achtste lid heeft betrekking op de wbdbo tussen afzonderlijke woonwagens. Dit betreft een algemene eis aan woonwagens die geen relatie heeft met de brandcompartimetering bij woonwagens die volgt uit het tweede lid van artikel 4.53 (zie ook de toelichting daarbij). Bij de bepaling van de wbdbo tussen woonwagens wordt niet uitgegaan van de werkelijke afstand tussen woonwagens maar van een theoretische afstand van 5 m als bedoeld in artikel 4.54.

Uit het negende lid volgt een brandwerendheid van 30 minuten tussen een in het tweede lid van artikel 4.51 bedoeld brandcompartiment met een of meer woonwagens en een ander brandcompartiment. Het vaststellen of aan deze 30 minuten is voldaan, is niet eenvoudig omdat hierbij niet alleen moet worden uitgegaan van de brandwerendheid van een afzonderlijke woonwagen, maar van het geheel van de in het compartiment geclusterde woonwagens. Daarom biedt dit achtste lid ook de mogelijkheid om te volstaan met een afstand van 5 meter tussen de twee clusters van woonwagens. Deze afstand zal in het algemeen overeenstemmen met een brandwerendheid van 30 minuten. Een brandwerendheid van 30 minuten kan overigens ook worden bereikt met het plaatsen van een afzonderlijke brandwerende muur tussen twee compartimenten.

Het negende lid van artikel 4.51 regelt dat iedere technische ruimte van een veestal in een afzonderlijk brandcompartiment moet liggen. Hiermee is beoogt dat een brand in een technische ruimte niet eenvoudig uitbreidt naar de stal met dieren. De bescherming van een kleine technische ruimte tegen brand in de stal is niet beoogt. Daarom regelt het tiende lid van voorliggend artikel dat de richting van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag niet geldt vanuit de veestal naar de technische ruimte, terwijl deze eis wel in stand blijft in de richting vanuit de technische ruimte naar de stal met dieren.

Artikel 4.54 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode)

Het eerste lid verwijst voor een bepalingsmethode voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar NEN 6068.

Het tweede lid beoogt de bouwende partij niet onevenredig zwaar te belasten door de eventuele slechte kwaliteit van de belending. Daarom moet bij het bouwen ter beperking van het gevaar van brandoverslag altijd rekening worden gehouden met een spiegelsymmetrisch, maar verder identiek gebouw op een naburig perceel. Voor dit denkbeeldige, identieke gebouw moet men uitgaan van een identieke gevel die op dezelfde afstand van de perceelsgrens ligt als de gevel van het te bouwen gebouw Hiermee wordt het mogelijk een omgevingsvergunning aan te vragen zonder dat bekend is wat op het belendende perceel zal worden gerealiseerd. Overigens moet ook wanneer er aan de andere kant van de perceelsgrens al een gebouw staat, ongeacht de kwaliteit van dat gebouw, worden uitgegaan van een spiegelsymmetrisch aan het eigen te bouwen gebouw identiek gebouw. Voor het geval op het belendende perceel geen bouwbestemming rust en ook niet is bestemd voor een speeltuin, kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of de opslag van brandbare niet milieugevaarlijke stoffen, kan de spiegeling plaatsvinden als ware het perceel gelegen aan openbaar groen. Of op een perceel een bouwbestemming rust volgt uit het omgevingsplan.

In plaats van een maatregel gebaseerd op spiegelsymmetrie en een berekening volgens NEN 6068 kan men ook kiezen voor in de artikel 4.5 van de wet bedoelde gelijkwaardige maatregel. Een gelijkwaardige oplossing zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat men uitgaat van een maximale stralingsflux op de perceelsgrens (zie het Peutz-rapport Spiegelsymmetrie (N1018-3-RA-002) dd 7 september 2011, www.rijksoverheid.nl). NEN 6068 gaat uit van een maximale stralingsflux van 15 kW/m2 op de gevel van het spiegelsymmetrische gebouw. Als men aantoont dat deze 15 kW/m2 op de erfgrens niet wordt overschreden, is dit altijd veiliger en voldoet men aan de eis.

Het derde lid geeft een beperking aan de toepassing van de spiegelsymmetrie. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een brandcompartiment en een spiegelsymmetrische gebouw op een ander perceel is afhankelijk van drie factoren:

  • De brandwerendheid van de uitwendige scheidingsconstructie van het brandcompartiment van binnen naar buiten.

  • De afstand tussen de uitwendige scheidingsconstructie van het brandcompartiment en de uitwendige scheidingsconstructie van het spiegelsymmetrische gebouw op een ander perceel.

  • De brandwerendenheid van de uitwendige scheidingsconstructie van het (spiegelsymmetrische) brandcompartiment van buiten naar binnen.

In veel gevallen zal de afstand tot de perceelsgrens zo groot zijn dat met de tweede factor kan worden volstaan en hoeven de scheidingsconstructies zelf geen bijdrage te leveren aan de brandwerendheid. Als dit niet het geval is, dan regelt het derde lid, dat de derde factor alleen mag worden meegerekend voor zover deze niet groter is dan de eerste factor. Dit voorkomt dat de brandwerendheid volledig wordt neergelegd bij het fictieve spiegelsymmetrische gebouw, waardoor een daadwerkelijk naastgelegen gebouw in de praktijk geen enkele bescherming zou kunnen hebben bij een brand bij de buren. Dit derde lid is een verduidelijking ten opzichte van het Bouwbesluit 2012. Onder het Bouwbesluit 2012 was een discutabele uitleg van de spiegelsymmetrie mogelijk waardoor de brandwerendheid geheel werd gerealiseerd door een brandwerendheid van buiten naar binnen van het fictieve spiegelsymmetrische gebouw. Met het derde lid is deze toepassing van de spiegelsymmetrie niet meer mogelijk.

Ook in het vierde lid, dat betrekking heeft op de wbdbo bij een woonwagen, wordt uitgegaan van de spiegelsymmetrie. Bij de bepaling van de wbdbo tussen woonwagens wordt niet uitgegaan van de werkelijke afstand tussen woonwagens maar van een theoretische afstand van 5 m. Dit maakt het mogelijk de wbdbo van een woonwagen te bepalen zonder dat de uiteindelijke standplaats bekend is. Dit wil dus niet zeggen dat de woonwagens daadwerkelijk op deze afstand moeten worden geplaatst. De uiteindelijke plaatsing wordt bepaald op basis van het omgevingsplan, waarbij rekening moet worden gehouden met het gestelde in artikel 4.51, tweede lid, van dit besluit.

Artikel 4.55 (tijdelijk bouwwerk)

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.50 tot en met 4.52 onverkort van toepassing. Artikel 4.53 is van overeenkomstige toepassing, waarbij in alle gevallen met een wbdbo van ten minste 30 minuten kan worden volstaan. Dit is een afwijking (verzwaring) van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn. Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.2.9 Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook
Algemeen

Ieder brandcompartiment moet worden ingedeeld in één of meer subbrandcompartimenten of in verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert zodat brand en rook zich niet ongelimiteerd door het brandcompartiment kunnen verspreiden. Uitgangspunt is dat alle ruimten waarin brand zou kunnen ontstaan binnen een subbrandcompartiment liggen. In een subbrandcompartiment is men enige tijd beschermd tegen een brand die in een ander subbrandcompartiment is ontstaan. Ook biedt een subbrandcompartiment bescherming tegen de brand in het subbrandcompartiment dat juist is ontvlucht. Een ruimte waarin wordt geslapen of waarin mensen aanwezig zijn die niet zelfstandig kunnen vluchten, zoals zeer kleine kinderen, bedgebonden patiënten of gedetineerden, moet extra veilig zijn omdat in dergelijke gevallen meer tijd nodig is om iedereen in veiligheid te brengen. Zo’n ruimte moet daarom in een beschermd subbrandcompartiment liggen dat daarvoor aanvullende bescherming biedt.

Vergeleken met het Bouwbesluit 2012 is in dit besluit uitgegaan van de meest recente Europese classificering voor de weerstand tegen rookdoorgang. Hierbij is gebruik gemaakt van het Advies normcommissie NEN 6075 Aansturing rookdoorgangscriteria (d.d. 11 mei 2014, zie www.rijksoverheid.nl).

Artikel 4.56 (aansturingsartikel)

Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan wordt beoogd met § 4.2.8, zodat veilig kan worden gevlucht. Deze functionele eis (eerste lid) benadrukt dat de regels van § 4.2.8 een stap zijn in het brandveilig bouwen, met § 4.2.9 wordt een volgende stap gezet. De naam van deze paragraaf is dan ook verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.4 regelt voor deze paragraaf dat de in het eerste lid bedoelde functionele eis onverkort van toepassing is op de gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen enkele regel aanwijst (andere overige gebruiksfunctie. Dit is een afwijking van de hoofdregel die voor andere paragrafen aangeeft dat een aansturingsartikel niet van toepassing is op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van het aansturingsartikel.

Artikel 4.57 (ligging: subbrandcompartiment)

Het eerste lid bepaalt dat een brandcompartiment moet worden ingedeeld in subbrandcompartimenten of in verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute loopt. Dit betekent dat alle in een brandcompartiment gelegen ruimten, dus ieder functiegebied, verblijfsgebied met de daarin gelegen ruimten, ook in een subbrandcompartiment moeten liggen. Naast subbrandcompartimenten mogen er ook een of meer beschermde vluchtroutes in een brandcompartiment liggen. De afzonderlijke benoeming van de beschermde vluchtroute doet recht aan het feit dat een beschermde vluchtroute, niet in een subbrandcompartiment mag liggen (zie het tweede lid), terwijl een beschermde vluchtroute, behalve als het een extra beschermde vluchtroute is, wel in een brandcompartiment moet liggen (zie artikel 4.50). Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het ‘of’ gelezen mag worden als en/of. Naast een of meer subbrandcompartimenten mogen dus ook een of meer beschermde vluchtroutes in het brandcompartiment liggen.

Een buiten een brandcompartiment gelegen ruimte waarop het eerste lid van artikel 4.50 niet van toepassing is, hoeft ook niet in een subbrandcompartiment te liggen. Een brandcompartiment kan zowel volledig bestaan uit subbrandcompartimenten of uit een of meer subbrandcompartimenten en een of meer verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert. Of daadwerkelijk beschermde vluchtroutes aanwezig moeten zijn volgt uit paragraaf 4.2.10.

Het tweede lid benadrukt dat een beschermde vluchtroute niet direct in een subbrandcompartiment mag liggen, maar in een verkeersruimte. Daarom zal tussen een subbrandcompartiment (waarin brand kan ontstaan) en een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert altijd een brand en rookwerende scheiding (dit is een eis aan de verkeersruimte) aanwezig moeten zijn. Op die manier is een beschermde vluchtroute beschermd bij brand in een van de aanliggende functie- of verblijfsgebieden (subbrandcompartimenten).

Het derde lid biedt de mogelijkheid om een verblijfsgebied voor bewakingsdoeleinden, zoals een zusterpost in een ziekenhuis of een receptie in een kantoorgebouw, in een gang of hal waardoor een beschermde vluchtroute voert te plaatsen. Zou een dergelijk voor bewakingsdoeleinden bestemd verblijfsgebied wel in een subbrandcompartiment moeten liggen, dan zou op grond van artikel 4.60 en 4.51 tussen dat verblijfsgebied en de beschermde vluchtroute altijd een brandwerende scheiding moeten worden aangebracht. Een dergelijke fysieke scheiding zou het noodzakelijke contact met de op de zusterpost of receptie aangewezen ruimten bemoeilijken. Een oplossing daarvoor zou kunnen zijn de ruimte niet aan te merken als verblijfsgebied. Omdat dat zou betekenen dat de veiligheid en gezondheid voor de bewakers onvoldoende zijn gewaarborgd (bijvoorbeeld geen eisen aan de ventilatie) biedt dit derde lid een alternatief. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een wachtgelegenheid in datzelfde ziekenhuis of kantoorgebouw niet in een verblijfsruimte hoeft te liggen. In een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert kan dus een wachtruimte worden ingericht, op voorwaarde dat de inrichting van deze wachtruimte het vluchten niet hindert en de brandveiligheid niet in gevaar brengt (zie ook hoofdstuk 6).

Artikel 4.58 (ligging: beschermd subbrandcompartiment)

Het eerste lid benadrukt dat een verblijfsgebied in een woonfunctie altijd in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen.

Het tweede lid stelt dat een bedgebied, dat wil zeggen een gebied waar personen kunnen slapen of aan bed gebonden zijn, altijd in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. Dit betekent dat voor een ruimte waar bedden worden gereinigd of opgeslagen, bijvoorbeeld in zieken- of verpleeghuizen, of een operatieruimte, of een ruimte waar kan worden gerust, de eis voor een beschermd subbrandcompartiment niet geldt.

Het derde lid stelt dat een celeenheid in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen. Een celeenheid kan uit meerdere ruimten bestaan.

Het vierde lid schrijft voor dat elk logiesverblijf, zoals een hotelkamer, in een beschermd subbrandcompartiment moet liggen.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 4.57 de basiseisen bevat over de ligging van subbrandcompartimenten en 4.58 over de ligging van beschermde subbrandcompartimenten. Dit is iets anders dan de omvang van het compartiment. De eisen aan de maximale omvang zijn opgenomen in artikel 4.59. Het is daarom altijd nodig om beide artikelen gelijktijdig te raadplegen.

Artikel 4.59 (beschermd subbrandcompartiment: omvang)

Dit artikel stelt eisen aan de maximale omvang van beschermde subbrandcompartimenten bij de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie, de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie en de logiesfunctie. Aan andere gebruiksfuncties stelt dit artikel geen specifieke eisen omdat daar hooguit incidenteel sprake is van het bieden van slaapgelegenheid. Bij een incidenteel nachtgebruik (bijvoorbeeld het overnachten van padvinders in een scoutinggebouw) kan volstaan worden met een niet bouwkundige oplossing. Zie ook het algemeen deel van de toelichting. Aan de omvang van andere subbrandcompartimenten dan in dit artikel aangewezen worden alleen de eisen uit artikel 4.57 gesteld. Dat wil zeggen dat het subbrandcompartiment niet groter mag zijn dan het brandcompartiment waar het in licht. Het kan echter nodig zijn om een brandcompartiment toch in twee of meer subbrandcompartiment in te delen om te kunnen voldoen aan de eisen aan vluchtroutes, zoals dat deze een bepaalde lengte niet mogen overstijgen, zoals bedoeld in paragraaf 4.2.10 (vluchtroutes).

Het is zinvol ruimten waar gebruikers een extra bescherming tegen brand nodig hebben in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment van beperkte omvang te plaatsen. Men is in ieder beschermd subbrandcompartiment namelijk enige tijd beschermd tegen brand in andere beschermde subbrandcompartimenten in het brandcompartiment. Wanneer de brand ontstaat in het beschermde subbrandcompartiment zelf, dan kan de ontruiming zich in eerste instantie richten op de evacuatie van het relatief beperkte aantal personen in dat beschermde subbrandcompartiment, en daarna pas op alle andere beschermde subbrandcompartimenten in het brandcompartiment. Een beschermd subbrandcompartiment mag om zijn functie van brand- en rookbegrenzer goed te kunnen vervullen dus niet te groot zijn.

Met een beroep op de mogelijkheid een gelijkwaardige maatregel toe te passen kan een groter beschermd subbrandcompartiment worden gerealiseerd dan volgens deze paragraaf mogelijk zou zijn. Er zal dan wel aannemelijk gemaakt moeten worden dat die maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is.

Het eerste lid stelt een grens aan de omvang van een beschermd subbrandcompartiment van een woonfunctie, een celfunctie, logiesfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. De regel beperkt bij een bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen tot 4 jaar en 24-uurs opvang (kinderopvang met bedgebied) de omvang van een beschermd subbrandcompartiment omdat de hier aanwezige kinderen in het algemeen niet zelfstandig kunnen vluchten. In sommige gevallen zijn zij zelfs volledig aangewezen op hulp van het personeel. Bij andere kinderopvang (zonder bedgebied), zoals een dagverblijf voor kinderen ouder dan 4 jaar of buitenschoolse opvang, gelden dus geen specifieke eisen voor de omvang van het beschermde subbrandcompartiment en mag dat even groot zijn als het brandcompartiment zelf. De eisen hiervoor zijn gelijk aan die voor een onderwijsfunctie, omdat dit type opvang dikwijls in schoolgebouwen wordt gerealiseerd.

Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid om in een woonfunctie voor zorg met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 een gezamenlijke verblijfsruimte (woonkamer) te creëren, met een grotere omvang dan voor de individuele wooneenheden is toegestaan. Bij een woonfunctie voor de zorg van niet meer dan 500 m2 geldt de regel voor de andere woonfunctie van het eerste lid.

Het derde lid regelt voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied dat een beschermd subbrandcompartiment geen ruimten van een andere gebruiksfunctie mag bevatten. Ruimten van ondergeschikt belang (nevengebruiksfuncties) mogen wel deel uitmaken van dit beschermde subbrandcompartiment.

Het vierde lid geeft expliciet aan dat elke celeenheid een apart beschermd subbrandcompartiment moet zijn. Dit biedt de hoogst mogelijke bescherming als er brand uitbreekt in een ander beschermd subbrandcompartiment nabij die celeenheid.

Het vijfde lid beperkt de omvang van een beschermd subbrandcompartiment in een gezondheidszorgfunctie met bedgebied tot ten hoogste 500 m2. Een opslagruimte voor bedden is geen bedgebied. Binnen het beschermd subbrandcompartiment met bedgebied mogen ook ruimten liggen die ten dienste staan van die patiëntenkamers, zoals een ruimte voor toezicht door verplegend personeel. Een dergelijke ruimte mag echter ook buiten een beschermd subbrandcompartiment liggen (zie artikel 4.57, derde lid). Het vijfde lid geeft een algemene regel voor het bedgebied. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 6.4 de mogelijkheid biedt om handhavend op te treden als het gebruik van de zusterpost of receptie, bijvoorbeeld door in de ruimte opgestelde brandonveilige apparatuur of inrichting, leidt tot een brandonveilige situatie voor bijvoorbeeld de bedgebieden die voor het vluchten op die ruimte zijn aangewezen.

Wanneer het gaat om bedgebonden patiënten dan is de specifieke eis van het zesde lid van toepassing. Een bedgebonden patiënt is een patiënt die aan het bed is gekluisterd en daarom bij brand hulp nodig heeft om voldoende snel te kunnen vluchten. Wanneer het beschermde subbrandcompartiment bestemd is voor bedgebonden patiënten dan is de maximale omvang van het beschermde subbrandcompartiment in het vijfde lid afhankelijk van het bewakingsniveau. Bij een permanente bewaking, waarbij 24 uur per etmaal voldoende goed getraind personeel aanwezig is om de bedgebonden patiënten bij brand tijdig in veiligheid te kunnen brengen is een beschermd subbrandcompartiment van 500 m2 toegestaan. Ontbreekt bewaking, dan mag het beschermde subbrandcompartiment niet groter zijn dan 50 m2. Is het niveau van de bewaking afgestemd op het bij brand tijdig in veiligheid kunnen brengen van een bepaald aantal bedgebonden patiënten, dan mag de omvang van het beschermd subbrandcompartiment zodanig zijn, dat dit aantal bedgebonden patiënten daarin kan worden ondergebracht. Dit betekent dat in voorkomende gevallen een beschermd subbrandcompartiment kan worden toegestaan met een omvang die ligt tussen de 50 m2 en 500 m2. Het beschermd subbrandcompartiment mag echter, ongeacht het niveau van de bewaking, niet groter zijn dan 500 m2.

Een logiesfunctie kan een aantal logiesverblijven (zie bijlage I) bevatten. Het zevende lid maakt expliciet dat elk logiesverblijf, zoals een hotelkamer, behalve een afzonderlijk subbrandcompartiment ook een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is. Dit biedt de hoogst mogelijke bescherming als er brand uitbreekt in een ander beschermd subbrandcompartiment nabij dat logiesverblijf. In een groepsaccommodatie, zoals bij een kampeerboerderij, mogen de verschillende ruimten voor een enkele groep gasten samen in één beschermd subbrandcompartiment liggen. Deze verschillende ruimten zijn dan samen één logiesverblijf.

Het achtste lid geeft, aangestuurd voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en een logiesfunctie, aan dat een afzonderlijke beschermd subbrandcompartiment tevens een afzonderlijk subbrandcompartiment moet zijn. Dit maakt dat bij deze gebruiksfuncties bij de uitgang van het beschermde subbrandcompartiment, net als bij de uitgang van een regulier subbrandcompartiment een beschermde, extra beschermde of veiligheidsvluchtroute moet beginnen.

Artikel 4.60 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)

Het eerste lid stelt een eis van 30 minuten aan de wbdbo van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in hetzelfde brandcompartiment. Die andere ruimte kan ook een ander beschermd subbrandcompartiment zijn.

In het tweede lid is bepaald dat de weerstand tegen branddoorslag van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment, tenminste 20 minuten moet zijn. Dit wordt berekend met behulp van het aspect vlamdichtheid (E). Dit betekent dat bij de in dit lid bedoelde subbrandcompartimenten de criteria straling (EW) en temperatuur (EI) buiten beschouwing blijven.

Artikel 4.61 (weerstand tegen rookdoorgang: subbrandcompartiment)

De Europese rookwerendheidsklassen zijn in dit artikel overgenomen in lijn met het Advies normcommissie NEN 6075 Aansturing rookdoorgangscriteria (d.d. 11 mei 2014, zie www.rijksoverheid.nl) over Sa/S200.

Het advies over ‘hoge ruimte’ is niet overgenomen vanwege in de praktijk geuite vraagtekens over de effectiviteit in relatie tot complexiteit van het advies. Vanwege gunstiger condities bij een ‘hoge ruimte’ zou er onder omstandigheden bij een hoge ruimte sprake kunnen zijn van een gelijkwaardige maatregel.

Het eerste lid regelt dat de weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een ander subbrandcompartiment moet voldoen aan de volgens NEN 6075 te bepalen Europese rookwerendheidsklasse Sa.

Het tweede lid regelt dat de weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert moet voldoen aan de volgens NEN 6075 te bepalen Europese rookwerdendheidsklasse S200.

Het derde lid regelt dat de weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment moet voldoen aan de volgens NEN 6075 te bepalen Europese rookklasse S200.

Het vierde lid regelt dat de weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert moet voldoen aan de volgens NEN 6075 te bepalen Europese rookklasse S200.

Artikel 4.62 (weerstand tegen rookdoorgang: beschermd subbrandcompartiment)

De Europese rookklassen zijn in dit artikel overgenomen in lijn met ‘ NEN 6075 advies’ over Sa/S200.

Het advies over ‘hoge ruimte’ is niet overgenomen vanwege in de praktijk geuite vraagtekens over de effectiviteit in relatie tot complexiteit van het advies. Vanwege gunstiger condities bij een ‘hoge ruimte’ zou er onder omstandigheden bij een hoge ruimte sprake kunnen zijn van een gelijkwaardige maatregel.

Het eerste lid regelt dat de weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een ander beschermd subbrandcompartiment moet voldoen aan de volgens NEN 6075 te bepalen Europese rookklasse S200.

Het tweede lid regelt voor een woonfunctie voor zorg met een gebruiksoppervlakte groter dan 500 m2, een celfunctie en een gezondheidszorgfunctie met bedgebied dat de weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een subbrandcompartiment moet voldoen aan de volgens NEN 6075 te bepalen Europese rookklasse S200.

Het derde lid regelt voor een reguliere woonfunctie, een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang waar kinderen slapen (met bedgebied) en een logiesfunctie dat de weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een subbrandcompartiment moet voldoen aan de volgens NEN 6075 te bepalen Europese rookklasse Sa.

Het vierde lid regelt dat de weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert moet voldoen aan de volgens NEN 6075 te bepalen Europese rookklasse S200.

Artikel 4.63 (tijdelijk bouwwerk)

Dit artikel stelt dat voor een nieuw te bouwen tijdelijk bouwwerk de artikelen 4.60, 4.61 en 4.62 onverminderd van toepassing zijn. Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.2.10 Vluchtroutes: verloop
Algemeen

Uitgangspunt bij ontvluchten is dat kan worden volstaan met één vluchtroute die start op de plaats waar het vluchten begint en eindigt op een veilige plaats. Met het uitgangspunt van een enkele vluchtroute is het uiteraard mogelijk een tweede vluchtroute te realiseren. In dat geval zijn bepaalde regels die op een enkele vluchtroute van toepassing zijn niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren (zie artikel 4.71).

Overigens zijn in afdeling 4.7 regels gegeven voor installaties die voor het veilig vluchten noodzakelijk zijn. Zo schrijft artikel 4.208, derde lid, bij doodlopende gangen in bepaalde situaties een daarop afgestemde brandmeldinstallatie voor.

De eisen aan vluchtroutes van afdeling 2.11 van het Bouwbesluit 2012 zijn verdeeld over paragraaf 4.2.10 Vluchtroutes: verloop en paragraaf 4.2.11 Vluchtroutes: inrichting en capaciteit. Deze wijziging in de indeling is geen inhoudelijke verandering maar een verbetering van de toegankelijkheid van de regelgeving.

Artikel 4.64 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt, is gericht op het veilig kunnen vluchten uit een nieuw te bouwen bouwwerk. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.65 (vluchtroute)

Het eerste lid geeft aan dat op elk willekeurig punt in een bouwwerk een vluchtroute begint die voert naar het aansluitende terrein en eindigt bij de openbare weg. Een vluchtroute mag dus niet uitkomen op bijvoorbeeld een binnenplaats zonder doorgang naar de openbare weg. Hiermee wordt voorkomen dat men uiteindelijk toch nog door de brand ingesloten raakt. Uit het begrip voor personen bestemde vloer volgt dat die regel geldt voor een ruimte waarin bij regulier gebruik personen aanwezig zijn. Met andere woorden, voor bijvoorbeeld een technische ruimte waarin incidenteel een onderhoudsmonteur aanwezig is gelden de regels voor een vluchtroute niet. Uit de Arbo regelgeving vloeit voort dat ook de onderhoudsmonteur de ruimte en het gebouw op een veilige wijze moet kunnen verlaten. Dit kan dan ook met persoonlijke beveiligingsmaatregelen. Het eerste lid geldt voor alle gebruiksfuncties behalve voor de celfunctie.

Op grond van het tweede lid mag een vluchtroute in een penitentiaire inrichting alleen leiden naar een ander brandcompartiment. Het is tenslotte niet de bedoeling dat de gedetineerden bij een calamiteit ongehinderd hun vrijheid tegemoet kunnen gaan. De toevoeging wel of niet via een buitenruimte betekent dat deze vluchtroute niet rechtstreeks hoeft te voeren naar een ander brandcompartiment, maar ook via een buitenruimte op het terrein van de inrichting mag lopen. Een penitentiaire inrichting bevat behalve celfuncties ook nevengebruiksfuncties, bijvoorbeeld een sportaccommodatie of een werkplaats. Opgemerkt wordt dat uit de tabel blijkt dat het tweede lid van artikel 4.65 ook van toepassing is op de ‘andere woonfunctie’. Tenslotte kan ook een woonfunctie een nevengebruiksfunctie van een celfunctie zijn.

In geval van brand moeten de gedetineerden ook vanuit die nevengebruiksfuncties naar een ander brandcompartiment kunnen vluchten. Zie het eerste lid voor een toelichting op het begrip voor personen bestemde vloer.

Het derde lid, op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg, is alleen van toepassing op wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. Het vierde lid geeft een functionele eis voor het veilig ontvluchten van een bouwwerk geen gebouw zijnde. De reden om hier een functionele eis op te nemen is de zeer uiteenlopende aard van dit soort bouwwerken, zoals open tribunes, steigers en bruggen. Met deze eis krijgt de gemeente enige beoordelingsruimte.

Artikel 4.66 (vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment)

In het eerste lid wordt een eis gesteld aan de maximale loopafstand van een vluchtroute binnen een gebruiksgebied in een subbrandcompartiment. De gecorrigeerde loopafstand is voor bijna alle gebruiksfuncties vastgesteld op 30 m. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat mensen 30 seconden met ingehouden adem en een snelheid van 1 m/s door een ruimte met rook kunnen lopen.

Voor een celfunctie is de maximale loopafstand 22,5 m. Als de uitgang van het gebruiksgebied niet binnen de voorgeschreven loopafstand van 30 (of 22,5 m bij de celfunctie) kan worden bereikt, dan zal er een tweede uitgang moeten zijn die in principe op dezelfde vluchtroute als de eerste mag uitkomen. De gecorrigeerde loopafstand is de loopafstand waarbij constructieonderdelen die geen onderdeel van de bouwconstructie zijn, buiten beschouwing worden gelaten. Zie ook de begripsbepaling in bijlage I.

Het tweede lid geeft dezelfde eis als in het eerste lid, maar dan voor een verblijfsgebied dat bestemd is om niet nader te worden ingedeeld, of een verblijfsruimte. Met deze vangnetbepaling wordt voorkomen dat als gevolg van de aanwezigheid van niet-dragende scheidingswanden, de werkelijke loopafstand vanuit een verblijfsruimte onaanvaardbaar groot wordt. Aan de andere kant wordt met deze bepaling voorkomen dat bij een gebied of gedeelte daarvan dat al is ingedeeld of niet bedoeld is om nader ingedeeld te worden toch nog rekening met een nadere indeling en zodoende langere loopafstanden moet worden gehouden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een sportzaal.

Het derde en vierde lid bepalen dat in bepaalde gebruiksfuncties een lagere bezetting van het subbrandcompartiment een langere loopafstand tot gevolg mag hebben, omdat men bij een lagere bezetting de uitgang sneller kan bereiken. Bij overschrijding van de toegestane loopafstand moet er een tweede uitgang zijn die in principe op dezelfde vluchtroute als de eerste mag uitkomen.

In het vijfde lid zijn beperkingen gesteld aan de maximale loopafstand vanaf de rijbaan in een wegtunnelbuis naar een uitgang van die tunnelbuis. Die loopafstand wordt op twee wijzen gemaximeerd.

Ten eerste er moet altijd binnen de 150 m een uitgang kunnen worden bereikt. Door in aanvulling daarop te stellen dat uitgangen niet verder dan 250 m uit elkaar mogen liggen is gewaarborgd dat, als een uitgang is geblokkeerd, altijd binnen 250 m een volgende uitgang wordt aangetroffen. Bij de waarde van 150 m is rekening gehouden met de mogelijkheid dat in de tunnelbuis bouwkundige obstakels zijn (bijvoorbeeld hoogteverschillen groter dan 0,3 m, zonder trap of hellingbaan), zodat niet vanuit ieder punt op de rijbaanvloer in een rechte lijn naar de toegang kan worden gelopen. Het spreekt voor zich dat met de afstand tussen twee uitgangen de afstand tussen twee opeenvolgende uitgangen wordt bedoeld. In het algemeen betekenen deze maximale loopafstanden dat men binnen vijf minuten de wegtunnelbuis lopend kan verlaten. Bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning voor het bouwen moet elke uitgang van de wegtunnelbuis (inclusief de uitmondingen) in beschouwing worden genomen. In het niveau van eisen is rekening gehouden met de mogelijkheid dat een uitgang als gevolg van een ongeval geblokkeerd kan raken. Dit mogelijke risico mag dus niet leiden tot nadere (lees: hogere) eisen bij het verlenen van de vergunning.

Het zesde lid regelt het maximale te overbruggen hoogteverschil tussen een vloer en de uitgang van een subbrandcompartiment. Dit betekent praktisch gezien dat een vluchtroute in het subbrandcompartiment over niet meer dan twee verdiepingen (ofwel één trap) kan lopen.

Het zevende lid stelt dat een ruimte of subbrandcompartiment bestemd voor meer dan 150 personen ten minste twee uitgangen moet hebben, die in principe op dezelfde vluchtroute kunnen uitkomen. De uitgangen moeten ten minste 5 m uit elkaar liggen, want pal naast elkaar liggende deuren functioneren uit het oogpunt van brandveiligheid als één deur. De regel wordt niet aangewezen voor de woonfunctie, de kinderopvang met bedgebied, de gezondheidszorgfunctie met bedgebied en het bouwwerk geen gebouw zijnde, omdat daar normaliter niet meer dan 150 personen in één subbrandcompartiment aanwezig zullen zijn.

Artikel 4.67 (uitgang van een beschermd subbrandcompartiment)

Dit artikel is gericht op het vanuit het beschermd subbrandcompartiment kunnen bereiken van een veilige plaats.

Artikel 4.66 regelt het veilig kunnen vluchten uit een subbrandcompartiment. Binnen of samenvallend met een subbrandcompartiment kan sprake zijn van een beschermd subbrandcompartiment. Dit artikel regelt dat vanuit ten minste een uitgang van het beschermde subbrandcompartiment veilig kan worden gevlucht naar de uitgang van het subbrandcompartiment. Onder a valt de uitgang van het beschermde subbrandcompartiment en het subbrandcompartiment samen. Onder b ligt er tussen de uitgang van het beschermde subbrandcompartiment en het subbrandcompartiment een vluchtroute die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte voert. Hiermee wordt voorkomen dat gevlucht moet worden door een ruimte met mogelijk obstakels en brandgevaar. In het algemeen zal deze vluchtroute liggen in een verkeersruimte binnen het subbrandcompartiment.

Artikel 4.68 (beschermde vluchtroute)

Een beschermde vluchtroute mag niet in een subbrandcompartiment liggen en biedt bescherming tegen de rook van een beginnende brand in een subbrandcompartiment. Dit artikel geeft aan wanneer een enkele vluchtroute beschermd moet zijn en welke voorwaarden hierbij van toepassing zijn. Een beschermde vluchtroute ligt tussen de uitgang van een subbrandcompartiment en de uitgang van een brandcompartiment.

Het eerste lid geldt voor de enkele vluchtroute in de utiliteitsbouw. Als bij de uitgang van het subbrandcompartiment de uitgang van het brandcompartiment of het aansluitende terrein nog niet is bereikt, dan moet verder richting de uitgang van brandcompartiment worden gevlucht via een beschermde vluchtroute. Op die route mogen dan ten hoogste 37 personen aangewezen zijn.

Het tweede lid geeft de eis voor de maximale loopstand in (het horizontale deel van) een beschermde vluchtroute die door een besloten ruimte voert. De lengte van de vluchtroute is in deze situatie gelimiteerd voor het geval er onverhoopt toch rook in de besloten route mocht doordringen. Binnen een trappenhuis wordt geen maximum aan de loopafstand gesteld. Omdat de beschermde vluchtroute binnen de relatief beperkte omvang van een brandcompartiment ligt, hoeft de totale lengte van een beschermde vluchtroute niet te worden beperkt. Dit betekent dat de loopafstand door een aan de uitgang van een subbrandcompartiment grenzende ruimte niet groter mag zijn dan 30 m. Uit artikel 4.71 volgt dat dit artikel bij een tweede vluchtroute niet van toepassing is. Verder volgt uit artikel 4.74, eerste lid, in samenhang met artikel 3.123, eerste lid, dat elke op de beschermde route gelegen scheidingsdeur brandwerend en zelfsluitend moet zijn.

Het derde lid geldt alleen voor de wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m. Die regel is van toepassing ongeacht het aantal personen dat op de vluchtroute is aangewezen. Als het aansluitende terrein bij de uitgang van het subbrandcompartiment niet is bereikt, dan moet bij gebruik van een enkele vluchtroute via een beschermde vluchtroute naar de uitgang van het brandcompartiment worden gevlucht. Met de zin aan het eind van het eerste lid wordt duidelijk gemaakt dat een vluchtroute voor zover deze door een andere wegtunnelbuis voert dan de tunnelbuis waarin de vluchtroute begint niet een beschermde vluchtroute hoeft te zijn. Er hoeft dus geen brand- of rookwerende scheiding te zijn tussen een wegtunnelbuis en een vluchtroute die door die wegtunnelbuis voert.

Artikel 4.69 (extra beschermde vluchtroute)

Dit artikel geeft aan wanneer een enkele vluchtroute extra beschermd moet zijn. Een extra beschermde vluchtroute ligt per definitie niet in een brandcompartiment. Dit betekent dat bij het verlaten van het subbrandcompartiment tegelijk ook het brandcompartiment wordt verlaten. Een extra beschermde vluchtroute biedt bescherming tegen de rook van zowel een beginnende brand als een ontwikkelde brand in een brandcompartiment. Met het begrip subbrandcompartiment in het eerste lid van artikel 4.69 wordt recht gedaan aan het feit dat niet de uitgang van het brandcompartiment maar de uitgang van het subbrandcompartiment bepalend is voor het beschermingsniveau van het deel van de vluchtroute dat bij die uitgang begint. Uiteraard zou het doel van het veilig vluchten buiten een subbrandcompartiment ook kunnen worden bereikt door detectie, alarmering, een automatische blusinstallatie en/of een verdere beperking van het aantal personen in het kader van een beroep op de mogelijkheid tot een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in de wet.

Het eerste lid geldt voor de enkele vluchtroute in een woongebouw met zelfstandige woonruimten (appartementen), een celfunctie, een kinderopvang en gezondheidszorgfunctie beide met bedgebied en een logiesfunctie. Zo verlaat men bij de uitgang van een appartement behalve het subbrandcompartiment tegelijk ook het brandcompartiment van die woning. Als bij het verlaten van dit appartement het aansluitende terrein niet direct is bereikt, moet de gemeenschappelijke verkeersruimte vanaf de uitgang van dat appartement een extra beschermde vluchtroute zijn. Deze eis is van toepassing ongeacht het aantal bewoners dat van de vluchtroute gebruik maakt.

Het tweede lid beperkt bij een woning die alleen via een enkele route kan worden ontvlucht, het risico dat die vluchtroute onbruikbaar wordt doordat een deur of raam open blijft staan. Omdat voordeuren van woningen niet zelfsluitend hoeven te zijn, bestaat de kans dat een vluchtend persoon de voordeur van een brandend appartement laat openstaan, met als mogelijk gevolg dat de vluchtroute voor andere personen geblokkeerd raakt door rook of vuur. Corridor- of galerijwoningen met één vluchtroute/trappenhuis zijn daarom alleen mogelijk als de vluchtroute niet langs een voordeur of te openen raam van een ander appartement voert. De tweede zin geeft aan dat er een uitzondering geldt voor twee tegenover elkaar liggende deuren aan het begin van een extra beschermde vluchtroute.

Het derde lid regelt dat een vluchtroute als bedoeld in het eerste lid niet door een trappenhuis mag voeren. Uitzonderingen op deze regel zijn gegeven in het vierde lid van dit artikel en in artikel 4.71, eerste (twee vluchtroutes) en vierde lid (veiligheidsvluchtroute).

Het vierde lid regelt dat het onder bepaalde condities bij portiekwoningen is toegestaan om langs een beweegbaar constructieonderdeel van een ander appartement te vluchten.

Het vijfde lid bepaalt voor de utiliteitsbouw, voor zover het eerste lid niet van toepassing is, dat als in het subbrandcompartiment tussen de 38 en 150 personen aanwezig zijn en het aansluitende terrein bij de uitgang van het subbrandcompartiment nog niet is bereikt, de enkele vluchtroute een extra beschermde vluchtroute moet zijn. Dit betekent dat bij het verlaten van het subbrandcompartiment tegelijk ook het brandcompartiment wordt verlaten. Op een extra beschermde vluchtroute mogen tussen de 38 en 150 personen aangewezen zijn.

Het zesde lid geeft de eis voor de maximale (wel of niet horizontale) loopafstand in een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert. Deze loopafstand is niet groter dan de in de tabel genoemde waarde (bij de meeste gebruiksfuncties 30 m). Als de vluchtroute in de besloten ruimte over een trap voert moet bij het bepalen van de totale loopafstand de loopafstand over de trap worden meegeteld. Dit volgt uit het begrip loopafstand, zie de toelichting op bijlage I. Zodra de maximaal toegelaten loopafstand over de extra beschermde vluchtroute is afgelegd, moet een uitgang zijn gepasseerd en verder kunnen worden gevlucht over een veiligheidsvluchtroute, twee onafhankelijke vluchtroutes of tot het aansluitende terrein.

Het zevende lid bepaalt dat een vluchtroute die door een trappenhuis voert bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 8 m een extra beschermde vluchtroute moet zijn. Bij hoogbouw is het trappenhuis een essentiële voorziening voor het veilig vluchten bij brand en de bereikbaarheid van de brand door hulpverleningsdiensten. De aan een extra beschermde vluchtroute verbonden eisen borgen de veiligheid van de gebruikers van het trappenhuis.

Artikel 4.70 (veiligheidsvluchtroute)

Het eerste lid geeft aan dat als er meer dan 150 personen op een enkele vluchtroute zijn aangewezen, de vluchtroute buiten het subbrandcompartiment moet voeren over een veiligheidsvluchtroute. Als sprake is van de uitgang van het subbrandcompartiment, dan is die uitgang tegelijk de uitgang van het brandcompartiment, omdat de veiligheidsvluchtroute per definitie niet in een brandcompartiment ligt. Het aantal personen dat op een veiligheidsvluchtroute is aangewezen hoeft niet te worden begrensd, omdat een dergelijke route voldoende bescherming biedt.

Het tweede lid bepaalt dat een vluchtroute die door een trappenhuis van een logiesgebouw voert bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 12,5 m een veiligheidsvluchtroute moet zijn. Bij hoogbouw is een trappenhuis waardoor een veiligheidsvluchtroute voert in de regel de voorziening voor het veilig vluchten bij brand en de bereikbaarheid van de brand door hulpverleningsdiensten in situaties waar geen alternatief beschikbaar is. De aan een veiligheidsvluchtroute verbonden eisen borgen de veiligheid van de gebruikers van het trappenhuis.

Artikel 4.71 (tweede vluchtroute)

Het doel van een tweede vluchtroute is het veilig kunnen vluchten als één van de twee routes bij brand onbruikbaar wordt. Dit doel zou met een beroep op de in de wet bedoelde mogelijkheid een gelijkwaardige maatregel toe te passen ook kunnen worden bereikt door detectie, alarmering, een automatische blusinstallatie en/of een verdere beperking van het aantal personen. Wanneer die tweede vluchtroute er is kan, ook zonder gelijkwaardige maatregel, worden volstaan met minder zware eisen dan wanneer er alleen een enkele vluchtroute is.

Het eerste lid geeft de regels voor het geval er een tweede onafhankelijke vluchtroute is buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint. Vanaf het punt dat één van de vluchtroutes een deur naar een andere ruimte buiten het subbrandcompartiment passeert, en de vluchtroutes verder door verschillende ruimten voeren, is er sprake van twee onafhankelijke vluchtroutes. Vanaf dat punt zijn de eisen voor een beschermde, een extra beschermde, of een veiligheidsvluchtroute op die vluchtroute niet meer van toepassing. Daarmee is vanaf dat punt ook de beperking op het aantal personen dat gebruik mag maken van de vluchtroute vervallen. De twee vluchtroutes moeten tot het aansluitende terrein van elkaar gescheiden blijven (dus niet door de zelfde ruimte lopen) tenzij er over dat samenlopende deel sprake is van een veiligheidsvluchtroute (zie het vierde lid). Uitzondering op het niet meer van toepassing zijn van de eisen voor een extra beschermde vluchtroute is de situatie dat in de vluchtroute een hoogteverschil van meer dan 8 m moet worden overbrugd. Ook als er twee vluchtroutes zijn blijft het zevende lid van artikel 4.69 namelijk van toepassing.

Het tweede lid stelt dat de twee vluchtroutes buiten het brandcompartiment waar de vluchtroutes beginnen niet door eenzelfde brandcompartiment mogen voeren. Een tweede vluchtroute uit een punt in een brandcompartiment maakt het mogelijk om bij brand twee kanten op te vluchten. Het tweede lid regelt dat die twee vluchtroutes niet tegelijk onbruikbaar worden door brand in een brandcompartiment waardoor gevlucht moet kunnen worden. De twee in het eerste lid bedoelde vluchtroutes mogen daarom, na verlaten van het eerste brandcompartiment, niet meer door het zelfde brandcompartiment voeren. Praktisch gezien betekent dit dat de vluchtroutes vanaf het passeren van de uitgang, tot de uitgang van het gebouw, brandwerend van elkaar gescheiden moeten zijn.Het derde lid biedt de praktijk de mogelijkheid om bij een subbrandcompartiment met één uitgang toch gebruik te kunnen maken van twee onafhankelijke vluchtroutes. De vluchtroutes mogen direct vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment door dezelfde ruimte voeren (onderdeel a) voordat zij als volledig onafhankelijk vluchtroutes verder gaan. Dit is toegestaan op voorwaarde dat de twee vluchtroutes in verschillende richtingen naar de twee uitgangen voeren (onderdeel d). Deze eis voorkomt dat alsnog in één richting moet worden gevlucht, omdat er aan de ene kant van de ruimte twee pal bij elkaar liggende uitgangen zijn en aan de andere kant een doodlopend eind. Verder moet deze ruimte een beschermde vluchtroute zijn als de ruimte binnen een brandcompartiment ligt en een extra beschermde vluchtroute buiten het brandcompartiment (onderdeel b). Bij een besloten ruimte is de loopafstand in die ruimte beperkt tot ten hoogste 30 m voor elke vluchtroute (onderdeel c). De beperking van het aantal personen op dit gedeelte van de vluchtroutes is niet van toepassing. Om te kunnen spreken van twee verschillende richtingen moet er sprake zijn van een minimale hoek (bijvoorbeeld 90°) of moeten de routes door bijvoorbeeld een muur van elkaar zijn afgeschermd. Het mag dus niet zo zijn dat als de ene vluchtroute door brand onbruikbaar wordt de andere vluchtroute direct of heel snel daarna ook onbruikbaar wordt.

Het vierde lid, maakt het mogelijk dat twee vluchtroutes door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is, omdat eenmaal op de veiligheidvluchtroute aangekomen een veilige plaats is bereikt waarlangs op een veilige manier het aansluitende terrein kan worden bereikt.

Het vijfde lid beperkt de mogelijkheid voor een veiligheidsvluchtroute in een woongebouw tot een veiligheidstrappenhuis.

Artikel 4.72 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.65 tot en met 4.71 van toepassing. In afwijking van de algemene regel dat op een tijdelijk bouwwerk de eisen voor bestaande bouw van toepassing zijn, gelden wat betreft de vluchtroutes de nieuwbouweisen. Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.2.11 Vluchtroutes: inrichting en capaciteit

De eisen aan vluchtroutes van afdeling 2.12 van het Bouwbesluit 2012 zijn verdeeld over de paragrafen 4.2.10 Vluchtroutes: verloop en paragraaf 4.2.11 Vluchtroutes: inrichting en capaciteit. Deze wijziging in de indeling is geen inhoudelijke verandering maar een verbetering van de toegankelijkheid van de regelgeving.

Artikel 4.73 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een bouwwerk vluchtroutes moet hebben met een zodanige inrichting en capaciteit dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.74 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang)

Dit artikel stelt eisen ter beperking van de rookdoorgang tussen twee besloten ruimten waardoor een beschermde (of extra beschermde) vluchtroute voert. De volgens NEN 6075 te bepalen weerstand tegen rookdoorgang zorgt dat de rook je niet kan achtervolgen na het passeren van een deur op de vluchtroute. De hoogte van de eis aan de weerstand tegen rookdoorgang is afhankelijk van de aard van de vluchtroute en de ruimte.

Het eerste lid eist Sa bij een doorgang tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute en een in de vluchtrichting aansluitende ruimte die ook een besloten ruimte is waardoor een beschermde vluchtroute voert.

Het tweede lid eist S200 bij een doorgang tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert en een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert.

Het derde lid eist Sa bij een doorgang tussen een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert.

Het vierde lid eist S200 bij een doorgang tussen een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en een besloten trappenhuis waardoor een extra beschermde vluchtroute voert.

Het vijfde lid eist S200 in de in het eerste lid van artikel 4.71 bedoelde verschillende ruimten waardoor afzonderlijke vluchtroutes voeren.

Artikel 4.75 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)

Dit artikel is bedoeld om te waarborgen dat twee afzonderlijke vluchtroutes die door verschillende ruimten lopen, als bedoeld in het eerste lid van artikel 4.71, naast elkaar lopen, de afzonderlijke vluchtroutes afdoende van elkaar gescheiden blijven zodat ze niet tegelijkertijd onbruikbaar kunnen raken door brand of rook. Om dit te borgen geldt deze eis zowel bij besloten als niet-besloten ruimten en moet er tussen de verschillende ruimten een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag zijn van ten minste 30 minuten.

Artikel 4.76 (inrichting vluchtroute: permanente vuurlast)

Het eerste lid geldt voor een trappenhuis in een woongebouw waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, maar geen veiligheidsvluchtroute. Deze ruimte moet zo min mogelijk brandbare materialen bevatten. Dit betekent in de praktijk dat de vloeren en wanden van die ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, de trappen van onbrandbaar materiaal (staal of steenachtig) en de deuren en kozijnen alleen in beperkte mate van hout mogen zijn. De grens ligt bij een vuurlast van ten hoogste 3500 MJ per bouwlaag.

De bovenste bouwlaag van het trappenhuis zal naar verwachting de bouwlaag zijn met de hoogste vuurlast. De brandbare dakbedekking zal kunnen bijdragen aan de brand. Omdat de dakconstructie hoog in het trappenhuis ligt, levert de vuurlast van de dakbedekking minder gevaar op dan de vuurlast van overige constructieonderdelen en kan daarop een reductie van 50% worden toegepast. In de laatste zin is aangegeven, dat de permanente vuurlast van 3500 MJ niet geldt voor een portieksituatie als bedoeld in artikel 4.69, vierde lid. Er wordt op gewezen dat in de begripsbepaling van permanente vuurlast naar NEN 6090 wordt verwezen.

Het tweede lid geldt voor elke veiligheidsvluchtroute. In dit lid is voorgeschreven dat de ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert zo min mogelijk brandbare materialen moet bevatten. Dit betekent in de praktijk dat als de deuren, kozijnen, leuningen en plinten van hout zijn, de vloeren en wanden van die ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn. De grens ligt bij een permanente vuurbelasting van 3500 MJ. Op een veiligheidsvluchtroute is het, om de daar beoogde extra veiligheid te waarborgen, in tegenstelling tot een beschermde of extra beschermde vluchtroute in een woongebouw, niet toegestaan om een reductie van 50% toe te passen bij de bepaling van de vuurlast van het dak.

Bij zowel het eerste als tweede lid moeten vuurlast van (uit het trappenhuis respectievelijk de ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert) direct bereikbare besloten ruimten worden meegenomen tenzij er sprake is van een 30 minuten wbdbo. Deze eis beoogt het beperken van de brandontwikkeling zodat de vluchtroute bruikbaar blijkt. Een gelijkwaardige oplossing is mogelijk als er sprake is direct bereikbare niet-besloten ruimten en aangetoond wordt dat in de niet-besloten ruimte (galerij of atrium) geen brandontwikkeling tot flash-over kan optreden. Het rapport ‘Onderzoek niet-besloten ruimten’ (DGMR, dd 10 maart 2015, zie www.rijksoverheid.nl) geeft hiervoor de volgende criteria:

  • rook: geen rookophoping met een temperatuur hoger dan 200°C (vorming van een rooklaag van 0,5 m dikte of meer), en

  • tijdsduur: gelijk aan de WBDBO-eis van 30 minuten zoals genoemd in dit artikel.

Het tweede lid geldt zowel voor een veiligheidsvluchtroute die door een trappenhuis voert (veiligheidstrappenhuis) als een veiligheidsvluchtroute die niet door een trappenhuis voert.

Artikel 4.77 (rooksluis)

Het eerste lid bevat een regel voor hogere gebouwen. Tussen het horizontale deel van de vluchtroute en een besloten trappenhuis moet er bij gebouwen waarin meer dan 20 m hoogteverschil moet worden overbrugd een afzonderlijke verkeersruimte met een beschermde vluchtroute (rooksluis) van ten minste 2 m lengte zijn. Deze rooksluis moet het voortijdig binnendringen van rook in het trappenhuis voorkomen. Om die reden moeten deuren die op het trappenhuis uitkomen zelfsluitend zijn (zie artikel 4.218). Er is voor gekozen die regel te laten gelden om te voorkomen dat het trappenhuis anders als schoorsteen zou kunnen functioneren en daarmee het vluchten en de hulpverlening zouden belemmeren.

Het tweede lid is een aanvulling op het eerste lid en alleen van toepassing op woongebouwen met een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 20 m wordt overbrugd. De regel geeft aan dat de uitgang van een appartement dan niet direct mag uitkomen op de in het eerste lid genoemde ruimte ofwel rooksluis. De reden van die regel is te voorkomen dat het trappenhuis, bij brand in een appartement, als gevolg van een openstaande voordeur, direct zal kunnen volstromen met rook en dus snel onbruikbaar wordt voor het veilig kunnen vluchten.

Artikel 4.78 (vrije doorgang van een vluchtroute)

Het eerste lid geeft aan dat een vluchtroute een effectieve breedte van ten minste 85 cm moet hebben en een effectieve hoogte van ten minste 2,1 m moet hebben. Het gaat dan zowel om de hoogte en breedte van ruimten waardoor een vluchtroute voert als om de hoogte en breedte van deuropeningen (doorgangen). In het Bouwbesluit 2012 gold als algemene regel een hoogte van ten minste 2,3 m en 2,1 m voor uitzonderingen zoals een vakantiehuisje (niet in een logiesgebouw gelegen logiesverblijf) of een parkeergarage (overige gebruiksfunctie).

Het tweede lid van dit artikel geldt voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m, en geeft aan dat de vrije doorgang van een vluchtroute, voor zover deze niet over een trap of door een doorgang zoals een uitgang ofwel deuropening voert, ten minste 1,2 m breed moet zijn. Deze eis heeft betrekking op de vrije doorgang van alle ruimten waardoor de vluchtroute voert (vanaf ieder punt in een wegtunnelbuis tot het aansluitende terrein).

Het derde lid stelt dat een trap in een woongebouw waarop ten minste 600 m2 aan verblijfsgebied is aangewezen een breedte van ten minste 1,2 m moet hebben. Dit is belangrijk omdat bij de woonfunctie geen eisen aan de opvangen doorstroomcapaciteit van de vluchtroute worden gesteld.

Het vierde lid is voor de gezondheidszorgfunctie bedoeld en geldt voor de gehele vluchtroute. Aan bed gebonden patiënten moeten snel met bed en toebehoren horizontaal naar een ander brandcompartiment kunnen worden gebracht. De toegangen moeten daarvoor ruim genoeg zijn. Het genoemde blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m (lxhxb) representeert daarbij een standaardziekenhuisbed

Artikel 4.79 (vluchtroute door niet-besloten ruimte)

Dit artikel bepaalt dat een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert een zodanige capaciteit van de afvoer van warmte en rook, en de toevoer van verse lucht moet hebben, dat die ruimte kan worden gebruikt om te vluchten en voor het uitvoeren van reddings- en bluswerkzaamheden. In de paragrafen 4.2.10 en 4.2.11 is in de volgende artikelen sprake van een besloten vluchtroute met bijbehorende eis.

  • Artikel 4.68, tweede lid: beperking loopafstand

  • Artikel 4.69, zesde lid: beperking loopafstand

  • Artikel 4.70, tweede lid: veiligheidsvluchtroute

  • Artikel 4.71, derde lid: beperking loopafstand

  • Artikel 4.74, eerste lid: weerstand tegen rookdoorgangs-eis

  • Artikel 4.75, eerste en tweede lid: beperking vuurlast

  • Artikel 4.76, eerste lid: rooksluis

Bijvoorbeeld artikel 4.74 biedt de mogelijkheid af te wijken van eisen aan de weerstand tegen rookdoorgang van scheidingsconstructies bij een vluchtroute door een niet-besloten vluchtroute. Het aantal varianten van niet-besloten ruimten waardoor een vluchtroute loopt zoals een galerij of een atrium kan op talloze manieren worden ontworpen en het effect van de verschillen is groot. Er is geen voor de praktijk hanteerbare prestatie-eis voor het bepalen van de benodigde warmte- en rookafvoer (wel of niet mechanisch), om voor elke situatie objectief te kunnen vaststellen of er sprake is een niet-besloten ruimte.

Voor de waarden waarbij het vluchten door een ruimte nog mogelijk is, kunnen volgens het rapport ‘Onderzoek niet-besloten ruimten’ (DGMR, dd 10 maart 2015, zie www.rijksoverheid.nl) als veilige waarden worden aangehouden:

  • 2,5 m rookvrij boven het hoogst gelegen deel van een vluchtroute. Indien de hoogte van een ruimte boven de vloer lager is dan 2,5 m, geldt een rookvrije hoogte van ten minste 2 m,

  • stralingsflux onder de rooklaag ten hoogste 2 kW/m2, en

  • tijdsduur: ten minste de tijd dat de niet-besloten ruimten voor vluchten wordt gebruikt.

In het geval van vluchten door rook, bijvoorbeeld bij een rooklaag van minder dan 2,5 m respectievelijk 2 m of in het geval van homogene opmenging (geen rookvrije laag maar verspreiding van rook door de hele ruimte):

  • de temperatuur niet hoger dan 45 °C, en

  • de zichtlengte bij lichtgevende voorwerpen ten minste 30 m.

Het is acceptabel dat aan de genoemde criteria niet wordt voldaan in de directe nabijheid van de brand van de uitstroomopening van de brandruimte en van de rookpluim erboven, mits niet over die locaties hoeft te worden gevlucht.

Voor de inzet van de brandweer geeft het DGMR rapport de volgende waarden als de niet-besloten ruimte door de brandweer wordt gebruikt om een aanval in te zetten op de brand in een direct aangrenzende ruimte:

  • zichtlengte op ooghoogte ten minste 100 m,

  • temperatuur op ooghoogte ten hoogste 60 °C,

  • straling ten hoogste 3 kW/m2, en

  • tijdsduur: overeenkomend met de WBDBO vanuit de aangrenzend ruimte.

Bij de (traditionele) galerijen met een vlak plafond, niet-afsluitbare openingen in de langsgevel en een galerijdiepte van ten hoogste 1,8 m, kan met behulp van onderdeel 5.3 van NEN 1087 de benodigde capaciteit van de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook worden bepaald. Deze capaciteit moet om als niet-besloten ruimte te kunnen worden aangemerkt ten minste 100 dm3/s per m3 netto inhoud van die ruimte zijn, terwijl er langs het plafond van de galerij geen uitstekende randen of andere belemmering aanwezig mogen zijn. Een belemmering kan leiden tot stagnatie van de rookafvoer of ophoping van hete rook onder het plafond van de galerij. Onder galerijdiepte wordt hier verstaan de grootste afstand tussen de opening(en) in de langsgevel en de achterliggende scheidingswand, gemeten loodrecht op de langsgevel.

Artikel 4.80 (doorstroomcapaciteit zonder opvangcapaciteit)

Het eerste lid regelt het aantal personen dat, afhankelijk van de breedte, op een vluchtroute mag zijn aangewezen. Het gaat om alle personen die in het op de vluchtroute aangewezen gedeelte van het bouwwerk aanwezig zijn, dus naast bijvoorbeeld de patiënten en het medisch personeel in een ziekenhuis, ook het bezoek. Dit wijkt af van bijvoorbeeld de eis aan de ventilatiecapaciteit die uitsluitend gericht is op bijvoorbeeld de patiënten in een bedgebied. De doorstroomcapaciteit wordt uitgedrukt in personen per meter. Hieraan kan bijvoorbeeld een tijdscriterium worden toegevoegd (aantal personen, per meter, per minuut). Bij het vaststellen van dat aantal is gebruik gemaakt van het Onderzoek doorstroomcapaciteit deuren, TU Delft, 28 april 2009. In dit eerste lid zijn vijf verschillende criteria opgenomen afhankelijk van het soort doorstroomopening. Een doorstroomcapaciteit van 90 personen per meter vrije breedte van een doorgang komt het meest voor. Dit betekent dat een deuropening met een vrije breedte van 0,85 m een doorstroomcapaciteit heeft van 0,85 m x 90 personen/m = 76 personen. Het eerste lid, onderdeel c, is gericht op deuropeningen met een deur die niet volledig geopend kan. Als de deur niet verder geopend kan worden dan een hoek van 135 graden, moet worden uitgegaan van dezelfde doorstroomcapaciteit als bij een ruimte (onderdeel b). Een openstaande deur kan de doorstroming namelijk vergelijkbaar met de wanden van een ruimte beïnvloeden. Dit is ook het geval bij een dubbele deur waarvan één of twee onderdelen een beperkte openingshoek bieden. Voor de doorstroomcapaciteit van een trap speelt een niet beloopbaar gedeelte daarvan (bijvoorbeeld bij een spiltrap) geen rol. Daarom moet bij het bepalen van de doorstroomcapaciteit, een gedeelte van de trap waarvan de aantrede smaller is dan 0,17 m buiten beschouwing blijven (onderdeel a).

Het tweede lid geeft een functionele eis voor een bouwwerk geen gebouw zijnde. Elk gedeelte van een vluchtroute moet een zodanige doorstroomcapaciteit hebben, dat de op dat gedeelte aangewezen personen veilig kunnen vluchten.

Artikel 4.81 (doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit)

De eisen in dit artikel zijn gericht op het bepalen van de doorstroomcapaciteit van het deel van een vluchtroute buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, waar sprake is van ‘vernauwingen’ in die route. Van een vernauwing is sprake als op de vluchtroute een punt aanwezig is waar niet meer voldaan kan worden aan de doorstroomcapaciteit als bedoeld in het eerste lid van artikel 4.80. Zo’n situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen in een trappenhuis, want het aantal personen dat op het trappenhuis is aangewezen, wordt door toestroom van personen van andere verdiepingen in de regel groter naarmate men verder afdaalt en dichter bij de uitgang van het trappenhuis komt. De uitgang van het trappenhuis of het onderste gedeelte van de trap kan dan onvoldoende capaciteit hebben om alle door het trappenhuis vluchtende personen in één minuut te laten passeren. Het uitgangspunt bij de geboden afwijkingsmogelijkheid is dat men op een vluchtroute, na het passeren van een brandscheiding, in een ruimte komt waarin men gedurende langere tijd veiliger is dan in het subbrandcompartiment van waaruit het vluchten is gestart. Het is daarom geen probleem als het vluchten uit deze meer veiligheid biedende plaats langer duurt. Zo’n ruimte moet natuurlijk wel voldoende opvangcapaciteit hebben opdat iedereen enige tijd veilig in die ruimte kan verblijven.

De in dit artikel genoemde waarden en uitgangspunten zijn grotendeels in lijn met NEN 6089 die kan worden gebruikt als bepalingsmethode, mits de waarden en uitgangspunten van dit artikel worden gehanteerd. In plaats van de in artikel 4.80 bedoelde bepalingsmethode kan men ook een gelijkwaardige bepalingsmethode toepassen. Een gelijkwaardige maatregel zou bijvoorbeeld kunnen liggen in een gefaseerde ontruiming van een bouwwerk. Bij gefaseerde ontruiming begint de ontruiming van het direct door brand bedreigde deel eerder dan de andere delen. Gefaseerd ontruimen kan alleen als sprake is van een ontruimingsinstallatie die daarop is afgestemd. De ontruimingsinstallatie moet het mogelijk maken dat de personen die eerder worden ontruimd gealarmeerd worden zonder dat de overige personen in het gebouw dat merken.

Het eerste lid geeft een regel voor de tijd waarbinnen personen die zijn aangewezen op bepaalde vluchtroutes het aansluitend terrein veilig moeten kunnen bereiken. De tijd is afhankelijk van het veiligheidsniveau van de vluchtroute. De veilige tijd van 15 minuten geldt zowel voor een beschermde als voor een onbeschermde vluchtroute, omdat er bij een onbeschermde vluchtroute altijd een alternatieve vluchtroute moet zijn die ten minste 30 minuten brandwerend gescheiden is van de eerste vluchtroute. In een vluchttrappenhuis met rooksluizen is men langer veilig waardoor kan worden uitgegaan van een veilige tijd van 20 minuten. Bij een veiligheidsvluchtroute geldt een nog langere veilige tijd van 30 minuten.

Het tweede lid bepaalt dat de opvang- en doorstroomcapaciteit van de vluchtroute buiten het bedreigde subbrandcompartiment zodanig moet zijn dat het bedreigde subbrandcompartiment binnen 1 minuut kan zijn verlaten.

Het derde lid geeft een regel voor de tijd waarbinnen personen mogen worden opgevangen in een ruimte op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment. Dit lid is niet van toepassing op een trappenhuis. De opvangtijd in een trappenhuis is alleen beperkt door de eisen uit het eerste lid. In een ruimte op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment mogen personen worden opgevangen zolang deze ruimte maar binnen 3,5 minuut is verlaten. Als deze ruimte echter beschermd is tegen brand en rook vanuit het bedreigde subbrandcompartiment en vluchtroutes naar deze ruimte geldt een opvangtijd tot 6 minuten. Hierbij geldt dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een bedreigd subbrandcompartiment en een opvangruimte ten minste 30 minutenis. Voor de weerstand tegen rookdoorgang geldt een S200 eis, niet alleen vanuit het bedreigde subbrandcompartiment maar ook vanuit eventueel aanwezig ruimtes tussen dit subbrandcompartiment en de opvangruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert naar de opvangruimte.

Het vierde lid geeft de uitgangspunten die bij de berekening van de in het eerste tot en met derde lid genoemde tijden moeten worden gehanteerd. Impliciet volgt uit deze uitgangspunten dat er bij de berekening geen rekening mee hoeft te worden gehouden dat een vluchtroute is geblokkeerd door brand.

Hoewel de eisen van het eerste tot en met derde lid op het niveau van een afzonderlijke vluchtroute zijn gesteld, moet een berekening van de doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit worden uitgevoerd op bouwwerkniveau. Het gaat er om dat een bouwwerk tijdig kan worden ontvlucht bij brand en dat de vluchtroutes die daarbij een rol spelen in samenhang worden bekeken. Daarbij mag overigens rekening worden gehouden met het feit dat bepaalde ruimten niet gelijktijdig in volle bezetting worden gebruikt.Zo zullen bij een schoolgebouw de aula en leslokalen niet tegelijkertijd volledig zijn bezet. De berekening moet herhaald (iteratief) worden uitgevoerd met tijdstappen van 30 seconden totdat alle personen het aansluitende terrein hebben bereikt. De tijdstap van 30 seconden komt praktisch overeen met de aan te houden daal- en stijgsnelheid per bouwlaag. Op het tijdstip t = 0 min wordt verondersteld dat alarmering plaatsvindt en de eerste personen de subbrandcompartimenten direct al verlaten. De verdeling van de personen over de uitgangen van een subbrandcompartiment is vrij, maar moet door de aanvrager van een omgevingsvergunning wel kunnen worden onderbouwd. Buiten de subbrandcompartimenten wordt verder gevlucht waarbij bij het bepalen van de ontruimingstijd rekening zal moeten worden gehouden met de gegeven doorstroom- en opvangcapaciteiten en daalsnelheden. Uitgangspunt hierbij is dat de bouwlagen op ten minste 2,1 m en ten hoogste 4 m afstand van elkaar liggen, wat voor de meest voorkomende bouwwerken geldt. Bij andere hoogtes tussen bouwlagen of splitlevelbouwlagen kan op grond van gelijkwaardigheid worden uitgegaan van op die situatie afgestemde waarden en daalsnelheden in het bijzonder.

Bij samenkomende vluchtroutes wordt de beschikbare doorstroom- en opvangcapaciteit evenredig verdeeld over de personen die van deze vluchtroutes komen. Alleen de tijd die nodig is voor het verticale verplaatsen (via trappen) wordt in rekening gebracht en niet de tijd die nodig is voor horizontale loopafstanden of voor hellingbanen, omdat de horizontale loopafstanden in het besluit al worden beperkt. Onderdeel l geeft een nadere eis voor de toepassing van artikel 4.216, derde lid, van het besluit. Het gaat daarbij om het aantal personen dat per minuut mag zijn aangewezen op een tegen de vluchtrichting indraaiende deur. Dat betreft 37 personen per minuut per deur ongeacht de afmetingen van de deur. Onderdeel m bepaalt dat wanneer in de ruimte voor een tegen de vluchtrichting indraaiende deur meer dan 37 personen tegelijkertijd aanwezig (kunnen) zijn, er op deze deur nooit meer dan 37 personen tegelijk mogen zijn aangewezen. Op ieder moment staan er, rekening houdend met de doorstroming, dus maximaal 37 mensen voor de deur.

Het vijfde lid geeft bij toepassing van het vierde lid, onder j, voor een bijeenkomstfunctie een aanvullende eis. Bij een bijeenkomstfunctie, vooral bij uitgaansgelegenheden, is de kans namelijk te groot dat personen bij een vertraging in de vluchtstroom (vernauwing) in de verdrukking raken. Dit lid geldt wanneer er meer dan 200 personen tegelijkertijd worden opgevangen in een opvangruimte. Dan moet er per twee personen ten minste 1 m2 vloeroppervlakte beschikbaar zijn als die ruimte niet door alle personen binnen 3,5 minuten, bepaald volgens het vierde lid, kan worden verlaten. Het optreden van verdrukking bij de ontvluchting kan verder worden voorkomen door een goede BHV-organisatie.

Artikel 4.82 (tijdelijk bouwwerk)

Dit artikel stelt dat voor een nieuw te bouwen tijdelijk bouwwerk de artikelen 4.65 tot en met 4.71 en 4.80 van deze paragraaf onverkort van toepassing zijn. Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.2.12 Hulpverlening bij brand
Algemeen

Deze paragraaf ziet toe op de periode vanaf de aankomst van de hulpverlening bij het bouwwerk. In beginsel zou dan iedereen al een veilige plaats hebben bereikt. Het kan echter zijn dat de hulpverlening alsnog het gebouw moet doorzoeken op achtergebleven personen en hulp moet bieden bij de ontruiming. Ook moet de brandweer met het benodigde materieel de plaats van de brand kunnen bereiken.

Artikel 4.83 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, een bouwwerk is zodanig dat hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden, maakt duidelijk dat er te allen tijden zo moet worden gebouwd dat hulpverleners hun werk kunnen doen.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.4 regelt voor deze paragraaf dat de in het eerste lid bedoelde functionele eis onverkort van toepassing is op de gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen enkele regel aangewezen is (andere overige gebruiksfunctie). Dit is een afwijking van de hoofdregel die voor de meeste andere paragrafen betekent dat een aansturingsartikel niet van toepassing is op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van het aansturingsartikel.

Artikel 4.84 (brandweerlift)

Artikel 4.228 eist bij een vloer van een verblijfsgebied die hoger ligt dan 20 m boven het meetniveau de aanwezigheid van een brandweerlift (zie voor het begrip brandweerlift bijlage I). Artikel 4.84 stelt eisen aan een bouwwerk met brandweerlift om de brandweer in staat te stellen in geval van brand langs veilige weg de hoger gelegen verdiepingen van een gebouw te bereiken. Op grond van het eerste lid moet op elke verdieping behalve de beganegrond een zogenoemde brandwerende lobby voor de brandweerlift zijn.

Via de extra beschermde vluchtroute, die ter plaatse van de lift functioneert als brandwerende lobby, kan de brandweer op veilige wijze brand op een daarboven gelegen verdieping bereiken, om deze te doorzoeken naar achtergebleven personen en een beginnende brand te kunnen bestrijden met materieel dat met de lift is aangevoerd. Die regel geldt alleen voor verdiepingen, niet voor de begane grond.

De brandwerende lobby is ook bedoeld om het bedieningspaneel van de brandweerlift tegen de brand te beschermen.

Het tweede lid geeft aan dat de voordeur van een woning niet mag grenzen aan het voorportaal van een brandweerlift.

Artikel 4.85 (loopafstand)

Dit artikel heeft als doel te voorkomen dat de brandweer te grote afstanden moet overbruggen om met geredde mensen een veilige plek te kunnen bereiken of met het gangbare materieel een beginnende brand te kunnen blussen. De loopafstand naar de toegang van een trappenhuis is hoogstens 75 m (eerste lid). De loopafstand naar een brandweerlift is hoogstens 120 m (tweede lid).

Artikel 4.86 (hulppost)

Met dit artikel wordt bepaald hoeveel hulpposten in een tunnelbuis nodig zijn. De loopafstand vanaf ieder punt in de tunnel tot een hulppost mag niet groter zijn dan 75 m. De onderlinge afstand tussen twee hulpposten mag ten hoogste 100 m zijn. Een hulppost is een ruimte waar men terecht kan voor onder meer alarmering, communicatie en een stopcontact dat gebruikt kan worden door hulpverleningsdiensten, om bijvoorbeeld materieel om mensen uit autowrakken te kunnen bevrijden van stroom te voorzien (artikel 4.232), een draagbaar brandblusapparaat (artikel 4.223) en een aansluiting op een droge blusleiding (artikel 4.221). Een hulppost is niet bedoeld als schuilplaats voor weggebruikers bij een tunnelbrand.

Artikel 4.87 (tijdelijk bouwwerk)

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.84 en 4.85 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.2.13 Hoge en ondergrondse gebouwen
Algemeen

Hoewel in de andere paragrafen van afdeling 4.2 geen verbod is opgenomen op het toepassen van die regels op een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven of lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, zijn niet al die regels volledig geschikt voor dergelijke hoge of ondergrondse bouwwerken. Om die reden is in deze paragraaf bepaald dat dergelijke bouwwerken altijd ten minste het zelfde veiligheidsniveau moeten hebben als beoogd met die regels.

Artikel 4.88 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven of lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zo ingericht dat het bouwwerk brandveilig is, is gericht op het waarborgen van de veiligheid van hoge en ondergrondse bouwwerken.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 4.89 (inrichting)

Het eerste lid, onderdeel a, bepaalt dat gebouwen met een vloer hoger dan 70 m dezelfde mate van brandveiligheid moet hebben als beoogd met de paragrafen 4.2.2, 4.2.6, 4.2.7, 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.11 en 4.2.12. Voor zover in de genoemde paragrafen opgenomen concrete prestaties niet geschikt zijn voor hogere gebouwen, moet in de aanvraag om vergunning voor het bouwen worden aangetoond hoe het beoogde brandveiligheidsniveau wordt gerealiseerd.

In plaats van gebruik te maken van onderdeel a dat ook stond in het Bouwbesluit 2012, kan nu ook gebruik worden gemaakt van de SBR Handreiking Brandveiligheid in hoge gebouwen. Onderdeel b regelt dat als voldaan wordt aan de eisen in deze SBR-uitgave, voldaan wordt aan de prestatie-eis. Het tweede lid geeft een soortgelijke regel als het eerste lid, maar dan voor bouwwerken met een vloer die lager ligt dan 8 m onder het meetniveau.

§ 4.2.14 Brand- en explosievoorschriftengebieden

In een omgevingsplan kan de gemeente krachtens het Besluit kwaliteit leefomgeving gebieden vastgestellen waarvoor de in deze paragraaf gestelde regels van toepassing zijn bij het bouwen. Het gaat om regels ter beperking van risico’s voor personen, in een gebied met een verhoogd risico op een brand of een explosie buiten het bouwwerk. Omdat het gaat om een risico buiten het bouwwerk wordt ook wel gesproken van een risico uit oogpunt van externe veiligheid.

In een in het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoeld brandvoorschriftengebied zijn de regels van de artikelen 4.91 tot en met 4.95 van toepassing en in een zogenoemd explosievoorschriftengebied de regel van artikel 4.96.

De regels in deze paragraaf voor een brandvoorschriftengebied zijn inhoudelijk overeenkomstig de voorschriften van afdeling 2.16 (Veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied) van het Bouwbesluit 2012.

Aan deze regels is een regel voor een explosievoorschriftengebied toegevoegd. Verder gelden de regels niet zoals in het Bouwbesluit 2012 voor alleen gebieden rondom basisnetroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen die onder meer worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen) maar ook bij andere activiteiten met externe veiligheidsrisico’s zoals bij een chemische fabriek of opslag van gevaarlijke stoffen. In het omgevingsplan kan de gemeente daarvoor een brand- en explosievoorschriftengebied aanwijzen. Het gaat om een gebied waarin vanwege de aanwezigheid van bepaalde industriële activiteiten sprake is van een verhoogd risico op brand of een explosie.

Wil men in zo’n gebied een voor het verblijven van personen bestemd gebouw realiseren (ook wel genoemd een gebouw met beperkt tot zeer kwetsbare functies), dan zal men de in deze paragraaf bedoelde maatregelen moeten treffen om de gevolgen van brand of een explosie in dat gebied voor de personen die in dat gebouw verblijven te beperken. Binnen het voorschriftengebied is immers voor een persoon zonder aanvullende bescherming, de kans op overlijden hoger dan onder normale omstandigheden acceptabel wordt geacht.

Om het risico tot een aanvaarbaar niveau te beperken, kunnen, naast andere maatregelen zoals daarop ingerichte vluchtroutes buiten de gebouwen en bijvoorbeeld het aanleggen van aarden wallen, extra bouwtechnische maatregelen helpen.

De extra bouwtechnische maatregelen staan voorgeschreven in de artikelen 4.91 tot en met 4.96. Dit is een maatregelpakket per scenario, uitgaande van brand en/of explosie. Het gaat om maatregelen ter beperking van de gevolgen van brand en explosies zoals de sterkte van de constructie bij brand, de brandwerendheid van wanden, ramen en deuren, de brandbaarheid van de gevel en het dak, een van de bedreiging (brand) afgekeerde ligging van nooduitgangen, en het voorkomen van de scherfwerking van ruiten.

Bij een voor het verblijven van personen bestemd bouwwerk in een brand- of explosievoorschriftengebied moet het gehele op dat gebied gerichte pakket worden toegepast. Dit geldt echter niet voor gedeelten van het bouwwerk die buiten het voorschriftengebied liggen. Op de regels van het pakket is geen specifiek maatwerk mogelijk. Wel staan deze regels open voor zogenoemde gelijkwaardige maatregelen. Bijvoorbeeld bij een kantine of een kantoorgebouw op een industrieel complex dat bijvoorbeeld is voorzien van een adequate alarmeringsvoorziening voor brand- of explosiegevaar gecombineerd met tijdig en veilig bereikbare en beschermde schuilgelegenheden. Het is mogelijk dat een of meer van de maatregelen uit dat maatregelenpakket, ter beoordeling van het bevoegd gezag, worden aangemerkt als gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet.

Hitte, rook of schadelijke gassen die bij een calamiteit kunnen vrijkomen kunnen ook de veiligheid van het binnenmilieu van een gebouw bedreigen. Dit geldt ook voor buiten een brand- of explosievoorschriftengebied gelegen gebouwen. In het vierde lid van artikel 4.126 is daarom geregeld dat een mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig moet kunnen worden uitgeschakeld. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat op gebouwen met arbeidsplaatsen, naast de regels in dit besluit, ook de in en krachtens de Arbowet en het Besluit activiteiten leefomgeving gestelde regels van toepassing zijn. Uit deze regels kunnen aanvullende maatregelen voortvloeien gericht op de veiligheid van werknemers. Deze spelen echter geen rol bij toetsing van een gebouw of een bouwplan aan dit besluit.

Artikel 4.90 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een bouwwerk in een brandvoorschriftengebied of in een explosievoorschriftengebied zodanig moet zijn dat de gevolgen voor personen van het aan het voorschriftengebied verbonden risico op brand of explosie beperkt blijven.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.91 (brandwerendheid)

Op grond van dit artikel moet een uitwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment bestemd voor het verblijven van personen een zodanige kwaliteit hebben dat, in het geval van een brand of een ander ernstig incident in het brandvoorschriftengebied, er voldoende tijd is om het bouwwerk veilig te verlaten. Ook zal de brandweer voldoende gelegenheid moeten hebben om te voorkomen dat de brand overslaat naar de belendingen.

Het gaat om het brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie ligt waarvoor tabel 4.90 dit artikel aanstuurt. Dat wil zeggen dat als er in een brandcompartiment een van de gebruiksfuncties ligt waarvoor dit artikel is aangestuurd, de uitwendige scheidingsconstructie van dat brandcompartiment beschermd moet zijn tegen een brand in het brandvoorschriftengebied. Dit geldt ook als de betreffende gebruiksfunctie zelf buiten het voorschriftengebied ligt. Verder wordt opgemerkt dat de eis aan de brandwerendheid alleen geldt voor het gedeelte van de uitwendige scheidingsconstructie dat in het brandvoorschriftengebied ligt.De brandwerendheid van dit gedeelte van de uitwendige scheidingsconstructie moet ten minste 60 minuten zijn.

De relevante beoordelingscriteria voor de brandwerendheid volgen uit de aangewezen NEN 6069. Afhankelijk van het bouwdeel in de uitwendige scheidingsconstructie en afhankelijk van de te beschermen ruimte, kan het hierbij gaan om vlamdichtheid (E), temperatuur (I), warmtestraling (W) en/of bezwijken (R). Hoewel NEN 6069 niet specifiek bedoeld is voor de bepaling van de brandwerendheid van een uitwendige scheidingsconstructie van buiten naar binnen, kan deze NEN 6069 toch worden gebruikt ervan uitgaande dat de buitenruimte wordt beschouwd als brandcompartiment. Uit praktische overweging is verder uitgegaan van de standaardbrandkromme voor een buitenbrand die volgt uit NEN-EN 13501-2. De specifieke brandbelasting die daadwerkelijk bij een calamiteit zou kunnen optreden, kan dus buiten beschouwing blijven. Deze aanpak maakt het mogelijk dat niet bij ieder bouwwerk een maatwerkbepaling nodig is en dat gebruik kan worden gemaakt van de bestaande gegevens over de brandwerende eigenschappen van constructieonderdelen van uitwendige scheidingsconstructies. Dit betekent niet dat een beoordeling op basis van de feitelijk optredende brandbelasting onmogelijk is. Dit kan op basis van gelijkwaardigheid.

Artikel 4.92 (brandklasse gevel en vloeren)

Het eerste lid eist brandklasse A2 voor de aan de buitenlucht grenzende zijde van een uitwendige scheidingsconstructie voor zover die constructie in een brandvoorschriftengebied ligt. Hierdoor wordt gerealiseerd dat een eventuele brand zich niet zo snel kan voortplanten dat de ontvluchting van personen of een adequaat repressief optreden door de brandweer wordt belemmerd. Het gaat om het brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie ligt waarvoor tabel 4.90 dit artikel aanstuurt. Dat wil zeggen dat als er in een brandcompartiment een van de gebruiksfuncties ligt waarvoor dit artikel is aangestuurd, de uitwendige scheidingsconstructie van dat brandcompartiment beschermd moet zijn tegen een brand in het brandvoorschriftengebied. Dit geldt ook als de betreffende gebruiksfunctie zelf buiten het voorschriftengebied ligt. Verder wordt opgemerkt dat de eis aan de brandklasse alleen geldt voor het gedeelte van de uitwendige scheidingsconstructie dat in het brandvoorschriftengebied ligt. De reikwijdte van de regel kan worden bepaald aan de hand van de projectie op het grondvlak.

In het tweede tot en met vierde lid zijn uitzonderingen op het basisprincipe van het eerste lid opgenomen.

Artikel 4.93 (brandklasse dak)

Met de regel van het eerste lid is beoogd dat een eventuele brand zich op een dak niet zo snel kan voortplanten dat hierdoor de ontvluchting van personen of een adequaat repressief optreden door de brandweer wordt belemmerd. De eis in dit artikel is niet aan constructieonderdelen van het dak zelf gesteld omdat de Europese klasseringsnorm voor daken EN 13501-5 alleen een brandklasse E kent en geen klasse A2.

Met bijvoorbeeld een afdekking van grind of steenachtige daktegels kan op eenvoudige wijze aan deze eis worden voldaan. Bij constructieonderdelen met vergelijkbare brandeigenschappen als het dak zelf kan sprake zijn van een gelijkwaardige maatregel.

Het gaat om het brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie ligt waarvoor tabel 4.90 dit artikel aanstuurt. Dat wil zeggen dat als er in een brandcompartiment een van de gebruiksfuncties ligt waarvoor dit artikel is aangestuurd, het dak van dat brandcompartiment beschermd moet zijn tegen een brand in het brandvoorschriftengebied. Dit geldt ook als de betreffende gebruiksfunctie zelf buiten het voorschriftengebied ligt. Verder wordt opgemerkt dat de eis aan de brandklasse alleen geldt voor het gedeelte van het dak dat in het brandvoorschriftengebied ligt.

Op grond van de tweede lid hoeft 5% van de oppervlakte het dak niet te zijn afgedekt met de in het eerste lid bedoelde constructieonderdelen (brandklasse A2 of beter).

Artikel 4.94 (vluchtroute)

Bij een incident in een brandvoorschriftengebied dient voorkomen te worden dat personen zijn aangewezen op (nood)uitgangen die uitkomen op een gedeelte van het aansluitende terrein dat in brand staat. Het moet namelijk mogelijk zijn om vanuit het gebouw een veilige plek op de openbare weg te bereiken zonder een brand buiten het gebouw in het brandvoorschriftengebied te moeten doorkruisen.

Het eerste lid stelt daarom dat een vluchtrouteniet door een buitendeur mag voeren die grenst aan het brandvoorschriftengebied. Voorkomen moet worden dat men bij een (nood)uitgang van het gebouw uitkomt op een locatie die in brand staat.

Als het bouwwerk zich in z’n geheel bevindt in het brandvoorschriftengebied stelt het tweede lid dat zo’n uitgang in dat geval aan die zijde moet zijn gelegen die van het hart, ofwel van het zwaartepunt of centrum van het brandvoorschriftengebied (het gevaar of de activiteit die het gevaar vormt) is afgekeerd.

Het eerste en tweede lid sluiten niet uit dat er andere deuren aanwezig zijn die uitkomen op het brandvoorschriftengebied. Zolang door deze deuren geen noodzakelijke vluchtroute voert als bedoeld in artikel 4.65, zijn deuren wel toegestaan. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat op de begane grond van een woning een tuindeur is in de naar het gevaar toegekeerde zijde, mits er nog een andere deur is waardoor een adequate vluchtroute voert.

Het derde lid geeft een afwijking van het eerste en tweede lid voor gebouwen die in meer dan één brandvoorschriftengebied zijn gelegen. In dat geval moet het bouwwerk voor elk brandvoorschriftengebied een vluchtroute hebben door een uitgang van het bouwwerk die niet grenst aan een brandvoorschriftengebied of die is afgekeerd van het voorschriftengebied.

Artikel 4.95 (sterkte bij brand)

Dit artikel bepaalt dat de eisen in paragraaf 4.2.2 ook gelden bij een buitenbrand. Evenals bij artikel 4.91 is hier er uit praktisch oogpunt voor gekozen om uit te gaan van de standaardbrandkromme voor een buitenbrand. Verder wordt er van uitgegaan dat de buitenruimte een brandcompartiment is. De tijdsduur waarbinnen een bouwconstructie niet mag bezwijken door brand moet daarbij ten minste 60 minuten bedragen.

Artikel 4.96 (scherfwerking)

Dit artikel vermindert bij een explosie het risico op rondvliegende glasscherven van in een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing. Bij het bepalen van de weerstand tegen scherfwerking in een explosievoorschriftengebied zal moeten worden uitgegaan van een overdruk van ten hoogste 10 kPa als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

§ 4.2.15 Aanvullende regels tunnelveiligheid
Artikel 4.97 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd, komt qua strekking overeen met de functionele eis uit het Bouwbesluit 2012.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden voor alle wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m.

Artikel 4.98 (verkeersveiligheid)

Het eerste lid sluit aan op de gebruikstechnische eisen van artikel 4.235, tweede tot en met vierde lid.

Het tweede lid geeft aan dat de hellingshoek van een rijbaanvloer in een wegtunnelbuis niet groter mag zijn dan 1 meter hoogteverschil op 20 meter afgelegde afstand. Het gaat in het tweede lid niet om een hellingbaan voor personen maar om een hellingbaan voor motorvoertuigen. Dit is een ander soort hellingbaan dan in § 4.2.4 (overbrugging van hoogteverschillen) waar het alleen gaat om het overbruggen van hoogteverschillen door niet in een gemotoriseerd voertuig gezeten personen (dus lopend of bijvoorbeeld in een kinderwagen of rolstoel). Bij een incident in een wegtunnel is het noodzakelijk dat hulpverleningsdiensten een vrachtwagen met een hulpverleningsvoertuig kunnen passeren.

De in het derde lid vastgelegde minimum afmetingen van een wegtunnelbuis waarborgen dat daarvoor voldoende ruimte is. De in dit besluit opgenomen vrije hoogte van ten minste 4,2 m boven de rijbaanvloer is overeenkomstig de minimale hoogte boven een verbindingsweg voor de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. De richtlijn ontwerp autosnelwegen (ROA) en de minimale vrije hoogte volgens de gestandaardiseerde uitrusting volgens de Regeling aanvullende regels veiligheid wegverkeer (Rarvw) gaan echter uit van een vrije hoogte van ten minste 4,50 m.

§ 4.2.16 Inbraakwerendheid
Artikel 4.99 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een te bouwen woonfunctie, maar geen woonwagen, voldoende weerstand tegen inbraak moet bieden.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden voor alle woonfuncties met uitzondering van de woonwagen.

Artikel 4.100 (reikwijdte)

Deuren, ramen, kozijnen en vergelijkbare constructieonderdelen van woningen moeten wanneer zij bereikbaar zijn voor inbrekers inbraakwerend zijn, volgens weerstandsklasse 2, bepaald volgens NEN 5096. Hiermee wordt gewaarborgd dat nieuw te bouwen woningen worden voorzien van deugdelijk hang- en sluitwerk en van deugdelijke kozijnen waarop dat hang- en sluitwerk is aangebracht. Hoogwaardig hang- en sluitwerk werkt preventief tegen inbrekers en levert daarmee een bijdrage aan de sociale veiligheid.

De eisen gelden ook voor constructieonderdelen in een scheidingswand tussen een woning en een ruimte van een aangrenzende gebruiksfunctie of aangrenzende gemeenschappelijke ruimte. Voorbeelden van zo’n aangrenzende gebruiksfunctie die met de woning in verbinding staat, zijn praktijk- of kantoorruimten en garages. Bij een woning in een woongebouw kan men denken aan de scheiding tussen een woning en een aangrenzende gemeenschappelijke ruimte zoals een portiek. Bij weerstandsklasse 2, bepaald in overeenstemming met NEN 5096, heeft een gelegenheidsinbreker met gebruikelijk gereedschap in het algemeen ten minste 3 minuten nodig om in de woning in te breken. De innovatie bij inbrekers wordt zo nodig verwerkt in een nieuwe uitgave van NEN 5096. Evenals bij andere normbladen is het daarom van belang om bij toepassing van dit normblad uit te gaan van de actuele uitgave zoals aangewezen in de bij dit besluit behorende regeling.

Afdeling 4.3 Gezondheid
§ 4.3.1 Bescherming tegen geluid van buiten
Algemeen

Bij de regels in deze paragraaf wordt gebruik gemaakt van het begrip uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied. In veel gevallen zal dit de buitengevel of het dak zijn. Dit hoeft echter niet. Onder verwijzing naar de definitie van uitwendige scheidingsconstructie in bijlage I wordt er op gewezen dat wanneer het verblijfsgebied niet aan de gevel grenst bij de toepassing van de regel rekening gehouden mag worden met het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten en constructieonderdelen. Het gaat tenslotte om de geluidsreductie die in het verblijfsgebied of de verblijfsruimte wordt gerealiseerd. Opgemerkt wordt dat de artikelen 4.102, 4.103 en 4.104 tegelijk van toepassing kunnen zijn. In een dergelijk geval geldt de zwaarste eis. Ook is het mogelijk dat de verschillende leden van een artikel tegelijk van toepassing zijn. Ook in dat geval geldt de zwaarste eis.

Artikel 4.101 (aansturingsartikel)

Het eerste lid geeft de functionele eis, een bouwwerk biedt in een verblijfsgebied bescherming tegen geluid van buiten.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de andere bijeenkomstfunctie, de celfunctie, de industriefunctie, de kantoorfunctie, de logiesfunctie, de sportfunctie, de winkelfunctie, de overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 4.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 4.102 (bescherming tegen geluid van buiten)

Artikel 4.102 bevat de basisregel dat een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied een karakteristieke geluidwering van ten minste 20 dB heeft. Deze basisregel geldt altijd voor de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, de gezondheidszorgfunctie en de onderwijsfunctie. Op grond van deze basisregel wordt in het verblijfsgebied bescherming geboden tegen normaal omgevingsgeluid. Uit de andere artikelen van deze paragraaf kan vervolgens blijken dat vanwege specifieke omstandigheden een hogere karakteristieke geluidwering noodzakelijk is.

Artikel 4.103 (bescherming tegen weg-, spoorweg- of industriegeluid)

Bij industrie-, weg- en spoorweglawaai is een karakteristieke geluidwering van 20 dB niet voldoende. Gemeenten stellen op basis van de Wet geluidhinder of Tracewet een zogenoemd hogere-waardenbesluit vast waarin de zones zijn opgenomen waarin een hogere geluidbelasting is toegestaan (hoogst toelaatbare geluidbelasting) en nemen deze op in het omgevingsplan. In dergelijke zones mag alleen gebouwd worden wanneer de door de aanvrager van een omgevingvergunning te realiseren karakteristieke geluidwering hoger is dan de in artikel 4.102 gegeven waarde. Wanneer dergelijke zones niet zijn vastgesteld dan geldt alleen artikel 4.102. Is in een dergelijk geval de feitelijke geluidbelasting op de gevel toch groter dan 20 dB +35 dB (A) respectievelijk 20 dB +33 dB dan ligt de oplossing van het probleem niet bij de aanvrager om omgevingsvergunning maar bij de veroorzaker van het geluid.

Het onderscheid in toelaatbare geluidbelasting van een verblijfsruimte voor bedgebruik (bedruimte) en een andere verblijfsruimte is, vergeleken met het Bouwbesluit 2012, vervallen.

Het eerste lid geeft voor verblijfsgebieden in het algemeen aan hoe gehandeld moet worden in die gevallen dat in een omgevingsplan een hoogst toelaatbare geluidbelasting vanwege wegen, spoorwegen of industrieterreinen is aangegeven. Bij de berekening van de karakteristieke geluidwering moet onafhankelijk van het soort lawaai worden uitgegaan van dB(A) of dB. Dit verschil komt doordat in de Wet geluidhinder bij industrielawaai nog wordt uitgegaan van de oude op dB(A) gericht bepalingsmethode, terwijl bij weg- of spoorweglawaai al wordt gerekend met een Europees geharmoniseerde bepalingsmethode die uitgaat van dB. In de praktijk gaat het om een verschil van ongeveer 2 dB.

Het tweede lid maakt het mogelijk om als dit gunstiger uitkomt voor de karakteristieke geluidwering op de gevel de geluidbelasting te bepalen volgens het reken- en meetvoorschrift bedoeld in artikel 110d van de Wet geluidhinder. In een dergelijk geval moet bij de aanvraag om vergunning een berekening van de individuele geluidbelasting op de gevel worden gevoegd.

Het derde lid verklaart het eerste lid ook van toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop dit lid van toepassing is. De uitwendige scheidingsconstructie van een niet-geluidsgevoelige ruimte (ruimte die geen verblijfsgebied of -ruimte is) behoeft niet geluidsisolerend te zijn. Het derde lid regelt dat er tussen een niet-geluidsgevoelige ruimte en geluidsgevoelige ruimte (verblijfsgebied of verblijfsruimte) voldoende geluidsisolatie moet zijn om te voorkomen dat er door geluidsoverdracht via de niet-geluidsgevoelige ruimte, geluidsoverlast in de geluidsgevoelige ruimte ontstaat. Dit betekent dat wanneer een verblijfsgebied aan een zijde grenst aan een ruimte waarvoor geen eisen aan de geluidwering gelden, die scheidingswand inclusief het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten en constructieonderdelen, zodanig geluidwerend moet zijn dat in het verblijfsgebied zelf geen geluidoverlast van buiten ontstaat. Een voorbeeld van een dergelijk geval is de wand tussen een verblijfsgebied en een berging of garage. Voor de berging of garage zelf geldt geen eis voor geluidwerendheid. De inwendige scheidingswand inclusief het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten (de berging, garage) en constructieonderdelen moet dan zodanig geluidwerend zijn, dat in het verblijfsgebied ernaast geen geluidsoverlast van wegen, spoorwegen of industrie ontstaat via de berging of garage. Hierbij mag het positieve geluidwerende effect van de berging of garage zelf ook worden meegerekend.

Het vierde lid waarborgt dat er in elke afzonderlijke verblijfsruimte een aanvaardbaar geluidsniveau optreedt.

Artikel 4.104 (geluidwering bij luchtvaartlawaai)

In artikel 4.104 is aangegeven hoe moet worden omgegaan met een gebruiksfunctie die in een beperkingengebied als bedoeld in de Luchtvaartwet of Wet luchtvaart ligt. In een beperkingengebied gelden in verband met de nabijheid van een luchthaven ruimtelijke beperkingen vanwege veiligheid en het voorkomen van geluidoverlast. Of er sprake is van een zogenoemd beperkingengebied volgt uit het omgevingsplan. Een gemeente nabij een luchthaven moet de voor het beperkingengebied vastgestelde contouren in het omgevingsplan verwerken. De regelgeving over militaire luchthavens en burgerluchthavens (anders dan Schiphol) in de Wet luchtvaart is gewijzigd met de Wet regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens. Voor militaire luchthavens wordt nog steeds een Ke-geluidscontour bepaald waarbinnen een isolatieplicht bestaat op grond van de Regeling geluidwerende voorzieningen militaire luchthavens 2015 (de opvolger van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 voor wat betreft militaire luchthavens waarvoor op basis van de Wet luchtvaart een luchthavenbesluit is vastgesteld). Voor de burgerluchthavens wordt de Ke-zone rechtstreeks in de RGV 1997 opgenomen. Voor Schiphol zijn deze contouren al opgenomen in de RGV 1997. Voor de overige burgerluchthavens (Rotterdam Airport, Groningen Airport Eelde, Maastricht Aachen Airport en Lelystad Airport), waarvoor in het verleden op grond van de Luchtvaartwet de Ke-geluidscontouren zijn vastgesteld, gaat dat nog gebeuren.

Het eerste lid richt zich op militaire luchthavens. De in de zonering opgenomen geluidbelasting op de uitwendige scheidingsconstructie (buitengevel) is bij militaire luchthavens uitgedrukt in Ke. In een beperkingengebied moet de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied een karakteristieke geluidwering hebben van ten minste de in tabel 4.104 genoemde karakteristieke geluidwering. De voorgeschreven karakteristieke geluidwering in dB kan in de tabel worden afgelezen aan de hand van de in het omgevingsplan genoemde Ke-waarde.

Het tweede lid heeft alleen betrekking op de burgerluchtvaart. Bij een burgerluchthaven moet de uitwendige scheidingsconstructie zodanig zijn dat de geluidbelasting in een verblijfsgebied ten hoogste 33 dB is. Opgemerkt wordt dat daarbij voor de burgerluchtvaart wordt uitgaan van Lden of de 35 Ke-geluidcontour. Het gebruik van Lden vloeit voort uit de Europese richtlijn over de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai d.d. 25 juni 2002 (richtlijn 2002/49/EG). Daarnaast is in het tweede lid een specifieke verwijzing naar het beperkingengebied bij de luchthaven Schiphol opgenomen. De contouren voor Schiphol volgen namelijk niet uit de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (RGV 1997).

Het derde lid verklaart het eerste en tweede lid ook van toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop deze leden van toepassing zijn. De uitwendige scheidingsconstructie van een niet-geluidsgevoelige ruimte (ruimte die geen verblijfsgebied of -ruimte is) behoeft niet geluidsisolerend te zijn. Het derde lid regelt dat er tussen een niet-geluidsgevoelige ruimte en geluidsgevoelige ruimte (verblijfsgebied of verblijfsruimte) voldoende geluidsisolatie moet zijn om te voorkomen dat er door geluidsoverdracht via de niet-geluidsgevoelige ruimte, geluidsoverlast in de geluidsgevoelige ruimte ontstaat. Dit betekent dat wanneer een verblijfsgebied aan een zijde grenst aan een ruimte waarvoor geen eisen aan de geluidwering gelden, die scheidingswand inclusief het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten en constructieonderdelen, zodanig geluidwerend moet zijn dat in het verblijfsgebied zelf geen geluidoverlast van buiten ontstaat. Een voorbeeld van een dergelijk geval is de wand tussen een verblijfsgebied en een berging of garage. Voor de berging of garage zelf geldt geen eis voor geluidwerendheid. De inwendige scheidingswand inclusief het geluidwerende effect van tussenliggende ruimten (de berging, garage) en constructieonderdelen moet dan zodanig geluidwerend zijn, dat in het verblijfsgebied ernaast geen geluidsoverlast ontstaat via de berging of garage. Hierbij mag het positieve geluidwerende effect van de berging of garage zelf, ook worden meegerekend.

Het vierde lid waarborgt dat het geluidniveau aanvaardbaar blijft in elke afzonderlijke verblijfsruimte.

Artikel 4.105 (tijdelijk bouwwerk)

Artikel 4.105 bepaalt dat op tijdelijke bouwwerken de artikelen 4.102 tot en met 4.104 van overeenkomstige toepassing zijn. Daarbij kan voor een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar, worden uitgegaan van een karakteristieke geluidwering die 10 dB of dB(A) lager is. Het eisenniveau is dus bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar, 10 dB of dB(A) lager dan bij reguliere nieuwbouw.

Voor een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn tussen de 10 en 15 jaar, geldt dat de artikelen 4.102 tot en met 4.104 van overeenkomstige toepassing zijn en er dus geen sprake is van een lager eisenniveau ten opzichte van reguliere nieuwbouw. Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8. Onder verwijzing naar de definitie van tijdelijk bouwwerk in bijlage I, wordt er op gewezen dat een tijdelijk bouwwerk ten hoogste een instandhoudingstermijn van 15 jaar (op dezelfde locatie) kan hebben.

§ 4.3.2 Bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties
Algemeen

In deze paragraaf zijn regels opgenomen om te voorkomen dat bouwwerkinstallaties geluidhinder veroorzaken in belendende gebouwen. Voorts zijn voor de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang en de onderwijsfunctie eisen opgenomen ter voorkoming van geluidoverlast van de eigen bouwwerkinstallaties. Dit is vooral van belang omdat er vanwege energiezuinigheid en de kwaliteit van het binnenmilieu men steeds meer afhankelijk wordt van installaties. Geluidoverlast van dergelijke installaties kan de gezondheid schaden, hetzij door het geluid zelf, hetzij doordat men de installatie uitschakelt om de geluidhinder te beperken.

Artikel 4.106 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, geeft aan dat een bouwwerk bescherming moet bieden tegen geluid van bouwwerkinstallaties. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. In artikel 4.106 wordt gesteld dat een bouwwerk bescherming biedt tegen geluid van bouwwerkinstallaties. De term bouwwerk omvat alle onderdelen van het bouwwerk, inclusief de bouwwerkinstallaties. Dat wil zeggen dat de eisen van deze paragraaf ook beperkingen stellen aan een buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk gelegen bouwwerkinstallatie of onderdeel daarvan.

Het voorkomen van overlast door gebouwinstallaties geldt zowel voor geluidoverlast op een aangrenzend bouwwerk perceel (artikel 4.107) als voor geluidoverlast op het zelfde perceel (artikel 4.108). In de artikelen 4.107 en 4.108 gaat het daarbij om geluidsoverlast ín bouwwerken (in verblijfsgebieden of verblijfsruimten). Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat eventuele bepalingen in de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien.

Over geluidoverlast van bouwwerkinstallaties binnen een bouwwerk of tussen bouwwerken kunnen daarom geen nadere of aanvullende bepalingen worden opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Wel kunnen in de APV eventueel bepalingen over geluid in de buitenruimte (niet zijnde een bouwwerk) worden opgenomen op basis waarvan de gemeente handhavend kan optreden.

Artikel 4.107 (aangrenzend bouwwerkperceel)

Dit artikel heeft als doel geluidhinder voor de buren te beperken. Hierbij kan gedacht worden aan overlast bij het doortrekken van het toilet of door het gebruik van de lift. Die regel is zowel van toepassing op niet-gemeenschappelijke (individuele) als op gemeenschappelijke installaties. Deze regels zijn nodig omdat mensen eerder last hebben van geluiden van buiten de eigen woning, hotelkamer, kantoor en dergelijke dan van geluiden van binnen de eigen woning en dergelijke. Bovendien kan men niet of nauwelijks invloed uitoefenen op geluid dat van derden komt. Het karakteristieke installatiegeluidsniveau wordt bepaald volgens NEN 5077 en mag niet meer zijn dan 30 dB.

Artikel 4.108 (zelfde bouwwerkperceel)

Dit artikel regelt de beperking van overlast van installaties voor op het zelfde perceel gelegen gebruiksfuncties.

Het eerste lid is gericht op het voorkomen van geluidoverlast binnen een woning (niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte van een woonfunctie). Het gaat dan om geluidoverlast veroorzaakt door een installatie van een aangrenzende woning of een andere op hetzelfde perceel gelegen gebruiksfunctie. Het zelfde geldt ook voor een gemeenschappelijke installatie (bijvoorbeeld een liftinstallatie). Een gemeenschappelijke installatie zal in geen enkele woning geluidoverlast mogen geven.

Het tweede lid heeft betrekking op het voorkomen van geluidoverlast door de eigen bouwwerkinstallaties. Die regel geldt alleen voor de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang en de onderwijsfunctie. Het toegestane karakteristieke installatie-geluidsniveau is af te lezen in tabel 4.106. Aanleiding voor het opnemen van die regel zijn de regelmatige klachten over de geluidoverlast door mechanische ventilatiesystemen in met name woningen, scholen en kinderdagverblijven. Dergelijke systemen (wel of niet met warmterugwinning) worden steeds meer gebruikt om aan de energieprestatie-eis (zie § 4.4.1) te kunnen voldoen. Om te voorkomen dat men een voor een gezond binnenmilieu noodzakelijke installatie wegens geluidoverlast uitschakelt is een maximum gesteld aan de geluidsproductie van installaties voor warmteopwekking, warmteterugwinning en luchtverversing. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke installatiegeluidsniveau in een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte is voor de hiervoor genoemde installaties samen ten hoogste 30 of 35 dB (zie tabel). Dit geldt zowel wanneer er sprake is van een gecombineerd systeem als voor afzonderlijke apparaten.

Opgemerkt wordt dat bij de berekening van het karakteristieke installatiegeluidsniveau wordt uitgegaan van het niveau dat optreedt in de hoogste stand van het voorgeschreven regelbereik van die installatie (dit is de voorgeschreven ventilatiecapaciteit als bedoeld in artikel 4.122). De geluidseisen zijn in beide leden van dit artikel gekoppeld aan verblijfsruimten. Hiermee is het maximum installatie-geluidsniveau van een mechanische voorziening voor luchtverversing, warmteopwekking of warmteterugwinning in alle gevallen voldoende gewaarborgd voor verblijfsruimten.

Artikel 4.109 (tijdelijk bouwwerk)

Bij een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.107 en 4.108 van overeenkomstige toepassing, waarbij het niveau van eisen bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar,10 dB lager is. Dit betekent dat het installatie-geluidsniveau 10 dB hoger mag zijn dan in die artikelen als hoogste waarde is aangegeven, ofwel de installatie mag nog meer geluid produceren. Dit betekent dat bij het bouwen van een tijdelijk bouwwerk de installatie aan de regels van deze paragraaf moet voldoen, maar dat de geluidbelasting van tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar, 10 dB hoger mag zijn.

Voor een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn tussen de 10 en 15 jaar, geldt dat de artikelen 4.107 en 4.108 van overeenkomstige toepassing zijn en er dus geen sprake is van een lager niveau van eisen ten opzichte van reguliere nieuwbouw. Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8. Onder verwijzing naar de definitie van tijdelijk bouwwerk in bijlage I, wordt er op gewezen dat een tijdelijk bouwwerk ten hoogste een instandhoudingstermijn van 15 jaar (op dezelfde locatie) kan hebben.

§ 4.3.3 Beperking van galm
Algemeen

Het doel van deze paragraaf is de geluidhinder in appartementen als gevolg van galm in aangrenzende gangen, trappenhuizen, of besloten galerijen (corridors) te beperken. De praktijk wijst uit dat als er geen geluidsabsorberende maatregelen worden getroffen het galmeffect uitnodigt tot het maken van extra lawaai.

Artikel 4.110 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een te bouwen woongebouw in een gemeenschappelijke verkeersruimte een zodanige geluidsabsorptie moet hebben, dat geluidhinder door galm wordt beperkt. De reikwijdte is in de functionele eis beperkt tot de gemeenschappelijke verkeersruimte. Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf.

Artikel 4.111 (geluidsabsorptie)

Artikel 4.111 bepaalt dat de geluidsabsorptie van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte voor het ontsluiten van een woonfunctie moet worden berekend met NEN-EN 12354-6. Deze norm is in de plaats gekomen van NEN 5078. De praktijkrichtlijn NPR 5071, uitgave 1981, zoals aangevuld in 1991 blijft ook na invoering van dit besluit bruikbaar. Met de zinsnede ‘voor het ontsluiten van een woonfunctie’ is verduidelijkt dat de regel niet van toepassing is op een vluchtroute of brandtrap. Dit is in overeenstemming met de vergelijkbare eis in het Bouwbesluit 2012.

Onder geluidsabsorptie van een ruimte wordt verstaan de som van de geluidsabsorptie van de diverse constructieonderdelen van die ruimte. Onder de geluidsabsorptie van zo’n constructieonderdeel wordt verstaan de verhouding tussen het geluidsvermogen dat door dat onderdeel wordt geabsorbeerd, dat wil zeggen niet gereflecteerd, en het geluidsvermogen dat op dat onderdeel invalt.

§ 4.3.4 Geluidwering tussen ruimten
Algemeen

Deze paragraaf heeft betrekking op het voorkomen van geluidoverlast tussen afzonderlijke gebruikseenheden. De paragraaf heeft zowel betrekking heeft op geluidwering tussen verschillende gebruiksfuncties als binnen de woonfunctie.

Artikel 4.112 (aansturingsartikel)

De functionele eis van dit artikel, eerste lid, geeft weer dat deze betrekking heeft op zowel op de bescherming tegen geluidsoverlast tussen verschillende gebruiksfuncties als op de bescherming tegen geluidsoverlast tussen de verblijfsruimten in een woning.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de woonwagen, de lichte industriefunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 4.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 4.113 (ander bouwwerkperceel)

In dit artikel zijn de regels opgenomen voor de geluidwering tussen gebruiksfuncties op verschillende percelen.

Met de regels van dit artikel wordt beoogd de mogelijke hinder door de veroorzaker van het geluid (de zender) in een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie (de ontvanger) te beperken. Er wordt in dit artikel onderscheid gemaakt tussen luchtgeluid en contactgeluid.

Het eerste en tweede lid zijn gericht op luchtgeluid. De eisen zijn uitgedrukt in een karakteristiek luchtgeluidniveauverschil. Bij het eerste lid is de ontvangstruimte een op een ander perceel gelegen verblijfsgebied ongeacht de gebruiksfunctie. Die regel geldt dus niet bij een gebruiksfunctie zonder verblijfsgebied (lichte industriefunctie of overige gebruiksfunctie). Bij het tweede lid is de ontvangstruimte een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een woonfunctie, zoals een douche, een toilet of een verkeersruimte. Bij andere gebruiksfuncties (niet-woonfuncties) behoeven de niet-verblijfsgebieden dus niet beschermd te worden.

Het derde en vierde lid zijn gericht op contactgeluid. Evenals bij het luchtgeluid gelden de eisen voor contactgeluid in verblijfsgebieden voor iedere aangrenzende gebruiksfunctie, terwijl de eisen voor contactgeluid voor een niet in verblijfsgebied gelegen ruimte alleen bij een aangrenzende woonfunctie gelden. Uit de tabel volgt dat dit artikel niet geldt voor het veroorzaken van geluid in de woonwagen, de lichte industriefunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde.

Artikel 4.114 (verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel)

Met het opschrift van dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat artikel 4.114 betrekking heeft op de geluidwering tussen verschillende gebruiksfuncties op hetzelfde perceel en artikel 4.115 op de geluidwering binnen dezelfde woonfunctie (woning).

Artikel 4.114 is qua opzet vergelijkbaar met artikel 4.113, maar heeft betrekking op de situatie dat de zend- en ontvangstruimte op hetzelfde perceel liggen. Het verschil is verder dat alle regels alleen betrekking hebben op de situatie dat de ontvangstruimte een woonfunctie is. Dus er gelden geen eisen tussen bijvoorbeeld twee winkels in een winkelcentrum maar wel tussen een winkel en een boven dat winkelcentrum gelegen woning.

Het vijfde lid bepaalt dat het eerste tot en met vierde lid niet van toepassing zijn op de geluidsoverdracht van een nevengebruiksfunctie. Dit wil zeggen dat een nevengebruiksfunctie zoals een bergruimte, een schuur, een kantoor aan huis of een garage niet geluidwerend hoeft te worden afgescheiden van de bijbehorende woning. In een dergelijk geval mag er van worden uitgegaan dat eventueel lawaai in die nevengebruiksfunctie door de bewoners zelf wordt gemaakt of beïnvloed kan worden.

Het zesde lid bepaalt dat het eerste tot en met vierde lid niet van toepassing zijn op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke ruimte naar een aangrenzende gemeenschappelijke ruimte. Dit betekent dat de regels niet gelden voor bijvoorbeeld op hetzelfde perceel gelegen gemeenschappelijke gangen (zoals corridors en galerijen), zitruimten en badruimten.

Het zevende lid geeft een uitzondering voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een gemeenschappelijk verkeersruimte, en voor de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte. Het tweede en vierde lid zijn daar niet op van toepassing. Dit betekent dat een voordeur van een in een woongebouw gelegen woning niet aan de geluidseisen zoals deze uit het tweede en vierde lid volgen hoeft te voldoen. Ook met een goede voordeur blijkt het namelijk niet mogelijk gelijktijdig aan die beide leden te voldoen. Deze regel is dus een neerslag van de gangbare praktijk bij in een woongebouw gelegen woningen. De geluidwering naar een achterliggend verblijfsgebied moet uiteraard wel aan de geluidseisen voldoen.

Het achtste lid geeft aan dat het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing zijn op studentenwoningen, waardoor bij een gemeenschappelijke verkeersruimte bij zelfstandige studentenwoningen geen zwaardere eisen gelden aan de geluidsisolatie dan bij een gezamenlijke verkeersruimte in een woonfunctie voor kamergewijze verhuur (studentenhuis).

Artikel 4.115 (verblijfsruimten van dezelfde woonfunctie)

Artikel 4.115 heeft betrekking op de geluidwering tussen verblijfsruimten van dezelfde woning. Het gaat hierbij zowel om de luchtgeluidsisolatie (eerste lid) als om de contactgeluidsisolatie (tweede lid).

Het derde lid bepaalt dat de regels van het eerste en het tweede lid niet gelden bij aan elkaar grenzende ruimten die, wel of niet afsluitbaar met een deur, met elkaar in open verbinding staan. Dit betekent dat het eerste en tweede lid met name van toepassing zijn wanneer de aangrenzende verblijfsruimten niet direct maar via een gang, een overloop of andere ruimte met elkaar verbonden zijn. Op verschillende bouwlagen gelegen ruimten worden daarbij hetzelfde behandeld als ruimten die op dezelfde bouwlaag liggen.

Artikel 4.116 (tijdelijk bouwwerk)

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.113 tot en met 4.115 van overeenkomstige toepassing. Het karakteristieke lucht-geluidniveauverschil mag bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar echter 10 dB lager zijn en het ten hoogste toegelaten contactgeluidniveau mag 10 dB hoger zijn. Dit betekent dat het niveau van eisen tussen verschillende gebruiksfuncties bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar, 10 dB lager is dan bij reguliere nieuwbouw. Voor een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn tussen de 10 en 15 jaar, geldt dat de artikelen 4.113 tot en met 4.115 van overeenkomstige toepassing zijn en er dus geen sprake is van een lager niveau van eisen ten opzichte van reguliere nieuwbouw. Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8. Onder verwijzing naar de definitie van tijdelijk bouwwerk in bijlage I, wordt er op gewezen dat een tijdelijk bouwwerk ten hoogste een instandhoudingstermijn van 15 jaar (op dezelfde locatie) kan hebben.

§ 4.3.5 Wering van vocht
Algemeen

Deze paragraaf heeft betrekking op het voorkomen van vochtoverlast in verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten, vanwege vocht van buiten en vocht van binnen. Met vocht van buiten wordt neerslag en grondwater bedoeld, maar het kan ook oppervlaktewater zijn of bijvoorbeeld de hoogste waterstand waarmee men rekening moet houden bij bijvoorbeeld buitendijks bouwen, bouwen in een retentiebekken of andere vormen van adaptief bouwen.

Vocht van binnen is het vocht dat vrijkomt bij het gebruik van het gebouw, bijvoorbeeld door koken of douchen. In een vochtige omgeving kunnen zich stoffen en organismen ontwikkelen met een voor de gezondheid schadelijke werking, de zogenoemde allergenen. Bij het voorkomen van een vochtige omgeving speelt naast de in deze paragraaf bedoelde wering van vocht ook de in paragraaf 4.3.6 bedoelde luchtverversing een belangrijke rol.

Artikel 4.117 (aansturingsartikel)

Het eerste lid geeft de functionele eis, een bouwwerk heeft zodanige scheidingsconstructies dat de vorming van allergenen door vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 4.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 4.118 (wering van vocht van buiten)

Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er in gebouwen vochtoverlast optreedt door regen, sneeuw of hagel. Dit artikel stelt daarom eisen aan de waterdichtheid van uitwendige en soms ook van inwendige scheidingsconstructies van verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten. Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte moet bepaald volgens NEN 2778 waterdicht zijn. NEN 2778 voorziet bij het bepalen van de waterdichtheid in een scheidingsconstructie die grenst aan de lucht en aan de bodem en water.

Het eerste lid bepaalt dat de uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsgebied, een toiletruimte en een badruimte waterdicht moeten zijn. Dit betekent dat het dak en de gevels regen, sneeuw en hagel moeten kunnen weren en dat een op staal gefundeerde vloer grondwater moet kunnen keren.

Bovendien moet volgens het tweede lid de vloer die aan een kruipruimte grenst het doordringen van vocht vanuit die kruipruimte kunnen voorkomen. Uit de tabel volgt dat niet alle gebruiksfuncties waterdicht behoeven te zijn. Het eerste en tweede lid gelden niet voor een industriefunctie, een overige gebruiksfunctie of een bouwwerk geen gebouw zijnde (bijvoorbeeld een fabriekshal, een schuurtje of een carport).

Er zou bij een dergelijke gebruiksfunctie dus vochtoverlast kunnen ontstaan in een aangrenzend bouwwerk. Het derde lid regelt daarom dat bijvoorbeeld de scheidingswand tussen een schuurtje en een aangrenzend bouwwerk waarvoor het eerste en tweede lid wel geldt, waterdicht moet zijn. Bij de bepaling van de waterdichtheid van de scheidingswand mag men rekening houden met de positieve effecten van het dak en de gevels van dat schuurtje. Dit vloeit voort uit de definitie van het begrip inwendige scheidingsconstructie.

Het vierde lid stelt een beperking aan de luchtvolumestroom (luchtdoorlatendheid) vanuit een kruipruimte naar een bovengelegen verblijfsgebied, toilet- of badruimte. Het doel van die regel is te voorkomen dat door het doordringen van vochtige lucht vanuit de kruipruimte de relatieve luchtvochtigheid in de genoemde ruimten op een te hoog niveau komt te liggen.

Artikel 4.119 (factor van de temperatuur)

Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er in gebouwen vochtophoping als gevolg van condensatie optreedt vanwege koude oppervlakken ofwel koudebruggen. Zo wordt een gunstig milieu voor schimmels en huisstofmijt voorkomen. Om dit te bereiken stelt het eerste lid een eis aan de factor van de temperatuur van het binnenoppervlak (f-factor) van scheidingsconstructies waarvoor een warmteweerstand als bedoeld in artikel 4.152 geldt. De f-factor geeft een verhouding weer tussen twee grootheden. Enerzijds is dit het verschil tussen de temperatuur op het binnenoppervlak van een constructieonderdeel en de buitentemperatuur, en anderzijds het verschil tussen de binnentemperatuur en de buitentemperatuur. Om de vereiste f-factor te realiseren, en daarmee een koudebrug te voorkomen, kan het nodig zijn om constructieonderdelen of delen daarvan (extra) te isoleren.

Uit artikel 4.152 volgt dat dit niet geldt voor ramen, deuren en kozijnen, en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen zoals ventilatieroosters.

Artikel 4.120 (wateropname)

Wanneer er als gevolg van het gebruik van water teveel vocht doordringt in de wanden of de vloer van een bad- of toiletruimte kan er schimmelvorming, rotting of lekkage ontstaan. Dit geldt zowel in de ruimte zelf als in een aangrenzende ruimte. Hierdoor kan op den duur de gezondheid van de gebruikers van het gebouw nadelig worden beïnvloed.

Volgens het eerste lid moeten de wanden tot een hoogte van 1,2 m en de volledige vloer in een bad- en een toiletruimte waterafstotend zijn. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door het aanbrengen van tegels. Deze eisen leiden er tevens toe dat de wanden en de vloer op effectieve wijze kunnen worden gereinigd.

Het tweede lid bepaalt dat de wand ter plaatse van het bad of de douche over een lengte van ten minste 3 m tot een hoogte van 2,1 m waterwerend moet zijn. Opgemerkt wordt dat dit artikel ook geldt voor niet voorgeschreven toilet- en badruimten.

§ 4.3.6 Luchtverversing
Algemeen

Deze paragraaf bevat de regels voor luchtverversing. De vereiste ventilatiecapaciteit wordt voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte berekend aan de hand van het aantal personen dat in een ruimte of een gebied aanwezig is. Dit geldt voor elke gebruiksfunctie behalve voor de woonfunctie. Zie voor een toelichting op deze personenbenadering het algemeen deel van de toelichting en de toelichting op artikel 2.10 (Aantal personen in een bouwwerk).

Artikel 4.121 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, geeft aan dat een bouwwerk een zodanige voorziening voor luchtverversing moet hebben dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.122 (luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte)

Dit artikel schrijft de aanwezigheid voor van een voorziening voor luchtverversing (ventilatiemogelijkheid) waarmee een verblijfsgebied, een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Op deze wijze wordt zeker gesteld dat de noodzakelijke zuurstof kan worden aangevoerd en kooldioxide, waterdamp, onaangename geurstoffen en stofdeeltjes kunnen worden afgevoerd. Ook speelt luchtverversing een rol bij het afvoeren van eventuele in de binnenlucht aanwezige schadelijke stoffen als gevolg van bijvoorbeeld formaldehyde-emissie, fijnstof en radonstraling.

De regels zijn afgestemd op het advies van de Gezondheidsraad over ventilatie (Het binnenhuisklimaat, in het bijzonder een ventilatieminimum, in Nederlandse woningen, Gezondheidsraad, 1984), waarin per persoon een minimum luchtverversing wordt aanbevolen van 25 m3/h (=7•10-3 m3/s).

De benodigde hoeveelheid luchtverversing van een verblijfsgebied of verblijfsruimte wordt bij de woonfunctie bepaald aan de hand van de vloeroppervlakte, bij de utiliteitsfuncties wordt de benodigde hoeveelheid luchtverversing bepaald aan de hand van het aantal personen waarvoor de ruimte is bestemd (personenbenadering).

Bij het bepalen van de vereiste ventilatiecapaciteit hoeft alleen rekening gehouden te worden met het aantal personen waarvoor het gebouw, uitgaande het kenmerkend gebruik van de gebruiksfunctie bestemd is. Dat betekent dat bij het bepalen van de vereiste ventilatiecapaciteit voor een klaslokaal geen rekening hoeft te worden gehouden met de ouders die hun kinderen wegbrengen en dat in een ziekenhuiszaal bij het vaststellen van de vereiste ventilatiecapaciteit geen rekening hoeft te worden gehouden met het bezoek. Daar staat tegen over dat bij een winkel zowel rekening moeten worden gehouden met het winkelend publiek als met het personeel. Zowel het publiek als het personeel spelen namelijk een rol bij het kenmerkende gebruik (het primaire proces).

Het eerste lid, onder a, gaat voor een verblijfsgebied van een woonfunctie uit van een voorgeschreven capaciteit van 0,9 dm3/s per m2 vloeroppervlakte. Bij een woonfunctie is de vereiste ventilatiecapaciteit niet afhankelijk gesteld van het aantal personen in die woning. De verordenende bevoegdheid biedt de gemeente de mogelijkheid een zogenoemd overbewoningsartikel op te stellen waarmee tegen excessieve bewoning kan worden opgetreden. Het eerste lid bevat een soortgelijke regel voor een verblijfsruimte van een woonfunctie. De capaciteit moet dan 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte zijn. Om te waarborgen dat in het kleinst denkbare verblijfsgebied of de kleinst denkbare verblijfsruimte van 5 m2 toch voldoende ventilatie aanwezig is voor ten minste één persoon, zoals bedoeld in het bovengenoemde advies van de Gezondheidsraad, geldt bij het eerste lid een minimale ventilatiecapaciteit van 7•10-3 m3/s.

Opgemerkt wordt dat bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen zowel moet worden voldaan aan de eisen voor een verblijfsgebied (onder a) als aan de eisen voor een verblijfsruimte (onder b), dus bij een ingedeeld verblijfsgebied kan niet worden volstaan met het alleen voldoen aan de ventilatie-eisen voor de in dat gebied gelegen verblijfsruimten.

Het tweede lid heeft alleen betrekking op utiliteitsfuncties. Dit lid geeft, gebaseerd op de personenbenadering, een minimumeis voor de luchtverversing in een verblijfsgebied en een verblijfsruimte.

Het is de bedoeling dat de aanvrager van een vergunning het aantal personen per gebouw, gebruiksfunctie,-gebied en -ruimte opgeeft, daarbij moet worden uitgegaan van het aantal personen waarvoor het verblijfsgebied of de verblijfsruimte bestemd is.

De regel van het derde lid voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel is erop gericht dat geurstoffen, bij normale verbranding vrijkomende dampen en overmatige waterdampproductie die daar kunnen ontstaan in korte tijd kunnen worden afgevoerd en verbrandingslucht kan worden toegevoerd.

Het uitgangspunt van het vierde lid is dat bij een woning niet elke ruimte gelijktijdig wordt gebruikt. De totale capaciteit van een centrale ventilatievoorziening mag echter niet kleiner zijn dan 70% van de optelsom van de voorgeschreven ventilatiecapaciteiten van alle op de centrale ventilatievoorziening aangesloten verblijfsgebieden. De totaal benodigde ventilatiecapaciteit hoeft dus niet een optelsom van de in de verschillende verblijfsgebieden benodigde capaciteit te zijn. Natuurlijk moet elk verblijfsgebied op enig moment kunnen beschikken over de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde benodigde capaciteit. Daarbij kan het nodig zijn een regelsysteem voor de verdeling van de ventilatiecapaciteit over verschillende verblijfsgebieden te installeren.

De in het vijfde lid voorgeschreven capaciteit voor een toiletruimte (sub a) is zodanig dat verontreinigde lucht in korte tijd kan worden afgevoerd en voor een badruimte (sub b) zodanig dat een overmaat aan waterdamp wordt voorkomen ter beperking van schimmelvorming.

In tabel 4.121 zijn de eerste vier leden van dit artikel niet aangestuurd voor de overige gebruiksfunctie. Een parkeergarage of een andere overige gebruiksfunctie heeft namelijk geen verblijfsgebieden of verblijfsruimten maar alleen functiegebieden en functieruimten. De regels van dit artikel die alleen betrekking hebben op verblijfsgebieden en verblijfsruimten kunnen derhalve niet van toepassing zijn. Een overige gebruiksfunctie kan wel een toilet- of badruimte hebben. Daarom is het vijfde lid daarvoor wel aangestuurd.

Artikel 4.123 (thermisch comfort)

De praktijk wijst uit dat veel mensen bij tocht (te veel circulatie van koude lucht) de neiging hebben om ventilatieopeningen af te sluiten, waardoor een voor de gezondheid nadelige situatie kan ontstaan. Om dergelijk handelen te voorkomen stelt dit artikel een maximum aan de luchtsnelheid van verse (koude) ventilatielucht in de leefzone, zodat er bij het gebruik van de ventilatievoorziening geen tochtoverlast wordt ervaren. Het begrip leefzone is gedefiniëerd in bijlage I.

Artikel 4.124 (regelbaarheid en uitschakelbaarheid)

Met de regel over de regelbaarheid van de ventilatievoorziening is beoogd de gebruikers van een gebouw een adequate regelmogelijkheid te bieden voor de ventilatievoorziening. Dit geldt zowel voor natuurlijke als voor mechanische ventilatievoorzieningen.

Het eerste lid betreft de regelbaarheid van de natuurlijke toevoer van ventilatielucht direct van buiten, bijvoorbeeld door een kiepraampje, ongeacht de vraag of de afvoer natuurlijk of mechanisch is. Het gaat er in dit lid om dat de beweegbare componenten bestemd voor het regelen van de capaciteit van de toevoer van verse lucht in verschillende (instel)standen kunnen worden gefixeerd.

Het tweede lid stelt eisen aan de regelbaarheid van de mechanische toevoer van ventilatielucht, bijvoorbeeld bij een balansventilatiesysteem. Het gaat om een mechanische toevoer (door de ventilator) van verse ventilatielucht ongeacht de vraag of de afvoer natuurlijk of mechanisch is. Op een systeem waarbij de lucht natuurlijk wordt toegevoerd en mechanisch afgevoerd is dus alleen het eerste lid van toepassing. In de meeste gevallen zal de regelbaarheid voor de toevoer op basis van een ventilatiebalans gelijk zijn aan regelbaarheid voor de afvoer. Uit het tweede lid volgt dat de mechanische toevoer een dichtstand heeft (die kan worden bereikt door de stroomtoevoer of de ventilatiemotor uit te schakelen) en ten minste de hierna genoemde drie ventilatiestanden moet hebben: de minimumstand, een tussenliggende instelstand en een stand die de in artikel 4.122 bedoelde ventilatiecapaciteit waarborgt. Eventueel tussenliggende standen zijn niet verder voorgeschreven en zijn afhankelijk van het gekozen systeem. Een voorziening voor de toevoer van ventilatielucht hoeft niet altijd regelbaar te zijn met door mensen in te stellen regelstanden als aangegeven in het eerste en tweede lid.

Het derde lid staat namelijk binnen de randvoorwaarden van het eerste en tweede lid een zelfregelende toevoervoorziening toe. Met een zelfregelende toevoervoorziening worden bijvoorbeeld zelfregelende ventilatieroosters bedoeld, die als de (wind)druk op de gevel toeneemt, automatisch de infiltratie beperken met een mechanische zelfregelende klep. Hierdoor is de ventilatietoevoer constant, onafhankelijk van de winddruk op de gevel. Het beperken van de luchtstroom naarmate de winddruk groter wordt, beperkt eventuele tochtproblemen en ventilatieverliezen.

Hitte, rook of schadelijke gassen die bij een calamiteit kunnen vrijkomen kunnen ook de veiligheid van het binnenmilieu van een gebouw bedreigen. Dit geldt ook voor buiten een in een brand- of explosievoorschriftengebied gelegen gebouwen. In het vierde lid is daarom geregeld dat een mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig moet kunnen worden uitgeschakeld. Als de stekker van de mechanische ventilatievoorziening voor de gebruiker bereikbaar is, dan is de mogelijkheid om de stekker uit het stopcontact te halen, voldoende om aan de eis te kunnen voldoen. Het zelfde kan worden bereikt met een afzonderlijke (groeps-) schakelaar voor de ventilatievoorziening in een meterkast of op een centraal bedieningspaneel in bijvoorbeeld de hal van een kantoorgebouw. In geval van collectieve ventilatievoorzieningen kan bijvoorbeeld aan de eis worden voldaan als een beheerder (conciërge, receptioniste, etc.) van het gebouw de ventilatievoorziening kan uitschakelen.

Artikel 4.125 (luchtverversing overige ruimten)

Ventilatie is niet alleen voor verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toilet- en badruimten noodzakelijk maar ook voor een sommige andere ruimten in een gebruiksfunctie. Deze overige ruimten zijn weliswaar niet bestemd voor langdurig verblijf van mensen maar kunnen door de aard van hun gebruik zonder voldoende luchtverversing een verhoogde kans op gevaar voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening waarmee die andere ruimten in een gebruiksfunctie langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd.

Het eerste lid regelt dat in gemeenschappelijke verkeersruimten (galerijen, corridors, trappenhuizen en portieken) een ventilatievoorziening moet zijn. In deze ruimten kan zich verontreinigde lucht ophopen en kunnen onaangename geuren afkomstig uit de aangrenzende woningen blijven hangen.

Het tweede lid bepaalt dat een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter moet worden geventileerd om te voorkomen dat in die ruimte door een eventueel gaslek een ontplofbaar gasmengsel kan ontstaan. Ook kan de ventilatie zorgen dat de aan de gaslucht verbonden geurstoffen zich snel door het gebouw verspreiden en een lekkage zodoende spoedig ergens in het gebouw wordt opgemerkt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook de ruimte waar daadwerkelijk een gasmeter is geïnstalleerd een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter is.

Voor een liftschacht van een personenlift geldt dat de ventilatievoorziening gewaarborgd moet zijn. Personen in een vastzittende lift zijn dikwijls afhankelijk van via de liftschacht aangevoerde verse lucht. Het derde lid stelt daarom een minimum ventilatie-eis aan de liftschacht. Voor de eisen aan de liftkooi zelf, dus ook aan de ventilatie in de liftkooi wordt naar het Besluit liften verwezen.

Het vierde lid geeft een ventilatie-eis voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval, als die ruimte een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft. Ventilatie is hier nodig om de kans te beperken dat er door de opslag van grote hoeveelheden afval stankhinder ontstaat. Opgemerkt wordt dat de opslagruimte voor huishoudelijk afval niet meer is voorgeschreven, maar dat de regel geldt voor iedere vrijwillig aangebrachte opslagruimte. Huishoudelijk afval is het reguliere afval dat bij de huishouding vrijkomt. Dit geldt zowel voor afval dat vrijkomt bij de huishouding van een gezin als van een bedrijf. Afval dat bij een productieproces vrij komt is geen huishoudelijk afval maar bedrijfsafval. Deze regel is niet van toepassing op een opslagruimte voor bedrijfsafval. De opslagruimte in dit lid moet niet verward worden met de verzamel-, opslag- of verwerkingsruimte voor (voormalig huishoudelijk) afval in een afvalverwerkingsbedrijf.

Het vijfde lid stelt een minimum ventilatie-eis aan een stallingsruimte voor motorvoertuigen. Deze aan de vloeroppervlakte van de stallingsruimte gerelateerde eis aan de ventilatiecapaciteit geldt evenzeer voor een garage bij een woning als voor een voor het publiek toegankelijke parkeergarage.

Het zesde lid is een functionele eis die op iedere tunnel en ieder tunnelvormig bouwwerk van toepassing is. Er moet afhankelijk van het soort tunnel en de tunnellengte altijd voldoende luchtverversing zijn om de gezondheid van de gebruikers te kunnen waarborgen. Er moet rekening worden gehouden met de emissie van verontreinigende stoffen bij normaal verkeer, tijdens verkeerspieken en bij stilstand wegens een ongeval. Ook moet rekening worden gehouden met de beheersing van hitte en rook bij brand.

Bij kortere tunnels kan de natuurlijke ventilatie via de tunnelopeningen soms voldoende zijn. In dergelijke gevallen wordt door het rijdend verkeer een luchtstroming in de tunnelbuis opgewekt die in de meeste gevallen voldoende is voor verversing van de lucht. De schone lucht wordt dan aangevoerd via de ingang van de wegtunnelbuis en de vervuilde lucht verdwijnt via de uitgang. In sommige gevallen kan zelfs worden volstaan met de luchtbeweging door wind of tocht. In andere gevallen zijn aanvullende ventilatievoorzieningen nodig om voldoende ventilatiecapaciteit te waarborgen. Deze voorzieningen kunnen mechanisch zijn, maar dat hoeft niet. Welke ventilatiecapaciteit in een specifiek geval voldoende zal zijn, is voor wegtunnels af te lezen uit hoofdstuk 12 van de Veiligheids Richtlijn deel C (VRC), uitgave van Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Steunpunt Tunnelveiligheid, januari 2004.

Bij een lange wegtunnelbuis kan niet worden vertrouwd op natuurlijke ventilatie. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 meter moet er altijd een mechanische ventilatievoorziening zijn. Dit geldt dus niet voor een tunnel of tunnelvormig bouwwerk zonder wegtunnelbuis zoals een tunnelbak zonder dak.

Artikel 4.126 (verdunning en plaats van de opening bij de afvoer van binnenlucht)

Er moet worden voorkomen dat door het gebouw zelf afgevoerde verontreinigde binnenlucht onverdund weer het gebouw wordt ingezogen. Om die reden stelt dit artikel in het eerste lid eisen ter beperking van de concentraties verontreinigde lucht bij een instroomopening voor verse lucht. Dit betekent dat eventuele verontreinigde lucht die door het gebouw wordt uitgestoten, nabij de instroomopening zo verdund moet zijn dat mocht die lucht weer naar binnen worden gezogen, er geen schadelijke effecten op de gezondheid kunnen ontstaan. Uit NEN 1087 volgt wat in een specifiek geval de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in het eerste lid bedoelde verdunningsfactor te voldoen. In artikel 4.138 is een soortgelijke bepaling opgenomen voor de uitmonding van een rookgasafvoer, die er op is gericht om te voorkomen dat door het gebouw zelf afgevoerd rookgas onverdund weer het gebouw wordt ingezogen.

In het tweede lid is bepaald dat zowel de instroom- als de uitstroomopening ten minste 2 meter van de perceelsgrens moeten liggen, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie. Bij een bijvoorbeeld in de achtergevel gelegen uitstroomopening gaat het om de haaks op die achtergevel gelegen afstand, de afstand van die in de achtergevel gelegen uitstroomopening ten opzichte van de zijgevel is niet relevant. Oogmerk van deze bepaling is het waarborgen dat belendingen het functioneren van de voorziening niet belemmeren. Of een belending last heeft van de uitstoot uit een in dit artikel bedoelde uitstroomopening is een andere zaak. In sommige gevallen zal het burenrecht er toe leiden dat er toch beperkingen kunnen worden gesteld aan het daadwerkelijk gebruik van een afvoer die wel aan dit artikel voldoet. Het tweede lid geldt niet voor een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding.

In het derde lid zijn eisen gesteld aan de ventilatieopeningen bij een parkeergarage. Deze regels komen uit het Activiteitenbesluit. Deze regels zijn ter voorkoming van ongezonde binnenlucht in gebouwen in nabijheid van een parkeergarage.

Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingsruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:

  • a. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 meter boven het straatniveau of, als binnen 25 meter van de uitblaasopening een gebouw ligt met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau ligt, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw, en

  • b. is de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m/s. Deze eis is gelijk aan de eis voor bestaande bouw. Hierdoor is het mogelijk om de eis ook afhankelijk te maken van de daadwerkelijk aanwezige bebouwing rondom het de stallingsruimte. Uit sub a volgt dat bij de bouw moet worden uitgegaan van de dan aanwezige bebouwing.

Artikel 4.127 (luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht)

Het artikel over luchtkwaliteit van het Bouwbesluit 2012 (artikel 3.34) is gesplitst in een afzonderlijk artikel gericht op de toevoer van ventilatielucht en een artikel gericht op de afvoer van binnenlucht (artikel 4.128). Artikel 4.127 regelt dat de aanvoer van ventilatielucht zodanig moet zijn dat de toegevoerde lucht daadwerkelijk verse lucht is en dat de toegevoerde lucht niet kan leiden tot een voor de gezondheid schadelijk binnenmilieu.

De hoofdregel, vastgelegd in het eerste lid, is dat alle verse lucht voor een verblijfsgebied rechtstreeks van buiten moet worden toegevoerd. De bedoeling is dat de lucht niet eerst in een andere ruimte verbruikt kan zijn. Rechtstreekse toevoer kan ook via een kanalensysteem plaatsvinden.

In het tweede lid is voor de woonfunctie en voor de logiesfunctie een uitzondering gegeven. Daar mag ten hoogste 50% van de in artikel 4.122 bedoelde capaciteit via een andere ruimte worden aangevoerd. Deze ruimte moet wel tot dezelfde gebruiksfunctie behoren en mag geen gemeenschappelijke ruimte zijn.

Het derde lid geeft aan dat bij een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woonfunctie de toevoer ventilatielucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte altijd rechtstreeks van buiten moet plaats vinden. De ventilatielucht mag dus niet via een andere ruimte worden gevoerd.

Het vierde lid regelt voor alle gebruiksfuncties dat bij een liftschacht van een (personen) lift de toevoer van ventilatielucht rechtstreeks van buiten of via de liftmachineruimte plaatsvindt. De liftmachineruimte moet dan in directe verbinding met de buitenlucht staan (wel of niet via een kanalensysteem). Als de personenlift een brandweerlift is (zie voor een toelichting op de begrippen lift en brandweerlift bijlage I), dan beperkt die regel de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte.

Het vijfde lid biedt voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval een soortgelijke regel als het derde en vierde lid. De toevoer van ventilatielucht mag niet via een andere ruimte in het gebouw plaatsvinden. In opslagruimten voor afval vloeit uit de aard van het gebruik voort dat de binnenlucht wordt verontreinigd. Een open verbinding met andere ruimten zou verspreiding van deze verontreiniging door het gehele gebouw tot gevolg kunnen hebben.

In het zesde lid is geregeld dat bij een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks van buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden aangevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse aanvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.

Artikel 4.128 (luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht)

Het artikel over luchtkwaliteit van het Bouwbesluit 2012 (artikel 3.34) is gesplitst in een afzonderlijk artikel gericht op de toevoer van ventilatielucht (artikel 4.127) en een artikel gericht op de afvoer van binnenlucht. Artikel 4.128 regelt dat de afvoer van binnenlucht zodanig moet geschieden dat die afvoer de luchtkwaliteit in de betreffende ruimte of andere ruimten van een gebouw niet op een voor de gezondheid nadelige wijze beïnvloedt.

Het eerste lid geeft aan dat bij een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woonfunctie de afvoer van binnenlucht altijd rechtstreeks naar buiten moet plaats vinden. De ventilatielucht mag dus niet via een andere ruimte worden gevoerd.

Het tweede lid regelt voor alle gebruiksfuncties dat bij een liftschacht van een (personen) lift de afvoer van binnenlucht rechtstreeks of via de liftmachineruimte naar buiten plaatsvindt. De liftmachineruimte moet dan in directe verbinding met de buitenlucht staan (wel of niet via een kanalensysteem). Als de personenlift een brandweerlift is (zie voor een toelichting op de begrippen lift en brandweerlift bijlage I), dan beperkt die regel de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte.

Het derde lid biedt voor een toiletruimte, een badruimte en een opslagruimte voor huishoudelijk afval een soortgelijke regel als het eerste en tweede lid. In opslagruimten voor afval vloeit uit de aard van het gebruik voort dat de binnenlucht wordt verontreinigd. Een open verbinding met andere ruimten zou verspreiding van deze verontreiniging door het gehele gebouw tot gevolg kunnen hebben en is daarom niet toelaatbaar.

In het vierde lid is geregeld dat de afvoer van binnenlucht uit de wegtunnelbuis rechtstreeks naar buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks van respectievelijk naar buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden afgevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse afvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.

De eis van het vijfde lid heeft niet betrekking op alle afgevoerde binnenlucht uit de ruimte, maar op ten minste 21 dm3/s. Dit is in het algemeen de hoeveelheid lucht die door een afzuigkap wordt afgevoerd. De capaciteit die hierboven uit gaat mag via een andere ruimte worden afgevoerd. Opgemerkt wordt dat, dat dan geen ruimte mag zijn waar alle ventilatielucht direct van buiten moet worden aangevoerd. Zie ook de toelichting op het tweede lid.

Het zesde lid regelt dat binnenlucht uit een stallingsruimte voor motorvoertuigen rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden. De binnenlucht mag dus alleen direct of via een kanalensysteem naar de buitenlucht worden afgevoerd.

Artikel 4.129 (tijdelijk bouwwerk)

Artikel 4.129 bepaalt dat op de in de tabel genoemde gebruiksfuncties wat betreft de ventilatievoorziening de nieuwbouwregels onverkort van toepassing zijn op tijdelijke bouwwerken. Hiermee wordt ook bij tijdelijke woningen, kinderopvang en schoolgebouwen een gezond binnenmilieu gewaarborgd.

Hiermee is invulling gegeven aan artikel 4.8 dat bepaalt dat tenzij anders is aangegeven op een tijdelijk bouwwerk de regels voor bestaande bouw van toepassing zijn.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.3.7 Spuivoorziening
Algemeen

Het principe van de spuivoorziening is dat in een gebouw ramen, luiken of deuren zo tegen elkaar open gezet kunnen worden dat er een flinke luchtstroming of -circulatie door de ruimte ontstaat. Soms kan het daarbij nodig zijn om naast de ramen, luiken of deuren in de gevel of het dak ook de binnendeuren tussen afzonderlijke ruimten open te zetten.

Het voordeel van spuiventilatie (in aanvulling op de reguliere ventilatievoorziening als opgenomen in § 4.3.6) is dat deze altijd werkt, dus ook bij stroomuitval, en een tastbaar contact met de buitenlucht geeft.

De regels van deze paragraaf zijn alleen van toepassing op de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang en de onderwijsfunctie voor het basisonderwijs.

Artikel 4.130 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, geeft aan dat een bouwwerk een voorziening moet hebben voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de andere gebruiksfuncties dan de woonfunctie, de kinderopvang en het basisonderwijs wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 4.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 4.131 (capaciteit)

In een gebouw kunnen zich soms situaties voordoen waarbij snel een zeer grote mate van luchtverversing (doorspuiing) moet kunnen plaatsvinden. Hierbij kangedacht worden aan het ’s ochtends luchten van een slaapkamer, het openzetten van het keukenraam na het koken van een maaltijd en het even openzetten van een raam in het klaslokaal. De normale ventilatie (zie § 4.3.6) is niet afgestemd op deze tijdelijke verhoogde ventilatiebehoefte. Voor zulke situaties is voorgeschreven dat er in de gevel of het dak van een woning, van een klaslokaal of van een woonwagen voldoende beweegbare ramen, luiken of deuren aanwezig moeten zijn. Waarbij in iedere verblijfsruimte ten minste één daadwerkelijk te openen raam aanwezig moet zijn.

In het eerste lid is een regel opgenomen voor verblijfsgebieden. Ieder verblijfsgebied moet een totaal aan beweegbare ramen, deuren en luiken hebben dat groot genoeg is om de voorgeschreven spuicapaciteit van ten minste 6 dm3 per m2 vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied te waarborgen.

Het tweede lid geeft een soortgelijke regel voor verblijfsruimten, echter met een voorgeschreven spuicapaciteit van ten minste 3 dm3 per m2 vloeroppervlakte van deze verblijfsruimte. Om te voorkomen dat de spuiventilatie in een verblijfsruimte alleen via de voordeur kan plaatsvinden, moet iedere verblijfsruimte ten minste één te openen raam hebben. Dit raam mag ook een schuifpui of een andere aan een tuin balkon of andere buitenruimte van de woning grenzende deur zijn. Bedoeld is te voorkomen dat de bewoners voor het spuien afhankelijk zijn van een deur die aan de openbare ruimte grenst en zodoende het risico op insluiping met zich mee brengt. Een gedeelte van de spuiventilatiecapaciteit kan daarnaast via een luik of een deur naar keuze plaatsvinden.

De samenhang tussen het eerste en het tweede lid maakt duidelijk dat bij de indeling van een verblijfsgebied in andere ruimten geen verblijfsruimte mag worden gerealiseerd zonder of met onvoldoende spuiventilatie. In een afzonderlijke verblijfsruimte kan met een kleinere spuicapaciteit worden volstaan dan in het verblijfsgebied. Dit moet of in de rest van het verblijfsgebied (in dat verblijfsgebied gelegen andere verblijfsruimte of bijvoorbeeld een gang) worden gecompenseerd.

Het derde lid bepaalt dat bij een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang de spuicapaciteit ook mag worden gerealiseerd met de reguliere (dikwijls mechanische ventilatievoorziening). Bij kinderopvang worden niet altijd te openen ramen toegepast van wege het risico dat de kleine kinderen uit het raam vallen.

Artikel 4.132 (plaats van de opening)

In dit artikel is aangegeven hoe groot de afstand tussen de deur, het raam of het luik die of dat als spuivoorziening dient en de perceelsgrens ten minste moet zijn. De bedoeling is eventuele overlast voor aangrenzende percelen te voorkomen. Bovendien kan er van worden uitgegaan dat bij die afstand de op het aangrenzende perceel gelegen belemmeringen geen groot effect hebben op de luchtstroom door de spuivoorziening. Beweegbare constructieonderdelen die dichter bij de erfgrens of de hartlijn van een aangrenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen liggen mogen niet worden meegerekend bij de bepaling van de doorspuicapaciteit.

Artikel 4.133 (tijdelijk bouwwerk)

Dit artikel bepaalt dat wat betreft de spuivoorziening de nieuwbouwregels onverkort (dat wil zeggen volledig) van toepassing zijn op tijdelijke bouwwerken. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de noodzaak om ook bij tijdelijke woningen, kinderopvang en schoolgebouwen voor basisonderwijs meer aandacht aan een gezond binnenmilieu te besteden.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.3.8 Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht
Artikel 4.134 (aansturingsartikel)

Het eerste lid geeft de functionele eis, een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft zodanige voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, dat een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. Het gaat er om dat er geen onvolledige verbranding vanwege onvoldoende toevoer van verbrandingslucht plaatsvindt en dat de bij het gebruik van een verbrandingstoestel vrijkomende dampen, gassen en fijne vaste deeltjes naar buiten kunnen worden afgevoerd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 4.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

In tegenstelling tot het Bouwbesluit 2012 wordt de eis niet meer gesteld aan de opstelplaats voor een verbrandingstoestel, maar direct aan het verbrandingstoestel zelf. Dit komt tegemoet aan de praktijk van moderne gesloten verbrandingstoestellen waarbij de voorzieningen direct fysiek zijn vastgemaakt aan het verbrandingstoestel. Er is geen beleidswijziging beoogd voor wat betreft het niveau van eisen.

Indien de voorzieningen onderdeel zijn van een verbrandingstoestel met CE-markering of worden meegeleverd onder deze CE-markering, gaat deze CE-markering voor de prestatie-eisen die dit besluit stelt. Als de installatie van het toestel en de voorzieningen plaats vindt conform de bij de CE-markering behorende toepassingsinstructies wordt voldaan het functionele voorschrift.

Artikel 4.135 (aanwezigheid)

Dit artikel regelt de aanwezigheid van voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en voor de afvoer van rookgas voor verbrandingstoestellen die op gas, olie of vaste brandstof worden gestookt. Het gaat hier om voorzieningen zoals luchtroosters, ventilatiekanalen en rookgasafvoerkanalen of schoorstenen. De voorzieningen zijn bij zogenaamde gesloten toestellen rechtstreeks aangesloten op het toestel. Alleen bij open verbrandingstoestellen is de ruimte waarin het toestel is opgesteld onderdeel van de voorziening. Een open verbrandingstoestel haalt de benodigde verbrandingslucht namelijk altijd uit de ruimte waarin het toestel is opgesteld en soms vindt ook de afvoer van rookgas plaats door de ruimte. Van deze eis zijn kooktoestellen met gering vermogen (niet meer dan15 kW) uitgezonderd. Voor zo’n kooktoestel voorziet de voorziening voor luchtverversing in een voldoende toevoer en afvoer via de ruimte waarin het toestel staat opgesteld. Dit artikel heeft dus geen betrekking op een regulier kooktoestel in de keuken (verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel). Artikel 4.122, derde lid, schrijft daarvoor al voldoende ventilatiecapaciteit voor om de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas via de ventilatievoorziening te kunnen waarborgen. Opgemerkt wordt dat dit besluit bij nieuwbouw geen uitzondering biedt voor warmwatertoestellen, zoals een geiser. Er moet dus bij een geiser altijd een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht (bijvoorbeeld een luchtrooster) en een specifieke voorziening voor de afvoer van rookgas zijn (rookgasafvoerkanaal). Zoals ook hierboven opgemerkt, is bij open verbrandingstoestellen de ruimte waarin het toestel is opgesteld onderdeel van de voorziening voor toevoer van verbrandinslucht, maar soms ook voor de afvoer voor rookgas. Bij nieuwbouw mag de ruimte geen onderdeel meer zijn van een voorziening voor de afvoer van rookgas.

Het tweede lid regelt dat een open verbrandingstoestel voor warmwater niet in een toiletruimte of badruimte (badkamer) mag zijn opgesteld. Deze regel is gesteld vanwege het risico op het koolmonoxidevergiftiging bij het gebruik van een open verbrandingstoestel in een dergelijke ruimte, dus ook niet als de ruimte alleen onderdeel is van de voorziening voor toevoer van verbrandingslucht. Ook dan bestaat namelijk het risico dat koolmonixide vanuit het toestel terugstroomt naar de ruimte. Deze regel was eerder opgenomen in artikel 2.60 van het Bouwbesluit 2012.

Artikel 4.136 (capaciteit: afvoer van rookgas)

Een afvoervoorziening voor rookgas moet voldoende capaciteit hebben om het veilig functioneren van het daarop aangesloten verbrandingstoestel te kunnen waarborgen. Hoeveel rookgas moet worden afgevoerd is afhankelijk van de belasting van het verbrandingstoestel en de te gebruiken brandstof. In dit artikel wordt niet meer zoals in het Bouwbesluit 2012 gebruik gemaakt van onafhankelijk van het verbrandingstoestel te bepalen waarden voor de berekening van de rookgasafvoer. In overleg met de voor dit onderwerp verantwoordelijke NEN-commissie is besloten voortaan uit te gaan van de praktijk waarbij de producenten/leveranciers van toestellen in hun installatievoorschriften aangeven welke capaciteit er moet zijn voor hun toestel.

Het eerste lid geeft een functionele eis voor de capaciteit van de voorziening voor de afvoer van rookgas bij een opstelplaats voor een verbrandingstoestel. De capaciteit moet in ieder geval zodanig zijn dat in het te plaatsen verbrandingstoestel een doeltreffende verbranding mogelijk is.

De verbranding is doeltreffend als de verbranding volgens de specificaties van het verbrandingstoestel verloopt. De capaciteit en de onderbouwing daarvan moeten zijn opgenomen in de indieningsbescheiden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Bij deze bepaling moet zijn aangegeven welk toestel zal worden geplaatst onder vermelding van de relevante toestelspecificaties. Als uiteindelijk een toestel wordt geïnstalleerd met een grotere capaciteitsbehoefte dan opgegeven in de aanvraag om omgevingsvergunning, dan is er sprake van een afwijking van de omgevingsvergunning waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden.

Het tweede lid is bedoeld om zeker te stellen dat de rookgassen vanuit het verbrandingstoestel in de richting van de uitmonding van de rookgasafvoervoorziening (schoorsteen) stromen. Er moet worden voorkomen dat dampen, gassen of vaste deeltjes terugstromen en dan via het verbrandingstoestel, een zogenoemd CLV-systeem (een systeem waarop verschillende cv-ketels op kunnen worden aangesloten) of de trekonderbreker alsnog het gebouw binnendringen. Bij de bepaling van de stromingsrichting hoeft geen rekening te worden gehouden met op een ander perceel gelegen belemmeringen.

Artikel 4.137 (capaciteit: toevoer van verbrandingslucht)

Een toevoervoorziening voor verbrandingslucht moet zorgen voor voldoende toevoer van lucht om het veilig functioneren van het verbrandingstoestel te kunnen waarborgen. Hoeveel lucht er nodig is, is afhankelijk van de belasting van de te plaatsen verbrandingstoestellen en de te gebruiken brandstof. In dit artikel wordt niet meer zoals in het Bouwbesluit 2012 gebruik gemaakt van onafhankelijk van het verbrandingstoestel te bepalen waarden voor de berekening van de toevoer en afvoer voor afzonderlijke toestellen. In overleg met de voor dit onderwerp verantwoordelijke NEN-commissie is besloten voortaan uit te gaan van de praktijk waarbij de producenten/leveranciers van toestellen in hun installatievoorschriften aangeven welke capaciteit er moet zijn voor hun toestel.

Het eerste lid bepaalt dat de toevoer van verbrandingslucht bij verbrandingstoestellen met een totale capaciteit van ten hoogste 130 kW ten minste de daarvoor in de toestelspecificaties genoemde capaciteit moet hebben. Of de toevoervoorziening die capaciteit daadwerkelijk heeft kan worden bepaald met NEN 1087.

Het tweede lid bepaalt voor grote verbrandingstoestelen met een totale capaciteit van meer dan 130 kW hetzelfde, maar hierbij is NEN 1087 niet als bepalingsmethode aangestuurd. Bij dergelijke grote verbrandingstoestellen worden specificaties voor de toevoervoorziening voor verbrandingslucht in het algemeen in de toestelspecificaties van het verbrandingstoestel vermeld.

De capaciteit en de onderbouwing daarvan moeten zijn opgenomen in de indieningsbescheiden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Bij deze bepaling moet zijn aangegeven welk toestel zal worden geplaatst onder vermelding van de relevante toestelspecificaties. Als uiteindelijk een toestel wordt geïnstalleerd met een grotere capaciteitsbehoefte dan opgegeven in de aanvraag om omgevingsvergunning, dan is er sprake van een afwijking van de omgevingsvergunning waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden.

Het derde lid van dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de toevoervoorziening lucht afvoert in plaats van toevoert. Bij de bepaling van de stromingsrichting in het eerste en tweede lid hoeft geen rekening te worden gehouden met op een ander perceel gelegen belemmeringen.

Artikel 4.138 (plaats van de uitmonding)

In dit artikel worden eisen gesteld aan de plaats van de uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas. Bij het niveau van eisen speelt onder meer een rol of er sprake is van een bovendakse uitmonding en of er sprake is van een gas-gestookt verbrandingstoestel of een verbrandingstoestel voor andere brandstoffen. Voorbeelden van andere brandstoffen zijn huisbrandolie of vaste brandstoffen zoals hout, pellets of briketten of steenkool.

De inhoud van het eerste lid komt overeen met het tweede lid van artikel 3.33 (plaats van de opening) van het Bouwbesluit 2012. Met deze regel zijn de zelfde eisen gesteld aan de afstand tussen een uitmonding voor rookgas en de toevoeropening voor verse lucht. De regel is echter niet meer opgenomen bij de regels voor ventilatievoorzieningen maar bij de regels voor de voorziening voor de afvoer van rookgas. Voor de verplaatsing is gekozen omdat het in de praktijk beter wordt begrepen als beperking worden gesteld aan de bron van overlast (de rookgasafvoer) dan aan de te beschermen voorziening (de ventilatietoevoeropening). De nieuwe opzet leidt ook tot eenduidiger regels bij het verbouwen van een rookgasafvoer als bedoeld in hoofdstuk 5 van dit besluit.

Voorkomen moet worden dat door het gebouw zelf afgevoerde rook onverdund weer het gebouw wordt ingezogen. Dit betekent dat eventuele rookgassen en verontreinigde lucht zo verdund moeten zijn dat mochten zij weer naar binnen worden gezogen, zodanig zijn verdund dat geen schadelijke effecten op de gezondheid kunnen ontstaan. Het eerste lid bepaalt daarom dat de volgens NEN 2757 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor rookgas ter plaatse van een instroomopening van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 4.122 niet groter mag zijn dan aangegeven in tabel 4.138. Uit NEN2757 volgt voor een specifiek geval wat de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in tabel 4.138 opgenomen verdunningsfactoren te voldoen. Uit NEN 2757 volgt rekening houdend met de onderlinge ligging wat de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in tabel 4.138 opgenomen verdunningsfactoren te voldoen. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven instroomopeningen en belemmeringen die buiten het bouwwerkperceel liggen buiten beschouwing. De verdunningseis ook van toepassing laten zijn op de instroomopeningen van de buren, is niet mogelijk. De regels in dit besluit zijn net zoals in het Bouwbesluit 2012 zo gesteld dat deze onafhankelijk zijn van de daadwerkelijk naastgelegen bouwwerken op andere percelen. Bij de regels in dit besluit, die ook de veiligheid of gezondheid van de buren beogen, wordt uitgegaan van een spiegelsymmetrisch van de perceelgrens gelegen identiek fictief bouwwerk. Dit geeft invulling aan het uitgangspunt ‘gelijke monniken gelijke kappen’ (rechtsgelijkheid).

Men is hierdoor niet gebonden aan de daadwerkelijk bebouwing of bouwplannen op het andere perceel. Bij verdunningseis is de spiegelsymmetrische bepaling echter niet zinvol omdat dit geen enkele bescherming oplevert voor het buurperceel. In plaats daarvan zijn in het tweede lid regels gesteld aan de afstand tussen een uitmonding en de perceelsgrens die de bescherming van het naastgelegen bouwwerk beogen.

Naast de regels van dit besluit is overlast van uitmondingen onderwerp van regeling in het Burgerlijk Wetboek. Indien men overlast heeft van afvoervoorzieningen van de buren kan men privaatrechtelijk een beroep hierop doen. Ook kan de gemeente aan het gebruik van verbrandingstoestellen regels stellen. De mogelijkheid om als gemeente in te grijpen als een verbrandingstoestel overlast veroorzaakt is met dit besluit verbeterd.

Het tweede lid geeft afstanden tussen de uitmonding en de perceelsgrens die ongeacht de in het eerste lid bedoelde verdunningsfactor moeten worden aangehouden. Het tweede lid is van toepassing op elke in de gevel of andere niet-bovendakse uitmonding. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat uit het vierde lid volgt dat de uitmonding voor een stooktoestel voor vaste brandstof niet in de gevel mag liggen.

Sub a regelt dat de niet bovendakse uitmonding op een afstand van ten minste 1 m van de bouwwerkperceelsgrens moet liggen, gemeten langszij aan een uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie. Zoals hiervoor gemeld geldt de in het eerste lid gestelde eis aan de verdunningsfactor niet ten opzichte van instroomopeningen van belendingen. Oogmerk van de bepaling van sub a is dat naastgelegen gebouwen enige mate van bescherming ondervinden tegen overlast van afvoervoorzieningen voor rookgas.

Sub b regelt dat de niet bovendakse uitmonding op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens moet liggen, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie. Met ‘gemeten loodrecht op de gevel’ is bedoeld dat de afstand van 2 meter haaks op de gevel moet worden gemeten, dus niet langs de gevel of een andere, niet haakse, hoek ten opzichte van die gevel. Bij een bijvoorbeeld in de achtergevel gelegen uitstroomopening gaat het om de haaks op die achtergevel gelegen afstand. Dus terwijl de in sub b bedoelde afstand van 2 meter haaks op de gevel gemeten moet worden (richting overburen), wordt de in sub a bedoelde 1 meter langs de gevel worden gemeten (richting naast gelegen buren). Oogmerk van de bepaling van sub b is dat eventuele belendingen het functioneren van de voorziening niet belemmeren. Het tweede lid geldt niet voor een boven het dakvlak gelegen uitmonding. Dit komt tegemoet aan de bouwpraktijk in Nederland van aaneengesloten daken over meerdere woningen waarbij de afvoervoorzieningen op het dak op de scheidingsgrens van de woningen worden geplaatst. Omdat de uitstoot van rookgas hierbij veelal onbelemmerd is naar de openlucht boven het dak, is er in het algemeen geen overlast voor de buren. Bij een uitmonding voor rookgas voor een verbrandingstoestel voor vaste brandstoffen is deze overlast wel te verwachten en daarom regelt het derde lid dat zo’n uitmonding gelegen boven het dak niet dichter dan 1 m bij de perceelsgrens mag liggen. Eventuele toevoeropeningen in het dak of een dakkapel bij het buurperceel zijn daarmee in enige mate beschermd tegen toetreding van rookgas.

Het vierde lid is bedoeld om hinder van rookgas bij houtstook of het stoken van andere vaste brandstoffen te beperken. Bij een verbrandingstoestel voor vaste brandstoffen, zoals een open haard, een houtkachel of een pelletkachel is de uitstoot van schadelijk fijnstof relatief groot. Omdat het ongewenst is dat dit zich voor de gevel kan ophopen, is een zogenoemde gevelafvoer niet meer toegestaan.

Het vijfde lid regelt dat als het perceel waarop de gebruikfunctie met de rookgasafvoer ligt aan een openbare weg, openbaar water of aan openbaar groen grenst, geldt dat bij het bepalen van de in het tweede en derde lid bedoelde afstand mag worden uitgegaan van de afstand tot het hart van die weg, dat water of dat groen. Dit doet recht aan het feit dat daar geen belemmeringen zijn of voorzieningen die bescherming behoeven tegen rookgas.

Met het zesde lid is beoogd te voorkomen dat de afvoer van rookgas wordt belemmerd als gevolg van ophoping van bijvoorbeeld bladeren of sneeuw. Een instroomopening en een uitmonding moeten daarom ten minste 0,3 m hoger liggen dan het onder die opening of uitmonding gelegen terrein, dak, vloer of vergelijkbaar oppervlak.

Artikel 4.139 (plaats van de instroomopening)

Het eerste lid stelt eisen ter beperking van de concentraties verontreinigde lucht en verbrandingsgassen bij een instroomopening voor verbrandingslucht en is alleen van toepassing als de toevoer van verbrandingslucht via een verblijfsgebied loopt. Dit speelt alleen bij zogenaamde open verbrandingstoestellen die hun verbrandingslucht uit de ruimte halen waarin zij zijn opgesteld.

Het eerste lid regelt dat eventuele rookgassen en verontreinigde lucht zo verdund moeten zijn dat mochten zij weer naar binnen worden gezogen, deze zodanig zijn verdund dat geen schadelijke effecten op de gezondheid kunnen ontstaan. Uit NEN1087 volgt, afhankelijk van een aantal criteria, wat de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in tabel 4.138 opgenomen verdunningsfactoren te voldoen. Bij het vaststellen van een verdunningsfactor behoeft geen rekening gehouden te worden met buiten het perceel gelegen afvoervoorzieningen en belemmeringen.

In het tweede lid is bepaald dat een instroomopening, behalve bij een bovendaks gelegen gelegen instroomopening, ten minste 2 m van de perceelsgrens moeten liggen, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie. Bij een bijvoorbeeld in de achtergevel gelegen instroomopening gaat het om de haaks op die achtergevel gelegen afstand, de afstand ten opzichte van de zijgevel is niet relevant. Oogmerk van deze bepaling is het waarborgen dat belendingen het functioneren van de voorziening niet belemmeren.

Met het derde lid is beoogd te voorkomen dat de toevoer van verbrandingslucht wordt belemmerd als gevolg van ophoping van bijvoorbeeld bladeren of sneeuw. Een instroomopening en een uitmonding moeten daarom ten minste 0,3 m hoger liggen dan het onder die opening of uitmonding gelegen terrein, dak, vloer of vergelijkbaar oppervlak.

Artikel 4.140 (thermisch comfort)

De praktijk wijst uit dat veel mensen bij tocht (te veel circulatie van koude lucht) de neiging hebben om de opening voor de toevoer voor verbrandingslucht af te sluiten, waardoor een voor de gezondheid nadelige situatie kan ontstaan. Om dergelijk handelen te voorkomen stelt dit artikel een maximum aan de luchtsnelheid van verbrandingslucht in de leefzone. Het begrip leefzone is gedefinieerd in bijlage I.

Artikel 4.141 (rookdoorlatendheid)

De in dit artikel gestelde eis aan de rookdoorlatendheid van de afvoervoorziening voor rookgas heeft als doel te voorkomen dat het rookkanaal zo lek is dat dampen, gassen of fijne vaste deeltjes zich tijdens de afvoer naar buiten alsnog binnen het gebouw kunnen verspreiden. De volgens NEN 2757 bepaalde rookdoorlatendheid mag niet groter zijn dan in de tabel is aangegeven. In de tabel is een waarde opgenomen voor een overdrukvoorziening en een waarde voor een onderdrukvoorziening. Bij een overdrukvoorziening zijn de eisen strenger omdat daar, vanwege de overdruk, het risico dat rookgassen ontsnappen groter is.

De bepalingsmethode in NEN 2757 is gelijk aan die van de NEN-EN 1443. Als de CE-markering van een rookgaskanaal aangeeft dat men voldoet aan klasse N1 of P1 volgens NEN-EN 1443 dan voldoet men ook het voorschrift van dit artikel.

Artikel 4.142 (tijdelijk bouwwerk)

Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.135 tot en met 4.141 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.3.9 Bescherming tegen ratten en muizen
Algemeen

Het oogmerk van deze paragraaf is het zoveel mogelijk voorkomen van overlast door ratten en muizen.

Artikel 4.143 (aansturingsartikel)

De functionele eis bepaalt dat een te bouwen bouwwerk zodanig moet zijn dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 4.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 4.144 (openingen)

Het eerste lid geeft aan dat er in de schil geen openingen mogen zitten die breder zijn dan 0,01 m. Uitzonderingen hierop zijn afsluitbare openingen (ramen, deuren en luiken) en de uitmonding van de afvoervoorziening voor luchtverversing, de uitmonding voor een afvoervoorziening voor rook en de uitmonding van een beluchting van een afvoervoorziening voor ‘huishoudelijk afvalwater en hemelwater’. Dit betekent dat andere openingen, zoals een toevoervoorziening voor luchtverversing of afsluitbaar moet zijn of zijn voorzien van een rooster met openingen die niet breder zijn dan 10 mm.

Het tweede lid geeft een specifieke bepaling voor openingen voor een nest of een rust of verblijfplaats voor een beschermde diersoort. De Wet natuurbescherming geeft aan welke diersoorten beschermd zijn. Een eventuele opening voor bijvoorbeeld een vogelnest of nestkast die onderdeel uit maakt van het bouwwerk is op grond van dit tweede lid niet aan afmetingseisen gebonden. Uiteraard moet bij het realiseren van een nestgelegenheid worden opgelet dat er geen ongedierte via de nestgelegenheid de spouw of de rest van het bouwwerk kan binnendringen.

Het derde lid bepaalt dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op een inwendige scheidingsconstructie die een scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is. Hieruit volgt dat er in de wand tussen bijvoorbeeld een woning en een inpandige berging (overige gebruiksfunctie) geen openingen mogen zijn groter dan 10 mm.

Artikel 4.145 (rattenscherm)

Het in het eerste lid voorgeschreven rattenscherm dat ten minste 60 cm de grond in gaat dient ertoe om zoveel mogelijk te voorkomen dat ratten of muizen van onderen af toegang krijgen tot een bouwwerk.

Het tweede lid heeft betrekking op een binnenmuur (inwendige scheidingsconstructie) die de scheiding vormt tussen een gebruiksfunctie waar het eerste lid niet op van toepassing is en een gebruiksfunctie waar dat wel het geval is. In dergelijke gevallen, bijvoorbeeld bij een aan de woning vast gebouwde garage, moet zich onder deze binnenmuur een rattenscherm bevinden. Met deze eis is geregeld dat het ongedierte niet via de garage onder de woning kan komen.

In het derde lid wordt de gebruiker de mogelijkheid geboden om bij een technische ruimte, zoals een meterruimte of een opstelplaats voor een stooktoestel, het scherm weg te laten. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk om een dergelijke ruimte of opstelplaats onder te brengen in een aangrenzende garage. Het is dan wel nodig om een rattenscherm te hebben onder de binnenwand tussen die garage met meterruimte of opstelplaats voor een stooktoestel en de aangrenzende woning.

§ 4.3.10 Daglicht
Artikel 4.146 (aansturingsartikel)

De functionele eis bepaalt dat een bouwwerk zodanig moet zijn dat daglicht in voldoende mate kan toetreden. Er moet uit een oogpunt van gezondheid voldoende daglicht kunnen toetreden in het bouwwerk. Deze regels hebben dus niet het waarborgen van uitzicht tot doel.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de andere bijeenkomstfunctie, de sportfunctie, de winkelfunctie, de overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 4.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook krachtens het Arbeidsomstandighedenregelgeving eisen gesteld kunnen zijn aan de daglichttoetreding bij arbeidsplaatsen.

Artikel 4.147 (daglichtoppervlakte)

De bedoeling van dit artikel is te bereiken dat er uit een oogpunt van gezondheid voldoende daglicht kan toetreden tot een verblijfsgebied of verblijfsruimte.

Dit artikel heeft dus niet het waarborgen van uitzicht vanuit de genoemde ruimten tot doel. In NEN 2057 is aangegeven op welke wijze de vereiste daglichtoppervlakte moet zijn bepaald. Daarbij wordt onder equivalente daglichtoppervlakte verstaan de daglichtopening, voorzover hoger gelegen dan 60 cm boven de vloer, die met de in die norm aangegeven reductiefactoren wordt vermenigvuldigd. Daarbij wordt rekening gehouden met bepaalde belemmeringen zoals dakoverstekken en uitkragende balkons, die de toetreding van daglicht kunnen beperken. De vereiste daglichtoppervlakte kan worden gerealiseerd door openingen in zowel uitwendige als inwendige scheidingsconstructies. Zo mag bijvoorbeeld wanneer er een serre aan de buitenkant van de gebruiksfunctie is, de daglichttoetreding via die serre zijn meegerekend voor een aangrenzend verblijfsgebied of aangrenzende verblijfsruimte.

De eis van het eerste lid heeft betrekking op verblijfsgebieden. De eis aan de daglichtoppervlakte is gerelateerd aan de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied. Hoe groter het verblijfsgebied, hoe groter de vereiste raamoppervlakte.

De eis van het tweede lid regelt de hoeveelheid daglicht die ten minste in een verblijfsruimte en een verblijfsgebied aanwezig moet zijn. Het derde lid stelt enkele randvoorwaarden bij de bepaling van de in het eerste en tweede lid bedoelde equivalente daglichtoppervlakte. Bij het bepalen van de daglichttoetreding hoeft alleen rekening gehouden met bouwwerken die op hetzelfde perceel liggen (sub a). Op die manier kan voor een gebruiksfunctie onafhankelijk van de omgeving worden nagegaan of de gebruiksfunctie aan de daglichteisen voldoet. Daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten op minder dan 2 m afstand van de perceelsgrens liggen blijven buiten beschouwing (sub b). De afstand van 2 m is ontleend het Burgerlijk Wetboek. Wel moet men onafhankelijk van de omgeving (buiten het perceel gelegen objecten) rekening houden met een genormeerde belemmering van ten minste dan 20° (sub c dat betrekking heeft op de aan te houden belemmeringshoek bij het bepalen van de equivalente oppervlakte, zie ook de toelichting op artikel 3.82, daglichtoppervlakte bij bestaande bouw).

Het vierde lid bepaalt dat de daglichteisen niet van toepassing zijn voor gebouwen die een rol spelen in de landsverdediging of de bescherming van de bevolking zoals als schuilkelders.

Het vijfde lid geeft aan dat een afzonderlijke slaapruimte in een kinderdagverblijf geen daglichttoetreding hoeft te hebben. In een ruimte die naast voor slapen ook bedoeld is voor spelactiviteiten is daglichttoetreding wel voorgeschreven.

Met het zesde lid zijn de daglichteisen afgestemd op de daglichteisen als bedoeld in de Regeling politiecellencomplex.

Omdat daglichttoetreding in bijvoorbeeld onderzoeks- en operatieruimten in een gezondheidszorgfunctie vaak onnodig of zelfs onwenselijk is, bepaalt het zevende lid, dat daglichttoetreding alleen nodig is in een bedgebied in een gezondheidszorgfunctie. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een operatieruimte in de regel geen bedgebied is.

Het achtste lid voorziet in de mogelijkheid om bijvoorbeeld een aula, of grote onderwijsruimte in het universitair onderwijs zonder daglichtopeningen te maken.

Afdeling 4.4 Duurzaamheid
§ 4.4.1 Energiezuinigheid
Algemeen

In deze paragraaf worden eisen gegeven voor het energiezuinig bouwen van nieuwe gebouwen. Met de eisen wordt invulling gegeven aan aan de eisen van de richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD-richtlijn 2002/91/EG van het Europees parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen) en de herschikking van die richtlijn (richtlijn 2010/31/EU). Deze eisen zijn gelijk aan de eisen die in het Bouwbesluit 2012 stonden. Het doorvoeren van de regels voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG) heeft hierin nog niet plaatsgevonden. Dit wordt nog gedaan, voor overheidsgebouwen voor 2019 en voor overige gebouwen voor 2021.

Artikel 4.148 (aansturingsartikel)

De functionele eis van artikel 4.148, eerste lid, bepaalt dat een bouwwerk energiezuinig moet zijn.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 4.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 4.149 (energieprestatiecoëfficiënt)

De energieprestatiecoëfficiënt (EPC) is uitgedrukt in een waarde en geeft de mate van energiezuinigheid van een gebouw aan. De bij een bepaalde gebruiksfunctie gerealiseerde EPC is de uitkomst van een berekening, waarin voor die gebruiksfunctie verschillende kengetallen en een speciaal voor die gebruiksfunctie vastgesteld toelaatbaar energiegebruik een rol spelen. De uitkomst waardeert de belangrijkste energetische eigenschappen van een gebruiksfunctie, met inbegrip van de daarin aanwezige bouwwerkinstallaties. Deze bepalingsmethode geeft veel ontwerpvrijheid en een prikkel tot het geïntegreerd ontwerpen van casco en installaties en het bedenken van energiezuinige gebouwconcepten. In artikel 4.155 is bepaald dat de eisen over de energieprestatiecoëfficiënt niet van toepassing zijn op gebruiksfuncties die niet zijn bestemd om te worden verwarmd voor het gebruik door mensen.

De waarden voor de EPC verschillen per gebruiksfunctie. Het eerste lid verwijst hiervoor naar tabel 4.148. De berekende EPC moet lager zijn dan de in de tabel opgenomen waarde. Het eerste lid bepaalt verder dat de EPC ten minste eenmaal per vijf jaar wordt getoetst en zo mogelijk aangepast aan de laatste technische ontwikkelingen. Deze verplichting van de overheid om regelmatig te toetsen en aan te scherpen is met name ook van belang om tot bijna energieneutrale gebouwen te komen (artikel 9 van de richtlijn energieprestatie van gebouwen).

Het tweede lid geeft aan hoe de energieprestatiecoëfficiënt moet worden berekend bij een gebouw met meerdere gebruiksfuncties. Veel gebouwen bevatten namelijk een combinatie van gebruiksfuncties, bijvoorbeeld een kantoor met een kantine (bijeenkomstfunctie) en bedrijfskeuken (industriefunctie). Op grond van dit tweede lid geldt voor zover deze gebruiksfuncties op het zelfde perceel liggen, geen eis aan de afzonderlijke gebruiksfuncties, maar een EPC die is gebaseerd op de EPC's van alle gebruiksfuncties die onderdeel van dat gebouw uitmaken. Er geldt een eis voor het totale toelaatbare jaarlijkse energiegebruik van het gebouw. Dit wordt dan afgezet tegen het karakteristieke energiegebruik. Het karakteristieke energiegebruik en het toelaatbare energiegebruik moeten ook voor een woonfunctie in een gebouw met gebruiksfuncties van een andere soort (dit is dus niet een zuiver woongebouw) worden berekend volgens NEN 7120. Gebruiksfuncties waarvoor geen EPC geldt, zoals de industriefunctie, blijven bij de berekening buiten beschouwing.

Het derde lid biedt de mogelijkheid om bij zogenoemde gebiedsgebonden maatregelen voor de rendementen bij verwarming, warm tapwater en koeling naar keuze gebruik te maken van een in NEN 7120 aangegeven vaste waarde (referentierendement) of gebruik te maken van een volgens NVN 7125 te berekenen waarde. Wanneer in het kader van gebiedsgebonden maatregelen wordt besloten gebruik te maken van NVN 7125, mag de waarde van de energieprestatiecoëfficiënt zonder dat gebruik gemaakt is van deze voornorm ten hoogste 1,33 maal de in tabel 4.148 genoemde waarde zijn. Dit betekent dat bij het gebruiken van NVN 7125 de berekening altijd tweemaal moet worden uitgevoerd, eenmaal zonder en eenmaal met toepassing van NVN 7125. Alleen op grond van de berekening zonder NVN 7125 wordt bepaald of de gebouwgebonden maatregelen zodanig zijn dat de NVN kan worden toegepast. Is de uitkomst van deze berekening ten hoogste 1,33 maal de in tabel 4.148 genoemde waarde, dan kan vervolgens de energieprestatiecoëfficiënt worden bepaald aan de hand van de feitelijke, met behulp van de voornorm, te berekenen waarde. Toepassing van NVN 7125 biedt dus de mogelijkheid om uit te gaan van een gunstiger rendement van gebiedsgebonden maatregelen dan het in NEN 7120 opgenomen referentierendement.

In het vierde lid is ter omzetting van artikel 6 van de richtlijn bepaald dat wanneer er gebruik kan worden gemaakt van een energie-infrastructuur op gebiedsniveau als bedoeld in NVN 7125 (ook wel een gebiedsmaatregel genoemd), bij de bepaling van de EPC de technische, functionele en economische haalbaarheid in overweging moeten worden genomen. De resultaten van deze overwegingen moeten worden gedocumenteerd en beschikbaar worden gehouden voor controle. Daarbij moet rekening worden gehouden met de bij ministeriele regeling gestelde eisen.

Artikel 4.150 (afbakening maatwerkregels energieprestatie)

Het eerste lid geeft aan dat met een maatwerkregel gebieden en categoriën gebruiksfuncties kunnen worden aangewezen waarin de volgens NEN 7120 bepaalde energieprestatiecoëfficiënt als bedoeld in artikel 4.149 lager is dan de in tabel 4.148 genoemde waarde.

Het tweede lid geeft aan dat met die maatwerkregel de eisen in artikel 4.149 alleen mogen worden aangescherpt. Zie ook de toelichting op artikel 4.7.

Artikel 4.151 (bijna energieneutraal)

Het eerste lid regelt dat nieuwe gebouwen in overheidseigendom en waarin overheidinstanties zijn gevestigd zijn ‘bijna energieneutraal’ moeten zijn.

Artikel 4.157, eerste lid, geeft aan dat deze eis van toepassing is op gebouwen waarvoor de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is gedaan na 31 december 2019.

Het tweede lid regelt het zelfde voor andere gebouwen dan de in het eerste lid bedoelde overheidsgebouwen. Wanneer een gebouw energieneutraal is volgt uit de definitie van het begrip bijna energieneutraal gebouw zoals opgenomen in bijlage I.

Artikel 4.157, tweede lid, geeft aan dat deze eis van toepassing is op gebouwen waarvoor de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is gedaan na 30 december 2020.

Artikel 4.152 (thermische isolatie: warmteweerstand)

Met de regel wordt bereikt dat gevel, dak en begane grondvloer van een gebruiksfunctie zodanig worden geïsoleerd dat warmte niet ongelimiteerd naar buiten kan weglekken. Uit artikel 4.155 volgt dat dit artikel niet van toepassing is op gebruiksfuncties die niet zijn bestemd op te worden verwarmd.

Krachtens het eerste lid moet een traditionele gevel of andere verticale uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte een Rc-waarde van ten minste de in de tabel genoemde waarde hebben. Deze minimale R -waarde bedraagt altijd 3,5 m2•K/W. Uitzondering hierop is de woonwagen waarvoor een R -waarde van 2 m2•K/W geldt. Opgemerkt wordt dat de R -waarde met de inwerkingtreding van dit besluit verhoogd is van 2,5 naar 3,5 omdat deze waarde in het algemeen kostenneutraal is en met deze waarde goed wordt aangesloten op de epc-eis. Bovendien wordt hiermee voorkomen dat bij het voldoen aan de epc-eis te eenzijdig op energiezuinige installaties wordt ingezet.

Het tweede lid verwijst naar tabel 4.148 voor de Rc waarde die van toepassing is op een horizontale of schuine uitwendige scheidingsconstructies, zoals de vloer van een verblijfsgebied boven een overkluizing (tunnelvormig bouwwerk) of een plat of schuin dak.

Op grond van het derde lid geldt de eis uit het eerste lid ook voor de begane grondvloer boven een kruipruimte.

Het vierde lid geeft een met de eerste drie leden vergelijkbare eis voor de uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en de grond of het water.

Het vijfde lid houdt in dat dezelfde eis ook geldt voor een binnenwand tussen een verblijfsgebied, toilet- of badruimte en een onverwarmde ruimte, althans niet verwarmd voor personen (functieruimte, zie de begrippen in bijlage I), zoals een serre of een broeikas.

Bij het bepalen of de binnenwand een voldoende warmteweerstand heeft wordt zowel rekening gehouden met aansluitende constructieonderdelen als met positieve effecten van de aansluitende (onverwarmde) ruimte. Deze uitleg vloeit voort uit het begrip inwendige scheidingsconstructie, dat onder meer inhoudt dat aansluitende constructiedelen worden geacht deel uit te maken van de inwendige scheidingsconstructie, voor zover deze van invloed zijn op het voldoen aan de eis (zie bijlage I). In het vijfde lid wordt expliciet gesproken van ‘ruimte die niet wordt verwarmd of die wordt verwarmd alleen voor een ander doel dan het verblijven van personen’. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat er naast functieruimten ook andere ruimten zijn die niet worden verwarmd of beperkt worden verwarmd. Een technische ruimte of een onverwarmde sporthal zijn voorbeelden van niet voor personen verwarmde ruimten. Het derde lid, dat eisen aan de warmteweerstand (Rc-waarde) van de inwendige scheidingsconstructie met een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte stelt, is dus ook op die ruimten van toepassing.

Het zesde lid geeft aan dat bij het isoleren van de uitwendige scheidingsconstructie een oppervlakte ter grootte van maximaal 2 % van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie buiten beschouwing mag worden gelaten.

Artikel 4.153 (thermische isolatie: warmtedoorgangscoëfficent)

Omdat de warmteweerstand van ramen en deuren in het algemeen te kort schiet om te voldoen aan de in artikel 4.152 gesteld eisen, mag op grond van het eerste lid van artikel 4.153 voor dergelijke constructieonderdelen worden volstaan met een lagere isolatiewaarde, uitgedrukt in een warmtedoorgangscoefficient (U-waarde) met een waarde van ten hoogste 2.2 W/m2.K voor ieder afzonderlijk raam, deur en kozijn. Het gaat dan om het samenstel van kozijn en glas. Daarnaast geldt op grond van dit eerste lid voor alle ramen, deuren en kozijnen van de in artikel 4.152 bedoelde scheidingsconstructies in een bouwwerk een gemiddelde U-waarde van ten hoogste 1,65 W/m2.K. Hiermee wordt voorkomen dat afzonderlijke kleine ramen en deuren anders alleen aan de eis zouden kunnen voldoen door het toepassen van afwijkende kozijnmaten. Omdat het uiteindelijk gaat om de isolatie van de volledige gebouwschil is het op grond van het eerste lid voldoende dat de aangescherpte eis van 1,65 W/m2.K alleen geldt voor de gemiddelde U-waarde van een bouwwerk.

Op grond van het tweede lid moeten met ramen, deuren en kozijnen gelijk te stellen constructieonderdelen wel ieder afzonderlijk een U-waarde van ten hoogste 1,65 W-m2 hebben. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om in kozijnen opgenomen niet lichtdoorlatende borstweringen (panelen) of de zijwangen van een dakkapel. Omdat in de ondoorzichtige elementen ruimte is om isolatemateriaal aan te brengen, kan in dergelijke gevallen op een eenvoudige wijze voldaan worden aan deze zwaardere eis van 1,65 W/m2.K.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat uit het zesde lid van artikel 4.152 volgt dat 2% van de thermische schil niet behoeft te voldoen aan de isolatieeis. Die 2% kan ook worden benut voor moeilijk te isoleren onderdelen van de in artikel 4.153 bedoelde ramen, deuren kozijnen en daaraan gelijk te stellen constructieonderdelen, zoals een brievenbus, een kattenluikje en ventilatieroosters.

Artikel 4.154 (luchtvolumestroom)

De omhullende constructie van een gebruiksfunctie laat van nature een zekere mate van lucht door. Het doel van dit artikel is te bereiken dat deze luchtdoorlatendheid zo wordt beperkt, dat er ook bij sterke wind, alleen een beperkte mate van warmteverlies vanwege tocht optreedt. De eis aan de beperking van de luchtdoorlatendheid is evenals de eis aan de thermische isolatie (artikel 4.128), een vangneteis bij gebruiksfuncties waarvoor een epc-eis geldt. Ongeacht de uitkomst van de epc-berekening, waarbij ook de luchtdoorlatendheid een rol speelt, mag de luchtdoorlatendheid niet groter zijn dan de in dit artikel genoemde waarde.

Bij de industriefunctie worden wel eisen aan de beperking van de luchtdoorlatendheid en thermische isolatie gesteld, maar geen eis aan de epc (zie artikel 4.149).

Het eerste lid bevat een eis aan de luchtvolumestroom door scheidingsconstructies van een gebruiksfunctie. Hierbij gaat het om warmteverlies uit verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten. Er zal vooral aandacht moeten worden geschonken aan die plaatsen in de gevel, het dak en de begane grondvloer waar een te grote luchtdoorlatendheid kan optreden. Hierbij valt onder meer te denken aan aansluitingen van kozijnen op muren en aansluitingen van hellende daken op de gevel.

Het tweede lid geeft een afwijking van het eerste lid voor de beperking van de luchtdoorlatendheid van een gebouw met meerdere gebruiksfuncties. Dit kan bijvoorbeeld een woongebouw maar ook een kantoorgebouw met een kantine en een dienstwoning zijn. De regel geldt voor zover de gebruiksfuncties op hetzelfde perceel liggen. Bij toepassing van het tweede lid moet de luchtdoorlatendheid voor alle gebruiksfuncties waarvoor een eis aan de luchtdoorlatendheid geldt samen worden bepaald. De luchtdoorlatendheid van gemeenschappelijke toileten badruimten van een woonfunctie wordt daarbij buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4.155 (onverwarmde gebruiksfunctie)

Artikel 4.155 geeft voor gebruiksfuncties die niet zijn bestemd om te worden verwarmd een uitzondering op de artikelen 4.149 tot en met 4.154. Het kan hier gaan om een gebouw voor seizoensgeboden gebruik, alleen in het zomerseizoen, maar ook bijvoorbeeld om een onverwarmde sporthal of een onverwarmde industriefunctie. Wanneer een verwarmingsinstallatie voor ruimteverwarming aanwezig is, betekent dit dat het gebouw bestemd is om te worden verwarmd, ook als er nooit gestookt wordt. In een dergelijk geval mag niet van de vrijstelling van dit artikel gebruik worden gemaakt. Wordt een als onverwarmde ruimte aangemerkte ruimte alsnog voorzien van ruimteverwarming, dan is er mogelijk sprake van een bouwwerk dat op basis van een onjuiste aanvraag om omgevingsvergunning tot stand is gekomen, waartegen het bevoegd gezag handhavend kan optreden.

Artikel 4.156 (tijdelijk bouwwerk)

Dit artikel bepaalt dat op het bouwen van een verwarmd tijdelijk bouwwerk artikel 3.141 van overeenkomstige toepassing is. Daarbij moet worden uitgegaan van een warmteweerstand van ten minste 1,3 m2•K/W in plaats van ten minste 2,5 m2•K/W en een warmtedoorgangscoëfficiënt ten hoogste 4,2 W/m2•K in plaats van ten hoogste 2,2 W/m2•K.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

Artikel 4.157 (overgangsrecht: energiezuinigheid)

Het eerste lid van artikel 4.157 bepaalt dat het eerste lid van artikel 4.150, dat regelt dat een te bouwen overheidsgebouw energieneutraal moet zijn, niet van toepassing is bij overheidsgebouwen waarvan de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit is ingediend voor 1 januari 2019.

Het tweede lid geldt voor andere gebouwen dan overheidsgebouwen. Dit lid regelt dat de verplichting om energieneutraal te zijn bij de in het tweede lid van artikel 4.150 bedoelde gebouwen die geen overheids gebouw zijn, op 31 december 2020, dus twee jaar later in werking treedt dan bij overheidsgebouwen.

§ 4.4.2 Milieuprestatie
Artikel 4.158 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid, een bouwwerk is zodanig dat de belasting van het milieu door de in het bouwwerk toe te passen materialen wordt beperkt, heeft tot doel door het sturen op het duurzaamheidgehalte van te bouwen woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen de schadelijke effecten van de gebouwen te beperken. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Met uitzondering van de andere woonfunctie en de kantoorfunctie wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 4.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 4.159 (milieuprestatie)

Met de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken kan de milieuprestatie op eenduidige en controleerbare wijze worden vastgesteld. De berekening vindt plaats op basis van het materiaalgebruik met gebruikmaking van milieudata uit de Nationale Milieu Database (NMD). Deze systematiek maakt het mogelijk dat de bouwer of opdrachtgever weloverwogen kan kiezen voor het materiaalgebruik met zo min mogelijk milieueffecten.

Bij de bepaling van de milieuprestatie hoeven alleen die constructieonderdelen en installaties te worden meegenomen die nodig zijn om te voldoen aan de overige voorschriften van dit besluit.

In het eerste lid is aangegeven dat een woonfunctie een milieuprestatie moet hebben van ten hoogste 1 bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Het niveau van eisen is zo gekozen dat het merendeel van de nieuw te bouwen woningen hier aan kan voldoen. Deze getalswaarde is afgeleid uit het rapport ‘Bepaling kwaliteitsniveaus milieuprestatie van woonfuncties’ (W/E adviseurs d.d. 14 november 2014, zie www.rijksoverheid.nl). Uit de tabel volgt dat deze eis geldt voor iedere afzonderlijke woonfunctie behalve voor een woonwagen.

Het tweede lid geeft een soortelijke eis als het eerste lid voor een kantoorgebouw. Met de aan te houden waarde voor de milieuprestatie van een kantoorgebouw van 1 is aangesloten bij de ‘nulwaarde’ uit het private certificeringstelsel van duurzaam vastgoed (www.breaam.nl). De eis is dus van toepassing op een kantoorgebouw, dat volgens de definitie een gebouw of gedeelte daarvan is met uitsluitend een of meer kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan.

Uit het derde lid volgt dat het tweede lid niet van toepassing is op een kantoorgebouw als het totale gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties en nevenfuncties daarvan in het kantoorgebouw of in het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt kleiner is dan 100 m2. Een afzonderlijk kantoorgebouw met minder dan 100 m2 aan kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties valt daarmee buiten de labelplicht. Is het kantoorgebouw onderdeel van een (groter) gebouw dan geldt deze grens van 100 m2 voor het gehele gebouw. Bij de bepaling van de gebruiksoppervlakte van 100 m2 zal dus ook de gebruiksoppervlakte aan nevengebruiksfuncties moeten worden meegeteld. Het gaat dan bijvoorbeeld om een kantine of vergaderruimten (bijeenkomstfunctie).

Het vierde lid regelt dat het tweede lid ook niet van toepassing is op een kantoorgebouw dat deel uitmaakt van een gebouw met andere gebruiksfuncties dan de kantoorfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan. Voor bijvoorbeeld een combinatiegebouw met kantoren en daaronder gelegen winkels of horeca geldt de eis dus niet.

In het vijfde lid wordt verwezen naar de voorschriften die bij ministriële regeling worden gegeven.

Artikel 4.160 (afbakening maatwerkregels milieuprestatie)

Het eerste lid geeft aan dat met een maatwerkregel gebieden kunnen worden aangewezen waarin de volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken bepaalde 1-puntscore als bedoeld in artikel 4.159 lager is dan in dat artikel genoemde waarde.

Het tweede lid geeft aan dat met die maatwerkregel de eisen in artikel 4.149 alleen mogen worden aangescherpt. Zie ook de toelichting op artikel 4.7.

Afdeling 4.5 Bruikbaarheid
§ 4.5.1 Algemeen

Ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 zijn de bruikbaarheidseisen niet meer van toepassing op niet voor bewoning bestemde bouwwerken (utiliteitsbouw). Voor de woonfunctie zijn alle bruikbaarheidsvoorschriften echter in stand gehouden. Dit volgt uit de aansturing. De invulling van deze kwaliteitsaspecten bij utiliteitsbouw wordt in het vervolg volledig aan burgers, bedrijven en markt overgelaten. Gemeenten kunnen hieraan ook geen (nadere) eisen stellen. Het vervallen van bruikbaarheidseisen bij een nieuw te bouwen utiliteitsgebouw geldt niet voor de eisen voor de toegankelijkheid en de bereikbaarheid van een gebouw voor mensen met een functiebeperking.

Bovendien zal voor gebouwen waarin arbeid wordt verricht rekening moeten worden gehouden met de regels voor arbeidsplaatsen bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet.

Artikel 4.161 (afbakening maatwerkregels bruikbaarheid)

Dit artikel geeft aan welke afbakening geldt voor maatwerkregels die zijn opengesteld voor het onderwerp bruikbaarheid in artikel 4.7 van dit besluit. De bruikbaarheidseisen in afdeling 4.5 gelden landelijk uniform voor de woonfunctie, gemeenten kunnen hier in gevallen op basis van dit artikel (in combinatie met artikel 4.7) gemotiveerd en binnen de doelen van de wet van afwijken. Hiertoe kunnen zij een maatwerkregel in het omgevingsplan opnemen waarin voor een gebied of categorie woonfuncties van één of meerdere eisen uit deze afdeling wordt afgeweken. Uit dit artikel blijkt dat dit afwijken voor het onderwerp bruikbaarheid slechts één kant op kan gaan, namelijk door een minder strenge minimumeis te stellen. Opgemerkt wordt dat deze mogelijkheid tot versoepelen alleen ziet op de eisen die gelden bij nieuwbouw, het versoepelen kan dus niet verder gaan dan de bruikbaarheidseisen die in hoofdstuk 3 van dit besluit aan bestaande bouw worden gesteld.

Deze maatwerkmogelijkheid is opgenomen om lokaal zo gericht mogelijk de ontheffing te geven die nodig is om lokale initiatieven voor nieuwe woonvormen mogelijk te maken. Hierbij kan gedacht worden aan huizen met een klein oppervlak (micro- en tiny houses).

Deze maatwerkmogelijkheid is vergeleken met hetgeen in het Bouwbesluit 2012 is geregeld nieuw. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat deze versoepelingsmogelijkheid alleen wordt geboden voor bruikbaarheidseisen in afdeling 4.5 en niet voor de in afdeling 4.6 opgenomen toegankelijkheidseisen.

§ 4.5.2 Verblijfsgebied en verblijfsruimte
Artikel 4.162 (aansturingsartikel)

In de functionele eis van dit artikel, eerste lid, is aangegeven dat een woonfunctie een verblijfsgebied moet hebben waarin de voor het wonen kenmerkende activiteiten kunnen plaatsvinden. Dat verblijfsgebied kan worden ingedeeld in verblijfsruimten en andere ruimten. Als er geen indeling in afzonderlijke ruimten is gemaakt dan geldt het verblijfsgebied in zijn geheel als verblijfsruimte. Niet alleen een woonfunctie, maar ook andere voor het verblijven van personen bestemde gebruiksfuncties moeten een verblijfsgebied hebben. Dit volgt uit de in bijlage I bij artikel 1.1 bedoelde begrippen. Uit artikel 4.166 volgt echter dat alleen bij de woonfunctie het verblijfsgebied moet voldoen aan de in paragraaf 4.5.2 bedoelde bruikbaarheidseisen.

De tabel van het tweede lid wijst per subgebruiksfunctie van de woonfunctie regels aan die van toepassing zijn op die subgebruiksfunctie. De subgebruiksfuncties die in deze tabel onder de woonfunctie worden onderscheiden zijn de woonwagen, de woonfunctie voor studenten en een andere woonfunctie. Met dat laatste is bedoeld elke woonfunctie die niet een woonwagen of een woonfunctie voor studenten is. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.163 (aanwezigheid)

Om de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten te kunnen verrichten is het noodzakelijk dat er in een gebruiksfunctie voldoende vloeroppervlakte aan verblijfsgebied aanwezig is. Op grond van eerste lid van dit artikel is de minimale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied per soort woonfunctie afleesbaar in tabel 4.162. Uit de tabel volgt dat de woonfunctie voor studenten 15 m2 aan niet gemeenschappelijk verblijfsgebied moet hebben, terwijl andere woonfuncties ten minste 18 m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied moeten hebben.

Met deze uitzondering voor studenten is het eenvoudiger geworden om studentenhuisvesting te realiseren. Naast deze oppervlakte aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied mag er ook gemeenschappelijk verblijfsgebied zijn. Aan de oppervlakte aan gemeenschappelijk verblijfsgebied is echter geen minimum verbonden.

Het is wenselijk dat een woning redelijk efficiënt is ingedeeld. Hiervoor is in het tweede lid voor de woonfunctie voorgeschreven dat ten minste 55% van de gebruiksoppervlakte van een woonfunctie verblijfsgebied moet zijn. Met dit percentage wordt zowel de ontwerpvrijheid als de mogelijkheid om op een voldoende op de afmetingen van de woonfunctie gerichte regels te stellen gewaarborgd. Uit de tabel blijkt dat deze regel niet geldt voor een andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie. Alleen als een vloeroppervlakte voldoet aan de in artikel 4.164 bedoelde afmetingen kan de vloeroppervlakte worden meegeteld ten behoeve van de in het tweede lid bedoelde percentage verblijfsgebied van een woonfunctie (55%).

Dat aan andere gebruiksfuncties geen minimale oppervlakte of minmaal percentage van de gebruiksoppervlakte aan verblijfsgebied is voorgeschreven wil niet zeggen dat die gebruiksfuncties geen verblijfsgebied zullen hebben. Omdat bij elke voor het verblijven van personen bestaande gebruiksfunctie, elke ruimte waarin een voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteit plaatsvindt een verblijfsgebied. Zodoende zal bij elke voor het verblijven van personen bestemde gebruiksfunctie een verblijfsgebied moeten hebben en zal een dergelijk gebouw minder efficiënt worden ervaren, naarmate het percentage aan verblijfsgebied kleiner is. Bij een percentage van minder dan 55% zal er sprake zijn van een ongebruikelijk inefficiënt gebouw.

Artikel 4.164 (afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte)

In dit artikel worden eisen gesteld aan de afmetingen van verblijfsgebieden en verblijfsruimten. Het eerste lid geeft aan dat een verblijfsgebied een vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 moet hebben. Dit besluit stelt geen minimale eis aan de vloeroppervlakte van een verblijfsruimte. Een verblijfsgebied is zodoende vrij indeelbaar, op voorwaarde dat elke verblijfsruimte in het verblijfsgebied de in het tweede lid bedoelde breedte heeft.

Het tweede lid bepaalt dat elk verblijfsgebied en elke verblijfsruimte van een woonfunctie een breedte van ten minste 1,8 moeten hebben, zodat er naast een eenpersoonsbed nog voldoende ruimte voor een deur resteert. Voorzover een ruimte smaller is dan 1,8 m mag deze ruimte niet worden meegeteld als verblijfsruimte. Dat wil zeggen dat een verblijfsruimte altijd ten minste 1,8 x 1,8 m2 zijn.

In het derde lid wordt voor de woonfunctie een nadere eis gegeven. Iedere woonfunctie moet ten minste een verblijfsgebied hebben met een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 11 m2 en een breedte van ten minste 3 m. Een ruimte van deze afmetingen biedt voldoende ruimte voor een zithoek voor vier personen, een bureautje en een wandmeubel. Dit wil overigens niet zeggen dat het verplicht is om daadwerkelijk in deze ruimte een zithoek te maken. Het staat de bewoners vrij om de ruimte te benutten voor een andere woonactiviteit of inrichting.

Uit het vierde lid (hoogte boven de vloer) blijkt dat een verblijfsgebied moet voldoen aan het in tabel 4.161 bij de waarden aangegeven hoogte boven de vloer.

Alleen als aan de in het eerste, tweede en vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan mag een vloeroppervlakte worden meegeteld bij het in artikel 4.162, tweede lid, bedoelde percentage aan verblijfsgebied.

§ 4.5.3 Toiletruimte
Artikel 4.165 (aansturingsartikel)

In de functionele eis van artikel 4.164, eerste lid, is aangegeven dat een woonfunctie voldoende toiletruimte moet hebben.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor andere functies dan de woonfunctie zijn in deze paragraaf geen eisen gesteld aan de aanwezigheid van een reguliere toiletruimte. In § 4.6.1 zijn voor een gebruiksfunctie met een toegankelijkheidssector wel regels gesteld voor een integraal toegankelijke toiletruimte.

Voor de aanwezigheid van toiletruimten voor medewerkers kunnen krachtens de Arbeidsomstandigheidenwet eisen zijn gesteld.

Artikel 4.166 (aanwezigheid)

Het eerste lid regelt dat elke woning (woonfunctie) een toiletruimte moet hebben. Het is echter niet zo dat de toiletruimte in de woning moet liggen. In artikel 2.7 is als uitganspunt gesteld dat elke ruimte en voorziening gemeenschappelijk mag zijn, tenzij anders is bepaald. Het tweede en derde lid geven voor een toiletruimte de afwijkingen op de hoofdregel aan. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een in artikel 4.186 bedoelde integraal toegankelijke toiletruimte tegelijkertijd een in deze paragraaf bedoelde reguliere toiletruimte kan zijn.

Het tweede lid geeft aan hoeveel woningen op een toiletruimte mogen zijn aangewezen. Hoewel het in de praktijk steeds minder voor komt biedt deze regel de mogelijkheid om een toiletruimte te delen met een aantal andere woningen.

Het derde lid regelt dat op een toiletruimte alleen een gebruiksfunctie van een andere soort, zoals een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een overige gebruiksfunctie mag zijn aangewezen als deze andere gebruiksfunctie een nevengebruiksfunctie van een woonfunctie is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een kantoortje voor iemand die thuis werkt. De gebruiker van de nevengebruiksfunctie moet dan tevens gebruiker (bewoner) van de hoofdfunctie zijn.

Artikel 4.167 (afmetingen)

Dit artikel heeft alleen betrekking op voorgeschreven toiletruimten. Een extra toiletruimte, bijvoorbeeld onder een trap of schuin dak, behoeft niet aan deze afmetingseisen te voldoen.

Het eerste lid stelt een basiseis van ten minste 0,9 m bij 1,2 m aan de vloeroppervlakte. De in dit artikel bedoelde toiletruimte kan tegelijkertijd een in artikel 4.186 bedoelde integraal toegankelijke toiletruimte zijn. In dat geval zal de toiletruimte ook aan de in artikel 4.187 bedoelde afmetingseisen moeten voldoen.

Het hoogtevoorschrift van het tweede lid geldt boven de gehele vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid. Opgemerkt wordt dat deze in de tabel aangegeven hoogte boven de vloer 2,3 m is, behalve bij een woonwagen waarbij met 2,1 m kan worden volstaan. Een eventuele extra vloeroppervlakte behoeft niet aan deze hoogte-eisen te voldoen.

§ 4.5.4 Badruimte
Artikel 4.168 (aansturingsartikel)

De functionele eis van artikel 4.167, eerste lid, geeft aan dat een woonfunctie voldoende badruimte moet hebben.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor andere functies dan de woonfunctie zijn in deze paragraaf geen eisen gesteld aan de aanwezigheid van een reguliere badruimte. In § 4.6.1 zijn voor enkele van deze gebruiksfuncties als ze een toegankelijkheidssector en een (vrijwillige) badruimte hebben, wel regels gesteld voor een integraal toegankelijke badruimte.

Voor de aanwezigheid van was-en badruimten voor medewerkers kunnen krachtens de Arbeidsomstandigheidenwet eisen zijn gesteld.

Artikel 4.169 (aanwezigheid)

Dit artikel regelt dat een woning of woonwagen (woonfunctie) ten minste een badruimte moet hebben. Het is echter niet zo dat de badruimte in de woning moet liggen. In artikel 2.7 is als uitganspunt gesteld dat elke ruimte en voorziening gemeenschappelijk mag zijn, tenzij anders is bepaald. Voor de badruimte geeft dit artikel geen afwijkingen op deze hoofdregel aan.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een badruimte mag zijn samengevoegd met een toiletruimte en dat een in artikel 4.186 bedoelde integraal toegankelijke badruimte tegelijkertijd een in deze paragraaf bedoelde reguliere badruimte kan zijn. Verder wordt opgemerkt dat bij bepaalde gebruiksfuncties uit het aantal (op vrijwillige basis) reguliere badruimten wordt afgeleid hoeveel integraal toegankelijke badruimten verplicht zijn (zie artikel 4.186).

Artikel 4.170 (afmetingen)

Dit artikel heeft alleen betrekking op voorgeschreven badruimten. Een extra badruimte, bijvoorbeeld onder een trap of schuin dak, behoeft niet aan deze afmetingseisen te voldoen.

Het eerste lid stelt een basiseis van ten minste 1,6 m2 vloeroppervlakte bij een breedte van ten minste 0,8 m. De in dit artikel bedoelde badruimte kan tegelijkertijd een in artikel 4.186 bedoelde integraal toegankelijke badruimte zijn. In dat geval zal de badruimte ook aan ook de in artikel 4.187 bedoelde afmetingseisen moeten voldoen.

Het tweede lid geeft een minimumeis voor een met een toiletruimte samengevoegde badruimte. Deze eis is ten minste 2,2 m2 vloeroppervlakte bij een breedte van ten minste 0,9 m. De afmetingen van een met een toiletruimte samengegevoegde integraal toegankelijke badruimte leest u af in artikel 4.187.

Het hoogtevoorschrift van het derde lid geldt boven de gehele vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste en tweede lid. Het hoogtevoorschrift van het derde lid geldt boven de gehele in het eerste lid bedoelde vloeroppervlakte. Opgemerkt wordt dat deze in de tabel aangegeven hoogte boven de vloer 2,3 m is, behalve bij een woonwagen waarbij met 2,1 m kan worden volstaan. Een eventuele extra vloeroppervlakte behoeft niet aan deze hoogte-eis, te voldoen.

§ 4.5.5 Buitenberging
Artikel 4.171 (aansturingsartikel)

Dit artikel bevat in het eerste lid de functionele eis dat een woonfunctie een bergruimte moet hebben die geschikt is om fietsen en scootmobielen tegen weer en wind beschermd en afgesloten te kunnen opbergen. Dit geldt niet voor een woonfunctie van het ‘Centraal Orgaan opvang asielzoekers’ voor opvang aan asielzoekers. Dergelijke opvang moet alleen voldoen aan de normen zoals bedoeld in richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (PbEG 2003, L31). Een buitenberging is in deze richtlijn niet voorgeschreven.

Artikel 4.4 regelt voor deze paragraaf dat de in het eerste lid bedoelde functionele eis onverkort van toepassing is op een woonfunctie voor zorg en een woonfunctie voor studenten. Dit is een afwijking van de hoofdregel die voor andere paragrafen aangeeft dat een aansturingsartikel niet van toepassing is op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van het aansturingsartikel. Aanvragers van een omgevingsvergunning voor het bouwen van dergelijke woonfunctie zullen dus een buitenberging moeten realiseren die, ter beoordeling van bevoegd gezag, voldoet aan dit functionele voorschrift. Hierbij gelden geen andere afmetingseisen dan dat de ruimte voldoende groot moet zijn om aan de functionele eis gevolg te kunnen geven en behoeft de bescherming tegen weer en wind niet op het niveau te zijn van een in NEN 2778 bedoelde regenwerendheid. Ten overvloede wordt erop gewezen dat dit niet betekent dat de fietsen of scootmobiels nu in de gang of gemeenschappelijke verkeersruimten moeten worden geplaatst. Dat is geen juiste invulling van de functionele eis. Bovendien kan dit strijd opleveren met de specifieke zorgplicht.

Verder wordt opgemerkt dat een woonfunctie van het Coa niet alleen van de prestatie-eisen, maar ook van de functionele eis is uitgesloten.

Artikel 4.172 (aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen)

Dit artikel stelt eisen aan de maatvoering van de buitenberging.

Er is gekozen voor een minimale oppervlaktemaat per woning, voldoende voor het ten minste kunnen bergen van enkele fietsen en wat andere objecten.

Het eerste lid geeft aan dat een woonfunctie als nevengebruiksfunctie een niet-gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte moet hebben met een vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 bij een breedte van ten minste 1,8 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2,3 m. Met nevengebruiksfunctie is bedoeld dat de bergruimte geen onderdeel is van de woonfunctie, maar een ten dienste van de woning staande ‘overige gebruiksfunctie’. Dit is van belang omdat aan de bergruimte als overige gebruiksfunctie, minder strenge eisen worden gesteld dan aan een als woonfunctie aangemerkte bergruimte.

De bergruimte mag inpandig zijn, maar dat hoeft niet. Niet-gemeenschappelijk en afsluitbaar geeft aan dat iedere woning een eigen afzonderlijke bergruimte moet hebben die met een deur afsluitbaar is. Met de in dit lid opgenomen afmetingen wordt een effectieve ruimte voor een of meer fietsen gegarandeerd, ook als de deur naar binnen open zou draaien. Het is mogelijk te kiezen tussen een lange smalle(meer spullen) of een compacte brede (meer fietsen) bergruimte. Opgemerkt wordt dat de hoogte-eis alleen geldt voor het de voorgeschreven minimummaat. Met andere woorden, bij een grotere bergruimte of schuur hoeft voor de extra oppervlakte niet aan de hoogte-eis te worden voldaan.

Het tweede lid geeft een uitzondering op de regel dat elke woning een eigen bergruimte moet hebben. Een bergruimte mag gemeenschappelijk zijn als de gebruiksoppervlakte van de woonfunctie niet meer dan 50 m2 bedraagt en er een gemeenschappelijke bergruimte is met een vloeroppervlakte van 1,5 m2 per op die bergruimte aangewezen woning. Hiermee kan bij bijvoorbeeld studentenflats worden volstaan met een gemeenschappelijke fietsenberging. Opgemerkt wordt dat dit besluit geen eisen stelt aan de inventaris van de ruimte. Dus er mogen ook meerlaagse fietsenrekken worden gebruikt, waarmee de 1,5 m2 zelfs ruim voldoende moet zijn. Voordeel van het hanteren van de gebruiksoppervlakte is dat die eenduidig te bepalen is (NEN 2580). Een gebruiksoppervlakte van 50 m2 komt in de praktijk overeen met een vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van 40 m2.

Het derde lid eist dat een bergruimte vanaf de openbare weg al dan niet via de eigen tuin of via een bergingsgang of via een gemeenschappelijke verkeersruimte kan worden bereikt, zonder door een woning te moeten. Een bergruimte op zolder of bijvoorbeeld op de tweede verdieping van een portiekflat zonder lift zal niet aan deze eis kunnen voldoen. De buitenberging moet ook bereikbaar zijn voor een scootmobiel. Dit wil zeggen dat niet kan worden volstaan met een fietsgootje langs een trap.

Artikel 4.173 (regenwerend)

Dit artikel stelt een eis aan de regenwerendheid van een voorgeschreven bergruimte. De uitwendige scheidingsconstructie moet zodanig regenwerend zijn dat de daarin opgeborgen voorwerpen tegen weer en wind beschermd zijn. Met andere woorden dak, wanden en deuren moeten deugdelijk zijn. Dit wordt getoetst aan NEN 2778. Een uitvloeisel van deze eis is dat de bergruimte met relatief eenvoudige maatregelen inbraakwerend kan worden gemaakt.

§ 4.5.6 Buitenruimte
Algemeen

Een buitenruimte bij een woning voorziet in de fundamentele menselijke behoefte om in contact te kunnen staan met de omgeving. Een buitenruimte is zoals het spraakgebruik ook aangeeft een ruimte waar licht en verse lucht vrijelijk in en uit kunnen stromen. Een dergelijke ruimte ligt dus buiten de thermische schil. Voorbeelden van buitenruimten zijn een tuin, een balkon, een loggia of een dakterras.

Artikel 4.174 (aansturingsartikel)

Artikel 4.174, eerste lid, bevat de functionele eis dat een woonfunctie (woning of woongebouw) anders dan een woonfunctie voor studenten of een woonfunctie voor zorg over een buitenruimte moet beschikken die rechtstreeks vanuit dat bouwwerk kan worden bereikt. Dit geldt niet voor een woonfunctie van het ‘Centraal Orgaan opvang asielzoekers’ voor opvang aan asielzoekers. Dergelijke opvang moet alleen voldoen aan de normen zoals bedoeld in richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (PbEG 2003, L31). Een buitenruimte is in deze richtlijn niet voorgeschreven.

De tabel van het tweede lid wijst per sub-gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op de woonfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de woonfunctie voor zorg en de woonfunctie voor studenten wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 4.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze sub-gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 4.175 (aanwezigheid, afmetingen en bereikbaarheid)

Artikel 4.175 geeft in het eerste lid aan dat elke woning een rechtstreeks vanuit de woning bereikbare niet-gemeenschappelijke buitenruimte moet hebben met een vloeroppervlakte van ten minste 4 m2 en een breedte van ten minste 1,5 m. Een surplus aan buitenruimte mag wel gemeenschappelijk zijn, maar ook dan moet voor iedere woning ten minste 4 m2 niet-gemeenschappelijke buitenruimte met een breedte van ten minste 1,5 m beschikbaar zijn. Een niet-gemeenschappelijke buitenruimte kan niet gelijktijdig een gemeenschappelijke verkeersruimte zijn. Een galerij mag dus niet worden meegerekend bij de voorgeschreven oppervlakte van de buitenruimte. De buitenruimte mag wel aan de galerij grenzen.

Het is niet noodzakelijk om de afzonderlijke buitenruimten fysiek (met schuttingen e.d.) van elkaar te scheiden.

Het tweede lid geeft een uitzondering voor woningen met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2. Bij dergelijke woningen mag de buitenruimte gemeenschappelijk zijn en behoeft de oppervlakte van een gemeenschappelijke buitenruimte slechts 1 m2 per woning te bedragen. De gezamenlijke buitenruimte moet echter, ook als er minder dan vier woningen op de buitenruimte zijn aangewezen, ten minste 4 m2 zijn bij een breedte van ten minste 1,3 m. Zijn er echter bijvoorbeeld 6 woningen op die ruimte aangewezen dan zal de totale vloeroppervlakte ten minste 6 m2 moeten bedragen. De buitenruimte moet of rechtstreeks vanuit de woning bereikbaar zijn of via gemeenschappelijke ruimten. Dit mag dus zowel via een of meer gemeenschappelijke verkeersruimten als via gemeenschappelijke verblijfsruimten. Met dit tweede lid is het bijvoorbeeld mogelijk kleine woningen, zoals studentenflats, te realiseren met een aan de gemeenschappelijke keuken, woonkamer of verkeersruimte grenzend balkon.

In paragraaf 4.2.3 worden overigens eisen gesteld aan het balkonhek of andere afscheiding aan de rand van een vloer om bij hoogteverschillen te voorkomen dat men van het balkon of een andere bouwkundige vloer kan vallen. De in deze paragraaf bedoelde buitenruimte behoort tot de woonfunctie. Zodoende moet het balkonhek of andere afscheiding voldoen aan de daaraan bij een woonfunctie gestelde eisen.

§ 4.5.7 Opstelplaatsen
Algemeen

In artikel 2.7 is als uitganspunt gesteld dat elke elke ruimte en voorziening gemeenschappelijk mag zijn, tenzij anders is bepaald. Voor de in deze paragraaf bedoelde opstelplaatsen geeft dit besluit geen afwijking op deze hoofdregel.

Artikel 4.176 (aansturingsartikel)

De functionele eis geeft aan dat een woonfunctie opstelplaatsen voor een aanrecht, een kooktoestel, een verwarmingstoestel en een warmwatertoestel moet hebben.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor andere functies dan de woonfunctie zijn in deze paragraaf geen eisen gesteld aan de aanwezigheid van de in deze paragraaf bedoelde opstelplaatsen.

Artikel 4.177 (aanwezigheid)

Het eerste lid bepaalt voor de woonfunctie dat in ten minste een verblijfsgebied zowel een opstelplaats voor een aanrecht als een opstelplaats voor een kooktoestel moet zijn. Aan de specifieke plaats van een opstelplaats voor een aanrecht en een kooktoestel binnen het verblijfsgebied worden geen eisen gesteld. Bovendien mogen beide opstelplaatsen zolang ze in hetzelfde verblijfsgebied liggen wel in verschillende ruimten (al dan niet verblijfsruimten) liggen. Dit benadrukt de vrije indeelbaarheid van het verblijfsgebied. Uit tabel 4.176 volgt dat er bij een woonfunctie voor zorg geen verplichting is om een opstelplaats voor een aanrecht/kooktoestel te realiseren. Bij een woonfunctie voor zorg is een behoefte aan deze voorzieningen niet vanzelfsprekend.

Het tweede lid bevat de aanwezigheidseis voor een opstelplaats voor een verwarmingstoestel, zoals bijvoorbeeld een haard, een cv-ketel of een ander stooktoestel. Het gaat dus om het toestel waarin de warmte wordt opgewekt of omgezet en dus niet om bijvoorbeeld de radiatoren van een cv-installatie. De afmetingen van de opstelplaats moeten zijn afgestemd op het te plaatsen verwarmingstoestel. Het spreekt voor zich dat bij die afmetingen rekening moet worden gehouden met de voor onderhoudsactiviteiten noodzakelijke ruimte. Het toestel mag gemeenschappelijk met andere gebruiksfuncties worden gebruikt. Ook mag het verwarmingstoestel worden gecombineerd met een warmwatertoestel (combiketel). De eisen van het tweede lid gelden niet wanneer de gebruiksfunctie is aangesloten op een publieke voorziening voor verwarming (bijvoorbeeld stadsverwarming). Voor het derde lid dat betrekking heeft op een opstelplaats voor een warmwatertoestel gelden dezelfde overwegingen als voor een opstelplaats voor een verwarmingstoestel.

Artikel 4.178 (afmetingen)

Het eerste lid geeft als maat voor een (al dan niet gemeenschappelijke) opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 4.177, eerste lid, een vloeroppervlakte van ten minste 1,4 x 0,6 m. Voor een opstelplaats voor een ander aanrecht gelden dus geen specifieke afmetingseisen.

Het tweede lid geeft als maat voor een (al dan niet gemeenschappelijke) opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.177, eerste lid, een vloeroppervlakte van ten minste 0,6 x 0,6 m.

Aan de opstelplaatsen voor een verwarmingstoestel en een warmwatertoestel zijn geen afmetingseisen gesteld. De afmetingen moeten derhalve functioneel worden bepaald. Dat wil zeggen dat er voldoende ruimte is voor het toestel, en voor het plaatsen, bedienen en het onderhoud daarvan.

Afdeling 4.6 Toegankelijkheid
§ 4.6.1 Bereikbaarheid, algemeen
Artikel 4.179 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid bepaalt dat een bouwwerk voldoende toegankelijk moet zijn. Een bouwwerk moet voor alle soorten gebruikers, dus inclusief rolstoelgebruikers, voldoende bereikbare toegankelijke ruimten hebben. In deze paragraaf zijn regels gesteld over de bereikbaarheid van deze en andere onderdelen van een bouwwerk, zoals de breedte en hoogte van doorgangen en specifieke eisen voor het overbruggen van hoogteverschillen bij een toegankelijkheidssector. In paragraaf 4.6.2 worden eisen gesteld aan de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector. Typerend voor een toegankelijkheidssector is dat mensen met een rolstoel die sector zelfstandig, dus zonder hulp van anderen, kunnen bereiken en gebruiken. In paragraaf 4.6.3 zijn overeenkomstige eisen gesteld aan de bereikbaarheid van een gebouw met een toegankelijkheidssector vanaf de openbare ruimte.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de lichte industriefunctie, de overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Artikel 4.4 bepaalt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.

Artikel 4.180 (vrije doorgang: doorgang)

Het eerste lid stelt eisen aan de vrije breedte (ten minste 0,85 m) en aan de vrije hoogte (2,3 m of 2,1 m, zie tabel 4.179) van een aantal in dit artikel met name genoemde doorgangen.

De eisen gelden voor elk verblijfsgebied en elke verblijfsruimte. Bij een toiletruimte, badruimte, bergruimte en buitenruimte geldt de eis echter alleen voor een voorgeschreven ruimte.

Wanneer dergelijke ruimtes vrijwillig worden aangebracht dan gelden deze dus eisen niet.

Het eerste lid heeft alleen betrekking op doorgangen naar de genoemde ruimten. Een doorgang op een route die alleen bedoeld is om de ruimte te verlaten behoeft daarom niet aan dit eerste lid te voldoen. Voor een dergelijke doorgang zijn voorschriften opgenomen in paragraaf 4.2.11 (Vluchtroutes: inrichting en capaciteit). De vrije hoogte is de vrije hoogte volgens NEN 2580 (zie de in artikel 1.1 genoemde bijlage I). De vrije breedte moet op een vergelijkbare manier worden vastgesteld. Eenvoudig gezegd gaat het om de horizontaal (vrije breedte) en verticaal (vrije hoogte) gemeten opening die bij genopende deur moet worden bepaald. Het bovenstaande geldt niet alleen voor de in het eerste lid genoemde ruimten maar ook voor een doorgang op een verkeersroute vanaf het aansluitende terrein naar een van die ruimten. De tweede volzin is nodig om te waarborgen dat de betreffende ruimte via een voldoende ruime route kan worden bereikt maar ook om te voorkomen dat onbedoeld eisen worden gesteld aan een deur die voor de bereikbaarheid van de ruimte geen rol speelt zoals bijvoorbeeld de deur van een meterkast. Het eerste lid, onder e, ziet toe op een doorgang tussen een woonfunctie en een buitenberging als bedoeld in artikel 4.171 (een doorgang tussen bijvoorbeeld een inpandige buitenberging en een woning of een woongebouw). Uit het feit dat dit voorschrift niet is aangestuurd voor een ‘overige gebruiksfunctie’ (zie tabel 4.179) volgt dat dit voorschrift niet van toepassing is op de toegang of doorgang van een vrijstaande buitenberging.

Het tweede lid geeft evenals voorheen een afwijkende bepalingsmethode voor de hoogte van een doorgang van een liftschacht. Het gaat niet om de vrije hoogte bepaald volgens NEN 2580 maar om een hoogte gemeten tussen de onderdelen van de bouwconstructie. Zie voor een toelichting op het begrip ‘bouwconstructie’ de toelichting op bijlage I. Bij de in het eerste lid genoemde ruimten moet daadwerkelijk een vrije doorgang worden gerealiseerd met de in de tabel aangegeven hoogte. Bij de in het tweede lid genoemde doorgang van de liftschacht voor het bereiken van een liftkooi kan echter worden volstaan met het scheppen van de bouwkundige voorwaarden. Dit betekent dat het toegestaan is een lift met een lagere toegangshoogte dan 2,3 m te plaatsen. De lift moet uiteraard aan de richtlijn liften nr. 95/16/EG van 29 juni 1995 (PbEG L 213) en het daarop gebaseerde Warenwetbesluit liften voldoen. Het moet altijd mogelijk blijven om, zonder wijzigingen in de bouwkundige draagconstructie aan te brengen, op enig moment een lift met een toegangshoogte van 2,3 m te plaatsen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het voorschrift voor de vrije breedte onverkort op de toegang van een lift van toepassing is. Een lift in dit artikel is een personenlift (zie hiervoor de begripsbepaling lift in de in artikel 1.1 genoemde bijlage I).

Artikel 4.181 (vrije doorgang: verkeersroute)

Het doel van artikel 4.181 is te waarborgen dat ruimten waardoor verkeersroutes lopen zodanige afmetingen hebben dat deze in principe door iedereen, dus ook door rolstoelgebruikers, kunnen worden gepasseerd. Het voor rolstoelgebruikers ook belangrijke aspect van de overbrugging van hoogteverschillen is geregeld in de artikelen 4.182 en 4.189 en 4.190.

Het eerste lid stelt een eis aan de vrije breedte en vrije hoogte van een ruimte waardoor een verkeersroute loopt.

Het tweede lid is een verbijzondering van het eerste lid voor een gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw, zoals een galerij. De vrije breedte is dan niet ten minste 0,85 m maar 1,2 m. De in het eerste lid genoemde breedte van 0,85 m, die ook voor een doorgang geldt (zie artikel 4.180), is in principe voldoende voor een rolstoelgebruiker om zich zelfstandig (op handkracht) te kunnen voortbewegen. De extra 0,35 m biedt een rolstoelgebruiker de mogelijkheid andere personen te passeren. Zowel bij het eerste als bij het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voorzover de verkeersroute over een trap voert. Op een dergelijk gedeelte zijn alleen de breedtevoorschriften van de trap (0,8 m) van toepassing. Uit dit voorschrift vloeit voort dat bij iedere doorgang met een breedte van 0,85 m kan worden volstaan. Een doorgang is namelijk geen onderdeel van de ruimte zelf. De eisen van het derde tot en met vijfde lid zijn er op gericht dat een rolstoel 360° kan draaien achter de toegangsdeur van een woongebouw, voor een personenlift in dat gebouw of op een gemeenschappelijke verkeersruimte. De voorgeschreven ruimte is bedoeld om de rolstoelgebruiker de gelegenheid te geven zelfstandig de deur te openen of de lift te bedienen, te betreden en te verlaten. Omdat een rolstoelgebruiker niet langdurig achteruit kan rijden, moet het mogelijk zijn te kunnen draaien of om via een omweg op de uitgangssituatie terug te kunnen keren. De eisen van het vierde en vijfde lid lid gelden zowel voor een woongebouw met als voor een woongebouw zonder toegankelijkheidssector.

Artikel 4.182 (overbrugging van hoogteverschillen)

Het in dit artikel genoemde hoogteverschil van 2 cm moet worden gemeten vanaf de op de vloer aangebrachte afwerking (aankleding). Dit betekent dat wanneer in de aanvraag om vergunning voor het bouwen een (eventueel later door gebruiker aan te brengen) tapijt, zeil, parket of andere vloerbedekking is aangegeven, de dikte van deze aankleding mag worden meegerekend. Het hoogteverschil vanaf de bouwkundige vloer kan in dat geval dus iets groter zijn dan 2 cm. Echter, als in dit besluit wordt gesproken van de hoogte boven de vloer, dan wordt bedoeld de bouwkundige vloer en moet de aankleding buiten beschouwing worden gelaten.

Een in dit artikelbedoeld hoogteverschil is tevens een in paragraaf 4.2.4 (Veilig overbruggen van hoogteverschillen) bedoeld hoogteverschil. Een in dit artikel bedoelde hellingbaan zal daarom ook aan in die paragraaf gestelde eisen moeten voldoen.

Het tweede lid geeft een soortgelijke regel als het eerste lid, maar dan voor woongebouwen zonder een toegankelijkheidssector. Ook voor die woongebouwen geldt dat iedereen in principe zonder hulp van anderen naar binnen moet kunnen. Ook hier is een hoogteverschil van meer dan 2 cm tussen de achter de voordeur van een woongebouw gelegen vloer van de gemeenschappelijke verkeersruimte en het aansluitende terrein niet toegestaan, tenzij dit hoogteverschil is overbrugd door een hellingbaan. Het totale hoogteverschil mag niet groter zijn dan 1 m. Een verschil tussen het eerste en het tweede lid is, dat bij het eerste lid de volledige route naar de woning geregeld is, en bij het tweede lid alleen de toegang tot de eerste gemeenschappelijke verkeersruimte. In het laatste geval kan het gebouw worden binnengetreden, en kan men zo nodig in het gebouw op hulp wachten om bij de woning te kunnen komen.

Het tweede lid heeft betrekking op alle woonfuncties en betekent dat er bij ten minste één toegang van de woning (meestal de voordeur) in de overgang van binnen de woning naar buiten de woning geen hoogteverschil van meer dan 2 cm is toegestaan. Een groter hoogteverschil moet worden overbrugd door een hellingbaan. Het totale hoogteverschil bij deze toegang mag ook niet groter zijn dan 1 m. Bij een eengezinswoning is alleen het derde lid van toepassing.

Het derde lid regelt dat er tussen een gemeenschappelijke buitenruimte als bedoeld in artikel 4.41, tweede lid, en een daarop aangewezen woning geen hoogteverschil mag zijn van meer dan 2 cm zonder dat het hoogteverschil met een lift of hellingbaan kan worden overbrugd. Die regel is gericht op een gemeenschappelijke buitenruimte omdat een individuele bewoner van een woongebouw geen of alleen beperkte mogelijkheden heeft om achteraf voorzieningen te treffen om grotere hoogteverschillen te overbruggen.

Het doel van het vierde lid is om in woongebouwen ruimte te reserveren voor het achteraf kunnen plaatsen van een rolstoeltoegankelijke lift. Deze ruimte kan binnen de gebruiksfunctie liggen of daarbuiten. De opstelplaats moet zodanig zijn, dat de lift kan worden aangebracht zonder dat er daardoor strijd ontstaat met de nieuwbouwregels. De opstelplaats mag bijvoorbeeld niet zo zijn gesitueerd, dat door het aanbrengen van de lift er geen of te weinig daglicht in een verblijfsruimte kan binnenvallen. Het daadwerkelijk aanbrengen van een lift is alleen vereist in de situaties genoemd in artikel 4.184. De opstelplaats voor een lift in een woongebouw moet voldoende groot zijn dat er een complete liftinstallatie in past met een liftkooi met een liftkooivloer van 1,05 bij 2,05 meter. Om daadwerkelijk voldoende ruimte te hebben voor de plaatsing van een liftinstallatie met liftkooi met die afmetingen zal in de praktijk, afhandelijk van het type liftinstallatie extra ruimte nodig zijn. In het bouwplan moet met die extra ruimte rekening worden gehouden. Of de extra ruimte voldoende is, kan worden aangetoond aan de hand van de specificaties van een liftinstallatie.

§ 4.6.2 Toegankelijkheidssector

Deze paragraaf bevat de regels voor de toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers. Meer informatie over maatregelen voor de toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers en voor mensen met een beperking in het algemeen is opgenomen in het Handboek voor toegankelijkheid (7de druk, 2012). Dit handboek geeft richtlijnen voor onder meer toegankelijke gebouwen en woningen en kan betrokken worden bij het ontwerp, de inrichting en beheer van gebouwen.

Artikel 4.183 (aansturingsartikel)

In de functionele eis van het eerste lid is bepaald dat een bouwwerk ruimten moet hebben die voldoende toegankelijk zijn. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Die regels zijn er op gericht om aangewezen ruimten rolstoeltoegankelijk te maken. Dergelijke ruimten liggen dan in een toegankelijkheidssector. In bijlage I is een definitie van het begrip toegankelijkheidssector opgenomen, zie ook de artikelsgewijze toelichting op dat begrip.

Artikel 4.184 (toegankelijkheidssector: aanwezigheid)

In dit artikel is aangegeven wanneer in een gebouw een toegankelijkheidssector moet zijn. Een toegankelijkheidssector is een voor personen met een functiebeperking zelfstandig bruikbaar en toegankelijk gedeelte van een gebouw. Zie voor het begrip toegankelijkheidssector de toelichting op bijlage I, onderdeel A. Artikel 4.184 moet worden gelezen in samenhang met artikel 4.185, dat ingaat op de omvang van de toegankelijkheidssector, en artikel 4.186, dat in gaat op de aanwezigheid van bepaalde ruimten in de toegankelijkheidssector, zoals een integraal toegankelijke toilet- of badruimte. Voorts stellen de artikelen 4.179 tot en met 4.182 van paragraaf 4.6.1 eisen aan de vrije doorgang, bereikbaarheid, hoogteverschillen en omvang van de liftkooi.

Het eerste lid vereist de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector in hoge of grote woongebouwen. Het gaat om woongebouwen met een vloer van een verblijfsgebied op een hoogte van meer dan 12,5 m en om woongebouwen met een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 3.500 m2 die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau. Op grond van dit eerste lid moet een woongebouw met 4 of meer verdiepingen altijd een personenlift (als bedoeld in bijlage I, onderdeel A) hebben. Bij iedere toegankelijkheidssector is het nodig dat hoogteverschillen groter dan 2 cm door een personenlift of hellingbaan worden overbrugd (zie ook artikel 4.182).

Het tweede lid geeft aan dat een woonfunctie voor zorg die groter is dan 500 m2 (gebruiksoppervlakte) ten minste één verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector moet hebben. Hieruit volgt dat er altijd een ruimte in de woonfunctie moet zijn die toegankelijk is voor personen met een functiebeperking (toegankelijkheidssector). In artikel 4.186, eerste lid, en artikel 4.187, eerste lid, zijn regels gegeven waaraan deze ruimte moet voldoen.

Het derde lid geeft aan wanneer een utiliteitsgebouw een toegankelijkheidssector moet hebben en hoe groot deze moet zijn. Wanneer de totale gebruiksoppervlakte van alle in een gebouw gelegen gebruiksfuncties waarvoor dit derde lid geldt meer dan 400 m2 (celfunctie, kantoorfunctie, industriefunctie, logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, onderwijsfunctie of sportfunctie) of 250 m2 (bijeenkomstfunctie, gezondheidszorgfunctie, logiesfunctie in een logiesgebouw of winkelfunctie) bedraagt dan moet er een toegankelijkheidssector zijn. Sinds de invoering van het Bouwbesluit 2012 wordt bij het bepalen of de grens van 400 m2 of 250 m2 is overschreden niet alleen naar gebruiksfuncties van dezelfde soort gekeken maar naar alle gebruiksfuncties waarvoor de regel geldt. Zo moet bijvoorbeeld ook een in een kantoorgebouw gelegen bedrijfsrestaurant (bijeenkomstfunctie) worden meegeteld om te beoordelen of er een toegankelijkheidssector moet zijn. Er zal dus eerder sprake zijn van een plicht tot het realiseren van zo’n sector.

Het vierde lid geeft een specifieke regel voor de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik (bijvoorbeeld een café). Een café met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m2 moet altijd een toegankelijkheidssector hebben, ook als dat volgens het derde lid niet nodig zou zijn. Voor een kleiner café moet naar het derde lid worden gekeken om te bepalen of, in samenhang met andere functies in het gebouw, een toegankelijkheidssector nodig is. Bij een toegankelijkheidssector zal het café op grond van artikel 4.186, tweede lid, een integraal toegankelijke toiletruimte moeten hebben.

Artikel 4.185 (toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte algemeen)

Het eerste lid geeft aan welke vloeroppervlakte aan verblijfgebied van een gebruiksfunctie in de toegankelijkheidssector moet liggen. Dit geldt alleen voor gebruiksfuncties met een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.184. Met behulp van het in tabel 4.183 genoemde percentage moet worden berekend welk deel van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in de toegankelijkheidssector moet liggen. Dus als in een winkelcentrum meer dan 250 m2 aan winkelfuncties ligt (zie artikel 4.184) dan moet elke afzonderlijke winkelfunctie een toegankelijkheidssector hebben. Ofwel iedere winkel moet voor 60% rolstoeltoegankelijk zijn. Bij de onderwijsfunctie moet 100% van de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector liggen. Door een onderwijsfunctie volledig als toegankelijkheidssector te moeten aanwijzen, wordt voorkomen dat een gedeelte van de school niet voor rolstoelgebruikers toegankelijk zouden zijn.

Het tweede lid regelt dat bij een bijeenkomstfunctie die tevens een nevengebruiksfunctie van een industrie- of kantoorfunctie is, het gaat dan om een kantine of bedrijfsrestaurant, kan worden volstaan met een toegankelijkheidspercentage van 40% in plaats van de in het eerste lid bedoelde 80%. Dit geldt alleen voor een bijeenkomstfunctie met een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.184.

Artikel 4.186 (toegankelijkheidssector: aanwezigheid specifieke ruimten)

Het eerste lid geeft aan dat een gebruiksfunctie met een voorgeschreven toegankelijkheidssector ten minste één integraal toegankelijk verblijfsgebied moet hebben. Deze regel geldt alleen voor woonfunctie voor zorg met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2.

In het tweede lid is geregeld dat 5% (1 op de 20) van de logiesverblijven toegankelijk moet zijn voor rolstoelgebruikers.

Het derde lid geeft aan dat een gebruiksfunctie met een voorgeschreven toegankelijkheidssector ten minste één integraal toegankelijke toiletruimte (invalidentoilet) moet hebben.

In het vierde lid is voor de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie, de industriefunctie, de kantoorfunctie en de onderwijsfunctie aangegeven, dat bij een voorgeschreven toegankelijkheidssector op één integraal toegankelijke toiletruimte niet meer dan het in de tabel genoemde aantal personen mag zijn aangewezen (1050 personen bij een onderwijsfunctie, respectievelijk 300 bij een andere gebruiksfunctie met een toegankelijkheidssector). De uitkomst van deze berekening wordt naar boven afgerond. Dit betekent dat bij een kantoorfunctie voor bijvoorbeeld 350 personen ten minste twee integraal toegankelijke toiletruimten nodig zijn. Bij het vaststellen van het aantal personen dat is aangewezen op een integraal toegankelijke ruimte als bedoeld in dit artikel moet worden uitgegaan van het aantal personen waarvoor de gebruiksfunctie is bedoeld, ongeacht het aantal personen dat daadwerkelijk een handicap heeft. Dat wil zeggen dat bij de berekening ook personen moeten worden meegeteld die normaalgesproken geen behoefte hebben aan een invalidentoilet.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit besluit geen eisen meer stelt aan de aanwezigheid en omvang van reguliere toiletruimten en badruimten. De opdrachtgever en indiener van een bouwplan zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van voldoende toilet- en badruimten in een gebouw. Bij een toets aan dit besluit speelt het aantal reguliere ruimten geen rol, maar alleen het aantal integraal toegankelijke ruimten.

Op grond van het vijfde lid moet een gezondheidszorgfunctie met bedgebied voor iedere 500 m2 vloeroppervlakte aan bedgebied ten minste één integraal toegankelijke badruimte hebben. De uitkomst van deze berekening wordt naar boven afgerond. Dit betekent dat bij een bedgebied van 800 m2 ten minste twee integraal toegankelijke badruimten nodig zijn.

Het zesde lid bepaalt voor de cel- en logiesfunctie met een voorgeschreven toegankelijkheidssector, waar een badruimte wordt gerealiseerd, ten minste één van de badruimten een integraal toegankelijke badruimte moet zijn. Die badruimte moet in de toegankelijkheidssector liggen. Wordt er meer dan een badruimte gerealiseerd dan moet ten minste één op de twintig badruimten een integraal toegankelijke badruimte zijn. Het combineren van een integraal toegankelijke badruimte met een toiletruimte is toegestaan, dit volgt uit artikel 4.187 waarin daarvoor de afmetingseisen zijn opgenomen. In dat artikel wordt niet gesproken van een integraal toegankelijke toiletruimte maar van een toiletruimte in algemene zin, waarmee tot uitdrukking is gebracht dat in de combinatie zowel een integraal toegankelijke als een niet-integraal toegankelijke toegankelijke toiletruimte is toegestaan.

Artikel 4.187 (toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte specifieke ruimten)

Dit artikel heeft alleen betrekking op in artikel 4.186 voorgeschreven integraal toegankelijke verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten. Extra verblijfsruimten, toiletruimten of badruimten, of badruimten in gebruiksfuncties waarvoor geen badruimte is voorgeschreven, behoeven niet aan deze afmetingseisen te voldoen. Er is geen bezwaar als een integraal toegankelijke ruimte ook bestemd is voor personen zonder functiebeperking.

Het eerste lid geeft dat er in elk integraal toegankelijk verblijfsgebied ten minste een integraal toegankelijke verblijfsruimte moet zijn met een vloeroppervlakte van ten minste 14 m2 bij een breedte van ten minste 3,2 m. Deze afmetingseisen zijn niet verbonden aan een extra verblijfsruimte in het verblijfsgebied. Omdat een verblijfsruimte altijd in een verblijfsgebied moet liggen (zie onderdeel A van bijlage I) volgt uit dit lid dat ook een integraal toegankelijk verblijfsgebied, zelfs als de indeling in verblijfsruimten nog niet bekend is, niet kleiner mag zijn dan de hiervoor bedoelde 14 m2 bij een breedte van ten minste 3,2 m. Deze regel geldt alleen voor een logiesfunctie. Deze afmetingseisen zijn niet verbonden aan een extra verblijfsruimte in het verblijfsgebied. Omdat een verblijfsruimte altijd in een verblijfsgebied moet liggen (zie onderdeel A van bijlage I) volgt uit dit lid dat ook een integraal toegankelijk verblijfsgebied, zelfs als de indeling in verblijfsruimten nog niet bekend is, niet kleiner mag zijn dan de hiervoor bedoelde 14 m2 bij een breedte van ten minste 3,2 m. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een in een toegankelijkheidssector gelegen verblijfsgebied en verblijfsruimte ook moeten voldoen aan de voorschriften van paragraaf 4.5.2. Dat wil zeggen dat de hoogte boven de vloer ten minste 2,6 m zal moeten zijn.

Het tweede lid stelt dat de vloeroppervlakte van een integraal toegankelijke badruimte een breedte van ten minste 1,65 m bij een lengte van ten minste 2,2 m moet hebben. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een in een toegankelijkheidssector gelegen toiletruimte ook moet voldoen aan de voorschriften van paragraaf 4.5.3, waarbij de zwaarste eis maatgevend is. Dat wil zeggen dat de hoogte boven de vloer ten minste 2,3 m zal moeten zijn.

Het derde lid stelt dat de vloeroppervlakte van een integraal toegankelijke badruimte een breedte van ten minste 1,6 m bij een lengte van ten minste 1,8 m moet hebben. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een in een toegankelijkheidssector gelegen badruimte ook moet voldoen aan de voorschriften van paragraaf 4.5.4, waarbij de zwaarste eis maatgevend is. Dat wil zeggen dat de hoogte boven de vloer ten minste 2,3 m zal moeten zijn.

Het combineren van een integraal toegankelijke badruimte met een toiletruimte is toegestaan, dit volgt uit het vierde lid dat daarvoor de minimale afmetingseisen geeft. In het vierde lid wordt niet gesproken van een integraal toegankelijke toiletruimte maar van een toiletruimte in algemene zin, waarmee tot uitdrukking is gebracht dat de combinatiemogelijk voorziet in een combinatie met een integraal toegankelijke toiletruimte of met een niet-integraal toegankelijke toiletruimte.

In dit artikel is geen eis opgenomen voor de hoogde van de betreffende ruimten. In al deze ruimten start een vluchtroute (zie artikel 4.65, eerste lid). Zodoende moeten ook deze ruimten voldoen aan de in artikel 4.78, eerste lid, bedoelde minimale hoogte van 2,1 meter.

Artikel 4.188 (toegankelijkheidssector: bereikbaarheid)

Het eerste lid bepaalt dat een ruimte die in een toegankelijkheidssector moet liggen, bijvoorbeeld een integraal toegankelijke toiletruimte, rechtstreeks bereikbaar moet zijn vanaf het aansluitende terrein of langs een verkeersroute die alleen door een of meer toegankelijkheidssectoren voert. Op deze manier is die ruimte vanaf het aansluitende terrein of vanuit de toegankelijkheidssector zelfstandig toegankelijk voor rolstoelgebruikers.

Het tweede lid regelt dat de toegang van de toegankelijkheidssector van een gebouw de hoofdtoegang van het gebouw moet zijn. Dit om te voorkomen dat mensen met een functiebeperking een pand uitsluitend via bijvoorbeeld de dienstingang, achterdeur of tuiningang niet zijnde de hoofdingang, kunnen benaderen.

Het derde lid regelt voor de woonfunctie dat een verkeersroute als bedoeld in het eerste lid niet door niet-gemeenschappelijke ruimten van een andere gebruiksfunctie mag voeren. Ruimten van een andere woning zijn namelijk in principe niet vrij toegankelijk voor bewoners van andere woningen.

Het vierde lid regelt dat in een flatgebouw met een toegankelijkheidssector elke woning zelfstandig moet kunnen worden bereikt door rolstoelgebruikers. Dit betekent dat de voor de woning liggende gemeenschappelijke verkeersruimte moet zijn aangemerkt als toegankelijkheidssector.

Artikel 4.189 (toegankelijkheidssector: hoogteverschillen)

Artikel 4.189 waarborgt dat een rolstoelgebruiker vanuit ieder punt in een toegankelijkheidssector zelfstandig het aansluitende terrein kan bereiken. Dit geldt voor alle gebruiksfuncties met een toegankelijkheidssector. Om aan het eerste lid te voldoen is het nodig dat er ten minste één route is die geen hoogteverschillen (drempels) heeft van meer dan 2 cm. Hoogteverschillen die groter zijn, moeten worden overbrugd door een lift of een hellingbaan. Daarbij mag het totale hoogteverschil op die ene route tussen het aansluitende terrein en de toegang van de toegankelijkheidssector (de toegang van het gebouw) niet groter zijn dan 1 m, ongeacht of er een lift wordt gebruikt of een hellingbaan.

Extra routes vanuit de toegankelijkheidssector behoeven niet aan deze regels te voldoen. Dit betekent dat er wel alternatieve route mag zijn die over een trap voert.

Artikel 4.190 (lift: afmetingen en loopafstand)

Dit artikel is alleen gericht op personenliften (zie het begrip lift in bijlage I) in gebouwen met een toegankelijkheidssector. Liften in gebouwen zonder toegankelijkheidssector behoeven daarom niet aan deze eisen te voldoen.

Het eerste lid geeft een algemene regel voor de oppervlakte van iedere liftkooi in een toegankelijkheidssector. De afmetingen van ten minste 1,05 m bij 1,35 m waarborgen de rolstoeltoegankelijkheid van de personenlift.

Het tweede lid geeft een aanvullende eis voor woongebouwen met een toegankelijkheidssector én meer dan zes woningen. Een dergelijk woongebouw heeft ten minste één lift met een vloeroppervlakte van 1,05 bij 2,05 m (brancardlift) of groter. Eventuele extra liften behoeven alleen aan de oppervlakte-eis van het eerste lid te voldoen.

Het is mogelijk om bij een lift voor maximaal zes woningen te volstaan met de kleinere lift. Bij meerdere liften kan met één brancardlift worden volstaan.

Het derde lid stelt eisen aan de loopafstand naar de lift. Deze mag nooit langer zijn dan 90 m. Als er meer dan een lift is, dan moet gezien vanuit elke woning ten minste één personenlift binnen deze afstand liggen. Als er ook een brancardlift moet zijn dan moet vanuit elke woning ten minste een brancardlift binnen 90 m liggen. De route waarover de loopafstand wordt gemeten ligt alleen in een toegankelijkheidssector.

§ 4.6.3 Bereikbaarheid van een bouwwerk met een toegankelijkheidssector
Algemeen

Deze paragraaf moet in samenhang met paragraaf 4.6.1 (Toegankelijkheid) worden gelezen. Paragraaf 4.6.1 heeft betrekking op de bouwkundige voorzieningen die onderdeel uitmaken van het bouwwerk. Deze paragraaf heeft betrekking op al dan niet bouwkundige voorzieningen op de route tussen de openbare weg en het bouwwerk, voor zover deze geen onderdeel uitmaken van het bouwwerk.

Artikel 4.191 (aansturingsartikel)

De in het eerste lid opgenomen functionele eis luidt dat een bouwwerk met een toegankelijkheidssector vanaf de openbare weg voldoende toegankelijk moet zijn voor personen met een functiebeperking. Dit betekent dat een bouwwerk met een toegankelijkheidssector door iedereen vanaf de openbare weg moet kunnen worden bereikt. Uit artikel 4.184 volgt wanneer een bouwwerk een toegankelijkheidssector moet hebben.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden voor alle gebruiksfuncties met een toegankelijkheidssector.

Artikel 4.192 (bereikbaarheid van een gebouw)

Het eerste lid van dit artikel regelt dat de hoofdtoegang van een gebouw met een toegankelijkheidssector vanaf de openbare weg bereikbaar moet zijn voor rolstoelgebruikers.

Als de hoofdtoegang van het gebouw niet aan de openbare weg grenst, dan moet er tussen de hoofdtoegang en de openbare weg een pad zijn met een breedte van ten minste 1,1 m. Is er op dat pad een hoogteverschil van meer dan 0,2 m dan moet dat hoogteverschil zijn overbrugd door een hellingbaan met afmetingen en een hellingshoek als bedoeld in paragraaf 4.2.4.

Het tweede lid bevat de eisen waaraan een doorgang op een in het eerste lid bedoelde weg of pad moet voldoen. Een dergelijke doorgang moet een vrije breedte hebben van ten minste 0,85 m en een vrije hoogte van ten minste 2 m. Zie voor een toelichting op de begrippen vrije breedte en vrije hoogte bijlage I.

Afdeling 4.7 Bouwwerkinstallaties
§ 4.7.1 Verlichting
Artikel 4.193 (aansturingsartikel)

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat een bouwwerk een zodanige verlichtingsinstallatie moet hebben dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten. Deze functionele eis heeft geen betrekking op sociale veiligheid, arbeidsomstandigheden en bruikbaarheid. Dergelijk eisen aan de verlichtingsinstallatie volgen bijvoorbeeld uit specifieke programma’s van eisen of uit de krachtens de Arbeidsomstandighedenwet opgestelde zogenoemde arbocatalogie, die van geval tot geval kunnen variëren. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.194 (verlichting)

Dit artikel regelt de aanwezigheid van een verlichtingsinstallatie en de vereiste verlichtingssterkte. Vanuit een oogpunt van gebruiksveiligheid (veilig vluchten) is in het algemeen een op de vloer (voor personen bestemde vloer of hellingbaanvloer) of het tredevlak (bovenzijde van een traptrede) gemeten verlichtingssterkte van 1 lux voldoende.

Bovenstaande uitgangspunten leiden ertoe dat op grond van het eerste lid voor bijna alle gebruiksfuncties een verlichtingsinstallatie in verblijfsruimten is voorgeschreven.

Een verlichtingsinstallatie is niet vereist voor bijvoorbeeld ruimten van een industriefunctie voor opslag, voor het houden van dieren of voor andere agrarische doeleinden.

Het tweede lid geeft voor ondergrondse stations en voor ondergrondse parkeergarages een soortgelijke regel als het eerste lid. In een functieruimte van die gebruiksfunctie moet een verlichtingsinstallatie aanwezig zijn die voorziet in een op de vloer gemeten verlichtingssterkte van 1 lux. Zie bijlage I, onderdeel A, voor de definitie van en toelichting op het begrip functieruimte.

Het derde lid regelt dat in een functieruimte van een bovengrondse gebruiksfunctie voor het personenvervoer (stationsgebouw) met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 een verlichtingsinstallatie aanwezig moet zijn die voorziet in een op de vloer gemeten verlichtingssterkte van 1 lux.

Het vierde lid stelt de eis van 1 lux aan een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert. Een extra beschermde vluchtroute en een veiligheidsvluchtroute zijn een verbijzondering van een beschermde vluchtroute, zodoende is deze eis ook op deze vluchtroutes van toepassing. Het vierde lid geldt voor alle gebruiksfuncties, behalve voor een lichte industriefunctie.

Als een vluchtroute door een ruimte voert die breder is dan de voor het vluchten benodigde breedte hoeft alleen in het gedeelte dat daadwerkelijk voor het vluchten nodig is noodverlichting te worden toegepast. In tegenstelling tot het Bouwbesluit 2012 geldt deze regel niet meer alleen voor een besloten ruimte. Het natuurlijk licht in de nachtsituatie is namelijk geen 1 lux. Deze aanpassing ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 is ook in lijn met de uitvoeringspraktijk waarbij vluchtroutes over galerijen en daken van nieuwe gebouwen vrijwel altijd worden verlicht.

Elke vloer, trap en hellingbaan van een wegtunnelbuis van een tunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m moet volgens het vijfde lid met 1 lux verlicht kunnen worden. Verder moet de overgang tussen de verlichting buiten, en de verlichting in de wegtunnelbuis zodanig zijn dat de weggebruikers niet kunnen worden verblind door een plotselinge overgang van daglicht naar tunnellicht of van tunnellicht naar daglicht. De aard van de voorziening is afhankelijk van een aantal factoren zoals omgevingsfactoren, oriëntatie en verlichting in de wegtunnelbuis.

Artikel 4.195 (noodverlichting)

Om ook veilig te kunnen vluchten wanneer de elektriciteit uitvalt moet bij risicovolle situaties de verlichtingsinstallatie op een voorziening voor noodstroom zijn aangesloten (noodverlichting). Op grond van het eerste lid is noodverlichting voorgeschreven voor verblijfsruimten met meer dan 75 personen en elke vluchtroute waarop de personen uit deze ruimte bij het vluchten zijn aangewezen. In tegenstelling tot het Bouwbesluit 2012 geldt deze regel niet meer alleen voor een besloten ruimte (zie toelichting bij 4.194, vierde lid).

Het tweede lid richt zich op noodverlichting in een onder het meetniveau gelegen functieruimte.

Het derde lid schrijft noodverlichting voor in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert. In tegenstelling tot het Bouwbesluit 2012 geldt deze regel niet meer alleen voor een besloten ruimte (zie toelichting bij artikel 4.194, vierde lid).

Het vierde lid regelt de noodverlichting in een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m.

Uit het vijfde lid volgt dat alle noodverlichting binnen 15 seconden na het uitvallen van de hoofdvoorziening voor elektriciteit moet zijn geactiveerd en vervolgens gedurende ten minste 60 minuten aaneengesloten een verlichtingssterkte moet geven van ten minste 1 lux, gemeten op de vloer en het tredevlak.

Artikel 4.196 (aansluiting op voorziening voor elektriciteit)

Uit dit artikel blijkt dat zowel een voorgeschreven gewone verlichtingsinstallatie als een voorgeschreven noodverlichting moeten zijn aangesloten op een voorziening voor elektriciteit die voldoet aan de in artikel 4.199 bedoelde veiligheidsnormen.

Artikel 4.197 (verduisterde ruimte)

Dit artikel stelt een eis aan ruimten voor meer dan 50 personen waarin het gebruikelijk is om de normale verlichting te reduceren of uit te schakelen (bijvoorbeeld theaters en bioscopen). In zo’n ruimte is oriëntatieverlichting noodzakelijk zodat zo nodig in het donker kan worden gevlucht. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanlichten van het gangpad of de traptreden naar een uitgang.

§ 4.7.2 Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie
Algemeen

Deze paragraaf stelt eisen aan elektriciteits-, gas- en warmtevoorzieningen. Het is in deze paragraaf niet voorgeschreven een elektriciteitsvoorziening te hebben en er worden dus ook geen eisen gesteld aan de omvang van de installatie, bijvoorbeeld het aantal stopcontacten. Maar als er een elektriciteitsvoorziening is dan gelden de eisen uit deze paragraaf. Een elektriciteitsvoorziening is in ieder geval nodig als er op grond van § 4.7.1 een verlichtingsinstallatie of noodverlichting nodig is.

Elektrische apparatuur die met aansluitsnoeren en verlengsnoeren op de elektriciteitsvoorziening wordt aangesloten valt niet onder de reikwijdte van deze paragraaf. De veiligheid van elektrische apparatuur, snoeren en verlichtingsornamenten is geregeld in de Warenwet. Het veilig gebruik van dit soort zaken en van niet in de handel gebrachte (onveilige) apparatuur onttrekt zich in het algemeen aan de beoordeling, maar kan zo nodig op grond van de zorgplicht worden afgedwongen.

Ook gasvoorzieningen zijn niet voorgeschreven, maar moeten als ze aanwezig zijn voldoen aan de eisen in deze paragraaf.

De verplichting om aan te sluiten op een distributienet voor elektriciteit, gas of warmte, uit het Bouwbesluit 2012 (artikel 6.10) is niet overgenomen in dit besluit. Gemeenten kunnen hiervoor in hun omgevingsplannen lokale regels opstellen.

Artikel 4.198 (aansturingsartikel)

De functionele eis bepaalt dat een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie veilig moet zijn zodat die voorziening in aanwezigheid en het gebruik geen onaanvaardbare ongevallen met zich meebrengt, zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden en verwondingen door explosies. Deze functionele eis is uitvoeriger beschreven dan in het Bouwbesluit 2012. In het Bouwbesluit 2012 was alleen sprake van ‘ een veilige voorziening’. De nieuwe functionele eis geeft duidelijker aan wat wordt bedoeld met een veilige voorziening.

Artikel 4.199 (voorziening voor elektriciteit)

Dit artikel geeft aan dat een elektriciteitsvoorziening, als die aanwezig is, moet voldoen aan de veiligheidseisen van NEN 1010 bij lage spanning en NEN-EN-IEC 61936-1 en NEN-EN 50522 bij hoge spanning. Ook een voorziening voor noodstroom is een voorziening voor elektriciteit die moet voldoen aan NEN1010. In de begrippen (bijlage I, onderdeel A) is gedefinieerd wanneer er sprake is van hoge of lage spanning. Voorheen gold bij hoge spanning NEN 1041. Deze norm is als gevolg van Europese harmonisatie vervangen door NEN-EN-IEC 61936-1, Sterkstroominstallaties met meer dan 1 kV wisselspanning en NEN-EN 50522, Aarding van hoogspanningsinstallaties van meer dan 1 kV wisselspanning.

Ook een niet op een distributienet voor elektriciteit aangesloten elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk is een voorziening voor elektriciteit die aan de in dit artikel bedoelde veiligheidseisen moet voldoen. Deze eisen zijn dus ook van toepassing als het bouwwerk bijvoorbeeld een eigen elektriciteitsvoorziening heeft.

Artikel 4.200 (voorziening voor gas)

Het eerste lid regelt dat een voorziening voor gas – als zo’n voorziening geïnstalleerd wordt – moet voldoen aan NEN 1078 bij een nominale werkdruk tot en met 0,5 bar en NEN 15001-1 bij een gasvoorziening met een nominale werkdruk vanaf 0,5 bar tot en met 40 bar. Het is dus niet meer voorgeschreven een gasvoorziening te hebben en er worden geen eisen meer gesteld aan de omvang van de installatie. Echter, ook een niet op een distributienet voor gas aangesloten gasvoorziening van een bouwwerk is een voorziening voor gas die aan de in dit artikel bedoelde veiligheidseisen moet voldoen. Deze eisen zijn dus ook van toepassing op een voorziening voor gas die bijvoorbeeld wordt aangesloten op een gastank of gasfles.

Het tweede lid geeft een regel voor een bouwwerk met een op het distributienet aan te sluiten gasvoorziening. Het is nodig dat er voor deze voorziening leidingdoorvoeren en mantelbuizen zijn die voldoen aan NEN 2768.

§ 4.7.3 Watervoorziening
Algemeen

De regels van deze paragraaf zijn gericht op de gezondheid. Het gaat om de kwaliteit van watervoorzieningen voor menselijke consumptie en hygiëne. Het is niet voorgeschreven een watervoorziening te hebben, maar als deze aanwezig is dan moet aan de in deze paragraaf opgenomen eisen worden voldaan. In paragraaf 3.7.3 zijn overeenkomstige regels gesteld voor bestaande bouw.

De verplichting om aan te sluiten op een distributienet voor drinkwater uit het Bouwbesluit 2012 (artikel 6.14) is vervallen. In dit besluit wordt niets meer geregeld over het aansluiten op distibutienetten. Gemeenten kunnen hiervoor in een omgevingsplan lokale regels opstellen.

Artikel 4.201 (aansturingsartikel)

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat als een bouwwerk een drink- of warmwatervoorziening heeft, deze voorziening de gezondheid niet nadelig mag beïnvloeden door het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater. Deze functionele eis is uitvoeriger beschreven dan in het Bouwbesluit 2012. In het Bouwbesluit 2012 was alleen sprake van ‘ een voorziening die de gezondheid niet nadelig mag beïnvloeden’ De nieuwe functionele eis geeft duidelijker aan wat wordt bedoeld.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden voor alle gebruiksfuncties.

Artikel 4.202 (drinkwatervoorziening)

Wanneer een bouwwerk een watervoorziening voor menselijke consumptie en voor hygiëne heeft, moet die voorziening voldoen aan NEN 1006. Het doel van die eis is te bereiken dat drinkwaterinstallaties water leveren van een kwaliteit die geschikt is voor de menselijke consumptie en hygiëne. Uit NEN 1006 volgt bovendien aan welke eisen de drinkwatervoorziening moet voldoen om het risico op legionella te beperken. Een belangrijk aspect daarvan is het voorkomen van hotspots in de drinkwatervoorziening. Hotspots zijn die plaatsen in de drinkwatervoorziening waar water tot boven 25° C kan opwarmen. Zie ISSO/ SBR-publicatie 811, Ontwerpen van legionellaveilige woningen, 2011 en de ISSO Checklist hotspots in waterleidingen, 2010.

Artikel 4.203 (warmwatervoorziening)

Een voorziening voor warmwater voldoen aan NEN 1006. Het doel van die eis is te bereiken dat warmwaterinstallaties water leveren van een kwaliteit die geschikt is voor de menselijke hygiëne. Zie ook de toelichting op artikel 4.202.

§ 4.7.4 Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater
Algemeen

De regels van deze paragraaf hebben betrekking op voorzieningen voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater van bouwwerken. De regels hebbe alleen betrekking op de voorzieningen die onderdeel zijn van het bouwwerk. De regels aan de terreinleiding uit het Bouwbesluit 2012 (artikel 6.19) zijn vervallen. In dit besluit wordt niets meer geregeld hoe de riolering van het bouwwerkaansluiten buiten het bouwwerk wordt aangesloten op het openbaar riool. Gemeenten kunnen hiervoor in hun omgevingsplannen lokale regels opstellen.

Artikel 4.204 (aansturingsartikel)

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat de voorziening voor huishoudelijk afvalwater of hemelwater zodanig moet zijn dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.205 (afvoer van huishoudelijk afvalwater)

Het eerste lid bevat de eis dat een bouwwerk met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel, voor iedere opstelplaats een voorziening heeft voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater.

In het tweede lid worden eisen gesteld aan de capaciteit en de kwaliteit (lucht- en waterdichtheid) van die afvoervoorziening.

Verder wordt opgemerkt dat een in de afvoervoorziening opgenomen voorziening voor voorbehandeling van huishoudelijk afvalwater beschouwd moet worden als onderdeel van de afvoervoorziening en daarom bij de bepaling van de capaciteit en kwaliteit betrokken moet worden.

De in dit artikel opgenomen regels gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor de inzameling, het transport of de zuivering van huishoudelijk afvalwater.

Artikel 4.206 (afvoer van hemelwater)

Het eerste lid stelt eisen aan de opvang en afvoer van hemelwater van een dak van een te bouwen gebouw. De afvoervoorziening moet afhankelijk van de afmetingen van het op de afvoervoorziening aangesloten dak of gedeelte daarvan voldoende afvoercapaciteit hebben. Deze capaciteit wordt bepaald met behulp van NEN 3215.

In het tweede lid is bepaald dat een hemelwatervoorziening die door het gebouw zelf heen loopt lucht- en waterdicht moet zijn, zodat deze voorziening geen vochtoverlast in het gebouw kan geven.

§ 4.7.5 Tijdig vaststellen van brand
Artikel 4.207 (aansturingsartikel)

In het eerste lid is als functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanige voorzieningen moet hebben dat een brand in een vroegtijdig stadium kan worden ontdekt (gelokaliseerd en gesignaleerd), zodat de gebruikers het bouwwerk veilig kunnen ontvluchten. Met andere woorden zodat mensen zichzelf in veiligheid kunnen brengen of in veiligheid kunnen worden gebracht.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.4 regelt voor deze paragraaf dat de in het eerste lid bedoelde functionele eis onverkort van toepassing is op de gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen enkele regel aanwijst (lichte industriefunctie, andere overige gebruiksfunctie en bouwwerk geen gebouw zijnde). Dit is een afwijking van de hoofdregel die voor de meeste andere paragrafen volgt dat een aansturingsartikel niet van toepassing is op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van het aansturingsartikel.

Artikel 4.208 (brandmeldinstallatie)

In dit artikel zijn de eisen aan brandmeldinstallaties opgenomen. Het doel van een brandmeldinstallatie is een brand in een dusdanig tijdig stadium te kunnen ontdekken, lokaliseren en signaleren, dat de interne organisatie wordt gewaarschuwd en automatisch alle noodzakelijke brandveiligheidsvoorzieningen worden geactiveerd, zodat personen zich in veiligheid kunnen brengen of in veiligheid kunnen worden gebracht.

Een brandmeldinstallatie is vooral nodig wanneer de kans groot is dat een brand zonder deze installatie niet tijdig wordt opgemerkt (onoverzichtelijk), een gebouw niet beroepbaar is of wanneer brandveiligheidsvoorzieningen niet kunnen functioneren zonder brandmeldinstallatie. Met beroepbaar wordt bedoeld dat het mogelijk moet zijn om de aanwezigen door aanroepen direct op de hoogte te stellen van een brand in het bouwwerk. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 4.213 (ontruimingsalarminstallatie).

Behalve de ontruimingsalarminstallatie kunnen bijvoorbeeld de volgende brandveiligheidsvoorzieningen afhankelijk zijn van een brandmeldinstallatie, zoals: automatische kleefmagneten bij zelfsluitende deuren, overdrukinstallaties, rook- en warmteafvoerinstallaties, brandkleppen en brandpompen. Verder kan een brandmeldinstallatie worden gebruikt voor een automatische doormelding naar de regionale alarmcentrale van de brandweer (RAC) of een automatische melding aan een zorgcentrale of zusterpost (zie hierna het derde lid).

Het eerste lid geeft aan wanneer een brandmeldinstallatie nodig is. Dit volgt uit tabel 4.207 in samenhang met bijlage II bij dit besluit. Uit tabel 4.207 is af te lezen welke regels uit deze paragraaf op welke gebruiksfunctie van toepassing zijn. In bijlage II is per gebruiksfunctie een nadere invulling gegeven aan de vereiste omvang van de bewaking en eventuele doormelding van het signaal naar de brandweer. Gezien het grote aantal variaties in omvang en doormelding is er voor gekozen deze variabelen in deze afzonderlijke bijlage II op te nemen. In de tabel is dezelfde indeling in gebruiksfuncties gevolgd als in de reguliere aansturingstabellen in dit besluit. In bijlage II zijn alle gebruiksfuncties, dus ook die waarvoor op grond van tabel 4.207 geen regels zijn aangestuurd, opgenomen.

Een brandmeldinstallatie is voorgeschreven afhankelijk van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie (eerste lid, sub a) en van de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau (eerste lid, sub b). Zie voor het begrip meetniveau bijlage I, onderdeel A.

Voor ieder van de twee hiervoor genoemde criteria zijn in bijlage II per gebruiksfunctie eisenniveaus opgenomen. Hiermee kan per gebruiksfunctie eenvoudig worden nagaan of een brandmeldinstallatie nodig is en, zo ja, wat de omvang daarvan is en of er sprake moet zijn van doormelding naar de brandweer (eerste lid artikel 4.209).

Bij een kantoorgebouw met vier bouwlagen en zodoende een hoogste vloer van een verblijfsruimte op 12 m boven het meetniveau, kan bijvoorbeeld sprake zijn van drie bouwlagen met kantoorruimten, terwijl zich op de bovenste bouwlaag alleen een kantine en vergaderruimten bevinden. In dat geval heeft de kantoorfunctie drie bouwlagen en ligt de bijeenkomstfunctie op de vierde bouwlaag. Om vast te stellen welke installatie in de kantoorfunctie noodzakelijk is, gaat het om de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de kantoorfunctie (in dit geval twaalf meter boven meetniveau). Om vast te stellen welke installatie in de bijeenkomstfunctie noodzakelijk is, is de hoogte van de vierde bouwlaag boven meetniveau relevant. Uit de tabel blijkt dat de kantoorfunctie, als de gebruiksoppervlakte groter is dan 500 m2, een niet-automatische brandmeldinstallatie moet hebben, als de vloer van een verblijfsruimte van de kantoorfunctie meer dan 4,1 m boven het meetniveau ligt. Een doormelding naar de brandweer is daarbij niet voorgeschreven. Voor de bijeenkomstfunctie is in dit voorbeeld gezien de hoogte van een verblijfsruimte op meer dan 4,1 m boven meetniveau (de vierde bouwlaag) een automatische brandmeldinstallatie voorgeschreven. Ook daarbij is doormelding niet voorgeschreven.

Uit het eerste lid, sub a, volgt dat wanneer in een gebouw verschillende gebruiksfuncties van dezelfde soort zijn opgenomen, en deze functies gebruik maken van een zelfde vluchtroute, de gebruiksoppervlakte van deze gebruiksfuncties moet worden opgeteld om te bepalen of een brandmeldinstallatie is voorgeschreven.

Zoals in het eerste lid, sub b, is aangegeven is de hoogste vloer van een verblijfsruimte van een gebruiksfunctie, gemeten boven het meetniveau ook bepalend voor de vraag of een brandmeldinstallatie van bepaalde omvang is voorgeschreven. Het gaat hierbij dus niet altijd om de hoogste vloer van het gebouw waarin de gebruiksfunctie ligt maar wel altijd om de hoogste vloer van die gebruiksfunctie, gemeten vanaf het meetniveau.

Bij een aantal gebruiksfuncties is een brandmeldinstallatie voorgeschreven terwijl er in bijlage II geen waarde is aangegeven (eerste lid, sub c). In die gevallen is de brandmeldinstallatie voorgeschreven ongeacht hoogte en omvang van de gebruiksfunctie(s). Dit is bijvoorbeeld het geval bij de woonfunctie voor zorg en de gezondheidszorgfunctie met bedgebied.

Er wordt op gewezen dat op grond van bijlage II geen eisen worden gesteld aan een logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw. Verder heeft een in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie zonder 24-uurs bewaking alleen doormelding nodig als een vloer van een verblijfsgebied van die gebruiksfunctie hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau, ongeacht de gebruiksoppervlakte van de logiesfunctie. Uit de bijlage II blijkt onder meer dat als er geen 24-uurs bewaking is, een brandmeldinstallatie met volledige bewaking en doormelding is vereist als de hoogste vloer hoger dan 1,5 meter is gelegen. Heeft een logiesfunctie in een logiesgebouw een vloeroppervlakte groter dan 250 m2, dan is los van het wel of niet aanwezig zijn van 24-uurs bewaking in alle gevallen een brandmeldinstallatie met volledige bewaking noodzakelijk, dus ook in het geval dat de gehele logiesfunctie op de begane grond is gelegen.

Bewakingsvormen

Bij een brandmeldinstallatie worden onder verwijzing naar NEN 2535 vier bewakingsvormen onderscheiden:

  • niet-automatische bewaking: brandmeldinstallatie met alleen handbrandmelders,

  • gedeeltelijke bewaking: brandmeldinstallatie met handbrandmelders en (in verkeersruimten en de ruimten met een verhoogd brandrisico – als bedoeld in NEN 2535, zoals opslag- en archiefruimten groter dan 2 m2, werkplaatsen, keukens en stallingsruimten) automatische brandmelders,

  • volledige bewaking: brandmeldinstallatie met handbrandmelders en (in nagenoeg alle ruimten) automatische brandmelders, en

  • ruimtebewaking: brandmeldinstallatie waarbij alleen in een bepaalde ruimte of ruimten automatische brandmelders zijn aangebracht. Die vorm van bewaking is vereist als een alarmering van aanwezige personen wordt verlangd in verband met beperkte vluchtmogelijkheden (bijvoorbeeld als er niet meer dan één vluchtroute is).

De eerste drie vormen zijn in bijlage II opgenomen en de vierde, de ruimtebewaking, staat in het vierde lid van dit artikel. Zie voor een toelichting op de ruimtebewaking de toelichting op dit vierde lid.

Certificatie

Afhankelijk van het brandveiligheidsrisico zal een brandmeldinstallatie een inspectiecertificaat moeten hebben. Dit is geregeld in de artikelen 4.210, 4.214 bij nieuwbouw en de artikelen 6.33 en 6.34 bij een bestaand gebouw met een bestaande brandmeldinstallatie.

Woonfunctie voor zorg

In tabel 4.207 wordt bij de woonfunctie onderscheid gemaakt tussen de woonfunctie voor zorg (a), de woonfunctie voor kamergewijze verhuur (b) en een andere woonfunctie (c). De woonfunctie voor zorg bevat in bijlage II de volgende onderverdeling:

  • Zorgclusterwoning voor zorg op afroep, in een woongebouw,

  • Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg niet in een woongebouw,

  • Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg in een woongebouw,

  • Groepszorgwoning voor zorg op afspraak,

  • Groepszorgwoning voor zorg op afroep,

  • Groepszorgwoning voor 24-uurszorg, en

  • Andere woonfunctie voor zorg

De eisen aan de brandveiligheidsvoorzieningen zijn afhankelijk van de mate van zorgverlening waarvoor de woonfunctie is bestemd.

Onder de woonfunctie voor zorg vallen de woonfuncties waarbij aan bewoners de hieronder omschreven professionele zorg wordt aangeboden. Bij een zorgclusterwoning of een groepszorgwoning gaat het om een groepering van zorgcliënten in specifieke woonvormen vanwege de professionele zorg die daar kan worden verleend. Er is sprake van een vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg. De zorgaanbieder neemt daarbij ook deels de verantwoordelijkheid voor de brandveiligheid van de cliënt over.

Of bij een woonfunctie voor zorg een brandmeldinstallatie aanwezig moet zijn en aan welke omvang van de bewaking deze moet voldoen hangt af van het soort woonfunctie voor zorg. Deze wordt bepaald door de woonvorm (zorgcluster of groepszorgwoning of andere woonfunctie voor zorg), de locatie van de woning (grondgebonden of in woongebouw), de zorgbehoefte en het daarbij behorende risicoprofiel. Voor de begripsomschrijving van deze verschillende vormen van de woonfunctie voor zorg, wordt verwezen naar de begripsbeschrijvingen in bijlage I en de daarbij horende toelichting.

Of er sprake is van een zorgclusterwoning of een groepszorgwoning, en welke variëteit daarvan wordt in principe bepaald door degene die de woonfunctie exploiteert of gaat exploiteren. Dit betekent nadrukkelijk niet dat de exploitant zijn eigen brandveiligheidsniveau mag bepalen. Is gekozen voor een bepaalde woonvorm, dan zal de woning aan de hand van die keuze moeten worden getoetst aan dit besluit. Bij een verandering van het zorgaanbod, die verzwaring van de brandveiligheidseisen tot gevolg zou hebben, is de exploitant verantwoordelijk voor het aanpassen aan deze nieuwe situatie. Maatgevend hierin is het zorgaanbod waar de exploitant zich op richt en niet de verzwaring van de zorgbehoefte van een bewoner. Wanneer het daadwerkelijk zorgaanbod zwaarder is dan het eerder door de exploitant aangegeven zorgaanbod, dan kan de exploitant die niet aan de op het zwaardere zorgaanbod afgestemde brandveiligheidseisen voldoet, zo nodig bestuurs- en/of strafrechtelijk worden vervolgd.

In een reguliere woning is de bewoner in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de brandveiligheid. Dit geldt ook als de bewoner gebruik maakt van professionele zorg of mantelzorg. In een dergelijk geval zijn de eisen voor een woonfunctie voor zorg niet van toepassing.

In het tweede lid wordt geregeld dat het totale brandcompartiment voorzien moet zijn van een brandmeldinstallatie als een in dat brandcompartiment aanwezige gebruiksfunctie een brandmeldinstallatie moet hebben. De omvang van de bewaking van het hele brandcompartiment is (ten minste) gelijk aan de bewaking die is voorgeschreven voor deze gebruiksfunctie.

Het derde lid bepaalt voor een verblijfsruimte met alleen één vluchtroute, dat de ruimten waarop men bij het vluchten is aangewezen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking moeten hebben. Er wordt hier geen onderscheid gemaakt tussen een verkeersruimte of een andere ruimte waardoor een vluchtroute voert. Het vierde lid geldt alleen wanneer:

  • de loopafstand tussen de uitgang van de verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is,

  • wanneer de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor het vluchten voert samen met de op die ruimten aangewezen verblijfsruimten groter is dan 200 m2, of

  • wanneer op de enkele vluchtroute meer dan twee verblijfsruimten zijn aangewezen.

Als bij de uitgang van de verblijfsruimte alleen één vluchtroute begint én een of meer van de onder a, b en c genoemde waarden is overschreden dan bestaat er een verhoogd risico dat de vluchtroute door brand geblokkeerd raakt voordat iedereen gevlucht is. In een dergelijk geval is een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535 nodig omdat mensen dan snel gealarmeerd worden en kunnen vluchten voordat de vluchtroute door brand is geblokkeerd. Er is geen sprake van een enkele vluchtroute (als bedoeld in het vierde lid), als bij de uitgang in twee richtingen kan worden gevlucht. Dit laatste is ook het geval als de ruimte waarin het vluchten start over twee of meer uitgangen beschikt die uitkomen op onafhankelijke vluchtroutes of als na het passeren van de uitgang in twee richtingen kan worden gevlucht.

Uit het vierde lid volgt dat bij de gebruiksfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar vanaf een gebruiksoppervlakte groter dan 200 m2 een brandmeldinstallatie met volledige bewaking nodig is. Doormelding en een geldig inspectiecertificaat zijn daarbij pas noodzakelijk als er in totaal meer dan 6 kinderen kunnen slapen in een of meer ruimten met een vloer hoger dan 1,5 m boven het meetniveau. De achtergrond hiervan is dat kinderen die slapen in een kinderopvang niet zelfstandig een pand via de trap kunnen verlaten in geval van brand maar hiervoor zijn aangewezen op hulp van medewerkers. In verband met dit hogere risico wordt doormelding noodzakelijk geacht. Het maximum van 6 kinderen is afgeleid van het onderscheid tussen gastouderopvang en kinderopvang zoals aangegeven in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Kinderopvang met een gebruiksoppervlakte van maximaal 200 m2 moet alleen voorzien zijn van doorgekoppelde rookmelders.

Gelijkwaardigheid

Bij brandmeldinstallaties kan de gelijkwaardigheid een belangrijke rol spelen. Bij overschrijding van de in de tabel opgenomen waarden is een brandmeldinstallatie in beginsel vereist. Soms kan een gebouw zo overzichtelijk zijn en zulke goede vluchtmogelijkheden hebben, wel of niet met behulp van een goede ontruimingsorganisatie, dat het beoogde veiligheidsniveau ook met een minder zware installatie of zelfs zonder installatie is gewaarborgd. In een dergelijk geval kan een gelijkwaardige maatregel op zijn plaats zijn. Het bevoegd gezag moet dit beroep honoreren, wanneer de aanvrager aantoont dat de kwaliteiten van het bouwwerk in samenhang met de getroffen maatregelen garanderen dat alle personen zich tijdig in veiligheid kunnen brengen of in veiligheid kunnen worden gebracht.

Voorbeeld 1. Uit de waarden in de tabel volgt dat bij een oppervlakte van meer dan 500 m2 in combinatie met een verblijfsruimte gelegen op een vloer die hoger ligt dan 4,1 m boven het meetniveau (bijvoorbeeld de tweede verdieping), een brandmeldinstallatie noodzakelijk is voor een gebouw met een kantoorfunctie. In de praktijk kan een groter kantoorgebouw toch zo overzichtelijk zijn en zo’n goede akoestiek met weinig omgevingsgeluid hebben (bijvoorbeeld kantoortuin of ruimten met open deuren, in combinatie met een atrium over de volledige hoogte), dat iedereen tijdig, zonder bijzondere installaties, kan worden gewaarschuwd.

In een dergelijk geval ligt het in de rede dat het bevoegd gezag een beroep op gelijkwaardigheid honoreert. Voorbeeld 2. Uit de waarden in de tabel volgt dat bij een andere bijeenkomstfunctie met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 een automatische brandmeldinstallatie met gedeeltelijke bewaking is voorgeschreven. Een groot kerkgebouw valt onder deze categorie. Een kerkzaal is in de regel zo overzichtelijk en heeft een zodanige akoestische kwaliteit dat zonder brandmeldinstallatie het beoogde doel kan worden bereikt (tijdige detectie van de brand). De volgende overwegingen kunnen daarbij een rol spelen:

  • de grote hoogte van de ruimte. Bij brand zal de warme rook opstijgen en vanaf het plafond naar beneden zakken. Voordat de rook het vluchten hindert kan het bouwwerk al ontruimd zijn,

  • de beperkte vuurbelasting. De vuurbelasting in een kerk is vaak relatief beperkt, waardoor ook de rookproductie bij een brand beperkt zal zijn, wat een positief effect heeft op de ontvluchtingstijd.

Ook in een dergelijk geval is aannemelijk dat het bevoegd gezag een beroep op gelijkwaardigheid moet honoreren Er wordt nadrukkelijk op gewezen dat het bevoegd gezag zich bij het beoordelen van een dergelijk beroep op gelijkwaardigheid alleen mag baseren op overwegingen die betrekking hebben op het veilig kunnen vluchten van personen. Een overweging gericht op het beperken van de schade (het behoud van het bouwwerk) mag daarbij geen rol spelen.

Artikel 4.209 (melding en doormelding)

Bij een woonfunctie voor zorg met zorg op afroep in een woongebouw of in een groepszorgwoning moet volgens het eerste lid rechtstreekse melding plaatsvinden naar een zorgcentrale. Bij 24-uurszorg in een woongebouw of in een groepszorgwoning moet deze melding plaatsvinden naar de zusterpost. In een dergelijk geval worden niet alleen de in de woning aanwezige personen gealarmeerd. Deze melding naar zorgcentrale of zusterpost vindt dus plaats naast de eventuele doormelding aan de RAC zoals die op grond van de tabel moet plaatsvinden. Bij een zorgfunctie voor 24-uurszorg in een woongebouw en een groepszorgwoning voor 24-uurs zorg moet zodoende zowel een in het eerste lid bedoelde doormelding moet plaatsvinden naar de regionale alarmcentrale van de brandweer als naar een zorgcentrale of zusterpost.

Dat de brandmeldinstallatie ook wordt ingezet voor het melden aan de zorgcentrale of zusterpost is van belang omdat de – zelfstandig wonende – minder zelfredzame cliënten van de zorginstelling hulp nodig kunnen hebben bij het beoordelen van de situatie of bij het vluchten. Het begrip doormelding in dit besluit heeft betrekking op doormelding aan de RAC en bij melding gaat het om melding aan een zorgcentrale of zusterpost. Opgemerkt wordt dat NEN 2535 het onderscheid tussen melding en doormelding anders invult. NEN 2535 noemt elke melding op afstand een doormelding. Bepalend is echter wat in dit besluit is opgenomen.

Het tweede lid regelt dat een doormelding als bedoeld in artikel 4.208 rechtstreeks naar de regionale alarmcentrale van de brandweer moet plaatsvinden.

Artikel 4.210 (inspectiecertificaat brandmeldinstallatie)

Een volgens bijlage II te certificeren brandmeldinstallatie van een nieuw te bouwen bouwwerk moet op het moment van ingebruikname van het bouwwerk een inspectiecertificaat hebben dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging (brandmeldinstallaties). Deze certificatieplicht is opgenomen in hoofdstuk 4 om te waarborgen dat de brandmeldinstallatie bij gebruikname aan de in dit hoofdstuk gestelde technische eisen voldoet. De in hoofdstuk 6, paragraaf 6.5.1, gestelde certificatieplicht is een gebruikseis die toeziet op de beheers, controle en onderhoudsverplichting, waarmee de in hoofdstuk 3 bedoelde technische conditie van de bestaande brandmeldinstallatie is geborgd.

Artikel 4.211 (rookmelders)

Op grond van tabel 4.207 zijn onder de in dit artikel aangegeven omstandigheden rookmelders voorgeschreven voor de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan vier jaar en de logiesfunctie.

Het eerste lid schrijft rookmelders voor op de vluchtroutes bij nieuw te bouwen woonfuncties. Wanneer een woonfunctie een voorgeschreven brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.208 heeft, zijn die rookmelders niet nodig. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een woonfunctie voor zorg.

Elke route tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van een nieuwe woonfunctie moet een of meer rookmelders hebben. Rookmelders moeten alleen worden geplaatst op de route naar de voordeur van de woning en niet op de route tussen de voordeur van de woning en de uitgang van het woongebouw.

Waaraan rookmelders moeten voldoen volgt uit de zogenoemde primaire inrichtingseisen van NEN 2555, dit zijn:

  • eisen aan de rookmelders zelf, inclusief het werkingsprincipe,

  • aansluiting op een voorziening voor elektriciteit,

  • aansluiting op een secundaire energievoorziening,

  • het wel of niet gekoppeld moeten zijn van de rookmelders, en

  • het aantal en de projectering.

Het wel of niet doorkoppelen van de rookmelders wordt in NEN 2555 afhankelijk gesteld van het geluidsniveau van het alarmsignaal dat in de verblijfsruimten doorklinkt. Bij kamergewijze verhuur en logies zal hierdoor al snel sprake moeten zijn van extra of gekoppelde rookmelders aangezien een eventueel alarm in alle wooneenheden respectievelijk kamers (met gesloten deuren) voldoende duidelijk te horen moet zijn.

Rookmelders moeten alleen worden geplaatst op de route naar de voordeur van de woning en niet op de route tussen de voordeur van de woning en de uitgang van het woongebouw.

Het tweede lid van dit artikel geldt alleen voor kamergewijze verhuur. Elke verblijfsruimte en alle ruimten op de vluchtroute tot aan de voordeur van de woonfunctie moeten doorgekoppelde rookmelders hebben. Wanneer een woonfunctie een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.208 heeft, zijn rookmelders niet nodig. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een woonfunctie voor zorg.

Overigens wordt opgemerkt dat een woonfunctie voor kamergewijze verhuur bovendien kan zijn aangemerkt als een woonfunctie voor zorg. In een dergelijk geval geldt de zwaarste eis.

Het derde lid bepaalt dat bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, in afwijking van het tweede lid, in de verblijfsruimten geen rookmelders nodig zijn wanneer elke wooneenheid in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een wbdbo van ten minste 30 minuten. In een dergelijk geval moeten er wel rookmelders zijn in ruimten waardoor de vluchtroutes voeren tussen de uitgang van de wooneenheid en de uitgang van de woonfunctie (woning) en in de gezamenlijke ruimten van de woonfunctie. Gezamenlijk wil zeggen dat het gaat om een ruimte waarop wooneenheden binnen de woonfunctie zijn aangewezen, zoals een gezamenlijke keuken of woonkamer (zie ook artikel 2.7 (gemeenschappelijk en gezamenlijk)).

De compartimentering in beschermde subbrandcompartimenten zorgt er voor dat bij een brand in een wooneenheid vanuit alle wooneenheden veilig naar buiten kan worden gevlucht.

Het derde lid is van toepassing op een kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar en op een logiesfunctie. In deze gevallen moet iedere verblijfsruimte en elke op een vluchtroute gelegen besloten ruimte, tot aan de uitgang van het gebouw, een of meer rookmelders hebben. Als zo’n gebruiksfunctie op grond van artikel 4.208 een brandmeldinstallatie heeft dan is het niet nodig om in aanvulling op die brandmeldinstallatie rookmelders aan te brengen. In het derde lid wordt gesproken van een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert. Doel van de rookmelder is te voorkomen dat een ruimte vol rook komt te staan en er niet meer doorheen kan worden gevlucht. Bij een open ruimte kan de rook zich niet tot een grote dichtheid ophopen.

Voor de waarden waarbij het vluchten door een ruimte nog mogelijk is, kunnen volgens het rapport ‘Onderzoek niet-besloten ruimten’ (DGMR, dd 10 maart 2015, zie www.rijksoverheid.nl) als veilige waarden worden aangehouden die zijn genoemd in de toelichting bij artikel 4.78.

Het vierde lid regelt, in aanvulling op het derde lid, dat het in de primaire inrichtingseisen bedoelde alarmeringssignaal, als dat geactiveerd wordt, altijd, dus ongeacht het moment op de dag, door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke verantwoordelijke functionaris moet kunnen worden waargenomen. Zit de functionaris bijvoorbeeld permanent achter de balie of in een portiersloge, dan zal hij het signaal daar moeten kunnen waarnemen. Wordt van de functionaris verwacht dat hij een ronde door het gebouw of over het terrein maakt of wanneer hij in zijn aan de logiesfunctie gerelateerde woning verblijft, dan zal hij het signaal ook daar moeten kunnen waarnemen.

§ 4.7.6 Vluchten bij brand
Algemeen

De regels van deze paragraaf zijn gericht op het bij brand voldoende snel en veilig kunnen vluchten.

Artikel 4.212 (aansturingsartikel)

De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een bouwwerk zodanige voorzieningen moet hebben dat de gebruikers het bouwwerk kunnen ontvluchten of anderszins in veiligheid kunnen worden gebracht. De functionele eis is verduidelijkt vergeleken met de functionele eis uit het Bouwbesluit 2012 waar alleen werd gesproken van ‘dat het ontvluchten goed kan verlopen’.

De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Er wordt op gewezen dat in tabel 4.212 artikel 4.213, eerste lid, door het aanwijzen van elke bijeenkomsfunctie ook is aangewezen voor de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport. Hoewel deze subgebruiksfunctie op basis van het eerste lid van artikel 4.208 geen brandmeldinstallatie hoeft te hebben kan de plicht een brandmeldinstallatie te hebben wel voortvloeien uit het derde lid van artikel 4.208. Omdat in een dergelijk geval ook een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in artikel 4.213 nodig is, is het eerste lid van artikel 4.213 ook aangewezen voor de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport. Daarmee geldt de regel voor alle bijeenkomstfuncties en is een onderverdeling in subgebruiksfuncties overbodig.

Artikel 4.213 (ontruimingsalarminstallatie)

Dit artikel heeft betrekking op ontruimingsalarminstallaties. Het doel van een ontruimingsalarminstallatie is de in het bouwwerk aanwezige personen na het ontdekken van een brand snel te alarmeren zodat een snelle en ordelijke ontruiming van de aanwezige personen kan plaatsvinden. Een ontruimingsalarminstallatie is vooral nodig wanneer personen door aanroepen niet snel genoeg op de hoogte kunnen worden gesteld. Zonder ontruimingsalarminstallatie zouden zij te laat geïnformeerd worden en niet direct met vluchten kunnen beginnen.

De ontruimingsalarminstallatie kan ook worden gebruikt om de voor het vluchten noodzakelijke hulp te mobiliseren, bijvoorbeeld door melding naar een zusterpost of zorgcentrale. Dit is bijvoorbeeld het geval bij minder zelfredzame personen, bij personen die onder dwang zijn ingesloten of bij het vluchten van grote hoeveelheden mensen. Het ontruimingssignaal zal soms een luid alarm, soms een stil alarm of een combinatie van beide moeten zijn.

Het eerste lid bevat regels over de aanwezigheid en de kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties. De aanwezigheid van zo’n installatie is vereist in die gevallen dat op grond van artikel 4.208 een brandmeldinstallatie aanwezig moet zijn. De ontruimingsalarminstallatie moet voldoen aan NEN 2575. In het eerste lid is geen sprake van een plicht om een (door het bevoegd gezag) goedgekeurd programma van eisen te hebben. Een dergelijk programma wordt ook niet bij de brandmeldinstallatie gevraagd. Het is niet nodig een separaat door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen te hebben nu het ontwerp van alle voorgeschreven brandveiligheidsinstallaties in het kader van de aanvraag om vergunning voor het bouwen wordt beoordeeld door het bevoegd gezag.

Welk type installatie voorgeschreven wordt, hangt af van de specifieke situatie (zoals aanwezigheid van niet of minder zelfredzame personen, totaal aantal in het bouwwerk aanwezige personen, de concentratie van die personen en het aantal verdiepingen van het bouwwerk). Soms kiezen gebruikers van een bouwwerk op vrijwillige basis voor een brandmeldinstallatie, bijvoorbeeld in een bouwwerk met een lage bezetting maar met een kostbare inventaris, zoals soms bij een lichte industriefunctie het geval kan zijn. Een ontruimingsalarminstallatie is bij een vrijwillige geplaatste brandmeldinstallatie dus niet verplicht.

Gelijkwaardigheid

Vergelijkbaar met wat bij artikel 4.208 over gelijkwaardigheid bij de brandmeldinstallatie is beschreven, kan ook bij de ontruimingsalarminstallatie een beroep worden gedaan op gelijkwaardigheid. Bij bijvoorbeeld een situatie die zowel overzichtelijk is als een goede akoestiek heeft met weinig omgevingsgeluid kan een adequate alarmering ook plaatsvinden zonder een ontruimingsalarminstallatie. Wanneer met een beroep op gelijkwaardigheid is vastgesteld dat geen brandmeldinstallatie is vereist, dan betekent dit dat ook geen ontruimingsalarminstallatie is vereist. Een ontruimingsalarminstallatie is namelijk alleen voorgeschreven in die gevallen dat een brandmeldinstallatie is voorgeschreven. De brandmeldinstallatie en ontruimingsalarminstallatie komen in het algemeen als combinatie voor. Al zijn er situaties denkbaar waarbij het beroep op gelijkwaardigheid bij de brandmeldinstallatie is afgewezen, terwijl dat bij de ontruimingsalarminstallatie is gehonoreerd. Andersom is minder realistisch omdat een ontruimingsalarminstallatie zonder brandmeldinstallatie geen aansturing heeft en dus ook geen betekenis. Wel is het denkbaar dat er met succes een beroep op gelijkwaardigheid wordt gedaan voor een brandmeldinstallatie met een lager bewakingsniveau, terwijl in de zelfde situatie een lager alarmeringsniveau bij de ontruimingsalarminstallatie onhaalbaar is. Volgens het eerste lid van dit artikel zijn logiesfuncties gelegen in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking vereist (zie de definitie in bijlage I van dit besluit) om een brandmeldinstallatie met rechtstreekse doormelding naar de regionale alarmcentrale van de veiligheidsregio te hebben. Bij de het in het tweede lid genoemde logiesfuncties geldt dat bij detectie van brand het ontruimingsignaal direct in het gehele gebouw in werking moet worden gesteld. Een stil alarm of een vertraging in het alarm wordt dus niet toegestaan. Voor logiesfuncties met 24-uurs bewaking gelden andere regels (zie de definitie over dit onderwerp in bijlage I van het besluit).

Bij een in het tweede lid bedoeld logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking geldt dat bij detectie van brand het ontruimingsignaal direct in het gehele gebouw in werking moet worden gesteld. Een stil alarm of een vertraging in het alarm wordt dus niet toegestaan. Deze regels zijn, inhoudelijk ongewijzigd, overgenomen uit de Regeling Bouwbesluit 2012 (artikel 2.2).

Het derde lid regelt, dat het in het tweede lid bedoelde alarmeringssignaal, als dat geactiveerd wordt, altijd, dus ongeacht het moment op de dag, door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke verantwoordelijke functionaris moet kunnen worden waargenomen. Zit de functionaris bijvoorbeeld permanent achter de balie of in een portiersloge, dan zal hij het signaal daar moeten kunnen waarnemen. Wordt van de functionaris verwacht dat hij een ronde door het gebouw of over het terrein maakt, of wanneer hij thuis is in zijn aan de logiesfunctie gerelateerde woning, dan zal hij het signaal daar moeten kunnen waarnemen,bijvoorbeeld met een in NEN 2575 bedoelde personenzoekinstallatie.

Artikel 4.214 (inspectiecertificaat ontruimingsalarminstallatie)

Dit artikel regelt dat een in artikel 4.213 voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie voor ingebruikname van het bouwwerk een geldig inspectiecertificaat heeft dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging (ontruimingsalarminstallaties).

Artikel 4.215 (vluchtrouteaanduiding)

De vluchtrouteaanduiding is bedoeld om de gebruiker van een gebouw duidelijkheid te geven over het verloop van vluchtroutes, zodat ook personen die niet of minder bekend zijn met een specifieke vluchtroute of zich door rook of duisternis niet meer kunnen oriënteren, voldoende snel het aansluitend terrein kunnen bereiken. De aanwezigheidseis geldt in beginsel voor alle typen gebouwen. Tabel 4.212 geeft een uitzondering voor de lichte industriefunctie aangezien in die functie normaliter weinig personen aanwezig zijn (zie ook bijlage I, begrippen).

In het eerste lid is bepaald dat een bouwwerk een vluchtrouteaanduiding moet hebben in iedere ruimte waardoor een verkeersroute voert en in iedere ruimte die bedoeld is voor meer dan 50 personen. In ruimten voor minder dan 50 personen is dus geen aanduiding nodig tenzij door die ruimten een verkeersroute voert. Een vluchtrouteaanduiding is bijvoorbeeld niet noodzakelijk en gebruikelijk in een afgesloten kantoortje, maar wel in de gang of kantoortuin waardoor vanuit dat kantoortje naar een veilige plek wordt gevlucht. NEN 6088 stelt eisen aan de gebruikte kleuren en symbolen (pictogrammen) van vluchtrouteaanduidingen. In NEN-EN 1838 worden met name eisen gesteld aan luminantie en luminantieverhoudingen. Deze in het eerste lid aangewezen normen bevatten geen eisen over de verlichtingssterkte van de vluchtrouteaanduiding zelf. Vluchtrouteaanduidingen hoeven dan ook niet per definitie als inwendig verlichte armaturen te worden uitgevoerd. In een aantal gevallen kan worden volstaan met het aanbrengen van pictogramstickers die zo nodig door externe verlichting worden aangelicht om aan de luminantie-eis te kunnen voldoen.

In het tweede lid is een uitzondering opgenomen voor een vluchtrouteaanduiding die op een vluchtroute ligt vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die niet is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 6.3. Dergelijke vluchtrouteaanduidingen hoeven bij stroomuitval niet aan de zichtbaarheidseisen van NEN-EN 1838 te voldoen.

Het derde lid bepaalt dat een deur die toegang geeft tot een beschermde route aan beide zijden groen (RAL 6024) moet zijn. Die regel geldt alleen voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m.

Op grond van het vierde lid lid bedraagt de maximumhoogte waarop de vluchtrouteaanduidingen moeten zijn aangebracht zijn in een wegtunnel 1,5 m. Uiteraard is het toegestaan om in aanvulling op dit lid vluchtrouteaanduidingen boven vluchtuitgangen of -deuren aan te brengen. Het vierde lid geeft verder aan dat bij een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het tweede lid, de loopafstand tot het einde van de tunnelbuis, in twee richtingen of, indien die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije deur die toegang geeft tot een beschermde route goed zichtbaar moet zijn aangegeven.

In het vijfde lid is bepaald dat de vluchtrouteaanduiding moet zijn aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats, dus niet achter een deur, gordijn of bij een hoge ruimte direct onder het plafond. Het vijfde lid regelt verder dat een in het eerste lid bedoelde vluchtrouteaanduiding binnen 15 seconden na stroomuitval, gedurende ten minste 60 minuten aan de zichtbaarheidseisen van NEN-EN 1838 moet voldoen. Hoewel in de praktijk vaak van een intern verlichte armatuur gebruik zal worden gemaakt is het ook toegestaan de vluchtrouteaanduiding extern aan te lichten.

Uit artikel 2.6 (specifieke zorgplicht: bouwwerkinstallaties) vloeit de verplichting voort om de vluchtrouteaanduidingen goed te onderhouden en regelmatig te controleren.

Artikel 4.216 (deuren in vluchtroutes: draairichting)

Doel van dit artikel is te waarborgen dat deuren in vluchtroutes het vluchten bij brand zo min mogelijk hinderen. De regels hebben betrekking op de draairichting en het hang- en sluitwerk van de deur. Regels over het brandveilig gebruik van deuren in vluchtroutes zijn opgenomen in artikel 6.16. Vluchtroutes waarop veel personen zijn aangewezen lopen het gevaar geblokkeerd te raken als deuren op de vluchtroute tegen de vluchtrichting indraaien of niet tijdig kunnen worden geopend. Een groep vluchtende mensen zou daardoor in het gedrang kunnen komen.

Daarom mogen deuren in vluchtroutes in bepaalde situaties niet tegen de vluchtrichting indraaien en kunnen eisen worden gesteld aan hang en sluitwerk.

In dit verband moet een draaideur worden aangemerkt als een deur die tegen de vluchtrichting indraait. Schuifdeuren zijn in de meeste situaties wel toegestaan. Zie echter het vierde lid voor een uitzondering voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m.

Een deur in een woongebouw die bij het vluchten vanuit een woning in dat woongebouw toegang biedt tot een trappenhuis moet volgens het eerste lid met de vluchtrichting meedraaien. Opgemerkt wordt dat dit eerste lid, evenals onder het Bouwbesluit 2012 het geval was, alleen voor nieuwbouw geldt.

Het tweede lid schrijft voor dat een deur van een uitgang waardoor een vluchtroute loopt bij het openen met de vluchtrichting moet meedraaien wanneer bij het vluchten meer dan 37 personen op die deur zijn aangewezen. Als een groter aantal personen dan het maximale aantal van 37 personen gelijdelijk toestroomt over een langere tijdsinterval dan 1 minuut (waarbij is uitgegaan van het maximum van 37 personen), dan zou er, ter beoordeling van het bevoegd gezag, sprake kunnen zijn van een gelijkwaardige oplossing. Het gaat er om dat er nooit tegelijkertijd zoveel personen voor de deur aanwezig zijn, dat de deur in het gedrang niet meer geopend kan worden. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat deuren in een stelsel van deuren (bijvoorbeeld dubbel openslaande deuren) als afzonderlijke deuren mogen worden beoordeeld, mits (op voorwaarde dat) elke deur afzonderlijk ten minste de aan een uitgang vereiste vrije doorgang biedt.

Als een uitgang een nooddeur is, dan mag dat op grond van het derde lid geen schuifdeur zijn. Bij een nooddeur zijn er vanwege het incidentele gebruik onvoldoende waarborgen dat het schuifmechanisme bij brand nog goed werkt. Bij regulier gebruik van een schuifdeur bijvoorbeeld in de toegang van een gebouw zijn er voldoende waarborgen dat het schuifmechanisme gangbaar blijft. Uit de aanvraag om vergunning voor het bouwen of een gebruiksmelding volgt hoeveel personen op een deur zijn aangewezen.

In het vierde lid is voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m geregeld dat vluchtdeuren niet tegen de vluchtrichting in mogen draaien. Die regel is opgenomen omdat er bij een ongeluk in een wegtunnel bij elke uitgang van de wegtunnelbuis rekening moet worden gehouden met het feit dat door die uitgang veel mensen moeten kunnen vluchten.

Artikel 4.217 (deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen)

In het eerste lid zijn voor de woonfunctie voor kamergewijze verhuur eisen aan het ontsluitingsmechanisme van deuren gesteld. Elke deur op de vluchtroute moet komende vanaf de toegang van een wooneenheid eenvoudig met een lichte druk of een ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 179 en NEN-EN 1125 kunnen worden geopend. Er mag dus een panieksluiting worden aangebracht maar dat hoeft niet. Het gaat in dit lid dus niet om het ontsluitingsmechanisme van de toegangsdeur van de wooneenheid zelf maar om het eenvoudig in de vluchtrichting kunnen openen van deuren op de vluchtroute die loopt vanaf de toegang van de wooneenheid naar de voordeur van de woonfunctie.

In het tweede lid worden eisen gesteld aan deuren waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen. Die deuren moeten in de vluchtrichting kunnen worden geopend door een lichte druk tegen de deur uit te oefenen of door een lichte druk tegen een op een hoogte van circa 1 m aangebrachte panieksluiting. Een panieksluiting is een ontsluitingsmechanisme dat wordt bediend met een stang die over de volle deurbreedte op de deur is aangebracht. De panieksluiting moet voldoen aan NEN-EN 1125. In de vluchtrichting wil zeggen met de stroom vluchtenden mee. Dat de deur in de vluchtrichting moet meedraaien volgt voor de in deze regel bedoelde situaties uit het derde lid van artikel 4.216. Er worden overigens geen eisen gesteld aan de wijze waarop de deur vanaf de andere kant moet worden geopend.

Op grond van het derde lid geldt een specifieke regel voor ruimten voor het insluiten van personen ongeacht de gebruiksfunctie (met uitzondering van de reguliere woonfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde). Dit betekent dat behalve een reguliere cel (in dit besluit wordt gesproken van ‘celeenheid’) ook bijvoorbeeld verhoorruimten, ophoudruimten en dergelijke in een politiebureau of rechtbank, een isoleerruimte in de gezondheidszorg wel met een sleutel mogen worden geopend. Voor deze afwijking van de het eerste lid is gekozen omdat het wel of niet gedwongen insluiten zich verzet tegen deuren die door iedereen zonder sleutel kunnen worden geopend. Zie ook de toelichting op het begrip celeenheid in bijlage I bij artikel 1.1 van dit besluit. Om het tijdig vluchten bij brand mogelijk te maken moeten de in dit tweede lid bedoelde deuren zo nodig voldoende snel kunnen worden geopend. In artikel 6.21, tweede lid, is daarvoor een eis gesteld.

Het vierde lid heeft betrekking op automatische (schuif)deuren en op voorzieningen voor toegangs of uitgangscontrole. Bij het wegvallen van de netspanning moeten deze voorzieningen vanzelf (automatisch) opengaan of zonder gebruik van een sleutel kunnen worden geopend (zie ook artikel 6.21, eerste lid). Direct bij een automatische deur die in geval van brand handmatig moet worden geopend moet duidelijk zijn aangegeven hoe deze kan worden geopend.

Op grond van het vijfde lid moet op deuren die toegang geven tot een zogenoemd overdruktrappenhuis duidelijk zichtbaar zijn aangegeven dat die deur toegang tot een dergelijk trappenhuis geeft. Wanneer een overdruktrappenhuis op overdruk staat (dit gebeurt automatisch bij brand), is de weerstand van de deuren die toegang tot dat trappenhuis geven hoger dan de weerstand onder normale omstandigheden. Vluchtende personen zouden daardoor kunnen concluderen dat de deur op slot zit. Met een opschrift, zoals Hard duwen, trappenhuis kan op overdruk staan, wordt men hierover geïnformeerd. Overigens wordt opgemerkt dat een overdruktrappenhuis niet in dit besluit wordt voorgeschreven. Een overdruktrappenhuis wordt echter regelmatig toegepast in het kader van gelijkwaardigheid, bijvoorbeeld als onderdeel van een alternatief voor rooksluizen voor trappenhuizen of om bij hoge gebouwen (> 70 m) te voldoen aan de brandveiligheidseisen van paragraaf § 4.2.13. Deze regel is niet van toepassing op een schuifdeur. De schuifdeur zal overigens volgens het eerste en tweede lid van dit artikel, zonder veel kracht te moeten zetten geopend kunnen worden, ook in overdruksituatie. Het gaat dan om het uitoefenen van een lichte druk in de schuifrichting van de deur.

Op grond van het zesde lid moet aan de buitenkant van een in een buitengevel aanwezige nooddeur het opschrift nooddeur vrijhouden of nooduitgang zijn aangebracht. Hiermee wordt voor iedereen duidelijk gemaakt dat deze deur of uitgang moet worden vrijgehouden, zodat daarvan in geval van een calamiteit onmiddellijk gebruik kan worden gemaakt. Het opschrift moet voldoen aan NEN 3011.

Artikel 4.218 (zelfsluitende constructieonderdelen)

In dit artikel wordt gesproken van constructieonderdelen (zoals bijvoorbeeld deuren). Openingen in inwendige scheidingsconstructies tussen een brand- of subbrandcompartiment en een buiten dat compartiment gelegen ruimte zouden de weerstand van zo’n constructie tegen branduitbreiding of rookdoorgang tenietdoen. Daarmee zou ook niet meer worden voldaan aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen deze ruimten. Daarom bepaalt het eerste lid dat deuren in de inwendige scheidingsconstructie voorzien moeten zijn van een dranger. De dranger mag ook een vrijloopdranger zijn. Dat is een dranger die bij brand automatisch wordt geactiveerd zodat het gebruik van de deur onder normale omstandigheden niet door de dranger wordt beïnvloed.

Het gaat hier om de scheidingsconstructies tussen een (sub)brandcompartiment en besloten ruimten daarbuiten en niet om scheidingsconstructies binnen een (sub)brandcompartiment of tussen een (sub)brandcompartiment en een niet-besloten ruimte. De bedoeling van dit lid is te regelen dat deuren in alle brandscheidingen zelfsluitend zijn, daarom is de regel ook van toepassing op inwendige scheidingsconstructies waarvoor alleen een eis aan de weerstand tegen branddoorslag geldt.

Het tweede lid maakt een uitzondering op het eerste lid. Op grond van het tweede lid geldt de zelfsluitendheidseis niet voor de voordeur van een woonfunctie (woning) en ook niet voor binnen de woning gelegen deuren. Mocht er op de route tussen de voordeur van de woning en het aansluitende terrein een brandwerende deur zijn, dan moet die deur wel zelfsluitend zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om een brandwerende deur van of vanaf een trappenhuis. .

Het derde lid bepaalt dat bij portiekwoningen het tweede lid niet van toepassing is, waardoor de aan het portiek grenzende voordeur van elke woning toch zelfsluitend moet zijn. De bedoeling van deze regel is het voorkomen van rook in een portiek. Als een portiek vol met rook staat kunnen de bewoners namelijk niet meer vluchten door dit portiek, terwijl er ook geen andere vluchtroute is. Uit het rapport ‘Onderzoek rookbeheersing portiekoplossing’ (Nieman, dd 30 september 2011, zie www.rijksoverheid.nl) blijkt dat het toepassen van een zelfsluitende deur de meest aangewezen oplossing is voor het voorkomen van rook in het portiek.

Het vierde lid geldt voor een woonfunctie voor zorg en een woonfunctie voor kamergewijze verhuur. Volgens het eerste lid moet elke brand- of rookwerende deur van deze woonfuncties zelfsluitend zijn, behalve deuren in een niet-gezamenlijke doorgang. Dat wil zeggen dat niet de deuren van afzonderlijke wooneenheden in de woonfunctie (woning) zelfsluitend behoeven te zijn, maar wel de voordeur van de woning en elke andere brand- of rookwerende scheidingsdeuren op de route tussen de uitgang van elke wooneenheid in de woning en het aansluitende terrein. Voor de volledigheid wordt er op gewezen dat het tweede lid van dit artikel niet is aangestuurd voor de woonfuncties voor zorg en voor kamergewijze verhuur. Het tweede lid zou er namelijk onbedoeld toe leiden dat alle deuren in die woonfuncties niet-zelfsluitend behoeven te zijn. Verder wordt opgemerkt dat de deur van een wooneenheid niet altijd een brand- of rookwerende deur behoeft te zijn. Wanneer een deur wel brand- of rookwerend moet zijn volgt uit de artikelen 4.51 en 4.59 en het tweede lid van artikel 4.211.

Op grond van het vijfde lid geldt deze zelfsluitendheidseis niet voor een celdeur (celeenheid).

§ 4.7.7 Bestrijden van brand
Artikel 4.219 (aansturingsartikel)

In het eerste lid is de functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand moet hebben, dat brand binnen redelijk tijd kan worden bestreden. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Artikel 4.220 (brandslanghaspels)

Het eerste lid en tweede lid schrijven voor in welke gevallen een brandslanghaspel aanwezig moet zijn. Met een brandslanghaspel kan de gebruiker een beginnende brand, die gewoonlijk alleen één brandhaard heeft, zelf blussen.

Uit het derde lid volgt hoeveel brandslanghaspels nodig zijn (projecteringseis). De eis is gebaseerd op de brandslanglengte en 5 m (de worplengte ofwel afstand die de waterstraal vanaf de spuitmond aflegt) en de vloeroppervlakte die met de brandslanghaspel moet kunnen worden bestreken. Deze eis geldt voor gebruiksfuncties die op grond van het eerste en tweede lid ten minste een brandslanghaspel moeten hebben. Hierbij moet gerekend worden met de gecorrigeerde loopafstand vanaf de brandslanghaspel. Zie voor het begrip gecorrigeerde loopafstand bijlage I (begrippen). De laatste zin van het lid regelt dat een niet in een functiegebied van de gebruiksfunctie gelegen ruimte, zoals een ballenhok, geen brandslanghaspel behoeft te hebben en ook niet bereikbaar hoeft te zijn met de brandslang of blusstraal, als deze ruimte niet bereikbaar is via een andere besloten ruimte van het bouwwerk. Deze uitzondering geldt niet als er een deur is tussen die ruimte en de rest van het gebouw.

Het vierde lid bevat de eisen waaraan een brandslanghaspel moet voldoen.

Er wordt op gewezen dat op grond van artikel 2.6 (specifieke zorgplicht: bouwwerkinstallatie) een brandslanghaspel en de daarbij behorende pompinstallatie op een adequate wijze worden gecontroleerd en onderhouden. Dit betekent dat zo nodig ook reparaties moeten worden uitgevoerd, maar beter nog dat defecten worden voorkomen. Zo is het van belang dat de slang tijdig wordt vervangen en de pompinstallatie regelmatig draait om de bedrijfszekerheid te waarborgen. Het vierde lid geldt alleen voor brandslanghaspels als bedoeld in het eerste en tweede lid. Met andere woorden, het vierde lid geldt alleen voor voorgeschreven brandslanghaspels.

In artikel 6.36 zijn regels gesteld voor de controle en onderhoud van brandslanghaspels.

Het vijfde lid regelt dat een voorgeschreven brandslanghaspel goed zichtbaar moet zijn opgehangen of gemarkeerd.

Artikel 4.221 (droge blusleiding)

Met het gebruik van het begrip droge blusleiding in dit artikel wordt niet beoogd een natte blusleiding te verbieden maar om te regelen dat er minimaal een blusleiding moet zijn die ten minste voldoet aan de gestelde eisen voor een droge blusleiding.

Het eerste lid van dit artikel schrijft voor gebouwen die een vloer van een verblijfsgebied hebben die hoger dan 20 m ligt een droge blusleiding voor. Ook in het kader van gelijkwaardigheid en het bouwen van hoge of ondergrondse gebouwen kan een droge blusleiding noodzakelijk zijn. Omdat met name bij gebouwen met een vloer van een verblijfsgebied boven de 70 m, de opvoerhoogte van de pomp van een brandweerwagen onvoldoende is, is het daar niet mogelijk de blusleiding te laten functioneren zonder pompinstallatie. In al deze gevallen is sprake van krachtens de wet voorgeschreven blusleidingen en pompinstallaties, waaraan in artikel 2.6 (specifieke zorgplicht: bouwwerkinstallatie) eisen aan controle en onderhoud worden gesteld. Zie ook hierna het zevende lid.

Het tweede lid regelt dat een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m een droge blusleiding heeft met een aansluiting in elke hulppost.

De droge blusleiding en de elke brandslangaansluiting moeten een doorstroomopening hebben die bij brand kan voorzien in een capaciteit van ten minste 120 m3 bluswater per uur. Uit artikel 4.222 volgt dat deze capaciteit gedurende ten minste één uur bij gebruik van ten minste één brandslangaansluiting moet zijn gewaarborgd. Het is dus niet zo dat bij gelijktijdig gebruik van twee aansluitingen een bluscapaciteit van 240 m3 beschikbaar moet zijn.

Het derde en vierde lid bevatten eisen waaraan een droge blusleiding bij nieuwbouw moet voldoen.

Het beheer de controle en het onderhoud van droge blusleidingen en de daarbij behorende pompinstallatie is geregeld in artikel 2.6 (Specifieke zorgplicht: bouwwerkinstallatie). De blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie moeten regelmatig op een adequate wijze worden gecontroleerd en onderhouden. Dit betekent dat zo nodig ook reparaties moeten worden uitgevoerd, maar beter nog dat defecten worden voorkomen. In aanvulling op de specifieke zorgplicht van artikel 2.6 bepaalt artikel 6.35 dat een krachtens de wet voorgeschreven droge blusleiding en pompinstallatie bij oplevering, en vervolgens eenmaal in de vijf jaar, moeten worden getest in overeenstemming met NEN 1594.

Artikel 4.222 (bluswatervoorziening wegtunnel)

De algemene voorschriften voor bluswatervoorzieningen uit het eerste, derde en vierde lid van artikel 6.30 van het Bouwbesluit 2012 zijn niet overgenomen in dit besluit. Het stellen van regels aan andere bluswatervoorzieningen dan bluswatervoorzieningen voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wordt in het vervolg aan gemeente overgelaten. Gemeenten kunnen hiervoor in het omgevingsplan lokale regels stellen.

Dit artikel regelt de aanwezigheid en de capaciteit van een bluswatervoorziening voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m. De in artikel 4.221, bedoelde blusleiding van een wegtunnel moet op de bluswatervoorziening zijn aangesloten. Ongeacht het aantal aansluitingen op de blusleiding, moet de bluswatervoorziening ten minste één uur zijn gewaarborgd en moet in dit uur ten minste 120 m3 bluswater beschikbaar zijn. Daarbij kan net als bij andere bouwwerken gebruik worden gemaakt van naar keuze een leidingnet, een watervoorraad of oppervlaktewater.

Artikel 4.223 (blustoestellen)

In dit besluit is alleen voor kamergewijze verhuur en wegtunnels een mobiel blustoestel voorgeschreven. In het eerste lid van dit artikel is voor kamergewijze verhuur aangegeven dat er ten minste een blustoestel in een gezamenlijke keuken en per bouwlaag ten minste een in de gezamenlijke gang of op de overloop aanwezig moet zijn. Als een groepszorgwoning vijf of meer wooneenheden omvat, dan moet deze ook voldoen aan de aan een woonfunctie voor kamergewijze verhuur verbonden regels. Het is echter niet nodig dat er in een groepszorgwoning in aanvulling op de in artikel 4.220 bedoelde brandslanghaspels ook blustoestellen zijn.

Het tweede lid schrijft voor dat elke hulppost in een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m een draagbaar blustoestel moet hebben.

Het derde lid regelt dat een voorgeschreven blustoestel goed zichtbaar moet zijn opgehangen of gemarkeerd.

Het algemene voorschrift voor mobiele blustoestellen uit het Bouwbesluit 2012 is niet overgenomen in dit besluit. Het is de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om te beoordelen of het in andere dan de hierboven genoemde gevallen nodig is om bijvoorbeeld op grond van de Risico Inventarisatie en Evaluatie in het kader van de Arbo regelgeving dergelijke blustoestellen te plaatsen.

Artikel 4.224 (tijdelijk bouwwerk)

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.220 en 4.221 onverkort van toepassing. Dit betekent dat bij tijdelijke bouw de nieuwbouwregels voor brandslanghaspels en droge blusleidingen van toepassing zijn.

Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.

§ 4.7.8 Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten
Algemeen

Deze paragraaf heeft betrekking op de brandweeringang van bouwwerken waarin personen kunnen verblijven, de toegankelijkheid van dit soort bouwwerken voor hulpverleningsdiensten, opstelplaatsen voor brandweervoertuigen, brandweerliften in bouwwerken en voorzieningen voor mobiele radiocommunicatie van hulpverleningsdiensten.

De voorschriften voor de bereikbaarheid van het gebouw voor de brandweer, zoals opgenomen in artikel 6.37 (bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten) en artikel 6.38 (opstelplaatsen voor brandweerwagens) van het Bouwbesluit 2012 zijn niet opgenomen in dit besluit. Dit vanwege het feit dat onder de Omgevingswet de bevoegdheid voor het stellen van dergelijke eisen aan de omgeving van een gebouw bij de gemeente ligt. De gemeente kan deze eisen, afgestemd op de locale situatie, opnemen in het omgevingsplan.

Artikel 4.225 (aansturingsartikel)

In het eerste lid is de functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanig bereikbaar voor hulpverleningsdiensten moet zijn, dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.

Er wordt op gewezen dat artikel 4.228 (brandweerlift) in tabel 4.225 niet is aangestuurd voor een overige gebruiksfunctie en een bouwwerk geen gebouw zijnde. Dit komt overeen met het vergelijkbare voorschrift uit het Bouwbesluit 2012.

Artikel 4.226 (brandweeringang)

Om een snelle en adequate inzet mogelijk te maken, moet de brandweer een bouwwerk met een zodanig brandveiligheidsrisico dat het bouwwerk een brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat moet hebben op eenvoudige wijze kunnen betreden. Het is daarom van groot belang dat de brandweer direct weet waar het gebouw kan worden betreden.

Het eerste lid geeft aan dat een bouwwerkmet een krachtens de wet (Omgevingswet) voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat een brandweeringang moet hebben. Voorbeelden van een dergelijke brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat zijn een brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat als bedoeld in artikel 4.210 van dit besluit en een brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat die onderdeel uitmaakt van een in artikel 4.7 van de wet bedoelde gelijkwaardige oplossing.

Het tweede lid stelt eisen aan het ontsluitingsmechanisme van de brandweeringang. Deze ingang moet bij brand of automatisch open gaan of kunnen worden geopend met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald, bijvoorbeeld met een brandweersleutel. Het tweede lid is alleen van toepassing op de in het eerste lid bedoelde gebouwen, voor zover bij die een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie een doormelding naar de regionale alarmcentrale van de brandweer is vereist. Voorbeelden van een krachtens de Omgevingswet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding zijn een in artikel 4.208, eerste lid, bedoelde brandmeldinstallatie met doormelding en een brandmeldinstallatie met doormelding die onderdeel uitmaak van een in artikel 4.7 van de Omgevingswet bedoelde gelijkwaardige oplossing.

De brandweer zal bij toepassing van dit artikel rekening moeten houden met de mogelijkheid dat het bevoegd gezag op grond van artikel 4.227 beperkingen kan stellen.

Artikel 4.227 (afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang)

Een brandweeringang is niet nodig als het bevoegd gezag dat gezien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk niet nodig vindt. Als het gebouw/bouwwerk meerdere toegangen heeft, worden op grond van sub bin overleg met de brandweer een of meer van die toegangen als brandweeringang aangewezen. De brandweer zal hierbij rekening houden met de mogelijkheden om vanaf de specifieke toegang of toegangen de brandweerinzet goed te kunnen organiseren en uitvoeren.

Artikel 4.228 (brandweerlift)

Het kunnen redden van personen bij brand en het bestrijden van brand door de brandweer kan in sommige gevallen (bijvoorbeeld bij hoogbouw) meebrengen dat in het gebouw een brandweerlift aanwezig moet zijn. Als een lift is aangemerkt als brandweerlift, dan moet de brandweer er op kunnen vertrouwen dat deze lift geschikt is om bij brand materieel en manschappen veilig te vervoeren. Voor een toelichting op het begrip brandweerlift wordt verwezen naar de toelichting op bijlage I, onderdeel A. Met de aanwezigheid van zo’n lift wordt de brandweer in staat gesteld om in geval van brand het blus- en reddingsmaterieel langs veilige weg naar hoger gelegen verdiepingen aan te voeren. Er wordt op gewezen dat de brandweerlift op grond van het bepaalde in artikel 2.6 (specifieke zorgplicht: bouwwerk installatie) op adequate wijze moet worden beheerd, onderhouden en gecontroleerd. Omdat de gewone periodieke controle van liften op grond van het Warenwetbesluit Liften (eens in de 18 maanden) niet toeziet op veiligheidsaspecten die specifiek zijn voor een brandweerlift bijvoorbeeld schachtventilatie, zal het nodig zijn bij de controle rekening te houden met de specifieke eigenschappen van de brandweerlift. Dit zal in het algemeen betekenen dat elke brandweerlift eens per 18 maanden een specifieke controle- en onderhoudsbeurt moet krijgen. Als dit niet adequaat gebeurt dan zal de brandweer de lift niet meer als brandweerlift willen gebruiken. Opgemerkt wordt dat het ontbreken van een voorgeschreven brandweerlift, bijvoorbeeld omdat de brandweer de lift niet meer als brandweerlift wil gebruiken, er toe kan leiden dat beperkingen aan het gebruik van het bouwwerk worden gesteld.

Artikel 4.229 (mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten)

Bij een calamiteit is adequate communicatie tussen publieke hulpverleners essentieel om goed te kunnen functioneren. In veel gevallen zijn hiervoor geen extra voorzieningen nodig. In dit artikel worden twee specifieke regels gegeven. Bij een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk kunnen bijzondere voorzieningen voor een adequate mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk nodig zijn (eerste lid). Bij wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m is een door het bevoegd gezag goedgekeurde installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten de wegtunnel altijd nodig (tweede lid). Bij bouwwerken die voor grote aantallen bezoekers toegankelijk zijn is de noodzaak van een dergelijke installatie afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Dit zal bijvoorbeeld afhangen van de al beschikbare dekking van het communicatienetwerk van publieke hulpverleningsdiensten in en buiten het bouwwerk, het aantal personen en de complexiteit of de omvang van het gebouw. De al beschikbare dekking van het zogenoemde C 2000-systeem zal in de meeste gevallen voldoende zijn.

C 2000 is een landelijk digitaal radionetwerk voor de mobiele communicatie van de Nederlandse hulpverleningsdiensten. In de praktijk betekent dit dat de hulpverlener in Nederland altijd en overal buitenshuis een verbinding tot stand kan brengen met collega’s of met de meldkamer of alarmcentrale. Door de wijze waarop het C2000-radionetwerk is ontworpen zal in veel gevallen ook sprake zijn van binnenhuisdekking. Dit is echter sterk afhankelijk van de aard en ligging van het bouwwerk. Het ontbreken van binnenhuisdekking kan soms tot bezwaarlijke situaties leiden in voor het grote publiek toegankelijke bouwwerken. Deze locaties worden in C2000-jargon aangeduid als special coverage locations (SCL’s). In die gevallen kan soms worden volstaan met plaatselijke en tijdelijke dekkingsmaatregelen zoals direct mode of operations (DMO) of met een zogenoemde DMO-TMO-gateway. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld.

Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk. Daarbij gaat het in de regel om voor het grote publiek toegankelijke bouwwerken, zoals voetbalstadions, grote overdekte winkelcentra, luchthavengebouwen, stations en ondergrondse bouwwerken zoals auto-, trein- en metrotunnels. Omdat in bijvoorbeeld kantoorgebouwen, schoolgebouwen en gerechtsgebouwen alleen grote aantallen gebruikers maar geen grote aantallen bezoekers aanwezig zijn, behoren zulke gebouwen niet tot de in het eerste lid bedoelde categorie bouwwerken. Vervolgens moet worden vastgesteld of het bouwwerk binnenshuis onvoldoende dekking heeft (SCL-locatie) en of er zonder aanvullende voorzieningen in die SCL onvoldoende binnenhuisdekking is van het bestaande radionetwerk (C 2000). Is die dekking er niet (of niet in het gehele bouwwerk), moet worden bepaald of DMO of DMO-TMO een voldoende oplossing biedt. Pas wanneer dat laatste niet het geval is moet op grond van dit artikel voor die locatie worden gezocht worden naar een meer structurele oplossing voor adequate binnenhuisdekking.

Artikel 4.230 (afbakening maatwerkvoorschriften mobiele communicatie hulpverleningsdiensten)

Met dit maaktwerkartikel zijn de regels van artikel 4.230 inhoudelijk in overeenstemming gebracht met artikel 6.41 van het Bouwbesluit 2012.

§ 4.7.9 Aanvullende regels tunnelveiligheid
Algemeen

De regels van deze paragraaf hebben betrekking op het veilig gebruik van wegtunnels. Zij strekken tot implementatie van de Richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 over minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201) (hierna: de richtlijn veiligheid wegtunnels).

Artikel 4.231 (aansturingsartikel)

Het eerste lid geeft als functionele eis dat een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m zodanige voorzieningen heeft dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd. Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf.

Artikel 4.232 (uitrusting hulppost)

Op grond van dit artikel moet een hulppost als bedoeld in artikel 4.86 een noodtelefoon en een wandcontactdoos met 230 volt hebben. Hulpposten zijn bedoeld om diverse veiligheidsvoorzieningen te bieden, zoals noodtelefoons en brandblusapparatuur (zie ook artikel 4.223), ze zijn echter niet bedoeld om weggebruikers te beschermen tegen de gevolgen van brand.

Artikel 4.233 (bedieningscentrale wegtunnel)

Op grond van dit artikel moet een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m zijn aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen en van brand. Omdat in Nederland lange wegtunnels altijd van mechanische ventilatie voorzien zijn kan de bedieningscentrale bovendien worden gebruikt voor het bedienen van de mechanische ventilatie. Opgemerkt wordt dat de automatische detectiesystemen met name reageren op zogenaamde onderschrijding van de maximumsnelheid, maar ook op het langzamer rijden of stilstaan van auto’s, bijvoorbeeld in verband met pech of een ongeval.

De bedieningscentrale hoeft overigens niet of op nabij de tunnel te liggen. Het toezicht op verscheidene tunnels kan in één bedieningscentrale worden gecentraliseerd.

Artikel 4.234 (afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen)

Op grond van het eerste lid moet een nieuwbouwwegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen, in de rijbaanvloer om de 20 m, een voorziening voor de afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen hebben. De afstand tussen deze afvoerpunten wordt gemeten in de lengterichting van de tunnelbuis.

Met afvoervoorziening is het totale stelsel waarop de roosters en soortgelijke voorzieningen zijn aangesloten bedoeld. Aan de capaciteit van de afzonderlijke roosters en de afvoerbuizen en dergelijke zijn geen concrete prestatie-eisen gesteld. Bij een calamiteit waarbij een lekkage van gevaarlijke vloeistoffen optreedt, is het nodig, om het verspreiden of ontstaan van brand of verspreiding van giftige vloeistoffen te voorkomen, dat deze vloeistoffen snel en veilig kunnen worden afgevoerd. Dit zal in het algemeen betekenen dat een afvoerbuis in het systeem een diameter heeft van ten minste 0,2 m en dat met verval of een pompsysteem een voldoende snelle afvoer naar een reservoir (middenkelder) mogelijk is. Informatie hierover is te vinden in de Veiligheids Richtlijn deel C (VRC), uitgave van Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Steunpunt Tunnelveiligheid, januari 2004.

Artikel 4.235 (verkeerstechnische aspecten tunnelbuis)

Het eerste lid bepaalt dat een weg binnen en buiten de tunnel hetzelfde aantal rijstroken moet tellen. Eventuele vluchtstroken blijven daarbij buiten beschouwing. Als het aantal rijstroken verandert, moet dat gebeuren op voldoende afstand vóór het tunnelportaal.

Op grond van het tweede en derde lid is in een wegtunnelbuis in beginsel geen tweerichtingsverkeer toegestaan tenzij is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is en het tweerichtingsverkeer met voldoende veiligheidswaarborgen is omgeven.

Op grond van het vierde lid moet de wegtunnelbuis dan in ieder geval zijn voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.

Artikel 4.236 (communicatievoorzieningen wegtunnel)

Het eerste lid regelt dat een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m een voorziening heeft:

  • a. waarmee door luidsprekers mededelingen kunnen worden gedaan aan personen op elke rijbaan en vluchtroute,

  • b. voor heruitzending van radiosignalen in elke wegtunnelbuis, en

  • c. om radio-uitzendingen te kunnen onderbreken om mededelingen te doen.

Ter bevordering van de veiligheid moeten deze boodschappen niet alleen in het Nederlands maar ten minste ook in het Engels worden gedaan.

Artikel 4.237 (aansluiting op noodstroomvoorziening)

De in dit artikel bedoelde noodstroomvoorziening moet bij een wegtunnel (met een tunnellengte van meer dan 250 m, zie artikel 4.231) waarborgen dat de stroomvoorziening zodanig is dat de voor evacuatie essentiële veiligheidsvoorzieningen blijven werken bij stroomuitval.

§ 4.7.10 Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit
Artikel 4.238 (aansturingsartikel)

In de in het eerste lid opgenomen functionele eis dat een woongebouw zodanige voorzieningen heeft dat veel voorkomende criminaliteit wordt voorkomen, is tot uitdrukking gebracht dat de regels in deze paragraaf geen betrekking hebben op andere gebouwen dan woongebouwen.

Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden tenzij in een bepaald artikel anders is aangegeven zowel voor nieuwbouw als bestaande bouw.

Artikel 4.239 (voorkomen van veel voorkomende criminaliteit in een woongebouw)

Het doel van dit artikel is tegen te gaan dat onbevoegden op eenvoudige wijze een woongebouw kunnen binnenkomen.

Op grond van het eerste lid moet elke toegang van een te bouwen woongebouw zijn voorzien van een deur die uit zichzelf in het slot te valt, bijvoorbeeld met een dranger. Dit om te voorkomen dat bewoners van een in het gebouw gelegen woning die deur al te gemakkelijk laten openstaan. Zo’n toegangsdeur moet zijn voorzien van een slot, zodat men het gebouw niet zonder sleutel of tussenkomst van de bewoner kan betreden. De sleutel hoeft overigens niet een traditionele sleutel te zijn.

Zonder voorzieningen om vanuit de woningen te kunnen waarnemen of er bezoekers zijn, met hen te spreken en hen desgewenst binnen te laten, bestaat de kans dat bewoners bewust de toegangsdeur laten openstaan. Daarom bevat het tweede lid eisen over de aanwezigheid van een deuropener, bel en spreekinstallatie. Deze deuropener, bel en spreekinstallatie zijn gemeenschappelijke voorzieningen die onderdeel vormen van elke op deze toegang aangewezen woning.

§ 4.7.11 Veilig onderhoud gebouwen
Algemeen

De regels van deze paragraaf hebben betrekking op het veilig kunnen plegen van onderhoud aan een nieuw te bouwen gebouw. De Arbowet ziet toe op de veiligheid van onderhoudsmedewerkers die onderhoudswerkzaamheden uitvoeren aan bestaande bouwwerken.

Artikel 4.240 (aansturingsartikel)

Het eerste lid van dit artikel geeft als functionele eis dat een bouwwerk zodanig moet zijn dat onderhoud aan het gebouw veilig kan worden uitgevoerd. Het tweede lid bepaalt dat aan de functionele eis van het eerste lid wordt voldaan door toepassing van de regels van deze paragraaf. Deze regels gelden voor alle nieuw te bouwen gebouwen.

Artikel 4.241 (veiligheidsvoorzieningen voor onderhoud)

Dit artikel schrijft voor dat, als voor het veilig kunnen plegen van onderhoud aan een gebouw, gebouwgebonden voorzieningen nodig zijn, deze voorzieningen daadwerkelijk moeten worden getroffen.

Het plegen van onderhoud omvat onder meer schilderwerk en het reinigen en repareren van daken, goten, schoorstenen, gevels, ramen en installaties voor klimaatbeheersing, liften en telecommunicatie. Bij de keuze van veiligheidsvoorzieningen verdienen maatregelen die het gevaar voorkomen of wegnemen (bronmaatregelen) de voorkeur boven voorzieningen die het gevaar beperken of afschermen. Voorzieningen die het gevaar permanent afschermen zoals balustrades of het gevaar beperken zoals glaswasinstallaties hebben weer de voorkeur boven op persoonlijke veiligheid gerichte voorzieningen zoals bevestigingspunten voor lijnen of harnasgordels.

Het is overigens goed mogelijk dat een gebouw veilig kan worden onderhouden zonder gebouwgebonden voorzieningen. In het bouwplan moet rekening zijn gehouden met de ruimte die bij het gebruik van die voorzieningen noodzakelijk is, zoals een opstelplaats voor een hoogwerker.

Al bij de aanvraag om vergunning voor het bouwen zal, ten genoegen van het bevoegd gezag, moeten worden aangetoond dat in voldoende mate is voorzien in de mogelijkheid om onderhoudswerkzaamheden veilig uit te kunnen voeren.

Het tweede lid bepaalt dat bij toepassing van het in het eerste lid bepaalde rekening moet worden gehouden met de bij ministeriële regeling gestelde regels.

§ 4.7.12 Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht
Artikel 4.242 (aansturingsartikel)

Dit artikel geeft aan dat een onderwijsfunctie voor basisonderwijs een voorziening moet hebben die inzicht geeft in de kwaliteit van de binnenlucht.

Artikel 4.243 (kooldioxidemeter)

Dit artikel regelt dat elk klaslokaal van een basisschool een kooldioxidemeter moet hebben die aan de bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet. De meter is bedoeld om de leerkracht objectief inzicht te geven in de kwaliteit van de binnenlucht zodat hij de hoeveelheid verse lucht optimaal kan regelen. Dit artikel stond eerder in hoofdstuk 7 van het Bouwbesluit 2012. In dit besluit is het zowel een eis voor bestaande bouw als nieuwbouw. De eis was opgenomen in het Bouwbesluit 2012 als uitwerking van de toezegging aan de Tweede Kamer dat er in aanvulling op de vigerende ventilatieeisen voor scholen een verplichting in het Bouwbesluit 2012 zou komen voor de aanwezigheid van een CO2-meter in verblijfsruimten van scholen voor het primair onderwijs. Zie hiervoor de brief van 28 augustus 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 32 757, nr. 77).

Hoofdstuk 5 Verbouw en verplaatsing van een bouwwerk en wijziging van een gebruiksfunctie
Afdeling 5.1 Algemeen
Artikel 5.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit artikel bepaalt dat de regels van dit hoofdstuk van toepassing zijn op het verbouwen en verplaatsen van bestaande bouwwerken en op wijziging van de gebruiksfunctie van bestaande bouwwerken. Regels over het in stand houden van bestaande bouwwerken zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Regels over het bouwen van nieuwe bouwwerken zijn opgenomen in hoofdstuk 4. Regels over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden zijn opgenomen in hoofdstuk 7.

Artikel 5.2 (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels van dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, en duurzaamheid en bruikbaarheid. Deze regels zijn uitputtend bedoeld. Er is voor gemeenten geen ruimte om hiervoor aanvullende of afwijkende regels te stellen. Ook is in dit hoofdstuk geen specifiek zorgplichtartikel opgenomen.

Artikel 5.3 (toepassingsbereik: normadressaat)

Op grond van dit artikel moet aan de regels van dit hoofdstuk worden voldaan door degene die het betreffende bouwwerk verbouwt of verplaatst respectievelijk de gebruiksfunctie daarvan wijzigt. Daaronder wordt ook degene verstaan die deze activiteiten laat doen.

Deze verplichting houdt ook in dat een opdrachtgever er voor zorgt, dat eventuele werknemers of andere bedrijven die binnen de activiteit in opdracht deelactiviteiten uitvoeren de regels naleven. Dat geldt ook voor eventuele regels die als maatwerkvoorschrift over de activiteit zijn gesteld, en voor het bij de activiteit eventueel gebruiken van een gelijkwaardige maatregel.

Afdeling 5.2 Algemene regels bij het verbouwen of verplaatsen van een bouwwerk en bij gebruiksfunctiewijziging.
Artikel 5.4 (verbouw)

In dit besluit is net zoals in het Bouwbesluit 2012 het rechtensverkregen niveau in de meeste gevallen bepalend bij verbouw. Voortzetting hiervan is mede gebaseerd op het rapport ‘Verbouwen en transformeren met Bouwbesluit 2012’ (Nieman dd 20 januari 2016, zie www.rijksoverheid.nl) waarin geconstateerd is dat de bouwpraktijk in het algemeen goed omgaat met dit verbouwniveau.

De opzet van de verbouwregels is in dit besluit redactioneel gewijzigd. In het Bouwbesluit 2012 is het nieuwbouwniveau de hoofdregel voor de verbouwregels en worden per onderwerp de uitzonderingen hierop gegeven. Bij de meeste onderwerpen in het Bouwbesluit 2012 is echter sprake van een uitzondering en die is bijna steeds hetzelfde: in plaats van het nieuwbouwniveau geldt dikwijls het zogenaamde rechtensverkregen niveau, zo dikwijls dat de uitzondering praktisch bezien de regel is. In dit besluit is daarom uitgegaan van het rechtensverkregen niveau als hoofdregel, waardoor de regelgeving bondiger wordt. Verder wordt het ‘geheel vernieuwen van een bouwwerk’ niet meer onder verbouw geschaard, maar onder nieuwbouw. Dit volgt uit de definitie voor verbouwen in bijlage I van dit besluit.

Het eerste lid van dit artikel geeft de hoofdregel voor het verbouwen van een bouwwerk. Verbouwen is het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk (zie bijlage I, onderdeel A). In dergelijke gevallen zijn de nieuwbouwregels (artikelen 4.2 tot en met 4.243) van overeenkomstige toepassing maar niet het daarin opgenomen eisenniveau. Het minimum eisenniveau dat bij verbouw moet worden aangehouden is het rechtens verkregen niveau, behalve als in afdeling 5.3 anders is aangegeven. Het rechtensverkregen niveau is geregeld in artikel 5.5.

Omdat de nieuwbouwregels van hoofdstuk 4 van overeenkomstige toepassing zijn bij verbouw zijn bij verbouw behalve de daar genoemde uitzonderingen ook de in afdeling 4.1 gestelde algemene regels van toepassing (toepassingsbereid, maatwerkvoorschriften, maatwerkregels, tijdelijk bouwwerk en). Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat, net als voorheen, de verbouweisen zowel van toepassing zijn op een verbouwing die omgevingsvergunningplichtig is als op een omgevingsvergunningsvrije verbouwing.

Op het geheel vernieuwen (zoals sloop gevolgd door vervangende nieuwbouw) zijn de verbouwregels niet van toepassing. Het geheel vernieuwen is namelijk geen verbouw als bedoeld in bijlage I, onderdeel A. Wel staat voor een geheel vernieuwen dat betrekking heeft op het herbouwen binnen de bestaande bebouwingsgrenzen, na het geheel of tot op de fundering slopen van een bouwwerk, de mogelijkheid open tot het stellen van een maaktwerkvoorschrift voor een versoepeling van eisen. Zie daarvoor de in de artikelen 4.5 en 4.6 bedoelde maatwerkvoorschriften.

De uitzonderingen voor de woonfunctie voor particulier eigendom (artikel 4.9) zijn dus ook van toepassing op verbouw. Dit was ook al zo in het Bouwbesluit 2012. Voor de uitzonderingen die in artikel 4.9 worden genoemd, speelt het rechtensverkregen niveau geen rol. Dit betekent dat een particulier bij verbouw van zijn eigen woning bij bepaalde aspecten het aanwezige kwaliteitsniveau mag verlagen. De achterliggende gedachte hierbij is dat bij particulier eigendom een direct eigen belang bestaat bij het kwaliteitsniveau dat bij verbouw wordt gerealiseerd en dat daarom een verantwoord minimaal kwaliteitsniveau zal worden gekozen. Het verlagen van het niveau van eisen is in dit besluit beperkt tot voorschriften die niet direct betrekking hebben op de veiligheid en gezondheid. Er wordt daarbij nadrukkelijk op gewezen dat wel aan het minimumniveau voor bestaande bouw moet worden voldaan.

Het tweede lid regelt dat bij het verbouwen van een bouwwerk de regels van paragraaf 4.4.2 Milieuprestatie gebouwen niet van toepassing zijn.

Het derde lid is van toepassing op bouwwerkinstallaties.

Evenals bij het verbouwen van een ander gedeelte van een bouwwerk is op het veranderen van een bouwwerkinstallatie het in het eerste lid bedoelde rechtens verkregen niveau van toepassing. Wordt een bouwwerkinstallatie geheel vernieuwd, dan zijn volgens het derde lid op die installatie de nieuwbouwregels van toepassing. Van geheel vernieuwen is sprake als de installatie volledig, inclusief de bedrading, bekabeling of andere infrastructuur wordt vervangen. Het vervangen van een bijvoorbeeld een brandmeldinstallatie met behoud van de oorspronkelijke bekabeling, of een gedeelte daarvan, is zodoende geen geheel vernieuwen als bedoeld in dit lid. Van het geheel nieuw aanbrengen van een installatie is sprake als er een installatie wordt aangebracht die er eerst niet was. Dit geldt bijvoorbeeld bij een bestaand gebouw waarin vanwege een gebruiksverandering een brandmeldinstallatie wordt aangebracht terwijl deze voorheen, bij het oorspronkelijke gebruik, nog niet aanwezig en nodig was.

Het vierde lid is in overeenstemming met wat in artikel 4 van de Woningwet was geregeld: de verbouwregels van dit besluit zijn alleen van toepassing op de onderdelen van het bouwwerk die door de verbouwingreep fysiek daadwerkelijk worden gewijzigd. Die regels gelden dus niet voor de onderdelen die ongewijzigd blijven. Als, bijvoorbeeld, bij een bestaande woning een dakraam wordt aangebracht op de zolderverdieping zijn alleen de voor het aanbrengen van dat dakraam relevante regels van toepassing. De onderdelen van de zolderverdieping die bij het verbouwen fysiek niet gewijzigd worden, moeten bij de beoordeling van de verbouwing buiten beschouwing blijven. Nieuw is echter dat van deze algemene regel kan worden afgeweken in dit besluit. In het onderhavige besluit is dit alleen nog maar mogelijk voor de regel voor constructieve veiligheid.

Artikel 5.5 (rechtens verkregen niveau)

Het eerste lid bepaalt dat het kwaliteitsniveau van een bouwwerk of een gedeelte daarvan na verbouwing niet lager mag zijn dan het feitelijke kwaliteitsniveau direct voor de verbouwing, voor zover dit kwaliteitsniveau rechtmatig tot stand is gekomen. Dit geldt voor het bouwwerk voor zover dat onderwerp van verbouwing is. Op de onderdelen van het bouwwerk die geen onderwerp van verbouwing zijn, is het eisenniveau voor bestaande bouw van toepassing.

Het rechtens verkregen niveau werd onder het Bouwbesluit 2012 gedefinieerd als het niveau dat het gevolg is van de toepassing op enig moment van de relevante op dat moment van toepassing zijnde technische voorschriften en dat niet lager ligt dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk (het absolute minimumniveau uit de Woningwet) en niet hoger dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een te bouwen bouwwerk (het nieuwbouwniveau). In het voorliggende besluit is er voor gekozen de eisen rechtstreeks in de tekst van artikel 5.5 op te nemen om de gebruiker meer zekerheid te bieden. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat met ‘het toegestane kwaliteitsniveau’ inhoudelijk het zelfde is beoogd als met de tekst ‘niveau dat het gevolg is van de toepassing op enig moment van de relevante op dat moment van toepassing zijnde technische voorschriften en dat niet lager ligt dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk en niet hoger dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een te bouwen bouwwerk’ van het Bouwbesluit 2012.

Met de verandering in terminologie ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 is dus geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Het tweede lid maakt duidelijk dat als het in het eerste lid bedoelde kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing lager zou zijn dan het niveau bestaande bouw, na de verbouwing alsnog ten minste aan het niveau bestaande bouw zal moeten zijn voldaan. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit ook geldt als de eisen uit het verleden lager waren en dat het huidige eisenniveau voor bestaande bouw ook van toepassing is op de onderdelen van het gebouw die geen onderwerp van verbouwing zijn.

Als het kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing hoger is dan het nieuwbouwniveau, dan biedt het derde lid de mogelijkheid om bij verbouwing in kwaliteit terug te gaan tot het nieuwbouwniveau.

Aan de belangrijke rol voor het begrip rechtens verkregen niveau bij het verbouwen van bouwwerken ligt de gedachte ten grondslag dat verbouwingen in de regel niet mogen leiden tot een lager kwaliteitsniveau dan het feitelijke kwaliteitsniveau van het bouwwerk voorafgaande aan het verbouwen.

Het gaat om het kwaliteitsniveau dat is verkregen door bouw- en verbouwactiviteiten voor zover dat niveau legaal is verkregen, dus met toepassing van de destijds van toepassing zijnde voorschriften. Voorzover een bouwwerk vergunningsplichtig was volgen deze voorschriften uit de daarvoor verleende vergunning. Als een bouwwerk of gedeelte daarvan vergunningsvrij gebouwd mocht worden gaat het om de eisen die op het moment van dat vergunningsvrije bouwen van toepassing waren. De bovengrens van het rechtens verkregen niveau ligt bij het in hoofdstuk 4 van dit besluit gestelde nieuwbouwniveau. Een hoger kwaliteitsniveau mag wel, maar kan niet door het bevoegd gezag worden verlangd. Het rechtens verkregen niveau is dus kortweg het actuele kwaliteitsniveau van een bouwdeel voor zover dat legaal is verkregen en ligt tussen bestaande bouw en nieuwbouw. Degene die wil gaan verbouwen draagt in principe de bewijslast voor de feitelijke hoogte van het rechtens verkregen niveau. Zeker niet bij elke verbouwing hoeft een uitputtend juridisch-historisch onderzoek plaats te vinden. Bij de meeste verbouwingen zal al snel duidelijk zijn dat hetgeen men wil realiseren geen afbreuk doet aan het actuele niveau voorafgaande aan de verbouwing en vaak zelfs een hoger niveau zal hebben.

Slechts als bij een beoordeling van het bouwplan bij het bevoegd gezag gerede twijfel bestaat over de hoogte van het rechtens verkregen niveau zal om nadere informatie worden gevraagd. Om die twijfel te motiveren kan de gemeente terugvallen op de oorspronkelijke vergunningen.

Bij een aan een bestaand bouwwerk toe te voegen nieuw onderdeel, is er vaak geen actueel kwaliteitsniveau waaraan kan worden voldaan en gelden dus de voorschriften voor bestaande bouw.

Voorbeeld: wordt in een bedrijfshal een woning gemaakt dan moet deze woning een toiletruimte hebben. Er is nog geen toilet dus het actuele kwaliteitsniveau is ‘niet aanwezig’. Het rechtens verkregen niveau is dan dus gelijk aan de ondergrens:de toiletruimte moet minimaal aan de voorschriften voor bestaande bouw voldoen. Er wordt op gewezen dat bij de bepaling van het in het eerste lid bedoelde toegestane kwaliteitsniveau rekening gehouden moet worden met de effecten van autonome veroudering van constructieonderdelen zoals trappen, ramen en deuren. Er is anders dan de zorgplicht geen algemene verplichting tot onderhoud van een bouwwerk. Door autonome veroudering, bijvoorbeeld als gevolg van weersinvloeden of gebruik, kan het technisch kwaliteitsniveau van een bouwwerk in de loop der tijd afnemen. In de meeste gevallen zal het rechtens verkregen niveau overeenkomen met het feitelijke kwaliteitsniveau van het bouwwerk. Het feitelijke kwaliteitsniveau is dan het resultaat van toepassing van de voorschriften die op de oorspronkelijke bouw en de latere verbouwingen van toepassing waren. In gevallen waar op enig moment tijdens de levensduur van het bouwwerk geen rekening is gehouden met de van toepassing zijnde technische voorschriften is dat anders. Het is dan mogelijk dat het rechtens verkregen niveau hoger ligt dan het feitelijke kwaliteitsniveau van het bouwwerk. In een dergelijk geval is bij de bouw en/of latere verbouwingen geen toepassing gegeven aan de op dat moment van toepassing zijnde voorschriften en zal de feitelijke kwaliteit van het bouwwerk moeten worden verbeterd tot het rechtens verkregen niveau om alsnog aan het desbetreffende voorschrift te voldoen.

Artikel 5.6 (verplaatsing)

Het eerste lid bepaalt dat een bestaand bouwwerk dat in precies dezelfde samenstelling op een andere locatie wordt geplaatst, op die nieuwe locatie aan de regels voor bestaande bouw moet voldoen (hoofdstuk 3). Voorbeelden zijn: een naar een ander perceel te verplaatsen woonwagen, een bouwkeet die (al dan niet na demontage) ongewijzigd van de ene locatie naar de andere locatie wordt verplaatst, een permanent bouwwerk (bijvoorbeeld een oude molen) dat verplaatst wordt of een strandtent die elk jaar bij het begin van het seizoen opnieuw wordt opgebouwd.

Zolang het kwaliteitsniveau van het bouwwerk dat in precies dezelfde samenstelling wordt verplaatst hoger is dan het niveau bestaande bouw wordt voldaan aan deze eis in het eerste lid. Hierbij moet dan wel zijn uitgegaan van de locatie waar het wordt geplaatst. Bij sommige regels moeten locatiegebonden factoren worden meegenomen. Zo is de brandveiligheid afhankelijk van de afstand tot de bouwwerkperceelsgrens en is bij constructieve veiligheid de bodemgesteldheid bepalend. Benadrukt wordt dat als een bouwwerk wel in een gewijzigde samenstelling elders wordt opgericht er sprake is van het oprichten van een nieuw bouwwerk en dit bouwwerk moet voldoen aan de nieuwbouweisen. Het eerste lid geeft verder aan dat voor de fundering van het te verplaatsen bouwwerk een uitzondering geldt voor het uitgangspunt dat er niets mag wijzigen aan het bouwwerk. Deze afwijking van de algemene regel is nodig, omdat het nodig kan zijn om bij een verplaatsing een nieuwe fundering te maken en biedt de mogelijkheid om de fundering van het verder in ongewijzigde samenstelling van het bouwwerk te verplaatsen bouwwerk af te stemmen op de draagkracht van de grond op de nieuwe locatie. De nieuwe fundering zal moeten voldoen aan de regels van § 4.2.1 Constructieve veiligheid (Nieuwbouw), waarbij dan veelal gebruik kan worden gemaakt van de specifieke regels voor een tijdelijk bouwwerk (artikel 4.15).

Het tweede lid regelt dat het eerste lid alleen op een tijdelijk bouwwerk van toepassing is als het bouwwerk na verplaatsing opnieuw een tijdelijk bouwwerk is. Als het bouwwerk op de nieuwe locatie niet meer is aangemerkt als tijdelijk bouwwerk, dan is er sprake van het oprichten van een nieuw permanent bouwwerk en zal dat bouwwerk ten minste aan de regels voor een nieuw te bouwen bouwwerk moeten voldoen. Voldoet dat bouwwerk niet aan die eisen dan zal het met die eisen in overeenstemming moeten worden gebracht.

Artikel 5.7 (wijziging van een gebruiksfunctie)

Het eerste lid regelt dat bij wijziging van de gebruiksfunctie van een bouwwerk of een onderdeel daarvan moet worden voldaan aan de regels voor bestaande bouw (hoofdstuk 3), behalve als in afdeling 5.4 een ander, in de regel hoger, eisenniveau is aangegeven (zie toelichting afdeling 5.4).

Het tweede lid maakt helder dat het eerste lid alleen van toepassing is op het gedeelte van het het bouwwerk waarop de functiewijziging van toepassing is.

Het derde lid geeft aan dat als de functiewijziging gepaard gaat met een verbouwing op die verbouwing de regels van artikel 5.4 van toepassing zijn, behalve als in afdeling 5.4 een ander (in de regel hoger) eisenniveau is aangegeven. Verbouw bij functiewijziging is nodig als niet wordt voldaan aan de regels van het eerste lid. Dit is het geval als niet wordt voldaan aan de regels voor bestaande bouw uit hoofdstuk 3. Er moet dan verbouwd worden en hierbij geldt dan verbouwniveau van artikel 5.4.

Afdeling 5.3 Verbouw
Artikel 5.8 (aansturingsartikel)

Dit artikel geeft aan dat de regels van deze afdeling op een gebruiksfunctie van toepassing zijn voor zover deze in tabel 5.8 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen. In het aansturingsartikel van deze paragraaf is geen functionele eis opgenomen. Typerend voor de regels in deze afdeling is namelijk dat deze verwijzen naar artikelen van de paragrafen in andere hoofdstukken en daarmee vallen onder de functionele eis van die paragraaf.

Artikel 5.9 (constructieve veiligheid)

Het doel van dit artikel is te waarborgen dat een te verbouwen bouwconstructie na die verbouwing gedurende de restlevensduur (duurzaam) bestand is tegen de krachten die op die bouwconstructie werken. Bij verbouw is, naar analogie van de ontwerplevensduur bij nieuwbouw, sprake van een restlevensduur. Voor verbouw moet de restlevensduur zodanig zijn gekozen, dat de levensduur van de verbouwde constructieonderdelen niet eindigt voor het einde van de ontwerplevensduur van de oorspronkelijke constructiedelen. Dat wil zeggen dat de ontwerplevensduur van het constructieonderdeel dat onderwerp van verbouwing is, niet kleiner mag zijn dan de ontwerplevensduur van de oorspronkelijke constructie, na aftrek van de sinds de bouw verstreken termijn. De voor de verbouwing aan te houden restlevensduur mag echter niet kleiner zijn dan 15 jaar. De bedoeling is dat een verbouwde constructie als de restlevensduur van andere constructieonderdelen van het te verbouwen pand korter is, gedurende ten minste 15 jaar stand zal houden rekening houdend met het voorziene onderhoud, maar zonder dat ingrijpend herstel nodig is. De ontwerplevensduur van de oorspronkelijke constructie kan worden afgelezen uit de vergunningsbescheiden bij de oorspronkelijke bouwvergunning of omgevingsvergunning voor het bouwen. Voor de sinds de bouw verstreken termijn kan worden uitgegaan van de datum van gereedmelding van het bouwwerk.

Uit het eerste lid volgt dat op het verbouwen van een bouwwerk de artikelen 4.11 tot en met 4.13 van toepassing zijn, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het niveau voor verbouw zoals aangegeven in NEN 8700. NEN 8700 bevat de grondslagen van de beoordeling van de constructieve veiligheid bij een constructieonderdeel dat onderwerp van verbouwing is en is gebaseerd op de Eurocodes. Deze norm kan worden gezien als aanvulling voor verbouw op NEN-EN 1990 met bijbehorende nationale bijlage en de daaraan verbonden andere normen in de Eurocodereeks (NEN-EN 1991-1 tot en met NEN-EN 1991-7).

De NEN 8700 verwijst door naar de rekennormen van de Eurocodereeks (NEN-EN 1991-1 tot en met NEN-EN 1991-7). Zo kan per bouwmateriaal worden bepaald hoe de op een bouwconstructie aangrijpende krachten daarin doorwerken wat betreft zogenoemde momenten, normaal- en dwarskrachten en spanningen. Deze doorwerking, die ook afhankelijk is van de stijfheid van de bouwconstructie, wordt respons genoemd. Voorts bevatten deze normen rekenregels waarmee kan worden bepaald welke maximale momenten, normaal- of dwarskrachten en spanningen of combinaties daarvan in de bouwconstructie kunnen worden opgenomen. Met deze rekenregels wordt de zogenoemde capaciteit van een bouwconstructie bepaald. Wanneer de aldus bepaalde respons groter is dan de capaciteit, is er sprake van het overschrijden van een uiterste grenstoestand.

Bij verbouw is, naar analogie van de ontwerplevensduur bij nieuwbouw, sprake van een restlevensduur. Uit de NEN 8700 volgt dat voor verbouw de restlevensduur zodanig moet zijn gekozen, dat de levensduur van de verbouwde constructieonderdelen niet eindigt voor het einde van de ontwerplevensduur van de oorspronkelijke constructiedelen. De voor de verbouwing aan te houden restlevensduur mag volgens NEN 8700 echter niet kleiner zijn dan 15 jaar.

De verbouwregels gelden normaal alleen voor die delen die daadwerkelijk worden verbouwd. Bij bijvoorbeeld het optoppen van een gebouw zou dit betekenen dat men hierdoor de bestaande fundering en de bestaande dragende wanden en kolommen zwaarder belasten zolang maar voldaan wordt aan het niveau bestaande bouw. Dit is natuurlijk niet wenselijk en daarom regelt het tweede lid dat bij het optoppen ook die bestaande constructieonderdelen moeten worden getoets uitgaande van de in NEN 8700 bedoelde grotere krachten die in de situatie na de verbouwing kunnen optreden. Uit het tweede lid volgt dat hierbij alleen hoeft te worden uitgegaan van de in NEN 8700 bedoelde fundamentele belastingscombinaties.

Artikel 5.10 (constructieve veiligheid bij brand)

Dit artikel bepaalt dat bij verbouwen van een bouwwerk de artikelen 4.17 en 4.18 van toepassing zijn, waarbij in plaats van het in artikel 4.17 aangegeven niveau van eisen (tijdsduur niet bezwijken) wordt uitgegaan van het rechtensverkregen niveau en waarbij in afwijking van het eerste lid van artikel 4.18 (bepalingsmethode niet-bezwijken) voor het bepalen van de buitengewone belastingscombinaties die bij brand kunnen optreden niet moet worden uitgegaan van NEN-EN 1990 maar van NEN 8700.

Artikel 5.11 (beperken van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie)

In afwijking van de algemene regel, die uitgaat van het rechtens verkregen niveau, geldt volgens dit artikel, voor de regels ter beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie, het zelfde niveau van eisen als bij nieuwbouw. Dat wil zeggen dat de nieuwbouwregels van paragraaf 4.2.6 onverkort van toepassing zijn op een verbouwing.

Artikel 5.12 (beperking van het ontwikkelen van brand en rook)

Dit artikel geeft een uitzondering op de algemene regel in artikel 5.4 dat bij verbouw wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. De uitzondering houdt in dat bij de toepassing van artikel 4.44 niet het rechtens verkregen niveau maar het in artikel 4.44, derde lid, aangegeven niveau van eisen voor nieuwbouw moet worden aangehouden. Dat wil zeggen dat als de buitenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie van de plint van een woongebouw of een utiliteitsgebouw met twee of meer verdiepingen wordt veranderd, ofwel de onderste 2,5 meter, wordt verbouwd, die buitenzijde na de verandering ten minste brandklasse B zal moeten hebben.

Het tweede lid geeft een specifieke verbouwregel voor de lichte industriefunctie voor het houden van dieren. In dergelijke gevallen mag bij toepassing van artikel 4.43, eerste lid, niet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau maar moet van het nieuwbouwniveau worden uitgegaan.

Artikel 5.13 (beperking van uitbreiding van brand)

Dit artikel geeft een uitzondering op de algemene regel in artikel 5.4 dat bij verbouw wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. De uitzondering houdt in dat bij de toepassing van artikel 4.53, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, niet het rechtens verkregen niveau, maar het in artikel 5.13, aangegeven niveau van eisen, moet worden aangehouden. Uit dit artikel volgt dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag na het verbouwen van een brandscheiding ten minste 30 minuten moet bedragen, of het rechtens verkregen niveau als dat rechtens verkregen niveau hoger is dan 30 minuten. Bij de bepaling van die 30 minuten zal moeten worden uitgegaan van de in artikel 4.54 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode) aangegeven bepalingsmethode voor een te bouwen bouwwerk. Als bijvoorbeeld de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een te verbouwen brandscheidende wandvlak voor de verbouwing 45 minuten was, dan zal wand na de verbouwing een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag moeten hebben van ten minste 45 minuten. Was de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vlak voor de verbouwing 20 minuten, dan zal deze na de verbouwing een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten moeten hebben.

Artikel 5.14 (bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties)

Dit artikel geeft een uitzondering op de algemene regel in artikel 5.4 dat bij verbouw wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. De uitzondering houdt in dat bij de toepassing van de artikelen 4.107 en 4.108, niet het rechtens verkregen niveau maar het in artikel 5.14, aangegeven niveau van eisen moet worden aangehouden. Dit betekent dat bij het vervangen van een installatie de nieuwe installatie ook aan de regels van paragraaf 4.3.2 moet voldoen, maar dat de geluidsproductie 10 dB hoger mag zijn. Dat wil zeggen dat het maximaal toegestane installatiegeluidsniveau in een verblijfsgebied bij verbouw 10 dB hoger is dan bij nieuwbouw. Meer concreet: het installatie-geluidsniveau als bedoeld in de artikelen 4.107 en 4.108, eerste lid, mag ten hoogste (30 dB + 10 dB =) 40 dB zijn. Bij toepassing van artikel 4.108, tweede lid, moet bij de in de tabel opgenomen waarde ook steeds 10 worden opgeteld. Afhankelijk van de gebruiksfunctie komt dit neer op een waarde van ten hoogste 40 dB of ten hoogste 45 dB.

Aan deze regel is de bepaling toegevoegd die regelt dat, mocht het geluidsniveau voor de verbouwing al lager, ofwel gunstiger voor de gebruikers, zijn dan het hiervoor genoemde maximale geluidsniveau, het rechtens verkregen niveau van toepassing is. Na de verbouwing mag er dus niet meer geluidoverlast van de bouwwerkinstallaties zijn dan voor de verbouwing.

Artikel 5.15 (luchtverversing)

Dit artikel bepaalt dat bij het installeren van een voorziening voor luchtverversing de nieuwbouweisen van de artikelen 4.126 en 4.127 onverkort gelden. Voor de plaats van een nieuwe uitmonding of toevoeropening moet zodoende, in afwijking van de algemene regel die uitgaat van het rechtens verkregen niveau, het niveau van eisen voor nieuwbouw worden aangehouden.

Het tweede lid regelt dat dit niet van toepassing is op het vervangen van een bestaande voorziening waarbij de plaats van de uitmonding of toevoeropening niet wijzigt.

Artikel 5.16 (afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht)

Het eerste lid bepaalt dat bij het installeren van een afvoervoorziening voor rookgas de nieuwbouweisen van de artikelen 4.138 en 4.141 onverkort gelden. Voor de plaats van de opening en voor de rookdoorlatendheid moet zodoende, in afwijking van de algemene regel die uitgaat van het rechtens verkregen niveau, het niveau van eisen voor nieuwbouw worden aangehouden.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat hieruit volgt dat niet alleen de nieuwe rookgasafvoer voor een verwarmingsketel, maar ook een nieuwe rookgasafvoer voor een open haard of houtkachel aan de nieuwbouweisen zal moeten voldoen.

Het tweede lid bepaalt dat bij het installeren van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht voor een stooktoestel, zoals een kachel of een cv-ketel de nieuwbouw eisen van artikel 4.139 onverkort gelden. Voor de plaats van de toevoervoorziening van verbrandingslicht moet zodoende, in afwijking van de algemene regel die uitgaat van het rechtens verkregen niveau, het niveau van eisen voor nieuwbouw worden aangehouden.

Het derde lid regelt dat dit niet van toepassing is op het vervangen van een bestaande voorziening waarbij de plaats van de uitmonding of toevoeropening niet wijzigt

Artikel 5.17 (verblijfsgebied en verblijfsruimte)

Dit artikel geeft een uitzondering op de algemene regel in artikel 5.4 dat bij verbouw wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. In afwijking van het van het in artikel 5.4 bedoelde rechtens verkregen mag daarbij worden uitgegaan van een hoogte boven de vloer van ten minste 2,1 m. Met deze relatief beperkte hoogte zijn er bijvoorbeeld minder beperkingen aan het maken van tussenvloeren in hoge ruimten. Ook is het bij deze minimummaat eerder haalbaar om, ondanks een beperkte hoogte van de zolderverdieping, een dakkapel voor een extra slaapkamer te plaatsen, of het dak boven die ruimte thermisch te isoleren aan de binnenzijde.

Artikel 5.18 (toiletruimte)

Dit artikel geeft een uitzondering op de algemene regel in artikel 5.4 dat bij verbouw wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Bij het verbouwen is artikel 4.167 van overeenkomstige toepassing, waarbij voor de hoogte in plaats van het in artikel 5.4 bedoelde rechtens verkregen niveau een hoogte van ten minste 2 m geldt.

Met deze relatief beperkte hoogte zijn er bijvoorbeeld minder beperkingen aan het maken van tussenvloeren in hoge ruimten. Ook is het bij deze minimummaat eerder haalbaar om, een toiletruimte onder de trap te maken.

Met deze relatief beperkte hoogte aan een toiletruimte zijn er bijvoorbeeld minder beperkingen aan het maken van tussenvloeren in hoge ruimten. Ook is het bij deze minimummaat eerder haalbaar om een toiletruimte onder de trap te maken of het dak boven die ruimte thermisch te isoleren aan de binnenzijde.

Artikel 5.19 (badruimte)

Dit artikel geeft een uitzondering op de algemene regel in artikel 5.4 dat bij verbouw wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Bij het verbouwen is artikel 4.170 van overeenkomstige toepassing, waarbij voor de hoogte in plaats van het in artikel 5.4 bedoelde rechtens verkregen niveau een hoogte van ten minste 2 m geldt.

Met deze relatief beperkte hoogte aan een badruimte zijn er bijvoorbeeld minder beperkingen aan het maken van tussenvloeren in hoge ruimten. Ook is het bij deze minimummaat eerder haalbaar om een badruimte onder de trap te maken of het dak boven die ruimte thermisch te isoleren aan de binnenzijde.

Artikel 5.20 (energiezuinigheid)

Het eerste lid geeft een uitzondering op de algemene regel in artikel 5.4 dat bij verbouw wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. De uitzondering houdt in dat artikel 4.149 (energieprestatie-eis) niet van toepassing is en dat bij de toepassing van artikel 4.152 (thermische isolatie: warmteweerstand) niet het rechtens verkregen niveau, maar het in artikel 5.20 aangegeven niveau van eisen moet worden aangehouden. De warmteweerstand na het verbouwen van de thermische schil voor het verbouwde gedeelte mag niet lager zijn dan 1,3 m2.K/W, of niet lager dan het rechtens verkregen niveau als dat rechtens verkregen niveau hoger is dan 1,3 m2.K/W.

Het tweede lid geeft een afwijking op het eerste lid. Met het tweede lid is invulling gegeven aan de derde alinea van artikel 7 van de EPBD-richtlijn. Uit artikel 4 van de richtlijn volgt dat in dit besluit minimumeisen voor de energieprestatie worden vastgesteld voor tot de bouwschil behorende onderdelen van een gebouw die, wanneer zij worden vervangen of vernieuwd, een belangrijk effect op de energieprestatie van de bouwschil hebben. Uit artikel 7 van de richtlijn volgt dat dit besluit deze minimumeisen moet voorschrijven bij verbouw. De onderdelen in de bouwschil die een belangrijk effect hebben op de energieprestatie van de bouwschil zijn isolatielagen, ramen, deuren en kozijnen. In dit tweede lid zijn voor deze onderdelen van de bouwschil minimumeisen voor de energieprestatie vastgelegd die moeten worden gerealiseerd bij het vervangen of vernieuwen van deze onderdelen. Bij het vervangen van andere onderdelen van een bouwschil dan in dit tweede lid, gelden er geen eisen, omdat alleen de in dit lid genoemde onderdelen een duidelijk effect hebben op de energieprestatie van de bouwschil.

Als het vernieuwen of vervangen betrekking heeft op de isolatielaag in een vloer, gevel of dak dan geldt een warmteweerstand van respectievelijk ten minste 2,5 m2.K/W, 1,3 m2.K/W en 2,0 m2.K/W bepaald volgens NEN 1068. Deze warmteweerstand heeft betrekking op de gehele bouwschil, maar de isolatielaag heeft daarbij de grootste invloed. De in Nederland gehanteerde warmteweerstand bepaald volgens NEN 1068 gaat namelijk uit van de gehele bouwschil. Afhankelijk van de specifieke configuratie van de bouwschil en de bijdrage van de andere onderdelen, volgt daaruit de bijdrage van de isolatielaag. In het algemeen zal de warmteweerstand van de isolatiematerialen ongeveer 2,2 m2.K/W, 1,0 m2.K/W respectievelijk 1,7 m2.K/W moeten zijn om aan de eis te voldoen. De exacte waarde volgt uit een projectspecifieke berekening volgens NEN 1068.

Als het gaat om ramen, deuren en kozijnen geldt een warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 2,2 W/m2.K bepaald volgens NEN 1068. Deze warmtedoorgangscoëfficient kan alleen gehaald worden met dubbel HR glas. Omdat bestaande kozijnen met enkel glas niet geschikt zijn voor dubbel glas is er bij dit tweede lid van uitgegaan dat de ramen en deuren altijd gelijk met de kozijnen worden vernieuwd of vervangen.

In het derde lid is een specifieke regel voor nieuwe dakkapellen en zogenoemde bijbehorende bouwwerken opgenomen. In afwijking van de algemene regel in artikel 5.4, dat bij verbouw wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau, geldt bij artikel 4.152, thermische isolatie, het nieuwbouwniveau. Met geheel oprichten of geheel vernieuwen van een bijbehorend bouwwerk wordt bijvoorbeeld gezien het uitbouwen van een woonkamer of keuken en het plaatsen van een dakopbouw. Bij nieuwe dakkapellen en aan- of uitbouwen mag dus in afwijking van het algemene voorschrift niet worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau, behalve bij toepassing van artikel 4.129 (luchtvolumestroom) waar wel mag worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Met dit derde lid is invulling gegeven aan een toezegging aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2011/2012, 32 757, nr. 40).

Het vierde lid bepaalt dat in afwijking van het eerste lid op een ingrijpende renovatie als bedoeld in artikel 2 van de EPBD, het eisenniveau voor nieuwbouw van artikel 4.152 (thermische isolatie: warmteweerstand)van toepassing is. Dat wil zeggen dat bij ingrijpende renovatie de nieuwbouweisen voor thermische isolatie gelden.

Het vijfde lid geeft aan dat rekening moet worden gehouden met de bij ministeriële regeling gestelde regels over de in het vierde lid bedoelde ingrijpende renovatie. Deze nadere regels hebben dan betrekking op de keuze voor een bepalingsmethode voor de ‘ingrijpende renovatie’. Artikel 2 van de richtlijn biedt lidstaten desgewenst de mogelijkheid te kiezen voor een methodiek waarbij wordt uitgegaan van 25% van de waarde van het gebouw of waarbij wordt uitgegaan van 25% van de oppervlakte van de gebouwschil die wordt gerenoveerd. Nederland heeft voor de oppervlaktemethode gekozen. Er is sprake van een ingrijpende renovatie als bedoeld in het vierde lid wanneer meer dan 25 % van de oppervlakte van de gebouwschil, wordt vernieuwd, veranderd of vergroot en deze vernieuwing verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft. In de regeling is een berekeningsmethodiek voor het berekenen van deze oppervlakte aangewezen. Als is bepaald dat er sprake is van een ingreep die betrekking heeft op meer dan 25 % van de oppervlakte van de gebouwschil, moet daarna worden nagegaan of deze ingreep de integrale gebouwschil betreft. Alleen voor zover daar sprake van is, geldt voor de ingreep in kwestie het nieuwbouwniveau voor de thermische isolatie. Van een renovatie van de integrale gebouwschil is bijvoorbeeld sprake wanneer een dak of gevel volledig wordt opengelegd en vernieuwd, waardoor de mogelijkheid bestaat om tegelijkertijd isolatie aan te brengen die voldoet aan de nieuwbouweis. Opgemerkt wordt dat bij een ingrijpende renovatie als bedoeld in dit artikel in het algemeen sprake zal zijn van een activiteit waarvoor een vergunning voor het bouwen nodig is zodat het bevoegd gezag de activiteit kan toetsen en toezicht kan uitoefenen. In die uitzonderlijke gevallen waarbij de ingrijpende renovatie vergunningvrij is, zal de bouwactiviteit voor het bevoegd gezag toch zichtbaar zijn buiten het gebouw, waardoor zij ook in die gevallen zo nodig handhavend kan optreden.

Bij aanpassingen die geen betrekking hebben op de integrale gebouwschil is, ook als het gaat om renovatie van meer dan 25 % van de gebouwschil, geen sprake van ingrijpende renovatie. Voorbeelden van aanpassingen die niet betrekking hebben op de integrale gebouwschil zijn: na-isolatie van een spouwmuur, na-isolatie van enkelsteens buitenmuren aan binnen- of buitenkant, na-isolatie onder dakpannen of tegen het dakbeschot. Bij dergelijke aanpassingen is geen sprake van verbouw van de uitwendige scheidingsconstructie en daarmee zijn er op grond van het vierde lid van artikel 5.4 ook geen eisen gesteld aan de minimaal te realiseren warmteisolatie.

Bij renovaties die wel betrekking hebben op de integrale gebouwschil (waarbij de uitwendige scheidingsconstructie dus wordt verbouwd) maar die qua oppervlakte minder zijn dan 25% van de gebouwschil, moet wel voldaan worden aan het eerste lid van dit artikel.

Er wordt op gewezen dat uit artikel 5.4 volgt dat artikel 4.155 (onverwarmde gebruiksfunctie) ook bij verbouw van toepassing is. Op grond daarvan zijn de artikelen 4.149 tot en met 4.154 niet van toepassing als er sprake is van verbouw van een gebruiksfunctie die niet bestemd is om te worden verwarmd of als de verwarming alleen is bestemd voor een ander doel dan het verblijven van personen.

Artikel 5.21 (technische bouwsystemen)

Dit artikel bepaalt dat bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een technisch bouwsysteem, waarbij het systeemrendement wordt beïnvloed, het rechtens verkregen niveau van toepassing is waarbij dat het rendement van dat systeem niet lager mag zijn dan aangegeven is in tabel 5.21 en wat betreft ventilatiesystemen niet hoger mag zijn dan de in de tabel voor die systemen genoemde waarde. Dit betekent dat bij een nieuw technisch bouwsysteem of bij een zodanige wijziging van een dergelijk systeem dat er effect op het rendement optreedt met het rechtens verkregen niveau mag worden volstaan, tenminste als het systeemrendement dat in de tabel is opgenomen wordt gehaald. Opgemerkt wordt dat in de tabel een onderscheid is gemaakt tussen niet-lokale en lokale verwarmingssystemen. Met een lokaal verwarmingssysteem wordt een systeem bedoeld dat alleen een ruimte klimatiseert en in die ruimte is opgesteld, bijvoorbeeld een zelfstandige haard, zoals een gashaard of een sfeerhaard. Een niet lokaal verwarmingssysteem verwarmt over het algemeen meerdere ruimtes binnen een gebouw en bevat veelal zowel componenten voor opwekking, distributie als voor afgifte van warmte. Bij (ondergeschikte) wijzigingen aan een technisch bouwsysteem die geen enkel effect op het rendement hebben, bijvoorbeeld een eenvoudige reparatie of het vervangen van de ombouw van een dergelijk bouwsysteem, gelden er dus geen eisen.

In het tweede lid is een regel gegeven voor het geval een technisch bouwsysteem uit een combinatie van de in de tabel opgenomen bouwsystemen bestaat. In een dergelijk geval moet het systeemrendement worden berekend naar rato van de in de tabel opgenomen rendementen van de systemen die deel uitmaken van de combinatie.

Bij ministeriële regeling zijn nadere regels gegeven over het in het eerste en tweede lid bedoelde systeemrendement. Deze regels hebben betrekking op de wijze van vaststelling van het in het eerste en tweede lid bedoelde systeemrendement. Om eenvoudig na te gaan of aan het systeemrendement is voldaan wordt in de toelichting op de ministeriële regeling per technisch bouwsysteem aangegeven bij welk soort systemen in ieder geval aan het vereiste systeemrendement wordt voldaan. Daarnaast wordt een online rekentool ontwikkeld waarbij per systeem uitgerekend kan worden of aan de rendementeisen wordt voldaan. Zie ook de toelichting op de begrippen technisch bouwsysteem, systeemrendement en rechtens verkregen niveau in bijlage I van deze toelichting.

Afdeling 5.4 Wijziging van een gebruiksfunctie
Artikel 5.22 (aansturingsartikel)

Dit artikel geeft aan dat de regels van deze afdeling op een gebruiksfunctie van toepassing zijn voor zover deze in tabel 5.22 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen. In het aansturingsartikel van deze afdeling is geen functionele eis opgenomen. Typerend voor de regels in deze afdeling is namelijk dat deze verwijzen naar artikelen van paragrafen in andere hoofdstukken en daarmee vallen onder de functionele eis van die paragraaf.

Artikel 5.23 (bescherming tegen weg-, spoorweg- of industriegeluid)

[Dit artikel zal nog gewijzigd worden in het invoeringstraject. De huidige verwijzingen naar de Wet geluidhinder, Tracewet en hogere-waardebesluit zullen dan vervangen worden door verwijzingen naar de andere uitvoeringsregelgeving onder de Omgevingswet zoals het Besluit Kwaliteit Leefomgeving.]

Bij gebruiksfunctiewijziging gold voor de invoering van dit besluit geen eis ter bescherming tegen geluid van buiten, omdat een gebruiksfunctiewijziging geen bouwen in de zin van de Woningwet was. Dit maakt het het op grond van het omgevingsplan in bepaalde gevallen onmogelijk om een woonbestemming toe te laten. Door in het eerste lid eisen te stellen aan de geluidwering van de gevel bij functiewijziging, is dit eerdere bezwaar ondervangen. Meer inhoudelijk regelt het eerste lid dat bij een wijziging van de gebruiksfunctie van een bouwwerk in een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, gezondheidszorgfunctie of onderwijsfunctie, de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van elke verblijfsruimte zo hoog moet zijn, dat de geluiddruk in de ruimte niet groter is dan 41 dB, uitgaande van de in het omgevingsplan opgenomen hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel. Als de bestaande uitwendige scheidingsconstructie niet aan deze geluidweringseis voldoet, dan zal voordat het bouwwerk met de gewijzigde gebruiksfunctie in gebruik kan worden genomen, een verbouwing van die scheidingsconstructie nodig zijn. Op het moment dat een gebruiksfunctiewijzing gepaard gaat met het aanpassen van de uitwendige scheidingsconstructie, is er naast gebruiksfunctiewijzing sprake van verbouwen en geldt de strengste eis: een maximaal geluidniveau binnen van 41 dB (functiewijziging) óf het rechtens verkregen niveau (verbouw) als het rechtens verkregen niveau van de karakteristieke geluidwering hoger (strenger) is. Op deze manier is geborgd dat de kwaliteit van de gevel niet mag verslechteren ten opzichte van voor de verbouwing.

Het tweede lid maakt het mogelijk om als dit gunstiger uitkomt voor de karakteristieke geluidwering op de gevel de geluidbelasting te bepalen volgens het reken- en meetvoorschrift als bedoeld in artikel 110d van de Wet geluidhinder. In een dergelijk geval moet bij de aanvraag om vergunning een berekening van de individuele geluidbelasting op de gevel worden gevoegd.

Het derde lid lid regelt dat de in het eerste lid bedoelde eis ter bescherming tegen geluid van buiten niet van toepassing is op een tijdelijke wijziging van de gebruiksfunctie van een bouwwerk, korter dan 10 jaar.

Artikel 5.24 (tijdig vaststellen van brand)

Dit artikel regelt dat een woonfunctie die ontstaat bij de wijziging van de gebruiksfunctie van een gebouw, net als bij nieuwbouw, op de route tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woning goed functioneren de rookmelders moet hebben. Om het goed functioneren te borgen moet deze voldoen aan de primaire inrichtingseisen als bedoeld in NEN 2555. Daarbij spelen onder meer een rol de juiste plaatsing onder het plafond, de stroomvoorziening en het alarmeringsgeluid. Om het geluid voldoende in alle kamers van de woonfunctie te laten doorklinken kan het nodig zijn om de rookmelders ‘door te koppelen’. Dit geldt niet als er een in brandmeldinstallatie is, ongeacht het beschermingsniveau van die brandmeldinstallatie.

Hoofdstuk 6 Gebruik van bouwwerken

Dit hoofdstuk bevat de regels over het gebruik van bouwwerken. De eisen zijn grotendeels vergelijkbaar met de eisen die voorheen in hoofdstuk 7 van het Bouwbesluit 2012 waren opgenomen. Niet daaruit overgenomen zijn de artikelen 7.6 brandgevaarlijke stoffen, 7.8 opslag in stookruimte, 7.18 overbewoning, 7.20 bouwvalligheid, 7.21 zindelijk staat van bouwwerken, open erven en terreinen, en 7.22 restrisico gebruik bouwwerken, open erven en terreinen. Zie over de mogelijkheden voor gemeenten om over deze onderwerpen eigen regels te maken de toelichting op de artikelen 6.2 tot en met 6.4.

Afdeling 6.1 Algemeen
§ 6.1.1 Algemeen
Artikel 6.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit artikel bepaalt dat de regels van dit hoofdstuk van toepassing zijn op het gebruik van bouwwerken.

Artikel 6.2 (toepassingsbereik: oogmerken)

In dit artikel zijn de oogmerken van de regels in dit hoofdstuk opgenomen. Deze oogmerken zijn niet alleen van belang om te beoordelen of er sprake kan zijn van een gelijkwaardige maatregel, maar ook om na te gaan of een gemeente eigen regels over een onderwerp mag stellen. Zie voor gelijkwaardigheid de toelichting op artikel 2.4.

Dit artikel bepaalt dat de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de brandveiligheid, het beschermen van de gezondheid tegen schadelijke concentraties van asbestvezels en formaldehyde in een bouwwerk, en twee deelaspecten van duurzaamheid, namelijk a) de beschikbaarheid en kenbaarheid van het energielabel en de uitvoering van daaraan verbonden aanbevelingen en b) de keuring van airconditioningsystemen en stooktoestellen. Deze regels zijn uitputtend bedoeld. Dat wil zeggen dat gemeenten over de onderwerpen in dit hoofdstuk geen eigen maatwerkregels in het omgevingsplan mogen opnemen. Een gemeente mag wel gebruiksregels over andere onderwerpen in het omgevingsplan opnemen voor zover zij geen betrekking hebben op de in dit hoofdstuk opgenomen oogmerken.

Om die reden mag een gemeente in het omgevingsplan desgewenst eigen regels stellen over de staat en het gebruik van open erven en terreinen, over de zindelijke staat van bouwwerken en om overbewoning tegen te gaan.

Maatwerkvoorschriften over de onderwerpen in dit hoofdstuk zijn alleen toegestaan voor zover artikel 6.5 dit expliciet mogelijk maakt.

Artikel 6.3 (toepassingsbereik: normadressaat)

Op grond van dit artikel moet aan de regels van dit hoofdstuk worden voldaan door degene die het betreffende bouwwerk gebruikt. Daaronder wordt ook degene verstaan die het bouwwerk laat gebruiken, bijvoorbeeld de eigenaar of verhuurder.

Deze verplichting houdt ook in, dat de normadressaat er voor zorgt, dat eventuele werknemers of andere bedrijven die binnen de activiteit in opdracht deelactiviteiten uitvoeren de regels naleven. Dat geldt ook voor eventuele regels die als maatwerkvoorschrift over de activiteit zijn gesteld, en voor het bij de activiteit eventueel gebruiken van een gelijkwaardige maatregel.

Artikel 6.4 (specifieke zorgplicht: brandveilig gebruik van bouwwerken)

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht ten aanzien van het brandveilig gebruik van bouwwerken. Over de andere in artikel 4.21 van de wet benoemde oogmerken (andere veiligheidsaspecten dan brandveilig gebruik, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid) zijn in dit hoofdstuk geen specifieke zorgplichten opgenomen. Hiervoor geldt de algemene zorgplicht van de artikelen 1.6 en 1.7 van de wet. Zie voor een algemene uitleg van specifieke zorgplichten afdeling 2.3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting.

Op grond van artikel 1.8 van de wet blijft de algemene zorgplicht buiten toepassing voor zover in dit besluit een specifieke zorgplicht is opgenomen. Dit is het geval bij het brandveilig gebruik van bouwwerken. Tezamen met de in afdeling 6.2 en paragraaf 6.5.1 van dit besluit opgenomen regels vormt de specifieke zorgplicht van dit artikel het kader waaraan bij het brandveilig gebruik van bouwwerken moet worden voldaan.

Iedereen die een bouwwerk gebruikt of laat gebruiken en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van dat gebruik een gevaarlijke situatie zou kunnen ontstaan is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om zo’n situatie te voorkomen. Dit betekent meer concreet dat moet worden voorkomen:

  • dat brandgevaar wordt veroorzaakt,

  • dat bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt,

  • dat de melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd,

  • dat het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd,

  • dat het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd, en

  • dat er anderszins gevaar voor de brandveiligheid ontstaat of voortduurt.

Artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet en de artikelen 1.16, eerste lid, 7.10 en 7.16 van het Bouwbesluit 2012, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit luidden, bevatten soortgelijke zorgplichten voor het (brandveilig) gebruik van bouwwerken.

Hieronder zijn enkele voorbeelden opgenomen waarbij een beroep op de specifieke zorgplicht gerechtvaardigd kan zijn:

  • als brandgevaar wordt veroorzaakt door bijvoorbeeld het opslaan van brandbaar materiaal of het verzamelen van afval in een onveilig opgestelde container,

  • als de terugloopruimte van een roltrap niet goed wordt schoongehouden. In een dergelijke ruimte opgehoopt stof, vet en vuil kan leiden tot brandgevaar,

  • als in een ruimte een zodanig grote vuurbelasting aanwezig is en/of een zodanig snel brandverloop kan optreden, dat de beheersbaarheid van brand zoals beoogd met de brand- of subbrandcompartimentering, niet is gewaarborgd en als gevolg daarvan de brand zou kunnen overslaan naar bijvoorbeeld een aangrenzende of nabij gelegen woning, ziekenhuis of andere kwetsbare gebruiksfunctie,

  • als voor hand- of automatische brandmelders obstakels zijn aangebracht waardoor deze bij brand niet of niet snel genoeg functioneren,

  • als een vluchtroute obstakels bevat die of snel vluchten bij brand onmogelijk maken, zoals vuilcontainers, huisraad, rijwielen of scootmobielen,

  • als in een ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, zoals een portiek of een veiligheidstrappenhuis (veiligheidsroute of veiligheidsvluchtroute) objecten met een verhoogt brandrisico zijn geplaatst, zoals vuilcontainers, oude kranten of gemotoriseerde voertuigen zoals brommers, scootmobielen en motorfietsen. Ook mogen in zo’n ruimte geen activiteiten met een verhoogd brandrisico worden uitgevoerd, zoals het laden van accu’s van elektrische voertuigen,

  • als obstakels zijn aangebracht op de voor de brandweer nodige verbindingsroute tussen een uitgang van een brandweerlift en een uitgang van die lift op een hoger gelegen verdieping.

De regels die voorheen in het Bouwbesluit 2012 waren gesteld in de artikelen 1.16, tweede lid (zorgplicht), 2.59 en 2.64, beiden tweede lid (afstand uitmonding rookgasafvoer tot rieten dak), 7.4, vijfde lid (met brandbaar gas gevulde ballonnen), 7.6 (brandgevaarlijke stoffen), 7.8 (opslag in stookruimten) en 7.9 (veilig gebruik verbrandingstoestel) zijn in dit besluit niet meer opgenomen. Die eisen zijn nu onder de werkingsfeer van de specifieke zorgplicht van dit artikel gekomen.

Op basis van deze zorgplicht kan dus ook handhavend worden opgetreden wanneer bijvoorbeeld:

  • zich in een besloten ruimte waarin zich personen bevinden ook met zeer brandbaar waterstofgas gevulde ballonnen aanwezig zijn,

  • de door een uitmonding voor rookgas uitgestoten vonken van bijvoorbeeld een open haard een brandveiligheidsrisico vormen bij bijvoorbeeld een huis met een niet-geïmpregneerd rieten dak. Op grond van de zorgplicht in dit artikel zou kunnen worden ingegrepen als in of in de directe nabijheid van een dergelijk dak een open haard of allesbrander wordt gestookt,

  • geen adequate controle heeft plaatsgevonden na het aanbrengen of wijzigen van een kabel-, leiding- of andere doorvoer in of door een scheidingsconstructie waarvoor op grond van dit besluit een eis met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of rookdoorgang geldt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het veranderen van een brandwerende scheidingsconstructie, en zodoende ook het daarin aanbrengen van een leidingdoorvoer een omgevingsvergunningplichtige activiteit is. Verder kan bijvoorbeeld op grond van artikel 3.40 van dit besluit handhavend worden opgetreden als er een opening in een in dat artikel bedoelde brandwerende scheidingsconstructie is gemaakt.

  • er in, op of nabij een bouwwerk een brandgevaarlijke stof aanwezig is in grotere hoeveelheid of minder goed verpakt dan bij huishoudelijk gebruik verantwoord is. Het is aannemelijk dat aan deze voorwaarde is voldaan als de in de onderstaande tabel ‘brandgevaarlijke stoffen’ aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden en dat de totale hoeveelheid niet groter is dan 100 kilogram of liter. De verpakking moet deugdelijk zijn, waarbij:

  • de verpakking tegen normale behandeling bestand is;

  • de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding, en

  • geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen, en

  • de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

Van strijd met de in dit artikel beoogde zorgplicht wordt geacht in ieder geval geen sprake te zijn bij:

brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;

brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmteontwikkelend toestel;

voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;

gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;

dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter, en

brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving zijn toegestaan, of

als de wijze van opslag en het gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen.

Onderstaande tabel geeft een indicatie van de hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen die acceptabel worden geacht in een bouwwerk aanwezig te zijn voor huishoudelijk gebruik. Deze tabel was eerder als tabel 7.6 in het Bouwbesluit 2012 opgenomen.

ADR-klasse1

omschrijving

toegestane maximum hoeveelheid

2

UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas

Gassen zoals propaan, zuurstof, acyteleen, aerosolen (spuitbussen)

50 kg

3

brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton

25 liter

3

excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C

brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten

50 liter

4.1, 4.2, 4.3

4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders

4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink

4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

50 kg

5.1

brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

50 liter

5.2

organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propionyl peroxide

1 liter

X Noot
1

Klassificatie als bedoeld in de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Tractatenblad 1959, 171)

Als de zorgplicht wordt overtreden en een onveilige situatie ontstaat kan het bevoegd gezag hier handhavend tegen optreden. Daarbij maakt het niet uit of de situatie ontstaan is door actief handelen of nalaten, of dat de situatie al bestond. Het laten voortduren van een bestaande gevaarlijke situatie (ongeacht wie deze situatie in eerste instantie heeft laten doen ontstaan) is namelijk ook een overtreding van de zorgplicht. De zorgplicht als bedoeld in dit artikel kan zowel bestuurs- als strafrechtelijk gehandhaafd worden. Strafrechtelijke handhaving is uiteraard enkel mogelijk als de gedraging ook strafbaar is gesteld. Zie ook onderdeel 5.3 van het algemeen deel van de toelichting. Daarnaast bestaat op grond van artikel 6.5, eerste lid, de mogelijkheid om in de daar genoemde gevallen de zorgplicht nader in te vullen met een maatwerkvoorschrift. Voor die mogelijkheid kan gekozen worden als de zorgplicht onvoldoende concreet is in een bepaald geval en voor de betrokkenen nog niet duidelijk is wat zij moeten doen om wel te voldoen aan de zorgplicht. Een dergelijk maatwerkvoorschrift moet door degene aan wie het opgelegd wordt worden opgevolgd. Als dat niet of niet tijdig gebeurt kan het bevoegd gezag hier tegen optreden vanwege overtreding van het maatwerkvoorschrift en daarmee ook de zorgplicht. Zie ook de toelichting op artikel 6.5.

Niet onder de zorgplicht van dit hoofdstuk valt het voorkomen van overlast of gezondheidsproblemen als gevolg van de zogenoemde houtstook. Het toepassingsbereik van dit hoofdstuk is het waarborgen van brandveiligheid en het op onderdelen waarborgen van duurzaamheid (artikel 6.2). Het stellen van regels over het stoken van hout in open haarden heeft niet als oogmerk het waarborgen van brandveiligheid of duurzaamheid, maar gezondheid. Om die reden onttrekt dit onderwerp zich aan de regels van dit hoofdstuk. Het staat een gemeente vrij om in het omgevingsplan eigen regels over het gebruik van open haarden en andere vormen van houtstook (zoals stoken in een allesbrander of pelletbrander of op een open erf of terrein in een vuurkorf of patiobrander) op te nemen.

Artikel 6.5 (maatwerkvoorschriften)

Artikel 6.5 maakt het voor het bevoegd gezag mogelijk om in concrete gevallen maatwerkvoorschriften te stellen over het brandveilig gebruik van een bouwwerk. In artikel 6.5 is in het eerste lid bepaald dat maatwerkvoorschriften mogen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 6.4 en over de regels van afdeling 6.2 (Brandveiligheid). Met een dergelijk maatwerkvoorschrift mag alleen een nadere invulling (concretisering) worden gegeven aan de specifieke zorgplicht van artikel 6.4 en aan de in afdeling 6.2 uitgewerkte specifieke regels over brandveilig gebruik. Er mag dus niet van die regels worden afgeweken.

Bij maatwerk wordt onderscheiden tussen maatwerkvoorschriften op initiatief van het bevoegd gezag (tweede lid) en maatwerkvoorschriften op aanvraag van degene die het bouwwerk gebruikt of laat gebruiken (derde lid). Een maatwerkvoorschrift op initiatief van het bevoegd gezag mag alleen worden gesteld als dat noodzakelijk is voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand. Hiermee wordt overeenkomstig artikel 6.2, onder a, de brandveiligheid gewaarborgd. Concreet betekent dit dat de gemeente alleen maatwerkvoorschriften kan geven over artikel 6.4. Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk gebruikt of laat gebruiken, mag gesteld worden met het oog op andere belangen dan de brandveiligheid bedoeld in artikel 6.2, onder a. Hierbij is wel een voorwaarde dat de daar genoemde belangen zich niet verzetten. Met andere woorden het waarborgen van de brandveiligheid gaat altijd voor.

Uit het vierde lid blijkt dat een maatwerkvoorschrift zoals bedoeld in dit artikel kan alleen worden gesteld in situaties waarin een gebruiksmelding verplicht is en deze daadwerkelijk is gedaan.

Een gesteld maatwerkvoorschrift (vijfde lid) kan alleen gewijzigd worden wanneer er sprake is van een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na de melding of op verzoek van de melder.

De in artikel 6.5 opgenomen mogelijkheden om in een concreet geval maatwerkvoorschriften over het brandveilig gebruik van een bouwwerk te stellen zijn overigens vergelijkbaar met de mogelijkheden die voorheen werden geboden door de zorgplicht van artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet en de in artikel 1.21 van het Bouwbesluit 2012 opgenomen mogelijkheid om na een melding brandveilig gebruik nadere voorwaarden op te leggen.

§ 6.1.2 Gebruiksmelding
Artikel 6.6 (aansturingsartikel)

In artikel 6.6 is een verwijzing naar de aansturingstabel opgenomen. Uit dit aansturingsartikel in combinatie met tabel 6.6 volgt welke regels voor een bepaalde gebruiksfunctie van toepassing zijn. Uit de tabel volgt ook dat de meldingplicht op een aantal gebruiksfuncties niet van toepassing is. Vergelijkbaar met het voorheen in artikel 1.18, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 gestelde geldt de meldingplicht niet voor de reguliere woonfunctie en voor spoor- of wegverkeer bedoelde bouwwerken. Andere tunnels dan wegtunnels zijn dus wel gebruiksmeldingplichtig, ongeacht of zij tevens een stationsfunctie hebben. Verder geldt de meldingplicht nu ook voor bouwwerken (zoals voor nachtverblijf) waarvoor eerder een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik nodig was. Dit is mede gebaseerd op het rapport ‘Onderzoek naar vermindering vergunning en melding brandveilig gebruik’ (Arcadis 3 juni 2014, zie www.rijksoverheid.nl).

Artikel 6.7 (gebruiksmelding)

Dit artikel regelt de gebruiksmeldingplicht voor gebouwen. Het eerste lid bepaalt dat het niet is toegestaan een bouwwerk te gebruiken zonder gebruiksmelding. Dit verbod omvat ook het handelen in afwijking van de melding. Voor zover het immers gaat om activiteiten die zonder melding niet mogen worden verricht, is ieder handelen dat niet is gemeld handelen zonder melding. Deze gebruiksmelding moet ten minste vier weken voor aanvang van het gebruik aan het bevoegd gezag worden gedaan. In deze gebruiksmeldingplicht komen de eerdere meldingplicht uit het Bouwbesluit 2012 en de omgevingsvergunning brandveilig gebruik uit de Wabo samen. Dit besluit kent alleen een meldingplicht en geen vergunningsplicht brandveilig gebruik.

De gebruiksmelding is zaakgebonden. Dit betekent dat als de gemelde activiteit voortaan door iemand anders wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld door een nieuwe eigenaar of huurder, er geen nieuwe melding hoeft te worden gedaan.

Het tweede lid regelt dat de in het eerste lid bedoelde meldingplicht alleen van toepassing is als het totaal aantal personen in het bouwwerk groter is dan het in tabel 6.7 genoemde aantal personen. In een gebouw (of deel van een gebouw) met meerdere gebruiksfuncties is die gebruiksfunctie met het laagste in de tabel genoemde aantal personen bepalend voor de beoordeling of er melding moet plaatsvinden. Bijvoorbeeld: een gebouw met een bijeenkomstfunctie voor 45 personen, een industriefunctie voor 5 personen en een kantoorfunctie van 2 personen, is gebruiksmeldingplichtig omdat het totaal aantal personen 52 is, dat is meer dan de 50 die geldt als laagste maximum (bij de bijeenkomstfunctie) voor de in het gebouw aanwezige gebruiksfuncties. Vergeleken met het Bouwbesluit 2012 is het aantal personen waarbij een gebruiksmelding nodig is voor de industriefunctie en de kantoorfunctie verhoogd. De grens ligt bij die functies voortaan bij 150 personen in plaats 50 personen. Voor deze verlichting van de eis is gekozen omdat de gebruikers van een kantoorfunctie of een industriefunctie (meestal personeelsleden) in het algemeen goed bekend zijn met de vluchtroutes van het gebouw. Deze versoepeling leidt tot een beperking van het aantal gevallen waarin een gebruiksfmelding moet worden gedaan. Het tweede lid is niet aangestuurd voor de woonfunctie omdat bij de woonfunctie het aantal personen in die woonfunctie geen rol speelt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur niet het aantal personen maar wel het aantal wooneenheden een rol speelt. Als het aantal wooneenheden kleiner is dan vijf, dan is er geen sprake van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, ongeacht het aantal bewoners dat in de wooneenheid aanwezig is. Het gevolg is dat de voor een woonfunctie voor kamergewijze verhuur specifieke regels dan niet van toepassing zijn. De gemeente heeft de mogelijkheid om in het omgevingsplan regels te stellen om overbewoning van een woonfunctie te voorkomen.

Het derde lid regelt dat voor nevengebruiksfuncties van een kantoor- of industriefunctie moet worden uitgegaan van een waarde van 150, dezelfde waarde die voor de industriefunctie geldt. Een kantoorgebouw met 150 personen is niet meldingplichtig en een als nevengebruiksfunctie van die kantoorfunctie aangemerkte bijeenkomstfunctie (kantine of bedrijfsrestaurant) voor 150 personen, is dus ook niet gebruiksmeldingplichting. Het maximum van 50 personen bij een reguliere bijeenkomstfunctie geldt niet nu er sprake is van een nevengebruiksfunctie. Er wordt van uit gegaan dat in een kantoor voor 150 personen met een bedrijfsrestaurant voor 150 personen niet meer dan in totaal 150 personen aanwezig zullen zijn. Pas als er in het gebouw meer dan 150 personen aanwezig zullen zijn is er een meldingplicht.

De medewerkers in de kantine of het bedrijfsrestaurant van een kantoor of industriefunctie zullen gemiddeld genomen even bekend zijn met de veiligheidssituatie en -organisatie in die kantine of dat bedrijfsrestaurant als met die situatie en organisatie in de rest van het gebouw. Dit geldt niet voor het publiek in een reguliere bijeenkomstfunctie.

Het vierde lid regelt dat personen in een niet-besloten ruimte van een station, zoals een treinperron, of in een niet-besloten ruimte van een parkeergarage niet behoeven te worden meegeteld bij het bepalen of het station (overige gebruiksfunctie voor transport) of de parkeergarage (overige gebruiksfunctie voor stalling van motorvoertuigen) gebruiksmeldingplichtig is. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat deze uitzondering niet van toepassing is op andere gebruiksfuncties en dus ook niet op bijvoorbeeld een voetbaltribune (ander bouwwerk geen gebouw zijnde).

Het vijfde lid regelt dat een afzonderlijke gebruiksmelding gedaan mag worden voor een voor afzonderlijk gebruik bestemd gedeelte van een bouwwerk. Een gedeelte van een bouwwerk kan niet een voor afzonderlijk gebruik bestemd gedeelte zijn als op een vluchtroute van dat gedeelte ook andere gedeelten van het bouwwerk zijn aangewezen.

Artikel 6.8 (gegevens en bescheiden bij gebruiksmelding)

In dit artikel zijn de procedurele regels voor het indienen van een gebruiksmelding opgenomen. In het eerste lid is bepaald dat een melder de melding van een ondertekening moet voorzien en welke gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt. Een melding moet ook altijd zijn voorzien van een dagtekening (datum van ondertekening). De in dit artikel opgenomen opsomming van aan te leveren gegevens en bescheiden is een maximale opsomming. Bij de gebruiksmelding hoeft alleen die informatie te worden aangeleverd die voor de beoordeling van de melding door het bevoegd gezag nodig is. Alleen die informatie betrekking heeft op zaken die in een bepaald geval feitelijk niet aanwezig zijn en ook niet hoeven te zijn hoeft uiteraard niet te worden verstrekt. De gemeente mag niet meer informatie verlangen dan de in dit artikel bedoelde informatie.

Het tweede lid schrijft voor dat de melder bij een gebruiksmelding voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik moet aangeven voor welke periode en welke tijdvakken in het kalenderjaar het gebruik is beoogd.

In het derde lid staat dat een melding ook betrekking kan hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende (dit zijn niet per se aangrenzende) terreinen. Dit is van belang om voor bijvoorbeeld een complex winkels één melding te kunnen doen, of bij twee filialen van een bedrijf die aan weerszijde van de openbare weg liggen.

Artikel 6.9 (gegevens en bescheiden na gebruiksmelding)

Bij de gebruiksmelding moeten onder meer gegevens en bescheiden worden aangeleverd over de technische staat van het gebouw, gelet op het voorgenomen gebruik van het gebouw. Als het bouwwerk wordt veranderd, bijvoorbeeld door een verbouwing, ontstaat een nieuwe situatie. Om het bevoegd gezag in staat te stellen die nieuwe situatie te beoordelen, moeten op grond van dit artikel gegevens en bescheiden over die verandering worden verstrekt. In deze gevallen hoeft dus geen nieuwe melding te worden gedaan maar volstaat het aanleveren van gegevens en bescheiden over de nieuwe situatie. Als het gebruik van het gebouw zodanig wordt veranderd, dat wordt afgeweken van de eerder gedane melding terwijl de nieuwe situatie meldingplichtig is, moet wel een nieuwe melding worden gedaan.

Artikel 6.10 (afbakening maatwerkregels gebruiksmelding)

Dit artikel bevat de grondslag voor het stellen van een maatwerkregel. De gemeente mag in het omgevingsplan een maatwerkregel stellen over het afwijken van het in tabel 6.6 genoemde aantal personen voor decelfunctie, de gezondheidszorgfunctie en de logiesfuncties gelegen in een logiesgebouw. Op grond van artikel 6.7 in samenhang met de tabel geldt de algemene meldingplicht voor deze gebruiksfuncties vanaf 10 personen. Gemeenten kunnen er voor kiezen in het omgevingsplan bijvoorbeeld een meldingplicht vanaf 5 personen of vanaf 14 personen op te nemen. Deze mogelijkheid van lokaal maatwerk was er eerder ook in de Wabo bij de gebruiksvergunningplicht.

Afdeling 6.2 Brandveiligheid
§ 6.2.1 Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand

Vergeleken met het Bouwbesluit 2012 zijn een aantal regels geschrapt en onder werkingssfeer van het specifieke zorgplichtartikel gebracht. Zie hiervoor de artikelsgewijze toelichting op artikel 6.4. Ook is artikel 7.7, brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, uit het Bouwbesluit 2012 niet meer opgenomen. In dit besluit zijn namelijk geen regels meer opgenomen voor erven en terreinen. De buitenopslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen is voortaan geregeld in het Besluit overige plaatsen39.

De aansturingsartikelen in deze afdeling bevatten in tegenstelling tot de vergelijkbare artikelen in het Bouwbesluit 2012 geen functionele omschrijving. Dit is gedaan omdat de regels in deze afdeling voor zover nodig kunnen worden aangevuld met de specifieke zorgplicht van artikel 6.4.

Artikel 6.12 (verbod op roken en open vuur)

Het eerste lid bevat een verbod om te roken of open vuur te hebben in ruimten die voor de opslag van brandgevaarlijke stoffen zijn bestemd, bij het verrichten van handelingen die het uitstromen van brandbare vloeistoffen of gassen kunnen veroorzaken en bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of gas.

Het tweede lid bepaalt dat het verbod kenbaar moet worden gemaakt door duidelijk zichtbaar aangebrachte pictogrammen zoals beschreven in NEN 3011.

Artikel 6.13 (vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel)

Een zelfsluitend constructieonderdeel als bedoeld in de artikelen 3.123 en 4.218 (zelfsluitende constructieonderdelen) mag niet in geopende stand zijn vastgezet tenzij het constructieonderdeel bij brand en bij rook door brand automatisch sluit. Dat wil zeggen dat de vastzetinrichting van een deur waaraan uit oogpunt van rookwerendheid een eis is gesteld (Sa of S200), die deur ook moet loslaten bij rook zonder hitte.

Artikel 6.14 (aankleding)

In dit artikel zijn regels opgenomen voor de aankleding van een besloten ruimte, vanwege het

voorkomen van brandgevaar. Deze eisen worden alleen aan een besloten ruimte gesteld omdat wordt aangenomen dat aan een niet-besloten ruimte, bijvoorbeeld een binnenplaats of tuin, andere (beperktere) brandveiligheidsrisico’s kleven. Bij niet-besloten ruimten kan in een specifiek geval zo nodig een beroep worden gedaan op het specifieke zorgplichtartikel.

In de hoofdstukken 3 en 4 van dit besluit worden de bouwtechnische eisen aan constructieonderdelen van ruimten gesteld en in dit hoofdstuk (6) gebruikseisen aan aankleding en inventaris van die ruimten. Vergeleken met het Bouwbesluit 2012 zijn er in dit besluit begrippen toegevoegd voor aankleding en voor constructieonderdeel. Hiermee wordt meer duidelijkheid gecreëerd over wat valt onder hoofdstuk 3 en 4 en wat onder dit hoofdstuk valt. Onder aankleding wordt verstaan op of aan constructieonderdelen aangebrachte materialen met uitzondering van meubilair.

Voorbeelden van aankleding zijn gordijnen, vitrages, slingers en andere ornamenten in een ruimte. Onder constructieonderdelen worden verstaan de onderdelen van een bouwwerk die nodig zijn om te voldoen aan de technische regels van hoofdstuk 3 of hoofdstuk 4. Zie ook de artikelsgewijze toelichting op bijlage I.

Meubilair in ruimten valt niet onder aankleding of constructieonderdelen. In dit besluit worden, net als voorheen in het Bouwbesluit 2012, geen eisen gesteld aan de brandveiligheid van meubilair. Wel kan in een bijzonder geval zo nodig gebruik worden gemaakt van de specifieke zorgplicht. Ook aan inrichtingselementen worden geen eisen gesteld, behalve in artikel 6.15 voor voor publiek toegankelijke ruimten.

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat aankleding geen brandgevaar mag opleveren en in welke gevallen mag worden aangenomen dat er geen sprake is van brandgevaar. Brandgevaar is in ieder geval niet aanwezig wanneer:

  • a. de aankleding een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert,

  • b. de aankleding onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064,

  • c. de aankleding voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1,

  • d. de aankleding voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen als bedoeld in paragraaf 3.2.7 of 4.2.7, of

  • e. de aankleding een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.

Het antwoord op de vraag wanneer aankleding een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert is sterk afhankelijk van de omstandigheden. Onderdeel a van het eerste lid biedt de mogelijkheid om in een klaslokaal slingers of tekeningen op te hangen, zolang deze een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar leveren. De brand mag zich dus niet als een lopend vuurtje door de ruimte kunnen verspreiden. Bij versieringsmaterialen kan NTA 8007, brandgedrag van versieringsmaterialen gebruikt worden om aannemelijk te maken dat het versieringsmateriaal in zijn toepassing een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert.

Een bouwproduct kan ook worden gebruikt als materiaal voor de aankleding van een ruimte, zoals de klassieke schrootjeswand. NEN-EN-ISO 11925-2 beschrijft een bepalingsmethode voor de ontvlambaarheid van bouwproducten bij directe blootstelling met vlammen uit één bron.

In het tweede lid is een speciale bepaling opgenomen voor aankleding in een besloten ruimte voor het verblijven of het vluchten van meer dan 50 personen. In het tweede lid is ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 toegevoegd dat dit lid ook geldt voor een besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute of een beschermde route voert. Dit is gedaan om in dit soort vluchtroutes de kans op het ontstaan en de ontwikkeling van brand te beperken. Bij aankleding in een ruimte die voldoet aan het gestelde in het eerste lid, sub e, kan niet zonder meer worden aangenomen dat er geen sprake van brandgevaar is. De in sub e gegeven maximale navlam- en nagloeiduur waarborgen de brandveiligheid onvoldoende bij aankleding (versiering) die lager hangt dan 2,5 m boven een gedeelte van een vloer waar zich mensen kunnen bevinden. Bij laag hangende versiering is een risico aanwezig dat deze in aanraking komt met open vuur van bijvoorbeeld in de hand gehouden brandende aanstekers, kaarsen, vuurwerk of sigaretten. De onder e bedoelde criteria zijn wel afdoende wanneer de aankleding direct op vloer, trap of hellingbaan is aangebracht, ofwel wanneer het vaste vloerbedekking betreft. Met andere woorden: in een het tweede lid bedoelde besloten ruimte wordt de aankleding als brandveilig beschouwd als deze aan een van de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, genoemde voorwaarden voldoet. Als dit niet het geval is, maar de navlamduur en nagloeiduur liggen onder de grens van het eerste lid, sub e, dan is de aankleding brandveilig als deze zich meer dan 2,5 m boven een voor personen bestemde vloer bevindt of boven een niet voor personen bestemd gedeelte van de vloer (ongeacht de hoogte van de versiering) bevindt of als het vloerbedekking betreft. Dit tweede lid is dus voornamelijk van belang bij het voorkomen van brandgevaar door laaghangende versiering. Of sprake is van een gedeelte van de vloer waar zich geen personen kunnen bevinden is afhankelijk van de inrichting van de ruimte. Het gaat om die plaatsen waar zich normaliter geen mensen bevinden, bijvoorbeeld boven een tafel, een barmeubel of stand. Met de situatie dat iemand op een dergelijk inrichtingselement klimt hoeft geen rekening te worden gehouden.

In het derde lid is een specifieke regel opgenomen voor de lichte industriefunctie voor het houden van dieren. In afwijking van het eerste lid is het bij stallen niet mogelijk de veiligheid van de aankleding aan te tonen volgens de in het eerste lid, onder e, opgenomen methode. De veiligheid van aankleding die niet direct op vloer, trap of hellingbaan is aangebracht kan dus alleen worden aangetoond met een van de onder a tot en met d genoemde methoden. Aan de aankleding die direct op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht, bijvoorbeeld stro, worden dus geen eisen gesteld.

In het vierde lid is bepaald dat die delen van apparatuur en installaties die hitte uitstralen (meer dan 90° C worden), niet in aanraking mogen komen met de aankleding. Dit mag weer wel wanneer de aankleding onbrandbaar is. Met deze regel kan bijvoorbeeld worden opgetreden tegen een situatie waarin door een halogeenspotje brand in de gordijnen zou kunnen ontstaan.

Op grond van het vijfde lid zijn het eerste, tweede en vierde lid alleen van toepassing op een gemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie en van een andere logiesfunctie. Dit betekent dat deze eisen niet van toepassing zijn op bijvoorbeeld de meubels, het behang of de gordijnen binnen de woning of het vakantiehuisje zelf.

Artikel 6.15 (brandveiligheid inrichtingselementen)

Dit artikel stelt eisen aan de brandveiligheid van stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen wanneer zij zijn opgesteld in voor het publiek toegankelijke ruimten, zoals winkel-, beurs-, markt-, tentoonstellings-, school-, muziek-, theater- en overdekte speelruimten, wijkcentra en bibliotheken. Doel van deze regels is te voorkomen dat een beginnende brand in de opstellingsruimte zich snel kan ontwikkelen en/of dat de gebruikte materialen bij een brand letselrisico’s voor in die ruimte aanwezige personen opleveren. Er worden geen eisen gesteld aan de in de stands uitgestalde producten of voorwerpen. Te verwachten problemen als gevolg van de uitgestalde producten of voorwerpen kunnen zo nodig op grond van de specifieke zorgplicht worden aangepakt.

In het eerste lid is bepaald dat de inrichtingselementen brandveilig moeten zijn. Dit houdt in dat deze elementen niet snel vlam mogen vatten en geen grote bijdrage mogen leveren aan de voortplanting van brand.

In het tweede lid is bepaald wanneer in ieder geval aan de in het eerste lid gestelde eisen is voldaan. Dit is het geval wanneer een naar de lucht toegekeerd onderdeel van het inrichtingselement:

  • a. onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064,

  • b. voldoet aan brandklasse A1, als bedoeld in NEN-EN 13501-1,

  • c. een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan brandklasse D, als bedoeld in NEN-EN 13501-1,

  • d. een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan klasse 4 als bedoeld in NEN 6065, of

  • e. een dikte heeft van minder dan 3,5 mm en over de volle oppervlakte is verlijmd met een onderdeel als bedoeld onder c of d.

Dunne materialen hebben in het algemeen minder gunstige brandeigenschappen dan dikkere (dunne materialen ontbranden dikwijls sneller). Als een dun materiaal als bedoeld onder e over de volle oppervlakte is verlijmd met een materiaal als bedoeld in sub c of d (de drager), dan benaderen de eigenschappen van de samengevoegde materialen de brandeigenschappen van het dikkere dragermateriaal. In de praktijk kunnen de onder a en d bedoelde prestaties niet meer worden vastgesteld, omdat de laboratoria tegenwoordig niet meer over de daarvoor noodzakelijke apparatuur of laboratoriumopstellingen beschikken. Deze bepalingsmethoden zijn desondanks als optie in deze regel opgenomen om te voorkomen dat producten die ooit aan de hand daarvan zijn getest en goedbevonden opnieuw beoordeeld zouden moeten worden.

Op grond van het derde lid zijn het eerste en tweede lid alleen van toepassing op een gemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie en van een andere logiesfunctie (vakantiehuisje).

Artikel 6.16 (brandveilig gebruik grote brandcompartimenten)

Artikel 6.16 geeft een eis over de toepassing van artikel 4.51, eerste lid. Als bij de toetsing van het bouwplan aan dit besluit gekozen is voor de mogelijkheid om gebruik te maken van de bepalingsmethoden van NEN 6060 of NEN 6079 moet bij het daadwerkelijk gebruik van het bouwwerk rekening worden gehouden met de gebruikseisen in die normbladen.

In NEN 6060 zijn eisen gesteld aan aanvraag en melding, toezicht en voorwaarden voor met name genoemde installaties. Het gaat daarbij om voorwaarden aan een brandmeldinstallatie, een ontruimingsalariminstallatie, een rwa-installatie (rook warmte afvoerinstallatie) en een vast opgesteld brandbeheersing en -blussysteem (VBB-systeem) zoals een sprinklerinstallatie.

Artikel 6.17 (behandeling constructieonderdeel)

Voor een aantal constructieonderdelen van bouwwerken geldt dat zij de op grond van de volgens de paragrafen 3.2.2 en 3.2.6 tot en met 3.2.9 vereiste prestaties ter zake van de sterkte bij brand of brand, brandvoortplanting, rookdichtheid, brandklasse of rookklasse uitsluitend met aanvullende behandelingen kunnen blijven leveren. Dit is bijvoorbeeld het geval bij stalen draagconstructies (voor zover die hun brandwerendheid mede aan daarop aangebrachte verf, coating of een andere afwerklaag ontlenen), houten gevelbekledingen (voor zover die door behandeling met een impregneermiddel voldoen aan brandvoortplantingseisen) en rieten daken. Doordat de werking van zo’n aanvullende behandeling in de loop der tijd door veroudering, slijtage of beschadiging kan afnemen en op termijn zelfs geheel kan verdwijnen, bestaat het risico dat dan niet meer aan de vereiste brandveiligheidkwaliteit is voldaan.

Artikel 6.17 regelt dat een constructieonderdeel dat uitsluitend met een aanvullende behandeling kan blijven voldoen aan de in dit besluit gestelde eis aan de sterkte bij brand of brand, brandvoortplanting, rookdichtheid, brandklasse of rookklasse op adequate wijze moet worden onderhouden. Van een adequaat onderhoud is sprake als het onderhoud wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de leverancier van het bouwwerkonderdeel opgegeven specificaties met inbegrip van een eventueel daaraan verbonden inspectie- en of onderhoudsschema. Verder betekent adequaat onderhoud dat voor het functioneren van de het bouwwerkonderdeel relevante beschadigingen onmiddellijk hersteld moeten worden. Dit geldt ook voor producten die op een bouwwerkonderdeel zijn aangebracht om aan de eisen te kunnen voldoen. Het is aan de eigenaar/gebruiker daar invulling aan te geven en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of daaraan op juiste wijze gevolg is gegeven.

Om aannemelijk te kunnen maken dat adequaat onderhoud en aanvullende behandelingen hebben plaatsgevonden zullen bewijsstukken zoals de hiervoor bedoelde productspecificaties en bewijzen van tijdige uitvoering overeenkomstig die specificaties onmiddellijk aan de gemeente moeten kunnen worden overlegd.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in artikel 2.6 van dit besluit een algemene zorgplicht voor onder meer brandveiligheidsinstallaties is opgenomen. De zorgplicht brandveilig gebruik bouwwerken, waaronder ook beheer, controle en onderhoud, valt onder de specifieke zorgplicht van artikel 6.4. Hiermee worden specifieke eisen gesteld aan beheer, onderhoud, controle en certificatie van brandveiligheidsinstallaties.

Artikel 6.18 (overgangsrecht: aankleding)

In dit artikel is een speciale regeling opgenomen voor de lichte industriefunctie voor het houden van dieren. Als voor 1 april 2014 in een besloten ruimte van een stal aankleding is aangebracht, niet direct op een vloer, trappen of hellingbaan, dan mag worden uitgegaan van artikel 7.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan die datum. Met dit overgangsrecht zijn de op 1 april 2014 aangescherpte brandveiligheidseisen niet van toepassing op een bestaande situatie van voor 1 april 2014. Dit overgangsrecht, dat is overgenomen uit het Bouwbesluit 2012, heeft alleen betrekking op de aankleding die niet direct op een vloer trap of hellingbaan is aangebracht. Voor aankleding die wel direct op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht, bijvoorbeeld stro, gelden geen eisen.

§ 6.2.2 Veilig vluchten bij brand

Er wordt op gewezen dat deze paragraaf geen zelfstandige vangnetbepaling bevat zoals eerder wel in artikel 7.16 van het Bouwbesluit 2012 was opgenomen. Zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel 6.4 (specifieke zorgplicht: brandveilig gebruik van bouwwerken).

Artikel 6.19 (aansturingsartikel)

Vergeleken met van het Bouwbesluit 2012 is de functionele omschrijving geschrapt. Dit is gedaan omdat de gebruiksregels in deze afdeling voor zover nodig kunnen worden aangevuld op grond van het specifieke zorgplichtartikel 6.4.

Artikel 6.20 (ontruiming bij brand)

Met dit artikel is de hulpverlening bij brand geregeld, in aanvulling op de hulpverlening bij brand die voor werknemers is geregeld op grond van de Arbeidsomstandighedenwet. De Arbeidsomstandighedenwet bevat regelgeving over de arbeidsomstandigheden en ziet op de hulpverlening aan werknemers en andere personen die in verband met de arbeid aanwezig zijn. Dit artikel ziet toe op hulpverlening bij brand aan iedereen die zich in een bouwwerk of een gebruiksfunctie bevindt. Het gaat hierbij om het evacueren van bijvoorbeeld patiënten in een ziekenhuis, gedetineerden en bezoekers van een discotheek, in het geval van brand.

Het eerste lid geeft een functionele regel. In een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 en in een bouwwerk waarvoor een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 6.7 is gedaan moeten voldoende personen aangewezen zijn om de ontruiming bij brand voldoende snel te laten verlopen. Op welke wijze deze functionele eis wordt ingevuld wordt overgelaten aan de eigenaar of gebruiker van een bouwwerk. Benadrukt wordt dat door extra technische maatregelen (zoals sprinklers) het aantal personen dat nodig is voor hulpverlening kan worden beperkt. Er mag van worden uitgegaan dat met een organisatie van bedrijfshulpverlening die voldoet aan de eisen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en bovendien rekening houdt met de ontruiming van niet-werknemers, zoals publiek en patiënten, wordt voldaan aan het eerste lid. Voor bouwwerken waarin sprake is van vrijwilligers (bijvoorbeeld verenigingsgebouwen) zal men ook voldoende personen moeten hebben aangewezen die helpen bij ontruimen bij brand. Dit kan praktisch worden ingevuld, rekening houdend met het daadwerkelijk gebruik van het bouwwerk en de redzaamheid van de personen die daar normaliter aanwezig zijn. Er hoeft in dit soort bouwwerken dus geen hulpverlening te worden ingericht zoals bij bouwwerken waarin arbeid wordt verricht en de organisatie van bedrijfshulpverlening op grond van de Arbeidsomstandighedenwet vereist is. Kleine bouwwerken zonder brandmeldinstallaties of waar minder dan 50 personen aanwezig zijn, vallen geheel buiten de werkingsfeer van dit artikel. Dit artikel is in tabel 6.19 niet aangestuurd voor de woonfunctie, met uitzondering van de woonfunctie voor zorg. De woonfuncties voor zorg met een brandmeldinstallatie vallen dus wel onder de reikwijdte van het eerste lid.

Het tweede lid sluit de woonfunctie voor zorg op afspraak en de woonfunctie voor zorg op afroep (zie de tabel van bijlage II) uit. Bij deze woonfuncties kunnen de bewoners zich nog zelfstandig of met behulp van mantelzorg redden, ook bij brand. Bij de woonfunctie voor zorg op afroep meldt de brandmeldinstallatie wel door naar een zorgcentrale. De zorgcentrale, die veelal niet in de nabijheid van de woning ligt, kan na melding contact zoeken met de bewoners en eventueel iemand sturen als zich daar een hulpvraag voordoet.

In het derde lid is bepaald dat, als er een brandmeldinstallatie is, er ook een ontruimingsplan moet zijn. Zo’n ontruimingsplan geeft inzicht in de eigenschappen van het bouwwerk en de rol van brandbeveiligingsinstallaties bij de alarmeringsprocedure. Op basis van het ontruimingsplan kunnen verdere afspraken worden gemaakt over de bij een ontruiming te nemen maatregelen. Doel is dat de gebruikers van het bouwwerk weten wat zij bij een brandmelding moeten doen, zodat de risico’s bij brand zoveel mogelijk worden beperkt.

In het vierde lid zijn de eisen opgenomen die gelden voor een logiesfunctie die is aangemerkt als logiesfunctie met 24-uurs bewaking als bedoeld in bijlage II bij dit besluit. Er zal bij een dergelijk hotel altijd een medewerker aanwezig moeten zijn. Die functionaris mag zich ook buiten de perceelsgrens bevinden, op voorwaarde dat de loopafstand naar ten minste een toegang van het logiesgebouw niet groter mag zijn dan 100 m. Verder moet er een eventuele brandmelding direct naar die functionaris zijn doorgemeld, bijvoorbeeld door een hoorbaar signaal of via een draadloos persoonlijk alarmeringsysteem zoals een pieper.

Artikel 6.21 (deuren in vluchtroutes)

Dit artikel heeft betrekking op de deuren in vluchtroutes van bouwwerken. Doel van deze regels is te waarborgen dat deuren in vluchtroutes het vluchten bij brand zo min mogelijk hinderen.

In het eerste lid is het basisprincipe opgenomen. Als er mensen in een gebouw aanwezig zijn, dan mogen deuren die bij het vluchten een rol spelen niet op slot zijn, zodat het niet nodig is een sleutel te gebruiken om het pand te kunnen verlaten. Onder sleutel wordt hier niet alleen een bij een slot behorende sleutel begrepen maar ook elk ander los voorwerp of code of scan die nodig is om een deur bij brand over de ten minste vereiste breedte te openen. Een zogenoemde knopcilinder is dus toegestaan. Ook kan met een deur met een grendel aan de regel zijn voldaan; het is dan nodig dat deze grendel op een makkelijk te bereiken plaats zit en niet bijvoorbeeld helemaal boven of onder aan de deur. In dergelijke gevallen zal namelijk niet aan het criterium onmiddellijk te openen kunnen worden voldaan.

De regel van het eerste lid houdt ook in dat goederen niet zodanig mogen zijn geplaatst dat zij een belemmering vormen voor het (onmiddellijk) openen van de deur over de ten minste vereiste breedte. Zie ook de artikelen 3.121 en 4.216, zevende lid.

In het tweede lid is bepaald dat het eerste lid niet geldt voor een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen. Zo’n ruimte kan zowel een celfunctie zijn (bijvoorbeeld een celeenheid in een penitentiaire inrichting) als een andere ruimte voor het insluiten van personen in een andere gebruiksfunctie zoals een kantoorfunctie (bijvoorbeeld een verhoorruimte of ophoudruimte in een politiebureau of rechtbank). Voor deze uitzonderingsbepaling is gekozen omdat de aard van dit soort gebouwen zich in het algemeen verzet tegen deuren die door iedereen zonder sleutel kunnen worden geopend. Het is wel nodig dat de deuren voldoende snel over de vereiste breedte kunnen worden geopend. Wat dit in de praktijk betekent zal van geval tot geval zorgvuldig moeten worden nagegaan. Inrichting en gebruik moeten zodanig zijn dat het met artikel 6.2 beoogde veiligheidsniveau is gewaarborgd. Opgemerkt wordt dat deze regel niet alleen geldt voor het als celfunctie aangemerkt gedeelte van bijvoorbeeld een penitentiaire inrichting of psychiatrische inrichting (gesloten afdeling), maar ook voor andere in zo’n inrichting gelegen gebruiksfuncties met hetzelfde veiligheidsregime. Deze andere gebruiksfuncties moeten dan worden beschouwd als een nevengebruiksfunctie van de celfunctie. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een recreatieruimte (bijeenkomstfunctie) of onderwijsruimte (onderwijsfunctie). Uiteraard geldt hetzelfde waarborgen van het veiligheidsniveau voor nevengebruiksfuncties van andere gebruiksfuncties waar mensen kunnen worden opgesloten. Voorbeelden daarvan zijn de isoleerruimte in de gezondheidszorgfunctie en ook een kluis (waar mensen aanwezig kunnen zijn) in een bank (winkelfunctie).

Op grond van het derde lid is het eerste lid niet van toepassing voor een niet-gemeenschappelijke vluchtroute bij de andere woonfunctie. Dit betekent concreet dat de regel niet van toepassing is op de buitendeur en binnendeuren van een reguliere woning.

Het vierde lid bepaalt hetzelfde voor de deuren van een logiesverblijf zoals een hotelkamer of een vakantiehuisje. Zie ook de artikelsgewijze toelichting op het begrip logiesverblijf (bijlage I).

Het vijfde lid heeft betrekking op wegtunnels. Het is toegestaan dat een deur op een vluchtroute in de wegtunnel wordt ontgrendeld met een automatische ontgrendeling. Deze regel is opgenomen om in overeenstemming met de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Rarvw) vluchtdeuren in tunnels afgesloten te laten zijn en pas bij een calamiteit en nadat het verkeer in de tunnels is stilgelegd te openen.

Artikel 6.22 (opstelling zitplaatsen en verdere inrichting)

De mogelijkheden om bij brand voldoende snel en veilig uit een bouwwerk te kunnen vluchten, worden in grote mate bepaald door de doorstroomcapaciteit voor personen. Deze doorstroomcapaciteit wordt behalve door bouwkundige eigenschappen ook bepaald door de aanwezigheid en de specifieke opstelling van inventaris, zoals stoelen, tafels, kasten en plantenbakken. Ook de in artikel 6.15 bedoelde stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen zijn onderdeel van hier bedoelde inrichting. Dit artikel bevat regels over de wijze van de opstelling van inventaris in verhouding tot de bezetting (het aantal personen) in ruimten waarin veel mensen tegelijk bijeenkomen, zoals schouwburgen, theaters, bioscopen, horecaruimten, sportkantines, kerken en onderwijs-, vergader- en congresruimten.

In het eerste lid is de hoofdregel opgenomen. Die geldt ongeacht de afmetingen en de bezetting van de ruimte. Uit de samenhang met de andere leden van dit artikel blijkt dat de regel vooral effect zal hebben op grotere ruimten en ruimten met een hogere bezetting. De hoofdregel geeft aan hoeveel vloeroppervlakte ten minste per persoon beschikbaar moet zijn en waaraan de inrichting van deze ruimte moet voldoen:

  • 0,25 m2 voor elke persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is,

  • 0,3 m2 voor elke persoon waarvoor wel een zitplaats aanwezig is die niet kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang, en

  • 0,5 m2 voor elke persoon waarvoor wel een zitplaats aanwezig is zonder dat maatregelen zijn of worden getroffen om verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang te voorkomen.

De beschikbare vloeroppervlakte is de vloeroppervlakte van een ruimte na aftrek van de oppervlakte van inrichtingselementen en inventaris die de bewegingsvrijheid van personen en daarmee de vluchtsnelheid kunnen hinderen. Bij de berekening van de voor elke persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt dus uitgegaan van de vloeroppervlakte na aftrek van de oppervlakte van eventueel aanwezige inrichtingselementen als bedoeld in artikel 6.15 (zoals stands, kramen, schappen en podiumelemen) en andere onderdelen van de inventaris zoals stoelen en tafels. Er is overigens niet gekozen voor het begrip vrije vloeroppervlakte zoals gedefinieerd in NEN 2580 omdat daarmee voorbij zou worden gegaan aan de aanwezigheid van losse inrichtingselementen.

Rekenvoorbeeld 1: De vloeroppervlakte van een ruimte is 70 m2. In deze ruimte zijn 60 stoelen opgesteld met een oppervlakte van 0,22 m2 per stoel (totaal 13,2 m2) en losse podiumelementen met een totale oppervlakte van 15 m2. In de ruimte zijn geen staanplaatsen. De beschikbare vloeroppervlakte van deze ruimte bedraagt dus 70 m2 – (13,2 m2 + 15 m2) = 41,8 m2. Dit komt neer op een beschikbare vloeroppervlakte per persoon van 41,8 m2 : 60 = 0,69 m2. Als zich niet meer dan 60 personen in de ruimte bevinden behoeven de zitplaatsen dus niet aan de vloer te zijn bevestigd.

Rekenvoorbeeld 2: Als in dezelfde ruimte als hiervoor 90 zitplaatsen worden gerealiseerd (90 x 0,22 m2 = 19,8 m2) dan bedraagt de beschikbare vloeroppervlakte van deze ruimte 70 m2 – (19,8 m2 + 15 m2) = 35,2 m2. Dit komt neer op een beschikbare vloeroppervlakte per persoon van 0,39 m2. Bij rekenvoorbeeld 2 mag de invantaris dus niet kunnen verschuiven of omvallen.

In het tweede lid is een nadere regel gegeven voor ruimten met meer dan 100 zitplaatsen. Als zitplaatsen in vijf of meer rijen zijn opgesteld en het aantal zitplaatsen in de ruimte 100 of meer is, moeten de zitplaatsen zodanig gekoppeld of aan de vloer bevestigd zijn, dat zij vanwege gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen. Informatie over de koppeling van zitplaatsen is te vinden in NEN-EN 14703.

Het derde lid bepaalt dat bij in rijen opgestelde zitplaatsen tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig moet zijn van ten minste 0,4 m. Dit betekent dat er een voldoende ruim looppad aanwezig moet zijn voor het vluchten. De vrije ruimte wordt gemeten tussen de loodlijnen op de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Bij zelf opklappende stoelen, bijvoorbeeld in een theater of bioscoop, wordt gerekend met de ruimte in opgeklapte toestand.Met de laatste zin van het derde lid is benadrukt dat ook langs een tussen de rijen stoelen geplaatste tafel gevlucht moet kunnen worden. Met andere woorden ook ter hoogte van de tafel moet een vrije ruimte aanwezig zijn van ten minste 0,4 m.

Het vierde lid bepaalt dat een rij zitplaatsen die alleen aan één kant aan een gangpad of uitgang ligt, niet meer dan 8 zitplaatsen mag hebben. Met deze regel wordt de uitstroomcapaciteit van een doodlopende rij stoelen gewaarborgd. Wanneer een doodlopende rij zitplaatsen te lang zou worden, bestaat namelijk het risico dat men bij het vluchten niet snel genoeg weg komt en daardoor in paniek raakt.

Het vijfde lid geeft voor die gevallen waarbij aan beide kanten van de rij een gangpad of een uitgang is, de verhouding tussen het toegelaten aantal zitplaatsen in een rij en de volgens het derde lid bepaalde vrije loopruimte. Wanneer aan beide kanten van de rij een gangpad of een uitgang is, wordt er van uitgegaan dat naar twee kanten kan worden gevlucht. De regel onderscheidt dan drie mogelijkheden:

  • tot en met 16 zitplaatsen per rij als de loopruimte voor de rij stoelen tussen de 0,4 m en maximaal 0,45 m is en het gangpad of de uitgang aan beide zijden ten minste 0,6 m breed is,

  • tot en met 32 zitplaatsen per rij als de loopruimte voor de rij stoelen ten minste 0,46 m is en het gangpad of de uitgang aan beide zijden ten minste 0,6 m breed is, en

  • tot en met 50 zitplaatsen per rij als de loopruimte voor de rij stoelen ten minste 0,46 m is en het gangpad of de uitgang aan beide zijden ten minste 1,1 m breed is.

Artikel 6.23 (gangpaden)

Met dit artikel wordt in voor publiek toegankelijke ruimten waarin stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen aanwezig zijn voldoende door- en uitstroomcapaciteit van gangpaden en uitgangen gewaarborgd. Bij dit soort ruimten moet vooral gedacht worden aan winkel-, beurs-, markt-, en tentoonstellingsruimten. Hiermee wordt voorkomen dat de capaciteit van vluchtroutes onvoldoende is waardoor men niet tijdig kan ontvluchten of dat er paniek ontstaat.

Het eerste lid regelt dat gangpaden waarlangs de stands en dergelijke staan opgesteld ten minste 1,1 m breed moeten zijn.

In het tweede lid is bepaald dat er voor de uitgangen een vloeroppervlakte die ten minste even lang en breed is als de breedte van de uitgang wordt vrijgehouden van inrichtingselementen.

Artikel 6.24 (beperking van gevaar voor letsel)

Het mag niet zo zijn dat onder het plafond aangebrachte aankleding bij brand naar beneden valt of druppelt, met het risico van letsel voor in de ruimte aanwezige of vluchtende personen of van blokkering van een vluchtroute. Om dit te voorkomen worden in dit artikel eisen gesteld aan het (val)gedrag van deze aankleding. In artikel 6.14 worden eisen gesteld aan het brandgedrag van de aankleding. De aankleding in een besloten ruimte zal dus zowel aan dit artikel als aan artikel 6.14 moeten voldoen. De aankleding van een niet-besloten ruimte hoeft alleen aan dit artikel te voldoen.

Het gaat in het eerste lid om tegen of onder een plafond aangebracht glas dat snijwonden kan veroorzaken (bijvoorbeeld spiegels; glas in een verlaagd plafond). Dergelijk glas moet veiligheidsglas zijn of voorzien van ingegoten kruiswapening met zeer geringe maaswijdte (maximaal 0,016 m). In het tweede lid gaat het om textiel, folie en papier in een horizontale toepassing, waarin mensen verstrikt kunnen raken. Daarbij is altijd een onderspanning van metaaldraad nodig die aan de maatvoering in het tweede lid voldoet. In het derde lid is bepaald dat de aankleding in een besloten ruimte bij brand geen druppelvorming mag geven boven een gedeelte van een vloer bestemd voor gebruik door personen. De regel is dus niet van toepassing op gedeelten waar zich geen mensen behoren te bevinden.

Op grond van het vierde lid zijn het eerste tot en met derde lid niet van toepassing op niet-gemeenschappelijke ruimten van een woonfunctie.

Op grond van het vijfde lid zijn het eerste tot en met derde lid niet van toepassing binnen een logiesverblijf zoals een hotelkamer of een vakantiehuisje, maar wel op de andere delen van een logiesfunctie.

Afdeling 6.3 Asbestvezels en formaldehyde

De regels van deze afdeling hebben betrekking op het voorkomen van uit het oogpunt van gezondheid onaanvaardbaar hoge concentraties van asbestvezels en formaldehyde in voor mensen toegankelijke ruimten van bouwwerken. Te hoge concentraties asbestvezels en formaldehyde in een voor mensen toegankelijke ruimte kunnen ook uit andere bron komen dan uit bouwmaterialen, zoals uit de omgevingslucht, het proces in de ruimte, of van materiaal dat gebruikt is voor de inrichting of aankleding van de ruimte. Om die reden heeft deze afdeling niet alleen betrekking op bouwmaterialen.

Het bevoegd gezag kan handhavend optreden wanneer de concentratie asbestvezels of formaldehyde in de binnenlucht de grenswaarde overschrijdt. Een van de opties daarbij is het gebruik van (een deel) van het bouwwerk te verbieden totdat maatregelen zijn genomen waarmee de concentratie wordt teruggebracht tot een onder de grenswaarde gelegen niveau. Welke maatregelen in een specifiek geval noodzakelijk zijn, zal mede kunnen afhangen van de bron(nen) van de te hoge concentratie en van de blootstelling en kwetsbaarheid van de gebruikers van de ruimte. Dit zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld.

Artikel 6.25 (concentratie asbestvezels)

Op grond van dit artikel mag de concentratie van asbestvezels in de lucht, in voor mensen toegankelijke ruimten van een bouwwerk niet groter zijn dan 2.000 vezels/m3.

De grenswaarde is afgestemd met de grenswaarden in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Aangenomen mag worden dat een ruimte na vrijgave op basis van de eindbeoordeling die is voorgeschreven in de artikelen 4.51a en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldoet aan de corresponderende grenswaarde in dit artikel. Daarom is het niet nodig om na een vrijgave conform genoemd artikel 4.51a of 4.53c alsnog een beoordeling uit te voeren om te controleren of is voldaan aan de eisen van dit artikel. Bij werkzaamheden met asbest waarbij de concentraties asbestvezels in de lucht boven de in artikel 4.46 van het Arbeidsomstandighedenbesluit genoemde grenswaarden (2.000 vezels/m3) voor asbest komen, is dus een eindbeoordeling conform artikel 4.51a of 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit verplicht.

Artikel 6.26 (concentratie formaldehyde)

Dit artikel bepaalt hoe groot de concentratie formaldehyde in voor personen toegankelijke ruimten mag zijn. Als bepalingsmethode voor de concentratie formaldehyde in voor personen toegankelijke ruimten is NEN-EN-ISO 16000-2 aangewezen. De norm kan worden gebruikt voor de controle op de naleving van de door de Wereldgezondheidsorganisatie WHO vastgestelde waarde. Deze meetmethode omvat een korte termijn monitoring van minder dan 1 uur en gaat uit van een multicomponent meettechniek voor formaldehyde volgens hogedruk vloeistof chromatografie (HPLC = High Performance Liquid Chromatography).

Afdeling 6.4 Energielabel
Algemeen

Op 1 januari 2008 is het Besluit energieprestatie gebouwen in werking getreden ter implementatie van de richtlijn 2002/91/EG van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen. Deze richtlijn had tot doel het stimuleren van een verbeterde energieprestatie van gebouwen in de Europese Unie, daarbij rekening houdend met de klimatologische en plaatselijke omstandigheden buiten het gebouw, de eisen voor het binnenklimaat en de kosteneffectiviteit.

Vervolgens is richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen, de ‘Energy Performance of Buildings Directive’ (hierna ook de richtlijn energieprestatie van gebouwen ofwel EPBD) vastgesteld. Deze richtlijn, een nadere uitwerking en aanscherping van de eerdere richtlijn van 16 december 2002, is vastgesteld vanuit de behoefte om de energie-efficiëntie in de gebouwde omgeving verder te stimuleren.

De richtlijn energieprestatie van gebouwen schrijft voor dat lidstaten minimumeisen voor nieuwbouw en ingrijpende renovatie van bestaande gebouwen, technische bouwsystemen, keuring van airconditioningsystemen en verwarmingsinstallaties, het proces op weg naar bijna-energieneutrale gebouwen en het energielabel vaststellen. De richtlijn verplicht de lidstaten bovendien sancties op te leggen bij het overtreden van de nationale bepalingen die worden gesteld ter implementatie van de richtlijn. Hoewel in de richtlijn vooral wordt gesproken van ‘gebouwen’ volgt uit de systematiek van de richtlijn in samenhang met de definitie van het begrip gebouw in dit besluit dat in deze paragraaf expliciet is opgenomen dat de meeste eisen ook voor gedeelten van gebouwen gelden.

Artikel 6.27 (beschikbaarheid energielabel)

Met dit artikel is artikel 12 van de richtlijn energieprestatie van gebouwen omgezet. Artikel 12 bepaalt dat een energielabel moet worden afgegeven op transactiemomenten, zoals wanneer een gebouw of een gedeelte daarvan wordt opgeleverd of verkocht aan een koper of verhuurd aan een nieuwe huurder. Ook moet een label worden afgegeven voor gebouwen of gedeelten daarvan waar een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2 door een overheidsinstantie wordt bezet en die veelvuldig door het publiek wordt bezocht. Deze laatste verplichting is niet afhankelijk van een transactiemoment.

In het eerste lid is opgenomen dat bij oplevering van een nieuw gebouw of gedeelte daarvan de plicht voor het leveren van een energielabel bij de verkoper ligt. De verkoper kan bijvoorbeeld een projectontwikkelaar, een bouwer of een beleggingsmaatschappij zijn.

Wanneer de eigenaar van een bouwterrein zelf opdracht heeft gegeven voor de bouw op dat terrein en vanaf het begin de zeggenschap heeft over de bouw is die eigenaar zelf verantwoordelijk voor de aanwezigheid van een energielabel bij de oplevering (tweede lid).

Wat betreft verhuur is in het derde lid opgenomen dat de eigenaar van het gebouw of gedeelte daarvan een afschrift van het energielabel beschikbaar moet stellen aan een nieuwe huurder. Bij verkoop stelt de verkoper een energielabel beschikbaar aan de koper.

Dit geldt ook voor de verkoper van appartementen met een deelnemings- of lidmaatschapsrecht, bijvoorbeeld een coöperatieve vereniging (vierde lid).

In het vijfde lid is expliciet opgenomen dat de eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan, waarvan een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 in gebruik is bij een overheidsinstelling en dat veelvuldig door het publiek wordt bezocht, een geldig energielabel voor dat gebouw moet hebben. In dit lid is niet gesproken van ‘gedeelte’. De verantwoordelijkheid berust bij de eigenaar van het gebouw.

Artikel 6.28 (uitzonderingen energielabel)

In dit artikel zijn de uitzonderingen op artikel 6.27 opgenomen.

In lijn met artikel 4, tweede lid, van de richtlijn zijn een aantal categorieën uitgezonderd van de afgifteplicht van het energielabel:

Gebouwen of gedeelten daarvan waarvoor geen energie verbruikt wordt om het binnenklimaat te regelen (a). Artikel 2 van de richtlijn beperkt de reikwijdte namelijk tot gebouwen waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen. Vergelijk ook artikel 4.155 van dit besluit dat de EPC-eisen buiten toepassing verklaard voor ‘onverwarmde’ gebruiksfuncties.

Rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten, krachtens een omgevingverordening of omgevingsplan aangewezen monumenten en monumenten die nog niet zijn aangewezen maar waarop een omgevingsverordening of omgevingsplan wat betreft de monumentenstatus van overeenkomstige toepassing is (b).

Gebouwen of gedeelten daarvan, die worden gebruikt voor een eredienst en religieuze activiteiten. Dit betekent bijvoorbeeld dat een gebouw waarvan een klein gedeelte als gebedsruimte is ingericht in voorkomende gevallen wel een energielabel moet hebben maar dat dat gedeelte bij het berekenen van het label buiten beschouwing mag worden gelaten (c).

Gebouwen of gedeelten daarvan, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden, en die een lage energiebehoefte hebben (d). Het gaat hier in het algemeen om de (lichte) industriefunctie al dan niet voor het houden van dieren. Om in de termen van de richtlijn te blijven: industriepanden, werkplaatsen, niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven met een lage energiebehoefte en niet voor bewoning bestemde gebouwen van landbouwbedrijven die in gebruik zijn bij een sector die onder een nationale sectorovereenkomst inzake energieprestatie valt. Voor zover het de agrarische sector betreft wordt daarbij een doelstelling gehanteerd van gemiddeld 33% vermindering van energieverbruik voor de periode tussen 1995 en 2020. Dit is vastgelegd in de meerjarenafspraken Energie-efficiëntie van 13 juni 2008. Voor deze sector is hiermee sprake van een nationale sectorovereenkomst en daarom zijn alle gebouwen voor zover die bedrijfsmatig worden gebruikt in de landbouwsector uitgezonderd van de afgifte van een energielabel.

Gebouwen of gedeelten daarvan, die niet langer dan twee jaar gebruikt worden (e),

Woningen die minder dan vier maanden per jaar worden gebruikt (f). Het verwachte energiegebruik op jaarbasis mag niet meer dan een kwart van het verwachte energiegebruik bij permanent gebruik zijn. Het gaat hier bijvoorbeeld ook om recreatiewoningen die minder dan vier maanden per jaar worden gebruikt. Om die reden is in de tekst gesproken van ‘een gebouw of gedeelte daarvan, met een woonfunctie of logiesfunctie’.

Alleenstaande gebouwen met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50m2 (g).

Gebouwen of gedeelten daarvan, die bij minnelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 17 van de Onteigeningswet zijn verkregen en die met het oog op de uitvoering van het werk waarmee die verkrijging verband houdt, zullen worden gesloopt (h). Omdat het hier gaat om gebouwen die gesloopt zullen worden heeft een energielabel geen toegevoegde waarde.

Artikel 6.29 (eisen aan het energielabel)

In het eerste lid is overeenkomstig artikel 11 van de richtlijn bepaald dat een energielabel een op een gebouw betrekking hebbende schriftelijke verklaring is waarin:

  • het resultaat is vermeld van de berekening van de energieprestatie,

  • referentiewaarden zijn vermeld waarmee de energieprestatie kan worden vergeleken en beoordeeld, en

  • die aanbevelingen voor een kostenoptimale of kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie bevat, tenzij er voor een dergelijke verbetering geen redelijk potentieel is ten opzichte van de geldende energieprestatie-eisen.

In het tweede lid is bepaald dat deze aanbevelingen technisch haalbaar moeten zijn voor het gebouw of gedeelte daarvan, waarvoor het energielabel is afgegeven en een raming kunnen bieden van de terugverdientijden of kostenvoordelen gedurende de economische levensduur. Deze aanbevelingen gaan in ieder geval in op de mogelijke maatregelen voor de ingrijpende renovatie van de bouwschil of technische bouwsystemen en op de mogelijke maatregelen voor individuele onderdelen van een gebouw zonder dat er sprake is van een ingrijpende renovatie. Ook moet in het label worden verwezen naar een vindplaats voor extra informatie.

In het derde lid is bepaald dat het energielabel is voorzien van een energieprestatie-indicator die met een letter of lettercombinatie aangeeft wat de energieprestatie is. Overeenkomstig het vierde lid wordt bij de berekening van de energieprestatie rekening gehouden met de daarover bij ministeriële regeling gestelde eisen.

In het vijfde lid is overeenkomstig artikel 11, achtste lid, van de richtlijn openomen dat een energielabel niet langer dan tien jaar geldig is.

Artikel 6.30 (kenbaarheid energielabel)

In artikel 12, vierde lid, van de richtlijn is voorgeschreven dat de energieprestatie-indicator (label A, B enzovoort) van een gebouw wordt vermeld in advertenties in commerciële media als er voor dat gebouw een energielabel is afgegeven. Deze eis draagt bij aan het verschaffen van informatie over de energieprestatie van het gebouw aan degenen die het eventueel willen kopen of huren.

Deze eis, die geldt voor een gebouw of een gedeelte daarvan, is opgenomen in het eerste lid.

De richtlijn legt de nadruk op de voorbeeldfunctie van overheidsgebouwen en andere gebouwen die veelvuldig door het publiek worden bezocht. Onderdeel daarvan is het tonen dat er met het milieu en energiegebruik rekening wordt gehouden.

In het tweede lid van dit artikel is daartoe de afficheringsplicht van het energielabel opgenomen. Overeenkomstig artikel 13, eerste en tweede lid, van de richtlijn is een specifieke regel opgenomen ter zake van het energielabel voor grotere overheidsgebouwen met een publieksfunctie, en voor andere grotere gebouwen die veelvuldig door het publiek worden bezocht, zoals winkels, hotels, banken en schouwburgen. In het geval van een gebouw of een gedeelte daarvan, dat in gebruik is bij een overheidsinstelling met een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 dat veelvuldig door het publiek wordt bezocht, moet de eigenaar permanent (dus niet alleen bij verkoop of verhuur) over een energielabel te beschikken, en moet dat bovendien op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats in dat gebouw zijn aangebracht (a).

Voor gebouwen die niet in gebruik zijn bij de overheid, maar wel een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 hebben en veelvuldig door het publiek worden bezocht, geldt de afficheringsplicht alleen indien er als gevolg van een mutatie, dat wil zeggen verkoop of verhuur, een energielabel aanwezig dient te zijn (b).

De zinsnede veelvuldig door het publiek bezocht impliceert dat het gebouw voor het publiek toegankelijk moet zijn. Die gebouwen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, vallen daarmee niet onder de bepaling. Onder een overheidsinstantie worden zowel onderdelen van de centrale overheid als van medeoverheden begrepen. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld ministeries, provincies, gemeenten, rechtbanken en waterschappen. Van het in gebruik zijn bij een overheidsinstelling is sprake in tal van situaties, zoals een stadsdeelkantoor of een gemeentelijke sportaccommodatie. Een soortgelijk in gebruik zijn door anderen dan overheidsinstellingen valt buiten de reikwijdte van deze eis. Een particuliere sportaccommodatie, waaronder ook begrepen een door een overheidsdienst aan een particulier verpachte sportaccommodatie, behoeft dus geen energielabel aan te brengen. Dat is pas anders als 250 m2 of meer van die accommodatie veelvuldig door het publiek wordt bezocht en er een mutatie heeft plaatsgevonden. In dat geval valt deze onder onderdeel b van het tweede lid van dit artikel.

Het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing op gebouwen die weliswaar door een overheidsinstelling worden gebruikt, maar die niet of niet vaak door het publiek worden bezocht. In het algemeen behoeft geen label aangebracht te worden in gebouwen waarin uitsluitend zogenoemde backoffice-taken worden verricht. Voor de toepassing van dit onderdeel is bepalend of een groot aantal mensen het gebouw bezoekt. Er wordt hierbij van uitgegaan dat het gaat om een meer dan incidenteel bezoek. Ook bijvoorbeeld een ministerie waar in de hal informatiemateriaal verkrijgbaar is, moet worden beschouwd als een gebouw dat veelvuldig door het publiek wordt bezocht. Het vereiste van een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats betekent dat het label zo moet worden opgehangen of neergezet, dat het in een algemene ruimte van het gebouw zonder moeite goed zichtbaar is. Dit kan bijvoorbeeld door het ophangen bij of naast de receptie of de uitgang. Het ophangen van het label in een spreekkamer is niet voldoende.

Artikel 6.31 (uitvoering van aanbevelingen bij het energielabel)

Met dit artikel is invulling gegeven aan artikel 11, vijfde lid, van de richtlijn energieprestatie van gebouwen, dat verplicht tot een voortrekkersrol van overheidsinstanties op het gebied van de energieprestatie van gebouwen. Op grond van dit artikel moet in die gevallen dat een overheidsinstantie als eigenaar van een gebouw of een gedeelte daarvan, een energielabel heeft, de overheidsinstantie de in het label opgenomen aanbevelingen opvolgen. Dit betekent dat de overheid in een dergelijk geval binnen de geldigheidsperiode van het label (10 jaar) de aanbevolen maatregelen moet treffen. Het gaat daarbij om aanbevelingen die in het specifieke geval technisch haalbaar zijn en die leiden tot een kostenoptimale of kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie. Op grond van artikel 4.7 van de wet kunnen in plaats van de in de aanbevelingen bedoelde voorzieningen andere voorzieningen te treffen worden getroffen. Deze andere voorzieningen moeten dan gelijkwaardig zijn, ze moeten (tenminste) een zelfde mate van verbetering van de energieprestatie opleveren. Deze mogelijkheid is met name van belang omdat het hiermee mogelijk is om ook nieuwe, tijdens de geldigheidsduur van het energielabel ontwikkelde, voorzieningen toe te passen.

Artikel 6.32 (nadere regels)

Bij de toepassing van de artikelen 6.27 tot en met 6.31 wordt rekening gehouden met de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Afdeling 6.5 Bouwwerkinstallaties

Deze afdeling geeft voor als brandveiligheidsinstallatie aan te merken bouwwerkinstallaties een nader invulling aan de in artikel 2.6 bedoelde specifieke zorgplicht bouwwerkinstallatie.

§ 6.5.1 Brandveiligheidsinstallaties

In deze paragraaf wordt in de verschillende artikelen gesproken van krachtens de wet voorgeschreven installaties. Met krachtens de wet voorgeschreven worden zowel installaties bedoeld die aanwezig zijn op grond van dit besluit of een ander onder de wet vallend besluit als installaties die zijn aangebracht in het kader van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 4.7 van de wet.

Artikel 6.33 (brandmeldinstallatie)

In het eerste lid is bepaald dat een in artikel 3.115 voorgeschreven brandmeldinstallatie als dat in bijlage II is aangegeven, voorzien moet zijn van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

Het tweede lid bepaalt dat elke krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie, dus zowel een in het eerste lid voorgeschreven, als een andere brandmeldinstallatie op adequate wijze moet worden beheerd, gecontroleerd en onderhouden.

De goede werking van een brandmeldinstallatie moet tenslotte voortdurend zijn verzekerd.

In het algemeen zal sprake zijn van een adequate wijze van beheer, controle en onderhoud als dit wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de leverancier van de brandmeldinstallatie. Voor een beschrijving van beheer de controle en onderhoud, kan verder NEN 2654-1 worden geraadpleegd.

Het derde lid regelt dat een inspectiecertificaat voor een brandmeldinstallatie een geldigheidsduur heeft van drie jaar. Bij verplichte doormelding naar de brandweer geldt de kortere geldigheidsduur van één jaar in plaats van drie jaar. De geldigheidsduur wordt gerekend vanaf de datum van afgifte van het certificaat.

Artikel 6.34 (ontruimingsalarminstallatie)

In het eerste lid is bepaald dat een in artikel 3.119 voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie als dat in bijlage II is aangegeven, voorzien moet zijn van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV- inspectieschema Brandbeveiliging. Het tweede lid bepaalt dat een andere krachtens de wet voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie dan in het eerste lid bedoeld elke drie jaar een adequate onderhoudsbeurt moet krijgen. In het algemeen zal sprake zijn van een adequate wijze van beheer, controle en onderhoud als dit wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de leverancier van de ontruimingsalarminstallatie. Voor een beschrijving van beheer, controle en onderhoud, kan verder NEN 2654-2 worden geraadpleegd.

Het derde lid regelt dat de geldigheidsduur van een inspectiecertificaat voor een ontruimingsalarminstallatie niet langer, maar ook niet korter is dan drie jaar. De geldigheidsduur wordt gerekend vanaf de afgiftedatum van het certificaat.

Artikel 6.35 (droge blusleiding)

De controle en het onderhoud van droge blusleidingen en de daarbij behorende pompinstallatie volgt uit artikel 6.4 (specifieke zorgplicht). De blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie moeten regelmatig op een adequate wijze worden gecontroleerd en onderhouden. Dit betekent dat zo nodig ook reparaties moeten worden uitgevoerd, maar beter nog dat defecten worden voorkomen. In aanvulling op deze zorgplicht bepaalt dit artikel dat krachtens de wet voorgeschreven droge blusleidingen en pompinstallaties eenmaal in de vijf jaar gerekend vanaf de oplevering moeten worden getest in overeenstemming met NEN 1594. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in artikel 4.221 is geregeld dat de installatie bij in gebruikname van het bouwwerk aan NEN 1594 moet voldoen.

Er wordt op gewezen dat er niet altijd een pompinstallatie behoeft te zijn. Deze installatie is alleen, zoals ook volgt uit Bijlage C van NEN 1794, nodig bij gebouwen hoger dan 70 m. Dit heeft te maken met de capaciteit en de hoogste druk die de brandweer met een mobiele motorbrandspuit kan leveren.

Artikel 6.36 (blustoestellen en brandslanghaspels)

Het eerste lid regelt dat een krachtens de wet voorgeschreven draagbaar of verrijdbaar blustoestel ten minste een keer in de twee jaar op juiste wijze moet worden onderhouden en dan ook gecontroleerd moet worden of hij nog goed functioneerd. Dit besluit schrijft alleen nog blustoestellen voor bij wegtunnels en kamerverhuur. Zie de artikelen 4.222 en 4.223. Eventueel kunnen blustoestellen ook volgen uit een gelijkwaardige maatregel, vandaar ook de zinsnede ‘krachtens de wet’. Voor blustoestellen die uitsluitend in het kader van Arbo regelgeving zijn aangebracht geldt dit artikel niet.

In het tweede lid van dit artikel is de frequentie geregeld voor het onderhoud en controle van brandslanghaspels. Hiervoor geldt evenals bij draagbare of verrijdbare blustoestellen eenmaal controle per twee jaar.

Er wordt op gewezen dat NEN 2559 niet meer is aangestuurd voor blustoestellen, maar dat hier ook wordt gesproken van een adequate wijze van onderhoud en controle net zoals voor brandslanghaspels al gebruikelijk was in het Bouwbesluit 2012. Ondanks het feit dat het normblad niet meer is aangestuurd kan worden aangenomen dat met NEN 2559 naar behoren aan de onderhouds- en controleverplichting gevolg kan worden gegeven.

Artikel 6.37 (automatische brandblusinstallatie en rookbeheersingssysteem)

Een automatische brandblusinstallatie (bijvoorbeeld een sprinklerinstallatie) heeft tot doel een beginnende brand te blussen of een brand onder controle te houden, zodat de omvang van de brand beperkt wordt. Een rook- en warmteafvoerinstallatie (rookbeheersingssysteem) heeft tot doel om rook en warmte bij een brand uit het bouwwerk af te voeren. Een dergelijke installatie maakt het mogelijk gedurende een langere periode veilig te kunnen vluchten. Ook kan de installatie zijn bedoeld om te voorkomen dat reddings- en bluswerkzaamheden worden belemmerd door rook die in een ruimte blijft hangen. In dit artikel, dat gericht is op het waarborgen van een goede werking van genoemde installaties, wordt gesproken van krachtens de wet voorgeschreven. Hiermee wordt in dit geval vooral bedoeld dat dit soort installaties hoewel ze niet in regelgeving zijn voorgeschreven, wel een rol kunnen spelen bij een gelijkwaardige maatregel. Genoemde installaties kunnen onderdeel zijn van een gelijkwaardige maatregel voor bouwkundige brandwerende voorzieningen of om een langere loopafstand dan bedoeld in paragraven 3.2.10 en 4.7.6 toe te staan. Ook is het mogelijk een automatische brandblusinstallatie en/of een rookbeheersingssysteem te installeren als onderdeel van de invulling van de vereiste gelijkwaardige brandveiligheid van grote brandcompartimenten en de functionele brandveiligheidseisen van paragraaf 4.2.13 (hoge en ondergrondse gebouwen).

Op grond van het eerste lid moet een dergelijke automatische brandblusinstallatie voorzien zijn van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging (vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussytemen). Door die inspectie is geborgd dat automatische brandblusinstallaties ook in de gebruiksfase blijven voldoen aan de uitgangspunten zoals die zijn geformuleerd ten tijde van de installatie daarvan.

Wanneer met een beroep op gelijkwaardigheid een rookbeheersingssysteem wordt toegepast, dan volgt uit het tweede lid dat dit systeem moet zijn voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectiesschema Brandbeveiliging. Met het begrip geldig wordt bedoeld dat het document niet verlopen mag zijn.

Het derde lid regelt dat de geldigheidsduur van een inspectiecertificaat voor een automatische brandblusinstallatie niet langer, maar ook niet korter is dan een jaar. Dit geldt ook voor een certificaat voor een rook- en warmteafvoerinstallatie. De geldigheidsduur wordt gerekend vanaf de afgiftedatum van het certificaat.

§ 6.5.2 Airconditioningssystemen
Artikel 6.38 (keuring van airconditioningsystemen)

Met dit artikel zijn de artikelen 15 en 16 van de richtlijn energieprestatie van gebouwen geimplementeerd. Het doel van deze eisen voor airconditioningsystemen is de vermindering van het energiegebruik in gebouwen en de beperking van kooldioxide-emissies.

Airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW moeten in ieder geval eens in de vijf jaar gekeurd worden (eerste lid). Deze verplichting was eerder opgenomen in het Besluit energieprestatie gebouwen. De keuring omvat een beoordeling van de prestaties van de koudeopwekker, van de capaciteit, de distributie en afgifte van het airconditioningsysteem. Daarbij wordt gekeken of er mogelijkheden zijn voor verbetering van de energieprestatie van het airconditioningsysteem.

In het tweede lid is opgenomen dat de keuring een beoordeling bevat van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan gelet op de koelingbehoeften van het gebouw. Dit is conform artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de richtlijn. In artikel 15 van de richtlijn is tevens opgenomen dat de beoordeling van de dimensionering niet herhaald hoeft te worden zolang er tussentijds niets wordt veranderd aan het verwarmingssysteem of de koelingbehoeften van het gebouw. Deze mogelijkheid is overgenomen in het derde lid.

Artikel 16, eerste lid, van de richtlijn vereist dat na elke keuring een keuringsverslag wordt uitgebracht, dat het resultaat bevat van de verrichte keuring alsmede aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem. In het tweede lid van artikel 16 is bepaald dat dit keuringsverslag moet worden overhandigd aan de eigenaar of huurder van het gebouw. Beide regels zijn opgenomen in het vierde lid.

Op basis van de resultaten van de keuring en van de aanbevelingen in het keuringsverslag kan de eigenaar of huurder van het gebouw waarin het airconditioningsysteem is geplaatst, bepalen of vervolgacties gewenst zijn. De uitvoering van de vervolgacties behoort overigens niet tot de keuringswerkzaamheden. Door de verbetering en eventuele vervanging van de gekeurde airconditioningsystemen wordt effectief een bijdrage geleverd aan het verminderen van energiegebruik en het beperken van kooldioxide-emissies, er van uitgaande dat de mate van gebruik van het systeem hetzelfde blijft.

Het vijfde lid vereist dat de keuring op onafhankelijke wijze wordt uitgevoerd door gekwalificeerde of erkende deskundigen. Hierbij moet aan de eisen worden voldaan die zijn opgenomen in de ministeriële regeling bij dit besluit.

§ 6.5.3 Stookinstallaties

In deze paragraaf zijn regels gesteld aan de keuring voor stookinstallaties. Hiermee is invulling gegeven aan artikel 14, keuring van verwarmingsystemen, van de richtlijn energieprestatie van gebouwen. Deze regels waren voor de inwerkingtreding van dit besluit opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De regels in deze paragraaf hebben alleen betrekking op stookinstallaties voor het verwarmen van gebouwen en niet op stookinstallaties voor bedrijfsprocessen. Eisen aan bedrijfsprocessen zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 6.39 (keuring van stookinstallaties)

Het eerste lid regelt de periodieke keuring van een niet-gasgestookte stookinstallatie. Deze is afhankelijk van het nominaal vermogen. Bij een nominaal vermogen van 20 kW tot ten hoogste 100 kW, moet ten minste eenmaal per vier jaar worden gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid. Bij een vermogen van meer dan 100 kW, moet dit ten minste eenmaal per twee jaar gebeuren. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook een aan een stooktoestel verbonden brandstofleiding en reservoir een onderdeel zijn van de in dit besluit bedoelde stookinstallatie.

Het tweede lid regelt de periodieke keuring van een gasgestookte stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW. Deze moet ten minste eenmaal per vier jaar worden gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook een gasaansluiting tussen een in artikel 3.107 bedoelde voorziening voor gas en het stooktoestel een onderdeel is van de in dit besluit bedoelde stookinstallatie.

Het derde lid bepaalt dat een keuring als bedoeld in het eerste en tweede lid voor de eerste keer moet worden uitgevoerd binnen zes weken na ingebruikname.

Het vierde lid bepaalt dat het eerste en tweede lid alleen gelden voor een stookinstallatie die onderdeel is van een technisch bouwsysteem. Zie ook de artikelsgewijze toelichting op het begrip bouwsysteem.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het vierde lid niet uitsluit dat een voor een gebouw bestemde stookinstallatie ook wordt benut voor zogenoemde procesverwarming of -water. In een dergelijk geval zijn de regels van het eerste en tweede lid op die stookinstallatie van toepassing.

Het vijfde lid bepaalt dat het eerste tot en met vierde lid niet van toepassing zijn op een niet-gemeenschappelijk stooktoestel van ten hoogste 100kW van een woonfunctie. Dit betekent dat de eisen van artikel 6.39 niet van toepassing zijn op de reguliere verwarmingsketel in een woning.

Artikel 6.40 (afstellen en onderhoud)

Het eerste lid regelt dat een keuring als bedoeld in artikel 6.39 ook de afstelling voor de verbranding, het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht en de afvoer van verbrandingsgassen omvat. Het gaat dus niet alleen om een keuring maar ook om het opnieuw afstellen van het toestel zodat dit toestel weer veilig functioneert en optimaal verbrandt.

Het tweede lid regelt dat als uit de keuring blijkt dat de installatie onderhoud nodig heeft, dat onderhoud binnen twee weken na de keuring moet plaatsvinden.

Artikel 6.41 (certificatie keuringsinstelling)

Dit artikel regelt dat een keuring als bedoeld in artikel 6.39 wordt verricht door een bedrijf dat beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instantie die door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd om uitvoering te kunnen geven aan de van de ‘Certificatieregeling voor inspectie en onderhoud stookinstallaties’ onderdeel uitmakende Beoordelingrichtlijn voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties van de Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties.

Artikel 6.42 (inzage in bescheiden)

Het eerste lid bepaalt dat het verslag van de in artikel 6.39 bedoelde keuring, ondertekend door degene die de keuring heeft verricht, bij het bouwwerk ter inzage ligt van het bevoegd gezag. Dit is altijd het laatste verslag.

Als op grond van de keuring onderhoud als bedoeld in artikel 6.40 is uitgevoerd moet er op grond van het tweede lid een bewijs van uitvoering van dat onderhoud, gedateerd en ondertekend door degene die het onderhoud heeft uitgevoerd, bij het bouwwerk liggen ter inzage van het bevoegd gezag.

Hoofdstuk 7 Bouw- en sloopwerkzaamheden
Afdeling 7.1 Bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken

Deze afdeling bevat regels over het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken. Deze afdeling omvat vijf paragrafen. Paragraaf 7.1.1 bevat regels over het toepassingsbereik van die regels (activiteiten, geregelde belangen en normadressaat), over de specifieke zorgplicht, over de mogelijkheid om in concrete gevallen maatwerkvoorschriften over het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken te stellen en over de uitsluiting van gelijkwaardigheid bij asbestverwijdering. In de paragrafen 7.1.2 en 7.1.3 zijn enkele procedurele (administratieve) regels over het verrichten van bouw- respectievelijk sloopwerkzaamheden aan bouwwerken opgenomen. In de paragrafen 7.1.4 en 7.1.5 zijn technisch-inhoudelijke regels over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken opgenomen. In paragraaf 7.1.4 zijn zulke regels gegeven met het oog op de veiligheid en gezondheid in de directe omgeving tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Paragraaf 7.1.5 is op het scheiden van vrijkomend bouw- en sloopafval van toepassing. Soortgelijke regels als in deze paragrafen opgenomen waren voorheen opgenomen in de paragrafen 1.6 en 1.7 en hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit 2012.

Hoewel de instrumentele uitwerking in deze paragrafen qua terminologie in enkele opzichten van die in het Bouwbesluit 2012 verschilt (specifieke zorgplicht, uitgewerkte algemene rijksregels en maatwerkvoorschriften in plaats van functionele eisen, prestatie-eisen en nadere voorwaarden), komen de in dit hoofdstuk gestelde technisch-inhoudelijke en procedurele eisen materieel sterk overeen. Twee belangrijke inhoudelijke verschillen zijn:

  • in afwijking van het Bouwbesluit 2012, waarin zulke regels waren opgenomen in artikel 1.24, bevat dit besluit geen regels over het uitzetten van bebouwingsgrenzen, rooilijnen en het straatpeil op bouwterreinen door of namens het bevoegd gezag,

  • eveneens in afwijking van het Bouwbesluit 2012, waarin dat in artikel 8.2, onder c, was bepaald, bevat artikel 7.15 van dit besluit alleen een plicht tot het treffen van maatregelen bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden ter voorkoming van letsel van personen en van gevaar voor de veiligheid van belendingen en niet meer ter voorkoming van beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen.

Reden voor deze inhoudelijke verschillen is dat die aspecten in het Besluit bouwwerken leefomgeving niet zijn geregeld omdat zij buiten het toepassingsbereik van de regels van dit besluit over het verrichten van bouwwerkzaamheden vallen nu zij geen betrekking hebben op het waarborgen van de veiligheid of het beschermen van de gezondheid in de directe omgeving van bouw- en sloopwerkzaamheden. Het rijk bemoeit zich niet langer met die aspecten. Onder de Omgevingswet is het derhalve geheel aan de gemeente om te bepalen of zij daarover regels wil stellen; zo ja, moeten die in het omgevingsplan worden opgenomen.

Onder slopen wordt behalve het geheel of gedeeltelijk afbreken ook het uit elkaar nemen van een bouwwerk verstaan. De woorden ‘uit elkaar nemen’ zijn op wetsniveau toegevoegd aan de definitie van de term slopen. Er is hiermee geen inhoudelijke verandering beoogd, maar de term slopen wordt hiermee verder verduidelijkt. Gebouwen en onderdelen daarvan worden immers niet altijd afgebroken in de zin dat er alleen afvalmateriaal resteert, het is ook mogelijk dat een bouwwerk of onderdelen daarvan gedemonteerd of uit elkaar genomen worden en mogelijk worden hergebruikt. Met het oog op de ontwikkelingen rond circulair bouwen is het ook van belang om duidelijk te maken dat het uit elkaar nemen van een bouwwerk ook gezien wordt als slopen en hier dus ook de bij slopen geldende voorschriften over onder meer de omgevingsveiligheid op van toepassing zijn. Daarnaast wordt via artikel 7.9 van dit besluit een relatie gelegd met artikel 4.54a, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In dit besluit wordt gesproken over het ‘het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken’. Door de aanpassing van de begripsomschrijving van de term slopen wordt verduidelijkt dat ook het uit elkaar nemen van bouwwerken waar zich asbest in bevindt wordt gezien als slopen en dat er geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van de reikwijdte van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt beoogd.

In verband met hun inhoudelijke samenhang met de overige regels van deze afdeling over het uitvoeren van sloopwerkzaamheden zijn in deze afdeling ook regels opgenomen over asbestverwijdering uit bouwwerken. Die regels waren voorheen opgenomen in het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Zij zijn van toepassing naast de regels die over asbest zijn opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit (Stb. 1997, 60). Waar nodig zijn de regels van dit besluit op die regels van het Arbeidsomstandighedenbesluit afgestemd.

Asbest is een verzamelbegrip voor een aantal vezelachtige silicaten. Asbest is van oudsher voor veel doeleinden toegepast in verband met eigenschappen zoals thermische stabiliteit, grote chemische resistentie, isolerend karakter en grote treksterkte. Zo is asbest toegepast voor versteviging in producten als asbestcement, vloerbedekking, kitten, betonlijmen, verven en dakbedekkingsbitumen. Het is daarnaast veel gebruikt voor brandisolatie en ter bescherming tegen hitte, met name in de vorm van asbestspuitlagen. Tevens is asbest veelvuldig toegepast in installaties, zoals liftinstallaties. Voorts wordt met grote regelmaat asbest als verontreiniging aangetroffen in puin en puingranulaat, bodem en grond. De toepassing van asbest en het verwijderen van toegepast asbest brengen grote risico’s met zich, in het bijzonder voor mens en milieu. Deze risico’s worden sinds 1970 steeds meer onderkend, vooral als gevolg van een betere kennis door onderzoek naar de effecten van asbest. Inademing van asbestvezels kan asbestose, longkanker en mesothelioom (buik- of longvlieskanker) veroorzaken. Naar schatting overlijden in Nederland jaarlijks ongeveer achthonderd mensen als gevolg van de, meestal beroepsmatige, blootstelling aan asbest in het verleden.

Het bewerken, verwerken en op voorraad houden van asbest is sinds 1 juli 1993 op grond van de toenmalige arbeidsomstandighedenregelgeving verboden. De meest voorkomende beroepsmatige activiteit met asbest is sindsdien de verwijdering van asbest. Met name bij het afbreken en uit elkaar nemen van bouwwerken en objecten waarin zich asbest bevindt, kunnen onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid optreden en kan het milieu met asbest verontreinigd worden. De verspreiding van asbestvezels die optreedt bij het afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk of object waarin asbest is verwerkt, is niet beperkt tot de duur van de sloopwerkzaamheden. De in de lucht vrijgekomen asbestvezels kunnen zich als gevolg van bijvoorbeeld opwaaien steeds opnieuw verspreiden (reëmissie). Aangezien tachtig procent van alle asbest in Nederland is toegepast in de bouw en bouwwerken en objecten waarin asbest of asbesthoudende producten aanwezig zijn, in de toekomst steeds meer voor sloop in aanmerking komen, is goede regelgeving over de verwijdering van asbest en asbesthoudende producten noodzakelijk.

Deze afdeling bevat algemene rijksregels over asbestverwijdering uit bouwwerken. De regels over asbestverwijdering uit objecten en na een incident, zoals brand of storm, blijven vooralsnog opgenomen in het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Met de regels in deze afdeling is beoogd emissie van asbestvezels te voorkomen bij het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk en bij het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk. Zij hebben hun grondslag in artikel 4.3 en de nadere uitwerking in artikel 4.21 van de wet, die samen de basis vormen voor het stellen van algemene rijksregels over sloopactiviteiten. In verband met de inhoudelijke samenhang van de regels over asbestverwijdering uit bouwwerken met de regels over het uitvoeren van sloopwerkzaamheden aan bouwwerken is er voor gekozen om deze regels in dit besluit te stellen en niet in het Besluit activiteiten leefomgeving, waarin de algemene rijksregels over milieubelastende activiteiten zijn gesteld. Die regels in deze afdeling (inclusief de specifieke zorgplicht van artikel 7.4) hebben uitsluitend betrekking op het verwijderen van asbest uit bouwwerken. Die regels zijn van toepassing als asbest wordt verwijderd. Zij schrijven niet voor dat asbest moet worden verwijderd. Zij zijn uitputtend bedoeld en bieden de gemeente niet de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels over het verwijderen van asbest uit bouwwerken te stellen. Dit besluit bevat over het gebruik van bouwwerken geen regels die overeenkomen met artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Dat artikel werd in de uitvoeringspraktijk soms mede als aanschrijvingsgrondslag in asbestzaken toegepast, bijvoorbeeld bij asbestverwijdering na een asbestincident zoals een brand. Onder de Omgevingswet kan de gemeente in het omgevingsplan met dat artikel vergelijkbare regels stellen.

Met het oog op het onderwerp omgevingsveiligheid en het omgevingsveiligheidsplan wordt hier in het algemeen het volgende opgemerkt. Ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 is er niet langer één inhoudelijk artikel over het veiligheidsplan opgenomen. Uit artikelen 7.8, 7.11, 7.13 en de indieningsvereisten bij de vergunning (op regelingsniveau) volgt echter wel dat in veel gevallen een veiligheidsplan dient te worden opgesteld.

In het algemeen geldt bij het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden altijd dat op grond van artikel 7.15 maatregelen moeten worden getroffen ter voorkoming van letsel aan personen in de directe omgeving en personen die zich onbevoegd op het terrein begeven. Daarnaast moeten maatregelen getroffen worden ter voorkoming van gevaar voor de veiligheid van belendingen. Daarnaast geldt ook de specifieke zorgplicht uit artikel 7.4, op grond hiervan moet degene die de bouw- en sloop werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren ook alle maatregelen treffen die redelijkerwijs gevraagd kunnen worden om gevaar te voorkomen. Indien hier naar oordeel van het bevoegd gezag niet voldoende invulling aan wordt gegeven, kan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.5, eerste en tweede lid, nadere invulling geven aan de zorgplicht of artikel 7.15, bijvoorbeeld door concrete maatregelen op te leggen.

Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden dient dus altijd te worden nagegaan of maatregelen getroffen moeten worden in het kader van de omgevingsveiligheid. In de volgende gevallen moet er daarnaast ook een plan worden opgesteld:

indien er bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd moeten op grond van artikel 7.8, onder b, gegevens en bescheiden hierover aanwezig zijn. In de toelichting op dit artikel is aangegeven welke onderdelen zo’n plan zou kunnen bevatten. Deze lijst was voorheen te vinden in artikel 8.7 van het Bouwbesluit 2012.

Bij vergunning- of meldingvrije werkzaamheden is het aan de normadressaat om te beslissen welke gegevens en bescheiden in dat concrete geval noodzakelijk en beschikbaar zijn. Via een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 7.5 kan het bevoegd gezag hier zo nodig nadere invulling aan geven.

Indien het vergunningplichtige bouwwerkzaamheden betreft moeten deze gegevens en bescheiden al bij de vergunningaanvraag zijn ingediend (deze indieningsvereiste is opgenomen in de regeling, waar alle indieningsvereisten voor de vergunning zijn terug te vinden). In het kader van de vergunningaanvraag kan het bevoegd gezag aangeven of het bouwveiligheidsplan voldoende is en alle noodzakelijke maatregelen worden getroffen. Indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet voldoende is kan de vergunning worden geweigerd.

Indien er sloopmeldingplichtige werkzaamheden worden uitgevoerd moet op grond van artikel 7.11, onderdeel f een sloopveiligheidplan worden aangeleverd. Het is aan de normadressaat om te beslissen welke gegevens en bescheiden in dat concrete geval noodzakelijk en beschikbaar zijn. In de toelichting van dit artikel wordt verwezen naar de lijst die is opgenomen in de toelichting op artikel 7.8. Na het indienen van de melding kan het bevoegd gezag hier op grond van artikel 7.5 zo nodig nadere invulling aan geven. Op grond van artikel 7.13 moet dit sloopveiligheidsplan vervolgens ook aanwezig zijn op het sloopterrein.

De voorschriften van deze afdeling zien toe op het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken. Om het bij het bouwen of slopen vrijkomende afval te kunnen verwerken kan het nodig zijn om dat afval op locatie te breken met een installatie voor het zogenoemd mobiel breken van bouw- en sloopafval. De regels over het mobiel breken van bouw- en sloopafval zijn opgenomen in afdeling 7.2. Deze regels hebben een andere grondslag op wetsniveau dan de regels in afdeling 7.1. Zie voor verdere toelichting hierop de toelichting bij afdeling 7.2

§ 7.1.1 Algemeen
Artikel 7.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit artikel bepaalt dat de regels van afdeling 7.1 van toepassing zijn op het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken. Onder sloopwerkzaamheden wordt in dit verband ook asbestverwijdering uit bouwwerken begrepen. Dit betekent dat de regels die in deze afdeling zijn gesteld over het verrichten van sloopwerkzaamheden ook van toepassing zijn bij asbestverwijdering uit bouwwerken. Daarnaast zijn in deze afdeling ten aanzien van asbestverwijdering enkele specifieke regels opgenomen.

Artikel 7.2 (toepassingsbereik: oogmerken)

Dit artikel bepaalt dat de regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op a) het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid in de directe omgeving van bouw- en sloopwerkzaamheden en b) duurzaamheid bij het scheiden van bouw- en sloopafval op een bouw- of sloopterrein. Die regels zijn uitputtend bedoeld. Gemeenten mogen in het omgevingsplan geen maatwerkregels over deze onderwerpen stellen. Het bevoegd gezag mag in concrete gevallen over die onderwerpen alleen maatwerkvoorschriften stellen voor zover artikel 7.5 in samenhang met de nadere afbakeningen verderop in de afdeling dat expliciet mogelijk maken. Daarnaast staat het gemeenten op grond van artikel 2.3 van de wet vrij om over het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden in het omgevingsplan regels te stellen met het oog op andere (deel)aspecten dan onder a en b genoemd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan regels over het door of namens het bevoegd gezag uitzetten van bebouwingsgrenzen, rooilijnen en het straatpeil op bouwterreinen en aan regels die verplichten tot het treffen van maatregelen bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden ter voorkoming van beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen.

Artikel 7.3 (toepassingsbereik: normadressaat)

Op grond van dit artikel moet aan de regels van deze afdeling worden voldaan door degene die bouw- of sloopwerkzaamheden verricht of laat verrichten.

Deze verplichting houdt ook in, dat de normadressaat er voor zorgt, dat eventuele werknemers of andere bedrijven die binnen de activiteit in opdracht deelactiviteiten uitvoeren de regels naleven. Dat geldt ook voor eventuele regels die als maatwerkvoorschrift over de activiteit zijn gesteld, en voor het bij de activiteit eventueel gebruiken van een gelijkwaardige maatregel.

Artikel 7.4 (specifieke zorgplicht)

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht ten aanzien van het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken. Die zorgplicht houdt in dat een ieder die zulke werkzaamheden verricht of laat verrichten en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die werkzaamheden tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving kunnen leiden, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, artikel 8.2 van het Bouwbesluit 2012 en artikel 8, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005, zoals die tot de inwerkingtreding van het voorliggende besluit luidden, bevatten soortgelijke zorgplichten.

Als de zorgplicht overtreden wordt en een onveilige of ongezonde situatie ontstaat kan het bevoegd gezag hier handhavend tegen optreden. In bijvoorbeeld de last onder bestuursdwang wordt dan aangegeven welke maatregelen moeten worden genomen om de overtreding te beëindigen en de daarbij horende termijn. Daarbij maakt het niet uit of de situatie ontstaan is door actief handelen of nalaten, of dat de situatie al bestond, het laten bestaan van een eerder ontstane gevaarlijke situatie (ongeacht wie deze situatie in eerste instantie heeft laten doen ontstaan) is namelijk ook een overtreding van de zorgplicht (voortduren). In tegenstelling tot de algemene zorgplicht op wetsniveau, kan deze zorgplicht zowel bestuurs- als strafrechtelijk gehandhaafd worden. Strafrechtelijke handhaving is uiteraard enkel mogelijk als de gedraging ook strafbaar is gesteld.

Daarnaast bestaat op grond van artikel 7.5 de mogelijkheid om de zorgplicht door middel van een maatwerkvoorschrift nader in te vullen. Hier kan voor gekozen worden als de zorgplicht onvoldoende concreet is in een bepaald geval en voor de betrokkenen nog niet duidelijk is wat zij moeten doen om wel te voldoen aan de zorgplicht. Een dergelijk maatwerkvoorschrift moet worden opgevolgd door degene aan wie deze wordt opgelegd. Als dit niet gebeurt kan het bevoegd gezag hier tegen optreden vanwege overtreding van het maatwerkvoorschrift en daarmee ook de zorgplicht.

Artikel 7.5 (maatwerkvoorschriften)

Dit artikel maakt het voor het bevoegd gezag mogelijk om in concrete gevallen maatwerkvoorschriften te stellen over het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk.

Op grond van het eerste lid kan zo’n maatwerkvoorschrift worden gesteld over de regels in artikel 7.4 en de paragrafen 7.1.2 tot en met 7.1.5, behalve over meldingplichten en meet- of rekenmethoden.

De artikelen 7.20 en 7.22 zijn uitgezonderd van deze maatwerkmogelijkheid. Deze artikelen gaan over asbestverwijdering en de eindbeoordeling die na asbestverwijdering moet worden opgesteld.

Op grond van het tweede lid is afwijking van de betreffende regel mogelijk tenzij het maatwerkvoorschrift de specifieke zorgplicht van artikel 7.4 betreft, daaraan kan met een maatwerkvoorschrift alleen een nadere invulling (concretisering) worden gegeven maar niet van worden afgeweken. Het afwijken van artikelen 7.17 en 7.18 kan alleen versoepelen zoals bedoeld in artikel 7.23 inhouden. De artikelen 7.14 en 7.23 bevatten enkele specifieke afbakeningen van de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften betreffende de procedure voor sloopwerkzaamheden (artikel 7.14), geluid- en trillinghinder van bouw- en sloopwerkzaamheden (artikel 7.23, eerste lid) en het opleggen van een verplichting door het bevoegd gezag tot het treffen van maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van bouw- of sloopwerkzaamheden (artikel 7.23, derde lid).Zie daartoe verder de toelichting bij genoemde artikelen.

Op grond van het derde lid kan een maatwerkvoorschrift over artikel 7.21 alleen nadere invulling geven aan de in dat artikel gestelde eisen. Hiermee wordt in afwijking van het tweede lid voor een specifiek artikel een nadere bepaling gegeven. Maatwerk over artikel 7.21 kan dus geen afwijking van de eisen in dat artikel inhouden, maar wel invulling aan die eisen geven.

Op grond van het vierde lid kan een maatwerkvoorschrift dat op aanvraag van degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht of laat verrichten ook met het oog op andere belangen worden gesteld voor zover de belangen die in artikel 7.2 zijn genoemd zich daar niet tegen verzetten.

De mogelijkheid om in een concreet geval maatwerkvoorschriften over het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk te stellen is vergelijkbaar met de mogelijkheden die tot de inwerkingtreding van dit besluit werden geboden op basis van de zorgplicht die in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet ten aanzien van het bouwen en slopen was opgenomen, de eerder in artikel 1.29 van het Bouwbesluit 2012 opgenomen mogelijkheid om na een sloopmelding nadere voorwaarden aan het slopen op te leggen en de in artikel 8.7 van dat besluit opgenomen mogelijkheid om aan te geven welke maatregelen in een concreet geval bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden moeten worden opgenomen in een veiligheidsplan.

Ten overvloede wordt hier opgemerkt dat indien een maatwerkvoorschrift wordt gesteld in samenloop met de vergunningverleningsprocedure, het maatwerkvoorschrift dient te worden bijgevoegd bij de vergunning. Als het maatwerkvoorschrift op een later moment dan tijdens de vergunningprocedure wordt gesteld, bijvoorbeeld als de bouw- of sloopwerkzaamheden al zijn aangevangen, dan kan het maatwerkvoorschrift als een zelfstandig besluit worden gesteld. De al verleende vergunning hoeft niet gewijzigd te worden in verband met dit latere maatwerk.

Artikel 7.6 (geen gelijkwaardige maatregel)

Het derde lid van artikel 4.7 van de wet geeft de mogelijkheid om het gelijkwaardigheidsbeginsel in dit besluit uit te sluiten of de toepassing daarvan te begrenzen. Zie ook onderdeel 2.3.4 van het algemeen deel van deze toelichting. Van deze mogelijkheid om de gelijkwaardigheid uit te sluiten is gebruik gemaakt in dit artikel voor de asbestinventarisatieplicht (artikel 7.9), voor handelingen ten aanzien van asbest of asbesthoudende producten die slechts verricht mogen worden door een gecertificeerd bedrijf als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (artikel 7.20) en voor de eindbeoordeling bij asbestverwijdering (artikel 7.22). Reden voor deze uitsluiting is dat het in verband met gezondheidsrisico’s ongewenst is om toepassing van eventuele gelijkwaardigheden te laten plaatsvinden buiten het kader van de certificatieschema’s die krachtens het Arbeidsomstandighedenbesluit op de bedoelde handelingen van toepassing zijn.

§ 7.1.2 Procedure bouwwerkzaamheden
Algemeen

In deze paragraaf zijn enkele procedurele (administratieve) regels over het verrichten van bouwwerkzaamheden opgenomen. Soortgelijke regels waren tot de inwerkingtreding van dit besluit opgenomen in paragraaf 1.6 van het Bouwbesluit 2012. De regels van deze paragraaf zijn van toepassing naast de regels die als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing zijn op de procedurele aspecten van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit.

De in de artikelen 7.7 en 7.8 opgenomen regels komen overeen met hetgeen voorheen was geregeld in de artikelen 1.23 en 1.25 van het Bouwbesluit 2012. Zoals eerder opgemerkt, is vergeleken met paragraaf 1.6 van het Bouwbesluit 2012 in dit besluit geen regel opgenomen over het op het bouwterrein uitzetten van bebouwingsgrenzen, rooilijnen en het straatpeil.

Artikel 7.7 (informeren: aanvang en beëindiging bouwwerkzaamheden)

De regels van dit artikel hebben betrekking op bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend. Door het bevoegd gezag (op basis van artikel 2.2 in het merendeel van de gevallen het college van B&W) te informeren over het moment van aanvang en het moment van beëindiging (gereedmelding) van de bouwwerkzaamheden is het bevoegd gezag in staat tijdig toezicht uit te oefenen tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden en wanneer het bouwwerk gereed is. Bovendien kan het bevoegd gezag op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de wet de vergunning intrekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Er mag daarom geen onduidelijkheid bestaan over het moment van aanvang van de bouwwerkzaamheden noch over het moment van beëindiging. Aangezien het hier gaat om het informeren van het bevoegd gezag waarbij geen aanvullende gegevens en bescheiden worden aangeleverd, kan het informeren zowel op papier als digitaal plaatsvinden.

Het eerste lid heeft betrekking op de aanvang en het tweede lid op de beëindiging van de bouwwerkzaamheden. In het eerste lid is bovendien aangegeven dat het bevoegd gezag moet worden geïnformeerd over het begin van eventuele ontgravingswerkzaamheden. Op grond van de tweede volzin van het tweede lid mag een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is verleend niet in gebruik worden genomen als het bevoegd gezag niet is geïnformeerd over de beëindiging van de werkzaamheden. Doel van die regel is te voorkomen dat onveilige situaties ontstaan als gevolg van het in gebruik nemen van onvoltooide bouwwerken.

In het derde lid is bepaald dat deze informatieverplichting alleen geldt voor bouwwerkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen nodig was.

De in dit artikel bedoelde informatieplicht is nadrukkelijk niet het zelfde als de gebruiksmeldingplicht van artikel 6.7.

Artikel 7.8 (aanwezigheid gegevens en bescheiden)

Dit artikel schrijft voor welke bescheiden of afschriften daarvan op het bouwterrein aanwezig moeten zijn. Onder de genoemde bescheiden vallen in ieder geval (afschriften van) de omgevingsvergunning (onderdeel a) en gegevens en bescheiden over de maatregelen die door degene die bouwt of laat bouwen zijn getroffen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de bouwwerkzaamheden (onderdeel b), dit is het bouwveiligheidsplan. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd in het kader van een maatwerkvoorschrift in de zin van artikel 3.7 (onderdeel c) of als het gevoegd gezag besloten heeft tot oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom (onderdeel d), moet ook een afschrift van deze stukken aanwezig te zijn.

Bij de onder b bedoelde maatregelen kan, voor zover van toepassing, worden gedacht aan:

een of meer tekeningen waaruit de bouw- of sloopterreininrichting blijkt met:

de toegang tot het bouw- of sloopterrein inclusief begrenzing, afscheiding en afsluiting van het bouw- of sloopterrein,

de ligging van het perceel waarop gebouwd of gesloopt wordt en de omliggende wegen en bouwwerken,

de situering van het te bouwen of te slopen bouwwerk,

de aan- en afvoerwegen,

de laad-, los- en hijszones,

de plaats van bouwketen,

de in of op de bodem van het perceel aanwezige leidingen,

de plaats van machines, werktuigen en ander hulpmaterieel en opslag van materialen, en

de bereikbaarheid van bluswater- en andere veiligheidsvoorzieningen,

gegevens en bescheiden over de toe te passen bouw- of sloopmethodiek en de toe te passen materialen, materieel, hulp- en beveiligingsmiddelen bij de bouw- of sloopwerkzaamheden,

als een bouwput wordt gemaakt:

de hoofdopzet van de verticale bouwputafscheiding en de bouwputbodem,

de uitgangspunten voor een bemalingsplan, en

de uitgangspunten voor een monitoringsplan ter voorkoming van schade aan belendingen,

een rapport van een akoestisch onderzoek, als aannemelijk is dat de dagwaarde vanwege het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden meer bedraagt of de maximale blootstellingsduur in dagen langer duurt dan de waarden, bedoeld in artikel 7.17, tweede en derde lid, of als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan de beleidsregels als bedoeld in artikel 7.17, derde lid,

een rapport van een trillingenonderzoek, als aannemelijk is dat het uitvoeren van de bouw- of sloopwerkzaamheden een grotere trillingssterkte veroorzaakt dan de trillingsterkte bedoeld in artikel 7.18.

Er wordt op gewezen dat het voor de toezichthoudende en handhavende diensten essentieel is dat de hierboven genoemde documenten daadwerkelijk op het terrein aanwezig zijn en op verzoek kunnen worden overgelegd, zodat kan worden nagegaan of de van toepassing zijnde regels voldoende worden nageleefd.

§ 7.1.3 Procedure sloopwerkzaamheden
Algemeen

De bijlage bij artikel 1.1 van de wet verstaat onder slopen: het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In deze paragraaf zijn procedurele (administratieve) regels voor het slopen van bouwwerken opgenomen. Soortgelijke regels waren tot de inwerkingtreding van dit besluit opgenomen in paragraaf 1.7 van het Bouwbesluit 2012 en paragraaf 2 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. De technisch-inhoudelijke regels voor het uitvoeren van sloopwerkzaamheden, die voorheen in hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit 2012 en paragraaf 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 waren opgenomen, zijn in de paragrafen 7.1.4 en 7.1.5 van dit besluit opgenomen. In paragraaf 7.1.4 worden regels gegeven met het oog op de veiligheid en gezondheid in de directe omgeving tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Op het scheiden van vrijkomend sloopafval is paragraaf 7.1.5 van toepassing.

Sinds de invoering van het Bouwbesluit 2012 is slopen op grond van de Woningwet of sloopmeldingplichtig of sloopmeldingvrij. Dat laat overigens onverlet dat voor het slopen behalve een melding nog steeds een sloopvergunning op grond van andere wet- en regelgeving nodig kan zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij sloopwerkzaamheden die plaatsvinden aan een monument of in een beschermd stads- of dorpsgezicht.

De regels van deze paragraaf richten zich tot de sloper en degene die laat slopen. Als het slopen sloopmeldingplichtig is, zal in principe één van hen de melding als bedoeld in artikel 7.10 dienen te doen. De regels verzetten zich er echter niet tegen dat een ander die melding doet. Als een sloopmelding is voorgeschreven en er is niet gemeld dan zijn de sloper en degene die laat slopen degenen die het in artikel 7.10, eerste lid, opgenomen verbod om zonder melding te slopen overtreden. Hoe de melding moet plaatsvinden is geregeld in artikel 7.11.

Artikel 7.9 (asbestinventarisatieplicht)

Artikel 7.9 regelt wanneer met betrekking tot een bouwwerk een asbestinventarisatierapport moet worden opgesteld. Voorheen was deze plicht opgenomen in de artikelen 3 en 4 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Blijkens de begripomschrijvingen wordt in dit verband onder een asbestinventarisatierapport verstaan een rapport dat voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 4.54a, eerste, derde en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

In het eerste lid is aangegeven in dat degene die een bouwwerk sloopt of laat slopen (de normadressaat) een asbestinventarisatierapport moet hebben als hij weet of kan vermoeden dat er asbest aanwezig is.

Zoals ook is aangegeven in de algemene toelichting op afdeling 7.1 wordt onder slopen behalve het geheel of gedeeltelijk afbreken ook demonteren of uit elkaar nemen van een bouwwerk verstaan. Als de werkzaamheden in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden uitgevoerd, volgt de plicht om in gevallen over een asbestinventarisatierapport te beschikken uit artikel 4.54a van het Arbeidsomstandighedenbesluit in de daar genoemde gevallen. Artikel 4.54b van dat besluit bevat de uitzonderingen voor de inventarisatieplicht.

Deze plicht wordt hier geformuleerd om duidelijk te maken dat dit rapport bij het slopen van een gebouw of bij het verwijderen van asbest uit een bouwwerk verplicht is en aanwezig dient te zijn (ook op basis van artikel 7.13 onder f). De Inspectie SZW kan op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit handhaven indien geen inventarisatie aanwezig is, maar ook gemeentelijke handhavers kunnen op basis van artikel 7.9 om de inventarisatie verzoeken..

Overeenkomstig artikel 4 van het Asbestverwijderings besluit 2005 zijn in het tweede lid uitzonderingen op die verplichting opgenomen. In de in het tweede lid genoemde gevallen is de in het eerste lid vervatte verplichting niet van toepassing en hoeft niet over een asbestinventarisatierapport te worden beschikt. Bij b en c worden o.a. rem- en frictiematerialen en pakkingen in verbrandingsmotoren genoemd. Hoewel deze niet veelvuldig zullen voorkomen in gebouwen, kan in een enkel geval sprake zijn van asbesthoudende rem- en frictiematerialen bij liften. Asbesthoudende pakkingen van verbrandingsmotoren kunnen bijvoorbeeld voorkomen bij oude noodstroomaggregaten. Onder d is aangegeven wanneer een particulier zelf mag overgaan tot asbestverwijdering en geen verplichting geldt tot het beschikken over een asbestinventarisatierapport. Eén van de voorwaarden is dat de oppervlakte van de te verwijderen platen, vloerbedekking en/of tegels in totaal maximaal 35 m2 bedraagt. De woorden ‘in totaal’ zijn toegevoegd om te verduidelijken dat de maximale hoeveelheid van 35 m2 van toepassing is op onderdelen die in zijn geheel verwijderd kunnen worden. Bijvoorbeeld, als op een dak aan 100 m2 oppervlakte asbesthoudende platen aanwezig is, mag een particulier op basis van dit artikel niet 35 m2 van de platen verwijderen, en voor het overige deel een bedrijf inhuren. De asbesthoudende platen vormen immers een geheel dat in één keer verwijderd dient te worden.

Een ander voorbeeld: als in een woning in één kamer op een oppervlakte van 20 m2 asbesthoudende vloerbedekking ligt, en het dak van het bijbehorende schuurtje ook voor een oppervlakte van 20 m2 bedekt is met asbesthoudende platen, is het niet toegestaan dat een particulier eerst de ene 20m2 op basis van dit artikel verwijderd, en vervolgens de volgende 20 m2. De totale maximale waarde van 35 m2 wordt daarmee overschreden.

Het derde lid verplicht de opdrachtgever van de sloopwerkzaamheden in de gevallen waarop het eerste lid van toepassing is, aan degene die de opdracht tot het (gedeeltelijk) slopen van het bouwwerk krijgt een afschrift van het rapport te verstrekken voordat het asbest verwijderd wordt.

Artikel 7.10 (sloopmelding)

Dit artikel heeft betrekking op de sloopmeldingplicht. Vergelijkbare regels waren voorheen opgenomen in artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012.

Voor het slopen van een bouwwerk geldt op grond van dit besluit geen omgevingsvergunningplicht. Dat wil niet zeggen dat er in het concrete geval in het geheel geen omgevingsvergunning voor dat slopen nodig is. De regels betreffende rijksmonumenten zijn te vinden in het Besluit activiteiten leefomgeving (hoofdstuk 11). Daaruit volgt dat een rijksmonumentenactiviteit in beginsel vergunningplichtig is. Deze vergunningplicht is uitgewerkt in afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond daarvan is in de regel het slopen van een bouwwerk dat tevens rijksmonument is, vergunnigplichtig. Indien het slopen op grond van paragraaf 7.1.3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving tevens meldingplichtig is, kan die melding overigens tegelijk met het aanvragen van de omgevingsvergunning gebeuren. Voor gemeentelijke en provinciale monumenten geldt een zelfde systematiek. De eventuele vergunningplicht is dan opgenomen in het gemeentelijke omgevingsplan of de provinciale omgevingsverordening.

Het eerste lid bevat een verbodsbepaling. Het is verboden een bouwwerk te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 zal bedragen zonder dit ten minste 4 weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden. Dit verbod omvat ook het handelen in afwijking van de melding. Voor zover het immers gaat om activiteiten die zonder melding niet mogen worden verricht, is ieder handelen dat niet is gemeld handelen zonder melding. Als geen asbest wordt verwijderd is geen sloopmelding vereist als de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting niet meer dan 10 m3 zal bedragen. Met het criterium van 10 m3 wordt voorkomen dat elke sloopactiviteit onder de meldingplicht van het eerste lid valt. Bij de kleinere sloopactiviteiten, zoals een interne verbouwing waarbij minder dan 10 m3 sloopafval vrijkomt, is geen sloopmelding vereist (tenzij asbest wordt verwijderd). In dat geval is de veiligheid en gezondheid van de omgeving voldoende gewaarborgd met de technisch-inhoudelijke regels van paragraaf 7.1.4 en, als vangnet, de specifieke zorgplicht van artikel 7.4. De sloopmelding moet ten minste vier weken voor de voorgenomen aanvang van de sloopwerkzaamheden worden ingediend. Uit artikel 4.9 van de wet vloeit voort dat die melding bij het bevoegd gezag moet plaatsvinden.

Het tweede lid bevat een uitzondering op de meldingstermijn uit het eerste lid. In plaats van ten minste vier weken mag de sloopmelding tot vijf werkdagen voor aanvang van het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden worden gedaan. Dit maakt het mogelijk om op korte termijn asbest te verwijderen uit in gebruik zijnde woningen of andere gebouwen, zodat het gebruiksgenot daarvan zo min mogelijk wordt beperkt. Ook wordt onnodig lang durende leegstand in verband met de asbestverwijdering voorkomen. Die uitzonderingsmogelijkheid is beperkt tot gevallen waarin hetzij reparatieonderhoud moet worden uitgevoerd aan een asbesthoudende toepassing in woningen of andere gebouwen die in gebruik zijn dan wel met het verwijderen van het asbest is gewacht met het uitvoeren van zogenoemd mutatieonderhoud tot het moment dat de gebouwen leeg zijn gekomen. Onderdeel a geeft aan dat melding tot vijf werkdagen van te voren mogelijk is indien de sloopwerkzaamheden in het kader van reparatie- of mutatieonderhoud plaatsvinden en anders onnodige leegstand zou ontstaan. Onderdeel b geeft dezelfde uitzondering als onderdeel a voor het geval waarin beperkte hoeveelheden (maximaal 35 m2) asbesthoudende platen, vloertegels of niet-gelijmde vloerbedekking uit een woning of een daarbij behorend bijgebouw gaan worden verwijderd. Het gaat hier om veel voorkomende werkzaamheden waarvoor op grond van artikel 7.9 geen asbestinventarisatierapport hoeft te worden opgesteld. Ook in dergelijke gevallen moet de sloopmelding ten minste vijf werkdagen voor aanvang van die werkzaamheden worden gedaan in plaats van ten minste vier weken. De uitzondering van onderdeel b is met name bedoeld voor particulieren, zie de zinsnede ‘anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf’. Hiermee is de uitzondering voor particulieren die eerder in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen ook onderdeel van dit besluit.

Het derde lid bevat de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen van respectievelijk vier weken en vijf dagen te verkorten als de termijnen te lang zijn, bijvoorbeeld omdat het na een calamiteit dringend gewenst is dat de restanten van een bouwwerk zo spoedig mogelijk worden gesloopt.

Het vierde lid bevat een drietal uitzonderingen op het verbod in het eerste lid. Een sloopmelding is niet vereist als de sloop een seizoensgebonden bouwwerk betreft. Wezenlijk kenmerk van zo’n bouwwerk, zoals een standpaviljoen, is dat het telkens aan het begin van een seizoen wordt opgebouwd en aan het eind daarvan weer wordt afgebroken. Met het verplicht stellen van een sloopmelding bij zo’n bouwwerk zou geen redelijk belang gediend zijn. Voorts is geen sloopmelding vereist voor het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 3.7 of een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom. Onderdeel c geeft aan in welke gevallen bij asbestverwijdering geen sloopmelding is vereist. Deze uitzondering geldt uitsluitend indien de asbesthoudende producten verwijderd worden in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf. Asbesthoudende rem- en frictiematerialen kunnen in een enkel geval in een gebouw voorkomen bij liften. Asbesthoudende pakkingen van verbrandingsmotoren kunnen voorkomen bij oude noodstroomaggregaten.

Het vijfde lid maakt duidelijk dat met één sloopmelding kan worden volstaan als er meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen moeten worden gesloopt. Dit kan bijvoorbeeld van belang zijn voor het slopen van een winkelcentrum.

Artikel 7.11 (gegevens en bescheiden bij sloopmelding)

Het eerste lid bepaalt dat een sloopmelding door de melder moet zijn voorzien van een ondertekening en de gegevens en bescheiden, genoemd in de onderdelen a tot en met h, moet bevatten. Die gegevens en bescheiden vormen samen met het ingevulde meldingsformulier de sloopmelding. Die gegevens en bescheiden moeten in beginsel tegelijk met het ingevulde formulier worden ingediend.

Van een sloopmelding als bedoeld in dit besluit is alleen sprake wanneer alle gevraagde informatie tijdig is verstrekt. Wanneer daar niet aan is voldaan en toch voorbereidingen voor het slopen worden getroffen kan het bevoegd gezag onder omstandigheden handhavend optreden middels een zogenoemde (preventieve) herstelsanctie (artikel 5:7 Algemene wet bestuursrecht). Verder wordt ten overvloede opgemerkt dat de melder voor het doen van een melding geen leges verschuldigd is, aangezien de gemeente bij het afhandelen van een melding geen dienst tegenover de melder verricht.

Zie voor een toelichting op onderdeel f de toelichting op artikel 7.8 over de gegevens en bescheiden die betrekking hebben op de maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de sloopwerkzaamheden.

Op grond van onderdeel g moet bij de sloopmelding ook een globale inventarisatie van de aard en de hoeveelheid van de naar verwachting bij de sloopwerkzaamheden vrijkomende afvalstoffen worden gegeven. Ook moet de afvoerbestemming daarvan worden aangegeven. Op grond van artikel 7.14 kan degene die sloopmeldingplichtige sloopwerkzaamheden heeft verricht, door een maatwerkvoorschrift worden verplicht binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn na beëindiging van de werkzaamheden een opgave te doen van de aard en de hoeveelheid van de daadwerkelijk vrijgekomen afvalstoffen en van de daadwerkelijke afvoerbestemming van die stoffen. In combinatie levert dit het bevoegd gezag voldoende informatie op voor het toezicht op de afvoer van afvalstoffen hetgeen mede nodig is in verband met de ketenbenadering.

Het tweede lid maakt het mogelijk om de gegevens, bedoeld in onderdeel b van het eerste lid, later aan te leveren. Die gegevens moeten in dat geval alsnog ten minste twee werkdagen voor aanvang van het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden worden verstrekt.

In het derde lid is bepaald dat het bevoegd gezag onmiddellijk geïnformeerd moet worden als tijdens het slopen asbest wordt ontdekt dat niet is opgenomen in het asbestinventarisatierapport zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel h.

Artikel 7.12 (informeren: aanvang en beëindiging sloopwerkzaamheden)

Door het bevoegd gezag te informeren over het moment van aanvang en het moment van beëindiging van de sloopwerkzaamheden kan tijdig toezicht worden uitgeoefend op de uitvoering van de sloopwerkzaamheden. Dit artikel bevat regels over de informatieverstrekking die daarbij van belang is.

Aangezien het hier gaat om het informeren van het bevoegd gezag waarbij geen aanvullende gegevens en bescheiden worden aangeleverd, kan het informeren zowel op papier als digitaal plaatsvinden.

Het eerste lid heeft betrekking op de mededeling van het moment van aanvang van de uitvoering van de werkzaamheden. Die mededeling moet ten minste twee werkdagen voor aanvang worden gedaan bij het bevoegd gezag. Als het moment van feitelijke aanvang overeenstemt met de opgave daarvan in de sloopmelding (zie onderdeel e van artikel 7.11, eerste lid), kan een afzonderlijke mededeling achterwege blijven. Als het moment van feitelijke aanvang afwijkt van de opgave in de sloopmelding dient de mededeling wel te worden gedaan.

Het tweede lid heeft betrekking op de mededeling van het moment van beëindiging van de sloopwerkzaamheden. Aan die informatieplicht (gereedmelding) moet binnen een werkdag na daadwerkelijke beëindiging van de sloopwerkzaamheden worden voldaan.

Op grond van het derde lid moet binnen twee weken na beëindiging van sloopwerkzaamheden die (mede) betrekking hadden op asbestverwijdering waarop artikel 7.22 van toepassing is, een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling als bedoeld in artikel 7.22 bij het bevoegd gezag worden ingediend.

Het vierde lid geeft aan dat het eerste en tweede lid alleen van toepassing zijn op het slopen van een bouwwerk waarvoor een sloopmelding nodig is.

Artikel 7.13 (aanwezigheid gegevens en bescheiden)

Dit artikel schrijft de bescheiden voor die op het sloopterrein aanwezig moeten zijn. Onder de genoemde bescheiden vallen in ieder geval de sloopmelding en de gegevens en bescheiden die betrekking hebben op de maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de sloopwerkzaamheden , het zogenoemde sloopveiligheidsplan (zie ook artikel 7.8 en de toelichting op afdeling 7.1). Voor de toezichthoudende en handhavende diensten is het van belang dat deze documenten in origineel of in afschrift op het terrein aanwezig zijn en op verzoek kunnen worden overlegd, zodat zij kunnen nagaan of de op de sloop van toepassing zijnde regels zijn en worden nageleefd. Een afschrift van de genoemde documenten kan ook digitaal worden getoond, bijvoorbeeld door gebruik van een tablet waarop de documenten getoond kunnen worden.

Artikel 7.14 (afbakening maatwerkvoorschriften procedure sloopwerkzaamheden)

Dit artikel bepaalt dat met een maatwerkvoorschrift degene die de sloopwerkzaamheden heeft verricht, kan worden verplicht binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn na beëindiging van de werkzaamheden een opgave te doen van de aard en de hoeveelheid van de bij de sloopwerkzaamheden vrijgekomen afvalstoffen en van de afvoerbestemming van die stoffen. Zie verder ook de toelichting op artikel 7.11, eerste lid, onderdeel g.

Het bevoegd gezag kan verplichten dat nadat de sloopwerkzaamheden beëindigd zijn, een opgave wordt gedaan van de aard en hoeveelheid van de daadwerkelijk bij de sloopwerkzaamheden vrijgekomen afvalstoffen en de daadwerkelijke afvoerbestemming van die stoffen. De termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden, wordt door het bevoegd gezag bepaald. Ten overvloede wordt opgemerkt dat deze termijn ook kan worden bepaald door een daartoe gemandateerde gemeenteambtenaar. Bij de sloopmelding moet een globale inventarisatie van de aard en hoeveelheid stoffen opgegeven worden en de voorgenomen afvoerbestemming (artikel 7.11, eerste lid, onderdeel g). Dit omdat die op het moment dat de melding gedaan moet worden (minstens 4 weken vooraf) vaak nog niet in detail aangegeven kunnen worden. Na het beëindigen van de werkzaamheden kan het bevoegd gezag deze informatie wel opvragen als dit naar zijn oordeel noodzakelijk is. Deze mogelijkheid bestond ook al in artikel 1.33, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 en is nu in de systematiek van de Omgevingswet omgezet in een mogelijkheid tot het stellen van een maatwerkvoorschrift.

Aangezien het bevoegd gezag alleen geïnformeerd hoeft te worden over de beëindiging van meldingplichtige sloopwerkzaamheden, kan deze vorm van aanvullend maatwerk alleen worden gesteld als sprake is van meldingplichtige sloopwerkzaamheden.

§ 7.1.4 Materiële regels
Algemeen

Deze paragraaf heeft betrekking op het voorkomen van onveilige en ongezonde situaties in de directe omgeving van bouw- of sloopwerkzaamheden. Tot de inwerkingtreding van het voorliggende besluit waren in afdeling 8.1 van het Bouwbesluit 2012 soortgelijke regels opgenomen. Zoals eerder opgemerkt, is een belangrijk inhoudelijk verschil dat artikel 7.15, onder c, van dit besluit geen plicht bevat tot het treffen van maatregelen bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden ter voorkoming van beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen. Onder de Omgevingswet is het aan de gemeente om te bepalen of zij daarover regels wil stellen; zo ja, moeten die in het omgevingsplan worden opgenomen.

Op grond van artikel 7.38 zijn de artikelen in deze paragraaf ook van toepassing op het mobiel breken van bouw- en sloopafval, met uitzondering van artikel 7.17.

Artikel 7.15 (veiligheid in de directe omgeving)

Om onveilige situaties in de directe omgeving van bouw- of sloopwerkzaamheden te voorkomen moeten op grond van dit artikel maatregelen worden getroffen om letsel van personen en gevaar voor de veiligheid van belendingen te voorkomen. Bij het voorkomen van letsel gaat het zowel om het voorkomen van letsel van personen op belendende percelen als om letsel van personen die zich onbevoegd op de bouwplaats bevinden. Het artikel ziet niet toe op eventuele schade in privaatrechtelijke zin. De veiligheid van het op de bouw- of sloopterrein werkzame personeel valt onder de Arbeidsomstandighedenwet. De manier waarop in de praktijk invulling wordt gegeven aan dit artikel zal afhankelijk zijn van de locatie en de aanwezigheid van bebouwing en mensen in de omgeving daarvan. Dit biedt de benodigde ruimte voor maatwerk en legt de eerste verantwoordelijkheid neer bij diegene die de werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren.

Artikel 7.16 (grondwaterstand)

Dit artikel is van belang in verband met de veiligheid van andere bouwwerken rondom bouwputten. Dit is een publiekrechtelijk belang. Het artikel ziet niet op eventuele schade in privaatrechtelijke zin.

Het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en soortgelijke tijdelijke ontgravingen mag geen gevaar voor de kwaliteit van de funderingen en daarmee de veiligheid van belendingen opleveren. De hoeveelheid aan de bodem te onttrekken water is daarbij doorslaggevend.

Zowel voor het mogen bemalen van een bouwput als voor het mogen lozen van het opgepompte grondwater kunnen naast deze regel ook regels van het Besluit activiteiten leefomgeving of decentrale regels van toepassing zijn, die gericht zijn op de bescherming van het milieu (waaronder watersystemen) of nodig zijn gelet op taken van waterbeheerders en gemeenten op het gebied van waterbeheer.

Artikel 7.17 (geluidhinder)

In het eerste lid is bepaald dat bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden zowel op werkdagen als op zaterdag tussen 7:00 en 19:00 uur mogen worden uitgevoerd.

In de tabel van het tweede lid is het maximale geluidsniveau aangegeven, gerekend met een maximale blootstellingsduur in dagen dat de in de tabel opgenomen dagwaarde is bereikt. Uit de toepassing van de tabel volgt dat naarmate de bouw- en sloopactiviteiten meer geluid veroorzaken op de gevel van een nabijgelegen woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, gezondheidszorgfunctie, onderwijsfunctie, of op de grens van een geluidsgevoelig terrein het aantal dagen, waarop die activiteiten mogen worden uitgevoerd, afneemt. Voor activiteiten die een dagwaarde veroorzaken van meer dan 60 dB(A) zijn ten hoogste 50 dagen beschikbaar, waarvan maximaal 30 dagen de dagwaarde meer dan 65 dB(A) mag zijn. Van deze 30 dagen mag de dagwaarde maximaal 15 dagen hoger zijn dan 70 dB(A). De dagwaarde mag maximaal 5 dagen tussen 75 en de 80 dB(A) bedragen. Ook volgt duidelijk uit de tabel dat geluid van meer dan 80 dB(A) niet is toegestaan.

Het begrip dagwaarde is gedefinieerd in Bijlage I bij artikel 1.1. De gehanteerde definitie van dagwaarde komt overeen met de dagwaarde van de langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT,dag), bepaald volgens de de Handleiding meten en Rekenen industrielawaai (internetuitgave 2004), zij het dat alleen de impulstoeslag (K2) wordt toegepast. Hiermee is bedoeld dat de tonale (K1) en de muziektoeslag (K3) niet behoeven te worden meegenomen (ofwel de dagwaarde is gebaseerd op het equivalente geluidsniveau bepaald over de periode lopend van 7.00 tot 19.00 uur vermeerderd met een straftoeslag voor geluid met een impulsachtig karakter). De bijbehorende eenheid is dB(A). Er wordt op gewezen dat wanneer er geen geluid met een impulskarakter is, de toeslag daarvoor op nul kan worden gezet.

In tabel 7.17 staat vermeldt dat het geluid dat geproduceerd mag worden door bouw- of sloopwerkzaamheden moet worden gemeten op de gevel van geluidsgevoelige objecten. Geluid dat in bijvoorbeeld in een woning wordt geproduceerd moet voor de toepassing van artikel 7.17 dus worden gemeten op de gevel van de buren en niet bij de woningscheidende wand tussen de woning waar geluid wordt geproduceerd en de buurwoning.

Artikel 7.23, eerste lid, maakt het mogelijk om in concrete gevallen door maatwerkvoorschriften soepeler eisen te hanteren dan in het eerste en tweede lid van artikel 7.17 gesteld.

Op grond van het derde lid van artikel 7.17 mag van dat eerste en tweede lid ook zonder maatwerkvoorschrift van het bevoegd gezag worden afgeweken. Voorwaarden daarvoor zijn dat het bevoegd gezag met betrekking tot het uitvoeren van de bouw- of sloopwerkzaamheden beleidsregels als bedoeld in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht heeft vastgesteld, de werkzaamheden aan die regels voldoen en het bevoegd gezag ten minste twee werkdagen voor het feitelijke begin van die werkzaamheden in kennis is gesteld van de aanvang van de werkzaamheden. In dergelijke beleidsregels kan zowel worden afgeweken van de tijden waarop gewerkt mag worden, als van de dagwaarden en van de maximale blootstellingsduur.

Er wordt op gewezen dat het gemeenten vrij staat in het omgevingsplan voorschriften op te nemen voor geluidhinder van niet-bedrijfsmatig bouwen en slopen.

Er wordt op gewezen dat het in werking hebben van een mobiele puinbreker valt onder de regels van afdeling 7.2 van dit hoofdstuk. In artikel 7.38 is bepaald dat artikel 7.17 niet van overeenkomstige toepassing is op het in werking hebben van een mobiele puinbreker. In artikel 7.39 zijn daarom soortgelijke regels opgenomen voor het in werking hebben van een mobiele puinbreker. Zie ook (de toelichting bij) artikel 7.39.

Artikel 7.18 (trillinghinder)

Naast geluidhinder als bedoeld in artikel 7.17 kan er ook sprake zijn van trillinghinder. Het gaat er bij het voorkomen van trillinghinder vooral om dat continue trillingen niet voelbaar mogen zijn. Dergelijke continue trillingen worden doorgaans veroorzaakt door stationaire installaties zoals compressoren. Bij niet continue trillinghinder valt bijvoorbeeld te denken aan het aan- en afrijden van vrachtwagens voor het bevoorraden van het bouwterrein en het afvoeren van sloopafval van het sloopterrein. Niet alle bouw- en sloopwerkzaamheden zullen trillinghinder veroorzaken. Op grond van het eerste lid van dit artikel mogen met bouw- of sloopwerkzaamheden samenhangende trillingen in de aldaar genoemde ruimten niet uitgaan boven de waarden van tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B, Hinder voor personen in gebouwen 2006, zoals gepubliceerd door de Stichting Bouwresearch Rotterdam. Naar verwachting zullen trillingsmetingen slechts sporadisch noodzakelijk zijn omdat de in tabel 4 opgenomen trillingnormen niet snel overschreden zullen worden.

De trillingnormen gelden op grond van het tweede lid alleen voor verblijfsgebieden van een woonfunctie, een bijeenkomstfunctie voor kinderdagopvang, een gezondheidszorgfunctie en een onderwijsfunctie. Om te kunnen bepalen wat de trillingsterkte in een gebouw of ruimte is, is het nodig in het gebouw metingen uit te voeren. Als hieraan door de gebruiker geen medewerking wordt verleend en het daardoor niet mogelijk is de trillingsterkte vast te stellen dan kan de gebruiker uiteraard ook geen bezwaar maken tegen trillinghinder. Artikel 7.23, eerste lid, maakt het mogelijk om in concrete gevallen door maatwerkvoorschriften soepeler eisen te hanteren dan in artikel 7.18 gesteld; zie daarvoor verder de toelichting op dat artikel.

Artikel 7.19 (stofhinder)

Op grond van dit artikel moeten alle sloopwerkzaamheden, waaronder het transport, het bewerken, laden of lossen van bijvoorbeeld puin en granulaat of andere afvalstoffen, op de sloopplaats zodanig worden uitgevoerd dat stofverspreiding naar de omgeving wordt beperkt. Er wordt gedacht aan maatregelen zoals afdekking, aanleg van windreductieschermen, nat- of schoonhouden van het terrein en sproeien tijdens het slopen.

Artikel 7.20 (verwijderen asbest risicoklasse 2 en 2A)

Op grond van dit artikel dient een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf te worden ingeschakeld indien de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A als bedoeld in de artikelen 4.48 en 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Zo’n bedrijf moet in dat geval worden ingeschakeld voor het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van het bouwwerk en het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit het bouwwerk. De inschakeling van een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf is dan noodzakelijk omdat daarbij in de regel grote gezondheidsrisico’s ontstaan, als gevolg van het mogelijke vrijkomen van asbestvezels. De handeling in het eerste lid, onder a ‘het slopen van een bouwwerk als in dat bouwwerk asbest of een asbesthoudend product is verwerkt’ heeft betrekking op het gedeelte van het bouwwerk waar asbest is aangetroffen. Nadat het asbest is verwijderd, is het slopen van dat gedeelte van het bouwwerk geen handeling in de zin van het eerste lid van artikel 7.20 meer.

Niet alle asbestverwijdering behoeft door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf te worden verricht. Uit het tweede lid blijkt dat handelingen die uitgezonderd zijn van de plicht een inventarisatierapport op te laten stellen, ook zijn uitgezonderd van de plicht om door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf te worden verricht. Dergelijke werkzaamheden zijn in artikel 4.54d van het Arbeidsomstandighedenbesluit eveneens uitgezonderd van een aantal verplichtingen op grond van dat besluit. Op dergelijke uitgezonderde werkzaamheden in het kader van de uitoefening van bedrijf of beroep blijven overigens wel voorschriften van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing om te waarborgen dat deze werkzaamheden zonder risico’s voor mens en milieu worden uitgevoerd. Op de uitgezonderde werkzaamheden voor particulieren is om dezelfde reden artikel 7.21 van dit besluit van toepassing. De uitzondering op het verplicht nschakelen van een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf geldt overigens niet voor handelingen met betrekking tot bouwwerken die op of na 1 januari 1994 zijn gebouwd, (artikel 7.9, tweede lid onderdeel a). Hoewel het beroepsmatig toepassen van asbest vanaf 1 juli 1993 niet meer is toegestaan, is niet uitgesloten dat na die datum toch nog asbest door particulieren is toegepast. Is dat laatste het geval dan moet het asbest of de asbesthoudende producten door een gecertificeerd bedrijf worden verwijderd, tenzij één van de andere uitzonderingen van artikel 7.9, tweede lid, van toepassing is.

Artikel 7.21 (asbestverwijdering anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf)

Eisen aan de wijze waarop asbestverwijdering door werkgevers en zelfstandigen zonder personeel dient plaats te vinden, zijn opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit. In artikel 7.21 van het onderhavige besluit zijn eisen opgenomen met betrekking tot het verwijderen van asbest door particulieren. Hiermee is beoogd risico’s voor de mens zoveel mogelijk te beperken. Overigens heeft dit artikel slechts betrekking op de ingevolge artikel 7.9, tweede lid, onder d, toegestane handelingen die of door een gecertificeerd bedrijf moeten worden uitgevoerd, of door een particulier zelf.

De in dit artikel opgenomen regels zijn gericht op het waarborgen van een zorgvuldige behandeling, verpakking, tussenopslag en afvoer van het asbesthoudende afval. De regels zijn niet alleen van toepassing op de plaats waar de asbestverwijderingswerkzaamheden plaatsvinden, maar ook op de plaats waar het asbesthoudende afval tijdelijk wordt opgeslagen met het oog op de afvoer ervan naar een stortplaats of een verwerkingsinrichting.

Zie verder ook de toelichting op paragraaf 7.1.5, waarin algemene regels over het scheiden van bouw- en sloopafval zijn opgenomen.

Artikel 7.22 (eindbeoordeling asbestverwijdering)

In artikel 7.22 is de verplichting opgenomen om na asbestverwijderingswerkzaamheden een eindbeoordeling te laten uitvoeren. Uit deze beoordeling dient te blijken of de verwijdering op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, of er geen blootstellingssrisico’s meer bestaan als gevolg van de aanwezigheid van asbest en of er geen asbestvezels meer in de omgeving terecht kunnen komen. In dit artikel wordt hieraan uitvoering gegeven door aan te sluiten bij de eindbeoordeling die op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet worden uitgevoerd.

Het eerste lid is van toepassing indien de werkzaamheden in de binnenruimte hebben plaatsgevonden. Volgens de artikelen 4.51a, eerste, tweede en vijfde lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet een visuele inspectie en een eindmeting worden uitgevoerd door een persoon die hiervoor voldoende is gekwalificeerd. De monsteranalyse wordt vervolgens door een hiervoor geschikt laboratorium uitgevoerd.

Uit het tweede lid volgt dat indien de reinigings- en opruimwerkzaamheden in de buitenlucht hebben plaatsgevonden, alleen een eindbeoordeling in de vorm van een visuele inspectie plaatsvindt. Deze visuele inspectie wordt uitgevoerd door een hiervoor voldoende gekwalificeerde partij die de inspectie deskundig kan uitvoeren. Deze visuele inspectie wordt in overeenstemming met artikel 4.51a, derde en vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit uitgevoerd.

Het derde en vierde lid geven aan dat verdere handelingen met betrekking tot het bouwwerk waaruit de asbestverwijdering heeft plaatsgevonden in respectievelijk de binnenruimte of buitenlucht, pas zijn toegestaan indien uit de eindbeoordeling blijkt dat er geen gevaar meer aanwezig is. Dit gevaar wordt niet meer aanwezig geacht als er bij visuele inspectie geen asbest meer aanwezig blijkt te zijn en, voor zover het een binnenruimte betreft, daarnaast blijkt dat de gemeten concentratie asbestvezels in de lucht niet hoger is dan de betreffende luchtgrenswaarde. De maximaal toegestane concentratie is opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Artikel 7.23 (afbakening maatwerkvoorschriften veiligheid en gezondheid in directe omgeving bouw- en sloopwerkzaamheden)

Het eerste lid van dit artikel maakt het mogelijk om in concrete gevallen door maatwerkvoorschriften ten aanzien van geluid- en trillinghinder soepeler eisen te hanteren dan de in de artikelen 7.17 en 7.18 gestelde eisen. Van die mogelijkheid zou bijvoorbeeld gebruik gemaakt kunnen worden als trillingen zoals discontinue, intermitterende of sporadisch voorkomende trillingen (bijvoorbeeld door transportactiviteiten) boven de waarden in tabel 4 (van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B zoals genoemd in artikel 7.19) uitgaan. Bij het aanpassen van de maximale trillingsterkte kan het bevoegd gezag bijvoorbeeld aansluiten bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 2005 (www.infomil.nl). Overigens maakt artikel 7.17 het hanteren van soepeler eisen voor geluidhinder ook zonder maatwerkvoorschrift mogelijk mits het bevoegd gezag met betrekking tot het uitvoeren van de bouw- of sloopwerkzaamheden beleidsregels als bedoeld in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht heeft vastgesteld, de werkzaamheden aan die regels voldoen en het bevoegd gezag ten minste twee werkdagen voor het feitelijke begin van die werkzaamheden in kennis is gesteld van de aanvang van de werkzaamheden. Zie verder de toelichting op de artikelen 7.17 en 7.18.

In het tweede lid is voorgeschreven dat ook als via een maatwerkvoorschrift is bepaald soepelere eisen te hanteren ten aanzien van geluid- en trillinghinder, er toch gebruik moet worden gemaakt van de best beschikbare stille technieken. Bij het mobiel breken van bouw- en sloopafval geldt een zelfde eis, maar is dit via de specifieke zorgplicht (artikel 7.31) geregeld. Omdat dit voor reguliere bouw- en sloopwerkzaamheden niet expliciet via de specifieke zorgplicht is geregeld, bevat het tweede lid een uitgeschreven regel.

Op grond van het derde lid van artikel 7.23 kan met een maatwerkvoorschrift worden verplicht nadere maatregelen te treffen als uit de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, onder e, blijkt dat de voorgenomen maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de bouw- of sloopwerkzaamheden onvoldoende zijn.

§ 7.1.5 Scheiden bouw- en sloopafval

In het Bouwbesluit 2012 werd via een ministeriële regeling invulling gegeven aan de scheiding van bouw- en sloopafval. In de artikelen 7.24 tot en met 7.26 is deze ministeriële regeling verwerkt. Daarbij is in de artikelen 7.25 en 7.26 een splitsing tussen scheiden van gevaarlijk afval en overig afval aangebracht om de doelstellingen van afvalscheiding te verhelderen. Technisch-inhoudelijk is de regeling niet aangepast; de te scheiden fracties zijn dezelfde als in de toenmalige ministeriële regeling.

Zie ook de toelichting op artikel 7.21, waarin enkele specifieke bepalingen ter waarborging van een zorgvuldige behandeling, verpakking, tussenopslag en afvoer van asbesthoudend afval zijn opgenomen.

Op grond van artikel 7.38 zijn de artikelen in deze paragraaf ook van toepassing op het mobiel breken van bouw- en sloopafval.

Artikel 7.24 (vrijkomend bouw- en sloopafval)

In dit artikel is de basisregel voor het scheiden van bouw- en sloopafval opgenomen: bouw- en sloopwerkzaamheden moeten zodanig worden uitgevoerd dat tijdens de uitvoering vrijkomend bouw- en sloopafval deugdelijk wordt gescheiden. In de artikelen 7.25 en 7.26 is die basisregel uitgewerkt in regels over de fracties waarin het bouw- en sloopafval in ieder geval moet worden gescheiden. Daarbij is onderscheid aangebracht tussen het scheiden van gevaarlijk bouw- en sloopafval en het scheiden van overig bouw- en sloopafval. Daarmee is aangesloten bij het principe dat fracties bouw- en sloopafval bij de bron moeten worden gescheiden op basis van de volgende fractie-indeling:

  • gevaarlijke afvalstoffen,

  • fracties bouw- en sloopafval die als zij niet gescheiden blijven een negatief (vervuilend) effect hebben op het recyclingproces van het bouw- en sloopafval waarin het terechtkomt, waardoor hoogwaardig hergebruik belemmerd wordt. Een voorbeeld daarvan is gips, dat is naderhand niet meer van het overige steenachtig afval te scheiden en heeft daarom een negatief effect op de herbruikbaarheid van steenachtige materiaal, en

  • fracties bouw- en sloopafval die alleen voor recycling in aanmerking komen als er bronscheiding wordt toegepast omdat nascheiding technisch en/of economisch redelijkerwijs niet haalbaar is.

Alle overige afvalstromen die vrijkomen, zoals steenachtig materiaal en metaal en ook hout en kunststoffen, moeten ook optimaal kunnen worden hergebruikt. Dergelijke stoffen behoeven echter in tegenstelling tot de in artikel 7.26 en 7.27 genoemde stoffen, niet aan de bron te worden gescheiden, zij kunnen ook op een andere plaats dan op de bouw- of sloopplaats gescheiden worden.

Artikel 7.25 (scheiden gevaarlijk bouw- en sloopafval)

Dit artikel regelt het scheiden van gevaarlijke afvalstoffen die zich in bouw- of sloopafval kunnen bevinden zoals onder andere teerhoudend of bitumineus dakafval met een bepaalde concentratie aan PAK-10, afval met een bepaald gehalte aan kwik, asbest en andere met asbest verontreinigde afvalstoffen, bepaalde PCB-houdende afvalstoffen en bijvoorbeeld hout dat is behandeld met middelen die koper en chroom (CC-hout) of koper, chroom en arseen (CCA-hout) bevatten. Dergelijke materialen kunnen dermate schadelijk of moeilijk te scheiden zijn, dat het mengen van deze fracties vanuit milieuoogpunt onwenselijk is.

Dit betekent dat deze fracties afval op grond van het eerste lid ongeacht de hoeveelheid moeten worden gescheiden.

Het tweede lid stelt een verbod op het scheiden of mengen van de in het eerste lid genoemde gevaarlijke stoffen. Zie daartoe ook het Activiteitenbesluit milieubeheer en Activiteitenregeling milieubeheer. Dit betekent dat een gemeente hiervoor ook geen ontheffing mag verlenen.

Het derde lid bepaalt dat de in het eerste lid genoemde fracties op het bouw- of sloopterrein zelf gescheiden moeten worden en daarna gescheiden van elkaar moeten worden afgevoerd.

Het vierde lid betreft een uitzondering op het derde lid. Als het redelijkerwijs niet mogelijk is het afval op het bouw- of sloopterrein te scheiden, dan kan dit op een andere locatie plaatsvinden. Op die andere locatie moet dan ook aan de scheiding in dezelfde fracties als bedoeld in het eerste lid worden voldaan.

Artikel 7.26 (scheiden overig bouw- en sloopafval)

Dit artikel regelt het scheiden van overig, oftewel niet-gevaarlijk, bouw- en sloopafval vanuit het oogpunt van recycling en hergebruik. In de Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG) is een afvalhiërarchie opgenomen die lidstaten bij het opstellen van wetgeving en beleidsinitiatieven voor de preventie en het beheer van afvalstoffen als prioriteitsvolgorde moeten hanteren. Volgens deze hiërarchie moeten afvalstoffen zoveel mogelijk worden gerecycled. Dit sluit ook goed aan bij het streven naar een circulaire economie.

Het eerste lid van dit artikel heeft daar betrekking op. Voor de afvalstromen vlakglas geldt dat zij al dan niet nog in de kozijnen vast gescheiden mogen worden van andere materialen. In sommige gevallen is op die manier het scheiden van die afvalstoffen uiteindelijk beter mogelijk. Om die reden wordt in de opsomming gesproken van vlakglas ‘wel of niet met kozijn’. Dit betekent dat wanneer het vlakglas samen met het kozijn waar dat glas in zit gescheiden wordt er aan de verplichting van het eerste lid is voldaan.

Het tweede lid bepaalt dat de in het eerste lid genoemde fracties op het bouw- of sloopterrein zelf gescheiden moeten worden en daarna gescheiden van elkaar moeten worden afgevoerd.

Het derde lid bepaalt dat scheiden in een fractie niet nodig is als de hoeveelheid afval van zo’n fractie minder is dan 1 m3. Dit geldt niet voor de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen als bedoeld in artikel 7.25. Als de in het eerste lid genoemde afvalstromen (deels) vervuild zijn met afvalstoffen als bedoeld in artikel 7.25, eerste lid, dan vallen zij onder gevaarlijk bouw- en sloopafval. Dergelijke afvalstoffen dienen altijd gescheiden te worden van het andere afval, zoals voorgeschreven in artikel 7.25.

Het vierde lid betreft een uitzondering op de derde lid. Als het redelijkerwijs niet mogelijk is het afval op het bouw- of sloopterrein te scheiden, dan kan dit op een andere locatie plaatsvinden. Op die andere locatie moet dan ook aan de scheiding in dezelfde fracties als bedoeld in het eerste lid worden voldaan.

Afdeling 7.2 Mobiel breken van bouw- en sloopafval

In deze afdeling zijn de regels te vinden die van toepassing zijn op het breken van bouw- en sloopafval met behulp van een mobiele puinbreker. Hierbij gaat het zowel om het breken van afval afkomstig uit bouwwerken, als afval afkomstig van wegen. Aangezien artikel 4.21 van de wet (als inkleuring voor de grondslag in artikel 4.3 van de wet om algemene rijksregels te stellen) alleen de mogelijkheid geeft voor het stellen van algemene rijksregels aan het bouwen, slopen, gebruiken en in stand houden van bouwwerken, is dit artikel niet voldoende om ook regels te stellen over het breken van sloopafval afkomstig uit wegen. Om deze reden is dit besluit ook gebaseerd op artikel 4.22 van de wet, waarin verdere inkleuring van de grondslag in artikel 4.3 van de wet over de milieubelastende activiteit wordt gegeven. Er is expliciet niet voor gekozen om de regels over het mobiel breken van afval uit bouwwerken in dit besluit te plaatsen, en de regels over het mobiel breken van afval afkomstig uit wegen in het Besluit activiteiten leefomgeving, omdat dit niet in een eenvoudige of betere situatie zou resulteren. Dat zou namelijk in de praktijk betekenen dat een gebruiker in sommige gevallen in twee besluiten moet gaan kijken om te achterhalen welke regels van toepassing zijn op het breken van vrijgekomen sloopafval, terwijl deze regels in het verleden allen in het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval waren te vinden. Om deze reden, en vanwege de inhoudelijke relatie tussen slopen en mobiel puinbreken, zijn de regels over het laatste onderwerp ook in dit besluit opgenomen.

Veel van de regels uit het voormalige Besluit mobiel breken gaan over zaken bij het slopen die ook al geregeld waren in het Bouwbesluit 2012 en overgenomen zijn in het voorliggende besluit. Deze regels zijn (met uitzondering van artikel 7.17) in het verleden al grotendeels met elkaar in overeenstemming gebracht dus dit brengt nauwelijks verandering voor de gebruiker met zich. Om geen inhoudelijke verschillen te maken tussen de regels die van toepassing zijn op het breken van het ene puin (bouwwerken) of het ander (niet bouwwerken), is ervoor gekozen mobiel breken als een aparte afdeling in dit besluit op te nemen. Zo ontstaan er geen onbedoelde verschillen in de regels die gaan over het breken van puin afkomstig uit bouwwerken en die over het breken van puin afkomstig uit wegen. Dit voorkomt ook dat regels in het zelfde besluit meerdere malen moeten worden uitgeschreven.

De materiële regels die gelden tijdens sloopwerkzaamheden uit paragraaf 7.1.4 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing verklaard op het in werking hebben van een mobiele breker (zie ook de toelichting op paragraaf 7.2.3). Hiermee worden de regels die gelden bij ‘normaal’ slopen, en slopen met behulp van een mobiele breker op elkaar afgestemd. Aangezien het voor de gebruiker, maar zeker voor omwonenden en het bevoegd gezag niet veel verschil zal maken op welke wijze en met behulp van welke middelen er wordt gesloopt, maar men wil dat dit op een voor de omgeving veilige en gezonde manier gebeurt, ligt het voor de hand zoveel mogelijk dezelfde regels te laten gelden. Het zelfde gaat op voor paragraaf 7.1.5 over het scheiden van bouw- en sloopafval.

De regels in deze afdeling waren voorheen te vinden in het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval. Deze regels zijn waar nodig aangepast aan de systematiek van de uitvoeringsregelgeving onder de Omgevingswet. Een deel van de inhoudelijke regels uit het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval en de daarbij behorende bijlage is niet meer terug te vinden in dit besluit. Het gaat dan bijvoorbeeld over regels over het bijhouden van een inspectie- en onderhoudssysteem en regels over het onbereikbaar maken van de apparatuur voor onbevoegden. In paragraaf 7.2.1 is een specifieke zorgplicht opgenomen die er onder meer toe verplicht alle maatregelen te nemen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen, alsmede maatregelen te treffen om ongevallen te voorkomen en geen significante verontreiniging te veroorzaken. Regels die in het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval nog specifiek waren uitgeschreven, vallen nu onder de specifieke zorgplicht gebaseerd op artikel 4.22 van de wet. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 7.31.

Daarnaast wordt opgemerkt dat regels over het beschermen over de opslag van gevaarlijke stoffen, het afleveren van brandstof en het beschermen van de bodem bij het afleveren van brandstof niet opgenomen zijn in dit besluit, waar deze voorheen wel opgenomen waren in (de bijlage bij) het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval. Hiervoor wordt verwezen naar afdeling 3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In deze afdeling worden regels gesteld aan activiteiten die bedrijfstakken overstijgen, bijvoorbeeld de opslag van gassen in tanks (§ 3.2.7 Besluit activiteiten leefomgeving). Ook tijdens het uitvoeren van werkzaamheden met een mobiele puinbreker (een milieubelastende activiteit in de zin van artikel 4.22 van de wet), dienen de regels over bedrijfstakoverstijgende activiteiten gevolgd te worden. Indien de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn, bijvoorbeeld omdat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen onder de daar gestelde waarde ligt, volgt uit de specifieke zorgplicht in artikel 7.31 ook dat passende maatregelen genomen moeten worden als anders de veiligheid, gezondheid, bescherming van de bodem, of een ander belang uit artikel 7.28 in het geding komt.

§ 7.2.1 Algemeen
Artikel 7.27 (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit artikel bepaalt dat de regels van deze afdeling van toepassing zijn op het breken van sloopafval afkomstig uit bouwwerken of wegen door middel van een mobiele puinbreker. Er is alleen sprake van de activiteit mobiel breken van bouw- en sloopafval in de zin van dit besluit als aan de omschrijving van de activiteit in dit artikel wordt voldaan. Uit dit artikel blijkt dat het gaat om het breken van materiaal dat vrijkomt op de bouw- of sloopplaats, en dat de mobiele breker op de bouw- of sloopplaats of in de nabijheid daarvan staat. Uit deze omschrijving volgt dus ook dat het niet is toegestaan materiaal van een derde-locatie aan te voeren. Wanneer de aangegeven maximale periode van drie maanden wordt overschreden is er niet langer sprake van mobiel breken, of wanneer het breken niet plaatsvindt op of in de directe nabijheid van de sloop- en bouwplaats waar het afval vrijkomt. In deze gevallen zijn de regels uit hoofdstuk vier van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing mits de activiteit is aangewezen in hoofdstuk drie van dat besluit, bijvoorbeeld als de activiteit plaatsvindt bij een bouwbedrijf, milieustraat of industrieel bedrijf.

Artikel 7.28 (toepassingsbereik: oogmerken)

Dit artikel bepaalt dat de regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de veiligheid, gezondheid, kwaliteit van lucht en bodem, het zuinig gebruik van energie en grondstoffen, het doelmatig beheer van afvalstoffen, beperken van de kans op en gevolgen van ongewone voorvallen en het voorkomen van geluid-, trilling-, licht- en geurhinder. Deze oogmerken volgen uit artikel 4.22 van de wet waarin de grondslag uit artikel 4.3 van de wet voor het stellen van algemene rijksregels verder is uitgewerkt voor milieubelastende activiteit. Die regels in deze afdeling zijn uitputtend bedoeld. Gemeenten mogen in het omgevingsplan geen maatwerkregels over deze onderwerpen stellen. Het bevoegd gezag mag in concrete gevallen alleen maatwerkvoorschriften stellen voor zover artikel 7.32 in samenhang met de nadere afbakeningen verderop in de afdeling dat expliciet mogelijk maken (zie ook de toelichting op artikel 7.32 en 7.37).

Artikel 7.29 (toepassingsbereik: normadressaat)

Op grond van dit artikel moet aan de regels van deze afdeling worden voldaan door degene die een mobiele puinbreker in werking heeft of laat hebben.

Deze verplichting houdt ook in, dat een opdrachtgever er voor zorgt, dat eventuele werknemers of andere bedrijven die binnen de activiteit in opdracht deelactiviteiten uitvoeren de regels naleven. Dat geldt ook voor eventuele regels die als maatwerkvoorschrift over de activiteit zijn gesteld, en voor het bij de activiteit eventueel gebruiken van een gelijkwaardige maatregel.

Artikel 7.30 (bevoegd gezag)

Omdat deze afdeling gaat over het breken van afval afkomstig uit zowel bouwwerken als wegen, is de aanwijzing van het bevoegd gezag in artikel 2.2, dat alleen betrekking heeft op bouwwerken, niet voldoende. Uit het eerste lid van artikel 7.30 volgt dat het college van burgemeester en wethouders ook het bevoegd gezag is waaraan de melding mobiel breken wordt gedaan (zie artikel 7.33), dat een maatwerkvoorschrift kan stellen (zie artikel 7.32) en dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

Het tweede lid van dit artikel geeft invulling aan het principe ‘eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag’. Voor activiteiten die onder afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vallen kan gelden dat wanneer de gedeputeerde staten het bevoegd gezag is voor een bepaalde milieubelastende activiteit, gedeputeerde staten ook het bevoegd gezag is voor de algemene regels over andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie als de complexe bedrijven. Op dergelijke locaties komt daardoor voor alle activiteiten alles bij de provincie terecht: melding, vergunningverlening, het stellen van maatwerkvoorschriften, het houden van toezicht en bestuursrechtelijke handhaving en de toestemming voor een gelijkwaardige maatregel die betrekking hebben op een bouwwerk op die locatie. Een initiatiefnemer heeft hierdoor slechts te maken met één loket waar hij voor al zijn contact met het bevoegd gezag terecht kan. Een initiatiefnemer heeft hierdoor slechts te maken met één loket waar hij voor al zijn contact met het bevoegd gezag terecht kan.

Artikel 7.31 (specifieke zorgplicht)

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht ten aanzien van het in werking hebben of laten hebben van een mobiele puinbreker. Die zorgplicht houdt in dat een ieder die zulke werkzaamheden verricht of laat verrichten en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die werkzaamheden tot nadelige gevolgen kunnen leiden voor de in artikel 7.28 bedoeld belangen, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om deze gevolgen te voorkomen, te beperken, ongedaan te maken of de activiteit achterwege te laten.

In tegenstelling tot de overige specifieke zorgplichten in dit besluit, is artikel 7.31 niet op artikel 4.21 maar artikel 4.22 van de wet gebaseerd. Daarom is deze specifieke zorgplicht meer uitgebreid en ziet deze op meer belangen. Voor meer toelichting op de specifieke zorgplicht bij milieubelastende activiteiten, zie ook de toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving. In het algemeen deel van de nota van toelichting op dit besluit wordt nader in gegaan op de term ‘redelijkerwijs’ (onderdeel 3.1.1). Andere open termen als ‘passende maatregelen’ en ‘significante verontreiniging’ die specifiek voorkomen bij de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten zijn nader toegelicht in de het artikelsgewijs deel van de toelichting op het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 2.10).

Als de zorgplicht overtreden wordt kan het bevoegd gezag hier handhavend tegen optreden. In bijvoorbeeld de last onder bestuursdwang wordt dan aangegeven welke maatregelen moeten worden genomen om de overtreding te beëindigen en de daarbij horende termijn. Daarbij maakt het niet uit of de situatie ontstaan is door actief handelen of nalaten, of dat de situatie al bestond, het laten bestaan van een reeds ontstane gevaarlijke situatie (ongeacht wie deze situatie in eerste instantie heeft laten doen ontstaan) is namelijk ook een overtreding van de zorgplicht (voortduren). In tegenstelling tot de algemene zorgplicht op wetsniveau, kan deze specifieke zorgplicht zowel bestuurs- als strafrechtelijk gehandhaafd worden. Strafrechtelijke handhaving is uiteraard enkel mogelijk als de gedraging ook strafbaar is gesteld.

Daarnaast bestaat op grond van artikel 7.32 de mogelijkheid om de zorgplicht door middel van een maatwerkvoorschrift nader in te vullen. Hier kan voor gekozen worden als de zorgplicht onvoldoende concreet is in een bepaald geval en voor de betrokkenen nog niet duidelijk is wat zij moeten doen om wel te voldoen aan de zorgplicht. Een dergelijk maatwerkvoorschrift moet door degene aan wie deze opgelegd wordt worden opgevolgd. Als dit niet gebeurd kan het bevoegd gezag hier tegen optreden vanwege overtreding van het maatwerkvoorschrift en daarmee ook de zorgplicht.

Artikel 7.32 (maatwerkvoorschriften)

Dit artikel maakt het voor het bevoegd gezag mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen over het in werking hebben van een mobiele puinbreker. De in dit besluit gemaakte keuze betekent niet dat het de bedoeling is om maatwerkvoorschriften op veel grotere schaal dan voorheen in te zetten. Net als onder het voorgaande recht moet het maatwerk alleen worden ingezet als daar werkelijk noodzaak voor is.

Op grond van het eerste lid kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld over de regels in artikel 7.31 (de zorgplicht) en de paragrafen 7.2.2 en 7.2.3, behalve over meldingplichten en meet- of rekenmethoden.

Op grond van het tweede lid is dan afwijking van de betreffende regel mogelijk tenzij het maatwerkvoorschrift de specifieke zorgplicht van artikel 7.31 betreft, daaraan kan met een maatwerkvoorschrift alleen een nadere invulling (concretisering) worden gegeven maar niet van worden afgeweken. Artikel 7.37 bevat een specifieke afbakening van de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften over de procedurele regels.

Op grond van het derde lid kan een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die de werkzaamheden verricht of laat verrichten ook met het oog op andere belangen worden gesteld voor zover de belangen die in artikel 7.28 zijn genoemd zich daar niet tegen verzetten.

§ 7.2.2 Procedurele regels
Artikel 7.33 (melding mobiel puinbreken)

Dit artikel heeft betrekking op de meldingplicht bij mobiel breken. Een vergelijkbaar artikel was voorheen opgenomen in artikel 4 van het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval. In dat artikel werd gesproken over een schriftelijke in kennis stelling in plaats van een melding. Bij de uitwerking van de uitvoeringsregelgeving onder de Omgevingswet is er voor gekozen verschillende termijnen en benamingen van mededelingen aan het bevoegd gezag zoveel mogelijk te harmoniseren. De in het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval genoemde inkennisstelling leek qua vorm en procedure op de overige meldingen die bekend zijn in de bouwregelgeving (gebruiks- en sloopmelding), vandaar dat in artikel 7.33 nu ook gesproken wordt over de melding mobiel puinbreken.

Het artikel bevat een verbodsbepaling. Het is verboden een mobiele breker in werking te hebben of laten hebben zonder dit ten minste vier weken vooraf te melden. Dit verbod omvat ook het handelen in afwijking van de melding. Voor zover het immers gaat om activiteiten die zonder melding niet mogen worden verricht, is ieder handelen dat niet is gemeld handelen zonder melding. Uit artikel 4.9 van de wet en artikel 7.30 van dit besluit vloeit voort dat die melding bij het bevoegd gezag moet plaatsvinden.

In de praktijk zal er vaak een samenloop van de sloopmelding en de melding mobiel puinbreken gaan plaatsvinden, omdat een mobiele breker kan worden ingezet om een redelijke hoeveelheid sloopafval te breken op de sloopplaats. Wanneer de meldingen digitaal gedaan worden, kan de indiener bij de sloopmelding aangeven of gebruik wordt gemaakt van een mobiele breker, waardoor er wel twee meldingen gedaan worden, maar de gebruiker in slechts één keer alle juiste gegevens kan aanleveren.

Artikel 7.34 (gegevens en bescheiden bij melding mobiel puinbreken)

Het artikel bepaalt dat de melder de melding moet voorzien van een ontertekening en welke de gegevens en bescheiden, genoemd in de onderdelen a tot en met f, de melding mobiel puinbreken moet bevatten. Die gegevens en bescheiden vormen samen met het ingevulde meldingsformulier de melding. Die gegevens en bescheiden moeten tegelijk met het ingevulde formulier worden ingediend. Van een melding mobiel puinbreken als bedoeld in dit besluit is alleen sprake wanneer alle gevraagde informatie tijdig is verstrekt. Wanneer daar niet aan is voldaan en toch voorbereidingen voor het in werking hebben van een mobiele breker worden getroffen kan het bevoegd gezag onder omstandigheden handhavend optreden middels een zogenoemde (preventieve) herstelsanctie (artikel 5:7 Algemene wet bestuursrecht). Verder wordt ten overvloede opgemerkt dat de melder voor het doen van een melding geen leges verschuldigd is, aangezien de gemeente bij het afhandelen van een melding geen dienst tegenover de melder verricht.

Bij onderdeel a wordt opgemerkt dat in de regel de eigenaar van het puin ook de eigenaar van het recyclinggranulaat zal zijn.

Op grond van onderdeel e moet bij de melding ook een globale inventarisatie van de aard en de hoeveelheid van de naar verwachting bij de werkzaamheden bewerkte afvalstoffen worden gegeven. Ook moet de afvoerbestemming daarvan worden aangegeven. Op grond van artikel 7.37 kan degene die meldingplichtige werkzaamheden heeft verricht, door een maatwerkvoorschrift worden verplicht binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn na beëindiging van de werkzaamheden een opgave te doen van de aard en de hoeveelheid van de daadwerkelijk bewerkte afvalstoffen en van de daadwerkelijke afvoerbestemming van die stoffen. In combinatie levert dit het bevoegd gezag voldoende informatie op voor het toezicht op de afvoer van afvalstoffen (en een ketenbenadering op dat punt).

Artikel 7.35 (informeren: aanvang mobiel breken)

Door het bevoegd gezag te informeren over het moment van aanvang van het in werking hebben van een mobiele puinbreker kan tijdig toezicht worden uitgeoefend op de uitvoering van de werkzaamheden. Dit artikel bevat regels over de informatieverstrekking die daarbij van belang is.

Aangezien het hier gaat om het informeren van het bevoegd gezag waarbij geen aanvullende gegevens en bescheiden worden aangeleverd, kan het informeren zowel op papier als digitaal plaatsvinden. Die mededeling moet ten minste twee werkdagen voor aanvang worden gedaan bij het bevoegd gezag. Als het moment van feitelijke aanvang overeenstemt met de opgave daarvan in de melding (zie artikel 7.34, onderdeel d), kan een afzonderlijke mededeling achterwege blijven. Als het moment van feitelijke aanvang afwijkt van de opgave in de melding dient de mededeling wel te worden gedaan.

Artikel 7.36 (aanwezigheid bescheiden)

Dit artikel schrijft de bescheiden voor die op het terrein aanwezig moeten zijn. Voor de toezichthoudende en handhavende diensten is het van belang dat deze documenten in origineel of in afschrift op het terrein aanwezig zijn en op verzoek kunnen worden overgelegd, zodat zij kunnen nagaan of de op de werkzaamheden van toepassing zijnde regels zijn en worden nageleefd.

Artikel 7.37 (afbakening maatwerkvoorschriften procedure sloopwerkzaamheden)

Dit artikel bepaalt dat met een maatwerkvoorschrift degene die de mobiele puinbreker in werking heeft gehad, kan worden verplicht binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn na beëindiging van de werkzaamheden een opgave te doen van de aard en de hoeveelheid van de bij de sloopwerkzaamheden vrijgekomen afvalstoffen en van de afvoerbestemming van die stoffen. Zie ook de toelichting op artikel 7.32.

Het bevoegd gezag kan verplichten dat nadat de werkzaamheden met de mobiele puinbreker zijn beëindigd, een opgave wordt gedaan van de aard en hoeveelheid van de daadwerkelijk bij de werkzaamheden bewerkte afvalstoffen en de daadwerkelijke afvoerbestemming van die stoffen. De termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden, wordt door het bevoegd gezag bepaald. Ten overvloede wordt opgemerkt dat deze termijn ook kan worden bepaald door een daartoe gemandateerde gemeenteambtenaar. Bij de melding mobiel puinbreken moet een globale inventarisatie van de aard en hoeveelheid stoffen opgegeven worden en de voorgenomen afvoerbestemming (artikel 7.34, onder e). Dit omdat die op het moment dat de melding gedaan moet worden (minstens 4 weken vooraf) vaak nog niet in detail aangegeven kunnen worden. Na het beëindigen van de werkzaamheden kan het bevoegd gezag deze informatie wel opvragen als dit naar zijn oordeel noodzakelijk is. Deze mogelijkheid sluit aan bij de maatwerkmogelijkheid die ook bestaat bij sloopwerkzaamheden in artikel 7.14 van dit besluit.

§ 7.2.3 Materiële regels
Artikel 7.38 (overeenkomstige toepassing materiële regels sloopwerkzaamheden)

Zoals aangegeven bij de algemene toelichting op deze afdeling zijn de regels over mobiel puinbreken in een aparte afdeling in dit besluit geplaatst aangezien zij ook een andere wettelijke grondslag dan de regels in de rest van dit besluit hebben (namelijk artikel 4.3 van de Wet in samenhang met de uitwerking in artikel 4.22 in plaats van artikel 4.21 van de wet). Dit neemt echter niet weg dat al onder het Bouwbesluit 2012 en het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval een sterke inhoudelijke relatie bestond tussen de regels die van toepassing waren bij ‘regulier’ slopen en bij het breken van sloopafval door middel van een mobiele puinbreker. Zeker nu deze regels bij elkaar zijn gebracht in één besluit, is er voor gekozen dezelfde materiële regels te laten gelden door de paragrafen 7.1.4 en 7.1.5 van overeenkomstige toepassing te verklaren op het in werking hebben van een mobiele puinbreker, ongeacht of daar sloopafval afkomstig uit bouwwerken of wegen verwerkt wordt.

Uitzondering hierop is artikel 7.17 over geluidhinder. In artikel 7.38 is bepaald dat artikel 7.17 niet van overeenkomstige toepassing is op het in werking hebben van een mobiele puinbreker. In artikel 7.39 zijn soortgelijke regels voor het in werking hebben van een mobiele puinbreker opgenomen als artikel 7.17 voor ‘reguliere’ bouw- en sloopwerkzaamheden. De reden voor aparte artikelen is het streven naar een gelijkwaardig beschermingsniveau ten opzichte van het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval, voor zowel omwonenden als voor degene die de mobiele puinbreker in werking heeft.

Regels uit het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval en de daarbij behorende bijlage die niet terug te vinden zijn in deze afdeling of in de van overeenkomstige toepassing zijn de paragrafen 7.1.4 en 7.1.5 zijn voor een groot deel komen te vallen onder de specifieke zorgplicht in artikel 7.31.

Maatwerk over paragraaf 7.1.4 is in artikel 7.23 afgebakend. Ten overvloede wordt hier opgemerkt dat met het overeenkomstig van toepassing verklaren van die paragraaf op deze afdeling, ook dezelfde afbakening uit artikel 7.23 geldt voor het stellen van maakwerkvoorschriften bij mobiel breken. Een uitzondering hierop betreft het onderdeel van artikel 7.23, eerste lid, dat betrekking heeft op geluid en artikel 7.17. Artikel 7.17 is namelijk als enige artikel in paragraaf 7.1.4 niet van overeenkomstige toepassing verklaard op het in werking hebben van een mobiele puinbreker. Daarom is het ook de bij artikel 7.17 behorende maatwerkmogelijkheid van artikel 7.23 niet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.39 (geluidhinder)

In het eerste lid is bepaald dat een mobiele puinbreker alleen op werkdagen tussen 7:00 en 19:00 uur in werking mag zijn.

In de tabel van het tweede lid is het maximale geluidsniveau aangegeven, gerekend met een maximale blootstellingsduur in dagen dat de in de tabel opgenomen dagwaarde is bereikt. Uit de toepassing van de tabel volgt dat naarmate het in werking hebben van een mobiele breker meer geluid veroorzaakt op de gevel van een woonfunctie of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang of op de grens van een geluidgevoelig terrein, het aantal dagen waarop die activiteiten mogen worden uitgevoerd, afneemt. Zo volgt uit de tabel dat het in werking hebben van een mobiele puinbreker maximaal 15 dagen een dagwaarde van meer dan 65 dB(A) mag veroorzaken op de gevel van een woonfunctie of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang of op de grens van een geluidgevoelig terrein. Van deze 15 dagen mag de dagwaarde maximaal 5 dagen hoger zijn dan 70 dB(A). Ook volgt duidelijk uit de tabel dat geluid van meer dan 75 dB(A) niet is toegestaan.

Op de gevel van een gezondheidszorgfunctie of een onderwijsfunctie is de dagwaarde beperkt tot maximaal 60 dB(A). De duur van 65 dagen komt overeen met de maximale duur van het in gebruik hebben van een mobiele breker (3 maanden). Zie ook artikel 7.27.

Het begrip dagwaarde is gedefinieerd in Bijlage I bij artikel 1.1. De gehanteerde definitie van dagwaarde komt overeen met de dagwaarde van de langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT,dag), bepaald volgens de de Handleiding meten en Rekenen industrielawaai (internetuitgave 2004) (de dagwaarde is gebaseerd op het equivalente geluidsniveau bepaald over de periode lopend van 7.00 tot 19.00 uur vermeerderd met een straftoeslag voor geluid met een impulsachtig karakter). De bijbehorende eenheid is dB(A).

Artikel 7.32, eerste lid, maakt het mogelijk om in concrete gevallen door maatwerkvoorschriften soepeler eisen te hanteren dan in het eerste en tweede lid van artikel 7.39 gesteld. Ook bij een maatwerkvoorschrift over artikel 7.39 moeten de best beschikbare stille technieken worden toegepast, zoals voorgeschreven in de specifieke zorgplicht (artikel 7.31).

Artikel 7.40 (registratie)

Dit artikel maakt duidelijk dat een registratie omtrent afval dient te worden bijgehouden. Een zelfde verplichting geldt ook voor afvalverwerkingsbedrijven die op een vaste locatie afval verwerken. Om marktverstoring tussen mobiele en stationaire afvalverwerkingslocaties te voorkomen, geldt deze verplichting hier ook. Aangezien stationaire afvalverwerkingbedrijven vergunningplichtig zijn, worden de regels rondom registratie opgenomen als voorschriften in de vergunning (zie ook artikel 8.39 Besluit kwaliteit leefomgeving en de toelichting hierbij). Aangezien mobiel breken meldingplichtig is, zijn deze regels hier opgenomen als algemeen geldende regels in plaats van vergunningvoorschriften.

Deze formulering komt grotendeels overeen met wat voorheen in onderdeel 2.1.2 van de bijlage bij het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval geregeld was. De verplichting dat de registratie per werkdag moet worden bijgehouden is komen te vervallen aangezien deze verplichting ook niet geldt in voor overige bedrijven waar gelijke afvalstoffen worden bewerkt.

Hoofdstuk 8 slotbepalingen
Artikel 8.1 (inwerkingtreding)

De inwerkingtreding zal plaatsvinden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, gelijktijdig met de overige regelgeving in het kader van de Omgevingswet.

Artikel 8.2 (citeertitel)

De citeertitel van dit besluit is Besluit bouwwerken leefomgeving.

Bijlage I BIJ ARTIKEL 1.1 VAN DIT BESLUIT (BEGRIPPEN)

In deze bijlage zijn naast enkele nieuwe begrippen vooral begrippen opgenomen afkomstig uit het Bouwbesluit 2012, het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit energieprestatie gebouwen.

A. Begrippen: algemeen
Aankleding

Aankleding is op of aan een constructieonderdeel bevestigd materiaal. Voorbeelden daarvan zijn gordijnen, vitrages, slingers en andere ornamenten in een ruimte. Meubilair wordt in het algemeen niet beschouwd als aankleding in de zin van dit besluit.

Aansluitend terrein

Onder aansluitend terrein wordt verstaan een aan een bouwwerk grenzend (aansluitend) onbebouwd gedeelte van een bouwwerkperceel of openbaar toegankelijk gebied. Het begrip wordt bij verschillende eisen gebruikt. Bij vluchten bij brand gaat het bijvoorbeeld om vluchten naar het aansluitend terrein. Omdat in de definitie van aansluitend terrein is gesproken van ‘onbebouwd gedeelte van een perceel’ in plaats van ‘onbebouwd perceel’ wordt duidelijk gemaakt dat een vluchtroute ook over het onbebouwd gedeelte van het eigen perceel mag voeren.

Airconditioningsysteem

Een airconditoningsysteem is een systeem dat de kwaliteit van de binnenlucht van een gebouw beïnvloedt. De eigenschappen die daarbij relevant zijn, zijn het koelen van de een ruimte door het toevoeren van koude lucht of het onttrekken van warmte aan de binnenlucht. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat airconditioningsystemen in de praktijk dikwijls ook voorzien in verwarmingsdoeleinden, de beheersing van de vochtigheidsgraad en het gehalte aan micro-organismen, stofdeeltjes en andere verontreinigingen. De definitie maakt helder dat een airconditioningsysteem dat wel gericht is op deze laatste prestaties, maar niet op het toevoeren van koude lucht of het onttrekken van warmte aan de binnenlucht, geen airconditioningsysteem is als bedoeld in dit besluit.

Asbest

In het spraakgebruik is het begrip asbest zodanig verankerd dat een definitie van het begrip onnodig lijkt. Technisch gaat het echter om een stof bestaande uit specifieke vezels met specifieke eigenschappen en in het bijzonder de afmetingen daarvan. In het Asbestverwijderingsbesluit is aangegeven dat het gaat om de volgende vezelachtige silicaten: actinoliet (CAS-nummer 77536-66-4), amosiet (CAS-nummer 12172-73-5), anthofylliet (CAS-nummer 77536-67-5), chrysotiel (CAS-nummer 12001-29-5), crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4) en tremoliet (CAS-nummer 77536-68-6). Deze definitie is gegeven om in de praktijk objectief te kunnen vaststellen of de aangetroffen vezels wel of geen asbestvezels zijn en of de betreffende veiligheidseisen die verbonden zijn aan het houden van, werken met of bewerken van asbest op de betreffende situatie van toepassing zijn. Het achter de stoffen aangegeven Cas-nummer is het nummer waaronder de stof in het register van de Chemical Abstracts Service (Cas) is opgenomen.

Asbestinventarisatierapport

Een asbestinventarisatierapport moet voldoen aan de eisen in artikel 4.54a, eerste, derde en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In dat rapport moet worden genoteerd of, waar, hoeveel en welke soorten asbest aanwezig zijn in het bouwwerk. Om de voor dit rapport noodzakelijke asbestinventarisatie zo zorgvuldig mogelijk te laten plaatsvinden, moet deze inventarisatie uitgevoerd worden door een bedrijf dat daartoe is gecertificeerd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet. Dat bedrijf zal het resultaat van de inventarisatie vastleggen in een rapport. Dat rapport is met name van belang voor degene die uiteindelijk het bouwwerk gaat slopen. Zie ook de toelichting op artikel 7.9.

Er wordt op gewezen dat onder slopen behalve het geheel of gedeeltelijk afbreken ook het uit elkaar nemen of demonteren van een bouwwerk verstaan.

Bedgebied en bedruimte

Een bedgebied is een bijzondere vorm van een verblijfsgebied en een bedruimte een bijzondere vorm van een verblijfsruimte.

De begripsomschrijving van bedgebied, verblijfsgebied met een of meer bedruimten, is toegesneden op de situatie dat in dit gebied een of meer bedruimten aanwezig zijn. In een bedgebied ligt ten minste één bedruimte, maar er mogen daarnaast ook andere verblijfs- of andere ruimten liggen. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een zusterverblijf of spoelkamer in een bedgebied van een ziekenhuis, of een speelruimte in een bedgebied van een kinderopvang.

Met de definitie van bedruimte, verblijfsruimte voor een of meer bedden voor slapen of voor het verblijf van een bedgebonden patiënten in die ruimte, wordt expliciet tot uitdrukking gebracht dat het bij een bedruimte niet gaat om bijvoorbeeld een ruimte voor de opslag van bedden en ook niet om een ruimte met een rustbed voor een middagslaapje, of een behandel- of operatieruimte in een ziekenhuis. Een bedruimte betreft louter een ruimte met een of meer bedden waarin kan worden geslapen, zoals een slaapruimte in een crèche, een hotelkamer of een verpleegruimte in een ziekenhuis.

Beschermd subbrandcompartiment

Een beschermd subbrandcompartiment biedt vergeleken met een gewoon subbrandcompartiment extra bescherming aan de daarin verblijvende personen door een zwaardere eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) van een scheidingsconstructie tussen het beschermde subbrandcompartiment en een aangrenzende ruimte in het brandcompartiment. Bij brand in een beschermd subbrandcompartiment zijn buiten dat compartiment gelegen vluchtroutes en andere ruimten langere tijd tegen brand en rook beschermd. De aanwezigheid van een beschermd subbrandcompartiment is van belang voor personen die slapen zoals hotelgasten, of personen die niet zelfstandig kunnen vluchten zoals zeer kleine kinderen, aan bedgebonden patiënten, of gedetineerden. In zo’n situatie is meer tijd nodig om iedereen bij een brand in veiligheid te brengen. Beschermd subbrandcompartiment is gedefinieerd als gedeelte van een bouwwerk dat binnen de begrenzing van een subbrandcompartiment ligt of daarmee samenvalt, dat meer bescherming biedt tegen brand of rook dan een subbrandcompartiment. In de definitie is tot uitdrukking gebracht dat een beschermd subbrandcompartiment zowel een gedeelte van een subbrandcompartiment mag zijn, maar ook met het hele subbrandcompartiment mag samenvallen. Zie ook de toelichting op het begrip subbrandcompartiment.

Beschermde route

De beschermde route is het buiten het subbrandcompartiment waar de vluchtroute begint gelegen gedeelte van de vluchtroute. Dit is een begrip dat alleen bij bestaande bouw wordt gebruikt. Dit begrip is verwant aan het begrip beschermde vluchtroute dat alleen bij nieuwbouwregels wordt gebruikt.

Een beschermde vluchtroute mag niet door een subbrandcompartiment voeren terwijl bij bestaande bouw dat wel mag. Om die reden is het nodig voor nieuwbouw en bestaande bouw verschillende begrippen te hanteren.

Een beschermde route ligt altijd buiten het subbrandcompartiment waarin het vluchten begint. De beschermde route mag behalve door een verkeersruimte ook door een ander subbrandcompartiment (inclusief daarin gelegen verblijfsgebieden en verblijfsruimten) lopen. Dit betekent dat er tussen een beschermde route en een verblijfsgebied of een verblijfsruimte geen fysieke scheiding aanwezig hoeft te zijn, de vluchtroute mag zelfs over de vloer van een verblijfsruimte lopen. Bij een beschermde vluchtroute (nieuwbouw) is dit niet het geval. Deze mag niet door een subbrandcompartiment lopen en dus ook niet door een verblijfsgebied en een verblijfsruimte.

Beschermde vluchtroute

De beschermde vluchtroute is een buiten een subbrandcompartiment gelegen gedeelte van een vluchtroute die alleen voert door een verkeersruimte. Dit begrip wordt alleen gebruikt voor de nieuwbouw.

Een beschermde vluchtroute kan wel in een brandcompartiment maar kan nooit in een subbrandcompartiment liggen. De beschermde vluchtroute voert alleen door verkeersruimten zodat het risico van het ontstaan van brand op die vluchtroute beperkt is.

Als er maar één vluchtroute is, dan moet die vluchtroute, zodra het subbrandcompartiment waarin het vluchten begint is verlaten, een beschermde vluchtroute zijn.

De beschermde vluchtroute is alleen vereist in situaties dat er alleen één vluchtroute is. Zie ook het begrip extra beschermde vluchtroute.

Bijna energieneutraal gebouw

Een bijna energieneutraal gebouw heeft een zeer lage energiebehoefte. De benodigde energie voor een dergelijk gebouw moet daarbij in zeer aanzienlijke mate worden geleverd uit hernieuwbare bronnen en (deels) ter plaatse of dichtbij geproduceerd. De normen voor bijna energieneutrale gebouwen worden met name door drie waarden gekenschetst: een maximale energiebehoefte (in kWh/m2.jr), een maximale hoeveelheid primaire energiegebruik (in kWh/m2.jr) en een percentage duurzaam (in %).

Bouwconstructie

Een bouwconstructie is elk onderdeel van een bouwwerk dat is bestemd om belasting te dragen. Dat kan bijvoorbeeld een dragende wand, een vloer, een trap of hellingbaan, een gevelonderdeel of de dakconstructie zijn. Een binnenwandje van gipsblokken of een verplaatsbaar binnenwandje zijn voorbeelden van constructieonderdelen die geen bouwconstructie zijn. Het begrip bouwconstructie is een overkoepelend begrip dat zowel de in de Eurocode gebruikte begrippen constructie als constructief element omvat. Onder belasting wordt in dit verband verstaan de belastingen uit de belastingcombinaties genoemd in in de artikelen 3.9 (fundamentele belastingscombinaties), 4.11 (fundamentele belastingscombinaties) en 4.12 (buitengewone belastingscombinaties) en 4.13 (bepalingsmethode niet-bezwijken).

Bouwschil

De bouwschil is gedefinieerd als de geïntegreerde onderdelen die de binnenruimte van een gebouw scheiden van de daar buiten gelegen onderdelen van de fysieke leefomgeving. Deze definitie is opgenomen om te voldoen aan de verplichting uit de richtlijn energieprestatie van gebouwen om het begrip bouwschil in regelgeving om te zetten. Het begrip bouwschil wordt in dit besluit en de bijbehorende ministeriële regeling eigenlijk alleen gebruikt ter omzetting van eisen uit de EPBD, zoals bijvoorbeeld bij het artikel over ingrijpende renovatie (artikel 5.20, vierde lid). Qua betekenis komt het begrip bouwschil overeen met het begrip uitwendige scheidingsconstructie. In dit besluit wordt vooral het van oudsher bekende begrip uitwendige scheidingsconstructie gebruikt. Zie ook de artikelsgewijze toelichting op dat begrip.

Bouwwerkinstallatie

Een bouwwerkinstallatie is een voorziening van niet-bouwkundige aard die noodzakelijk is voor het functioneren van een bouwwerk of een gedeelte daarvan. Voorbeelden van een bouwwerkinstallatie zijn een mechanische ventilatievoorziening, de drink- of warmwatervoorziening, de binnenriolering, rookmelders en een brandmeldinstallatie. Omdat deze voorzieningen nodig zijn voor het functioneren van het bouwwerk wordt ook het installeren van deze voorzieningen gezien als bouwen of verbouwen van een bouwwerk.

Bouwwerkperceel

De contouren van het bouwwerkperceel zijn van belang bij het beoordelen van eisen waarbij de ligging van het bouwwerk op het perceel een rol speelt. Een voorbeeld hiervan is de bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (zie onder meer artikel 4.54). Bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen moet het bouwwerkperceel bij de indiening worden vermeld.

Het is niet in alle gevallen zo dat de contouren van het bouwwerkperceel het zelfde zijn als de in het kadaster vastgelegde eigendomsgrenzen.

Het begrip bouwwerkperceel is inhoudelijk gelijk aan het begrip perceel als eerder in het Bouwbesluit 2012. De toevoeging van de term bouwwerk vloeit voort uit het feit dat perceel zowel in het spraakgebruik als in de context van de Omgevingswet een andere betekenis kent dan het in het Bouwbesluit 2012 bedoelde begrip. Het is in de regel de indiener van een aanvraag om omgevingsvergunning, of bij een bestaand gebouw de eigenaar van het gebouw, die bepaalt hoe de perceelsgrens verloopt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het de verantwoordelijkheid is van die indiener of eigenaar om daarbij de belangen van de eigenaren van de perceeleigenaar en buurpercelen in acht te nemen. In dit besluit wordt ook gesproken van een aan een bouwwerk perceel grenzend perceel of een ander perceel dan het bouwwerkperceel. Het gaat dan bijvoorbeeld om de afbakening van de begrenzing van het betreffende bouwwerkperceel naar een aangrenzend of een ander perceel, waarbij het niet ter zake doet of dat aangrenzende of andere perceel een bouwwerkperceel is.

Brandcompartiment

Een brandcompartiment is het gedeelte van een of meer bouwwerken dat is bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand. Hiermee wordt beoogd om gedurende een bepaalde tijd te voorkomen dat de brand zich verder kan uitbreiden dan het brandcompartiment waarin de brand is ontstaan. Binnen deze tijd kan de brandweer handelend optreden en voorkomen dat de brand een grotere omvang aanneemt dan de omvang van het compartiment. Bovendien kunnen gebruikers deze tijd benutten om zich, buiten het compartiment waarin de brand is, in veiligheid te stellen. Een brandcompartiment moet daarom zowel bij nieuwbouw als bij bestaande bouw aan diverse regels voldoen.

Brandvoorschriftengebied

Voor een definitie van het begrip brandvoorschriftengebied kan bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving worden geraadpleegd. Het brandvoorschiftengebied is een gebied is bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Als de gemeente in het omgevingsplan een brandvoorschriftengebied heeft aangewezen, dan mag, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met bijvoorbeeld zeer brandbare vloeistoffen (plasbrand), in dat gebied alleen een bouwwerk met een verblijfsgebied worden gebouwd als dat bouwwerk, in aanvulling op de overige regels van dit besluit ook voldoet aan de specifieke regels die dit besluit bij het bouwen in een dergelijk gebied stelt.

Brandweerlift

Een brandweerlift is in de meeste gevallen een normale personenlift die in geval van brand door de brandweer wordt gebruikt voor het transport van blus en reddingsmateriaal. In de definitie wordt niet verwezen naar de Europese productnorm (NEN 81-72) voor brandweerliften. Het besluit beperkt zich tot regels voor de aanwezigheid van een brandweerlift en regels aan het bouwwerk en het gedeelte daarvan waar de betreffende liftinstallatie is opgesteld.

Een brandweerlift zal net als een reguliere personenlift, inclusief schacht en liftmachineruimte, moeten voldoen aan het Warenwetbesluit liften waarin de Europese Richtlijn liften (95/16/EG) is geimplementeerd. In artikel 8, lid 1, van het Warenwetbesluit liften is bepaald dat de lift moet zijn voorzien van een CE-markering.

Constructieonderdeel

Een constructieonderdeel is gedefinieerd als een onderdeel van het bouwwerk voor het voldoen aan de technische eisen van de hoofdstukken 3 tot en met 5. Constructieonderdeel is een verzamelbegrip om de eisen die gesteld worden aan de onderdelen van een bouwwerk waarvoor eisen gelden, zoals scheidingsconstructies, draagconstructies en installaties, op een zo hoog mogelijk abstractieniveau te kunnen stellen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook de in de afdeling 3.7 en 4.7 bedoelde kabels, leidingen, brandveiligheidsinstallaties en hang en sluitwerk constructieonderdelen zijn als bedoeld in dit besluit.

Dagwaarde

De gehanteerde definitie van dagwaarde komt overeen met de dagwaarde van de langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor geluid (LAR,LT,dag), bepaald volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (internetuitgave 2004). De dagwaarde is gebaseerd op het equivalente geluidsniveau bepaald over de periode lopend van 7.00 tot 19.00 uur vermeerderd met een straftoeslag voor geluid met een impulsachtig karakter. Er wordt op gewezen dat wanneer er geen geluid met een impulskarakter is, de toeslag daarvoor op nul kan worden gezet.

De dagwaarde moet worden bepaald op de gevel van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, gezondheidszorgfunctie of onderwijsfunctie, of op de grens van een geluidsgevoelig terrein. In de definitie van dagwaarde is de Handleiding meten en rekenen industrielawaai internetuitgave 2014 genoemd. Deze kan worden geraadpleegd via www.rijksoverheid.nl.

Energielabel

Een energielabel is een schriftelijke verklaring over de energieprestatie van een gebouw. Een energielabel is het zelfde als een energieprestatiecertificaat als bedoeld in de richtlijn energieprestatie van gebouwen. Voor de eisen die overeenkomstig de richtlijn aan het energielabel worden gesteld wordt verwezen naar afdeling 6.4.

Explosievoorschriftengebied

Voor een definitie van het begrip explosievoorschriftengebied en de toelichting daar op wordt verwezen naar bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Extra beschermde vluchtroute

De extra beschermde vluchtroute is een niet in een brandcompartiment gelegen gedeelte van een beschermde vluchtroute. De extra beschermde vluchtroute is een bijzondere vorm van een beschermde vluchtroute. Een extra beschermde vluchtroute ligt nooit in een brandcompartiment en dus ook niet in een subbrandcompartiment.

De extra beschermde vluchtroute begint altijd bij de uitgang van een brandcompartiment. De extra beschermde vluchtroute voert net als een beschermde vluchtroute alleen door verkeersruimten. Niet elke route die bij de uitgang van een brandcompartiment begint is echter een extra beschermde vluchtroute. Zie ook de toelichting op het begrip beschermde vluchtroute.

Functiegebied en functieruimte

Een gebied of een ruimte kan in bepaalde gevallen zijn bedoeld voor activiteiten waarbij het verblijven van mensen geen rol van betekenis speelt. Dan is er sprake van een functiegebied of een functieruimte. Het functiegebied ligt in het gebruiksgebied van een gebruiksfunctie. Een functieruimte is vervolgens een in een functiegebied gelegen ruimte. Het bewerken of verhandelen van materialen of goederen, het verlenen van diensten, of het beoefenen van sport zijn voorbeelden van kenmerkende activiteiten die gepaard gaan met het verblijven van personen zodat deze ruimte zal moeten voldoen aan de eisen voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte.

Een toilet- of douchegebouw op een camping is een voorbeeld van een bouwwerk waarbij het kenmerkende gebruik zich hoofdzakelijk richt op toileten badruimten. De toilet- en badruimten zijn dus de in het functiegebied van het sanitairgebouw gelegen functieruimten.

Gebouw

Een gebouw is een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Deze begripsomschrijving is overgenomen uit de Woningwet. Het begrip bouwwerk is in de Omgevingswet gedefinieerd als: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties.

Gebruiksfunctie

Onder gebruiksfunctie wordt verstaan de gedeelten van een of meer bouwwerken die eenzelfde gebruiksbestemming hebben en die samen een gebruikseenheid vormen.

Die bouwwerken of gedeelten daarvan liggen op hetzelfde bouwwerkperceel. In een gebruiksfunctie vinden de voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaats. Dit besluit onderscheidt twaalf (hoofd)gebruiksfuncties (zie hiervoor onderdeel B van deze bijlage). Afhankelijk van het niveau van regels kunnen de gebruiksfuncties nader ingedeeld worden in subgebruiksfuncties.

Een gebruiksfunctie bestaat uit een of meer niet-gemeenschappelijke ruimten. Soms deelt een gebruiksfunctie bepaalde ruimten, routes of voorzieningen met andere gebruiksfuncties. Dit zijn dan gemeenschappelijke ruimten, routes respectievelijk voorzieningen.

In een bouwwerk kunnen zich verschillende gebruiksfuncties bevinden. Zo kunnen er in een kantoorgebouw naast een of meer kantoorfuncties, bijvoorbeeld ook bijeenkomstfuncties (vergaderzalen en bedrijfsrestaurant) zijn. Bij aanvraag van een vergunning voor het bouwen geeft de aanvrager de gebruiksbestemming(en) van de te onderscheiden delen van het bouwwerk aan. Uit de definitie volgt dat als er sprake is van meer dan een gebruikseenheid, er ook sprake moet zijn van meer dan meer dan een gebruiksfunctie. Ook of er sprake is van een gebruikseenheid wordt aangegeven door de indiener.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een wooneenheid als bedoeld in dit besluit een onderdeel is van de gebruikseenheid die als woonfunctie is aangemerkt. Kortom, de gebruikseenheid woonfunctie kan bestaan uit een aantal wooneenheden die gezamenlijk als een gebruikseenheid worden aangemerkt. Wooneenheden kunnen onderdeel zijn van een gebruikseenheid, als er sprake is van gezamenlijke voorzieningen.

Gebruiksgebied

Met gebruiksgebied wordt aangeduid het vrij indeelbare gedeelte van een gebruiksfunctie dat bestaat uit (op dezelfde bouwlaag gelegen) ruimten gelegen in een brandcompartiment die niet door een dragende scheidingsconstructie van elkaar zijn gescheiden. waarin de voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden. Niet elk constructieonderdeel heeft een dragende functie. Zo kan een lichte of verplaatsbare wand een scheidingsconstructie zijn, zonder dat deze een dragende scheidingsconstructie is. Voorbeelden van dragende scheidingsconstructies zijn vloeren en dragende muren of wanden.

In onderdeel B van bijlage I is per gebruiksfunctie aangegeven wat de kenmerkende activiteiten van de verschillende gebruiksfuncties zijn. Afhankelijk van het type gebruiksfunctie kan een gebruiksgebied worden onderverdeeld in verblijfsgebieden en functiegebieden, die weer een nadere onderverdeling kunnen hebben in een bedgebied met bedruimten of verblijfsruimten en andere ruimten, respectievelijk functieruimten en andere ruimten.

Toiletruimten, badruimten, technische ruimten en verkeersruimten zijn geen onderdeel van een gebruiksgebied. Uitzondering hierop is een op zichzelf staand gebouw met deze voorzieningen, zoals een sanitairgebouw op een camping. Bij een sanitairgebouw is het gebruik van het sanitair kenmerkend voor het gebruik van dat gebouw. Zodoende zijn de toilet- en badruimten functieruimten in het functiegebied van de gebruiksfunctie van het sanitairgebouw (overige gebruiksfunctie). Zie ook de toelichting op de begrippen functiegebied en functieruimte.

Gebruiksoppervlakte

Onder de gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580 wordt verstaan het totaal van de tussen omsluitende wanden gelegen vloeroppervlakten van in een bepaalde gebruiksfunctie gelegen ruimten. Tot die gebruiksoppervlakte worden niet gerekend de oppervlakten die worden ingenomen door dragende constructieonderdelen, de oppervlakten van vloeren waarboven een hoogte aanwezig is van minder dan 1,5 m en de vloeroppervlakten van bijvoorbeeld een buiten een woning in het woongebouw gelegen bergruimte, stookruimte of trappenhuis. De gebruiksoppervlakte van een in een woongebouw gelegen woning bestaat uit het totaal van de tussen omsluitende wanden gelegen vloeroppervlakten van de niet-gemeenschappelijke ruimten van de woonfunctie (woning), vermeerderd met het evenredig deel van bepaalde, in het woongebouw gelegen gemeenschappelijke ruimten waarop die woning is aangewezen. Op een zelfde wijze kan de in NEN 2580 bedoelde gebruiksoppervlakte worden bepaald van bijvoorbeeld een brandcompartiment of een afzonderlijke ruimte.

Inwendige scheidingsconstructie

Een inwendige scheidingsconstructie is de constructie die de scheiding vormt tussen twee voor mensen toegankelijke besloten ruimten van een gebouw. Dit kan bijvoorbeeld een woningscheidende wand (een niet aan de buitenlucht blootgestelde scheidingswand tussen twee woningen), een binnenwand of een verdiepingscheidende vloer zijn. Deuren, ramen, schachten, kanalen en kolommen die in een inwendige scheidingsconstructie voorkomen, maken deel uit van die scheidingsconstructie.

Klimlijn

De klimlijn geeft een denkbeeldige route weer die personen over de trap volgen. Een aantal regels die betrekking hebben op de beloopbaarheid van een trap zijn aan deze klimlijn gerelateerd, bijvoorbeeld de breedte van het tredevlak.

Koelsysteem

Het begrip koelsysteem is hier gedefinieerd als technisch bouwsysteem met als doel het koelen van een ruimte binnen een gebouw of gedeelte daarvan, met het toevoeren van koude of het ontvochtigen van de lucht of een combinatie van beide. Het gaat hier om de installatieonderdelen die samen een gebouw of gedeelte daarvan koelen. Het gaat zowel om de opwekker (bijvoorbeeld koudeopslag of koelmachine), de distributie (bijvoorbeeld pomp en leiding) als de afgifte (bijvoorbeeld inblaasrooster). De richtlijn energieprestatie van gebouwen gebruikt zowel het begrip technisch bouwsysteem voor koeling als het begrip airconditioningsysteem.

Lift

Een lift in de zin van dit besluit is een lift als bedoeld in het Warenwetbesluit liften 2016 die bestemd is voor personen. Dit betekent dat de lift een afsluitbare kooi moet hebben en dat liften die exclusief voor goederenvervoer zijn bedoeld (goederenliften in genoemd besluit) zijn uitgesloten.

Een installatie voor verticaal transport van personen in overeenstemming met het Warenwetbesluit machines, zoals een plateaulift, of een lift zonder schachtput of schachtkop kan alleen worden toegepast als gelijkwaardige oplossing.

Meetniveau

Het meetniveau is de bovenkant van het terrein ter plaatse van de toegang van een gebouw. Als een gebouw alleen kan worden betreden via een trap of een hellingbaan, is het meetniveau de hoogte van het terrein aan de voet van de trap of de hellingbaan.

De indiener geeft bij een gebouw met meer dan een toegang aan welke toegang de in deze begripsbepaling bedoelde toegang van het gebouw is. Vervolgens zal bij elke regel waarbij wordt gerefereerd aan de toegang van het gebouw moeten worden uitgegaan van de zelfde door de indiener als de toegang van het gebouw aangemerkte toegang. Dit geldt ook bij de toegang van een woongebouw. Wordt in een regel gesproken van een toegang van het gebouw dan gaat het bij een gebouw met meer dan een toegang niet alleen om ‘de toegang’ als bedoeld in deze definitie, maar kan het ook gaan om een willekeurige andere toegang van het gebouw.

Indien de uiteindelijke terreinhoogte afwijkt van de opgegeven terreinhoogte bij de door de indiener aangegeven toegang van het gebouw is er of sprake van een afwijking van de omgevingsvergunning of sprake van een bewuste of onbewuste onjuistheid in de aanvraag. Tegen beide situaties kan handhavend worden opgetreden.

NEN en NEN-EN

NEN- en NEN-EN normen worden toegepast bij de bepalingsmethode bij de prestatie-eisen. Er is altijd de mogelijkheid om op basis van gelijkwaardigheid te werken met een oplossing die voldoet aan het functionele voorschrift. NEN- en NEN-EN normen worden in dit besluit dus niet dwingend voorgeschreven.

Nevengebruiksfunctie

Een nevengebruiksfunctie is een gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie, in het Bouwbesluit 2012 werd dit nog nevenfunctie genoemd, de betekenis is het zelfde gebleven. Bij een nevengebruiksfunctie kan gedacht worden aan een buitenberging bij een woning, een kantoor aan huis, een fietsenstalling bij een kantoor, een werkplaats in een gevangeniscomplex, of een liftschacht bij een tunnel. Een nevengebruiksfunctie moet in ieder geval aan de eisen voldoen die gelden voor de eigen gebruiksfunctie van die nevengebruiksfunctie. Zo moet een kantoor aan huis in beginsel voldoen aan de eisen voor een kantoorfunctie. Aan een nevengebruiksfunctie kunnen in dit besluit extra eisen worden gesteld of eisen buiten werking worden gesteld. Dit hangt af van het specifieke onderwerp en van de specifieke hoofdfunctie. Zo mag bijvoorbeeld een nevengebruiksfunctie (kantoor aan huis) van een woonfunctie in hetzelfde brandcompartiment liggen als de woonfunctie en zijn de eisen aan vluchtroutes voor een nevengebruiksfunctie bij een celfunctie afgestemd op het bijzondere veiligheidsregime dat voor die celfunctie geldt.

Nooddeur

Een nooddeur is alleen bestemd voor het ontvluchten in geval van calamiteiten en zal niet voor regulier gebruik worden benut. Een nooddeur moet onder alle omstandigheden van binnenuit zonder sleutel kunnen worden geopend, bijvoorbeeld met een zogenoemde panieksluiting. Bovendien mag een nooddeur geen schuifdeur zijn.

Wanneer een in een vluchtroute gelegen deur onder normale omstandigheden ook wordt benut voor het bereiken van ruimten in een gebouw, dan is er geen sprake van een nooddeur maar van een deur van een toegang die ook als vluchtdeur kan dienen. Het is daarom niet uitgesloten dat in bijvoorbeeld de hoofdtoegang of een andere toegang van een gebouw een schuifdeur wordt toegepast.

Dit besluit schrijft overigens geen nooddeuren voor, maar stelt alleen de eis dat een nooddeur onder bepaalde omstandigheden geen schuifdeur mag zijn. Een nooddeur kan behalve voor vluchten ook worden gebruikt ter beperking van ongevallen bij brand en voor brandbestrijding.

Permanente vuurbelasting en permanente vuurlast

De definitie maakt duidelijk dat de permanente vuurbelasting en permanente vuurlast van brandbare materialen in constructieonderdelen moet worden bepaald volgens NEN 6090. Deze begrippen moeten worden onderscheiden van het begrip vuurbelasting zonder de toevoeging ‘permanent’.

Zie hierna de toelichting op het begrip vuurbelasting.

Prestatieverklaring

In de prestatieverklaring geeft de fabrikant de prestaties aan van bouwproducten over hun essentiële kenmerken. Dat zijn productkenmerken waarvoor geharmoniseerde Europese testmethoden zijn vastgesteld. Elke vorm van informatie over de essentiële kenmerken van het product mag alleen ter beschikking worden gesteld, als vermeld en gespecificeerd in de prestatieverklaring. Marktdeelnemers moeten de prestatieverklaring kenbaar maken aan hun klanten. Voor een compleet overzicht van de inhoud van de prestatieverklaring wordt naar artikel 6 en bijlage III van de verordening bouwproducten verwezen. Fabrikanten mogen geen CE-markering afgeven zonder bijbehorende prestatieverklaring en geen prestatieverklaring zonder CE-markering. Voor producten die onder een geharmoniseerde norm vallen is de CE-markering en bijgevolg de prestatieverklaring vereist. In artikel 5 van de verordening bouwproducten zijn uitzonderingen gegeven voor ambachtelijke en niet seriematige producten. Voor deze producten is geen CE-markering en bijgevolg ook geen prestatieverklaring vereist.

Stookplaats

Een stookplaats is een opstelplaats voor een verbrandingstoestel voor het verbranden van vaste brandstoffen, zoals een voor brandhout (vaste brandstof op cellulosebasis) bestemde open haard (stooktoestel).

Subbrandcompartiment

Een subbrandcompartiment is een gedeelte van een bouwwerk dat binnen de begrenzing van een brandcompartiment ligt of daarmee samenvalt, bestemd voor beperking van de verspreiding van rook en verdere beperking van het uitbreidingsgebied van brand. Elk brandcompartiment is opgedeeld in één of meer subbrandcompartimenten. Een subbrandcompartiment moet, evenals een brandcompartiment, zowel bij nieuwbouw als bij bestaande bouw aan bepaalde regels voldoen. Behalve de zogenoemde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) van een scheidingsconstructie tussen het subbrandcompartiment en een andere ruimte in het brandcompartiment geldt ook een regel tegen rookdoorgang. Een subbrandcompartiment mag ook geheel samenvallen met een brandcompartiment. Zie ook de toelichting op ‘beschermd subbrandcompartiment’.

Systeemrendement

Het begrip systeemrendement is gedefinieerd als de verhouding tussen de door het technisch bouwsysteem nuttig geleverde energie voor het doelmatig functioneren van dat systeem en de door dat systeem aangewende primaire energie. Ofwel het systeemrendement drukt een waarde uit die het nuttig effect van de systemen voor het verwarmen, het opwekken van warmtapwater, koelen of ventileren of een combinatie van dit soort systemen weergeeft.

Technisch bouwsysteem

Technisch bouwsysteem is gedefinieerd als gebouwgebonden samenstelling van alle bestanddelen van een installatie, waaronder de isolatiekenmerken daarvan, die is bedoeld voor het verwarmen, koelen, ventileren, of het voorzien van warmwater, of een combinatie daarvan, van een gebouw of een gedeelte daarvan. Dit betekent dat het om alle onderdelen van een bepaald systeem gaat, dus zowel de onderdelen die nodig zijn voor de opwekking, voor de distributie als voor de afgifte. Dit begrip is opgenomen als onderdeel van de implementatie van de richtlijn energieprestatie van gebouwen.

Technische ruimte

Een technische ruimte is een ruimte voor het plaatsen van apparatuur die noodzakelijk is voor het functioneren van een gebouw. Voorbeelden daarvan zijn een meterruimte, een stookruimte en een liftmachineruimte. Ook een ruimte specifiek bestemd voor de airconditioning zal in het algemeen een technische ruimte zijn. Niet onder deze begripsbepaling vallen installaties die voor hun functioneren in verblijfsruimten of andere niet technische ruimten moeten worden geplaatst. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een verlichtings-, sprinkler of brandmeldinstallatie. Ook de machines die zijn bestemd voor de bedrijfsmatige productie van goederen vallen hier buiten. Een ruimte hoeft niet besloten te zijn om als technische ruimte te kunnen functioneren.

Tijdelijk bouwwerk

Een tijdelijk bouwwerk is een bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 15 jaar op dezelfde locatie. Het is dus een bouwwerk waarbij van te voren is vastgesteld hoe lang het bouwwerk op een specifieke locatie aanwezig mag zijn. Zo’n tijdelijk bouwwerk hoeft op grond van dit besluit slechts te voldoen aan de regels voor tijdelijke bouw. Het kwaliteitsniveau dat geldt voor tijdelijke bouw ligt lager dan het reguliere nieuwbouwniveau. Bij een tijdelijk bouwwerk is de toegestane periode voor dat specifieke geval vastgelegd in de omgevingsvergunning. Daarbij wordt opgemerkt dat het omgevingplan ook randvoorwaarden kan stellen aan de instandhoudingstermijn. Voorbeelden van een tijdelijk bouwwerk zijn een bouwkeet bij een bouwactiviteit, een noodlokaal bij een school, een noodwoning en een noodwinkel. Een bijzondere vorm van een tijdelijk bouwwerk is een seizoensgebonden bouwwerk zoals een strandpaviljoen. Kenmerkend voor dergelijke bouwwerken is dat zij in een bepaald tijdvak worden gebouwd, gebruikt en verwijderd gedurende een aantal opeenvolgende kalenderjaren. De zogenoemde mantelzorgwoning is een voorbeeld van een tijdelijk bouwwerk waarvoor onder bepaalde randvoorwaarden geen omgevingsvergunning nodig is.

Toegankelijkheidssector

Een toegankelijkheidssector is een ook voor personen met een functiebeperking bruikbaar en toegankelijk gedeelte van een gebouw. In een dergelijk gedeelte moet in ieder geval een rolstoelgebruiker zich zelfstandig kunnen verplaatsen. Dit betekent dat er voldoende manoeuvreerruimte moet zijn, er geen voor een rolstoel onoverbrugbare hoogteverschillen zijn en inrichtings en bedieningselementen voor deze personen met een functiebeperking zelfstandig bruikbaar en toegankelijk zijn.

Trappenhuis

Het begrip trappenhuis is van belang omdat aan een trappenhuis specifieke eisen zijn gesteld uit het oogpunt van brandveiligheid.

Tunnelbuislengte en tunnellengte

De begripsbepaling tunnellengte is noodzakelijk om eenduidig vast te kunnen stellen of een wegtunnel wel of niet onder de regels van dit besluit valt. De tunnellengte is de lengte van de wegtunnelbuis met de grootste tunnelbuislengte. De tunnelbuislengte is de lengte van het omsloten gedeelte van de tunnelbuis. In beginsel zal het omsloten gedeelte van de tunnel zich uitstrekken van tunnelmond tot tunnelmond. Het omsloten gedeelte kan ook achter de tunnelmond beginnen, bijvoorbeeld als er in het tunneldak of de tunnelwand grote openingen zitten die de bij een brand ontstane rook en hitte in voldoende mate kunnen afvoeren. Of in een bepaalde situatie sprake is van een omsloten gedeelte is (bij een aanvraag om omgevingsvergunning) ter beoordeling van de gemeente. Het is dus mogelijk dat het omsloten gedeelte van een van de wegtunnelbuizen (tunnelbuislengte) korter is dan de lengte van de tunnel (tunnellengte). Opgemerkt wordt dat het in dit besluit opgenomen begrip tunnellengte niet letterlijk overeenkomt met de richtlijn tunnelveiligheid (richtlijn nr. 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 over minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet) (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201). Aangezien voor een wegtunnel kenmerkend is dat deze bij de tunnelmonden open is, spreekt dit besluit van volledig omsloten gedeelte, terwijl de Nederlandse versie van de richtlijn ten onrechte spreekt van het volledig gesloten gedeelte. Met dit besluit wordt daarom recht gedaan aan de doelstellingen van de richtlijn.

Uitwendige scheidingsconstructie

Een uitwendige scheidingsconstructie is de constructie die de scheiding vormt tussen een voor personen toegankelijke ruimte en de buitenlucht, de grond of het water. Ook de daarop aansluitende delen van andere constructies worden, voor zover die delen van invloed zijn op de scheidingsconstructie, gezien als onderdeel van die constructie. Als uitwendige scheidingsconstructie kunnen bijvoorbeeld worden aangemerkt de gevel, het dak en de scheidingsconstructie tussen een woning en een niet-besloten verkeersruimte, zoals een galerij. Een beganegrond vloer die boven een kruipruimte is gelegen, is niet als uitwendige scheidingsconstructie aan te merken, aangezien die vloer de scheiding vormt met de binnenlucht in de kruipruimte en niet met de grond, de buitenlucht of het water.

Veiligheidsroute

Het begrip veiligheidsroute, gedefinieerd als gedeelte van een extra beschermde vluchtroute dat voert door een niet-besloten ruimte en aansluitend daarop door een ruimte die in de vluchtrichting alleen kan worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte, wordt alleen gebruikt bij bestaande bouw. Bij nieuwbouw wordt in soortgelijke gevallen de (zwaardere) veiligheidsvluchtroute voorgeschreven.

Veiligheidsvluchtroute

Een veiligheidsvluchtroute is dat gedeelte van een extra beschermde vluchtroute dat door een niet-besloten ruimte voert en aansluitend daarop door een ruimte die alleen kan worden bereikt vanuit niet-besloten ruimten. De niet-besloten ruimte beoogt dat er op een veiligheidsvluchtroute geen brand en rook doordringen. Een veiligheidsvluchtroute kan zowel horizontaal als verticaal worden toegepast, De zinsnede ‘die alleen kan worden bereikt vanuit niet-besloten ruimten’ maakt duidelijk dat er nergens een directe verbinding mag zijn tussen een besloten ruimte op de veiligheidsvluchtroute en een andere besloten ruimte. Met andere woorden er mag nergens vanuit een besloten ruimte brand of rook doordringen naar een besloten ruimte van een veiligheidsvluchtroute.

De begrippen extra beschermde vluchtroute en beschermde vluchtroute zijn ook toegelicht in dit artikel.

Ventilatiesysteem

Ventilatiesysteem is gedefinieerd als technisch bouwsysteem, geen onderdeel uitmakend van een verwarmingsof koelsysteem, dat verse lucht toevoert of verontreinigde binnenlucht afvoert, of een combinatie daarvan. Het gaat hier om mechanische ventilatie, een systeem waarbij met behulp van een ventilator de lucht wordt ververst.

Verblijfsgebied en verblijfsruimte

Een verblijfsgebied is een gebruiksgebied of gedeelte daarvan voor het verblijven van personen en een verblijfsruimte is een in een verblijfsgebied gelegen ruimte voor het verblijven van personen. Hiermee is duidelijk dat een verblijfsruimte altijd in een verblijfsgebied ligt. Een verblijfsgebied kan worden opgedeeld in verblijfsruimten en andere ruimten. De regels voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte zijn afgestemd op het verblijven van mensen. Met het stellen van eisen aan een verblijfsgebied is bovendien een minimumniveau voor de verblijfsruimte gewaarborgd. Op deze wijze wordt zoveel mogelijk recht gedaan aan de vrije indeelbaarheid van het verblijfsgebied. De aanvrager van de vergunning voor een bouwactiviteit kan binnen grenzen zelf aangeven welk deel van de gebruiksfunctie wordt benoemd als gebruiksgebied, verblijfsgebied en verblijfsruimte. Vervolgens zal het bevoegd gezag het bouwplan toetsen aan de randvoorwaarden die dit besluit ter zake geeft. Bij bijvoorbeeld een kantoorfunctie moeten de werkvertrekken voor administratieve werkzaamheden en bij een school de klaslokalen als verblijfsruimten worden aangemerkt. Zie ook de toelichting op het begrip gebruiksgebied.

Verbouwen

De definitie van verbouwen: gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of vergroten, anders dan vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering geheel of gedeeltelijk resteert is grotendeels ontleend aan artikel 1.12 van het Bouwbesluit 2012. Verschil is echter dat met deze definitie direct duidelijk wordt dat er behalve verbouw nog een andere categorie bestaat. Deze tweede categorie ‘het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert’ wordt in de praktijk ook wel aangeduid herbouw, maar is te beschouwen als een vorm van nieuwbouw. De regels voor verbouw zijn te vinden in hoofdstuk 5 van dit besluit. De regels voor het al dan niet gedeeltelijk vernieuwen na sloop waarbij alleen gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering zijn te vinden in hoofdstuk 4, nieuwbouw. In dat hoofdstuk is in artikel 4.6 een eigen maatwerkvoorschrift voor deze categorie. Zie voor de uitgangspunten bij verbouw paragraaf 3.5 van het algemeen deel van de toelichting.

Verkeersroute

Een verkeersroute is een route die begint bij een doorgang (hier een uitgang) van een ruimte, alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt bij de doorgang (hier een ingang) van een andere ruimte. Het is geen ruimte op zich, maar een route die bijvoorbeeld vanaf een slaapkamer via een gang, een trap, de woonkamer en de hal naar de toegang van de woning voert, of een route die door een kantoortuin loopt. Ook de route tussen bijvoorbeeld slaapkamer en toilet is een verkeersroute. Een verkeersroute kan samenvallen met de vluchtroute maar dat hoeft niet.

De verkeersroute behoort bij de gebruiksfunctie die er op is aangewezen en moet aan de regels voor die gebruiksfunctie voldoen.

Het is niet altijd nodig dat er een fysieke scheiding is tussen de ruimte waardoor de verkeersroute voert en aangrenzende ruimten. Een fysieke scheiding tussen de ruimte van de verkeersroute en een aangrenzende ruimte is wel nodig als bijvoorbeeld beide gebruiksfuncties niet in hetzelfde brandcompartiment mogen liggen of om te kunnen voldoen aan eisen over geluidwerendheid.

Het is dus mogelijk dat voor de ruimte de regels van een andere gebruiksfunctie gelden dan voor de route die er doorheen loopt. In dat geval gelden voor dat gedeelte van de route dubbele regels waarbij aan de zwaarste regels zal moeten worden voldaan.

Verkeersruimte

Een verkeersruimte is een ruimte bestemd voor het bereiken van een andere ruimte, maar geen ruimte in een verblijfsgebied of een functiegebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte. Loopt de verkeersroute door een verblijfsgebied, een functiegebied, toiletruimte, badruimte of technische ruimte, dan is die ruimte niet een verkeersruimte, maar een verblijfsgebied, functiegebied, toiletruimte, badruimte of technische ruimte waardoor een verkeersroute voert.

Verwarmingssysteem

Verwarmingssysteem is gedefinieerd als technisch bouwsysteem waarin warmte wordt opgewekt, gedistribueerd of afgegeven of een combinatie daarvan. Dit zijn de installatieonderdelen die samen een gebouw of gedeelte van een gebouw verwarmen. Het gaat zowel om de opwekker (bijvoorbeeld verwarmingsketel), de distributie (bijvoorbeeld pomp en leiding) als de afgifte (bijvoorbeeld radiator).

Vluchtroute

Een vluchtroute is een route die begint in een voor personen bestemde ruimte, alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats. Omdat het gebruik van een lift bij brand risico’s met zich meebrengt mag een route waarbij gebruik moet worden gemaakt van een lift niet worden aangemerkt als vluchtroute.

Voor personen bestemde vloer of ruimte

Een voor personen bestemde vloer of ruimte is een vloer of ruimte waarvan het kenmerkende gebruik verbonden is met de aanwezigheid van personen. Met andere woorden er moet worden aangenomen dat bij regulier gebruik op die vloer of in die ruimte mensen aanwezig zijn. Een technische ruimte is daarom in de regel geen voor personen bestemde ruimte. Het kenmerkend gebruik van die ruimte is de aanwezigheid en het functioneren van een installatie, niet de incidentele aanwezigheid en werkzaamheden van onderhoudsmonteurs. Moet er voor de bediening van die installatie personeel aanwezig zijn, dan is de ruimte wel een voor personen bestemde ruimte.

Vuurbelasting

De vuurbelasting onderscheidt zich van de hiervoor beschreven permanente vuurbelasting in die zin dat deze vuurbelasting een combinatie is van de permanente en de variabele vuurbelasting.

Het permanente deel ziet toe op de vuurbelasting ten gevolge van constructieonderdelen en de variabele vuurbelasting op de vuurbelasting gebaseerd op de aankleding, de inventaris en het gebruik van een bouwwerk. Zie ook de toelichting op het begrip permanente vuurbelasting.

Warmtapwatersysteem

Warmtapwatersysteem is gedefinieerd als technisch bouwsysteem waarin warmwater wordt opgewekt, gedistribueerd of afgegeven of een combinatie daarvan. Het warmwatersysteem kan zowel de opwekker (bijvoorbeeld combiketel of boiler), de distributie (bijvoorbeeld pomp en leiding) als afgifte (bijvoorbeeld tapkraan) betreffen.

Wegtunnel

Een wegtunnel is een tunnel of tunnelvormig bouwwerk alleen of ook bestemd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994. Met het opnemen van dit begrip is zeker gesteld dat de regels voor wegtunnels in dit besluit alleen betrekking hebben op tunnels voor auto’s, motoren en vrachtverkeer over de weg. Een tunnelbuis met een andere bestemming (bijvoorbeeld voetgangers-, fietsof leidingtunnel) en een bij een tunnel behorend dienstengebouw zijn geen wegtunnels. Afhankelijk van het gebruik van het bouwwerk kan er sprake zijn van een andere tunnel, ander bouwwerk geen gebouw zijnde respectievelijk kantoorfunctie, industriefunctie of bijeenkomstfunctie. Er wordt op gewezen dat een belangrijke eigenschap van een tunnelvormig bouwwerk is dat deze omsloten is. Een tunnelbak die niet aan de bovenzijde is afgesloten kan dus geen tunnel of tunnelvorming bouwwerk zijn als bedoeld in dit besluit.

Zorg op afroep, zorg of afspraak en 24-uurszorg.

De drie zorgniveaus zorg op afroep, zorg of afspraak en 24-uurszorg zijn van belang voor het bepalen de aard en omvang van een brandmeldinstallatie bij een woonfunctie voor zorg (zie de artikelen 3.115 en 4.208).Zorg op afspraak: de zorgverlener komt slechts op afspraak langs (bijvoorbeeld thuiszorg). Verder kan de bewoner zich nog zelfstandig of met behulp van mantelzorg redden. In de woning zijn daarom geen voorzieningen zoals een spreek/luister-verbinding met een zorgcentrale of een zusterpost aanwezig. Wel kan een persoonlijk alarmeringssysteem aanwezig zijn. Deze woonvorm onderscheidt zich slechts in beperkte mate van niet voor zorg bestemde woonfuncties.

Zorg op afroep: de zorgverlener wordt op door de cliënt te bepalen momenten opgeroepen voor hulp bij dagelijkse zaken zoals toiletbezoek of aankleden. Hierbij zijn in de woning specifieke voorzieningen aanwezig ter ondersteuning van die zorgverlening, bijvoorbeeld een professioneel intercomsysteem voor het doen van oproepen in geval van een zorgvraag. Dit systeem is meer uitgebreid dan een persoonlijk alarmeringssysteem. De oproep wordt gecoördineerd door een zorgcentrale. Een zorgcentrale is een al dan niet in de nabijheid van de woning gelegen coördinatiepunt dat door een spreek/luisterverbinding met deze en andere soortgelijke woningen is verbonden. De zorg wordt vervolgens verleend vanuit een nabij de woning gelegen steunpunt.

24-uurs zorg: aan de woning is een zorgaanbod van 24 uur per dag verbonden, middels in de woning of een zusterpost aanwezig personeel. Een zusterpost is een in de directe nabijheid van de woning gelegen post die 24 uur per dag bereikbaar is en van waaruit 24 uur per dag directe hulp aan de bewoner kan worden verleend.

B. Begrippen: gebruiksfuncties

In dit besluit worden evenals in het Bouwbesluit 2012, twaalf (hoofd)gebruiksfuncties onderscheiden, te weten elf functies voor gebouwen en één functie voor een bouwwerk geen gebouw zijnde. In dit besluit is het begrip gebouw gedefinieerd als elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Het begrip bouwwerk is gedefinieerd in de wet.

Bijeenkomstfunctie

De bijeenkomstfunctie is een gebruiksfunctie voor het samenkomen van personen. Onder deze gebruiksfunctie kunnen bijvoorbeeld worden verstaan de kenmerkende ruimten van een congrescentrum, een kerk, een wijkgebouw, een bioscoop, een theater, een casino, een café, een restaurant, een kantine, een discotheek, een tentoonstellingsgebouw, een museum, een kinderdagverblijf en een gedeelte van een sportgebouw met tribune. De opsomming in definitie is aangevuld met de activiteit ‘ontspanning’. Met deze toevoeging is verduidelijkt dat onder bijeenkomstfunctie ook de kenmerkende ruimten van bijvoorbeeld een welnesscentrum, een binnenspeeltuin of een tropisch zwemparadijs zijn begrepen.

Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang

Deze begripsbepaling is opgenomen om de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang te kunnen onderscheiden van andere bijeenkomstfuncties. Onder de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang vallen dagopvang met slaapgelegenheid voor kinderen tot 4 jaar, de buitenschoolse opvang en de 24-uurs opvang. Het gaat om bedrijfsmatige opvang. De oppas aan huis of de gastouder als bedoeld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, die één of meer kinderen in de eigen woning of de woning van de ouders van die kinderen opvangt of verzorgt, vallen hier buiten. Voorzieningen waar kinderen wonen, zoals een weeshuis, worden niet gerekend tot de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. Die vallen onder de woonfunctie. Medische voorzieningen zoals een medisch kinderdagverblijf of een kinderziekenhuis vallen onder de gezondheidszorgfunctie. Kinderopvang met bedgebied richt zich zowel op kinderopvang voor kinderen tot 4 jaar als op 24 uurs opvang. Bij 24 uursopvang speelt de leeftijd van de kinderen geen rol.

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Een bouwwerk geen gebouw zijnde is een bouwwerk of gedeelte daarvan voor zover dat niet in een gebouw ligt. Voorbeelden van een bouwwerk geen gebouw zijnde, zijn onder meer een brug, een viaduct, een tribune, een magazijnstelling, een steiger, of een tunnel. Een in een gebouw geplaatste tribune of magazijnstelling kan op zich zelf een bouwwerk geen gebouw zijnde zijn terwijl de ruimte waarin de tribune staat kan zijn aangemerkt als bijvoorbeeld een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport.

Celeenheid

Een celeenheid is een voor een enkel persoon of een afzonderlijke groep personen bestemd gedeelte van een celfunctie. In een celfunctie kunnen dus één of meer celeenheden liggen.

Uit de begripsbepaling volgt dat het mogelijk is dat in een afzonderlijke celeenheid meer dan één ruimte ligt, bijvoorbeeld naast de verblijfsruimte een sanitaire ruimte.

Een ophoudruimte of een verhoorruimte is geen celeenheid in de zin van dit besluit en hoeft daarom alleen te voldoen aan de regels van een reguliere verblijfsruimte. Een reguliere verblijfsruimte moet tijdens het vluchten onmiddellijk kunnen worden geopend. Bij een ophoud of verhoorruimte die vanaf de buitenzijde op slot is gedaan, moeten zodanige gebruikstechnische of organisatorische maatregelen worden getroffen dat de ruimte een brandveiligheid heeft die, in samenhang met de bouwkundige situatie, gelijkwaardig is aan de brandveiligheid van een reguliere verblijfsruimte. Zie ook de omschrijving van het begrip celfunctie.

Naast de celeenheid, in de praktijk vaak cel genoemd, is er bij een aantal regels sprake van (andere) ruimten voor het insluiten van personen. Deze laatste ruimten zijn ruimten die geen celeenheid zijn en dus ook niet in de celfunctie liggen. Dergelijke ruimten behoeven ook niet aan de voorschriften voor de celeenheid of de celfunctie te voldoen. Met het aanbrengen van dit onderscheid tussen de celeenheid en andere ruimten voor het insluiten van personen kan helder worden gemaakt aan welke specifieke eisen andere ruimten waarin personen tegen hun wil worden vasthouden, moeten voldoen.

Celfunctie

Een celfunctie is een gebruiksfunctie voor dwangverblijf van personen. Een celfunctie kan voorkomen in penitentiaire inrichtingen, detentiecentra, jeugd- en TBS-inrichtingen, gesloten afdelingen van opvang- en uitzetcentra, politiebureaus en bij isoleercellen in de geestelijke gezondheidszorg. In een celfunctie kan dus één maar ook meer dan één celeenheid liggen. Zie ook de toelichting op het begrip celeenheid.

Gezondheidszorgfunctie

Een gezondheidszorgfunctie is een gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of behandeling. Hier gaat het bijvoorbeeld om ruimten voor de behandeling of verpleging van patiënten in een ziekenhuis, een verzorgingstehuis, een verpleeghuis, een psychiatrische inrichting, een medisch centrum, een polikliniek en een praktijkruimte voor een huisarts, fysiotherapeut of tandarts.

Groepszorgwoning

Een groepszorgwoning is een subgebruiksfunctie van de woonfunctie voor zorg. Een groepzorgwoning is bestemd voor bewoning in groepsverband, en bestemd voor het aanbieden van zorg aan ten minste vijf zorgcliënten die samen één huishouding voeren. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om groepswonen van verstandelijk gehandicapten of van dementerenden. Als een groepszorgwoning vijf of meer wooneenheden omvat, dan moet deze ook voldoen aan de aan een woonfunctie voor kamergewijze verhuur verbonden regels. In een dergelijk geval is de zwaarste eis maatgevend. Het is bijvoorbeeld niet nodig dat een groepszorgwoning naast een brandmeldinstallatie ook de eenvoudiger rookmelders moet hebben.

Industriefunctie

Een industriefunctie is een gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor bedrijfsmatige agrarische doeleinden. Een industriefunctie is bijvoorbeeld een werkplaats of een magazijn van een fabriek, een opslagruimte in een pakhuis, een archiefruimte in een kantoor, een stal van een boerderij, of een kweekkas.

Kantoorfunctie

Een kantoorfunctie is een gebruiksfunctie voor administratie. Een kantoorfunctie is bijvoorbeeld een gebouw of een deel daarvan waar een adviesbureau, een administratieof advocatenkantoor, een verzekeringsmaatschappij, of een gemeentesecretarie is gevestigd.

Kantoorgebouw

Een kantoorgebouw is een gebouw of gedeelte van een gebouw met alleen één of meer kantoorfuncties en nevenfuncties daarvan. Hieruit volgt dat een kantoorgebouw een afzonderlijk gebouw kan zijn, maar ook een onderdeel van een groter gebouw. Veel gebouwen in Nederland zijn combinatiegebouwen. Een bekend voorbeeld is een hoog gebouw met in de plint winkels of horeca en daarboven kantoren. Tot een kantoorgebouw worden ook de nevenfuncties gerekend van de kantoorfuncties. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het bedrijfsrestaurant of vergaderzalen (beide zijn zogenaamde bijeenkomstfuncties). Het begrip kantoorgebouw maakt mogelijk om eisen te stellen die wel voor het kantoorgebouw gelden maar niet voor bijvoorbeeld de winkels in de plint.

Lichte industriefunctie

Een lichte industriefunctie is een industriefunctie waarin activiteiten plaatsvinden waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt. Voorbeelden zijn een opslagloods, een kas en een stal. Onder een lichte industriefunctie wordt niet een hondenhok of een daarmee vergelijkbaar niet voor personen toegankelijk bouwwerk (bouwwerk geen gebouw zijnde) verstaan.

Lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren

Dit begrip is gedefinieerd als lichte industriefunctie waarin dieren als bedoeld in bijlage II bij het Besluit houders van dieren worden gehouden. Het gaat dan over zogenoemde productiedieren, dieren die worden gefokt of gehouden voor de productie van voedsel, wol, huiden of andere landbouwdoeleinden. In de praktijk wordt dit type lichte industriefunctie ook wel als stal aangeduid.

Logiesfunctie

Een logiesfunctie is een gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen. Die personen hebben elders hun hoofdverblijf. Van een logiesfunctie is onder meer sprake bij een zomerhuisje, een hotel, een motel en een pension. Elke hotelkamer of suite is een logiesverblijf in een logiesfunctie. Een groepsaccommodatiegebouw zoals een kampeerboerderij kan echter, net als een vakantiehuisje, in zijn geheel worden aangemerkt als een enkel logiesverblijf. Zie ook de bij het derde lid opgenomen toelichting op de begrippen logiesgebouw en logiesverblijf. Opgemerkt wordt dat, wanneer mensen op een bepaald adres zijn ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie, daaruit mag worden afgeleid dat zij hun hoofdwoonverblijf op dat adres hebben. In een dergelijk geval zal geen sprake zijn van een logiesfunctie maar van een woonfunctie. Ook een kleine bed en breakfastgelegenheid, met bijvoorbeeld twee gastenkamers voor één of twee personen wordt niet als een logiesfunctie beschouwd maar als een woonfunctie.

Logiesgebouw en logiesverblijf

Een logiesgebouw is een gebouw of gedeelte daarvan, waarin meer dan een logiesverblijf ligt, en dat is aangewezen op een gezamenlijke verkeersroute. Een logiesverblijf is een voor een enkel persoon of een afzonderlijke groep personen bestemd gedeelte van een logiesfunctie.

In een logiesgebouw wordt logiesgelegenheid geboden, bijvoorbeeld een hotel of een pension. In dat gebouw kunnen ook andere gebruiksfuncties liggen, bijvoorbeeld kantoorruimten, vergaderruimten, eetzaal en keuken, maar dat hoeft niet. In het laatste geval is het logiesgebouw een logiesfunctie. Een logiesverblijf is een gedeelte van een logiesfunctie voor een enkel persoon of een groep personen. Voorbeelden zijn een kamer of suite in een hotel, een vakantiehuisje, appartement of woning of een groepsaccommodatie zoals een vakantieboerderij.

Onderwijsfunctie

Een onderwijsfunctie is een gebruiksfunctie voor het geven van onderwijs. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de klaslokalen in een schoolgebouw of een collegezaal van een universiteit. Een tot een school behorend gymnastieklokaal is echter geen onderwijsfunctie maar een sportfunctie en tegelijkertijd een nevengebruiksfunctie van die onderwijsfunctie.

Overige gebruiksfunctie

Een overige gebruiksfunctie is een niet in dit lid benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt. Een overige gebruiksfunctie is dus geen bouwwerk geen gebouw zijnde maar een gebouw. Voorbeeld van een overige gebruiksfunctie is een trafohuisje.

Sportfunctie

Een sportfunctie is een gebruiksfunctie voor het beoefenen van sport. Voorbeelden zijn een zwembad, een gymnastieklokaal, een sporthal en een fitnesscentrum. Een ruimte voor toeschouwers in een sporthal, bijvoorbeeld een tribune, valt niet onder de sportfunctie maar is een bijeenkomstfunctie. Dit geldt ook als tussen het speelveld en die tribune geen fysieke scheiding aanwezig is. Een tribune in een voetbalstadion daarentegen is in de regel een bouwwerk geen gebouw zijnde. De tribune kan echter wel onderdeel van een gebouw zijn zoals een grote stadion waar bijvoorbeeld kantoren onder de tribune zijn gebouwd. Ook kan een tribune in een gebouw zijn opgesteld. In het laatste geval is de tribune een onderdeel van de inrichting van dat gebouw.

Winkelfunctie

Een winkelfunctie is een gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of diensten. Een winkelfunctie kan een zelfstandige functie zijn zoals een warenhuis, een supermarkt of een reisbureau, of de winkel bij een tankstation, dit hoeft echter niet. Bij een winkelcentrum kunnen de daar van deel uitmakende winkels samen één winkelfunctie vormen. In een winkelcentrum kunnen echter ook winkels liggen die elk afzonderlijk een gebruikseenheid vormen. Dit zijn dan afzonderlijke winkelfuncties. In een winkelcentrum liggen vaak, in hetzelfde gebouw of op hetzelfde perceel, andere gebruiksfuncties, bijvoorbeeld een restaurant (bijeenkomstfunctie), als nevengebruiksfunctie van een winkelfunctie of als zelfstandige bijeenkomstfunctie.

Wooneenheid

Een wooneenheid is een gedeelte van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur dat is bestemd voor afzonderlijke bewoning. Een wooneenheid kan uit een of meer kamers bestaan. De bewoner(s) van een wooneenheid delen veelal een aantal voorzieningen zoals verkeersruimten, de voordeur, de keuken en het sanitair met andere in de woning gelegen wooneenheden. De bewoners hebben hun hoofdverblijf in de wooneenheid. Een wooneenheid is geen gebruiksfunctie maar maakt deel uit van een woonfunctie. Zie hiervoor ook de toelichting op het begrip gebruiksfunctie. Het begrip wooneenheid is nodig om bij de woonfunctie voor kamergewijze verhuur specifieke eisen te kunnen stellen aan individuele wooneenheden en de daarbij behorende gedeelde voorzieningen (gezamenlijke ruimten en andere voorzieningen). In een woonfunctie voor kamergewijze verhuur bevinden zich dus vijf of meer wooneenheden.

Hierbij is er van uitgegaan dat bij de verdeling van een woonfunctie in maximaal vier wooneenheden vergeleken met een reguliere woonfunctie geen extra risico’s voor de brandveiligheid bestaan. Als een woningeigenaar of hoofdhuurder vier of meer wooneenheden verhuurt en hij woont zelf ook in die woonfunctie dan is er sprake van vijf of meer wooneenheden en gelden daarmee ook de regels voor de woonfunctie voor kamergewijze verhuur.

Zie verder de toelichting op het begrip woonfunctie voor kamergewijze verhuur.

Woonfunctie

Onder woonfunctie vallen bouwwerken of delen daarvan met een woonbestemming, zoals vrijstaande woningen, eengezinswoningen, flatof portiekwoningen, studentenhuizen en woonwagens.

Woonfunctie voor kamergewijze verhuur

De woonfunctie voor kamergewijze verhuur is het niet-gemeenschappelijk deel van een woonfunctie waarin zich vijf of meer wooneenheden bevinden.

De woonfunctie voor kamergewijze verhuur wordt niet beperkt in omvang of in aantallen wooneenheden. Ook grote studentenverdiepingen met bijvoorbeeld 16 wooneenheden worden dus gezien als kamergewijze verhuur. Overigens is niet alle studentenhuisvesting automatisch ook kamergewijze verhuur. Een woongebouw met zelfstandige studentenwoningen valt onder de normale woonfunctie en is dus geen woonfunctie voor kamergewijze verhuur. Een voorbeeld van kamergewijze verhuur is een woning waarin 5 personen wonen die ieder een eigen wooneenheid (kamer) hebben en gedeelde voorzieningen. Kenmerkend voor kamergewijze verhuur is dat er van uitgegaan wordt dat betrokkenen hun hoofdverblijf in de wooneenheid hebben. Zie verder de toelichting op het begrip wooneenheid.

Opgemerkt wordt dat een zelfstandige woonfunctie niet altijd een complete woning hoeft te zijn. Volgens artikel 2.7 van dit besluit kan een woonfunctie namelijk gebruik maken van gemeenschappelijke voorzieningen (bouwwerken, ruimten of andere voorzieningen) voor zover bij de regels voor deze voorziening niet anders is bepaald.

Woonfunctie voor particulier eigendom

Het begrip woonfunctie voor particulier eigendom is gedefinieerd als een woonfunctie die wordt gebouwd in particulier opdrachtgeverschap als bedoeld in het Omgevingsbesluit40 of die wordt bewoond door de eigenaar. Het Omgevingsbesluit definieert particulier opdrachtgeverschap als ‘de situatie dat de burger of een groep van burgers – in dat laatste geval georganiseerd als rechtspersoon zonder winstoogmerk of krachtens een overeenkomst – tenminste de economische eigendom verkrijgt en volledige zeggenschap heeft over en verantwoordelijkheid draagt voor het gebruik van de grond, het ontwerp en de bouw van de eigen woning’. In de praktijk wordt daarbij ook wel gesproken van ‘vrije kavel’. Een burger koopt een grondkavel of verwerft een dergelijke kavel in erfpacht en laat hierop dan een woning bouwen. Er zijn echter ook andere vormen van particulier opdrachtgeverschap mogelijk. Een groep van burgers die een oud kantoorgebouw koopt en laat verbouwen tot woningen, waarin zij zelf gaan wonen, is ook een vorm van particulier opdrachtgeverschap. Uit deze verwijzing naar het Omgevingsbesluit blijkt duidelijk dat het niet gaat om een woning die van bijvoorbeeld een projectontwikkelaar wordt gekocht. Uit de zinsnede ‘of die door de eigenaar wordt bewoond’ volgt dat het niet alleen om nieuwbouw gaat maar nadrukkelijk ook om het verbouwen van een eigen woning.

Woonfunctie voor zorg

De woonfunctie voor zorg is een woonfunctie waarbij aan de bewoners professionele zorg wordt verleend met een vanuit het zorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg in een daarvoor bestemde en uitgeruste woonfunctie. In zo’n woonfunctie wordt aan bewoners van een zorgclusterwoning of een groepszorgwoning professionele zorg verleend, in de regel op grond van de Wet langdurige zorg of de Wet maatschappelijke ondersteuning. Dit is dus geen mantelzorg (niet professionele zorg). Voor een toelichting op de zorgclusterwoning en de groepszorgwoning evenals de verdere onderverdeling naar gelang de zorgbehoefte wordt verwezen naar de toelichting op artikel 4.208 (brandmeldinstallatie).

Woongebouw

Een woongebouw is een gebouw of een gedeelte daarvan met alleen woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan, waarin meer dan een woonfunctie ligt die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute. Het gaat bij dit begrip bijvoorbeeld om een woongebouw met portiekof galerijwoningen. Ruimten in een dergelijk gebouw met een andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie, bijvoorbeeld de kelderof garageboxen, zijn nevengebruiksfuncties van die woningen. Een appartement in een woongebouw is een afzonderlijke woonfunctie. Het feit dat in een woonfunctie meer dan één huishouden wordt gevoerd, bijvoorbeeld in een bejaardenhuis of megawoning, maakt de woonfunctie niet tot een woongebouw. Een woongebouw moet namelijk ten minste twee woonfuncties omvatten.

Woonwagen

Een woonwagen is een woonfunctie op een perceel bestemd voor het plaatsen van een woonwagen. Alleen een woonwagen die op een specifiek daarvoor bestemd perceel is geplaatst is een woonwagen als bedoeld in dit besluit. Uit het omgevingsplan volgt of er sprake is van een perceel specifiek bestemd voor deze bijzondere woonvorm.

Zorgclusterwoning

Een zorgclusterwoning is een subgebruiksfunctie van de woonfunctie voor zorg. Een zorgclusterwoning is bestemd voor zelfstandige bewoning (dus geen groepszorgwoning) en voor het aanbieden van zorg aan ten minste een zorgcliënt, al dan niet met een partner of gezin. Een zorgwoning is een zorgclusterwoning als deze onderdeel uitmaakt van een rijtje van vier of meer dan vier zorgwoningen. Het onbepaalde criterium 'directe nabijheid' uit de toelichting van het Bouwbesluit 2012 is in de artikeltekst van het Besluit bouwwerken leefomgeving omgezet in een objectief vast te stellen criterium.Uitgangspunt is dat er sprake is van een groepje zorgwoningen die vanwege die clustering niet op de hulp van de (eveneens zorgbehoevende) buren kan worden gerekend. Dit is ook het geval bij een aansluitende rij aanleunwoningen in een straat of een galerij of een portiek van een flatgebouw, bijvoorbeeld in het kader van een project voor zelfstandig wonende mensen met een verstandelijke handicap.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,


X Noot
1

Voorstel van wet tot aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van het overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet. Het advies hierbij is uitgebracht onder nummer W14.17.0198/IV.

X Noot
2

Ontwerpbesluit houdende procedurele regels en regels over algemene onderwerpen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Het advies hierbij is uitgebracht onder nummer W14.17.0197/IV.

X Noot
3

Ontwerpbesluit houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden. Het advies hierbij is uitgebracht onder nummer W14.17.0199/IV.

X Noot
4

Ontwerpbesluit houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het advies hierbij is uitgebracht onder nummer W14.17.0200/IV.

X Noot
5

Over het voorstel voor de Aanvullingswet Natuur wordt separaat advies uitgebracht.

X Noot
6

Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet).

X Noot
7

Voorlichting van 25 januari 2012 met betrekking tot de herziening van het omgevingsrecht, No.W14.11.0341/IV (bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 33 118, nr. 3) en advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 13 januari 2014 over het voorstel van wet houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet), (W14.13.0235/IV), Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 4, blz. 14.

X Noot
8

De beoogde datum van inwerkingtreding is recent uitgesteld. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft aan de Tweede Kamer gemeld dat de nieuwe datum van inwerkingtreding 1 januari 2021 wordt (brief van 6 oktober 2017), Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98.

X Noot
9

Artikel 1.3 van de Omgevingswet.

X Noot
10

In mei 2017 heeft de Afdeling adviezen uitgebracht over de voorstellen voor de Aanvullingswetten Geluid en Bodem (Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 19 mei 2017 over het voorstel van wet tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten met het oog op het beschermen van de bodem, met inbegrip van het grondwater, en het duurzaam en doelmatig gebruik van de bodem (Aanvullingswet bodem Omgevingswet), (W14.16.0417/IV) (nog niet gepubliceerd), en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 19 mei 2017 over het voorstel van wet tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten met het oog op de beheersing van geluidbelasting afkomstig van infrastructuur en industrieterreinen (Aanvullingswet geluid Omgevingswet), (W14.16.0418/IV) (nog niet gepubliceerd).

X Noot
11

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 7, 23 en 50. Hoofdstuk 2 van de Omgevingswet bevat de grondslagen voor omgevingswaarden, instructieregels en instructies.

X Noot
12

Artikel 2.9 van de Omgevingswet. De omgevingswaarden worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen.

X Noot
13

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 96.

X Noot
14

Paragraaf 2.5.1 van de Omgevingswet (Doorwerking van beleid door instructieregels).

X Noot
15

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 106.

X Noot
16

Toelichting bij het Bal, paragraaf 4.2.3.

X Noot
17

Advies bij de Omgevingswet, (W14.13.0235/IV), Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 4, blz. 32.

X Noot
18

Zie in dit verband ook het advies van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur Vernieuwing omgevingsrecht: maak de ambities waar, Rli 2015/07, december 2015, blz. 39 ev.

X Noot
19

Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 16–17 voor een vollediger beschouwing van de aanleiding.

X Noot
20

Deze omvat de rijksregels die bij inwerkingtreding van het stelsel komen te vervallen en overgaan naar het omgevingsplan en de waterschapsverordening. Zie paragraaf 5.2.3 van de toelichting op de Invoeringswet.

X Noot
21

Artikelen 4.5, 4.6 en 4.22 van de Omgevingswet.

X Noot
22

Zie in het bijzonder Kamerstukken II 2014/15, 33 962, nr. 12, blz. 93–117.

X Noot
23

Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 962, nr. 12, blz. 87–93; Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 43, antwoorden op vragen 32, 39, 70 en 143.

X Noot
24

Kamerstukken II 2013/14, 29 383, nr. 214, bijlage.

X Noot
25

Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 75.

X Noot
26

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, p. 82–87.

X Noot
27

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, p. 43–44.

X Noot
28

Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 75.

X Noot
29

Eindrapportage Pilots omgevingsvisie. ‘Vertel dit verhaal niet verder. Doe het gewoon!’. Bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 33 118, nr. 20, blz. 81.

X Noot
30

Consultatiereactie IPO over de Invoeringswet, 13 maart 2017, kenmerk DROW 07988/2017.

X Noot
31

Wet van 18 april 2018 tot wijziging van de Wet ruimtelijke ordening en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (afschaffing actualiseringsplicht bestemmingsplannen en beheersverordeningen) (Stb. 2018, 138).

X Noot
32

Onder andere: ‘Waar keuzes eenmaal zijn gemaakt, en bijvoorbeeld economische belangen en milieubelangen zorgvuldig tegen elkaar zijn afgewogen, ligt het niet in de rede om vervolgens veel ruimte te laten voor afwijkingsmogelijkheden.’ En: ‘Voorts wijst de Afdeling erop dat door meer ruimte te scheppen voor bestuurlijke afweging wettelijke voorschriften weliswaar minder star worden, maar tegelijkertijd de eenvoud en voorspelbaarheid van wetgeving afneemt.’ (Voorlichting van 25 januari 2012 met betrekking tot de herziening van het omgevingsrecht, No.W14.11.0341/IV, bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 33 118, nr. 3, blz. 19 resp. 20).

X Noot
33

Toelichting bij de Omgevingswet, paragraaf 4.4.2. en paragraaf 2.3

X Noot
34

Toelichting bij het Bkl, paragraaf 2.3.8.

X Noot
35

Toelichting bij het Bal, paragraaf 4.2.3.

X Noot
36

Toelichting bij het Bal, paragraaf 3.1.2.

X Noot
37

Anders dan het Activiteitenbesluit is het Bal bijvoorbeeld niet van toepassing op detailhandelsbedrijven, horecabedrijven en kantoorgebouwen. Ander voorbeeld is dat het begrip geurgevoelig object uit artikel 1 van de Wet geurhinder verdwijnt waardoor bepaalde locaties (horecabedrijven, penitentiaire inrichting) niet langer als geurgevoelig worden aangemerkt (paragraaf 8.1.6.6. toelichting bij het Bkl).

X Noot
38

De waterschapsverordening is ook van groot belang maar heeft als instrument van functioneel bestuur een beperktere reikwijdte. Zie voor de bijzondere positie van het omgevingsplan ook ten opzichte van de provinciale verordening (op het punt van toedeling van functies aan locaties) de toelichting bij de Omgevingswet, blz. 91.

X Noot
39

In afdeling 2.3 Omgevingswaarden en in afdeling 2.5. Instructieregels en instructies.

X Noot
40

Artikel 2.23, vijfde lid resp. art 2.25, vijfde lid, van de Omgevingswet. Het gaat dan niet om bij wet al voorgeschreven specifieke instructieregels in verband met bijv. implementatie of een ander concreet belang.

X Noot
41

Artikel 2.32, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
42

Artikel 5.162 van het Bkl.: instructieregels over primaire waterkeringen (paragraaf 5.1.3.3), bouwen aan de kust (paragraaf 5.1.3.4), grote rivieren (paragraaf 5.1.3.5), het IJsselmeergebied (paragraaf 5.1.3.6), vrije horizon kust (paragraaf 5.1.5.2), behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6), behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen (paragraaf 5.1.7) en het voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen (artikel 5.159).

X Noot
43

Artikel 4.1a van de Wet op de ruimtelijke ordening.

X Noot
44

Zo kan de ontheffing dienen voor het wegnemen van 'fricties en onbillijkheden' (toelichting bij de Omgevingswet, blz. 107). De artikelsgewijze toelichting (toelichting bij de Omgevingswet blz. 435) noemt ontwikkelingen met behulp van maatwerkoplossingen of innovatieve initiatieven en stelt ‘Anders dan onder de Wet op de ruimtelijke ordening is deze ontheffingsmogelijkheid ook bedoeld voor ontheffingverlening in gevallen die in zijn algemeenheid voorzienbaar zijn, maar in hun specifieke casuïstiek niet.’ Zie in dit verband ook A.G.A. Nijmeijer, 'De ontheffing van instructieregels in de Omgevingswet', TBR 2016, 81, nr. 6.

X Noot
45

Artikel 4.5 resp. 4.6 van de Omgevingswet.

X Noot
46

Toelichting bij de Omgevingswet, paragraaf 4.3.6.

X Noot
47

Artikel 3.16 van de Omgevingswet.

X Noot
48

Toelichting bij de Omgevingswet, blz. 40.

X Noot
49

Artikel 5.21 van de Omgevingswet.

X Noot
50

Artikel 5.53 van de Omgevingswet.

X Noot
51

Artikel 3.16, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet.

X Noot
52

Afdeling 2.5 van het Bal en onder andere artikel 2.3, 3.7, 4.7, 3.130, 4.160 van het Bbl.

X Noot
53

Kamerstukken II 2015/16, 33 118, nr. 41, antwoord op vraag 12.

X Noot
54

Kamerstukken II 2015/16, 33 118, nr. 41, antwoord op vraag 50.

X Noot
55

Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 124–128 en Kamerstukken II 2014/15, 33 962, nr. 12, blz. 176–181.

X Noot
56

Het op 5 juni 1992 te Rio de Janeiro tot stand gekomen verdrag inzake de biologische diversiteit (Trb. 1992, 164 en Trb. 2015, 122).

X Noot
57

Waarbij opstelling van het omgevingsplan kennelijk als uitvoering wordt gezien. Een kwalitatieve beschouwing van de concept-AMvB’s onder de Omgevingswet: Op weg naar het realiseren van een gelijkwaardig beschermingsniveau en het waarmaken van ambities (milieueffectentoets van 18 november 2016, kenmerk 2016-0170), Bilthoven: RIVM 2016, www.rivm.nl.

X Noot
58

Standaardwaarden voor bodem en geluid bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen zullen met het voorgenomen Aanvullingsbesluiten bodem en geluid Omgevingswet worden ingevoegd in het Bkl.

X Noot
59

Dit volgt uit de artikelen 5.66 en 5.68 van het Bkl (paragraaf 8.1.3. van de toelichting bij het Bkl).

X Noot
60

Gemeenten mogen bij geluid, geur en trilling als 'zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen' dit rechtvaardigen ook van het basisbeschermingsniveau nog afwijken. Men heeft hierbij het oog op plattelandswoningen of andere gebouwen die een functionele binding hadden met de activiteit zoals voormalige bedrijfswoningen, stations- en seinpostwoningen. Zie paragraaf 2.3.8. en 8.1.3. van de toelichting bij het Bkl en de artikelen 5.85 (trilling), 5.99 van het Bkl (geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken), 5.113 (geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf).

X Noot
61

Waar de LA max op de gevel van gevoelige gebouwen op grond van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit in de avond 65 dB(A) en in de nacht 60 dB(A) is, wordt dat op grond van artikel 5.65 van het Bkl in de avond 65 of 70 dB(A) en in de nacht 65 of 70 dB(A). Waar de LA max binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen op grond van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit in de avond 50 dB(A) en in de nacht 45 dB(A) is, wordt dat op grond van artikel 5.65 Bkl in de avond 45 of 55 dB(A) en in de nacht 45 of 55 dB(A). Het Bkl maakt nog onderscheid tussen het maximaal geluidniveau (LA max) veroorzaakt door aandrijfgeluiden van transportmiddelen en door andere piekgeluiden.

X Noot
62

Tabel 5.65.1 en tabel 5.65.2 van het Bkl. Zie ook: Een kwalitatieve beschouwing van de concept-AMvB’s onder de Omgevingswet: Op weg naar het realiseren van een gelijkwaardig beschermingsniveau en het waarmaken van ambities (milieueffectentoets van 18 november 2016, kenmerk 2016-0170), Bilthoven: RIVM 2016, www.rivm.nl.

X Noot
63

Zie paragraaf 4.2. van de toelichting bij de Aanvullingswet geluid.

X Noot
64

Toelichting bij het Bkl, paragraaf 8.1.6.6. Zie ook: Een kwalitatieve beschouwing van de concept-AMvB’s onder de Omgevingswet: Op weg naar het realiseren van een gelijkwaardig beschermingsniveau en het waarmaken van ambities (milieueffectentoets van 18 november 2016, kenmerk 2016-0170), Bilthoven: RIVM 2016, www.rivm.nl.

X Noot
65

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar Kamerstukken I 2016/17, 33 118, P en Kamerstukken I 2016/17, 33 118, Q, antwoord 19.

X Noot
66

Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 43, antwoorden op vragen 61 en 64.

X Noot
67

Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 44.

X Noot
68

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 73.

X Noot
69

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 74.

X Noot
70

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 397.

X Noot
71

Concreet punt van zorg is de Aanvullingswet Natuur. De geldende wetgeving – de Wet natuurbescherming (Wnb) – voorziet voor een aantal onderwerpen in een verplichting om een ontwerp van een amvb pas in procedure te brengen, een ministeriële regeling pas vast te stellen of een besluit pas te nemen, nadat overleg over de ontwerpregelgeving heeft plaatsgevonden met de provincies. Voor een aantal onderwerpen geldt bovendien de eis dat er overeenstemming over de ontwerpen van regelgeving bestaat met de provincies. Hieraan liggen afspraken tussen Rijk en provincies ten grondslag. De Aanvullingswet Natuur voorziet echter niet in specifieke bepalingen die overleg of overeenstemming op het gebied van natuurbescherming tussen verschillende overheden voorschrijven. In het advies over de aanvullingswet zal hier nader op worden ingegaan.

X Noot
72

In haar advies over de Omgevingswet heeft de Afdeling aandacht gevraagd voor zowel de toelichting over de beoogde werking van artikel 2.3 als voor de inhoud en vormgeving ervan. Dit heeft geleid tot verduidelijkingen in zowel de toelichting als de wettekst. Zo is duidelijker geworden op welke wijze het subsidiariteitsbeginsel een rol speelt bij de toedeling van taken en bevoegdheden. In de wettekst is aan artikel 2.3 het eerste lid toegevoegd en zijn verder onder meer de destijds in het voorstel opgenomen begrippen ‘gemeente-overstijgend’ en ‘regio-overstijgend’ vervangen door de begrippen ‘provinciaal belang’ en ‘nationaal belang’.

X Noot
73

Afdeling 2.4 van de Omgevingswet.

X Noot
74

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 77.

X Noot
75

Dat komt tot uitdrukking door het gebruik van de zinssnede ‘met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede (of: derde) lid’. Bijvoorbeeld bij de provinciale taak tot gebiedsgerichte coördinatie van de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen (artikel 2.18), de bevoegdheden om omgevingswaarden vast te stellen (artikelen 2.12 en 2.14), de bevoegdheden om instructieregels vast te stellen (artikelen 2.22 en 2.24) of instructies te geven (artikelen 2.33 en 2.34), de bevoegdheden om een projectbesluit vast te stellen (artikel 5.44), en de provinciale bevoegdheid om een interventiebesluit te nemen (16.21).

X Noot
76

De literatuur is ook uiterst kritisch op dit punt. Zie onder meer D. Korsse, ‘Het subsidiariteitsvereiste in de Omgevingswet’, Gst. 2016/62, nr. 7438, blz. 328–334; R. Kegge, Interbestuurlijk toezicht in de ruimtelijke ordening. Een juridisch onderzoek naar het nut en de noodzaak van de reactieve aanwijzing als toezichtinstrument in de ruimtelijke ordening (diss. Universiteit Utrecht), Den Haag: Stichting Instituut voor Bouwrecht (Bouwrecht monografieën) 2015; C.P. Hageman, Sturing in de ruimtelijke ordening door Rijk en provincies, een juridisch onderzoek naar sturingsinstrumenten van Rijk en provincies en hun verenigbaarheid met de gedecentraliseerde bevoegdheidsverdeling in het ruimtelijk bestuursrecht (diss. Rijksuniversiteit Groningen), Den Haag: Stichting Instituut voor Bouwrecht (Bouwrecht monografieën), 2016.

X Noot
77

Zo regelt artikel 4.1 van de Wro dat indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken bij provinciale verordening regels worden gesteld over – onder meer – de inhoud van bestemmingsplannen of omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De bevoegdheid van de provincie om een reactieve aanwijzing te geven is – in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro – eveneens afhankelijk gesteld van het bestaan van provinciale belangen.

X Noot
78

Daarmee is uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 2.15 van de Omgevingswet.

X Noot
79

Artikelen 2.2 tot en met 2.9 van het Bkl.

X Noot
80

Onder meer de Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB 2008, L 152/1)

X Noot
81

Artikel 3.10 van de Omgevingswet.

X Noot
82

Artikel 4.1 van het Bkl.

X Noot
83

Paragraaf 7.1 van de toelichting bij het Bkl.

X Noot
84

Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 30 september 2016, Vierde periodieke beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen in het sociale en fysieke domein ‘En nu verder!’, (W04.15.0367/I), Kamerstukken II 2016/17, 34 550-VII, nr. 12 (bijlage), onder meer paragrafen 4.3.2 en 4.3.3.

X Noot
85

Als voorbeelden worden gegeven de veel voorkomende bouwwerken zoals dakkapellen, bijbehorende bouwwerken en erf- en terreinafscheidingen die nu nog landelijk uniform als vergunningvrij zijn aangewezen.

X Noot
86

Toelichting bij de Invoeringswet, paragraaf 2.2.1.6. Als voorbeelden worden gegeven de veel voorkomende bouwwerken zoals dakkapellen, bijbehorende bouwwerken en erf- en terreinafscheidingen die nu nog landelijk uniform als vergunningvrij zijn aangewezen. Opgemerkt wordt dat gemeenten er echter per locatie in het omgevingsplan voor kunnen kiezen om meer bouwwerken vergunningvrij te maken.

X Noot
87

Zo kan bijvoorbeeld het vergunningvrij behouden van uitbouwen in het achtererfgebied – zoals nu is geregeld in het Besluit omgevingsrecht – in strijd zijn met een gemeentelijke wens om verdichting van binnentuinen tegen te gaan.

X Noot
88

Voorgestelde artikelen 18.18 tot en met 18.27 van de Omgevingswet.

X Noot
89

Toelichting bij de Invoeringswet, paragraaf 2.1.3.2.

X Noot
90

Artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde artikel 18.22 dat daarvoor de grondslag biedt. Het Invoeringsbesluit ligt thans nog niet ter advisering voor.

X Noot
91

Bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 96.

X Noot
92

Aanbeveling 8 in de rapportage.

X Noot
93

Zie hierover ook S. Bartel, ‘Taken en positie van de omgevingsdienst bij het omgevingsplan’, in: S. Bartel, H. Borgers, E. Broeren e.a., Milieubescherming in het omgevingsplan (Vereniging voor milieurecht 2016-1), Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 169–181.

X Noot
94

Voorgesteld artikel 18.18 regelt de reikwijdte van de ‘VTH-bepalingen’ in de Omgevingswet. De artikelsgewijze toelichting beschrijft dat uit de (niet limitatieve) opsomming bij de omschrijving van het term ‘uitvoeringstaak’ duidelijk wordt dat met die term enerzijds op meer bevoegdheden en taken wordt gedoeld dan de oorspronkelijke term ‘vergunningverlening’ zichtbaar maakte, maar dat anderzijds niet beoogd is om de uitoefening of uitvoering alle bij de Omgevingswet toegekende bevoegdheden en taken te omvatten: ‘VTH’ ziet namelijk niet op bevoegdheden en taken als het opstellen van omgevingsvisies, -plannen of -verordeningen of programma’s.’

X Noot
95

Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 30 september 2016, Vierde periodieke beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen in het sociale en fysieke domein ‘En nu verder!’, (W04.15.0367/I), Kamerstukken II 2016/17, 34 550-VII, nr. 12 (bijlage), paragraaf 2.3.4.

X Noot
96

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 4, blz. 105 e.v.

X Noot
97

Bestuursafspraken 2011–2015 (Kamerstukken II 2010/11, 29 544, nr. 336, bijlage), Bestuursakkoord Water (Kamerstukken II 2010/11, 27 625, nr. 190, bijlage), Wet afschaffing Wgr-plusregio’s (Stb. 2014, 557) en de Wet natuurbescherming (Stb. 2016, 34). Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 43–44 en 49–50 en Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 4, blz. 44.

X Noot
98

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 18–20.

X Noot
99

Zie ook de Nota van toelichting bij het Omgevingsbesluit, paragraaf 4.6.3.

X Noot
100

Nota van toelichting bij het Bkl, paragrafen 2.3.6 en 8.4.2 en de artikelen 5.2, 5.37 en 5.38 Bkl.

X Noot
101

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 4, blz. 116–119.

X Noot
102

Artikel 117, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 115, tweede lid, van de Provinciewet.

X Noot
103

Afspraken tussen VNG en het Ministerie van IenM over de stelselherziening van het Omgevingsrecht, 15 februari 2013.

X Noot
104

Afsprakenkader tussen de Unie van Waterschappen en het ministerie van IenM over de stelselherziening van het omgevingsrecht d.d. 5 juni 2013.

X Noot
105

Afspraken tussen IPO en het ministerie van IenM over de stelselherziening van het omgevingsrecht, Den Haag, 6 juni 2013.

X Noot
106

Bestuursakkoord implementatie Omgevingswet, 1 juli 2015.

X Noot
107

Kamerstukken II 2017/18, 34 682, nr. 3.

X Noot
108

Artikel 23.9 van de Omgevingswet.

X Noot
109

Artikel 20.18 van de Omgevingswet.

X Noot
110

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2 (Het omgevingsplan).

X Noot
111

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2.4.2 (Flexibiliteit, open normen, beleidsregels en rechtszekerheid).

X Noot
112

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2.4.2 (Flexibiliteit, open normen, beleidsregels en rechtszekerheid).

X Noot
113

Artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
114

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2 (Het omgevingsplan).

X Noot
115

Voorgesteld artikel 4.4, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
116

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2 (Het omgevingsplan).

X Noot
117

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2 (Het omgevingsplan).

X Noot
118

Artikel 4.4, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
119

Toelichting bij het Ob, Paragraaf 3.2.4.4 (Precisering en verschuiving van onderzoek).

X Noot
120

Toelichting bij het Ob, Paragraaf 3.2.4.2 (Flexibiliteit, open normen, beleidsregels en rechtszekerheid).

X Noot
121

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2.4.2 (Flexibiliteit, open normen, beleidsregels en rechtszekerheid).

X Noot
122

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2.4.1 (Overgangsrecht en gebodsbepalingen).

X Noot
123

Zie met name de voorgestelde artikelen 5.20 en 5.21 van de Omgevingswet.

X Noot
124

Toelichting bij de Invoeringswet, paragraaf 2.2.1.3 (Splitsing vergunningplicht voor de bouwactiviteit in een technische vergunning en een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit).

X Noot
125

Toelichting bij de Invoeringswet, paragraaf 2.2.1.5 (Omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk).

X Noot
126

F. Brouwer, B. Rademaker, ‘Een nieuwe opzet van de vergunningplicht voor bouwwerken in de Omgevingswet’, TBR 2017/39, nr. 3, blz. 218–225.

X Noot
127

F. Brouwer, B. Rademaker, ‘Een nieuwe opzet van de vergunningplicht voor bouwwerken in de Omgevingswet’, TBR 2017/39, nr. 3, blz. 223.

X Noot
128

De toelichting bij het Ob (paragraaf 3.2.4.1, Overgangsrecht en gebodsbepalingen) noemt als voorbeeld dat als op enig moment in de regels wordt vastgelegd dat laden en lossen op een bepaalde locatie of bepaalde tijdstippen niet meer is toegestaan, dergelijke activiteiten niet nog jaren zouden moeten kunnen voortduren vanwege eerbiedigend overgangsrecht.

X Noot
129

Als voorbeeld van een wijziging die naar omstandigheden de grenzen van deze beginselen zou kunnen overschrijden noemt de toelichting bij het Ob (paragraaf 3.2.4.1, Overgangsrecht en gebodsbepalingen) een plicht om woningen te bouwen op een locatie waar een bedrijf is gevestigd.

X Noot
130

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2.4.1 (Overgangsrecht en gebodsbepalingen),

X Noot
131

Deze omvat de rijksregels die bij inwerkingtreding van het stelsel komen te vervallen en overgaan naar het omgevingsplan en de waterschapsverordening. Zie paragraaf 5.2.3 van de toelichting op de Invoeringswet.

X Noot
132

Artikel 4.7, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
133

Artikelsgewijze toelichting op artikel 4.7 van de Omgevingswet (Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3).

X Noot
134

Voorgesteld artikel 4.7, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
135

Voorgesteld artikel 4.7, derde lid, van de Omgevingswet.

X Noot
136

Artikel 2.4 van het Bbl.

X Noot
137

Consultatiereactie Afdeling bestuursrechtspraak over de uitvoeringsbesluiten van 29 september 2016, blz. 6–7.

X Noot
138

Zie de artikelen 2.10 (zorgplicht voor milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten), 6.6 (zorgplicht voor activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk), artikel 7.6 (zorgplicht activiteiten in de Noordzee), 8.6 (zorgplicht voor activiteiten rond rijkswegen), 11.11 (zorgplicht voor activiteiten die het cultureel erfgoed betreffen) en 12.9 (zorgplicht voor activiteiten die het werelderfgoed betreffen).

X Noot
139

Zie bijvoorbeeld artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit en artikel 13 van de Wet bodembescherming.

X Noot
140

Artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet.

X Noot
141

Consultatiereactie Afdeling bestuursrechtspraak over de uitvoeringsbesluiten van 29 september 2016, blz. 8.

X Noot
142

Te raadplegen op www.internetconsultatie.nl.

X Noot
143

Kamerstukken II 2015/16, 33 118, nr. 41, antwoord op vragen 4, 5, 42 en 86.

X Noot
144

Zie de interventiematrix van de landelijke handhavingsstrategie, https://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/handhaving/landelijke/introductie/

X Noot
145

Voorgestelde artikelen 20.20, 20.22, 20.23 en 20.28 van de Omgevingswet.

X Noot
146

Toelichting, paragraaf 5.2.10 (Overgangsrecht Digitaal Stelsel Omgevingswet).

X Noot
147

Bestuursakkoord van 1 juli 2015, blz. 9.

X Noot
148

Consultatie VNG van 1 maart 2017, kenmerk ECFD/U201700154, blz. 9.

X Noot
149

Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98.

X Noot
150

Voorgestelde artikelen 20.23, tweede lid, en 20.28, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
151

Voorgesteld artikel 20.29 van de Omgevingswet.

X Noot
152

De taak van de omgevingsdiensten wordt nu geregeld in artikel 5.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de artikelen 7.1 en 7.2 van het Besluit omgevingsrecht. Het zal worden geregeld bij en krachtens de voorgestelde artikelen 18.21 tot en met 18.23 van de Omgevingswet.

X Noot
153

Voorgesteld artikel 20.31 van de Omgevingswet.

X Noot
154

Voorgesteld artikel 20.26, tweede en derde lid, van de Omgevingswet.

X Noot
155

Advies van het Bureau ICT-Toetsing, 7 september 2017, Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98, bijlage, blz. 4.

X Noot
156

Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98, blz. 5.

X Noot
157

Kamerstukken II 2017/18, 34 775, nr. 3, punt 4b.

X Noot
159

Toelichting, paragraaf 7.2 (Gevolgen voor administratieve lasten van burgers en bedrijven en bestuurlijke lasten voor overheden).

X Noot
160

Voorgestelde artikelen 20.32 en 20.33 van de Omgevingswet.

X Noot
161

Artikel 2.34 van de Omgevingswet.

X Noot
162

Artikelen 124 tot en met 124h, 268 en 274 van de Gemeentewet; artikelen 121 tot en met 121f, 253 en 261 van de Provinciewet.

X Noot
163

Artikel 3.1, onderdeel C, van de Invoeringswet wijzigt de bijlage bij artikel 124b van de Gemeentewet om over de provincie heen te kunnen springen. Blijkens de toelichting op het artikel is dit gedaan met het oog op DSO.

X Noot
164

Kamerstukken II 2009/10, 32 389, nr. 3, blz. 5.

X Noot
165

Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98.

X Noot
166

Kamerstukken II 2013/14, 33 118, nr. 8.

X Noot
167

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 353–358.

X Noot
168

Voorgesteld artikel 20.31, tweede lid, onderdeel a, van de Omgevingswet.

X Noot
169

Vergelijk aanwijzing 262 van de Aanwijzingen voor de regelgeving: geen voorstellen van wet worden aanhangig gemaakt waarvan de beleidsvoorbereiding en de besluitvorming niet zijn afgerond.

X Noot
170

Advies van het Bureau ICT-Toetsing, 7 september 2017, Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98, bijlage, blz. 5, 7. Reactie op het advies: Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98.

X Noot
171

Toelichting, paragraaf 2.1.4.2 (Verbeterdoelen, fasering en financiering van het DSO); toelichting op artikel 20.31, eerste lid.

X Noot
172

Toelichting, paragraaf 2.1.4.2 (Verbeterdoelen, fasering en financiering van het DSO).

X Noot
173

Tenzij het gaat om ‘het aanbieden van goederen of diensten door bestuursorganen aan andere bestuursorganen of aan overheidsbedrijven voor zover deze goederen of diensten zijn bestemd voor de uitvoering van een publiekrechtelijke taak’ (artikel 25h, tweede lid, Mededingingswet).

X Noot
174

Artikel 2.25 van de Aanbestedingswet 2012.

X Noot
175

Gedacht kan worden aan formulering als alleenrecht van de informatiehuistaak. Aanbesteding is dan niet verplicht als het informatiehuis zelf ook aanbestedende dienst is (vgl. HR 18 november 2011 AVR Afvalverwerking / gemeente Westland en Huisvuilcentrale Noord-Holland, ECLI:NL:HR:2011: BU4900). Ook kan gedacht worden aan vormgeving als concessie. In dat geval geldt mogelijk het bijzondere regime van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB 2014, L 94).

X Noot
176

Toelichting, paragraaf 2.1.4.6 (Bescherming van persoonsgegevens), onder ‘Gegevensbeschermingeffectbeoordeling’.

X Noot
177

Dit vergt mogelijk aanpassing van voorgesteld artikel 20.24, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
178

Visie op het stelsel van basisregistraties, Kamerstukken II 2009/10, 29 362, nr. 176, bijlage. Uitgewerkt in, bijvoorbeeld, de artikelen 1.7 en 1.8 van de Wet basisregistratie personen.

X Noot
179

Toelichting, paragraaf 2.1.4.7 (Verhouding tot andere regelgeving en de digitale overheid), onder ‘Generieke Digitale Infrastructuur’.

X Noot
180

Toelichting, paragraaf 2.1.4.6 (Bescherming van persoonsgegevens).

X Noot
181

Artikel 25, tweede lid, AVG.

X Noot
182

Artikel 16.63 van de Omgevingswet.

X Noot
183

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 568.

X Noot
184

Wel over toegang tot aanvragen en meldingen (voorgesteld artikel 20.26, eerste lid, slot), maar uit de toelichting op het artikel valt af te leiden dat het alleen gaat om toegang door de aanvrager of melder.

X Noot
185

Toelichting, paragraaf 2.1.4.2 (Verbeterdoelen, fasering en financiering van het DSO).

X Noot
186

Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB 2008, L 152/1).

X Noot
187

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 35.

X Noot
188

Artikel 2.4 tot en met 2.9 van het Bkl. Zie hierover ook punt 8 van dit advies.

X Noot
189

Artikel 5.50 van het Bkl.

X Noot
190

Dit zijn locaties waar nog overschrijdingen voor stikstofdioxide of PM10 zijn of waar de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide of PM10 nog dusdanig zijn dat niet kan worden uitgesloten dat activiteiten of werken leiden tot een overschrijding van de rijksomgevingswaarden voor deze stoffen. Het gaat onder meer om de vijf grote steden en de regio's met veel veehouderijen.

X Noot
191

Artikel 5.51 van het Bkl.

X Noot
192

Artikel 8.16 van het Bkl.

X Noot
193

Artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onderdeel c, in samenhang met artikel 5.16, derde lid, van de Wet milieubeheer, het Besluit niet in betekende mate bijdragen en de Regeling niet in betekende mate bijdragen.

X Noot
194

Artikelen 5.53, 5.54 en 8.16 van het Bkl.

X Noot
195

Artikel 3.10 van de Omgevingswet.

X Noot
196

Consultatiereactie IPO 10 oktober 2016, kenmerk DROW 07788/2016, blz. 10 en 11.

X Noot
197

Zie ook artikel 1, onder 5, van de richtlijn luchtkwaliteit.

X Noot
198

HvJ EU 10 april 1984, 14/83, Colson en Kamann, ECLI:EU:C:1984:153, punt 15, HvJ EU 9 september 1999, Commissie/Duitsland, C-217/97, ECLI:EU:C:1999:395, punt 31, HvJ EU 11 juli 2002, C-62/00, Marks & Spencer, ECLI:EU:C:2002:435, punten 26 en 27. Zie ook ABRvS 5 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC5789, r.o. 2.3.2.

X Noot
199

Toelichting, paragraaf 7.1.

X Noot
200

Zie in dit verband artikel 23, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn luchtkwaliteit, zoals uitgelegd door HvJ EU 19 november 2014, C-404/13, Client Earth, ECLI:EU:C:2014:2382, punt 57.

X Noot
201

Ook de VNG stelt in haar consultatiereacties bij de Invoeringswet (1 maart 2017, kenmerk ECFD/U201700154, blz. 9) en de amvb's (11 oktober 2016, kenmerk ECFD/U201601303, blz 8) dat bestuurlijke afspraken ontoereikend zullen zijn en een gezamenlijke programmaplicht voor rijk, provincie en gemeente in geval van (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarden van luchtkwaliteit dient te gelden.

X Noot
202

HvJ EU 22 juni 1989, 103/88, Fratteli Costanzo, ECLI:EU:C:1989:256, punten 18-33, HvJ EU 12 juni 1990, C-8/88, Landbouwpremies (D), ECLI:EU:C:1990:241, punt 13, en HvJ EU 12 juni 1990, C-188/89, Foster e.a./British Gas plc, ECLI:EU:C:1990:313. Zie in dit verband ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag van 7 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:10171, r.o. 4.7. Dit is onderkend in de toelichting bij de Omgevingswet, Keamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 33.

X Noot
203

Vgl. Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 41, antwoord op vraag 58 en nr. 43, antwoord op vraag 3.

X Noot
204

Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 43, antwoord 46.

X Noot
205

Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 43, antwoord 44.

X Noot
206

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB 2000, L 327/1).

X Noot
207

Artikel 2, onder 18, van de Krw.

X Noot
208

Artikel 2, onder 20, van de Krw.

X Noot
209

Artikel 2, onder 17 en 19, van de Krw.

X Noot
210

Programma’s als bedoeld in artikelen 3.7, 3.8, tweede lid, en 3.9, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
211

Voor grondwaterlichamen geldt een vergelijkbare systematiek: zie de artikelen 2.15 en 2.16 juncto artikel 4.14 Bkl.

X Noot
212

Hoofdstuk 20 van de Omgevingswet en paragraaf 10.2.2 van het Bkl. In die paragraaf is – anders dan in paragraaf 13.3.2 van de toelichting bij het Bkl staat – geen monitoringsfrequentie opgenomen.

X Noot
213

Vergelijk artikel 3.10, tweede lid, en artikel 3.11 van de Omgevingswet.

X Noot
214

Artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.13. Voor zover hierbij wordt gedoeld op de actualisering van stroomgebiedbeheerplannen die elke zes jaar dient plaats te vinden (zie artikel 8.9 van het Ob), wijst de Afdeling er op dat dit niet een passende termijn is als bedoeld in artikel 3.11 van de Omgevingswet.

X Noot
215

Het beginsel ‘geen achteruitgang’ wordt in de Krw niet verder uitgewerkt. In HvJ EU 1 juli 2015, C-461/13, Wezer, ECLI:EU:C:2015:433, punt 70, maakt het Hof duidelijk dat sprake is van achteruitgang van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, sub I, van de Krw zodra één van de kwaliteitselementen een klasse achteruitgaat, ongeacht of het oppervlaktewaterlichaam als geheel een klasse achteruit gaat. Het Hof bepaalt verder dat wanneer een kwaliteitselement reeds in de laagste toestandsklasse verkeert, iedere achteruitgang van dat element is verboden. Met artikel 4.15, tweede lid, van het Bkl wordt hieraan op een juiste wijze uitvoering gegeven, nu dit artikel bepaalt dat voorkomen moet worden dat een stof of kwaliteitselement in een lagere klasse komt, ook indien dit geen gevolgen heeft voor de toestandsklasse van het oppervlaktewaterlichaam zelf.

X Noot
216

Toelichting bij het Bkl, paragraaf 7.2.2 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.15.

X Noot
217

Als bedoeld in artikel 8.84, eerste lid, van het Bkl.

X Noot
218

Toelichting, paragraaf 11.10.

X Noot
219

HvJ EU 1 juli 2015, C-461/13, Wezer, ECLI:EU:C:2015:433, punten 31 t/m 50 en HvJ EU 4 mei 2016, C-346/14, Schwarze Sulm, ECLI:EU:C:2016:322, punten 53–56.

X Noot
220

Zie ook de toelichting bij het Bkl over instructieregels van basistype 2 (rekening houden met), paragraaf 2.3.2.3.

X Noot
221

Stb. 2013, 50. Hiermee wordt een algemene wettelijke regeling van nadeelcompensatie in titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht voorzien.

X Noot
222

Voorgesteld artikel 15.3, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
223

Voorgesteld artikel 15.4 van de Omgevingswet.

X Noot
224

Artikelsgewijze toelichting bij voorgesteld artikel 15.4 van de Omgevingswet.

X Noot
225

Zie bijvoorbeeld I.P.A. van Heijst, ‘Schadeoorzaken en schaduwschade in de nieuwe Omgevingswet’, O&A 2017/64.

X Noot
226

Vergelijk J.H.M. Huijts en C.W. Backes, ‘Reden tot discussie over het Nederlandse planschadestelsel?’, TO 2015, 3.

X Noot
227

Artikel 15.3, tweede lid (artikel 15.4, tweede lid (nieuw)).

X Noot
228

Artikel 15.4 (artikel 15.5 (nieuw)).

X Noot
229

Artikel 4:131 Awb.

X Noot
230

Voorgesteld artikel 15.6, tweede en derde lid, van de Omgevingswet.

X Noot
231

Voorgesteld artikel 15.6 van de Omgevingswet.

X Noot
232

Artikelsgewijze toelichting bij voorgesteld artikel 15.6 van de Omgevingswet.

X Noot
233

Voorgestelde artikelen 15.1 en 15.3 van de Omgevingswet. Op grond van het voorgestelde artikel 15.3, eerste lid, kan de aanvraag om schadevergoeding worden ingediend als degene die de activiteit gaat verrichten aan het bevoegd gezag informatie over die activiteit heeft verstrekt volgens de regels die daarvoor gelden of met de activiteit is begonnen.

X Noot
234

Artikelsgewijze toelichting bij voorgesteld artikel 15.3, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
235

Zie ook A.G.A. Nijmeijer, ‘Globale omgevingsplanregels en planschaderisico: een nieuwe planschaderegeling nodig?’, O&A 2017/63.

X Noot
236

Artikel 16.62 van de Omgevingswet.

X Noot
237

Zie artikel 8.22 van het Ob.

X Noot
238

Zie artikel 16.64, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
239

Zie artikel 16.65, eerste lid, van de Omgevingswet, samen met artikel 3.18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

X Noot
240

Toelichting bij de Invoeringswet, paragraaf 2.2.5 (Toepassing uitgebreide procedure omgevingsvergunning).

X Noot
241

Kamerstukken I 2016/17, 33 118, AB.

X Noot
242

Vergelijk V.M.Y. van ’t Lam en A.G.A. Nijmeijer, ‘Op een beweeglijk standpunt sta je het sterkst. Pleidooi tegen de introductie van de uitgebreide procedure ‘op aanvraag’’, in: M en R 2017/62, afl. 50, blz. 60–74.

X Noot
243

Artikel 3.10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

X Noot
244

Artikel 8.22, vierde lid, van het Ob.

X Noot
245

Artikelsgewijze toelichting op artikel 8.22 van het Ob.

X Noot
246

Artikel 3.10, derde lid, van de Wabo.

X Noot
247

Artikelsgewijze toelichting op artikel 8.22 van het Ob.

X Noot
248

Artikel 16.64, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
249

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 4, blz. 30.

X Noot
250

Artikel 3.10, eerste lid, onder e, van de Wabo.

X Noot
251

Artikelen 3.10, eerste lid, van de Wabo samen met artikel 3.18, eerste lid, van de Awb.

X Noot
252

Kamerstukken I 2016/17, 33 118, AB.

X Noot
253

Toelichting bij het Bal, paragraaf 3.1.2 (Inzet van specifieke zorgplichten in dit besluit).

X Noot
254

Artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit en artikel 13 van de Wet bodembescherming.

X Noot
255

Toelichting bij het Bal, paragraaf 3.1.2 (Inzet van specifieke zorgplichten in dit besluit), een-na-laatste alinea.

X Noot
256

Voorgesteld artikel 1.8 van de Omgevingswet.

X Noot
257

Voorgesteld artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
258

Voorgesteld artikel 1.8, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
259

Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (L 328/28).

X Noot
260

Voorgesteld artikel 1.9, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
261

Artikelsgewijze toelichting in de Invoeringswet (artikel 1.1, onderdeel B) op voorgesteld artikel 1.8 van de Omgevingswet.

X Noot
262

Zie bijvoorbeeld artikel 10.1 van de Wet milieubeheer.

X Noot
263

Artikel 2.4 van de Omgevingswet.

X Noot
264

Voorgesteld artikel 22.1 van de Omgevingswet en artikel 11.6 van de Invoeringswet.

X Noot
265

Voorgesteld artikel 4.17 van de Omgevingswet.

X Noot
266

Voorgesteld artikel 22.4 van de Omgevingswet en de toelichting op dat artikel in de Invoeringswet (artikel 1.1, onderdeel HU).

X Noot
267

Artikel 4.2 en voorgesteld artikel 22.5 van de Omgevingswet.

X Noot
268

Toelichting, paragraaf 5.2.3 (Omgevingsplan), onder ‘Oud en nieuw regime naast elkaar’.

X Noot
269

Zie ook: artikel van S. Hilligers, T.E.P.A. Lam, A.G.A. Nijmeijer, ‘Van bestemmingsplan naar omgevingsplan volgens de Invoeringswet Omgevingswet’, in: TBR 2017/38, nr. 3, blz. 208–217.

X Noot
270

Artikel 11.10, derde lid, van de Invoeringswet.

X Noot
271

IPO 13 maart 2017, kenmerk DROW 07988/2017, blz. 5.

X Noot
272

Consultatiereactie Afdeling bestuursrechtspraak, 9 maart 2017, blz. 8.

X Noot
273

Strcrt. 2017, 69426.

X Noot
274

Zie ook het antwoord op vraag 156 in Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 43, blz. 75.

X Noot
275

Kamerstukken I 2015/16, 33 962, K.

X Noot
276

(Stb. 2018, 98).

X Noot
1

Voorstel van wet tot aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van het overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet. Het advies hierbij is uitgebracht onder nummer W14.17.0198/IV.

X Noot
2

Ontwerpbesluit houdende procedurele regels en regels over algemene onderwerpen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Het advies hierbij is uitgebracht onder nummer W14.17.0197/IV.

X Noot
3

Ontwerpbesluit houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden. Het advies hierbij is uitgebracht onder nummer W14.17.0199/IV.

X Noot
4

Ontwerpbesluit houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het advies hierbij is uitgebracht onder nummer W14.17.0200/IV.

X Noot
5

Over het voorstel voor de Aanvullingswet Natuur wordt separaat advies uitgebracht.

X Noot
6

Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet).

X Noot
7

Voorlichting van 25 januari 2012 met betrekking tot de herziening van het omgevingsrecht, No.W14.11.0341/IV (bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 33 118, nr. 3) en advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 13 januari 2014 over het voorstel van wet houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet), (W14.13.0235/IV), Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 4, blz. 14.

X Noot
8

De beoogde datum van inwerkingtreding is recent uitgesteld. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft aan de Tweede Kamer gemeld dat de nieuwe datum van inwerkingtreding 1 januari 2021 wordt (brief van 6 oktober 2017), Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98.

X Noot
9

Artikel 1.3 van de Omgevingswet.

X Noot
10

In mei 2017 heeft de Afdeling adviezen uitgebracht over de voorstellen voor de Aanvullingswetten Geluid en Bodem (Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 19 mei 2017 over het voorstel van wet tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten met het oog op het beschermen van de bodem, met inbegrip van het grondwater, en het duurzaam en doelmatig gebruik van de bodem (Aanvullingswet bodem Omgevingswet), (W14.16.0417/IV) (nog niet gepubliceerd), en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 19 mei 2017 over het voorstel van wet tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten met het oog op de beheersing van geluidbelasting afkomstig van infrastructuur en industrieterreinen (Aanvullingswet geluid Omgevingswet), (W14.16.0418/IV) (nog niet gepubliceerd).

X Noot
11

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 7, 23 en 50. Hoofdstuk 2 van de Omgevingswet bevat de grondslagen voor omgevingswaarden, instructieregels en instructies.

X Noot
12

Artikel 2.9 van de Omgevingswet. De omgevingswaarden worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen.

X Noot
13

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 96.

X Noot
14

Paragraaf 2.5.1 van de Omgevingswet (Doorwerking van beleid door instructieregels).

X Noot
15

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 106.

X Noot
16

Toelichting bij het Bal, paragraaf 4.2.3.

X Noot
17

Advies bij de Omgevingswet, (W14.13.0235/IV), Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 4, blz. 32.

X Noot
18

Zie in dit verband ook het advies van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur Vernieuwing omgevingsrecht: maak de ambities waar, Rli 2015/07, december 2015, blz. 39 ev.

X Noot
19

Eindrapportage Pilots omgevingsvisie. ‘Vertel dit verhaal niet verder. Doe het gewoon!’. Bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 33 118, nr. 20, blz. 81.

X Noot
20

Consultatiereactie IPO over de Invoeringswet, 13 maart 2017, kenmerk DROW 07988/2017.

X Noot
21

Onder andere: ‘Waar keuzes eenmaal zijn gemaakt, en bijvoorbeeld economische belangen en milieubelangen zorgvuldig tegen elkaar zijn afgewogen, ligt het niet in de rede om vervolgens veel ruimte te laten voor afwijkingsmogelijkheden.’ En: ‘Voorts wijst de Afdeling erop dat door meer ruimte te scheppen voor bestuurlijke afweging wettelijke voorschriften weliswaar minder star worden, maar tegelijkertijd de eenvoud en voorspelbaarheid van wetgeving afneemt.’ (Voorlichting van 25 januari 2012 met betrekking tot de herziening van het omgevingsrecht, No.W14.11.0341/IV, bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 33 118, nr. 3, blz. 19 resp. 20).

X Noot
22

Toelichting bij de Omgevingswet, paragraaf 4.4.2. en paragraaf 2.3

X Noot
23

Toelichting bij het Bkl, paragraaf 2.3.8.

X Noot
24

Toelichting bij het Bal, paragraaf 4.2.3.

X Noot
25

Toelichting bij het Bal, paragraaf 3.1.2.

X Noot
26

Anders dan het Activiteitenbesluit is het Bal bijvoorbeeld niet van toepassing op detailhandelsbedrijven, horecabedrijven en kantoorgebouwen. Ander voorbeeld is dat het begrip geurgevoelig object uit artikel 1 van de Wet geurhinder verdwijnt waardoor bepaalde locaties (horecabedrijven, penitentiaire inrichting) niet langer als geurgevoelig worden aangemerkt (paragraaf 8.1.6.6. toelichting bij het Bkl).

X Noot
27

De waterschapsverordening is ook van groot belang maar heeft als instrument van functioneel bestuur een beperktere reikwijdte. Zie voor de bijzondere positie van het omgevingsplan ook ten opzichte van de provinciale verordening (op het punt van toedeling van functies aan locaties) de toelichting bij de Omgevingswet, blz. 91.

X Noot
28

In afdeling 2.3 Omgevingswaarden en in afdeling 2.5. Instructieregels en instructies.

X Noot
29

Artikel 2.23, vijfde lid resp. art 2.25, vijfde lid, van de Omgevingswet. Het gaat dan niet om bij wet al voorgeschreven specifieke instructieregels in verband met bijv. implementatie of een ander concreet belang.

X Noot
30

Artikel 2.32, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
31

Artikel 5.162 van het Bkl.: instructieregels over primaire waterkeringen (paragraaf 5.1.3.3), bouwen aan de kust (paragraaf 5.1.3.4), grote rivieren (paragraaf 5.1.3.5), het IJsselmeergebied (paragraaf 5.1.3.6), vrije horizon kust (paragraaf 5.1.5.2), behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6), behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen (paragraaf 5.1.7) en het voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen (artikel 5.159).

X Noot
32

Artikel 4.1a van de Wet op de ruimtelijke ordening.

X Noot
33

Zo kan de ontheffing dienen voor het wegnemen van 'fricties en onbillijkheden' (toelichting bij de Omgevingswet, blz. 107). De artikelsgewijze toelichting (toelichting bij de Omgevingswet blz. 435) noemt ontwikkelingen met behulp van maatwerkoplossingen of innovatieve initiatieven en stelt ‘Anders dan onder de Wet op de ruimtelijke ordening is deze ontheffingsmogelijkheid ook bedoeld voor ontheffingverlening in gevallen die in zijn algemeenheid voorzienbaar zijn, maar in hun specifieke casuïstiek niet.’ Zie in dit verband ook A.G.A. Nijmeijer, 'De ontheffing van instructieregels in de Omgevingswet', TBR 2016, 81, nr. 6.

X Noot
34

Artikel 4.5 resp. 4.6 van de Omgevingswet.

X Noot
35

Toelichting bij de Omgevingswet, paragraaf 4.3.6.

X Noot
36

Artikel 3.16 van de Omgevingswet.

X Noot
37

Toelichting bij de Omgevingswet, blz. 40.

X Noot
38

Artikel 5.21 van de Omgevingswet.

X Noot
39

Artikel 5.53 van de Omgevingswet.

X Noot
40

Artikel 3.16, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet.

X Noot
41

Afdeling 2.5 van het Bal en onder andere artikel 2.3, 3.7, 4.7, 3.130, 4.160 van het Bbl.

X Noot
42

Waarbij opstelling van het omgevingsplan kennelijk als uitvoering wordt gezien. Een kwalitatieve beschouwing van de concept-AMvB’s onder de Omgevingswet: Op weg naar het realiseren van een gelijkwaardig beschermingsniveau en het waarmaken van ambities (milieueffectentoets van 18 november 2016, kenmerk 2016-0170), Bilthoven: RIVM 2016, www.rivm.nl.

X Noot
43

Standaardwaarden voor bodem en geluid bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen zullen met het voorgenomen Aanvullingsbesluiten bodem en geluid Omgevingswet worden ingevoegd in het Bkl.

X Noot
44

Dit volgt uit de artikelen 5.66 en 5.68 van het Bkl (paragraaf 8.1.3. van de toelichting bij het Bkl).

X Noot
45

Gemeenten mogen bij geluid, geur en trilling als 'zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen' dit rechtvaardigen ook van het basisbeschermingsniveau nog afwijken. Men heeft hierbij het oog op plattelandswoningen of andere gebouwen die een functionele binding hadden met de activiteit zoals voormalige bedrijfswoningen, stations- en seinpostwoningen. Zie paragraaf 2.3.8. en 8.1.3. van de toelichting bij het Bkl en de artikelen 5.85 (trilling), 5.99 van het Bkl (geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken), 5.113 (geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf).

X Noot
46

Waar de LA max op de gevel van gevoelige gebouwen op grond van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit in de avond 65 dB(A) en in de nacht 60 dB(A) is, wordt dat op grond van artikel 5.65 van het Bkl in de avond 65 of 70 dB(A) en in de nacht 65 of 70 dB(A). Waar de LA max binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen op grond van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit in de avond 50 dB(A) en in de nacht 45 dB(A) is, wordt dat op grond van artikel 5.65 Bkl in de avond 45 of 55 dB(A) en in de nacht 45 of 55 dB(A). Het Bkl maakt nog onderscheid tussen het maximaal geluidniveau (LA max) veroorzaakt door aandrijfgeluiden van transportmiddelen en door andere piekgeluiden.

X Noot
47

Tabel 5.65.1 en tabel 5.65.2 van het Bkl. Zie ook: Een kwalitatieve beschouwing van de concept-AMvB’s onder de Omgevingswet: Op weg naar het realiseren van een gelijkwaardig beschermingsniveau en het waarmaken van ambities (milieueffectentoets van 18 november 2016, kenmerk 2016-0170), Bilthoven: RIVM 2016, www.rivm.nl.

X Noot
48

Zie paragraaf 4.2. van de toelichting bij de Aanvullingswet geluid.

X Noot
49

Toelichting bij het Bkl, paragraaf 8.1.6.6. Zie ook: Een kwalitatieve beschouwing van de concept-AMvB’s onder de Omgevingswet: Op weg naar het realiseren van een gelijkwaardig beschermingsniveau en het waarmaken van ambities (milieueffectentoets van 18 november 2016, kenmerk 2016-0170), Bilthoven: RIVM 2016, www.rivm.nl.

X Noot
50

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 73.

X Noot
51

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 74.

X Noot
52

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 397.

X Noot
53

Concreet punt van zorg is de Aanvullingswet Natuur. De geldende wetgeving – de Wet natuurbescherming (Wnb) – voorziet voor een aantal onderwerpen in een verplichting om een ontwerp van een amvb pas in procedure te brengen, een ministeriële regeling pas vast te stellen of een besluit pas te nemen, nadat overleg over de ontwerpregelgeving heeft plaatsgevonden met de provincies. Voor een aantal onderwerpen geldt bovendien de eis dat er overeenstemming over de ontwerpen van regelgeving bestaat met de provincies. Hieraan liggen afspraken tussen Rijk en provincies ten grondslag. De Aanvullingswet Natuur voorziet echter niet in specifieke bepalingen die overleg of overeenstemming op het gebied van natuurbescherming tussen verschillende overheden voorschrijven. In het advies over de aanvullingswet zal hier nader op worden ingegaan.

X Noot
54

In haar advies over de Omgevingswet heeft de Afdeling aandacht gevraagd voor zowel de toelichting over de beoogde werking van artikel 2.3 als voor de inhoud en vormgeving ervan. Dit heeft geleid tot verduidelijkingen in zowel de toelichting als de wettekst. Zo is duidelijker geworden op welke wijze het subsidiariteitsbeginsel een rol speelt bij de toedeling van taken en bevoegdheden. In de wettekst is aan artikel 2.3 het eerste lid toegevoegd en zijn verder onder meer de destijds in het voorstel opgenomen begrippen ‘gemeente-overstijgend’ en ‘regio-overstijgend’ vervangen door de begrippen ‘provinciaal belang’ en ‘nationaal belang’.

X Noot
55

Afdeling 2.4 van de Omgevingswet.

X Noot
56

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 77.

X Noot
57

Dat komt tot uitdrukking door het gebruik van de zinssnede ‘met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede (of: derde) lid’. Bijvoorbeeld bij de provinciale taak tot gebiedsgerichte coördinatie van de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen (artikel 2.18), de bevoegdheden om omgevingswaarden vast te stellen (artikelen 2.12 en 2.14), de bevoegdheden om instructieregels vast te stellen (artikelen 2.22 en 2.24) of instructies te geven (artikelen 2.33 en 2.34), de bevoegdheden om een projectbesluit vast te stellen (artikel 5.44), en de provinciale bevoegdheid om een interventiebesluit te nemen (16.21).

X Noot
58

De literatuur is ook uiterst kritisch op dit punt. Zie onder meer D. Korsse, ‘Het subsidiariteitsvereiste in de Omgevingswet’, Gst. 2016/62, nr. 7438, blz. 328–334; R. Kegge, Interbestuurlijk toezicht in de ruimtelijke ordening. Een juridisch onderzoek naar het nut en de noodzaak van de reactieve aanwijzing als toezichtinstrument in de ruimtelijke ordening (diss. Universiteit Utrecht), Den Haag: Stichting Instituut voor Bouwrecht (Bouwrecht monografieën) 2015; C.P. Hageman, Sturing in de ruimtelijke ordening door Rijk en provincies, een juridisch onderzoek naar sturingsinstrumenten van Rijk en provincies en hun verenigbaarheid met de gedecentraliseerde bevoegdheidsverdeling in het ruimtelijk bestuursrecht (diss. Rijksuniversiteit Groningen), Den Haag: Stichting Instituut voor Bouwrecht (Bouwrecht monografieën), 2016.

X Noot
59

Zo regelt artikel 4.1 van de Wro dat indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken bij provinciale verordening regels worden gesteld over – onder meer – de inhoud van bestemmingsplannen of omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De bevoegdheid van de provincie om een reactieve aanwijzing te geven is – in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro – eveneens afhankelijk gesteld van het bestaan van provinciale belangen.

X Noot
60

Daarmee is uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 2.15 van de Omgevingswet.

X Noot
61

Artikelen 2.2 tot en met 2.9 van het Bkl.

X Noot
62

Onder meer de Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB 2008, L 152/1)

X Noot
63

Artikel 3.10 van de Omgevingswet.

X Noot
64

Artikel 4.1 van het Bkl.

X Noot
65

Paragraaf 7.1 van de toelichting bij het Bkl.

X Noot
66

Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 30 september 2016, Vierde periodieke beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen in het sociale en fysieke domein ‘En nu verder!’, (W04.15.0367/I), Kamerstukken II 2016/17, 34 550-VII, nr. 12 (bijlage), onder meer paragrafen 4.3.2 en 4.3.3.

X Noot
67

Als voorbeelden worden gegeven de veel voorkomende bouwwerken zoals dakkapellen, bijbehorende bouwwerken en erf- en terreinafscheidingen die nu nog landelijk uniform als vergunningvrij zijn aangewezen.

X Noot
68

Toelichting bij de Invoeringswet, paragraaf 2.2.1.6. Als voorbeelden worden gegeven de veel voorkomende bouwwerken zoals dakkapellen, bijbehorende bouwwerken en erf- en terreinafscheidingen die nu nog landelijk uniform als vergunningvrij zijn aangewezen. Opgemerkt wordt dat gemeenten er echter per locatie in het omgevingsplan voor kunnen kiezen om meer bouwwerken vergunningvrij te maken.

X Noot
69

Zo kan bijvoorbeeld het vergunningvrij behouden van uitbouwen in het achtererfgebied – zoals nu is geregeld in het Besluit omgevingsrecht – in strijd zijn met een gemeentelijke wens om verdichting van binnentuinen tegen te gaan.

X Noot
70

Voorgestelde artikelen 18.18 tot en met 18.27 van de Omgevingswet.

X Noot
71

Toelichting bij de Invoeringswet, paragraaf 2.1.3.2.

X Noot
72

Artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde artikel 18.22 dat daarvoor de grondslag biedt. Het Invoeringsbesluit ligt thans nog niet ter advisering voor.

X Noot
73

Bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 96.

X Noot
74

Aanbeveling 8 in de rapportage.

X Noot
75

Zie hierover ook S. Bartel, ‘Taken en positie van de omgevingsdienst bij het omgevingsplan’, in: S. Bartel, H. Borgers, E. Broeren e.a., Milieubescherming in het omgevingsplan (Vereniging voor milieurecht 2016-1), Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 169–181.

X Noot
76

Voorgesteld artikel 18.18 regelt de reikwijdte van de ‘VTH-bepalingen’ in de Omgevingswet. De artikelsgewijze toelichting beschrijft dat uit de (niet limitatieve) opsomming bij de omschrijving van het term ‘uitvoeringstaak’ duidelijk wordt dat met die term enerzijds op meer bevoegdheden en taken wordt gedoeld dan de oorspronkelijke term ‘vergunningverlening’ zichtbaar maakte, maar dat anderzijds niet beoogd is om de uitoefening of uitvoering alle bij de Omgevingswet toegekende bevoegdheden en taken te omvatten: ‘VTH’ ziet namelijk niet op bevoegdheden en taken als het opstellen van omgevingsvisies, -plannen of -verordeningen of programma’s.’

X Noot
77

Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 30 september 2016, Vierde periodieke beschouwing over interbestuurlijke verhoudingen in het sociale en fysieke domein ‘En nu verder!’, (W04.15.0367/I), Kamerstukken II 2016/17, 34 550-VII, nr. 12 (bijlage), paragraaf 2.3.4.

X Noot
78

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2 (Het omgevingsplan).

X Noot
79

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2.4.2 (Flexibiliteit, open normen, beleidsregels en rechtszekerheid).

X Noot
80

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2.4.2 (Flexibiliteit, open normen, beleidsregels en rechtszekerheid).

X Noot
81

Artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
82

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2 (Het omgevingsplan).

X Noot
83

Voorgesteld artikel 4.4, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
84

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2 (Het omgevingsplan).

X Noot
85

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2 (Het omgevingsplan).

X Noot
86

Artikel 4.4, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
87

Toelichting bij het Ob, Paragraaf 3.2.4.4 (Precisering en verschuiving van onderzoek).

X Noot
88

Toelichting bij het Ob, Paragraaf 3.2.4.2 (Flexibiliteit, open normen, beleidsregels en rechtszekerheid).

X Noot
89

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2.4.2 (Flexibiliteit, open normen, beleidsregels en rechtszekerheid).

X Noot
90

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2.4.1 (Overgangsrecht en gebodsbepalingen).

X Noot
91

Zie met name de voorgestelde artikelen 5.20 en 5.21 van de Omgevingswet.

X Noot
92

Toelichting bij de Invoeringswet, paragraaf 2.2.1.3 (Splitsing vergunningplicht voor de bouwactiviteit in een technische vergunning en een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit).

X Noot
93

Toelichting bij de Invoeringswet, paragraaf 2.2.1.5 (Omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk).

X Noot
94

F. Brouwer, B. Rademaker, ‘Een nieuwe opzet van de vergunningplicht voor bouwwerken in de Omgevingswet’, TBR 2017/39, nr. 3, blz. 218–225.

X Noot
95

F. Brouwer, B. Rademaker, ‘Een nieuwe opzet van de vergunningplicht voor bouwwerken in de Omgevingswet’, TBR 2017/39, nr. 3, blz. 223.

X Noot
96

De toelichting bij het Ob (paragraaf 3.2.4.1, Overgangsrecht en gebodsbepalingen) noemt als voorbeeld dat als op enig moment in de regels wordt vastgelegd dat laden en lossen op een bepaalde locatie of bepaalde tijdstippen niet meer is toegestaan, dergelijke activiteiten niet nog jaren zouden moeten kunnen voortduren vanwege eerbiedigend overgangsrecht.

X Noot
97

Als voorbeeld van een wijziging die naar omstandigheden de grenzen van deze beginselen zou kunnen overschrijden noemt de toelichting bij het Ob (paragraaf 3.2.4.1, Overgangsrecht en gebodsbepalingen) een plicht om woningen te bouwen op een locatie waar een bedrijf is gevestigd.

X Noot
98

Toelichting bij het Ob, paragraaf 3.2.4.1 (Overgangsrecht en gebodsbepalingen),

X Noot
99

Artikel 4.7, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
100

Artikelsgewijze toelichting op artikel 4.7 van de Omgevingswet (Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3).

X Noot
101

Voorgesteld artikel 4.7, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
102

Voorgesteld artikel 4.7, derde lid, van de Omgevingswet.

X Noot
103

Artikel 2.4 van het Bbl.

X Noot
104

Consultatiereactie Afdeling bestuursrechtspraak over de uitvoeringsbesluiten van 29 september 2016, blz. 6–7.

X Noot
105

Zie de artikelen 2.10 (zorgplicht voor milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten), 6.6 (zorgplicht voor activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk), artikel 7.6 (zorgplicht activiteiten in de Noordzee), 8.6 (zorgplicht voor activiteiten rond rijkswegen), 11.11 (zorgplicht voor activiteiten die het cultureel erfgoed betreffen) en 12.9 (zorgplicht voor activiteiten die het werelderfgoed betreffen).

X Noot
106

Zie bijvoorbeeld artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit en artikel 13 van de Wet bodembescherming.

X Noot
107

Artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet.

X Noot
108

Consultatiereactie Afdeling bestuursrechtspraak over de uitvoeringsbesluiten van 29 september 2016, blz. 8.

X Noot
109

Te raadplegen op www.internetconsultatie.nl.

X Noot
110

Voorgestelde artikelen 20.20, 20.22, 20.23 en 20.28 van de Omgevingswet.

X Noot
111

Toelichting, paragraaf 5.2.10 (Overgangsrecht Digitaal Stelsel Omgevingswet).

X Noot
112

Bestuursakkoord van 1 juli 2015, blz. 9.

X Noot
113

Consultatie VNG van 1 maart 2017, kenmerk ECFD/U201700154, blz. 9.

X Noot
114

Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98.

X Noot
115

Voorgestelde artikelen 20.23, tweede lid, en 20.28, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
116

Voorgesteld artikel 20.29 van de Omgevingswet.

X Noot
117

De taak van de omgevingsdiensten wordt nu geregeld in artikel 5.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de artikelen 7.1 en 7.2 van het Besluit omgevingsrecht. Het zal worden geregeld bij en krachtens de voorgestelde artikelen 18.21 tot en met 18.23 van de Omgevingswet.

X Noot
118

Voorgesteld artikel 20.31 van de Omgevingswet.

X Noot
119

Voorgesteld artikel 20.26, tweede en derde lid, van de Omgevingswet.

X Noot
120

Advies van het Bureau ICT-Toetsing, 7 september 2017, Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98, bijlage, blz. 4.

X Noot
121

Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98, blz. 5.

X Noot
122

Kamerstukken II 2017/18, 34 775, nr. 3, punt 4b.

X Noot
124

Toelichting, paragraaf 7.2 (Gevolgen voor administratieve lasten van burgers en bedrijven en bestuurlijke lasten voor overheden).

X Noot
125

Voorgestelde artikelen 20.32 en 20.33 van de Omgevingswet.

X Noot
126

Artikel 2.34 van de Omgevingswet.

X Noot
127

Artikelen 124 tot en met 124h, 268 en 274 van de Gemeentewet; artikelen 121 tot en met 121f, 253 en 261 van de Provinciewet.

X Noot
128

Artikel 3.1, onderdeel C, van de Invoeringswet Omgevingswet wijzigt de bijlage bij artikel 124b van de Gemeentewet om over de provincie heen te kunnen springen. Blijkens de toelichting op het artikel is dit gedaan met het oog op DSO.

X Noot
129

Kamerstukken II 2009/10, 32 389, nr. 3, blz. 5.

X Noot
130

Voorgesteld artikel 20.31, tweede lid, onderdeel a, van de Omgevingswet.

X Noot
131

Vergelijk aanwijzing 262 van de Aanwijzingen voor de regelgeving: geen voorstellen van wet worden aanhangig gemaakt waarvan de beleidsvoorbereiding en de besluitvorming niet zijn afgerond.

X Noot
132

Advies van het Bureau ICT-Toetsing, 7 september 2017, Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98, bijlage, blz. 5, 7. Reactie op het advies: Kamerstukken II 2017/18, 33 118, nr. 98.

X Noot
133

Toelichting, paragraaf 2.1.4.2 (Verbeterdoelen, fasering en financiering van het DSO); toelichting op artikel 20.31, eerste lid.

X Noot
134

Toelichting, paragraaf 2.1.4.2 (Verbeterdoelen, fasering en financiering van het DSO).

X Noot
135

Tenzij het gaat om ‘het aanbieden van goederen of diensten door bestuursorganen aan andere bestuursorganen of aan overheidsbedrijven voor zover deze goederen of diensten zijn bestemd voor de uitvoering van een publiekrechtelijke taak’ (artikel 25h, tweede lid, Mededingingswet).

X Noot
136

Artikel 2.25 van de Aanbestedingswet 2012.

X Noot
137

Gedacht kan worden aan formulering als alleenrecht van de informatiehuistaak. Aanbesteding is dan niet verplicht als het informatiehuis zelf ook aanbestedende dienst is (vgl. HR 18 november 2011 AVR Afvalverwerking / gemeente Westland en Huisvuilcentrale Noord-Holland, ECLI:NL:HR:2011: BU4900). Ook kan gedacht worden aan vormgeving als concessie. In dat geval geldt mogelijk het bijzondere regime van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB 2014, L 94).

X Noot
138

Toelichting, paragraaf 2.1.4.6 (Bescherming van persoonsgegevens), onder ‘Gegevensbeschermingeffectbeoordeling’.

X Noot
139

Dit vergt mogelijk aanpassing van voorgesteld artikel 20.24, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
140

Visie op het stelsel van basisregistraties, Kamerstukken II 2009/10, 29 362, nr. 176, bijlage. Uitgewerkt in, bijvoorbeeld, de artikelen 1.7 en 1.8 van de Wet basisregistratie personen.

X Noot
141

Toelichting, paragraaf 2.1.4.7 (Verhouding tot andere regelgeving en de digitale overheid), onder ‘Generieke Digitale Infrastructuur’.

X Noot
142

Toelichting, paragraaf 2.1.4.6 (Bescherming van persoonsgegevens).

X Noot
143

Artikel 25, tweede lid, AVG.

X Noot
144

Artikel 16.63 van de Omgevingswet.

X Noot
145

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 568.

X Noot
146

Wel over toegang tot aanvragen en meldingen (voorgesteld artikel 20.26, eerste lid, slot), maar uit de toelichting op het artikel valt af te leiden dat het alleen gaat om toegang door de aanvrager of melder.

X Noot
147

Toelichting, paragraaf 2.1.4.2 (Verbeterdoelen, fasering en financiering van het DSO).

X Noot
148

Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 35.

X Noot
149

Artikel 2.4 tot en met 2.9 van het Bkl. Zie hierover ook punt 8 van dit advies.

X Noot
150

Artikel 5.50 van het Bkl.

X Noot
151

Dit zijn locaties waar nog overschrijdingen voor stikstofdioxide of PM10 zijn of waar de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide of PM10 nog dusdanig zijn dat niet kan worden uitgesloten dat activiteiten of werken leiden tot een overschrijding van de rijksomgevingswaarden voor deze stoffen. Het gaat onder meer om de vijf grote steden en de regio's met veel veehouderijen.

X Noot
152

Artikel 5.51 van het Bkl.

X Noot
153

Artikel 8.16 van het Bkl.

X Noot
154

Artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onderdeel c, in samenhang met artikel 5.16, derde lid, van de Wet milieubeheer, het Besluit niet in betekende mate bijdragen en de Regeling niet in betekende mate bijdragen.

X Noot
155

Artikelen 5.53, 5.54 en 8.16 van het Bkl.

X Noot
156

Artikel 3.10 van de Omgevingswet.

X Noot
157

Consultatiereactie IPO 10 oktober 2016, kenmerk DROW 07788/2016, blz. 10 en 11.

X Noot
158

Zie ook artikel 1, onder 5, van de richtlijn luchtkwaliteit.

X Noot
159

HvJ EU 10 april 1984, 14/83, Colson en Kamann, ECLI:EU:C:1984:153, punt 15, HvJ EU 9 september 1999, Commissie/Duitsland, C-217/97, ECLI:EU:C:1999:395, punt 31, HvJ EU 11 juli 2002, C-62/00, Marks & Spencer, ECLI:EU:C:2002:435, punten 26 en 27. Zie ook ABRvS 5 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC5789, r.o. 2.3.2.

X Noot
160

Toelichting, paragraaf 7.1.

X Noot
161

Zie in dit verband artikel 23, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn luchtkwaliteit, zoals uitgelegd door HvJ EU 19 november 2014, C-404/13, Client Earth, ECLI:EU:C:2014:2382, punt 57.

X Noot
162

Ook de VNG stelt in haar consultatiereacties bij de Invoeringswet (1 maart 2017, kenmerk ECFD/U201700154, blz. 9) en de amvb's (11 oktober 2016, kenmerk ECFD/U201601303, blz 8) dat bestuurlijke afspraken ontoereikend zullen zijn en een gezamenlijke programmaplicht voor rijk, provincie en gemeente in geval van (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarden van luchtkwaliteit dient te gelden.

X Noot
163

HvJ EU 22 juni 1989, 103/88, Fratteli Costanzo, ECLI:EU:C:1989:256, punten 18-33, HvJ EU 12 juni 1990, C-8/88, Landbouwpremies (D), ECLI:EU:C:1990:241, punt 13, en HvJ EU 12 juni 1990, C-188/89, Foster e.a./British Gas plc, ECLI:EU:C:1990:313. Zie in dit verband ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag van 7 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:10171, r.o. 4.7. Dit is onderkend in de toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 33.

X Noot
164

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB 2000, L 327/1).

X Noot
165

Artikel 2, onder 18, van de Krw.

X Noot
166

Artikel 2, onder 20, van de Krw.

X Noot
167

Artikel 2, onder 17 en 19, van de Krw.

X Noot
168

Programma’s als bedoeld in artikelen 3.7, 3.8, tweede lid, en 3.9, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
169

Voor grondwaterlichamen geldt een vergelijkbare systematiek: zie de artikelen 2.15 en 2.16 juncto artikel 4.14 Bkl.

X Noot
170

Hoofdstuk 20 van de Omgevingswet en paragraaf 10.2.2 van het Bkl. In die paragraaf is – anders dan in paragraaf 13.3.2 van de toelichting bij het Bkl staat – geen monitoringsfrequentie opgenomen.

X Noot
171

Vergelijk artikel 3.10, tweede lid, en artikel 3.11 van de Omgevingswet.

X Noot
172

Artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.13. Voor zover hierbij wordt gedoeld op de actualisering van stroomgebiedbeheerplannen die elke zes jaar dient plaats te vinden (zie artikel 8.9 van het Ob), wijst de Afdeling er op dat dit niet een passende termijn is als bedoeld in artikel 3.11 van de Omgevingswet.

X Noot
173

Het beginsel ‘geen achteruitgang’ wordt in de Krw niet verder uitgewerkt. In HvJ EU 1 juli 2015, C-461/13, Wezer, ECLI:EU:C:2015:433, punt 70, maakt het Hof duidelijk dat sprake is van achteruitgang van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, sub I, van de Krw zodra één van de kwaliteitselementen een klasse achteruitgaat, ongeacht of het oppervlaktewaterlichaam als geheel een klasse achteruit gaat. Het Hof bepaalt verder dat wanneer een kwaliteitselement reeds in de laagste toestandsklasse verkeert, iedere achteruitgang van dat element is verboden. Met artikel 4.15, tweede lid, van het Bkl wordt hieraan op een juiste wijze uitvoering gegeven, nu dit artikel bepaalt dat voorkomen moet worden dat een stof of kwaliteitselement in een lagere klasse komt, ook indien dit geen gevolgen heeft voor de toestandsklasse van het oppervlaktewaterlichaam zelf.

X Noot
174

Toelichting bij het Bkl, paragraaf 7.2.2 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.15.

X Noot
175

Als bedoeld in artikel 8.84, eerste lid, van het Bkl.

X Noot
176

Toelichting, paragraaf 11.10.

X Noot
177

HvJ EU 1 juli 2015, C-461/13, Wezer, ECLI:EU:C:2015:433, punten 31 t/m 50 en HvJ EU 4 mei 2016, C-346/14, Schwarze Sulm, ECLI:EU:C:2016:322, punten 53–56.

X Noot
178

Zie ook de toelichting bij het Bkl over instructieregels van basistype 2 (rekening houden met), paragraaf 2.3.2.3.

X Noot
179

Stb. 2013, 50. Hiermee wordt een algemene wettelijke regeling van nadeelcompensatie in titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht voorzien.

X Noot
180

Voorgesteld artikel 15.3, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
181

Voorgesteld artikel 15.4 van de Omgevingswet.

X Noot
182

Artikelsgewijze toelichting bij voorgesteld artikel 15.4 van de Omgevingswet.

X Noot
183

Zie bijvoorbeeld I.P.A. van Heijst, ‘Schadeoorzaken en schaduwschade in de nieuwe Omgevingswet’, O&A 2017/64.

X Noot
184

Vergelijk J.H.M. Huijts en C.W. Backes, ‘Reden tot discussie over het Nederlandse planschadestelsel?’, TO 2015, 3.

X Noot
185

Artikel 4:131 Awb.

X Noot
186

Voorgesteld artikel 15.6, tweede en derde lid, van de Omgevingswet.

X Noot
187

Voorgesteld artikel 15.6 van de Omgevingswet.

X Noot
188

Artikelsgewijze toelichting bij voorgesteld artikel 15.6 van de Omgevingswet.

X Noot
189

Voorgestelde artikelen 15.1 en 15.3 van de Omgevingswet. Op grond van het voorgestelde artikel 15.3, eerste lid, kan de aanvraag om schadevergoeding worden ingediend als degene die de activiteit gaat verrichten aan het bevoegd gezag informatie over die activiteit heeft verstrekt volgens de regels die daarvoor gelden of met de activiteit is begonnen.

X Noot
190

Artikelsgewijze toelichting bij voorgesteld artikel 15.3, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
191

Zie ook A.G.A. Nijmeijer, ‘Globale omgevingsplanregels en planschaderisico: een nieuwe planschaderegeling nodig?’, O&A 2017/63.

X Noot
192

Artikel 16.62 van de Omgevingswet.

X Noot
193

Zie artikel 8.22 van het Ob.

X Noot
194

Zie artikel 16.64, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
195

Zie artikel 16.65, eerste lid, van de Omgevingswet, samen met artikel 3.18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

X Noot
196

Toelichting bij de Invoeringswet, paragraaf 2.2.5 (Toepassing uitgebreide procedure omgevingsvergunning).

X Noot
197

Kamerstukken I 2016/17, 33 118, AB.

X Noot
198

Vergelijk V.M.Y. van ’t Lam en A.G.A. Nijmeijer, ‘Op een beweeglijk standpunt sta je het sterkst. Pleidooi tegen de introductie van de uitgebreide procedure ‘op aanvraag’’, in: M en R 2017/62, afl. 50, blz. 60–74.

X Noot
199

Artikel 3.10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

X Noot
200

Artikel 8.22, vierde lid, van het Ob.

X Noot
201

Artikelsgewijze toelichting op artikel 8.22 van het Ob.

X Noot
202

Artikel 3.10, derde lid, van de Wabo.

X Noot
203

Artikelsgewijze toelichting op artikel 8.22 van het Ob.

X Noot
204

Artikel 16.64, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
205

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 4, blz. 30.

X Noot
206

Artikel 3.10, eerste lid, onder e, van de Wabo.

X Noot
207

Artikelen 3.10, eerste lid, van de Wabo samen met artikel 3.18, eerste lid, van de Awb.

X Noot
208

Toelichting bij het Bal, paragraaf 3.1.2 (Inzet van specifieke zorgplichten in dit besluit).

X Noot
209

Artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit en artikel 13 van de Wet bodembescherming.

X Noot
210

Toelichting bij het Bal, paragraaf 3.1.2 (Inzet van specifieke zorgplichten in dit besluit), een-na-laatste alinea.

X Noot
211

Voorgesteld artikel 1.8 van de Omgevingswet.

X Noot
212

Voorgesteld artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet.

X Noot
213

Voorgesteld artikel 1.8, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
214

Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (L 328/28).

X Noot
215

Voorgesteld artikel 1.9, tweede lid, van de Omgevingswet.

X Noot
216

Artikelsgewijze toelichting in de Invoeringswet (artikel 1.1, onderdeel B) op voorgesteld artikel 1.8 van de Omgevingswet.

X Noot
217

Zie bijvoorbeeld artikel 10.1 van de Wet milieubeheer.

X Noot
218

Artikel 2.4 van de Omgevingswet.

X Noot
219

Voorgesteld artikel 22.1 van de Omgevingswet en artikel 11.6 van de Invoeringswet Omgevingswet.

X Noot
220

Voorgesteld artikel 4.17 van de Omgevingswet.

X Noot
221

Voorgesteld artikel 22.4 van de Omgevingswet en de toelichting op dat artikel in de Invoeringswet (artikel 1.1, onderdeel HU).

X Noot
222

Artikel 4.2 en voorgesteld artikel 22.5 van de Omgevingswet.

X Noot
223

Toelichting, paragraaf 5.2.3 (Omgevingsplan), onder ‘Oud en nieuw regime naast elkaar’.

X Noot
224

Zie ook: artikel van S. Hilligers, T.E.P.A. Lam, A.G.A. Nijmeijer, ‘Van bestemmingsplan naar omgevingsplan volgens de Invoeringswet Omgevingswet’, in: TBR 2017/38, nr. 3, blz. 208–217.

X Noot
225

Artikel 11.10, derde lid, van de Invoeringswet.

X Noot
226

IPO 13 maart 2017, kenmerk DROW 07988/2017, blz. 5.

X Noot
227

Consultatiereactie Afdeling bestuursrechtspraak, 9 maart 2017, blz. 8.

X Noot
1

Zoals dit na wijziging bij de Invoeringswet Omgevingswet komt te luiden.

X Noot
2

Wordt aangepast

X Noot
3

Verwijzing naar Wet geluidhinder wordt later aangepast.

X Noot
4

Artikel nog niet bekend

X Noot
5

Voor de toepassing van de Omgevingswet en de daarop berustende bepalingen wordt onder ‘bouwwerk’ verstaan: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties.

X Noot
6

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 320–326.

X Noot
7

Wijziging van de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van een nieuw stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen en de versterking van de positie van de bouwconsument (Wet kwaliteitsborging voor het bouwen), Kamerstukken II 2015/2016 34 453.

X Noot
8

Brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 7 oktober 2015 over de Aanvullingswetten geluid en bodem (Kamerstukken II 2015/16, 28 663, nr. 64). Het is de bedoeling dat deze Aanvullingswetten bij inwerkingtreding onderdeel worden van de Omgevingswet.

X Noot
9

Wijziging van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met de verduidelijking van voorschriften voor woonboten (Wet verduidelijking voorschriften woonboten), Kamerstukken 34 434.

X Noot
10

Zie ook paragraaf 3.2.8 van de nota van toelichting bij het Omgevingsbesluit.

X Noot
11

Zie voor deze beleidsvoornemens het verslag van het schriftelijk overleg over de problematiek rondom asbest (Kamerstukken II 2015/16, 25 834, nr. 105).

X Noot
12

Zie de paragraaf over de uitvoering van de motie Dik-Faber c.s. over energiebesparing en verduurzaming van energie in de bestaande bouw in de brief van de minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 mei 2016 (Kamerstukken II 2015/16, 30 196, nr. 457).

X Noot
13

Zie het op 17 maart 2017 vastgestelde verslag van het schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Infrastructuur, Milieu en Ruimtelijke Ordening over de vier ontwerp-besluiten (Kamerstukken I 2016/17, 33 118, N), blz. 35.

X Noot
14

Idem, blz. 34.

X Noot
15

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 22–25

X Noot
16

Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 30–49.

X Noot
18

Op dit moment staat nog niet precies vast hoe deze omzetting in de verschillende besluiten onder de Omgevingswet zal plaatsvinden. Om die reden is in hoofdstuk 11 ook geen implementatietabel voor deze richtlijn opgenomen.

X Noot
19

De regels van het Besluit bodemkwaliteit worden nog ingebouwd in het stelsel.

X Noot
20

Waarbij duurzaamheid bedoeld is als verzamelbegrip voor bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu (zie memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 478).

X Noot
21

Prof. mr.L.J.A. Damen e.a., Bestuursrecht. Deel I. Systeem, bevoegdheid, bevoegdheidsuitoefening, handhaving. Boom Juridische uitgevers, Den Haag, 2005, pag. 61–65.

X Noot
22

SIRA (2016), ‘Financiële effecten amvb’s Omgevingswet’ Zie https://www.omgevingswetportaal.nl/documenten/rapporten/2016/10/31/financiele-effecten-amvbs-omgevingswet

SIRA (2016) ‘Oplegnotitie bij het onderzoek naar de financiële effecten van de AMvB’s van de Omgevingswet’ Zie https://www.omgevingswetportaal.nl/documenten/publicaties/2016/11/10/oplegnotitie-amvbs-omgevingswet

SIRA (2017), ‘Financiële effecten van de moties van de Omgevingswet’. Zie https://www.omgevingswetportaal.nl/publicaties/documenten/rapporten/2017/06/21/financiele-effecten-moties-omgevingswet

X Noot
23

Kamerstukken II 2014/15, 33 962, nr. 158.

X Noot
24

Deze formulering is ontleend aan de Mededeling van de Commissie van 2 februari 2000 over het voorzorgsbeginsel, COM(2000) 1.

X Noot
25

Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 74.

X Noot
26

Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 73.

X Noot
27

Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 57.

X Noot
28

Kamerstukken II 2016/2017, , 33 118, nr. 75

X Noot
29

Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nrs. 55.

X Noot
30

Kamerstukken I 2016/2017, 22 118, Z

X Noot
31

Kamerstukken II, 2016/2017, 33 118, nr. 49.

X Noot
32

Kamerstukken II, 2016/2017, 33 118, nr. 51.

X Noot
33

Kamerstukken II, 2016/2017, 33 118, nr. 52.

X Noot
34

Kamerstukken II, 2016/2017, 33 118, nr. 55.

X Noot
35

Kamerstukken II, 2016/2017, 33 118, nr. 79.

X Noot
36

Kamerstukken II, 2016/2017, 33 118, nr. 56.

X Noot
37

Kamerstukken II, 2016/2017, 24 170, nr. 155.

X Noot
38

Kamerstukken II 2014/15, 33 962, nr. 89.

X Noot
39

Dit besluit is in voorbereiding.

X Noot
40

Artikel nog niet bekend

Naar boven