Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935000-XVI nr. 12

35 000 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2019

Nr. 12 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 11 oktober 2018

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 27 september 2018 voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister voor Medische Zorg en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij brief van 10 oktober 2018 zijn ze door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister voor Medische Zorg en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De adjunct-griffier van de commissie, Bakker

Vraag 1

Waarom worden de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD'en) voor 2018, 2019 en 2020 voor keuzebegeleiding wel volledig gesubsidieerd en Siriz voor 2018 slechts gedeeltelijk, terwijl voor 2019 en volgende jaren Siriz geen subsidie krijgt, maar kan meedoen in een Open House-financieringsconstructie?

Antwoord:

Zoals ik in mijn brief over preventie en ondersteuning onbedoelde (tiener) zwangerschappen heb aangegeven, wil ik een duurzame financiering ontwikkelen voor keuzehulpbegeleiding (TK 32 279, nr. 123). Daarvoor heb ik – samen met partijen – gekozen voor een open house financieringsconstructie per 2019, zodat de middelen ook rechtmatig kunnen worden besteed. Het klopt dat de GGD GHOR nog een subsidie ontvangt in 2019 en in 2020 voor het leveren van keuzehulpgeprekken. Ik ben op dit moment met GGD GHOR Nederland in gesprek om te bezien of GGD’en vanaf 2019 ook mee kunnen doen aan de open house constructie in plaats van de voortzetting van de huidige subsidie. Zodra ik daar uitsluitsel over heb, zal ik u hierover informeren. GGD/GHOR en Siriz hanteren daarbij op dit moment nog verschillende definities ten aanzien van het begrip «keuzehulpgesprek», waardoor ook de bedragen verschillen. Het is dus zeker niet zo dat de één het volledig gefinancierd krijgt en de ander gedeeltelijk. Bij de uitwerking van de hiervoor genoemde open house constructie gaan we uit van eenzelfde definitie van keuzehulpgesprek voor alle mogelijke partijen met eenzelfde tarief.

Vraag 2

Welke middelen zijn er beschikbaar voor samenwerking tussen abortusklinieken en veldpartijen om (herhaling van) abortussen tegen te gaan?

Antwoord:

Ik heb voor dit onderwerp jaarlijks € 200.000 voor de periode 2018 t/m 2020 gereserveerd. Dit is ook het bedrag dat door partijen zelf is aangedragen. Ik ga de komende periode in gesprek met de relevante partijen uit het veld om te bekijken welke activiteiten nodig zijn om de samenwerking tussen abortusklinieken en andere zorgverleners (zoals huisartsen) te verbeteren en aan de hand daarvan wordt bezien welk bedrag daarvoor kan worden ingezet.

Vraag 3

Hoeveel kinderen (onder 18 jaar) maken er in Nederland gebruik van een prothese? Kunt u aangeven hoe dit cijfer zich over de afgelopen tien jaar heeft ontwikkeld?

Antwoord:

Het exact aantal kinderen onder de 18 met een prothese is mij niet bekend. Op basis van cijfers van het Zorginstituut is aan te geven dat het gemiddeld aantal verstrekkingen over de periode 2012 tot 2016 1.259 prothesen per jaar bedraagt. Uitgaande van een gemiddelde levensduur van drie tot vier jaar schat ik het totaal aantal kinderen dat gebruikt maakt van een prothese op circa vier- á vijfduizend.

Vraag 4

Aan welke doelen zijn de extra middelen (€ 10 miljoen per jaar) voor het topsportbeleid toegewezen?

Antwoord:

Met de € 10 miljoen extra voor topsport wordt beoogd om talenten en topsporters meer kansen te bieden om deel te nemen aan internationale wedstrijden en om beter te presteren. Om dit te realiseren zijn de middelen toegewezen aan de volgende subdoelen:

  • Meer mogelijkheden voor deelname aan internationale wedstrijden en trainingsstages

  • Betere talentherkenning en -ontwikkeling

  • Meer en betere persoonlijke begeleiding door coaches en experts

  • Extra investering in financiële voorzieningen

  • De ontwikkeling van een integraal datamanagement- en dossiervoeringssysteem

  • Een betere en meer toegankelijke opleiding van Nederlandse topcoaches

  • De ontwikkeling van nieuwe kansrijke medaille-onderdelen en sporten

Vraag 5

Waaraan worden de extra middelen voor de uitvoering van het sportakkoord besteed? Welke partijen maken hierop aanspraak?

Antwoord:

De extra middelen uit het regeerakkoord zijn:

  • € 5 miljoen voor sportevenementen

  • € 10 miljoen voor Topsport

  • € 10 miljoen voor het versterken van bonden & verenigingen

De € 5 miljoen voor sportevenementen wordt volledig toegevoegd aan het (herziene) beleidskader sportevenementen waarvoor de voorhangprocedure gestart is. Dit beleidskader wordt opgenomen in het nog uit te werken deelakkoord 6 «Topsport die inspireert» van het sportakkoord.

De € 10 miljoen voor Topsport wordt ingezet om talenten en topsporters meer kansen te bieden om deel te nemen aan internationale wedstrijden en om beter te presteren. Uw Kamer is hierover geïnformeerd bij brief (TK 2017–2018, 30 234 nr. 176).

De € 10 miljoen voor het versterken van bonden & verenigingen landt volledig in deelakkoord «Vitale aanbieders». Een deel hiervan zal worden benut voor het programma «impuls versterken sportbonden» waarvoor NOC*NSF een subsidieaanvraag heeft ingediend die bij VWS in behandeling is. Daarnaast wordt een deel besteed aan de uitbreiding van de buurtsportcoachregeling teneinde meer buurtsportcoaches in te kunnen zetten voor de ondersteuning van sportaanbieders. Het restant wordt benut voor maatregelen om het (vrijwillig) kader in de sport in de sport te versterken, de verenigingsondersteuning te professionaliseren en voor impulsen om verenigingen te helpen zich te ontwikkelen richting vitale/open clubs. Hoe het budget exact verdeeld wordt over deze maatregelen en via welke partijen dit gaat lopen, is momenteel onderwerp van gesprek tussen de partners van het sportakkoord. Ik zal de Kamer voor het kerstreces hierover informeren.

Vraag 6

Aan welke evenementen worden de extra middelen voor topsportevenementen toegewezen? Zijn hier al concrete evenementen voor gekozen, of wordt dit nog nader uitgewerkt?

Antwoord:

De extra middelen van € 5 miljoen voor sportevenementen wordt volledig toegevoegd aan het (herziene) beleidskader sportevenementen waarvoor de voorhangprocedure gestart is. Dit beleidskader wordt opgenomen in het nog uit te werken deelakkoord 6 «Topsport die inspireert» van het sportakkoord.

Vraag 7

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wordt overgeheveld naar de Wet publieke gezondheid (Wpg), waarmee het een gemeentelijk taak wordt; wie er is daarmee primair verantwoordelijk voor een goede vaccinatiedekkingsgraad? Wie is er verantwoordelijk voor een goede voorlichting en bewustwording? Hoe en waar wordt de verantwoordelijkheid van een goede monitoring belegd?

Antwoord:

Nederland kent een vrijwillige vaccinatie, de vaccinatiegraad is dus een resultante van al die individuele keuzes. Wel heeft de Nederlandse overheid zich gecommitteerd aan de WHO-doelen gericht op de bestrijding van polio, rodehond en mazelen. De ontwikkeling van de vaccinatiegraad, zowel landelijk als per gemeente, wordt door het RIVM nauwgezet gemonitord. De gemeenten ontvangen jaarlijks de rapportage op gemeentelijk niveau en voeren hierover overleg met de afdeling infectieziektebestrijding van de GGD. Deze taak van gemeenten is vastgelegd in het Besluit publieke gezondheid (gepubliceerd in het Staatsblad van 20 november 2017). Indien nodig kunnen de uitvoerende JGZ-organisatie en het RIVM bij het overleg tussen gemeente en de afdeling infectieziektebestrijding van de GGD worden betrokken. Deze procedure is nader omschreven in de handreiking voor gemeenten.

De verantwoordelijkheid voor de inhoud, regie en coördinatie van het vaccinatieprogramma blijft een taak van de rijksoverheid en is belegd bij het RIVM. Zo blijft het RIVM verantwoordelijk voor de inkoop van de vaccins en de distributie daarvan ten behoeve van de uitvoering van het programma. Ook de oproep van de te vaccineren personen, het verzorgen van het landelijke uniforme voorlichtingsmateriaal dat voor het RVP moet worden gebruikt, de centrale registratie van vaccinatiegegevens en de bewaking van de kwaliteit van het programma blijven bij het RIVM berusten.

Zie ook de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Wet publieke gezondheid onder meer in verband met het opnemen daarin van een aanbod van de overheid van vaccinaties en bevolkingsonderzoek en nieuwe regels voor de bestrijding van invasieve exotische vectoren (TK 34 472, nr. 3) en eerdere antwoorden in de nota naar aanleiding van het verslag (TK 34 472, nr. 6).

Vraag 8

Welke effecten verwacht u dat de overheveling van de verantwoordelijkheid van het RVP naar de Wpg heeft op de vaccinatiedekkingsgraad?

Antwoord:

Ik verwacht geen effect van de overheveling op de vaccinatiegraad. De inzet van de overheveling is om de huidige beproefde uitvoeringsstructuur te behouden en de samenhang met de JGZ te waarborgen.

Vraag 9

Kunt u een overzicht sturen met de jaarlijkse uitgaven aan zorg vanaf 2000 tot en met 2018 in totaal en uitgesplitst per wet?

Antwoord:

In de onderstaande tabel is de niet gecorrigeerde cijfers van de ontwikkeling van de zorguitgaven 2000–2018 opgenomen.

Tabel Ontwikkeling van de Zorguitgaven en -ontvangsten 2000–2018 (bedragen x € 1 miljard)
 

2000

2001

2002

20031

2004

2005

2006

20072

2008

2009

20103

2011

2012

2013

2014

20154

2016

2017

2018

Zorguitgaven en -ontvangsten actuele VWS-stand

                                     

Zorgverzekeringswet (Zvw)

                                     

Brutouitgaven

18,1

20,0

22,3

23,5

23,7

24,3

25,3

26,1

31,5

33,8

35,5

36,0

36,7

39,2

39,2

41,9

43,9

45,4

47,6

Ontvangsten

0,7

0,9

0,8

0,5

0,4

2,0

2,1

2,0

1,3

1,4

1,5

1,5

1,9

2,7

3,1

3,2

3,2

3,2

3,2

Netto-uitgaven

17,4

19,2

21,5

23,0

23,2

22,3

23,2

24,0

30,2

32,4

34,0

34,5

34,7

36,5

36,1

38,6

40,7

42,2

44,4

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)/Wet langdurige zorg (Wlz)

                                     

Brutouitgaven

14,6

16,2

18,4

20,2

21,2

22,2

23,0

22,9

21,8

23,2

24,1

25,2

27,9

27,5

27,8

19,5

19,9

20,3

21,6

Ontvangsten

1,6

1,6

1,6

1,8

1,8

1,8

1,8

1,6

1,6

1,6

1,5

1,6

1,7

1,9

2,0

1,9

1,9

1,8

1,8

Netto-uitgaven

12,9

14,7

16,8

18,3

19,4

20,4

21,2

21,2

20,2

21,6

22,7

23,6

26,2

25,5

25,8

17,7

18,0

18,5

19,7

Begrotingsgefinancierde Zorguitgaven5

                                     

BrutoWmo (Gemeentefonds)

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

1,4

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

1,6

1,7

4,9

4,9

4,9

5,1

BrutoJeugdwet (Gemeentefonds)

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

2,0

1,9

1,9

2,0

Bruto overig begrotingsgefinancierd (VWS-begroting)

1,9

2,2

2,4

0,0

0,0

0,0

0,0

0,6

0,8

0,8

1,3

1,8

1,9

0,6

0,6

0,5

0,4

0,5

0,5

Brutobegrotingsgefinancierd

1,9

2,2

2,4

0,0

0,0

0,0

0,0

2,0

2,3

2,4

2,9

3,3

3,4

2,2

2,3

7,5

7,3

7,3

7,6

Ontvangsten

0,3

0,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,1

0,1

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Netto-uitgaven

1,7

2,0

2,4

0,0

0,0

0,0

0,0

2,0

2,2

2,3

2,8

3,2

3,4

2,2

2,3

7,5

7,3

7,3

7,6

Bruto Zorguitgaven

34,6

38,4

43,1

43,7

44,9

46,5

48,3

51,0

55,5

59,3

62,5

64,5

67,9

68,8

69,3

68,9

71,1

73,0

76,8

Zorgontvangsten

2,6

2,6

2,4

2,4

2,2

3,8

3,8

3,7

3,0

3,0

3,0

3,2

3,6

4,6

5,1

5,1

5,1

5,0

5,0

Netto Zorguitgaven

32,0

35,8

40,7

41,3

42,7

42,7

44,5

47,3

52,6

56,3

59,4

61,3

64,3

64,2

64,2

63,8

66,0

68,0

71,7

Bron: Actuele VWS-stand ontwerpbegroting 2019 (cijfers 2000 t/m 2012 zijn definitief)

X Noot
1

De overheidssectoren zijn vanaf 2003 t/m 2006 leeg geboekt omdat deze niet meer tot het Uitgavenplafond gerekend wordt.

X Noot
2

De integratie-uitkering Wmo huishoudelijke hulp is in 2007 ingevoerd.

X Noot
3

Exclusief de eenmalige stimuleringsimpuls voor de bouw uit het aanvullend coalitieakkoord Balkenende IV (€ 320 miljoen) die niet aan het Uitgavenplafond zorg is toegerekend.

X Noot
4

Ingaande 2015 is de Wet langdurige zorg in werking getreden.

X Noot
5

De genoemde begrotingsgefinancierde Zorguitgaven voor Wmo en de Jeugdwet betreffen alleen het premiedeel. Gemeenten ontvangen via het gemeentefonds via verschillende uitkeringen ook andere budgetten om aan hun wettelijke verantwoordelijkheden op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet te voldoen. Het totale budget dat gemeenten aan de Wmo 2015 en de Jeugdwet uitgeven kan alleen indicatief worden gegeven op basis van Iv3. De gemeenten leveren via het Iv3-systeem (informatie voor derden) informatie aan over hun begroting en hun daadwerkelijke gerealiseerde uitgaven. Op basis van het Iv3-systeem wordt voor een deel van de taken geen onderscheid gemaakt tussen de Wmo 2015 en de Jeugdwet, en de overhead wordt niet per taak inzichtelijk gemaakt maar op één taakveld door gemeenten geboekt. Zie ook het antwoord op vraag 428.

Vraag 10

Hoeveel wordt er door dit kabinet geïnvesteerd in de zorg? Kunt u dit zowel weergeven in een totaalbedrag als uitgesplitst in aparte tabellen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet?

Antwoord:

In onderstaande tabel zijn de intensiveringen en toegekende groeiruimte van dit kabinet voor de jaren 2018 t/m 2021 weergegeven op de in de vraag genoemde domeinen. Het betreft hier grotendeels wijzigingen in de uitgaven onder het plafond zorg (UPZ).

De loon- en prijsbijstelling die jaarlijks wordt toegekend is hierin niet opgenomen, net als de intensiveringen op de begroting van VWS (zoals waardig ouder worden, transformatiemiddelen jeugd en preventie).

Overzicht intensiveringen 2018–2021 (bedragen X € 1 miljoen)
 

2018

2019

2020

2021

Totaal intensiveringen

1.013

3.858

5.141

6.220

Zvw-uitgaven

139

1.310

1.838

2.261

Groeiruimte ZVW1

 

967

1.404

1.787

H54 Gedragseffect derving eigen risico als gevolg van HLA+geneesmiddelen

 

20

35

50

H55 Gedragseffect stabilisatie eigen risico

39

80

105

130

Maximering bijbetalingen extramurale geneesmiddelen op € 250

 

15

15

15

Hulpmiddelen: EU-regelgeving versterken systeem marktordening

   

45

45

Geneesmiddelen: EU-regelgeving vervalsingen

 

70

70

70

Pakketadvies zittend ziekenvervoer

 

8

14

14

HLA: huisartsenzorg

50

50

50

50

HLA: wijkverpleging

50

50

50

50

HLA: geestelijke gezondheidszorg

 

50

50

50

         

Zvw-ontvangsten

– 101

– 203

– 306

– 411

H55 Stabilisatie eigen risico 2018–2021

– 101

– 203

– 306

– 411

         

Wlz-uitgaven

641

2.006

2.671

3.222

Groeiruimte Wlz1

 

489

489

489

Kwaliteitskader verpleeghuiszorg, incl. transitie-, uitvoerings- en implementatiekosten (al verwerkt bij Miljoenennota 2018)

577

1179

1767

2278

H72 Terugdraaien taakstelling Wlz

 

136

208

213

Actualisatie onderuitputting Zorg in natura (Wlz)

54

54

54

54

Overgangsproblematiek naar Wlz (zorgval)

10

20

25

30

Openstelling Wlz voor GGZ-cliënten

     

30

Kostenonderzoek Wlz

 

128

128

128

         

Wlz-ontvangsten

– 16

– 45

– 41

– 41

H67 Verlaging eigen bijdragen Wlz

– 16

– 45

– 31

– 31

Overig beleidsmatig

   

– 10

– 10

         

Wmo en Jeugdwet-uitgaven

101

263

262

267

Groeiruimte Wmo en Jeugd1

 

118

118

118

Voorziening voor door gemeenten ervaren knelpunten

100

     

H66 Bijdrage Rijk in abonnementstarief Wmo

 

143

143

148

H67 Verlaging eigen bijdragen Beschermd Wonen

1

2

1

1

         

Overig begrotingsgefinancierde-uitgaven

15

31

23

18

H58 Stimulering medisch specialisten in loondienst

 

16

8

8

H62 Onafhankelijke clientondersteuning

15

15

15

10

Bron: Financieel Beeld Zorg Startnota en ontwerpbegroting 2019

X Noot
1

De groeiruimte 2018 is buiten beschouwing gelaten (toegekend door het voormalige kabinet). De groei in 2018 is wel structureel, maar leidt niet tot een additionele groei in 2019. Voor de Zvw is de groei 2020 en 2021 verwerkt voor zover onderdeel van de hoofdlijnenakkoorden. Voor de Wlz en Wmo/jeugd is alleen de uitgedeelde tranche 2019 opgenomen. De groeiruimte Wlz en Wmo beschermd wonen 2020 en 2021 wordt op een later moment uitgekeerd. Voor overig Wmo/jeugd geldt vanaf 2020 het accres.

Vraag 11

Kunt u een overzicht sturen van de bezuinigingen, uitgesplitst per Wmo, Wlz, Zvw en Jeugdzorg voor het komende jaar tot en met 2021?

Antwoord:

In onderstaande tabel zijn de maatregelen van dit kabinet voor de jaren 2018 t/m 2021 weergegeven. Hierbij zij aangetekend dat deze maatregelen er niet toe leiden dat er de komende jaren op deze onderdelen (huisartsenzorg, medisch-specialistische zorg, wijkverpleging, curatieve ggz, genees- en hulpmiddelen en de langdurige zorg) minder zorg wordt geleverd; het gaat hier slechts om «minder meer».

Overzicht maatregelen 2018–2021 (bedragen X € 1 miljoen)
 

2018

2019

2020

2021

Totaal maatregelen

– 14,6

– 570,6

– 1.423,3

– 2.323,4

Zvw-uitgaven

4,2

– 593,5

– 1.398,0

– 2.277,5

H51 Hoofdlijnenakkoorden 2019–2021

 

– 460,0

– 1.190,0

– 1.920,0

H52 Maatregelen genees- en hulpmiddelen

 

– 61,0

– 158,0

– 305,0

Pakketmaatregel vitaminen, mineralen en paracetamol

 

– 40,0

– 40,0

– 40,0

Opleidingen ggz

 

– 20,0

   

Overig beleidsmatig

4,2

– 12,5

– 10,0

– 12,5

         

Zvw-ontvangsten

 

– 43,0

– 92,0

– 141,0

H53 Doorwerking maatregelen Zvw (HLA en geneesmiddelen)

 

– 43,0

– 92,0

– 141,0

         

Wlz-uitgaven

– 18,8

– 20,1

– 117,3

– 186,9

Ramingsbijstelling groei Wlz

 

– 30,0

– 110,0

– 160,0

Overig beleidsmatig

– 18,8

9,9

– 7,3

– 26,9

Bron: Financieel Beeld Zorg Startnota en ontwerpbegroting 2019

Vraag 12

Kunt u de Kamer een recent overzicht doen toekomen met alle bezuinigingen op de langdurige zorg (Wlz, Wmo en jeugdzorg) als het gaat om de jaren 2015 tot en met 2021 (uitgesplitst naar zorgsector en jaartal)?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 16 t/m 19 uit de Begrotingsbehandeling voor het jaar 2018

(TK 34 775 XVI, nr. 14). Hierin zijn alle intensiveringen en maatregelen uit de ontwerpbegroting 2012 t/m 2018, voor de jaren 2012 t/m 2020 opgenomen.

Zie voorts de antwoorden op vraag 10 en 11 voor de intensiveringen en de maatregelen van dit kabinet.

Vraag 13

Hoeveel winst is er gemaakt in de Nederlandse zorgsector in 2018?

Antwoord:

Ik heb geen overzicht van de totale winst die in de Nederlandse zorgsector wordt gemaakt. Zie ook het antwoord op vraag 19.

Vraag 14

Hoeveel bedroegen de onderschrijdingen op zorg de afgelopen vijf jaar en welke sectoren hadden de grootste onderschrijdingen?

Antwoord:

In de onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de onderschrijding van het Uitgavenplafond zorg in de afgelopen vijf jaar.

Onderschrijdingen van het Uitgavenplafond zorg 2013–2017 (bedragen x 1 miljard)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Onderschrijding

– 1,1

– 2,0

– 0,6

– 1,8

– 2,6

Bron: VWS-jaarverslagen, Financieel Beeld Zorg 2013 t/m 2017

De onderschrijding van het Uitgavenplafond zorg wordt enerzijds veroorzaakt door de bijstelling van het Uitgavenplafond en anderzijds door de bijstelling van de netto-zorguitgaven. Er kan niet exact worden aangegeven welk deel van de onderschrijding betrekking heeft op Zvw, AWBZ/Wlz en begrotingsgefinancierde zorguitgaven en dus ook welke specifieke sectoren de grootste onderschrijdingen hadden. Dit omdat het deel van de over- dan wel onderschrijding dat betrekking heeft op de bijstelling van het Uitgavenplafond niet uitgesplitst wordt. De bijstellingen van de netto-zorguitgaven zijn wel uitgesplitst opgenomen in de VWS-jaarverslagen 2013 tot en met 2017. Hieruit valt op te maken dat de lagere zorguitgaven vanaf 2013 tot en met 2017 hun oorsprong vinden in de Zvw.

Vraag 15

Wat is er met de onderschrijdingen op zorg de afgelopen jaren gedaan? Waar is dat geld terechtgekomen?

Antwoord:

In de onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de over- en onderschrijdingen van de Uitgavenplafonds Rijksbegroting, Sociale Zaken en Arbeidsmarkt en Zorg over de jaren 2013 t/m 2018. Uit dit overzicht blijkt dat sinds het jaar 2013 sprake is van onderschrijdingen van het Uitgavenplafond zorg. Deze onderschrijdingen zijn voornamelijk ingezet als compensatie voor overschrijdingen op het Uitgavenplafond Rbg-eng.

Over- en onderschrijdingen van de Uitgavenplafonds 2013–2018 (+ = overschrijding, in miljarden euro)1

Kadertoets

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Rbg-eng

– 0,4

0,2

1,0

1,5

0,6

0,9

SZA

0,2

– 0,8

– 0,9

– 0,8

– 1,2

– 0,5

BKZ

– 1,1

– 2,0

– 0,6

– 1,8

– 2,6

– 0,5

Totaal uitgavenkader

– 1,4

– 2,6

– 0,5

– 1,1

– 3,1

– 0,1

Bron: Financieel Jaarverslag Rijk 2010 t/m 2017 en 2018 (raming OW 2019)

X Noot
1

Door afrondingsverschillen kan de som van de delen afwijken van het totaal.

Overigens betekent compensatie van overschrijdingen elders niet dat zorggeld wordt uitgegeven voor zaken waar het niet voor bedoeld was.

Geld voor de zorg wordt gezamenlijk betaald door burgers (via de premie en het eigen risico), werkgevers (via de inkomensafhankelijke bijdrage) en de overheid (via de rijksbijdrage voor de zorgkosten van kinderen). Die (premie)inkomsten mogen niet voor andere zaken worden aangewend dan zorg. Als de zorguitgaven lager uitkomen dan het kabinet heeft geraamd, kan het zijn dat zorgverzekeraars hier al rekening mee hebben gehouden in hun premiestelling. In de afgelopen jaren hebben de verzekeraars hun premie vaak lager vastgesteld dan het kabinet had verwacht. Dat komt onder andere doordat zorgverzekeraars over actuelere en meer gedetailleerde informatie beschikken dan het kabinet bij het opstellen van de begroting. De besluitvorming over de begroting vindt binnen het kabinet immers plaats in het voorjaar, als er nog geen realisaties over het lopende jaar beschikbaar zijn. Als verzekeraars in oktober/november hun premies bekend maken hebben zij al wel de beschikking over realisatiegegevens over het eerste half jaar. Bovendien hebben zij voor hun eigen verzekerdenpopulatie veel meer detailinformatie dan de per sector geaggregeerde informatie waarover het Ministerie van VWS beschikt.

Als de zorguitgaven achteraf lager blijken uit te vallen, leidt dit tot grotere reserves bij de zorgverzekeraars. De zorgverzekeraars gebruiken deze reserves op de premiestijging in latere jaren te dempen. Zo hebben de verzekeraars in de jaren 2014–2018 al zo’n 6 miljard euro (zie ontwerpbegroting 2019 pagina 220) teruggegeven aan de burgers. Burgers betalen dus niet teveel premie voor hun zorg.

Lagere zorguitgaven dan verwacht leiden tot een onderschrijding van het Uitgavenplafond Zorg. Net als bij andere overheidsuitgaven voor bijvoorbeeld onderwijs of sociale zekerheid wordt over de besteding van dergelijke meevallers politiek besloten. Tegenover de lagere zorguitgaven stonden voor de burger ook lagere premies. De verzekeraars hadden deze lagere uitgaven al voorzien en hebben die ook doorvertaald in de premie voor 2018.

Vraag 16

Wat is het aandeel van de verhoging van het lage Belasting Toegevoegde Waarde (BTW)-tarief op de zorgpremie en op de totale zorgkosten?

Antwoord:

VWS heeft berekend dat de btw verhoging leidt tot circa € 325 miljoen aan extra jaarlijkse zorguitgaven. De zorgsector wordt voor ongeveer de helft hiervan automatisch gecompenseerd via de loon- en prijsbijstelling. Voor de sectoren MSZ en geneesmiddelen was dat niet afdoende en zijn specifieke afspraken gemaakt om de effecten van de BTW-verhoging in de ramingen voor deze sectoren te verwerken. Als gevolg van deze toename van de zorguitgaven stijgt de nominale premie met circa € 10 op jaarbasis, bij de IAB gaat het om 0,04%.

Vraag 17

Hoeveel was de nominale zorgpremie geweest als de zorgverzekeraars € 1 miljard van hun reserves hadden ingezet voor premiedemping?

Antwoord:

In de raming van de nominale premie in de begroting is reeds geraamd dat de verzekeraars een deel van hun reserves zullen afbouwen, totaal ter grootte van € 450 miljoen. Indien wij hadden aangenomen dat verzekeraars € 1 miljard van hun reserves zullen gaan afbouwen, dan was de raming van de nominale premie uitgekomen op € 1.415 in plaats van € 1.432. Verzekeraars bepalen echter zelf hoeveel reserves zij daadwerkelijk gaan inzetten en iedere zorgverzekeraar maakt daarin een eigen keuze. Zorgverzekeraars zetten in op een stabiele premieontwikkeling en dus op een geleidelijke inzet van reserves. Uiterlijk 12 november maken zorgverzekeraars hun premie voor het volgende jaar bekend. Dan is ook duidelijk hoeveel zij totaal zullen inzetten aan reserves.

Vraag 18

Hoe hebben de winsten en reserves van zorgverzekeraars zich ontwikkeld de afgelopen vijf jaar?

Antwoord:

DNB publiceerde jaarlijks – op basis van de verslagstaten DNB – een landelijk overzicht technische rekening zorgverzekeraars voor de basisverzekering. Deze overzichten zijn beschikbaar van 2007 t/m 2015.

Jaar

Resultaat technische rekening (bedragen x € 1 miljoen)

2007

– 269

2008

– 218

2009

464

2010

125

2011

381

2012

937

2013

1.229

2014

918

2015

323

Bron: DNB

Deze resultaten werden gepresenteerd op basis van Solvency I cijfers – dat wil zeggen op basis van de boekhoudkundige regels zoals deze onder Solvency I golden – en kunnen daardoor niet aangevuld worden met de cijfers na 2015 die op basis van Solvency II-regels zijn vastgesteld.

Op basis van de transparantieoverzichten van zorgverzekeraars bedraagt het resultaat over 2016 ruim 300 miljoen euro negatief; voor 2017 ruim 550 miljoen euro negatief. Dit bedrag is inclusief beleggingsopbrengsten van zorgverzekeraars op de basisverzekering.

De cijfers 2016 en 2017 betreffen de resultaten conform de systematiek van de jaarrekeningen. Bij het resultaat «technische rekening» (2007–2015) blijft het resultaat van de «niet-technische« rekening buiten beeld. Het gaat hier voornamelijk om de opbrengsten uit beleggingen voor zover niet toegerekend aan de «technische rekening».

Onderstaande tabel geeft de resultaten en de bestemming van de resultaten per verzekeraar over 2017. Deze resultaten zijn voor aftrek van de teruggave in de premie 2018.

Resultaat en bestemming resultaat basisverzekering ultimo 2017 (in miljoen euro)

Concern

Resultaat 2017

Bestemming lagere premie 2018

Bestemming toevoeging reserves

ASR

– 3

0

– 2

CZ

114

255

– 140

DSW

37

15

22

Eno

11

15

– 4

Menzis

103

69

34

ONVZ

– 7

27

– 34

Stad Holland

14

9

5

VGZ

– 148

44

– 191

Zilveren Kruis

– 146

106

– 252

Z&Z

32

35

– 4

Totaal

8

575

– 566

Bron:transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering 2017, zoals door individuele zorgverzekeraars gepresenteerd op de website. Totaal kan door afrondingsverschillen afwijken.

Vraag 19

Hoe hebben de winsten en reserves van zorginstellingen (uitgesplitst naar ziekenhuizen, verpleeghuizen, zelfstandige behandelcentra (zbc's), geestelijke gezondheidszorg (ggz-), jeugd-, thuiszorg- en eerstelijnsinstellingen) zich ontwikkeld de afgelopen vijf jaar?

Antwoord:

Ik beschik niet over de precieze informatie die u vraagt. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het bedrijfsresultaat (de bedrijfsopbrengsten minus de bedrijfslasten, exclusief het saldo van financiële en buitengewone baten en lasten) en het eigen vermogen (waar de reserves onderdeel van uitmaken) van instellingen met minimaal tien werknemers in verschillende zorgsectoren in 2015 en 2016. Vanwege een methodebreuk zijn vergelijkbare cijfers over eerdere jaren niet beschikbaar.

Financiën grote en middelgrote ondernemingen per sector (x € 1 miljoen)
 

Bedrijfsresultaat

Eigen vermogen

 

2015

20161

2015

20161

Universitair medisch centra

318

314

2.072

2.228

Algemene ziekenhuizen

615

559

3.672

3.901

Categorale ziekenhuizen

67

47

397

432

GGZ met overnachting

167

101

1.298

1.341

Gehandicaptenzorg

301

240

2.450

2.618

Jeugdzorg met overnachting

22

27

243

260

Maatschappelijke opvang (24-uurs)

33

– 12

281

271

Ambulante jeugdzorg

3

21

64

104

Verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg

320

160

4.528

4.459

Bron: CBS Statline

X Noot
1

voorlopige cijfers

Vraag 20

Hoe hebben de winsten van farmaceuten en hulpmiddelenfabrikanten zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld?

Antwoord:

Het CBS geeft in Statline de onderstaande bedrijfsresultaten voor de farmaceutische industrie (grondstof-en productenindustrie) in Nederland?.

(bedragen x € 1 miljoen)

Jaar

Bedrijfsresultaat farmaceutische industrie

2009

972

2010

702

2011

1.305

2012

2.274

2013

821

2014

680

2015

1.011

2016

1.050

Voor de hulpmiddelenfabrikanten zijn geen CBS-cijfers over de winst beschikbaar. VWS heeft afgelopen jaar onderzoek door KPMG laten doen naar de markt voor medische technologie (zie ook het toelichtende antwoord op vraag 45 van de begrotingsvragen in 2017 (Tweede Kamer, 34 775 XVI, nr. 14).

In het KPMG-rapport «The Medtech Market in the Netherlands» (2018) wordt de omvang van de medtech markt in Nederland geschat op 4,7 miljard euro in 2016. In het hoofdstuk «Margins in the Dutch MedTech sector» worden de marges in de sector geschat op 10% in 2015. De winst van de Medtech-industrie in Nederland zou dan in 2015 uitkomen op circa een half miljard euro.

Vraag 21

Met hoeveel zijn de accountantskosten van zorginstellingen de afgelopen vijf jaar gestegen?

Antwoord:

IntraKoop heeft een analyse uitgevoerd op de accountantskosten van zorgorganisaties in Nederland. Deze analyse is gemaakt op basis van 683 bruikbare jaarverslagen over het jaar 2016 met vergelijkende cijfers over 2015. Intrakoop schetst in haar jaarverslagenanalyse dat zorginstellingen over het jaar 2016 gemiddeld 12% meer hebben uitgegeven aan het inhuren van accountants dan in 2015. Gemiddeld hebben zorginstellingen in 2016 per € 1.000 omzet zo’n € 1,52 aan accountantskosten betaald, ofwel 0,152%. In 2015 was dit 0,136%. Voor de oorzaken en maatregelen verwijs ik u naar de brief over de stijging in accountantskosten van eind 2017 (TK 29 515, nr. 420).

Vraag 22

Hoeveel Spoedeisende Hulp (SEH)-posten zijn de afgelopen vijf jaar gesloten of hebben hun openingstijden beperkt waardoor ze niet langer 24/7 open zijn?

Antwoord:

De bereikbaarheid en beschikbaarheid van de afdelingen voor spoedeisende hulp (SEH’s) wordt jaarlijks door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in kaart gebracht in de zogenaamde «analyses gevoelige ziekenhuizen».

Uit de analyse uit 2017 blijkt dat het aantal SEH’s dat 24/7 open is, is afgenomen van 94 in 2013 naar 89 in april 2017 (TK 2017–2018, 29 247, nr. 246). Op peildatum april 2018 is het aantal 24/7 SEH’s afgenomen naar 86 (bijlage bij TK 2017–2018, 29 247, nr. 260).

Vraag 23

Hoeveel afdelingen Verloskunde zijn er de afgelopen vijf jaar gesloten?

Antwoord:

De informatie waar ik op grond van rapporten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over beschik is de volgende.

In 2011, 2014 en 2015 waren er 84 locaties waar 24/7 acute verloskunde werd aangeboden. In 2016 werd deze zorg op 81 locaties aangeboden en in 2017 waren dit er 83 (TK 2017–2018, 29 247, nr. 246). In 2018 (met peilmoment april 2018) waren er 80 ziekenhuislocaties waar 24/7 acute verloskunde werd aangeboden (TK 2017–2018, TK 29 247 nr. 260).

In het RIVM-rapport uit 2017 staat dat sinds 2014 de volgende vijf ziekenhuislocaties geen 24/7 acute verloskunde meer aanboden: de ziekenhuislocaties van het Bravis ziekenhuis in Roosendaal, het ZGT Hengelo, het Slotervaart ziekenhuis in Amsterdam, het Alrijne ziekenhuis in Leiden en het Zuyderland in Sittard-Geleen (TK 2017–2018, 29 247, nr. 246). Verder is in Den Haag de afdeling acute verloskunde van het HagaZiekenhuis verplaatst, van de locatie Sportlaan naar de locatie Leyweg (Bijlage bij TK 2015–2016, 34 300 XVI, nr. 158).

In het RIVM-rapport uit 2018 (met peilmoment april 2018) concludeert het RIVM dat er een aantal veranderingen in het aanbod is opgetreden ten opzichte van 2017. In april 2018 was er één ziekenhuislocatie minder waar acute verloskunde werd aangeboden dan in 2017. Het Elizabeth-TweeSteden Ziekenhuis locatie Tweesteden in Tilburg, het St. Antonius ziekenhuis in Woerden en de locatie Emmen (Scheper ziekenhuis) van Treant boden in april 2018 geen acute verloskunde meer aan. Het St. Antonius ziekenhuis in Utrecht en het Refaja Ziekenhuis in Stadskanaal boden op het peilmoment in april 2018 wel acute verloskunde aan, terwijl ze dat in 2017 niet deden (TK 2017–2018, TK 29 247, nr. 260).

In aanvulling hierop verwijs ik graag naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 1 oktober jl. inzake de klinische kindergeneeskunde en klinische verloskunde bij Treant, voor wat betreft de ontwikkelingen met betrekking tot de afdelingen acute verloskunde van Treant Zorggroep in Emmen, Stadskanaal en Hoogeveen.

Vraag 24

Hoeveel opnamestops waren er de afgelopen vijf jaar wegens overvolle SEH-posten waardoor ambulances moesten wachten of uitwijken naar elders?

Antwoord:

Er is geen landelijke registratie van zogenaamde «opnamestops» op de SEH. Volgens de marktscan acute zorg van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) van september 2017 (TK 2016–2017, 29 247, nr. 236) zijn er drie van de elf ROAZ-regio’s (acute zorg regio’s; ROAZ = Regionaal Overleg Acute Zorgketen) waarin spoedafdelingen van de 25 ziekenhuizen een stop consequent registreren: SpoedZorgNet Noord-Holland / Flevoland, Netwerk Acute Zorg Noordwest en Traumazorgnetwerk Midden-Nederland. Deze laatste regio registreert niet door welke spoedafdeling de stop is afgegeven. Deze regio is daarom niet in alle analyses meegenomen.

De marktscan acute zorg bevat alleen gegevens van SEH-stops in deze regio’s vanaf 2014. In 2014 zijn er 448 SEH-stops geregistreerd, in 2015 619 en 2016 1342. De toename komt deels doordat de registratie van stops in deze regio’s nog maar sinds enkele jaren plaatsvindt. Een gedeelte van de toename is een effect van betere registratie. De gemiddelde duur van stops is afgenomen voor alle spoedafdelingen: bijvoorbeeld bij de SEH van bijna 3,5 uur gemiddeld in 2014 naar 2,5 uur in 2016. Overigens betekent zo’n «stop» niet dat de betreffende afdeling in absolute zin is gesloten voor nieuwe patiënten. Zo’n stop is een signaal aan de ambulancedienst dat het – vaak tijdelijk – erg druk is op de betreffende afdeling en dat het beter is om naar een ander ziekenhuis te rijden dat een paar minuten verder weg ligt, als de zorg daar sneller kan worden verleend (TK 2015–2016, 29 247, nr. 224). In alle regio’s is afgesproken dat patiënten in levensbedreigende situaties in een geval van een stop op de SEH toch altijd terecht kunnen (TK 2017–2018, 29 247, nr. 249). Zie ook mijn antwoord op vraag 154. De volgende monitor acute zorg van de NZa verschijnt eind dit jaar.

Vraag 25

Waaruit blijkt dat zorg aan ouderen thuis kosten bespaart?

Antwoord:

Meer zorg aan huis sluit aan bij de wens van vele ouderen. Met de evaluatie «langer zelfstandig thuiswonende ouderen» wordt een meerjarig onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de situatie van thuiswonende ouderen. In dit onderzoek wordt gekeken naar het gecombineerde zorggebruik van ouderen uit de verschillende domeinen (Wlz, Zvw en Wmo) en wat de kosten zijn van de zorg die in de verschillende domeinen wordt geleverd. Begin 2019 wordt op basis van de inzichten uit dit explorerend onderzoek bekeken of voldoende gegevens beschikbaar zijn om het onderzoek goed te kunnen uitvoeren. U wordt hierover nader geïnformeerd.

Vraag 26

Wanneer komt de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU) met de resultaten van de pilot met betrekking tot voorwaarden stellen bij licentieoverdracht van publieke kennisinstellingen naar farmaceutische bedrijven? Is er geld gereserveerd voor deze pilot en zo ja, waar in de begroting?

Antwoord:

Zoals gemeld bij brief van 15 juni 2018 «Betreft Reactie op initiatiefnota «Big farma; niet gezond!» van PvdA, GroenLinks en SP», leidt de NFU een traject rondom maatschappelijk verantwoord licenseren.

Dit traject moet leiden tot een aantal basisprincipes van maatschappelijk verantwoord licenseren bij geneesmiddelenontwikkeling door kennisinstellingen die met publieke middelen worden betaald. De NFU streeft naar een resultaat in het eerste kwartaal van 2019.

Bij het ontwikkelen en toepassen van dergelijke principes zal een balans moeten worden gevonden tussen de wens om een innovatief product naar de patiënt te brengen en de wens om dat product betaalbaar te houden.

ZonMw ondersteunt dit traject vanuit bestaande middelen. De relevante stakeholders worden betrokken en er wordt gekeken naar de Europese context.

Vraag 27

Hoeveel wordt er uit publieke middelen uitgegeven aan geneesmiddelenonderzoek? Kunt u een overzicht geven in een tabel met alle verschillende publieke financieringsbronnen? Hoeveel wordt er door de private sector uitgegeven aan geneesmiddelenonderzoek?

Antwoord:

Uw Kamer ontvangt vrijwel gelijktijdig met deze beantwoording separaat een brief die inzicht geeft in de publieke middelen voor medicijnontwikkeling. De brief geeft inzicht in de relevante geldstromen van de betrokken ministeries (VWS, OCW, EZK en BZ) alsmede van de Europese Commissie. Ik beschik niet over een overzicht van de private middelen die uitgegeven worden voor geneesmiddelenonderzoek.

Vraag 28

Hoe vaak is er melding gemaakt afgelopen jaren bij de Ondernemingskamer als het gaat om disfunctionerende bestuurders?

Antwoord:

Op grond van het enquêterecht kan een cliëntenraad van de zorginstelling een verzoek doen tot een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken binnen de zorginstelling. Indien uit het onderzoek van de enquêteur blijkt dat er sprake is van wanbeleid kan de Ondernemingskamer voorzieningen treffen die zij op grond van de uitkomst van het onderzoek noodzakelijk acht. De Ondernemingskamer doet daarbij geen uitspraak over de aansprakelijkheid. Navraag bij de Ondernemingskamer wijst uit dat sinds 2010 acht van dergelijke verzoeken zijn gedaan.

Vraag 29

Kunt u aangeven hoeveel bestuurders uitgesplitst per zorgsector meer verdienen dan de Balkenendenorm? Kunt u deze bestuurders in een overzicht zetten met salariëring, eventuele bonus en auto, in plaats van door te verwijzen naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken?

Antwoord:

Ik beschik niet over de door u gevraagde informatie. Met de inwerkingtreding van de Evaluatiewet WNT, op 1 juli 2017, is de algemene digitale meldplicht bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties komen te vervallen en wordt niet langer een integraal overzicht van alle topinkomens in de publieke en semipublieke sector bijgehouden en jaarlijks naar de Tweede Kamer verstuurd. Zorginstellingen met een WTZi-toelating blijven verplicht de WNT-informatie in hun jaarverslag op te nemen, deze door de accountant te laten controleren en deze te publiceren.

Vraag 30

Kunt u een overzicht geven van alle zorgbestuurders die in opspraak zijn geweest vanwege wanbeleid/wanbestuur?

Antwoord:

Ik beschik niet over een dergelijk overzicht.

Vraag 31

Heeft u in 2018 zorgbestuurders ontslagen en laten vervangen? Zo ja, wie waren dat en waarom? Zo neen, waarom niet?

Antwoord:

De overheid ontslaat en vervangd geen zorgbestuurders omdat zij geen verantwoordelijkheid draagt voor het bestuur van een zorginstelling. De Raad van Bestuur is eindverantwoordelijk voor en belast met het besturen van de zorgorganisatie. De Raad van Toezicht houdt hier toezicht op en is bevoegd om, in voorkomend geval, bestuurders te ontslaan. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft ook geen bevoegdheid om zorgbestuurders te ontslaan. Wel kan de inspectie – als ultimum remedium – op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg een zorgaanbieder een aanwijzing geven om te bewerkstelligen dat de raad van bestuur of raad van toezicht van een zorginstelling wordt uitgebreid of een of meer leden daarvan worden vervangen. Die situatie heeft zich tot op heden niet voorgedaan.

Vraag 32

Welk verband bestaat er tussen het mijden van zorg en de inkomensgroep waartoe iemand behoort?

Antwoord:

De meest recente gegevens over zorgmijding – gebaseerd op objectieve data zoals zorgregistraties en declaratiecijfers – staan in het onderzoek van het Nivel naar de omvang en aard van zorgmijding. Dit onderzoek is, inclusief een beleidsreactie, op 28 oktober 2015 (TK 29 689, nr. 664) aan de Kamer aangeboden.

Vraag 33

Hoeveel mensen hebben in 2018 afgezien van zorg vanwege hogere kosten, graag uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord:

Het Nivel-onderzoek naar zorgmijding (zie het antwoord op vraag 32) laat zien dat de stijging van het verplicht eigen risico niet gepaard is gegaan met een stijging van het aantal zorgmijders. Een vragenlijst wijst uit dat 3 procent van de mensen vanwege financiële redenen afziet van een huisartsenbezoek. Dit percentage is sinds 2009 gelijk gebleven. Daarnaast laten declaratiedata geen toename van het afzien van huisartsenzorg in bepaalde groepen zien.

Verder haalde in 2014 29% van de verzekerden een geneesmiddel niet op. Dit percentage ligt lager dan in 2008 en 2009. Toen haalde respectievelijk 34% en 35% van de verzekerden een geneesmiddel niet op. In 2013 heeft 27% van de verzekerden een verwijzing naar de medisch specialist niet opgevolgd. De grootste stijging in het niet opvolgen van een verwijzing vond vóór de stijging van het verplicht eigen risico in 2013 plaats.

Zie voor het antwoord van vorig jaar ook TK 34755, XVI, nr. 14.

Vraag 34

Hoeveel mensen hebben afgezien van de eigen bijdrage Wmo? Hoe was die verdeling in vorige jaren?

Antwoord:

Er is geen landelijke registratie beschikbaar van mensen die hebben afgezien van voorzieningen vanwege een eigen bijdrage Wmo.

Vraag 35

Hoeveel mensen zien af van Wlz-zorg vanwege de hoge eigen bijdrage? Hoe was die verdeling in de vorige jaren?

Antwoord:

Het is niet bekend hoeveel mensen afzien van Wlz-zorg vanwege de eigen bijdrage. Er is dus ook geen verdeling over vorige jaren bekend.

Vraag 36

Hoe was de verdeling naar inkomensgroep van mensen die zorg mijden in 2017? Hoe was die verdeling in vorige jaren?

Antwoord:

Zie het antwoord op Vraag 32.

Vraag 37

Hoe vaak zijn in 2018 budgetplafonds bereikt bij behandelingen en zorg in de ggz, ziekenhuizen en in de wijkverpleging? Hoe was dit in vorige jaren? Kunt u uw antwoord duiden?

Antwoord:

Zorgverzekeraars maken met zorgaanbieders afspraken over het doorleveren van zorg als het budgetplafond is bereikt. Als er geen afspraken zijn over het doorleveren van zorg kunnen zorgaanbieders bij het bereiken van het budgetplafond een patiëntenstop afkondigen. Ook bij onvoldoende personele capaciteit kunnen zorgaanbieders een patiëntenstop afkondigen. Er zijn geen landelijke cijfers over het budgetplafonds en patiëntenstops. Hieronder is geciteerd uit de beschikbare informatie.

GGZ

  • Voor de ggz-sector heeft de NZa een onderzoek gedaan naar de omzetplafonds bij vrijgevestigden en wachttijden in de gespecialiseerde ggz. Ik heb u hierover in juli geïnformeerd. Daarbij heeft de NZa aan vier grote zorgverzekeraars gevraagd inzicht te geven in het aantal vrijgevestigden dat tegen een omzetplafond aanloopt.

  • Uit de aangeleverde informatie bleek dat zo’n 3% van de gecontracteerde aanbieders een omzet heeft gedeclareerd dat in de buurt komt van het omzetplafond (waarbij tussen de 90% en 100% van het omzetplafond werd gedeclareerd), maar dus niet het plafond heeft overschreden.

  • Een overgrote meerderheid van de vrijgevestigden benadert daarmee niet het afgesproken omzetplafond (en blijft minimaal 10% onder het plafond).

  • Bij ongeveer 2,5% van de vrijgevestigden is daadwerkelijk meer dan 100% van het omzetplafond gedeclareerd en werd de overproductie teruggevorderd.

Ziekenhuizen

Ik beschik voor de MSZ niet over informatie met betrekking tot het aantal patiëntenstops dat wordt ingesteld. In het geval van een patiëntenstop moet een verzekeraar vanwege de zorgplicht of bijcontracteren bij de betreffende zorgaanbieder of zorgen voor voldoende aanbod bij andere zorgaanbieders in de regio. De NZa ziet toe op naleving van de zorgplicht.

Wijkverpleging

  • Uit de monitor contractering wijkverpleging 2018 van de NZa blijkt dat het grootste deel van de aanbieders in de wijkverpleging (73%) geen patiëntenstop heeft afgegeven in 2017. De overige 27% (84) van de aanbieders heeft wél een of meer patiëntenstops afgegeven. Ongeveer de helft van deze aanbieders (16%) deed dit omdat het budgetplafond (bijna) was bereikt. Een andere veel voorkomende reden is onvoldoende personele capaciteit bij de aanbieder.

  • Als een zorgverzekeraar het budgetplafond ophoogt kunnen zorgaanbieders afzien van een patiëntenstop. Uit monitor van de NZa blijkt dat zorgverzekeraars dat vaak doen.

Vraag 38

Wat is de precieze omvang van fraude in de zorg?

Antwoord:

De precieze omvang van fraude in de zorg is lastig te kwantificeren, omdat fraude per definitie heimelijk plaatsvindt en we niet weten wat we niet weten.

De Rapportage bij persbericht resultaten controle en fraudebeheersing 2017 van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) geeft (ook) geen volledig beeld van het totaal aan zorgfraude. Het onderzoek van ZN is bedoeld om de door zorgverzekeraars aangetoonde fraude in kaart te brengen, niet het totaal aan mogelijke fraude.

In 2017 hebben zorgverzekeraars 1146 fraudeonderzoeken afgerond. Uit de rapportage van ZN blijkt dat in totaal 31.3 miljoen euro onterecht gedeclareerd is. Van dit totaal onterecht gedeclareerd bedrag is voor het merendeel, namelijk 27 miljoen euro, sprake van vastgestelde fraude.

Vraag 39

Hoeveel fraudezaken die betrekking hebben op de gezondheidszorg worden momenteel behandeld door het Openbaar Ministerie, uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord:

De besluitvorming over welke fraudesignalen in aanmerking komen voor strafrechtelijke afdoening vindt plaats in de zogeheten Stuur- en Weegploeg Zorg, onder voorzitterschap van het Openbaar Ministerie (het onder andere in fraude gespecialiseerde Functioneel Parket, OM/FP). In 2017 zijn in totaal 52 fraudesignalen voorgelegd aan de Stuur- en Weegploeg Zorg. Daarvan zijn 20 fraudesignalen geaccepteerd voor een strafrechtelijk onderzoek. Hierbij geldt dat in één strafrechtelijk onderzoek meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen als verdachte kunnen worden aangemerkt. Het is niet bekend welk aantal zorgfraudezaken in 2017 in totaal bij de politie en arrondissementsparketten in behandeling zijn genomen.

Om de voortgang van de onderzoeken niet te schaden, geeft het OM geen nadere informatie over welke specifieke (sub)sectoren het betreft.

Vraag 40

In welke zorgsectoren vindt de meeste fraude plaats en wat zijn de oorzaken hiervan?

Antwoord:

Zorgverzekeraars hebben fraude vastgesteld in alle verzekeringsvormen. Uit de Rapportage bij het persbericht resultaten controle en fraudebeheersing 2017 van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) blijkt dat zorgverzekeraars voornamelijk in de Wlz (37%) en AWBZ (32%) fraude hebben vastgesteld, gevolgd door de Zorgverzekeringswet (26%). Ook in de Aanvullende verzekering werd fraude gepleegd (4%). In 1% van de fraude bewezen gevallen was een verzekeringsvorm onbekend of niet van toepassing. Onderstaande diagram geeft per zorgsoort/verstrekkingsvorm de vastgestelde fraude weer. Wat betreft de oorzaken van onrechtmatigheden in de zorg verwijs ik uw Kamer naar het Programmaplan Rechtmatige Zorg, aanpak van fouten en fraude, 2015–2018.

Vraag 41

Zijn er zorgorganisaties die op dit moment onder verdenking staan van het Openbaar Ministerie (OM)?

Antwoord:

Als te doen gebruikelijk kan het OM geen mededelingen doen over lopende strafrechtelijke onderzoeken. Dit om het verloop van de onderzoeken niet te schaden.

Vraag 42

Hoeveel personen zijn in 2018 opgepakt voor fraude in de zorg?

Antwoord:

Als te doen gebruikelijk kan het OM geen mededelingen doen over lopende strafrechtelijke onderzoeken. Dit om het verloop van de onderzoeken niet te schaden.

Vraag 43

Hoeveel personen zijn berecht in 2018 voor fraude in de zorg?

Antwoord:

De opsporingsinstanties en het OM houden niet systematisch bij dat het om fraude in de zorg gaat. Deze informatie is derhalve niet beschikbaar.

Vraag 44

Hoeveel fulltime-equivalent (FTE) is er, uitgesplitst naar de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), het Functioneel Pakket, het Openbaar Ministerie en de Zorgverzekeraars, beschikbaar voor de fraudeopsporing?

Antwoord:

De strafrechtelijke opsporing van fraude in de zorg is belegd bij de bijzondere opsporingsdiensten Inspectie SZW en FIOD. Deze diensten voeren strafrechtelijke onderzoeken uit onder gezag van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (OM/FP). Het OM/FP is tevens verantwoordelijk voor de strafrechtelijke vervolging en de tenuitvoerlegging van opgelegde straffen.

De Inspectie SZW is verantwoordelijk voor de opsporing van zorgfraude. De Inspectie SZW heeft hier structureel circa 69 fte voor beschikbaar.

De totaal beschikbare capaciteit voor zorgfraudebestrijding bij het gehele OM is niet exact in fte’s aan te geven. Elke officier van justitie is in beginsel toegerust om fraudezaken af te doen en kan dit doen als onderdeel van een breder takenpakket. Hierdoor wordt de totale beschikbare capaciteit van het OM ingezet daar waar deze op dat moment het meest nodig is.

De capaciteit die de FIOD beschikbaar heeft voor zorgfraude is onveranderd en bedraagt op jaarbasis circa 20.000 opsporingsuren.

Volledigheidshalve merk ik op dat de NZa juridisch gezien geen opsporingstaak heeft. De NZa is krachtens de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) verantwoordelijk voor het bestuursrechtelijke toezicht en de handhaving van onrechtmatigheden in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). In dat kader voert de NZa ook toezichtonderzoeken uit. De capaciteit die de NZa in 2018 beschikbaar heeft voor toezicht en handhaving is 100 fte.

Ook voor zorgverzekeraars geldt dat zij formeel juridisch gezien geen opsporingstaak hebben. Wel voeren de zorgverzekeraars reguliere (formele en materiële) controles uit op de rechtmatigheid van de door zorgaanbieders en verzekerden ingediende declaraties. Bij vermoedens van fraude kunnen zorgverzekeraars ook een fraudeonderzoek instellen. Zorgverzekeraars Nederland laat desgevraagd weten dat zij geen administratie bijhoudt van de aantallen medewerkers die bij de verschillende zorgverzekeraars en zorgkantoren zijn belast met het uitvoeren van controles en (fraude)onderzoeken.

Vraag 45

Hoeveel FTE’s waren er in 2018 in totaal belast met toezichthouden in de zorg? Hoeveel was dat aantal in vorige jaren? Hoe was dat uitgesplitst naar toezichthoudende instanties zoals de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de NZa, de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Inspectie Jeugdzorg?

Antwoord:

In onderstaande tabel zijn voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), voorheen de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Jeugdzorg, en de NZa opgenomen die in totaal belast zijn met toezicht in de zorg. De NVWA en de FIOD zijn niet in de tabel opgenomen. Het toezicht dat de NVWA voor VWS uitoefent op voedsel- en productveiligheid vindt plaats in het kader van de volksgezondheid, maar dit is geen toezicht op de zorg. De FIOD is een bijzondere opsporingsdienst en geen toezichthouder.

 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

IGZ1

490

516

536

574,7

631,4

n.v.t.

n.v.t.

IJZ1

61

62

63

67

67

n.v.t.

n.v.t.

IGJ

         

708,1

7542

NZa

40

50

80

96

100

100

100

Totaal

591

628

679

737,7

798,4

808,1

854

X Noot
1

Betreffen de formatiecijfers van de betreffende jaren per ultimo.

X Noot
2

De formatie van IGJ is per eind augustus 2018 754 fte. Cijfers over heel 2018 zijn nog niet bekend.

Vraag 46

Hoeveel (fraude-)onderzoeken zijn er door de NZa gedaan in 2018? Hoeveel daarvan hebben geleid tot een bestuursrechtelijke maatregel? En hoeveel tot een strafrechtelijke? Hoeveel waren dat er in de vorige jaren?

Antwoord:

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bestuursrechtelijke maatregelen die de NZa in de periode 2012 – 2017 heeft uitgevoerd. De cijfers over 2018 zijn nog niet bekend.

Activiteiten

2012

2013

2014

2015

20161

2017

Interventies bij zorgaanbieders2

102

34

26

382

354

498

Interventies bij zorgverzekeraars en Wlz-uitvoerders (zorgkantoren)2

31

49

5053

117

224

156

Opgelegde boetes n.a.v. signalen en handhavingsacties

2

3

1

2

2

4

Handhaving informatieverplichtingen

251

370

491

318

193

164

Last onder dwangsom op grond van informatieverplichtingen

20

58

115

22

24

19

Totaal

406

514

1.138

841

797

841

X Noot
1

In 2016 is het Snelle Interventieteam gestart. De interventies van dit team zijn onderdeel van de aantallen interventies bij zorgaanbieders en verzekeraars/Wlz-uitvoerders (zorgkantoren).

X Noot
2

Een interventie is een actie van de NZa richting een toezichtobject, met als doel om een ongewenste situatie te beëindigen. Een interventie kan een rapportageverplichting, informatieverzoek, normoverdragend gesprek en de inzet van formele handhavingsinstrumenten (voornemen tot) aanwijzing of last onder dwangsom zijn.

X Noot
3

Aanwijzingen die in 2014 zijn gegeven aan zorgkantoren zijn tevens verstuurd aan de alle achterliggende zorgverzekeraars. De NZa registreert dit als unieke aanwijzingen, waardoor het overzicht dubbeltellingen bevat.

Vraag 47

Hoeveel opsporingscapaciteit is er voor fraude met het persoonsgebonden budget (pgb), zowel bij Openbaar Ministerie, de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst/Economische Controledienst (FIOD/ECD), Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en zorgkantoren?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers beschikbaar naar de beschikbare capaciteit per soort van zorgfraude. Afhankelijk van de soort zorgfraude die wordt geconstateerd vindt er door betrokken partijen inzet plaats. Voor de cijfers over de opsporingscapaciteit verwijs ik u naar het antwoord op vraag 44.

Vraag 48

Hoeveel budget is er in 2019 beschikbaar voor de opsporing van fraude met pgb's en voor welk bedrag is er sinds de invoering van het Trekkingsrecht gefraudeerd met pgb-gelden?

Antwoord:

Vanaf 2019 is er structureel € 8 miljoen beschikbaar voor ISZW voor de opsporing van zorgfraude. De meest recente en beschikbare cijfers over fraude met PGB gaan over de resultaten van de strafrechtelijke opsporing- en ontnemingsonderzoeken die de Inspectie SZW in 2017 heeft uitgevoerd. Op basis van deze onderzoeken heeft de Inspectie SZW circa € 1,1 miljoen aan wederrechtelijk verkregen voordeel berekend. Daarvan heeft € 0,1 miljoen betrekking op fraude met het pgb. Ter vergelijking, in 2016 ging het om een totaalcijfer van € 5 miljoen aan wederrechtelijk verkregen voordeel, waarvan € 1,9 miljoen fraude met het pgb (in de Wlz/ AWBZ) betrof.

Andere beschikbare cijfers over de omvang van fraude met het pgb zijn afkomstig van zorgverzekeraars en zorgkantoren. In de rapportage Controle en Fraudebeheersing 2017 geeft ZN aan dat de vastgestelde fraudes binnen de pgb-Wlz/AWBZ regelingen in 2017 23% van het totaal vastgestelde fraudebedrag uitmaken: € 6,1 miljoen van totaal € 27 miljoen. In 2016 betrof het vastgestelde fraudebedrag € 13,5 miljoen van in totaal € 18,9 miljoen. In 2015 ging het om € 8,2 miljoen euro van totaal € 11,1miljoen. Fraudecijfers over WMO en Jeugdwet zijn niet beschikbaar.

De beschikbare cijfers over de resultaten van fraudeonderzoeken geven een indicatief beeld van de problematiek, maar geven geen uitsluitsel over de totale omvang van fraude met het pgb.

Vraag 49

Welke onderzoeken heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) extern laten uitvoeren en bij wie? Welke kosten waren hiermee gemoeid? En is er tussen het Ministerie van VWS en de onderzoekers gesproken over de concept-conclusies?

Antwoord:

De administratieve systemen van VWS zijn – conform rijksbrede voorschriften – niet zodanig ingericht dat deze vraag kan worden beantwoord. Onderzoek vormt geen aparte uitgavencategorie binnen de administratie.

Op verzoek van uw Kamer wordt vanaf najaar 2015 een overzicht van alle beleidsrelevante VWS-onderzoeken gepubliceerd op het VWS-deel van de website van de rijksoverheid (www.Rijksoverheid.nl). Conform de toezegging aan uw Kamer wordt vanaf dat moment met terugwerkende kracht het overzicht gepubliceerd van alle beleidsrelevante onderzoeksrapporten van de concernorganisaties en kennisinstellingen die vanaf april 2015 zijn verschenen. Omdat VWS deel uitmaakt van de pilot Open Overheid van het Ministerie van BZK worden in het overzicht ook alle sinds die datum verschenen rapporten van het door VWS uitgezette opdrachtonderzoek onder ARVODI-voorwaarden opgenomen. Het totaaloverzicht wordt maandelijks achteraf geactualiseerd.

VWS stelt bij conceptrapporten waar relevant vragen over (vermeende) feitelijke onjuistheden of over de wijze waarop de conclusies voortvloeien uit het desbetreffende onderzoek. Daarbij is geen sprake van inhoudelijke beïnvloeding van de conceptconclusies.

Vraag 50

Kunt u een overzicht geven van congressen waaraan ambtenaren deelnamen? Hoeveel geld werd hieraan uitgegeven in 2018? Kunt u aangeven wat het doel was van deze congressen?

Antwoord:

Net als vorige jaren wordt er op het departement geen separate administratie bijgehouden, waarin wordt geregistreerd welke congressen worden bezocht. De gestelde vragen kunnen derhalve niet op het gevraagde detailniveau worden beantwoord. Wel worden alle declaraties van de politieke en ambtelijke leiding van alle departementen maandelijks gepubliceerd vanaf 1 januari 2013. Informatie is daarmee te allen tijde voor iedereen openbaar te raadplegen en beschikbaar.

Vraag 51

Kunt u een overzicht geven van congressen en reizen waaraan ambtenaren deelnamen in het buitenland? Hoeveel geld werd hieraan uitgegeven? Kunt u hierbij aangeven wat het doel was van deze congressen en reizen?

Antwoord:

Er is op het departement geen separate administratie, waarin wordt bijgehouden welke congressen worden bezocht of welke reizen worden afgelegd. De gestelde vragen kunnen derhalve niet op het gevraagde detailniveau worden beantwoord. Wel worden alle declaraties van de politieke en ambtelijke leiding van alle departementen maandelijks gepubliceerd vanaf 1 januari 2013. Deze informatie is daarmee te allen tijde voor iedereen openbaar te raadplegen en beschikbaar.

Vraag 52

Hoe vaak werden reizen en congressen geheel of gedeeltelijk bekostigd door externe partijen?

Antwoord:

Er is zoals bij vraag 51 aangegeven op het departement geen separate administratie, waarin wordt bijgehouden welke congressen worden bezocht of welke reizen worden afgelegd. De gestelde vragen kunnen derhalve niet op het gevraagde detailniveau worden beantwoord. Tot het najaar van 2012 was in het algemeen de lijn dat wanneer een VWS’er was uitgenodigd om een inleiding te houden, de deelname- en verblijfkosten voor rekening van de uitnodigende partij konden zijn. Met ingang van het parlementaire jaar in september 2012 hanteert VWS de lijn dat ook in zulke gevallen VWS bij volledige deelname aan het congres de deelname- en verblijfkosten voor eigen rekening neemt.

Vraag 53

Door wie werden de reizen waar ambtenaren aan deelnamen of hun verblijven bekostigd en wat was de bijdrage?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 52.

Vraag 54

Hoeveel procent van de zorgaanbieders maakten in 2016 gebruik van digitale gegevensuitwisseling met andere zorgaanbieders? Hoe was dat percentage in voorgaande jaren?

Antwoord:

In 2016 maakte 84 procent van de huisartsen gebruik van een systeem voor gestandaardiseerde elektronische gegevens uitwisseling met andere huisartsen. Tussen medisch specialisten was dit onderling 83 procent. 58 procent van de verpleegkundigen in de ouderenzorg gaven aan dat hun organisatie gebruik maakt van een systeem voor gestandaardiseerde elektronische gegevens uitwisseling. In de tabellenbijlage van de eHealth-monitor 2017 zijn cijfers over de eerdere jaren te zien, alsmede gegevens van andere zorgdomeinen.

Vraag 55

Hoeveel besloten vennootschappen (bv's), naamloze vennootschappen (nv's), verenigingen, vennootschappen onder firma (vof's), eenmanszaken en stichtingen hebben zich in 2018 geregistreerd als zorgverlener of zorginstelling?

Antwoord:

Het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) heeft in 2018 (tot 28 september) vanuit het Handelsregister de volgende aantallen registraties van zorginstellingen of zorgverleners ontvangen: 1.951 bv’s, 0 nv’s, 2 verenigingen, 843 vof’s, 18.071 eenmanszaken en 71 stichtingen. Hierbij moet de kanttekening worden gemaakt dat het ook om een nieuwe vestiging van een al bestaande onderneming kan gaan.

Vraag 56

Hoeveel zorgorganisaties hebben onderhangende bv's?

Antwoord:

Het LRZa bevat 4.060 toegelaten zorginstellingen met een KvK-nummer, waarvan 366 zorginstellingen een dochter bv hebben (peildatum: 28 september 2018).

Vraag 57

Hoeveel mensen betalen een eigen bijdrage uit vermogen, uitgesplitst per Wlz en Wmo?

Antwoord:

Onderstaande tabel geeft informatie over het aantal Wlz-cliënten en Wmo-leefeenheden met vermogen.

Aantal cliënten/leefeenheden met vermogen
 

Wlz

Wmo

2016

64.500

97.500

2017

63.500

86.500

20181

64.000

84.500

Bron: CAK

X Noot
1

= voor 2018, het lopend kalenderjaar, is er nog geen compleet beeld bekend.

Vraag 58

Hoeveel mensen zijn een eigen bv gestart om de eigen bijdrage met betrekking tot de vermogensinkomensbijtelling te omzeilen?

Antwoord:

Voor de uitoefening van haar taken heeft het CAK alleen het verzamelinkomen, de verschuldigde belasting en het vermogen in Box 3 nodig. Het is dus niet bekend hoeveel bijdrageplichtigen via een eigen BV de vermogensinkomensbijtelling omzeilen.

Vraag 59

Wat kost het Centraal Administratie Kantoor (CAK) jaarlijks?

Antwoord:

Voor 2019 worden de kosten geraamd op € 116 miljoen (zie pagina 106 van de VWS-begroting 2019).

Vraag 60

Hoeveel klachten en bezwaren heeft het CAK afgelopen jaar gekregen en hoeveel bedroeg dit voorgaande jaren?

Antwoord:

Onderstaand is opgenomen een overzicht van het totaal aantal klachten en bezwaren over de Wmo/Wlz regelingen die het CAK uitvoert.

Jaar

Klachten Wlz

Bezwaren Wlz

Klachten Wmo

Bezwaren Wmo

2016

390

1.695

517

2.323

2017

406

1.684

411

1.841

2018 (1e halfjaar)

209

1.135

218

1.254

De definitieve cijfers over het aantal klachten bij de zogenaamde burgerregelingen zijn over 2017 nog niet beschikbaar. Voor 2017 werden de burgerregelingen uitgevoerd door het Zorginstituut.

Vraag 61

Kunt u nauwkeurig toelichten per beleidsartikel welke extra amendeerruimte nog bestaat? Als deze ruimte ontbreekt, wat is hiervoor de reden?

Antwoord:

De VWS begroting bevat geen extra amendeerruimte. In beginsel bestaan er voor alle budgetten voornemens voor de aanwending van de middelen. Middelen die nog niet juridisch verplicht zijn, kunnen wel op alternatieve wijze worden aangewend indien hier een amendement over wordt aangenomen.

In de VWS ontwerpbegroting is vanaf bladzijde 32 (Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven) een overzicht opgenomen van budgetten waarvoor wel voornemens bestaan, al dan niet samenhangend met bestuurlijke afspraken, maar die naar verwachting op 1 januari 2019 nog niet juridisch verplicht zijn.

Vraag 62

Kunt u aangeven hoeveel de bezuinigingen waren bij het afschaffen van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de Compensatie Eigen Risico (CER)?

Antwoord:

Budgettaire gevolgen (x € 1 miljoen)

2014

2015

2016

2017/struc

CER afschaffen (premie)

– 200

– 200

– 200

– 200

Wtcg tegemoetkomingen (begroting)

 

– 348

– 414

– 418

uitvoeringskosten CAK

 

– 12,5

– 25

– 25

beschikbaar gemeenten

45

216

266

268

Totale besparing

– 155

– 344,5

– 373

– 375

Vraag 63

Wat zijn de opbrengsten indien het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt afgeschaft en de indicatiestelling wordt teruggegeven aan professionele zorgverleners? Bent u bereid deze besparingsmogelijkheid in de zorg te onderzoeken?

Antwoord:

Zoals in antwoord op vraag 579 over de begroting 2018 (TK 34 775 XVI, nr. 14) is aangegeven, zullen de kosten van de indicatiestelling door professionals op voorhand lastig te bepalen zijn. Deze kosten zullen naar verwachting niet lager zijn als de indicatiestelling op dezelfde toegangscriteria is gebaseerd en op uniforme wijze wordt uitgevoerd door zorgprofessionals, in plaats van door het CIZ. Het kabinet hecht aan centrale indicatiestelling zodat het recht op zorg gefinancierd op basis van de Wlz eenduidig, onafhankelijk en integraal kan worden vastgesteld. Ik ben daarom niet bereid dit verder te onderzoeken.

Vraag 64

Hoeveel communicatiemedewerkers, of hoeveel FTE heeft het Ministerie van VWS in dienst?

Antwoord:

De directie Communicatie van VWS telde op 1 juni 2018 59 FTE.

Vraag 65

Kunt u een overzicht geven van alle (aanjaag)teams die het ministerie heeft ingezet, welke personen (uit welke organisaties) werken voor deze (aanjaag)teams, hoeveel FTE dit bedraagt, wat hun salariëring bedraagt, wat hun doelstellingen zijn en welke resultaten ze tot nu toe hebben geboekt?

Antwoord:

Er zijn «praktijkteams» ingesteld onder verschillende benamingen (zoals aanjaagteam, interventieteam, praktijkteam). Deze teams kennen een wisselende samenstelling van medewerkers van VWS en andere organisaties (o.a. Zorgverzekeraars Nederland, VNG en diverse partijen uit de praktijk). Soms worden deze teams geleid door een VWS-medewerker, soms door iemand van één van deze organisaties.

In de meeste gevallen maakt het werken in een praktijkteam deel uit van een breder takenpakket van de betrokkenen. Het aantal uren dat zij werken in de praktijkteams wordt niet geregistreerd, zodat het niet mogelijk is uit te rekenen hoeveel fte er in de praktijkteams aan het werk zijn en wat de salariskosten van deze teams zijn.

Zoals gebruikelijk en zoals meermaals toegezegd, wordt aan uw Kamer verslag gedaan van de resultaten van de praktijkteams. Dat gebeurt bij de reguliere voortgangsrapportages aan uw Kamer over de diverse beleidsthema’s.

De resultaten en werkwijzen van de praktijkteams zijn te vinden op de website www.denieuwepraktijk.nl

Vraag 66

Hoeveel medicatie (in bedragen en aantal medicijnen) wordt er jaarlijks vernietigd na inlevering? Hoe is de ontwikkeling ten opzichte van eerdere jaren?

Antwoord:

Op basis van onderzoek door RTL nieuws in 2012 wordt de hoeveelheid vernietigde medicatie geschat op circa 150.000 kilogram. Dit betreft de geneesmiddelen, die zijn ingeleverd bij apotheken en die vervolgens worden vernietigd. De waarde van deze geneesmiddelen wordt geschat op circa € 100 miljoen. Ik heb geen recentere gegevens op basis van specifiek onderzoek.

Zie verder het antwoord op vraag 144 bij de Begroting 2018 (TK, vergaderjaar 2017–2018, 34 775 XVI, nr.14). Er is mij geen andere en recentere informatie bekend.

Vraag 67

Hoeveel kosten de Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector (HKZ) en andere keurmerken in de zorg?

Antwoord:

Zoals in antwoord op de schriftelijke vraag (TK 34 775 XVI, nr.14) over de begroting 2018 is aangegeven, is certificering niet verplicht op grond van wet- en regelgeving, maar is een aangelegenheid van de partijen in het veld zelf.

Er wordt niet op een centrale plaats bijgehouden hoeveel keurmerken worden afgegeven en welke kosten verbonden zijn aan de verschillende keurmerken. Derhalve is het gevraagde bedrag aan kosten niet bekend.

Vraag 68

Hoeveel van deze keurmerken per merk worden jaarlijks afgegeven?

Antwoord:

Er wordt niet op een centrale plaats bijgehouden hoeveel keurmerken worden afgegeven en derhalve is niet bekend hoeveel keurmerken per merk jaarlijks worden afgegeven. Zie ook het antwoord op de begroting 2018 (TK 34 775 XVI, nr.14).

Vraag 69

Welke besparing is mogelijk als keurmerken in de zorg afgeschaft worden?

Antwoord:

Zoals in antwoord op de schriftelijke vraag (TK 34 775 XVI, nr.14) over de begroting 2018 is aangegeven wordt er niet op een centrale plaats bijgehouden hoeveel keurmerken worden afgegeven noch welke kosten verbonden zijn aan de verschillende keurmerken. Derhalve is niet bekend welke besparing mogelijk is als partijen in het veld geen gebruik meer maken van keurmerken.

Vraag 70

Welke keurmerken worden er vereist bij zorginkoop, uitgesplitst naar zorgkantoorregio?

Antwoord:

Ik heb geen overzicht van welke keurmerken door welk zorgkantoor/ zorgverzekeraar voor welke zorg verplicht worden gesteld. Zie ook het antwoord op de begroting 2018 (TK 34 775 XVI, nr.14).

  • Voor de Wet langdurige zorg (Wlz) is een landelijk inkoopkader van toepassing.

  • Voor 2017 staat daar onder meer in dat zorgaanbieders systematisch werken aan het verbeteren van de kwaliteit en dit borgen door middel van een werkend kwaliteitssysteem dat landelijk- en/of internationaal erkend is en gepaard gaat met onafhankelijke toetsing.

  • Met de inwerkingtreding van het kwaliteitskader Verpleeghuiszorg en het nieuwe kwaliteitskader Gehandicaptenzorg is voor 2018 deze eis anders verwoord. Nu is in het inkoopkader opgenomen dat zorgaanbieders zich moeten houden aan het voor de sector relevante kwaliteitskader of kwaliteitsstatuut. De zorgaanbieder waarop (nog) geen kwaliteitskader van toepassing is werkt systematisch aan de kwaliteit van zorg en borgt dit door het werken met een kwaliteitssysteem, voorzien van een periodieke externe visitatie.

  • Zorgverzekeraars kunnen bij de Zvw gebruik maken van keurmerken. Zorgverzekeraars hebben de taak om ervoor te zorgen dat de zorg die zij vergoeden kwalitatief goed is en rechtmatig en doelmatig geleverd wordt. Een keurmerk wordt hiervoor soms als instrument gehanteerd.

Vraag 71

Wat kost de minutenregistratie jaarlijks?

Antwoord:

Vanuit de rijksoverheid bestaat er geen verplichting voor zorgaanbieders om een minutenregistratie te voeren. De minutenregistratie is één van grootste administratieve lasten in de wijkverpleging. We werken op dit moment aan het verschuiven van verantwoording op basis van tijd naar verantwoorden op basis van inhoud, zodat de minutenregistratie definitief uit de praktijk wordt verbannen. In de praktijk zijn er nu al verschillende instellingen die werken met verantwoordingsmethoden waar geen sprake is van minutenregistratie, zoals maandtarieven. Ik heb geen zicht op de wijze waarop elke zorgaanbieder zijn administratie heeft ingericht en dus ook niet op wat dit kost.

Vraag 72

Wat kost jaarlijks de bureaucratie in de zorg in Nederland?

Antwoord:

Dit is niet bekend. Er bestaat geen eenduidige definitie of meting van de omvang van de bureaucratie in Nederland.

Vraag 73

Hoe groot is de overhead en de kosten hiervan, uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord:

De overhead binnen de zorg, uitgesplitst voor ziekenhuizen, ggz, gehandicapten-, ouderen- en thuiszorg is door het CBS over de jaren 2008 tot en met 2011 gemeten als percentage van de kosten. Dit zijn de laatste beschikbare gegevens. In de CBS-statistieken over zorginstellingen wordt de volgende definitie gehanteerd voor overhead: personeel in algemene en administratieve functies; dit betreft personeel die zich niet daadwerkelijk bezig houdt met de gezondheid van de patiënten en/of cliënten, maar met bijvoorbeeld administratie, automatisering, interne opleiding en organisatie. Dit zijn de laatste metingen op dit onderwerp. Hieronder vindt u dit overzicht.

In aanvulling daarop verwijs ik u graag naar het onderzoeksrapport naar overhead in de langdurige zorg dat mijn voorganger bij brief van 30 maart 2017 (TK 29 515, nr. 400) aan u heeft toegezonden, waaruit onder meer blijkt dat de niet-cliëntgebonden kosten van deelnemende organisaties gemiddeld 41,6% van hun totale kosten bedragen.

Vraag 74

Met hoeveel procent en kosten is de bureaucratie toegenomen na de decentralisaties naar de gemeenten, uitgesplitst in Wmo en de Jeugdwet?

Antwoord:

Op landelijk niveau zijn geen gegevens beschikbaar over het percentage en de kosten van bureaucratie in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Het Kabinet zet zich wel in om de bureaucratie in de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet te verminderen. In het programma (Ont)Regel de zorg, dat uw Kamer op 22 mei 2018 heeft ontvangen (TK 2017–2018, 29 515, nr. 424) staan diverse activiteiten genoemd die bijdragen aan het verminderen van de bureaucratie in het sociaal domein.

Vraag 75

Hoeveel mensen maken vanaf 2018 gebruik van de Wlz, in aantallen?

Antwoord:

Op 1 juli 2018 hebben 293.682 mensen een indicatie voor een zorgprofiel in de Wlz (bron: CIZ).

Vraag 76

Hoeveel mensen maken vanaf 2018 gebruik van de Wmo, in aantallen?

Antwoord:

Er zijn nog geen cijfers bekend over het gebruik van Wmo-voorzieningen vanaf 2018.

Vraag 77

Hoeveel mensen maken vanaf 2018 gebruik van de Zvw, in aantallen?

Antwoord:

De raming van het aantal Zvw-verzekerden door het Zorginstituut voor 2018 bedroeg 17.098.000 verzekerden.

Vraag 78

Kunt u aangeven op welke wijze uitvoering is gegeven aan amendement Dik-Faber/Veldman over het tegengaan van ondervoeding (TK 34 775 XVI, nr. 53)?

Antwoord:

Het amendement is uitgevoerd. De Stuurgroep Ondervoeding heeft de opdracht gekregen om de kennis over ondervoeding bij ouderen zelf en hun mantelzorgers te vergroten. Dit doen zij onder andere door de website www.goedgevoedouderworden.nl bekend te maken bij een groter publiek. Voor zorgprofessionals die met ouderen werken ontwikkelt de Stuurgroep Ondervoeding onderwijsmodules over het herkennen en behandelen van ondervoeding.

De uitvoering van deze opdracht loopt tot eind 2018.

Vraag 79

Hoeveel mensen maken vanaf 2018 gebruik van zorg vanuit de verschillende domeinen, Zvw, Wmo, Wlz en jeugdzorg?

Antwoord:

Er zijn nog geen gegevens bekend over aantal personen naar soort zorggebruik in 2018. Verder zijn er geen cijfers beschikbaar over aantallen personen per domein.

Wel valt er op verschillende onderdelen een beeld te schetsen van om hoeveel mensen het gaat. De meest recente cijfers zijn:

Zvw-domein: Percentage met minimaal één keer per jaar contact met de huisarts resp. specialist resp. tandarts
 

2017

Huisarts

68,8

Specialist

39,4

Tandarts

79,9

Bron: VWS-monitor, pag 21

Wmo-domein: Gebruik bijdrageplichtige Wmo-maatwerkvoorzieningen, aantal personen in jaar.
 

2016

Totaal leveringsvorm zorg

602.400

Persoonsgebonden budget (pgb)

76.885

Totaal zorg in natura (zin)

549.900

Bron: Monitor Langdurige Zorg

Wlz-domein: Gebruik eigenbijdrageplichtige Wlz-zorg naar leveringsvorm, aantal personen
 

2016

Totaal leveringsvorm zorg

314.220

Uitsluitend persoonsgebonden budget (pgb)

32.235

Uitsluitend zorg in natura (zin)

284.610

Zin verblijf

253.250

Zin volledig pakket thuis (vpt)

11.985

Zin modulair pakket thuis (mpt)

40.195

Totaal combinatie zin/pgb

1.525

Bron: Monitor Langdurige Zorg

Jeugdzorg-domein: Aantal jongeren met jeugdhulp (met/zonder verblijf), -bescherming of -reclassering
 

2017

Totaal jeugdhulp met verblijf

46.260

Totaal jeugdhulp zonder verblijf

371.850

Totaal jeugdreclassering

10.080

Totaal ondertoezichtstelling

30.785

Totaal voogdij

11.770

Bron: VWS-monitor, p. 16

Vraag 80

Hoeveel mensen maken gebruik van huishoudelijke verzorging?

Antwoord:

Gemeenten bieden op grond van de Wmo 2015 een diversiteit aan algemeen toegankelijke en individuele maatwerkvoorzieningen op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning. Er is geen landelijke registratie van het aantal mensen dat daadwerkelijk een beroep doet op deze voorzieningen. Wel zijn er ramingen van het CBS beschikbaar die een inschatting geven van het gebruik van individuele maatwerkvoorzieningen. Het gaat om het gebruik van zorg in natura en/of een persoonsgebonden budget, ongeacht het feit of een (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage betaald moet worden. Gegevens zijn afkomstig van gemeenten, die in het kader van de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD) gegevens hebben aangeleverd en toestemming hebben gegeven voor publicatie. De cijfers over het totaal aantal cliënten in Nederland zijn door het CBS geschat met een regressiemodel op de data van de deelnemende gemeenten. De voorzieningen zijn uitgesplitst naar globale categorieën voorzieningen, omdat de precieze definitie van voorzieningen kan verschillen per gemeente.

Gebruik Wmo-maatwerkvoorzieningen naar type, personen in jaar
 

2016

Voorlopige cijfers 2017

Totaal

1.053.505

1.042.790

Ondersteuning thuis

(inc. begeleiding, persoonlijke verzorging, dagbesteding)

264.760

281.270

Hulp bij het huishouden

408.665

394.600

Verblijf en opvang

(inc. beschermd wonen)

34.995

32.655

Hulpmiddelen en diensten

https://www.monitorlangdurigezorg.nl/gebruik-wmo-maatwerkvoorzieningen – toel_hdrA019509_1(inc. vervoersdiensten)

701.835

690.905

Vraag 81

Hoeveel mensen maken gebruik van dagbesteding?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 80.

Vraag 82

Kunt u aangeven op welke wijze uitvoering is gegeven aan amendement Dik-Faber over budget voor de Nederlandse Diabetes Federatie (NDF) (TK 34 775-XVI-54)?

Antwoord:

Het budget dat is toegekend aan de NDF via het amendement Dik-Faber is door middel van een subsidie verleend. De NDF heeft deze middelen gekregen om te komen tot een nadere uitwerking van de multidisciplinaire richtlijn diabetes voor kinderen en jongeren. In deze uitwerking wordt aandacht besteed aan onder andere ondersteuning bij zelfmanagement en leefstijl voor kinderen en jongeren met (pre)diabetes.

Vraag 83

Hoeveel mensen maken gebruik van begeleiding?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 80.

Vraag 84

Hoeveel mensen maken gebruik van begeleiding in combinatie met persoonlijke verzorging?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 80.

Vraag 85

Hoeveel mensen maken gebruik van beschermd wonen?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 80.

Vraag 86

Hoeveel mensen maken gebruik van ziekenhuiszorg?

Antwoord:

Op basis van de nog voorlopige realisatiecijfers over 2017 laten gegevens van Vektis zien dat het aantal patiënten dat gebruik maakt van ziekenhuiszorg in dat jaar circa 7,3 miljoen bedroeg.

Vraag 87

Hoeveel mensen maken gebruik van wijkverpleging?

Antwoord:

Uit de data van Vektis blijkt dat in 2015 512.000 mensen, in 2016 540.000 mensen en in 2017 557.000 mensen wijkverpleging hebben gebruikt. Voor het jaar 2017 waren dat er gemiddeld 293.000 per maand.

Vraag 88

Hoeveel mensen wonen in een verzorgingshuis?

Antwoord:

In 2017 bedroeg het aantal cliënten in een instelling met verzorgingshuiszorg (zonder behandeling) circa 40,6 duizend. Dit aantal is afgeleid van de omvang van de productieafspraken die zorgkantoren voor deze zorg hebben gemaakt. In 2017 betroffen deze afspraken 14,8 miljoen dagen (bron: NZa). Er zijn nog geen recentere gegevens beschikbaar.

Vraag 89

Hoeveel mensen wonen in een verpleeghuis?

Antwoord:

In 2017 bedroeg het aantal cliënten in een instelling met verpleeghuiszorg (met behandeling) circa 82,4 duizend. Dit aantal is afgeleid van de omvang van de productieafspraken die zorgkantoren voor deze zorg hebben gemaakt. In 2017 betroffen deze afspraken 30,1 miljoen dagen (bron: NZa). Er zijn nog geen recentere gegevens beschikbaar.

Vraag 90

Hoeveel mensen wonen in een beschermde woonvorm?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 80.

Vraag 91

Hoeveel mensen wonen in een instelling voor gehandicaptenzorg?

Antwoord:

In 2017 bedroeg het aantal cliënten in een instelling voor gehandicaptenzorg circa 73,8 duizend. Dit aantal is afgeleid van de omvang van de productieafspraken die zorgkantoren voor deze zorg hebben gemaakt. In 2017 betroffen deze afspraken 26,9 miljoen dagen (bron: NZa). Er zijn nog geen recentere gegevens beschikbaar.

Vraag 92

Hoeveel mensen wonen in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg?

Antwoord:

De Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige ggz 2017 van het Trimbos Instituut laat zien dat anno 2016 Nederland in totaal circa 16.000 klinische plaatsen telt (Zvw, Wlz en Jeugdwet), waarvan circa 6.500 plaatsen voor langdurig verblijf (opnamen van langer dan een jaar). Ik heb deze monitor op 22 december 2017 aan uw Kamer aangeboden (Vergaderjaar 2017–2018, TK 25 424, nr. 385).

Vraag 93

Hoeveel mensen maken gebruik van ambulante geestelijke gezondheidszorg?

Antwoord:

De Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige ggz 2017 van het Trimbos Instituut laat zien dat op jaarbasis ruim een miljoen mensen Zvw-gefinancierde ambulante ggz ontvangen. Ik heb deze monitor op 22 december 2017 aan uw Kamer aangeboden (Vergaderjaar 2017–2018, TK 25 424, nr. 385).

Vraag 94

Hoeveel DBC's op weg naar Transparantie (DOT's) zijn er geopend in 2018, uitgesplitst per specialisme?

Antwoord:

Gegevens van Vektis laten zien dat er in 2018 tot en met peildatum 31 juli circa 8,8 miljoen DBC’s zijn geopend. Voor 4,2 miljoen betreft dit DBC’s die als declaratie in de database van Vektis zijn opgenomen. Voor 4,6 miljoen betreft het informatie over het onderhanden werk, die de zorgaanbieders aan de zorgverzekeraars leveren. Dit levert geen compleet beeld. Het werkelijke aantal geopende DBC’s ligt daarom hoger.

Voor het grootste deel van de DBC’s die als declaratie in de database van Vektis zijn opgenomen is een uitsplitsing naar specialisme beschikbaar. Deze is in onderstaand overzicht opgenomen.

Declaratievolume per specialisme, openingsjaar 2018

Specialisme

Volume DBC-zorgproducten (x 1.000)

Allergologie

6,2

Anesthesiologie

55,4

Audiologie

21,7

Cardiologie

407,0

Cardio-pulmonale chirurgie

6,8

Chirurgie

368,9

Dermatologie

308,1

Geriatrie

32,0

Geriatrische revalidatiezorg

15,4

Gynaecologie

223,6

Inwendige Geneeskunde

574,6

Keel-, Neus- en Oorheelkunde

238,1

Kindergeneeskunde

144,4

Klinische genetica

5,7

Longgeneeskunde

190,4

Maag-, Darm-, en Leverziekten

140,8

Neurochirurgie

19,4

Neurologie

222,1

Oogheelkunde

482,7

Orthopedie

274,0

Plastische chirurgie

80,8

Psychiatrie

5,0

Radiologie

0,1

Radiotherapie

22,7

Reumatologie

89,2

Revalidatiegeneeskunde

73,0

Urologie

146,6

Onbekend

3,5

Totaal

4.158,2

Bron: Vektis

declaratiegegevens verwerkt tot en met 31 juli 2018

Vraag 95

Hoeveel personen hebben een zorg met verblijf-indicatie?

Antwoord:

Op 1 juli 2018 hebben 293.682 mensen een indicatie voor een zorgprofiel in de Wlz (bron: CIZ). Dit is een indicatie voor zorg met verblijf. Met een Wlz-indicatie heeft de cliënt de mogelijkheid om in een zorginstelling te wonen en daar zorg te ontvangen.

Vraag 96

Hoeveel personen hebben een zorg zonder verblijf-indicatie?

Antwoord:

Er worden na 1 januari 2015 geen indicaties «zorg zonder verblijf» meer afgegeven. Een deel van de ondersteuning op grond van de Wmo 2015 is te scharen onder de term «zorg zonder verblijf». Zie voor aantallen met betrekking tot deze ondersteuning het antwoord op vraag 80.

Vraag 97

Hoeveel personen hebben een Volledig Pakket Thuis (VPT)?

Antwoord:

Volgens de uitvoeringsinformatie van het Zorginstituut hebben circa 10,5 duizend personen een Volledig Pakket Thuis op 1 maart 2018. Dit zijn de meest recente cijfers.

Vraag 98

Hoeveel personen hebben een Modulair Pakket Thuis (MPT)?

Antwoord:

Volgens de uitvoeringsinformatie van het Zorginstituut hebben circa 20,1 duizend personen een Modulair Pakket Thuis op 1 maart 2018. Dit zijn de meest recente cijfers.

Vraag 99

Kunt u een overzicht geven van de vermogensontwikkeling van verpleeghuizen, verzorgingshuizen, gehandicapteninstellingen, thuiszorgorganisaties en ziekenhuizen van 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 19.

Vraag 100

Hoeveel mensen hebben een Zorgzwaartepakket (ZZP)? Kunt u per Zorgzwaartepakket het aantal mensen noemen?

Antwoord:

Op 1 juli 2018 hebben 293.682 mensen een indicatie voor een zorgprofiel (zorgzwaartepakket) in de Wlz. In onderstaande tabel staan de aantallen cliënten per zorgzwaartepakket (ZZP) onderverdeeld naar: de ouderenzorg (VV), verstandelijk gehandicapten (VG), licht verstandelijk gehandicapten (LVG en SGLVG), zintuiglijk gehandicapten visueel en auditief (ZG), lichamelijk gehandicapten (LG) en GGZ-cliënten (GGZ).

Peildatum 1 juli 2018

Aantal cliënten

TOTAAL Wlz

293.682

VV01

771

VV02

1.987

VV03

3.603

VV04

33.914

VV05

72.659

VV06

30.617

VV07

11.024

VV08

2.541

VV09

3

VV09a

1

VV09b

1.128

VV10

144

Totaal VV

158.392

VG01

617

VG02

4.545

VG03

24.868

VG04

16.338

VG05

13.420

VG06

25.979

VG07

14.341

VG08

8.319

Totaal VG

108.427

LVG01

23

LVG02

499

LVG03

1.086

LVG04

286

LVG05

23

SGLVG01

383

Totaal (SG)LVG

2.300

ZGVIS01

52

ZGVIS02

254

ZGVIS03

655

ZGVIS04

390

ZGVIS05

610

Totaal ZGVIS

1.961

ZGAUD01

74

ZGAUD02

460

ZGAUD03

559

ZGAUD04

241

Totaal ZGAUD

1.334

LG01

199

LG02

1.633

LG03

583

LG04

4.533

LG05

1.915

LG06

5.735

LG07

1.526

Totaal LG

16.124

GGZ01B

0

GGZ02B

0

GGZ03B

147

GGZ04B

536

GGZ05B

2.669

GGZ06B

535

GGZ07B

1.257

Totaal GGZB

5.144

Vraag 101

Hoe zijn de prijzen van Zorgzwaartepakketten de afgelopen jaren veranderd? Kunt u een historisch overzicht geven van de prijsontwikkeling van ZZP's?

Antwoord:

In de onderstaande tabel is de ontwikkeling van de maximumtarieven per dag uit de NZa-beleidsregels weergegeven. Dit zijn de tarieven voor de ZZP’s inclusief behandeling en dagbesteding. Naast deze tarieven zijn toeslagen en meerzorg mogelijk. Met ingang van 2018 zijn de tarieven inclusief normatieve investeringscomponent (NHC) en normatieve investeringscomponent (NIC). In 2019 zijn de tarieven (met uitzondering van de tarieven in de sector verpleging en verzorging waarop het kwaliteitskader verpleeghuiszorg van toepassing is (ZZP V&V 4 en hoger)) gewijzigd als gevolg van het kostprijsonderzoek. Tevens zijn de tarieven geïndexeerd.

ZZP-tarieven (max. NZa-beleidsregel)

2015

2016

2017

2018

2019

VV 4

€ 143,22

€ 143,12

€ 146,75

190,32

197,33

VV 5

€ 188,24

€ 188,11

€ 192,89

241,07

250,05

VV 6

€ 188,55

€ 188,42

€ 193,21

242,14

251,14

VV 7

€ 224,62

€ 224,46

€ 230,17

282,58

293,16

VV 8

€ 256,25

€ 256,07

€ 262,58

319,35

331,33

VV 9b

€ 223,57

€ 223,41

€ 229,09

289,88

300,63

VV 10

€ 277,11

€ 276,92

€ 283,96

341,29

354,14

           

GGZ 3B

€ 153,95

€ 148,91

€ 150,76

€ 194,73

€ 210,33

GGZ 4B

€ 174,99

€ 169,26

€ 171,37

€ 215,95

€ 222,55

GGZ 5B

€ 187,50

€ 181,37

€ 183,63

€ 238,16

€ 233,41

GGZ 6B

€ 245,50

€ 237,47

€ 240,43

€ 291,76

€ 366,18

GGZ 7B

€ 334,00

€ 323,07

€ 327,09

€ 390,79

€ 429,67

           

VG 3

€ 149,48

€ 150,05

€ 151,92

€ 190,95

€ 186,10

VG 4

€ 164,50

€ 165,13

€ 167,19

€ 206,67

€ 218,97

VG 5

€ 205,56

€ 206,35

€ 208,92

€ 258,21

€ 280,76

VG 6

€ 199,45

€ 200,21

€ 202,70

€ 249,59

€ 251,38

VG 7

€ 276,08

€ 277,13

€ 280,58

€ 331,98

€ 350,87

VG 8

€ 231,81

€ 232,70

€ 235,60

€ 295,08

€ 345,41

           

LVG 1

€ 140,71

€ 141,25

€ 143,01

€ 181,78

€ 218,26

LVG 2

€ 181,30

€ 181,99

€ 184,26

€ 224,24

€ 259,58

LVG 3

€ 223,71

€ 224,56

€ 227,36

€ 281,04

€ 337,38

LVG 4

€ 263,13

€ 264,14

€ 267,43

€ 322,29

€ 385,52

LVG 5

€ 261,93

€ 262,93

€ 266,20

€ 321,03

€ 367,79

           

SGLVG 1

€ 340,98

€ 342,28

€ 346,54

€ 405,94

€ 421,16

           

LG 2

€ 158,74

€ 159,35

€ 161,33

€ 200,46

€ 199,01

LG 4

€ 192,17

€ 192,90

€ 195,30

€ 223,13

€ 255,00

LG 5

€ 223,28

€ 224,13

€ 226,92

€ 236,87

€ 274,66

LG 6

€ 238,67

€ 239,58

€ 242,56

€ 301,59

€ 340,26

LG 7

€ 247,30

€ 248,24

€ 251,33

€ 310,58

€ 351,58

           

ZG aud 2

€ 301,29

€ 302,44

€ 306,21

€ 355,01

€ 390,87

ZG aud 3

€ 345,44

€ 346,76

€ 351,08

€ 405,12

€ 457,94

ZG aud 4

€ 234,59

€ 235,49

€ 238,42

€ 285,22

€ 295,83

           

ZG vis 2

€ 139,99

€ 140,52

€ 142,27

€ 183,67

€ 190,36

ZG vis 3

€ 184,07

€ 184,77

€ 187,07

€ 232,35

€ 240,90

ZG vis 4

€ 234,87

€ 235,77

€ 238,71

€ 291,34

€ 302,13

ZG vis 5

€ 255,53

€ 256,51

€ 259,70

€ 319,86

€ 331,67

Vraag 102

Wat heeft de extramuralisering opgeleverd?

Antwoord:

Onderstaande tabel geeft een beeld van de netto-besparingen door de maatregel «extramuraliseren ZZP 1 t/m 3». Deze lopen op tot € 200 miljoen in 2019 en € 235 miljoen structureel.

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

structureel

Netto effect extramuralisering (bedragen x € 1 miljoen)

– 20

– 50

– 130

– 170

– 180

– 190

– 200

– 235

Vraag 103

Hoeveel procent van de zorgaanbieders maakten in 2017 gebruik van digitale gegevensuitwisseling met andere zorgaanbieders? Hoe was dat percentage in voorgaande jaren?

Antwoord:

In 2017 maakte 82 procent van de huisartsen gebruik van een systeem voor gestandaardiseerde elektronische gegevens uitwisseling met andere huisartsen. Tussen medisch specialisten was dit onderling 75 procent. 56 procent van de verpleegkundigen in de ouderenzorg gaven aan dat hun organisatie gebruik maakt van een systeem voor gestandaardiseerde elektronische gegevens uitwisseling. In de tabellenbijlage van de eHealth-monitor 2017 zijn cijfers over de eerdere jaren te zien, alsmede gegevens van andere zorgdomeinen.

Vraag 104

Hoeveel mensen maken gebruik van de Tegemoetkoming Specifieke Zorgkosten (TSZ)?

Antwoord:

Voor de jaren 2009 t/m 2015 maakten gemiddeld circa 157.000 mensen gebruik van de TSZ. De toekenning voor 2016 is nog niet afgerond, maar naar verwachting zullen voor dat jaar ruim 150.000 mensen gebruik maken van de TSZ. Over 2017 zijn nog onvoldoende gegevens beschikbaar om een gefundeerde prognose te doen.

Vraag 105

Kunt u een overzicht per jaar geven van de kostenontwikkeling van verpleeg- en verzorgingshuizen en de thuiszorg van 2000 tot 2005 en van 2006 tot en met 2018 en kunt u deze cijfers voorzien van uw duiding?

Antwoord:

Ja. Bij de beantwoording van de schriftelijke vragen bij de ontwerpbegroting 2015 (zie het antwoord op vraag 230) heb ik het gevraagde overzicht verstrekt tot en met 2013 en van mijn duiding voorzien. Dat heb ik gedaan via een tabel over de totale ouderenzorg uit de «Zorgrekeningen» van het CBS over de periode 2000–2013. De cijfers uit de Zorgrekeningen zijn niet gewijzigd en dat geldt ook voor de duiding.

Hieronder treft u de tabel over de intramurale ouderenzorg voor de periode 2014 tot en met 2018. De cijfers tot en met 2017 zijn gebaseerd op het jaarverslag van VWS. Voor 2018 betreft het cijfers uit de ontwerpbegroting 2019. Dit cijfer wordt bij het jaarverslag geactualiseerd. Naar verwachting stijgen de uitgaven in 2018 ten opzichte van 2017 met bijna € 1 miljard tot € 10,2 miljard. Daarbij is rekening gehouden met de extra middelen die beschikbaar zijn gesteld voor verbetering van de kwaliteit in verpleeghuizen (€ 435 miljoen in totaal voor 2018 en € 335 miljoen extra ten opzichte van 2017), de groei van het aantal cliënten, de loon- en prijsontwikkelingen en technische verschuivingen.

Bedragen in miljoenen euro

2014

2015

2016

2017

2018

intramurale ouderenzorg

8.6

8.5

8.8

9.3

10.2

Vraag 106

Kunt u een overzicht geven van alle (aanjaag)teams die het ministerie heeft ingezet, welke personen (uit welke organisaties) werken voor deze (aanjaag)teams, hoeveel FTE dit bedraagt, wat hun salariëring bedraagt, wat de doelstellingen zijn van deze teams en welke resultaten de teams tot nu toe hebben geboekt?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 65.

Vraag 107

Wat kost jaarlijks de bureaucratie in Nederland? Hoe groot is de overhead en de kosten hiervan, uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 72 en vraag 73.

Vraag 108

Welke concrete maatregelen in de begroting ondersteunen de transitie van eerste naar tweedelijnszorg en «zorg op de juiste plek»?

Antwoord:

De beweging naar de juiste zorg op de juiste plek gaat deels over het verschuiven van zorg van tweede naar eerste lijn, maar is veel breder. Uitgangspunt van de juiste zorg op de juiste plek is het voorkomen van (duurdere) zorg, het verplaatsen van zorg dichter bij mensen thuis en het vervangen van zorg, bijvoorbeeld door e-health. Het moet mensen vooral helpen in hun dagelijks functioneren. Het rapport van de Taskforce licht toe hoe partijen daar invulling aan kunnen geven, bijvoorbeeld door het functioneren van zorggebruikers werkelijk als uitgangspunt te nemen voor de zorgorganisatie en in de regio gezamenlijk een gedeeld beeld te maken van de benodigde en geboden zorg in een regio, nu en op de langere termijn.

De budgettaire kaders in de VWS-begroting zijn in lijn met het gedachtegoed van de juiste zorg op de juiste plek en overeenkomstig de afspraken in de hoofdlijnenakkoorden. De maximale volumegroei voor medisch-specialistische zorg wordt beperkt tot 0,8% in 2019 aflopend tot 0% in 2022. Gelijktijdig wordt in de hoofdlijnenakkoorden wijkverpleging en huisartsenzorg een hogere maximale volumegroei beschikbaar gesteld. Bij de huisartsen is dit 2,5% in de jaren 2019 en 2020 en 3% in de jaren 2021 en 2022. Voor de wijkverpleging is dit 2,4% in de jaren 2019 tot en met 2022. Het gaat immers om het voorkomen van zorg in de tweede lijn, bijvoorbeeld door betere vroegsignalering van problemen door huisartsen en wijkverpleegkundigen. En om het tot stand brengen van een betere uitstroom van tweede naar eerste lijn of naar huis van mensen die in ziekenhuizen liggen, maar die eigenlijk geen noodzaak voor medisch-specialistische zorg meer hebben. Tevens zijn voor de medisch-specialistische zorg incidentele middelen gereserveerd om investeringen te ondersteunen die de transformatie naar de juiste zorg op de juiste plek kunnen faciliteren.

Van belang is dat er meer gebruik wordt gemaakt van innovatieve zorgvormen (bijvoorbeeld eHealth) en om er voor te zorgen dat patiëntgegevens kunnen worden uitgewisseld tussen zorgverlener en patiënt, en tussen zorgverleners onderling. Het gaat ook om het voortdurend bezien wat «juiste zorg» is (gepast gebruik) en vervolgens die inzichten ook in de praktijk toe te passen (stimulering zorgevaluatie en -implementatie en stimuleren dat veelbelovende nieuwe zorgvormen sneller bij de patiënt komen). Daarbij hoort ook het vergroten van inzicht in de kwaliteit van zorg die er voor de patiënt echt toe doet (stimulering uitkomsttransparantie) en het ondersteunen van partijen om in de spreekkamer het goede gesprek te kunnen voeren (samen beslissen). Daarnaast wordt ook geïnvesteerd in het aanpakken van knelpunten op de arbeidsmarkt (de juiste zorgverlener op de juiste plaats) en in het terugdringen van de regeldruk in de zorg om zorgverleners zoveel mogelijk ruimte te geven om ook echt zorg te kunnen verlenen. Over al deze aspecten zijn afspraken gemaakt in de hoofdlijnenakkoorden. De budgettaire effecten van de gemaakte afspraken zijn verwerkt in de financiële kaders voor de betreffende sectoren zoals ze in de VWS-begroting zijn opgenomen.

Ik verwacht u op korte termijn mijn reactie op het rapport van de Taskforce te sturen.

Vraag 109

Kunt u een overzicht geven van alle financiële middelen die op dit moment beschikbaar zijn voor arbeidsbesparende innovaties in de zorg?

Antwoord:

Zoals in de ontwerpbegroting 2019 is opgenomen is voor Innovatie en Zorgvernieuwing in 2019 zorgbreed circa 26 miljoen beschikbaar. Dat is inclusief de impuls van dit kabinet van 10 miljoen per jaar voor deze kabinetsperiode uit het Regeerakkoord.

Tevens is er circa 30 miljoen in 2019 beschikbaar voor de stimuleringsregeling ehealth thuis.

De inzet van middelen uit de Hoofdlijnenakkoorden of het actieplan Werken in de Zorg kunnen ook ingezet worden voor arbeidsbesparende innovaties. Arbeidsbesparende innovaties worden op eigen initiatief ingezet door de zorginstellingen zelf. VWS heeft geen totaal overzicht welke bedragen instellingen daarvoor inzetten.

Vraag 110

In 2014 zijn in de Kamerbrief over e-health en zorgverbetering (27 529, nr. 130) drie ambities geformuleerd voor het stimuleren van e-health; hoeveel procent van de chronisch zieken en hoeveel procent van de Nederlanders heeft op dit moment direct toegang tot bepaalde medische gegevens? Hoeveel procent van de chronisch zieken en kwetsbare ouderen kan op dit moment zelfstandig metingen uitvoeren en deze delen met een zorgverlener op afstand? En heeft op dit moment iedereen die thuis zorg en ondersteuning ontvangt de mogelijkheid tot beeldschermzorg en domotica?

Antwoord:

Uit de e-healthmonitor van 2017 blijkt dat:

Bijna een kwart van de zorggebruikers zegt bij de huisarts online inzage te hebben gehad in voorgeschreven medicatie. Het aantal zorggebruikers dat aangeeft online inzage te hebben in hun gegevens bij de huisarts, is rond de 3%-5%.

Ruim de helft van de chronisch zieken (55%) en de helft van de kwetsbare ouderen (50%) zelf metingen van bepaalde gezondheidswaarden (zoals gewicht, bloeddruk en bloedsuikerwaarde) uitvoert.

Bij maximaal 10% van de patiënten in de ouderenzorg beeldbellen plaatsvindt. In de ziekenhuiszorg is dat percentage 11%. In de huisartsenzorg is het gebruik van beeldbellen nog nihil.

Vraag 111

Wat zijn de verwachte kostenbesparingen wanneer e-health breed geïmplementeerd wordt?

Antwoord:

De besparing is niet op voorhand in beeld te brengen. Deze is contextafhankelijk en niet altijd in geld uit te drukken. Dit omdat beeldbellen met een arts in het ziekenhuis de patiënt levensvrijheid oplevert doordat hij niet naar het ziekenhuis hoeft te reizen.

Vraag 112

Hoeveel tijd/FTE's wordt verwacht vrij te komen voor de mensen die werken in de zorg wanneer e-health breed geïmplementeerd wordt?

Antwoord:

De besparing is niet op voorhand in beeld te brengen omdat het per persoon en context zal verschillen.

Vraag 113

Hoe wordt de zorg persoonlijker en beter?

Antwoord:

In 2019 wordt een aantal intensiveringen gedaan om de zorg persoonlijker en beter te maken. Zo wordt het basispakket voor de zorgverzekering uitgebreid en is jaarlijks € 105 miljoen beschikbaar om veelbelovende behandelingen, medische technologie en geneesmiddelen sneller beschikbaar te krijgen voor de patiënt. Met dit geld worden ontwikkelaars van nieuwe zorgideeën geholpen bij het opzetten en uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Ook in de hoofdlijnenakkoorden met de MSZ, wijkverpleging, huisartsen en GGZ hebben we afspraken gemaakt over kwaliteitsverbeteringen in de zorg. Zo verplaatsen we zorg (dichter) bij mensen thuis als dat kan dan wel verder weg (geconcentreerd) als het omwille van de kwaliteit en doelmatigheid moet. En vervangen we zorg door andere zorg, zoals e-health, met een gelijkwaardige of betere medisch-inhoudelijke kwaliteit van de zorg.

Voorts komt er meer geld beschikbaar voor de ouderenzorg om voldoende tijd, aandacht en goede zorg, thuis of in het verpleeghuis te kunnen bieden. In 2019 gaat het om een bedrag van ruim € 1 miljard extra ten opzichte van dit jaar, waaronder € 600 miljoen extra voor het kwaliteitskader verpleeghuiszorg. In totaal loopt de extra investering in de ouderenzorg deze kabinetsperiode op naar jaarlijks ruim € 3 miljard per jaar vanaf 2021. Door de nieuwe kwaliteitsstandaarden in de langdurige zorg is het mogelijk om meer persoonlijke zorg aan cliënten te leveren. Met ingang van 2019 brengen we ook informatie over de cliënttevredenheid en bewonerservaringen per locatie in beeld. Toekomstige bewoners kunnen hierdoor in één oogopslag een indruk krijgen van de locatie waarvoor zij kiezen.

Voor een meer uitputtend overzicht van alle maatregelen die wij treffen in de zorg (zoals de jeugd- en gehandicaptenzorg) verwijs ik uw Kamer naar de VWS-beleidsagenda 2019.

Vraag 114

Hoeveel nieuwe collega's zijn er in respectievelijk 2017 en 2018 geworven in de sectoren Verpleging, Verzorging en Thuiszorg (VVT), Verpleging & Verzorging (V&V) en de thuiszorg?

Antwoord:

In 2017 is de werkgelegenheid in de Verpleging, Verzorging en Thuiszorg (VVT) gestegen met ongeveer 13 duizend personen, waarvan ongeveer 8 duizend in de Verpleging & Verzorging (V&V) en ongeveer 5 duizend in de Thuiszorg. Voorlopige cijfers over het eerste kwartaal 2018 laten een verdere stijging van ongeveer 2 duizend personen zien voor de VVT, welke volledig is toe te rekenen aan de V&V (bron: www.azwinfo.nl).

Vraag 115

Ervaren mensen in de zorg al dat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve lasten? Zo ja, hoeveel tijd besteden zij minder aan administratieve lasten?

Antwoord:

Eind mei lanceerden mijn collega’s en ik samen met alle betrokken organisaties het programma (Ont)Regel de Zorg, dat als doel heeft om de ervaren regeldruk in de zorg merkbaar terug te dringen. Dat is een ambitieus en concreet programma, waarin zo’n 160 maatregelen beschreven staan die aan dat doel moeten bijdragen, door knelpunten weg te nemen die zorgprofessionals en patiënten dagelijks ervaren. Het programma is momenteel volop in uitvoering. De eerste resultaten zijn inmiddels zichtbaar: voor huisartsen is er een vereenvoudigd formulier voor het vergoeden van zorg aan onverzekerden. Het invullen van dit formulier kostte de huisarts veel tijd. En voor de wijkverpleegkundigen bevat het programma een actie om het niet meer standaard afvinken van een risicosignaleringslijst uit de praktijk te bannen. Ook dat heeft een groot bereik onder wijkverpleegkundigen. Om het effect van de maatregelen te monitoren, wordt onder meer gebruik gemaakt een merkbaarheidsscan per sector. Met de merkbaarheidsscan wordt de ervaren regeldruk zowel met een door zorgverleners gegeven rapportcijfer als in tijdsbesteding per maatregel uitgedrukt. De eerste 0-meting van de merkbaarheidsscan vindt begin 2019 plaats.

Vraag 116

Is een stijging van het aandeel niet-gecontracteerde fysiotherapie waarneembaar de afgelopen jaren? Zo ja, hoe ziet de stijging eruit?

Antwoord:

Cijfers hierover zijn mij niet bekend. Zoals eerder aangegeven (TK 2017–2018, Aanhangsel van de handelingen nr. 1831) is de NZa op dit moment bezig met een monitor naar de ontwikkelingen van de geboden tarieven in relatie tot de kwaliteit en toegankelijkheid van de paramedische zorg, waaronder fysiotherapeuten. Deze monitor wordt begin 2019 verwacht en zal ook op de bovenstaande vraag in gaan.

Vraag 117

Wat zijn de verschillen tussen patiënten die gebruik maken van gecontracteerde en niet-gecontracteerde fysiotherapie?

Antwoord:

Hierover zijn mij geen gegevens bekend.

Vraag 118

Op welke wijze wordt contractering van fysiotherapie op dit moment bevorderd?

Antwoord:

Zoals eerder aangegeven (TK 2017–2018, Aanhangsel van de handelingen nr. 1831) is de NZa op dit moment bezig met een monitor naar de ontwikkelingen van de afgesproken tarieven in relatie tot de kwaliteit en toegankelijkheid van de paramedische zorg, waaronder fysiotherapie. Deze monitor wordt begin 2019 verwacht en zal een basis bieden om indien nodig verder met fysiotherapeuten en zorgverzekeraars over de contractering in gesprek te gaan.

Vraag 119

Op welke wijze kunnen de administratieve lasten rondom contractering voor fysiotherapeuten worden teruggedrongen?

Antwoord:

De paramedische zorg – waaronder de fysiotherapie – maakt onderdeel uit van het actieplan (Ont)Regel de Zorg. In het plan staan diverse maatregelen die zien op het terugdringen van administratieve lasten rondom de contractering. Eén van de maatregelen die door zorgverzekeraars genomen zijn om de regeldruk rondom contractering te verminderen is het (deels) uniformeren van de opzet van zorginkoopcontracten. Per 1 januari 2019 gaan alle zorgverzekeraars dezelfde structuur en voor een deel dezelfde bepalingen gebruiken voor de algemene voorwaarden en declaratieparagraaf van contracten in de paramedische zorg. Door het zo veel mogelijk uniformeren van deze onderdelen van de contracten, kan een zorgverlener voortaan in één oogopslag zien waar de verschillen zitten in de algemene voorwaarden en declaratieparagraaf die zorgverzekeraars gebruiken.

Vraag 120

Welke stappen worden er gezet om de kwaliteit en doelmatigheid van fysiotherapie per individuele zorgaanbieder inzichtelijk te maken?

Antwoord:

Binnen de fysiotherapie bestaat een aantal instrumenten die kwaliteit, doelmatigheid of delen daarvan inzichtelijk proberen te maken per individuele zorgaanbieder. Bijvoorbeeld PROM’s, PREM’s, de behandelindex, opname in kwaliteitsregisters en Zorgkaart Nederland. In het kader van het hoofdlijnenakkoord paramedische zorg 2017–2018 wordt gewerkt aan het verder inzichtelijk maken van kwaliteit en doelmatigheid. Met als doel dat zorgaanbieders in staat worden gesteld te leren en zich te ontwikkelen, patiënten de juiste informatie hebben om een keuze te maken en zorgverzekeraars instrumenten hebben om de inkoop vorm te geven. Op dit moment loopt hier een onderzoek naar door onderzoeksbureau KPMG in samenwerking met de partijen die aangesloten zijn bij het hoofdlijnenakkoord. De resultaten worden in november verwacht en zullen het startpunt vormen voor het verder ontwikkelen van de inzichtelijkheid van kwaliteit en doelmatigheid.

Vraag 121

Mag een geneesmiddel niet meer dan € 50.000 euro per persoon per jaar kosten? Waar is die grens van € 50.000 euro op gebaseerd? Wie heeft daarover geadviseerd? Hoeveel geneesmiddelen boven de € 50.000 euro per jaar worden er nu vergoed? Welke zijn dit?

Antwoord:

Geneesmiddelen mogen wel meer dan € 50.000 euro per behandeling kosten. Het bedrag van € 50.000 per behandeling maakt onderdeel uit van de criteria om een sluisprocedure te starten, zoals in de toelichting op de algemene maatregel van bestuur (AMvB) waarmee de sluis verankerd is in het Besluit zorgverzekering, en in het Schriftelijk Overleg over deze AMvB is beschreven.

De regering acht op dit moment het bedrag van minimaal € 50.000 per behandeling als uitzonderlijk hoge kosten per behandeling. Uit de beoordelingen van dure geneesmiddelen die het Zorginstituut in de afgelopen jaren heeft gedaan, valt op te maken dat geneesmiddelen die minimaal € 50.000 per behandeling kosten doorgaans een ongunstige kosteneffectiviteit hebben en dat een verlaging van de kosten de meeste invloed heeft op het verbeteren van deze kosteneffectiviteit. Middelen met deze kosten per behandeling vormen echter niet altijd een zodanig risico dat toepassing van de sluisprocedure noodzakelijk is. De sluis wordt voor dergelijke intramurale geneesmiddelen toegepast mits het verwachte jaarlijks macrokostenbeslag € 10 miljoen of meer bedraagt.

Dit betekent dat er voor de toepassing van een geneesmiddel bij een bepaalde indicatie een sluisprocedure gestart wordt als aan beide onderdelen van dit criterium wordt voldaan. Als onderdeel van een sluisprocedure kan het Zorginstituut een advies uitbrengen over de pakketwaardigheid en zullen er eventuele onderhandelingen plaatsvinden om tot een financieel arrangement te komen. Tevens kunnen gepast gebruikafspraken gemaakt worden.

Voor geneesmiddelen die onderdeel uitmaken van het Geneesmiddelenvergoedingssysteem kunnen ook financiële arrangementen afgesloten worden op basis van dezelfde criteria als bij intramurale geneesmiddelen.

Op basis van cijfers Vektis Zorgprisma geldt m.b.t. het jaar 2016 voor de volgende 31 intramurale geneesmiddelen dat het bedrag gemiddeld genomen boven de € 50.000 per patiënt uitkomt: Galsulfase, Idursulfase, Ceprotin, Alglucosidase alfa, Laronidase, Eculizumab, Feiba S-TIM 4, Agalsidase alfa, Mononine, Mabthera, Agalsidase beta, Elosulfase alfa, Ivacaftor, Immunonine, Novoseven, Benefix, Kogenate Bayer, Aafact, Nonafact, ReFacto AF, Helixate Nex Gen, Advate, Blinatumomab, NovoEight, Canakinumab, Kovaltry, Elocta, Crisantaspase, Rixubis, Ipilimumab en Defibrotide.

Op basis van cijfers van GIP-databank (Zorginstituut) geldt m.b.t. het jaar 2017 voor de volgende negen extramurale geneesmiddelen dat het bedrag gemiddeld genomen boven de € 50.000 per patiënt uitkomt: Ivacaftor, Velaglucerase alfa, Cargluminezuur, Tafamidis, Miglustat, Eliglustat, Lomitapide, Imiglucerase en Treprostinil.

Vraag 122

Geldt die openheid over de prijzen van geneesmiddelen ook voor de onderhandelingen van het Ministerie van VWS zelf? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer krijgen we die te horen?

Antwoord:

Ik dring aan op transparantie van geneesmiddelenprijzen. Recent heb ik het congeres van de Vereniging Innovatie Geneesmiddelen toegesproken en heb ik opgeroepen dat hoofdkantoren hierop worden aangesproken. Ook in onderhandelingen zet ik in op zoveel mogelijk openheid van de fabrikant over de opbouw en onderbouwing van hun prijs. Zoals bekend is nu het grootste deel van de kortingen nog vertrouwelijk omdat dit een eis is van fabrikanten. Dat vind ik onbevredigend. Het liefst zou ik precies vertellen wat we uiteindelijk voor elk middel betalen. Maar als ik dat doe, stelt de farmaceut – zo leert de ervaring – het middel niet meer beschikbaar. In dat geval kies ik voor de patiënt, al betekent dat dat de afspraken geheim blijven. Ik zet wel altijd in op zoveel mogelijk transparantie van kortingen, bijvoorbeeld door openbare prijsverlagingen. Dat zal ik blijven doen ook in samenwerking met andere landen. Ieder jaar geef ik uw Kamer een overzicht van de totaal behaalde kortingen door middel van financiële arrangementen.

Vraag 123

Hoeveel gezondheidswinst hebben geneesmiddelen de afgelopen decennia opgeleverd? Kan dit weergegeven worden in gewonnen levensjaren?

Antwoord:

Er is geen informatie over de totale gezondheidswinst die geneesmiddelen in de afgelopen decennia hebben opgeleverd. Er is wel informatie over de ervaren gezondheid in de Staat Volksgezondheid en Zorg. Ervaren gezondheid hangt echter niet alleen af van geneesmiddelen maar ook van o.a. arbeidsomstandigheden, woonomstandigheden en milieu.

Vraag 124

Aan welke geneesmiddelen waren er de afgelopen jaren tekorten? Wat wordt er gedaan aan geneesmiddeltekorten of wordt dit aan de markt overgelaten?

Antwoord:

Per 1 januari 2017 is het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten operationeel. Dit Meldpunt wordt gecoördineerd door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Het CBG en IGJ gaan bij ieder melding van een (verwachte) leveringsonderbreking na of er voldoende alternatieven beschikbaar zijn, en welke partijen eventueel actie moeten ondernemen om een tekort te voorkomen. Zij werken daarbij samen met het bedrijf en de andere leden van de Werkgroep Geneesmiddelentekorten (koepels van apothekers, artsen, patiëntenverenigingen, farmaceutische bedrijven, groothandels, zorgverzekeraars en VWS) aan oplossingen.

Uit de jaarrapportage van het Meldpunt (https://www.meldpuntgeneesmiddelentekortendefecten.nl/documenten/rapporten/2018/03/) blijkt dat in 2017 bijna 400 meldingen zijn ontvangen van (verwachte) leveringsonderbrekingen van medicijnen. In nagenoeg alle gevallen is het gelukt om voor de patiënt een adequaat alternatief medicijn te vinden. In slechts een enkel geval was dit niet het geval: voor het Hepatitis A-vaccin en een smalspectrum antibioticum.

In 2018 ziet het Meldpunt een stijgende trend van het aantal meldingen van (verwachte) leveringsonderbrekingen. Het Meldpunt zal van alle meldingen in 2018 een rapportage opstellen, die 1e kwartaal 2019 wordt gepubliceerd. In 2018 was er tot nu toe geen alternatief medicijn beschikbaar voor een antibiotica neuszalf (Bactroban), Levothyroxine, een diagnostisch middel (Lymphoseek) en een middel voor de behandeling van alcoholverslaving (Refusal). Zorgverleners zijn daarom door de overheidspartijen gevraagd om het geneesmiddel voor een beperktere groep patiënten voor te schrijven of aan de patiënten een kleinere hoeveelheid van het geneesmiddel mee te geven. Voor Lymphoseek is de houdbaarheid van de resterende voorraad verlengd om zo de leveringsonderbreking te overbruggen. Naast deze maatregelen wordt er ook regelmatig een vergelijkbaar geneesmiddel uit het buitenland naar Nederland gehaald, of geeft de IGJ toestemming voor het voeren van een tijdelijk afwijkende verpakking (kortweg: identiek geneesmiddel, maar in een verpakking uit een andere EU-lidstaat). In een aantal gevallen is een leveringsonderbreking opgevangen door apotheekbereidingen.

De samenwerking in de Werkgroep Geneesmiddelentekorten verloopt over het algemeen goed. Ook komen firma’s sneller tot een oplossing omdat nu duidelijker is welke mogelijkheden er zijn. Omdat de meldingen van (verwachte) leveringsonderbrekingen toenemen, zal ik samen met de Werkgroep alle maatregelen uit de routekaart evalueren en uw kamer daarover in 2019 informeren.

Geneesmiddelentekorten komen niet alleen in Nederland voor, maar in alle landen. Daarnaast is geneesmiddelenproductie een internationale markt. Als gevolg daarvan zijn maatregelen niet altijd voldoende om productieproblemen in bijvoorbeeld Azië op te lossen. Daarom overleg ik ook met mijn Europese collega’s om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen. Gedacht kan worden aan een systeem om tekorten in de Europese Unie te monitoren in plaats van enkel op nationaal niveau. Daarmee wordt het ook gemakkelijker om acties op Europees niveau af te spreken.

Vraag 125

Wat betekenen de regeerakkoordbezuinigingen op extramurale geneesmiddelen voor de beschikbaarheid van medicijnen?

Antwoord:

In het regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» van 10 oktober 2017 is afgesproken om de kosten van geneesmiddelen en hulpmiddelen verder te beheersen. In mijn brief van 15 juni jl (TK II 2017/18, 29 477, nr. 489) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die ik daarvoor neem. Zoals in deze brief aangegeven kies ik voor een pakket van maatregelen dat niet alleen inzet op lagere prijzen van genees- en hulpmiddelen, maar ook op de toegankelijkheid en beschikbaarheid. Patiënten moeten kunnen vertrouwen op goede, tijdige en betaalbare toegang tot geneesmiddelen en hulpmiddelen. Om die reden heb ik bijvoorbeeld bij de beoogde wijziging van de Wet geneesmiddelenprijzen gekozen voor het vervangen van Duitsland als referentieland door Noorwegen per 1 januari 2020. En niet voor het «Noorse model», omdat daarbij nóg sterker gedrukt zou worden op de prijzen, wat risico’s heeft voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen. De gevolgen van de maatregelen worden gemonitord.

Vraag 126

Bent u bekend met het feit dat er duidelijke verschillen bestaan tussen opioïden (pijnstillers) daar waar het gaat om bijwerkingen en veiligheid, en dat er alternatieven beschikbaar zijn in Nederland met een ander bijwerkingenprofiel?

Antwoord:

Ja, ik vind het in eerste instantie van belang dat de voorschrijver bekend is met de verschillen tussen opioïden, daar waar het gaat om bijwerkingen, veiligheid en mogelijke alternatieven. De voorschrijver moet immers na afweging van de risico’s die pijnstilling voorschrijven die past bij het profiel van de patiënt. De voorschrijver kan zich hierbij laten ondersteunen door richtlijnen, maar ook het Farmacotherapeutisch Kompas en de expertise van de apotheker op het terrein van geneesmiddelen.

Het Bijwerkingencentrum Lareb brengt in oktober een rapport uit over de gemelde bijwerkingen na het gebruik van opioïden. Ik verwacht dat dit rapport verdere inzicht geeft in de ervaren bijwerkingen als gevolg van opioïden. Ik zal de Kamer het rapport na ontvangst toesturen.

Vraag 127

Welke opioïden worden in Nederland het meest voorgeschreven? Klopt het dat dit juist de opioïden zijn met de meeste bijwerkingen?

Antwoord:

Ik heb recent hier Kamervragen over beantwoord (2018D41283, 21-09-2018). De top 3 van voorgeschreven opioïden is oxycodon, fentanyl, morfine.

Het Bijwerkingencentrum Lareb brengt in oktober een rapport uit over de gemelde bijwerkingen na het gebruik van opioïden. Dit rapport moet meer inzicht geven in de ervaren bijwerkingen van patiënten. Ik zal u het rapport na ontvangst toesturen.

Vraag 128

Zijn er gegevens bekend over de relatie tussen de kwaliteit en het opioïde-gebruik?

Antwoord:

Ik kan uit de vraag niet opmaken op welke kwaliteit u doelt. Ik kan wel aangeven dat er in Nederland veel onderzoek is en wordt gedaan naar pijnstilling en de kwaliteit van pijnstilling op onderscheidene gebieden. Voor de richtlijn Pijn van de Nederlandse Huisartsen Genootschap en de Multidisciplinaire Richtlijn Pijn van Verenzo ligt immers onderzoek aan de basis. Daarnaast is veel onderzoek gedaan naar pijnbeleving bij diverse aandoeningen of ingrepen, zoals pijnstilling bij kanker en pijnstilling in abortusklinieken.

Vraag 129

Wordt, gezien de discussie over het gebruik van opioïden, voldoende geïnvesteerd in de opleiding van artsen op specifiek dit gebied?

Antwoord:

Het is aan de beroepsgroep om te bepalen of er noodzaak is tot het vergroten van kennis over nieuwe inzichten via bij- en nascholing. Zij worden hierbij ondersteund met protocollen en richtlijnen.

Ik heb het initiatief genomen om experts uit de zorgpraktijk uit te nodigen om met elkaar van gedachten te wisselen over de oorzaken van de toename van het gebruik van opioïden. Ik zal bij deze expertmeeting stilstaan bij de bewustwording van betrokkenen als het gaat om de risico’s en bijwerkingen van opioïden. De expertmeeting vindt plaats op 18 oktober aanstaande.

Vraag 130

Wanneer zijn de verkenning van de sociaaleconomische Raad (SER) en het advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) klaar?

Antwoord:

De WRR en SER gaan over hun eigen werkprogramma en daarbij behorende planning. In de verkenningsaanvraag aan de sociaaleconomische Raad (SER) (bijlage bij TK 32 620, nr. 208) heb ik gevraagd om begin 2019 in gesprek te treden over de eerste bevindingen. Ook heb ik aangegeven dat ik de uiteindelijke verkenning, waarbij ook meer specifieke thema’s worden belicht, graag eind 2019 ontvang. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft aangegeven ons verzoek tot het doen van onderzoek naar de houdbaarheid van de zorguitgaven (bijlage bij TK 32 620, nr. 208) te willen honoreren, maar heeft daarbij geen tijdsindicatie gegeven wanneer ze het eindresultaat presenteren. De WRR is voornemens om dit onderzoeksproject in het begin van 2019 te starten (https://www.wrr.nl/onderwerpen/toekomst-zorgkosten).

Vraag 131

Waarom komen fraudeurs in een Waarschuwingsregister Zorg in plaats van dat het ze verboden wordt om nog in de zorgsector te werken? Welke initiatieven worden er nog meer genomen op het gebied van fraude aanpak?

Antwoord:

De Tweede Kamer heeft in 2015 verzocht om tot een zwarte lijst te komen van frauderende pgb-bemiddelingsbureaus. Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel waarin dit via een Waarschuwingsregister Zorg wordt geregeld. Dit waarschuwingsregister is een digitale infrastructuur, waarmee zorgverzekeraars, Wlz-uitvoerders en gemeenten informatie over door hen vastgestelde fraudes kunnen gaan delen. Op dit moment kunnen fraudeurs hun activiteiten elders (bijvoorbeeld bij een andere zorgverzekeraar of in een andere gemeente) voortzetten of herhalen, zonder dat de verantwoordelijke verstrekker daar zicht op heeft. Door frauderende (rechts)personen te registreren in het Waarschuwingsregister Zorg, zijn de partijen alert en kunnen zij vooraf maatregelen nemen.

De mogelijkheden om een verbod op te leggen aan een fraudeur bestaan al. Sinds 1 juli 2016 bestaat de mogelijkheid om een civielrechtelijk bestuursverbod op te leggen. Daarnaast kan er door de rechter een strafrechtelijk beroepsverbod worden opgelegd. Ten slotte bestaat er een bestuursverbod voor stichtingsbestuurders.

In het programmaplan rechtmatige zorg dat in april 2018 naar de Kamer is verzonden zijn verschillende maatregelen aangekondigd om fraude in de zorg aan te pakken. Het gaat onder andere om wetgevingstrajecten, maar ook maatregelen in vijf specifieke zorgsectoren, namelijk medisch-specialistische zorg, geestelijke gezondheidszorg, mondzorg, wijkverpleging en persoonsgebonden budget.

Vraag 132

In de begroting staat dat het belangrijk is dat mensen goed geïnformeerd zijn over onder andere behandelmogelijkheden; in hoeverre vormt e-health nu een onderdeel van die behandelmogelijkheden?

Antwoord:

In een groeiend aantal zorginstellingen maakt enigerlei vorm van digitaal ondersteunde zorg steeds vaker deel uit van de behandelmogelijkheden. De e-health monitor die in november van dit jaar verschijnt geeft inzicht in de mate waarin verschillende toepassingsgebieden aangeboden worden. VWS is onlangs gestart met het traject Zorg van Nu om burgers en professionals te informeren over de mogelijkheden van digitale toepassingen in zorg en welzijn. De middelen hiervoor komen uit de middelen van het regeerakkoord.

Vraag 133

In hoeverre worden medewerkers in de zorg betrokken bij het digitaal vaardig worden in de zorg?

Antwoord:

De digitale vaardigheid in de zorg van patiënten en medewerkers is cruciaal voor de inzet van e-health in de zorg. In deze kabinetsperiode is € 40 miljoen beschikbaar voor het bevorderen van digitaal ondersteunde zorg en innovatieve werkwijzen. Met deze middelen is onder andere het communicatietraject Zorg van Nu van start gegaan, wordt met het zorg- en onderwijsveld een toolkit ter ondersteuning van verpleegkundigen ontwikkeld en worden hulpmiddelen ontwikkeld om burgers en professionals te ondersteunen bij een verantwoorde keuze uit elektronische hulpmiddelen. Ik heb u daarover geïnformeerd in de Voortgangsrapportage E-health en zorgvernieuwing van 18 mei jl. (TK II, 27 529, nr. 156).

Vraag 134

Is er nog wel ruimte voor mensen die beslissingen liever aan professionals overlaten, die liever niet zelf de regie willen voeren, die liever in het ziekenhuis behandeld worden dan thuis, die liever niet hun familie, hun kinderen, buren of vrienden willen aanspreken maar liever hulp van een echte zorgverlener willen ontvangen? Of worden zij verplicht om eerst het hele traject te doorlopen van zelf beslissen, zelf regie voeren en zelfredzaam zijn?

Antwoord:

Er is ruimte voor degenen die dat willen, om beslissingen over te laten aan professionals. Het programma Uitkomstgerichte zorg 2018–2022, waarvan Samen Beslissen één van de programmalijnen is, richt zich erop dat mensen die dat willen ook kunnen meebeslissen. Het gaat hier om het bevorderen van het gezamenlijke gesprek in de spreekkamer. Hiervan kan daarom ook een uitkomst zijn dat de patiënt de beslissing aan de zorgverlener overlaat.

Daar waar het gaat om ondersteuning vanuit de gemeente (vanuit de Wmo) wordt na een melding in nauwe samenspraak met betrokkene bezien hoe de ondersteuning, waar relevant ook in samenhang met zorgverlening in de betreffende situatie het beste vorm kan worden gegeven. Daarbij wordt ook bezien wat betrokkene zelf of met behulp van zijn sociaal netwerk kan organiseren. Uitgangspunt is maatwerk; passende zorg en ondersteuning.

Ditzelfde geldt ook voor wijkverpleging die onder de Zvw valt. De wijkverpleegkundige stelt de indicatie vast, waarbij altijd rekening wordt gehouden met de omgeving en voorkeuren van de cliënt. Bij de indicatiestelling gaat het erom welke zorg de cliënt in de eigen omgeving nodig heeft gezien zijn zorgvraag én gezien zijn persoonlijke factoren binnen de eigen omgeving.

Vraag 135

Wat wordt in de begrotingstoelichting precies bedoeld met een betere ICT en meer ondersteuning geven aan de medisch specialist? Welke maatregelen zijn er op dit gebied al genomen en welke bent u voornemens om te nemen?

Antwoord:

De informatie die de arts in zijn dossier heeft moet zo compleet en actueel mogelijk zijn. Het komt voor dat de medisch specialist informatie bij andere zorginstellingen moet opvragen of dat hij de patiënt moet vragen om bij de apotheek of een ander ziekenhuis de informatie op te halen. Vervolgens moet deze informatie worden overgetypt. Dit moet anders: zo moet het makkelijker worden voor artsen om over de actuele medische gegevens van de patiënt te kunnen beschikken zodat zij zich in het gesprek op de patiënt kunnen richten.

Binnen het Informatieberaad Zorg zijn afspraken gemaakt over het gestandaardiseerd vastleggen en delen van gegevens, met extra aandacht voor het medicatieproces. Er is een Basisgegevensset Zorg afgesproken (welke generieke gegevens bij overdracht gedeeld moeten worden) en er zijn zorginformatiebouwstenen vastgesteld. Een zorginformatiebouwsteen beschrijft op welke manier informatie moet worden vastgelegd in het informatiesysteem. Als alle instellingen voor medisch-specialistische zorg informatie op dezelfde manier vastleggen, volgens het format van een zorginformatiebouwsteen, kunnen zij elkaars digitale informatie hergebruiken, ongeacht welk informatiesysteem zij zelf gebruiken. Hierdoor kan informatie makkelijker uitgewisseld worden en in het elektronisch patiëntendossier worden getoond op het moment dat de specialist deze informatie nodig heeft.

Een nieuwe maatregel om het voor medisch specialisten makkelijker te maken is gericht op het uitwisselen van beeldmateriaal van patiënten, zoals röntgenfoto’s. Het doel is om ervoor te zorgen dat dit beeldmateriaal niet meer op DVD’s hoeft te worden gebrand, maar digitaal uitgewisseld kan worden.

Via het Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling patiënt en professional (VIPP) ontvangen 67 ziekenhuizen en 137 instellingen voor overige medisch-specialistische zorg een financiële bijdrage, zodat zij in 2020 daadwerkelijk de patiënteninformatie volgens deze standaarden in de patiëntendossiers opslaan en met de patiënt kunnen delen en dat het actuele medicatieoverzicht digitaal aan de patiënt kan worden meegegeven als deze het ziekenhuis verlaat.

Om ervoor te zorgen dat informatie straks sectoroverstijgend volgens deze standaarden wordt aangeleverd, worden er informatie-uitwisselingsprogramma’s in andere sectoren opgestart die zo veel mogelijk gebruik maken van dezelfde zorginformatiebouwstenen als het VIPP-programma voor de ziekenhuizen. Dit betreft twee programma’s voor de ggz (één voor instellingen en één voor vrijgevestigden), een programma voor de geboortezorg (Babyconnect), een programma voor de care (het programma InZicht) en een programma voor huisartsen en de programmatische ketenzorg (OPEN).

Vraag 136

Welke stappen worden er in 2019 gezet om mogelijk te maken dat patiënten binnen enkele jaren zelf hun medische gegevens kunnen inzien en gebruiken?

Antwoord:

In 2019 komen Persoonlijke Gezondheidsomgevingen (PGO’s) beschikbaar die voldoen aan de eisen en standaarden van het Medmij-afsprakenstelsel. Om het gebruik hiervan te stimuleren wordt begin 2019 een subsidieregeling van kracht waarmee gebruikers kosteloos van een PGO gebruik kunnen maken. Tevens wordt in 2019 de beheerorganisatie MedMij ingericht.

Om gegevens vanuit systemen van zorgaanbieders naar gebruikers van een PGO te ontsluiten dienen ook de systemen van zorgaanbieders te voldoen aan het MedMij-afsprakenstelsel. Daartoe worden in het kader van de VIPP-programma’s in ziekenhuizen en GGZ, het Open programma voor de eerstelijnszorg en het programma Inzicht in de langdurige zorg vanaf 2019 aanpassingen verricht. Meetbare resultaten zijn daarbij voorwaarde voor subsidieverlening. Eind 2019 moeten ziekenhuizen en instellingen voor medisch specialistische zorg de resultaatsverplichtingen van de VIPP-subsidie hebben behaald. Dit betreft onder meer dat 200 instellingen de patiënt bepaalde informatie veilig en digitaal ter beschikking moeten kunnen stellen via een beveiligd portaal of een PGO die aan de MedMij-standaarden voldoet. Deze informatie moet in ieder geval bestaan uit de gestandaardiseerde basisgegevensset zorg, laboratoriumuitslagen, ontslagbrieven en het gebruikte implantaat. Daarnaast moeten de instellingen waar klinische zorg geboden wordt de patiënt bij ontslag gestandaardiseerd de medicatieafspraken (het nieuwe actuele medicatieoverzicht) digitaal kunnen meegeven.

Voor een adequate informatie-uitwisseling is tevens van belang dat er eenduidigheid bestaat over de «taal» waarin informatie wordt uitgewisseld. Daartoe is in het Informatieberaad onder voorzitterschap van VWS de Basisgegevensset Zorg (BGz) vastgesteld. De BGZ is en wordt tevens opgenomen in eerder genoemde stimuleringsregelingen. In 2019 zal de uitwisseling van de BGz tussen huisartsen en ziekenhuizen beproefd worden. Conform afspraak zal de BGz als standaard opgenomen worden in het kwaliteitsregister van het Zorginstituut zodat uiteindelijk op het gebruik van de standaard gehandhaafd kan worden.

In het Informatieberaad worden in 2019 onder meer standaarden voor veilige mail, toegankelijkheid van digitale voorzieningen voor mensen met een beperking en voor beelduitwisseling tussen zorgaanbieders vastgesteld.

Vraag 137

Waaruit blijkt dat mensen zelf de regie willen voeren over hun eigen gezondheid in plaats van dit aan een professional over te laten?

Antwoord:

Onder andere uit een onderzoek van de patiëntenfederatie onder bijna 7900 patiënten in 2017, bleek dat 94% van de mensen betrokken wil worden bij beslissingen over behandelopties. Daarbij gaf 14% aan zich onvoldoende betrokken te voelen bij het behandelproces. Bovendien kreeg 48% vaak maar één behandeloptie voorgelegd en vindt 37% het lastig om hun persoonlijke voorkeuren te bespreken met hun zorgverlener. Het is daarom belangrijk dat de zorg ruimte biedt voor zowel de patiënten die zelf willen meebeslissen over de behandeling, als voor mensen die niet zelf regie willen voeren.

Bovendien tonen verschillende wetenschappelijke onderzoeken aan dat regie voeren door samen te beslissen meerdere positieve effecten heeft. Het draagt bij aan:

  • hogere tevredenheid van de patiënt over zijn behandeltraject

  • verhoogde therapietrouw

  • grotere betrokkenheid van de patiënt bij het zorgtraject

  • het gevoel dat patiënten beter geïnformeerd zijn

  • afname van twijfel en spijt bij patiënten na consulten

  • afname van kosten en het aantal operaties

Vraag 138

Waaruit blijkt dat zorg dichtbij kosten bespaart? De ambulante ggz valt toch juist duurder uit dan de klinische ggz?

Antwoord:

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de brief die ik uw Kamer op 17 juli 2018 heb gestuurd over wachttijden in de ggz (Vergaderjaar 2017–2018, TK 25 424, nr. 423).

In die brief staat dat uit Vektisdata 2015 blijkt dat de gemiddelde kosten voor ambulante behandeling lager zijn dan voor een behandeling met klinisch verblijf. Voor bijvoorbeeld schizofrenie en andere psychotische stoornissen kost behandeling zonder verblijf gemiddeld € 5.034 en behandeling met verblijf gemiddeld € 39.255. Er maken echter veel meer mensen gebruik van ambulante zorg dan van klinische zorg waardoor er in totaal dus meer aan ambulante zorg dan aan klinische zorg wordt uitgegeven.

Vraag 139

Kan een overzicht van de kosten c.q. besparingen gegeven worden van alle sectoren waarin ambulantisering heeft plaatsgevonden de afgelopen vijf jaar?

Antwoord:

Deze kosten c.q. besparingen zijn niet los af te bakenen en derhalve niet bekend. Financiële effecten van ambulantisering, concentratie of andere bewegingen in de zorg zijn namelijk niet te isoleren van ontwikkelingen als toegenomen risicodragendheid van verzekeraars en eerdere verhogingen van het eigen risico. Ook is er sprake van een bredere ontwikkeling dan alleen ambulantisering. De zorg wordt namelijk waar mogelijk steeds dichter bij de patiënt georganiseerd, wat meer aspecten kent dan alleen verschuiving van zorg, zoals bijvoorbeeld vroegsignalering van problemen door huisartsen en wijkverpleegkundigen en een veranderend zorgaanbod met behulp van nieuwe, innovatieve toepassingen.

Vraag 140

Hoe wordt op dit moment het aantal medewerkers in de zorg gemonitord en geraamd? Is deze aanpak op dit moment sluitend, of zijn er zorgmedewerkers die niet geraamd worden op dit moment? Wat is daarvan de oorzaak?

Antwoord:

Het aantal medewerkers in de zorg wordt gemonitord en geraamd via het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW). De focus van dit programma ligt op het verpleegkundig, verzorgend en sociaal agogisch personeel tot en met hbo niveau.

Voor gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch specialisten die bekostigd worden vanuit de beschikbaarheidsbijdragen raamt het Capaciteitsorgaan de aantallen.

Vanaf 1 augustus 2018 voert het Centraal Bureau voor de Statistiek de dataverzameling uit voor het onderzoeksprogramma AZW.

Vraag 141

Waarom worden de cijfers rond de uitstroom in de zorg niet meegenomen in het kader van het Actieprogramma Werken in de zorg? Kunt u een overzicht geven van de afgelopen vijftien jaar van het aantal mensen dat de zorg heeft verlaten, met daarbij de bijbehorende reden?

Antwoord:

De cijfers rond de uitstroom uit de zorg worden wel degelijk meegenomen in het actieprogramma Werken in de Zorg. Daarbij verwijs ik naar de tabel op p. 56 van het actieprogramma. De uitstroom is één van de belangrijke indicatoren voor actielijn 3.

Voor de jaren 2015, 2016 en 2017 zijn op dit moment uitstroomcijfers voor handen. In die jaren verlieten respectievelijk circa 94, 83 en 97 duizend personen zorg en welzijn. Deze cijfers zijn afkomstig van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW). Dit betekent dat uitstroom uit zorg en welzijn bij werkgevers die niet aangesloten zijn bij PFZW hierin niet zijn meegenomen. Dit betreft voornamelijk de Universitair Medische Centra. Die zijn aangesloten bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP).

De redenen voor uitstroom zijn divers. We weten dat er afgelopen jaren ongeveer 10 duizend medewerkers per jaar met pensioen zijn gegaan en dat ongeveer 2 duizend medewerkers in arbeidsongeschiktheidsregelingen terechtkwamen. Voor de overige uitstroom hebben we geen precies beeld van de redenen. Het kan bijvoorbeeld gaan om (niet uitputtend) een andere baan buiten de zorg, het starten van een nieuwe opleiding, omstandigheden in de privésituatie of de werkdruk.

Vraag 142

In hoeverre worden gemeenten en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) betrokken bij het werven van «mensen met afstand tot de arbeidsmarkt» in relatie tot de zoektocht naar extra personeel voor de zorg? Kunt u een overzicht geven van de resultaten die hiermee worden bereikt aan nieuwe mensen die aan de slag gaan binnen de zorg?

Antwoord:

Voor de zomer van 2018 hebben de Minister van VWS en de Staatssecretaris van SZW samen met VGN, ActiZ, de Sectorraad Praktijkonderwijs, de PO-raad, Lecso, Divosa, het UWV, Regioplus en CNV Zorg & Welzijn een initatief ondertekend gericht op een betere inzet van de talenten van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. In het najaar gaan twee pilots in de zorg lopen. Het UWV is dus goed betrokken. In de volgende voortgangsrapportage zal ik u rapporteren over de voortgang.

Vraag 143

Werkgevers en opleidingen maken volgens de begroting afspraken om tot meer stageplekken te komen; hoe groot (in aantallen) is op dit moment het tekort aan stageplaatsen?

Antwoord:

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het tekort aan stageplaatsen. Voor het mbo beoordeelt de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) de kans op een stage op basis van 5 categorieën (1 is geringe kans en 5 is goede kansen). Deze laat in zeer beperkte mate regionale verschillen zien. Voor bijna alle mbo opleidingen in zorg en welzijn geldt dat er voldoende tot ruim voldoende kans is op een stage. Uitzonderingen zijn de opleidingen mbo-verpleegkundige en de opleiding tot thuisbegeleider. Hiervoor geldt een matige kans op een stage.

Het aanbieden van voldoende kwalitatief goede stageplaatsen is de primaire verantwoordelijkheid van de zorg- en welzijnsinstellingen en het onderwijsveld. Het matchen van stagiairs en stageplaatsen gebeurt op regionaal niveau. Voor een stijgende instroom in de opleiding zijn meer stageplaatsen nodig. Om dit te kunnen realiseren maken zorginstellingen en onderwijsinstellingen op regionaal niveau aanvullende afspraken in de regionale actieplannen. Dit ondersteunen we met het Actieprogramma Werken in de Zorg.

Vraag 144

In welke regio's is op dit moment een tekort aan stageplaatsen? Zijn er ook regio's waar juist een overschot aan stageplaatsen is? Hoe is dat te verklaren?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 143.

Vraag 145

In de geestelijke gezondheidszorg is het aantal beschikbare opleidingsplekken met circa 40 procent verruimd; hoeveel opleidingsplekken (in aantallen) betreft dat? Is die capaciteit voldoende verruimd om de vraag naar medewerkers in de geestelijke gezondheidszorg op te vangen?

Antwoord:

Zie antwoord op vraag 240.

Vraag 146

In de begrotingstoelichting wordt gesproken over oudere werknemers die bijvoorbeeld studie- en stagebegeleiding voor nieuwe medewerkers op zich kunnen nemen; hoeveel oudere medewerkers stromen op dit moment vroegtijdig uit de zorg? Hoe bent u voornemens dit voorstel uit te werken? Bij wie ligt de verantwoordelijkheid om dit plan op te zetten? Uit welke financiële middelen wordt dit plan betaald?

Antwoord:

De gemiddelde pensioenleeftijd in zorg en welzijn is 64 jaar. Hoeveel oudere medewerkers vroegtijdig uitstromen is niet bekend. In 2015 deed 18,6% van de medewerkers ouder dan 60 jaar een beroep op arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen. Lichtere werkzaamheden, in combinatie met bijvoorbeeld studie- en stagebegeleiding kunnen eraan bijdragen dat medewerkers langer en gezonder kunnen doorwerken. Hierover moet het goede gesprek plaatsvinden binnen organisaties. Daarnaast kunnen sociale partners hierover afspraken maken in cao’s. VWS biedt ondersteuning met het Stagefonds met middelen voor stagebegeleiding en met SectorplanPlus, waarmee oudere medewerkers bijvoorbeeld kunnen worden opgeleid tot praktijkbegeleider.

Vraag 147

Wat is het aantal zij-instromers dat geworven is?

Antwoord:

In onderstaande tabel is het aantal zij-instromers in 2015, 2016 en 2017 weergegeven.

 

2015

2016

2017

Aantal zij-instromers

32.950

36.418

43.850

Bron: PFZW

Deze cijfers zijn afkomstig van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW). Dit betekent dat zij-instromers die aangenomen zijn bij werkgevers die niet aangesloten zijn bij PFZW hierin niet zijn meegenomen. Dit betreft voornamelijk de Universitair Medische Centra. Die zijn aangesloten bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP).

Vraag 148

Wat is het aantal herintreders dat geworven is?

Antwoord:

In onderstaande tabel is het aantal herintreders in 2015, 2016 en 2017 weergegeven.

 

2015

2016

2017

Aantal herintreders

30.775

37.215

42.424

Bron: PFZW

Deze cijfers zijn afkomstig van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW). Dit betekent dat herintreders die aangenomen zijn bij werkgevers die niet aangesloten zijn bij PFZW hierin niet zijn meegenomen. Dit betreft voornamelijk de Universitair Medische Centra. Die zijn aangesloten bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP).

Vraag 149

Is het ziekteverzuim reeds teruggedrongen? Zo ja, hoeveel?

Antwoord:

De ontwikkeling van het ziekteverzuim in de zorg is als volgt:

Jaar

2013

2014

2015

2016

2017

Percentage

4,8

4,8

5,0

5,1

5,3

De ziekteverzuimcijfers over 2018 komen medio 2019 beschikbaar.

De ziekteverzuimcijfers over het eerste kwartaal, traditioneel het kwartaal met de hoogste verzuimcijfers, laten nog geen daling zien. Mede veroorzaakt door een griepgolf, lag dit percentage in het eerste kwartaal van 2018 op 6,5%. In 2017 was dit percentage 5,7%.

Vraag 150

Hoeveel contracten zijn er dit jaar uitgebreid? Hoe is dit gemeten?

Antwoord:

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal uitgebreide contracten.

Vraag 151

Hoeveel banen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt zijn er reeds gecreëerd door herschikking van taken? Hoeveel mensen met afstand tot de arbeidsmarkt zijn er extra in de zorg aan het werk gekomen door herschikking van taken?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal banen dat is gecreëerd met taakherschikking, en hoeveel mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt daarmee extra aan het werk zijn gekomen. We weten wel hoeveel mensen een baan hebben gekregen in de zorg, maar niet of ze een afstand hadden tot de arbeidsmarkt.

Vraag 152

Hoeveel banen voor ouderen zijn er reeds gecreëerd door herschikking van taken? Hoeveel ouderen zijn er extra in de zorg aan het werk gekomen door herschikking van taken?

Antwoord:

Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal banen in de zorg dat is gecreëerd voor ouderen of het aantal ouderen dat aan het werk is gekomen door herschikking van taken.

Vraag 153

Hoe heeft de onbedoelde schade en potentieel vermijdbare sterfte zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld? Is er een stijging of daling van vermijdbare schade of sterfte te constateren gedurende Avond- Nacht- en Weekend-(ANW-) diensten?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers bekend over vermijdbare schade en sterfte in Avond-, Nacht en Weekenduren en eventuele trends daarin.

Het NIVEL heeft over de periode van 2004 tot 2015/2016 vier keer dossieronderzoek uitgevoerd om de omvang van zorggerelateerde en vermijdbare schade en sterfte in Nederlandse ziekenhuizen vast te stellen. De onderzoeken laten zien dat er met name tussen 2008 (het tweede dossieronderzoek) en de 2011–2012 (het derde dossieronderzoek) een grote daling van ongeveer 50% van vermijdbare zorggerelateerde schade en sterfte is opgetreden. Dit hangt waarschijnlijk samen met de uitvoering van het VMS Veiligheidsprogramma in diezelfde periode.

In 2017 is het vierde onderzoek gepubliceerd, dat is uitgevoerd over de periode 2015–2016. Uit deze vierde meting bleek dat de vermijdbare zorggerelateerde schade en sterfte niet verder zijn gedaald ten opzichte van de derde meting. Later dit jaar zullen de brancheorganisaties van ziekenhuizen, medisch specialisten en verpleegkundigen een gezamenlijk plan van aanpak om zorggerelateerde schade en sterfte verder terug te dringen publiceren.

Vraag 154

Hoe vaak hebben ambulances in 2018 uit moeten wijken naar een ander ziekenhuis omdat een ziekenhuis geen capaciteit had om mensen op te vangen? Kunt u hiervan een overzicht geven?

Antwoord:

Er is geen landelijke registratie van ambulances die moeten uitwijken naar een ander ziekenhuis wegens een zogenaamde «stop» op de SEH. In de marktscan acute zorg van september 2017 (TK 2016–2017, 29 247, nr. 236) heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wel een relevante analyse gegeven van het totaal aantal spoedeisende inzetten dat in 2016 in de regio Amsterdam vanwege een stop in het dichtstbijzijnde ziekenhuis in een ander ziekenhuis eindigde dan in de twee meest nabijgelegen ziekenhuizen (zie TK 34 775 XVI, nr. 14, antwoord op vraag 460). Eind dit jaar komt de NZa met een nieuwe monitor acute zorg.

Overigens betekent een «stop» niet dat de betreffende afdeling in absolute zin is gesloten voor nieuwe patiënten. Zo’n stop is een signaal aan de ambulancedienst dat het – vaak tijdelijk – erg druk is op de betreffende afdeling en dat het beter is om naar een ander ziekenhuis te rijden dat een paar minuten verder weg ligt, als de zorg daar sneller kan worden verleend (TK 2015–2016, 29 247, nr. 224). In alle regio’s is afgesproken dat patiënten in levensbedreigende situaties in een geval van een stop op de SEH toch altijd terecht kunnen (TK 2017–2018, 29 247, nr. 249).

Vraag 155

Hoe vaak is passend (ambulance)vervoer ingezet voor mensen met verward gedrag of acute ggz-problematiek? Hoe vaak was dat in 2010 tot en met 2018?

Antwoord:

Cijfers over het aantal keren waarop passend vervoer is ingezet voor mensen met verward gedrag zijn op dit moment niet beschikbaar.

Momenteel vindt monitoring plaats van pilots met passend vervoer van personen met verward gedrag. De monitoring betreft ook het aantal inzetten. Begin 2019 verwacht ik de resultaten daarvan te ontvangen.

Vraag 156

Hoe groot is het personeelstekort in de ambulancezorg?

Antwoord:

Er zijn geen recente gegevens over het personeelstekort in de ambulancezorg. Medio november 2018 publiceert het Capaciteitsorgaan een raming over het aantal benodigde opleidingsplekken voor ambulanceverpleegkundigen.

De meest recente arbeidsmarktanalyse voor de ambulancesector betreft het rapport van Kiwa Carity (https://www.ambulancezorg.nl/themas/arbeidsmarkt-en-werkgeverschap/arbeidsmarktbeleid). In opdracht van Ambulancezorg Nederland (AZN) is eind 2016 een raming gemaakt van de ontwikkeling van vraag en aanbod naar ambulanceverpleegkundigen en verpleegkundig centralisten meldkamer ambulancezorg in de komende 5 tot 10 jaar. Er zijn verschillende scenario’s doorgerekend, waarin onder andere rekening is gehouden met het stijgende aantal ritten en de verwachte uitstroom. Wanneer de vraag naar ambulancezorg zou blijven stijgen volgens de trend tussen 2010 en 2015 (gemiddeld 3,6%), dan was op een termijn van vijf jaar jaarlijks behoefte aan een instroom van 271 ambulanceverpleegkundigen en 39 verpleegkundig centralisten meldkamer ambulancezorg. Op een termijn van tien jaar was dit aantal jaarlijks respectievelijk 234 en 39. Dit betreft een sectorale arbeidsmarktanalyse. Per regio verschilt de situatie. In 2017 zijn er in de opleiding tot ambulanceverpleegkundige 179 en tot verpleegkundig centralist meldkamer ambulancezorg 56 mensen ingestroomd. Tevens zijn er 18 BMH’ers ingestroomd in het traineeprogramma ambulancezorg.

Vraag 157

Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat er meer aanbod van groente en fruit is op scholen en op het werk?

Antwoord:

Eerder dit jaar [TK 31 532, nr. 193] bent u geïnformeerd over het voedingsbeleid. In algemene zin verstrekt het Voedingscentrum informatie aan consumenten over gezonde voeding en de Schijf van Vijf. Onderdeel hiervan is het stimuleren van de consumptie van groenten en fruit, dit gebeurt onder andere ook door het Nationaal Actieplan Groenten en Fruit (NAGF). Voor scholen wordt het programma Gezonde School aangeboden waarbij scholen ondersteund kunnen worden om structureel in te zetten op thema’s als gezonde voeding. Voor dit thema kunnen scholen gebruik maken van bijvoorbeeld EU-schoolfruit (waarbij scholen voor 20 weken gratis groenten en fruit ontvangen voor de leerlingen) of kan men de kantine gezond(er) maken via het programma De Gezonde Schoolkantine van het Voedingscentrum. Met de Richtlijnen Gezondere Kantines kunnen ook bedrijfsrestaurants aan de slag.

Vraag 158

Hoeveel mensen hebben de afgelopen jaren gebruik gemaakt van het Programma Stoppen met roken? Hoeveel mensen zijn er daadwerkelijk gestopt en hoeveel maken er opnieuw gebruik van dit programma; hoeveel draaideur patiënten zijn er?

Antwoord:

Jaarlijks doen ongeveer 1 miljoen rokers een serieuze stoppoging, maar lukt het ongeveer 50.000 mensen om blijvend te stoppen. Slechts in 8% van de stoppogingen wordt gebruik gemaakt van effectieve methoden om te stoppen (gedragsmatige begeleiding, als dan niet in combinatie met farmacotherapie), terwijl door het gebruik van effectieve methoden de kans om blijvend te stoppen met factor 4 toeneemt. Uit het VECTIS-systeem (declaraties op Stoppen met Roken bij zorgverzekeraars) blijkt dat in 2017 ongeveer 16.000 mensen gebruik hebben gemaakt van een programma via de huisarts of de praktijkondersteuner. Het Zorginstituut Nederland geeft aan dat daarnaast naar schatting 35.000 rokers gebruik maken van begeleiding door bijvoorbeeld een stoppen met een roken coach. Sinds 2014 is het aantal volwassen rokers gedaald van 25,7% naar 23,1%.

Vraag 159

Hoe scoort Nederland in vergelijking met andere landen als het gaat om roken, alcohol en overgewicht? Wat is de (internationale) trend van de afgelopen vijf jaar? En wat zijn de cijfers voor jeugdigen tot 18 jaar?

Antwoord:

Een (voorzichtige) internationale vergelijking is mogelijk op basis van de data uit de Eurobarometer en uit Espad. Als het gaat om roken onder volwassen Nederlanders, scoort Nederland met 19% rokers lager dan het Europese gemiddelde van 26% (Eurostat 2017), het laagst scoren het Verenigd Koninkrijk (17%) en Zweden (7%), maar in Zweden wordt nog relatief veel (23%) snus (rookloze tabak) gebruikt. Het roken (in de afgelopen maand) onder jongeren van 15 en 16 jaar ligt iets lager 20,5% dan het Europese gemiddelde van 21,4% (Espad 2015). Met het alcoholgebruik (in de afgelopen maand) onder jongeren (15–16 jaar), scoort Nederland met 49,3% iets hoger dan het Europese gemiddelde van 47,5 (Espad 2015). Overgewicht onder volwassenen komt in Nederland (34,8%) net zo vaak voor als in andere Europese landen gemiddeld. Ernstig overgewicht komt in Nederland iets minder vaak voor (12,9%) dan gemiddeld in Europa (15,4%) (Eurostat 2014).

De data uit de Eurobarometer wijken nog wel eens af van de prevalentie zoals die via de Leefstijlmonitor wordt verkregen, dit heeft te maken met het kleine aantal respondenten van de Eurobarometer (1000 per land) en een verschillende vraagstelling, dit maakt een heel betrouwbare onderlinge vergelijking niet mogelijk. Dit geldt overigens niet voor de data die voor Espad worden verzameld. Zie ook https://www.staatvenz.nl en https://www.rokeninfo.nl/professionals/cijfers-gebruik-en-gevolgen/cijfers-gebruik/internationale-vergelijking1.

Vraag 160

Welke nieuwe aandoeningen zullen worden onderzocht in het kader van het uitbreiden van de hielprik?

Antwoord:

Op 21 december 2017 heeft de Staatssecretaris van VWS uw Kamer geïnformeerd (TK 29 323, nr. 120) over zijn besluit om, conform de uitvoeringstoets van het RIVM, de hielprikscreening uit te breiden met 12 aandoeningen. In de uitvoeringstoets heeft het RIVM geadviseerd deze aandoeningen in tranches gefaseerd in te voeren en is een voorlopige planning opgenomen voor de go/no go-besluiten over de implementatie van de verschillende tranches. Op basis van deze planning wordt het eerste go/no go-besluit begin 2019 voorzien. Daarbij wordt dan gekeken of er nog belemmeringen zijn om de aandoening toe te voegen. Zo ja, dan kan de invoering bijvoorbeeld worden uitgesteld totdat de belemmering is opgeheven.

Aangezien deze uitbreiding loopt tot 2022 is het goed denkbaar dat in de tussentijd signalen komen dat andere aandoeningen eveneens in aanmerking komen voor opname in de hielprik. In dit geval zal onder andere moeten worden bezien hoe het toevoegen van additionele aandoeningen ingrijpt op de (planning van de) lopende uitbreiding. In de brief over de uitbreiding van de hielprik heeft de Staatssecretaris aangegeven uw Kamer op de hoogte te houden van de voortgang.

Vraag 161

Kan een overzicht worden gegeven van de dalende vaccinatiegraad sinds 2015, waar mogelijk uitgesplitst naar vaccin?

Antwoord:

Het rapport Vaccinatiegraad en Jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2017 bevat informatie over de ontwikkeling van de vaccinatiegraad vanaf verslagjaar 2016 (met daarin de vaccinatiegraadinformatie over 2015). Bijlage 3 van het rapport expliciteert de ontwikkeling per vaccin.

Vraag 162

Kan per regio in Nederland inzichtelijk worden gemaakt wat de gemiddelde vaccinatiegraad is?

Antwoord:

Het rapport «Vaccinatiegraad en Jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2017» bevat informatie over de vaccinatiegraad per GGD-regio (zie bijlage 4 van het rapport). Daarnaast is informatie te vinden op de website van volksgezondheidenzorg.info over de vaccinatiegraad van de afgelopen jaren per gemeente.

Vraag 163

Hoe wilt u concreet inzetten op het voorkomen van en ondersteunen bij onbedoelde (tiener)zwangerschappen? Heeft dit gevolgen voor het basispakket in Caribisch Nederland?

Antwoord:

De plannen moeten voor Caribisch Nederland nog worden uitgewerkt. We doen dit samen met de organisaties op de eilanden. We bekijken of de diverse initiatieven in Nederland op dit onderwerp ook op de eilanden wenselijk en bruikbaar zijn. De extra inzet op onbedoelde zwangerschappen nemen we mee in het nog te sluiten Caribisch sport- en preventieakkoord, begin 2019. Daar waar de noodzakelijke extra ondersteuning bij onbedoelde (tiener)zwangerschappen geboden kan worden door zorgaanbieders op basis van de Regeling aanspraken zorgverzekering BES («het basispakket» in Caribisch Nederland) zullen we dit doen.

Vraag 164

Welke middelen heeft de regering beschikbaar om de ambities rondom het tegengaan van de dalende vaccinatiegraad te vervolmaken?

Antwoord:

In mijn brief van 25 juni jl. (TK 32 793, nr. 315) heb ik toegezegd uw Kamer in het najaar te informeren over de maatregelen die ik zal nemen om de vaccinatiegraad te verbeteren.

Vraag 165

Welke maatregelen worden bedoeld met het eerder ingrijpen bij gezinnen waar een onveilige situatie niet snel genoeg verbetert?

Antwoord:

Met het Actieprogramma «Geweld hoort nergens thuis» dat de Kamer in april 2018 heeft ontvangen willen we bereiken dat geweld in gezinnen zo snel mogelijk wordt gestopt. Door het geweld eerder en beter in beeld te brengen kan de duur van het geweld worden verkort en kan erger worden voorkomen. De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling krijgt vorm in de samenwerking tussen professionals en de betrokken organisaties in de regio. Zorgen dat professionals daadwerkelijk werken met de Meldcode huiselijk geweld en het versterken van Veilig Thuis zijn belangrijke maatregelen in de aanpak. Aangeboden hulp is gericht op het hele gezinsysteem: alle gezinsleden en hun sociale netwerk zijn betrokken bij het stoppen en duurzaam oplossen van het geweld.

Vraag 166

Welke Europese landen hebben een (vorm van) suikertaks ingevoerd en wat zijn daarvan de (grensoverschrijdende) effecten?

Antwoord:

In Estland, Finland, Frankrijk, Ierland, Portugal, Verenigd Koninkrijk en Catalonië is een vorm van belasting op suikerhoudende dranken ingevoerd. Dit is ook het geval in Hongarije, maar daar worden ook andere producten zoals snacks belast (niet alleen op basis van suikergehalte). Uit onderzoek in Hongarije bleek dat ongeveer 30% van de bevolking aangaf minder suikerhoudende dranken te drinken ten gevolge van de taks. Van de Catalaanse belastinginvoering is op basis van omzetgegevens van een grote supermarkt bekend dat de verkoop van suikerhoudende dranken met 22% daalde. Uit Groot-Brittannië is bekend dat 50% van de producenten de suikergehaltes van hun dranken heeft verlaagd sinds de aankondiging in maart 2016.

In de meeste gevallen is de belastingmaatregel onderdeel van een breder pakket aan volksgezondheidsmaatregelen. Dit maakt onderzoek naar het specifieke effect van de belastingmaatregel lastig.

Over grensoverschrijdende effecten is weinig bekend. In de meeste gevallen is de absolute prijsverhoging relatief klein, waardoor reiskosten vaak groter zijn dan de eventuele besparing op de producten zelf.

Vraag 167

In welke Europese landen is een (soort) convenant afgesloten tussen de overheid en de voedselindustrie, waarin het reduceren van suiker in voedsel en/of (fris)dranken een doelstelling is, en wat zijn daarvan de effecten?

Antwoord:

In ieder geval in België, Polen, Slowakije, Slovenië, Spanje, Noorwegen en Zwitserland. In diverse landen zijn, mede naar aanleiding van de agendering van productverbetering tijdens het Nederlands EU voorzitterschap, afspraken gemaakt met verschillende sectoren. Vaak in de vorm van reductiepercentages of maximum niveaus. In de meeste gevallen lopen de periodes waarin de afspraken behaald moeten worden nog. Een overzicht van effecten is op het moment niet voorhanden.

Vraag 168

Op welke wijze wordt de Europese aanpak van vet, suiker en zout geïmplementeerd in de Europese lidstaten? Wat zijn hiervan de eerste effecten?

Antwoord:

Na de agendering van de urgentie van een Europese aanpak tijdens het Nederlands EU voorzitterschap in 2016, hebben steeds meer lidstaten beleid over productverbetering rond zout, vet en suikers ingevoerd. Alle lidstaten hebben of werken aan zo’n aanpak. In de meeste landen betreft dit een combinatie van criteria voor producten en of (school)maaltijden, informatie voor consumenten (bijvoorbeeld via de verpakking) en of belastingmaatregelen.

Vraag 169

Welk effect heeft de invoering van belasting op suikerhoudende frisdranken in het Verenigd Koninkrijk gehad op de groep «consumenten met de hoogste suiker inname»?

Antwoord:

Dit is (nog) niet onderzocht. Wel is in het algemeen bekend dat mensen met een lager inkomen vaker overgewicht hebben en dat zij prijsgevoeliger zijn.

Vraag 170

Welke effecten heeft het instellen van een vettaks in Denemarken gehad en welke grensoverschrijdende gevolgen had deze maatregel?

Antwoord:

De vettaks in Denemarken is ruim een jaar van kracht geweest. Een vrij korte periode om structureel effect van de invoering te onderzoeken. Een studie (Bødker et al. 2015) concludeert op basis van verkoopgegevens dat de totale verkoop van belaste producten zo’n 0,9% was gedaald. In een andere studie op basis van een consumentenpanel waar mensen zelf hun inkopen bijhouden, is kort na introductie van de taks een consumptieafname van 10–15% gevonden (https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0306919213000705). Deze studie concludeert tevens dat er weinig bekend is over grenseffecten.

Vraag 171

In welke andere landen is nu sprake van een suikertaks en/of vettaks?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 166 met betrekking tot suikertaksen in de EU. Buiten de EU zijn bijvoorbeeld belastingmaatregelen ingevoerd in Barbados, Brunei, Chili, Filipijnen, Mexico, Saudie Arabië, Sri Lanka, Thailand, Verenigde Arabische Emiraten, Verenigde Staten (diverse steden waaronder San Francisco, Seattle, Philadelphia, Berkeley) en Zuid-Afrika. In de meeste gevallen wordt belasting geheven op een bepaalde productgroep, te weten suikerhoudende drank. In Mexico en Hongarije wordt ook op andere producten die veel suiker, vet en of zout bevatten belasting geheven. Belastingmaatregelen op een voedingsstof of ingrediënt, zoals voorheen in Denemarken voor vet het geval was, zijn verder niet bekend.

Vraag 172

Welke categorie alcoholische dranken wordt het meest geconsumeerd door probleemdrinkers in Nederland?

Antwoord:

Systematisch inzicht hierin ontbreekt. Contact met de Verslavingskunde Nederland leert dat de beelden wisselend zijn en verschillende soorten dranken door cliënten worden geconsumeerd.

Vraag 173

Wat zijn de netto fiscale kosten van drinken, roken en overgewicht voor de Nederlandse Staat?

Antwoord:

Ik heb «netto fiscale kosten voor de Nederlandse Staat» geïnterpreteerd als de maatschappelijke kosten en baten. Maatschappelijke kosten- en batenanalyses (MKBA’s) becijferen alle kosten en baten van interventies op een bepaald vlak, en zijn recent uitgevoerd voor roken in de Nederlandse context. Deze MKBA’s komen tot de conclusie dat roken de Nederlandse samenleving netto € 33 miljard per jaar kost, indien rekening wordt gehouden met de geldelijke waardering van immateriële zaken als meer gezonde levensjaren en genot. De maatschappelijke kosten en baten ontlopen elkaar niet veel wanneer enkel naar materiële zaken wordt gekeken.

Het RIVM heeft mij laten weten dat zij momenteel werken aan update van hun laatste MKBA alcohol uit 2016, zij verwachten deze update eind oktober uit te brengen.

Een MKBA is niet gedaan voor overgewicht in de Nederlandse context. Een Duitse studie heeft wel de directe en indirecte kosten van obesitas ingeschat, en komt op zo’n 1% uit van het bruto binnenlands product.

Vraag 174

Wat is de prijselasticiteit van tabaksproducten, alcoholhoudende dranken en suikerhoudende frisdranken?

Antwoord:

Volgens het Trimbos instituut ligt de prijselasticiteit van sigaretten rond de –0,4 bij volwassen in landen met een hoog welvaartsniveau. Dat wil zeggen dat voor elke procent dat een sigaret duurder wordt, de vraag afneemt met 0,4%. Jongeren en jongvolwassenen zijn over het algemeen prijsgevoeliger doordat hun besteedbaar inkomen lager is. Studies naar prijselasticiteit bij hen komen dan ook uit op een prijselasticiteit rond de –0,7.

Volgens het RIVM ligt de prijselasticiteit voor alcoholhoudende drank in het algemeen rond de –0,5. De prijselasticiteit van bier, wijn en sterke drank ligt respectievelijk rond de –0,3; –0,45 en –0,55.

Volgens de WHO ligt de prijselasticiteit van suikerhoudende dranken tussen de –0,9 en –1,3. Daarbij geldt dat mensen met een lager inkomen en mensen die veel suikerhoudende dranken drinken prijsgevoeliger zijn.

Vraag 175

Zijn er de afgelopen jaren maatregelen genomen op het gebied van tabak, alcohol en/of ongezond voedsel die achteraf niet effectief bleken? Zo ja, welke zijn dit?

Antwoord:

Het beleid op tabak, alcohol en gezonde voeding is gericht op het inzetten van zo effectief mogelijke maatregelen. In het interdepartementaal beleidsonderzoek gezonde leefstijl (TK 32 793, nr. 240) uit 2016 wordt nader ingegaan op de verschillende categorieën van effectiviteit. Bij een klein aantal maatregelen is wetenschappelijk effectiviteit aangetoond. Een groter aantal maatregelen kan aangeduid worden als potentieel effectief of plausibel effectief. Ingezette beleidsmaatregelen worden regelmatig geëvalueerd om het beleid aan te scherpen en uiteindelijk effectiever te maken. Dit heeft tot gevolg dat na verloop van tijd kan blijken dat ingezette maatregelen op onderdelen niet effectief kunnen zijn.

Op 18 augustus 2015 bent u in beantwoording op de vragen van lid Bergkamp geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek naar de effectiviteit van het lesprogramma De Gezonde School en Genotmiddelen. De onderzoeken lieten geen effecten zien van voorlichting binnen het basisonderwijs. Dit heeft er toe geleid dat het Trimbos-instituut is gestopt met de voorlichting over alcohol en roken in het basisonderwijs, en op basis van de aangetoonde effectiviteit in het voortgezet onderwijs het programma heeft doorontwikkeld.

Ook op het gebied van voeding bleek uiteindelijk het voedselkeuzelogo «Vinkje» niet over voldoende draagvlak te beschikken om als effectief aangemerkt te kunnen worden. Dit heeft er aan bijgedragen dat het Vinkje inmiddels bijna is uitgefaseerd. Dit neemt niet weg dat een voedselkeuzelogo wel invulling kan geven aan het doel van het voedingsbeleid consumenten te informeren over gezonde voeding, mits deze aan een aantal voorwaarden voldoet, zoals een breed draagvlak onder betrokken partijen en dat logo goed wordt begrepen door de consument.

Vraag 176

Welke maatregelen op het gebied van tabak, alcohol en/of ongezond voedsel hebben andere Europese lidstaten de afgelopen jaren genomen waarvan achteraf is gebleken dat deze niet of nauwelijks effectief zijn?

Antwoord:

Helaas beschik ik niet over een dergelijk overzicht van andere landen.

Vraag 177

Wat is de voortgang rond het Pact voor de Ouderenzorg, welke middelen zijn hier in de meerjarenraming tot en met 2023 mee gemoeid en waaraan worden deze besteed?

Antwoord:

Het Pact voor de Ouderenzorg is op 8 maart 2018 gesloten. De acties uit het Pact zijn nader uitgewerkt in de drie programma’s die ik in maart, april en juni 2018 heb gepresenteerd: Eén tegen Eenzaamheid, Thuis in het Verpleeghuis, Langer Thuis. Inmiddels doen ruim 170 partijen mee aan het Pact. Deze partijen maken zich in hun praktijk hard voor betere zorg en ondersteuning aan ouderen. Op 11 oktober 2018 komen we samen op de Parade Pact voor de Ouderenzorg, om van elkaar te horen wat bevindingen zijn en waar krachten kunnen worden gebundeld. Kansrijke allianties van partijen die ontstaan, kunnen gebruik maken van ondersteuning. Daarnaast worden ouderen zelf betrokken bij de uitvoering van het Pact en de drie progamma’s. Dit gebeurt via de Raad van Ouderen die door het reeds bestaande initiatief van BeterOud wordt opgezet, voortkomend uit het Nationaal Programma Ouderen (NPO). Samen met ouderen wordt in 2019 onder andere invulling gegeven aan een campagne die gaat over de herwaardering van ouderen en beeldvorming. Voor de hierboven beschreven activiteiten van het Pact worden de € 2 miljoen aangewend die vanuit het Regeerakkoord per jaar beschikbaar zijn, tot 2021, voor de campagne herwaardering ouderen. De overige middelen uit het Regeerakkoord voor waardig ouder worden, krijgen hun beslag in de genoemde programma’s en andere initiatieven. De Tweede Kamer wordt binnenkort over de voortgang van het Pact voor de Ouderenzorg geïnformeerd.

Vraag 178

Wat gebeurt er om, met het oog op de beeldvorming, meer prioriteit te geven aan positieve aspecten van ouder worden (zoals ouderen die mantelzorg verlenen of op andere wijze actief zijn)?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 177.

Vraag 179

Welke middelen zijn in de meerjarenraming tot en met 2023 met het Pact voor de Ouderenzorg gemoeid en waaraan worden deze middelen besteed?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 177.

Vraag 180

Kunt u een uitsplitsing maken van zowel de herkomst (zowel privaat als publiek) als de bestemming van de middelen die beschikbaar zijn voor het Programma Kansrijke Start (in totaal € 41 miljoen voor de jaren 2018–2021)?

Antwoord:

Voor het actieprogramma Kansrijke Start is € 41 miljoen beschikbaar voor de uitvoering t/m 2021. De middelen worden globaal als volgt verdeeld over de diverse maatregelen en projecten:

  • Impuls t.b.v. lokale coalities: € 9 miljoen

  • Nu Niet Zwanger: € 7,9 miljoen

  • ZonMw programma’s: € 7,5 miljoen

  • maatregelen tbv van de 3 actielijnen: € 13,1 miljoen

  • Wetswijziging Wet publieke gezondheid t.b.v. inzet prenataal huisbezoek € 3,5 miljoen (v.a. 2022: € 3,5 miljoen per jaar structureel)

Een deel van de middelen (€ 17 miljoen.) komt uit de enveloppe in het regeerakkoord ten behoeve van» Onbedoelde Zwangerschappen». De impuls voor lokale coalities (€ 9 miljoen) wordt via een decentralisatie-uitkering beschikbaar gesteld aan GIDS-gemeenten die een lokale coalitie rondom de eerste 1.000 dagen of Kansrijke Start willen vormen. Daarnaast zijn enkele private fondsen, waaronder de Bernard van Leer Foundation, bereid om te investeren (ca. € 1,5 miljoen.) in de uitvoering waar het actieprogramma aansluit bij hun strategie. Wat betreft de wetswijziging geldt dat dit een eerste inschatting en reservering is. Dit traject behoeft nog een verdere uitwerking.

De Kamer wordt twee keer per jaar geïnformeerd over de voortgang van Kansrijke start. Voor de zomer en voor het einde van het jaar.

Vraag 181

Wat betekent de circa € 60 miljoen voor e-health voor de (oudere) patiënt en hoe worden diens digivaardigheden versterkt?

Antwoord:

De circa € 60 miljoen is beschikbaar voor de Stimuleringsregeling E-health Thuis (SET) en voor InZicht. SET draagt eraan bij dat thuiszorgtechnologie cliënten, mantelzorgers en professionals nog meer kan ondersteunen. Thuiszorgtechnologie is voor ouderen van betekenis omdat de eigen regie versterkt wordt, mantelzorgers ontlast worden en professionals ondersteuning en zorg meer integraal kunnen verlenen. InZicht beoogt om de gegevensuitwisseling binnen de langdurige zorg (inclusief de wijkverpleging) te verbeteren en draagt er daarmee aan bij dat gegevens op het juiste moment beschikbaar zijn voor zowel cliënten als professionals. Voor de cliënt draagt dit bij aan meer regie en goed op elkaar aangesloten ondersteuning en zorg. Bij de uitwerking van SET betrek ik de digivaardigheden van cliënten. Bij InZicht wordt het cliëntperspectief betrokken bij de manier waarop de gegevensontsluiting wordt vormgegeven.

Vraag 182

Hoeveel extra vernieuwende geclusterde woonzorgvormen kunnen met € 30 miljoen gerealiseerd worden? Wat is het gewenst aantal woningen dat voor dit bedrag gerealiseerd zou moeten worden?

Antwoord:

Op dit moment wordt de regeling nog uitgewerkt. Het zal gaan om een regeling waarmee de realisatie van vernieuwende geclusterde woonvormen wordt gestimuleerd. Het gaat daarbij om een bijdrage in de opstart kosten. Zo kunnen veel initiatieven worden ondersteund. Het gewenste aantal woningen is daarom vooraf lastig te bepalen. Daar kom ik op terug wanneer ik u de regeling aanbied.

Vraag 183

Hoe staat het met de eerder (in Kamerstuk 29 538, nr. 261) aangekondigde verkenning van meer ingrijpende alternatieven voor de langere termijn ten behoeve van het oplossen van de zorgval?

Antwoord:

Meer ingrijpende oplossingen worden nog nader verkend. De resultaten hiervan worden betrokken bij de uitwerking van de motie Bergkamp c.s. Deze motie verzoekt de regering een domeinoverstijgende verkenning uit te voeren over de wijze waarop de kwaliteit van zorg thuis geborgd kan blijven. Hiervoor stelt het kabinet een commissie in die advies uitbrengt over wat er nodig is om de zorg voor thuiswonende ouderen ook in de toekomst op peil te houden, rekening houdend met de demografische, maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Eind oktober informeer ik uw Kamer over de samenstelling en de start van deze commissie.

Vraag 184

Hoeveel mantelzorgers zijn er in Nederland, wat zijn de meest recente cijfers?

Antwoord:

1 op de 3 Nederlanders (16+) gaven in 2016 mantelzorg (circa 4,4 miljoen mantelzorgers). De laatste cijfers dateren uit 2016 (Voor Elkaar, SCP 2017).

Vraag 185

Wordt verwacht dat het aantal mantelzorgers en vrijwilligers toeneemt? Zo ja, wat is de reden daarvan?

Antwoord:

In de afgelopen jaren bleef het aantal mantelzorgers en vrijwilligers redelijk stabiel. Het PBL en SCP hebben voorspeld dat in 2040 het aantal mantelzorgers in krimpgebieden onder druk komt te staan. Als gevolg van demografische ontwikkelingen.

Vraag 186

Hoeveel overbelaste mantelzorgers zijn er in Nederland, wat zijn de meest recente cijfers?

Antwoord:

8,6% van de mantelzorgers voelt zich zwaar belast (380.000 mantelzorgers, Voor Elkaar, SCP 2017)

Vraag 187

Wat zijn de laatste recente cijfers van mantelzorg?

Antwoord:

1 op de 3 Nederlanders (16+) gaven in 2016 mantelzorg (circa 4,4 miljoen mantelzorgers). De laatste cijfers dateren uit 2016 (Voor Elkaar, SCP 2017).

Vraag 188

Hoeveel vrijwilligers zijn er in Nederland, wat zijn de meest recente cijfers?

Antwoord:

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft in juli van dit jaar cijfers over 2017 bekend gemaakt. Uit deze cijfers blijkt onder andere dat 48,5% van de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder minimaal één keer als vrijwilliger actief is geweest.

Vraag 189

Hoeveel vrijwillige mantelzorgers zijn er in Nederland, wat zijn de meest recente cijfers?

Antwoord:

Mantelzorg is nooit verplicht en dus altijd vrijwillig. 1 op de 3 Nederlanders (16+) gaven in 2016 mantelzorg (circa 4,4 miljoen mantelzorgers). De laatste cijfers dateren uit 2016 (Voor Elkaar, SCP 2017).

Vraag 190

Hoeveel respijtvoorzieningen en logeeropvanghuizen zijn er in Nederland?

Antwoord:

Respijtvoorzieningen zijn er in veel verschillende vormen (vanuit de WLZ, WMO, ZvW, langdurig, kortstondig). Het is aan gemeenten om in gesprek met mantelzorgers te bepalen wat de juiste vorm van respijtzorg op dat moment moet zijn.

Er is geen landelijke registratie van het aantal respijtvoorzieningen en het gebruik ervan.

Vraag 191

Zijn het aantal respijtvoorzieningen in 2018 gestegen, gelijk gebleven of gedaald en wat is uw duiding hierop?

Antwoord:

Zie antwoord vraag 190.

Vraag 192

Hoe vaak worden mantelzorgers ingezet als vervanging van professionele zorg?

Antwoord:

Er zijn 4,4 miljoen mantelzorgers in Nederland. Zij vervangen geen professionele zorg, maar zijn een vrijwillige aanvulling op de zorg die nodig is voor de cliënt.

Vraag 193

Wat kosten de persoonsgebonden budgetten jaarlijks?

Antwoord:

Wlz

In 2015 bedroegen de pgb-uitgaven € 1.285 miljoen. In 2016 bedroegen de pgb-uitgaven 1.463 en in 2017 bedroegen de pgb-uitgaven € 1.756 miljoen. In 2018 is de verwachting dat de pgb-uitgaven uitkomen op € 1.984 miljoen. Voor 2019 bedragen de verwachte pgb-uitgaven € 2.070 miljoen (zie tabel 19 van het Financieel Beeld Zorg in de begroting 2018).

Zvw

De uitgaven bedroegen in 2015 € 297 miljoen. In 2016 werd ruim € 307 miljoen aan pgb uitgekeerd, in 2017 € 328 miljoen. In de Zvw wordt binnen het budgettaire kader voor de wijkverpleegkundige zorg vooraf geen afzonderlijk kader voor het pgb vastgesteld. Na afloop van 2018 zal derhalve pas bekend zijn wat is uitgegeven aan het pgb in dat jaar.

Jeugdwet en Wmo

SVB-gegevens laten zien dat er eind 2015 respectievelijk € 297 miljoen en € 673 miljoen aan het pgb door de gemeenten is toegekend in het kader van de Jeugdwet en de Wmo. Eind 2016 bedroeg dit € 286 miljoen in het kader van de Jeugdwet en € 591 in het kader van de Wmo. Voor 2017 gaat de SVB uit van € 189 miljoen voor de Jeugdwet en € 447 miljoen voor de Wmo. Voorts geldt ook voor de Wmo en de Jeugdwet dat vooraf geen afzonderlijk budgettair kader wordt vastgesteld voor het pgb en er dus voor 2018 en 2019 nog geen gegevens beschikbaar zijn.

Vraag 194

Hoeveel persoonsgebonden budgetten worden jaarlijks afgegeven per zorgdoelgroep en sector?

Antwoord:

Volgens de gegevens van Vektis waren er ultimo juli 2018 40.475 Wlz-budgetten. Ultimo 2017 waren er 39.943 Wlz-budgetten, ultimo 2016 waren dit er 39.881 en ultimo 2015 34.352

De globale verdeling van de verzekerden met een zorgprofiel is als volgt:

  • Verpleging en verzorging: 21%

  • Verstandelijke beperking: 65%

  • Lichamelijke beperking: 13%

  • Zintuiglijke beperking: 1%

Wmo en Jeugdwet

Volgens de gegevens van de SVB waren er ultimo augustus 2018 15.740 Jeugdwet budgetten en 55.332 Wmo budgetten. Ultimo 2017 waren er 17.615 Jeugdwet budgetten, ultimo 2016 waren er 19.033 Jeugdwet budgetten en ultimo 2015 waren dit er 25.650. Ultimo 2017 waren er 59.237 Wmo budgetten, ultimo 2016 waren dit er 65.408 en ultimo 2015 83.488.

Zvw

De aantallen over 2018 worden bekend in de eerste helft van 2019 wanneer de gegevens over de uitvoering van het Zvw-pgb in 2018 beschikbaar zijn. Volgens de monitor Zvw-pgb 2015 was het aantal mensen met een pgb op 1 januari 2015 30.631 en op 31 december 2015 23.482. Volgens de monitor 2016 was het aantal mensen met een pgb op 1 januari 2016 19.412 en op 31 december 2016 16.912. In 2017 is het aantal budgethouders toegenomen van 16.847 op 1 januari

Vraag 195

Hoeveel indicaties «Begeleiding» hebben een pgb-financiering?

Antwoord:

Volgens de gegevens van de SVB waren er ultimo augustus 2018 31.358 Wmo-BG budgetten. Naast deze groep die expliciet begeleiding geïndiceerd heeft gekregen, kan begeleiding ook ingekocht worden met een Jeugdwet-pgb en een Wlz-pgb.

Vraag 196

Hoeveel indicaties «Persoonlijke verzorging» hebben een pgb-financiering?

Antwoord:

Voor Zvw-budgethouders die hun declaraties rechtstreeks indienen bij de eigen zorgverzekeraar geldt dat eind 2017 2.025 van hen formele verzorging en 8.147 informele verzorging inkochten. Eén budgethouder kan overigens zowel formele verzorging als informele verzorging inkopen.

Vraag 197

Hoeveel mantelzorgers worden betaald uit het pgb?

Antwoord:

Zoals in antwoord op vraag 343 van de schriftelijke vragen over de begroting 2018 (TK 34 775 XVI, nr.14) is aangegeven, is mantelzorg onbetaalde en vaak langdurige zorg voor zieke familieleden of vrienden. Mantelzorg wordt dan ook niet uit een pgb betaald. Wel kan informele zorg uit het pgb betaald worden.

Vraag 198

Hoeveel mensen zetten per jaar hun zorg in natura om in pgb?

Antwoord:

Zoals in antwoord op vraag 344 van de schriftelijke vragen over de begroting 2018 (TK 34 775 XVI, nr.14) is aangegeven, zijn er op landelijk niveau geen gegevens bekend van hoeveel mensen jaarlijks hun zorg omzetten van zorg in natura naar pgb.

Vraag 199

Wat is het hoogste en laagste pgb-bedrag voor iemand?

Antwoord:

Het hoogste pgb-bedrag dat bij de SVB geregistreerd staat is een Wmo BG-budget en is € 412.082. Het laagste pgb-bedrag dat bij de SVB geregistreerd staat betreft een Wmo-HH budget en is € 69.

Vraag 200

Hoeveel klachten heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de afgelopen twee jaar binnengekregen?

Antwoord:

Het aantal klachten dat de SVB ontvangt over de uitvoering van het pgb is de afgelopen jaren steeds verder afgenomen. Over heel 2017 zijn 3.908 klachten binnengekomen. In 2018 zijn tot en met augustus 1.921 klachten ontvangen, dat is een daling van ca 39% ten opzichte van de stand september 2017.

Vraag 201

Kunt u een overzicht geven van alle plussen en minnen uit de begroting 2017 met betrekking tot het persoonsgebonden budget?

Antwoord:

De gerealiseerde uitgaven aan het Wlz pgb in 2017 zijn 1.755,6 miljoen en zijn 10,2 miljoen hoger dan begroot.

Voor de Zvw, Wmo 2015 en de Jeugdwet is vooraf geen specifiek pgb-kader begroot. De gerealiseerde uitgaven zijn als volgt (zie ook antwoord 91 van 34 950 XVI, nr. 7): Wmo € 447 miljoen, Jeugdwet € 189 miljoen en Zvw € 328 miljoen.

Daarnaast is in 2017 € 50,1 miljoen ter beschikking gesteld aan de SVB, € 15 miljoen meer dan begroot. Het betreft hier meerkosten als gevolg van ICT-investeringen bij de SVB (€ 6 miljoen), de uitvoering van de salarisadministratie door de SVB voor Zvw-Pgb’s (€ 2 miljoen), de uitvoering van het pgb-trekkingsrecht voor de Wmo 2015 en de Jeugdwet tezamen (€ 6,4 miljoen uit het gemeentefonds) en voor de loonbijstelling (€ 0,6 miljoen).

Vraag 202

Hoeveel procent van de maandelijks ingediende pgb-declaraties wordt goedgekeurd en hoeveel procent wordt hiervan afgekeurd?

Antwoord:

Het percentage declaraties dat direct kan worden goedgekeurd door de SVB is constant. In 2018 werd tot en met augustus gemiddeld 96.7% van de declaraties direct goedgekeurd. De overige 3,3% is in eerste instantie afgekeurd waarbij vervolgens aanvullende informatie wordt opgevraagd bij de budgethouder om tot goedkeuring van de declaratie over te kunnen gaan. Het merendeel van de declaraties zal tot uitbetaling komen indien er voldoende budget beschikbaar is.

Vraag 203

Hoeveel pgb's zijn in 2018 afgegeven, uitgesplitst per maand, indicatie en zorgsector? Hoeveel was dit in 2017?

Antwoord:

In onderstaande tabellen is voor 2017 en 2018 het aantal pgb’s opgenomen per wet.

2017 (ultimo per maand)

Wlz

Jeugdwet

Wmo

Zvw

januari

37.778

17.046

61.109

16.847

februari

38.228

17.439

61.749

16.908

maart

38.547

17.852

62.287

17.253

april

38.799

17.881

61.184

17.459

mei

39.021

17.377

60.493

17.593

juni

39.206

17.599

60.512

17.753

juli

38.384

17.689

60.293

18.038

augustus

38.541

17.415

60.332

18.178

september

38.805

17.412

60.151

18.290

oktober

39.089

17.419

59.912

18.393

november

39.290

17.464

59.435

18.442

december

39.943

17.615

59.237

18.437

Bron Wlz: Nza

Bron Wmo en Jeugdwet: SVB

Bron Zvw: Zvw-monitor

2018 (ultimo per maand)

Wlz

Jeugdwet

Wmo

januari

39.266

15.602

55.899

februari

39.498

16.273

56.749

maart

39.730

16.638

57.192

april

39.7361

16.687

56.715

mei

39.9791

16.466

56.179

juni

40.208

16.488

55.697

juli

40.475

16.158

55.535

augustus

15.740

55.332

Bron Wlz: Vektis (voorlopige gegevens)

Bron Wmo en Jeugdwet: SVB

X Noot
1

Voor de maanden april en mei ontbreekt het aantal budgethouders van één Wlz-uitvoerder. Deze zijn bij geschat op basis van een interpolatie tussen de maart en juni standen.

Voor het Zvw-geldt dat de aantallen over 2018 bekend worden in de eerste helft van 2019 wanneer de gegevens over de uitvoering van het Zvw-pgb in 2018 beschikbaar zijn.

In onderstaande tabel staat het aantal budgethouders dat volgens informatie van Vektis een persoonsgebonden budget uit de Wlz heeft, uitgesplitst naar het geïndiceerde zorgzwaartepakket (ZZP) en onderverdeeld naar: de ouderenzorg (VV), verstandelijk gehandicapten (VG), licht verstandelijk gehandicapten (LVG en SGLVG), zintuiglijk gehandicapten visueel en auditief (ZG), lichamelijk gehandicapten (LG) en GGZ-cliënten (GGZ). Het aantal budgethouders betreft de cliënten dat op peildatum ultimo juni 2018 een persoonsgebonden budget heeft. Ik beschik niet over een vergelijkbare verdeling in 2017 en in de overige maanden van 2018.

ZZP

Aantal budgethouders

ZZP VV 1–3

0

ZZP VV 4–10

8.608

ZZP LVG 1–5

73

ZZP VG 1–2

116

ZZP VG 3–8

25.794

ZZP LG 1,3

33

ZZP LG 2, 4–7

5.023

ZZP ZG 1

0

ZZP ZG 2–5

495

ZZP GGZB

0

Functies en klassen

66

Totaal

40.208

Bron: Vektis (voorlopige gegevens)

Vraag 204

Hoeveel gemeenten doen uitbetaling van pgb's zelf? Welke gemeenten zijn dit?

Antwoord:

Zoals in antwoord op vraag 350 van de schriftelijke vragen over de begroting 2018 (TK 34 775 XVI, nr. 14) is aangegeven, zijn op grond van de Wmo 2015 gemeenten verplicht om de uitbetaling van pgb’s door de SVB te laten uitvoeren. De SVB voert voor alle gemeenten de uitbetaling van pgb’s uit. Enkele gemeenten doen vanuit het verleden een klein deel van de pgb’s zelf.

Vraag 205

Hoeveel pgb-aanvragen zijn in 2017 en 2018 geweigerd?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers beschikbaar over het weigeren van pgb’s in de Wlz, Wmo en Jeugdwet.

In 2016 werden 17.798 Zvw-pgb’s voor verpleging en verzorging aangevraagd en 5.666 afgewezen. In 2017 was het totaal aantal aanvragen 11.785, dat jaar werden 2.474 aanvragen geweigerd.

De aantallen over 2018 worden bekend in de eerste helft van 2019 wanneer de gegevens over de uitvoering van het Zvw-pgb in 2018 beschikbaaar zijn.

Vraag 206

Kunt u bij de invoering van een nieuw pgb-systeem rekening houden met vertegenwoordiging op basis van een levenstestament en hiermee voorkomen dat alsnog een rechterlijke beschermingsmaatregel (bijvoorbeeld meerderjarigenbewind) moet worden uitgesproken?

Antwoord:

In het nieuwe pgb-systeem kan een geregistreerde vertegenwoordiger van de budgethouder het pgb-budget beheren. Als een vertegenwoordiger genoemd in een levenstestament bij de verstrekker geregistreerd staat, kan hij/zij in het nieuwe pgb-systeem het budget beheren.

Vraag 207

Hoeveel pgb-houders waren er uitgesplitst per zorgwet (Jeugdwet, Wmo, Wlz en Zvw) op 1 januari 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018? Wat was de gemiddelde hoogte van het uitgekeerde budget per zorgwet over die jaren?

Antwoord:

In 2012, 2013 en 2014 was er geen Wlz-, Jeugdwet- en Zvw-pgb. Voor Wmo- budgetten zijn er van de jaren vóór 2015 geen landelijke cijfers beschikbaar.

In onderstaande tabel worden de ultimo jaarcijfers voor 2015, 2016 en 2017 voor de Wlz, Wmo en Jeugdwet weergegeven omdat dit beter aansluit bij de registratie.

Jaar

Aantal budgethouders Wlz

Gemiddeld toegekend budget Wlz

Aantal budgethouders Wmo

Gemiddeld toegekend budget Wmo

Aantal budgethouders Jeugdwet

Gemiddeld toegekend budget Jeugdwet

2015

34.352

€ 40.596

83.488

€ 9.651

25.650

€ 15.164

2016

39.881

€ 44.756

65.408

€ 6.499

19.033

€ 9.467

2017

39.943

€ 49.968

59.237

€ 7.451

17.615

€ 11.579

2018

40.208 (ultimo juni)*

€ 52.472

55.332 (ultimo augustus)

€ 7.352

15.740 (ultimo augustus)

€ 10.828

Bron Wlz: www.monitorlangdurigezorg.nl; *2018: voorlopige gegevens van Vektis

Bron Wmo en Jeugdwet: SVB

Volgens de monitor Zvw-pgb 2015 was het aantal mensen met een pgb op 1 januari 2015 30.631 en op 31 december 2015 23.482. Volgens de monitor 2016 was het aantal mensen met een pgb op 1 januari 2016 19.412 en op 31 december 2016 16.912. In 2017 is het aantal budgethouders toegenomen van 16.847 op 1 januari tot 18.437 ultimo december.

In 2015 was voor het Zvw-pgb het gemiddelde gedeclareerde bedrag per maand: € 1.266,–

In 2016 was voor het Zvw-pgb het gemiddelde gedeclareerde bedrag per maand: € 1.614,–

In 2017 was voor het Zvw-pgb het gemiddelde gedeclareerde bedrag per maand: € 1.679,–

De aantallen over 2018 worden bekend in de eerste helft van 2019 wanneer de gegevens over de uitvoering van het Zvw-pgb in 2018 beschikbaar zijn

Vraag 208

Hoe verhoudt een zo licht mogelijke behandeling zich tot tegelijkertijd een zo intensief mogelijke behandeling binnen de geestelijke gezondheidszorg?

Antwoord:

Een zo licht mogelijke behandeling is wenselijk, tegelijkertijd moet de behandeling zo intensief als nodig kunnen worden geboden binnen de ggz. Dat is zorg volgens het principe van matched care.

Vraag 209

Hoe worden ervaringsdeskundigen concreet ingezet binnen de geestelijke gezondheidszorg? In welke fase van zorg worden deze ervaringsdeskundigen ingezet?

Antwoord:

In overleg met de cliënt wordt bepaald in welke fase van zorg de inzet van een ervaringsdeskundige behulpzaam kan zijn. Ervaringsdeskundigen kunnen een belangrijke rol hebben in preventie, in het toeleiden naar en verleiden tot zorg en begeleiding, in het herstelproces van de patiënt in de verzorging en ondersteuning en bij het overbruggen van wachttijden.

Vraag 210

Hoe staat het op dit moment met de wachttijden binnen de geestelijke gezondheidszorg?

Antwoord:

Op 17 juli jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over onder andere de stand van zaken van de landelijke afspraken wachttijden in de ggz op basis van de voortgangsrapportage van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) (Vergaderjaar 2017–2018, TK 25 424, nr. 423). In die brief heb ik uw Kamer ook geïnformeerd over het actieplan wachttijden 2018–2019 van ZN, MIND, GGZ Nederland en Platform MEERGGZ. Dit actieplan beschrijft de concrete resultaten die er toe moeten leiden dat de wachttijden voor alle behandelingen in alle regio’s binnen de Treeknormen zijn.

Voor het einde van het jaar verschijnt er een nieuwe monitor van de NZa. Ik zal die te zijner tijd aan uw Kamer doen toekomen.

Vraag 211

Hebben op dit moment alle ggz-aanbieders hun wachttijden bij Vektis aangeleverd? Zo nee, wat is hiervoor de verklaring? Om welke ggz-aanbieders gaat het?

Antwoord:

Ggz-aanbieders zijn verplicht om de wachttijden aan te leveren bij Vektis en te publiceren op hun website. In mijn brief van 17 juli jl. heb ik uw Kamer gemeld dat niet alle instellingen aan deze verplichting voldeden en heb ik het handhavingsproces uiteengezet. (Vergaderjaar 2017–2018, TK 25 424, nr. 423).

Eind juli heeft de NZa vastgesteld dat drie van de 100 grootste instellingen (gemeten naar omzet) nog geen wachttijdinformatie aanleverden. De NZa heeft deze drie instellingen een aanwijzing gegeven. De betreffende instellingen hebben de informatie binnen de in de aanwijzing gestelde termijn alsnog aangeleverd. De namen van deze instellingen worden daarom niet openbaar gemaakt.

In de ggz wordt ongeveer 20% van de zorg geleverd door vrijgevestigde zorgverleners. Eind juli leverde 71% van deze groep wachttijdinformatie aan bij Vektis. In de groep vrijgevestigden die geen wachttijdinformatie aanleveren, zijn ook vrijgevestigden voor wie de aanleverplicht niet geldt. Daarbij valt te denken aan vrijgevestigden die als zzp’er werken bij een instelling of vrijgevestigden die alleen in de jeugd-ggz werken. Het is ook mogelijk dat de totale groep van 4.000 vrijgevestigden nog zorgverleners bevat die inmiddels geen ggz-zorg meer verlenen, bijvoorbeeld omdat zij met pensioen zijn.

Afgelopen zomer zijn alle vrijgevestigden die geen wachttijdinformatie aanleverden, benaderd door de NZa. Deze actie leidt er toe dat preciezer inzicht ontstaat en in de groep van vrijgevestigden beter onderscheid kan worden gemaakt tussen vrijgevestigden op wie de aanleverplicht bij Vektis wel of niet aan de orde is. In oktober wordt duidelijk hoeveel vrijgevestigden ten onrechte geen wachttijden hebben aangeleverd en dan stelt de NZa ook het vervolgtraject vast. Ik vraag de NZa om in de reeds aangekondigde rapportage voor eind 2018 nogmaals aandacht te besteden aan de aanlevering door zowel instellingen als vrijgevestigden.

Vraag 212

In hoeverre verwijzen zorgverzekeraars mensen die wachten op een behandeling in de geestelijke gezondheidszorg door naar een andere hulpverlener met kortere wachttijden?

Antwoord:

In het kader van de aanpak van de wachtlijsten in de ggz heeft de NZa in haar regels opgenomen dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders mensen beter dienen te informeren over zorgbemiddeling. In de Eindrapportage Landelijke afspraken wachttijden in de ggz meldt de NZa dat GGZ Nederland en ZN aangeven dat het aantal zorgbemiddelingen vorig jaar ongeveer verdubbeld is naar enkele duizenden.

Vraag 213

Welke maatregelen worden op korte termijn genomen om het tekort aan gespecialiseerde hulpverleners binnen de geestelijke gezondheidszorg op te lossen?

Antwoord:

Op basis van de raming van het Capaciteitsorgaan heeft VWS middelen beschikbaar gesteld voor 610 opleidingsplaatsen voor gz-psychologen. In juni 2018 is besloten om daar 150 opleidingsplaatsen aan toe te voegen. In het Hoofdlijnenakkoord GGZ is daarnaast afgesproken om in 2019 eenmalig maximaal € 20 miljoen extra te investeren in opleidingen die het meest bijdragen aan het oplossen van de wachttijden. We blijven goed volgen of dit aansluit op de vraag. Eind 2018 volgt een nieuwe raming van het Capaciteitsorgaan voor het aantal benodigde opleidingsplekken in de GGZ.

Vraag 214

Is er een landelijk dekkend beeld van het aantal mensen dat gebruik maakt van de maatschappelijke opvang? Zo ja, over hoeveel mensen gaat het? En over welke mensen gaat het? Zo nee, wat is hiervoor de verklaring?

Antwoord:

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de opvang en begeleiding van mensen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Zij zijn verantwoordelijk voor het inkopen van voldoende opvangplekken, passend bij wat in hun regio noodzakelijk is. De capaciteit en het aantal opvanglocaties fluctueert daarmee en kan ook variëren door het jaar heen. Er is geen centrale registratie van het aantal mensen dat gebruik maakt van de maatschappelijke opvang. De Federatie Opvang geeft in haar rapportage «Cijfers maatschappelijke opvang 2016» (bijlage bij TK 29 325, nr. 92) aan dat in 2016 tenminste 60.000 mensen een beroep hebben gedaan op de maatschappelijke opvang. Samen met VNG Realisatie en vijf gemeenten voer ik een pilot uit om in beeld te brengen of en zo ja, welke informatie gemeenten structureel willen gaan monitoren via de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein.

Vraag 215

Hoe lang is de wachttijd op dit moment binnen de maatschappelijke opvang? Hoeveel mensen stromen jaarlijks door vanuit de maatschappelijke opvang? En hoeveel mensen stromen uit de maatschappelijke opvang? En welke afspraken zijn omtrent de nazorg gemaakt?

Antwoord:

Er is geen centrale registratie van de wachttijd binnen de maatschappelijke opvang. Hetzelfde geldt voor de door- en uitstroom. Er bestaat geen landelijk beeld van de afspraken over nazorg. Dit is maatwerk en kan daarmee per persoon verschillen.

Vraag 216

Worden ervaringsdeskundigen ingezet om de wachtlijsten terug te dringen in de ggz?

Antwoord:

Ja, in het hoofdlijnenakkoord ggz is afgesproken dat ervaringsdeskundigen worden ingezet om mensen toe te leiden naar zorg en hen te verleiden tot zorg. Ze kunnen ook worden ingezet in het herstelproces van de patiënt in de verzorging van en ondersteuning bij het overbruggen van wachttijden. Ervaringsdeskundigen worden nu al op veel plekken ingezet in de ggz en in het hoofdlijnenakkoord ggz is afgesproken dat partijen de inzet verder zullen stimuleren.

Vraag 217

Wat is de meerwaarde van ervaringsdeskundigen in de ggz? Wanneer is iemand ervaringsdeskundige? Onder wiens toezicht treden ervaringsdeskundigen op?

Antwoord:

Ervaringsdeskundigen hebben kennis en ervaring waar mensen die hulp zoeken erg bij gebaat kunnen zijn. Het kan prettig zijn om te weten hoe iemand anders iets heeft aangepakt. Ervaringsdeskundigen kunnen onder supervisie van de regiebehandelaar een belangrijke rol hebben in preventie, in het toeleiden naar en verleiden tot zorg en begeleiding, in het herstelproces van de patiënt in de verzorging en ondersteuning en bij het overbruggen van wachttijden.

Instellingen hanteren op dit moment verschillende eisen voor de inzet van iemand als ervaringsdeskundige, variërend van een training tot een 2-jarige HBO studie. In het kader van de uitwerking van de afspraken uit het hoofdlijnenakkoord zullen partijen nadenken over welke verplichte opleidings- en kwaliteitseisen wenselijk zijn.

Vraag 218

Hoeveel zwerfjongeren telt Nederland nu en hoeveel opvangplekken hebben wij voor deze zwerfjongeren?

Antwoord:

Uit onderzoek van Labyrinth (bijlage bij TK 24 515, nr. 432) blijkt dat er op peildatum 1 januari 2016 naar schatting 10.700 feitelijk daklozen tussen de 18 en 27 jaar waren. Er is geen landelijk beeld van het aantal opvangplekken voor zwerfjongeren.

Vraag 219

Hoeveel opvangplekken zijn de afgelopen jaren gesloten?

Antwoord:

Gemeenten zijn verantwoordelijk afdoende opvangplekken in te kopen, passend bij wat in hun regio noodzakelijk is. De capaciteit en het aantal locaties fluctueert daarmee en kan ook variëren door het jaar heen. Er is geen centrale registratie van het aantal plekken dat is ingekocht, noch van een toe- of afname daarvan.

Vraag 220

Hoeveel gezinnen zijn in 2018 op straat beland vanwege de crisis?

Antwoord:

Gemeenten zijn verplicht om dak- en thuislozen die zich bij hen melden op te vangen. Dat geldt zeker ook voor gezinnen. Er is geen centrale registratie van het aantal gezinnen dat in 2018 dak- of thuisloos is geworden. Samen met VNG Realisatie en vijf gemeenten voer ik een pilot uit om in beeld te brengen of en zo ja, welke informatie gemeenten structureel willen gaan monitoren via de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein.

Vraag 221

Hoeveel opvangplekken zijn er voor gezinnen en is dit voldoende?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 219.

Vraag 222

Zijn er voor zwerfjongeren en daklozen voldoende aansluitingsmogelijkheden naar werk, wonen en zorg? Wat is hiervan de huidige capaciteit?

Antwoord:

Gemeenten moeten voor zowel zwerfjongeren als daklozen zorgen voor voldoende aansluitingsmogelijkheden naar werk, wonen en zorg. De exacte capaciteit hiervan wordt landelijk niet bijgehouden. Centraal staat passend maatwerk per individu.

Met de meerjarenagenda beschermd wonen en maatschappelijke willen de betrokken organisaties de partijen op lokaal en regionaal niveau faciliteren bij het realiseren van diverse opgaven, onder andere op het terrein van werk, wonen en zorg (TK 29 325, nr. 93).

Vraag 223

Welke acties worden er ondernomen om de overgang van 18- naar 18+ binnen de maatschappelijke opvang te verbeteren?

Antwoord:

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een soepele overgang van minderjarigheid naar meerjarigheid. Dat geldt in het bijzonder voor de kwetsbare jongeren die al bij de gemeente in beeld zijn vanwege verblijf in de jeugdzorg of de maatschappelijke opvang. Vanuit het actieprogramma Zorg voor de Jeugd en de meerjarenagenda beschermd wonen en maatschappelijke opvang werken onder meer gemeenten, branches, verzekeraars, cliëntenorganisaties en het Rijk samen om met een aantal maatregelen een soepele overgang naar volwassenheid te bevorderen. Belangrijk zijn het werken met een toekomstplan dat met de kwetsbare jongere wordt opgesteld, het zorgen voor continuïteit van de zorgverlening en het werken met een coach of mentor. In het najaar zal ik in de voortgangsrapportage Zorg voor de jeugd nader ingaan op de verschillende activiteiten in dit kader.

Vraag 224

Hoeveel locaties maatschappelijke opvang zijn er in Nederland?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 219.

Vraag 225

Hoeveel locaties vrouwenopvang zijn er in Nederland?

Antwoord:

Er zijn geen landelijke cijfers over aantallen opvangplekken voor vrouwen per gemeente. Er is een landelijk dekkend stelsel van vrouwenopvang met landelijke toegankelijkheid. Het landelijk stelsel vrouwenopvang garandeert dat deze slachtoffers, indien nodig, directe en veilige opvang en hulp bij herstel krijgen, 7 maal 24 uur. Alle 35 centrumgemeenten vrouwenopvang hebben opvangvoorzieningen. Die wordt geboden door 21 rechtspersonen. Hun aanbod varieert van crisisbedden, safe houses (bij ernstige bedreiging) tot ambulante hulpverlening.

Vraag 226

Hoeveel opvanglocaties zijn er totaal in Nederland?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 219.

Vraag 227

Hoeveel maatschappelijke opvang en vrouwencentra hebben te maken met wachtlijsten en hoe lang zijn deze wachtlijsten?

Antwoord:

Er worden geen wachtlijsten voor maatschappelijke opvang en vrouwencentra bijgehouden op landelijk niveau.

Vraag 228

Wat is de huidige capaciteit voor opvangcentra, welke tekorten zijn er en in welke regio's?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 219.

Vraag 229

Wat houdt de specifieke aandacht voor vrouwen met een postnatale depressie in bij de campagne «Hey het is oké, maak depressie bespreekbaar»?

Antwoord:

In Nederland ontwikkelen jaarlijks ruim 23.400 vrouwen een depressie na de bevalling. Dat is 1 op de 8 moeders. Velen van hen durven hun situatie niet aan te kaarten. Zij zijn bang om gezien te worden als een slechte moeder (47,4%) en willen anderen niet belasten (52,2%), blijkt uit een peiling onder vrouwen die (signalen van) een postnatale depressie hebben gehad. Hierdoor blijft postnatale depressie, ook wel postpartum depressie (PPD) genoemd, te vaak onbesproken. Daarom hebben we extra aandacht besteed aan postnatale depressie binnen de Hey, het is oké-campagne.

De online-campagne is onder andere samen met Jennie Lena opgestart, onder andere bekend van The Voice. Ook zij heeft na de geboorte van haar dochter een postnatale depressie gehad. Praten met familie en vrienden hielp haar bij haar herstel.

Andere digitale platformen die we hebben ingezet voor de campagne zijn Famme baby, Ouders van Nu, Mama Liefde en &C (and see), het 360° mediamerk van Chantal Janzen. We hebben bekende en minder bekende vrouwen hun verhaal laten vertellen. Met blogs, artikelen en video’s» willen we op deze platformen, gericht op deze specifieke doelgroep, in gesprek over PPD en het onderwerp bespreekbaar maken.

Vraag 230

Zijn er al tussentijdse resultaten bekend over de Hey-publiekscampagne? Is er meer bewustwording rondom depressie gecreëerd? En zijn depressieve klachten en depressies meer bespreekbaar geworden?

Antwoord:

De resultaten van de campagne staan op rijksoverheid.nl:

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/campagnes/campagneresultaten-2017/omgaan-met-depressie

In het kort:

Het kennisniveau en de houding van het algemeen publiek en jonge vrouwen is stabiel gebleven tijdens de campagneflight. Het kennisniveau en de houding van jongeren is verbeterd. De houding van jongeren tegenover het helpen van anderen met een depressie is nu vergelijkbaar met het algemeen publiek. De houding van jongeren tegenover hulp zoeken voor zichzelf is nog wel lager dan onder het algemeen publiek. Jonge vrouwen hebben van de campagnedoelgroepen de hoogste kennis over depressies en de meest positieve houding ten aanzien van het zoeken en bieden van hulp.

De doelgroepen herkennen na de campagne ongeveer evenveel signalen als ervoor. Binnen alle doelgroepen worden na de campagne wel één of meer specifieke signalen vaker herkend.

Meer jongeren vinden het na de campagne vanzelfsprekend om hulp te bieden aan iemand in hun omgeving met signalen van depressie en meer jongeren vinden het in die situatie belangrijk om hierover te praten met diegene. Ook vinden meer jongeren het na de campagne vanzelfsprekend om hulp te zoeken als zij signalen van depressie zouden herkennen bij zichzelf.

Het bereik en de herinnering van de campagne zijn hoger dan vorig jaar, maar blijven nog wel achter op de benchmark. Vrouwen en jongeren zijn iets beter bereikt door de campagne dan het algemeen publiek. Dit heeft vooral te maken met een hoger bereik van de uitingen op social media.

De campagne wordt net als vorig jaar relatief hoog gewaardeerd in vergelijking met de benchmark en de boodschapoverdracht is over het algemeen goed. De campagne brengt het beste over dat het belangrijk is om over depressie te praten en de signalen van depressie te herkennen. Dat depressie een ernstige ziekte is, zit minder expliciet in de campagne en wordt ook wat minder goed overgebracht.

Bereik van de campagne

Bereik van de campagne

Waardering van de campagne

Waardering van de campagne

Vraag 231

Wordt er onderzocht of er een verband is tussen de stijging van het aantal suïcides enerzijds en de wachttijden, het tekort aan zorgprofessionals en de ambulantisering anderzijds? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Het aantal suïcides is in absolute zin gestegen maar per hoofd van de bevolking is het percentage al sinds enige jaren stabiel (11 per 100.000). Onder de jongeren is wel sprake van een relatief forse stijging. Ik heb u over de eerste duiding van de suïcidecijfers onder jongeren en de verdere stappen voor breder en diepgaander onderzoek bij brief van 24 september jl. geïnformeerd. Het desbetreffende onderzoek zal wel meenemen of de betrokken jongere mogelijk in afwachting was van hulp of al in zorg was. Er zal naar verwachting niet worden ingaan op ambulantisering en arbeidsmarktproblematiek.

Vraag 232

Wordt er onderzocht of de zelfdoding onder LHBTI-jongeren (lesbische vrouwen (L), homoseksuele mannen (H), biseksuelen (B), transgenders (T) en intersekse personen (I)) een gevolg is van de massa-immigratie van niet westerse-allochtonen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Ik heb u bij brief van 24 september 2018 geïnformeerd over de uitkomsten van de eerste duiding van de toename van het aantal suïcides onder jongeren en de stappen om breder en diepgaander onderzoek in gang te zetten. De door u genoemde aspecten maken geen deel uit van de opzet en aanpak van het onderzoek.

Vraag 233

Welke regeerakkoordprioriteiten zijn nog in ontwikkeling?

Antwoord:

Bij aanvang van het nieuwe kabinet is afgesproken dat voor een groot aantal maatregelen uit het regeerakkoord de gereserveerde middelen op de aanvullende post bij Financiën worden geplaatst in afwachting van bestedingsplannen waarin concreet wordt aangegeven hoe de betreffende middelen worden ingezet. Na akkoord van Financiën en goedkeuring in de ministerraad kunnen de middelen worden overgeheveld van de aanvullende post naar de departementale begroting van VWS.

De afgelopen periode heeft VWS met Financiën overeenstemming bereikt over een fors aantal bestedingsplannen. Over een vijftal aanvullende voornemens bent u geïnformeerd bij nota van wijziging die uw Kamer eerder deze week heeft ontvangen. Het gaat hierbij om preventiemaatregelen (in het bijzonder ten aanzien van ondersteuning bij onbedoelde (tiener) zwangerschappen, het Preventieakkoord en onderzoek naar de effectiviteit van preventieve interventies), de experimenten omtrent de regulering wietteelt en de Maatschappelijke diensttijd.

Daarnaast is nog een beperkt deel van de regeerakkoordvoornemens van VWS in ontwikkeling. Het gaat om de volgende posten (inclusief bijbehorende budgettaire reeksen). Zie de tabel hieronder. De hiermee samenhangende beleidsvoornemens worden in de komende periode verder uitgewerkt. Over de concrete uitwerking wordt u geïnformeerd zodra de aanvullende middelen uit het regeerakkoord worden overgeheveld naar de VWS-begroting.

Resterende middelen VWS aanvullende post (bedragen x € 1 miljoen)

#

Omschrijving

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Struc

H57

Bevorderen digitaal ondersteunende zorg

0,0

0,0

3,6

10,0

10,0

5,0

5,0

H59

Preventiemaatregelen (preventieakkoord)

0,0

0,0

0,0

0,0

10,2

9,1

8,0

 

– w.v. preventieakkoord

0,0

0,0

0,0

0,0

5,0

5,0

5,0

 

– w.v. preventie en ondersteuning bij onbedoelde zwangerschappen

0,0

0,0

0,0

0,0

5,2

4,1

3,0

H62

Onafhankelijke cliëntondersteuning (restant)

0,0

0,0

0,0

0,0

10,0

10,0

10,0

H65

Belonen van uitkomsten

0,0

0,0

0,0

2,7

5,7

0,0

0,0

H64

Brede aanpak LVB, daklozen en zwerfjongeren (LVB)

0,0

1,6

1,6

1,8

1,0

0,0

0,0

 

– w.v. LVB

0,0

1,6

1,6

1,8

1,0

0,0

0,0

H70

Experimenten regulering wietteelt

0,0

0,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

G39

Maatschappelijke diensttijd (restant)

0,0

54,0

75,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Totaal

0,0

55,6

81,2

115,5

137,8

125,1

124,0

Vraag 234

Wat gebeurt er met de aanbeveling van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)?

Antwoord:

De aanbeveling van het RIVM om naast de huidige maatschappelijke doelstellingen ook specifieke doelen met een directere link naar het bestaande beleid op te nemen wordt niet middels de VWS-monitor gerealiseerd. De VWS-monitor is bedoeld als monitor waarmee trends over een langere periode kunnen worden gevolgd en daarmee signalerend en agenderend werkt.

De regeerakkoordprioriteiten vinden hun weerslag in de beleidsagenda als onderdeel van de begroting. Verder zijn de uitgewerkte programma’s waar mogelijk al van concrete indicatoren voorzien. Deze worden waar relevant ook aangehaald in de beleidsagenda.

Vraag 235

Zijn er mogelijke risico's voor de vaccinaties in Nederland tegen meningokokken nu blijkt dat meerdere landen tegelijk zullen besluiten hiertegen te vaccineren? Zo ja, welke risico's?

Antwoord:

Over het algemeen geldt dat wanneer meerdere landen tegelijk besluiten om te gaan vaccineren, het moeilijker wordt om via aanbestedingstrajecten contracten te sluiten vanwege de beperkte beschikbaarheid van het vaccin en de lange doorlooptijd om nieuwe vaccins te produceren.

Wanneer wordt gedoeld op mogelijke risico’s in verband met beschikbaarheid van vaccins voor de maatregelen tegen meningokokken W in 2018 en 2019 waarover de Kamer is geïnformeerd op 25 september 2017 en 16 juli 2018 (TK 32 793 nr. 322 en nr. 279) geldt dat op dit moment en ook de komende jaren te verwachten is dat er voldoende vaccins beschikbaar is.

Voor de verkrijgbaarheid van vaccins via de huisarts of GGD voor eigen kosten geldt dat dit afhankelijk is van de situatie op de vrije markt. Wanneer de vraag in het buitenland toeneemt, zal de beschikbaarheid op de vrije markt ook meer onder druk komen te staan. Op leveringen van de vaccinproducenten aan groothandels heeft de overheid geen invloed.

Vraag 236

Welke kosten zouden er verbonden zijn aan uitbreiding van het Rijksvaccinatieprogramma met vaccinatie tegen meningokokken type W onder ouderen, en waarom is hier nog niet toe overgegaan?

Antwoord:

Dit is niet becijferd. Om de huidige toename van meningokokken W een halt toe te roepen is op advies van deskundigen besloten over te gaan tot het vervangen van de MenC-vaccinatie op de leeftijd van 14 maanden in het Rijksvaccinatieprogramma voor een ACWY-vaccinatie en het vaccineren van adolescenten uit de geboortejaren 2001 tot en met 2005 in de periode oktober 2018 tot en met december 2019. Reden hiervan is dat het dragerschap onder adolescenten het hoogst is. Door deze groep te vaccineren treedt ook een beschermend effect op voor de rest van de bevolking (groepsbescherming), waaronder ouderen. Van vaccinatie van ouderen is dit effect (groepsbescherming) niet te verwachten. Ook is deze groep vele malen groter omdat meningokokkenziekte op alle leeftijden voorkomt. De Gezondheidsraad komt eind dit jaar met haar advies over een brede vaccinatiestrategie tegen meningokokken (alle typen). Op basis daarvan kan worden bezien of vaccineren van ouderen in de rede ligt.

Vraag 237

Welke kosten zijn er verbonden aan uitbreiding van het Rijksvaccinatieprogramma met vaccinatie tegen meningokokken type W onder ouderen, en waarom is hier nog niet toe overgegaan?

Antwoord:

Dit is niet becijferd. Om de huidige toename van meningokokken W een halt toe te roepen is op advies van deskundigen besloten over te gaan tot het vervangen van de MenC-vaccinatie op de leeftijd van 14 maanden in het Rijksvaccinatieprogramma voor een ACWY-vaccinatie en het vaccineren van adolescenten uit de geboortejaren 2001 tot en met 2005 in de periode oktober 2018 tot en met december 2019. Reden hiervan is dat het dragerschap onder adolescenten het hoogst is. Door deze groep te vaccineren treed ook een beschermend effect op voor de rest van de bevolking (groepsbescherming), waaronder de ouderen. Van vaccinatie van ouderen is dit effect (groepsbescherming) niet te verwachten. Ook is deze groep vele malen groter omdat meningokokkenziekte bij alle leeftijden voorkomt. De Gezondheidsraad komt eind dit jaar met haar advies over een brede vaccinatiestrategie tegen meningokokken (alle typen). Op basis daarvan kan worden bezien of vaccineren van ouderen in de rede ligt.

Vraag 238

Hoe kan de vertraging bij het opstellen van subsidieregelingen verklaard worden? Wordt deze vertraging in 2019 ook verwacht? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen zijn genomen om deze vertraging te stoppen?

Antwoord:

De genoemde vertraging betreft het opstellen van de subsidieregeling voor het informatie-uitwisselingsprogramma in de ggz. Deze vertraging is ontstaan omdat er bij de eerste planning onvoldoende rekening is gehouden met de aanloopfase die nodig is om deze subsidieregeling te realiseren. Er is tijd nodig geweest voor een goede opzet en uitwerking van de subsidieregeling, waarmee de middelen daadwerkelijk op een verantwoorde wijze aan instellingen ter beschikking kunnen worden gesteld en deze optimaal uitgedaagd worden om aan te sluiten op de laatste ontwikkelingen rond het gestandaardiseerd uitwisselen van gegevens. Daarnaast hebben de instellingen aangegeven dat zij twee jaar de tijd nodig hebben om de gevraagde resultaten te kunnen realiseren. Er wordt op dit moment de laatste hand gelegd aan de subsidieregeling, die nog dit jaar zal worden gepubliceerd.

Vraag 239

Op basis van welke informatie wordt verwacht dat in 2019 een fors beroep gedaan zal worden op de overgangsregeling voor medisch specialisten? Hoeveel medisch specialisten zullen naar verwachting een beroep doen op de regeling?

Antwoord:

Door onderuitputting van de regeling in 2017 en 2018 en signalen die kwamen vanuit ziekenhuizen is besloten de middelen van 2018 door te schuiven naar 2019. Na maart 2019 zal bekend zijn hoeveel medisch specialisten daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van de driejarige subsidieregeling voor de periode 2017–2019.

Vraag 240

Er wordt € 20 miljoen geïnvesteerd in opleidingen binnen de geestelijke gezondheidszorg die het meest bijdragen aan het oplossen van wachttijden. Over welke opleidingen gaat dit?

Antwoord:

De sector heeft een plan gemaakt om deze middelen te verdelen en dat heeft geleid tot extra opleidingsplekken voor de gz-psycholoog, verpleegkundig specialist ggz (3 jarige opleiding) en psychiater conform onderstaande tabel, waarvoor een beschikbaarheidbijdrage zal worden verstrekt. Daarnaast wordt bekeken of er van dit budget via projectsubsidies extra opleidingsplekken gerealiseerd kunnen worden voor de overige opleidingen.

Naar verwachting brengt het Capaciteitsorgaan nog vóór het eind van dit jaar een nieuwe raming uit voor de ggz beroepen. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of en zo ja in welke mate de opleidingscapaciteit verdere verruiming behoeft.

Vraag 241

Wat betekent de zin «De Rijksbijdrage heeft een puur administratief karakter en heeft dus geen materiële betekenis»?

Antwoord:

Deze zin betekent dat de Rijksbijdrage van € 1 miljard geen effect heeft op de hoeveelheid zorg die binnen de Wlz geleverd wordt en ook geen effect heeft op het EMU-saldo. Het betreft een verschuiving van middelen binnen de collectieve sector. Omdat ook het Fonds langdurige zorg (Flz) onderdeel uitmaakt van de collectieve sector telt het exploitatiesaldo mee in het EMU-saldo en het fondsvermogen (positief of negatief) telt mee in de EMU-schuld.

Vraag 242

Waarop is de verwachting dat de regeling in 2018 wordt uitgeput, gebaseerd?

Antwoord:

Instellingen kunnen alleen nog in 2018 aanspraak maken op een subsidie op basis van de regeling. De verwachting is dat het budget deels in 2018 wordt uitgeput. De regeling eindigt 1 oktober 2019, echter kan er na 1 januari 2019 geen aanspraak meer gemaakt worden op de Bijzondere Transitiekosten Jeugd.

Vraag 243

Waarom is er in eerdere jaren minder dan € 19 miljoen subsidie verstrekt en is de verwachting nu dat er € 35 miljoen verstrekt zal worden? Voor welk type subsidie aanvragen is dit geld bedoeld?

Antwoord:

Er is in eerdere jaren meer dan € 19 miljoen verstrekt maar er zijn minder instellingen in de financiële problemen gekomen dan verwacht, wat in die jaren tot onderuitputting heeft geleid. Voor 2018 is totaal 54 miljoen beschikbaar waarvan € 35 miljoen beschikbaar is gekomen bij Voorjaarsnota 2018 op grond van het totale overzicht van ingediende aanvragen. Op dit moment is de verwachting dat van dit bedrag 6 miljoen niet besteed wordt. De instellingen kunnen alleen in aanmerking komen voor subsidie als er kosten gemaakt zijn voor de transitie naar de gemeenten en de instellingen deze kosten niet zelf kunnen betalen.

Vraag 244

Kunt u voorbeelden geven van innovaties binnen beroepen en opleidingen? Hoe worden innovaties binnen beroepen en opleidingen middels deze gelden gestimuleerd? En hoe verhouden deze gelden zich tot de e-health-implementaties binnen het Actieprogramma Werken in de Zorg, zoals beschreven op pagina 5?

Antwoord:

Er zijn nieuwe opleidingen gestart zoals de MBO- en HBO opleidingen op gebied van zorgtechniek en Human Technology. Deze opleidingen leiden op tot een nieuw beroep: de zorgtechnicus. Dit is een technicus die in de context van de zorg werkt, dus technologische toepassingen ontwikkelt en toepast binnen de zorg. Ook zien we steeds meer samenwerking binnen het onderwijs tussen techniek- en zorgopleidingen, bijvoorbeeld door gezamenlijk projecten te doen of stage te lopen. Zo leren studenten in multi-disciplinaire teams samen te werken en leren de zorgstudenten veel van techniek en andersom. Innovatie, e-health en technologie vormt een belangrijk onderdeel van de regionale plannen die onderwijs- en zorginstellingen gezamenlijk maken binnen de Regionale Actieplannen Aanpak Tekorten (RAAT). Er wordt gekeken hoe dit een vast onderdeel kan worden van het onderwijs, maar ook waar behoefte aan is vanuit de werkgever en hoe werknemers kunnen leren over dit onderwerp. Het actie-leer-netwerk ondersteunt initiatieven op gebied van nieuwe beroepen en opleidingen, in samenwerking met het Ministerie van OCW. Daarnaast wordt ingezet op digitale vaardigheden en het bijscholen van medewerkers op het gebied van innovatie en e-health.

Vraag 245

Waarom zijn de uitgaven van langdurige zorg en ondersteuning voor de verschillende nieuwe programma's juridisch verplicht?

Antwoord:

In de tabel «Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming « staat bij artikel 3 «Langdurige zorg en ondersteuning» juist dat het niet juridisch verplichte deel bestemd is voor de verschillende programma’s, cliëntondersteuning, palliatieve zorg, levensbegeleiders/geestelijke verzorging en LVB. Dit impliceert overigens niet dat de middelen vrijelijk beschikbaar zijn voor alternatieve aanwending. Voor het overgrote deel bestaan reeds politieke en bestuurlijke afspraken.

Vraag 246

Hoe wordt het gereserveerd bedrag van € 4,6 miljoen voor het Programma Jeugdgezondheidszorg aangewend?

Antwoord:

Het bedrag van € 4,6 miljoen miljoen voor het Programma Jeugdgezondheidszorg is gereserveerd voor de voortzetting van een aantal aflopende ZonMw-programma’s. Dit betreft de programma’s Jeugdgezondheid, Richtlijnen Jeugdgezondheid en Effectief Werken in de Jeugdsector.

Vraag 247

Welke psychiatrische instellingen vallen in 2019 onder de bestaande risicoregelingen?

Antwoord:

Hieronder treft u een overzicht van de instellingen die in 2019 beschikken over Rijksgegarandeerde leningen onder de regeling «Voorzieningen tbv psychiatrische instellingen».

Stichtingsnaam

Stichting Arkin

Stichting Dimence Groep

Stichting Geïntegreerde Geestelijke Gezondheidszorg in Eindhoven en de Kempen

Mediant, Stichting voor Geestelijke Gezondheidszorg Oost- en Midden Twente

Stichting Emergis

Stichting GGZ Westelijk Noord-Brabant

Stichting Pro Persona GGz

Stichting Curium, Academisch Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie

Vraag 248

Welke resultaten zijn er het afgelopen jaar bereikt met het Akkoord Verbetering Productsamenstelling?

Antwoord:

Sinds 2014 wordt de Tweede Kamer jaarlijks in december op de hoogte gebracht van de voortgang van het Akkoord Verbetering Productsamenstelling. In mijn brief van 22 december 2017 heb ik u geïnformeerd over de voortgang van het Akkoord tot en met 2017 (TK 32 793, nr. 288). Hierin is in de bijlage een tabel opgenomen met de (tot en met 2017) gemaakte afspraken en de te behalen reducties. Het RIVM heeft in 2017 een impactanalyse (evaluatie) uitgevoerd voor zout en suiker. Daarbij is gekeken wat de impact van de reductiestappen in het Akkoord (die tot en met 2016 zijn afgesproken) is op de inname en wat het effect van verdergaande reductiestappen kan zijn op de inname. Zie mijn aanbiedingsbrief van 25 april 2018 (TK 31 532, nr. 195).

Vraag 249

Wat is het percentage van de mensen dat thuis zorg en ondersteuning ontvangt welke de mogelijkheid heeft om via een beeldscherm 24 uur per dag met een zorgverlener te communiceren?

Antwoord:

In de e-health monitor van 2017 geven verpleegkundigen in de ouderenzorg aan dat bij maximaal 10% van de patiënten beeldbellen plaatsvindt. In de ziekenhuiszorg is dat 11%. In de huisartsenzorg zegt vrijwel geen enkele verpleegkundige dat er gebruik wordt gemaakt van beeldbellen.

Vraag 250

Hoe verhouden de drie maatschappelijke doelstellingen rondom toegankelijkheid bij «algemene, levensfase overstijgende thema's» en «leven met een chronische ziekte en beperkingen» zich tot de drie e-health-doelstellingen, zoals beschreven in de Kamerbrief over e-health en zorgverbetering (27 529, nr. 130)?

Antwoord:

De doelstellingen zoals die in de begroting zijn opgenomen, zijn breder dan alleen de toegankelijkheidsvraagstukken die te maken hebben met e-health. Het gaat daarbij bijvoorbeeld ook over de toegankelijkheid van een fysieke zorginstelling. De doelstellingen die in de begroting zijn benoemd en die in de Kamerbrief over e-health zijn benoemd komen overeen voor zover ze over e-health gaan.

Vraag 251

Welke inzet is er afgelopen tien jaar geweest in voorlichting en bewustwording ten aanzien van vaccinaties in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma?

Antwoord:

De standaard voorlichting die gegeven wordt over het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) verloopt via een brief, folders, de website van de rijksoverheid en het RIVM, een gesprek met de jeugdarts/-verpleegkundige en de mogelijkheid tot het stellen van vragen aan het RIVM. De laatste jaren is er een aantal extra activiteiten georganiseerd, zoals ook met uw Kamer gecommuniceerd is (TK 2016–2017, TK 32 793, nr. 272). Deze zijn hieronder samen met enkele andere belangrijke inspanningen samengevat:

  • De website van het Rijksvaccinatieprogramma is verbeterd en daarbij beter afgestemd op de informatiebehoefte van ouders;

  • Er zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor meer ruimte in de contactmomenten van de jeugdgezondheidszorg, om voorlichting te geven over het RVP en het gesprek te voeren over (het belang van) vaccinaties;

  • Er is een e-learning ontwikkeld met verdiepende scholing voor professionals over vaccinaties en het RVP;

  • Er wordt intensiever met de jeugdgezondheidszorg en kinderartsen samengewerkt bij het opstellen van richtlijnen, bijvoorbeeld in het landelijk RVP overleg;

  • Er is een samenwerking van het RIVM met biologieleraren;

  • Het RIVM spreekt met groepen die kritisch tegenover vaccinatie staan.

Vraag 252

Welke risico's brengt de daling van de vaccinatiedekkingsgraad met zich mee?

Antwoord:

Alhoewel de vaccinatiegraad een licht dalende trend laat zien, is de vaccinatiegraad in Nederland nog steeds hoog, met uitzondering van HPV. Daling van de vaccinatiegraad leidt ertoe dat minder kinderen beschermd zijn, vooral bij ziekten waarvan de ziekteverwekker nog circuleert in Nederland leidt dit tot extra ziektegevallen. Dit is het geval bij bijvoorbeeld kinkhoest en HPV. Voor veel andere ziekten geldt dat bij een hoge vaccinatiegraad de ziekteverwekker zich moeilijker kan verspreiden, de zogenaamde groepsbescherming. Dit is bijvoorbeeld van belang bij polio, difterie, rodehond, mazelen en meningokokken C. Van deze ziekten komt de groepsbescherming bij mazelen het eerst in gevaar bij een dalende vaccinatiegraad. Op korte termijn is hier nog geen probleem te verwachten. Bij een langdurige vaccinatiegraad onder de 95% neemt de kans op mazelenuitbraken toe. Ook bij een hoge vaccinatiegraad kunnen individuele gevallen van mazelen voorkomen, maar deze zullen niet leiden tot een landelijke uitbraak.

Vraag 253

Wat gaat u doen om de vaccinatiedekkingsgraad weer te verhogen?

Antwoord:

In mijn brief van 26 juni jl. (TK 32 793, nr. 315) heb ik toegezegd uw Kamer in het najaar te informeren over de maatregelen die ik zal nemen en gericht zijn op het verbeteren van de vaccinatiegraad.

Vraag 254

Kunt u per productgroep inzichtelijk maken voor hoeveel producten er wel en voor hoeveel producten er geen afspraken zijn gemaakt binnen het Akkoord Verbetering Productsamenstelling?

Antwoord:

Op de website van het Akkoord Verbetering Productsamenstelling staan de gemaakte afspraken voor maximumnormen per productgroep en subcategorieën voor zout, verzadigd vet en suiker. De Wetenschappelijke adviescommissie van het Akkoord heeft in haar adviezen aan de stuurgroep ook een overzicht opgesteld van productgroepen waarvoor wel of geen afspraken zijn gemaakt. Dit overzicht is ook te vinden op de website.

Vraag 255

Kunt u een overzicht geven van de absolute levensverwachting in jaren en de jaren daarvan in goed ervaren gezondheid onderverdeeld in laag, midden en hoog sociaaleconomische status én minimum, modaal en hoog inkomen?

Antwoord:

Onderstaande tabel geeft overzicht van de levensverwachting en de gezonde levensverwachting naar onderwijsniveau en inkomensklasse voor verschillende leeftijden. De bron is het CBS.

Nieuwe cijfers over de periode 2015/2018 verschijnen in 2019. Op inkomensniveau zijn er geen gegevens beschikbaar voor de periode 2013/2016.

Gezonde levensverwachting; onderwijsniveau
 

Onderwerpen

Levensverwachting

Gezonde levensverwachting

Levensverw. in als goed ervaren gezondh.

 

Onderwijsniveau

Laag onderwijs-niveau

Middelbaar onderwijs-niveau

Hoog onderwijs-niveau

Laag onderwijs-niveau

Middelbaar onderwijs-niveau

Hoog onderwijs-niveau

Leeftijd

Perioden

jaren

jaren

jaren

jaren

jaren

jaren

0 jaar

2011/2014

79,6

81,7

83,8

57,9

65,4

71,3

0 jaar

2013/2016

79,3

81,8

84,4

57,2

65,4

71,5

40 jaar

2011/2014

41,4

43,2

45,1

24,9

30,3

34,8

40 jaar

2013/2016

41,4

43,2

45,5

24,5

30,6

35,1

65 jaar

2011/2014

19,4

20,5

21,9

10

12,8

15,1

65 jaar

2013/2016

19,4

20,5

22,2

10,2

13,3

15,2

Gezonde levensverwachting; inkomensklasse (periode 2011–2014)
 

Levensverwachting

Gezonde levensverwachting

In als goed ervaren gezondheid

Inkomensklasse

Laagste inkomensklasse

Laag midden inkomensklasse

Midden inkomensklasse

Hoog midden inkomensklasse

Hoogste inkomensklasse

Laagste inkomensklasse

Laag midden inkomensklasse

Midden inkomensklasse

Hoog midden inkomensklasse

Hoogste inkomensklasse

Leeftijd

Geslacht

jaren

jaren

jaren

jaren

jaren

jaren

jaren

jaren

jaren

jaren

0 jaar

Mannen

75,1

79,3

81,5

82,1

83,3

54,4

59,9

65,2

68,8

71,9

0 jaar

Vrouwen

78,9

84,3

85,3

86,2

85,6

53

59,4

64,1

68,4

71,8

40 jaar

Mannen

36,5

40,2

42,3

43

44,2

20,5

24,3

28,9

32

35

40 jaar

Vrouwen

40

45

46

46,8

46,3

20,3

25

28,4

32,4

34,6

65 jaar

Mannen

15,8

18,3

19,7

20,1

20,8

8,3

9,9

11,9

13,6

14,6

65 jaar

Vrouwen

18,1

22,6

23,2

23,4

22,7

8,2

10,7

12

14,1

14,9

Vraag 256

Welke acties onderneemt de regering de komende tijd om de ambities en de deadline van het Akkoord Verbetering Productsamenstelling eind 2020 te halen?

Antwoord:

Momenteel zijn gesprekken gaande met het veld over acties voor het bereiken van de ambities eind 2020. Zoals vermeld in mijn brief van 25 april 2018 (TK 31 532, nr. 195), zal ik u te zijner tijd over de uitkomst van deze gesprekken op de hoogte stellen.

Vraag 257

Hoeveel geld is er beschikbaar voor het Programma Kansrijke start en hoe is dat bedrag opgebouwd?

Antwoord:

Zie mijn antwoord op vraag 180.

Vraag 258

Wat zijn de exacte uitgaven voor het Rijksvaccinatieprogramma, zowel vanuit het Rijk, RIVM en Gemeentefonds, de komende jaren? Kunnen deze uitgaven uitgesplitst worden over de diverse kostenposten zoals inkoop, informatievoorziening, voorlichting en uitvoer?

Antwoord:

De begrote uitgaven voor het Rijksvaccinatieprogramma, zowel vanuit het Rijk, RIVM en Gemeentefonds, de komende jaren zijn als volgt:

Bedragen x € 1 miljoen
 

20181

20192

2020

2021

2022

2023

Kosten aanschaf vaccins

51,9

70,2

50,4

50,9

51,5

52,0

Entkosten (Gemeentefonds)

31,8

45,1

35,5

35,9

36,2

36,2

Kosten RIVM rond de inkoop, opslag en distributie van vaccins én de coördinatie van de uitvoering en de registratie van het RVP

11,5

13,0

13,7

13,7

13,7

13,7

Overige kosten RIVM zoals surveillance, immunologisch onderzoek, modellering en kosteneffectiviteitsstudies, monitoring en onderzoek naar (zeldzame) bijwerkingen van vaccinatie en communicatie

10,3

12,6

14,0

14,0

14,0

14,0

Implementatiekosten invoering nieuwe vaccins

1,2

4,5

0,0

0,0

0,0

0,0

Budget bestemd voor technologische en demografische ontwikkelingen

0

3,8

3,7

0,8

1,2

1,2

Totaal

106,7

149,3

117,3

115,3

116,6

117,1

X Noot
1

Inclusief de uitbreiding van het RVP met de meningokokken ACWY-vaccinatie van kinderen van 12–14 jaar

X Noot
2

Inclusief de uitbreiding met de rotavirusvaccinatie aan risicogroepen, de Maternale kinkhoestvaccinatie en de inhaalcampagne meningokokken ACWY-vaccinatie om adolescenten uit de geboortejaren 2001 tot en met 2005 te vaccineren.

Vraag 259

Hoe groot is de griepvaccinatiegraad onder ouderen op dit moment? Welke stappen worden ondernomen om deze weer te laten toenemen?

Antwoord:

Uit de «Monitor vaccinatiegraad Nationaal Programma Grieppreventie 2017» die samen met het advies van het bestuurlijk afstemmingsoverleg (BAO) op 10 oktober 2018 naar uw Kamer is verzonden blijkt dat de griepvaccinatiegraad 53,6% bedraagt onder mensen van 60 jaar en ouder. In de groep 60–64 jarigen was de vaccinatiegraad lager (34,4%) dan in de groep van 65 jaar en ouder (60,4%).

Het RIVM heeft recent de voorlichting over het Nationaal Programma Grieppreventie aangepast. In plaats van een folder is een infographic ontwikkeld met informatie over griep en de griepprik die bij de uitnodiging wordt verstuurd. Hierin staat de belangrijkste informatie overzichtelijk op een rij en wordt ook aandacht besteed aan misvattingen over de onderwerpen, die van invloed kunnen zijn op de beslissing die mensen maken om zich wel of niet te vaccineren. Ook heeft het RIVM deze informatie geschikt gemaakt voor gebruik op de sociale media. Met deze informatie en de informatie op de website wordt de doelgroep toegankelijke informatie geboden om hen in staat te stellen een goed geïnformeerde keuze te maken over vaccinatie tegen griep.

Naast bovengenoemde middelen heeft de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie, in samenwerking met het RIVM en het Nederlands Huisartsen Genootschap, handzame informatie voor de huisartsen(prakijken) en zorginstellingen ontwikkeld, om hen te faciliteren bij de voorlichting aan de doelgroepen.

Ook andere partijen werken aan voorlichting over de griepvaccinatie. De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) heeft, samen met de Nederlandse Federatie voor Universitair Medische Centra (NFU), de Federatie Medisch Specialisten en Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN), een campagne georganiseerd om het vaccineren tegen griep op positieve wijze onder de aandacht van artsen, verpleegkundigen en verzorgenden te brengen.

Vraag 260

Worden binnen het Rijksvaccinatieprogramma acties ondernomen specifiek gericht op de vaccinatiegraad onder ouderen?

Antwoord:

Het enige programmatische aanbod voor ouderen is de griepvaccinatie en deze wordt aangeboden binnen het Nationaal Programma Grieppreventie. Zoals ook is aangekondigd in mijn brief van 10 oktober 2018 ben ik voornemens om samen met diverse partijen extra aandacht te besteden aan het verbeteren van de griepvaccinatiegraad (zie antwoord vraag 259). In de brief die ik naar aanleiding van de dalende vaccinatiegraad naar uw Kamer zal sturen, wordt ook aandacht besteed aan de griepvaccinatie. Daarnaast ontvangt u binnenkort ook mijn reactie op het GR advies ten aanzien van pneumokokkenvaccinatie voor ouderen.

Vraag 261

Verwacht de regering, in het kader van vergrijzing, een toename van het gebruik van vaccinaties onder ouderen? Zo ja, is de regering hierop voorbereid en hoe?

Antwoord:

Er is inderdaad als gevolg van de vergrijzing een grotere doelgroep voor vaccinaties onder ouderen te verwachten. Er zijn binnen het Nationaal Programma Grieppreventie voldoende vaccins beschikbaar om te voorzien in een groeiende vraag naar vaccinaties door bijvoorbeeld vergrijzing. De griepvaccinatie is momenteel het enige programmatische aanbod voor ouderen. Deze wordt aangeboden binnen het Nationaal Programma Grieppreventie. Daarnaast ontvangt u binnenkort ook mijn reactie op het GR advies ten aanzien van pneumokokkenvaccinatie voor ouderen. Mogelijke andere nieuwe vaccinaties in de toekomst zullen eerst ter advisering aan de Gezondheidsraad worden voorgelegd.

Vraag 262

Welke bedragen zijn gemoeid met de preventie van schadelijk middelengebruik, onderverdeeld in alcohol, drugs en tabak en waar wordt dit aan besteed?

Antwoord:

Het grootste deel van het budget bestemd voor preventie van schadelijk middelengebruik is bestemd voor subsidies (ca. € 10 miljoen). Een onderverdeling tussen het budget voor alcohol, tabak of drugs is niet goed te maken aangezien we een aantal jaar geleden gekozen hebben voor een integrale aanpak.

Het budget wordt gebruikt voor inzet op het terrein van bijvoorbeeld:

  • de NIX18 campagne;

  • diverse monitors zoals het peilstationonderzoek, de Nationale Drug Monitor (NDM), onderzoek naar middelengebruik onder zwangere vrouwen etcetera;

  • interventies op het gebied van veilig uitgaan zoals ouderondersteuning op het gebied van uitgaansdrugs en de Celebrate Safe;

  • het Drugs Informatie en Monitoringsysteem (DIMS).

Vraag 263

Welke bedragen zijn gemoeid met depressiepreventie, suïcidepreventie en het voorkomen van overgewicht/obesitas?

Antwoord:

Voor het Meerjarenprogramma Depressie Preventie (MJP), dat loopt tot en met 2020, is een bedrag gereserveerd van € 750.000 per jaar. Dit bedrag is bestemd voor het ontwikkelen van ketenaanpak voor de zes hoogrisicogroepen voor depressie.

Daarnaast is jaarlijks (t/m 2020) € 1 miljoen. beschikbaar voor een publiekscampagne.

Ten behoeve van suïcidepreventie zijn incidenteel (naast de instellingsubsidie voor 113Zelfmoordpreventie ter hoogte van € 3,4 miljoen. en de uitvoering van het onderzoeksprogramma van ZonMw ter hoogte van € 3.2 miljoen. (2016–2020)) onderstaande middelen beschikbaar gekomen via het regeerakkoord.

Bedragen x € 1.000

2018

2019

2020

2021

2022

3.215

3.987

3.769

3.962

2.000 (structureel)

Het extra structurele budget van € 2 miljoen. zal worden toegevoegd aan de instellingssubsidie van 113Zelfmoordpreventie.

In de begroting 2019 staat € 15 miljoen. voor Gezonde leefstijl en gezond gewicht gereserveerd. Een aantal voorbeelden van programma’s die hieruit worden gefinancierd zijn: Gezonde School en Gezonde Kinderopvang. Dit betreft de middelen exclusief de eventuele middelen die voortvloeien uit het Preventieakkoord voor 2019. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat ook via andere maatregelen, zoals bijvoorbeeld de Gecombineerde Leefstijlinterventie en de buurtsportcoaches, aandacht wordt besteed aan het thema overgewicht en obesitas.

Vraag 264

Hoeveel jongeren zijn afgelopen jaar opgenomen op een alcoholpoli? Welke trend is er te zien?

Antwoord:

In 2017 zijn 860 jongeren opgenomen op een alcoholpoli, waarvan 671 met een alcoholintoxicatie. Dit is een lichte toename ten opzichte van 2016 (574), maar lager dan in 2015 (713). De onderzoekers van het Nederlands Signaleringscentrum Kindergeneeskunde (NSCK) constateren dat van een opnieuw fors stijgende trend in ieder geval geen sprake lijkt te zijn (zie Rapportage alcoholintoxicaties onder minderjarigen, bijlage 2 bij kamerbrief TK 2017/18, 27 565, nr. 171).

Vraag 265

Hoeveel alcoholpoli's zijn er op dit moment in Nederland?

Antwoord:

Nederland telt 12 alcoholpoli’s.

Vraag 266

Wat is de gemiddelde leeftijd van jongeren die behandeld worden voor «comazuipen»?

Antwoord:

De gemiddelde leeftijd van jongeren die voor een alcoholintoxicatie opgenomen worden bedraagt 15,5 jaar.

Vraag 267

Wat zijn de omzet- en winstcijfers van de alcoholbranche?

Antwoord:

Over deze cijfers beschik ik niet.

Vraag 268

Wat is de ontwikkeling van het aantal kinderen en jongeren dat de afgelopen tien jaar is begonnen met roken?

Antwoord:

De afgelopen 10 jaar zijn steeds minder jongeren begonnen met roken (HBSC, Universiteit van Utrecht 2017). Tussen 2007 en 2017 daalde het aantal jongeren tussen de 12 en 16 jaar dat ooit heeft gerookt significant van 36,2% naar 16,1%. Ook bleek uit het onderzoek dat het aantal jongeren dat de afgelopen maand had gerookt daalde van 16,8% (in 2009) naar 7,4%. Het aantal jongeren dat dagelijks rookt daalde tussen 2007 en 2017 van 6,6% naar 2,1%. Deze dalende trend is zichtbaar sinds 2001. De verschillen in schoolniveaus zijn groot. Jongeren in het vmbo-b zijn veel vaker een roker dan jongeren in het vwo, maar ook onder deze eerst genoemde groep daalde het aantal rokers. Jongens roken wat vaker dan meisjes. Het HBSC-onderzoek is op 5 september 2018 aan uw Kamer aangeboden.

Vraag 269

Wat is de ontwikkeling van het aantal kinderen en jongeren dat de afgelopen tien jaar is begonnen met roken van e-sigaretten?

Antwoord:

Het gebruik van de e-sigaret onder jongeren wordt pas sinds 2013 onderzocht (HBSC 2013). In 2013 had 22,1% van de 12 tot 16-jarige scholieren ooit een e-sigaret gebruikt, in 2015 was dat 34,3% en in 2017 was dat 27,5% (HBSC, Universiteit van Utrecht 2017). Opvallend is dat het aantal jongeren dat ooit een e-sigaret heeft gebruikt (27,5%) groter is dan het aantal jongeren dat ooit heeft gerookt (16,1%).

Vraag 270

Wat is de ontwikkeling van het aantal kinderen en jongeren dat de afgelopen tien jaar is begonnen met het gebruik van soft- en harddrugs?

Antwoord:

Het percentage Nederlandse scholieren van het voortgezet onderwijs van 12–16 jaar dat ooit cannabis rookte, daalde van 16,5% in 2003 naar 9,7% in 2015.

De gemiddelde startleeftijd onder 12–16-jarige scholieren die ervaring hebben met cannabis steeg in deze periode van 13,7 jaar naar 14,1 jaar.

In 2017 rapporteerde 1% van de leerlingen van het voortgezet onderwijs van 12 tot 16 jaar ooit wel eens ecstasy gebruikt te hebben. In 2003 was dat nog 2,4%.

Het gebruik stijgt met de leeftijd. Van de 12-jarigen heeft 0,2% ervaring met ecstasy, van de 16-jarigen heeft 2,2% ervaring met ecstasy.

Onder scholieren van 12–16 jaar van het voortgezet onderwijs daalde tussen 2003 en 2015 het percentage dat ooit cocaïne had gebruikt van 2% naar 1,3%.

Vraag 271

Welke vaccinaties voor kinderen en ouderen worden in 2018 vergoed?

Antwoord:

In Nederland worden aan kinderen vaccinaties aangeboden die beschermen tegen 12 ernstige infectieziekten, het gaat om: difterie, kinkhoest, tetanus, polio, hemophilus influenza type B, hepatitis B, pneumokokkenziekte, bof, mazelen, rodehond, meningkokken ACWY en baarmoederhalskanker

Kinderen komen tot 18 jaar in aanmerking voor de vaccinaties uit het rijksvaccinatieprogramma, dus als zij een vaccinatie gemist hebben en die in willen halen kan dat nog tot 18 jaar gratis.

Een duidelijke infographic van de vaccins voor kinderen is te vinden op de website van het Rijksvaccinatieporgramma.

In Nederland worden aan ouderen alleen het griepvaccin aangeboden in een door de overheid gefinancieerd programma, via het Nationaal Programma Grieppreventie. De prik is voor mensen van 60 jaar en ouder en volwassenen en kinderen met bepaalde medische aandoeningen. Deze mensen ontvangen van hun huisarts een uitnodiging voor de jaarlijkse griepprik.

Er zijn ook nog diverse vaccinatieprogramma’s voor risicogroepen, zoals een subsidieregeling om hepatitis B te vergoeden bij mensen die opgeleid worden voor werk in de zorg, vaccinatie tegen tuberculose bij kinderen van wie de ouders afkomstig zijn uit landen waar tuberculose veel voorkomt en vaccinatie tegen hepatitis B bij mannen die seks hebben met mannen en sekswerkers.

Vraag 272

Kunt u per type vaccinatie aangeven welke kosten de ontwikkeling met zich meebrengt, zowel in totaal als per vaccinatie? Hoeveel kost de aanschaf van een vaccinatie?

Antwoord:

Ik heb geen inzicht in de kosten van de ontwikkeling van een vaccin. Voor de kosten van de aanschaf van vaccins verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 258 en 304.

Vraag 273

Worden de middelen die overgaan naar de gemeente met betrekking tot de uitvoering van een deel van het Rijksvaccinatieprogramma gelabeld? Hoe wordt gegarandeerd dat gemeenten deze middelen ook daadwerkelijk aan het Rijksvaccinatieprogramma besteden?

Antwoord:

Bij het aanbieden van het wetsvoorstel is als bijlage bij het Advies afdeling advisering Raad van State en nader (TK 34 472, nr. 4) tevens het «Financieel onderzoek Rijksvaccinatieprogramma, HHM, Enschede april 2016» opgeleverd. Op basis van het rapport zijn in overleg met de VNG afspraken gemaakt over het over te hevelen macrobudget, de soort uitkering en de verdeelmaatstaf. Uitgangspunt hierbij was dat gemeenten de beschikbare budgetten gebruiken zodat JGZ-organisaties de RVP-taken kwalitatief verantwoord kunnen uitvoeren. Er is afgesproken om een budget over te hevelen van 30,8 miljoen euro (nog exclusief de loon- en prijsontwikkeling van 2019) naar het gemeentefonds via een algemene uitkering en voor de verdeling de bestaande verdeelmaatstaf «jongeren» te hanteren. Alleen het eerste jaar is het budget dat voor iedere gemeente voor deze taak beschikbaar is, zichtbaar in de circulaire van het Gemeentefonds.

Wanneer er aanleiding toe is, geeft een algemene uitkering de mogelijkheid om het budget bij te stellen. Bijvoorbeeld vanwege een beleidswijziging door VWS in het RVP, wat volgens het kostenonderzoek van het bureau HHM uit 2016 van directe invloed is op het budget. Jaarlijks worden hiertoe de ontwikkelingen binnen het RVP in overleg tussen VWS en de VNG besproken. Uitgangspunt is dat gezamenlijk gestreefd blijft worden naar een zo efficiënt mogelijke uitvoering.

Met een algemene uitkering kan niet gegarandeerd worden dat de middelen daadwerkelijk besteed worden aan het RVP. Uit overleg met het veld is wel gebleken dat gemeenten het programma dermate belangrijk vinden dat wij alle vertrouwen hebben dat zij deze verantwoordelijkheid volledig zullen nemen en de middelen dus zeker gebruiken voor het bestemde doel.

Vraag 274

Wat zijn de ambities van het Nationaal Preventieakkoord per thema?

Antwoord:

Het Nationaal Preventieakkoord richt zich op de thema’s roken, overgewicht (inclusief gezonde voeding) en problematisch alcoholgebruik. Het is de ambitie om op elk van deze thema’s op de lange termijn, in 2040, echt tot forse gezondheidswinst te komen. Hiervoor moeten op de korte termijn een aantal goede eerste stappen worden gezet. De gesprekken over de concrete ambities en maatregelen zijn momenteel nog gaande. Dit najaar informeer ik u over het akkoord.

Vraag 275

Welke bedragen zijn beschikbaar voor het uitvoeren van de verschillende acties binnen het Nationaal Preventieakkoord?

Antwoord:

In het regeerakkoord zijn er middelen gereserveerd om in te zetten op de verschillende acties binnen het Nationaal Preventieakkoord. Over de inzet van deze middelen in 2018 is uw Kamer geïnformeerd via de incidentele suppletoire begroting (TK 34 2888 nr. 2). Over de middelen voor 2019 en verder vindt momenteel besluitvorming plaats binnen het kabinet. Het gaat hierbij voor 2019 om een totaalbedrag van 23 miljoen euro dat beschikbaar is vanuit het regeerakkoord voor het Nationaal Preventieakkoord. Na afronding van deze besluitvorming zal uw Kamer geïnformeerd worden via de nota van wijziging, die u voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van 17 en 18 oktober ontvangt. Over de inhoudelijke activiteiten wordt u dit najaar geïnformeerd zodra de gesprekken met deelnemende partijen in het Preventieakkoord afgerond zijn.

Vraag 276

Welke partijen zijn er betrokken bij het opstellen van het Nationaal Preventieakkoord en kunt u de verschillende partijen indelen per sector? Op welke wijze is Caribisch Nederland vertegenwoordigd in het Nationaal Preventieakkoord, zowel in het opstellen als in de doelstellingen?

Antwoord:

Voor de partijen die betrokken zijn bij het Nationaal Preventieakkoord verwijs ik u naar mijn brief van 20 april jl. (TK 32 793, nr. 297). Voor inzet op de thema’s uit het Nationaal Preventieakkoord in Caribisch Nederland is het belangrijk om aan te sluiten bij de lokale situatie. In 2019 wordt daarom apart een Caribisch Sport- en Preventieakkoord gesloten met de openbare lichamen en (maatschappelijke) organisaties.

Vraag 277

Wanneer verschijnt de advisering van het Zorginstituut en de Gezondheidsraad over eventuele opname van de Niet-Invasieve Prenatale Test (NIPT) in het basispakket?

Antwoord:

Zoals aangegeven in de Kamerbrief «Basispakket Zvw 2019» van 1 juni 2018 heeft het Zorginstituut Nederland op 31 juli 2017 advies uitgebracht over opname van de niet-invasieve prenatale test (NIPT) in het basispakket (TK 29 689, nr, 909). Het Zorginstituut heeft geadviseerd om de NIPT als eerste test zonder medische indicatie niet via het basispakket te financieren. In het Regeerakkoord is afgesproken dat de NIPT niet wordt opgenomen in het basispakket en dat de financiering voor de NIPT beschikbaar blijft.

Vraag 278

Kunt u inzicht geven in de sociaaleconomische gezondheidsverschillen over de afgelopen jaren? Kunt u daarbij onderscheid maken naar mensen met een laag, een modaal en een hoog inkomen? Wat zijn tot nu toe de resultaten van de preventiecoalities?

Antwoord:

Voor een cijfermatig overzicht van de ontwikkeling van sociaaleconomische gezondheidsverschillen verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag nummer 255.

Ten aanzien van uw vraag over de preventiecoalities het volgende. De voortgang en de resultaten van de preventiecoalities worden jaarlijks in beeld gebracht door het RIVM in het kader van de evaluatie van de samenwerking tussen zorgverzekeraars en gemeenten op het gebied van preventie. Met de brief van 20 april 2018 (TK 32 793, nr. 297) heeft u de publicatie Evaluatie Preventie in het zorgstelsel ontvangen. De volgende evaluatie wordt in maart 2019 verwacht.

Vraag 279

Hoeveel preventiecoalities zijn er inmiddels gesloten?

Antwoord:

Op dit moment zijn er vijf preventiecoalities gesloten en is één subsidieaanvraag voor een preventiecoalitie in behandeling.

Vraag 280

Wat zijn de belangrijkste projecten waar het Nederlands Lymeziekte-expertisecentrum momenteel mee bezig is? Wat zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten? Welke subsidies gaan er naar welke onderzoeken?

Antwoord:

De partners in het Nederlands Lymeziekte-expertisecentrum (NLe) leveren in de lymeziektepoli van het Amsterdam UMCUniversitair Medisch Centrum en het Radboudumc derdelijnszorg op het gebied van Lyme. Met andere ziekenhuizen samen leveren zij tweedelijnszorg.

Daarnaast hebben de deelnemende partijen van het Nederlands Lymeziekte-expertisecentrum (NLe) gezamenlijk onderzoeksprojecten opgezet. Met input van de patiëntenvertegenwoordigers heeft het NLe een aantal onderzoeksprioriteiten bepaald. Ook nieuwe onderzoeken worden in overleg met patiëntenvertegenwoordigers opgezet. Onderstaand de belangrijkste projecten, deze lopen allemaal nog dus er zijn nog geen definitieve onderzoeksresultaten. De subsidies worden besteed aan de onderzoeksprojecten.

LymeProspect

In het LymeProspect-onderzoek kijken onderzoekers en artsen hoe vaak langdurige klachten voorkomen en wat de oorzaken zijn. Iedereen die een antibioticabehandeling krijgt voor de ziekte van Lyme kan zich aanmelden.

Met het onderzoek hopen de betrokken onderzoekers in de toekomst langdurige klachten beter te kunnen behandelen en te kunnen voorkomen.

LymeProspect KIDS

Kinderen (onder de 18 jaar) lopen ongeveer een kwart van alle tekenbeten op. Sinds 2017 kunnen daarom ook kinderen met de lymeziekte meedoen aan het LymeProspect-onderzoek. Zo kunnen de betrokken onderzoekers en artsen vaststellen of de kans op klachten na een behandeling voor de ziekte van Lyme anders is bij kinderen dan bij volwassenen, en ook of mogelijk andere oorzaken een rol spelen.

Victory

De huidige diagnostische tests om te onderzoeken of iemand Lyme heeft, hebben enkele belangrijke beperkingen. Ze zijn ongevoelig in de vroege fase van de ziekte en maken bij langdurige klachten niet goed onderscheid tussen een doorgemaakte en actieve lymeziekte.

Een diagnostische test die wel gevoelig is tijdens een beginnende Lyme-infectie en die goed onderscheid maakt tussen een oude en actieve infectie zou een goede aanvulling zijn op bestaande tests. Van cellulaire tests wordt gezegd dat die deze eigenschappen hebben. Binnen het Victory-onderzoek wordt onderzocht of cellulaire tests van aanvullende waarde zijn in het stellen van de diagnose lymeziekte. Victory staat voor Validation of Cellular tests for Lyme borreliosis.

Biobank

Om bij de ziekte van Lyme de diagnose, behandeling en het daaraan gerelateerde beloop van de ziekte te registreren is het belangrijk om hierover informatie te verzamelen.

Het NLe heeft een biobank opgestart waarin, na verkregen toestemming van patiënten, geanonimiseerde klinische gegevens, informatie uit vragenlijsten en patiëntenmaterialen worden bewaard van mensen met (een verdenking op) lymeziekte. Hierdoor is het mogelijk om verder onderzoek te doen naar voorspellende of oorzakelijke factoren voor een ernstig beloop van lymeziekte, kunnen patiëntengroepen worden geïdentificeerd die baat hebben bij (aanvullende) antibiotische behandeling en kunnen nieuw ontwikkelde diagnostische test worden onderzocht.

Ticking on Pandora's box

Teken in Nederland kunnen behalve de verwekker van de ziekte van Lyme ook diverse andere (mogelijke) ziekteverwekkers bij zich dragen. Met het Pandora-onderzoek willen de onderzoekers bepalen hoe vaak ziekte door deze andere verwekkers dan de lymebacterie voorkomt bij patiënten met koorts na een tekenbeet in Nederland.

Daarnaast willen zij de diagnostische tests die deze ziekteverwekkers aantonen, verbeteren.

Vraag 281

Hoe verhoudt het plan om ongewenste (tiener)zwangerschappen te voorkomen of te ondersteunen in Caribisch Nederland zich tot de algemene plannen van onbedoelde zwangerschappen?

Antwoord:

We bekijken of de diverse initiatieven in Nederland op dit onderwerp ook op de eilanden wenselijk en bruikbaar zijn. We hebben de afgelopen jaren geleerd dat de Nederlandse aanpak niet één-op-één door te vertalen is naar Caribisch Nederland. We gaan daarom met de lokale organisaties in gesprek om te kijken waar de behoeften liggen en hoe en welke extra inzet plaats kan vinden.

Vraag 282

Welke alternatieven voor antibiotica zijn er op dit moment? Werken deze alternatieven wel effectief wanneer er sprake is van antibioticaresistentie? Zo ja, naar welke innovaties, nieuwe middelen en alternatieven bent u dan aanvullend op zoek?

Antwoord:

Op dit moment zijn er niet veel effectieve alternatieven voor antibiotica. Er zijn natuurlijk wel antibiotica die als laatste optie ingezet worden, mochten andere antibiotica niet bij de patiënt aanslaan.

Ik zie graag dat er meer alternatieven ontwikkeld worden. Om deze reden subsidieer ik ook onderzoek hiernaar. Zowel nationaal, via ondermeer het NACTAR en NADP programma, als internatonionaal via bijvoorbeeld een bijdrage aan het GARDP programma.

Om u een inzicht te geven naar welke innovaties, nieuwe middelen en alternatieven we op zoek zijn geef ik kort aan wat voor een onderzoek binnen NACTAR plaats vindt.

Binnen NACTAR richten de onderzoeksprojecten zich vanuit diverse invalshoeken op nieuwe antibiotica. Eén van de projecten moet bijvoorbeeld antwoord geven op de vraag hoe je menselijke afweercellen kunt «resetten» als die door resistente bacteriën zijn aangetast. In een ander project ontwikkelen wetenschappers eiwitten die resistente bacteriën vatbaar moeten maken voor antibiotica die tot nu toe alleen werkten bij andere bacteriegroepen. Daarnaast richten enkele gehonoreerde projecten zich op het doorontwikkelen van veelbelovende stoffen die effectief lijken tegen resistente micro-organismen, en een alternatief kunnen zijn voor de huidige antibiotica.

Verder ben ik voornemens op volgend jaar een (ministeriele) conferentie te organiseren met de WHO. Dit is een vervolg op de Ministeriele AMR conferentie die mijn voorganger in 2014 met de WHO heeft georganiseerd. Uit de 2014 conferentie is het WHO Mondiale AMR Actieplan voorgekomen. De conferentie in 2019 heeft als doel om stil te staan bij de bereikte resultaten en de vraag waar we acties moeten intensiveren en versnellen

Vraag 283

Kunt u een uitsplitsing maken van de besteding van de middelen die in het regeerakkoord voor de jaren 2018 tot en met 2021 zijn gereserveerd voor preventie en ondersteuning bij onbedoelde zwangerschappen (totaal € 53 miljoen)? Kunt u hierbij aangeven welk deel van deze middelen bestemd is voor Kansrijke Start?

Antwoord:

Hieronder is de uitsplitsing in een tabel weergegeven. Daarbij zijn de volgende opmerkingen te maken. Zoals in de brief preventie en ondersteuning onbedoelde (tiener) zwangerschappen van 11 september jl. is aangegeven, zullen partijen nog een plan maken voor onderwijs (zie punt 1 in de tabel) (TK 32 279, nr. 123). Dit leveren zij in december 2018 op. Aan de hand van dit plan kan worden bezien welke middelen daadwerkelijk en voor welke specifieke maatregelen deze middelen kunnen worden ingezet in het onderwijs. De bedragen die nu worden genoemd, zijn daarom slechts een indicatie.

Voor punt 3 uit de tabel (de ondersteuning van onbedoelde zwangerschap) zijn bedragen gereserveerd die ook nog nader moeten worden bepaald. De keuzehulpgesprekken worden – zoals ik u per brief op 11 september jongstleden heb geïnformeerd – via een open house financiering bekostigd. Dit betekent dat ik pas na 1 januari 2019 weet hoeveel partijen zich zullen inschrijven voor de open house en welke financieringsconsequenties dit met zich mee brengt.

Dit geldt ook voor de 24 uurs bereikbaarheid en de ontwikkeling van de ontwikkeling trajectmatige online en blended (combinatie face to face en online) ondersteuning. Hoogstwaarschijnlijk zullen deze twee laatste activiteiten moeten worden aanbesteed en zal – aan de hand van de offertes die ontvangen worden van partijen – kunnen worden bepaald hoe hoog de bedragen voor deze posten zullen zijn.

De bedragen voor het programma Nu Niet Zwanger en voor de beleidsoptimalisatie jong en kwetsbaar ouderschap zijn onderdeel van het programma Kansrijke Start.

De bedragen die zijn gereserveerd voor het programma Nu Niet Zwanger zijn lager dan vanuit het programma Kansrijke start wordt gecommuniceerd. Dit komt omdat niet alle bedragen voor het programma Nu Niet Zwanger uit de RA middelen van onbedoelde zwangerschappen worden betaald; dit antwoord is beperkt tot de middelen uit het Regeerakkoord voor preventie en ondersteuning van onbedoeld zwangere vrouwen.

Tot slot telt de tabel niet op tot de € 53 miljoen die beschikbaar is. Dit komt omdat in 2018 een kasschuif van € 10 miljoen heeft plaatsgevonden en deze is verspreid over de jaren tot aan 2023. Dit betekent dat de € 53 over meer jaren is verspreid dan de huidige kabinetsperiode.

Zevenpuntenplan

Actie

2018

2019

2020

2021

Collectieve preventie

Publiekscampagne

0,5

1

1

 

Plan onderwijs

6,8

6,8

3

 

Coördinatie masterplan onderwijs

0,06

 

Voor seksuele gezondheid Gezonde school

0,03

Groepen met hoog risico

ZonMW programma hoogrisicogroepen + punt 7 kennisinfrastructuur

0,1

3,5

3,5

3,5

Ondersteuning onbedoelde zwangerschap

Ontwikkeling trajectmatige online en blended ondersteuning

 

0,3

0,15

0,075

 

24 uurs bereikbaarheid

0,1

0,1

0,1

0,115

 

Keuzehulp gesprekken andere organisaties

0,37

1,9

1,9

1,9

Anticonceptie-counseling voor hoogrisicogroepen

Extra gelden Nu Niet Zwanger voor landelijke uitrol

0,9

0,5

0,5

1

 

Reeds lopende gelden Nu Niet Zwanger

1

1

1

 

(Herhaalde) abortus

Samenwerking huisartsen/ abortusartsen

0,2

0,2

Jong en kwetsbaar ouderschap

Beleidsoptimalisatie bij Jong en Kwetsbaar ouderschap via ZonMW

0

1,5

1,5

1,5

Kennisprogramma

ZonMw

Stimulering kennisinfrastructuur over bereik professionals en burgers via ZonMw

Zie punt 2

Zie punt 2

Zie punt 2

Zie punt 2

 

Conferentie half 2019 en eind kabinet

0,05

   

0,05

Monitoring

Monitoring

0,1

0,1

0,1

 

Caribisch Nederland

0,5

0,5

0,5

0,5

 

Totaal kosten

3,8

17,2

17,1

10,3

Vraag 284

Hoe is de verdeling tussen de subsidie van FIOM en Siriz tot stand gekomen?

Antwoord:

Ik ga er vanuit dat u hiermee doelt op de subsidies aan Fiom en Siriz voor preventie en ondersteuning onbedoelde zwangerschappen. Dit heeft een lange geschiedenis.

In 2013 is FIOM – als gevolg van een discussie over staatssteun die ontstond doordat taken werden gedecentraliseerd (Wmo, Jeugdwet) – gekort op het onderdeel keuzehulpgesprekken. Om die reden is de subsidie van Fiom in 2012 afgebouwd van € 4,5 miljoen naar € 2,3 miljoen in het jaar 2013. In die afbouw zat de opdracht om uitvoeringsorganisatie FIOM geheel om te vormen naar het nationale kenniscentrum voor onbedoelde zwangerschappen en afstammingsvragen. Dat heeft FIOM ook gedaan.

Eind 2013 diende SGP een amendement in voor het begrotingsjaar 2014 dat was bedoeld voor voorlichting, keuzehulp en opvang door Siriz voor € 1,5 miljoen per jaar. Dit amendement is gesteund door de Kamer. Groenlinks diende daarop voor het jaar 2014 een amendement in voor € 1 miljoen voor FIOM voor dezelfde taken. Ook dat amendement is aangenomen. Dit laatste amendement is om reden van staatssteun omgezet van instellingsnaam (FIOM) naar onderwerp (preventie). Fiom en Rutgers hebben toen beide € 0,5 miljoen gekregen en zetten de subsidie in voor respectievelijk «kennis en begeleiding professionals» en «kennisontwikkeling Nu Niet Zwanger».

In de jaren 2014–2017 ontving Siriz opnieuw € 1,5 miljoen per jaar, met de opdracht de besteding van deze middelen staatssteunproof te maken en bleven Fiom en Rutgers voor de hiervoor genoemde taken ieder € 0,5 miljoen per jaar ontvangen.

Eind 2016 gaf de Tweede Kamer aan gegarandeerd te willen zijn van een landelijk dekkend en neutraal aanbod van keuzehulpgesprekken. Daartoe diende Groenlinks in juni 2017 een motie in. Deze motie is aangenomen en voor dit landelijk dekkend neutraal aanbod van keuzehulpgesprekken ontvangt GGD GHOR Nederland € 337.000 in 2018, 2019 en 2020.

De inzet van de Staatssecretaris is dat vanaf 2019 de middelen uit deze amendementen niet meer een op een gekoppeld zijn aan deze organisatie en worden meegenomen in het brede plan van aanpak preventie en ondersteuning onbedoelde (tiener) zwangerschappen. Daartoe heeft de Staatssecretaris u op 11 september jongstleden geïnformeerd.

Vraag 285

Is er controle geweest op hoe het FIOM en Siriz functioneren? Zo neen, waarom niet?

Antwoord:

FIOM en Siriz brengen ieder jaar, conform de wettelijke vereisten, een jaarverslag uit. Daarin leggen ze transparant verantwoording af over hun profiel, werkzaamheden en resultaten. Deze verantwoording is voor VWS nodig om de subsidie vast te stellen. In de komende jaren gaan we met een nieuwe aanpak aan de slag om zo een goede uitvoering te geven aan de afspraken uit het regeerakkoord om onbedoelde zwangerschappen te voorkomen en goede hulp en begeleiding te bieden als er wel sprake is van een zwangerschap. Voor mij is het daarbij belangrijk dat alle keuzehulpgesprekken voldoen aan dezelfde kwaliteitsstandaarden. Die onafhankelijke kwaliteitseisen gaan we de komende periode vastleggen, zodat voor alle partijen helder is waaraan ze moeten voldoen om financiering te kunnen krijgen. Daarvoor wordt door het Ministerie van VWS gewerkt aan een open house constructie. Via deze constructie kunnen partijen die voldoen aan de kwaliteitscriteria zich inschrijven en een meerjarig contract sluiten met de overheid. Dit betekent dat vanaf 2019 partijen aan deze criteria moeten voldoen. Daarbij hoort wat mij betreft ook dat het belangrijk is dat er een divers aanbod is en dat voor mensen die gebruik maken van keuzehulp helder is vanuit welke missie en met welke doelstellingen een organisatie werkt.

Vraag 286

Is er controle geweest op de medische informatie die door Siriz is verstrekt?

Antwoord:

Zie mijn antwoord op vraag 285.

Vraag 287

Kunt u aangeven hoeveel donorkinderen, geboren voor de wetswijziging in 2004, er in Nederland zijn en wat het zou kosten om de inschrijving in de Fiom KID (Kunstmatige Inseminatie met Donorzaad) – DNA Databank voor deze kinderen te vergoeden?

Antwoord:

In het rapport van de evaluatie van de Embryowet en de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting uit 2012 is (TK 30 486, nr. 4) aangegeven dat in Nederland naar schatting 40.000 kinderen door kunstmatige inseminatie met behulp van een donor zijn verwekt voor 2004. De kosten van de inschrijving in de Fiom KID-DNA databank zijn voor een donorkind € 250. Dit betekent dat de totale kosten kunnen oplopen tot € 10 miljoen.

Vraag 288

In hoeverre gaat er komend jaar geld naar onderzoek dat de effectiviteit van interventies op het gebied van leefstijl bekijkt?

Antwoord:

Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 289.

Vraag 289

Kan een overzicht worden gegeven van de onderzoeken die momenteel lopen naar effectieve preventieve interventies? Welke onderzoeken zullen in 2019 starten?

Antwoord:

In het regeerakkoord zijn er middelen gereserveerd om de effectiviteit van interventies te onderzoeken. Over de inzet van deze middelen is uw Kamer geïnformeerd met de «Incidentele suppletoire begroting inzake beleidsintensiveringen regeerakkoord» (TK 34 888, nr.2). In de beantwoording van de vragen over deze begroting is nader ingegaan op de onderzoeken naar effectiviteit (vraag en antwoord nummer 8, TK 34 888, nr.3). Over de middelen voor 2019 en verder heeft besluitvorming plaats gevonden binnen het kabinet. Uw Kamer is hierover op 08 oktober geinformeerd via een nota van wijziging op de VWS ontwerpbegroting 2019 (TK 35 000, nr.10). Over de inhoudelijke activiteiten wordt u dit najaar geïnformeerd zodra de gesprekken met deelnemende partijen in het Preventieakkoord afgerond zijn.

Vraag 290

Hoe verhoudt de focus op jongeren en jonge vrouwen zich tot de aandacht voor de andere vier hoogrisicogroepen bij de depressiepreventie?

Antwoord:

De ambitie van het Meerjaren Programma Depressiepreventie (MJP) is het terugdringen van depressie met 30% in jaar 2030. Daartoe richt het programma zich op hoogrisicogroepen voor depressie en wordt ingezet op het ontwikkelen van een sluitende keten voor een preventieaanpak per doelgroep. Elementen van de ketenaanpak zijn: bewustwording, vroegsignalering, toeleiding naar preventieve interventies en doorbraakprojecten. Binnen het MJP is daarbij in principe gelijke aandacht voor ieder van de zes groepen.

In 2017 is ook gestart met een mediacampagne over depressie: om het onderwerp te agenderen, de kennis te vergroten en het taboe rondom depressie te doorbreken. Opzet is dat de campagne de hele Nederlandse bevolking bereikt. Ieder jaar staat een andere hoogrisicogroep centraal. In 2017 en 2018 zijn dat jongeren en jonge vrouwen omdat zij procentueel gezien het vaakst met een depressie kampen. In 2018 is ook specifiek aandacht voor vrouwen met een post partum depressie. De invulling van de mediacampagne voor 2019 is nog niet bepaald.

Vraag 291

Hoeveel geld is er in 2019 beschikbaar voor depressiepreventie en hoe is dat bedrag opgebouwd?

Antwoord:

Voor het Meerjarenprogramma Depressie Preventie (MJP), dat loopt tot 2021, is een bedrag gereserveerd van € 750.00 per jaar. Dit bedrag is bestemd voor het ontwikkelen van ketenaanpak voor de zes hoogrisicogroepen voor depressie. De Stuurgroep van het MJP, onder leiding van een onafhankelijk voorzitter, zorgt daarbij voor de planning en afstemming.

Voor 2019 zal dit bedrag worden besteed aan de start of verdere uitwerking van de ketenaanpak voor de doelgroepen jongeren, huisartsenpatiënten, jonge werkende vrouwen en post partum depressiepreventie. Daarnaast wordt geld bestemd voor de ontwikkeling en uitvoering van een monitorsysteem depressiepreventie.

Vraag 292

In hoeverre worden momenteel kennis en onderzoeksresultaten uitgewisseld met andere landen met als doel een nieuwe richtlijn te ontwikkelen voor een effectieve behandeling van de Lymeziekte?

Antwoord:

Het verspreidingsgebied van de teken, en dus lymeziekte, bevindt zich vooral in Europa en in Noord-Amerika. De teken komen doorgaans ook niet voor boven 1.000 meter. In Afrika en Azië komt lymeziekte alleen voor in de noordelijke gebieden. Kennis en onderzoeksresultaten worden dus uitgewisseld met landen binnen Europa en Amerika.

In Nederland volgen artsen en andere zorgverleners de zogenaamde CBO-richtlijn voor Lyme. Deze richtlijn is opgesteld door het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg (CBO). Bij het opstellen van de richtlijn is het advies van de Gezondsheidsraad over Lyme betrokken. De richtlijn is opgesteld door een breed samengestelde werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van verschillende beroepsgroepen, waaronder internisten, revalidatieartsen, dermatologen, kinderartsen, klinisch chemici, medisch microbiologen, neurologen, reumatologen, psychiaters, spoedeisende hulpartsen, etc. In de richtlijn is alles wat zij weten over de ziekte van Lyme verzameld om artsen te helpen hun patiënten zo goed mogelijk te behandelen.

Vanzelfsprekend worden onderzoeksresultaten gebruikt om de behandeling van Lymeziekte te verbeteren en indien nodig kan dit leiden tot een aangepaste richtlijn.

Vraag 293

Wat gaat de regering concreet doen om de 1,5 miljoen mensen die een chronische ziekten hebben gerelateerd aan voeding (hart- en vaatziekten, chronische nierschade, diabetes type 2) terug te dringen?

Antwoord:

Via preventiebeleid, en meer specifiek beleid gericht op het makkelijker maken van de gezonde voedingskeuze, moet het aantal mensen met dergelijke aandoeningen niet verder stijgen, en bij voorkeur dalen. In het preventieakkoord dat eind oktober wordt ondertekend, zullen maatregelen op dit vlak staan. Deze zijn aanvullend op wat al wordt gedaan om mensen voor te lichten en te helpen bij het maken van de gezonde keuze en om het productaanbod gezonder te maken.

Vraag 294

Hoe is men tot het gereserveerde bedrag van € 5 miljoen euro voor de schikkingen inzake Mexicaanse griep gekomen?

Antwoord:

De reservering van 5 miljoen euro is gebaseerd op een eerste globale inschatting van het bedrag dat mogelijk gemoeid zou kunnen zijn met schikkingen. Het overleg met de betrokkenen en hun juridisch adviseurs bevindt zich echter, mede gelet op de omstandigheid dat nog verschillende deskundigen dienen te worden geraadpleegd, nog niet in een stadium waarin al een goed onderbouwde indicatie van het totaalbedrag kan worden gegeven.

Vraag 295

Hoeveel mensen zijn gediagnosticeerd met narcolepsie na vaccinatie tegen Mexicaanse griep?

Antwoord:

Het totaal aantal mensen met diagnose narcolepsie na vaccinatie tegen Mexicaanse griep is onbekend. Het ministerie is met circa 10 personen in gesprek over een mogelijke schikking.

Vraag 296

Wat is de verklaring voor de teruglopende vaccinatiegraad? Heeft deze teruglopende vaccinatiegraad consequenties voor de griepvaccinatie?

Antwoord:

Er is geen eenduidige verklaring voor de dalende vaccinatiegraad. De verschillende studies die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd laten een breed palet aan motieven zien om al dan niet te deel te nemen aan de griepvaccinatie. Naast de maatregelen die al worden genomen om het belang van de griepvaccinatie onder de aandacht te brengen, is blijvende monitoring belangrijk met het oog op eventuele consequenties. In de brief die ik naar aanleiding van de dalende vaccinatiegraad naar uw Kamer zal sturen, wordt ook aandacht besteed aan de griepvaccinatie.

Vraag 297

Wat betekent de daling van de vaccinatiegraad voor het beleid ten aanzien van de griepvaccinatie?

Antwoord:

Deelname aan de griepvaccinatie is, net als het Rijksvaccinatieprogramma, vrijwillig. Het is belangrijk om te kijken of er belemmeringen zijn om het griepvaccin te halen of misvattingen die van invloed zijn op de keuze voor vaccinatie. Zoals ook is vermeld in de Kamerbrief ten aanzien van de griepvaccinatie die onlangs aan u is gestuurd op 10 oktober 2018, zal ik samen met betrokken partijen inzetten op het genereren van meer aandacht voor het belang van de griepvaccinatie. Zie ook mijn antwoord op vraag 259.

Vraag 298

Welk gezondheidseffect heeft de dalende vaccinatiegraad?

Antwoord:

De griepvaccinatie is op dit moment de beste bescherming tegen complicaties van griep voor mensen uit de hoogrisicogroepen, zoals ouderen en mensen met hart- en longaandoeningen. Als de vaccinatiegraad afneemt, is de verwachting dat het aantal complicaties zal toenemen. Dit leidt onder andere tot meer ziekenhuisopnamen, blijvend verminderde gezondheid en kan zelfs leiden tot sterfte.

Vraag 299

Waarom zijn er nog geen cijfers over deelname aan het Nationaal Programma Grieppreventie in 2017?

Antwoord:

De cijfers over deelname aan het Nationaal Programma Grieppreventie in 2017 zijn pas onlangs bekend geworden. Uit de «Monitor vaccinatiegraad Nationaal Programma Grieppreventie 2017» die samen met het BAO advies op 10 oktober 2018 naar uw Kamer is verzonden, blijkt dat de griepvaccinatiegraad 53,6% bedraagt onder mensen van 60 jaar en ouder. In de groep 60–64 jarigen was de vaccinatiegraad lager (34,4%) dan in de groep van 65 jaar en ouder (60,4%).

Vraag 300

Welk vaccin krijgen mensen bij deelname aan het Nationaal Programma Grieppreventie toegediend? In omringende landen (onder andere Groot Brittannië, Duitsland, Denemarken) zijn ze overgestapt op het quadrivalent vaccin; is dit in Nederland ook het geval?

Antwoord:

Voor het komende seizoen 2018/2019 zal vaccinatie plaatsvinden met trivalente vaccins. Deze worden volgende maand geleverd aan huisartsen. Vanaf 2019/2020 zal het quadrivalente vaccin worden aangeboden, zoals ik in mijn brief van 10 oktober 2018 heb aangegeven.

Vraag 301

Welke acties worden ondernomen om de sinds 2005 continue daling van het percentage deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma te keren?

Antwoord:

Voor de acties die ik reeds ondernomen heb verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 251.

Daarnaast zal ik, zoals ook toegezegd in mijn brief van 26 juni jl. (TK 32 793, nr. 315) uw Kamer in het najaar informeren over de extra maatregelen die ik zal nemen gericht op het verbeteren van de vaccinatiegraad.

Vraag 302

Welke acties worden ondernomen om de sinds 2005 ingetreden daling van het percentage deelname aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker te keren?

Antwoord:

Inzet bij het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker is om vrouwen op basis van goede informatie zelf te laten besluiten of zij wel of niet willen deelnemen aan het bevolkingsonderzoek. Daarbij is een goede toegankelijkheid en kwaliteit van het bevolkingsonderzoek en goede informatie over het bevolkingsonderzoek van belang. Een dezer dagen ontvangt u de Monitor 2017 Bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. De aanbiedingsbrief zal ook ingaan op de positionering van de zelfafnameset. De zelfafnameset kan een bijdrage leveren aan het vergroten van de toegankelijkheid van het bevolkingsonderzoek. In 2019 wordt ook een deelnemersonderzoek uitgevoerd waarbij mogelijke belemmeringen voor vrouwen om deel te nemen in beeld worden gebracht. Het goed informeren van vrouwen en hun ondersteunen bij het maken van een goed afgewogen keuze om al dan niet deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek is een continue aandachtspunt van het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het RIVM.

Vraag 303

Welke acties worden ondernomen om de sinds 2005 ingetreden daling van het percentage deelname aan de hielprik te keren?

Antwoord:

Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het RIVM volgt de ontwikkelingen in de deelname van de hielprik nauw. Uit de monitor over 2016 blijkt dat de deelname in dat jaar 99,2% was. De afgelopen jaren is een lichte daling te zien in de deelname, die deels verklaard wordt doordat de wijze waarop (bezwaar tegen) de deelname aan de hielprik wordt geregistreerd in de loop der jaren is aangepast. Het RIVM verkent in 2019 wat de mogelijke beweegredenen zijn om al dan niet mee te doen aan de hielprik.

Vraag 304

Kan in een meerjarig overzicht voor de jaren 2018 tot en met 2023 worden weergegeven hoeveel er jaarlijks beschikbaar is voor de uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma, hoeveel daarin voor welke vaccinaties is geraamd en wat de eventuele budgettaire ruimte nog is?

Antwoord:

Voor het meerjarig overzicht verwijs ik u naar het antwoord op vraag 258.

Ik kan u geen specificatie van de kosten per vaccinatie geven omdat de prijzen van de vaccins op basis van de aanbestedingsovereenkomsten vertrouwelijk zijn. Verder is een groot deel van de kosten van het RIVM niet te herleiden naar de specifieke vaccinatie.

Vraag 305

Zijn de voor het Rijksvaccinatieprogramma beschikbare middelen voldoende om de vaccinatiegraad op het vereiste niveau te krijgen inclusief een wenselijke uitbreiding van vaccinaties onder de risicogroep ouderen?

Antwoord:

Er is binnen het Rijksvaccinatieprogramma en het Nationaal Programma Grieppreventie voldoende budget voor het aankopen en toedienen van vaccins en voor communicatie en voorlichting over de vaccinatie. Overigens is een hoge vaccinatiegraad een middel om effectieve bescherming tegen infectieziekten te bereiken, en geen doel op zich. Wanneer de Gezondheidsraad adviseert om nieuwe vaccins of nieuwe doelgroepen toe te voegen, vergt dit steeds een afweging over haalbaarheid, uitvoerbaarheid en betaalbaarheid. Daarom heb ik het RIVM nu voor pneumokokken gevraagd een uitvoeringstoets uit te voeren.

Vraag 306

Klopt het dat er geen middelen zijn gereserveerd voor een pneumokokkenvaccinatie voor ouderen?

Antwoord:

Het klopt dat er nog geen middelen zijn gereserveerd voor pneumokokkenvaccinatie voor ouderen. Zoals ik u in mijn brief over mijn beleidsreactie op de adviezen van de Gezondheidsraad en het Zorginstituut Nederland van 28 februari 2018 om ouderen te vaccineren tegen pneumokokken heb aangegeven, vind ik het net als bij kinderen belangrijk dat ook ouderen zo goed mogelijk beschermd worden tegen ernstige infectieziekten. Ik ben dan ook voornemens om het advies van de Gezondheidsraad om ouderen te vaccineren tegen pneumokokken over te nemen, mits dit uitvoerbaar en betaalbaar is.

Ik heb het RIVM gevraagd om een uitvoeringstoets uit te voeren inclusief een reële inschatting van de uitvoeringskosten. Het RIVM heeft aangegeven voor de uitvoeringstoets ongeveer zes maanden nodig te hebben. Ik verwacht u rond de zomer van 2019 nader te kunnen informeren.

Vraag 307

Wat zijn de budgettaire consequenties van het aanbieden van een pneumokokkenvaccinatie aan ouderen vanaf 60 jaar?

Antwoord:

Het is nog niet bekend wat de budgettaire consequenties zijn van het aanbieden van een pneumokokkenvaccinatie aan ouderen vanaf 60 jaar. Op dit moment zijn er onvoldoende gegevens over de kosten die gemoeid zijn met het programmatisch aanbieden van pneumokokkenvaccinatie voor ouderen. Daarom heb ik het RIVM gevraagd om in het kader van de uitvoeringstoets samen met de betrokken beroepsgroepen ook te werken aan een reële inschatting van de kosten, zodat meer inzicht wordt verkregen in de betaalbaarheid van deze vaccinatie.

Vraag 308

Zijn er middelen gereserveerd voor een pneumokokkenvaccinatie voor ouderen?

Antwoord:

Zie mijn antwoord op vraag 306.

Vraag 309

Hoeveel zou het kosten om een pneumokokkenvaccinatie aan te bieden aan ouderen vanaf 60 jaar?

Antwoord:

Zie mijn antwoord op vraag 307.

Vraag 310

Hoeveel ziekenhuizen in Nederland zijn bezig met het concentreren, sluiten of afstoten van afdelingen en/of specialismen? Welke ziekenhuizen zijn dit en welke afdelingen of specialismen betreft het?

Antwoord:

Ik heb hier geen volledig overzicht van. De organisatie van de zorg in de regio is primair de verantwoordelijkheid van de betrokken zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Ik heb hierover het afgelopen jaar diverse sets Kamervragen beantwoord, waarnaar ik voor nadere informatie verwijs.

Vraag 311

Hoeveel en welke ziekenhuisfusies hebben plaatsgevonden de afgelopen tien jaar?

Antwoord:

In het kader van het concentratietoezicht op grond van de Mededingingswet dienen voorgenomen fusies tussen ziekenhuizen, mits goedkeuring is verleend in het kader van de zorgspecifieke fusietoets, te worden gemeld bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM heeft mij laten weten dat zij in de periode tussen 2008 en 28 september 2018 voor 27 voorgenomen ziekenhuisfusies goedkeuring heeft verleend. Dit betreffen:

  • Ziekenhuis Walcheren – Oosterscheldeziekenhuizen

  • Lucas Ziekenhuis – Delfzicht Ziekenhuis

  • Stichting Zorggroep Noorderbreedte – Stichting Ziekenhuis De Tjongerschans

  • Coöperatie Vlietland – Vlietland Ziekenhuis

  • Orbis Medisch Centrum – Medisch Centrum Atrium

  • Stichting Tweesteden Ziekenhuis – Stichting St. Elisabeth Ziekenhuis

  • St. Lucas Andreas – OLVG

  • Stichting Spaarne ziekenhuis – Stichting Kennemer Gasthuis

  • Vlietland ziekenhuis – St Fransiscus Gasthuis

  • Ny Smellinghe – Sionsberg

  • Zorggroep Leveste Middenveld – Ziekenhuis Refaja

  • HagaZiekenhuis – Reinier de Graaf Groep

  • Lievensberg Ziekenhuis – Franciscus Ziekenhuis

  • Bronovo-Nebo – Medisch Centrum Haaglanden

  • Sint Antonius Ziekenhuis – Zuwe Hofpoort Ziekenhuis

  • Kwadrant – Zorggroep Antonius – Nij Smellinghe/Pasana

  • Rijnland Zorggroep – Diaconessenhuis Leiden

  • Stichting Holding Isala Klinieken – Stichting Zorgcombinatie Noorderboog

  • Reinier Haga Groep – Lange Land Ziekenhuis

  • Universitair Medisch Centrum Groningen – De Ommelander Ziekenhuis Groep

  • Westfriesgasthuis – Waterland Ziekenhuis

  • Slingelandziekenhuis – Beatrixziekenhuis

  • AMC – VUmc

  • Erasmus MC – ADRZ

  • Stichting Antonius Ziekenhuis – Maartenskliniek Woerden

  • Havenziekenhuis en Instituut voor Tropische ziekten – Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep

  • Stichting IIsselland Ziekenhuis – Havenziekenhuis en Instituut voor Tropische ziekten.

Vraag 312

Wat zijn de meest recente cijfers over babysterfte in Nederland?

Antwoord:

De meest recente cijfers zijn van 2016. Van de kinderen zijn er in 2016 7,3 ‰ overleden in de periode zwangerschap-vanaf-22-weken tot en met 28 dagen na de geboorte. In 2015: 7,8 ‰, in 2010: 9,0‰ en 2000:11,9‰. Vanaf 2000 is er een duidelijke afname te zien van de perinatale sterfte.

Vraag 313

Zijn er ten opzichte van andere jaren wijzigingen in de aanrijtijd van ambulances bij acute problematiek of bij zwangerschap bij vrouwen?

Antwoord:

De ambulancesector publiceert jaarlijks kenmerkende feiten van de ambulancezorg in Nederland in het Sectorkompas en het Tabellenboek Ambulancezorg. Uit het Tabellenboek 2017 blijkt dat van alle A1-inzetten (ingezet bij acute problematiek) die in 2017 zijn uitgevoerd, de ambulance bij 92,4% van de inzetten binnen vijftien minuten na aanname van de melding bij de patiënt aanwezig was. In 2016, 2015 en 2014 was dat bij 93,4% van de A1-inzetten. De aanrijtijden van ambulances met zwangere patiënten worden niet afzonderlijk geregistreerd. Daarover kan ik u dus niets melden.

Vraag 314

Hoeveel afdelingen Klinische Verloskunde zijn de afgelopen tien jaar gesloten en welke ziekenhuizen betrof dit?

Antwoord:

Zie mijn antwoord op vraag 23.

Vraag 315

Hoeveel SEH's zijn de afgelopen tien jaar gesloten en welke ziekenhuizen betrof dit?

Antwoord:

De bereikbaarheid en beschikbaarheid van de afdelingen voor spoedeisende hulp (SEH’s) wordt jaarlijks door het RIVM in kaart gebracht in de zogenaamde «analyses gevoelige ziekenhuizen».

De analyse uit 2017 laat de aantallen vanaf 2003 zien. Daarin is opgenomen dat het aantal SEH’s dat 24/7 open is, is afgenomen van 104 in 2008 naar 89 in april 2017 (TK 2017–2018, 29 247, nr. 246). In 2018 is het aantal 24/7 SEH’s afgenomen naar 86 (peildatum april 2018; bijlage bij TK 2017–2018, 29 247, nr. 260).

In de analyses van 2015, 2016, 2017 en 2018 is opgenomen welke locaties zijn gesloten.

In de analyse uit 2015 staat dat er sinds de analyse van 2013 drie SEH’s zijn gesloten: in Delfzijl, Spijkenisse en Rotterdam (locatie Sophia) (bijlage bij TK 2014–2015, 29 247, nr. 211). De analyse uit 2016 geeft aan dat er in 2015 nog één afdeling voor Spoedeisende Hulp (SEH) is gesloten: in Den Haag is de spoedeisende hulp van het HagaZiekenhuis geconcentreerd op de locatie Leyweg, de SEH op de locatie Sportlaan is gesloten (bijlage bij TK 2015–2016, 34 300 XVI, nr. 158). Uit de analyse uit 2017 blijkt dat inmiddels de SEH van het Franciscus Gasthuis en Vlietland, locatie Schiedam, is overgegaan van 24/7-uurs openingstijden naar dag/avond-openstelling (TK 2017–2018, 29 247, nr. 246). In de analyse van 2018 staat dat sinds de analyse van 2017 de SEH’s van het HMC Antoniushove in Leidschendam, van het St. Antonius ziekenhuis in Woerden en van de Ziekenhuis Groep Twente in Hengelo (waren in 2017 alle fulltime open), en van het Albert Schweitzer Ziekenhuis in Zwijndrecht en het Havenziekenhuis in Rotterdam (in 2017 parttime open) zijn gesloten (bijlage bij TK 2017–2018, 29 247, nr. 260).

Vraag 316

Hoeveel huisartsenposten zijn de afgelopen tien jaar gesloten en welke ziekenhuizen betrof dit?

Antwoord:

Ik heb hier geen volledig overzicht van. De organisatie van de zorg in de regio is primair de verantwoordelijkheid van de betrokken zorgaanbieders en zorgverzekeraars.

De huisartsenposten hebben in hun «raamwerk kwaliteitsbeleid» vastgelegd dat minimaal 90% van de inwoners van het werkgebied van de huisartsenpost binnen 30 minuten per auto bij de huisartsenpost moet kunnen zijn.

Indien door een mogelijke sluiting of verhuizing niet meer aan de 30 minuten norm voor huisartsenposten voldaan wordt, is het aan de betrokken zorgaanbieders en de zorgverzekeraar in de regio om afspraken te maken om ervoor te zorgen dat er voldoende aanbod van basis acute zorg beschikbaar blijft.

Van de inwoners in Nederland kan 99,9% binnen de norm van 30 minuten bij de dichtstbijzijnde HAP zijn. (https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/acute-zorg/regionaal-internationaal/hap#node-reistijd-minuten-naar-dichtstbijzijnde-huisartsenpost).

Vraag 317

Hoeveel Intensive Care afdelingen (IC's) zijn de afgelopen tien jaar gesloten en welke ziekenhuizen betrof dit?

Antwoord:

Ik heb hier geen volledig overzicht van. De organisatie van de zorg in de regio is primair de verantwoordelijkheid van de betrokken zorgaanbieders en zorgverzekeraars.

Vraag 318

Hoeveel Verloskundig Samenwerkingsverbanden (VSV's) werken er momenteel met een integrale bekostiging?

Antwoord:

Er zijn op dit moment 6 integrale geboortezorg organisaties die gebruik maken van integrale bekostiging.

Vraag 319

Hoeveel vrouwen kiezen voor een geboorte in het ziekenhuis om geen eigen bijdrage hoeven te betalen?

Antwoord:

Indien er een medische indicatie is, betaalt een zwangere bij een bevalling in het ziekenhuis geen eigen bijdrage. Dit is immers niet de keuze van de zwangere.

Vraag 320

Wat zijn de totale kosten van pretpoli's en hoeveel kan worden bespaard wanneer deze zorg wordt verplaatst naar de eerste lijn?

Antwoord:

Er zijn geen aparte DBC’s voor zorg van «pretpoli’s». Inzicht in aard en omvang van de geleverde zorg door «pretpoli’s» ontbreekt derhalve en daarmee is ook niet inzichtelijk te maken in hoeverre er bespaard kan worden door deze zorg te verplaatsen naar de eerste lijn.

Vraag 321

Is het aantal spoedeisende hulpposten in 2018 gewijzigd ten opzichte van 2017? Zo ja, wat is het verschil?

Antwoord:

Op 28 juni jl. heeft u de laatste analyse gevoelige ziekenhuizen van het RIVM ontvangen (bijlage bij TK 2017–2018, 29 247, nr. 260). In die analyse is een vergelijking gemaakt tussen het aantal SEH’s in april 2018 in vergelijking tot april 2017. Het RIVM concludeert in dit rapport dat er in april 2018 in totaal 89 SEH’s in Nederland waren. Hiervan zijn er 86 24/7 geopend, 3 zijn alleen overdag en eventueel ook ‘s avonds open. Ten opzichte van april 2017 zijn er 5 SEH’s minder: de SEH’s van het HMC Antoniushove in Leidschendam, van het St. Antonius ziekenhuis in Woerden en van de Ziekenhuis Groep Twente in Hengelo (waren in 2017 alle fulltime open), en van het Albert Schweitzer Ziekenhuis in Zwijndrecht en het Havenziekenhuis in Rotterdam (in 2017 parttime open) zijn inmiddels gesloten.

Vraag 322

Hoeveel patiëntenstops hebben welke ziekenhuizen dit jaar afgekondigd? Kan per patiëntenstop hiervoor de reden worden genoemd?

Antwoord:

Ik beschik niet over informatie met betrekking tot het aantal patiëntenstops dat wordt ingesteld. In het geval van een patiëntenstop moet een verzekeraar vanwege de zorgplicht of bijcontracteren bij de betreffende zorgaanbieder of zorgen voor voldoende aanbod bij andere zorgaanbieders in de regio. De NZa ziet toe op naleving van de zorgplicht.

Vraag 323

Hoe hoog is de overhead in de ziekenhuissector en hoeveel kan hierop bezuinigd worden?

Antwoord:

Voor de hoogte van de overhead verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 162 en 791 bij de VWS begroting 2017 (TK 34 550 XVI, nr. 11). Ik heb geen informatie over mogelijke bezuinigingen op overheadkosten. Dat is aan de ziekenhuizen zelf.

Vraag 324

Hoe hoog is de bureaucratie in de ziekenhuissector en hoeveel kan hierop bezuinigd worden?

Antwoord:

Dit is niet bekend. Er bestaat geen eenduidige definitie of meting van de omvang van de bureaucratie in Nederland. De insteek van het verminderen van administratieve lasten in de zorg is het realiseren van meer tijd voor zorg en het vergroten van het werkplezier van de professional, waarmee ook wordt getracht het werken in de zorg aantrekkelijker te maken. Er is geen kwantitatieve doelstelling voor het verminderen van de bureaucratie in de ziekenhuiszector, het gaat er om dat het merkbaar minder wordt voor de zorgverlener.

Vraag 325

Hoe hoog is de verspilling in de ziekenhuissector en hoeveel kan hierop bezuinigd worden?

Antwoord:

Voor dit antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 29 november 2016 (TK 33 654, nr. 22) over de duiding van de effectiviteit van de ingezette financiële middelen van het programma Aanpak verspilling in de zorg, alsmede inzicht in de besparingsagenda.

Vraag 326

Wat is de ontwikkeling van het aantal patiënten dat in het ziekenhuis wordt behandeld voor de jaren van 2006 tot en met 2018?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 327.

Vraag 327

Wat is de ontwikkeling van de gemiddelde kosten per behandelde patiënt in ziekenhuizen voor de jaren van 2006 tot en met 2018?

Antwoord:

Omdat er geen registratie plaatsvindt van kosten per behandelde patiënt, is de vraag alleen bij benadering te beantwoorden.

De Zvw-uitgaven voor tweedelijnszorg stegen in de periode 2006 – 2017 van € 15,3 miljard naar € 22,9 miljard. Laatstgenoemd bedrag is exclusief de uitgaven voor geriatrische revalidatiezorg die vanaf 2013 onder de Zvw vallen, maar inclusief de uitgaven aan overige curatieve zorg (o.a. eerstelijnsdiagnostiek, trombosediensten).

Om een inschatting te maken van het aantal behandelde patiënten, is het percentage van het aantal verzekerden dat gebruik maakt van tweedelijnszorg (bron: www.10jaarzvw.nl en Zorginstituut Nederland) afgezet tegen het aantal verzekerden (volgens opgave van het Zorginstituut Nederland).

Op basis van deze gegevens kan de volgende ontwikkeling worden geschetst:

Jaar

Aantal verzekerden

Percentage van aantal verzekerden dat gebruik maakt van MSZ-zorg

Uitgaven tweedelijnszorg

x € 1 miljoen

Uitgaven tweedelijnszorg per patiënt

x € 1

A

B

C

D

E=D/(B*C) x 1 miljoen

2006

16.232.048

49,5%

15.311,3

1.906

2007

16.320.748

53,5%

15.376,7

1.761

2008

16.371.627

57,0%

16.820,4

1.802

2009

16.444.969

57,9%

18.240,0

1.916

2010

16.519.089

58,5%

19.252,6

1.992

2011

16.615.239

59,5%

19.314,1

1.954

2012

16.694.574

59,1%

20.728,9

2.101

2013

16.751.863

57,7%

21.852,4

2.261

2014

16.793.515

57,8%

21.800,6

2.246

2015

16.855.609

57,5%

21.201,2

2.197

2016

16.936.959

59,0%

22.747,4

2.272

2017

17.038.598

 

23.192,6

 

2018

17.119.169

 

23.865,1

 

Vraag 328

Hoeveel eerstelijns hulpverblijven zijn er afgelopen jaren bijgekomen, wat waren de kosten hiervan en hoeveel mensen hebben hier gebruik van gemaakt?

Antwoord:

In 2015 en 2016 konden zorgaanbieders eerstelijnsverblijf (ELV) aanbieden onder de Wlz-subsidieregeling ELV, vanaf 2017 is de zorgvorm eerstelijnsverblijf onderdeel van de Zorgverzekeringswet. De ontwikkeling in aantal aanbieders, patiënten en uitgaven is samengevat in onderstaande tabel (bron: Vektis).

 

2015

2016

2017

Aantal aanbieders

3141

3241

2

Aantal patiënten

20.790

27.014

32.455

Uitgaven

€ 183 miljoen

€ 244 miljoen

€ 257 miljoen

X Noot
1

Bron: CBS

X Noot
2

Er is nog geen betrouwbaar getal te noemen. Vanwege de overheveling naar de Zvw kunnen er AGB-nummers veranderen en daarmee kan er een vertekend beeld ontstaan. Het jaar 2017 is daarom ook niet direct te vergelijken met de jaren 2016 en 2015.

Vraag 329

Hoeveel bedragen de kosten per ziekenhuis voor de toename van het aantal ouderen die opgenomen werden in de ziekenhuizen?

Antwoord:

Ik heb geen overzicht van de kosten per ziekenhuis voor de toename van het aantal ouderen die opgenomen werden in de ziekenhuizen. Met het Kosten van Ziektenmodel (KvZ-model) van het RIVM zijn er wel totaalcijfers te geven over de kosten van ziekenhuizen, onderverdeeld naar leeftijdgroepen. Het KvZ-model wordt om de 4 jaar geactualiseerd; de meest recente cijfers dateren van 2015. In het KvZ-model staan niet de wetten (Zvw, Wlz, etc.) en de bijbehorende financieringsbronnen centraal, maar de zorgaanbieders; de uitgaven van ziekenhuizen worden berekend op basis van de totale omzet van alle activiteiten, ongeacht of deze binnen of buiten het wettelijk vastgestelde verstrekkingenpakket vallen. Verder wordt in het KvZ-model de internationale afbakening van ziekenhuizen gebruikt, dus inclusief instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg. Deze instellingen zijn niet onderscheiden naar die voor korte of langdurige opname.

De kosten van ziekenhuizen zijn in de periode van 2007 t/m 2015 gestegen met gemiddeld 4,4% per jaar. Voor de groep van de 65 jaar en ouder was de kostenstijging in deze periode bovengemiddeld met 5,4% per jaar. Wanneer rekening wordt gehouden met de toename van het aantal ouderen, stijgen de kosten voor medisch specialistische zorg en ziekenhuiszorg per persoon met 2,3% per jaar. Deze stijging is minder dan de kostengroei per persoon voor de groep van jonger dan 65 jaar, die 3,8% per jaar is.

Tabel: De kosten van ziekenhuizen naar leeftijdsgroepen
   

2007

2011

2015

groei p.j. 2007–2015

Jonger dan 65 jaar

kosten [x mln euro]

11.978

15.021

16.063

3,7%

aantal pers. [x mln]

13,990

14,061

13,893

– 0,1%

gem. kosten p.p. [euro]

856

1.068

1.156

3,8%

65 jaar of ouder

kosten [x mln euro]

7.152

9.056

10.924

5,4%

aantal pers. [x mln]

2,368

2,595

3,008

3,0%

gem. kosten p.p. [euro]

3.020

3.490

3.632

2,3%

Vraag 330

Hoe kijkt u aan tegen een juridische borging voor de openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz)? Hoe kunnen gemeenten en zorgverzekeraars geprikkeld of verplicht worden tot samenwerking?

Antwoord

De openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz) is onderdeel van de maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015 en daarmee voldoende juridisch geborgd. Ook zijn gemeenten op grond van de Wmo 2015 verplicht om de wijze waarop de taken van deze wet worden uitgevoerd af te stemmen met zorgverzekeraars en dienen gemeenten en zorgverzekeraars afspraken te maken over het beleid ten aanzien van maatschappelijke ondersteuning.

Samenwerking moet vooral in de praktijk vorm krijgen. Ik roep partijen op deze samenwerking zorgvuldig vorm te geven en lokaal goede afspraken hierover te maken. Het prikkelen van samenwerking ondersteunt VWS onder andere via het «Actieprogramma lokale initiatieven voor mensen met verward gedrag». Binnen dit programma zijn diverse trajecten opgezet om gemeenten en partners te ondersteunen bij het vormgeven van hun gezamenlijke opgave t.a.v. de doelgroep van de oggz. Voor het stimuleren van de structurele samenwerking tussen zorgverzekeraars en gemeenten op het gebied van preventieactiviteiten voor risicogroepen, waaronder de doelgroep van de oggz, is er de Subsidieregeling Preventiecoalities.

Vraag 331

Hoeveel mensen moeten op dit moment een bestuursrechtelijke premie betalen omdat zij een betalingsachterstand van meer dan zes maanden hebben op hun zorgverzekeringspremie?

Antwoord:

Het aantal wanbetalers aan wie een bestuursrechtelijke premie werd opgelegd is gedaald van circa 250.000 begin 2018 naar circa 230.000 op 1 september 2018.

Vraag 332

Hoeveel mensen hebben de afgelopen jaren zorg gemeden, bijvoorbeeld door geen gebruik te maken van de doorverwijzing door de huisarts of het niet ophalen van geneesmiddelen als gevolg van het eigen risico?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 33.

Vraag 333

Hoeveel subsidie wordt er gegeven voor de ontwikkeling van ICT-toepassingen in zorginstellingen? Kunt u een overzicht geven van de afgelopen zes jaar? Wie kreeg subsidie en waarvoor?

Antwoord:

In principe is het aan zorginstellingen zelf om te investeren in ICT-toepassingen. Een eenduidig overzicht van alle subsidies voor ontwikkeling van ICT-toepassingen in de afgelopen zes jaar is moeilijk te geven omdat de investering in ICT vaak onderdeel is van grotere programma’s of initiatieven. Bijvoorbeeld de programma’s van ZonMw, het Topsectorenbeleid of de subsidies aan patiëntenorganisaties.

Vraag 334

Bij hoeveel subsidieaanvragen voor ontwikkeling van ICT-toepassingen en/of de ontwikkeling van e-health-applicaties is Focuscura de aanvrager, dan wel betrokken bij de aanvraag? Kunt u een overzicht geven over de afgelopen zes jaar?

Antwoord:

Focuscura heeft de afgelopen 6 jaar geen VWS-subsidie voor ontwikkeling van ict-toepassingen en/of de ontwikkeling van ehealth- applicaties aangevraagd. Bij ZonMw zijn voor zover wij in beeld konden brengen in de afgelopen 6 jaar geen subsidieaanvragen voor ontwikkeling van ict-toepassingen en/of de ontwikkeling van ehealth-applicaties ingediend waarbij Focuscura aanvrager was. In dezelfde periode zijn drie subsidieaanvragen voor ontwikkeling van ict-toepassingen en/of de ontwikkeling van ehealth-applicaties bij ZonMw ingediend waarbij Focuscura betrokken was. Dit was er één in 2013, één in 2014 en één in 2017. Alle drie aanvragen zijn afgewezen. Overigens kan betrokkenheid bij een subsidieaanvraag ook betekenen dat de betreffende partij zich verplicht om in het geval van toekenning van de subsidie een financiële bijdrage te leveren.

Vraag 335

Bij hoeveel subsidieaanvragen voor ontwikkeling van ICT-toepassingen en/of de ontwikkeling van e-health-applicaties is Philips de aanvrager, dan wel betrokken bij de aanvraag? Kunt u een overzicht geven van de afgelopen zes jaar?

Antwoord:

Voor zover wij kunnen nagaan heeft Philips de afgelopen 6 jaar geen VWS-subsidie voor ontwikkeling van ict-toepassingen en/of de ontwikkeling van ehealth-applicaties aangevraagd. Bij ZonMW zijn voor zover wij in beeld konden brengen de afgelopen zes jaar geen subsidieaanvragen voor ontwikkeling van ict- toepassingen en/of de ontwikkeling van ehealth- applicaties ingediend waarbij Philips de aanvrager was. In deze zelfde periode zijn 6 subsidieaanvragen voor ontwikkeling van ict-toepassingen en/of de ontwikkeling van ehealth-applicaties bij ZonMw ingediend waarbij Philips betrokken was. Dit was er één in 2010, 2 in 2011, één in 2012 en 2 in 2016. Hiervan zijn 4 aanvragen toegekend, één aanvraag afgewezen7 en één aanvraag nog in behandeling. Overigens kan betrokkenheid bij een subsidieaanvraag ook betekenen dat de betreffende partij zich verplicht om in het geval van toekenning van de subsidie een financiële bijdrage te leveren.

Vraag 336

Hoeveel subsidie wordt er gegeven voor de ontwikkeling van e-health toepassingen? Kunt u een overzicht geven van de afgelopen zes jaar? Wie kreeg subsidie en waarvoor?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 333.

Vraag 337

Welke acties worden ondernomen om de privacy van gebruikers van persoonlijke gezondheidsomgevingen te beschermen?

Antwoord:

Om de privacy van gebruikers van persoonlijke gezondheidsomgevingen te beschermen zijn in het afsprakenstelsel MedMij strenge afspraken gemaakt en eisen gesteld waaraan partijen die gegevens uitwisselen moeten voldoen. De afspraken en eisen zijn aanvullend op de geldende wet- en regelgeving met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder de AVG, dataprotectie afspraken en de NEN7510 voor privacy- en informatiebeveiligingsmaatregelen.

Vraag 338

Welke kosten zijn er (op termijn) verbonden aan het gebruik van een persoonlijke gezondheidsomgeving?

Antwoord:

Uitgangspunt is dat het de burger niets kost om van een veilig en betrouwbaar PGO gebruik te kunnen maken. Ik wil voorkomen dat vanwege geld bepaalde groepen mensen besluiten om geen PGO te gebruiken. Aangezien PGO’s een nieuwe ontwikkeling zijn, is de toegevoegde waarde voor gebruikers ook niet op voorhand bekend. VWS heeft een subsidieregeling in voorbereiding die het voor burgers mogelijk maakt om de komende jaren kosteloos een PGO te kunnen kiezen en gebruiken, mits deze voldoet aan MedMij stelsel en standaarden. Dit wordt gefinancierd uit de 5x10 miljoen innovatiegelden uit het regeerakkoord en bedraagt circa 8 miljoen euro per jaar. Om ook voor de lange termijn aan burgers een PGO kosteloos beschikbaar te kunnen stellen, verkennen we nu hiervoor de beschikbare scenario’s waaronder bijvoorbeeld opname in het verzekerd pakket.

Naast jaarlijkse kosten voor het gebruik van PGO’s door burgers, zijn er ook kosten verbonden aan MedMij. In het MedMij programma wordt gewerkt aan een afsprakenstelsel en informatiestandaarden waaraan systemen van zorgaanbieders en PGO’s moeten voldoen. Het programma is gestart in 2016 en gaat komend jaar op in de daartoe opgerichte Stichting MedMij. Het afsprakenstelsel en de standaarden zullen toekomstig door Stichting MedMij worden beheerd en doorontwikkeld. De kosten van het tijdelijke programma zijn door zorgverzekeraars en VWS gefinancierd, voor VWS gaat het om een totaalbedrag van circa 11,2 miljoen euro. Voor het toekomstige beheer en doorontwikkeling zullen de jaarlijkse kosten voor VWS naar verwachting 3 tot 4 miljoen euro bedragen.

Vraag 339

Welke kosten hebben gemeenten moeten maken om te voldoen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS heeft geen zicht op de kosten bij gemeenten voor de implementatie van de AVG. Navraag bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) wijst uit dat gemeenten het binnen de gemeentelijke begroting oplossen. De VNG laat weten dat zij geen signalen ontvangen dat dit tot problemen leidt.

Vraag 340

Welke kosten hebben zorginstellingen moeten maken om te voldoen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming?

Antwoord:

Uit navraag bij de Autoriteit Persoonsgegevens en koepelorganisaties binnen de zorg en het sociale domein blijkt dat er geen cijfers bekend zijn over de exacte kosten. Koepelorganisaties geven aan dat er verschillen zijn in de kosten die zorginstellingen hebben moeten maken om aan de AVG te voldoen. Dit hangt onder meer af van omvang van de instelling en de wijze waarop het voldoen aan de sinds 2001 geldende Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de NEN7510-beveiligingsnorm is vormgegeven.

Vraag 341

Welke kosten hebben ziekenhuizen moeten maken om te voldoen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming?

Antwoord:

Navraag bij de koepelorganisaties NVZ, NFU en ZKN wees uit dat de kosten voor het incidenteel voldoen aan de AVG rond de € 125.000 per ziekenhuis bedragen. De kosten betreffen voornamelijk aanpassingen aan systemen, het hebben van een Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en het aanschaffen en inrichten van een verwerkingenregister. De structurele kosten voor het blijven voldoen aan de AVG worden geschat tussen de € 150.000 en € 300.000 per ziekenhuis op jaarbasis, afhankelijk van de grootte en structuur van de organisatie.

Vraag 342

Waarom ziet u het alleen als uw taak om ICT-infrastructuur te financieren, maar niet om hier ook een regierol in te nemen?

Antwoord:

VWS levert op grond van de motie Tan (EK 31.466, X) geen bijdrage aan ICT infrastructuur, ook niet financieel. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor informatievoorziening en bijbehorende ICT.

Het kabinet stimuleert digitalisering en in het Informatieberaad Zorg worden samen met het veld afspraken gemaakt over gegevensdeling.

Goede zorg vraagt immers om goede gegevensuitwisseling en daarvoor zijn afspraken nodig over taal, techniek van uitwisseling en ontsluiting van gegevens.

Het Ministerie van VWS, in de rol van voorzitter van het Informatieberaad, houdt vinger aan de pols of de gemaakte afspraken binnen de termijn worden nagekomen. Dit geldt zowel voor afspraken met de koepels maar ook voor de afspraken die partijen in de zorg met hun ICT-leveranciers maken.

Daarnaast stimuleer en versnelt VWS informatie-uitwisseling tussen professionals en met patiënten via stimuleringsregelingen en de ontwikkeling van MedMij. Onze regierol breiden wij verder uit. Daarover informeer ik u voor het einde van het jaar.

Vraag 343

Zijn de lange termijndoelstellingen van het hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg 2019–2022 wel realistisch gezien de duur van de looptijd van het akkoord?

Antwoord:

In het bestuurlijk akkoord huisartsenzorg 2019–2022 hebben partijen afspraken gemaakt waar zij de komende vier jaar op in willen zetten. Partijen achten het haalbaar om de gemaakte afspraken gedurende deze periode te realiseren.

Een belangrijk onderdeel van deze afspraken is inzetten op de beweging naar de juiste zorg op de juiste plek, versterking van de organisatie en infrastructuur, de investering in het versterken van ICT in de huisartspraktijk en de digitale uitwisseling van gegevens tussen huisartsen en patiënten.

De komende jaren is oplopend structureel € 471 miljoen extra beschikbaar voor het uitvoeren van deze ambities. Daarnaast is voor de looptijd van het akkoord circa € 133 miljoen specifiek beschikbaar voor het versterken van ICT in de huisartspraktijk, digitale uitwisseling met patiënten en voor de uitvoering van de nationale onderzoeksagenda huisartsengeneeskunde.

Vraag 344

Hoeveel is bezuinigd op de wijkverpleging vanaf 2015?

Antwoord:

Er is in de jaren vanaf 2015 niet bezuinigd op de uitgaven voor wijkverpleging. Wel is er in het kader van het Hoofdlijnenakkoord Wijkverpleging afgesproken dat een deel van de onderschrijding in 2017 (namelijk € 50 miljoen) structureel wordt afgeroomd vanaf 2018.

Hierdoor blijven er middelen beschikbaar ten behoeve van prioriteiten uit het hoofdlijnenakkoord. Tevens is er in dit akkoord voor de jaren 2019 tot en met 2022 een volumegroei van 2,4% beschikbaar gesteld.

Vraag 345

Kunt u een overzicht sturen van de uitgaven van de wijkverpleging sinds 2015?

Antwoord:

Jaar

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Uitgaven wijkverpleging (x € 1 miljoen)

3.112

3.214

3.415

3.860

3.956

4.060

4.155

4.251

De uitgaven in 2016 en 2017 betreffen voorlopige uitgavenrealisaties. De cijfers voor de jaren 2018–2021 betreft het beschikbare kader.

Vraag 346

Hoe groot bedragen de personeelstekorten in de wijkverpleging en palliatieve zorg?

Antwoord:

Voor de totale zorg geldt dat het verwachte tekort, als we niets anders gaan doen, in 2022 100 tot 125 duizend personen bedraagt. Het is niet bekend hoe groot het personeelstekort voor specifiek de wijkverpleging en palliatieve zorg is.

Vraag 347

Hoeveel patiëntenstops hebben plaatsgevonden in de wijkverpleging?

Antwoord:

  • Zorgverzekeraars maken met zorgaanbieders afspraken over het doorleveren van zorg als het budgetplafond is bereikt. Als er geen afspraken zijn over het doorleveren van zorg kunnen zorgaanbieders bij het bereiken van het budgetplafond een patiëntenstop afkondigen. Ook bij onvoldoende personele capaciteit kunnen zorgaanbieders een patiëntenstop afkondigen.

  • Uit de monitor contractering wijkverpleging 2018 van de NZa blijkt dat het grootste deel van de aanbieders in de wijkverpleging (73%) geen patiëntenstop heeft afgegeven in 2017. De overige 27% (84) van de aanbieders heeft wél een of meer patiëntenstops afgegeven. Ongeveer de helft van deze aanbieders (16%) deed dit omdat het budgetplafond (bijna) was bereikt. Een andere veel voorkomende reden is onvoldoende personele capaciteit bij de aanbieder.

  • Als een zorgverzekeraar het budgetplafond ophoogt kunnen zorgaanbieders afzien van een patiëntenstop. Uit de hierboven genoemde monitor van de NZa blijkt dat zorgverzekeraars dat vaak doen.

Vraag 348

Wat is de stand van zaken bij de doorontwikkeling van de richtlijn Polyfarmacie bij ouderen, op welke resultaten op welke momenten wordt er aangestuurd en welke budgetten worden hiervoor ingezet?

Antwoord:

Onder auspiciën van Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) werken de veldpartijen, d.w.z. de koepels van voorschrijvers, apothekers, patiënten en zorgverzekeraars, aan de herziening van de multidisciplinaire richtlijn «polyfarmacie bij ouderen» en het daarbinnen ontwikkelen van een ondersteunende richtlijn voor deprescriptie (het stoppen van geneesmiddelen). Dit is noodzakelijk om het geneesmiddelengebruik bij kwetsbare ouderen te optimaliseren en om geneesmiddelgerelateerde schade en onnodige ziekenhuisopname te voorkomen;

De herziening is gestart op 15 mei 2018 en loopt tot en met 31 januari 2020. Ik heb aan het NHG voor de projectperiode een subsidie van ten hoogste € 293.250,– verleend. Het NHG heeft een eigen bijdrage opgenomen van € 21.833,– ik ga ervan uit dat deze eigen bedrage tenminste gerealiseerd wordt. Ik zie toe op de voortgang van de herziening conform de gemaakte afspraken.

Vraag 349

Wat is de stand van zaken bij de doorontwikkeling van de richtlijn Polyfarmacie bij ouderen, op welke resultaten op welke momenten wordt er aangestuurd en welke budgetten worden hiervoor ingezet?

Antwoord:

Zie antwoord vraag 348.

Vraag 350

Hoeveel medicatie (in bedragen en aantal medicijnen) wordt er jaarlijks vernietigd na inlevering? Hoe is de ontwikkeling ten opzichte van eerdere jaren?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 66.

Vraag 351

Hoeveel apothekers zijn er?

Antwoord:

Volgens de Stichting Farmaceutische Kengetallen zijn er op 1 januari 2018 in Nederland 1989 openbare apotheken gevestigd.

De Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) telt circa 5.500 leden. Deze apothekers werken niet alleen in een apotheek, maar ook bij bijvoorbeeld de overheid en in het bedrijfsleven.

Vraag 352

Hoeveel apotheekhoudende huisartsen zijn er?

Antwoord:

Er zijn volgens het CIBG momenteel 610 apotheekhoudende huisartsen in Nederland.

Vraag 353

Bij welke medicijnen waren er afgelopen jaar tekorten en kon dit niet geleverd worden?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 124.

Vraag 354

Hoeveel geld zou het opleveren, wanneer de Wet geneesmiddelenprijzen aangepast zou worden naar voorbeeld van het Noorse model?

Antwoord:

Voor de wijziging van de Wet geneesmiddelenprijzen (zie ook brieven d.d. 15 juni 2018 29477–489 en d.d. 6 juli 2018 29477–506) is door de Stichting Farmaceutische Kengetallen doorgerekend wat Noorwegen als vervangend referentieland in plaats van Duitsland naar schatting voor gevolgen heeft voor de uitgaven aan geneesmiddelen. Op basis van die doorrekening is in te schatten dat de besparing voor extramurale geneesmiddelen vanaf 2020 op structureel € 160 miljoen op jaarbasis komt en voor intramurale geneesmiddelen is de (minder nauwkeurige) schatting € 140 miljoen op jaarbasis.

Bij het Noorse model (met tien referentielanden wordt de maximumprijs bepaald op basis van het rekenkundig gemiddelde van de drie referentielanden met de laagste prijs) wordt nog sterker gedrukt op de prijzen (waarmee de besparingen hoger uit komen dan de hierboven genoemde bedragen). Echter, bij het Noorse model wordt (te) sterk gedrukt op de Nederlandse (introductie)prijs, wat reden kan geven voor de fabrikant een geneesmiddel hier later (of niet) te lanceren. Hierdoor kunnen nieuwe middelen waar patiënten graag snel toegang toe willen hebben pas later beschikbaar komen. Voor Noorwegen zelf is dit risico minder groot, omdat Noorwegen zelf maar voor vijf landen referentieland is (voor NL: 15). Ook speelt mee dat in Noorwegen prijzen van geneesmiddelen gemiddeld minder vaak herijkt. Dit betekent dat een fabrikant een hogere introductieprijs (omdat op dat moment nog in weinig andere Europese landen een prijs is vastgesteld) daar langer kan behouden. In Nederland herijken we alle geneesmiddelen iedere zes maanden, waardoor een lagere prijs in een referentieland veel sneller tot lagere prijzen in Nederland leidt.

Vraag 355

Hoeveel apothekers bereiden zelf medicijnen?

Antwoord:

Zoals ik in mijn brief van 14 november 2017 heb geschreven zijn er ongeveer 350 apotheekhoudenden die zelf medicijnen kunnen bereiden.

Ik heb recent contact gehad met de KNMP en de KNMP geeft aan dat zij inschat dat dit getal nog steeds actueel is.

Vraag 356

Krijgt de nieuw opgerichte «Akwa» per 1 januari 2019 het beheer over de Routine Outcome Monitoring (ROM) die wordt gebruikt voor de kwaliteitsmetingen binnen de ggz? Is hiermee de discussie over de inzet van de ROM binnen de ggz opgelost?

Antwoord:

Akwa is de nieuwe Alliantie voor kwaliteit in de ggz; voor en door de partijen in de ggz. Akwa gaat de nieuwe indicatoren en meetinstrumenten vaststellen bij de nieuwe zorgstandaarden die het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling in juni jl. heeft opgeleverd. Het wordt dus een nieuwe set indicatoren, een ROM «nieuwe stijl». Beoogd wordt de discussie over ROM binnen de ggz te beslechten. Draagvlak onder professionals en patiënten is daarbij van groot belang. Het databeheer zal worden ondergebracht in een nieuwe nog op te richten stichting, in opdracht van akwa.

Vraag 357

In welke mate wordt de veiligheid van medewerkers binnen de ggz meegenomen in de nadere afspraken over de in- en uitstroom van patiënten in beveiligde zorg?

Antwoord:

Op 26 april jl. heb ik uw Kamer, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming geïnformeerd over nadere afspraken over extra capaciteit voor beveiligde ggz (Vergaderjaar 2017–2018, TK 25 424, nr. 406). De veiligheid van medewerkers is geen expliciet onderdeel van die afspraken.

Het is van groot belang dat zorgverleners in de ggz veilig hun werk kunnen doen. Het organiseren en borgen van die veiligheid is de primaire verantwoordelijkheid van werkgevers, dus instellingen, in de ggz. Zoals toegezegd door de Minister voor Medische Zorg en Sport in debat met uw Kamer op 25 september jl. zal ik opnieuw met GGZ Nederland overleggen over hoe de veiligheid van medewerkers in de ggz het best kan worden geborgd. Ik zal daarbij in ieder geval aan de orde hebben of landelijke registratie van incidenten met agressie of geweld een nuttig en proportioneel instrument is.

Vraag 358

Wat gaat het aangekondigde bekostigingsexperiment betekenen voor de inzet van ervaringsdeskundigen binnen de ggz? Wordt het hiermee makkelijker om ervaringsdeskundigen binnen de ggz in te zetten? Kunt u een indicatie geven hoeveel ervaringsdeskundigen in 2019 in de ggz worden ingezet?

Antwoord:

In het hoofdlijnenakkoord ggz is afgesproken dat partijen de NZa verzoeken om in 2019 een bekostigingsexperiment uit te voeren dat ondersteunend is aan de invoering van een nieuwe prestatiestructuur en waarin de beroepen die het meest bijdragen aan het verkorten van de wachttijden declarabel worden. Het gaat daarbij onder andere om de inzet van ervaringsdeskundigen. Het is de bedoeling dat de inzet van ervaringsdeskundigen binnen de ggz binnen dit experiment makkelijker wordt. Partijen hebben in het hoofdlijnenakkoord ggz ook afgesproken dat zij de inzet van ervaringsdeskundigen stimuleren, onder andere in opleidingen, behandelingen en ondersteuning van cliënten. Ik heb geen zicht op hoeveel ervaringsdeskundigen er in 2019 zullen worden ingezet.

Vraag 359

Hoeveel bedden in de ggz in totaal zijn er sinds 2013 verdwenen; dus hoeveel Intensief Beschermd Wonen (IBW)-bedden, hoeveel klinische bedden, crisisbedden, bedden in de verslavingszorg, bedden in de vrouwenopvang en bedden in de kinder- en jeugd-ggz zijn er geschrapt? Indien dit niet bekend is, wordt dit op korte termijn geïnventariseerd?

Antwoord:

De Ambulantisering en Hervorming Langdurige ggz 2017 van het Trimbos Instituut (Vergaderjaar 2017–2018, TK 25 424, nr. 385) laat zien dat het totaal aantal klinische bedden in de volwassenen-ggz naar schatting is afgenomen van 18.400 met 2.600 is afgenomen tot 15.800 bedden. De verslavingszorg is meegenomen in de cijfers van de reguliere ggz. Er zijn geen aparte cijfers bekend over de afname van crisisbedden. In beschermd wonen is dat van 17.300 naar 16.450 plaatsen gegaan. Dit is niet uit te splitsen naar «intensief beschermd wonen», dat bestaat binnen de Wmo 2015 niet meer.

Er zijn geen landelijke cijfers van het aantal beschikbare plekken in de vrouwenopvang. Er is een landelijk dekkend stelsel van vrouwenopvangvoorzieningen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 225.

Ook voor de jeugd-ggz zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal bedden. Dit wordt niet meer apart bijgehouden sinds de decentralisatie in 2015. Wel worden de totaalcijfers voor jeugdhulp met verblijf door CBS verzameld, maar daar zijn alle vormen van jeugdhulp met verblijf in vervat.

Vraag 360

Hoe groot is de toename van verwarde personen in de samenleving sinds er gestart is met de afbouw van bedden in 2013?

Antwoord:

Het Aanjaagteam en het Schakelteam voor personen met verward gedrag hebben onderzoek laten doen naar aard en omvang van de problematiek. Conclusie uit dit onderzoek is dat er trends te zien zijn die zouden kunnen wijzen op een toename van mensen met verward gedrag, zoals de toename van het aantal meldingen overlast door personen met verward gedrag door de politie, maar dat er geen volledig beeld beschikbaar is van de omvang van de problematiek. We weten dus niet of er sprake is van een toename. Dit komt onder andere doordat beschikbare studies vaak niet representatief zijn (te klein of op specifieke regio’s/steden), verschillende definities voor verwardheid gebruikt worden, de registratiesystemen bij politie, ggz en gemeenten tekortkomingen kennen, de cijfers en trends mogelijk beïnvloed zijn door politieke en maatschappelijke tendensen. Er zijn geen aanwijzingen voor een relatie tussen het aantal mensen met verward gedrag en de ambulantisering van de ggz (Factsheet Trimbos-instituut «Verwarde personen of mensen met een acute zorgnood?», 2016).

Op 11 april 2018 (Vergaderjaar 2017–2018 TK 25 424, nr. 95) heeft uw Kamer de eerste analyse van de politiemeldingen ontvangen. In de analyse van het RIVM op de landelijke politiecijfers van 2016, blijkt dat er 34.000 personen schuil gaan achter 61.000 tot een persoon te herleiden meldingen. Dit betreft zowel E33-meldingen (overlast door een overspannen of verward persoon) als E14-meldingen (poging tot suïcide). Van deze 34.000 personen, komen 13.000 personen vaker dan één keer voor in hetzelfde jaar. Zij zijn dus minimaal tweemaal geregistreerd. Van deze 13.000 zorgt een groep van 5.700 personen (44%) voor wekelijkse meldingen (niet het hele jaar door, maar wel ten minste tweemaal binnen een week geregistreerd). Dit betreft dus de meest problematische groep en het lijkt verstandig hierop de aandacht te richten. Het Schakelteam personen met verward gedrag adviseert partijen dan ook een persoonsgerichte aanpak toe te passen op een beperkte groep.

Het Schakelteam heeft laten onderzoeken in hoeverre dit in het land al gebeurt. In zijn eindrapportage doet het Schakelteam hier verslag van. De goede voorbeelden en de werkzame bestanddelen van de aanpak zullen worden gedeeld, zodat andere regio’s deze voorbeelden kunnen volgen. In het vervolg op het Schakelteam zal ik dit verder ondersteunen.

Vraag 361

Kunt u een overzicht geven van de bezuinigingen die sinds 2008 tot en met heden op de ggz hebben plaatsgevonden?

Antwoord:

De GGZ groeit jaarlijks, maar de groei is door verschillende maatregelen getemperd.

Aan de GGZ is tot en met 2017 het volgende uitgegeven:

Uitgaven (x € mrd) en groei (%) totale GGZ 2008–2017
 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Uitgaven

4,9

5,4

5,7

5,9

6,0

5,9

6,0

6,5

6,6

6,8

Groei

 

9%

6%

4%

1%

– 2%

3%

7%

2%

3%

De groei van de uitgaven is getemperd door de volgende maatregelen (x € 1 miljoen):

2010: Tariefmaatregel

119

2011: Verleggen patiëntenstromen

35

2012: Regeerakkoord (o.a. eigen bijdrage, tariefmaatregel)

388

2016: Stringent pakketbeheer

25

Daarnaast zijn er vanaf 2013 (t/m 2017) groeiafspraken gemaakt met de curatieve GGZ-sector.

Vraag 362

Hoeveel is er sinds 2013 geïnvesteerd in de ambulante ggz?

Antwoord:

Dat is mij niet bekend en dat is ook moeilijk te zeggen, omdat in de ggz de zorg per dbc wordt bekostigd. De Vektis-data laten niet zien welk deel van het dbc aan verblijf en welk deel aan ambulante zorg binnen de behandeling werd besteed. Voor een indruk van de opbouw van de ambulante ggz verwijs ik u ook graag naar mijn brief d.d. 10 april 2018, waarmee ik de rapportage van Trimbos Instituut over intensivering opbouw ambulante ggz aan uw Kamer heb aangeboden (Vergaderjaar 2017–2018, 25 424, nr. 396). Hieruit blijkt een gemengd beeld.

Vraag 363

Hoeveel patiëntenstops zijn er in 2016, 2017 en 2018 geweest in de ggz, uitgesplitst per jaar?

Antwoord:

Het ministerie heeft geen inzicht in het totale aantal patiëntenstops in de ggz.

Vraag 364

Hoe is de onderschrijding van het ggz-budget in 2017 en 2018 besteed?

Antwoord:

De verwachte onderschrijding van het ggz-budget in 2017 is in dat jaar zelf niet opgemaakt. Een onderschrijding van zorgkosten leidt tot financiële meevallers in de resultaten van zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars voegen positieve resultaten toe aan hun reserves of gebruiken ze het jaar erna om de premie lager (onder kostendekkend niveau) vast te kunnen stellen. Via een lagere vaststelling van de premie hebben zorgverzekeraars de afgelopen vijf jaar bijna € 6 miljard aan verzekerden teruggegeven.

Ook in 2018 leiden lagere ggz uitgaven tot meevallers bij de verzekeraars. De verzekeraars hebben de premie 2018 echter fors lager vastgesteld dan geraamd door VWS, omdat ze uitgingen van lagere zorguitgaven. Onduidelijk is welk deel daarvan de ggz betrof. Wel is bekend dat de verzekeraars bij hun premiestelling 2018 uit zijn gegaan van uitgaven die vrijwel overeenkomen met de actuele VWS-raming. Daardoor kan gesteld worden dat de onderschrijding 2018 al in zijn geheel ten goede is gekomen aan de verzekerden via een lagere premie.

Vraag 365

Hoeveel is bezuinigd op beschermd woonvormen?

Antwoord:

Er is vanuit rijkswege geen sprake van een bezuiniging op de middelen die gemeenten hebben ontvangen voor beschermd wonen.

Vraag 366

Hoe groot zijn de tekorten op beschikbare plekken in beschermd woonvormen?

Antwoord:

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het inkopen van voldoende plekken voor beschermd wonen, passend bij wat in hun regio noodzakelijk is. Het aantal plekken fluctueert en kan ook variëren door het jaar heen. Er is geen centrale registratie van het aantal plekken en eventuele tekorten.

Vraag 367

Hoe vaak hebben zorgverzekeraars extra ggz-zorg ingekocht, na bereiken van het budgetplafonds?

Antwoord:

Er zijn geen landelijke cijfers beschikbaar hoe vaak zorgverzekeraars extra ggz-zorg hebben ingekocht na het bereiken van het budgetplafond. NZa heeft recent onderzoek gedaan naar de mate waarin er vanwege omzetplafonds bij vrijgevestigden, capaciteit onbenut blijft in de gespecialiseerde ggz (TK 25 424, nr. 423). De NZa doet een aantal aanbevelingen richting zorgverzekeraars en aanbieders in de ggz. De aanbevelingen zijn gericht op het terugbrengen van de wachttijden in relatie tot de omzetplafonds. In het recent gesloten hoofdlijnenakkoord 2019 – 2022 zijn afspraken gemaakt om de contractering in de ggz te verbeteren. Specifiek zijn er afspraken gemaakt bij verzoeken tot (bij)contractering en omzetplafondverhoging.

Vraag 368

Hoe groot is het personeelstekort in de ggz?

Antwoord:

Er zijn geen gegevens bekend over het personeelstekort in de ggz in de volle breedte. Onderzoek van KIWA Carity van juni 2015 in opdracht van het Capaciteitsorgaan laat de volgende schatting zien van de onvervulde vraag per beroepsgroep:

Gz-psycholoog

0,2% – 2,2%

Psychotherapeut

0% – 0,4%

Klinisch psycholoog

7,7% – 9,7%

Klinisch neuropsycholoog

0,1% – 2,1%

Verpleegkundig specialist ggz

1,1% – 3,1%

Vooral gz-psychologen worden ingezet om het tekort aan klinisch psychologen op te vangen.

Het Capaciteitsplan 2016 van het Capaciteitsorgaan toont voor de psychiater een onvervulde vraag van 5%.

Zie ook het antwoord op vraag 240.

Vraag 369

Waar in de ggz wordt er al gewerkt met prestatiebekostiging?

Antwoord:

Op dit moment wordt in nagenoeg de hele geneeskundige ggz gewerkt met een vorm van prestatiebekostiging. Afhankelijk van het type ggz vindt de bekostiging plaats door middel van diagnosebehandelcombinaties, oftewel dbc’s, zorgzwaartepakketten (zzp’s) of prestaties generalistische basis-ggz. Alleen de kennis- en expertisefunctie voor derdelijns en gespecialiseerde psychotraumazorg wordt bekostigd door middel van een beschikbaarheidbijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds (Zvf).

Per 2019 wordt voor de acute ggz, wat betreft de functies triage, beoordeling en de eerste 72 uur crisisbehandeling en/of -opname, op advies van de NZa overgestapt op een vorm van budgetbekostiging.

Vraag 370

Bij hoeveel zorgaanbieders in de ggz zijn er wachtlijsten en hoe groot zijn deze wachtlijsten?

Antwoord:

Ggz-zorgaanbieders verzamelen informatie over gemiddelde wachttijden, uitgesplitst naar aanmeldwachttijd en behandelwachttijd voor de basis-ggz en voor hoofddiagnosegroepen in de gespecialiseerde ggz. Zorgaanbieders leveren deze informatie aan bij Vektis en publiceren deze ook op hun website, zodat patiënten en verwijzers daarmee rekening kunnen houden.

Er zijn meer dan 3.500 vestigingen (vrijgevestigden, instellingen en onderdelen van instellingen) die wachttijdinformatie aanleveren bij Vektis. Een overzicht van de wachttijden per aanbieder zou een zeer omvangrijke lijst opleveren. Naar aanleiding van uw vraag heb ik de NZa gevraagd een inschatting te maken van het aantal zorgaanbieders dat aangeeft een wachttijd (aanmeldwachttijd en/of behandelwachttijd in de basis-ggz en/of gespecialiseerde ggz) te hebben. Van de 3.558 vestigingen die wachttijdinformatie hebben aangeleverd, hebben 2.982 vestigingen (waarvan 76% vrijgevestigd) een aanmeldwachttijd en 2.926 vestigingen (waarvan 76% vrijgevestigd) een behandelwachttijd.

We zien dus dat er bij het overgrote deel van de vestigingen sprake is van een wachttijd. Dat betekent niet dat deze wachttijd per definitie problematisch is. Het is logisch dat een cliënt bij de aanmelding even moet wachten voordat de eerste afspraak gepland kan worden. Om te definiëren hoe lang de wachttijd gemiddeld mag duren, hebben partijen de Treeknormen vastgesteld. Voor de lengte van de wachttijden in de basis-ggz en per hoofddiagnosegroep in de gespecialiseerde ggz, en hoe deze zich verhouden tot de Treeknormen, verwijs ik u naar de rapportage die ik in juli naar uw Kamer heb gestuurd (Vergaderjaar 2017–2018, TK 25 424, nr. 423). Voor het einde van het jaar verschijnt er een nieuwe monitor, die ik u te zijner tijd zal toesturen.

Vraag 371

Op basis van welke factoren wordt in 2020 de stand van zaken rondom collectiviteiten gemeten?

Antwoord:

In 2020 zal een monitor worden uitgevoerd om te bepalen of het collectiviteitsaanbod kleiner en meer onderscheidend is geworden. Daarbij zal in ieder geval veel aandacht zijn voor de zorginhoudelijke meerwaarde die de collectiviteit moet bieden. Hoe dit ingevuld zal worden wordt nog nader bepaald.

Vraag 372

Lagen de 150 extra opleidingsplaatsen voor gz-psychologen bovenop de 610 plekken binnen het advies van het Capaciteitsorgaan? Zo nee, waarom is van dit advies afgeweken?

Antwoord:

Nee. De 610 opleidingsplaatsen was het maximum van de bandbreedte die het Capaciteitsorgaan in juli 2015 had geraamd. Daarna is de behoefte aan gz-psychologen sterk toegenomen door groei van de patiëntenpopulatie en omdat gz-psychologen in toenemende mate lager opgeleid personeel, mantelzorgers en vrijwilligers begeleiden. Ook vindt meer verticale taakverschuiving plaats van specialisten (o.a. klinisch psychologen) naar gz-psychologen.

Vraag 373

Welke opleidingen dragen het meeste bij aan het oplossen van de wachttijden binnen de ggz?

Antwoord:

Er is voor 2019 € 20 miljoen beschikbaar gesteld om extra te investeren in opleidingen en daarmee de wachttijden terug te dringen. De sector heeft een plan gemaakt om deze middelen zo goed mogelijk te verdelen. Zie ook het antwoord op vraag 240.

Vraag 374

Kunt u specifieker zijn over de wijze waarop de Kamer op de hoogte wordt gehouden over de voortgang van het traject rondom wachttijden? Hoe verhoudt deze ambitie zich tot de afspraak dat de wachttijden binnen de ggz op 1 januari 2019 weer binnen de Treeknorm moeten vallen?

Antwoord:

Het streven is dat de gemiddelde wachttijden in de ggz zo snel mogelijk weer binnen de Treeknormen vallen. Hiertoe hebben partijen in juli een nieuw actieplan gelanceerd waarover ik uw Kamer op 17 juli jl. heb geïnformeerd (Vergaderjaar 2017–2018, TK 25 424, nr. 423) en daarnaast zijn in het hoofdlijnenakkoord ggz (Vergaderjaar 2017–2018, TK 25 424, nr. 420) afspraken gemaakt die ook zullen bijdragen aan het terugdringen van de wachttijden. Om te weten waar we op 1 januari 2019 staan, heb ik de NZa gevraagd om mij eind 2018 een volgende rapportage op te leveren. Die zal ik aan uw Kamer doen toekomen.

Vraag 375

Kunt u een overzicht van de gemeenten geven waar extra inzet nodig is om te komen tot een volledig landelijke dekkende aanpak van personen met verward gedrag? Kunt u daarbij specificeren waar het op dit moment bij die gemeenten nog aan schort?

Antwoord:

Voor een overzicht van de stand van zaken in de diverse regio’s en gemeenten verwijs ik naar de rapportage «de stand van het land» bij de eindrapportage van het Schakelteam die op 26 september jl. aan uw Kamer is aangeboden (Vergaderjaar 2017–2018, TK 25 424, nr. 424. Hierin wordt de voortgang per bouwsteen weergegeven.

Vraag 376

Kunt u een uiteenzetting geven wat de negatieve effecten zijn van niet-gecontracteerde zorg voor het functioneren van de ggz?

Antwoord:

Op 17 juli jl. informeerde ik u over het onderzoek naar niet-gecontracteerde zorg in de ggz. Uit dat onderzoek komt naar voren dat de niet-gecontracteerde zorg qua omzet is toegenomen van 4,4% in 2014 naar 6,3% in 2016.

De gemiddelde vergoede zorgkosten van de behandeling van patiënten met diagnosen alcoholverslaving, verslaving overige middelen, somatoforme stoornissen en «restgroep diagnoses» zijn bij niet-gecontracteerde ambulante zorg beduidend hoger dan bij gecontracteerde zorg (25%-80% hogere kosten). De niet-gecontracteerde zorgaanbieders leveren aan deze patiënten veel meer uren zorg dan gecontracteerde zorgaanbieders. Dat grotere aantal behandelingen en die hogere kosten liggen niet aan de ernst van de afwijkingen, want als de kosten gecorrigeerd worden voor zorgvraagzwaarte, blijven de genoemde verschillen bestaan.

Via contracten maken zorgverzekeraars afspraken met aanbieders over de kwaliteit van de zorg, over tarieven, over goede zorg voor een redelijke prijs, over zinnige zorg (geen onderbehandeling maar ook geen overbehandeling), over innovatie, over samenwerking in de wijk, over de organisatie van de zorg (bijvoorbeeld als er zorg is die beter vervangen of verplaatst kan worden). Dergelijke afspraken ontbreken bij niet-gecontracteerde zorg en dat komt het functioneren van de sector niet ten goede.

Via voorwaarden in een contract, zoals afspraken waar een declaratie aan moet voldoen, is de zorgverzekeraar beter in staat om de risico’s op fouten en fraude in te perken. Deze voorwaarden zijn er niet bij niet-gecontracteerde zorg.

Vraag 377

Wordt in het onderzoek naar niet-gecontracteerde zorg binnen de ggz ook gekeken naar dit soort vormen van zorg die in het buitenland worden verleend? Is het mogelijk om een overzicht te geven op welke schaal gebruik wordt gemaakt van ggz-zorg die in het buitenland?

Antwoord:

Mensen die verzekerd zijn volgens de Zorgverzekeringswet hebben twee mogelijkheden om zorgkosten die in het buitenland gemaakt zijn, vergoed te krijgen van hun zorgverzekeraar. De eerste mogelijkheid is dat de verzekerde of de buitenlandse aanbieder rechtstreeks declareert bij de Nederlandse zorgverzekeraar. De tweede mogelijkheid is dat de verzekerde een beroep doet op een verdragsdocument. De betaling van de zorgkosten loopt dan via het CAK en buitenlandse verbindingsorganen. Het CAK declareert dan de kosten bij de betreffende Nederlandse zorgverzekeraar. Via de eerste route is in 2016 ca € 5 miljoen aan ggz-kosten gedeclareerd (Vektis, gegevens 2016). Dit is ca 2% van de zorgkosten buitenland die in totaal via de zorgverzekeraars gedeclareerd worden. De zorgkosten buitenland die via het CAK gedeclareerd worden, zijn niet gespecificeerd naar sector. Als we 2% toepassen op het totaal dat via het CAK gedeclareerd wordt, betekent het dat via het CAK ongeveer € 3 miljoen aan ggz-kosten gedeclareerd wordt. Samen is dat € 8 miljoen, en dat is in totaal 0,2% van de kosten ggz die voor rekening van de Zorgverzekeringswet komen. Deze cijfers zijn met behoorlijke onzekerheid omgeven, maar duidelijk is dat het gaat om een relatief laag bedrag. Niet meegeteld zijn buitenlandse aanbieders die een onderaanneming zijn van een Nederlandse aanbieder. Daar zijn geen gegevens over.

De kosten van ggz die