Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201826695 nr. 121

26 695 Voortijdig school verlaten

Nr. 121 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BASIS- EN VOORTGEZET ONDERWIJS EN MEDIA

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 februari 2018

Ieder kind heeft recht op onderwijs, ieder kind verdient de kans om zich optimaal te kunnen ontplooien. Om dat te waarborgen is in Nederland de Leerplichtwet 1969 (hierna: Leerplichtwet) van kracht: kinderen van 5 tot 16 jaar moeten naar school. Voor jongeren van 16 en 17 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald, geldt de kwalificatieplicht. Een kind moet ingeschreven staan bij een school en die geregeld bezoeken. Zo helpen we kinderen om zich te ontwikkelen en zich voor te bereiden op hun toekomst in de maatschappij.

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de verzuimcijfers van het schooljaar 2016–2017. Dit kabinet heeft de ambitie uitgesproken om verzuim vroeg te signaleren en aan te pakken en het aantal thuiszitters fors in te perken. Als een kind vaak of lange tijd achtereen niet naar school gaat, kan dat een bedreiging vormen voor de ontwikkeling van een kind. Het kan een signaal zijn van onderliggende problematiek en uiteindelijk leiden tot langdurig thuiszitten. Daarom wordt door scholen, gemeenten en de rijksoverheid geïnvesteerd in het voorkomen en terugdringen van verzuim. In vergelijking met eerdere schooljaren zien we in de cijfers over schooljaar 2016–2017 globaal een stabilisatie of daling van verzuim. We zien echter ook dat de langdurige problematiek, situaties waarin kinderen langer dan drie maanden thuis komen te zitten, nog even groot is als vorig schooljaar. Dat vind ik onacceptabel. Het vraagt om de niet aflatende inzet van scholen, samenwerkingsverbanden en gemeenten.

In deze brief kijk ik eerst kort terug op de resultaten in het afgelopen jaar. In de tweede helft van deze brief kijk ik vooruit en kondig ik een aantal maatregelen aan om verzuim en thuiszitten terug te dringen.

Verzuim en vrijstellingen: de cijfers

Cijfers over verzuim en vrijstellingen in Nederland zijn complex en de verklaring voor ontwikkelingen is niet altijd eenduidig: iedere regio heeft zijn eigen verhaal. Hieronder beschrijf ik kort de cijfers en ontwikkelingen in verzuim en het aantal vrijstellingen. Ook duid ik globaal de ontwikkelingen die zich daarin aftekenen. Een uitgebreider overzicht van de cijfers is opgenomen als bijlage bij deze brief.1 De verzuimcijfers worden in het Verzuim- en SchoolverlatersKompas (VSv-Kompas) en het Dasboard Passend Onderwijs geordend, zodat gemeenten en samenwerkingsverbanden zelf analyses kunnen maken van de situatie en aanpak in hun regio.

Achtergrondinformatie: ongeoorloofd verzuim

Als een kind in de leerplichtige leeftijd niet ingeschreven is op een school of zonder geldige reden lessen verzuimt, is sprake van ongeoorloofd verzuim. Er zijn twee soorten ongeoorloofd verzuim: er is sprake van absoluut verzuim als een kind niet is ingeschreven op een school en van relatief verzuim als een leerling is ingeschreven, maar niet aanwezig is bij de lessen. Relatief verzuim kent vervolgens weer een onderverdeling. Spijbelen wordt in eerste instantie door de school aangepakt. Bij meer dan 16 uur verzuim in vier lesweken is melding bij de gemeente verplicht. Na ongeoorloofde afwezigheid langer dan vier weken aaneengesloten spreken we van langdurig relatief verzuim. Luxeverzuim is een vorm van relatief verzuim, waarbij een leerling ongeoorloofd op vakantie is tijdens de schoolperiode.

We zien een daling van het absoluut verzuim in het algemeen, maar nog niet van het absoluut verzuim langer dan drie maanden

Vorig jaar waren er meer dan 5.000 meldingen van absoluut verzuim, dit jaar is dat ruim 4.500. De afname van het absoluut verzuim is een positieve ontwikkeling. Het betekent dat meer kinderen een plek krijgen op school en daar hebben ze recht op. Ten minste een deel van de daling is ook te danken aan betere registratie. Een aantal (grote) gemeentes heeft in het afgelopen jaar de eigen registratie onder de loep genomen. Sommige leerlingen werden bijvoorbeeld als absoluut verzuimer aangemerkt omdat zij op een particuliere school zitten of in het buitenland onderwijs volgen. Deze leerlingen volgden wel onderwijs. Het is goed dat de cijfers nu eenduidiger zijn, zodat de aandacht uit kan gaan naar leerlingen die niet zijn ingeschreven op een school.

Het relatief verzuim daalt; ook langdurig relatief verzuim langer dan drie maanden daalt licht

In het schooljaar 2016–2017 werden meer dan 66.000 meldingen van relatief verzuim gedaan. Dat is iets minder dan het schooljaar daarvoor. Deze daling is al een aantal jaar te zien. Bij het overgrote deel van deze meldingen gaat het om kortdurend verzuim, dus het «spijbelen». Ook het langdurig relatief verzuim (vier weken of langer) daalt licht, van bijna 4.300 gevallen naar ruim 4.100 gevallen. Net als voor absoluut verzuim is ook voor relatief verzuim de registratie verbeterd. De daling is er ondanks dat verzuim beter wordt geregistreerd. Dat is goed nieuws, want als verzuim in beeld is, kan het worden aangepakt. Zo kan voorkomen worden dat spijbelen leidt tot achterstand op school en schooluitval.

Achtergrondinformatie: vrijstellingen

Er zijn drie types vrijstellingen van de plicht om ingeschreven te staan op een school in Nederland, die vaak worden aangeduid door een verwijzing naar het artikel van de Leerplichtwet waarin ze staan benoemd:

Vrijstelling 5 onder a: wanneer een kind psychisch of lichamelijk ongeschikt is om onderwijs te volgen

Vrijstelling 5 onder b: wanneer ouders bedenkingen hebben tegen de richting van alle scholen binnen een redelijke afstand van het woonadres

Vrijstelling 5 onder c: wanneer een kind is ingeschreven op een school in het buitenland

Een vrijstelling geldt voor één jaar. Als blijkt dat het voor een kind nooit mogelijk zal zijn om een school te bezoeken, kan de vrijstelling 5 onder a voor de gehele leerplichtige leeftijd van het kind gelden.

Het aantal vrijstellingen blijft nog stijgen

In schooljaar 2016–2017 kwamen alle soorten vrijstellingen meer voor dan het schooljaar daarvoor.

  • o Voor vrijstellingen 5 onder a lijkt de trend te keren: de stijging is minder dan eerdere jaren. Veel gemeenten hebben de beroepen op vrijstellingen 5 onder a het afgelopen jaar kritisch bekeken. In sommige gevallen werden toch mogelijkheden gevonden voor maatwerk in onderwijs, in samenwerking met de zorg, zodat een vrijstelling niet nodig was.

  • o Het aantal vrijstellingen vanwege bedenkingen tegen de richting van het onderwijs is wederom gestegen. Dit raakt onder meer aan het vraagstuk van thuisonderwijs. In het regeerakkoord heeft dit kabinet afgesproken dat op thuisonderwijs toegesneden eisen gaan gelden ten aanzien van kwaliteit, bekwaamheid, burgerschap en veiligheid. Ik informeer u hierover later dit jaar nader.

  • o Kinderen met een vrijstelling 5 onder c gaan wel naar school, maar doen dat in het buitenland. Dat komt met name voor in de grensstreek.

Achtergrondinformatie: thuiszitters

Als een leerling langer dan vier weken niet ingeschreven staat op een school (absoluut verzuim) of niet naar school gaat zonder geldige reden (relatief verzuim), spreken we van een thuiszitter. Het gaat hier dus om zowel absoluut als relatief verzuim. In het Thuiszitterspact hebben de Ministeries van JenV, VWS en OCW, de VNG en de PO-Raad en de VO-raad de ambitie uitgesproken dat in 2020 geen enkele leerling langer dan drie maanden thuiszit zonder passend aanbod voor onderwijs en/of zorg.

Het aantal leerlingen dat langer dan drie maanden thuiszit lijkt stabiel

De gezamenlijke inzet om thuiszitten te voorkomen en kinderen terug naar school te laten gaan, lijkt te werken voor het terugdringen van verzuim. Maar de inzet blijft nog volop nodig, want de langdurige problematiek waarbij leerlingen langer dan drie maanden thuiszitten, blijft vooralsnog ongeveer gelijk op ruim 4.000 leerlingen. Daarbij gaat het bij 1.700 meldingen om situaties van absoluut verzuim; dat is zelfs een lichte toename ten opzichte van vorig schooljaar. In de overige gevallen gaat het om relatief verzuim langer dan drie maanden. Dat neemt af, maar nog maar heel licht. Het is een taak voor alle betrokken partijen om voor deze kinderen een passende plek te vinden. De urgentie om dit probleem aan te pakken is onverminderd hoog.

Resultaten van de uitvoering van het Thuiszitterspact

Het afnemende verzuim is het resultaat van het werk van alle betrokken partijen, die hebben gewerkt aan de uitvoering van het Thuiszitterspact. In 2016 werd het Thuiszitterspact ondertekend door de Ministeries van OCW, VWS en JenV, PO-Raad, VO-raad en de VNG om het aantal thuiszitters omlaag te brengen: in 2020 geen enkel kind langer dan drie maanden thuis zonder een passend aanbod.

Scholen registreerden het verzuim, gingen het gesprek aan met leerlingen en ouders bij ongeoorloofd verzuim, deden meldingen bij DUO als het verzuim langdurig werd en zochten contact met een jeugdarts als dat nodig was. Het aantal leerlingen in het funderend onderwijs dat langer dan drie maanden thuis was, is 0,14 procent van de leerlingen.2 Het betreft dus echt uitzonderingen. Voor veel leerlingen organiseren scholen en samenwerkingsverbanden ondersteuning op school. Ze zoeken naar manieren om alle leerlingen een goed onderwijsaanbod te kunnen geven. Als dat ingewikkeld is kan dat met hulp van de onderwijs(zorg)-consulenten. Leerplichtambtenaren zochten met leerlingen en ouders oplossingen voor verzuim, waar nodig ook met dwang. Meer dan 4.600 leerlingen kwamen dit schooljaar terug op school na een tijd zonder inschrijving of langdurig verzuim.

Verbetering verzuimregistratie

Voor het terugdringen van verzuim is het allereerst essentieel dat er goed zicht is op het verzuim. Daar zijn de afgelopen jaren belangrijke stappen in gezet. Dit schooljaar zijn als laatste ook po-scholen en bijna alle (v)so-scholen succesvol aangesloten op het verzuimregister.

Bijna alle softwarepakketten hebben de mogelijkheid van automatische uitwisseling van gegevens met DUO. Er is echter ook nog werk te doen. In het melden en afhandelen van relatief verzuim is nog veel variatie tussen scholen en regio’s. Daarnaast is het moeilijk om absoluut verzuim goed in beeld te krijgen. Daarom zijn de cijfers bij DUO nog niet altijd gelijk aan de cijfers die gemeenten hebben. Dat is de reden dat gemeenten jaarlijks hun verzuimcijfers doorgeven middels de leerplichtenquête. De wens is dat dit binnenkort niet meer nodig is, zodat op ieder moment een overzicht van de verzuimcijfers kan worden gegeven. DUO werkt ook in 2018 verder aan het verbeteren van de registratie van verzuim, in overleg met scholen en gemeentes.

Regionale aanpak

Voormalig Kinderombudsman Marc Dullaert werd aangesteld om de afspraken uit het landelijke Pact aan te jagen. De aanjager heeft in de regio’s aangedrongen op een samenhangende aanpak, eerst met nadruk op het oplossen van problematiek en later ook met meer nadruk op preventie. Dit heeft onder andere opgeleverd dat de gemeentes van G32 en G4 regelmatig hun kennis delen over de aanpak van verzuim. Een impressie van de opbrengsten van het werk van de aanjager vindt u als bijlage bij deze brief3. Ik zie het gedeelde urgentiebesef en de verbeterde samenwerking in alle regio’s als een belangrijke stap vooruit. We zien dat ook terug in dalende verzuimcijfers. In december 2017 liep het aanjagerschap van Dullaert ten einde.

Ondersteuning vanuit het Landelijk Thuiszittersoverleg

De partners van het Thuiszitterspact werken in het Landelijk Thuiszittersoverleg samen met onmisbare partners als Ingrado, Gedragswerk, het NJI, Ouders en Onderwijs en samenwerkingsverbanden. De afgelopen jaren hebben zij ondersteuning geboden bij het voorkomen en oplossen van thuiszitten voor scholen, samenwerkingsverbanden en gemeenten. Er zijn goede voorbeelden verzameld en voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd. Het onderwerp thuiszitters staat op de agenda’s van het op overeenstemming gericht overleg (oogo) in alle gemeenten.

Interventieteam onderwijs-zorg

Sinds begin 2016 hield een tijdelijk interventieteam onderwijs-zorg zich bezig met het zoeken naar oplossingen voor kinderen die langdurig thuiszaten. Het interventieteam was betrokken bij bijna 70 casussen, waarvan de meeste gelukkig zijn opgelost. Van deze casuïstiek is veel geleerd. Uit het werk van het interventieteam bleek onder andere dat een duurzame oplossing voor thuiszitters altijd op lokaal of regionaal niveau moet worden gevonden. In het afgelopen jaar is er veel verbeterd aan het oplossingsvermogen van organisaties en hun onderlinge samenwerking, aan mogelijkheden ter ondersteuning van ouders en aan de communicatie hierover. Zo weten ouders de onderwijs(zorg)consulenten steeds beter te vinden, zijn in veel samenwerkingsverbanden ondersteuningsfunctionarissen en bracht Ouders en Onderwijs een infographic uit over wat te doen als het op school niet goed gaat.4 Mede hierdoor is het aantal nieuwe casussen dat wordt aangemeld bij het interventieteam zeer beperkt. Daarom wordt het interventieteam omgezet in een sparringtafel voor complexe casuïstiek. Daar kunnen organisaties die dagelijks bezig zijn met het oplossen van complexe gevallen, met name de onderwijs(zorg)consulenten en Gedragswerk, hun ervaringen delen en waar mogelijk hun aanpak aanscherpen.

Ook kunnen lessen voor beleid worden gedeeld met OCW en VWS. Uiteraard worden de casussen waarbij het interventieteam nog is betrokken, zorgvuldig afgerond.

Maatregelen om verzuim en thuiszitten verder terug te dringen in 2018

Eerder beschreef ik dat we er tot nu toe nog onvoldoende in geslaagd zijn om de problematiek van langdurig thuiszitten terug te dringen. We zien wel resultaten in de afname van verzuim, maar dat is nog niet genoeg. Ieder kind heeft recht op onderwijs en ieder kind dat thuiszit, is er één teveel. Daarom blijven we ons gezamenlijk inzetten om ervoor te zorgen dat in 2020 er geen kinderen langer dan drie maanden thuis zitten. Ik neem daartoe zelf een aantal maatregelen. Ook de partners van de Landelijke Thuiszitterstafel blijven hiervoor hun verantwoordelijkheid nemen. Gezamenlijk bieden we ruimte en stimuleren we de samenwerking in de regio’s. Achtereenvolgens ga ik in op de uitvoering in de regio, op maatwerk in onderwijs en zorg, op de rol van samenwerkingsverbanden en het inspectietoezicht op de naleving van de Leerplichtwet door scholen.

Uitvoering van regionale thuiszitterspacten

Naar aanleiding van het Thuiszitterspact hebben diverse regio’s ook pacten gesloten, met afspraken over een regionale aanpak en betere samenwerking. De regionale aanpak gaat bijvoorbeeld over gebruik van eenduidige definities en verbetering van registratie. Daarnaast gaat het om betere samenwerking tussen onderwijs en zorg en de verbinding met de Raad voor de Kinderbescherming en de justitiële keten. De uitvoering van deze pacten staat nog aan het begin. De Minister van VWS heeft Marc Dullaert mede namens mij gevraagd om nog zes maanden te werken aan de verankering van de resultaten in alle regio’s. Het doel is dat de gemeentes, met name de G32 en de G4, verder werken aan de verwezenlijking van de doelstellingen in het Thuiszitterspact. Ik ben blij dat ook de samenwerking in het Landelijk Thuiszittersoverleg doorgaat. In 2018 zet het Thuiszittersoverleg in op preventie van thuiszitten en op samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. De praktijk staat centraal: de uitvoerende professionals worden ondersteund met elders opgedane ervaringen. De Methodische Aanpak Schoolverzuim wordt blijvend onder de aandacht gebracht bij alle betrokkenen. Ook stimuleert het Thuiszittersoverleg de ontwikkeling van onderwijs-zorgarrangementen in het regulier onderwijs met inzet van specialistische expertise, door kennisdeling en vraag-gestuurde ondersteuning in de regio. Samen met andere belangrijke partners, zoals LAKS, NVO, NCJ, onderwijsconsulenten, CCE, ouderorganisaties en gemeentes worden gezamenlijke themabijeenkomsten georganiseerd. In de komende thuiszitterstop in juni hopen we met vele betrokkenen de resultaten tot nu toe te kunnen delen.

Maatwerk in onderwijs en zorg

Voor kinderen met een ondersteuningsbehoefte is soms maatwerk nodig. Per brief heb ik u geïnformeerd over de mogelijkheden daartoe.5 Het is belangrijk dat de bestaande mogelijkheden voor maatwerk optimaal worden benut voor leerlingen die dat nodig hebben. De Dag van de Leerplicht, 15 maart a.s. heeft daarom als thema «Samenwerking en maatwerk beschermen het recht op onderwijs». De partners van het Landelijk Thuiszittersoverleg organiseren komende maanden regionale bijeenkomsten over mogelijkheden voor maatwerk. Uiteraard krijgt het onderwerp ook aandacht in de Landelijke Actieweek Thuiszitters van 2 tot 8 juni 2018.

Rol van het onderwijs bij totstandkoming vrijstellingen 5 onder a

Ik wil een wetsvoorstel voorbereiden dat de samenwerkingsverbanden een rol geeft bij de totstandkoming van vrijstellingen 5 onder a. Dit zijn vrijstellingen van de leerplicht om lichamelijke of psychische redenen. Vorig jaar werd geconstateerd dat het aantal van deze vrijstellingen in een aantal jaar was verdubbeld. Het is niet aannemelijk dat er in een paar jaar tijd zoveel meer kinderen zijn voor wie het onmogelijk is om onderwijs te volgen. Een vrijstelling ontstaat op dit moment van rechtswege op verzoek van ouders, nadat een onafhankelijk arts heeft verklaard dat een kind geen onderwijs kan volgen. Regioplan deed eerder onderzoek naar de toename van deze vrijstellingen en deed de aanbeveling om de samenwerkingsverbanden een rol te geven in de totstandkoming van deze vrijstellingen.6 Dat helpt artsen bij de afweging, omdat zij nu niet in alle gevallen een goed beeld hebben van het scala aan mogelijkheden in het onderwijs voor deze leerlingen. Onder het vorige kabinet is deze maatregel nog niet tot uitvoering gekomen. Ook in schooljaar 2016–2017 is het aantal vrijstellingen 5 onder a toegenomen, maar de groei neemt af. Ik schrijf dit toe aan de inspanningen die gemeentes, scholen en samenwerkingsverbanden hebben gepleegd om te komen tot maatwerk voor deze leerlingen. Toch ben ik er net als het vorige kabinet van overtuigd dat het goed is om het onderwijs een rol te geven in dit proces. Het is niet vanzelfsprekend dat artsen op de hoogte zijn van de mogelijkheden voor onderwijs-zorgcombinaties, maar de samenwerkingsverbanden hebben hiervan als geen ander een beeld. Door de expertise van de samenwerkingsverbanden te betrekken in de totstandkoming van vrijstellingen 5 onder a kunnen we gebruikmaken van hun functie in het onderwijsstelsel en zoveel mogelijk kinderen de kans geven op passend onderwijs. De manier waarop dit vorm kan krijgen, verdient nadere uitwerking. Ik informeer u hierover later dit jaar.

Doorzettingsmacht voor maatwerk voor thuiszitters

In het Regeerakkoord heeft dit kabinet de ambitie uitgesproken om doorzettingsmacht voor passend onderwijs te beleggen. Dit sluit aan bij een eerdere oproep van uw Kamer om samenwerkingsverbanden te verplichten deze doorzettingsmacht te beleggen.7 Uit inventarisatie door de inspectie bleek dat in ongeveer 60 procent van de samenwerkingsverbanden een vorm van doorzettingsmacht is geregeld.8 Soms vraagt de behoefte van leerlingen intensieve samenwerking van partijen of een creatieve manier van financieren. Ik vind het belangrijk dat dit mogelijk is en dat een kind niet langer thuiszit dan nodig, doordat een doorbraak in het overleg uitblijft. Daarom wil ik samen met de Minister van VWS snel uitvoering geven aan deze ambitie van het kabinet.

Doorzettingsmacht houdt in dat er afspraken worden gemaakt over wie – of welk orgaan – de doorslaggevende stem heeft bij de beslissing wie welk onderwijsaanbod of welke onderwijsondersteuning moet realiseren, als het overleg tussen betrokkenen daarover is vastgelopen. Als de zorgbehoefte van kinderen voorwaardelijk is voor het volgen van onderwijs, heeft doorzettingsmacht alleen voor het onderwijs zeer beperkte meerwaarde. Daarom wil ik op zoek naar een oplossing die zoveel mogelijk aansluit bij de organisatie van de jeugdsector.

Momenteel wordt in opdracht van de Minister van VWS een onderzoek gedaan naar doorzettingsmacht bij de uitvoering van de Jeugdwet door gemeenten.9

De resultaten van dit onderzoek verwachten we eind mei. Ik wil u rond het zomerreces een voorstel doen voor de uitwerking van deze ambitie uit het regeerakkoord.

Informatiepositie samenwerkingsverbanden

De samenwerkingsverbanden hebben nu een belangrijke rol in het voorkomen en oplossen van thuiszitten. Zij zijn verantwoordelijk voor het verzorgen van een dekkend aanbod van passend onderwijs. Veel samenwerkingsverbanden ervaren echter een beperking in het vervullen van deze rol, omdat zij over onvoldoende betrouwbare informatie over thuiszitters beschikken. Zij construeren nu op uiteenlopende manieren zo goed mogelijk een beeld van de situatie. De Inspectie van het onderwijs (hierna: inspectie) constateert dat bij elk van die vormen onvolkomenheden optreden.

De samenwerkingsverbanden hebben een taak op het gebied van thuiszitters, maar hun informatiepositie is te beperkt. Sommige samenwerkingsverbanden vragen daarom om inzage in de gegevens van verzuim en/of thuiszitten die bij DUO bekend zijn. Om dit te realiseren, moet dat juridisch mogelijk gemaakt worden en het heeft de nodige ict-implicaties. Daarom wil ik de informatiepositie van samenwerkingsverbanden versterken. Om op korte termijn de situatie te verbeteren, vraag ik DUO om zo snel mogelijk maandelijks aan de samenwerkingsverbanden de aantallen thuiszitters te verstrekken. Dit raakt niet aan de privacy van de leerlingen, maar geeft samenwerkingsverbanden wel de mogelijkheid om ontwikkelingen in de aantallen thuiszitters te kunnen volgen. In de loop van 2018 informeer ik u nader over de informatiepositie van de samenwerkingsverbanden en mogelijke maatregelen voor de lange termijn.

Toezicht op de naleving van de Leerplichtwet door scholen verbetert

Toezicht en handhaving is het sluitstuk van de keten. Het is in het belang van leerlingen dat scholen de voorschriften van de Leerplichtwet naleven.

Vroeger was het toezicht daarop een verantwoordelijkheid van de gemeente. In 2012 ging het over naar de inspectie, maar sommige gemeenten wilden de onderzoeken naar verzuimregistratie en -meldingen graag zelf uit blijven voeren voor de inspectie. Zij sloten hiertoe een samenwerkingsovereenkomst met de inspectie. Naar aanleiding van een evaluatie van het toezicht in 2014 zijn destijds verbeteringen in het toezicht doorgevoerd en werd toegezegd het toezicht in 2017 opnieuw te evalueren. In de tussentijd oordeelde de rechter dat er geen wettelijke grond was voor leerplichtambtenaren om deze onderzoeken voor de inspectie te doen en werden de overeenkomsten beëindigd. Inmiddels is een evaluatie van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet door scholen uitgevoerd door Regioplan, met daarbij ook aandacht voor de samenwerkingsovereenkomsten. Het onderzoeksrapport is bijgevoegd bij deze brief10. De belangrijkste constatering in het onderzoek is dat het inspectietoezicht op de naleving van de Leerplichtwet sinds 2014 is verbeterd en goed functioneert. Uit het onderzoek blijkt verder dat:

  • scholen een bezoek van de inspectie in het kader van de leerplicht doorgaans als zinvol ervaren en scholen en leerplichtorganisaties doorgaans zien dat het toezicht bijdraagt aan de naleving van de Leerplichtwet;

  • scholen die de Leerplichtwet onvoldoende naleven, dit snel herstellen als de inspectie daartoe opdracht geeft;

  • de samenwerking met de inspectie middels de overeenkomsten door veel leerplichtorganisaties worden gemist;

  • scholen de eigen naleving van de Leerplichtwet positiever inschatten dan de inspectie die beoordeelt;

  • een goede samenwerking tussen leerplichtorganisaties en de inspectie kan bijdragen aan gerichter toezicht en betere naleving.

Ik ben blij dat de inspanningen van de inspectie tot het gewenste resultaat hebben geleid. De inspectie continueert de komende tijd het toezicht en programmatisch handhaven op de naleving van de Leerplichtwet. Daarbij staat centraal of besturen ervoor zorgen dat hun scholen verzuimbeleid hebben, verzuim goed registreren en indien nodig melden bij het Verzuimloket van DUO.

Leerplichtambtenaren die zorgen hebben over de naleving van de Leerplichtwet door scholen, kunnen dit bij de inspectie melden. Het onderzoek van Regioplan laat zien dat voor veel leerplichtorganisaties onduidelijk is wat de inspectie doet met deze signalen. De inspectie zal daarom nauwer contact onderhouden met leerplichtambtenaren die een melding maken, over het vervolg dat gegeven wordt aan de melding. Verder zal de in overleg met Ingrado de signaleringsfunctie van de leerplichtorganisatie verder stimuleren.

De samenwerkingsovereenkomsten gaven de gemeenten een verdergaande verantwoordelijkheid in het toezicht. De onderzoeksresultaten bevestigen de wenselijkheid van deze vorm van toezicht. Ook de recente casus van gebrekkige verzuimregistratie bij de mbo- opleidingen Logistiek bij Zadkine benadrukt het belang van de rol die de gemeente kan spelen in het toezicht op scholen en instellingen bij het naleven van de Leerplichtwet. Het wetsvoorstel waarmee ik een juridische basis creëer voor samenwerkingsovereenkomsten tussen de inspectie en gemeenten die dat willen, is in voorbereiding en hoop ik binnenkort aan uw Kamer te kunnen aanbieden.11

Ondersteuning gemeentelijke taak Leerplichtwet door Ingrado

Vanwege het belang dat ik hecht aan het voorkomen en terugdringen van verzuim en thuiszitten ondersteun ik ook in 2018 het werk van de leerplichtambtenaren in samenwerking met Ingrado, de vereniging voor leerplichtambtenaren en RMC-coördinatoren. Ingrado zet zich in voor de verdere toerusting van deze professionals door het versterken van kennis, vaardigheden, een lerend netwerk en communicatie.

Tot slot

Ik begon deze brief met het onderstrepen van het belang van het recht op onderwijs voor alle kinderen. Alle beschreven ontwikkelingen moeten eraan bijdragen dat we dit recht steeds beter kunnen waarborgen, ook als dat niet eenvoudig is. Teveel kinderen zitten nu nog langdurig thuis. Daarom blijf ik me de komende jaren inspannen om de kansen te waarborgen voor kinderen om zich te ontplooien, samen met heel veel partners, zoals de deelnemers van het Landelijke Thuiszittersoverleg, ouders, leraren, schooldirecteuren, professionals in het samenwerkingsverband en leerplichtambtenaren door heel Nederland.

Mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

Bijlage 1. Verzuimcijfers schooljaar 2016–2017 en verloop sinds 2013

Deze cijfers zijn gebaseerd op een jaarlijkse enquête onder gemeenten over de omvang van het gemelde schoolverzuim, uitgevoerd door DUO.12 Door het invullen van deze Leerplichtenquête voldoen burgemeester en wethouders aan artikel 25 van de Leerplichtwet. In de enquête wordt ook gevraagd naar het aantal verleende vrijstellingen in de gemeente.

Tabel 1. Relatief verzuim en luxeverzuim per schooljaar

Schooljaar

Relatief verzuim totaal

Waarvan luxeverzuim

2013–2014

79.776

7.593

2014–2015

72.732

6.429

2015–2016

68.262

6.224

2016–2017

66.725

6.593

Tabel 2. Absoluut en relatief verzuim, totaal en >3 maanden per schooljaar

Schooljaar

Absoluut verzuim totaal

Absoluut verzuim >3 maanden

Langdurig relatief verzuim totaal

Langdurig relatief verzuim >3 maanden

Totaal thuiszitters >3 maanden

2013–2014

6.714

1.411

3.966

1.843

3.254

2014–2015

5.956

1.660

4.016

2.232

3.892

2015–2016

5.101

1.602

4.287

2.592

4.194

2016–2017

4.565

1.700

4.116

2.514

4.215

Tabel 3. Aantallen teruggeleid naar school

Schooljaar

Absoluut verzuim totaal

Absoluut verzuim opgelost (weer ingeschreven)

Langdurig relatief verzuim totaal

Langdurig relatief verzuim opgelost (terug naar school)

2013–2014

6.714

3.691

3.966

2.313

2014–2015

5.956

2.962

4.016

2.335

2015–2016

5.101

2.551

4.287

2.550

2016–2017

4.565

2.241

4.116

2.387

Tabel 4. Absoluut en langdurig relatief verzuim naar schoolsoort van (laatste) inschrijving
 

2013–2014

2014–2015

2015–2016

2016–2017

Categorie

Schoolsoort

 

Absoluut verzuim totaal

BO en SBO

2.080

1.693

1.241

1.022

(V)SO

423

399

317

381

VO

1.831

1.448

1.281

1.210

Beroepsonderwijs

790

779

586

523

Geen onderwijs/onbekend

1.590

1.637

1.676

1.429

Absoluut verzuim >3 maanden

BO en SBO

327

335

316

368

(V)SO

135

164

125

200

VO

346

441

479

511

Beroepsonderwijs

243

267

259

267

Geen onderwijs/onbekend

360

453

423

354

Langdurig relatief verzuim (begin + toename)

BO en SBO

479

440

551

507

(V)SO

629

807

800

901

VO

2.169

2.079

2.258

2.138

Beroepsonderwijs

689

690

678

570

Langdurig relatief verzuim >3 maanden

BO en SBO

155

198

257

254

(V)SO

342

464

499

574

VO

1.035

1.164

1.394

1.342

Beroepsonderwijs

311

406

442

344

Tabel 5. Vrijstellingen naar type en schooljaar

Schooljaar

Vrijstellingen 5 onder a

Vrijstellingen

5 onder b

Vrijstellingen

5 onder c

2013–2014

4.444

575

7.933

2014–2015

5.077

619

8.215

2015–2016

5.537

705

8.376

2016–2017

5.736

813

8.928

Tabel 6. Vrijstellingen 5 onder a naar laatst genoten onderwijs
 

2013–2014

2014–2015

2015–2016

2016–2017

Schoolsoort

 

BO en SBO

572

481

496

415

(V)SO

960

1.160

1.112

1.179

VO

394

464

445

369

Beroepsonderwijs

198

215

263

253

Geen onderwijs/onbekend

2.320

2.757

3.221

3.520

Tabel 7. Cijfers schooljaar 2016–2017 per gemeente voor G4 en G32
 

Absoluut verzuim

Absoluut verzuim

>3 mndn

Relatief verzuim

Langdurig relatief verzuim

Langdurig relatief verzuim >3 mndn

Vrijstellingen

5 a

Vrijstellingen

5 b

Vrijstellingen

5 c

Gemeente (G4)

 

Rotterdam

37

14

5.066

316

221

313

3

236

Utrecht

37

26

1.690

145

103

151

3

123

Den Haag

438

111

2.550

292

130

104

22

208

Amsterdam

384

165

3.964

188

40

356

45

469

Gemeente (G32)

 

Apeldoorn

73

25

753

5

3

35

4

24

Amersfoort

39

18

497

33

24

58

7

10

Breda

100

38

613

42

31

50

2

71

Eindhoven

37

20

345

20

14

81

1

56

Arnhem

11

9

597

45

36

44

5

13

Leiden

33

23

128

9

5

51

9

40

Sittard-Geleen

27

12

235

11

8

25

3

328

Leeuwarden

26

19

385

1

1

40

5

11

Groningen

51

19

694

68

53

64

17

17

Enschede

0

0

335

24

18

18

3

9

Zwolle

73

12

402

19

15

48

1

11

Dordrecht

9

5

692

52

30

74

1

8

Tilburg

118

72

1.214

42

29

15

0

50

Zaanstad

20

15

686

29

19

59

5

26

Helmond

39

13

159

12

6

31

3

18

Hengelo

12

4

147

7

4

16

3

4

Alkmaar

16

9

558

17

6

27

11

14

Heerlen

3

2

378

34

22

26

0

62

Almelo

2

0

571

10

3

26

0

5

Maastricht

0

0

415

0

0

19

1

756

Schiedam

15

6

543

26

21

48

1

23

Emmen

17

15

370

24

21

65

7

3

Haarlemmermeer

79

16

434

62

50

75

17

81

Venlo

6

4

392

16

13

30

0

73

Deventer

17

8

404

33

10

46

3

15

Zoetermeer

44

11

652

53

40

29

2

19

Nijmegen

247

14

568

90

59

46

13

39

Den Bosch

119

46

577

34

26

35

11

16

Ede

45

20

331

33

27

7

1

12

Almere

134

56

965

162

65

89

18

96

Haarlem

50

44

480

39

26

60

10

20

Lelystad

80

37

578

49

38

28

10

16


X Noot
1

Deze cijfers betreffen alle leerlingen van 5 tot en met 17 jaar en gaan over po, vo en mbo.

X Noot
2

Dit percentage is gebaseerd op het aantal leerlingen in po en vo (inclusief speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs in Nederland volgens het CBS.

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
5

Kamerstukken 31 497 en 31 293 en 31 289, nr. 258.

X Noot
6

Bijlage bij Kamerstuk 31 497, nr. 221.

X Noot
7

Zie o.a. motie Grashoff c.s., Kamerstuk 31 497, nr. 237.

X Noot
9

Zie: Kamerstuk 31 839, nr. 592.

X Noot
10

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
11

Kamerstuk 33 862, nr. 25.

X Noot
12

De cijfers van de gemeenten Slochteren, Langedijk, Schagen, Hollands Kroon en Bonaire over het schooljaar 2016–2017 ontbreken door diverse omstandigheden. Dit heeft geen gevolgen voor de geconstateerde trends.