34 300 XVII Vaststelling van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) voor het jaar 2016

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

2

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

3

     

1)

Leeswijzer

3

     

2)

Beleidsagenda

6

     
 

Tabel beleidsdoorlichtingen

17

 

Belangrijkste beleidsmatige mutaties ten opzichte van vorig jaar

19

 

Overzicht risico regelingen

20

3)

Artikelen

29

 

• Artikel 1. Duurzame handel en investeringen

29

 

• Artikel 2. Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

39

 

• Artikel 3. Sociale vooruitgang

45

 

• Artikel 4. Vrede en Veiligheid voor ontwikkeling

51

 

• Artikel 5. Versterkte kaders voor ontwikkeling

56

     

BIJLAGEN

 

1.

Verdiepingshoofdstuk

60

2.

Moties en toezeggingen in het vergaderjaar 2014/2015

63

3.

Subsidieoverzicht

74

4.

Evaluatie- en onderzoeksoverzicht

79

5.

Lijst van afkortingen

83

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor het jaar 2016 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten vormen samen de Rijksbegroting voor het jaar 2016. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2016.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2016 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van Toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Deze leeswijzer gaat in op de totstandkoming van de nieuwe begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de opbouw van de beleidsagenda, de beleidsartikelen en de overige onderdelen van de begroting.

Algemeen

Buitenlandse betrekkingen zijn een zaak van het Koninkrijk der Nederlanden: Nederland in Europa, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, alsmede de Nederlandse openbare lichamen in het Caribisch gebied (Bonaire, Sint Eustasius en Saba). Waar deze begroting spreekt over «Nederland» of «Nederlands» wordt daarmee bedoeld: «(van) het Koninkrijk der Nederlanden», tenzij het gaat om zaken die specifiek het land Nederland betreffen, zoals het EU-lidmaatschap en ontwikkelingssamenwerking.

Voor de uitvoering van het programma maakt de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking gebruik van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Groeiparagraaf

De opzet van de beleidsartikelen is ten opzicht van de begroting 2015 verder in lijn gebracht met de uitgangspunten van «verantwoord begroten». Hierbij is met name aandacht besteed aan de presentatie van de instrumenten in de budgettaire tabellen, waarbij de toelichtingen bij de financiële instrumenten zoveel mogelijk zijn gericht op de concrete beleidsinzet van de betreffende instrumenten.

Open data/transparancy

Nederland heeft zich met 56 andere landen aangesloten bij het Open Government Partnership en het Internationale Aid Transparancy Initiative (IATI). Het toegankelijk maken en beschikbaar stellen van informatie horen daarbij. Sinds 2012 publiceert het Ministerie van Buitenlandse Zaken periodiek actuele gegevens over ontwikkelingssamenwerking. Met deze open data kunnen toepassingen of apps worden ontwikkeld. Overheden, hulporganisaties en burgers kunnen met deze apps snel zien hoeveel Nederland aan hulp besteedt in een land of aan een project. Daarnaast is in dit kader een webpagina gelanceerd waarmee inzicht wordt gegeven in de budgetten en activiteiten voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Beleidsagenda

De beleidsagenda bevat de politieke hoofdlijnen van het beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van het kabinet. De beleidsagenda wordt afgesloten met een overzichtstabel van de beleidsdoorlichtingen en de belangrijkste beleidsmatige mutaties ten opzichte van de Ontwerpbegroting van 2015. Hierbij zijn de mutaties vanaf 2016 toegelicht. Voor het jaar 2015 zijn deze eerder al benoemd in de eerste suppletoire begroting 2015. De beleidsagenda sluit af met het overzicht van de risicoregelingen.

Beleidsartikelen

De beleidsagenda bevat de politieke hoofdlijnen van het buitenlandse handel- en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het kabinet. In de beleidsartikelen staat de financiële en beleidsinformatie over de voorgenomen uitgaven. Met verantwoord begroten wordt niet langer gewerkt met operationele doelstellingen. De financiële instrumenten zijn geclusterd naar artikelonderdelen. De indeling per beleidsartikel is als volgt.

A: Algemene doelstelling

Elk beleidsartikel begint met de algemene doelstelling (titel van het beleidsartikel).

B: Rol en verantwoordelijkheid

De rol en de verantwoordelijkheid van de Minister wordt beschreven aan de hand van de volgende categorieën: stimuleren, financieren, regisseren en uitvoeren.

Volgens het uitgangspunt van verantwoord begroten zijn er alleen kwantitatieve indicatoren bij resultaatverantwoordelijkheid. Op de beleidsterreinen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de Minister een stimulerende, faciliterende of regisserende rol en slechts in sommige gevallen een uitvoerende rol. De mogelijkheden voor kwantitatieve effectmeting voor de meeste beleidsterreinen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn dan ook beperkt. Kenmerkend is de internationale context waarin veel spelers en factoren de doelbereiking beïnvloeden. Vaak is er een gezamenlijke inspanning waarbij het weinig zinvol is (een deel van) de resultaten toe te rekenen aan Nederland, dat een deel van de input heeft verzorgd. In artikel 1 is één indicator opgenomen voor het instrument Partners for International Business (PIB), die inzicht geeft in het bereiken van het specifieke resultaat van dit instrument.

C: Beleidswijzigingen

Dit is een overzicht van belangrijke wijzigingen als gevolg van nieuw Kabinetsbeleid, evaluatie of voortschrijdend inzicht. Daar waar sprake is van beleidswijzigingen die in beleidsnotities zijn verschenen, is verwezen naar de betreffende notitie met het kamerstuk.

D1: Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

In het kader van «verantwoord begroten» wordt rijksbreed de financiële inzet op instrumentniveau gepresenteerd. De financiële instrumenten zijn onderverdeeld naar onder andere de volgende categorieën: subsidies, leningen, garanties, bijdragenovereenkomsten, opdrachten, bijdragen aan baten-lastendiensten en bijdragen aan (inter)nationale organisaties.

Dat betekent dat er geen uitputtende opsomming is van de financiële instrumenten per artikelonderdeel. In sommige gevallen zijn de instrumenten nog niet bekend, omdat de programma’s na het verschijnen van de begroting worden gestart en dan duidelijk wordt via welk instrument financiering plaats vindt. De instrumenten worden alleen voor het lopende begrotingsjaar opgenomen. Voor het overzicht van de financiële instrumenten is met ingang van dit jaar een directe aansluiting gezocht met de interne ramingssystematiek. Hierdoor is het gedurende het jaar beter mogelijk om de mutaties bij de tussentijdse begrotingsmomenten weer te geven.

D2: Budgetflexibiliteit

Op artikelniveau wordt aangegeven welk percentage van de begroting juridisch is vastgelegd. Als onderdeel van verantwoord begroten wordt alleen de juridische verplichting voor het begrotingsjaar opgenomen. In dit onderdeel wordt, indien nodig, een kwantitatieve toelichting gegeven.

E: Toelichting op de instrumenten

Hierin wordt per artikelonderdeel inzicht geboden in de financiële instrumenten, zoals in de tabel onder D zijn opgenomen.

Overige onderdelen van de begroting

Na de vijf beleidsartikelen volgen vijf bijlagen: het verdiepingshoofdstuk geeft informatie over de budgettaire begrotingsaansluiting tussen de begroting van 2015 en de begroting van 2016, de lijst met moties en toezeggingen aan de Kamer, het subsidieoverzicht, de evaluatie- en onderzoekstabel en de lijst met afkortingen.

De relatie met de HGIS-nota

De HGIS omvat naast de uitgaven van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking ook buitenlanduitgaven van de andere ministeries. Deze bundeling bevordert de samenhang en samenwerking die voor een geïntegreerd en coherent buitenlandbeleid van belang zijn. De HGIS-nota bevat een overzicht van de belangrijkste programma’s en uitgaven voor het buitenlandbeleid, waaronder een overzicht van de begrotingsontwikkelingen binnen de HGIS en bijlagen die alle buitenlanduitgaven overzichtelijk presenteren, zoals een totaaloverzicht van de buitenlanduitgaven die als officiële ontwikkelingshulp (ODA) kwalificeren.

In de HGIS-nota wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de internationale klimaatfinanciering 2016.

2. BELEIDSAGENDA

De internationale economie raakt verder geïntegreerd in mondiale waardeketens...

De Nederlandse economie heeft eindelijk de crisis achter zich gelaten en laat betere groeicijfers zien. Nederland blijft aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Vorig jaar werd een recordbedrag aan buitenlandse investeringen aangetrokken, wat weer extra banen oplevert. Ook de export, motor van de groei tijdens de crisis, blijft groeien. Lage- en middeninkomenslanden raken meer en meer geïntegreerd in mondiale waardeketens, wat zorgt voor economische ontwikkeling, werkgelegenheid en vermindering van armoede. Investeringen spelen hierin een belangrijke rol. De lage- en middeninkomenslanden weten steeds meer buitenlandse investeringen aan te trekken in bijvoorbeeld de aanleg van wegen, voedselproductie, stedelijke ontwikkeling en de energievoorziening – zaken die cruciaal zijn voor ontwikkeling. Ook op het gebied van de Millennium Ontwikkelingsdoelen, die dit jaar aflopen, is veel voortgang geboekt. De armoede in de wereld is sinds 1990 gehalveerd; 90% van de kinderen in de basisschoolleeftijd gaat naar school; kindersterfte tot 5 jaar is met 50% gedaald en moedersterfte met 45%. Veel meer mensen hebben toegang tot veilig drinkwater.

...maar de wereld staat voor grote complexe uitdagingen...

Tegelijkertijd moet de wereld oplossingen vinden voor een aantal complexe uitdagingen. Er is sprake van hardnekkige armoede in fragiele staten, grote ongelijkheid in middeninkomenslanden, langdurige droogte en grote overstromingen als gevolg van klimaatveranderingen en grote politieke spanningen en instabiliteit in delen van Afrika en het Midden-Oosten. Het aantal mensen dat op de vlucht is voor armoede, conflict of natuurgeweld is nog nooit zo groot geweest. Ruim 60 miljoen mensen hebben huis en haard moeten verlaten, met grote humanitaire consequenties en druk op het noodhulpsysteem. Ook zijn er grote uitdagingen in het verder bevorderen en verduurzamen van handels- en investeringsstromen en zijn er onzekerheden in de wereldeconomie, zoals de ontwikkeling van de olieprijzen en de afnemende groei van de Chinese economie. De complexe economische verwevenheid van landen biedt veel kansen voor groei en ontwikkeling, maar laat nog lacunes zoals het effectief tegengaan van belastingontwijking, of op het gebied van internationale mededinging en de regulering van investeringen.

...die om goede afspraken vragen op internationaal niveau...

Deze uitdagingen zijn mondiale uitdagingen: zij raken alle landen. Dat betekent dat er gedeelde belangen zijn bij een verder uitgewerkt internationaal handels- en investeringssysteem met afspraken over zaken als belastingontwijking, maar ook over mensenrechten en arbeidsstandaarden, Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) en duurzaam gebruik van grondstoffen. Ook moet er samengewerkt worden om extreme armoede uit te bannen en duurzame en inclusieve ontwikkeling te bevorderen. Naar verwachting zal de internationale gemeenschap eind september 2015 de Sustainable Development Goals (SDG’s) aannemen en zich daarmee verbinden aan een brede agenda voor duurzame ontwikkeling. Maar zonder actie geen resultaat. Nederland zal bezien hoe het huidige Nederlandse ontwikkelingsbeleid aansluit bij deze nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelen en de implementatie van de SDG’s ondersteunen. In 2015 en 2016 vindt een aantal grote internationale conferenties plaats waarin stappen vooruit moeten worden gezet. Tijdens de COP-21 Klimaatconferentie in Parijs is het zaak nadere afspraken te maken over het mitigeren van de gevolgen van klimaatverandering. Op de VN World Humanitarian Summit in mei in Istanboel zal Nederland aandacht vragen voor betere internationale samenwerking op het gebied van noodhulp en de Habitat III Conferentie moet een nieuwe mondiale agenda voor stedelijke ontwikkeling opleveren. Tijdens UN Environmental Assembly 2 moeten afspraken worden gemaakt over bescherming van het milieu in het kader de post-2015 agenda. In al deze conferenties zet Nederland erop in dat er ambitieuze afspraken gemaakt worden die door alle partijen gedragen worden.

...op Europees niveau...

Internationale afspraken dienen ook hun weerslag te krijgen in het EU-beleid. Vanuit de agenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) wil Nederland het EU-voorzitterschap aangrijpen om de gezamenlijke EU-inzet op het gebied van noodhulp en migratie te verbeteren en de SDG’s – nadat deze in internationaal verband zijn aangenomen – te verankeren in het EU-beleid. Nederland wil tevens aandacht vragen voor de verdere verduurzaming van mondiale waardeketens en de synergie tussen hulp en handel in het EU-beleid versterken. Daarnaast wordt er hard gewerkt aan de economische relaties van de EU en verbetering van de markttoegang van het bedrijfsleven in de rest van de wereld. Het Transatlantic Trade and Investment Partnership tussen de EU en de VS (TTIP) is daar een belangrijke stap in Nederland kan veel voordeel behalen bij TTIP, zowel voor consumenten (vergroting productkeuze) als voor de werkgelegenheid. Bijna de helft van de Nederlandse werknemers is in dienst bij een bedrijf dat exporteert. Wanneer de internationale handel toeneemt, maken bedrijven meer omzet. Dit kan weer voor meer investeringen van bedrijven zorgen. Hierdoor ontstaan meer banen.

Samen hebben de VS en de EU de ambitie om het mondiale handelssysteem te versterken en met TTIP daar hoge standaarden voor te zetten die in WTO-verband normstellend zijn. Teneinde de onderhandelingen succesvol te kunnen afronden, dient voor Nederland wel aan belangrijke randvoorwaarden te worden voldaan, zoals het behoud van ons sociaal-economisch stelsel en onze hoge normen op het gebied van mens, dier en milieu. Verder zet Nederland in op de verdere uitwerking van een investeringsbeschermingshoofdstuk, inclusief een modern geschillenbeslechtingsmechanisme. TTIP strekt zich uit over vele onderwerpen. Nederland heeft onder meer belangen in de landbouw, high-tech en maritieme sector. Goede informatievoorziening over TTIP is daarom cruciaal. Het kabinet spant zich er voor in de samenleving bij de discussie over TTIP te betrekken. Naast de transatlantische band werkt de EU aan intensievere banden via handels- en/of investeringsakkoorden met o.a. Brazilië, China, Japan, India en Vietnam. Een goed handels- en investeringssysteem is van goot belang voor een handelsland bij uitstek als Nederland.

...en actie in Nederland.

De SDG’s zijn universeel en brengen, na multilaterale overeenstemming erover, ook voor Nederland verantwoordelijkheden met zich mee. Met de agenda voor hulp, handel en investeringen draagt Nederland bij aan oplossingen voor mondiale uitdagingen. Het uitgangspunt is om samen te werken met andere overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven, (ontwikkelings)banken en kennisinstellingen om zo de slagkracht te vergroten. Bovendien moet er recht gedaan worden aan de complexiteit en de samenhang van de problemen waar we voor staan. Klimaatverandering en armoede beïnvloeden elkaar, evenals economische ontwikkeling en veiligheid, en migratie. Die zaken moeten in samenhang bezien en aangepakt worden. Dat doen we door hulp, handel en investeringen met elkaar te verbinden, maar bijvoorbeeld ook met een pleidooi in diverse fora (VN, EU) voor een integrale aanpak op het gebied van vrede, veiligheid en ontwikkelingssamenwerking. Nederland gebruikt de instrumenten uit deze zogeheten 3D-benadering (diplomacy, defense en development) om per situatie te kiezen voor de beste mix van instrumenten en deze in het veld met elkaar te verbinden. Dit geldt ook voor onze bijdrage aan brede vredesmissies van de EU en VN, waarbij we streven naar het leveren van een meerwaarde binnen niches (o.a. inzet op resolutie 1325, community policing, intel) die zich in elk van de drie D’s aandienen.

Migratie

Conflicten, onveiligheid en repressie in landen nabij Europa hebben geleid tot menselijk leed op ongekende schaal. Steeds meer mensen zien zich genoodzaakt alles achter te laten in een poging een veilig heenkomen te vinden. De dagelijkse, schrijnende beelden van vluchtelingen die in Europa aankomen, brengen de crises in landen als Syrië, Irak en Eritrea heel dichtbij. In 2015 is Nederland, net als veel andere Europese landen, geconfronteerd met een sterk verhoogde instroom van asielzoekers. Hoewel het verloop van de asielinstroom grillig en lastig te voorspellen is, kan vanwege de aanvragen van nareizende gezinsleden verwacht worden dat ook in 2016 de asielinstroom ten opzichte van de begroting 2015 hoger zal zijn. De hogere instroom stelt alle actoren rond het asielproces voor belangrijke uitdagingen en vraagt kabinetsbreed om aanvullende maatregelen. Deze maatregelen beperken zich niet tot het nationale terrein, maar hebben ook een belangrijke internationale dimensie.

Inmiddels is overal in Europa het besef aanwezig dat we de huidige migratieproblematiek alleen kunnen oplossen door Europese solidariteit en samenwerking, bundeling van al onze instrumenten en middelen, nieuwe maatregelen, meer inzet op aanpak van de grondoorzaken van gedwongen migratie en op humanitaire hulp voor vluchtelingen en ontheemden.

Op al deze terreinen is Nederland een actieve speler. Om nog beter in staat te zijn geïntegreerd beleid uit te werken en vernieuwende ideeën te presenteren, heeft het kabinet een Ministeriële Commissie Migratie opgericht. Deze commissie zal zich over de migratieproblematiek buigen op mondiaal, Europees en nationaal niveau en met concrete plannen komen om de migratieproblematiek aan te pakken.

1. Aanpak grondoorzaken

Doordat jaarlijks meer Afrikaanse jongeren op de arbeidsmarkt komen dan er nieuwe banen bijkomen, groeit de jeugdwerkloosheid in rap tempo. Het is van groot belang deze jongeren meer kansen te geven hun dromen en ambities waar te maken in eigen land. Zo wordt ook hun kwetsbaarheid voor mensensmokkelaars of radicalisering verminderd. Nederland investeert daarom extra in het creëren van werkgelegenheid in Afrika, onder meer door EUR 50 miljoen te investeren in het creëren van jeugdwerkgelegenheid en ondernemerschap in landen waar weinig economisch perspectief is. Ook pleiten we binnen de EU, Wereldbank en VN voor meer aandacht voor Afrikaanse jongeren als belangrijke doelgroep binnen tal van programma’s.

Daarnaast werkt Nederland – in een gezamenlijke inspanning van Buitenlandse Zaken, Defensie en Veiligheid en Justitie – aan het verbeteren van de veiligheid en stabiliteit in landen waar veel vluchtelingen vandaan komen zoals Syrië, Irak en Afghanistan. Dat betekent trainen en opleiden van het leger en politie (of de oppositie in geval van Syrië) en het versterken van de civiele controle op veiligheidsorganisaties, zodat burgers zich veiliger weten. Dat betekent ook het ondersteunen van diplomatieke inspanningen en bemiddelingspogingen om conflicten op te lossen, zoals het werk van VN gezant De Mistura in Syrië en tevens het borgen van rechten van mensen, zodat ze weer vertrouwen kunnen opbouwen in de overheid en rechterlijk macht, bijvoorbeeld door ondersteuning van de op verzoening gerichte grondwetsherziening in Irak.

2. Migratiepartnerschap met Hoorn van Afrika

Nederland heeft, samen met de Europese Commissie, een trekkersrol bij het EU regionale ontwikkelings- en beschermingsprogramma in de Hoorn van Afrika. Nederland wil die rol benutten voor een bredere dialoog met de Hoorn van Afrika, over de mogelijkheden om tot partnerschappen op migratieterrein te komen, waar zowel de landen in de Hoorn, Europese landen en migranten en vluchtelingen baat bij hebben. Dit doel staat ook centraal bij de topbijeenkomst in Valletta in november. Het gaat bij deze partnerschappen onder meer om gezamenlijke aanpak van mensensmokkel, verminderen spanningen met gastgemeenschappen, aanpak grondoorzaken, goede afspraken over terugkeer en herintegratie en capaciteitsopbouw op migratieterrein.

3. Innovatie van noodhulp

Naast deze inzet op structurele oplossingen maakt Nederland zich sterk voor vluchtelingen en ontheemden. De meeste vluchtelingen verblijven niet ver van de grens van hun land van oorsprong (opvang in de regio). Met het instellen van het Relief Fund (EUR 570 miljoen voor periode 2014–2017), bovenop het jaarlijkse budget van ca. EUR 200 miljoen dat beschikbaar is voor humanitaire hulp, kan Nederland hier een forse extra bijdrage aan geven. Het gaat echter niet alleen om meer hulp. Nederland speelt internationaal een voortrekkersrol bij de vernieuwing van humanitaire hulp. De World Humanitarian Summit in Istanbul in 2016 biedt een uitgelezen kans om hier werk van te maken. Samen met de VN introduceren we gebruik van «big data» om humanitaire hulp te verbeteren; zo maken de gegevens (facebook, internetgebruik, sms, twitter, radio, verplaatsingspatroon mobiele telefoons enz.) van miljoenen klanten van grote telecom- en internetbedrijven het mogelijk migratiestromen beter te voorspellen. Samen met het bedrijfsleven werken we aan vernieuwing, innovatieve financiering en kostenreducties. Internationaal pleiten we voor meer steun voor gastgemeenschappen. En binnen IMF en Wereldbank maken we ons sterk voor openstelling van zachte leningen voor middeninkomenslanden, zoals Libanon en Jordanië, waar publieke voorzieningen dreigen te bezwijken onder het grote aantal vluchtelingen.

Klimaat

Ook klimaatverandering moet gezien worden in een bredere context. Klimaatverandering is een belangrijke oorzaak van armoede, ongelijkheid en instabiliteit. Lage- en middeninkomenslanden zijn relatief kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering en de bevolking heeft vaak minder mogelijkheden om te anticiperen op nieuwe omstandigheden zoals extreem weer. Nederland spant zich daarom zowel in voor het tegengaan van klimaatverandering (mitigatie) als voor het vergroten van de weerbaarheid van de meest kwetsbare groepen (adaptatie). Nederland helpt lage- en middeninkomenslanden met het investeren in hernieuwbare energie en de toegang daartoe en met een beter beheer van landschappen en bossen om het effect van economische ontwikkeling op uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen te beperken. Nederland is daarom ook een belangrijke donor en lid van de Board van het Green Climate Fund. Programma’s gericht op voedselzekerheid en water zorgen voor een grotere weerbaarheid tegen klimaatverandering. Via de organisatie van een grote conferentie over klimaatadaptatie, Adaptation Futures 2016, samen met o.a. de Europese Commissie wil Nederland bijdragen aan internationale maatregelen om lage- en midden-inkomenslanden weerbaarder te maken tegen klimaatverandering.

De internationale veiligheid en human security komen door klimaatverandering onder nog grotere druk te staan. Bijvoorbeeld door milieudegradatie of natuurrampen die migratiestromen op gang brengen of door spanningen veroorzaakt door waterschaarste of beschikbaarheid van grondstoffen. De gevolgen van klimaatverandering dreigen veel successen van de afgelopen 70 jaar op het gebied van stabiliteit en ontwikkeling ongedaan te maken en zullen effect hebben op de wereldeconomie, ongelijkheid en interstatelijke verhoudingen. Om beter te kunnen anticiperen op de diverse veiligheidsaspecten en potentiële conflicten als gevolg van klimaatverandering is er behoefte aan een structureel platform voor informatiedeling en nauwere internationale samenwerking. Nederland biedt dit platform door het organiseren van een jaarlijkse internationale conferentie Planetary Security: peace and cooperation in times of climate change and global environmental challenges. Dit najaar zal de conferentie voor de eerste maal plaatsvinden in het Vredespaleis, in Den Haag.

Beleidscoherentie voor ontwikkeling

Coherent beleid door de ontwikkelde landen op het terrein van handel, economie en klimaat is een essentiële voorwaarde voor de realisatie van de SDG’s. Op het ministerie is een projectgroep opgericht die de beleidscoherentie voor ontwikkeling bewaakt. Prioriteiten zijn daarbij handel, belastingen en duurzame ketens. Zo hecht Nederland bijvoorbeeld veel belang aan een zo gunstig mogelijk effect van TTIP op lage- en midden-inkomenslanden, het afspreken van ontwikkelingsvriendelijke Economic Partnership Agreements (EPA’s) en zet Nederland in op een ambitieuze agenda voor verhoging van de belastinginkomsten voor lage- en middeninkomenslanden. Ook geeft Nederland aandacht aan het onderwerp patenten en de toegang tot betaalbare medicijnen. Het TRIPS verdrag (Trade Related Intellectual Property Rights) biedt ruimte om rekening te houden met het belang van de volksgezondheid. Dat is voor ontwikkelingslanden zeer van belang. Nederland pleit er daarom voor dat er in handelsakkoorden geen afbreuk wordt gedaan aan deze mogelijkheid via zogenoemde «TRIPS plus-bepalingen». Ook binnen de EU maakt Nederland zich sterk voor beleidscoherentie voor ontwikkeling. Mede op aandringen van Nederland wordt het EU-beleid ex ante gescreend op gevolgen voor lage- en middeninkomenslanden. Nederland zal in EU-verband steun uitspreken voor het initiatief om de impact van nationaal beleid in kaart te brengen.

De agenda voor hulp, handel en investeringen

Hieronder wordt nader ingegaan op de accenten in het begrotingsjaar 2016. De begrotingen van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking dienen in nauwe samenhang te worden bezien. Daarnaast komt de inzet op het Nederlands buitenlandbeleid tot uitdrukking in de Homogene Groep Internationale Samenwerking, die de onderlinge rijksbrede samenhang en de samenwerking en afstemming tussen de betrokken ministeries bevordert.

De agenda voor hulp, handel en investeringen heeft drie doelstellingen: (1) het uitbannen van extreme armoede, (2) het bevorderen van duurzame en inclusieve groei, en (3) het vergroten van het succes van het Nederlands bedrijfsleven in het buitenland.

1. Uitbanning van extreme armoede

Een van de SDG’s betreft de uitbanning van extreme armoede per 2030. Hiertoe moeten de omstandigheden van de allerarmsten en de meest kwetsbare groepen in de wereld worden verbeterd. De wereldgemeenschap zal zich in de SDG’s naar verwachting verbinden met het principe van Leave No One Behind. Dat is geen geringe opgave. Veel extreem arme mensen zijn woonachtig in middeninkomenslanden waaronder India en China, maar ook in in fragiele staten, post-conflictlanden en in landen met een zeer beperkte economische ontwikkeling. In de toekomst zal extreme armoede zich vooral concentreren in die laatste groepen landen. Nederland steunt het internationale streven om ODA-gelden meer op deze landen te richten. Ons land besteedt minimaal 0,15–0,2% van het BNI aan de minst ontwikkelde landen. De oorzaken van extreme armoede liggen op verschillende onderling verweven terreinen: klimaat, veiligheid,economische ontwikkeling en werkgelegenheid, en sociale uitsluiting. Klimaatverandering is een katalysator van armoede, veiligheid is een randvoorwaarde en het hebben van werk is de belangrijkste weg om uit armoede te kunnen ontsnappen. Bestrijding van armoede en het bevorderen van ontwikkeling vallen zo meer en meer samen met de aanpak van mondiale uitdagingen.

In 2016 werkt Nederland verder aan armoedevermindering via de vier speerpunten voedsel, water, veiligheid en rechtsorde en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en de drie thema’s klimaat, privatesectorontwikkeling en vrouwenrechten. Nederland heeft zich in de onderhandelingen over de SDG’s ingezet om gender als zelfstandige doelstelling op te nemen en zal in lijn hiermee de partnerlanden steunen bij de implementatie van de SDGs over vrouwenrechten en SRGR. In 2016 vindt een UN General Assembly Special Session plaats over drugs, een belangrijk moment om de vermindering van hiv-infecties te agenderen en de volksgezondheid-en mensenrechtenaspecten te bepleiten. In het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde staan migratie en noodhulp hoog op de agenda. Er komt meer focus op transitional justice om de ontwikkeling van de rechtsstaat en een duurzame vrede te bevorderen na een conflict.

De Nederlandse overheid werkt steeds vaker samen met het bedrijfsleven, ngo’s en kennisinstellingen in de strijd tegen armoede. Bijvoorbeeld als het gaat om het vergroten van kennis en capaciteit van organisaties in lage- en middeninkomenslanden. Dat gebeurt onder andere in de Kennisplatforms, het NICHE programma, dat de capaciteitsopbouw in het hoger onderwijs in partnerlanden ondersteunt en via de Dutch Land Governance Academy die bijdraagt aan de capaciteitsopbouw voor betere landrechten en landgebruik. De samenwerking tussen verschillende publieke en private organisaties op internationaal niveau krijgt steeds meer vorm in het Global Partnership for Effective Development Cooperation (GPEDC). Nederland is co-voorzitter van dit partnerschap.

Samenwerking met multilaterale organisaties blijft essentieel om onze doelen te bereiken. Nederland zal de samenwerking met organisaties die onvoldoende functioneren of onvoldoende relevant zijn voor de uitvoering van de beleidsagenda op een lager pitje zetten of beëindigen. Voor Nederland belangrijke thema’s daarbij zijn onder meer het vergroten van de transparantie van bestedingen en betrokkenheid van bedrijfsleven bij de multilaterale organisaties.

Voor het uitvoeren van de internationale afspraken, die onder meer gemaakt worden in de conferentie over Financing for Development, de SDG-top en COP-21, is veel geld nodig. Ontwikkelingsbanken spelen een belangrijke rol in het vergroten van de beschikbare financiële middelen. Nederland zet daarbij in op een intensievere samenwerking tussen ontwikkelingsbanken onderling en nieuwe, innovatieve vormen van financiering om meer privaat geld aan te trekken. Voor de armste landen blijft ODA onontbeerlijk.

2. Bevorderen van duurzame en inclusieve groei, overal ter wereld

Het is duidelijk dat economische groei en toenemende welvaart waarvan iedereen kan profiteren niet vanzelfsprekend is. Zo neemt in de meeste landen de ongelijkheid toe, komt de welvaart onvoldoende terecht bij de allerarmsten en is sociale mobiliteit lang niet voor iedereen mogelijk. Hoge jeugdwerkloosheid vormt op veel plekken een urgent probleem. Dit is niet alleen vanuit moreel oogpunt problematisch, maar ondergraaft op termijn ook de sociale cohesie, politieke stabiliteit en de economische ontwikkeling zelf. Ook de druk op de leefomgeving en het milieu neemt vaak toe met economische groei. Inzet op verschillende niveaus is nodig om duurzame en inclusieve ontwikkeling te stimuleren. Dan gaat het om het vergroten van de toegang tot internationale markten, het versterken van de private sector in lage- en middeninkomenslanden, het stimuleren van handel en investeringen die kunnen bijdragen aan ontwikkeling, eerlijke belastingen en verduurzaming van productie- en handelsketens. Het beleid hierop is uiteengezet in diverse Kamerbrieven en zal ook in 2016 worden voortgezet.

In 2016 gaat onder het nieuwe beleidskader Samenspraak en Tegenspraak een aantal programma’s van start om ervoor te zorgen dat ook de allerarmsten en de meest kwetsbare groepen kunnen profiteren van de toenemende welvaart, kunnen deelnemen aan de economie, en dat zij meer invloed kunnen uitoefenen op politieke en maatschappelijke ontwikkelingen die hun leven aangaan. Dit wordt gedaan via de nieuwe strategische partnerschappen en met het accountability fonds dat wordt uitgevoerd via de ambassades. Daarnaast zal het Voice-fonds zich specifiek richten op capaciteitsversterking van de meest gemarginaliseerde, gediscrimineerde of moeilijk te bereiken groepen.

Voorst gaat Nederland in 2016 bezien hoe binnen de beschikbare middelen extra ingezet kan worden op het creëren van werkgelegenheid voor jongeren en op ondersteuning van ondernemers en werknemers in de informele sector op het terrein van ondernemerschap en sociale rechten. Het merendeel van de armen werkt in de informele sector, ook in de sterk groeiende steden. Het scheppen van goede banen voor jongeren is urgent. Jongeren in ontwikkelingslanden zijn een kwetsbare groep, ook waar het gaat om hun positie op de arbeidsmarkt, maar ook zijn zij potentieel de motor voor economische groei, mits hun potentieel wordt benut voor productief werk. De jeugdwerkloosheid is gemiddeld drie keer zo hoog als die bij volwassenen, en werkende jongeren hebben vaak geen volwaardige baan. Binnen de groep jongeren hebben meisjes nog weer minder kansen.

Vrouwenrechten en gendergelijkheid spelen mede daarom een belangrijke rol in het bereiken van de allerarmsten en de meest kwetsbare groepen. Internationaal groeit het besef dat duurzame en inclusieve ontwikkeling alleen mogelijk is als vrouwen daarin een gelijkwaardige rol kunnen spelen, maar in de praktijk komt er nog te weinig van terecht. Bovendien groeit er een politiek-ideologische tegenbeweging tegen vrouwenrechten die afspraken van de Wereldvrouwenconferentie in Beijing (1995) ter discussie stelt. Nederland kiest in dit krachtenveld voor een sterke inzet op de verbetering van het klimaat voor gendergelijkheid en de rechten van vrouwen en meisjes en op de cruciale rol van vrouwen bij vrede en veiligheid.

In 2016 wordt het fonds Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW) voortgezet, dat via programma’s met internationale en Nederlandse maatschappelijke organisaties zal bijdragen aan versterkte capaciteit van lokale (vrouwen)-organisaties, concrete verbeteringen in de economische en politieke positie van vrouwen en de uitbanning van geweld tegen vrouwen. Het in voorbereiding zijnde derde Nederlands Actieplan 1325 zal in de jaren 2016–2019 via de samenwerking met maatschappelijke organisaties, inzet in missies, diplomatie en ontwikkelingssamenwerking bijdragen aan grotere deelname van vrouwen in vredes- en wederopbouwprocessen. Tijdens het EU voorzitterschap zet Nederland in op een nieuw EU Action Plan on Gender Equality and Women's Empowerment in Development en een evaluatie van EU-conclusies over gender uit 2010. Verder werkt Nederland in OESO- en VN-verband aan versterking van transparantie en resultaatmeting van investeringen in gendergelijkheid en vrouwenrechten.

In 2016 gaat extra aandacht uit naar het bevorderen van investeringen in lage- en middeninkomenslanden. Er is grote vraag in die landen naar investeringsprojecten die essentieel zijn voor verdere ontwikkeling bijvoorbeeld op het gebied van infrastructuur, stedelijke ontwikkeling, water, voedselproductie en energievoorziening. Doel is de effecten van deze investeringen op de werkgelegenheid, opleiding, kennisoverdracht en ontwikkeling van productieketens zo groot mogelijk te maken. Er liggen voor het Nederlandse bedrijfsleven grote kansen, maar ook grote knelpunten op deze nieuwe markten. Het is zaak er voor te zorgen dat zowel de ontwikkelingsimpact van investeringen als het succes van Nederlandse bedrijven op die markten worden vergroot. Het Developmentally Relevant Infrastructure Investment Vehicle (DRIVE) biedt onder andere ondersteuning bij de financiering van de ontwikkeling van fysieke infrastructuur in lage- en middeninkomenslanden. In 2016 zal binnen het budget voor private sectorontwikkeling geld vrij worden gemaakt voor de ondersteuning van overheden bij het ontwikkelen en aanbesteden van infrastructuur via een Trade-Assistance faciliteit genaamd Develop2Build.

Speciale aandacht gaat in 2016 en latere jaren uit naar het verhogen van de belastinginkomsten voor lage- en middeninkomenslanden via de inzet op verbetering van de internationale fiscale spelregels binnen de OESO, het bevorderen van verantwoord ondernemingsgedrag op gebied van belastingen en versterking van de capaciteit van overheden om belastingen te innen. Op het gebied van IMVO en het verder verduurzamen van internationale handelsketens wordt voorgebouwd op de succesvolle inzet voor betere arbeidsomstandigheden en lonen in de textielsector na de ramp in Rana Plaza in Bangladesh (2013). Nederland zal zich binnen de EU sterk maken voor betere implementatie van afspraken over handel en duurzaamheid in handelsakkoorden en bedrijven ondersteunen bij het Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en de verduurzaming van handelsketens met bijvoorbeeld het Initiatief Duurzame Handel. De in 2015 uitgevoerde Sector Risico Analyse heeft in 13 sectoren verhoogde risico’s geïdentificeerd. Daarvan heeft een aantal, waaronder de kledingsector en de bankensector, al het initiatief genomen om via een convenant afspraken te maken over het voorkomen en aanpakken van MVO-risico’s. Meer sectoren zullen dit in 2016 met elkaar gaan uitwerken waarbij ook ketenverantwoordelijkheid een onderwerp is. Zo ook voor goud, een sector waar blijkens de Sector Risico Analyse veel MVO-risico’s zijn en waar veel geïnteresseerde spelers zijn in concrete afspraken voor een goudconvenant om die risico’s te verminderen. De pilot het Conflictvrije Tin Initiatief krijgt in 2015–2017 een vervolg. Het gebruikte traceerbaarheidssysteem zal verder geïmplementeerd worden in de Grote Meren regio; meer mijnen zullen worden aangesloten op het systeem. Dit systeem zorgt ervoor dat conflictvrij gedolven grondstoffen (tin, coltan en wolfraam) worden verzegeld en gevolgd vanaf de mijn tot aan de smelter, zodat duidelijk is dat deze grondstoffen niet en route worden gemengd met grondstoffen waarvan de herkomst onduidelijk is.

3. Succes voor het Nederlands bedrijfsleven in het buitenland

Het belang van buitenlandse handel en investeringen voor het verdienvermogen van Nederland is groot. Een derde van het Nederlandse inkomen en van de werkgelegenheid komt tot stand door buitenlandse handel en investeringen. Niet alleen de exportproductie is belangrijk, maar ook import en het aantrekken van innovatieve buitenlandse bedrijven zijn bepalend voor ons verdienvermogen in de toekomst. Eén procent van de Nederlandse bedrijven is een buitenlandse onderneming. Zij zorgen voor ca. 1 miljoen banen en dragen door middel van investeringen en innovatie in belangrijke mate bij aan de versterking van de Nederlandse concurrentiekracht. Daarbij gaan we de concurrentie aan met steeds meer landen op steeds meer markten. Onze belangrijkste handelspartners liggen in de Europese Unie maar toekomstige groei zal vooral uit opkomende landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika komen. Om de sterke Nederlandse concurrentiepositie te kunnen behouden moet Nederland zich steeds strategisch positioneren in het buitenland en gebruik maken van onze goede naam op zaken als water, duurzaamheid en IMVO, evenals van onze bestaande (hulp)relaties in het buitenland. Op die manier kunnen ook publieke en private krachten worden gebundeld om in te spelen op mondiale uitdagingen.

Nederland blijft zich inzetten voor een sterk en effectief wereldhandelssysteem; een duidelijk institutioneel kader is immers nodig voor het goed functioneren van de markt en om globalisering in goede banen te leiden. De WTO speelt hierin een sleutelrol, als forum waar nieuwe regels worden uit onderhandeld en als waakhond voor de implementatie en handhaving van bestaande regels. Daarom is het van belang dat de WTO voldoende toegerust en slagvaardig is om zijn waakhondfunctie te vervullen. De afronding van de huidige Doha-ronde staat daarbij centraal, waarbij Nederland er op inzet dat de ontwikkelingsbelofte van de ronde wordt ingelost. Nederland hecht daarnaast sterk aan de implementatie van bestaande multilaterale afspraken, zoals op het gebied van handelsfacilitatie. Op dit onderwerp is Nederland zowel een belangrijke donor als kenniscentrum en draagt zo bij aan een betere integratie van ontwikkelingslanden in het mondiale handelsbestel.

Zoals beschreven ontbreekt het echter op belangrijke terreinen nog aan afspraken om internationale transacties goed te regelen, waaronder op het terrein van buitenlandse investeringen en duurzaamheid. De verwevenheid van landen, ook steeds meer lage- en middeninkomenslanden, in mondiale waardeketens maakt het urgent om ook op deze lastige onderwerpen tot afspraken te komen. Nederland wil zich hier in WTO-verband hard voor maken en vraagt ook in andere fora, zoals de OESO en de UNCTAD, om aandacht voor deze thema’s.

Waar het niet lukt om binnen de huidige multilaterale onderhandelingsronde tot afspraken te komen, ondersteunt Nederland het streven van de EU om op deelterreinen met gelijkgezinde landen tot verdere handelsliberalisatie te komen op terreinen die bepalend zijn voor de toekomstige groei van de handel. Zo wordt momenteel onderhandeld over liberalisatie van handel in milieugoederen (Green Goods Initiative), ICT-producten (ITA-II) en diensten (TiSA). De inzet van de EU en Nederland is dat deze akkoorden openstaan voor landen die later willen toetreden.

Daarnaast is er komend jaar veel aandacht voor versterking van bilaterale handelsrelaties van de EU, onder andere in de vorm van handelsakkoorden en investeringsverdragen. De onderhandelingen met de VS over het TTIP blijven bovenaan de agenda staan. De EU-onderhandelingen voor handelsakkoorden en investeringsverdragen met Zuid-Amerikaanse landen verenigd in Mercosur (Brazilië, Argentinië, Paraguay, Uruguay en Venezuela), Japan en China gaan door in 2016. Ook wordt er binnenkort gestart met de onderhandelingen met Australië en Nieuw-Zeeland. Bij alle verdragen en akkoorden hecht Nederland veel belang aan een zo positief mogelijk effect ervan op ontwikkelingslanden.

Door afspraken met elkaar te maken nemen handelsbarrières af. Tegelijk groeit het belang van economische diplomatie om bedrijven, in het bijzonder het MKB, te introduceren op nieuwe markten. Dat kan zijn omdat de lokale overheid een belangrijke economische speler is, of omdat de zakelijke cultuur verschilt. Elke markt vergt een eigen aanpak, ook nabije markten, en het vinden van zakenpartners vereist tijd en geld. Een goede economische dienstverlening verlaagt de informele kosten van handelen aanzienlijk en opent deuren voor ondernemers en kennisinstellingen. Het gaat niet alleen om de promotie van het Nederlandse product in het buitenland, maar ook om de promotie van Nederlandse kennis en het stimuleren van internationale samenwerking op het gebied van kennis.

De Nederlandse economische dienstverlening aan bedrijven, inclusief het instrumentarium voor internationalisering van het bedrijfsleven, moet dan ook concurrerend zijn. Daarom wordt er gewerkt aan een herziening van de huidige non-ODA overheidsinstrumenten voor de financiering van internationale bedrijfsactiviteiten. Gekeken wordt in hoeverre deze aansluiten bij veranderende internationale marktomstandigheden, uitdagingen op het gebied van financiering, en de rol van overheden in opkomende markten. Deze hervorming zal in 2015 haar beslag krijgen.

Het project Excellente Economische Dienstverlening is in 2015 gestart om de kwaliteit van de economische dienstverlening verder te verbeteren en zal doorlopen in 2016. Bedrijven en ondernemers moeten het ministerie en de posten makkelijker weten te vinden. Samen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wordt daarom gewerkt aan de bekendheid van deze functie van het ministerie bij bedrijven en aan de toegankelijkheid van de economische dienstverlening. Er is een pilot gestart in drie landen (Frankrijk, Duitsland en Brazilië) waarbij van het bedrijfsleven een eigen bijdrage wordt gevraagd voor de economische dienstverlening door de posten. De verwachting is dat een dergelijke (geringe) bijdrage als een selectiemechanisme aan zowel de aanbod- als vraagzijde zal fungeren en de kwaliteit van de hulpvraag en van de geboden economische dienstverlening zal verhogen. In de komende periode zal ook een dienstencatalogus worden opgeleverd waarmee het voor ondernemers in één oogopslag duidelijk is welke vormen van economische dienstverlening beschikbaar zijn vanuit het ministerie en de posten. Daarbij laat het ministerie een onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar de mogelijkheden voor verdere kwaliteitsverbetering en stroomlijning van de werkprocessen in de economische dienstverlening van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Economische Zaken, RVO en de posten. De resultaten en aanbevelingen uit dit onderzoek worden in de eerste helft van 2016 verwacht.

Tenslotte wordt er ingezet op versterkte publiek-private samenwerking. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft met het wereldwijde postennetwerk een waardevolle infrastructuur in huis voor economische dienstverlening in het buitenland aan bedrijven en kennisinstellingen. Daarnaast hebben de posten een signalerende functie; ze kunnen relevante ontwikkelingen, kansen en bedreigingen delen met het Nederlandse bedrijfsleven. Er wordt daarbij nauw samengewerkt met het Ministerie van Economische Zaken, onder meer met Netherlands Foreign Investment Agency en het Innovatie-attaché netwerk. Ook is er een groot privaat handelsbevorderend netwerk in Nederland. Intensieve samenwerking daarmee wordt steeds vanzelfsprekender en belangrijker. Dit krijgt onder andere vorm binnen het Dutch Trade and Investment Board (DTIB). Door publiek-privaat samen op te trekken wordt de slagkracht van Nederland vergroot, en kan Nederland beter opereren op het snijvlak van publiek en privaat belang.

Zo spelen de topsectoren in op mondiale uitdagingen onder de vlag Global Challenges, Dutch Solutions en wordt het merk Sustainable Urban Delta in het buitenland neergezet om Nederland te profileren op maatschappelijke thema’s. Er zijn meer niches en (afzet)markten waar Nederland op basis van onze kennis, expertise, capaciteiten en bestaande relaties veel te bieden heeft, bijvoorbeeld op het gebied van landbouw, agrologistiek of life sciences and health. In de economische missies is er veel aandacht voor deze Nederlandse niches en (afzet)markten. De samenwerking bij het opstellen van de strategische economische reisagenda- als onderdeel van de strategische reisagenda van het kabinet – helpt om beide perspectieven, publiek en privaat, samen te brengen en uiteindelijk meer (politiek en economisch) profijt te halen uit de missies.

Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen1 2

Art

Naam

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Geheel

artikel?2

   

realisatie

meerjarenplanning

 

1

Duurzame handel en investeringen

             

Nee

1.1

Versterkt internationaal handelssysteem, met aandacht voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen3

     

       

1.2

Versterkte Nederlandse Handels- en Investeringspositie en economische naamsbekendheid3

     

       

1.3

Versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden

             

1.4

Dutch Good Growth Fund4

         

   

2

Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

             

Nee

2.1

Toename van voedselzekerheid4

   

         

2.2

Verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie

     

       

2.3

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen, tegengaan van klimaatverandering en vergrote weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering5

 

           

3

Sociale vooruitgang

             

Nee

3.1

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/aids6

               

3.2

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen7

 

           

3.3

Versterkt maatschappelijk middenveld

   

         

3.4

Toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek 6

               

4

Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

             

Nee

4.1

Humanitaire hulp

 

           

4.2

Budget Internationale Veiligheid; voorkomen en terugdringen van conflictsituaties7

               

4.3

Rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptie

   

         

5

Versterkte kaders voor ontwikkeling

             

Nee

5.1

Versterkte multilaterale betrokkenheid

   

         

5.2

Overig armoedebeleid6

               

5.3

Bijdrage aan migratie en ontwikkeling

       

     
X Noot
1

De begroting van BZ is in 2013 opgesplitst in de begroting van BZ (Hfst. 5) en BHOS (Hfst. 17). Er zijn toen nieuwe beleidsartikelen en beleidsdoelstellingen geformuleerd. Beleidsdoorlichtingen van voor dat jaar zijn in deze tabel met terugwerkende kracht over de nieuwe beleidsdoelstellingen verdeeld.

X Noot
2

Bij BZ en BHOS is het wel de wens om beleidsdoorlichtingen van één beleidsartikel uit te voeren maar inhoudelijk is dat nog niet mogelijk gebleken. Beleidsdoorlichtingen vinden plaats op één niveau lager namelijk van de beleidsdoelstelligen. Vandaar «Nee»in de laatste kolom.

X Noot
3

Deze beleidsdoelstellingen zijn toegevoegd n.a.v. de toevoeging van de DGBEB aan BZ.

X Noot
4

Dit is een nieuwe beleidsdoelstelling van dit kabinet.

X Noot
6

Beleidsdoorlichtingen voor deze artikelen zullen uiterlijk in 2020 plaats vinden. Momenteel wordt gekeken of het eventueel eerder zal gebeuren.

X Noot
7

Deze beleidsdoelstelling is per 2015 overgegaan naar het Ministerie van Defensie.

BELANGRIJKSTE BELEIDSMATIGE MUTATIES TEN OPZICHTE VAN VORIG JAAR

Hieronder treft u een toelichting aan op de belangrijkste mutaties vanaf 2016 en verder ten opzichte van de memorie van toelichting 2015. De mutaties voor 2015 zijn eerder dit jaar toegelicht in de eerste suppletoire begroting 2015.

Belangrijkste beleidsmatige mutaties ten opzichte van vorig jaar

Bedragen x EUR 1.000

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2015

2.475.165

2.492.521

2.504.309

2.286.364

2.290.963

1 Duurzame handel en investeringen

4.328

8.725

32.681

1.300

1.300

2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

– 2.186

– 40

2

2

2

3 Sociale vooruitgang

– 2.257

859

2.500

– 5.000

– 5.000

4 Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

314.000

150.000

150.000

   

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

5.180

34.841

– 58.063

147.288

146.898

Stand ontwerpbegroting 2016

2.794.230

2.686.906

2.631.429

2.429.954

2.434.163

Toelichting:

Artikel 1

Een deel van de begrotingsreserve voor de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) wordt in drie jaar verlaagd en opgenomen op de begroting om lokaal ondernemerschap te stimuleren ten behoeve van jonge Afrikaanse ondernemers (onderdeel aanpak van structurele oorzaken toenemende migratiestromen). Daarnaast wordt de eindejaarsmarge 2014 op het Dutch Good for Growth Fund (DGGF) ingezet in 2017.

Artikel 4

Met het oog op de vele internationale crises besloot het kabinet in 2014 EUR 570 miljoen extra beschikbaar te stellen voor een noodhulpfonds. De mutatie vanaf 2016 betreft de verwachte inzet voor deze beide jaren. Het fonds is flexibel inzetbaar gedurende de kabinetsperiode (t/m 2017). Daarnaast worden er in 2015 extra middelen vrijgemaakt voor opvang in de regio welke binnen het budget voor humanitaire hulp worden opgenomen.

Artikel 5

De mutatie wordt met name veroorzaakt doordat het ODA-budget meerjarig is gestegen als gevolg van de toename van het BNI zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenningen.

Overzicht risico regelingen

(bedragen in duizenden euro's)

Artikel waarop garantie wordt verantwoord

Omschrijving garantie

Uitstaande garantie

Geraamd te verlenen

Graamd te vervallen

Uitstaande garantie

Geraamd te verlenen

Graamd te vervallen

Uitstaande garantie

Jaarlijks

Totaal

   

ultimo 2014

in 2015

in 2015

ultimo 2015

in 2016

in 2016

ultimo 2016

plafond

plafond

1

Garantie DGGF

2.554

55.000

0

57.554

75.000

 

132.554

 

132.554

1

Garantie FOM

68.602

   

68.602

   

68.602

 

154.192

1

Garantie DRIVE

             

55.000

 

5

Garanties IS-NIO

223.630

 

21.753

201.877

 

17.772

184.105

 

184.105

5

Garanties IS-Raad van Europa

176.743

 

0

176.743

 

1

176.742

 

176.742

5

Garanties Regionale Ontwikkelingsbanken

1.815.042

5.575

37.226

1.783.391

   

1.783.391

 

1.783.391

5

Garanties IS OPCW

0

 

0

0

   

0

 

0

 

TOTAAL

2.286.571

60.575

58.979

2.288.167

75.000

17.773

2.345.394

55.000

2.430.984

Uitgaven en ontvangsten

(bedragen in duizenden euro's)

                 

Artikel waarop garantie wordt verantwoord

Omschrijving garantie

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo

   

realisatie 2014

realisatie 2014

realisatie 2014

geraamd 2015

geraamd 2015

geraamd 2015

geraamd 2016

geraamd 2016

geraamd 2016

1.1 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garantie FOM

 

126

126

0

5.000

5.000

 

10.000

10.000

1.3 (uitgaven) en 1.10 (ontvangsten)

Garanties DRIVE

     

12.500

0

-12.500

     

5.2 (uitgaven) en 5.20 (ontvangsten)

Garanties IS-NIO

702

4.703

4.001

212

3.000

2.788

193

3.000

2.807

 

TOTAAL

702

4.829

4.127

12.712

8.000

-4.712

193

13.000

12.807

Toelichting op overzicht risicoregelingen

DGGF

Het DGGF bestaat uit drie onderdelen:

  • Onderdeel 1 voorziet in het financieren van Nederlands midden- en kleinbedrijf dat ontwikkelingsrelevantie investeringen wil doen in lage- en middeninkomenslanden.

  • Onderdeel 2 financiert het lokaal midden- en kleinbedrijf in lage- en middeninkomenslanden.

  • Onderdeel 3 voorziet in het financieren en verzekeren van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf dat wil exporteren naar lage- en middeninkomenslanden.

Binnen alle drie de onderdelen van het DGGF is het mogelijk om garanties te verstrekken. Voor onderdeel 2 houdt de fondsbeheerder zelf een reserve aan ter grootte van de verstrekte garanties, waardoor het begrotingsrisico voor BH&OS nihil is. Daarom wordt hieronder alleen ingegaan op onderdeel 1 en 3 van het DGGF. Door het verstrekken van garanties kan het DGGF onverwachts geconfronteerd worden met onvoorziene uitgaven indien de garantieverstrekking leidt tot claims. Daarnaast kan er een flinke mismatch in de tijd optreden tussen inkomsten en uitgaven. Om een buffer op te kunnen bouwen en de schommelingen in de tijd op te kunnen vangen zal voor onderdeel 1 en 3 van het DGGF, ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, gebruik worden gemaakt van het instrument «interne begrotingsreserve». De reserve wordt in de jaren 2014 t/m 2017 gevuld vanuit de middelen die voor de onderdelen 1 en 3 van het DGGF beschikbaar zijn voor garanties. De uiteindelijke hoogte van de begrotingsreserve is gerelateerd aan de hoogte van de garantieplafonds die voor de onderdelen 1 en 3 per onderdeel van het DGGF zijn vastgesteld. Op het moment dat de verhouding tussen het uitstaande garantieplafond en de omvang van de reserve teveel af gaat wijken van de overeengekomen hefboom wordt jaarlijks bezien of het nodig is om de hoogte van de begrotingsreserve of het garantieplafond aan te passen. Zowel de toevoeging van middelen aan de reserve als de onttrekking eraan en de (uiteindelijke) besteding van de middelen loopt over de begroting en wordt in de begroting toegelicht.

Onderdeel 1 (uitvoerder RVO.nl)

Als een commerciële partij (vaak een bank) bereid is mee te financieren zal er worden getracht een garantie in te zetten als instrument. Met dit instrument zal de overheid borg staan voor een percentage van de financiering die een bank, lokaal dan wel Nederlands, geeft. De Nederlandse staat neemt een deel van de risico’s over, waardoor een bank eerder geneigd zal zijn financiering te verschaffen. Ook is het mogelijk dat de overheid borg staat voor een gedeelte van de financiering in het geval van een tekort aan onderpand van de Nederlandse MKB’er. Als gezegd kan de bank die de financiering verschaft zowel een Nederlandse bank of financier zijn als een lokale bank. De inzet van het DGGF is om in het geval van lokale banken samen te werken met zogenaamde netwerkbanken, zijnde banken met een uitgebreid netwerk en/of vele vestigingen in DGGF-landen. Er wordt een vergoeding gehanteerd die in lijn is met de GO-faciliteit (Garantie Ondernemingsfinanciering van het Ministerie van Economische Zaken). Het uitgangspunt hierbij is dat de af te dragen opslag procentueel gelijk dient te zijn aan de door de staat verstrekt garantie. Dus als de staat 60% van de financiering garandeert zal de staat 60% van de opslag die de private financier ontvangt als vergoeding vragen aan deze financier. De hefboom voor onderdeel 1 van het DGGF is 1:2. Dat wil zeggen dat voor elke EUR 2 die aan garanties wordt uitgezet, er EUR 1 in de begrotingsreserve van het DGGF wordt gestort.

Onderdeel 3 (Uitvoerder Atradius)

De aanvullende EKV, die bij onderdeel 3 van het DGGF wordt verstrekt, werkt hetzelfde als de reguliere EKV. De politieke en commerciële risico's van exporttransacties worden verzekerd. Er kan aanspraak worden gemaakt op de polis als één van de gedekte schadeoorzaken leidt tot non-betaling van de vordering. De waaier van specifieke verzekeringen (bijvoorbeeld, exporteurs- en bankpolis, werkkapitaaldekking en garantiedekkingen etc.) die bij de EKV worden gevoerd, kunnen ook onder onderdeel 3 van het DGGF worden verzekerd. Met onderdeel 3 van het DGGF wordt een aanvulling geboden op de mogelijkheden onder de reguliere EKV voor ontwikkelingsrelevante exporttransacties. De noodzaak is er in gelegen dat een aantal exporttransacties nu geen doorgang vindt terwijl die wel ontwikkelingsrelevant zijn. Daarnaast biedt onderdeel 3 van het DGGF financiering voor kleine transacties (tot max. EUR 2 mln.) waarvoor geen bankfinanciering verkregen kan worden. In die gevallen wordt de financiering ook verzekerd. Atradius DSB analyseert de risico's zorgvuldig en nauwkeurig en hanteert een ruimer risicoprofiel dan bij de EKV. Uitgangspunt is dat er een goede business case aan de transactie ten grondslag moet liggen. Daarnaast geldt er voor de banken en de exporteurs een eigen risico wat maakt dat zij betrokken zijn en blijven bij de goede afloop van de transactie. Atradius DSB werkt met een Monitoring en Evaluatiekader (waarin, onder meer, de IMVO-kaders en voorwaarden voor de bepaling van de ontwikkelingsrelevantie) en zorgt risicospreiding voor een gezonde portefeuille. De premiestelling is gebaseerd op de OESO-minimum premies die voor EKV-stelsels zijn overeen gekomen en welke zijn vastgesteld op een hoogte die revolverendheid zou moeten kunnen garanderen. De premiesystematiek heeft als uitgangspunt dat de premies het risico reflecteren (landenrisico en debiteurenrisico) en er wordt rekening gehouden met de uitvoeringskosten. Kostendekkendheid over een langere periode (conform WTO-vereisten) is de basis van de premiesystematiek. De premie wordt periodiek in de begrotingsreserve gestort. De hefboom voor onderdeel 3 van het DGGF is 1:3. Dat wil zeggen dat voor elke EUR 3 die aan garanties wordt uitgezet, er EUR 1 in de begrotingsreserve van het DGGF wordt gestort. Indien er sprake is van een financiering wordt deze volledig gedekt vanuit de BH&OS-begroting. Voor financieringen wordt dan ook geen gebruik gemaakt van de begrotingsreserve.

FOM

Met de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) worden investeringen van Nederlandse ondernemingen in opkomende markten gestimuleerd doordat de overheid een garantie verstrekt aan de Financierings Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) voor financieringen aan lokale dochterondernemingen of joint-ventures van Nederlandse bedrijven. FMO kan door die garantie financiering verschaffen, daar waar banken of andere kapitaalverschaffers het risico niet kunnen lopen. Om een garantie te krijgen moet een kostendekkende premie worden betaald. Daaruit kunnen eventuele schades in latere jaren worden betaald. Voor de FOM wordt bij de Rijkshoofdboekhouding (RHB) een interne begrotingsreserve aangehouden. De begrotingsreserve dient om een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te kunnen vangen. De verhouding tussen de reservering en de borgstellingsruimte is 1:2.

Financiering van internationale activiteiten is met name voor MKB-bedrijven complex. De Nederlandse overheid biedt twee financiële instrumenten aan – voor opkomende markten1 – die beogen aan deze financieringsuitdaging bij te dragen, te weten FOM en Finance for International Business (FIB). Hoewel het bedrijfsleven stelt behoefte te hebben aan dergelijke ondersteuning, is tegelijkertijd sprake van onderbenutting van FIB en in mindere mate FOM. Op grond van deze vaststelling en met het geschetste brede financieringsvraagstuk op het netvlies zijn FOM en FIB in 2015 herzien. De karakteristieken van deze regelingen zijn gecombineerd in een meer flexibele faciliteit met als doel meer maatwerk te kunnen bieden alsmede een meer homogene bediening aan het NL bedrijfsleven, waardoor de doelgroep beter kan worden bereikt.

Daarnaast wordt de begrotingsreserve (non-ODA) van de FOM de komende drie jaren met in totaal EUR 25 mln verlaagd (EUR 5 miljoen in 2015, EUR 10 mln in 2016 en EUR 10 mln in 2017) om daarmee projectvoorstellen van maatschappelijke organisaties en sociale ondernemers te kunnen ondersteunen, die een directe bijdrage leveren aan ondernemerschap en werkgelegenheid onder Afrikaanse jongeren2. De borgstellingsruimte van de FOM wordt hierdoor met EUR 50 mln verlaagd.

DRIVE

Met DRIVE faciliteert het Ministerie van Buitenlandse Zaken investeringen in publieke infrastructuurprojecten die bijdragen aan een goed ondernemingsklimaat en de ontwikkeling van de private sector in lage- en middeninkomenslanden. DRIVE doet dit middels het verstrekken van subsidies met of zonder terugbetalingsverplichting (lening of a fonds perdu) aan het bedrijfsleven. Daarnaast kunnen ook garanties worden verstrekt en is er aanvullende EKV beschikbaar. De belangrijkste reden om DRIVE op deze manier vorm te geven, inclusief risico-instrumenten, heeft te maken met het feit dat de voorloper van DRIVE, het ORIO-programma, problemen kende met betrekking tot het arrangeren van de restfinanciering. Door de verantwoordelijkheid voor het arrangeren van de financiering bij het subsidie-aanvragende bedrijf te leggen, wordt een bijdrage geleverd aan het oplossen van deze restfinancieringsproblematiek. Via een bedrijf is het immers eenvoudiger te bemiddelen bij de totstandkoming van het totale financieringspakket. Door tevens een bredere waaier aan financieringsinstrumenten te bieden, wordt het bedrijf daar verder in ondersteund. Deze financieringsinstrumenten zijn primair beschikbaar voor de MOL’s en landen met een hoge schuldenlast, omdat het juist in die landen moeilijk is gebleken een totaal financieringspakket te arrangeren.

Op die manier worden bedrijven in staat gesteld een totaalaanbod te doen richting de aanbestedende overheden. Niet alleen biedt het bedrijf zijn oplossing aan voor het infrastructurele probleem, met behulp van DRIVE kan het tevens een compleet en concessioneel financieringspakket aanbieden.

De uitvoerder RVO is bepalend bij het risicobeheer van de onder DRIVE te verstrekken leningen en garanties. Daarbij geldt voor leningen dat het begrotingsrisico nul is, omdat de lening vooraf volledig gedekt wordt uit de begroting en terugontvangsten niet worden geraamd. Een besluit tot het verstrekken van garanties zal vooraf aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden voorgelegd. Atradius is eerste verantwoordelijke in het bepalen van de risico’s ten aanzien van verzekeringen, al wordt hun besluit nog wel ter goedkeuring voorgelegd aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Van de uitvoerders wordt in het kader van monitoring en evaluatie gevraagd ieder kwartaal een uitvoeringsrapportage op te leveren.

Omdat garanties worden verstrekt op leningen aan overheden (en niet aan risicovolle projecten) wordt met een goede portefeuillespreiding het risico relatief laag gehouden. Opgemerkt moet worden dat bij een garantieverstrekking de bank weliswaar niet het gehele risico wil nemen (anders was er geen garantie nodig), de bank blijft verantwoordelijk voor een substantieel deel van het risico (20–40%). De bank zal dus nog steeds een gedegen risicobeoordeling uitvoeren. Op die risicobeoordeling kan DRIVE derhalve aansluiten.

Het garantieplafond voor DRIVE is vastgesteld op EUR 55 miljoen per jaar. Dat wil zeggen dat RvO en Atradius in de eerste vijf jaar gezamenlijk voor maximaal EUR 275 miljoen aan garanties en verzekeringen mogen aangaan. Ter afdekking van de risico’s en ter compensatie van de mismatch in de tijd tussen (premie)inkomsten en uitgaven (ten behoeve van schades), is afgesproken een interne begrotingsreserve aan te houden volgens de hefboom 1:4. Tevens is besloten een initiële storting van EUR 12,5 miljoen in de begrotingsreserve te doen, bij start van DRIVE ter dekking van het extra financiële risico dat de Staat kan gaan lopen door het verstrekken van garanties en verzekeringen.

Het programma wordt – in overleg met de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) – regelmatig geëvalueerd, wat kan leiden tot een besluit over de voorzetting, aanpassing of stopzetting van het programma. Onderdeel van deze evaluatie is ook het garantieplafond en de omvang van de begrotingsreserve. Deze zal voor het eerst na vier jaar worden geëvalueerd.

NIO

De NIO is in 1965 opgericht als volledige dochter van de Nationale Investeringsbank. Deze was destijds een volledige staatsbank en is in 1945 opgericht om de Marshall hulp te kanaliseren naar het Nederlandse bedrijfsleven. Het doel van de dochteronderneming NIO was leningen te verstrekken aan ontwikkelingslanden onder gunstige voorwaarden zodat deze landen, die destijds geen toegang hadden tot de reguliere kapitaalmarkt, in staat werden gesteld ontwikkelingsrelevante investeringen te doen. Deze leningen hadden een lange looptijd en een lage rente. Deze zogenaamde bilaterale concessionele leningen waren destijds een onderdeel van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingbeleid. Na 2001 zijn geen nieuwe concessionele leningen door NIO verstrekt. NIO bleef vanaf dat moment verantwoordelijk voor het beheer van de afgesloten leningen. Eind jaren negentig is de Nationale Investeringbank geprivatiseerd en zijn de aandelen NIO in 2000 overgenomen door FMO. In 2010 heeft De Staat de aandelen van FMO overgenomen. In een overeenkomst die in 1993 is gesloten tussen de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en NIO is geregeld dat de Staat garant staat voor de financiering van NIO. Dit houdt in dat de obligaties die NIO heeft uitgegeven zijn uitgegeven onder staatsgarantie. Bovendien heeft de Staat zich jegens NIO verplicht om middelen ter beschikking te stellen in het geval NIO niet zelfstandig in staat is om (her)financiering aan te trekken op de kapitaalmarkt voor reeds verstrekte leningen wegens incidentele krapte. Overigens is er nog nooit sprake van geweest dat één van beide garanties zou worden ingeroepen.

Raad van Europa

De Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa is in 1956 opgericht met het doel om de Raad van Europa eigen financiële middelen te geven om via het Europees Ontwikkelings Fonds (EOF) zelfstandig activiteiten te kunnen uitvoeren. De bank verstrekt leningen voor uitvoering van projecten aan overheden en andere instanties op de volgende drie gebieden: hulp aan vluchtelingen en migranten, milieubescherming en ontwikkeling van menselijk potentieel. Hieronder vallen bijvoorbeeld onderwijsprojecten. De ontwikkelingsbank is de oudste internationale financiële instelling van Europa en de enige met een puur sociale roeping. Het oorspronkelijke idee van de bank was om oplossingen te bieden voor de problemen van vluchtelingen na de Tweede Wereldoorlog, maar dit heeft zich geleidelijk uitgebreid naar andere sectoren die bijdragen aan de sociale samenhang in Europa. Humanitaire hulp blijft een prioriteit van de bank. De organisatie valt onder de autoriteit van de Raad van Europa en is financieel autonoom. Het vermogen van de bank is opgebouwd uit donaties van de veertig lidstaten en de aandeelhouders. In december 2014 is EOF 11 geratificeerd. De totale begroting voor EOF 11 ad EUR 30,5 miljard waarvan het Nederlands aandeel 4,78% bedraagt. De garantie betreft het Nederlands aandeel in het kapitaal per jaar.

Regionale Ontwikkelingsbanken

  • 1. IDB:

    De Inter-American Development Bank (IDB) is in 1959 opgericht door 19 Zuid-Amerikaanse landen en de VS. De IDB is de oudste en grootste regionale ontwikkelingsbank ter wereld. Centrale doelstellingen zijn duurzame economische ontwikkeling en armoedebestrijding. De IDB-Groep bestaat uit de Bank (IDB), de Investment Corporation (IIC) en het Multilateral Investment Fund (MIF). De Zuid-Amerikaanse landen hebben een meerderheid van de aandelen van 50.01%, de VS hebben 30% en Canada 4%. Sinds 1976 zijn ook 28 «niet-regionale landen» buiten het westelijk halfrond lid (16% van de aandelen). Het aantal leden bedraagt in totaal 48. Het hoofdkantoor is gevestigd in Washington D.C. De Bank wordt gefinancierd met aandelenkapitaal, waarvan lidstaten een deel inleggen en een deel, in de vorm van garanties, verstrekken. Op basis van het ingelegde kapitaal en de garanties verstrekt de IBD leningen aan de nationale overheden van de klantlanden. Het kapitaal is negenmaal verhoogd. Het meest recente besluit tot een kapitaalverhoging vond in 2010 plaats: van USD 100 miljard naar USD 170 miljard (in vijf termijnen te voldoen). Hiervan is USD 6 miljard oftewel 3,5% paid-in capital en USD 164 miljard oftewel 96,5% garantiekapitaal (callable capital). Omdat de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking zich minder dan voorheen richt op Latijns-Amerika heeft Nederland niet meegedaan met de kapitaalverhoging waardoor het Nederlandse aandeel is afgenomen van 0,338% naar 0,200%. De IDB richt zich op specifiek terreinen (armoedebestrijding, inclusieve groei, duurzame ontwikkeling) die niet voldoende worden gedekt door commerciële banken. De risico’s die zijn verbonden met de uitvoering van langjarige publieke en private investeringsprogramma’s in midden-inkomenslanden en soms fragiele staten (Haïti), zijn beter te beheersen door Internationale Financiële Instellingen. Door de beschikking over garantiekapitaal («callable capital») is de IDB in staat goedkoop geld aan te trekken op kapitaalmarkten en dit door te lenen aan landen voor ontwikkelingsdoeleinden.

  • 2. AfDB:

    De Afrikaanse Ontwikkelingsbank (AfDB) werd in augustus 1963 opgericht door een groep van 23 Afrikaanse staten in Khartoem, Soedan. Reden voor de oprichting was de wens om kapitaalstromen naar het continent te vergroten. Onvrede over de geografische verdeling van leningen binnen de Wereldbank, en de grote zeggenschap van ontwikkelde landen hierover, speelde hierbij een rol. In september 1964 werd het oprichtingsverdrag van kracht toen inschrijving op 65% van het kapitaal (toen USD 250 mln in totaal) werd bereikt; twintig lidstaten hadden op dat moment ingeschreven. Door de geringe kredietwaardigheid van regionale leden bestonden er grote beperkingen ten aanzien van de toegang van de Bank tot de internationale kapitaalmarkt. In 1979 werd daarom een resolutie uitgewerkt om ook niet-regionale landen tot de Bank toe te laten. Dit stuitte eerst op verzet maar nadat in 1982 ook Nigeria als grote lidstaat met het voorstel had ingestemd, werd goedkeuring bereikt. Inmiddels kent de Afrikaanse Ontwikkelingsbank 77 lidstaten: 53 regionale en 24 niet-regionale leden. Naar verwachting wordt dit aantal de komende jaren uitgebreid (nieuwkomers: Zuid-Soedan, Australië en mogelijk ook Turkije). De AfDB-groep bestaat uit de Bank (AfDB) en het Fonds (AfDF). Met de oprichting van het Fonds in 1972 waren de niet-regionale lidstaten al eerder bij de Bankgroep betrokken. De activiteiten van het Fonds namen in augustus 1974 een aanvang met een initiële middelenaanvulling van UA 215 miljoen (tegen de huidige koers ruim USD 350 miljoen). Hoewel het Fonds precies dezelfde doelstellingen nastreeft als de Bank is het bedoeld voor een andere doelgroep. Het Fonds verstrekt enkel concessionele leningen en giften aan de armere lidstaten op het continent (de zogeheten lage inkomenslanden, 33 in totaal). Tijdens de laatste middelenaanvulling (ADF-12) droeg Nederland voor 4,9% bij. De AfDB richt zich op een specifiek terrein (armoedebestrijding, inclusieve groei, duurzame ontwikkeling) die nog niet voldoende wordt gedekt door commerciële banken. De risico’s die verbonden zijn met de uitvoering van programma’s in bijvoorbeeld fragiele staten, zijn beter te beheersen door Internationale Financiële Instellingen zoals de AfDB. Door haar beschikking over garantiekapitaal («callable capital») is de AfDB in staat goedkoop geld aan te trekken op kapitaalmarkten en dit door te lenen aan landen voor ontwikkelingsdoeleinden. Dit aandeel garantiekapitaal wordt door lidstaten vastgesteld tijdens afspraken over kapitaalverhogingen. Dergelijke garantieregeling heeft als voordeel ten opzichte van ingelegd kapitaal dat het geen directe gevolgen heeft voor de rijksuitgaven en het EMU-saldo. Natuurlijk vormt het «callable capital» wel een risico op kasuitgaven, maar dit risico wordt als zeer klein aangemerkt

  • 3. AsDB:

    De Aziatische Ontwikkelingsbank (AsDB) werd in 1966 opgericht door een groep van 31 landen, waaronder Nederland. Bij de oprichting kreeg de AsDB als mandaat het bevorderen van economische groei en regionale samenwerking in Azië en de Stille Oceaan regio. Sinds 1999 is de overkoepelende doelstelling van de bank armoedebestrijding. Inmiddels kent de Aziatische Ontwikkelingsbank 67 lidstaten: 48 uit Azië en de Stille Oceaan regio (vooral kleine eiland economieën) en 19 niet-regionale leden. De AsDB heeft een aandelenkapitaal van USD 163 miljard (2012). Nederland is in grootte de 19e aandeelhouder bij de Bank, met 1,12% van de stemmen. De totale waarde van het Nederlands aandeel bij de bank bedraagt USD 1,67 miljard. Hiervan is USD 1,36 miljard gegarandeerd. De grootste aandeelhouders zijn Japan en de VS (beiden met 12,78%), gevolgd door China (5,45%), India (5,36%) en Australië (4,39%). De Board (raad van bewindvoerders) bestaat uit 12 leden. Nederland zit in een kiesgroep met Canada, Denemarken, Finland, Ierland, Noorwegen en Zweden. De bewindvoerder van deze kiesgroep is altijd een Canadees. Naast deze Europese (+ Canada) kiesgroep, zijn er nog 2 Europese kiesgroepen. De Verenigde Staten zit alleen in een kiesgroep. De overige 8 leden van de Board zijn regionale bewindvoerders. De ASDB-groep bestaat uit de Bank (AsDB) en het Fonds (AsDF). Het Aziatische Ontwikkelingsfonds (AsDF) is opgericht in 1974 en verstrekt leningen tegen concessionele voorwaarden aan de armere Aziatische landen. In het Fonds is Nederland de 11e donor met 2,23% van de stemmen. Het Fonds verkrijgt de middelen hoofdzakelijk uit contributies van de rijkere lidstaten. De onderhandelingen over de middelenaanvullingen vinden iedere drie jaar plaats. De laatste middelenaanvulling (AsDF-XI) is in 2012 afgerond. De AsDB richt zich op een specifiek terrein (armoedebestrijding, inclusieve groei, duurzame ontwikkeling) die nog niet voldoende wordt gedekt door commerciële banken. De risico’s die verbonden zijn met de uitvoering van programma’s in bijvoorbeeld fragiele staten, zijn beter te beheersen door Internationale Financiële Instellingen zoals de AsDB. Door haar beschikking over garantiekapitaal («callable capital») en de daarmee gepaard gaande AAA-status is de AsDB in staat goedkoper geld aan te trekken op kapitaalmarkten en dit door te lenen aan landen voor ontwikkelingsdoeleinden. Dit aandeel garantiekapitaal wordt door lidstaten vastgesteld tijdens afspraken over kapitaalverhogingen. Een dergelijke garantieregeling heeft als voordeel ten opzichte van ingelegd kapitaal dat het geen directe gevolgen heeft voor de Rijksuitgaven en het EMU-saldo. Natuurlijk vormt het «callable capital» wel een risico op kasuitgaven, maar dit risico wordt als zeer klein aangemerkt.

3. ARTIKELEN

Artikel 1: Duurzame handel en investeringen

A: Algemene doelstelling

Doel is om de agenda voor hulp, handel en investeringen vorm te geven om extreme armoede uit te bannen, inclusieve en duurzame groei te bevorderen en succes voor Nederlandse bedrijven in het buitenland te bewerkstelligen. De inzet is om duurzame handel en investeringen te bevorderen door versterking van het internationaal handelssysteem. Daarbij is er aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), de versterking van de Nederlandse handel- en investeringspositie en economische naamsbekendheid en de bevordering van de private sector en de randvoorwaarden voor duurzaam en inclusieve groei in ontwikkelingslanden. Voor het Dutch Good Growth Fund (DGGF) is een belangrijke rol weggelegd om het Nederlandse en lokale midden- en kleinbedrijf te betrekken bij duurzame economische ontwikkeling in de DGGF-landen.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De versterking van de Nederlandse handel- en investeringspositie en economische naamsbekendheid en het realiseren van een goede bijdrage van het Nederlandse bedrijfsleven aan duurzame economische ontwikkeling elders in de wereld vraagt een kabinetsbrede inspanning. In het bijzonder werkt de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hierbij samen met de Minister van Financiën, de Minister van Economische Zaken, de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Het voeren van een op maat gesneden en onderling samenhangend financieel instrumentarium gericht op export- en investeringsbevordering voor het Nederlands bedrijfsleven, marktfacilitatie en markttoegang. Uitgangspunten hierbij zijn het opheffen van marktfalen en het creëren van een gelijk speelveld.

  • Het financieren van diverse programma’s die bijdragen aan een gunstig ondernemingsklimaat en innovatief ondernemerschap ten behoeve van duurzame en inclusieve groei in lage- en middeninkomenslanden.

  • Het financieel ondersteunen van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf om met eigentijdse oplossingen bij te dragen aan duurzame economische ontwikkeling wereldwijd, onder andere via het Dutch Good Growth Fund.

Stimuleren

  • Het stimuleren van een actief voorlichtingsbeleid over de OESO-richtlijnen via o.a. het Nationale Contact Punt (NCP) voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) en MVO Nederland.

  • Het faciliteren en ondersteunen van (Nederlandse) bedrijven met specifieke aandacht voor MKB, om zaken te doen op buitenlandse markten, waaronder in lage- en middeninkomenslanden, met behulp van financiering, informatie en advies.

  • Het bevorderen van clustergewijze samenwerking van bedrijven op buitenlandse markten.

  • Het benadrukken van de kansen die internationaal ondernemen biedt en bedrijven daartoe activeren en actief ondersteunen, met speciale aandacht voor het MKB.

  • Het monitoren en bevorderen van markttoegang in derde landen via de EU markttoegangsstrategie.

  • Het stimuleren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor buitenlandse investeerders t.b.v. verdere internationalisering van de Nederlandse economie.

  • Het stimuleren van toegang van lokale MKB-bedrijven tot (regionale) markten met oog voor duurzame ketenontwikkeling en handelspolitiek en -facilitatie.

  • Het stimuleren van goed bestuur in de vorm van goede wet- en regelgeving, betrouwbare instituties en actoren en verbeterde belastingregimes.

  • Het stimuleren van goede fysieke infrastructuur en logistiek.

  • Het stimuleren van een inclusieve ontwikkelingsagenda door ontwikkeling van verzekeringsinstrumenten en uitbreiding van financiële dienstverlening aan de MKB-sector.

  • Het bevorderen van publiek-private samenwerking en inclusief ondernemerschap in lage- en middeninkomenslanden.

  • Het stimuleren dat de EU haar impact assessments herziet door (niet-hulp) beleid ex ante te screenen op mogelijke gevolgen voor derde landen.

Regisseren

  • Het met oog voor de Nederlandse belangen bijdragen aan de verdere vrijmaking van het internationale handels- en investeringsverkeer via de World Trade Organisation (WTO)/Doha ronde, vrijhandelsakkoorden, investeringsbeschermingsovereenkomsten en de Europese markttoegangstrategie.

  • Het versterken van de internationale economische rechtsorde in het kader van de WTO en OESO.

  • Het bevorderen van een gelijk speelveld voor Nederlandse ondernemers op MVO door goede afspraken te maken in de OECD Working Party on Responsible Business Conduct. Nederland levert het voorzitterschap via een speciaal vertegenwoordiger voor de OESO richtlijnen.

  • Het mede vormgeven van een nieuwe WTO onderhandelingsagenda.

  • Het bevorderen van kaders voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van de VN, OESO, EU en voluntary principles on security and human rights.

  • Het actief inzetten op het door de EU afsluiten van een aantal Economische Partnerschapsakkoorden met een aantal Afrikaanse regio’s.

  • Het behouden van draagvlak voor globalisering door realistische invulling van ketenverantwoordelijkheid.

  • Het vorm en inhoud geven aan economische diplomatie, economische missies en inkomende en uitgaande bezoeken met aandacht voor IMVO, en het opstellen en bewaken van de afgestemde reisagenda van het kabinet naar economisch prioritaire landen.

  • Het bevorderen van publiek-private samenwerking op het terrrein van internationaal ondernemen, onder via de Dutch Trade and Investment Board.

  • Het aansturen van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) met als oogmerk het aantrekken van buitenlandse investeerders naar Nederland, samen met de Minister van Economische Zaken.

  • Het invulling geven aan de internationale kant van het topsectorenbeleid en dit verbinden aan het economisch-diplomatieke werk.

  • Het inhoud geven aan de mede-beleidsverantwoordelijkheid voor de Exportkredietverzekering (EKV) met de Minister van Financiën ten einde de Nederlandse export van kapitaalgoederen en dienstentransacties te faciliteren.

  • Het versterken van de Nederlandse positie in mondiale waardeketens om export en investeringen optimaal te laten bijdragen aan het Nederland verdienvermogen.

  • Het in onderlinge samenhang inzetten van centrale en decentrale programma’s ter versterking van de randvoorwaarden voor duurzame en inclusieve groei en private sectorontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden.

  • Het afstemmen van Nederlandse inspanningen op het gebied van private sectorontwikkeling en duurzame en inclusieve groei met die van andere multilaterale en bilaterale donoren, met bijzondere aandacht voor programma’s van de Europese Commissie en EU-lidstaten.

  • Het invulling geven aan beleidscoherentie voor buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking door bij beleid vooraf en achteraf te letten op de effecten op ontwikkelingslanden.

  • Het bereiken van maximale synergie tussen ontwikkelingsdoelstellingen en de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven, mede door inzet van het Dutch Good Growth Fund.

  • In de partnerlanden zal Nederland binnen de speerpunten voedselzekerheid, water, seksuele en reproductieve gezondheidszorg (alsook vrouwenrechten en gendergelijkheid) en veiligheid en rechtsorde (m.n. in fragiele staten) inzetten op ontwikkeling en zoveel mogelijk samenwerking zoeken met de private sector en maatschappelijke organisaties.

Uitvoeren

  • Het behandelen van klachten van bedrijven, o.a. over oneerlijke concurrentie waar Nederlandse bedrijven in het buitenland mee te maken hebben.

  • Het uitvoeren van de controle op de export van strategische goederen met oog voor sancties in het kader van de EU, het Wassenaar Arrangement, de Australië groep, de Nuclear Suppliers Group, de Organisation for the prohibition of Chemical Weapons en de Missile Technology Control Regime.

  • Het aansturen en vormgeven van de inzet van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) op het gebied van handelsbevordering en privatesectorontwikkeling, inclusief het Dutch Good Growth Fund, en het strategisch aansturen van de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO.

  • Het in dit verband realiseren van een efficiënte dienstverlening aan het Nederlandse bedrijfsleven (EénLoket).

C: Beleidswijzigingen

  • De overheid agendeert met de MVO Sector Risico Analyse MVO-kwesties die in de ketens van (MKB) bedrijven urgent aandacht verdienen en beoogt bedrijven zo aan te sporen tot een proactieve benadering van risico’s en hierover afspraken te maken in de vorm van tenminste tien convenanten.

  • In alle convenanten waar dit relevant is, zal het bestrijden van kinderarbeid onderdeel uitmaken van de afspraken. Daarnaast zet Nederland zich via gerichte steun voor de Child Labour Free Zones in voor uitbanning van kinderarbeid in een zestal landen en wordt in EU-verband samenwerking gezocht met een groep like-minded landen om ook op EU-niveau concrete actie tegen kinderarbeid te stimuleren»

  • Herziening en verbetering van financieringsintrumentarium voor export en investeringen in het buitenland. Hiermee wordt ingespeeld op de continu veranderende internationale marktomstandigheden met als doel het instrumentarium beter aan te laten sluiten bij de behoefte van de markt. De hiertoe in te zetten middelen komen uit de bestaande fondsen voor FOM (Financiering Opkomende Markten) en FIB (Finance for International Business).

  • Verhoging van de kwaliteit van economische dienstverlening. Dit door het ontwikkelen van een dienstencatalogus waar ondernemers in een oogopslag kunnen zien welke vormen van economische dienstverlening voor hen beschikbaar zijn. En door het ontwikkelen van kwaliteitsstandaarden zodat bedrijven weten welk minimum niveau van dienstverlening zij wereldwijd vanuit de posten mogen verwachten.

  • Het beleidskader van het Fonds Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV) zal worden aangepast. Inhoudelijk zal de focus meer komen te liggen op duurzaam ondernemen in lage- en middeninkomenslanden in food en non-food waardeketens.

  • In verband met de sterk toenemende irreguliere migratiestromen vanuit Noordelijk Afrika, zal het PSD-instrumentarium nog gerichter worden ingezet op het bevorderen van lokaal ondernemerschap en werkgelegenheid voor Afrikaanse jongeren en het stimuleren van Nederlandse MKB-bedrijven die willen investeren in lage- en middeninkomenslanden. Op die manier kunnen kansen worden gecreëerd voor (jonge) mensen om via ondernemerschap en werkgelegenheid in hun thuisland een menswaardige toekomst op te bouwen. Uit de begrotingsreserve (non-ODA) voor de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) zal de komende drie jaren voor EUR 25 miljoen hiervoor ter beschikking worden gesteld. Uit het Dutch Good Growth Fund (DGGF) wordt eveneens EUR 25 mln ter beschikking gesteld.

  • De inzet op regionale handelsbevordering zal in samenwerking met andere donoren worden uitgebreid van Oost-Afrika naar West-Afrika. Regionale handelsbevordering draagt bij aan inclusieve economische groei, werkgelegenheid en voedselzekerheid. Hiermee worden ook nieuw kansen gecreëerd voor investeringen door lokale en buitenlandse (onder meer Nederlandse) bedrijven.

D1: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 1 Duurzame handel en investeringen

Bedragen in EUR 1.000

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

 

756.071

328.239

325.230

110.621

117.386

95.386

95.386

                   

Uitgaven:

               
                   

Programma-uitgaven totaal

 

391.412

518.825

582.187

757.634

426.453

426.453

426.453

 

waarvan juridisch verplicht

     

89%

       
                   

1.1

Versterkt internationaal handelssysteem, met aandacht voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

9.707

13.494

10.695

11.222

11.222

11.222

11.222

                   
 

Opdrachten

               
   

Beleidsondersteuning internationaal ondernemen

 

2.489

2.719

       
                   
 

Bijdrage (inter)nationale organisaties

               
   

Contributies internationaal ondernemen

 

5.670

5.670

       
   

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

 

5.085

2.306

       
                   
                   

1.2

Versterkte Nederlandse Handels- en Investeringspositie en economische naamsbekendheid

59.446

71.589

70.599

62.433

61.263

61.263

61.263

                   
 

Subsidies

               
   

Starters International Business (SIB)/ Programma Strategische Beurzen

 

4.940

5.940

       
   

Partners for International Business (PIB)

 

8.400

11.732

       
   

Financieringsfaciliteit/Demontratieprojecten, haalbaarheidsstudies en investeringsstudies (DHI)

 

15.000

15.000

       
   

Package4growth non-ODA

 

730

0

       
   

Overig Programmatische Aanpak

 

3.104

2.500

       
   

PSO/2g@there

 

3.576

2.500

       
                   
 

Leningen

               
   

Finance for International Business (FIB)

 

3.965

1.000

       
                   
 

Bijdragen aan agentschappen

               
   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

 

26 072

26.000

       
   

Versterking economische functie (NBSO's via RVO)

 

5.927

5.927

       
                   

1.3

Versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden

240.420

283.742

350.893

365.818

353.968

353.968

353.968

                   
 

Subsidies

               
   

Transitiefaciliteit

 

2.080

500

       
   

Marktontwikkeling in het kader van private sector development

 

41.759

53.890

       
   

Wet en regelgeving

 

11.070

9.070

       
   

Financiele sectorontwikkeling

 

19.572

27.961

       
   

Versterking privaat ondernemerschap

 

60.431

67.284

       
   

Infrastructuurontwikkeling

 

69.658

99.803

       
   

Samenwerking bedrijfsleven en PPP's

 

13.645

7.400

       
   

Versterking privaat ondernemerschap non-ODA

 

6.382

6.382

       
   

Technische assistentie DGGF

 

10.300

11.900

       
                   
 

Bijdragen aan agentschappen

               
   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

 

20.000

35.000

       
                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

             
   

International Labour Organization

 

5.217

5.217

       
   

Partnershipprogramma ILO

 

5.000

5.000

       
   

International Finance Corporation

 

2.628

2.628

       
   

Landenprogramma's ondernemingsklimaat

 

15.342

13.700

       
   

Bedrijfsmatige technische bijstand

 

1.709

1.709

       
                   

1.4

Dutch Good Growth Fund: intensivering van ontwikkelingsrelevante investeringen in en handel met ontwikkelingslanden door het Nederlandse en het lokale bedrijfsleven, met de focus op het MKB en bij uitzondering en onder condities grootbedrijf

81.839

150.000

150.000

318.161

0

0

0

 

Subsidies/Leningen/Garanties

               
   

programma's Dutch Good Growth Fund

 

150.000

150.000

       
                   

Ontvangsten

 

5.132

12.267

23.463

20.685

1.815

1.815

1.815

                   
                 

1.10

Ontvangsten duurzame handel en investeringen

5.132

12.267

23.463

20.685

1.815

1.815

1.815

D2: Budgetflexibiliteit

Voor het onderdeel versterkt internationaal handelssysteem, met aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn de geplande uitgaven volledig juridisch verplicht met uitzondering van beleidsondersteuning. De contributies aan internationale organisaties (WTO en OESO) vloeien voort uit meerjarige internationale afspraken en zijn volledig juridisch verplicht. De programma’s voor versterkte Nederlandse handels- en investeringspositie en economische naamsbekendheid zijn volledig juridisch verplicht. Voor het onderdeel private sectorontwikkeling is ruim 90% juridisch verplicht als gevolg van de meerjarig overeengekomen bijdragen voor bedrijfsleveninstrumenten. Dit gelft ook voor de bijdragen aan internationale organisaties. Van de middelen voor het Dutch Good Growth Fund is 100% juridisch verplicht.

E: Artikelonderdelen

1.1 Versterkt internationaal handelssysteem, met aandacht voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

  • De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is beleidsinitiërend en coördinerend op het gebied van de handelspolitiek. Het belangrijkste orgaan hiervoor is de Interdepartementale Raad voor de Handelspolitiek (IRHP). Op basis van de uitkomsten in de IRHP neemt BH&OS deel aan onderhandelingen en officiële besprekingen op bilateraal, communautair en multilateraal niveau (OESO, WTO). Vanuit dit budget worden de jaarlijkse contributies aan de verschillende partijen gefinancierd.

  • Activiteiten die liggen op het terrein van de beleidsondersteuning en -onderzoek en evaluatie, alsmede incidentele projecten, zoals de Nederlandse deelname op Wereldtentoonstellingen.

  • Programma’s ter ondersteuning van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO Nederland 2013–2016, Wage Indicator Foundation en IMVO vouchers). De afname van het budget t.o.v. 2015 wordt met name veroorzaakt doordat een aantal programma’s is afgelopen (bijdrage in 2015 aan MVO Nederland via EZ en ILO arbeidstandaarden Vietnam).

1.2 Versterkte Nederlandse Handels- en Investeringspositie en economische naamsbekendheid

  • RVO is de centrale uitvoeringsorganisatie voor publieke handelsbevordering. Zij voert het financiële instrumentarium uit en faciliteert netwerken en contacten op het gebied van handels- en investeringsbevordering. Ook neemt RVO belemmeringen voor het bedrijfsleven weg, via het beschikbaar maken van kennis, informatie en contacten.

  • Het instrument Starters International Business (SIB) biedt startende exporteurs de mogelijkheid om samen met de Kamers van Koophandel en andere organisaties een actieplan voor export op te stellen.

  • Het instrument Partners for International Business (PIB) ondersteunt de structurele positionering van clusters van Nederlandse bedrijven, met name uit topsectoren, op voor Nederland kansrijke markten. Daarbij geldt als richtlijn, dat clusters van bedrijven (eventueel aangevuld met kennisinstellingen), die een grote en langdurige kans op een buitenlandse markt zien, maar tegen marktbelemmeringen aanlopen, gebruik kunnen maken van de faciliteit.

Indicator

Referentie Waarde

Peildatum

Realisatie 2014

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal convenanten met clusters van bedrijven (waarvan tenminste 80% binnen de topsectoren en focuslanden)

12

2012

17

25

2016

RvO

  • Met het Programma Strategische Beurzen ondersteunt de overheid een aantal collectieve promotionele activiteiten van de topsectoren gericht op internationale doelgroepen.

  • Voor Nederlandse bedrijven die actief zijn op buitenlandse markten is een effectief functionerend bedrijfsleveninstrumentarium evenals goede economische diplomatie van groot belang. In 2015 is gewerkt aan een herziening van het bestaande non-ODA financieringsinstrumentarium. Opdat – op basis van additionaliteit van de overheid – optimaal ingespeeld wordt op veranderende marktomstandigheden, financieringsbehoeftes, en maatwerk en flexibiliteit wordt geboden. Het instrument beoogt om de faciliteiten FOM, FIB, DHI (Demonstratie, Haalbaarheids- en Investeringstudies), alsmede verdiscontering van wissels (exportfinanciering) te integreren. De middelen uit de bestaande begrotingsreserves voor de FOM (Faciliteit Opkomende Markten) en FIB (Finance for International Business) worden hiertoe ingezet.

1.3 Versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden

  • Markttoegang en duurzame handel worden vergroot door de transactiekosten voor handel te verminderen en door producenten in ontwikkelingslanden te helpen voldoen aan internationaal gangbare technische eisen en productiestandaarden. Het Centraal Bureau voor Import uit Ontwikkelingslanden (CBI), nu onderdeel van RVO, richt zich hierbij op realisatie van export van ontwikkelingslanden naar de Europese Unie. Initiatief Duurzame Handel (IDH) vergroot de beschikbaarheid op de wereldmarkt van duurzame producten die in ontwikkelingslanden worden geproduceerd. In 2014 is besloten tot vervolgfinanciering van IDH voor de periode 2016–2020. Doordat het huidige contract al grotendeels bevoorschot was en het nieuwe contract van een grotere omvang is, leidt dit tot een stijging van de uitgaven ten opzichte van 2015. In partnerschap met de ILO wordt gewerkt aan betere arbeidsomstandigheden in sectoren die door handel expanderen. In Oost Afrika draagt Nederland bij aan verhoging regionale handel door middel van een multi-donor programma Trade Mark East Africa. Een soortgelijk programma wordt in samenwerking met Denemarken ontwikkeld voor West Afrika. Hiermee wordt beoogd in deze regio bij te dragen aan inclusieve economische groei, stabilisatie en vermindering migratie.

  • Verbetering van wet- en regelgeving en beleidsplannen van lokale overheden via multi- en bilaterale kanalen, zoals door opname van antimisbruikbepalingen in bilaterale belastingverdragen met Nederland. Rechtszekerheid is nodig voor investering in een bedrijf op langere termijn. Een functionerend belastingstelsel is nodig om de belastingafdracht door bedrijven aan de overheid te vergroten. Deze verbetering van rechtszekerheid en belastingstelsel komt tot uiting in de scores van landen op de Doing Business Index van de Wereldbankgroep.

  • Identificeren van knelpunten in het ondernemingsklimaat en facilitering van de oplossing daarvan door samenwerking met lokale overheden en partners.

  • Privaat ondernemerschap wordt versterkt door opbouw van bedrijfsmatige kennis en capaciteit bij lokale bedrijven. Ook wordt geïnvesteerd in het organisatorisch vermogen van economische instituties voor een beter ondernemingsklimaat. Met een peer-to-peer benadering wordt directe overdracht van relevante en actuele kennis bevorderd, zoals met het Programma Uitzending Managers.

  • Toegang tot nieuwe of verbeterde infrastructuur maken snelle groei van bedrijvigheid mogelijk. Goede wegen stimuleren handel en vergroot de toegang van mensen tot werk. Waterzuivering en afvalverwerking zijn nodig voor veilige en efficiënte bedrijfsvoering. Met programma’s van verschillende opzet wordt infrastructuur gerealiseerd. Zo werd het programma Ontwikkelings-relevante Exporttransacties (ORET) in 2008 omgevormd tot Ontwikkelingsrelevant Infrastructuur-ontwikkeling (ORIO), dat medio 2015 werd opgevolgd door DRIVE. Het Infrastructure Development Fund dat FMO namens het ministerie uitvoert, richt zich op het realiseren van private infrastructuur in ontwikkelingslanden. Met behulp van subsidies, achtergestelde leningen en aandelen kan privaat kapitaal worden aangetrokken. Hierdoor wordt een hefboomwerking gerealiseerd.

  • Toegang tot financiering en een stabiele financiële sector vormen ook een belangrijke randvoorwaarde voor het starten en doorgroeien van bedrijven. Daarbij gaat het om de beschikking over een bankrekening, toegang tot een lening en de mogelijkheid tot verzekering voor risico’s die het verdienvermogen van ondernemers en werknemers kunnen aantasten. Introductie van betere financiële producten draagt bij aan de ontwikkeling van een betrouwbare financiële sector. Zo stelt het MASSIF programma leningen beschikbaar voor kleine en middelgrote ondernemingen. Onder het Health Insurance Fund investeren private partijen samen met lokale financiële dienstverleners en ngo’s in de beschikbaarheid van private verzekering die mensen toegang geeft tot betere en betaalbare gezondheidszorg. Ook maatschappelijke organisaties en sociale ondernemers leveren via het verstrekken van subsidies en technische assistentie aan startende ondernemers in Afrika een belangrijke bijdrage aan ondernemerschap en (jeugd)werkgelegenheid. Uit de begrotingsreserve voor de FOM zal de komende drie jaren voor EUR 25 miljoen aan middelen worden ingezet (EUR 5 miljoen in 2015, EUR 10 mln in 2016 en EUR 10 mln in 2017) ter ondersteuning van projectvoorstellen van deze organisaties die rechtstreeks bijdragen aan meer ondernemerschap en werkgelegenheid onder Afrikaanse jongeren. Technische assistentie voor het Dutch Good Growth Fund heeft als doel om een investeringsportefeuille op te bouwen die voldoet aan de eisen op het terrein van revolverendheid en ontwikkelingsrelevantie. Tevens biedt het capaciteitsopbouw voor lokale ondernemers om de slagingskans van investeringen en export te vergroten. Speciale aandacht gaat hierbij uit naar vrouwelijke ondernemers, jonge ondernemers en ondernemers in fragiele staten. Daarnaast wordt extra begeleiding aangeboden aan ondernemers die die actief zijn in de landen waar jeugdwerkloosheid en migratieproblematiek heerst.

  • Door stimulering van publiek-private samenwerking met het bedrijfsleven wordt een impuls gegeven aan de ontwikkeling van de lokale private sector en aan investering door het Nederlandse bedrijfsleven in ontwikkelingslanden, zoals met de Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid.

1.4 Dutch Good Growth Fund: intensivering van ontwikkelingsrelevante investeringen in en handel met ontwikkelingslanden door het Nederlandse en het lokale bedrijfsleven, met een focus op het MKB en bij uitzondering en onder condities grootbedrijf

  • Het DGGF is een revolverend fonds dat financiering verschaft voor ontwikkelingsrelevante en risicodragende investeringen en exporttransacties. De doelstelling van het DGGF is het vergroten van de werkgelegenheid, productiviteit en kennisoverdracht in ontwikkelingslanden. De financiering is additioneel aan wat reguliere marktpartijen bieden. Het gaat concreet om drie vormen van ondersteuning:

    • i. bevordering van investeringen door Nederlandse bedrijven, met name het midden- en kleinbedrijf, in lage- en middeninkomenslanden;

    • ii. ondersteuning van investeringen in het midden- en kleinbedrijf in lage- en middeninkomenslanden en Nederland;

    • iii. ondersteuning van ontwikkelingsrelevante export door Nederlandse bedrijven, met name het midden- en kleinbedrijf, in lage- en middeninkomenslanden.

  • Onderdeel van het DGGF is het verstrekken van garanties, waarvoor een kostendekkende premie wordt betaald. Daaruit kunnen eventuele schades in latere jaren worden betaald. Het DGGF werkt met een interne begrotingsreserve. De begrotingsreserve dient om een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te kunnen vangen. De stand van de interne begrotingsreserve per 31 december 2014 is EUR 17 miljoen.

  • In de noordelijk gelegen Afrikaanse landen op de DGGF-landenlijst waar de jeugdwerkloosheid- en migratieproblematiek het grootst is, zal het DGGF in de periode 2015–2017 nog gerichter worden ingezet op het ondersteunen van lokale ondernemers en het stimuleren van Nederlandse ondernemers en sociale ondernemers die actief willen worden in deze landen. Hiervoor is EUR 25 miljoen vrijgemaakt binnen het DGGF.

  • In het najaar van 2015 vindt een midterm review plaats. In deze midterm review zal onder andere worden gekeken naar de aantallen verstrekte financieringen, verzekeringen en garanties en de financiële uitputting. Afhankelijk van de resultaten die uit deze midterm review komen zullen de financiële doelen voor 2016 en verder worden bezien.

Ontvangsten

  • De ontvangsten betreffen voornamelijk de middelen uit de begrotingsreserve voor de FOM ter ondersteuning van projectvoorstellen die rechtstreeks bijdragen aan meer ondernemerschap en werkgelegenheid onder Afrikaanse jongeren.

Artikel 2: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

A: Algemene doelstelling

Een toename van voedselzekerheid; verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie; en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, het tegengaan van klimaatverandering en een vergrote weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering.

B: Rol en verantwoordelijkheid

In afstemming met de Minister van Economische Zaken, de Staatssecretaris van Economische Zaken, de Minister van Infrastructuur en Milieu en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu draagt de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bij aan het zeker stellen dat internationale publieke goederen zoals een stabiel klimaat, gezonde ecosystemen, grondstoffen, voedsel en water beschikbaar blijven voor huidige en toekomstige generaties.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • De financiering van diverse programma’s gericht op duurzame economische ontwikkeling, voedsel- en waterzekerheid, toegang tot moderne energie, klimaatadaptatie en-verduurzaming van grondstofwinning. In toenemende mate wordt ingezet op financiering van programma’s waarin oog is voor de dwarsverbanden die tussen deze mondiale uitdagingen bestaan. Groeiende druk op natuurlijke hulpbronnen dwingt tot verduurzaming en een integrale benadering die synergie tussen de verschillende thema’s bevordert. De programma’s worden uitgevoerd door multilaterale instellingen, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen, (lokale) overheden, centrale programma uitvoerders (zoals FMO en RVO), in samenwerking met andere donoren (waaronder DFID, BMZ, USAID en SIDA) en via publiek-private partnerschappen.

  • De financiering van verschillende multilaterale en internationale instellingen, die een sleutelrol spelen bij de verzameling van gegevens, analyse en (formulering van de) aanpak van vraagstukken op het gebied van deze thema’s.

Stimuleren

  • Het intensiveren van de samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en de private sector gericht op bovengenoemde doelstellingen.

  • Inzet van Nederlandse deskundigheid en technologie bij het realiseren van de ontwikkelingsdoelstellingen.

Regisseren

  • Inzet van Nederlandse deskundigheid en technologie bij het realiseren van de ontwikkelingsdoelstellingen.

C: Beleidswijzigingen

  • Na een jaar van uitwerking zullen 2016 en de jaren erna in het teken staan van de uitvoering van de kamerbrief «Nederlandse inzet voor wereldwijde voedselzekerheid» van november 2014 (kamerstuk 33625, nr. 147). De inzet richt zich op drie samenhangende doelen:

    • 1. uitbannen van de huidige honger en ondervoeding,

    • 2. bevorderen van inclusieve en duurzame groei in de agrarische sector en

    • 3. realiseren van ecologisch houdbare voedselsystemen.

Deze dragen integraal bij aan het in VN-verband ontwikkelde raamwerk om de mondiale uitdagingen voor voedselzekerheid aan te pakken (Zero Hunger Challenge, Sustainable Development Goals).

  • Conform een toezegging tijdens het Global Citizen Earth Day-festival in Washington in 2015 en als bijdrage aan de nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelstellingen voor drinkwater en sanitatie (SDG6) zal Nederland van 2015 tot 2030 bewerkstelligen dat 30 miljoen mensen toegang zullen krijgen tot veilig drinkwater en 50 miljoen tot sanitaire voorzieningen.

  • SDG6 staat ook centraal in een nieuwe samenwerking met de Europese Investerings Bank, die in 2016 van start zal gaan.

  • In 2016 zal in het kader van verduurzaming van handelsketens en tegengaan van klimaatverandering een bijdrage worden geleverd aan het terugdringen van ontbossing en duurzaam landschapsbeheer. Hierbij zal de focus liggen op een aantal belangrijke productiegebieden in Afrika en Azië.

  • Om uitdrukking te geven aan het toegenomen strategisch belang van m.n. het Arctisch gebied, wordt in 2016 een rijksbrede strategie voor de Noordpool en Zuidpool in uitvoering genomen. Dat betekent intensiever interdepartementaal overleg met betrokkenheid van IenM, OCW en EZ en Defensie; meer beleidsrelevantie in het polaire onderzoeksprogramma (NPP); intensivering van de bilaterale relaties met de Arctische staten en de inzet van middelen voor wetenschappelijk poolonderzoek, waaraan Nederland zijn goede reputatie in de Poolgebieden voor een belangrijk deel te danken heeft. Ook wordt aansluiting gezocht bij het EU-beleid.

D1: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

Bedragen in EUR 1.000

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

 

209.298

722.755

439.033

298.290

349.264

344.264

344.264

                   

Uitgaven:

               
                   

Programma-uitgaven totaal

 

548.937

561.867

632.320

665.742

680.742

685.742

685.742

 

waarvan juridisch verplicht

     

78%

       
                   

2.1

Toename van voedselzekerheid

295.483

303.795

328.795

348.795

358.795

363.795

363.795

                   
 

Subsidies

               
   

Internationaal onderwijsprogramma

 

32.700

32.700

       
   

Duurzame voedselproductie

 

59.456

73 500

       
   

Marktontwikkeling in het kader voedselzekerheid

 

33.000

40.656

       
   

Voeding

 

17;200

17.000

       
                   
 

Bijdragen (inter) nationale organisaties

               
   

Partnerschapsprogramma FAO

 

2.500

2.500

       
   

versterking ruraal ondernemersklimaat

 

15.000

20.596

       
   

Landenprogramma’s voedselzekerheid

 

143.393

141.843

       
                   

2.2

Verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie

156.794

173.157

188.157

193.157

193.157

193.157

193.157

                   
 

Subsidies

               
   

Integraal waterbeheer

 

19.937

28.123

       
   

Drinkwater en sanitatie

 

32.460

37.110

       
                   
 

Bijdragen (inter) nationale organisaties

               
   

Wereldbank

 

10.000

10.000

       
   

Landenprogramma's integraal waterbeheer

 

59.295

61.233

       
   

Landenprogramma's drinkwater en sanitatie

 

51.350

51.691

       
                   

2.3

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen, tegengaan van klimaatverandering en vergrote weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering

96.660

84.915

115.368

123.790

128.790

128.790

128.790

                   
 

Subsidies

               
   

Hernieuwbare energie

 

25.000

30.000

       
   

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen en klimaat algemeen

 

22.914

39.744

       
                   
 

Bijdragen (inter) nationale organisaties

               
   

Algemene vrijwillige en verplichte bijdragen

 

9.292

14.240

       
   

GEF

 

0

20 000

       
   

UNEP

 

7.142

7.142

       
   

Landenprogramma's klimaatbeleid

 

19.601

3.885

       
   

Landenprogramma's milieubeleid; biodiversiteit en bossen

 

353

0

       
   

Landenprogramma's klimaat, energie en milieutechnologie

 

132

0

       
   

Contributie IZA/IZT

 

357

357

       

D2: Budgetflexibiliteit

De in 2016 geplande uitgaven voor duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water zijn voor het overgrote deel juridisch verplicht. Deze verplichtingen hangen samen met lopende, meerjarige programma’s. Enkele verplichte bijdragen aan multilaterale organisaties (bijvoorbeeld IFAD en FAO) worden jaarlijks vastgelegd, en worden derhalve in 2016 juridisch verplicht. Op dit moment wordt de kamerbrief «Nederlandse inzet voor wereldwijde voedselzekerheid» van november 2014 nader uitgewerkt. De uitvoering wordt in 2016 gestart. De hieruit voortvloeiende verplichtingen worden naar verwachting in 2016 aangegaan.

E: Toelichting op de financiële instrumenten

2.1. Toename van voedselzekerheid

Het beleid gericht op voedselzekerheid wordt uitgevoerd in bilaterale programma’s in de partnerlanden, via het multilaterale kanaal en door een aantal centraal gefinancierde programma’s. Aansluiting op het bedrijfsleveninstrumentarium is hierbij een belangrijk aandachtspunt. Private sectorontwikkeling is in veel programma’s een uitgangspunt.

De instrumenten bestaan uit:

  • Faciliteiten en samenwerkingsverbanden die kennis en kunde van de Nederlandse private sector, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties koppelen aan capaciteitsversterking en concrete impact in lage inkomenslanden: Fonds Duurzame Ontwikkeling en Voedselzekerheid (FDOV), Food & Business Knowledge Network (F&BKN), Agriterra/Agriprofocus, Netherlands Academy on Land Governance (LANDac), Netherlands Initiative for Capacity development in Higher Education (Internationaal onderwijsprogramma NICHE), programma Geodata for Agriculture and Water (G4AW) met Netherlands Space Office (NSO).

  • Partnerschappen blijven een belangrijk en effectief onderdeel van de Nederlandse inzet. Met een Nederlandse agrarische en voedingssector die tot de grootste (in termen van toegevoegde waarde en exportvolume) van de wereld behoort, wereldvermaarde kennisinstituten en veel erkende maatschappelijke organisaties werkt Nederland aan herkenbare resultaten. Met onder meer het Amsterdam Initiative against Malnutrition (AIM) laat Nederland internationaal zien dat samenwerking meer oplevert dan de som der delen. In 2016 gaan ook de partnerschappen op gebied van voedselzekerheid met maatschappelijke organisaties in het kader van het programma Samenspraak en Tegenspraak van start.

  • Duurzame voedselproductie en marktontwikkeling. Nederland participeert in het private sector loket van het Global Agriculture and Food Security Program (GAFSP). Vanuit dit fonds, dat wordt beheerd door de Wereldbank, kunnen bedrijven geld lenen en ondersteuning krijgen voor investeringen in de landbouw- en voedselproducerende sectoren in ontwikkelingslanden. In Afrika wordt gewerkt aan landbouwontwikkeling met Comprehensive African Agriculture Development Programme (CAADP).

  • Met UNICEF en de Global Alliance for Improved Nutrition (GAIN) wordt in 6 partnerlanden samengewerkt aan betere voeding voor jonge kinderen en hun moeders. Via het International Fund for Agricultural Development (IFAD) draagt Nederland bij aan het klimaatweerbaar maken van de kleinschalige landbouw en tevens versterking van het rurale ondernemersklimaat. En via de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR) wordt internationaal landbouwkundig- en voedingsonderzoek gefinancierd. Ten slotte wordt samengewerkt met organisaties op gebied van landrechten zoals het Kadaster International, de International Land Coalition (ILC) en het Global Land Tool Network (GLTN).

  • Landen/bilaterale programma’s. Met programma’s in 13 partnerlanden wordt door ambassades en hun publieke, private en maatschappelijke partners bijgedragen aan lokale vergroting van de voedselzekerheid door te investeren in duurzaam geproduceerd voedsel, productiviteitsverbetering in de kleinschalige landbouw, verhoging van werkgelegenheid, verbetering van koopkracht en toegang tot gezond en nutriëntenrijk voedsel.

2.2. Verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie

  • Nieuwe partnerschappen op het gebied van WASH zullen worden gestart in het kader van de toezegging van de Minister om in 2030 30 miljoen mensen te voorzien van veilig drinkwater en 50 miljoen van verbeterde sanitaire voorzieningen. Verduurzaming van WASH-investeringen wordt nagestreefd d.m.v. overeenkomsten met de uitvoerende organisaties en, waar van toepassing, overeenkomsten met ontvangende overheden.

  • In 2016 zal een derde call uitgaan voor het Fonds Duurzaam Water (FDW), dat met een substantiële financiële inbreng van partners uit de Nederlandse watersector programma’s ondersteunt op het gebied van waterbeheer, waterproductiviteit en drinkwater en sanitatie in verschillende lage- en middeninkomenslanden.

  • Het strategische waterpartnerschap met de Wereldbank zal zich in 2016 richten op betere integratie van (Nederlandse) kennis en innovatie in de leningenportefeuille van de Wereldbank. Hiervoor zullen Nederlandse waterdeskundigen worden gedetacheerd bij de Bank in Washington en in enkele voor Nederland relevante ontwikkelingslanden.

  • Nederland neemt in oktober 2016 deel aan de 3e wereld habitat conferentie. Ter voorbereiding organiseert Nederland in het voorjaar samen met andere deltalanden en -steden een conferentie over het thema duurzame urbane delta’s. Daarbij wordt ook de Nederlandse kennis en kunde op dit gebied gepromoot.

2.3. Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen, tegengaan van klimaatverandering en vergrote weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering

De Nederlandse inzet krijgt op verschillende manieren vorm:

  • Middels hernieuwbare energieactiviteiten in de armste landen wordt ingezet op het tegengaan van klimaatverandering, energievoorziening voor arme mensen en het bevorderen van inclusieve groene groei. Voorbeelden zijn het Africa Biogas Partnership programma voor huishoudelijk biogas van HIVOS en het Energizing for Development programma, gericht op promotie van schoon koken en elektrificatie van huishoudens. Wereldbank partnerlanden worden ondersteund bij de uitfasering van fossiele brandstofsubsidies. In het Scaling-up Renewable Energy Program zetten de gezamenlijke multilaterale ontwikkelingsbanken klimaatfinanciering in voor hernieuwbare energie in lage inkomenslanden. Met het FMO Access to Energy Fund wordt bijgedragen aan innovatieve private investeringen in Sub- Sahara Afrika.

  • Kennisopbouw over climate smart development ten behoeve van de transitie naar een duurzame en koolstofarme economie wordt voortgezet. Hierin zijn het Climate Development Knowledge Network (CDKN) en het World Resources Institute (WRI) belangrijke partners.

  • Nederland organiseert in mei 2016 samen met de Europese Commissie en het wetenschappelijk netwerk PROVIA een grote conferentie in Rotterdam over klimaatadaptatie, Adaptation Futures 2016. Deze conferentie beoogt onderzoekers, uitvoerders, beleidsmakers en het bedrijfsleven samen te brengen en te inspireren door praktische oplossingen voor adaptatie onder de aandacht te brengen.

  • De samenwerking met de private sector op het terrein van klimaat krijgt in 2016 veel aandacht. In dit verband is het nieuwe klimaatfonds van FMO, de Climate Development Finance Facility (CDFF) van belang. Daarnaast wordt ingezet op nauwere samenwerking met institutionele beleggers. Ook zal Nederland kleinere iniatieven ondersteunen, die tot innovatieve ideeën voor private klimaatfinanciering leiden, zoals het Innovation Lab for Private Climate Finance. Nederland zal in 2016, evenals in 2015, een deel van de beschikbare klimaatfinanciering leiden via het Groene Klimaatfonds (EUR 11,3 miljoen in 2016).

  • Het Groene Klimaat Fonds start in 2016 met het uitvoeren van de eerste klimaatinvesteringen om op mondiaal niveau transitie naar low carbon economische groei te versnellen. Hiermee wordt concreet een invulling gegeven aan mondiale klimaatafspraken.

  • In de Hoorn van Afrika wordt in minstens tien regio’s in o.m. Ethiopië en Kenia gewerkt aan weerbaarheid tegen klimaatverandering, in het bijzonder via verbeterd land- en waterbeheer en het ontwikkelen van duurzame handelsketens. Betrokken organisaties zijn o.a. het Horn of Africa Regional Environment Centre & Network (HoA-REC&N), het Initiatief Duurzame Handel (IDH) en UNESCO-IHE.

  • Vanwege het groeiend belang van energie in het buitenlandbeleid – als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen en de transitie naar duurzaamheid – zal BZ in 2016 samen met EZ sterker inzetten op energiediplomatie, zowel bilateraal als via het EU externe energiebeleid.

  • Nederland zal samen met gelijkgezinde Europese overheden, de Wereldbank en de Tropical Forest Alliance 2020 werken aan de uitwerking van de New York Forest Declaration. Bezien wordt hoe internationale handelsketens kunnen worden verduurzaamd en ontbossing kan worden teruggedrongen.

  • Nederland zet zich in voor duurzaam beheer en bestuur van de polaire gebieden door in EU en internationaal verband (IMO, Arctische Raad, ATCM) mee te praten over polaire milieu- en veiligheidsstandaarden en de duurzaamheidslat daarbij zo hoog mogelijk te leggen.

  • In het Grote Merengebied zullen meer mijnen opgenomen worden in het traceerbaarheidssysteem om conflictvrij gedolven grondstoffen te volgen tot aan de smelter. Ook wordt de betrokkenheid van de lokale bevolking vergroot en zal aan mijnwerkers training op het gebied van veiligheid en gezondheid worden gegeven.

  • In 2016 wordt een «Responsible Mining Index» (RMI) voor verantwoorde mijnbouw ontwikkeld in samenwerking met mijnbouwbedrijven, overheid en belangenorganisaties.

  • Nederland ondersteunt de internationale verbreding van het Extractives Industries Transparancy Initiative (EITI) in opkomende economieën. Nederland streeft ernaar in 2016 zijn kandidaatlidmaatschap voor te leggen aan het EITI-bestuur.

  • Via de Global Environment Facility (GEF) steunt Nederland de uitvoering van internationale milieuverdragen voor klimaatverandering, biodiversiteit, duurzaam landgebruik, internationale wateren, chemicaliën en afvalmanagement.

  • De algemene bijdrage aan het United Nations Environment Program (UNEP) wordt voortgezet.

Artikel 3: Sociale vooruitgang

A: Algemene doelstelling

Menselijke ontplooiing en het bevorderen van sociale en inclusieve ontwikkeling ten behoeve van een duurzame en rechtvaardige wereld, door het bijdragen aan seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt toeroepen aan de verspreiding van HIV/Aids; het bevorderen van gelijke rechten en kansen voor vrouwen; versterking van het maatschappelijk middenveld en bevordering en bescherming van de politieke ruimte als voorwaarde voor organisaties om effectief te opereren; en een toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Het financieren van programma’s van multilaterale organisaties, overheden, niet-gouvernementele organisaties, bedrijven en kennisinstellingen, die het meest perspectief bieden op het verwezenlijken van de beoogde resultaten.

  • Het financieren van programma’s gericht op het versterken van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden, via onder meer 25 strategische partnerschappen, het Voice fonds, het accountability fonds, SRGR-fonds, FLOW 2016–2020 en VMP.

  • De versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen via NICHE en de opleiding van professionals via NFP; en de Kennisplatforms voor Development Policies en voor SRGR (Share-Net International).

Stimuleren

  • Het bijdragen aan structurele armoedebestrijding en bevorderen van inclusieve groei en ontwikkeling door de mogelijkheden en kansen te vergroten van mannen en vrouwen in ontwikkelingslanden.

  • De Nederlandse inzet voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en HIV-preventie, onder meer in multilaterale fora. Nederland speelt een actieve rol in de follow-up van ICPD beyond 2014 en de integratie van SRGR en gendergelijkheid in de post 2015 agenda, in de bilaterale dialoog in de partnerlanden, in de samenwerking met NGO’s en in samenwerking met private partijen en het bedrijfsleven.

  • Werken aan goede internationale kaders voor vrouwenrechten en gendergelijkheid in multilaterale fora (VN, OESO/DAC, EU) en het ondersteunen van lokale organisaties ter versterking van politieke participatie, economische zelfstandigheid, een actieve rol van vrouwen in vredesprocessen en de uitbanning van geweld tegen vrouwen. Lokale ervaringen worden ingebracht in multilaterale fora, en vice versa.

  • De samenwerking met het maatschappelijk middenveld op de internationale beleidsagenda en het bevorderen van de politieke ruimte in internationale fora, waaronder het Global Partnership for Effective Development Cooperation (GPEDC).

C: Beleidswijzigingen

  • In 2015 lopen de verschillende subsidie-instrumenten voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld op het terrein van SRGR af. In 2016 start het SRGR Partnerschap fonds, een geïntegreerd kader voor de verschillende instrumenten (SRGR-fonds, het Keuzen en Kansen fonds, het Key Populations fonds en het Kindhuwelijkenfonds).

  • In veel lage- en middeninkomenslanden neemt de politieke manoeuvreerruimte voor het maatschappelijk middenveld af. Deze is een voorwaarde voor het bereiken van sociale ontwikkeling en mensenrechten en het in gang zetten van veranderingsprocessen. Onder het nieuwe beleidskader Samenspraak en Tegenspraak gaat daarom in 2016 een aantal programma’s van start om de capaciteit van maatschappelijk partners in deze landen op het terrein van pleiten en beïnvloeden te versterken. Het betreft:

  • De 25 Strategische Partnerschappen met maatschappelijke organisaties.

  • Het accountability fonds dat wordt uitgevoerd via de ambassades.

  • Het Voice-fonds dat zich specifiek richt op de moeilijk te bereiken, meest gemarginaliseerde en gediscrimineerde groepen.

  • De Ebola-uitbraak heeft de noodzaak tot verbetering van de hulp bij gezondheidscrises alsmede het voorkomen van en voorbereiden op duidelijk gemaakt. Nederland zal zich inzetten voor een Contingency Fund voor een snelle respons bij toekomstige gezondheidscrises, het opzetten van een Global Health Force (beiden onder de coördinatie van de WHO) en een systeem-brede evaluatie van alle actoren in de Ebola-crisis, inclusief de getroffen landen, VN-organisaties, NGOs en donoren.

D1: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 3 Sociale vooruitgang

Bedragen in EUR 1.000

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

 

609.348

1.611.980

572.209

277.108

306.772

378.908

225.908

                   

Uitgaven:

               
                   

Programma-uitgaven totaal

 

1.014.820

941.677

847.642

732.970

730.470

730.470

730.470

 

waarvan juridisch verplicht

     

98%

       
                   

3.1

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/aids

415.567

386.784

416.784

431.784

431.784

431.784

431.784

                   
 

Subsidies

               
   

Centrale programma's SRGR & HIV/aids

 

124.640

154.864

       
                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

Unicef

 

10.000

10.000

       
   

UNAIDS

 

20.000

20.000

       
   

SRGR; Strategische Alliantie Internationale NGO's

 

7.500

1.500

       
   

Global Fund to Fight Aids, Malaria and Tuberculosis

 

55.000

55.000

       
   

UNFPA

 

60.000

60.000

       
   

WHO-PAHO

 

6.713

6.713

       
   

Partnershipprogramma WHO

 

11.683

11.683

       
   

Landenprogramma's SRGR & HIV/aids

 

91.248

97.024

       
                   

3.2

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen

44.055

43.510

43.417

43.386

43.386

43.386

43.386

                   
 

Subsidies

               
   

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

 

31.739

31.939

       
                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

UNWOMEN

 

6.000

6.000

       
   

Landenprogramma's gelijke rechten en kansen voor vrouwen

 

5.771

5.478

       
                   

3.3

Versterkt maatschappelijk middenveld

450.525

452.366

335.282

221.500

219.000

219.000

219.000

                   
 

Subsidies

               
   

Vakbondsmedefinancieringsprogramma

 

12.000

4.000

       
   

SNV programma

 

55.000

7.000

       
   

Strategische partnerschappen

 

382.000

323.000

       
   

Twinningsfaciliteit Suriname

 

3.366

1.282

       
                   

3.4

Toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek

104.673

59.017

52.159

36.300

36.300

36.300

36.300

                   
 

Subsidies

               
   

Onderzoekprogramma's

 

4.403

4.000

       
   

Onderwijsprogramma's

 

800

0

       
   

Internationale hoger onderwijsprogramma's

 

44.203

45.459

       
                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

Landenprogramma's hoger onderwijs

 

4.000

2.000

       
   

Landenprogramma's onderwijs algemeen

 

4.600

700

       
   

Internationale onderwijsinstituten

 

477

0

       

D2: Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/Aids zijn volledig juridisch verplicht. Voor het artikelonderdeel gelijke rechten en kansen voor vrouwen is het merendeel (waaronder UNWOMEN) ook juridisch verplicht. Onder versterkt maatschappelijk middenveld zijn de geraamde uitgaven volledig juridisch verplicht. Het betreft hier meerjarige contracten. Voor het onderdeel toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek is het merendeel juridisch verplicht. Het betreft lopende programma’s.

E: Toelichting op de financiële instrumenten

3.1 Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/Aids

Via de landenprogramma’s en centrale subsidies SRGR en HIV/Aids worden de volgende doelstellingen beoogd:

  • Jongeren hebben meer kennis en zijn zo in staat gezondere keuzes te maken over hun seksualiteit: seksuele voorlichting op scholen en daarbuiten, toegang tot jeugdvriendelijke zorg en preventieve maatregelen en kansen voor jongeren om hun stem te laten horen en op te komen voor hun rechten.

  • Een groeiend aantal mensen krijgt toegang tot aidsremmers, voorbehoedmiddelen en andere levensreddende middelen voor een goede seksuele gezondheid: een ruimere keuze en beter aanbod van voorbehoedmiddelen, een verbeterd aanbod van medische middelen om moedersterfte en problemen op het gebied van seksuele gezondheid te voorkomen en het wegnemen van cultureel bepaalde en kennis gerelateerde obstakels die vrouwen verhinderen voorbehoedmiddelen te gebruiken. Daarnaast stelt Nederland een verhoogde bijdrage van EUR 50 mln ter beschikking aan GAVI, het internationale initiatief dat de toegang tot vaccins verbetert voor kinderen in de armste landen.

  • Publieke en private klinieken bieden betere seksuele en reproductieve zorg aan, waar een toenemend aantal mensen gebruik van maakt: een verbeterde samenwerking tussen publieke en private zorg, een beter geïntegreerde aanpak van HIV en seksuele gezondheid binnen het nationale gezondheidsbeleid in partnerlanden en verbeterde kwaliteit van verloskundige hulp en innovatieve manieren om seksuele gezondheidszorg betaalbaar en toegankelijk te houden.

  • Meer respect voor seksuele en reproductieve rechten van groepen aan wie deze rechten worden onthouden: aankaarten van naleving van mensenrechten van specifieke groepen, zoals seksuele minderheden, drugsgebruikers en sekswerkers; toegang geven tot voorzieningen en middelen voor seksuele gezondheid aan bovengenoemde specifieke groepen, bepleiten van zelfbeschikking van vrouwen en meisjes over hun seksualiteit (met daarbij specifieke aandacht voor het tegengaan van kindhuwelijken) en bevorderen van een rechtenbenadering in beleid en wetgeving in partnerlanden.

Daarnaast worden bijdragen geleverd aan multilaterale instellingen op gebied van SRGR en HIV/Aids zoals:

  • Algemene vrijwillige bijdragen aan UNICEF, UNAIDS en UNFPA.

  • Naast de verplichte contributie aan de WHO ontvangt deze organisatie ook een geoormerkte bijdrage voor het WHO Partnershipprogramma.

De bijdragen aan de Internationale NGO’s die in 2015 separaat zijn opgenomen, zijn vanaf 2016 grotendeels ondergebracht bij het centrale programma.

3.2 Gelijke rechten en kansen voor vrouwen

  • Verbetering van veiligheid, economische zelfredzaamheid en politieke participatie van vrouwen via het Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW) programma.

  • Verbeterde positie van vrouwen in conflictgebieden door uitvoering van het Nederlands Nationaal Actieplan 1325. Dwarsdoorsnijdende thema’s zoals politieke participatie, leiderschap van vrouwen en verbetering van de economische positie van vrouwen worden ondersteund via vredes- en wederopbouwprocessen in zes fragiele staten (Afghanistan, Burundi, Colombia, Democratische Republiek Congo, Sudan en Zuid-Sudan) en het Midden-Oosten en Noord-Afrika.

  • Verbeterde kennis bij diplomaten, militairen en civiele experts om effectief te kunnen omgaan met gendergerelateerd geweld door genderaspecten te integreren in hun werk in fragiele staten via de bijdrage aan en organisatie van de Spaans-Nederlandse Training A Comprehensive Approach to Gender in Operations.

  • Een algemene vrijwillige bijdrage aan UNWOMEN alsmede een geoormerkte bijdrage aan het UNWOMEN Trustfund Violence Against Women.

3.3 Versterkt maatschappelijk middenveld

  • Onder het nieuwe beleidskader Samenspraak en Tegenspraak starten in 2016 de strategische partnerschappen met maatschappelijke organisaties op het gebied van pleiten en beïnvloeden. Doel is de capaciteit van partners in lage- en lage-middeninkomenslanden op dit terrein te versterken en daarmee veranderingsprocessen in gang te zetten die bijdragen aan inclusieve en duurzame ontwikkeling.

  • Het vakbondsmedefinancieringsprogramma draagt bij aan betere naleving van arbeidsrechten wat leidt tot versterkte capaciteit van vakbonden, verbeterde sociale dialoog en tot verbeterde arbeidsomstandigheden. Door betere aansluiting bij andere samenwerkingsinspanningen die met ODA-middelen worden gefinancierd wordt de effectieve bijdrage aan duurzame ontwikkeling vergroot.

3.4 Toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek

  • De capaciteit van het hoger (beroeps)onderwijs wordt versterkt via het NICHE-programma en het aantal goed-opgeleide mensen in partnerlanden neemt toe via het Netherlands Fellowship Programmes (NFP).

  • Kennis over duurzame en inclusieve groei in partnerlanden wordt vergroot via kennisplatforms.

  • Verantwoorde afbouw van programma’s voor basisonderwijs.

Artikel 4: Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

A: Algemene doelstelling

Vrede en veiligheid voor ontwikkeling door het voorkomen en terugdringen van conflictsituaties en het bevorderen van rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, legitieme en democratische staatsstructuren en het bestrijden van corruptie. Tevens het verlenen van noodhulp ter leniging van humanitaire nood wereldwijd.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Programma’s en partners op het terrein van veiligheid & rechtsorde, gericht op het aanpakken van de grondoorzaken van conflict (belangrijkste reden voor irreguliere migratie), waaronder early warning en conflictpreventie, Security Sector Reform (SSR), rechtsstaatontwikkeling en sociaal- economische wederopbouw. Voor een deel worden deze gefinancierd uit het geïntegreerde Budget Internationale Veiligheid (Defensiebegroting) en het Stabiliteitsfonds (BZ-begroting), waarmee het geïntegreerde karakter van de inzet van diplomatieke, civiele en/of militaire activiteiten wordt geborgd.

  • Humanitaire hulpverlening door gespecialiseerde VN-organisaties, het Internationale Rode Kruis, en Nederlandse NGO’s (Dutch Relief Alliance; DRA).

Stimuleren

  • Programma’s gericht op veiligheid & rechtsorde en «legitieme stabiliteit» in partnerlanden, landen waarin zich actuele crises voordoen en in de regio’s van het Grote Merengebied en de Hoorn van Afrika, flankeren door politieke dialoog en waar mogelijk inbedden in een geïntegreerde benadering.

  • Innovatie bij noodhulporganisaties om efficiënter en effectiever te werken en om de onderlinge coördinatie te versterken.

  • Verbeterde opvang van vluchtelingen in de regio en vergroten van paraatheid voor tijdige en effectieve rampenrespons.

  • Betrekken van kwetsbare groepen in humanitaire situaties bij beleid en uitvoering en het tegengaan van seksueel geweld.

Regisseren

  • Handhaving en bevordering van internationaal humanitair recht en humanitaire principes, innovatie, gender en psychosociale zorg tijdens de «World Humanitarian Summit» in mei 2016. Als EU voorzitter zal Nederland tevens aandringen op nieuwe manieren om de snel stijgende humanitaire noden in een alsmaar complexer wordende wereld het hoofd te blijven bieden.

  • Samenwerking met actoren zoals de VN, het Rode Kruis en NGO’s voor een effectievere noodhulpverlening, en met de Europese Commissie Office for Humanitarian Aid Department (ECHO) en EU-lidstaten.

  • Betere samenwerking op veiligheid & rechtsorde tussen UNDP (team rechtsstaatsontwikkeling) en VN-DPKO via multi-donor dialoog over het Global Focal Point for Justice, Police and Corrections en over Security Sector Reform (SSR) programma’s o.a. van het Inter Agency SSR Task Force (IASSRTF).

  • Meer interne cohesie tussen EU-instellingen, vooral Commissie en EDEO, op crisisbeheersing en conflictpreventie, onder meer via het Comprehensie Approach Action Plan en de «Joint Communication on Capacity Building in support of security and development» waarbij NL eigen «best practices» inbrengt.

  • Bevordering van herstel na crises en stimulering van een belangrijke rol voor het maatschappelijk middenveld bij lokale conflictpreventie, het bevorderen van participatie van burgers en sociaal-economische wederopbouw.

  • Mede middels NL co-voorzitterschap van het «Global Partnership for Effective Development Cooperation» bevordering van de implementatie van de voor het speerpunt veiligheid & rechtsorde relevante doelstellingen uit de post-2015 agenda (vooral SDG 16).

C: Beleidswijzigingen

  • Met het Noodhulpfonds wordt tot en met 2017, additioneel aan het bestaande budget voor noodhulp, adequaat bijgedragen aan hulpverlening in huidige en toekomstige grote crises, inclusief opvang in de regio, innovatie van de hulp, rampenparaatheid en veiligheid voor hulpverleners.

  • Het kabinet zal de samenwerking met de Dutch Relief Alliance (DRA) van Nederlandse NGO’s verder versterken.

  • In langdurige chronische vluchtelingensituaties wordt versterkt ingezet op het stimuleren en faciliteren van zelfredzaamheid van vluchtelingen en op ondersteuning daarbij van gastgemeenschappen (bijvoorbeeld ondersteuning van lokale autoriteiten bij levering van basisvoorzieningen voor zowel vluchtelingen als de lokale bevolking, zoals al wordt toegepast in Libanon en Jordanië en gebruik van vouchersystemen en Cash for Work programma’s om in dagelijkse behoeften te voorzien).

  • Meer focus op «transitional justice» als invalshoek bij ontwikkeling van de rechtstaat en promotie van duurzame vrede.

  • De inzet op SSR wordt geïntensiveerd in de samenwerking met de Afrikaanse Unie, de VN en de EU. In het kader van het EU-voorzitterschap zal Nederland samen met onder meer Slowakije aandringen op meer coherentie van het EU-SSR beleid en de EU steunen in de ontwikkeling van één EU SSR framework.

D1: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 4 Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Bedragen in EUR 1.000

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

567.816

659.121

543.709

443.019

445.782

281.782

281.782

                   

Uitgaven:

             
                   

Programma-uitgaven totaal

 

572.894

708.571

544.571

544.571

404.571

414.571

414.571

 

waarvan juridisch verplicht

     

64%

       
                   

4.1

Humanitaire hulp

224.096

315.017

205.017

205.017

205.017

205.017

205.017

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

             
   

UNHCR

 

33.000

33.000

       
   

Wereldvoedselprogramma

 

36.000

36.000

       
   

UNRWA

 

13.000

13.000

       
   

Noodhulpprogramma's

 

233.554

123.017

       
                   

4.2

Budget Internationale Veiligheid; voorkomen en terugdringen van conflictsituaties

0

0

0

0

0

0

0

                   
   

Veiligheid voor mensen; Budget Internationale Veiligheid

             
                   

4.3

Rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptie

248.774

223.554

189.554

189.554

199.554

209.554

209.554

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

landenprogramma's legitieme en capabele overheid

 

2.777

1.085

       
   

Landenprogramma's functionerende rechtsorde

 

92.064

98.394

       
   

Midden Amerika programma

 

9.000

3.760

       
   

Landenprogramma's inclusieve en politieke processen; vredesdialoog en confilictpreventie

 

4.800

6.800

       
   

functionerende rechtsorde

 

9.000

10.000

       
   

Inclusieve politieke processen: vredesdialoog en conflictpreventie

 

40.057

34.645

       
   

Vredesdividend: werkgelegenheid en basisvoorzieningen

 

46.050

46.585

       
   

Legitieme en capabele overheid

 

17.850

19.275

       
                   

4.4

Noodhulpfonds

100.024

170.000

150.000

150.000

0

0

0

                   
   

Noodhulpfonds

 

170.000

150.000

       

D2: Budgetflexibiliteit

Ongeveer 25% van het budget voor humanitaire hulp is nog niet juridisch verplicht. Dit betreft uitgaven die afhankelijk zijn van de actualiteit en de behoefte bij de inzet in noodsituaties. De wereldwijd in te zetten core bijdragen aan bij noodhulp meest betrokken internationale organisaties zijn wel volledig juridisch vastgelegd. De bijdragen voor humanitaire hulp zijn onder te verdelen in bijdragen aan internationale organisaties die jaarlijks via de begroting worden vastgesteld (EUR 82 miljoen) en bijdragen aan grote wereldwijde fondsen/organisaties die meerjarig zijn vastgelegd (EUR 123 mln). De directe bijdragen aan noodhulp voor acute en chronische rampen, alsmede thematische bijdragen, worden gedurende het budgettaire jaar 2016 op grond van de actuele situatie vastgesteld, en worden derhalve in 2016 juridisch verplicht. Ook de programma’s voor functionerende rechtsorde en capabele overheid, inclusieve en politieke processen, vredesdividend, werkgelegenheid en basisvoorzieningen, en functionerende rechtsorde zijn nagenoeg allemaal juridisch verplicht. Het betreft programma’s die in 2015 of eerder zijn gestart.

E: Toelichting op de financiële instrumenten

4.1 Humanitaire Hulp

  • Ongeoormerkte bijdragen aan het wereldwijde VN-noodhulpfonds «Central Emergency Response Fund» (CERF), UN-OCHA en het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) ten behoeve van de snelle beschikbaarheid en flexibiliteit van de humanitaire hulp.

  • Ongeoormerkte bijdragen aan UNHCR, UNRWA, UNICEF en WFP, eveneens ten behoeve van snelle beschikbaarheid en flexibiliteit.

  • Landenspecifieke bijdragen aan VN-organisaties, het Internationale Rode Kruis en Nederlandse NGO’s (Dutch Relief Alliance-DRA).

  • Blokallocatie bijdragen aan het Nederlandse Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen.

  • Bijdragen aan organisaties die zich bezig houden met rampenparaatheid, innovatie, veiligheid van hulpverleners en opvang in de regio, waaronder steun aan lokale autoriteiten en gastgemeenschappen.

4.2 Budget Internationale Veiligheid; voorkomen en terugdringen van conflictsituaties

  • Vanaf 2015 is het Budget Internationale Veiligheid (BIV) opgenomen op de begroting van het Ministerie van Defensie. De besluitvorming wordt interdepartementaal voorbereid, waarmee het geïntegreerde karakter van de inzet van diplomatieke, civiele en/of militaire activiteiten wordt geborgd. Binnen het BIV blijft jaarlijks EUR 60 miljoen beschikbaar voor de begrotingen van BZ en BH&OS voor activiteiten op het terrein van hervorming van de veiligheidssector, beveiliging van diplomaten en ambassades in gebieden waar dat noodzakelijk is, rechtstaatontwikkeling en capaciteitsopbouw. Bij voorjaarsnota worden deze middelen overgeheveld naar de begrotingen van BZ en BH&OS.

4.3 Rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptie

  • Legitieme en capabele overheid wordt geheel gefinancierd via een aantal grote, internationaal opererende NGO’s en IGO’s op het gebied van corruptiebestrijding, democratisering, lokaal bestuur, politieke partijen en parlementen.

  • Inclusieve politieke processen en vredesdialogen worden voor het overgrote gedeelte uitgevoerd via een mix van nationale en internationale NGO’s. Ook is een programma in ontwikkeling bij Clingendael, waarbinnen trainingen worden verzorgd voor onderhandelaars in conflictsituaties. Daarnaast is wordt ingezet op kennisontwikkeling en -toepassing op het gebied van vrede, veiligheid en rechtstaatontwikkeling.

  • Bij sociaal-economische wederopbouw (vredesdividend) is deels sprake van uitvoering via NGO’s. In 2016 wordt een vervolg op de «Wederopbouw 2012–2015»-subsidietender opgezet voor activiteiten die «legitieme stabiliteit» in fragiele staten bevorderen. In specifieke landenprogramma’s wordt ook vaak gekozen voor uitvoering via het multilaterale kanaal (Multi-Donor Trust Funds), met het oog op de noodzakelijke coördinatie ter plekke en het belang van de betrokkenheid van de nationale overheid bij de uitvoering, zoals voor de Ebola landen: Guinea, Liberia en Sierra Leone.

  • In het geval van rechtsstaatontwikkeling wordt met een beperkt aantal multilaterale en niet-gouvernementele organisaties samengewerkt en is op landenniveau een beperkt aantal NGO’s actief in de bilaterale programma’s.

  • Op Human Security gerichte activiteiten worden over het algemeen gefinancierd uit het Stabiliteitsfonds dat op de BZ begroting staat.

4.4 Noodhulpfonds

  • Het noodhulpfonds is bestemd voor extra bijdragen aan de diverse humanitaire crises wereldwijd, en katalyserende activiteiten ter bevordering van opvang vluchtelingen in de regio, innovatie, hulp aan kwetsbare groepen en verbetering van de veiligheid van hulpverleners. Een omschrijving van deze prioriteiten vindt u in de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan de Tweede Kamer van 18 september 2014.

Artikel 5: Versterkte kaders voor ontwikkeling

A: Algemene doelstelling

Versterkte kaders voor ontwikkeling en inclusieve groei door versterkte multilaterale betrokkenheid; de inzet van cultuur en sport in ontwikkelingslanden om een sociale en kansrijke samenleving te stimuleren; het bevorderen van maatschappelijke betrokkenheid in Nederland en bijdragen aan migratie en ontwikkeling.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Het bijdragen aan organisaties die een belangrijke systeemfunctie hebben binnen het multilaterale ontwikkelingsarchitectuur.

  • Het bijdragen aan organisaties die een belangrijke uitvoerende rol hebben in het bereiken van ontwikkeling en inclusieve groei.

  • Het plaatsen van structureel circa 75 assistent-deskundigen, zowel Nederlandse als uit bij voorkeur de allerarmste ontwikkelingslanden op strategische posities bij multilaterale organisaties.

  • Het verlenen van schuldverlichting in de Club van Parijs, de Wereldbank en de regionale ontwikkelingsbanken. Het in internationaal verband deelnemen in de kapitaal-aanvullingen van de regionale ontwikkelingsbanken.

  • Het ondersteunen van initiatieven die cultuur en sport inzetten voor ontwikkeling, zowel op de posten in zeven landen als door middel van subsidies aan Nederlandse organisaties zoals het Prins Claus Fonds en KNVB WorldCoaches.

  • Het ondersteunen van initiatieven op het vlak van migratie en ontwikkeling.

Stimuleren

  • Het leveren van een bijdrage in relevante fora aan het overleg over de hervorming van de multilaterale ontwikkelingsarchitectuur om zo coherentie en effectiviteit te verbeteren.

  • Het toezien op de uitvoering door multilaterale organisaties van strategische aanwijzingen die de lidstaten in de VN opstellen.

  • Het bevorderen van meer coherent beleid en samenwerking door multilaterale organisaties op hoofdkantoor- en landenniveau.

  • Het bevorderen dat multilaterale organisaties resultaatgericht werken en hun resultaten zichtbaar maken.

  • Internationaal en nationaal een bijdrage leveren aan de implementatie en monitoring van de nieuwe Duurzame Ontwikkelingsagenda en de Financing for Development agenda, onder andere door multilaterale organisaties te stimuleren de uitvoering gezamenlijk op te pakken.

  • In de betrokken multilaterale instellingen een bijdrage leveren aan het overleg over schuldhoudbaarheid.

  • Het pleiten voor een gezonde kapitaalpositie van de regionale ontwikkelingsbanken.

  • Ondersteunen van organisaties en processen die een bijdrage leveren aan internationale economische stabiliteit.

  • Het verbinden van culturele en sportieve initiatieven met onderwerpen van internationaal beleid, in het bijzonder ontwikkeling, democratisering, maatschappelijke transitie en mensenrechten.

  • Het stimuleren dat er rekening wordt gehouden met het belang van ontwikkelingslanden binnen het rijksbrede migratiebeleid.

  • De positieve bijdrage van migratie aan ontwikkeling bevorderen en de negatieve effecten tegengaan.

Regisseren

  • De coördinatie van de rijksbrede multilaterale inzet op het terrein van ontwikkelingssamenwerking.

  • De coordinatie van de nationale rijksbrede implementatie van de SDG afspraken.

C: Beleidswijzigingen

  • Meer differentiatie in de relaties met VN organisaties waarbij effectiviteit van de organisatie en relevantie voor Nederlands beleid bepalende factoren zullen zijn voor de financiele bijdragen.

D1: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Bedragen in EUR 1.000

 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Verplichtingen

 

260.520

30.246

188.571

30.327

112.742

20.742

20.742

                   

Uitgaven:

               
                   

Programma-uitgaven totaal

 

285.068

63.290

80.186

– 69.488

187.718

176.927

245-796

 

waarvan juridisch verplicht

     

93%

       
                   

5.1

Versterkte multilaterale betrokkenheid

194.351

163.814

164.352

139.992

128.429

129.312

129.312

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

UNDP

 

17.500

40.500

       
   

UNICEF

 

14.000

24.000

       
   

UNIDO

 

1.950

1.950

       
   

Middelenaanvullingen fondsen bij regionale ontwikkelingsbanken

 

108.493

75.828

       
   

Kapitaalaanvullingen bij regionale ontwikkelingsbanken

 

5.498

6.301

       
   

Speciale multilaterale activiteiten

 

7.373

6.773

       
   

Assistent-deskundigen programma

 

9.000

9.000

       
                   

5.2

Overig armoedebeleid

82.652

– 109.524

– 93.166

– 218.480

50.289

38.615

107.484

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

Kleine activiteiten posten en cultuur en ontwikkeling

 

12.011

10.776

       
   

Voorlichting op het terrein van ontwikkelingssamenwerking

 

9.350

4.250

       
   

Schuldverlichting

 

48.667

50.940

       
   

Unesco

 

4.400

4.400

       
                   
 

nog te verdelen i.v.m. wijzigingen BNI en/of toerekeningen

 

– 183.952

– 163.532

       
                   

5.3

Bijdrage aan migratie en ontwikkeling

8.065

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

                   
 

Subsidies

               
   

Migratie en ontwikkeling

 

3.100

3.100

       
                   
 

Diversen

               
   

Migratie en ontwikkeling

 

5.900

5.900

       
                   
 

Ontvangsten

 

126.712

80.536

164.737

77.082

74.692

72.354

72.068

                   

5.20

Ontvangsten en restituties met betrekking tot leningen

62.426

48.616

43.561

45.906

43.516

41.178

40.892

                   

5.21

Ontvangsten OS

64.286

31.920

121.176

31.176

31.176

31.176

31.176

                   

5.22

Koersverschillen OS

0

pm

pm

pm

pm

pm

pm

D2: Budgetflexibiliteit

Alle uitgaven voor versterkte multilaterale betrokkenheid, overig armoedebeleid en migratie en ontwikkeling zijn volledig juridisch verplicht. De algemene vrijwillige bijdragen (core) aan UNDP en UNICEF zijn voor 2016 nog niet juridisch verplicht.

E: Toelichting op de financiële instrumenten

5.1 Versterkte multilaterale betrokkenheid

  • Bijdragen aan de begroting van de Internationale Financiële Instellingen via middelenaanvulling, kapitaalverhogingen en specifieke programma’s of trustfondsen ter bestrijding van armoede in ontwikkelingslanden over een breed spectrum aan sectoren, o.a. op terrein van economische en sociale sectoren. Zodat deze organisaties een gerichte bijdrage kunnen leveren aan de uitvoering van FfD-afspraken. Daarnaast leveren deze organsaties ook een belangrijke bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering en een vergrote weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering.

  • Nederland ondersteunt een aantal multilaterale systeemorganisaties die, behalve dat zij direct werkzaam zijn op het terrein van armoedebestrijding, ook van groot belang zijn voor het effectief functioneren van het multilaterale kanaal en het versterken van armoedebeleid in ontwikkelingslanden. Het betreft de Wereldbank, IMF en de vier grote regionale banken, UNDP en UNICEF.

  • Het Nederlandse multilaterale assistent-deskundigen programma draagt bij aan capaciteitsopbouw van deskundigen in ontwikkelingslanden en aan het versterken van de invloed van ontwikkelingslanden in internationale organisaties.

  • Uitgaven speciale multilaterale activiteiten nemen toe i.v.m. de FfD afspraken waarbij Nederland zich gecommitteerd heeft om de capaciteitsopbouw voor Domestic Resource Mobilisation in ontwikkelingslanden te vergroten.

5.2 Overig armoedebeleid

  • Compensatie van de Wereldbank (IDA) en regionale ontwikkelingsbanken voor schuldverlichting geeft ontwikkelingslanden de financiële ruimte een sterker eigen armoedebeleid te voeren.

  • Voor cultuur- en sport activiteiten in ontwikkelingslanden is een bedrag beschikbaar, dat deels via ambassades wordt ingezet en deels via Nederlandse cultuur-, sport- en ontwikkelingsorganisaties, zoals het Prins Clausfonds en NSA International.

  • Voorlichting op het terrein van ontwikkelingssamenwerking.

  • Op dit artikelonderdeel is een negatief bedrag opgenomen waar wijzigingen van het totale ODA-budget als gevolg van BNI-mutaties worden verwerkt evenals aanpassingen in de toerekeningen (eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen).

5.3 Bijdrage aan migratie en ontwikkeling

  • Aan niet-gouvernementele organisaties en interstatelijke organisaties die activiteiten uitvoeren op terrein van migratie en ontwikkeling kunnen subsidies of bijdragen worden verstrekt.

Ontvangsten

  • Het betreft hierbij restituties op OS programma’s die een lagere realisatie kennen dan oorspronkelijk voorzien. Vanwege bevoorschotting komt het voor dat hierbij restsaldi ontstaan. Daarnaast worden hierop ook de ontvangsten met betrekking tot aflossingen op begrotingsleningen verwerkt.

  • Een extra ontvangst i.v.m. het beëindigen van een lening aan IFC voor een post-financiële crisis activiteit.

BIJLAGE 1: VERDIEPINGSHOOFDSTUK

In het verdiepingshoofdstuk wordt informatie gegeven over de budgettaire aansluiting tussen de Ontwerpbegroting 2015 en de begroting 2016. Alleen mutaties boven EUR 2 miljoen en mutaties met een structurele doorwerking worden toegelicht en de mutaties t/m de eerste suppletoire begroting 2015 zijn eerder al tijdens de Voorjaarsnota toegelicht.

Artikel 1 Duurzame handel en investeringen

Opbouw uitgaven (EUR 1.000)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

514.497

573.462

724.953

425.153

425.153

 

mutatie Nota van Wijziging 2015

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2015

 

1.000

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2015

 

– 1.672

– 1.275

16.811

1.300

1.300

 

nieuwe mutaties 2015

 

5.000

10.000

15.870

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2016

391.412

518.825

582.187

757.634

426.453

426.453

426.453

Toelichting artikel 1 uitgaven

Een deel van de begrotingsreserve voor de FOM wordt in drie jaar verlaagd en opgenomen op de begroting ten behoeve van stimuleren lokaal ondernemersschap voor jonge Afrikaanse ondernemers (in het kader van tegengaan oorzaken migratie). Daarnaast wordt de eindejaarsmarge 2014 op het DGGF ingezet in 2017.

Artikel 1 Duurzame handel en investeringen

Opbouw ontvangsten (EUR 1.000)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

7.267

13.463

4.815

1.815

1.815

 

mutatie nota van Wijziging 2015

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2015

 

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2015

 

0

0

0

0

0

 

nieuwe mutaties 2015

 

5.000

10.000

15.870

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2016

5.132

12.267

23.463

20.685

1.815

1.815

1.815

Toelichting artikel 1 ontvangsten

Het betreft hier de ontvangsten uit de begrotingsreserve FOM. Middels desaldering wordt hiermee ook het uitgavenplafond verhoogd.

Artikel 2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

Opbouw uitgaven (EUR 1.000)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

564.053

632.360

665.740

680.740

685.740

 

mutatie nota van Wijziging 2015

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2015

 

– 3.000

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2015

 

814

– 40

2

2

2

 

nieuwe mutaties 2015

   

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2016

548.937

561.867

632.320

665.742

680.742

685.742

685.742

Artikel 3 Sociale vooruitgang

Opbouw uitgaven (EUR 1.000)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

943.934

846.783

730.470

735.470

735.470

 

mutatie nota van Wijziging 2015

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2015

 

– 2.000

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2015

 

– 257

859

2.500

– 5.000

– 5.000

 

nieuwe mutaties 2015

 

0

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2016

1.014.820

941.677

847.642

732.970

730.470

730.470

730.470

Artikel 4 Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Opbouw uitgaven (EUR 1000)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

394.571

394.571

394.571

404.571

414.571

 

mutatie nota van Wijziging 2015

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2015

 

4.000

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2015

 

200.000

150.000

150.000

0

0

 

nieuwe mutaties 2015

 

110.000

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2016

572.894

708.571

544.571

544.571

404.571

414.571

414.571

Toelichting artikel 4

Vanaf 2015 is het Budget voor Internationale Veiligheid structureel overgeheveld naar de begroting van Defensie. Het kabinet heeft besloten dat hiervan EUR 60 miljoen per jaar beschikbaar blijft voor de begrotingen van BZ en BH&OS ter financiering van activiteiten op het terrein van hervorming van de veiligheidssector, beveiliging van diplomaten en ambassades in gebieden waar dat noodzakelijk is, rechtstaatontwikkeling en capaciteitsopbouw. Bij voorjaarsnota worden deze middelen overgeheveld naar de begrotingen van BZ en BH&OS. Voor 2015 worden er extra middelen vrijgemaakt voor opvang in de regio.

Artikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Opbouw uitgaven (EUR 1000)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

58.110

45.345

– 11.425

40.430

30.029

 

mutatie nota van Wijziging 2015

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2015

 

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2015

 

39.618

– 670

– 8.999

3.782

– 318

 

nieuwe mutaties 2015

 

– 34.438

35.511

– 49.064

143.506

147.216

 

Stand ontwerpbegroting 2016

285.068

63.290

80.186

– 69.488

187.718

176.927

245.796

Toelichting artikel 5

De mutatie wordt met name veroorzaakt doordat het ODA-budget meerjarig is gestegen als gevolg van de toename van het BNI zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenningen.

Artikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Opbouw ontvangsten (EUR 1.000)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

 

79.542

164.537

76.882

74.492

72.154

 

mutatie nota van Wijziging 2015

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2015

 

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2015

 

250

200

200

200

200

 

nieuwe mutaties 2015

 

744

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2016

126.712

80.536

164.737

77.082

74.692

72.354

72.068

BIJLAGE 2: MOTIES EN TOEZEGGINGEN IN HET VERGADERJAAR 2014/2015

MOTIES vergaderjaar 2014–2015

Datum

Omschrijving

Herkomst

Stand van Zaken

04-07-2014

Motie Jan Vos c.s. 26 485 nr. 180: over inzicht in de herkomst van door de energiebedrijven gebruikte steenkolen

VAO IMVO d.d. 3 juli 2014

Aan voldaan in brief IMH-667002/2015, verzonden op 17 november 2014

28-11-2014

Motie Voordewind 34 000-XVII nr. 29: over de norm van 0,7% bni

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

In behandeling

28-11-2014

Motie Sjoerdsma 33 625 nr. 136: over een evaluatie van het optreden van de WHO

VAO Ebola d.d. 25 november 2014

Aan voldaan in brief DAF-35062, verzonden op 6 februari 2015

28-11-2014

Motie Sjoerdsma, 33 625 nr. 137: over het opzetten van een medische flitseenheid

VAO Ebola d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DAF-35062, verzonden op 6 februari 2015

28-11-2014

Motie Sjoerdsma 33 625 nr. 138: over faciliteren van de werving van vrijwilligers

VAO Ebola d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DAF-35062, verzonden op 6 februari 2015

28-11-2014

Motie Smaling 33 625 nr. 139: over verbeteren van de voedselhulp in ebolagebieden

VAO Ebola d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DAF-35062, verzonden op 6 februari 2015

28-11-2014

Motie Agnes Mulder en Smaling 33 625 nr. 141: over de relatie tussen donoren en lokale aanspreekpunten

VAO Ebola d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DAF-35062, verzonden op 6 februari 2015

28-11-2014

Motie Van Laar en Sjoerdsma 33 625 nr. 142: over de best mogelijke zorg voor besmette hulpverleners

VAO Ebola d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DAF-35062, verzonden op 6 februari 2015

28-11-2014

Motie Van Laar en Van Ojik 34 000-XVII nr. 20 over het stimuleren van het ondernemerschap van jongeren in fragiele staten

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

In behandeling

28-11-2014

Motie De Caluwé 34 000-XVII nr. 18: over vrijwillige bijdrage aan multilaterale ontwikkelingsorganisaties

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DMM-279327/15, verzonden op 19 juni 2015

28-11-2014

Motie Sjoerdsma en Van Ojik 34 000-XVII nr. 28: over de post 2015-agenda

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DMM-182870/2015, verzonden op 17 juni 2015

28-11-2014

Motie Van Laar 34 000-XVII nr. 22: over aandacht voor de strijd tegen kinderprostitutie

begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DSO/GA-83/15, verzonden op 27 maart 2015

28-11-2014

Motie Van Laar 34 000-XVII nr. 24: over een bijdrage voor GAVI van ten minste 250 miljoen euro

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DAF-155019/2015 verzonden op 3 april 2015

28-11-2014

Motie Agnes Mulder en Van der Staaij 34 000-XVII nr. 19: over verbetering van de kwaliteit van het agrarisch onderwijs in partnerlanden

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

In behandeling

28-11-2014

Motie Van Laar en Smaling 34 000-XVII nr. 23: over de aanpak van chronische ondervoeding bij jonge kinderen

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

In behandeling

28-11-2014

Motie Verhoeven en Sjoerdsma 21 501–02 nr. 1437: over openbaarmaking van het CETA-mandaat

VAO TTIP d.d. 19 november 2014

In behandeling

28-11-2014

Motie Van Laar en Sjoerdsma 34 000-XVII nr. 21: over een plan van aanpak tegen kinderarbeid in de kledingsector

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

In behandeling

28-11-2014

Motie Voordewind 34 000-XVII nr. 30: over een convenant voor de kledingsector

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief IMH-156869, verzonden op 18 juni 2015

18-12-2014

Motie van het lid Jasper Van Dijk 22 054 nr. 257: over maandoverzichten van exportvergunningen

VAO Wapenexportbeleid d.d. 18 december 2014

In behandeling

31-03-2015

Motie Segers c.s. 21 501-20 nr. 964: over geen geschillenbeslechting in TTIP die afbreuk doet aan ons nationale rechtssysteem

Debat naar aanleiding van de Europese Top d.d. 19 en 20 maart 2015 d.d. 31 maart 2015

Ondersteuning beleid. Aan voldaan in brief IMH-88790, verzonden op 6 maart 2015 en in brief IMH-171284, verzonden op 9 april 2015.

01-04-2015

Motie Ganzevoort c.s. 33 694 D: over de intensivering van de 3D-benadering (EK)

Plenair debat over de Internationale Veiligheidsstrategie d.d. 24 maart 2015 (EK)

In behandeling

15-04-2015

Motie Voordewind 26 485 nr. 206: over een onderzoek naar machtsconcentratie in de cacaoketen

VAO Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) d.d. 14 april 2015

In behandeling

15-04-2015

Motie Van Ojik 26 485 nr. 204 over concrete doelstellingen voor imvo-convenanten

VAO Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) d.d. 14 april 2015

In behandeling

15-04-2015

Motie Van Laar en Jan Vos 26 485 nr. 207: over onderzoek naar mededingingsregels en ACM-afspraken die niet in lijn zijn met mvo-regels

VAO Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) d.d. 14 april 2015

In behandeling

15-04-2015

Motie Jasper van Dijk 21 501-02 nr. 1476: over niet akkoord gaan met een regulatory cooperation body

VAO (Informele) RBZ Handelsraad d.d. 14 april 2015

Aan voldaan in brief IMH-210914/2015, verzonden op 24 april 2015

15-04-2015

Motie Van Laar en Jan Vos 21 501-02 nr. 1479: over agenderen van de regulatory cooperation body voor de eerstvolgende RBZ Handelsraad

VAO (Informele) RBZ Handelsraad d.d. 14 april 2015

Aan voldaan in brief IMH-210914/2015, verzonden op 16 juni 2015

30-04-2015

Motie Sjoerdsma 32 605 nr. 159: over strafbaar stellen van belemmeren van humanitaire hulp

VAO Noodhulp d.d. 30 april 2015

In behandeling

30-04-2015

Motie Sjoerdsma 32 605 nr. 158: over de Nederlandse rol bij het evaluatierapport van de Wereldgezondheidsorganisatie

VAO Noodhulp d.d. 30 april 2015

In behandeling

30-04-2015

Motie Smaling 32 605 nr. 162: over heroverwegen van de sluiting van het Dadaab vluchtelingenkamp

VAO Noodhulp d.d. 30 april 2015

Aan voldaan in brief DSH-285039, verzonden op 4 juni 2015

30-04-2015

Motie Van Laar 32 605 nr. 164: over psychosociale zorg binnen noodhulp

VAO Noodhulp d.d. 30 april 2015

Aan voldaan in brief DSH-285039, verzonden op 4 juni 2015

30-04-2015

Gewijzigde motie Smaling c.s. (t.v.v. 33 625 nr. 161): over een actieve rol voor Afrikaanse diaspora binnen de strategische partnerschappen

VAO Maatschappelijke organisaties d.d. 29 april 2015

Aan voldaan in brief DSO/MO-244/2015, verzonden op 1 juli 2015

30-04-2015

Motie Voordewind en Van Laar 33 625 nr. 157: over omzetten van het innovatiefonds in een inclusiefonds

VAO Maatschappelijke organisaties d.d. 29 april 2015

Aan voldaan in brief DSO/MO-244/2015, verzonden op 1 juli 2015

30-04-2015

Motie Van Ojik 32 852 nr. 23: over een omslag naar een circulaire economie

VAO Nederlandse inzet m.b.t. Natuurlijke Hulpbronnen en Conflictgrondstoffen d.d. 30 april 2015

In behandeling

30-04-2015

Motie Van Laar 32 852 nr. 25: over grondstoffen uit Congo en zijn buurlanden

VAO Nederlandse inzet m.b.t. Natuurlijke Hulpbronnen en Conflictgrondstoffen d.d. 30 april 2015

In behandeling

30-04-2015

Motie Smaling en Voordewind 32 852 nr. 24: over aanvullende maatregelen binnen risicosectoren

VAO Nederlandse inzet m.b.t. Natuurlijke Hulpbronnen en Conflictgrondstoffen d.d. 30 april 2015

In behandeling

30-04-2015

Motie Sjoerdsma en Agnes Mulder 32 852 nr. 22: over steun voor het mkb dat passende zorgvuldigheid hanteert

VAO Nederlandse inzet m.b.t. Natuurlijke Hulpbronnen en Conflictgrondstoffen d.d. 30 april 2015

In behandeling

30-04-2015

Motie Sjoerdsma en Thieme 32 852 nr. 21: over opnemen van additionele conflictmineralen in de Europese verordening

VAO Nederlandse inzet m.b.t. Natuurlijke Hulpbronnen en Conflictgrondstoffen d.d. 30 april 2015

In behandeling

30-04-2015

Motie van het lid Jasper van Dijk 21 501-02 nr. 1490: over toegankelijk maken van alle relevante TTIP-documenten

VAO RBZ-Handelsraad d.d. 30 april 2015

In behandeling

27-05-2015

Motie Voordewind 23 432 nr. 405: over het opvoeren van de druk op de PLO

Plenair debat Israël en Gaza d.d. 20 mei 2015

In behandeling

27-05-2015

Motie Van Klaveren 23 342 nr. 409: over het stopzetten van subsidies aan organisaties die antisemitische uitingen doen.

Plenair debat Israël en Gaza d.d. 20 mei 2015

In behandeling

TOEZEGGING- EN VERGADERJAAR 2014–2015

Datum

Omschrijving

Herkomst

Stand van Zaken

12-09-2014

Na afloop van pilot betaalde dienstverlening per brief de Kamer informeren

AO Economische missies en Exportbevordering d.d. 9 september 2014

Zie toezegging Minister BHOS tijdens Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

12-09-2014

Voor de begrotingsbehandeling brief over exportkredietfinanciering

AO Economische missies en Exportbevordering d.d. 9 september 2014

Aan voldaan in brief DIO-68285, verzonden op 19 november 2014.

12-09-2014

In rapportage Economische missies meer specifieke informatie inzake mensenrechten en IMVO en de resultaten van missies

AO Economische missies en Exportbevordering d.d. 9 september 2014

Aan voldaan in brief DIO-12261/2014, verzonden op 19 december 2014

12-09-2014

Na gesprek bij de Wereldbank de Kamer informeren over wat zij doet om bedrijven strategisch te positioneren op het gebied van strategische infrastructurele projeceten

AO Economische missies en Exportbevordering d.d. 9 september 2014

In behandeling

03-10-2014

De Minister voor BuHa-OS zal in de inzetbrief voor de Voorjaarsvergadering van de Wereldbank een appreciatie geven van de BRICS-bank

AO wereldbank d.d. 2 oktober 2014

Aan voldaan in brief DMM-174559/2015, verzonden op 8 april 2015

03-10-2014

In het verslag van de Najaarsvergadering van de Wereldbank zal de Minister voor BuHa-OS ingaan op de wijze waarop maatschappelijke organisaties bij de herziening van de safeguards kunnen worden betrokken

AO wereldbank d.d. 2 oktober 2014

Aan voldaan in brief DMM-716179/2015, verzonden op 5 januari 2015

03-10-2014

De Minister voor BuHa-OS stuurt vóór de begrotingsbehandeling BuHa-OS een appreciatie van de verdragstekst van CETA naar de Kamer, inclusief een duiding van de goedkeurings- en ratificatieprocedure

AO RBZ/Handelsraad d.d. 1 oktober 2014

Aan voldaan in brief IMH-661008/2014, verzonden op 17 november 2014

03-10-2014

De Minister voor BuHa-OS zal de Kamer in het verslag van de RBZ Handelsraad nader informeren over de positie van Duitsland inzake ISDS in CETA

AO RBZ Handelsraad d.d. 1 oktober 2014

Aan voldaan in brief IMH-654280/2014, verzonden op 7 november 2014

09-10-2014

De Kamer ontvangt in het voorjaar van 2015 een brief over inzet en mogelijkheden om inclusiviteit te bevorderen

AO Speerpunten OS d.d. 7 oktober 2014

In behandeling

09-10-2014

Schriftelijke terugkoppeling van de resultaten van de inzet van de Minister voor BuHa-OS in de richting van OCHA en UNHCR om de coördinatie en mobilisatie van hulp na de assessment fase te verbeteren

AO Noodhulpd.d. 7 oktober 2014

In behandeling

09-10-2014

De Minister voor BuHa-OS informeert de Kamer (na afronding van nog lopende onderzoeken) over de Nederlandse inzet met betrekking tot verbetering van het noodhulpsysteem

AO Noodhulp d.d. 7 oktober 2014

In behandeling

09-10-2014

De Minister voor BuHa-OS zal de Kamer per brief informeren over de rol die Nederland kan spelen op het gebied van rampenpreventie en wat Nederland te bieden heeft

AO Noodhulp d.d. 7 oktober 2014

Aan voldaan in brief DSH-285039, verzonden op 4 juni 2015.

09-10-2014

De Minister voor BuHa-OS zal de Kamer vóór de begrotingsbehandeling per brief informeren over concrete mogelijkheden waarop Nederland kan bijdragen aan innovatie van noodhulp

AO Noodhulp d.d. 7 oktober 2014

Aan voldaan in brief DSH-666481/2014, verzonden op 18 november 2014

09-10-2014

De Minister voor BuHa-OS stuurt het rapport van het The Hague Institute for the Internationalization of Law over de justitiesector van Mali naar de Kamer, zodra dit rapport is afgerond

AO Speerpunten OS d.d. 7 oktober 2014

Aan voldaan in brief DSH-639912/2014, verzonden op 4 november 2014

09-10-2014

De Kamer ontvangt op zo kort mogelijke termijn een brief van de Minister voor BuHa-OS en de Minister van VWS over de maatregelen die in de hele keten worden genomen om ebola-besmettingen in Nederland te voorkomen

AO Ebola d.d. 8 oktober 2014

Aan voldaan door Min VWS op 21 oktober 2014 met kenmerk: 680897–128468-PG

09-10-2014

Nederlandse bijdrage (op het gebied van personeel, goederen, transportcapaciteit) om getroffen landen te helpen ebola te bestrijden

AO Ebola d.d. 8 oktober 2014

Aan voldaan in brief DSH-637835/2014, verzonden op 24 oktober 2014

09-10-2014

De Minister voor BuHa-OS informeert de Kamer vóór de begrotingsbehandeling per brief over het percentage kleine boeren dat door middel van ondersteuning van de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR) wordt bereikt

AO Speerpunten OS d.d. 7 oktober 2014

In behandeling

10-10-2014

Vóór de begrotingsbehandeling informeert de Minister voor BuHa-OS de Kamer over inzet/plannen voor het humanitaire spoor in Irak en Syrië

AO Nederlandse bijdrage aan coalitie tegen ISIS d.d. 2 oktober 2014

Aan voldaan in brief DVB/CV-231/2014, verzonden op 15 december 2014

10-10-2014

Vragen over aanvullende humanitaire hulp in Syrië

AO situatie Kobani d.d. 9 oktober 2014

Aan voldaan in brief DSH-693168/14, 3 december 2014

10-10-2014

De Kamer ontvangt een brief over de Nederlandse inzet voor de conferentie van 28 oktober a.s. in Duitsland over de opvang van vluchtelingen uit Syrië

AO situatie Kobani d.d. 9 oktober 2014

Aan voldaan in brief DSH-612074/2014, verzonden op 14 oktober 2014

17-10-2014

In EU pleiten voor opleggen aanvullende sancties en wapenembargo. Via EU kanaal trachten een VN wapenembargo te realiseren

AO UNMISS/Zuid-Sudan d.d. 15 oktober 2014

Aan voldaan in brief DAF-149612/2015, verzonden op 8 mei 2015

17-10-2014

Vóór de begrotingsbehandeling een schriftelijke toelichting op de financiële inzet/begroting van NL in Zuid-Sudan in 2015

AO UNMISS/Zuid-Sudan d.d. 15 oktober 2014

Aan voldaan in brief DSH-667323/2014, verzonden op 28 november 2014

17-10-2014

De Kamer regelmatig (iedere 4–6 maanden) een schriftelijke toelichting sturen over de NL inzet in Zuid-Sudan

AO UNMISS/Zuid-Sudan d.d. 15 oktober 2014

Aan voldaan in brief DAF-149612/2015, verzonden op 8 mei 2015

14-11-2014

De Minister voor BHOS zal de Tweede Kamer per brief informeren over verlenging van het rechtsstaatprogramma Kunduz.

AO Missie Resolute Support Afghanistan d.d. 14 november 2014

Aan voldaan in brief DSH-46913/2015, verzonden op 8 april 2015

14-11-2014

De Minister voor BHOS zal de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten van de Afghanistan-conferentie in Londen die plaatsvindt op 4 december 2014.

AO Missie Resolute Support Afghanistan d.d. 14 november 2014

Aan voldaan in brief DSH-13543/2015, verzonden op 26 januari 2015

19-11-2014

R stuurt de Kamer in het voorjaar van 2015 een brief over het bevorderen van een eerlijker, effectiever en coherenter belastingbeleid

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DDE-232574/2015, verzonden op 18 juni 2015

19-11-2014

Kamer uiterlijk in eerste helft 2015 informeren over mogelijkheden om het huidige instrumentarium op het gebied van exportfinanciering uit te breiden met faciliteiten als een directe exportfinanciering of een flexibele vorm van investeringsfinanciering

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

In behandeling

19-11-2014

De Minister voor BuHa-OS stuurt begin 2016 een eerste evaluatie van de pilot betaalde economische dienstverlening naar de Kamer

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

In behandeling

19-11-2014

De Minister voor BuHa-OS zal in de volgende brief over de post-2015 agenda ook een appreciatie geven van de geleerde lessen met betrekking tot de Millennium Development Goals (MDG’s).

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DMM-182870/2015, verzonden op 17 juni 2015

19-11-2014

De Minister voor BuHa-OS stuurt in voorjaar 2015 brief over invulling van het Accountability Fonds en de Innovatiefaciliteit en zal daarbij ook ingaan op de wijze waarop de gereserveerde financiële middelen voor de versterking van het maatschappelijk middenveld worden besteed

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief DSO/MO-244/2015 verzonden op 1 juli 2015

19-11-2014

De Kamer ontvangt uiterlijk in maart 2015 een brief over de bijdrage van de private sector aan klimaatfinanciering

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief IGG-153301/2015, verzonden op 13 april 2015

19-11-2014

De Minister voor BuHa-OS doet de Kamer per brief verslag van het gesprek dat zij begin volgend jaar zal hebben met de Speciale VN-Rapporteur voor het recht op voedsel, mevrouw Elver.

Begroting BuHOs d.d. 19 november 2014

Aan voldaan in brief IGG-279930/2015, verzonden op 4 juni 2015

05-12-2014

De Minister voor BuHa-OS informeert de Kamer in het eerste kwartaal van 2015 over de herschikking van OS-middelen voor Zuid-Sudan en mogelijkheden om binnen het bestaande budget OS-programma’s te intensiveren en daarbij specifiek te kijken naar jongeren

AO Nederlandse OS-inzet in Zuid-Sudan d.d. 4 december 2014

Aan voldaan in brief DAF-149612/2015, verzonden op 8 mei 2015

11-12-2014

De Minister voor BuHa-OS zal in de reguliere rapportages over ebola of op een ander moment de Kamer informeren over inzet en middelen voor de middellange en lange termijn ten behoeve van capaciteitsopbouw in de door ebola getroffen landen in West-Afrika

AO RBZ OS, d.d. 11 december 2014

Aan voldaan in brief DAF-155019/2015, verzonden op 3 april 2015

11-12-2014

Kamer ontvangt rapportage van Europese Commissie over de stand van zaken m.b.t. Europese begrotingssteun met daarin een cijfermatige uitsplitsing naar de verschillende modaliteiten (algemene begrotingssteun, sectorale begrotingssteun, stabiliteitssteun)

AO RBZ OS, d.d. 11 december 2014

Aan voldaan in brief DIE-41883/2015, verzonden op 9 februari 2015

11-12-2014

De Minister voor BuHa-OS zal de Kamer in het verslag van de bijeenkomst van de Australië Groep in februari 2015 informeren over de stand van zaken mb.t. het achterhalen van informatie over de inzet van door Nederland geleverde goederen in het Syrische wapenprogramma

AO Wapenexportbeleid d.d. 11 december 2014

In behandeling

11-12-2014

Kamer ontvangt een analyse van de geleerde lessen uit het onderhandelingsproces over de EPA’s, waarbij ook ingegaan zal worden op de inzet om Unie tot Unie (of regio tot regio) samenwerking te bevorderen

AO RBZ OS, d.d. 11 december 2014

In behandeling

25-02-2015

De Minister voor BuHa-OS stuurt vóór het zomerreces een brief naar Kamer met overzicht van uitgaande en inkomende economische missies. Tevens informeert zij de Kamer in deze brief over afwegingskader dat gehanteerd wordt voor prioriteitstelling van te bezoeken landen

AO Economische missies d.d. 25 februari 2015

In behandeling

25-02-2015

De Minister voor BuHa-OS informeert de Kamer samen met haar collega van EZ in de eerste rapportage over de StartupDelta over de wijze waarop het postennetwerk wordt ingezet om start-up's naar Nederland te halen

AO Economische missies d.d. 25 februari 2015

In behandeling

25-02-2015

De Minister voor BuHa-OS stuurt de Kamer z.s.m. een brief over de Nederlandse missie naar de IDEX wapenbeurs in Abu Dhabi (VAE)

AO Economische missies d.d. 25 februari 2015

Aan voldaan in Rapportage Economische Missies.

25-02-2015

De Minister voor BuHa-OS zal monitoren in hoeverre bedrijven zich daadwerkelijk aan de convenanten houden en eraan willen meewerken en zal de Kamer op ongeveer driekwart van het traject (over anderhalf jaar) per brief een impressie geven van de stavaza

AO IMVO d.d. 25 februari 2015

In behandeling

25-02-2015

De Kamer ontvangt vóór het zomerreces een eerste voortgangsrapportage Van de Sector Risico Analyse

AO IMVO d.d. 25 februari 2015

In behandeling

25-02-2015

De Minister voor BuHa-OS zal indien mogelijk op korte termijn het Actieplan verbetering steenkoolketen naar de Kamer sturen

AO IMVO d.d. 25 februari 2015

Aan voldaan in brief IMH-310297, verzonden op 25 juni 2015

25-02-2015

De Minister voor BuHa-OS informeert de Kamer per brief over de hoogte van de financiële bijdrage ter ondersteuning van het proces om tot een convenant te komen gericht op verbetering van de productieomstandigheden in de textielsector

AO IMVO d.d. 25 februari 2015

Aan voldaan in brief IMH-156869, verzonden op 18 juni 2015

25-02-2015

De Minister voor BuHa-OS stuurt, zodra mogelijk, maar in ieder geval vóór het zomerreces een voortgangsverslag naar de Kamer inzake de uitvoering van maatregelen gericht op genoegdoening voor slachtoffers van misstanden in de mijnbouwsector in Colombia

AO economische missies d.d. 25 februari 2015

Aan voldaan in brief IMH-310297, verzonden op 25 juni 2015

26-02-2015

De Kamer ontvangt bij aanvang van de training begin februari een brief over de opzet en de organisatie van de training in Irak en over de beoogde aantallen te trainen militairen. Zo mogelijk ontvangt de Kamer eveneens informatie over de inzet van MEDEVAC

AO Nederlandse inzet in strijd tegen ISIS d.d. 14 januari 2015

Aan voldaan in brief DBV/CV-014/2015, verzonden op 5 februari 2015

26-02-2015

De Kamer ontvangt in de eerstvolgende voortgangsrapportage nadere informatie over de trainingslocaties

AO Nederlandse inzet in strijd tegen ISIS d.d. 14 januari 2015

Aan voldaan in brief DVB-052/2015, verzonden op 7 april 2015

03-03-2015

De Minister voor BuHa-OS stuurt de Kamer eind deze maand een brief over de prioriteiten en effectiviteit van Nederlandse ontwikkelingssamenwerking met Zuid-Sudan

AO UNMISS d.d. 26 februari 2015

Aan voldaan in brief DAF-149612/2015, verzonden op 8 mei 2015

09-03-2015

R informeert de Kamer in een volgende IMVO-brief over de effectiviteit van het beleid inzake leefbaar loon

notaoverleg Initiatiefnota Van Laar over het verbieden van producten gerelateerd aan kinderarbeid d.d. 9 februari 2015

In behandeling

09-03-2015

De Kamer ontvangt in het najaar een kabinetsreactie op de resultaten van het onderzoek inzake de verankering van de zorgplicht van bedrijven t.a.v. MVO en mensenrechten (inclusief kinderarbeid) in de Nederlandse wetgeving

notaoverleg Initiatiefnota Van Laar over het verbieden van producten gerelateerd aan kinderarbeid d.d. 9 februari 2015

Aan voldaan in brief DMM-182870/2015, verzonden op 17 juni 2015

09-03-2015

De Kamer ontvangt omstreeks 12 juni a.s. een brief inzake de voortgang van de initiatieven die de Minister gaat nemen om de bestrijding van kinderarbeid in EU-verband te versterken

notaoverleg Initiatiefnota Van Laar over het verbieden van producten gerelateerd aan kinderarbeid d.d. 9 februari 2015

Aan voldaan in brief DMM-2015.304325, verzonden op 1 juli 2015

09-03-2015

De Minister voor BuHa-OS zal in het Verslag van de RBZ/Handelsraad van 25 maart a.s. rapporteren over de uitkomst van haar gesprek met Eurocommissaris Malmström

notaoverleg Initiatiefnota Van Laar over het verbieden van producten gerelateerd aan kinderarbeid d.d. 9 februari 2015

Aan voldaan in brief IMH-174108/2015, verzonden op 9 april 2015

11-03-2015

De Minister voor BuHa-OS zal een brief sturen aan de Europese Commissie met het verzoek om de prijsafspraken voor zonnepanelen met Chinese producenten opnieuw tegen het licht te houden

AO Informele RBZ Handel d.d. 11 maart 2015

Aan voldaan in brief MINBUZA-173526/2015, verzonden op 20 april 2015

12-03-2015

De Minister voor BuHa-OS zal in het verslag van de RBZ/Handel (25 maart) ook rapporteren over genoemde onderwerpen

AO Informele RBZ Handel d.d. 11 maart 2015

Aan voldaan in brief IMH-174108/2015, verzonden op 9 april 2015

02-04-2015

De Minister voor BuHa-OS informeert de Kamer in het verslag van de RBZ/OS over de stand van zaken m.b.t. de hervatting van de EU ontwikkelingshulp aan Zimbabwe, waarbij specifiek wordt ingegaan op de voorwaarden die worden gesteld aan het overmaken van

AO EU-Raad Ontwikkelingssamenwerking d.d. 11 maart 2015

Aan voldaan in brief DIE-137612/2015, verzonden op 23 maart 2015

02-04-2015

De Kamer ontvangt binnenkort een brief inzake de Nederlandse inzet m.b.t. ebola en post-ebola hulpverlening.

AO EU-Raad Ontwikkelingssamenwerking d.d. 11 maart 2015

In behandeling

02-04-2015

De Kamer ontvangt eind april een brief inzake de Nederlandse inzet m.b.t. de (inhoudelijke invulling van) de post-2015 ontwikkelingsdoelstellingen, waarbij ook ingegaan zal worden op de wijze waarop Nederlands zich inzet om beleidscoherentie te bevorderen.

AO EU-Raad Ontwikkelingssamenwerking d.d. 11 maart 2015

Aan voldaan in brief DMM-182870/2015, verzonden op 17 juni 2015

09-04-2015

De Kamer ontvangt (vóór het in juni geplande AO) een brief over de Nederlandse inzet bij de World Humanitarian Summit, waarin ook ingegaan zal worden op preventie, de positie van vrouwen en kinderen in humanitaire crisissituaties en de laatste ontwikke

AO Noodhulp d.d. 8 april 2015

Aan voldaan in brief DSH-285039/2015, verzonden op 4 juni 2015

09-04-2015

De Minister voor BuHa-OS zal de Kamer rapporteren over de uitkomst van de evaluatie van het optreden van de WHO in de ebola-crisis en de lessen die Nederland trekt uit de conclusies van deze evaluatie. Tevens zal de Minister de mogelijkheden nagaan om een IOB-evalu

AO Noodhulp d.d. 8 april 2015

Aan voldaan in brief DAF-155019/2015, verzonden op 3 april 2015

23-04-2015

De Minister voor BuHa-OS informeert de Kamer (per brief of anderszins) over de wijze waarop de belemmeringen die maatschappelijke organisaties ervaren bij het verkrijgen van toegang tot de beschikbare financiële instrumenten worden weggenomen

AO Maatschappelijke Organisaties en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 22 april 2015

Aan voldaan in brief DSO/MO-244/2015 verzonden op 1 juli 2015

23-04-2015

In de kabinetsbrief «Groene Groei» zal ook het onderwerp recycling (in relatie tot conflictgrondstoffen) worden meegenomen

AO Nederlandse inzet m.b.t. Natuurlijke Hulpbronnen en Conflictgrondstoffen d.d. 22 april 2015

Aan voldaan in Kabinetsbrief Tussenbalans Groene Groei, verzonden door het Ministerie van Economische Zaken op 18 juni 2015

23-04-2015

De Minister voor BuHa-OS informeert de Kamer per brief over mogelijkheden om bedrijven die EITI conform opereren voorrang te verlenen bij overheidsaanbestedingen.

AO Nederlandse inzet m.b.t. Natuurlijke Hulpbronnen en Conflictgrondstoffen d.d. 22 april 2015

In behandeling

23-04-2015

De Minister voor BuHa-OS informeert de Kamer per brief over de mogelijkheden om de reikwijdte van de EU-Verordening inzake Conflictgrondstoffen uit te breiden met halffabricaten

AO Nederlandse inzet m.b.t. Natuurlijke Hulpbronnen en Conflictgrondstoffen d.d. 22 april 2015

In behandeling

23-04-2015

In een volgende voortgangsbrief in het kader van de Sector Risico Analyse zal de Minister ook ingaan op ketens waarin sprake is van succesvolle zelfcertificering

AO Nederlandse inzet m.b.t. Natuurlijke Hulpbronnen en Conflictgrondstoffen d.d. 22 april 2015

In behandeling

01-05-2015

Verschillende opties besluitvormingsproces over TTIP + standpunt rol nationale parlementen en voorwaarden voorlopige toepassing vrijhandelsakkoord

AO RBZ/Handelsraad d.d. 30 april 2015

Aan voldaan in brief IMH-238263/2015, verzonden op 8 mei 2015

21-05-2015

Kabinetsappreciatie Adviescommissie Vreemdelingenzaken (ACVZ) over terugkeerbeleid wordt meegenomen in brief over intersivering middelen terugkeerbeleid

AO RBZ/OS d.d. 21 mei 2015

In behandeling

21-05-2015

Nederlandse inzet t.a.v. leefbaar loon en vraag of beleidsnota «Wat de Wereld Verdient» moet worden aangepast n.a.v. post-2015 agenda in de VN

AO RBZ/OS d.d. 21 mei 2015

Aan voldaan in brief DMM-182870/2015, verzonden op 17 juni 2015

26-06-2015

Kamer ontvangt uiterlijk woensdag 1 juli om 12.00 uur een brief over de situatie in Burundi en de consequenties voor nog lopende hulpprogramma’s

AO Burundi d.d. 25 juni 2015

Aan voldaan in brief DAF-334123, verzonden op 1 juli 2015

02-07-2015

Toezegging Rapporten over mogelijke financiering van spookscholen

AO Resolute Support Afghanistan

In behandeling

02-07-2015

Informeren over resultaten OS-inspanningen in Afghanistan

AO Resolute Support Afghanistan

In behandeling

03-07-2015

Kamer ontvangt bij de begrotingsbehandeling 2016 een overzicht van de verplichte en vrijwillige bijdragen aan multilaterale organisaties zoals voor de komende jaren geraamd, inclusief aanstaande pledge momenten

AO Multilaterale organisaties d.d. 1 juli 2015

In behandeling

03-07-2015

De Kamer ontvangt een appreciatie van de IOB-evaluatie multilaterale organisaties («beleidsdoorlichting/synthese-onderzoek multilaterale organisaties», eind 2016). R beziet of IOM kan worden meegenomen en of EOF kan worden betrokken.

AO Multilaterale Organisaties d.d. 1 juli 2015

In behandeling

03-07-2015

De Kamer ontvangt een brief waarin de Minister nader aangeeft met welke organisaties zij de samenwerking wil intensiveren of juist verminderen.

AO Multilaterale organisaties d.d. 1 juli 2015

In behandeling

BIJLAGE 3: SUBSIDIEOVERZICHT

Overzicht subsidies Hoofdstuk 17 Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Bedragen x 1.000 euro

Bedragen zijn gebaseerd op de kasramingen per individuele verplichting geregistreerd in het managementinformatiesysteem per 1 juni 2015. De toerekening van de geregistreerde subsidieverplichtingen aan de relevante subsidieregelingen is handmatig tot stand gekomen. Het managementinformatiesysteem registreert geen subsidieregelingen waardoor de koppeling van individuele susbsidies aan de van toepassing zijnde subsidieregeling vanuit het managementinformatiesysteem niet mogelijk is. Er wordt een voorbehoud gemaakt omtrent de juistheid en volledigheid van de gegevens opgenomen in onderstaand subsidieoverzicht.

Voor een aantal subsidieregelingen waarvan de uitvoering is uitbesteed was op moment van opstellen van het subsidieoverzicht nog niet bekend hoeveel verstrekking in 2014 hadden plaatsgevonden omdat deze informatie nog niet beschikbaar was.

Begrotingsartikel

Naam subsidieregeling + hyperlink naar vindplaats

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Aantal verleningen in 2014

Jaar laatste evaluatie + hyperlink naar vindplaats

Jaar volgende evaluatie

Einddatum subsidieregeling (jaartal)

17U0101

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

4.006

5.080

3.297

714

4

2007

2017

2019

17U0102

Transitiefaciliteit

2.558

3.533

31

n.v.t.

n.n.b.

2013

17U0102

2g@there non-ODA

2.764

2.342

63

2.585

23

n.vt.

n.n.b.

2015

17U0102

Finance International Business (FIB)

250

11.095

2

n.v.t.

2017

evaluatie DIO instrumen-tarium

2015

17U0102

Internationaal excelleren – Kennisverwerving, haalbaarheidsstudies en demonstratieprojecten

9.718

649

143

n.v.t.

2017

evaluatie DIO instrumentarium

2015

17U0102

Package4Growth

254

 

2.323

947

498

0

n.v.t.

2017

evaluatie DIO instrumentarium

2015

17U0102

Partners for International Business (PIB)

8.952

6.160

2.469

697

17

n.v.t.

2015

2019

17U0102

Programma strategische beurzen

59

1.941

0

n.v.t.

2017

evaluatie DIO instrumentarium

2015

17U0102

PSO

467

215

29

2014

n.n.b.

2015

17U0102

Starters International Business (SIB) – Internationaal ondernemen

5.667

642

1.646

1.000

n.v.t.

2017

evaluatie DIO instrumentarium

2017

17U0102

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

2.305

2.784

1.018

2

n.v.t.

2017

beleidsdoorlichting Nederlandse handels- en investeringspositie

2019

17U0103

PSD Apps

9.493

6.041

16.955

10.674

6.846

1.320

n.b

n.v.t.

n.v.t.

2015

17U0103

G-20 SME

350

1.128

423

3

n.v.t.

n.n.b.

2019

17U0103

IDF Infrastructuurfonds voor de MOL's

20.000

25.000

25.000

20.000

4

2009

2017

2019

17U0103

MASSIF

2.393

2.000

8.346

14.500

11.981

10.146

36

n.v.t.

n.n.b.

2019

17U0103

2g@there ODA

1.198

1.826

1.000

540

4

n.v.t.

2016

2019

17U0103

Duurzaam Ondernemen en voedselzekerheid

11.905

1.368

10.462

10.581

7.505

5.537

n.b.

2013

geen link

2018

2015

17U0103

Private sector investeringsprogramma (PSI) 2012–2015

32.305

26.675

22.029

11.835

3.810

4.702

2.283

n.b.

n.v.t.

2016

2014

17U0103

PSI Arabische regio 2012–2014

3.604

4.459

5.344

4.794

3.565

2.809

1.294

n.b.

n.v.t.

2016

2019

17U0103

PSOM 2007–2013

13.215

20.989

n.b.

2014

n.n.b.

2013

17U0103

Programma uitzending managers 2012–2015

9.882

5.168

4.858

n.b.

n.v.t.

n.n.b.

2015

17U0103

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

44.622

58.655

41.349

28.345

21.115

20.000

20.000

15

2014

n.n.b.

2019

17U0103

Transitiefaciliteit ODA

8.899

4.000

3.000

2.500

1.383

n.b.

n.v.t.

2015

2013

17U0104

Dutch Good growth Fund

45.809

46.000

40.000

30.000

13.191

0

n.v.t.

2015

tussentijdse evaluatie

2017

17U0201

Duurzaam Ondernemen en voedselzekerheid

1.472

10.838

0

2013

geen link

2016

2015

17U0201

Schoklandfonds

220

100

0

n.v.t.

2014

2012

17U0201

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

61.739

57.846

44.575

17.762

5.455

313

336

7

n.v.t.

2016

beleidsdoorlichting Voedselzekerheid en landbouwontwikkeling

2019

17U0202

Fonds Duurzaam Water (FDW)

7.992

20.339

9.175

7.750

12.544

4.941

4.868

n.b.

n.v.t.

2018

2014

17U0202

Ghana WASH Window

1.750

7.200

8.800

7.000

1.831

n.b.

n.v.t.

2018

2015

17U0202

Schoklandfonds

55

35

0

n.v.t.

2014

2012

17U0202

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

30.275

30.365

20.518

11.926

6.082

1.057

537

9

n.v.t.

2017

Beleidsdoorlichting Waterbeheer

2019

17U0203

Fonds Duurzame Biobrandstoffen Mondiaal

389

697

0

2013

geen link

n.v.t.

2010

17U0203

Daey Ouwens Fonds

4.660

0

2014

geen link

n.v.t.

2011

17U0203

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

16.384

25.043

38.111

34.636

29.550

1.566

1

n.v.t.

2015

beleidsdoorlichting « Hernieuwbare energie in ontwikkelingssamenwerking

2019

17U0301

Coordinatie en afstemming NGO inbreng

140

10

0

n.v.t.

n.v.t.

2012

17U0301

Fonds Keuzes en kansen

8.000

10.650

2.500

0

n.v.t.

2015

2014

17U0301

Fonds Product Developmentship 2011–2014

15.966

4.210

550

0

n.v.t.

2015

2011

17U0301

Key populations fonds

7.800

8.650

350

0

n.v.t.

2016

2011

17U0301

Kindhuwelijken fonfds

5.700

300

4

n.v.t.

n.n.b.

2014

17U0301

Opstap fonds

4.303

1.397

300

0

n.v.t.

2015

2012

17U0301

Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR)

35.581

33.317

6.026

322

0

n.v.t.

2016

2012

17U0301

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

27.991

35.611

13.238

4.409

2.974

818

10

2013

beleidsdoorlichting SRGR

2020

2019

17U0302

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

7.425

6.116

2.943

281

54

14

n.v.t.

2015

Beleidsdoorlichting genderbeleid

2019

17U0303

Medefinancieringsstelsel II

286.474

332.689

19.178

0

n.v.t.

2015

2011

17U0303

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

50.000

55.000

12.628

0

n.v.t.

2016

Beleidsdoorlichting maatschappelijk middenveld

2019

17U0303

Twinning Faciciliteit Nederland-Suriname

1.464

3.766

1.282

n.b.

2011

n.n.b.

2013

17U0303

Vakbondsmedefinancieringsprogramma 2013–2016

12.252

12.960

3.678

2.451

0

2008

n.n.b.

2012

17U0303

Programma Onderzoek en Innovatie

793

435

0

n.v.t.

n.v.t.

2010

17U0304

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

4.966

4.272

1.400

100

0

2011

n.v.t.

2019

17U0401

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

17.940

5.290

50

8

2013

studie verbinding noodhulp en ontwikkeling

2015

2019

17U0403

Fonds economische opbouw Uruzgan

836

0

   

2013

17U0403

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

26.880

16.607

11.697

5.190

1.925

15

   

2019

17U0403

Programma Politieke Partijen

11.765

2.635

1.600

0

n.v.t.

2016

2011

17U0403

Wederopbouw 2011

1.922

834

0

n.v.t.

2016

2011

17U0403

Wederopbouw 2012–2015

31.595

28.417

12.399

830

0

n.v.t.

2016

2012

17U0405

Strategische partners chronische crisis

12.250

5.696

1.304

7

n.v.t.

2017

2014

17U0405

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

20.400

69.153

20.213

17.663

1.800

10

n.v.t.

n.n.b.

2019

17U0501

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

1.883

1.283

2

n.v.t.

2016

synthese onderzoek UN organisaties

2019

17U0501

Kennis voor burgerschap en ontwikkelingssamenwerking

8.720

1.340

0

2014

n.n.b.

2011

17U0502

Programma Indonesie Faciliteit 2007–2015

497

0

n.v.t.

n.n.b.

2011

17U0502

Subsidiefaciliteit voor burgerschap en ontwikkeling (SBOS)

5.200

2.544

0

2014

n.n.b.

2011

17U0502

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

3.960

8.330

7.000

2.400

600

5

n.v.t.

n.n.b.

2019

17U0503

Migratie en ontwikkelingsprogramma 2013

1.374

1.223

343

169

0

n.v.t.

2018

beleidsdoorlichting migratie en ontwikkeling

2013

17U0503

Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006

354

346

168

4

n.v.t.

2018

beleidsdoorlichting migratie en ontwikkeling

2019

 

TOTAAL SUBSIDIE REGELINGEN

929.081

1.044.378

454.128

257.456

152.211

53.209

29.318

1.409

     

BIJLAGE 4: EVALUATIE- EN ONDERZOEKSTABEL

Bijlage evaluatie en overig onderzoek1 2 3

1

Duurzame handel en investeringen

Doelstelling

Titel

Start

Afronding

1a

beleidsdoorlichtingen

       
   

1.1

Versterkt internationaal handels-en investeringssysteem, incl. MVO

2017

2017

   

1.2

NL handels en investeringspositie

2017

2017

   

1.3

Op zoek naar focus en effectieviteit -Beleidsdoorlichting van de Nederlandse inzet voor private sector ontwikkeling 2005–2012

 

2014

   

1.4

DGGF

 

2019

1b

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

       
   

1.1

Effecten van integratie van hulp, handel en investeringen in 2 partnerlanden (bv. Ethiopië en Oeganda)

 

2016

   

1.1

NCP Oeso richtlijnen multinationals

 

2015

   

1.2

Netherlands Business Support (NBSO) netwerk

2013

2014

   

1.2

Handel & Hulp

 

2014

   

1.2

Evaluatie PIB

 

2015

   

1.2

Economische diplomatie (incl. uitkomsten evaluaties DIO instrumentarium)

 

2016

   

1.2

Evaluatie DIO instrumentarium: SIB, DHK, Faciliteit voor NL Handel, FIB en FOM

2016

2017

   

1.3

Investment Climate Facility for Africa

2013

2013

   

1.3

Health Insurance Fund

 

2015

   

1.3

ORET

2013

2015

   

1.3

FMO-MASSIF (Access to Finance)

2015

2015

   

1.3

CBI (Importbevordering uit OS-landen)

2014

2015

   

1.3

PSI (Private Sector Investeringen)

 

2016

   

1.3

DECP (Employers Cooperation Prog.)

 

2017

   

1.3

FMO-IDF (Infrastructure Development Fund)

 

2017

   

1.3

Faciliteit Duurzaam ondernemen (FDOV) (en voedselzekerlheid)

 

2018

   

1.3

TradeMark East Africa

 

2018

   

1.3

ORIO (publieke infrastructuur)

 

2018

3

Overig onderzoek

       
   

1.1

Systematic review MVO

 

2013

   

1.1

Bilaterale belastingverdragen

 

2014

   

1.1

Coherentie (pilot)

 

2014

   

1.1

Sectorrisico analyse voor MVO-risico’s

 

2014

   

1.1

Effecten TTIP op lage inkomenslanden

 

2014

   

1.1

Directe investeringen: UNCTAD- studie rol Nederlandse IBO’s

 

2014

   

1.1

Directe investeringen: modernisering IBO-beleid

 

2014

   

1.1

Effecten EPA's

 

2014

   

1.1

Onderzoek naar MVO sectorconvenanten

 

2014

   

1.2

Holland Branding

 

2013

   

1.2

Bijdrage aan evaluatie Topsectorenbeleid

 

2016

   

1.3

Publiek Private Partnerschappen

 

2013

   

1.3

FMO-A

2013

2014

   

1.3

Schoklandakkoorden

2013

2014

   

1.3

International Centre for Trade & Sustainable Development (ICTSD)

 

2015

   

1.3

Aid for Trade

 

2015

   

1.3

Review evaluatieprotocol CBI + PUM

 

2016

   

1.4

Tussentijdse evaluatie DGGF

 

2015

X Noot
1

De begroting van BZ is in 2013 opgesplitst in de begroting van BZ (Hfst. 5) en BHOS (Hfst. 7). Er zijn toen nieuwe beleidsartikelen en beleidsdoelstellingen geformuleerd. Beleidsdoorlichtingen van voor dat jaar zijn in deze tabel met terugwerkende kracht over de nieuwe beleidsdoelstellingen verdeeld.

X Noot
2

Bij BZ en BHOS is het wel de wens om beleidsdoorlichtingen van één beleidsartikel uit te voeren maar inhoudelijk is dat nog niet mogelijk gebleken. Beleidsdoorlichtingen vinden plaats op één niveau lager namelijk van de beleidsdoelstellingen. Waar mogelijk worden combinaties gemaakt.

2

Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

Doelstelling

Titel

Start

Afronding

1a

Beleidsdoorlichtingen

       
   

2.1

Voedselzekerheid & landbouwontwikkeling

 

2016

   

2.2

Waterbeheer

2014

2017

   

2.3

Hernieuwbare energie in ontwikkelingssamenwerking

2012

2015

1b

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

       
   

2.1

Initiatief Duurzame Handel

2014

2014

   

2.1

Programma Ondersteuning Producentenorganisaties (POP) inclusief Agriterra

 

2015

   

2.1

Solidaridad

 

2015

   

2.1

Voedselzekerheid & landbouwontwikkeling

 

2016

   

2.1

Global Alliance for Improved Nutrition (GAIN)

 

2016

   

2.1

Geodata for Agriculture & Water

 

2017

   

2.1

Faciliteit (Duurzaam Ondernemen en) Voedselzekerheid (FDOV)

 

2018

   

2.2

Aqua for all progr. «Building bridges connecting water»

 

2013

   

2.2

Effectenonderzoek landbouw irrigatieprograma (Bangladesh, Indonesie)

 

2016

   

2.2

Fonds Duurzaam Water (FDW)(+ Ghana Wash window)

 

2018

   

2.3

Fonds Duurzame Biomassa Mondial

 

2013

   

2.3

Daey Ouwens Fonds

 

2014

   

2.3

Energieactiviteiten in Indonesië

 

2014

   

2.3

Energieactiviteiten in Rwanda

 

2014

   

2.3

Energising Development (EnDevII)

 

2014

   

2.3

FMO-AEF (Access to Energy Fund)

 

2015

3

Overig onderzoek

       
   

2.3

Systematic review hernieuwbare energie

 

2013

   

2.3

Studie evalueerbaarheid klimaatbeleid

 

2016

3

Sociale vooruitgang

Doelstelling

Titel

Start

Afronding

1a

beleidsdoorlichtingen

       
   

3.1

Balancing Ideals with Practice – Policy Evaluation of Dutch Involvement in Sexual and Reproductive Health and Rights (2007–2012)

2012

2013

   

3.2

Genderbeleid

2013

2015

   

3.3

Maatschappelijk Middenveld

 

2016

1b

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

       
   

3.1

Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (o.a. Nicaragua, Mali, Bangladesh)

 

2013

   

3.1

Fonds Product Development Partnerships

 

2015

   

3.1

Keuzes en Kansen

 

2015

   

3.1

Key Population Fund

 

2016

   

3.1

SRGR Fonds 2013–2015

 

2016

   

3.2

Evaluatie gender-programma’s (MDG3 fonds, nationale actieplannen n.a.v. VN VR 1325; activiteiten gericht op bestrijding geweld tegen vrouwen)

 

2015

   

3.2

FLOW (2011–2015)

 

2016

   

3.2

Women in the Frontline

 

2016

   

3.3

Useful Patchwork, Direct financing of local NGO's

 

2014

   

3.3

Between ambitions and ambivalence (SNV)

 

2014

   

3.3

Investeren in wereldburgerschap (NCDO)

 

2014

   

3.3

Policy Influencing, Lobbying & Advocacy (PILA)

 

2015

   

3.3

MFS 2

 

2015

   

3.3

Subsidie burgerschap en OS

 

2016

   

3.4

European Centre for Development Policy Management

 

2016

3

Overig onderzoek

       

4

Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Doelstelling

Titel

Start

Afronding

1a

beleidsdoorlichtingen

       
   

4.1

Humanitaire Hulp

2013

2015

   

4.3

Op zoek naar nieuwe verhoudingen – Evaluatie van het Nederlandse buitenlandbeleid in Latijns-Amerika

2012

2013

   

4.3

Investeren in stabiliteit. Het Nederlandse fragiele statenbeleid doorgelicht

2012

2013

   

4.3

Rechtstaatontwikkeling, democratisering en corruptiebestrijding

2013

2016

1b

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

       
   

4.1

Early Recovery Faciliteit

 

2016

   

4.1

Relief Fund

 

2018

   

4.2

BIV (overgedragen aan MinDef)

 

2016

   

4.3

Fonds politieke partijen

 

2016

   

4.3

Wederopbouwfonds

 

2016

   

4.3

Chronische crisis

 

2017

3

Overig onderzoek

       
   

4.1

Van noodhulp naar wederopbouw

 

2013

5

Versterkte kaders voor ontwikkeling

Doelstelling

Titel

Start

Afronding

1a

beleidsdoorlichtingen

       
   

5.1

Synthese onderzoek UN organisaties

 

2016

   

5.2

Begrotingssteun: Resultaten onder voorwaarden

 

2013

   

5.3

Migratie en Ontwikkeling

 

2018

1b

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

       
   

5.1

Nederlandse inzet bij de Wereldbank

 

2013

   

5.2

Radio Nederland Wereldomroep

 

2015

   

5.2

Exit strategieën

 

2015

   

5.2

Palestijnse gebieden

 

2016

3

Overig onderzoek

       
   

5.1

Multilateral Effectiveness Review Unicef

 

2013

   

5.1

Multilateral Effectiveness Review UN Women

 

2015

   

5.1

Multilateral Effectiveness Review UNHCR

 

2015

   

5.2

Systematic review Migratie en ontwikkeling

 

2016

BIJLAGE 5 LIJST VAN AFKORTINGEN

ACS

Association of Caribbean States

AEF

Access to Energy Fund

AgNL

Agentschap Nederland

AIM

Amsterdam Initiative against Malnutrition</