Vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidieverlening Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Indonesiëfaciliteit)

Besluit van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking van 4 december 2006, nr. DAO 0894/06, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Indonesiëfaciliteit)

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en artikel 8.3 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 8.3 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van de bilaterale samenwerking met Indonesië gelden voor het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2011 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

Subsidieverlening geschiedt jaarlijks met toepassing van artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Aanvragen waarvan aannemelijk is dat zij, vergeleken met de overige aanvragen, de hoogste bijdrage zullen leveren aan het realiseren van de doelstellingen, genoemd in artikel 8.3 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006, zoals uitgewerkt in de de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels, komen het eerst voor subsidieverlening in aanmerking.

Artikel 3

Voor subsidieverlening gedurende het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 geldt een subsidieplafond van € 3.628.000. Aanvragen om subsidie ten laste van dit plafond kunnen vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 1 mei 2007 worden ingediend.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2012.

Dit besluit wordt met de daarbij behorende bijlage in de Staatscourant geplaatst.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze:
de Directeur-GeneraalInternationale Samenwerking, R.J. Treffers.

Bijlage

Beleidsregels Indonesiëfaciliteit

Artikel 1

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

a. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt;

b. Nederlandse kennisinstellingen: onderwijsinstellingen als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs alsmede instellingen voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de overige mede met publieke middelen gefinancierde onderzoeksinstituten alsmede andere instellingen, niet zijnde ondernemingen, die voor de toepassing van deze beleidsregels als kennisinstelling kunnen worden aangemerkt;

c. samenwerkingsverband: een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, waartoe bij voorkeur één Nederlandse en één Indonesische kennisinstelling behoort;

d. project: een geheel van activiteiten gericht op de overdracht en uitwisseling van kennis en vaardigheden in het kader van capaciteitsversterking ter bevordering van stabiliteit en veiligheid in maatschappelijke, economische en ecologische zin, en het bevorderen van het investeringsklimaat voor duurzaam ondernemen. De projectduur bedraagt minimaal één en maximaal 3 jaar. Haalbaarheidstudies, fundamenteel onderzoek, investeringen in onroerend goed en infrastructurele werken, garanties, leningen en kredieten zijn geen project in de zin van deze beleidsregels.

Artikel 2

1. De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van projecten verricht in een samenwerkingsverband, indien:

a. het project strekt tot of dienstig is aan de bevordering van de sociale en politieke banden en de economische samenwerking tussen Nederland en Indonesië en aansluit bij het door de minister gevoerde beleid inzake de internationale betrekkingen, en

b. het project wordt uitgevoerd in samenhang met activiteiten die worden uitgevoerd door een of meerdere in Indonesië gevestigde en niet tot de groep van de ondernemer of een deelnemer in het samenwerkingsverband behorende personen of rechtspersonen.

2. Subsidie kan slechts worden verleend aan één van de partijen in het samenwerkingsverband die over rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht beschikt en in Nederland is gevestigd, onverminderd artikel 4 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Op deze subsidieontvanger rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, onverschillig welk van de partijen in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

3. Geen subsidie wordt verstrekt:

a. indien voor het project reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken rechtstreeks of middellijk subsidie is verstrekt;

b. indien de aanvrager vóór het indienen van de aanvraag ter zake van het project reeds verplichtingen is aangegaan;

c. voor zover op grond van deze regeling subsidie zou worden verstrekt aan een aanvrager die een onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 1, onder a, van verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimis-steun (PbEG L 10);

d. indien, door een of meer bestuursorganen, aan een aanvrager die een onderneming in stand houdt in de drie aan de aanvraag voorafgaande jaren reeds € 100.000 of meer aan steun is verstrekt zonder goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 3

1. De subsidie bedraagt ten hoogstel 80 procent van de projectkosten, maar niet meer dan € 600.000 per aanvraag. De eigen bijdrage van de deelnemers in het samenwerkingsverband bedraagt ten minste 20 procent.

2. Indien de aanvrager een ondernemer is, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd voor zover dit samen met in de drie voorafgaande jaren door een bestuursorgaan aan de aanvrager verstrekte steun waarvoor geen goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen was verkregen, meer bedraagt dan € 100.000.

3. Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander Nederlands bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, komt het projectvoorstel niet voor subsidie in aanmerking

Artikel 4

1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door een of meer van de partijen in het samenwerkingsverband gemaakte en betaalde kosten:

a. Voor de inzet van personen vindt een genormeerde vergoeding plaats op basis van werkelijke salariskosten (conform de lijst die onderdeel uitmaakt van de inhoudelijke en financiële richtlijnen voor het opstellen van een projectvoorstel);

b. internationale reiskosten;

c. daily subsistence allowance (DSA);

d. binnenlandse reiskosten;

e. diverse projectgerelateerde kosten;

f. hardware en direct gerelateerde diensten;

g. diensten;

h. maximaal 7,5% van de posten a tot en met g voor 'overhead';

i. onvoorzien met een maximum van 5% van de posten a tot en met d.

2. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

3. BTW komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 5

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld formulier.

2. Voorzover de subsidieaanvraag strekt tot bekostiging van activiteiten verricht door andere deelnemers aan het samenwerkingsverband dan de subsidieaanvrager zelf, blijkt daarvan uit de subsidieaanvraag, onder aanduiding van de desbetreffende partijen en de daarmee gemoeide bedragen.

3. De aanvraag omvat mede een omschrijving van de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden en van de wijze waarop de besluitvorming is georganiseerd. De aanvraag omvat voorts een overeenkomst tussen partijen waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld en op grond waarvan de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd.

Artikel 6

De minister kan afwijzend op een aanvraag beschikken indien:

a. de geraamde projectkosten minder bedragen dan € 125.000;

b. het onaannemelijk is, dat het project binnen 3 jaar kan worden voltooid;

c. gegronde vrees bestaat dat de deelnemers het project niet kunnen financieren;

d. naar het oordeel van de minister niet zonder voorafgaande notificatie als bedoeld in artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag voldoende zekerheid kan worden verkregen omtrent de verenigbaarheid van de voorgenomen subsidieverlening met artikel 87 EG-Verdrag.

Artikel 7

De minister rangschikt de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan de doelstellingen, genoemd in artikel 8.3 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006, zoals uitgewerkt in deze beleidsregels. Daarbij spelen de volgende criteria een rol:

a. de duurzaamheid van het project;

b. de vraaggestuurdheid van het project;

c. de mate waarin de projectactiviteiten zijn gericht op kennisontwikkeling- en overdracht;

d. de disseminatie van projectresultaten, spin-off;

e. de kwaliteit van het projectplan en het operationeel plan;

f. de kwaliteit van de projectorganisatie.

Artikel 8

1. Met het oog op de vaststelling van de rangschikking, bedoeld in artikel 7, legt de minister de aanvragen voor advies voor aan een adviescommissie.

2. De commissie bestaat uit tenminste vier leden die deskundig zijn op het werkterrein van de commissie. De minister benoemt de voorzitter, tevens lid, en de overige leden voor een door de minister te bepalen duur, met dien verstande dat tenminste de helft van de leden, waaronder de voorzitter, niet werkzaam is bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De minister voorziet in het secretariaat van de commissie.

3. Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij het ingediende projectvoorstel.

4. De commissie voegt aan haar adviezen een deugdelijke motivering toe.

Toelichting

Algemeen

Doel

De onderhavige beleidsregels behelzen de voortzetting van het Programma Bilaterale Samenwerking Indonesië (PBSI) onder de naam Indonesië Faciliteit (INDF). De voortzetting vloeit voort uit enerzijds de aanbevelingen uit de evaluatie van het PBSI en anderzijds actuele aansluiting op de beleidsnotitie ‘Indonesië; vormgeving van een bilaterale samenwerkingsrelatie met Indonesië voor de periode 2006–2010’, die op 13 juni 2006 is aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerst. II, 2005/06, 26049, nr. 51).

Het INDF draagt bij aan de bestendiging en verdere ontwikkeling van de democratische rechtsstaat in Indonesië door bilaterale activiteiten te ondersteunen die verbetering beogen van de Indonesische staatsinstellingen, semi-overheidsinstellingen, non-profit organisaties en activiteiten van het bedrijfsleven zonder winstoogmerk. Prioriteit daarbij heeft het verbeteren van de capaciteit en deskundigheid van deze instellingen en organisaties door de overdracht van Nederlandse expertise naar bovengenoemde Indonesische counterparts. De activiteiten dienen gericht te zijn op Human Resource Development (HRD)/capaciteitsversterking. Onder HRD/capaciteitsversterking wordt in het kader van de Indonesië-faciliteit verstaan: het geheel van activiteiten gericht op overdracht en uitwisseling van kennis en vaardigheden, inclusief de ontwikkeling van kennisinfrastructuur, teneinde bij te dragen aan een structurele verdieping, verbreding en versterking van de inzetbaarheid van werknemers in uiteenlopende bestuurlijke, productieve of dienstverlenende sectoren. Daarbij wordt in het bijzonder ingezet op onderwijs, training, kennisoverdracht, technologische vernieuwing en ontwikkeling van netwerken. Tijdens de projectfase dienen de innovatieve, nieuwe of aangepaste werkwijzen duidelijk en breed gecommuniceerd en geïnformeerd te worden in de Indonesische context, verder dan de directe reikwijdte van het project. De elementen ‘sociale transformatie’, ‘goed bestuur’ en ‘capaciteitsopbouw’ dienen nauwkeurig gedefinieerd te worden waarbij de legitimiteitsdimensie, dat wil zeggen het vermogen om bij te dragen aan een politiek en institutioneel klimaat waarin mensenrechten, democratische principes en de ‘rule of law’ bestendigd danwel verder ontwikkeld worden, zoveel mogelijk expliciet dient te worden beschreven en aandacht krijgt in de uitvoeringsfase.

De bijdrage van het project aan armoedebestrijding wordt eveneens concreet en herkenbaar beschreven.

Doelgroep en thema’s

Tot de doelgroep van INDF behoren zowel Nederlandse kennisinstellingen, NGO’s en ondernemingen. Onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse partij kan ook niet-Nederlandse expertise bij de activiteiten betrokken worden. De thema’s zijn de bevordering van stabiliteit en veiligheid in maatschappelijke, economische en ecologische zin en de bevordering van het investeringsklimaat door te werken aan een aantrekkelijk duurzaam ondernemersklimaat.

De sectoren zijn goed bestuur, waterbeheer, onderwijs, landbouw, infrastructuur, milieu en een duurzaam investeringsklimaat. Bevordering van begrip tussen religies en ondersteuning van gematigde Islam is een specifiek thematisch onderdeel binnen de INDF.

Uitvoering

INDF wordt namens de Minister van Ontwikkelingssamenwerking uitgevoerd door het agentschap EVD, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Economische Zaken voor internationaal ondernemen en samenwerken. Met het oog op de beoordeling van de aanvragen wint de minister het advies van een gemengd samengestelde commissie van deskundigen in.

Administratieve lasten

Met het oog op een beperking van de administratieve lasten hebben potentiele subsidieaanvragers de mogelijkheid om voorafgaande aan het indienen van een aanvraag aan EVD een (niet bindend) advies te vragen (Quick scan) met betrekking tot de mogelijkheden om voor subsidieverstrekking in het kader van deze beleidsregels in aamerking te komen. Het gegeven advies is geheel vrijblijvend, kan geen in rechte te honoreren verwachtingen wekken en is geen besluit gericht op rechtsgevolg. Mocht de aanvraag ondanks een negatief advies toch een aanvraag willen indienen dan bestaat daartoe geen enkele belemmering. Een nadere uiteenzetting van de ’Quick scan’ wordt gegeven op de EVD-website (www.evd.nl/indf) en onder artikel 7 van deze nota van toelichting.

Staatssteun

De regeling is niet gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 88 van het EG-Verdrag omdat gekozen is voor een ‘de minimis’-regeling. Als gevolg van verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun (Pb EG L 10), behoeven steunmaatregelen niet op grond van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag te worden gemeld, indien het totale steunbedrag dat aan een onderneming is verleend niet hoger is dan € 100.000 over een periode van drie jaar. De regeling voldoet aan de eisen van deze verordening. De individuele subsidiebeschikkingen zullen mede op steunaspecten worden getoetst. Zie voorts de toelichting bij de artikelen 2 en 6.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Op grond van deze beleidsregels kan een subsidie worden verstrekt voor projecten verricht in het kader van een internationaal samenwerkingsverband waarbij het geheel van activiteiten is gericht op de overdracht en uitwisseling van kennis en vaardigheden in het kader van capaciteitsversterking ter bevordering van stabiliteit en veiligheid in maatschappelijke, economische en ecologische zin, en het bevorderen van het investeringsklimaat voor duurzaam ondernemen. Deze thema’s kunnen met de volgende activiteiten in Indonesië nader worden ingevuld:

– Capaciteitsversterking van de politie gericht op handhaving van de openbare orde, corruptiebestrijding, handhaving mensenrechten, tegengaan illegale houtkap, etc.

– Versterking van civiel-militaire capaciteit ten behoeve van verbeterde expertise binnen en buiten de strijdkrachten over het functioneren van de strijdkrachten in een democratische rechtsstaat.

– Capaciteitsversterking van democratische, controlerende instituties zoals de Algemene Rekenkamer, Ombudsman en andere instanties. Steun aan politieke partijen en politieke belangengroepen is uitgesloten.

– Capaciteitsversterking van juridische instituties ter bevordering van een modern, transparant en effectief rechtssysteem.

– Capaciteitsversterking van onderwijsinstituties ter bevordering van een modern en effectief onderwijssysteem. Hierbij valt ook te denken aan versterking van de gematigde islam.

– Capaciteitsversterking van landbouw-, milieu- en MKB-organisaties ter praktische bevordering van een stabiele, veilige en duurzame ecologische omgeving. Hieronder valt onder meer het vormen van partnerschappen.

– Capaciteitsversterking van infrastructurele organisaties, specifiek op het terrein van (spoor)wegen, (lucht)havens, waterwerken, energie en telecommunicatie.

– Capaciteitsversterking van economische en handelsinstanties gericht op het verbeteren van het economische beleid, zoals Centraal Bureau voor de Statistiek, Sociaal Economisch Planbureau en de Kamer van Koophandel, waarbij de voorkeur uitgaat naar activiteiten op decentraal niveau.

Projecten moeten worden uitgevoerd door een internationaal samenwerkingsverband. Tot het samenwerkingsverband behoren bij voorkeur één Nederlandse en één Indonesische kennisinstelling. Nederlandse ondernemers kunnen alleen in combinatie met een Nederlandse kennisinstelling een aanvraag indienen. Het participerend bedrijfsleven dient aan te tonen dat geen winstoogmerk is verbonden aan zijn activiteiten binnen het samenwerkingsverband.

De definitie van Nederlandse kennisinstellingen omvat de universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), de onderwijsinstellingen, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs alsmede de geheel of gedeeltelijk met overheidsgelden gefinancierde onderzoeksinstituten, voor zover niet reeds bedoeld in de WHW, zoals de grote technologische instituten, TNO, NWO e.d. De opsomming van kennisinstellingen is niet uitputtend: andere, niet als onderneming functionerende instellingen die relevante en kwalitatief evenwaardige onderwijs- of onderzoeksactiviteiten ontplooien kunnen eveneens als Nederlandse kennisinstelling in de zin van deze beleidsregels worden aangemerkt.

Nederlandse vakdepartement en(semi)overheidsinstellingen die deel uitmaken van de rechtspersoon Staat der Nederlanden en derhalve niet door een onderdeel van diezelfde rechtspersoon gesubsidieerd kunnen worden, kunnen expertise in het samenwerkingsverband inbrengen, doch niet zelf als aanvrager optreden. In dit geval komen alleen de internationale reis en verblijfskosten als genoemd onder artikel 4 lid b, c en d voor vergoeding in aanmerking. Daarnaast bestaat de optie om de eigen inbreng ten laste van de eigen bijdrage te brengen

Projectvoorstellen die aansluiten bij het beleid van meer dan één Nederlands vakdepartement ten aanzien van Indonesië verdienen de voorkeur.

Artikel 2. Ingangseisen

De aanvraag dient door een Nederlandse deelnemer te worden ingediend. Per samenwerkingsproject kan er slechts één subsidieaanvrager zijn. Deze subsidieontvanger is jegens de minister ten volle aansprakelijk voor de naleving van alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ook indien de subsidie mede strekt tot bekostiging van andere partijen in het samenwerkingsverband dan de aanvrager. Indien de minister zich genoopt ziet tot gehele of gedeeltelijke terugvordering van de subsidie zal een terugvorderingsactie gericht zijn tegen de subsidieontvanger. Of en hoe deze partij de daarmee gemoeide bedragen kan verhalen op de overige deelnemers in het samenwerkingsverband is een aangelegenheid van de samenwerkingspartners, waar de subsidieverlener geen bemoeienis mee heeft. In de samenwerkingsovereenkomst dienen de partners afspraken neer te leggen die de nakoming van de verplichtingen van de subsidieaanvrager/ontvanger jegens de minister waarborgen.

De subsidie kan niet samenlopen met een andere krachtens de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken verleende subsidie. Artikel 2, derde lid, bevat een anti-cumulatieregeling ter zake.

Aan onderdeel b van het derde lid van artikel 2 ligt de gedachte ten grondslag, dat alleen subsidie gegeven kan worden voor projecten waarvan mag worden aangenomen dat zij zonder subsidie niet tot stand zullen komen. Dat is kennelijk niet het geval indien een aanvrager reeds vóór de aanvraag verplichtingen heeft aangegaan ter zake van de uitvoering van het project.

De onderdelen c en d van het derde lid van artikel 2 zijn opgenomen in verband met Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimis-steun (PbEG L 10) (hierna: de minimis-verordening). Deze verordening bepaalt dat steunmaatregelen niet op grond van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag gemeld behoeven te worden, indien het totale niet-goedgekeurde steunbedrag dat aan een onderneming is verleend niet hoger is dan € 100.000 over een periode van drie jaar. De minister dient er op grond van artikel 2, derde lid, onder d, op toe te zien dat een ondernemer (al dan niet deel uitmakend van een samenwerkingsverband) in de zin van deze regeling gedurende een periode van drie jaar in totaal niet meer dan € 100.000 aan subsidie ontvangt. Om aan deze plicht te kunnen voldoen dient de minister alle niet-goedgekeurde steunmaatregelen, niet alleen die ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, maar ook die van andere bestuursorganen, bij elkaar op te tellen. Hiertoe bevat het aanvraagformulier voorschriften. Artikel 2, derde lid, onder c, verwijst naar artikel 1, onder a, van de de-minimisverordening. Van de toepassing van deze verordening zijn namelijk enkele sectoren uitgesloten die zijn genoemd in artikel 1, onder a, van die verordening: de vervoersector en de productie, verwerking of verhandeling van landbouw-, visserij- en aquacultuurproducten.

Artikel 3. Subsidiebedrag

De subsidie bedraagt maximaal 80 procent van de totale projectkosten. De eigen bijdrage van de projectpartners dient derhalve minimaal 20 procent te bedragen waarbij de minister er waarde aan hecht dat de eigen bijdrage zoveel mogelijk gelijk wordt verdeeld over de Nederlandse en Indonesische deelnemers in het samenwerkingsverband. De subsidie dient minimaal 50 procent van de totale projectkosten te bedragen.

Voor de toepassing van het derde lid wordt een vermindering van af te dragen belasting in verband met speur- of ontwikkelingswerk niet als subsidie beschouwd. Onder subsidies worden geen garanties, leningen en kredieten verstaan. Haalbaarheidsstudies, fundamenteel (wetenschappelijk) onderzoek, op zichzelf staande fondswervende activiteiten en investeringen in onroerend goed en infrastructurele werken komen niet voor subsidiëring in aanmerking. Steun aan politieke partijen en politieke belangengroepen is uitgesloten.

Artikel 4. Projectkosten

In dit artikel is een omschrijving van de projectkosten opgenomen, die in aanmerking worden genomen bij de toepassing van artikel 3. Voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd wordt geen subsidie verleend. Als gevolg van artikel 4:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijven deze kosten bij de subsidievaststelling buiten beschouwing.

Voor de inzet van personen vindt een genormeerde vergoeding plaats op basis van werkelijke salariskosten (conform de lijst die onderdeel uitmaakt van de inhoudelijke en financiële richtlijnen voor het opstellen van een projectvoorstel) waarbij over het totaal van de begroting kan worden opgenomen:

– maximaal 7,5% voor overhead

Eventuele eerder gemaakte tariefafspraken met de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking zijn voor dit programma niet van kracht.

Iedere deelnemer moet een recent Curriculum Vitae en een recente loonstaat overhandigen bij het indienen van het projectvoorstel. Voor deelnemers van Indonesische organisaties geldt dat als geen recente loonstaat overhandigd kan worden, een verklaring van de salarisadministratie, goedgekeurd door een accountant overhandigd moet worden.

Voor trainees, vrijwilligers of gelijksoortige deelnemers geldt een maximaal tarief per werkdag per persoon van € 50 in het thuisland en € 36 in het buitenland. Voor deelnemers die tijdelijk werkloos zijn, gepensioneerd zijn of een tijdelijk verminderd inkomen hebben, geldt een maximum tarief gebaseerd op het DGIS-systeem en het laatst verdiende salaris.

Internationale reiskosten (Post: International Travel Expenses)

Het budget voor vliegreizen tussen Nederland en Indonesië is gebaseerd op Economy Class tarieven.

Daily Subsistence Allowance (DSA)

Verblijfskosten worden berekend op basis van DSA tarieven van de Verenigde Naties in USD die de EVD publiceert op www.evd.nl/indf. DSA wordt berekend op basis van de daadwerkelijk in het buitenland doorgebrachte nachten. De maximum DSA vergoeding komt overeen met het aantal dagen dat is doorgebracht in het buitenland vermenigvuldigd met de DSA tarieven van de Verenigde Naties. De DSA vergoeding, of de vergoeding zoals bepaald door de EVD, is een lump sum vergoeding voor logieskosten, maaltijden, kleine uitgaven en lokale reiskosten. De DSA vergoeding is een maximale vergoeding. Voor logies langer dan 6 maanden stelt de EVD het tarief vast. De EVD vergoedt DSA in EUR, gebruikmakend van een vaste USD wisselkoers. De door de EVD gepubliceerde DSA tarieven of vastgestelde tarieven gelden voor de gehele duur van het project.

Binnenlandse reiskosten (Post: Domestic Travel Expenses)

Binnenlandse reiskosten omvatten kosten voor lange afstanden en transitkosten. Lange afstandskosten zijn transportkosten tussen twee of meer steden of regio's. Transit kosten zijn reiskosten tussen twee luchthavens waarvoor niet gevlogen wordt en kosten van de luchthaven naar het hotel en vice-versa. Wanneer bij lange afstandskosten gebruik gemaakt wordt van vervoer per eigen auto, worden kosten vergoed op basis van de maximale belastingvrije kilometervergoeding in Nederland.

Diverse projectgerelateerde kosten (Post: Miscellaneous)

Hieronder vallen kosten voor visa en inentingen, bankkosten, tolk- en vertaalkosten, kosten voor seminars en workshops, en accountantskosten in verband met de door de EVD verlangde accountantsverklaring(en) in het kader van het project. Per accountantsverklaring wordt een lump sum van € 2.500 vergoed.

Hardware en direct gerelateerde diensten (Post: Delivery of Goods and directly related Services)

Bij de toerekening van de kosten van machines en apparatuur worden de kosten meegenomen die de deelnemers maken voor de aanschaf van deze goederen en direct gerelateerde diensten (training en kennisoverdracht). Maximaal 20 procent van de subsidie mag voor de aanschaf van goederen en de daaraan direct gerelateerde diensten worden aangewend. Indien de waarde daarvan meer dan € 25.000 bedraagt, dient voorafgaande schriftelijke goedkeuring aan EVD te worden gevraagd. Marktconformiteit voor aanschaf van goederen en direct gerelateerde diensten voor een dergelijk bedrag dient eerst te worden aangetoond en ter goedkeuring aan de EVD te worden voorgelegd door het overleggen van een marktconformiteitsverklaring. De kosten van deze marktconformiteitsverklaring mogen ten laste van het projectbudget gebracht worden. Deze kunnen worden geplaatst onder de post Miscellaneous.

Diensten (Post: Services)

Onder aan derden verschuldigde kosten vallen ook diensten die gerelateerd zijn aan en van belang zijn voor het project, maar niet door de projectpartners kunnen worden uitgevoerd (Post: Services). Indien de waarde van een dienst meer dan € 25.000 bedraagt, dient voorafgaande schriftelijke goedkeuring aan EVD te worden gevraagd. Marktconformiteit voor aanschaf van diensten voor een dergelijk bedrag dient eerst te worden aangetoond en ter goedkeuring aan de EVD te worden voorgelegd door het overleggen van een marktconformiteitsverklaring. De kosten van deze marktconformiteitsverklaring mag ten laste van het projectbudget komen. Deze kunnen worden geplaatst onder de post ‘Miscellaneous’.

Kosten van juridische procedures, zoals inbreukprocedures, vallen niet onder de projectkosten.

Overhead (Post: Overhead)

De post Overhead wordt vergoed op basis van een lump sumvergoeding.

Onvoorzien (Post: Contingencies)

De post Contingencies mag alleen gebruikt worden na goedkeuring.

Artikel 5. Aanvraagprocedure

Subsidie wordt verleend op grondslag van een jaarlijkse tenderprocedure. De in het eerste lid van artikel 5 bedoelde aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar bij EVD, Juliana van Stolberglaan 148, 2595 CL Den Haag of kunnen worden gedownload op de EVD website: www.evd.nl/indf . In het aanvraagformulier wordt vermeld welke bescheiden met het formulier moeten worden meegezonden. Daaronder is in ieder geval het projectvoorstel. Op basis daarvan wordt het project beoordeeld. Daarom dient het in detail uitgewerkt te zijn. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een heldere projectdoelstelling, een omschrijving van de verwachte technische knelpunten en risico’s, de voorgestelde aanpak, de fasering van het project, de expertise van de deelnemers en een duidelijke omschrijving van de noodzakelijke randvoorwaarden voor en de uiteindelijke perspectieven van het project. Bij het projectvoorstel hoort een begroting. De aanvragen moeten vergezeld gaan van de overeenkomst, waarin de samenwerking is geregeld. In het aanvraagformulier wordt vermeld welke onderwerpen in de overeenkomst ten minste moeten zijn geregeld. Per project treedt een, Nederlandse, partij op als subsidieaanvrager en – bij inwilliging van de aanvraag – als subsidieontvanger. Voor zover de subsidie mede strekt tot bekostiging van andere partijen in het samenwerkingsverband dan de partij die formeel als aanvrager en ontvanger van de subsidie moet worden aangemerkt, moet daarvan blijken uit de subsidieaanvraag. De subsidie wordt ingevolge de beschikking verleend ten behoeve van de uitvoering van de activiteiten als omschreven in de aanvraag. Aangezien die aanvraag mede inzicht biedt in ieders deel in de uitvoering van die activiteiten en de daarmee gemoeide kosten kan uit de beschikking worden afgeleid dat de subsidieontvanger een deel van de middelen ter beschikking moet stellen van diens partners. Dat maakt die partners in economische zin tot subsidie-ontvangers – ook al zijn ze dat in de relatie tot de minister niet – en niet tot ‘onderaannemers’.

Op de subsidieontvanger rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen. Omdat de subsidieontvanger voor de naleving van de verplichtingen die voor hem uit de subsidieverlening voortvloeien mede afhankelijk is van zijn partners in het samenwerkingsverband, moet die medewerking expliciet in de samenwerkingsovereenkomst gewaarborgd zijn.

Artikel 6. Afwijzingsgronden

In de eerste plaats zal een aanvraag kunnen worden afgewezen, indien hij niet voldoet aan enige bepaling van deze regeling. In dit artikel zijn in aanvulling op het bepaalde in het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken enkele specifieke afwijzingsgronden opgenomen. Onder a wordt een minimumbedrag bepaald, opdat de uitvoering van de regeling niet te zeer belast wordt met aanvragen voor al te kleine projecten. Daarnaast kan ook afwijzend worden beschikt indien subsidieverstrekking in strijd zou zijn met als gevolg van een verdrag voor de staat geldende verplichtingen, of op grond van artikel 4:35 van de Awb. Deze afwijzingsgronden behoeven in deze beleidsregels geen expliciete vermelding. Afwijzing op grond van dit laatste artikel is mogelijk indien gegronde vrees bestaat dat de activiteiten niet zullen plaatsvinden, dat niet aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan, of dat niet op behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal worden afgelegd.

Dat subsidieverlening geen ongeoorloofde steun in de zin van het EG-Verdrag mag opleveren behoeft geen expliciete vermelding. De verplichting voor de minister om in een dergelijke situatie de aanvraag af te wijzen vloeit reeds uit het EG-Verdrag voort. Situaties waarin niet op voorhand duidelijk is of subsidieverlening in dit opzicht geoorloofd is, doen zich vaker voor. In een dergelijk geval kan de minister het voornemen om subsidie te verlenen voorleggen aan de Europese Commissie. Aangezien het doorlopen van deze procedure meer tijd vergt dan wenselijk is met het oog op de uitvoering van de activiteiten waarvoor ingevolge deze beleidsregels subsidie kan worden verleend, is ervoor gekozen om af te zien van notificatie en om de omstandigheid dat zonder voorafgaande notificatie onvoldoende zekerheid kan worden verkregen aan te merken als een afwijzingsgrond. Om het onvermijdelijk subjectieve karakter van deze afwijzingsgrond te accentueren is ervoor gekozen om het oordeel van de minister in deze doorslaggevend te doen zijn.

Artikel 7. Rangschikking

De aanvragen worden gerangschikt aan de hand van de criteria, genoemd in artikel 7. De projecten worden daarbij ten opzichte van elkaar beoordeeld. De minister zal, beginnend met de aanvraag die het hoogst wordt gerangschikt, subsidies verlenen totdat het plafond is bereikt. Hij wijst aanvragen af voor zover het subsidieplafond door het totaal van hoger gerangschikte aanvragen is bereikt, dan wel door verlening van de gevraagde subsidie zou worden overschreden.

De kwaliteit van de aanvragen wordt beoordeeld aan de hand van de onderstaande criteria:

a. Duurzaamheid van het project

Het projectvoorstel geeft een inschatting van de duur van en de wijze waarop de samenwerking tussen de deelnemers na afloop van de looptijd van het projectvoorstel wordt voortgezet. Het projectvoorstel geeft aan hoe de verkregen kennis wordt ‘geïnstitutionaliseerd’ en op welke manier de resultaten blijvend en daarmee institutioneel duurzaam bijdragen aan de ontwikkeling van de desbetreffende sector(en). Resultaten dienen na beëindiging meetbaar terug te vinden te zijn. De projectactiviteiten dienen stevig ingebed te zijn in lokale, competente Indonesische instituties en mechanismen, bij voorkeur ondersteund door een wettelijk kader. Verder dienen de activiteiten bij voorkeur ingebed te zijn in processen en belangen in Indonesië gericht op de Indonesische behoefte om te voldoen aan internationale verplichtingen en te passen in het bredere raamwerk van institutionele samenwerking tussen Nederlandse en Indonesische instituten en organisaties. Uit het projectvoorstel blijkt in hoeverre het complementair of ondersteunend is in relatie met het Nederlandse bilaterale ontwikkelingsprogramma van de Nederlandse ambassade en past binnen het specifiek beleid van de Indonesische overheid.

Innoverende projecten die niet direct binnen de hierboven genoemde criteria passen dienen overtuigend gericht te zijn op het ondersteunen van bepaalde, cruciaal geachte veranderingen of modellen die noodzakelijke veranderingen willen uittesten.

b. Vraaggestuurdheid van het project

De projectactiviteiten dienen op initiatief van de Indonesische partners geïdentificeerd, geformuleerd en uitgevoerd te worden in samenwerking met een of meerdere Nederlandse partners. De rol van de Indonesische counterpart bij formulering en beschrijving van het projectvoorstel dient te worden aangetoond. De Nederlandse aanvrager verzorgt als verantwoordelijke voor de subsidieaanvraag de rapportage.

Activiteiten worden uitsluitend in Indonesië uitgevoerd, tenzij absolute noodzaak voor training in Nederland wordt aangetoond. Er dient zo veel mogelijk gebruik gemaakt te worden van locaal aanwezige kennis en expertise.

c. Mate waarin de projectactiviteiten zijn gericht op kennisontwikkeling- en overdracht

De projectactiviteiten dienen gericht te zijn op overdracht van kennis en vaardigheden gericht op duurzame structurele verdieping, verbreding en versterking van kennis, expertise en inzetbaarheid van capaciteiten in gekozen uiteenlopende bestuurlijke, productieve of dienstverlenende sectoren. Daarbij zal worden ingezet op onderwijs, training, kennisoverdracht, technologische vernieuwing en ontwikkeling van netwerken.

d. Disseminatie van projectresultaten, spin-off

Het projectvoorstel geeft aan op welke wijze innovatieve, nieuwe of aangepaste werkwijzen duidelijk en breed worden gecommuniceerd en geïnformeerd in de Indonesische context , verder dan de directe reikwijdte van het project.

Het projectvoorstel geeft aan op welke wijze de projectresultaten zo breed mogelijk worden verspreid.

Het project dient bij voorkeur een breder effect te hebben buiten de directe context waarbinnen de activiteiten worden uitgevoerd.

e. Kwaliteit projectplan en operationeel plan

De projectdoelstellingen, de aanpak, de noodzaak en de risico analyse van het project dienen helder beschreven te zijn in het project- en operationeel plan. Verder is van belang dat in het projectplan resultaten en verificatiemiddelen zijn opgenomen en dat duidelijk wordt aangegeven in hoeverre de projectactiviteiten bijdagen aan de doelstellingen van de regeling. De voortzetting van de samenwerking tussen de projectpartners na afloop van de looptijd van het project dient inzichtelijk te worden gemaakt. Duidelijk dient te worden aangegeven hoe het project bijdraagt aan de sociale transformatie van Indonesië. Tenslotte speelt de inzichtelijkheid van het budget bij de beoordeling een rol, is een evenredige verdeling van de eigen bijdrage tussen de projectpartners van belang en is van belang of de gevraagde subsidie in evenredige verhouding staat tot de omvang en resultaten van het project. Bijdragen aan goed bestuur, sociale transformatie en duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding worden zo goed mogelijk benoemd.

f. Kwaliteit van de projectorganisatie

De kwaliteit van de projectorganisatie wordt aan de hand van het projectplan, de begroting, de samenwerkingsovereenkomst en het financieringsplan beoordeeld. De taken en verantwoordelijkheden tussen de verschillende deelnemers dienen in de samenwerkingsovereenkomst te zijn vastgelegd. De mate van logische en evenwichtige samenstelling van het projectteam speelt een rolbij de beoordeling waarbij de hoeveelheid relevante expertise en ervaring van de deelnemers wordt meegewogen. Ook een rol speelt in welke mate de partners in het verleden al hebben samengewerkt.

Artikel 8. Commissie

Een gemengd samengestelde deskundigencommissie, die tenminste voor de helft, waaronder de voorzitter, bestaat uit personen die niet onder verantwoordelijkheid van de minister werkzaam zijn, adviseert de minister omtrent de rangschikking van de aanvragen.

Quick Scan

Indien een potentiële subsidie-aanvrager twijfelt of er voldoende aansluiting bestaat tussen diens project en de doelstellingen en eisen van de regeling, dan bestaat de mogelijkheid om vooraf advies te vragen. Op de EVD website kan toegang worden verkregen tot een zogenaamde ‘Quick scan’. Dit is een geheel vrijblijvende beperkte projecttoets waarin een aantal vragen beantwoord moeten worden over het voorgenomen project. Het formulier kan verkregen worden via de EVD-website onder www.evd.nl/indf. Het ingevulde formulier kan per e-mail worden verzonden naar indf@evd.nl Na ontvangst van het formulier zal een EVD projectadviseur zo spoedig mogelijk contact opnemen om de resultaten van de ‘Quick scan’ te bespreken. Het advies is niet bindend en heeft geen rechtsgevolg. Het staat ieder vrij om een aanvraag in te dienen zonder quick scan of ondanks de uitkomst van een quick scan.

Naar boven