Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233000-V nr. 130

33 000 V Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2012

Nr. 130 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 24 november 2011

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft op 21 november 2011 overleg gevoerd met staatssecretaris Knapen van Buitenlandse Zaken over het deel Ontwikkelingssamenwerking van de begroting Buitenlandse Zaken 2012.

(De volledige agenda is opgenomen aan het eind van het verslag.)

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Albayrak

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Van Toor

Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken

Maandag 21 november 2011

17.00 uur

Voorzitter: Van der Staaij

Aanwezig zijn 10 leden der Kamer, te weten:

Dikkers, De Caluwé, Irrgang, Ferrier, Hachchi, Driessen, El Fassed, Voordewind, Albayrak en Van der Staaij,

en de heer Knapen, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

De voorzitter: Ik open dit wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken met de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over het deel Ontwikkelingssamenwerking van de Begroting Buitenlandse Zaken 2012. Ik heet iedereen van harte welkom. Ik vervang even de echte voorzitter die zich als het goed is over een halfuur bij ons voegt. De sprekersvolgorde van de begroting zal worden gevolgd. Na afloop van de eerste termijn van de kant van de Kamer zal een korte schorsing plaatsvinden. Met de leden van de commissie die hier op tijd waren, heb ik afgesproken dat het aantal interrupties beperkt wordt in de eerste ronde van de Kamer tot drie. Iedereen heeft drie interrupties voor het totaal van de eerste termijn van de kant van de Kamer. Een interruptie bestaat daarbij uit maximaal twee delen. Het woord is allereerst aan mevrouw Dikkers van de PvdA-fractie.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Voorzitter. De vaste commissie was eerder dit jaar in Mozambique. Zij sprak daar onder meer met een oma die de zorg had over haar kleinkinderen omdat haar eigen kinderen aan de gevolgen van aids zijn overleden. Deze vrouw draagt nagenoeg niets bij aan de economische ontwikkeling in Mozambique. Zij draagt in zijn geheel niets bij aan het versterken van het Nederlands bedrijfsleven. Dat kleine beetje hulp maakt voor deze vrouw echter alle verschil: schoolgeld voor haar kleinkinderen, kleding en een beetje eten. Het is niet veel, geen luxe, maar net het verschil tussen uitzichtloosheid en hoop. Dat verschil maakt ontwikkelingsgeld mogelijk. Kinderen naar school met zicht op een beter bestaan. Wij zien veel liever dat Mozambique zelf voor haar eigen bevolking zorgt, maar spijtig genoeg is het nog niet zo ver. Tot die tijd wil de PvdA een betrouwbare partner zijn; hoop bieden, kansen creëren en investeren in mensen in ontwikkelingslanden zodat zij hun toekomst zelf kunnen vormgeven. Daarvoor staat de PvdA: investeren in de ontwikkeling van mensen, niet meer en niet minder. Door dit soort projecten, gericht op deze vrouwen, gaat nu een streep.

De staatssecretaris kon zijn beleid vorige week niet treffender verwoorden in het algemeen overleg over landbouw in ontwikkelingslanden toen hij zei: verlicht eigenbelang wil zeggen dat onze economie er ook iets aan moet hebben. «Wederzijds profijtelijk» noemt hij dat. «Wederzijds profijtelijk» als basis voor ons Nederlands ontwikkelingsbeleid. In de praktijk betekent dat vooral profijtelijk voor ons exporterende bedrijfsleven dat met geld uit de armenkas de risico's afgedekt ziet. Voor de PvdA gaat ontwikkelingssamenwerking over internationale solidariteit. Wij delen onze welvaart met mensen die het veel minder goed getroffen hebben. Vanwege de belangen van de mensen daar, uit medemenselijkheid, en vanwege het besef dat wij tot elkaar veroordeeld zijn, dat dit een wereld is waarin wij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, of wij dat nu leuk vinden of niet.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. Ik stel mevrouw Dikkers graag de volgende vraag. Op het moment dat bedrijven hun kennis en expertise ter beschikking stellen, doen zij toch ook extra hun best om het tot een succes te brengen? Daarvan kan dan toch van beide kanten geprofiteerd worden? Wat is daar mis mee?

Mevrouw Dikkers (PvdA): Dank voor de vraag. Die leidt tot een mooi bruggetje. Als uit evaluaties bleek dat die wederzijdse profijtelijkheid leidt tot goede projecten, dan zou dat mooi zijn. Dat is echter niet het geval. Uit de evaluaties blijkt dat het vooral profijtelijk is voor het Nederlands bedrijfsleven. Het draagt bijna niets bij aan armoedebestrijding. Ik zou graag zien dat het bedrijfsleveninstrumentarium zodanig was ingericht dat het de mensen daar ten goede zou komen. Als dat in the end of the day leidt tot wederzijdse profijtelijkheid, dan zie ik dat natuurlijk graag. Het spekken van bedrijven uit de armenkas gaat mij echter een stap te ver.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Het beleid dat nu wordt gevoerd, is nog maar net begonnen. Er zijn nog maar een paar evaluatiemomenten geweest, maar er heeft nog geen echte evaluatie plaatsgevonden. Waar haalt mevrouw Dikkers deze informatie vandaan?

Mevrouw Dikkers (PvdA): De ORIO-regeling en de voorloper daarvan, de ORET-regeling, zijn al zo oud als het instrument ontwikkelingssamenwerking zelf. Het PSI is van een iets latere datum, maar het zijn erg oude instrumenten. Wij hebben daarvan geleerd dat wij steeds betere mvo-criteria moeten hanteren. Die instrumenten zijn evenals het afdekken van risico's met exportkredietverzekeringen voornamelijk gebruikt om het bedrijfsleven te spekken. Dat heeft niets maar dan ook niets te maken met ontwikkelingssamenwerking.

Het verlichte eigenbelang zit voor de Partij van de Arbeid in het gegeven dat wij voor onze veiligheid afhankelijk zijn van de mondiale veiligheid en dat we voor onze welvaart afhankelijk zijn van de grondstoffen uit Afrika, de olie uit het Midden-Oosten en het veevoer uit Zuid-Amerika. Die wederzijdse afhankelijkheid brengt ook wederzijdse verantwoordelijkheid met zich mee. De Partij van de Arbeid neemt deze verantwoordelijkheid en strijdt voor het behoud van het budget. Zolang er nog geen volledig eerlijke handel is, zolang kennis en macht nog zo oneerlijk verdeeld zijn, zolang vrouwen op grote achterstand staan, is ontwikkelingshulp nodig om middelen en kansen te verdelen. De Partij van de Arbeid is van de partij.

Wij willen een genereus, effectief en sociaal ontwikkelingsbeleid. Genereus: geen vervuiling van het budget. Effectief: veel meer zicht op de bestedingen en doen wat bewezen effectief is. Sociaal: het gaat om de belangen daar en niet om de kortetermijnwinst hier. Investeringen in onderwijs – er is weer een prachtige evaluatie waaruit blijkt dat wij daarin eigenlijk heel erg goed zijn – gezondheidszorg en goed bestuur zijn randvoorwaarden voor economische groei en daarmee een noodzakelijke stap voor ontwikkelingslanden. Het is een stap die dit kabinet liever overslaat, omdat die niet «wederzijds profijtelijk» zou zijn.

De Partij van de Arbeid wil de belangen van mensen in ontwikkelingslanden centraal stellen. Het gaat om coherent beleid, waarin hun belangen meewegen. Ik geef de notitie van de staatssecretaris die hij heeft geschreven naar aanleiding van de motie-Ferrier/Dikkers over coherentie van beleid graag weer terug met het verzoek een nieuw werkstuk af te leveren. Er staat onvoldoende in waarmee wij als Kamer aan de slag kunnen; er wordt geen handen en voeten aan gegeven.

Waar staat deze staatssecretaris nu eigenlijk? Staat hij in een rijke CDA-traditie van rentmeesterschap en solidariteit – kernwaarden die wij van het CDA kennen – of hangt hij een andere filosofie aan? Hij is de staatssecretaris van eerlijk delen, maar dan vooral met zijn vriendjes. Zo gaat het budget voor onderwijs en kinderen in Burkina Faso naar de Nederlandse topsectoren, gaat het geld voor vrouwen in Oost-Congo naar pootaardappelexporteurs en gaat het geld uit het mensenrechtenpotje van Latijns-Amerika naar het budget van Defensie. De staatssecretaris van de uitverkoop, kunnen wij na anderhalf jaar constateren. Wat is er toch gebeurd met het CDA? Van het weekend was ik dit aan het voorbereiden, en ik werd bozer en bozer. Dit kan toch niet? Wat is er nou gebeurd? Nu deze partij eindelijk verantwoordelijk is voor ontwikkelingssamenwerking, is zij opeens veranderd in een marktkoopman.

Voorzitter: Albayrak

Mevrouw Dikkers (PvdA): Het kabinet heeft het over eigen verantwoordelijkheid en breekt ook in onze samenleving voorzieningen voor de kwetsbaren af onder de noemer «de staat is geen geluksmachine»; niet voor individuen in ieder geval. Toch gaat het kabinet het bedrijfsleven wel een handje helpen en moet er ineens geld bij. Als het Nederlandse bedrijfsleven echt het best zou zijn in het bestrijden van armoede, dan zijn wij de eersten die het budget overhevelen naar Verhagen, Bleker en Wientjes. Als onderzoek aantoont dat dit inderdaad de toverformule is waarnaar we op zoek zijn: be my guest. Helaas, de evaluaties die de staatssecretaris naar de Kamer stuurt, tonen iets anders aan. Namelijk dat de effectiviteit van het bedrijfsleveninstrumentarium tegenvalt, het resultaat moeilijk te meten is – zoals uit de PUM-evaluatie blijkt – dat bij het PSI minder dan de helft van de projecten leidt tot een enigszins duurzame onderneming en de grote meerderheid van de projecten dus niet, en dat het eigen onderzoeksbureau van het ministerie, de IOB, sterke twijfels heeft bij de waarde van de evaluaties.

Nog zo'n potje is ORIO. Het budget hiervoor wordt fors verhoogd, maar ontwikkelingslanden geven de voorkeur aan de Chinezen voor het aanleggen van wegen met geld van de Wereldbank. De staatssecretaris zegt dat de vraag daar centraal moet staan, maar is echter alleen bereid te luisteren naar de verzoeken die over Nederlandse waar gaan. Het gaat om wat Nederland in de aanbieding heeft: koopman Knapen. De antwoorden op de mondelinge vragen over het broddelwerk van de Nederlandse baggeraar Van Oord in Guatemala zijn een goed voorbeeld van de weinig kritische houding van de staatssecretaris. Hij was niet tot bewegen bereid, en toch is er 9 mln. aan ontwikkelingsgeld down the drain gegaan.

Staatssecretaris Bleker zei vorige week in een debat iets over de boontjesteler in Kenia. Daar zit een Nederlandse bonenkweker. Ik ken hem; hij is een klasgenoot van mij geweest. Ik ben trots op hem, want hij draagt met zijn bedrijf bij aan lokale economische ontwikkeling, en wordt er tegelijkertijd zelf beter van. Ik ben trots op succesvolle bedrijven die zonder ontwikkelingsgeld toch goed boeren. Wij staan voor het Nederlandse bedrijfsleven en dat doen wij door bij te dragen aan een stabielere en veiligere wereld, door via gerichte steun ontwikkelingslanden economisch echt vooruit te helpen. Zo dragen we bij aan een vreedzame wereld en vergroten we tevens de afzetmarkt voor ons bedrijfsleven. Dat is een duurzamere, houdbaardere visie, waar geen ontwikkelingsgeld of subsidie aan te pas hoeft te komen.

De staatssecretaris laat zijn bedrijfsleveninstrumentarium omzoomd worden door criteria voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ik merk hier heel erg graag op dat maatschappelijk verantwoord ondernemen nog geen armoedebestrijding is. De PvdA wil graag betere criteria voor armoedebestrijding opgenomen zien in het bedrijfsleveninstrumentarium en wil toetsing hierop vooraf. Je moet niet alleen kijken of het bedrijf een beetje voldoet aan de OESO-normen, maar je moet ook kijken of de desbetreffende activiteit echt wat bijdraagt. Hierop moet ook achteraf worden gecontroleerd. Wij overwegen hierover een motie in te dienen en horen graag hoe ver de staatssecretaris met ons mee wil gaan. Het bedrijfsleven kan goed werk verrichten, maar dan met name in partnerschap met organisaties en overheid. Standalone instrumenten als PSI en ORIO zijn op zijn best gebonden hulpprojecten en alleen profijtelijk voor Nederland.

Waar zit de complementariteit? Daar ben ik heel benieuwd naar. Het lijkt een beetje alsof de staatssecretaris zijn prioriteiten verdeeld heeft in wat gedaan kan worden door het bedrijfsleven, zoals voedselzekerheid en water, en wat gedaan kan worden door bijvoorbeeld de aidsfondsen van deze wereld, zoals SRGR. Het is nu juist interessant om te zien hoe complementair je binnen deze sectoren kunt zijn. Je kunt geen dijk bouwen zonder een dijkgraaf, geen goede waterpomp zonder dat de lokale gemeenschap weet hoe zij daarmee om moet gaan. Hoe ziet de staatssecretaris dat? Wat de tenders betreft die hij heeft uitgeschreven: in welke mate moet er worden samengewerkt met andere actoren dan alleen het bedrijfsleven?

De tijd van ongeconditioneerde budgetsteun aan overheden van ontwikkelingslanden is wel zo'n beetje voorbij. Daarvoor heeft het instrument te veel nadelen laten zien. Feit blijft echter dat er een aantal ontwikkelingslanden is waarvoor het instrumentarium van budgetsteun wel kan worden ingezet. Bij een dergelijke kapitaaloverdracht horen ook moderne budgetvolgsystemen. De tijd van vertrouwen op blauwe of bruine ogen is immers wel voorbij en de PvdA, maar ook de achterban van andere partijen, wil weten of het geld dat wij hebben uitgegeven, ook daadwerkelijk terechtkomt bij de mensen die het nodig hebben.

Ik gebruik nu even wat jargon, maar daar zijn de aanwezigen in de zaal wel aan gewend. De PvdA wil graag dat bilaterale programma's gekoppeld worden aan public expenditure tracking surveys, opdat het geld gevolgd kan worden. De Wereldbank doet dit voor een deel. Als je het geld kunt volgen en hierover achteraf rapporteert in een public expenditure review is dit een instrument dat het parlement – dit geldt ook voor de media en het publiek – kan gebruiken om de regering accountable te houden. Daarmee verstevig je de kwaliteit van de openbare financiën en het bestuur: dringend noodzakelijke stappen, ook voor een beter ondernemingsklimaat in ontwikkelingslanden.

Ik help de staatssecretaris graag om nog wat smoel en body te geven aan zijn OS-beleid. De staatssecretaris kan dit bereiken door ten minste enkele kortzichtige bezuinigingen terug te draaien. De bezuiniging op de UNHCR is even onbegrijpelijk als kortzichtig, vandaar mijn amendement om deze bezuiniging terug te draaien. Dit geldt ook voor de bezuiniging op seksuele rechten en gezondheid. De staatssecretaris ziet het als een prioriteit, maar laat zijn collega's de budgetruif leeg eten. De Kamer helpt hem heel graag bij het goed uitvoeren van de prioriteiten, dus wij hebben ook in dezen een amendement. Wij hopen op een positief advies.

Mijn laatste amendement gaat over noodhulp. De staatssecretaris moet van zijn collega's snijden in een vast bedrag voor noodhulp. Dat zal hem zeer doen, lijkt mij zo. Wij vinden dat sneu. De PvdA helpt de staatssecretaris graag van deze pijn af met een amendement om ook in dit geval een reparatie te verrichten. Zo kunnen wij deze kritische beschouwing op de staatssecretaris toch nog enigszins positief afsluiten.

Mevrouw Hachchi (D66): Mevrouw Dikkers houdt, zoals wij haar kennen, een mooi en gloedvol betoog. Echter, als puntje bij paaltje komt, laat de PvdA het afweten, en dat is jammer. Vorig jaar heeft mevrouw Dikkers tijdens het wetgevingsoverleg over ontwikkelingssamenwerking stevige woorden gebruikt. Het was beschamend dat er bezuinigd werd op ontwikkelingssamenwerking. Mevrouw Dikkers heeft toen een motie ingediend om het op 0,8% te houden. Zij vindt D66 aan haar zijde als zij zoiets doet. Echter, in haar tegenbegroting – ik heb deze bij mij – draait de PvdA de bezuiniging op ontwikkelingssamenwerking niet terug; gewoon nul euro. Ik wil graag een reactie van mevrouw Dikkers. Kan zij mij dit uitleggen? Kan zij mij aanwijzen waar dit in de tegenbegroting gebleven is?

Mevrouw Dikkers (PvdA): Die vraag heb ik al een keer of acht van mevrouw Hachchi gehad. Het antwoord erop kent zij, dus ik ga het niet herhalen. Is het niet veel beter om samen op te trekken in een tijd waarin dit vakgebied zo onder vuur ligt? In een tijd waarin de PVV begonnen is met het nog verder bezuinigen. In een tijd waarin de staatssecretaris zegt dat onder druk alles vloeibaar is. In een tijd waarin staatssecretaris Bleker zegt «Bezuinigingen? Zeg nooit nooit». Is dat niet beter dan weer antwoorden dat de PvdA absoluut niet wil bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking? Voor ons moet het 0,8% zijn conform ons verkiezingsprogramma.

De voorzitter: Laatste interruptie op dit onderwerp, mevrouw Hachchi.

Mevrouw Hachchi (D66): Ik maak die opmerking juist omdat D66 zij aan zij met de PvdA wil staan voor ontwikkelingssamenwerking. We maken tegenbegrotingen echter niet voor niets. Als ik mevrouw Dikkers hoor spreken, kunnen we net zo goed geen tegenbegroting maken. Daarin maak ik duidelijk dat de PvdA nul euro terugdraait op de bezuiniging van ontwikkelingssamenwerking. Het is geen sinterklaas; we kunnen geen geld weggeven dat er niet is. Die keuze moet je ook laten zien in je tegenbegroting. Die verantwoordelijkheid zou ik graag terugzien bij de PvdA, zodat we echt samen en zij aan zij één front kunnen maken naar partijen die willen bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Ik geef mijn antwoord nog maar een keer, weliswaar voor de bühne want dit antwoord heb ik mevrouw Hachchi al in verschillende andere gremia gegeven. Ik leg het nog één keer uit. De PvdA heeft delen van de bezuiniging teruggedraaid. We hebben aangestipt wat voor ons prioriteit heeft. Het is voor ons klip-en-klaar dat we niet bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking.

De voorzitter: Nee, mevrouw Hachchi, u kent de afspraak: maximaal twee keer een interruptie op hetzelfde onderwerp.

Het woord is aan mevrouw De Caluwé, die haar inbreng levert namens de VVD.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. Voor een doeltreffend ontwikkelingsbeleid is een moderne aanpak nodig, die rekening houdt met een veranderende wereld. Al decennialang wordt geld gepompt in landen zonder aantoonbaar positief resultaat. Sterker nog: er zijn studies die een negatieve relatie aantonen, bijvoorbeeld doordat de lokale zelfredzaamheid wordt ondermijnd. Landen die zich hebben ontworsteld aan bittere armoede en nu tot de middeninkomenslanden behoren, zoals China en India, hebben dat vaak niet dankzij ontwikkelingshulp bereikt. De steun van de Nederlandse bevolking voor ontwikkelingssamenwerking krimpt snel; we hebben het de afgelopen dagen gelezen. Dat heeft alles te maken met de huidige economische crisis en met de perceptie dat hulp toch niet werkt. Reden temeer om onze bijdrage veel efficiënter en doelgerichter in te zetten.

De VVD pleit al veel langer voor een gerichter ontwikkelingsbeleid waarbij met minder geld meer kan worden bereikt. Ontwikkelingssamenwerking moet worden bezien in het bredere verband van wereldwijde groei, veiligheid en economie, met als doel de huidige ontvangers op den duur op eigen benen te laten staan. Het zelfvertrouwen van veel van de ontwikkelingslanden groeit, evenals hun economie. De VVD wil sterk inzetten op het bevorderen van zelfredzaamheid van de ontwikkelingslanden en hun bewoners en pleit dan ook voor een zakelijker benadering en concrete afspraken over rechten en plichten voor alle partijen. Uiteindelijk moet ontwikkelingsbeleid opgaan in een integraal buitenlandsbeleid.

Voor mijn partij betekent dit in ieder geval drie dingen. Ten eerste. De ODA-criteria dienen aangepast te worden aan de huidige tijd, zoals vastgesteld in het regeerakkoord, zodat rendabele maatregelen die echt tot groei en stabiliteit leiden ook daadwerkelijk meetellen binnen het OS-beleid. Ten tweede. Een volwassen en eigentijds ontwikkelingsbeleid betekent ook concrete afspraken en doelstellingen. We moeten de effectiviteit van de OS-uitgaven niet langer meten aan de hand van de geldelijke inbreng, maar aan de hand van duidelijk gestelde en meetbare targets. Ten derde. Actieve inzet van de private sector om de economie in de ontwikkelingslanden aan te jagen is noodzakelijk.

De heer El Fassed (GroenLinks): Ik ben blij dat mevrouw De Caluwé ook voor een volwassen en effectief beleid staat. Gelden dezelfde criteria ook voor het bedrijfsleven? Moet dat ook kunnen aantonen op bepaalde criteria dat het ontwikkelingsrelevant is en dat het echt gaat om economische ontwikkeling en duurzame ontwikkeling?

Mevrouw De Caluwé (VVD): De inzet van het bedrijfsleven is vraag gestuurd. Ten eerste. Het bedrijfsleven inzetten is in die landen zelf, de privatesectorontwikeling. Ten tweede. Daar waar onze Nederlandse expertise van pas komt en waar onze Nederlandse investeringen worden gevraagd, kan het bedrijfsleven bijdragen. De staatssecretaris heeft eerder al gezegd dat het bedrijfsleven zich moet houden aan criteria. Ik onderschrijf dit. Onder die criteria vallen de OESO-richtlijnen. Het bedrijfsleven zal moeten aangeven dat het zich daaraan houdt.

De heer El Fassed (GroenLinks): Ik neem dan ook aan dat mevrouw De Caluwé er voorstander van is dat die criteria vooraf worden getoetst in plaats van achteraf?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Deze inbreng en deze investeringen zullen worden gedaan door middel van tenders. Daar zullen eisen aan hangen. Dat heeft altijd al zo gegolden, bijvoorbeeld voor ngo's en onderwijsinstellingen, en zal ook gelden voor het bedrijfsleven.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Ik vind het heel fijn dat collega De Caluwé van de VVD zegt dat het gaat om investeringen in de private sector dáár. Is zij het dan met me eens dat het interessanter zou zijn om de bedrijfslevenpotjes die we hier nu opgeplust hebben, zoals ORIO en PSO over te hevelen om de private sector daar te inviteren? Wat de staatssecretaris nu heeft gedaan is een vertaling van zijn bedrijfslevenprogramma's naar subsidiepotjes.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Daar ben ik niet voor, om de volgende reden. Er is ontzettend veel vraag naar expertise uit Nederland en landen zoals Nederland. Er is heel veel vraag naar investeringen. Juist het Nederlandse bedrijfsleven kan heel veel betekenen voor het lokale bedrijfsleven, voor de werkgelegenheid en voor de interne opleiding van mensen binnen bedrijven. Daarnaar bestaat ongelooflijk veel vraag. Het is dus en-en. Dat staat ook in het stuk over de ontwikkeling van de private sector. Het gaat om het ontwikkelen van de private sector daar en, waar Nederland kan bijdragen, ontwikkeling door middel van inzet van het Nederlandse bedrijfsleven. Dat lijkt mij echt een win-winsituatie.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Wij willen dat, dat snap ik. Wij willen absoluut hetzelfde. Als het Nederlandse bedrijfsleven daarin een rol kan spelen, is dat prima. Maar het is toch mal dat het geld niet gaat naar lokale investeringen, maar naar investeringen via het Nederlandse bedrijfsleven. Ik zou verwachten dat de VVD-fractie een amendement zou indienen om het geld opnieuw lokaal te investeren.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Zoals ik vorige week al aangaf in het AO over landbouw in ontwikkelingslanden, ben ik ook heel benieuwd naar de meerjarenplannen waarin staat wat de ambassades gaan doen in die landen zelf. Daarnaast is echter ongelooflijk veel input nodig in ontwikkelingslanden door het bedrijfsleven van hier. In Kenia hebben wij laatst een bedrijf gezien dat zonnecellen maakt, een Nederlands bedrijf dat zich daar heeft gevestigd. Het kon zich alleen maar daar vestigen omdat het een steun in de rug kreeg uit Nederland. Het kan daar wel bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van zonnecellen voor de mensen in Kenia.

De voorzitter: Gaat u verder, mevrouw De Caluwé.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Ten eerste noem ik de ODA-criteria. Wij moeten niet langer vasthouden aan een achterhaalde en belemmerende set criteria. Het kabinet mag wel schenken aan een bedrijf dat wil investeren, maar geen garantiestelling afgeven, want die is niet ODAble. Leningen die zijn terugbetaald omdat een bedrijf succesvol is geweest en weer worden gebruikt voor andere bedrijven in OS-landen, zijn niet ODAble, maar als de investering mislukt, hoera, dan is het ODAble. Nog eentje: als Nederland besluit noodzakelijke goederen te leveren aan een gemeenschap in Afghanistan, is dat ODAble, maar niet als een soldaat deze goederen vervoert en aflevert.

Afgelopen zaterdag heb ik tijdens een symposium Eurocommissaris Piebalgs daarover gesproken. Hij voelt wel voor een Europese inzet om de criteria aan te passen. De commissaris ziet dat de bereidheid om de criteria aan te passen toeneemt, zodat onder andere garantiestellingen mogelijk worden. Steeds meer lidstaten zien er de voordelen van in. Met steun uit de EU moet het dus mogelijk zijn een vuist te maken binnen de OESO. Ik roep de staatssecretaris op om op korte termijn met de Eurocommissaris te komen tot een voorstel tot aanpassing. Ik ben uiteraard graag bereid zelf voorstellen tot aanpassing te doen.

Wij willen nu wel eens horen dat concrete resultaten worden behaald op grond van de afspraken uit het regeerakkoord. Daarbij vraag ik de staatssecretaris om, conform het regeerakkoord, de mogelijkheid mee te nemen om vredesmissies ruimer onder de ODA-criteria te laten vallen. Vredesmissies tellen nu maar zeer beperkt mee, terwijl deze een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het bestrijden van armoede. Een burgeroorlog verarmt een land gemiddeld genomen met 15%. Het werk dat onze mannen en vrouwen op dit moment in Kunduz verrichten, draagt bij aan de ontwikkeling van het land, maar telt nauwelijks als ontwikkelingssamenwerking. Ik overweeg een motie in te dienen om mijn verzoek tot deze belangrijke aanpassing van de ODA-criteria kracht bij te zetten.

Ten tweede noem ik de concrete doelen. OS-geld dient meetbaar effectief te worden besteed. Zo mag er geen geld aan de strijkstok blijven hangen. Vooral moet geld daar worden besteed waar het daadwerkelijk effect heeft, met het doel ontwikkelingssamenwerking uiteindelijk overbodig te maken. Het efficiënt besteden van OS-gelden vereist een zakelijke aanpak. De VVD-fractie wil dat wordt gewerkt met concrete en realistische doelen. De doelstellingen worden door de staatssecretaris in meerdere brieven, zoals de bedrijvenbrief en de brieven over het genderbeleid, al globaal aangegeven. Wij juichen dit toe, maar het is slechts een begin. De VVD-fractie wil per partnerland een beperkte set concrete doelstellingen voor ieder speerpunt op papier zien. Ik daag het kabinet uit hiermee de doelstellingen meetbaar te maken, te beginnen met de vijf fasttracklanden, waar vanuit Buitenlandse Zaken pilotprogramma's starten op het gebied van voedselzekerheid.

Graag wil mijn fractie bovendien dat de Kamer inzage krijgt in de meerjarenplannen die de ambassades hebben opgeleverd. Ons is nog niet duidelijk hoe de verschillende posten precies worden ingezet. Aangezien het overzicht van de te besteden gelden per land aan de Kamer is gezonden voordat de meerjarenplannen beschikbaar kwamen, blijkt dat nog verschuivingen in de begrotingen per land mogelijk zijn. Graag wil ik van de staatssecretaris weten wat de gevolgen van eventuele verschuivingen zijn voor de overige posten van het OS-budget.

Ik kom nu op een punt dat zeer belangrijk is voor de VVD-fractie, te weten de steun aan de ontwikkeling van de private sector. Deze steun is tweeledig: steun aan de lokale private sector in de ontvangende landen enerzijds en steun door middel van inzet van het Nederlandse bedrijfsleven anderzijds. Graag hoor ik van de staatssecretaris wat de meerjarenplannen van de ambassades hebben opgeleverd aan steun voor de private sector in de ontwikkelingslanden, hoe hij deze steun praktisch handen en voeten wil geven en wat de betrokkenheid van wetenschap en ngo's daarbij is. Op dit moment is dat voor mij totaal onduidelijk.

Het kabinet stelt in het regeerakkoord: «Binnen het budget voor ontwikkelingssamenwerking zal een sterke uitbreiding plaatsvinden van mogelijkheden voor het bedrijfsleven.» De VVD-fractie vindt dit een goed punt. Specifieke kennis die Nederland in huis heeft, kan op deze wijze worden ingezet waar dat nodig is. De vraag naar investeringen en steun op het technologische en logistieke vlak is groot. De informatie over de gevraagde steun aan de private sector vanuit OS-landen is echter nog weinig overzichtelijk. Deze moet voor het Nederlandse bedrijfsleven goed toegankelijk zijn. Tenderprocedures moeten overzichtelijk, weinig bureaucratisch en praktisch van aard zijn. De inzet van het bedrijfsleven kan echter veel sterker in de begroting worden vastgelegd dan nu het geval is. Al eerder heb ik toegelicht hoe een aanpassing van de ODA-criteria daaraan op efficiënte wijze kan bijdragen. Daarbij moet ervoor gezorgd worden dat ook het mkb wordt meegenomen. Mijn fractie ziet graag dat de staatssecretaris een transparant «datingplatform» inricht waar vraag en aanbod op een heldere en praktische manier met elkaar kunnen worden verbonden. Daarbij heeft het de voorkeur van mijn fractie om het platform te integreren in het al bestaande digitale bedrijvenloket, om vooral de kleinere, gespecialiseerde bedrijven in Nederland een kans te geven.

Er is nog een andere manier om de betrokkenheid van het bedrijfsleven verder te stimuleren. Het ministerie van EL&I is gestart met green deals. Ik pleit voor een green deal «OS-style». Groene investeringsvoorstellen kunnen rekenen op steun in de vorm van garantiestellingen, vestigingsondersteuning, bemiddeling bij regelgevingsvraagstukken et cetera. Hiermee wordt men beloond voor zijn inzet en wordt groene groei in OS-landen bevorderd zonder dat het bakken met geld kost. Het draagt bij aan het dwarsdoorsnijdende thema van de duurzame ontwikkeling, zonder dat het leidt tot vergaande administratieve, bestuurlijke en financiële rompslomp. Een mogelijke kandidaat voor een green deal is bijvoorbeeld de «Dutch rainmaker», een windmolen die in gebieden zonder waterplassen warme lucht opvangt en omzet in schoon water.

Ik kom nu bij een aantal specifieke punten. Nederland heeft een uitstekend track record op het gebied van SRGR en hiv/aidsbestrijding. Voor SRGR zou dit jaar meer geld worden uitgetrokken, nadat het budget vorig jaar al door amendementen van onder anderen mijn voorganger is gerepareerd. In werkelijkheid lijkt de begroting van 2012 een forse bezuiniging op te leveren. Het bnp viel tegen; dat klopt. Vergeleken echter met de overige begrotingspunten is SRGR onevenredig hard getroffen door extra bezuinigingen. Een analyse van de begrotingsstukken wijst uit dat het hier gaat om een forse bezuiniging van ongeveer 40 mln. Ik heb hierover een amendement ingediend.

De heer Irrgang (SP): Mevrouw De Caluwé spreekt over de strijd tegen hiv/aids en gezondheidszorg voor vrouwen. Het belang van dit punt wordt door veel fracties in de Kamer gedeeld. Mevrouw De Caluwé spreekt over forse, onevenredig zware bezuinigingen. Ik heb een amendement gezien waarin van de 40 mln. 8 mln. wordt gerepareerd. Ik neem aan dat mevrouw De Caluwé het daarbij niet kan laten.

Mevrouw De Caluwé (VVD): De heer Irrgang heeft gelijk als hij stelt dat ik een voorstel heb gedaan om 8 mln. te repareren. Het is heel erg moeilijk om te repareren. Er is al zo ontzettend veel toegewezen en het is heel moeilijk om in de begroting geld te vinden dat niet al juridisch verplicht is. Ik heb geprobeerd om voor zover mogelijk toch iets te repareren. Het is helaas niet gelukt om 40 mln. te repareren.

De heer Irrgang (SP): Ik geef mevrouw De Caluwé gelijk dat het moeilijk is. Het is echter niet onmogelijk. Samen met een aantal collega's heb ik een aantal amendementen ingediend, die hopelijk ook op de steun van de VVD-fractie kunnen rekenen. Als mevrouw De Caluwé zegt dat het desbetreffende onderdeel onevenredig zwaar getroffen is, dan is dit het moment om politieke keuzes te maken. Als zij tevens stelt dat zij van 40 mln. slechts 8 mln. kan goedmaken, dan vraag ik mij af wat de woorden van de VVD-fractie waard zijn. Er zijn wel mogelijkheden, maar die wil de VVD-fractie kennelijk niet benutten.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Er zijn ook andere begrotingsposten getroffen door bezuinigingen. Op het laatst moest nog 104 mln. bezuinigd worden, omdat het BNP tegenviel en kwam 34 mln. daarvan bij SRGR terecht. Dat is onevenredig veel. Door te proberen, daar een deel van te repareren, wil ik die onevenredige bezuiniging daar op het laatste moment ongedaan maken.

Ngo's hebben van oudsher veel geld van de Nederlandse overheid ontvangen en beschikken over een sterke lobby. Zij zullen zichzelf meer moeten gaan bedruipen. De huidige norm is 25% eigen geld. Dit zal omhoog moeten naar minimaal 50%. Het is op zijn zachtst gezegd onwenselijk dat al deze clubs grotendeels met belastinggeld overeind worden gehouden. De «n» in ngo's staat immers voor «non-governmental». Ik ben ervan overtuigd dat dit efficiencyslagen en samenwerking tussen de vele en versnipperde ngo's in de hand werkt. Verder zal de VVD als vanouds de ontwikkelingen van de salarissen van ngo-directieleden nauwlettend in de gaten houden.

Een ander belangrijk onderwerp is de noodhulp. Het afgelopen jaar heeft de staatssecretaris een aantal keren moeten bijplussen vanwege de schrijnende situatie in de Hoorn van Afrika. Nu blijkt het budget voor noodhulp behoorlijk te zijn gekort. Wat is hier de reden voor en hoe zal de staatssecretaris de gaten dichten wanneer de nood weer eens aan de man c.q. de vrouw is?

Ik kom bij het laatste onderdeel van mijn betoog, maar wel een heel belangrijk onderwerp. De rol van vrouwen is in meerdere opzichten een belangrijke dimensie in de ontwikkelingsrelatie. Dit is in het algemeen overleg al uitgebreid aan de orde gekomen. Vrouwen vertegenwoordigen het overgrote deel van de kleine landbouwondernemers. Vrouwen investeren gemiddeld 70% van hun inkomen in hun gezin. Vrouwen hebben recentelijk belangrijke invloed gehad op de omwentelingen in Egypte en Libië. Met name deze laatste vrouwen verdwijnen nu door toedoen van nieuwe machthebbers weer achter sluier en aanrecht. Aandacht voor de inzet van vrouwen verdient daarom benoeming – speciale aandacht – maar vooral snelle en krachtige actie. De VVD heeft voor haar algemene ledenvergadering van aanstaande zaterdag Nobelprijswinnares Tawakkul Karman uit Jemen uitgenodigd om haar een platform te geven. De volgende week zal zij ook met de Kamer in gesprek gaan. Vrouwen als mevrouw Karman hebben op zeer korte termijn onze steun heel hard nodig. In de genderbrief geeft het kabinet aan, versterkt in te zetten op de positie van de vrouw, ook wat betreft de politieke rol van de vrouw in de MENA-landen. Waarom wordt er dan toch op deze post bezuinigd?

De VVD wil komen tot een zakelijke en resultaatgerichte aanpak van ontwikkelingssamenwerking met als doel dat het ontwikkelingsbeleid uiteindelijk opgaat in integraal buitenlands beleid. Voor mijn fractie zijn daarbij drie dingen cruciaal, namelijk aanpassing van de ODA-criteria, het stellen en behalen van concrete doelen en de inzet van de private sector.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Ik vind het mooie woorden van collega De Caluwé, maar ik vraag me toch wel af wanneer we boter bij de vis krijgen. Zij gebruikte mooie worden op het gebied van de SRGR, maar in haar antwoord op de vraag van collega Irrgang kan er niet meer dan 8 mln. gerepareerd worden. Nu ook stelt zij weer een korting op een ander fonds voor, maar zij dient geen amendement in. Is dit alleen maar voor de Bühne of krijgen wij ook nog geld van de VVD om ervoor te zorgen dat wij ook daadwerkelijk wat kunnen doen om de positie van vrouwen te verbeteren?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Uit de antwoorden van de staatssecretaris op vragen naar aanleiding van de begroting is niet duidelijk geworden hoe het met het genderbudget gaat. Het lijkt om 3 mln. bezuinigingen te gaan, dan weer wordt 3 mln. anders ingevuld. Ik wil graag eerst van de staatssecretaris horen hoe hij omgaat met de genderbudgetten. Mijn fractie is heel erg blij met de genderbrief die hij gestuurd heeft, maar het gaat erom of het te doen is met de budgetten die voorgesteld zijn en of het hier daadwerkelijk om een bezuiniging van 3 mln. gaat.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Mevrouw Caluwé kan de komende zaterdag op het congres aan die mevrouw uit Jemen melden dat de VVD liever investeert in het exporterende bedrijfsleven dan daadwerkelijk een amendement indient om de positie van vrouwen te verbeteren. Dat is buitengewoon teleurstellend.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Laten we het even in perspectief plaatsen. Het budget voor het bedrijfsleven is ongeveer 6% van het gehele budget voor Ontwikkelingssamenwerking. Mevrouw Dikkers heeft ongeveer 75% van haar betoog aan die 6% gewijd. Wij zetten absoluut niet alleen maar in op het bedrijfsleven. Er zijn verschillende heel belangrijke thema's, alle even belangrijk. Om die reden heb ik op verschillende thema's ingezet.

Mevrouw Hachchi (D66): Als ik het pleidooi van mevrouw De Caluwé zo hoor, verwacht ik niet anders dan steun voor het genderamendement dat nu voorligt. Wat betreft SRGR en het belang van het tegengaan van hiv en aids mag ik ook hopen dat de VVD-fractie serieus naar de amendementen kijkt. De fracties van D66 en VVD kunnen elkaar vinden op het punt van minder bureaucratie. Is de VVD-fractie het met mij eens dat er bij het bedrijfsleven soepeler mee wordt omgegaan omdat er meer geïnd wordt op controle achteraf, terwijl maatschappelijke organisaties aardig wat bureaucratie over zich heen krijgen? Vindt mevrouw De Caluwé niet dat dit meer gelijk moet worden getrokken?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Ik zie niet in dat er soepeler wordt opgetreden bij het bedrijfsleven. Het bedrijfsleven moet de richtlijnen van de OESO onderschrijven wil het zaken kunnen doen in ontwikkelingslanden met steun van OS-gelden. Het is niet zo dat er soepeler wordt opgetreden bij bedrijven. Bedrijven zullen ook moeten laten zien wat het oplevert.

Mevrouw Hachchi (D66): Ik mag hopen dat het bedrijfsleven de OESO-richtlijn handhaaft. Ik vind dat een norm die er sowieso had moeten zijn. Maatschappelijke organisaties moeten nu echter verschillende trajecten doorlopen zoals voor noodhulp en voor wederopbouw. Vindt mevrouw De Caluwé niet dat wij moeten nagaan of dat niet met minder bureaucratie kan?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Als men verschillende trajecten doorloopt, moet men voor ieder traject kijken wat er moet gebeuren. Het bedrijfsleven financiert voor het overgrote deel zichzelf, draagt voor het overgrote deel zelf de risico's en doet voor het overgrote deel ook zelf de investeringen in die landen. Voor dat kleine beetje dat wordt bijgedragen door OS zullen bedrijven zich moeten verantwoorden.

De heer Driessen (PVV): Ik hoor mevrouw De Caluwé spreken over een datingplatform, over gender, green deals en windmolens. Ik vraag mij af of zij zojuist de VVD-inbreng heeft voorgedragen of per ongeluk de spreektekst van mijn buurman, de heer El Fassed, heeft voorgelezen. Was dit nu een VVD-betoog of een GroenLinksbetoog?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Ik meen dat ik heel sterk heb ingezet op aanpassing van ODA-criteria, op heel strikte doelstellingen en op de inzet van het bedrijfsleven. Er komen nog wat andere dingen kijken bij ontwikkelingsbeleid en die heb ik in de overige punten genoemd.

De heer Driessen (PVV): Volgens mij wordt de VVD-kiezer helemaal niet vrolijk van green deals en windmolens. Uit de peiling van Maurice de Hond van gisteren blijkt dat, als er extra moet worden bezuinigd op ontwikkelingshulp, acht op de tien VVD-kiezers, 79%, vinden dat die 4 mld. gewoon moet worden weggehakt. Ik denk dat het betoog van mevrouw De Caluwé wel wat scherper had mogen worden aangezet, om het maar zacht uit te drukken.

De voorzitter: Wij zien uit naar de inbreng van de heer Driessen.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Het voordeel van de green deals is nu juist dat die zichzelf betalen. De VVD-fractie is tegen subsidies op groene initiatieven. De green deals kunnen zonder subsidies. Dat is dus echt een VVD-standpunt. De heer Driessen spreekt over de voorkeur van onze achterban voor bezuinigingen. Zoals hij weet, staat in ons verkiezingsprogramma dat wij met minder meer willen doen. Wij hebben echter een afspraak gemaakt in het regeerakkoord en wij staan voor onze handtekening.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik ben blij te horen dat de VVD-fractie de bezuinigingen op de noodhulppot te veel vindt. Wij zien dat er een teruggang is van 30 mln., maar in de meerjarenbegroting van 2011 gaat het om 80 mln. Ik ben benieuwd of de VVD-fractie straks het amendement steunt dat bij de Kamer voorligt.

Mijn vraag betreft het bedrijfslevenprogramma, waarover mevrouw De Caluwé zeer enthousiast is. De OESO heeft net de richtlijnen aangescherpt en vindt dat er in de volledige keten transparantie moet zijn over de vier belangrijke arbeidsnormen van de ILO. Vindt de VVD-fractie ook dat die van toepassing zijn op het bedrijfslevenprogramma indien het Nederlandse bedrijfsleven in aanmerking wil komen voor financiering?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Aan de ene kant heb je de grote multinationals en aan de andere kant het mkb. Het mkb kan vaak niet in een hele keten en voor een hele regio verantwoordelijk zijn. Dat is heel lastig. Je zult proportioneel moeten kijken waar de hulp heen gaat en wat men daar gaat doen. Je moet specifiek afgestemd op die bedrijven nagaan wat belangrijk is. Voor multinationals is het veel gemakkelijker. Voor het mkb moet gekeken worden wat praktisch van toepassing is en wat wij willen bereiken. Natuurlijk moet er gezorgd worden voor goede arbeidsvoorwaarden, voor goede werkomstandigheden en moeten de mensenrechten worden geëerbiedigd.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Dat zou de praktische aanpak zijn. De OESO maakt daarin echter geen onderscheid. De OESO zegt gewoon dat er transparantie in de keten moet zijn. Dat betekent dat Nederland het beleid zou moeten aanpassen. Wij hebben immers een buitenlandinstrumentarium. Ook handelsmissie moeten tot nu toe voldoen aan de ILO-criteria. Dat geldt ook voor multinationals. Laten wij het bij de multinationals houden. Daar gaat het meeste geld om. Vindt de VVD-fractie dat multinationals moeten voldoen aan volledige transparantie in de keten?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. Zij moeten de OESO-regels naleven. Die zijn aangescherpt. Het betekent dus dat er volledige transparantie moet zijn.

De heer El Fassed (GroenLinks): Mevrouw De Caluwé spreekt over het uiteindelijk overbodig maken van ontwikkelingssamenwerking. Dat is een mooie gedachte. Dat zou kunnen als mevrouw De Caluwé haar partijgenoot staatssecretaris Weekers zou aanspreken op zaken als belastingontwijking en belastingontduiking via postbusbedrijven in Nederland waardoor ontwikkelingslanden miljarden per jaar mislopen. Wat gaat zij daaraan doen?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Ik moet helaas het antwoord schuldig blijven. Ik weet niets van het ontduiken van belasting via postbusbedrijven in Nederland. Over die informatie beschik ik niet.

De heer El Fassed (GroenLinks): Als je ontwikkelingssamenwerking echt effectief wilt maken, zou je niet hier moeten zitten maar in commissies voor Financiën, Landbouw, Handel et cetera om daar de desbetreffende ministers aan te spreken op hun beleid dat negatieve effecten heeft voor ontwikkelingslanden. Ik gaf een voorbeeld van iets waardoor ontwikkelingslanden miljarden mislopen. Het gaat om belastinggeld dat in het eigen land besteed had kunnen, waardoor ontwikkelingssamenwerking niet meer nodig zou zijn. Wat gaat mevrouw De Caluwé daaraan doen?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Kan de heer El Fassed de vraag herhalen, want ik begrijp het niet helemaal.

De heer El Fassed (GroenLinks): Ik kom er later op terug.

De heer Irrgang (SP): Voorzitter. Voor ons ligt de begroting van Buitenlandse Zaken. Het deel ontwikkelingssamenwerking staat voor het tweede jaar op een rij in het teken van omvangrijke bezuinigingen op de uitgaven voor internationale solidariteit. Als gevolg hiervan worden de allerarmsten in de wereld het slachtoffer van een economische crisis die veroorzaakt is door de allerrijksten in de wereld.

Volgend jaar lopen de totale bezuinigingen van dit kabinet op deze uitgaven op tot 840 mln.; 340 mln. is al in de begroting van 2011 gerealiseerd, volgend jaar komt daar nog eens 500 mln. bovenop. Het logische gevolg daarvan is dat op de meeste punten volgend jaar fors minder geld beschikbaar is. Er is bijvoorbeeld veel minder geld voor hulp om alle kinderen in de wereld naar school te laten gaan. Hier zijn mede met Nederlands geld indrukwekkende resultaten geboekt. Er is fors minder geld voor de strijd tegen hiv/aids waar evengoed spectaculaire successen zijn geboekt. Als er zulke enorme bedragen worden bezuinigd, wordt een begrotingsoverleg als dit binnen de kaders van het regeer- en gedoogakkoord al snel een discussie over het verdelen van de politiek georganiseerde ellende. Dat frustreert mijn fractie, de SP, en tegelijkertijd is het politieke realiteit vanwege de meerderheid van één zetel van de fracties van CDA, VVD en PVV.

Tegelijkertijd zien wij dat er zo fors met bedragen wordt geschoven dat er voor een paar prioriteiten desondanks ten opzichte van 2011 meer geld beschikbaar komt. Helaas staat niet de effectiviteit van hulp voorop, maar de ideologische signatuur van dit kabinet. Er komt meer geld voor hulp via het Nederlandse bedrijfsleven, terwijl het effect op armoede op zijn best beperkt is en op zijn slechts zien wij de terugkeer van gebonden hulp via de figuur van publiek-private partnerschappen. Te denken valt aan het inzetten van de zogenaamde Nederlandse expertise op het gebied van landbouw en voedselzekerheid of aan de transitiefaciliteit om met hulpgeld Nederlandse bedrijven in staat te stellen te gaan handelen in landen als Zuid-Afrika, Vietnam of Colombia. Het lijkt gebonden hulp 2.0. Ik hoor graag van de staatssecretaris of hij dat gevaar van gebonden hulp in een nieuw jasje ziet. Wordt hij ook wel eens kriegelig van de begerige blikken van VNO-NCW en de minister van EL&I op zijn budget? Graag een reactie.

PSI is een voorbeeld van zo'n Private Sector Instrument. Volgens de eigen evaluatie levert het gemiddeld 81 banen op. Dat is € 6 130 per baan. Is dat niet een heel duur instrument?

Een ander voorbeeld. Bij FMO en het fonds voor de Minst-Ontwikkelde Landen konden ondanks een positieve beoordeling geen zichtbare resultaten of indicatoren voor ontwikkeling, zoals het aantal gecreëerde banen of de arbeidsstandaarden, worden gepresenteerd. De bijdrage van ORET, de voorloper van ORIO, aan armoede en ontwikkeling was matig, op zijn best. Dat was ook precies de reden dat de vorige bewindspersoon, toen nog minister, voor Ontwikkelingssamenwerking besloot tot een inperking van de ORET-regeling. Nu wil dit kabinet het budget voor ORIO verhogen. Staat dan de effectiviteit van hulp voorop of de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven, de belangen van VNO-NCW? Is het dan echt, zoals mevrouw De Caluwé net zei, «minder geld meer bereiken» of is het «meer geld voor het bedrijfsleven in Nederland en minder bereiken»? De SP verzet zich tegen de nieuwe bezuinigingen en de ideologisch gedreven verschuiving van middelen naar hulp via het Nederlandse bedrijfsleven.

Daarnaast wil ik op een aantal aparte onderdelen van de begroting ingaan. Dat is in de eerste plaats onderwijs. In enorm tempo wordt de Nederlandse bijdrage om alle kinderen in de wereld naar school te laten gaan afgebouwd. Dat is heel erg jammer, omdat dit een succesverhaal was en is. Volgens de brief van 14 november jongstleden van de staatssecretaris zelf nam het aantal kinderen dat naar school ging, in tien jaar met 52 miljoen toe. In Afrika steeg de deelname met maar liefst 48%. Vorig jaar is toegezegd dat geprobeerd zou worden om de zeer forse verlaging van de Nederlandse bijdrage op een enigszins verantwoorde manier door te voeren en niet zomaar de pen uit de hand te laten vallen. Als ik de kanttekeningen van de Global Campaign for Education bij de brief van de staatssecretaris over de afbouw lees, vraag ik de staatssecretaris of een meer geleidelijke afbouw dan nu voorzien niet echt noodzakelijk is, ook conform de vorig jaar aangenomen motie-Van der Staaij c.s. Graag een reactie op een aantal specifieke voorbeelden uit de brief.

In Burkina Faso zal de bijdrage van de Global Partnership for Education worden gehalveerd en is die dus niet compenserend voor het vertrek van Nederland. Ook andere donoren zouden in Burkina Faso vertrekken. In Mali kan de Global Partnership een deel van het verlies compenseren, maar zal nog steeds een gat van 31 mln. resteren. In Zambia gaat het Verenigd Koninkrijk de bijdrage met 6 á 7 mln. verhogen, maar dat zou dan bij lange na niet compenserend zijn. Graag een uitgebreide reactie op deze punten uit de brief.

De Kamer heeft vorig jaar de regering gevraagd, de prioriteit van gezondheidszorg voor vrouwen, de SRGR, te koppelen aan de voortgezette hoge Nederlandse inzet bij de strijd tegen hiv/aids. Het merkwaardige is dat ondanks alle gegoochel met cijfers uit de begroting is af te leiden dat het budget volgend jaar met 34 mln. daalt. Als dat een prioriteit is, vraag je je af wat dan een posterioriteit is. Het is goed om te zien dat daar wederom bij veel fracties in de Kamer kritiek op is. Mijn simpele verzoek aan deze staatssecretaris is ook om die budgettaire verdeling nog eens te heroverwegen of – dat is ook goed – met een welwillend oog te kijken naar de ingediende amendementen van coalitie en oppositie. Ik heb er samen met mevrouw Hachchi en mevrouw Dikkers al twee ingediend en er komt er nog één aan. Dan zitten wij al op 34 mln. Als de staatssecretaris een betere dekking heeft, houden wij ons ook aanbevolen. Dat spreekt vanzelf. Zeggen dat iets een prioriteit is en dan tientallen miljoenen minder beschikbaar stellen kan niet. Dat kan deze staatssecretaris niet menen. De vorige week nog heb ik met mevrouw Ferrier namens het meerpartijeninitiatief een prachtige tentoonstelling in het gebouw van de Tweede Kamer mogen openen over het vrouwencondoom. Dat is een mooi middel om ongewenste zwangerschappen en daarmee ook bevolkingsgroei tegen te gaan, om besmetting met hiv of andere seksueel overdraagbare ziekten te voorkomen en, last but not least, ook de positie van vrouwen te verbeteren. Dit allemaal in één. Met de miljarden die beschikbaar zijn gekomen voor de strijd tegen hiv zijn, tegen de voorspellingen van alle sceptici in, miljoenen mensen van een wisse dood gered. Mede als gevolg daarvan liggen de snelst groeiende landen ter wereld nu niet in Azië, maar in Afrika. Hoezo verloren continent? Omdat mensen niet meer te ziek zijn om te werken, of niet meer voor hun geliefden hoeven te zorgen en dus economisch productief kunnen zijn, bijvoorbeeld op het land, of omdat de economische elite niet meer uitsterft, waardoor economische ontwikkeling onmogelijk wordt. Zulke succesvolle hulp verdient onze voortgezette steun. Ik zeg de staatssecretaris, die dit een blijvende prioriteit noemt: put your money where your mouth is! Dat zeg ik ook tegen mijn collega's, zoals mevrouw De Caluwé, voor als we over een paar weken stemmen over de amendementen.

Nog kort iets over het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Ik vind het, heel eerlijk gezegd, eigenlijk een idiote situatie dat we uit het budget voor hulp een museum in Nederland betalen. Het is een prachtig museum, naar ik heb begrepen zelfs internationaal gerenommeerd, maar met hulp heeft het natuurlijk weinig te maken. Zo'n museum moet uit de begroting voor OCW worden betaald, maar daar bezuinigt dit kabinet, dat immers bezuinigt op alles wat van waarde is, óók op. Ik heb wel begrepen dat er nog een sprankje hoop is dat staatssecretaris Zijlstra het museum zou willen redden en het voortaan uit de begroting voor OCW zou willen bekostigen. Deze staatssecretaris zou daarvoor wel een zogenoemde «bruidsschat» moeten leveren. Ik vind dit niet helemaal een passende term, maar ik begrijp wat ermee wordt bedoeld. Hoe staat het daarmee? Is deze staatssecretaris hier inderdaad toe bereid? Wanneer gaan we iets daarover horen van het kabinet, van hem dus en van de heer Zijlstra?

Wanneer gaat deze staatssecretaris eens bezuinigen op de bijdrage aan de Wereldbank? De Wereldbank steekt heel veel geld in China, terwijl dat land nu juist niet die hulp nodig heeft. Ik ben het niet vaak eens met de heer Driessen, maar hier heeft hij toch wel een punt. De beloofde bijdrage voor IDA, onderdeel van de Wereldbank, is in 2012 hoog, maar in 2013 extreem laag. Het is mogelijk om een deel van de beloofde bijdrage voor 2012 naar 2013 door te schuiven, waarmee op de begroting voor 2012 ruimte vrijkomt voor een betere prioriteit? Samen met de collega's Dikkers en Hachchi heb ik hierover een amendement in voorbereiding. Ik neem aan dat we straks bij de stemmingen iets heel moois gaan zien: de heer Driessen gaat een amendement van mevrouw Dikkers, mevrouw Hachchi en van mij steunen! Ik kijk ernaar uit. Dat zou nog eens politieke vernieuwing zijn!

Waarom wordt er fors bezuinigd op de Nederlandse bijdrage aan de UNHCR? Wie weleens in een vluchtelingenkamp is geweest, weet dat iedere euro daar hard nodig is. En in weerwil van al die lippendienst van PVV, CDA en VVD over het belang van regionale opvang van vluchtelingen, zullen daardoor straks natuurlijk alleen maar meer vluchtelingen naar Nederland komen. Is dat niet strijdig met het regeer- en gedoogakkoord?

Ik heb nog een paar vragen over individuele programma's in landen. Afhankelijk van de beantwoording overweeg ik amendementen hierover in te dienen. In de eerste plaats Rwanda, een land dat in de afgelopen jaren zijn masker als een soort Zwitserland van Afrika heeft verloren en een keiharde dictatuur is gebleken, die geen oppositie tolereert; dat is met name sinds de verkiezingen van 2010 het geval. In die situatie heeft begrotingssteun voor de justitiële sector geen zin. Dat is trekken aan een dood paard, of nog erger: het onderdrukkingsapparaat van de staat financieren. Waarom stoppen we niet daarmee? En hoe was die brief van 17 november toch mogelijk? De rapportages van Amnesty of van Human Rights Watch over Rwanda lijken namelijk wel over een ander land te gaan. Ik vraag me werkelijk af of de ambassade van Nederland in Kigali niet het slachtoffer is van het stockholmsyndroom.

Een vergelijkbare vraag over Burundi. Ik heb zelf regelmatig contact met mensenrechtenactivisten in Burundi. Zij vertellen mij dat de situatie aldaar eerder slechter dan beter wordt. Is het juist dat Nederland ook in 2012 weer programma's zal financieren in de veiligheidssector? In de huidige situatie heeft mijn fractie daar grote twijfels over. Graag een reactie van de staatssecretaris. Er staat hulp aan Jemen op de begroting, maar in dat land is een opstand uitgebroken. Hoe realistisch is het begrote bedrag in de huidige situatie?

Wij bieden voor een enorm bedrag aan hulp aan Indonesië, een land dat zich gelukkig heel goed weet te redden zonder ons. Het land is zelfs lid van de G20, dat gezelschap waarin wij onze klapstoel zijn kwijtgeraakt. In de 60 jaar sinds de bevrijding van de Nederlandse bezetting heeft het land meer bereikt dan in 350 jaar koloniale bezetting door Nederland. Een fors bedrag staat gereserveerd voor goed bestuur in Indonesië. Waar is dat geld eigenlijk voor bedoeld? De oude koloniale bezetter geeft hulp voor goed bestuur! Ik kan mij voorstellen dat de historisch belezen staatssecretaris daar ook wel de ironie van kan inzien. Maar ziet hij er ook de zin van in? Ik niet! Graag een reactie, want deze hulp lijkt mij gelukkig overbodig. Die hulp kan beter elders worden gebruikt en dat soort hulp is de allermooiste hulp.

Mevrouw Ferrier (CDA): Voorzitter. Volgens mijn fractie gaat ontwikkelingssamenwerking over menselijke waardigheid. Dat is een centraal punt in het christendemocratische gedachtegoed. Dat punt blijft onverkort overeind staan, ook in economisch zware tijden. Wij vinden dat mensen die het minst oorzaak zijn van de financiële crises, ook het minst slachtoffer daarvan mogen worden.

Ontwikkelingssamenwerking draagt bij aan de zelfredzaamheid van mensen en biedt mensen een kans om eigen keuzes te maken. Gelijkwaardigheid moet daarbij steeds belangrijker worden in de relaties met ontwikkelingslanden. Dat kan ook niet anders als je de potentie van die landen ziet, ook in Afrika. De CDA-fractie roept de premier via de staatssecretaris op het groeiend belang van Afrika te onderkennen door op korte termijn een bezoek te brengen aan een van de partnerlanden van Nederland.

De heer Driessen (PVV): Ik hoor mevrouw Ferrier spreken over menselijke waardigheid en over slachtoffers. Dat is allemaal heel mooi, maar wat zijn de woorden van mevrouw Ferrier eigenlijk waard als wij ons bedenken dat zij vorig jaar de partij van Desi Bouterse, van de crimineel Desi Bouterse, feliciteerde met zijn verkiezingsoverwinning?

Mevrouw Ferrier (CDA): Voorzitter. Dan moet ik toch echt in herhaling vervallen. Misschien is het een goed idee om een keer bij de PVV-fractie langs te gaan. Dan kan ik het alle 24 fractieleden in één keer uitleggen en hoeven ze het mij niet allemaal omstebeurt te vragen.

De voorzitter: U hebt het inderdaad nog geen week geleden in een debat over Suriname een collega van de heer Driessen uitgelegd.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik zal het nog een keer uitleggen. Het is een kwestie van politiek fatsoen! Hoe treurig je je ook voelt omdat je zelf hebt verloren: als een partij een verkiezingsoverwinning boekt, dan moet je die partij met haar zetelwinst feliciteren. Daarom heb ik na de overwinning van de NDP in Suriname in een tussenzin gezegd dat deze partij een goede campagne heeft gevoerd. Ik heb de NDP toen ook gefeliciteerd met haar overwinning, hoewel het overigens niet de eclatante overwinning was waarop deze partij had gehoopt.

Ik heb de heer Bouterse nooit gefeliciteerd! Net als in het geval van de NDP heb ik de PVV gefeliciteerd met haar verkiezingswinst. Ik heb dat ook gedaan met de Partij van de Arbeid en de VVD. Maar ik heb niet de heer Wilders, niet de heer Cohen en niet de heer Rutte persoonlijk gefeliciteerd met hun overwinning.

Voorzitter. Het is een kwestie van politiek fatsoen! Ik neem het voor de PVV-fractie wel op een bandje op, want dan kunnen ze het op hun gemak nog een keer afluisteren.

De heer Driessen (PVV): Met alle plezier. Wij krijgen nooit genoeg van mevrouw Ferrier.

Mevrouw Ferrier (CDA): Dan kom ik persoonlijk langs!

De heer Driessen (PVV): Dat is misschien weer iets teveel van het goede.

Ik zei zojuist dat mevrouw Ferrier de partij van Desi Bouterse heeft gefeliciteerd en zelfs dat lijkt mij helemaal niet kies. Volgens mij was mevrouw Ferrier ook het enige Kamerlid dat dat heeft gedaan. Mevrouw Ferrier maakte in het verlengde hiervan ook nog eens een vergelijking tussen de veroordeelde crimineel Bouterse en mijn fractievoorzitter, de heer Wilders. Daardoor wordt het natuurlijk alleen nog maar erger.

De voorzitter: Ook op dat laatste punt hebt u al eerder gereageerd, mevrouw Ferrier. U hoeft hier wat mij betreft dan ook niet op in te gaan.

De heer El Fassed (GroenLinks): Mevrouw Ferrier reageert heel fel. Dat doet echter niets af aan het feit dat de ontwikkelingsbegroting intussen een grote grabbelton is geworden. Zo zegt mevrouw De Caluwé dat er wel wat meer naar Defensie kan. Minister Verhagen wil heel graag zijn bedrijfsleven spekken met geld uit die grabbelton en ondertussen roept Wilders bijna elke dag op Twitter dat die hele begroting van tafel kan. Waarom hoor ik mevrouw Ferrier nooit zo fel over de 0,7% bnp?

Mevrouw Ferrier (CDA): Het staat in het regeerakkoord. Het staat in het verkiezingsprogramma van het CDA. Waarom moet ik iedere dag herhalen wat er in ons verkiezingsprogramma staat? Andere partijen doen dat wel, maar wij doen dat niet. Het is voor ons gewoon 0,7% van het bnp. Dat is de internationale afspraak en mijn partij houdt zich daaraan. Dat hoef ik niet iedere dag te bevestigen.

De voorzitter: Dat hebt u bij dezen toch alsnog gedaan. Voor de heer El Fassed is dat nog steeds onvoldoende?

De heer El Fassed (GroenLinks): Als de eigen staatssecretaris zegt dat onder druk alles vloeibaar wordt en nota bene de fractie van GroenLinks met de fractie van de ChristenUnie een motie moet indienen om die 0,7% te handhaven, dan vraag ik mij af waarmee het CDA bezig is.

Mevrouw Ferrier (CDA): Het CDA heeft die motie gesteund. Als andere fracties daarover een motie willen indienen, dan kunnen zij dat natuurlijk doen. Dat is conform hetgeen in het verkiezingsprogramma en het regeerakkoord staat, waarvan iedereen weet dat het voor mijn partij van groot belang is. Omdat het voor mijn partij van groot belang is dat wij ons houden aan de internationale afspraken, heeft mijn fractie die motie natuurlijk gesteund. Het is echter niet iets waarvan de CDA-fractie vindt dat zij het iedere dag moet verdedigen. Het is een vanzelfsprekendheid.

Mevrouw Hachchi (D66): Voorzitter. Kan ik het antwoord van mevrouw Ferrier zo vertalen dat als er volgend jaar extra bezuinigingen komen, de hele CDA-fractie de rug recht zal houden en de norm op 0,7% blijft?

Mevrouw Ferrier (CDA): Wij bespreken nu de begroting van 2012. Ik hoor geluiden aan mijn linkerkant; kijken andere leden daarvan op? Wij bespreken de begroting van 2012. Daarin wordt keurig netjes uitgegaan van 0,7% bnp voor armoedebestrijding. Ik kan niet in de toekomst kijken. Stel dat er een verschrikkelijke ramp gebeurt en wij veel meer dan 0,7% moeten inzetten voor het bestrijden van de gevolgen van die ramp? Ik ga daarop niet vooruitlopen. Ik zeg wel, en dat blijf ik doen, dat mijn partij staat voor betrouwbaarheid, ook op internationaal gebied. Mijn partij hecht aan de rol die Nederland speelt op internationaal gebied. Er is een afspraak gemaakt met de internationale gemeenschap, namelijk 0,7%, en daar staat mijn partij voor. Ik zeg niet dat onder druk alles vloeibaar wordt. Ik kan daarop niet vooruitlopen omdat ik niet weet in welke situaties wij nog terechtkomen. Dat is ook geheel in lijn met wat door mijn partij altijd gezegd is.

Mevrouw Hachchi (D66): Het is goed dat mevrouw Ferrier heel duidelijk is en zegt dat wij nu de begroting van 2012 bespreken. Zij wil niet in de toekomst kijken. Zij heeft op 16 september echter gezegd dat extra bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking onbespreekbaar zijn. Zij was daarover heel helder. Ik zou het prettig vinden, zeker op een dag als vandaag waarop wij de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking bespreken met elkaar, als zij die boodschap ook nu weer helder zou uitspreken in plaats van te zeggen: ik wil niet verder kijken dan 2012. Zij was zo helder: extra bezuinigingen zijn onbespreekbaar.

Mevrouw Ferrier (CDA): Natuurlijk staat die 0,7% er niet alleen voor volgend jaar. In ons verkiezingsprogramma staat dat die geldt voor de komende tijd. Wij houden daaraan vast; laat dat duidelijk zijn.

De voorzitter: Gaat u verder mevrouw Ferrier. U was nog maar amper begonnen.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik hoop niet dat dit allemaal van mijn spreektijd gaat want ik heb mijn minuutjes hard nodig.

Mijn complimenten aan de staatssecretaris voor de voortvarendheid waarmee hij de beleidsvoornemens aanpakt en uitvoert, en voor de wijze waarop hij gehoor geeft aan oproepen vanuit de Kamer. Ik denk hierbij aan wat voor mijn fractie de kern van de modernisering van het beleid moet zijn: coherentie van het beleid en vergroening van het ontwikkelingsbeleid. Wij hebben dat in moties vastgelegd en wij wachten op de toegezegde voorstellen die ons, zoals in de brief staat, uiterlijk over een paar maanden zullen bereiken. Er zijn coherentierapportages gevraagd van drie landen. Daarmee wordt in praktijk gebracht wat zo belangrijk is voor de uiteindelijke modernisering.

Inmiddels hebben wij de landenlijst en de sectoren bepaald. De staatssecretaris is voortvarend aan het werk gegaan maar de uitvoering is op een aantal punten nog niet uitgewerkt. Ik noem een aantal aandachtspunten. Het uitfaseringsbeleid. Ik heb de zorgen van mijn fractie uitgesproken met name over de onderwijsprogramma's. Het CDA heeft gepleit voor budgetflexibiliteit voor 2012–2014. Het is goed om te lezen dat de staatssecretaris dit mogelijk maakt.

Cruciaal zijn de afspraken met donoren. Vanochtend lazen we in de krant over Burkina Faso; collega Irrgang heeft het daarover al gehad. Vijf donoren trekken daar weg. We lazen in de brief over de afspraak met de Denen over Benin. Zij zouden het onderwijsprogramma overnemen; nu blijkt tot onze verrassing dat ze helemaal het land uit gaan. Kortom, goede donorcoördinatie is prioritair voor een verantwoorde uitfasering. Kan de staatssecretaris zeggen hoe het daar concreet mee staat?

Ik kom bij het bedrijfsleveninstrumentarium. Rapporten die het afgelopen jaar zijn verschenen, bijvoorbeeld het World Development Report over fragiele staten en de veiligheid van burgers en zeker het Wereldbankrapport over gender equality, zijn heel duidelijk: productieve sectoren zijn van wezenlijk belang voor ontwikkeling. Het is dus belangrijk om het bedrijfsleven erbij te betrekken. De vraag blijft: creëren we nu echt structurele groei en banen? Hoe wordt dit geëvalueerd? Recente evaluaties zijn er niet altijd duidelijk over. Wanneer kunnen we de evaluatie verwachten op grond waarvan besloten is tot ophoging van het budget voor het bedrijfsleven? Het is heel goed dat de staatssecretaris zo duidelijk aangeeft dat ontwikkelingssamenwerking vraaggestuurd is en dat het Nederlands bedrijfsleven een middel is en niet het doel van ontwikkelingssamenwerking. Van belang is met name ook het mkb. Wij hebben daarvan goede voorbeelden gezien tijdens ons werkbezoek aan Kenia en Mozambique.

De SER pleit in zijn rapport Ontwikkeling door duurzaam ondernemen voor de versterking van de enabling environment: de randvoorwaarden die nodig zijn om tot duurzame ontwikkeling te komen. Nu het budget voor het bedrijfsleven wordt uitgebreid, moet we daaruit geld vrijmaken voor het verbeteren van precies die enabling environment. Daarbij verdienen ontwikkelingen als versterking van sociale partners en land en water grabbing extra aandacht. Het gaat om het bevorderen van kadasters, zodat bijvoorbeeld gemeentes weten bij wie welk land hoort. Dat is een basisvoorwaarde voor local economic development. Organisaties als de VNG en MKB-Nederland pleiten hier ook voor en hebben goede expertise op dat gebied.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen vinden bedrijven zelf ook van belang. Het bedrijfsleveninstrumentarium heeft nu betrekking op 66 landen. Hoe wordt er in die landen getoetst op ontwikkelings- en duurzaamheidsrelevantie? Welke prestatie-indicatoren zitten erin en hoe worden die gemonitord? Het CDA vindt dat er positieve prikkels moeten komen die duurzame, groene activiteiten uitlokken en belonen, bijvoorbeeld door middel van bonuspunten bij de beoordeling van aanvragen, of het aanpassen van selectiecriteria. De OESO heeft guidelines opgesteld. Mijn fractie vindt die van groot belang. Ze zijn het meest effectief en haalbaar als ze worden ingepast in bestaande regelgeving. Hoe gaat de staatssecretaris met die OESO-guidelines om? We hebben het al eerder gehad over de voluntary principles. Hoe passen die in dat kader? Het hoofdkantoor komt in Nederland. Hoe gaat de staatssecretaris bevorderen dat meer landen de voluntary principles onderschrijven?

In het kader van de verduurzaming van het ontwikkelingsbeleid heeft de CDA-fractie bij de vorige begrotingsbehandeling en het debat over de focusbrief haar uitgangspunt duidelijk gemaakt: het gaat om rentmeesterschap. Dit is voor ons een centraal uitgangspunt voor een toekomstig en toekomstbestendig ontwikkelingsbeleid. Niet als vijfde thema, maar als basisoriëntatie voor modern ontwikkelingsbeleid. Niet als toefje op de taart, maar als taartbodem. Als iets duidelijk is geworden uit onze recente reis naar Afrika, dan is het dat respect voor ecosystemen, bossen en biodiversiteit, en de daarmee verbonden water- en voedselbeschikbaarheid en de impact op het klimaat, een essentiële basis is voor groei en stabiliteit. Dat stelt ons wel voor nieuwe uitdagingen en duurzame keuzes, ook binnen het lopende beleid.

De voorbereidingen voor de wereldtop over duurzame ontwikkeling, Rio +20, zijn in volle gang. We verwachten van Nederland, en daarmee van de minister-president en deze staatssecretaris, een constructieve inzet. Graag een reactie.

Wij zijn blij dat deze staatssecretaris het belang van duurzame ontwikkeling uitdraagt en bereid is gehoor te geven aan de moties die in de Kamer zijn aangenomen. Ik heb daar nog wel een paar vragen over, te beginnen bij de meerjarenlandenprogramma's. Kan de staatssecretaris aangeven welke duurzaamheidscriteria hierbij gebruikt zijn en hoe deze terugkomen in de jaarlijkse strategieën? Ze worden namelijk beoordeeld op hun kwaliteit en beleidsrelevantie. Kan de staatssecretaris aangeven wanneer wij het door hem toegezegde ontwikkelings- en uitvoeringsplan voor de verduurzaming van het ontwikkelingsbeleid kunnen verwachten? Hoe zit het met de nadere invulling van de toegezegde landenpilots? Wij gaan ervan uit dat deze een start maken in 2012. Graag horen wij meer, ook over het achterliggende stappenplan.

Zoals ik eerder zei, strekt het betrachten van duurzaamheid binnen ontwikkelingssamenwerking verder dan vijftien landen en vier thema's. Er moet ook gedacht worden aan het bedrijfsleveninstrumentarium, aan de multilaterale programma's en de beleidsdialoog met partners. De capaciteit en de deskundigheid op het departement en op de posten op het gebied van milieu en ecosystemen moeten de komende jaren worden versterkt, willen wij succesvol kunnen verduurzamen en vergroenen.

Dan kom ik bij Sudan, een land waar veel gebeurd is. Nederland is nauw betrokken bij het CPE. In Zuid-Sudan is afstemming van donoren van groot belang, dé testcase voor Europa. Het komt er nu op aan wat democratisering en bevordering van sterk en goed bestuur betreft. In deze specifieke situatie van staatsvorming moet dat meer zijn dan een dwars doorsnijdend thema. Een goede basis is vereist voor focus op welk inhoudelijk thema dan ook. Er wordt in maart 2012 een conferentie belegd om te spreken over de economische ontwikkeling en schuldkwijtschelding van Sudan. De CDA-fractie gaat ervan uit dat verbetering van de mensenrechten in dat land een minimale voorwaarde is. Ik overweeg een motie op dit punt.

Het volgende punt is Afghanistan. De 3D-benadering heeft goed gewerkt in Uruzgan. Wij zien uit naar de eindevaluatie en wat wij daarvan kunnen leren. Het blijkt dat ook na 2014 in Afghanistan een ontwikkelingsrelevante inzet van belang zal zijn. In Kunduz zetten wij in op het versterken van de rechtsorde in de fragiele staat. Dat is ook een van de speerpunten van het beleid. In de HGIS-nota zien wij dat er een verhoging komt op dit speerpunt. Dat is heel goed; Nederland is hier heel goed in. Wij hebben echter nog geen beleidsvoorstellen. De nota op grond waarvan het werk wordt uitgevoerd, de strategie veiligheid en ontwikkeling, loopt van 2008 tot 2011. Wij hebben nog geen vervolg gezien. Kan de staatssecretaris dit toezeggen?

Het volgende punt is gender. Het CDA is de enige politieke partij die in haar verkiezingsprogramma het belang van de uitvoering van Veiligheidsraadresolutie 1325 ...

De heer El Fassed (GroenLinks): De enige?

Mevrouw Ferrier (CDA): In ons verkiezingsprogramma. Volgens mij wel.

De voorzitter: Mevrouw Ferrier, gaat u verder.

Mevrouw Ferrier (CDA): Door de omwenteling in de Arabische regio zie je dat inzet op vrouwen juist daar van groot belang is. Wij zien graag de concretere invulling van dit beleid deze kant opkomen.

Dan kom ik bij het onderwerp kennis. De CDA-notitie over ontwikkelingssamenwerking en het WRR-rapport zijn er heel duidelijk over: als er één ding is dat wij op peil moeten houden, dan is het wel onze kennisinfrastructuur op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. De WRR, deze staatssecretaris geen onbekend gremium, stelt dat wij 6% van ons budget moeten besteden aan kennis. Dat zou neerkomen op 250 mln. Het is heel goed dat er in de kennisbrief sprake is van een vijfde kennisplatform. De CDA-fractie wil niet dat wij onze kennis verengen tot alleen die vier speerpunten. Dat geldt ook voor die 300 mln. die wij beschikbaar hebben voor de topsectoren. Dat geld moet breder besteedbaar zijn dan alleen voor die vier speerpunten. Het is heel goed om te zien dat de staatssecretaris in de kennisbrief schrijft over de gouden piramide, en niet de gouden driehoek. Het gaat immers om vier actoren: de overheid, de wetenschap, het bedrijfsleven en ook het maatschappelijk middenveld, de ngo's. Daar zit de kracht, in de samenwerking, de synergie van die vier.

Ontwikkelingssamenwerking gaat over zelfredzaamheid. Daarom is de nodige kennis ter plaatste een voorwaarde voor ontwikkeling. We hadden het al eerder over de «enabling environment», waar ook het SER-rapport op wijst. In dat kader hecht de CDA-fractie eraan dat studenten uit ontwikkelingslanden de kans krijgen om op de zeer succesvolle kenniscentra hier in Nederland te studeren. De beurzenprogramma's blijken erg effectief te zijn. We komen overal ter wereld oud-studenten tegen en het blijken onze beste ambassadeurs te zijn. Korting op het NFP/Nuffic-programma wil mijn fractie dan ook middels een amendement gedeeltelijk ongedaan maken.

De voorzitter: Kunt u afronden?

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik heb nog twee puntjes, voorzitter.

De voorzitter: Kort dan, want u zit tegen uw tijd aan.

Mevrouw Ferrier (CDA): Het maatschappelijk middenveld blijft voor het CDA van grote betekenis. Dat hangt samen met het uitgangspunt van menselijke waardigheid, maar ook met effectiviteit. Niemand minder dan Collier stelt dat in Afrika 80% van de basisvoorzieningen in elkaar storten als de particuliere organisaties, veelal religieus geïnspireerd, zouden wegvallen. Het is dan ook curieus dat het ESBOS-loket nu al is gesloten. Juist die kleinere initiatieven, die spontaan uit de samenleving ontstaan en die soms met heel weinig geld enorm veel voor elkaar krijgen, verdienen onze aandacht. Het CDA vraagt de staatssecretaris hoe hij tegen deze initiatieven aankijkt, hoe hij die wil stimuleren en, iets breder, hoe hij de bureaucratie waarmee het maatschappelijk middenveld wordt lastiggevallen kan verminderen.

Ten slotte het punt van ontwikkelingssamenwerking na 2015. We moeten daar nu over nadenken. De staatssecretaris heeft al belangrijke stappen gezet. Of wij succesvol zijn en echt het verschil maken, moet ook in de landen zelf worden beoordeeld. Ik roep opnieuw de staatssecretaris op om ook de kennisinstituten in die landen daarvoor in te zetten.

Er wordt van alles gezegd over ontwikkelingssamenwerking, voorzitter. De CDA-fractie heeft nooit de ogen gesloten voor wat er niet goed ging. Daar hebben we van geleerd; het beleid is voortdurend op effectiviteit aangepast. Mijn fractie ziet vooral ook dat opmerkelijke succes dat zich de laatste twintig jaar voltrekt van Latijns-Amerika tot Azië, en nu ook in een aantal Afrikaanse landen. Dat succes heeft natuurlijk vele vaders, maar in ieder geval in een aantal landen waar een evenwichtige Nederlandse relatie bestond, via het maatschappelijk middenveld, het bilaterale en het multilaterale kanaal, heeft die relatie aantoonbaar een essentiële bijdrage geleverd aan wat een uniek fenomeen genoemd mag worden in de menselijke geschiedenis: grote bevolkingstoename die hand in hand ging met armoedereductie. Ontwikkelingssamenwerking is niet mislukt.

Mevrouw Dikkers (PvdA): We weten na het debat over Mauro wat de woorden van het CDA waard zijn als het gaat over menselijke waardigheid, maar dat is niet echt het punt dat ik nu wil maken.

Ik hoor mevrouw Ferrier mooie woorden spreken over steun, over Burkina Faso waar het onderwijsprogramma wordt afgebroken en dat dat niet kan, over het feit dat onderwijs heel belangrijk is en dat rentmeesterschap belangrijk is, over de taartbodem en dergelijke teksten. Waar zijn echter de amendementen van Mevrouw Ferrier? Ik heb er alleen een gezien om het kennisbudget omhoog te houden en studenten hier te laten studeren. Er wordt echter op veel meer onderdelen bezuinigd. Er zijn heel grote projecten waar destijds ook het CDA de handtekening onder heeft gezet en die nu allemaal «down the drain» gaan. En dat gebeurt allemaal in een periode waarin er een CDA-bewindspersoon aan de macht is met steun van mevrouw Ferrier. Waar is het CDA waar het gaat om het omhooghouden van ontwikkelingssamenwerking?

Mevrouw Ferrier (CDA): Het CDA is hier, in de vorm van mijzelf en de staatssecretaris. Het CDA is op vele plekken. Ik wil mevrouw Dikkers oproepen om niet zo negatief te zijn. Ze heeft ook nog niet alles gezien waarmee ik kom. Ik vind ook een aantal accenten in het beleid van belang. Ik heb een aantal moties in voorbereiding. Ik ben heel benieuwd hoe de staatssecretaris gaat reageren. Ik wijs mevrouw Dikkers er ook op dat dit gesprek van zes uur dat we vandaag voeren met de regering niet een beetje voor de bühne is. Ik laat mij graag overtuigen door de staatssecretaris. Wanneer ik zeg dat duurzaamheid voor mij niet een toefje op de taart is maar de taartbodem, krijg ik graag toezeggingen van hem. Als het nodig is, heb ik ook een amendement. Zeker, ik heb een amendement over het beurzenprogramma. Ik kan niet het gehele bedrag goedmaken. Dat had ik graag gewild, maar als je in de politiek zit, moet je gevoel hebben voor realiteit. Je kunt een euro maar één keer uitgeven. Helaas betekent dat, zeker vandaag de dag, dat je keuzes moet maken. Er staat een aantal posten op de begroting waaruit ik geen geld wil halen, bijvoorbeeld de uitfaseringsgelden. Ik heb net aan de staatssecretaris duidelijk gemaakt dat ik meer flexibiliteit wil op dat punt. Ik vind het dus een beetje te kort door de bocht om te zeggen dat ik het beleid down the drain laat gaan als ik niet met vijf amendementen kom. De grote uitdaging voor ons allemaal is juist nu om scherpe keuzen te maken, om met het beschikbare budget de goede dingen te doen. Je moet nu eenmaal keuzen maken. Je kunt niet alles.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Ik begrijp nu dat de keuzen die de staatssecretaris maakt ook die van de CDA-fractie zijn. Dit betekent een intensivering van het bedrijfslevenprogramma, uitfasering van onderwijs in Burkina Faso ondanks eerdere toezeggingen van de staatssecretaris dat daar andere donoren onderwijs zouden blijven financieren, en een groter beslag op deze aarde, zodat ook op duurzaamheidsgebied weinig te halen valt van ontwikkelingslanden.

Mevrouw Ferrier (CDA): Dan luistert mevrouw Dikkers niet naar wat ik net heb gezegd en leest zij de brieven niet die de staatssecretaris naar de Kamer heeft gestuurd. Daarin zie je heel duidelijk dat op een aantal punten die ik belangrijk heb genoemd, zoals de vergroening van het ontwikkelingsbeleid, wel degelijk concrete stappen zijn gezet. Zoals ik net heb gezegd, vind ik het heel belangrijk dat die stappen alleen goed kunnen worden gezet als de nodige deskundigheid op het departement en de ministeries aanwezig is en wordt versterkt. Als dat gebeurt, zie ik helemaal niet waarom het allemaal down the drain gaat. Er zijn genoeg zaken die de kant opgaan die de vorige bewindspersoon, minister Koenders voor Ontwikkelingssamenwerking, heeft aangegeven, ook wat het bedrijfsleven betreft. Mevrouw Dikkers doet nu net of het bedrijfsleven alleen maar slecht is. Ik heb daarover uit haar partij ook heel andere geluiden gehoord. Nogmaals, wij moeten het allemaal goed toetsen, maar zij is veel te somber, en ik ben te lang van stof.

De voorzitter: Zeker. Naar aanleiding van dit lange antwoord vraag ik u allen om zowel de vragen als de reacties op de vragen kort te houden, anders wordt het een héél lange avond.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Van mij een aantal korte vragen. Ik heb van mevrouw Ferrier begrepen dat de 0,7% overeind blijft, niet alleen dit jaar, maar ook de komende jaren, zolang dit kabinet er zit. Ik hoop dat wij vandaag dezelfde geluiden van de staatssecretaris zullen horen en dat ook bij hem hard de deur dicht gaat voor de PVV-fractie. Geen extra bezuiniging op OS. Mevrouw Ferrier heeft gezegd dat de uitfasering niet goed gaat. Ik zal samen met mevrouw Ferrier luisteren naar de staatssecretaris over het scherp in de gaten houden van de dekking door andere donoren als Nederland daar uitfaseert.

Mijn vragen gaan over twee andere onderwerpen: de noodhulp en MFS II. Samen met mevrouw Ferrier hebben wij vorig jaar via een amendement de grote bezuiniging van 50 mln. met 10 mln. gedeeltelijk teruggedraaid. Ik heb haar daarover deze keer niet gehoord. Is zij bereid om de reparatie van vorig jaar ook dit jaar uit te voeren? Dat betekent dat wij de bezuiniging met 10 mln. terugdraaien. Ik wil ook de mening van de CDA-fractie horen over het noodhulpbudget, dat enorm wordt teruggedraaid.

De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Voordewind. U gaf een goed voorbeeld van wat geen korte vraag is. Dit is ook bedoeld voor het vervolg.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik zal kort antwoorden. Wat het medefinancieringsstelsel betreft, heb ik het idee dat het maatschappelijk middenveld op voorbeeldige wijze bezig is zichzelf te reorganiseren. Wel zie ik en heb ik ook gezegd dat de SBOS, de opvolger van de NCDO, is uitgeput. Dit was juist de plek waar kleine initiatieven geld en ondersteuning konden krijgen. Daarover ben ik wel bezorgd. Ik hoor graag de reactie van de staatssecretaris. Wat het noodhulpprogramma betreft zal ik met belangstelling kijken naar het amendement van de heer Voordewind. Maar nogmaals, ik kijk ook heel kritisch naar waar het geld vandaan komt.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Wat MFS II betreft is het een gegeven dat organisaties zich aanpassen aan de realiteit aan deze kant van de tafel. Dat wil echter niet zeggen dat men nog steeds staat te juichen om die 50 mln. in te leveren. Vorig jaar heeft mevrouw Ferrier zich hard gemaakt om die 50 mln. terug te draaien. Ik heb met collega Van der Staaij een amendement in de maak voor MFS II. Is de CDA-fractie bereid om daarnaar welwillend te kijken?

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik bekijk alle voorstellen van mijn collega's welwillend. Als wij ergens geld vandaan zouden kunnen halen, is het misschien effectiever om het aan een concreet doel te besteden, zoals wordt voorgesteld in het amendement dat ik met collega Van der Staaij heb ingediend. Ik zal er echter welwillend naar kijken.

Mevrouw Hachchi (D66): Voorzitter. Vooraf merk ik op dat ik niet twitter tijdens debatten. Mevrouw Dikkers doet dit wel. Zij geeft aan dat de PvdA-fractie niet bezuinigt op ontwikkelingssamenwerking omdat zij uitgaat van 0,8%. Ook de D66-fractie bezuinigt niet op ontwikkelingssamenwerking. Ook in ons verkiezingsprogramma staat de 0,8%. Het gaat om de tegenbegroting, waarin de D66-fractie 400 mln. van de bezuinigingen terugdraait, terwijl de PvdA-fractie nul euro terugdraait. Dat wil ik vooraf opmerken. Wil mevrouw Dikkers reageren?

De voorzitter: Daar gaat u niet over, mevrouw Hachchi.

Mevrouw Hachchi (D66): «Armste landen steeds minder afhankelijk van steun» kopte de voorpagina van de Volkkrant begin september. «Ontwikkelingslanden zijn de nieuwe landen» kopte Trouw begin van deze maand. De strekking van de artikelen en de onderzoeken waarop deze gebaseerd zijn, is dat ontwikkelingssamenwerking werkt, maar dat het niet vanzelf gaat. De wereld verandert, en snel ook. De ontwikkelingssector moet zich blijven aanpassen en dat gebeurt gelukkig ook.

De rol van de overheid en het bedrijfsleven moet veranderen. Het kabinet wil hierop inspelen. Het kabinet wil, zoals de staatssecretaris vorige maand zo mooi zei in zijn toespraak op de Afrikadag – ik heb die toespraak nog eens gelezen – een nieuwe architectuur, een nieuw huis voor internationale verantwoordelijkheid. Het was een goede speech, met visie – eindelijk, zou ik bijna zeggen – maar waar is de rol van Nederland? Hoe ziet het kabinet zichzelf hierin? In het regeerakkoord is het duidelijk dat het kabinet alleen op basis van de kaasschaafmethode honderden miljoenen wilde bezuinigen. Daarna pas kregen wij de onderbouwing, de argumentatie. Allereerst kregen wij de basisbrief en de focusbrief, maar daarna moesten wij een jaar wachten op de globaliseringsbrief, de uitfaseringsbrief, de kennisbrief, de genderbrief en de brief over de regionale benadering. Het gaat hier om cruciale thema's. In de brieven worden weer nieuwe keuzes gemaakt. Een aantal is goed, een aantal is niet goed en een aantal is vaag. In mijn inbreng zal ik stilstaan bij de punten die mijn fractie het belangrijkst vindt.

Allereerst – vorig jaar begon ik er ook mee – vraag ik aandacht voor de coherentie. Nederland en de Europese Unie hebben in verschillende verdragen, waaronder het verdrag van Lissabon, afgesproken dat op alle beleidsterreinen rekening moet worden gehouden met de belangen van ontwikkelingslanden. Ondanks herhaalde oproepen en halve toezeggingen, gebeurt dit veel te weinig. Als wij kijken naar maatschappelijk verantwoord ondernemen, klimaat, belastingontwijking, wapenexport, maar ook landbouw en visserij, dan zien wij dat de staatssecretaris nauwelijks een rol speelt, terwijl ook hier de OS-component een belangrijke rol speelt. Vorige week hebben wij een debat over landbouw in ontwikkelingslanden gevoerd. Staatssecretaris Knapen erkende dat gender nog niet duidelijk genoeg terugkomt in het beleid. Collega-staatssecretaris Bleker nam niet eens de moeite in zijn inbreng aandacht te besteden aan gender. Er is dus geen sprake van coherentie binnen het kabinet. Deelt de staatssecretaris de mening dat dit beter moet?

Waar blijft Europa in het coherentieverhaal? Met uitzondering van misschien een of twee fracties is iedereen het erover eens dat de Europese Unie niet een soort 28ste donor moet zijn. Wanneer gaan wij hier echt werk van maken? Wij praten er wel over, maar ik zie geen actie.

Dit kabinet zou een visie ontwikkelen op globalisering, op global public goods. Wij moesten een jaar wachten, maar wat kregen wij? Twee A4'tjes met procedures. Ik vraag de staatssecretaris: is dit het nu? Is dit de wijze waarop het kabinet de globalisering ziet? Er is geen visie te bekennen. En waarom moest het zo lang duren? Kon de staatssecretaris die twee A4'tjes niet eerder naar de Kamer sturen? In dat geval hadden wij tenminste geweten waar wij aan toe waren.

Behalve de coherentie van het kabinetsbeleid is ook de balans bij de staatssecretaris zoek. Binnen de driehoek of de piramide overheid-bedrijfsleven-maatschappelijke organisaties focust dit kabinet te veel op het bedrijfsleven. De D66-fractie vindt het bedrijfsleven belangrijk voor duurzame ontwikkeling, vooral als het lokale bedrijven in de private sector in landen ondersteunt en ontwikkelt. Ondanks een bezuiniging van bijna 1 mld. stijgt het budget voor het bedrijfsleven in de komende vier jaar van 600 mln. naar 900 mln. per jaar. De D66-fractie vindt dit disproportioneel. Het kabinet lijkt te vergeten dat de mate waarin het bedrijfsleven succesvol kan zijn, sterk afhankelijk is van de context waarin de bedrijven opereren. Wij moeten inzetten op versterking van de maatschappelijke organisaties in ontwikkelingsprocessen. De staatssecretaris moet daar politieke ruimte voor creëren en daar geld voor vrijmaken.

De staatssecretaris zou terugkomen op de in de Eerste Kamer ingediende motie die de bezuiniging op het MFS terugdraait. Kan hij aangeven hoe hij binnen het beleid voor 2012 uiting heeft gegeven aan de meerwaarde van het maatschappelijk middenveld?

Het bedrijfsleven was geen prioriteit, maar is dat in de praktijk natuurlijk wel geworden met 300 mln. extra, terwijl er bij een afgesproken prioriteit geld af gaat, namelijk bij seksuele reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). D66 zal amendementen steunen die geld verplaatsen van het bedrijfsleven naar SRGR. Daarnaast wil zij binnen het instrument voor het bedrijfsleven enkele aanpassingen. Kan er meer aandacht komen voor de enabling environment? Kan de staatssecretaris premie geven aan bedrijven die samenwerken met maatschappelijke organisaties? Dat kunnen wat D66 betreft Nederlandse organisaties zijn, maar ook lokale organisaties.

Tussen de 2% en 4% van het budget van ngo's gaat naar monitoring en externe evaluatie. Klopt het dat dit veel lager is voor het bedrijfsleven? Kan de staatssecretaris toezeggen dat dit gelijk wordt getrokken? Dat is ook in het belang van het bedrijfsleven, want ook dat krijgt te maken met mislukkingen en successen waaruit lessen geleerd moeten worden. Als het gaat om de controle op ontwikkelingsorganisaties is het kabinet streng en staan doelstellingen en ontwikkelingsrelevantie centraal. Maar bij het bedrijfsleven wordt alleen gewezen op OESO-richtlijnen en controle achteraf. Waarom niet of beide streng of beide soepel? D66 is van mening dat beide soepel moeten worden gemaakt met controle achteraf. Nu moeten ook ontwikkelingsorganisaties voor noodhulp, wederopbouw en ontwikkeling verschillende trajecten langs. Dit kan veel efficiënter. Voor degene die het niet weten: de ngo-sector is voor veel minder dan de helft overheidsgefinancierd. Ik kijk in dit verband ook in de richting van mevrouw De Caluwé. Op al deze punten overweeg ik moties in te dienen, maar ik ben benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris.

Ik kom bij de seksuele reproductieve gezondheid en rechten ofte wel SRGR. Alle prioriteiten stijgen qua budget, behalve SRGR. De fractie van D66 heeft zich er altijd sterk voor gemaakt om SRGR te prioriteren. Deze rechten zijn essentieel voor eigen keuzes als het gaat om voortplanting, bescherming van seksuele minderheden zoals homoseksuelen, gendergelijkheid, het terugdringen van moedersterfte, het bestrijden van ongewenste zwangerschap en het tegengaan van verspreiding van hiv en aids. Juist hier kan Nederland een voortrekkersrol spelen, maar het ziet ernaar uit dat de staatssecretaris goochelt met het hiv-aidsbudget. Kan de staatssecretaris dit uitleggen?

Ik heb een amendement ingediend om 10 mln. aan het SRGR-budget toe te voegen. ORIO zal stijgen van 140 mln. tot 180 mln. en wat D66 betreft, wordt dit een kleinere stijging en krijgt SRGR er in ieder geval 10 mln. bij. De andere amendementen die korting op SRGR willen repareren, steunen wij ook.

Ik kom op gender. Vrouwen zijn de motor van duurzame ontwikkeling. Het verbeteren van de positie van vrouwen is een van de meest structurele manieren om de ontwikkeling in arme landen te realiseren. Ook in 2011 lopen de millenniumdoelen 3, 5 en 7 nog steeds achter. Het kabinet heeft deze prioriteit de afgelopen jaren laten liggen en de Kamer heeft daarom gevraagd om een nadere uitwerking in de genderbrief. Ik ben tevreden over deze brief, maar zoals ik eerder aangaf, gaat gender mainstreaming niet vanzelf. Ook worden vrouwen in de genderbrief nog te vaak als slachtoffer gezien. Zo worden ze nog altijd niet of te weinig betrokken bij besluitvorming in het defensie- en veiligheidsbeleid. In Afghanistan heb ik de genderadviseur mogen ontmoeten; een gepassioneerde vrouw, maar slechts één persoon voor de gehele ISAF-missie. Het is slechts een voorbeeld. Ik spreek graag in een apart debat verder met het kabinet over de genderbrief. Waar ik niet tevreden over ben, is dan ook dat er op gender bezuinigd wordt. D66 dient daarom samen met GroenLinks een amendement in om de bezuiniging voor volgend jaar ongedaan te maken.

Een andere onverwachte actie voor ons is de bezuiniging op noodhulp. Het belangrijkste doel van noodhulp is het verminderen van menselijk lijden bij natuurlijke of door mensen veroorzaakte rampen. In de basisbrief van vorig jaar staat letterlijk dat noodhulp zo veel mogelijk zal worden ontzien bij de bezuinigingen. Nu bezuinigt het kabinet 80 mln. op noodhulp in 2012, een derde van het budget, terwijl in 2011 het geld in augustus al op was. Waarom doet de staatssecretaris dit? Wat zijn de consequenties hiervan? Kunnen we straks niet meer bijdragen bij rampen en humanitaire noodsituaties? Noodhulp wordt ook via multilaterale stromen gegeven. Kan de staatssecretaris uitsplitsen wat precies het verschil wordt met 2011 en aangeven waar precies minder geld naartoe gaat?

De afgelopen weken heb ik samen met enkele collega's gewerkt aan amendementen om de staatssecretaris nog wat bij te sturen, maar 80 mln. voor noodhulp vinden binnen de niet door ons gekozen bezuinigingen van dit kabinet op Ontwikkelingssamenwerking is onmogelijk. Het afgelopen weekend heb ik gezocht naar mogelijkheden buiten de begroting van Buitenlandse Zaken. Zo zouden we de bezuinigingen op noodhulp substantieel kunnen terugdraaien door bijvoorbeeld het tweede JSF-testtoestel te verkopen. Ik ben ook woordvoerder voor Defensie en daarom kom ik op dit voorbeeld. Hier zou een meerderheid voor kunnen zijn. Naast het feit dat het CDA deze keuze serieus zou moeten overwegen, verwacht ik steun van de PVV. De PVV is tegen de JSF en het enige wat zij echt steunt binnen OS is noodhulp.

Als het om kennis gaat, heeft de staatssecretaris met zijn open databeleid een goede stap gezet, maar we zijn er nog niet. Kennisuitwisseling, kennisdeling blijft belangrijk. D66 steunt de intentie van de staatssecretaris om in het kennisbeleid de verbinding aan te gaan met kennisinstellingen, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Alleen richten de plannen zich nog teveel op het interne kennisbeleid van zijn ministerie. De staatssecretaris kondigt vijf kennisplatforms aan. Wat de D66-fractie betreft, komt er een zesde kennisplatform bij, namelijk voor maatschappijopbouw. Een belangrijk deel van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is immers hierop gericht. Ook de WRR heeft geconstateerd dat het denken over de betekenis van de civil society internationaal maar matig is ontwikkeld en als zodanig een profileringskans biedt voor Nederland.

Ik sluit mij aan bij de vragen van collega Irrgang. Ook ik hoor graag van de staatssecretaris hoe hij zal bijdragen aan de oplossing voor het Tropenmuseum

Het punt van de mogelijke extra bezuinigingen is cruciaal en kan al het voorgaande in een ander perspectief zetten. Dan zou er bovenop de 958 mln. nog meer worden bezuinigd. Jarenlang heeft Nederland 0,8% van het bnp uitgegeven aan OS. Dit kabinet brak daarmee en ging terug naar 0,7%. Het regeerakkoord van 30 september 2010 houdt vast aan 0,7% en ook in de basisbrief staat 0,7%. Het CDA is echter de enige partij binnen de gedoogconstructie die hieraan principieel vasthoudt. Hoe anders is het bij de VVD en de PVV? Ik stel de staatssecretaris dezelfde vraag die ik aan mijn collega-woordvoerder van de CDA-fractie heb gesteld. Waar staat hij? Kan er nog meer worden bezuinigd op OS of sluit hij dat uit?

Ik hoop dat de staatssecretaris met mijn suggesties aan het werk gaat en dat het CDA de rug recht houdt.

De heer Driessen (PVV): Wij PVV'ers willen nog wel eens een boek lezen. Een van mijn laatste boeken: «De man en zijn staat», een boek over een van onze grootste staatslieden ooit, Johan van Oldenbarnevelt. Toen Van Oldenbarnevelt op 13 mei 1 619 hier op het Binnenhof werd terechtgesteld, waren zijn laatste woorden: «Ik heb oprecht en vroom gehandeld als een goed patriot». Laten wij vanavond eens bekijken of het beleid van de auteur van het boek, de heer Knapen, ook een beetje aan te merken valt als patriottisch.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw begon Nederland met het van staatswege geven van ontwikkelingshulp. Het waren de tijden van de koude oorlog. Vanuit geopolitiek oogpunt was het destijds van belang om landen in het kamp van het vrije westen te trekken. Maar de Berlijnse muur is geslecht, het IJzeren Gordijn is opgehaald. Karl-Marx-Stadt, hoe erg kameraad Irrgang dat misschien zal vinden, bestaat niet meer. De Unie van Socialistische Sovjetrepublieken is allang geïmplodeerd. Des te vreemder is het dat Nederland volgend jaar vele malen meer belastinggeld in ontwikkelingshulp pompt dan in de dagen van het evil empire.

Laten wij eerlijk zijn. Welbeschouwd heeft Nederland überhaupt geen geld meer voor ontwikkelingshulp. Volgend jaar geeft ons land maar liefst 13,4 mld. meer uit dan er binnenkomt. De staatsschuld bedraagt meer dan 394 mld. en elke seconde komt er meer dan € 800 bij. Om dan in deze erbarmelijke toestand van 's Rijks financiën volgend jaar nog eens 4,4 mld. ofwel bijna 10 mld. oerdegelijke Nederlandse guldens over de schutting te kieperen lijkt mij eerlijk gezegd weinig patriottisch.

Ontwikkelingshulp is de aflaat van de linkse kerk. Vanwege een misplaatst Europees schuldgevoel en een gebrekkig zelfvertrouwen is er in de afgelopen decennia minstens 60 mld. Nederlands belastinggeld verbrand. Dat wordt op geen enkel overheidsdossier geaccepteerd, maar blijkbaar wel als het gaat om ontwikkelingshulp.

De heer Irrgang (SP): Het is interessant dat ontwikkelingshulp eerst is bedoeld om landen om te kopen om niet communistisch te worden en dat het vervolgens de linkse kerk in de schoenen wordt geschoven. Dat kan volgens mij niet allebei waar zijn.

Mijn vraag betreft iets anders. Ik begrijp dat de PVV ontwikkelingssamenwerking inclusief de noodhulp wil afschaffen. Sterker nog: het is zelfs onpatriottisch om die voort te zetten. Ik neem aan dat de PVV-fractie dan tegen de begroting van Buitenlandse Zaken stemt. Anders is zij zelf onpatriottisch in haar eigen denkwereld.

De heer Driessen (PVV): Ik begrijp dat het voor kameraad Irrgang allemaal een beetje ingewikkeld is. Laat ik er het volgende over zeggen. De heer Irrgang wacht de stemmingen maar af en dan zal hij zien wat wij doen.

De heer Irrgang (SP): Ik ben toch een beetje verbaasd. Ik hoor gezwollen taalgebruik. De heer Driessen spreekt over: over de schutting gooien, evil empire, de linkse kerk, de aflaten en onpatriottisch. Maar bij de eerste de beste vraag naar wat de PVV zelf gaat doen, geeft de heer Driessen niet thuis. Meestal schrikt hij niet terug voor het indienen van een motie van wantrouwen maar nu geeft hij niet thuis. Dat valt mij een beetje van u tegen, mijnheer Driessen.

De heer Driessen (PVV): Het zal allemaal wel. De heer Irrgang wacht de stemmingen maar af, dan zal hij het allemaal zien.

De voorzitter: Zo werkt het hier, mijnheer Irrgang. Misschien wil de heer Driessen zich nog laten overtuigen door de staatssecretaris. Wij zitten hier uiteraard in een debat.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik hoor de heer Driessen inderdaad gezwollen taal gebruiken. Hij zegt dat 60 mld. verbrand is. Misschien kan hij dat toelichten?

Is de heer Driessen het met mij eens dat effectief ontwikkelingsbeleid nu juist bevordert wat zijn partij zo graag wil, namelijk dat geen mensen van buiten de Europese en liefst van buiten de Nederlandse grenzen ons land opzoeken? Juist door mensen in hun eigen land kansen te bieden, voorkom je dat.

Toen wij samen zo'n fijne reis hadden in Mozambique en Kenia heeft de heer Driessen toen geen projecten bezocht waar mensen kansen geboden werden waardoor zij minder snel hier naartoe zouden willen komen? Dat moet hem toch aanspreken!

De heer Driessen (PVV): Het verhaaltje van mevrouw Ferrier kennen wij inmiddels wel. Ik wil haar eraan herinneren dat dit kabinet het plan heeft opgevat om nog meer geld te sturen naar de Dar a-islam. Voor de niet-islamkenners, dat is de Arabischislamitische wereld. Daar gaat dus nog een schep extra heen. Wij zagen onlangs in de krant dat er ondanks de Arabische lente alleen maar meer immigranten naar Europa komen. Ik kan eerlijk gezegd helemaal niets met dat verhaaltje van mevrouw Ferrier.

Mevrouw Ferrier (CDA): Dat is geen antwoord op mijn vraag. Ik vraag nu heel concreet aan de heer Driessen of hij toen wij op werkbezoek waren in Mozambique en Kenia, helemaal niets gezien heeft dat goed was.

De heer Driessen (PVV): Het enige wat ik daar heb gezien, is corruptie, corruptie, corruptie en nog eens corruptie! Als mevrouw Ferrier een beetje had opgelet, had ook zij dat heel goed kunnen waarnemen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Het is bekend dat de PVV ontwikkelingssamenwerking niet ziet zitten. Dat is geen nieuw verhaal. De PVV was echter altijd erg enthousiast over noodhulp. Die hield de mensen daar en zorgde ervoor dat zij niet als asielzoeker naar het Westen zouden komen. Is de heer Driessen van plan om amendementen of moties gericht op het tegengaan van bezuinigingen op die noodhulp te steunen? Wat doet hij als het gaat over UNHCR, de vluchtelingenorganisatie die ook zorgt dat de mensen daar blijven en opgevangen worden in de regio?

De heer Driessen (PVV): Om met de laatste vraag van de heer Voordewind te beginnen: wat ons betreft gaat er geen cent naar UNHCR, laat staan een cent meer dan nu het geval is. Wij zijn inderdaad voor noodhulp, zelfs als die wordt betaald met belastinggeld. Wij hebben ons nooit vastgelegd op een bepaald bedrag. Er gaat nu 219 mln. naar toe. Ik vind dat een redelijk bedrag. Ik verwijs ook de heer Voordewind naar de stemmingen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Dit debat is er toch ook om met elkaar van gedachten te wisselen en argumenten te delen. Als de heer Driessen zegt dat hij niets ziet in de UNHRC – de vluchtelingenorganisatie, de noodhulporganisatie van de VN die doet wat de PVV graag wil – moet hij wel argumenten geven waarom die organisatie geen geld zou kunnen krijgen. Deze organisatie wordt ook in het gedoogakkoord genoemd als een van de goed presterende organisaties. Als de heer Driessen inderdaad wil dat er geen islamitische immigranten naar Nederland komen, zullen wij budget voor noodhulp toch op zijn minst op 250 mln. moeten houden.

De heer Driessen (PVV): Ik begrijp dat iemand met een PvdA-verleden het liefst zo veel mogelijk geld over de balk smijt naar UNHCR, maar wij doen dat niet. Wij zijn geen socialisten, mijnheer Voordewind. Zoals ik net al zei, geen cent naar de UNHCR en zeker geen cent meer dan er al naartoe gaat.

De voorzitter: De heer Voordewind vroeg om de redenen ervoor, maar u gaat over uw antwoord. De heer Driessen gaat verder met zijn inbreng.

De heer Driessen (PVV): Laten wij eens een paar van die hulpclubjes, een paar clubjes van die zieligheidsindustrie, onder de loep nemen.

Allereerst Cordaid. Vorig jaar is Cordaid door Sint Ben meer dan 400 mln. belastinggeld toegezegd. Wat doet dat clubje daar zoal mee? Nou, in elk geval de boel misleiden, de boel belazeren. Een tijdje geleden protesteerde Cordaid namelijk tegen het uitzetten van illegale vreemdelingen, maar welk woordje gebruikt Cordaid voor illegale vreemdelingen? Juist, «vluchtelingen», want dat klinkt beter, maar het is pure misleiding. Cordaid gaat bovendien actief in tegen staand regeringsbeleid. Eerder deed een andere subsidieslurper, te weten: ICCO, precies hetzelfde. ICCO sluisde geld door naar de anti-Israëlindustrie. Ook ICCO ging actief in tegen staand regeringsbeleid. Dat kwam ICCO destijds terecht te staan op een pittig gesprek. Waarom Cordaid dan niet op het matje geroepen? Gelijke monniken, gelijke kappen. Zou het kabinet in navolging van ICCO ook Cordaid willen uitnodigen voor een pittig gesprek? Als het kabinet na afloop zou besluiten om Cordaid van het subsidie-infuus te halen, ken ik 24 mensen die met tevredenheid het overlijden van die club zullen vaststellen.

Dan, voorzitter, mijn favoriete slurpclub, Oxfam Novib. U weet wel, dat clubje dat zetelt in dat chique pand aan de elitaire Haagse Mauritskade. Onder het kopje «Gebouwen» op de balans van Oxfam Novib staat achter de woorden «boekwaarde per 31 december 2010» € 6 736 000. In de toelichting staat bovendien: «Volgens een in oktober 2009 uitgevoerde taxatie bedraagt de onderhandse verkoopwaarde van de gebouwen vrij van huur 11 180 000 euro.» Dit is toch aan niemand uit te leggen. Als het kabinet dan toch zo graag heel veel belastinggeld gireert aan Oxfam Novib zou die club dat geld dan heel misschien, als het niet te veel gevraagd is, aan armoedebestrijding willen uitgeven en niet aan dure panden? Is de staatssecretaris bereid om Oxfam Novib hierop aan te spreken en het liefst ook uit dat marmeren paleis te jagen? Graag een reactie.

Dan nog een radertje in het subsidienetwerk van links waar geen belastinggeld meer naartoe zou moeten en dat is Defence for Children. Wij zeggen: de rechtsstaat tegenwerken doe je maar op eigen kosten. Graag een reactie van het kabinet...

De voorzitter: Gaat u verder. Als er interrupties komen, melden mensen zich vanzelf. U hoeft daar niet op te wachten.

De heer Driessen (PVV): Misschien zou mevrouw Ferrier haar mond een beetje kunnen houden als ik aan het woord ben.

Een ander thema is corruptie. Nederland heeft nog vijftien partnerlanden en die landen zijn stuk voor stuk corrupt tot op het bot. Ik heb de corruptie-index van Transparancy International er nog eens bij genomen. Een paar resultaten wil ik u niet onthouden. Indonesië staat op een «keurige» 110de plaats, Ethiopië, Mali en Mozambique op een gedeelte 116de plaats, Oeganda op 127, Bangladesh op 134, Jemen op 146, Kenia op 154, Burundi op 170, Sudan op 172 en – ja, het kan nog triester – Afghanistan op 176. Vindt de staatssecretaris het gek dat steeds minder mensen in Sinterklaas geloven? Vindt de staatssecretaris het gek dat meer dan de helft van alle Nederlanders 4 mld. wil bezuinigen op ontwikkelingshulp, als er extra bezuinigingen nodig zijn?

Dan de hulp voor de zogenaamde Palestijnse gebieden. Alleen al in bilateraal verband geeft Nederland volgend jaar bijna 15 mln. aan wat door de politiek correcten «de bezette gebieden» wordt genoemd. Dat is dus zelfs voor elke afgeschoten raket best veel geld. Ook via de Wereldbank, de Europese Unie en de Verenigde Naties – ik noem UNRWA – gaan er vele bakken met Nederlands belastinggeld naar die o zo zielige, eeuwig zielige Palestijnen. Waarom zijn de Palestijnen de op een na grootste ontvangers van Europees hulpgeld? De Palestijnse bevolking is relatief klein en echt niet straatarm. Hierbij zomaar even een vraagje voor de staatssecretaris: hoeveel Palestijnen komen er ook alweer om van de honger? En waarom gaat er in de komende jaren nog meer hulpgeld naar de Arabische regio? Denkt dit kabinet dat, als wij maar gireren, de massa's in Egypte de Moslimbroederschap opeens niet zullen zien zitten? Denkt dit kabinet dat er dan een eind komt aan het schandelijke geweld tegen de kopten? Denkt het kabinet dat de Jodenhaat dan voorbij is? Denkt dit kabinet dat de islamisten in Tunesië dan de volgende keer niet zullen winnen? Ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat dit kabinet zo naïef is.

Al die miljoenen aan Nederlands belastinggeld voor de Dar al-islam zijn aan geen weldenkend mens uit te leggen. Dat Turkije de grootste ontvanger is van Europees hulpgeld, is ronduit ridicuul. De PVV zegt: geen Nederlands belastinggeld naar door de islam bezette gebieden. Wij zeggen: geen cent naar de Palestijnen, geen cent voor Egypte en geen cent voor Turkije!

Datzelfde geldt voor de tweede economie ter wereld, ik heb het natuurlijk over de Volksrepubliek China. Een kwart van de Amerikaanse staatsschuld is in handen van de Chinezen. De Miljoenennota opent nota bene met een uiteenzetting over het steeds grotere aandeel van Azië, met name natuurlijk China, in de wereldeconomie. En ondertussen krijgen de Chinezen via de EU en de Wereldbank nog steeds heel veel ontwikkelingshulp. De Chinezen lachen ons echt uit waar we bij staan, en ze hebben nog gelijk ook. Geen cent meer naar China. En dat geldt ook voor die andere BRICS-landen die ontwikkelingshulp ontvangen: Brazilië, India en Zuid-Afrika.

Voorzitter. Ik ga afronden, wat mevrouw Ferrier deugd zal doen. Ik rond af met een oproep. Wij moeten weer patriotten worden: trots op ons grootse verleden en trots op ons mooie land. Als wij ons misplaatste schuldgevoel weten af te werpen, zal het experiment ontwikkelingshulp heel snel tot het verleden behoren. Daarom moeten wij weer patriotten worden. «De man en zijn staat», dat boek van Ben Knapen las ik echt duizend keer liever dan deze begroting. Ik hoop dat de staatssecretaris zijn koers vanavond nog wat wil verleggen, zodat hij later, net als Van Oldenbarnevelt, over zijn beleid met recht kan zeggen: ook ik handelde als een goed patriot.

De heer El Fassed (GroenLinks): Voorzitter. En ja hoor, daar was-ie weer: een berichtje van Geert Wilders op Twitter, en wéér eentje om de boel op scherp te zetten over de ruggen van mensen in ontwikkelingslanden. Als het aan hem ligt, gaat er geen cent naar hen toe; pas dan kan met hem worden gesproken over mogelijke extra bezuinigingen. Want tja, de PVV wil alleen noodhulp geven als Geert Wilders in het belpanel mag.

De staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking bestuurt vanuit angst. Hij hoort gewoon te zeggen: 0,7%, en geen promille minder! Dat zegt ook de motie van GroenLinks, die de CDA-fractie, de fractie van de staatssecretaris, volmondig steunde en omarmde tijdens de algemene beschouwingen. Ja, het CDA moet nu de rug rechthouden en laten zien waar het voor staat. Tot hier toch en niet verder, mevrouw Ferrier?

Met het aantreden van dit kabinet is de begroting van deze staatssecretaris een grote grabbelton geworden. CDA-minister Verhagen graait voor zijn bedrijfsleven, CDA-minister Hillen ruikt kans om zijn Defensiepot aan te vullen en zijn CDA-collega Bleker kiest voor een kortzichtig beleid, dat grote schade aanricht voor boeren in ontwikkelingslanden. Dankzij staatssecretaris Weekers is Nederland een belastingparadijs voor postbusbedrijven, waardoor ontwikkelingslanden miljarden euro's mislopen. En minister Rosenthal? Ach, minister Rosenthal heeft het te druk met vriend Israël en heeft daardoor geen tijd om te werken aan structurele oplossingen om de uitdagingen op het terrein van de internationale publieke goederen te lijf te gaan.

De vraag is: waar gaat deze staatssecretaris nog over? Europa is hem afgenomen door collega De Jager en op zijn eigen departement gaat hij over het geld noch over het beleid. Zijn handen zitten op zijn rug gebonden. Vraagt hij zich weleens af hoe hij het zo uit zijn handen heeft kunnen laten glippen? Wat betekent dit voor jonge mensen in Afrika, Azië en het Midden-Oosten?

Thuisgehouden door zijn collega's zag de staatssecretaris geen kans om bij de viering van de onafhankelijkheid van Zuid-Sudan aanwezig te zijn. Juist Nederland dat zich jarenlang, onder ander onder CDA-bewindslieden, actief heeft ingezet voor Sudan, was afwezig. Hoe kan dat?

De staatssecretaris heeft zijn portefeuille weggegeven aan Verhagen en doet wat de PVV en de VVD van hem verlangen: kil bezuinigen en Nederlandse bedrijven subsidiëren met de laatste restjes. Voor alle duidelijkheid: dit is niet mijn kabinet en dit zijn niet onze bezuinigingen. GroenLinks bezuinigt niet op klimaat, hiv/aids, maatschappelijke organisaties en het Tropeninstituut. GroenLinks houdt ook in haar tegenbegroting van 2012 het budget voor OS op 0,8% van het bnp. Wij kiezen er niet voor, de behoefte in ontwikkelingslanden ondergeschikt te maken aan de wensen van Verhagen, Wilders of de multinationals. Dat doen dit kabinet, de fracties van mevrouw Ferrier en mevrouw De Caluwé en in zekere zin mevrouw Dikkers van de Partij van de Arbeid, wier fractie de bezuinigingen in de eigen tegenbegroting niet eens ongedaan heeft gemaakt. Zij dienen misschien nog wat amendementen in om wat stokpaardjes te redden, maar, op wat lippendienst na, is dit ook hun beleid.

Voorzitter. Ontwikkelingssamenwerking is alleen effectief als het vraaggestuurd is en het belang van de ontvanger voorop staat. Natuurlijk worden wij er ook beter van als mensen in andere landen uit de armoede worden getrokken en als bronnen voor conflict worden meegenomen en als mensenrechten worden gerespecteerd. Maar dit kabinet zet bij voorbaat het eigen belang voorop. En dat terwijl twee derde van het totaal aan wereldwijde ontwikkelingshulp toch al terugvloeit naar rijke landen en grote westerse bedrijven. Uit een evaluatie blijkt dat meer dan de helft van bedrijfslevenprojecten gericht is op export met gebruik van geïmporteerde input. Dat levert geen enkele spin-off op voor lokale markten en ketens.

In de landbouwsector kunnen grote door Nederland gesubsidieerde bedrijven de belofte van meer lokale werkgelegenheid en voedselzekerheid nauwelijks waarmaken. Dit is niet de manier om te investeren in de lokale economie. Wat wel werkt, is investeren in kleinschalige producenten. Voor een effectief ontwikkelingsbeleid zal het dus anders moeten. Ik vraag het de staatssecretaris opnieuw: welke criteria gaat hij hanteren om ervoor te zorgen dat het Nederlandse bedrijfsleven daadwerkelijk en effectief bijdraagt aan het verbeteren van het ondernemersklimaat voor kleine producenten, aan de lokale markt en ketens en aan meer lokale voedselzekerheid in ontwikkelingslanden? Nog belangrijker: hoe gaat de regering er vervolgens op toezien dat dit daadwerkelijk gebeurt?

De staatssecretaris zegt dat bedrijven die niet voldoen aan de nieuwe OESO/mvo-richtlijnen, niet langer in aanmerking komen voor publiek-private samenwerking in ontwikkelingslanden. Geldt dat ook voor bedrijven waar het IDH mee samenwerkt? Hoe zorgt de staatssecretaris ervoor dat het bedrijfsleven daadwerkelijk bijdraagt aan armoedevermindering en ontwikkeling? Ik wil net als bij andere gesubsidieerde instellingen een beoordeling vooraf zien en een betere toepassing van criteria, voordat ze in aanmerking komen voor subsidie.

De ODA-middelen voor de topsectoren moet alleen worden ingezet als dat het belang van voedselzekerheid en armoedebestrijding in ontwikkelingslanden direct dient en er voldoende aandacht is voor kleinschalige landbouw. Hoe gaat de staatssecretaris hierop samen met de minister van Economische Zaken toezien?

Bij aanbestedingen van de Wereldbank kunnen bedrijven in aanmerking komen die «mvo» niet eens kunnen spellen. Volgens de staatssecretaris geeft de Nederlandse bijdrage aan de Wereldbank hem invloed. Dat wil ik wel eens zien. Gaat hij zijn invloed aanwenden om ervoor te zorgen dat voorwaarden als mensenrechten en milieu worden meegewogen in grote multilaterale investeringsprogramma's? Hoe zorgt hij ervoor dat dit in april volgend jaar geregeld is?

Voorzitter. De ineffectiviteit van ontwikkelingssamenwerking ligt niet zozeer aan de bestedingen als wel aan de blinde vlek van de collega's van deze staatssecretaris voor de negatieve gevolgen van hun beleid voor ontwikkelingslanden. Het lukt de staatssecretaris maar niet om een deuk in een pakje boter te slaan. Wil je ontwikkeling echt effectief maken dan moet je kijken naar welke geldstromen uit ontwikkelingslanden wegvloeien. Om zo veel mogelijk effect te sorteren moet het beleid van alle departementen op elkaar aansluiten. Ik zal de staatssecretaris een handje helpen, zodat hij gewapend met argumenten zijn collega's kan aanspreken. Laat ik beginnen met belastingontduiking en belastingontwijking.

Per jaar lopen ontwikkelingslanden naar schatting 50 mld. tot 500 mld. dollar mis via belastingparadijzen. Zelfs het meest voorzichtige bedrag is gelijk aan het bedrag dat volgens de Wereldbank nodig is om de millenniumdoelen te halen. Nederland stelt multinationale ondernemingen in de gelegenheid om hun belastingdruk flink te verminderen door hen te laten profiteren van lage of niet bestaande belastingtarieven. Volgens een ruwe schatting wordt via deze brievenbusbedrijven in Nederland jaarlijks voor 640 mln. aan belasting in lage- en middeninkomenslanden ontweken. Als wij dit aanpakken, hebben wij alvast 15% van de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking terugverdiend.

Als er geen handelsbarrières zijn voor bewerkte producten uit ontwikkelingslanden en er geen verbod is op het tijdelijk afschermen van opkomende markten door ontwikkelingslanden zodat zij een eerlijke kans krijgen, kunnen wij ophouden het Nederlandse bedrijfsleven te subsidiëren. Afrikaanse bedrijven krijgen dan zelf een kans om zich te ontwikkelen. Dit levert zomaar een nieuwe invulling op voor de 10% van de begroting dat naar het bedrijfsleveninstrument zou gaan. Dat is snel verdiend, zou ik zeggen. Als wij daarnaast ermee stoppen de Nederlandse en de Europese landbouw met subsidies de hand boven het hoofd te houden, dan scheelt dat niet alleen via Europa een bak geld, maar dan hoeven Afrikaanse boeren ter compensatie ook een stuk minder ontwikkelingssamenwerking te ontvangen. Aan een effectieve inzet op het Europese en Nederlandse handels- en landbouwbeleid verdienen wij zo zeker 20% van de begroting terug. Gaat de staatssecretaris zich daarmee eindelijk eens zelf bemoeien zodat zijn collega Bleker niet verder gaat met het verspillen van Nederlands belastinggeld en het belemmeren van handel door ontwikkelingslanden?

Ik kom te spreken over het klimaat. Dit kabinet geeft maar liefst 6 mld. uit aan subsidies voor fossiele brandstoffen. De meest wezenlijke bijdrage op de korte termijn is het opstellen van klimaatdoelstellingen en het nakomen ervan. Dat kan door het vergroenen van belastingen en het investeren in duurzame energie. Dit kabinet doet niet alleen niets aan klimaatverandering – het schrapt klimaatgelden op de begroting van Ontwikkelingssamenwerking – maar sloopt het klimaat ook binnen de begroting. Toen ik onlangs aan de minister van Financiën vroeg waar de beloofde middelen voor klimaatadaptatie vandaan moesten komen, verwees hij naar de begroting van deze staatssecretaris. Dat rijmt niet met elkaar, laat staan met het principe: de vervuiler betaalt. Overstromingen, droogte, vluchtelingen en conflict over land, water en vruchtbare grond; wij zien het gebeuren. Als wij niet opschieten, dan worden de problemen groter en de oplossingen vele malen duurder. In China, Pakistan en de Hoorn van Afrika zijn de gevolgen zichtbaar. Hoe lang blijven wij dure en relatief minder effectieve noodhulp geven terwijl wij onze ogen sluiten voor echte, structurele oplossingen? Hongersnood komt uiteindelijk door politiek falen. Landen, boeren en lokale ondernemers moeten preventief worden voorbereid op droogte en overstroming. Aandacht voor klimaatadaptatie moet met voldoende middelen terug in het ontwikkelingsbeleid. Ik hoor hierop graag een reactie van de staatssecretaris. Tegen mijn collega's van de VVD en de PVV zeg ik dat preventieve hulp, gericht op de lange termijn, vele malen goedkoper is dan noodhulp. Hier valt dus opnieuw, door effectiever beleid, geld te verdienen.

Voorzitter. Ik zit al op meer dan 50% van de begroting. Als ik doorga met het incoherente en ineffectieve beleid van dit kabinet erbij op te tellen, dan kom ik ruim boven het bedrag uit dat Nederland uitgeeft aan ontwikkelingssamenwerking. Ik hoop dat de PVV en de VVD, die zo graag willen bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking, mee schrijven. Dit is namelijk dé manier om ontwikkelingssamenwerking effectiever en uiteindelijk overbodig te maken. Ik hoor hierop graag een reactie van de staatssecretaris.

Voorzitter. In mei is een motie van mijn hand door de Kamer aangenomen om negatieve gevolgen van Nederlandse beleid, de zogenaamde «public bads», te berekenen. Dat is een enorm complexe klus, dat begrijp ik heel goed. Ik zou echter graag een begin zien van de staatssecretaris zelf. Wat denkt de staatssecretaris ervan om een tender uit te zetten voor kennisinstituten, ngo's en andere, om de negatieve effecten van het Nederlands beleid op in elk geval onze partnerlanden en een paar thema's in kaart te brengen? Ik hoor hierop graag een reactie.

De staatssecretaris heeft gekozen voor minder thema's en minder landen. GroenLinks is een voorstander van focus en specialisatie omdat die leiden tot minder versnippering van middelen. Het idee is dat wij koploper worden op de door de staatssecretaris gekozen thema's en landen. Nederland wordt internationaal gerespecteerd voor zijn genderaanpak, maar de staatssecretaris kiest ervoor om het amendement van collega Hachchi en mij niet volledig uit te voeren. Ook mijn motie over gender in Congo lijkt niet te zijn uitgevoerd. Kan de staatssecretaris mij geruststellen?

Op dit moment verliezen wij in rap tempo onze reputatie en innovatiekracht. De Algemene Rekenkamer was niet mild in haar kritiek op dit beleid. Er zijn vooral bordjes verhangen. De thematische focus is voor een groot deel cosmetisch van aard en de Rekenkamer ziet weinig terug van het voornemen om versnippering van activiteiten en instrumenten tegen te gaan. Hoe kan dat? Ik hoor hierop graag een reactie.

Transparantie, openheid, over bestedingen en het ontsluiten van data en kennis wekt niet alleen meer vertrouwen bij de cynici van deze wereld maar helpt ook mensen in ontwikkelingslanden om hun eigen overheid ter verantwoording te roepen. Juist door in te zetten op transparantie en openheid doe je iets tegen corruptie en verspilling. Het ontsluiten van data over bestedingen maakt afstemming en coördinatie effectiever en reduceert duplicatie en verspilling. Ook hiermee valt dus geld te verdienen. Hoe gaat de staatssecretaris na het ontsluiten van het ministerie hieraan verder vorm geven? Is hij bereid om op zoek te gaan naar ngo's en kennisinstellingen die bereid zijn om de data bruikbaar te maken voor beide kanten van de keten? Op welke wijze bevordert de staatssecretaris dat door hem gesubsidieerde instellingen gegevens openbaren? Graag een reactie.

Tot slot. Met een modern en effectief ontwikkelingsbeleid valt een hoop te besparen. De staatssecretaris biedt nu in bijvoorbeeld de Hoorn van Afrika in de vorm van noodhulp slechts een doekje voor het bloeden. Dat doekje is een heel duur doekje. Bovendien helpt dat doekje niet tegen de onderliggende oorzaken van de ellende die we daar zien. Het ontbreekt hem en dit kabinet aan de politieke moed en daadkracht om daadwerkelijk aan structurele oplossingen te werken. Een visie op hoe ontwikkelingssamenwerking te hervormen ontbreekt, terwijl de effecten van klimaatverandering, de financiële crisis en de energie- en voedselcrisis alleen maar groter worden en uiteindelijk meer geld gaan kosten. Voorkomen is beter, humaner en goedkoper dan een dure pleister te plakken. Als deze staatssecretaris echt lef heeft en dit kabinet durft te kiezen voor effectief, op alle beleidsterreinen op elkaar afgestemd beleid, dan kan de ouderwetse ontwikkelingshulp binnen afzienbare tijd overbodig worden. Dat zou nog eens een goede, winstgevende investering zijn!

Mevrouw De Caluwé (VVD): De heer El Fassed schetst wel een heel erg somber beeld van de inzet van het bedrijfsleven: als een gremium dat over een land heen rolt en er alleen maar export naartoe wil plegen. De heer El Fassed stelt ook dat de inzet van het bedrijfsleven vraaggestuurd moet zijn. Die is al vraaggestuurd. Er is enorme vraag naar investeringen in ontwikkelingslanden. Nederlandse bedrijven hebben lokale mensen in dienst, bieden opleidingen, investeren en doen heel veel goeds voor de gemeenschap daar. Bovendien helpen ze bij het ontwikkelen van nieuwe gewassen, nieuwe zaden en dergelijke. Wil de heer El Fassed soms dat het Nederlandse bedrijfsleven zich helemaal terugtrekt uit ontwikkelingslanden en de investeringen overlaat aan bedrijven uit bijvoorbeeld China? Die brengen hun eigen mensen, of vliegen vliegtuigen vol met gevangenen in. Zij doen niet aan trainingen en doen ook niets voor de omgeving daar. Zullen we het aan hen overlaten? De vraag naar investeringen is er, en die zal worden ingevuld.

De heer El Fassed (GroenLinks): Bedrijven weten zelf niet eens wat de overheid hun te bieden heeft. Bedrijven maken ook gewoon winst. Waarom zouden zij dan hulp van de overheid nodig hebben?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Die hulp van de overheid hebben ze voornamelijk nodig om op te kunnen starten in die landen. Heel vaak is het moeilijk om op te starten in die landen, de eerste winsten te genereren en de eerste mensen aan te trekken. Zonder hulp is het niet rendabel om in zo'n land op te starten. Daarom is het heel erg belangrijk dat de overheid een steuntje in de rug biedt. Nederlandse bedrijven opereren daar op een verantwoorde manier, en dat kost meer. Wat vindt de heer El Fassed daarvan?

De heer El Fassed (GroenLinks): Als het bedrijfsleven gericht zou zijn op kleine producenten en het mkb in ontwikkelingslanden, zou mevrouw De Caluwé mij aan haar zijde zien. Op dit moment gaat het echter vooral om multinationals, grote bedrijven die het zelf kunnen betalen en genoeg winst maken om die extra bijdrage te leveren. Die hebben helemaal geen hulp van de overheid nodig.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Ook de ChristenUnie heeft grote problemen met de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking. Het vorige kabinet heeft de hulp juist uitgebreid, zich realiserend wat voor nood er in de wereld is. Als wij niet tot hulp overgaan, zullen de problemen vanzelf weer op ons bordje komen. In Somalië zijn wij twintig jaar afwezig geweest als internationale gemeenschap. Sterker nog, de zeeën zijn daar leeggevist, en daarvoor moeten we nu bloeden. Dit is geen goedsprekerij van de piraterij, maar het wijzen op de consequenties van falend beleid en afwezigheid in bepaalde landen. Dat mag een land als Nederland niet overkomen.

We spreken nog over een budget van 4,4 mld., maar ook van dat bedrag weten we nog niet of het volgend jaar wel kan worden uitgegeven. Ik ben blij met de uitspraken van mevrouw Ferrier, maar ik hoor graag de reactie van de staatssecretaris: is het voor hem nu ook genoeg? De motie-Sap/Slob van de afgelopen algemene beschouwingen ligt er. Die was niet alleen bedoeld voor het komende jaar maar voor de gehele regeerperiode. Het verkiezingsprogramma van het CDA is ook duidelijk. Ik hoop dat deze staatssecretaris van CDA-huize hetzelfde vindt als de CDA-vertegenwoordiger hier aan de kant van de Kamer. Wij hebben nog altijd een koppeling met het bnp. Als het slecht gaat met onze economie – ik zeg dit de heer Driessen na – gaat de ontwikkelingssamenwerking mee met de neergang in de economische groei. Dat moeten wij al toestaan en wij zien het waarschijnlijk ook volgend jaar, als wij 0,3% negatieve groei hebben.

Wij zien dit ook in de uitwerking van de budgetten voor noodhulp, voor UNHCR. De collega's hebben het al genoemd. Ik wijs nog een keer op het belang van noodhulp en het belang van UNHCR als het gaat om landen als Somalië, Libië, Syrië en Kenia, waar in de Hoorn van Afrika belangrijk werk wordt gedaan door UNHCR. Wij zien eigenlijk een disproportionele bezuiniging op de begroting van UNHCR. Hoe verklaart de staatssecretaris dat? Het kabinet heeft toch juist lovende woorden gesproken over UNCHR? Bovendien komt UNHCR uit de evaluaties naar voren als een van de betere multilaterale organisaties. Ik verneem graag een reactie van de staatssecretaris.

Dan kom ik bij het bedrijfsleven. Wij denken daar waarschijnlijk iets genuanceerder over dan de collega naast mij. Wij zien wel degelijk een rol weggelegd voor het bedrijfsleven bij de ontwikkeling van landen. De private sector kan zeker mogelijkheden scheppen, maar wel onder randvoorwaarden. Deze zijn wat ons betreft nog niet helder genoeg. Ik noem een methode die ook gebruikt wordt in de watersector, het FIETS-model. Als je dit met elkaar combineert, krijg je de waterfiets, maar dat is weer iets anders. Het FIETS-model staat voor Financieel, Institutioneel, Ecologisch, Technisch en Sociaal duurzaam. Is de staatssecretaris bereid om dit model, dat voor de watersector geldt, ook toe te passen op de andere vier sectoren en het bedrijfslevenprogramma?

Op dit moment gelden de OESO-richtlijnen als voorwaarde. Dat is ook duidelijk geworden in het laatste debat over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Wij hebben gezien dat de aanscherping door Nederland wordt overgenomen. Ik heb de heer Bleker horen zeggen dat transparantie in de gehele keten moet worden toegepast als het gaat om het bedrijfslevenprogramma. Ik vraag de staatssecretaris om dit de heer Bleker na te zeggen als het gaat om het doorvoeren van de aanscherping van de OESO-richtlijnen voor de gehele keten. Tot nu toe hadden wij het bedrijfslevenprogramma en het buitenlandinstrumentarium alleen gekoppeld aan de laatste leverancier. Nu zetten wij stappen op het gebied van aanscherping van transparantie van multinationals die gebruikmaken van het bedrijfsleveninstrumentarium. Ik hoor graag of de staatssecretaris hiertoe bereid is. Dat betekent namelijk dat wij de huidige voorwaarden gaan aanscherpen.

Wat het bedrijfslevenprogramma betreft, heeft de ChristenUnie-fractie een aantal belangrijke criteria dat zij wil hanteren. Ik noem er enkele. Ten eerste. De verplichting tot onafhankelijke audits van de OESO-richtlijnen. Ten tweede. Twee jaar na afloop van het project een restbedrag van de financiering ontvangen, bijvoorbeeld 20%, om te kunnen zien of de projecten die door het bedrijfsleven zijn uitgevoerd, na die twee jaar ook een duurzaam effect hebben op de ontwikkeling van een land; dus 20% achterhouden tot twee jaar na afronding van een project. Ten derde. Wil de staatssecretaris overwegen of maximaal 50% financiering mogelijk is; dus meer eigen geld, meer eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven vragen, opdat de afwegingen en de risico's duidelijk door het bedrijfsleven zelf worden overzien? Ten vierde. Heldere criteria naar het voorbeeld van de watersector. Ik heb het al even genoemd. Ten vijfde. Ondersteuning van ngo's die als een soort waakhond hun rol kunnen vervullen. Wij hebben dit gezien bij de hazelnoten in Turkije. Het bedrijfsleven zei: foutje, bedankt voor de correctie, wij gaan het volgend jaar beter doen. Wij hebben de uitzending gezien op televisie. Er was alleen een speeltoestel geplaatst en er was een aantal toiletten bijgebouwd, maar de kinderen moesten nog steeds kinderarbeid verrichten. Is de staatssecretaris bereid om ngo's een waakhondrol te geven?

Ten aanzien van handelsmissies pleit mijn fractie ervoor dat deze verduurzamen en vergroenen, oftewel dat de handelsmissies – er staan er zeventien op de rit – wat breder worden opgezet dan alleen maar met multinationals. Dat zou kunnen door Nederlandse ngo's die verstand hebben van verduurzaming en mensenrechten aan zo'n handelsmissie te laten deelnemen. Als het gaat om waterhandelsdelegaties zou je kunnen denken aan drinkwaterbedrijven, die veel verstand hebben van de manier waarop je zoiets opzet, alsook aan Simavi, een belangrijke organisatie die water als speerpunt heeft, en ZOA-Vluchtelingenzorg. Dergelijke organisaties zouden meerwaarde kunnen hebben bij het bedrijven adviseren hoe je duurzaam kunt investeren.

Ik ga over naar de rol van de ngo's. Ik heb in een interruptie al gezegd dat inmiddels in de Eerste Kamer een motie is aangenomen van collega Kuiper, met steun van de SGP en andere fracties hier aan tafel. In deze motie wordt uitgesproken dat er niet verder bezuinigd mag worden op MFS II. Ik hoor graag de reactie van de staatssecretaris op deze aangenomen motie. Hoe denkt hij deze motie uit te voeren? Om de staatssecretaris een beetje te helpen, heeft de ChristenUnie een amendement opgesteld. Vorig jaar zijn wij gezamenlijk opgetrokken met de SGP. Het amendement voorziet erin dat de bezuiniging van 50 mln. in ieder geval voor 10 mln. ongedaan gemaakt wordt voor volgend jaar.

Ik kom op het punt onderwijs. We hebben uitgebreid gesproken over de beleidsbrief van de staatssecretaris vorig jaar. We hebben de uitfaseringsbrief van de staatssecretaris ontvangen. Ook ik maak mij grote zorgen of de donoren er feitelijk wel komen en of de gaten dan gevuld worden. We zien dat er wel ontwikkelingen zijn, maar we zien ook dat de bedragen waarbij de andere donoren inspringen substantieel lager zijn dan de bedragen waarvoor Nederland er eerder heeft ingezeten. Ik noem met name de landen Burkina Faso, Bolivia, Mali, Zambia en Nicaragua. Dit zijn landen waar wij weggaan maar waar nog geen definitieve duidelijkheid is hoe dat gat wordt ingevuld. Wil de staatssecretaris jaarlijks een rapportage naar de Kamer sturen om zo een vinger aan de pols te houden en te kijken hoe de uitfasering verder verloopt?

In het kader van het onderwijs heb ik eerder al aandacht gevraagd voor de bestrijding van kinderarbeid. We zien goede projecten op dit vlak. Ik heb dit zelf mogen bekijken in India, waar hele dorpsgemeenschappen gezamenlijk hun kinderen uit de kinderarbeid halen, waardoor de werkgevers in het nauw komen en vervolgens de ouders wel in dienst moeten nemen en betere salarissen moeten betalen. Dat zijn de goede projecten. Ik beveel ze aan bij de staatssecretaris en vraag hem dergelijke projecten vooral te blijven steunen.

Andere projecten die ook goede resultaten opleveren bij het naar school lokken van de laatste 10%-15% van de kinderen die nog niet naar school gaat, zijn de schoolvoedselprogramma's en programma's die mede gericht zijn op hygiënische voorzieningen: toiletten voor met name de meisjes, dus gescheiden jongens- en meisjestoiletten. Dat zijn belangrijke voorwaarden om kinderen daadwerkelijk naar school te laten gaan. We zien positieve resultaten in de landen waar dergelijke programma's worden uitgevoerd. Juist vanwege de warme maaltijd die kinderen op school kunnen krijgen, kunnen ouders hen uiteindelijk toch naar school laten gaan. Ik beveel deze programma's van harte aan bij de staatssecretaris en vraag hem zich extra in te zetten voor met name de schoolvoedselprogramma's. Ik denk met name aan Oeganda, Ghana, Ethiopië en Kenia.

Vorig jaar spraken we in het kader van kinderarbeid ook over eerlijke supermarkten. Er is een motie aangenomen van mijn hand over dit onderwerp. Daarin wordt de staatssecretaris gevraagd om samen met staatssecretaris Bleker en de supermarktketens om tafel te gaan zitten om te bezien of we onze supermarkten in ieder geval via de huismerken duurzaam kunnen krijgen, oftewel dat we daar volledig transparant kunnen voldoen aan de ILO-normen om geen producten afkomstig van kinderarbeid of gedwongen arbeid in de supermarkten te hebben liggen. Wanneer krijgen we de rapportage van de staatssecretaris over het verloop van de uitvoering van deze motie? Kunnen we die rapportage ook jaarlijks krijgen om te bezien of we uiteindelijk in 2015 tot duurzame producten in de schappen komen, zoals Albert Heijn zich ook heeft voorgenomen?

Ik heb nog enkele losse onderwerpen, voorzitter. Water is een belangrijk onderwerp. De staatssecretaris vindt dit ook en bezuinigt er dus niet op. We zien echter wel een verschuiving in het budget voor water, naar integraal waterbeheer – lees: dijkversterking et cetera, de grotere projecten – ten koste van water en sanitatie. Ik heb dan een amendement ingediend om te bezien of we dit toch in balans kunnen brengen, juist omdat 2,6 miljard mensen op dit moment nog steeds geen toegang hebben tot adequate sanitatie en bijna 1 miljard mensen geen toegang tot veilig drinkwater. Ik zal een amendement indienen om de verschuiving die de staatssecretaris voorstelt weer in balans te brengen. Beide sectoren zijn belangrijk, vandaar dat wij de 90 mln. willen terugbrengen naar 90 mln. voor beide sectoren.

Over Afghanistan hebben wij schokkende berichten gehoord van Amnesty International. Vrouwen die in Afghanistan worden misbruikt en mishandeld, worden opgesloten in gevangenissen vanwege onzedelijk gedrag. Daar bevinden wij ons met een missie. Wij investeren daar 50 mln. of 60 mln. aan ontwikkelingssamenwerking. Wij zouden niet alleen aan de voorkant, aan versterking van de rechtsstaat, moeten werken, maar ook aan de achterkant moeten kijken hoe wij deze vrouwen effectief kunnen opvangen. Deze vrouwen behoren niet te worden opgesloten, maar te worden opgevangen.

Het is goed om te horen en ik complimenteer de staatssecretaris ermee dat het programma Social Protection ook volgend jaar kan worden voortgezet. De evaluaties zijn positief, heb ik begrepen. Er zou nog een mogelijkheid zijn om dit uit te breiden naar andere landen dan Mozambique, Ethiopië en Zimbabwe, waar het nu loopt, maar wij moeten afwachten of de staatssecretaris daartoe bereid is. Ik hoor graag zijn reactie hierop.

Mijn allerlaatste punt is de gehandicapten. Het aantal mensen met een beperking stijgt in ontwikkelingslanden. Aandacht voor integraal gehandicaptenbeleid hoeft niet per se extra geld te kosten. Als wij dit geïntegreerd doen, kunnen wij op dat terrein nog grote slagen maken, bijvoorbeeld bij het onderwijs. Ik verwijs daarvoor naar de aanbevelingen van het World report on disability. Onderschrijft de staatssecretaris de conclusies in dat rapport?

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Als ik het goed heb begrepen, waren de laatste woorden van Van Oldenbarnevelt in mei 1619: «Maak het kort, maak het kort.» Ik wil dat graag als een aanmoediging zien om in ieder geval in dit vergevorderde uur niet te veel uit te wijden in mijn eigen spreektekst. Ik wil het in ieder geval niet als een aanmoediging hanteren om zo om te gaan met het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Dat verdient het in ieder geval niet om te worden onthoofd of dat er een grote aanslag op wordt gepleegd, als het aan de SGP-fractie ligt. Wij willen wel graag blijven meedenken over en ons blijven inzetten voor de meest doeltreffende aanwending van de gelden voor ontwikkelingssamenwerking, gericht op het bestrijden van de armoede en het bevorderen van de zelfredzaamheid in ontwikkelingslanden. Dat is ook voor de SGP-fractie de inzet.

Ik kom op een aantal concrete punten die in deze begroting aan de orde zijn. Op de post voor noodhulp wordt fors gekort. Anderen hebben dat ook al gezegd. Wat is precies de achtergrond voor zo'n forse bezuiniging? Het is niet alleen een vorm van hulp die tot voor kort in ieder geval op brede politieke en maatschappelijke steun kon rekenen, maar waaraan ook forse bedragen worden uitgegeven. Het gaat hier juist heel concreet om hulp aan mensen in benarde omstandigheden. Dus waarom toch zo'n forse korting op de noodhulp?

Ik teken hierbij direct aan dat juist de schrijnende problemen in bijvoorbeeld de Hoorn van Afrika tonen dat noodhulp nooit meer dan symptoombestrijding kan zijn. De achterliggende problemen, slecht bestuur, onveiligheid, gebrekkige kennis en dergelijke, moeten worden aangepakt. Dit kan louter via een structurele vorm van hulp. Wij zien dat ook in Nederland alleen al door koppeling aan de 0,7% van het nationaal product, bedragen voor ontwikkelingssamenwerking sowieso in tijden van neergang flink omlaag gaan. Als wij breder kijken, zien wij dat juist door de brede afbouw van ontwikkelingshulp in een aantal westerse landen en door toenemend protectionisme om eigen westerse markten te beschermen, veel slachtoffers van de financiële crisis mensen in ontwikkelingssamenwerkingslanden zijn. Is er enig zicht op het effect van de hele financiële crisis op de ontwikkelingssamenwerking in bredere zin dan alleen de strikt Nederlandse inzet, vraag ik de staatssecretaris. Wij zien ook in deze begroting een sterke nadruk op economie en eigenbelang doorwerken. Buitenlandse zaken, Ontwikkelingssamenwerking en EL&I werken nauw samen om de Nederlandse belangen te dienen. Wij zien dat ook heel sterk terug in de OS-begroting. Het geld verschuift van sociale naar productieve sectoren en binnen de sociale sectoren naar de bestemmingen die het meeste rendement opleveren voor het bedrijfsleven. Dat leidt tot concrete verschuivingen. Mensenrechten, noodhulp, goed bestuur, milieu, klimaat, onderwijs en aids leveren in, terwijl voedselzekerheid, economische groei en water meer krijgen. Het zijn vooral de door EL&I geselecteerde topsectoren die extra profiteren van de ontwikkelingsgelden. Water krijgt flink extra, evenals voedselzekerheid en economische groei. Is dit een concreet effect van het feit dat investeringen in water en voedselzekerheid onder de officiële normen voor ontwikkelingshulp vallen? Graag ontvang ik een nader inzicht in mogelijke effecten en verschuivingen. Dat leidt wellicht tot een extra kritische blik op de wijze van besteding van de schaarse OS-gelden. Ik zie de staatssecretaris liever als «makelaar» tussen verschillende partijen dan als subsidieverstrekker aan bedrijven. Wat doet de staatssecretaris met de notie van professor Arnout Boot, kroonlid van de SER? Hij vraagt zich af waar het marktfalen gebleven is en waarom bedrijven het niet zonder subsidie zouden kunnen. Ik zeg niet dat wij ons tegen de verschuiving verzetten, maar ik vind het wel goed om op kritische vragen over marktfalen en dergelijke nadrukkelijk in te gaan. Als er al sprake is van subsidiëring van het bedrijfsleven, is het dan omgeven van voldoende randvoorwaarden en wordt er ook stevig gemonitord?

Naar aanleiding van de verschuivingen hoor ik graag van de staatssecretaris of in zijn ogen het Nederlands eigenbelang – wat op zich, ook wat de SGP-fractie betreft, bepaald geen vies woord is – geen te zwaar accent heeft gekregen. Is er nog meer dan alleen eigenbelang in beeld bij Ontwikkelingssamenwerking? Ik denk dat de staatssecretaris daar «ja» op zal zeggen, maar ik vraag hem ook om dit nog wat meer inzichtelijk te maken en body te geven.

Al eerder is vastgesteld dat het kabinet in hoog tempo bespaart op de inzet in verschillende partnerlanden. Onder meer via enkele moties heeft de Kamer opgeroepen om in het verleden behaalde resultaten, vooral op onderwijsgebied, niet te laten verdampen, maar juist serieus te blijven inzetten op investeringen in het onderwijs en de continuïteit van onderwijsprogramma te borgen. Ik zeg de staatssecretaris dank voor de separate, uitvoerige brief die hij hierover aan de Kamer heeft gestuurd. Het belang van onderwijs wordt hierin gelukkig onderstreept. Ook het nieuwe IOB-rapport legt een zeer sterk verband tussen onderwijs en economische ontwikkeling. Dit is een reden om de inzet op onderwijs vol te houden.

Het is onbetwist dat de staatssecretaris werkt aan een zorgvuldige afbouw en kapitaalvernietiging wil voorkomen, maar het lijkt erop dat er weinig harde afspraken liggen met andere donorlanden. Het gaat voornamelijk over potentiële donorlanden. Ik noem in dit verband Burkina Faso, Bolivia, Mali, Zambia en Nicaragua. Hoe kan er meer zekerheid geboden worden? Ik hecht eraan te beklemtonen, conform het gestelde in mijn eerdere motie, dat bij onvoldoende zekerheid de uitfasering maar een slagje langzamer moet lopen. Is dit ook de keus van de staatssecretaris?

Ik kom bij een meer specifiek punt. In veel landen die steun ontvangen vanuit Ontwikkelingssamenwerking komen vrouwen terecht in de prostitutie als gevolg van een opeenstapeling van problemen. De prostitutie werkt dan als een fuik waar heel moeilijk weer uit te komen is. Inmiddels hebben wij de nodige ervaring opgedaan met het opzetten van uitstapprogramma's voor prostituees in OS-landen. Dit is moeizaam werk, waarvoor een lange adem nodig is. Maar het is het waard. De SGP-fractie ziet graag dat deze programma's een serieuze verankering krijgen in het beleid en dat ingezette pilots worden voortgezet en uitgebouwd. Ik denk bijvoorbeeld aan de projecten van ICCO en Soa Aids. Ik heb daartoe een amendement ingediend, samen met mevrouw Ferrier. Dit amendement beoogt voortzetting van lopende programma's te bevorderen, met inachtneming van de resultaten, geleerde lessen en behoefte in de partnerlanden. Ook beoogt het amendement structurele inbedding in het SRGR-beleid. Graag ontvangen wij op dit punt een reactie.

Op de valreep is er fors bezuinigd op SRGR en hiv/aids. Ten opzichte van de andere prioriteitsvelden krijgt dit onderdeel een flinke knauw. Wij betreuren dit, omdat ook het belangrijke onderwerp van het terugdringen van moedersterfte hieronder valt. Ik vraag mij af of de intensivering op de andere prioriteiten wel helemaal goed kan worden weggezet. Is er voldoende ruimte om snel de grotere bedragen die naar andere prioriteiten gaan, effectief te besteden? Biedt dit geen ruimte om de bezuiniging op het prioriteitsveld SRGR deels te repareren? Graag ontvangen wij op dit punt een reactie van de staatssecretaris.

Evident is dat moedersterfte niet geïsoleerd kan worden aangepakt. Krijgt dit aandacht in een bredere visie op gezondheidszorg? Zo kan door beter sanitair en schoner water moedersterfte serieus worden teruggedrongen. Is er voldoende oog voor deze dwarsverbanden? Zo ja, hoe valt dan te verklaren dat vanaf 2014 watersanitatie veel minder accent krijgt en integraal waterbeheer meer? Dat lijkt geen logische keuze. Juist op dit terrein heeft Nederland veel expertise. Wat ons betreft, zou deze expertise zo optimaal mogelijk moeten worden ingezet. Ook drinkwaterbedrijven in Nederland zijn hier bijvoorbeeld actief in. Zou de staatssecretaris willen nagaan of zij ook niet echt last hebben van onnodige beperkingen om die expertise ook daadwerkelijk in te zetten voor OS-doeleinden?

De staatssecretaris is huiverig om naast het zogenaamde mainstreamprogramma allerlei concrete doelgroepen van beleid te formuleren. Ondertussen zijn er natuurlijk wel dergelijke concrete categorieën, waarvoor extra aandacht nodig is. Ik noem slechts twee heel grote groepen: wezen en mensen met een beperking. Het gaat hier om twee categorieën, die bij een falend beleid leiden tot grote instroom in criminaliteit, armoede en werkloosheid. Is het OS-beleid flexibel genoeg om daarop in te springen? Hoe wordt er bijvoorbeeld aan bijgedragen dat mainstreamprogramma's ook toegankelijk zijn voor gehandicapten?

De maatschappelijke organisaties op OS-terrein (MFS) hebben stevige bezuinigingen voor hun kiezen gekregen. Ik vind het echter wel van groot belang dat de belangrijke rol die deze organisaties kunnen spelen in ontwikkelingsprocessen op de agenda van de staatssecretaris blijft. Deze organisaties verdienen politieke ruimte en bijpassende financieringsmogelijkheden. In dit licht vraag ik concreet of de staatssecretaris systematisch wil werken aan vereenvoudiging en flexibilisering van subsidies voor maatschappelijke organisaties. Ik noem in dit verband het bevorderen van een flexibele overgang van financiering van noodhulp naar financiering van wederopbouw en ontwikkeling. Hier is veel winst te behalen. Ik dring aan op concrete voorstellen van de staatssecretaris. Ik teken in dit licht ook aan, dat bedrijven soms erg gemakkelijk wegkomen als het gaat om evaluatie van de verkregen subsidies – pas vanaf 10 mln. – terwijl voor maatschappelijke organisaties soms wel heel zware verantwoordingseisen gelden. Is dit niet een onevenwichtigheid?

De voorzitter: De heer Driessen heeft een vraag aan u.

De heer Van der Staaij (SGP): Ongetwijfeld over Van Oldenbarnevelt!

De heer Driessen (PVV): Het was wel een mooie opmerking van de heer Van der Staaij. Dat moet ik hem zeker nageven. Ik heb echter een andere vraag. Ik ga ervan uit dat de SGP-fractie nog steeds het idee van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis aanhangt. Ik wil er even uit citeren. «De overheid heeft tot taak te weren en uit te roeien alle valse godsdiensten en afgoderij.» Dat is niet iets wat de PVV-fractie aanhangt – dit even voor alle duidelijkheid – maar wel iets wat de SGP-fractie aanhangt. Is de SGP-fractie net als de PVV-fractie van mening dat we geen ontwikkelingshulp meer zouden moeten geven aan islamitische landen?

De voorzitter: U bedoelt niet-christelijke landen?

De heer Driessen (PVV): Islamitische landen!

De heer Van der Staaij (SGP): We gaan zelfs nog verder terug dan Van Oldenbarnevelt. De Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar artikel 36 deel van uitmaakt, is van 1 561 en na 450 jaar nog aan de orde. Daar staan heel mooie dingen in die echter wel gezien moeten worden in de sleutel van de rechtsstaat waar wij nu een aantal eeuwen later mee te maken hebben. Er is concreet gevraagd naar de hulp aan islamitische landen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis wil de Bijbel naspreken op allerlei onderdelen als het gaat om hulp aan andere landen. Dan zijn alle mensen onze naasten. Als er een ding christelijk is, is het wel dat wij een taak hebben ten opzichte van alle medemensen, van welke achtergrond of overtuiging zij ook zijn.

De heer Driessen (PVV): Er staat wat er staat in artikel 36 van de Geloofsbelijdenis: «uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst». Daarmee wordt zeker ook de islam bedoeld. Ik zal in tweede termijn een motie indienen om alle hulp voor OIC-lidstaten – dat zijn allemaal islamitische landjes – te stoppen. Ik ga ervan uit dat de SGP-fractie die motie bij de stemmingen gaat steunen.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik vind het een wat bijzondere koppeling. Als wij andere godsdiensten of overtuigingen – dat kan trouwens ook een seculiere overtuiging zijn – actief steunen, als wij een missie-instituut voor de islam gaan steunen met vele Nederlandse miljoenen aan ontwikkelingssamenwerking, dan zou mijn antwoord zijn om dat niet te doen. Dat is geheel in de geest van het artikel 36 dat de heer Driessen noemt. Iets anders is als je mensen steunt met welke achtergrond of ontwikkeling dan ook. Dat heeft niet zozeer te maken met de overtuiging die zij aanhangen. Volgens die beoordeling zullen wij de moties van de PVV-fractie bekijken.

De voorzitter: Na ruim tweeënhalf uur zijn wij aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer. Voordat de staatssecretaris gaat antwoorden, gaan wij eerst schorsen voor de dinerpauze, zodat hij de antwoorden kan voorbereiden.

De vergadering wordt van 19.40 uur tot 20.20 uur geschorst.

De voorzitter: Ik wil de Kamerleden verzoeken keuzes te maken als het gaat om onderwerpen waarop zij willen interrumperen. Met negen woordvoerders kunnen wij oneindig lang interrumperen, maar dan zitten wij hier echt nog heel lang.

Op verzoek van de commissie houd ik vanaf nu de klok in de gaten. Ik sta tijdens het antwoord van de staatssecretaris maximaal twee interrupties per fractie toe.

Staatssecretaris Knapen: Mevrouw de voorzitter. Ik dank de leden voor hun inbreng, hun opmerkingen, suggesties en kritiek. Ik ga daarop graag in. Ik zal naar vermogen proberen de vragen te beantwoorden. Misschien is het goed om als plaatsbepaling vooraf even vanuit mijn perspectief iets te zeggen over waar wij op dit moment staan. Ik doe dit als reactie op andersoortige plaatsbepalingen. Het is misschien een goed uitgangspunt.

Ik heb u vrij kort na het aantreden van dit minderheidskabinet een basisbrief gestuurd, waarin ik het uitgangspunt van reductie van het aantal landen en van het aantal speerpunten heb toegelicht. De achterliggende gedachte daarbij is: meer effectiviteit en meer efficiency. Ik kan niet genoeg benadrukken dat die andere onderwerpen ook belangrijk zijn, want zij komen steeds terug met de toevoeging dat zij belangrijk zijn. Dat zijn zij inderdaad, maar wij willen komen tot een werkverdeling.

Ik heb toen aangegeven dat wij sterker inzetten op economische groei en op de private sector. Ik kom daarop nog terug. In juni hebben wij hier gedebatteerd over de eerste uitwerking in de vorm van een focusbrief. In die focusbrief zijn wij teruggegaan naar vijftien landen. Wij hebben de speerpunten benoemd en wij hebben de criteria behandeld op basis waarvan wij tot die keuzes zijn gekomen.

In die zin ben ik het niet helemaal eens met de opmerking van mevrouw Hachchi dat het zo lang geduurd heeft voordat die brieven er waren. Wij hebben de Kamer een groot aantal documenten doen toekomen, maar door allerlei omstandigheden hebben wij pas in juni de eerste echt concrete stap gezet. Op grond daarvan konden vervolgens allerlei handelingen worden verricht. Die zijn ook verricht. Ik wijs op de brieven die u zijn toegekomen.

Wij zitten midden in dat proces. Er ligt inderdaad, zoals de Rekenkamer zegt, een te grote variëteit aan onderwerpen op tafel. Wij zijn bezig die nieuwe keuzes vorm te geven en tegelijkertijd zijn wij bezig met het maken van een exitstrategie. Wij willen dat mede op uw aandrang zorgvuldig doen, ook vanwege uw bezorgdheid of het niet te vlug zou gaan. Dat betekent dat wij op dit eigenlijk nog een beetje wonen in het ene huis, terwijl wij in het andere huis al volop aan het klussen zijn. Dat is onvermijdelijk. Dat gezegd zijnde, zijn er wel grote stappen gezet op het gehele terrein. De Algemene Rekenkamer erkent dat ook. Ik herken mij ook niet in de samenvatting die de heer El Fassed gaf van het rapport van de Rekenkamer. Feit is wel dat er door deze transitie vrij veel tegelijkertijd op de schop ligt.

Wij zijn een minderheidskabinet. Ik beschouw dit project wel – dat is misschien ook goed als opmaat en ik heb dat eerder met u gewisseld – daar waar het gaat om verhoging van de effectiviteit en efficiency en het benoemen en uitwerken van speerpunten als een gezamenlijk project. Er zijn ngo's bij betrokken, er zijn kennisinstellingen bij betrokken, de Kamer is er nauw bij betrokken en er zijn bedrijven bij betrokken. Enige ambitie als het gaat om stap voor stap en consistent deze weg afleggen, is mij gegeven. Het is mij dus wat waard dat wij zo veel mogelijk proberen om die weg met zo veel mogelijk partijen af te leggen, opdat iedereen zich daarbij voldoende comfortabel voelt en voldoende herkent waar het heen gaat.

Alvorens wij op allerlei grote onderwerpen ingaan, is het ook goed om vast te stellen hoe het zit met de bezuinigingen op Ontwikkelingssamenwerking. Die bezuinigingen zijn fors. Als je de feitelijke begrotingen achter elkaar legt, zijn ze overzichtelijk, maar als je het afzet tegen hoe het geweest zou zijn bij ongewijzigd beleid, twee jaar geleden doorredenerend en nu terugtellend, kom je op een verschil van zo'n 900 mln. Het kan iets meer zijn, het kan iets minder zijn. Dat hangt ook een beetje van het bnp af. Dus dan is het fors. Zet je het af tegen de feitelijke begrotingen en de uitgaven die we hebben gedaan, dan is het een stuk minder. Desalniettemin is het een heel serieuze ombuiging.

Tegelijkertijd zijn wij bezig met een heel wezenlijk koerswending. Daar zijn wij druk mee. Ik houd mij wat dat treft aan de afspraken en de bedragen die in het regeerakkoord zijn opgenomen, die recentelijk tijdens de algemene beschouwingen door de minister-president nog zijn bevestigd. Het is ook lastig om iets anders te doen wanneer je druk bent met heel veel mensen een beleid uit te voeren, om voortdurend te discussiëren over allerlei dingen die kunnen gebeuren of niet kunnen gebeuren. Dit is wat wij doen, dit is mijn opdracht. Ik beschouw het als een opdracht waar wij met zijn allen onze energie nu in steken.

De heer Irrgang (SP): De staatssecretaris zegt dat dit zijn opdracht is. Is het wat hem betreft ook de enige opdracht of kan er ook nog wel een miljard of vier bij, zoals de PVV wil, of misschien iets minder? Of is dit voor hem wel het maximum haalbare, omdat het al vrij fors is?

Staatssecretaris Knapen: Ik houd mij aan de opdracht die mij gegeven is. Dat is de opdracht om met deze middelen, variërend in relatie tot het bruto nationaal product, nu te werken aan een ontwikkelingsbeleid dat toekomstbestendig is.

De heer Irrgang (SP): Ik snap dat het regeerakkoord zo'n beetje de arbeidsvoorwaarden zijn van deze staatssecretaris. Zegt hij ook dat hij zich aan deze opdracht houdt en dat hij niet zomaar bereid is om elke andere opdracht te accepteren? Als de heer Wilders zijn zin krijgt, is de staatssecretaris dan ook bereid om een heel andere opdracht uit te voeren of zijn er ook voor hem grenzen?

Staatssecretaris Knapen: Als de heer Wilders zijn zin krijgt, is er geen opdracht meer, want dan is het geld op, zoals ik van de heer Driessen heb begrepen. Dan is het dus overzichtelijk. Omdat ik druk ben met wat ik nu doe, houd ik mij simpelweg aan de gemaakte afspraken. Ik zou ook niet weten hoe je zo'n groot project kunt runnen wanneer je je voortdurend laat afleiden door allerlei discussies over dit onderwerp, die met het dagelijkse werk waar wij mee bezig zijn, niets van doen hebben. Wij zijn bezig het budget te brengen op 4,2 mld. à 4,3 mld. voor volgend jaar. Die begroting bespreken wij hier. Wij zijn bezig om in die begroting de accenten te leggen zoals wij ze leggen.

Het is misschien goed om vooraf in zijn algemeenheid iets te zeggen over het punt dat hier naar voren is gebracht, namelijk dat er alleen maar sprake was van bordjes verhangen. Natuurlijk geldt dat zo niet. Zeker, op enkele plekken zijn er bordjes verhangen. Ik kom daar nog op en ik zal uitleggen waarom wij dat hebben gedaan. In de grote lijn van deze begroting is echter geen sprake van bordjes verhangen, maar van heel grote reducties van middelen en het handhaven dan wel vergroten van middelen. Dat is iets anders dan bordjes verhangen. Ik geef onmiddellijk toe dat het soms gecompliceerd is voor heel specifieke onderwerpen. De vraag of iets een investering in SRGR of hiv/aids is, is een gecompliceerde. Je kunt daarover van mening verschillen. Als mensen in een land waar wij het condoom ter beschikking hebben gesteld de liefde bedrijven, zou je nog niet zo makkelijk kunnen vaststellen of er sprake is van een SRGR-investering of een hiv/aidsinvestering. Dat kun je op individueel niveau misschien nog wel doen, maar het wordt knap lastig. Dat is iets anders dan alleen maar bordjes verhangen. Als wij dadelijk wat uitvoeriger over dit onderwerp komen te spreken, zal ik aangeven dat, ook als er dilemma's zijn, er geen sprake is van alleen bordjes verhangen.

De heer El Fassed (GroenLinks): Voorzitter...

De voorzitter: U weet dat u twee interrupties hebt, dus u bepaalt wanneer u die maakt.

De heer El Fassed (GroenLinks): Het is geen interruptie, alleen een verduidelijking.

De voorzitter: Dat is ook een interruptie. Nee, daar trappen wij niet in. Wilt u nog steeds een vraag stellen ter verduidelijking?

De heer El Fassed (GroenLinks): Als die als interruptie geldt, dan niet.

Staatssecretaris Knapen: Onder het hoofdstukje algemeen vroeg de heer Van der Staaij naar de mate waarin landen worden getroffen door deze financiële en macro-economische crisis. Het varieert. Een aantal landen heeft er simpelweg minder last van, omdat het al middeninkomenslanden zijn waar een redelijke economische groei is gebleven. Sommige landen, met name de armste, hebben er buitengewoon veel last van. Er zijn schattingen dat 60 tot 70 miljoen mensen meer honger lijden door deze financiële crisis. Het zijn schattingen voor wat ze waard zijn, maar het zijn serieuze pogingen om een gevoel te krijgen bij de ernst van de situatie. Feit is wel dat met name middeninkomenslanden, waar vaak de groei al is aangesprongen, relatief goed af zijn, los van kleinere groepen die desalniettemin het slachtoffer kunnen zijn.

In zijn algemeenheid is het misschien ook goed om de vraag van mevrouw De Caluwé de revue te laten passeren wat nu precies de begroting kan zijn, als het gaat om de ODA-criteria. Wij zijn er voorstander van om te kijken of terreinen op het gebied van veiligheid en stabiliteit daarin een grotere rol kunnen spelen. Wij zijn samen met Duitsland bezig een studie daarnaar te verrichten. Die willen wij inbrengen als een serieuze basis voor een dialoog met Commissaris Piebalgs en met andere EU-lidstaten. Als je er binnen de Europese Unie een gezamenlijke opvatting over hebt, heeft dat veel invloed binnen OESO/DAC.

Ik blijf erbij dat het op den duur nodig is om het concept ODA tegen het licht te houden van de veranderde tijd. Dat is niet iets wat je van de ene op de andere dag kunt doen, maar gegeven het feit dat de ODA-criteria komen uit het tijdperk van het paradigma van Tinbergen van rijke en arme landen, en we nu heel veel middeninkomenlanden en veel arme mensen in niet-arme landen hebben, is dit een paradigma dat tegen het licht gehouden dient te worden. Het is ook onderwerp van de discussies in Busan en het zal ongetwijfeld ook de komende jaren een rol spelen. Wanneer de Millennium Development Goals tegen het licht moeten worden gehouden omdat ze in 2015 aflopen, moet er een beter gevoel zijn over hoe je omgaat met de internationale verantwoordelijkheid, daar waar het niet meer alleen over schenkingen behoeft te gaan maar ook om investeringen en allerlei arrangementen die innovatieve vormen van financiering met zich brengen voorbij dit paradigma.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik ben heel benieuwd of de staatssecretaris dan ook bereid is om in die discussies die nu al in Busan plaats gaan vinden, ook zaken ter bespreking voor te leggen die nu onder ODA vallen en waarvan wij ons afvragen wat hun ontwikkelingsrelevantie precies is, zoals EKI.

Staatssecretaris Knapen: Voor een open, eerlijke discussie moet je niet alleen maar één deur open willen zetten om daar een kamer binnen te wandelen, maar moet je het hele palet willen bekijken. Uiteraard hoort dit soort zaken daar ook bij. Je moet simpelweg kijken wat in een meer globaliserende wereld internationale verantwoordelijkheid betekent, hoe je die vormgeeft en wat dit uiteindelijk betekent voor wie waar welke inspanningen verricht, wie waar welke offers brengt en wie waar welke voordelen ervan kan hebben.

Dan kom ik op een onderwerp dat u allemaal op enigerlei wijze hebt aangesproken, namelijk het bedrijfsleven. Ik hecht eraan dit uitvoerig genoeg te doen om als we later er weer over discussiëren, we van elkaar weten dat we weliswaar een oude prak opwarmen maar niet opnieuw de discussie beginnen als hadden we die niet gevoerd, want anders blijft het terugkomen.

De voorzitter: Dan stel ik voor dat we de staatssecretaris laten uitspreken en dat we dan aan het eind van dit blokje eventuele vragen inventariseren.

Staatssecretaris Knapen: Je zou kunnen zeggen dat in het jaar 2015 de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking uit zou kunnen komen op 900 mln. voor de private sector. Tegen degenen die dat ernstig vinden zou ik willen zeggen: het is nog erger. Het zou namelijk wel eens 1,2 mld. kunnen zijn. Ik heb er een externe consultant naar laten kijken en een schatting laten maken van wat de diverse ngo's doen. Als je kijkt naar hun activiteiten en de ontwikkeling van hun activiteiten in de richting van zelfredzaamheid en privatesectorontwikkeling en je dat erbij optelt, dan kom je op een hoger bedrag uit. Dat is de ene kant.

De andere kant is een heel andere. Als je kijkt naar wat er naar het bedrijfsleven gaat – ik heb het nu dus niet over de privatesectorontwikkeling – is dat eigenlijk rechtstreeks betrekkelijk weinig. Als je de belangrijkste programma's optelt, te weten het African Enterprise Challenge Fund, het PSI, het nieuw in te richten fonds voor het midden- en kleinbedrijf ontwikkelingssamenwerking en het Bottom of the Pyramid Innovatiefonds, dan kom je misschien aan zo'n 100 mln. tot 120 mln. Daar komt natuurlijk nog wel wat bij. Indirect via allerlei koppelingen kom je natuurlijk op veel meer, maar dat zijn geen middelen die van ons naar het private particuliere bedrijfsleven gaan. Ik noem het voorbeeld van een multinational, namelijk Heineken in Congo. Vroeger importeerde Heineken rijst voor zijn brouwerijen uit Thailand en Vietnam. Ondertussen gebruikt Heineken voor de helft van wat het in Congo aan bier brouwt, rijst die in Congo zelf wordt geproduceerd. Heineken is verantwoordelijk voor de kwaliteit en kwantiteit van de rijst; dat lijkt mij ook in zijn belang. In het begin hebben wij er een beetje aan meegeholpen om kleine boeren zo te organiseren, dat zij in staat waren om in die keten een rol te spelen. Wij hebben dat gedaan via enkele ngo's, waarvan EU-CORD de belangrijkste was. Als ik dat grote bedrag noem, zou men kunnen zeggen dat dit valt onder bedrijfslevenontwikkeling. Maar onze middelen zijn gegaan naar enkele ngo's die aan de andere kant van de lijn hieraan hebben gewerkt. Ondertussen kunnen we vaststellen meer dan 11 000 mensen, boeren en hun gezinnen, in Congo kunnen leven van deze toeleverancier van Heineken. Het is een voorbeeld, ik kan er vele andere noemen, ook op veel kleinere schaal. Wie wel eens koffie drinkt van Simon Lévelt, weet dat er in Uganda kleine activiteiten zijn die Nederland ook eerst via een ngo heeft geholpen. De koffie wordt verwerkt in Uganda, daarbij gaat het om 50 arbeidsplaatsen.

Ik vind die voorbeelden allemaal spannend. Maar we moeten bepaalde zaken wel goed uit elkaar houden. Men kan wel zeggen dat het allemaal naar het bedrijfsleven gaat, zelfs naar het Nederlandse bedrijfsleven, maar men moet dan wel weten wat wij daaronder verstaan. Overigens gaan die privatesectorinitiatieven vaak naar het lokale bedrijfsleven. Wij doen deze public-private partnerships nog niet zo lang. We hebben ook een public-private partnership voor vrouwencondooms, waar een bedrijf bij zit, I+solutions, maar ook twee ngo's, onder andere Oxfam Novib. Er zijn dus drie partijen, waarvan twee ngo's. Desondanks noemen wij dit «privatesectorontwikkeling». Het zijn namelijk geen schenkingen, uiteindelijk moeten mensen hiervoor betalen. Ik kan nog vele voorbeelden geven, van groot tot – meestal – klein. Als je zaken nauwkeurig zou willen benoemen, zou je in het modernisme van deze discussie kunnen spreken over «hybride constructies».

Een aantal leden vroeg naar de effectiviteit van deze bedrijfsleveninstrumenten. Bij sommige dingen staan we pas aan het begin. Met de public-private partnerships hebben we een aantal goede ervaringen, maar deze staan wel aan het begin. Het is een feit dat die bedrijfsleveninstrumenten moeten bijdragen aan economische ontwikkeling en armoedebestrijding. De suggestie werd gewekt dat het ministerie van EL&I is langsgekomen, 300 mln. uit de muur heeft getrokken en weer naar de overkant is verdwenen. Dat is een karikatuur. Al onze bedrijfslevenprogramma's zijn in overeenstemming met de criteria en de afspraken die wij eronder leggen. Dat wij een voorkeur hebben voor een thema als voedselzekerheid, heeft simpelweg te maken met een discussie – die we nu niet hoeven herhalen – die in het kader van de focusbrief uitvoerig aan de orde is geweest. Alles voldoet echter aan de criteria die wij eraan stellen. Zoals ik eerder heb gezegd, het bedrijfsleven is voor ons een middel en geen doel. Als aan het eind van de rit een middeninkomenland welvarend genoeg is geworden om het uit te zwaaien in termen van onze ontwikkelingsrelatie, dan hoop ik inderdaad dat er een eigenbelang overblijft voor ons: dat je een normale, bilaterale economische relatie hebt van gelijkwaardige partijen. Daar worden wij beter van en zij zijn er dan al beter van geworden! Naar mijn stellige overtuiging is daar niet alleen niets mis mee, maar is het ook essentieel om mensen te laten zien dat deze ontwikkelingen niet als een aflaat bedoeld zijn, maar om vooruitgang te creëren, vooruitgang die uiteindelijk op iedereen neerslaat.

De evaluaties van de bedrijfsleveninstrumenten zijn over het algemeen behoorlijk positief. Over PSI is daarstraks gezegd dat het niet werkt, maar alles bij elkaar scoort PSI echt behoorlijk goed. Meer dan de helft van de projecten leidt tot een duurzame blijvende ondernemingen. Bij een dergelijke score van meer dan 50% zou men in het bedrijfsleven zijn vingers aflikken.

Mijn voorganger – ik waardeer hem daarvoor – heeft ORET omgezet in ORIO om ervoor te zorgen dat de effectiviteit ter plekke een groter gewicht zou krijgen dan de bedrijven die zich hebben ingeschreven. Dat betekent dat «de binding» is losgelaten. Als wij hoge eisen stellen aan kwaliteit en duurzaamheid, dan zouden Nederlandse bedrijven natuurlijk goede papieren moeten hebben. Zij hebben met andere woorden waarschijnlijk een streepje voor ten opzichte van bedrijven uit sommige andere landen. Het is echter niet gegeven en het staat ook niet vast.

De eerste ronde ORIO-projecten is afgerond en binnenkort kunnen wij dan ook zien wat er op de zeef blijft liggen. Ik ben er optimistisch over dat een groot deel bij het Nederlandse bedrijven landt. Dat is ook goed, maar het betekent zeker niet dat het een automatisme is. De criteria zijn armoede-indicatoren en maatschappelijk verantwoord ondernemen. «Up front» zijn die criteria vastgelegd en het heeft dus niets te maken met de vraag of het wel tot voldoende inkomsten leidt voor degene die zich inschrijft. Ons doel is namelijk maatschappelijk verantwoord ondernemen dáár en armoedebestrijding dáár. Daaraan moet het een bijdrage leveren. Het moet met andere woorden ontwikkelingsrelevant zijn.

Een laatste opmerking over de bedrijfsleveninstrumenten. De heer Voordewind vroeg naar de criteria. De criteria worden aangescherpt, omdat de nieuwe OESO-richtlijnen strenger zijn dan de oude en wij afgesproken hebben dat bedrijven zich daaraan hebben te houden. Verder hebben bedrijven de verantwoordelijkheid voor de hele toeleveringsketen. Daarover dienen zij ook verslag uit te brengen.

Voor alle duidelijkheid voeg ik er maar aan toe dat de civil society een cruciale functie heeft als waakhond. Soms zie je dat ook werken. Zo was er laatst een hele discussie over thee en Unilever. Een maatschappelijke organisatie meldde dat er misschien iets niet klopte. Unilever heeft zich daartegen verdedigd en over wie wel of geen gelijk heeft, is men vervolgens in discussie gegaan. Zo hoort het! Zo neem je consumenten namelijk mee naar burgerschap.

Wij hebben maatschappelijke organisaties uitgenodigd om mee te denken over de vraag hoe de OESO-richtlijnen te gieten in precieze regels voor de diverse bedrijfstakken. Het maakt immers nogal wat uit of je spreekt over een groot bedrijf dat een aantal corporate lawyers in dienst heeft om het keurig af te vinken of over een klein bedrijfje dat het erbij doet. Zo'n bedrijfje wil je niet met zo veel bureaucratie belasten dat het bij voorbaat kansloos is. Wij spelen daarom met de gedachte of het soms niet zinvoller is om richtlijnen globaal voor te leggen en te controleren via een soort klokkenluidersregeling, opdat men zichzelf corrigeert. Wij hebben overigens bij het nationaal meldpunt, het contactpunt dat hiervoor is ingericht, betrekkelijk weinig klachten gekregen. Er is niet onmiddellijk aanleiding om op basis van georganiseerd wantrouwen allerlei regels op te tuigen die wellicht niet nodig zijn. Feit is wel dat wij er bovenop moeten zitten.

De heer Voordewind vroeg ten slotte hoe het zit met de eigen bijdrage van het bedrijfsleven. Zeker, voor het bedrijfsleven geldt altijd dat het ten minste in dit soort constructies voor 50% moet deelnemen, tenzij het met het nieuwe mechanisme, dat wij nog aan het uitwerken zijn, de bedoeling wordt dat corporaties in ontwikkelingslanden een meerderheidsaandeel krijgen. Met het Fonds opkomende markten voor ontwikkelingssamenwerking willen wij eigenlijk bevorderen dat corporaties daar een meerderheid krijgen. Wij willen hen helpen om die te krijgen. Wij maken daarvoor dus specifiek een uitzondering. Wij komen daarover ongetwijfeld nog te spreken.

Ik kom op het laatste puntje dat de heer Voordewind aan de orde heeft gesteld.

De voorzitter: Staatssecretaris, ook voor u geldt dat er maar één «ten slotte» kan zijn.

Staatssecretaris Knapen: Dan past mij zwijgen, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter: Ik snap uw behoefte aan compleetheid en volledigheid. Die worden ook zeer gewaardeerd. Ik verzoek u echter om in de volgende blokjes wat bondiger te antwoorden. De heer El Fassed staat al een hele tijd te popelen en kon zich amper bedwingen. Ik geef hem als eerste het woord. Volgens mij heeft iedereen vragen, dus na hem ga ik het rijtje af.

De heer El Fassed (GroenLinks): Voorzitter. Donderdagavond hebben wij gesproken over landbouw en ontwikkelingslanden. Ik heb bij die gelegenheid ook gevraagd naar die criteria. Ik hoor vaak het woord «criteria». Ik vraag mij af hoe de staatssecretaris die gaat toepassen. Krijgen bedrijven vooraf criteria opgelegd en moeten zij aan bepaalde zaken voldoen voordat zij een subsidie krijgen, net als ngo's en andere instanties die subsidie krijgen van dit ministerie, of wordt er achteraf getoetst? Mij lijkt dat die regels gelijk worden gesteld. Als iemand een aanvraag doet voor een subsidie, ongeacht of dat door een bedrijf of een ngo wordt gedaan, dan worden bij de beoordeling daarvan scherpe criteria gehanteerd. Ik ben het op dat punt eens met de staatssecretaris. Voor alle duidelijkheid: wij zijn ook voor economische ontwikkeling, vooral bij kleine producenten omdat daarmee juist die lokale economie wordt verstevigd. Hoe gaat de staatssecretaris vooraf toetsen op die criteria zodat zowel ngo's als het bedrijfsleven op dezelfde manier worden behandeld?

Staatssecretaris Knapen: Het antwoord is: ja, er zijn criteria vooraf waaraan degene die zich meldt, dient te voldoen of waarbij hij moet verklaren eraan te zullen voldoen. Dat is vergelijkbaar met het bedrijfsleven, maar ook weer niet omdat een ngo vaak veel programma's heeft die allemaal gesubsidieerd worden vanuit overheidsmiddelen. Successievelijk worden de programma's langsgelopen, zoals bij de tenderprocedure van het MFS het geval was. Er worden in elk geval vooraf criteria vastgesteld. Die worden voorgelegd en daaraan moet een bedrijf voldoen c.q. daarbij moet een bedrijf verklaren zich eraan te gaan houden, bijvoorbeeld in relatie tot de ILO-criteria.

De heer El Fassed (GroenLinks): Ik hoor graag het volgende van de staatssecretaris. Welke criteria worden gehanteerd om er zeker van te zijn dat geld besteed wordt aan de opbouw van lokale economieën?

Staatssecretaris Knapen: Afhankelijk van het karakter van de onderneming zijn dat de duurzaamheidscriteria en de armoede, het aantal mensen dat daarmee aan een inkomen wordt geholpen, dan wel het aantal mogelijkheden en de relatie tussen de deelnemers en de mogelijkheden die er zijn om de productiviteit te doen toenemen. Als het gaat om kleine boeren die geholpen worden met betere – een van de leden gebruikte eerder op de avond het woord «pootaardappelen» – pootaardappelen, dan is het criterium dat iemand deze op de juiste manier moet gebruiken. Daarnaast moet het ervoor zorgen dat iemand de opbrengst van zijn land niet slechts gebruikt voor zichzelf, maar ook gaat produceren voor de lokale markt. Op basis van die criteria kun je vaststellen of iets gelukt is, of dat je iets fout hebt gedaan.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik begrijp dat de criteria worden aangescherpt naar aanleiding van de OESO-richtlijnen. Daar ben ik blij mee, want het is een logische volgende stap. Ik heb nog wel een vraag over het monitoren. Bij Lipton en de hazelnoten hebben we gezien dat het fout kan gaan. Bij toeval komen we er dan achter dat het niet klopt. Kan die monitoring niet structureel worden georganiseerd? Nu komen we er alleen bij toeval achter, als een ngo of een cameraploeg het ontdekt.

Staatssecretaris Knapen: Er is een monitoringmechanisme. Sluit dit altijd alles uit? Nee, je blijft altijd afhankelijk van een meldpunt, een waakhond of iemand die zijn vinger opsteekt. Wij moeten het niet willen dichtmonitoren; dat kunnen we bovendien niet. Afhankelijk van of het bilateraal of multilateraal gebeurt, bijvoorbeeld via een multilateraal fonds, wordt vastgesteld welke partij het doet. De projecten waarvoor wij overheidsgeld inzetten, worden echter gemonitord. De Kamer kent de resultatenrapportage, waarin we terugkijken. Die heeft als nadeel dat het soms een beetje laat gebeurt in relatie tot het afgeleverde werk. Het monitoren gebeurt echter wel.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Het monitoren gebeurt dus. Waarom komen er dan zoveel rapporten uit van ngo's die daar gaten in zien? Op de een of andere manier klopt die monitoring dus niet, anders zouden die rapporten er niet zijn. Lipton is daarvan een goed voorbeeld.

Staatssecretaris Knapen: Of het veel is in relatie tot wat er allemaal gebeurt, weet ik niet. Dat waag ik eerlijk gezegd te betwijfelen. Er gebeurt namelijk ontzettend veel. Allerlei partijen investeren voor miljarden in dit soort projecten. Als je daartegenover zet wat er wordt gemeld, dan valt het nog wel mee. Bovendien is wat er wordt gemeld, ook altijd onderwerp van onderzoek: klopt het of klopt het niet? Ook wil ik vermijden dat we mechanismen inrichten die alles dichtregelen en zorgen voor zo'n bureaucratie dat we niet meer in staat zijn om iemand het vertrouwen te geven om nog iets te doen. Het is een kwestie van het zoeken van een evenwicht tussen enerzijds goed monitoren, verantwoording afleggen en zo transparant mogelijk handelen en anderzijds vertrouwen geven aan mensen die aan de slag gaan.

De voorzitter: Ik begrijp dat de staatssecretaris een paar vragen nog niet heeft beantwoord. Misschien kan beantwoording daarvan het gebruik van de schaarse interrupties voorkomen.

Staatssecretaris Knapen: Mevrouw De Caluwé vroeg: hoe sluiten vraag en aanbod van investeringsprojecten op elkaar aan? Waar kunnen mensen elkaar treffen? Op zich is het geven van aandacht hieraan een uitstekend idee, maar er gebeurt al het nodige. Het Business in Development Network heeft een portal daarvoor. Hetzelfde geldt voor NCDO. Ook Partos en Agentschap NL werken eraan. Wat nog onvoldoende tot tevredenheid stemt, zijn de pogingen om de toegang voor het mkb gemakkelijker te maken. Een portal op zich vormt vaak nog een drempel. Als je niet oppast, leidt het tot allerlei handelingen in plaats van tot een paar keer klikken. Agentschap NL is ermee bezig; men heeft het geïdentificeerd als een van de onderwerpen die men op de schop gaat nemen.

Mevrouw De Caluwé vroeg ook naar de ontwikkelingssamenwerking in het licht van de green deal. De richtlijnen op het gebied van duurzaamheid zijn aangescherpt en daaraan moet men voldoen. De meest recente partnerschappen – met name op het punt van voedsel, water komt binnenkort – kun je al kwalificeren als een soort green deal. Duurzaamheid is namelijk het expliciete criterium en niet een «overigens-ook-nogcriterium». Ten slotte zijn wij bezig met het fonds voor innovatieve financiering, waarover ik zo-even sprak. Wij willen kijken hoe wij duurzaamheid als een expliciet upfront criterium kunnen meenemen. Ook willen wij bezien hoe wij kunnen experimenteren met nieuwe vormen van financiering, meer vooruitlopend op een wat meer conceptuele discussie over de vraag wat ontwikkelingssamenwerking in de toekomst eigenlijk vermag en zou moeten betekenen.

Mevrouw Ferrier vroeg in dit verband hoe het zit met de voluntary principles van de OESO. Zoals gezegd, zijn de OESO-richtlijnen aangescherpt. Dat betekent dat bedrijven een eigen mvo-beleid moeten hebben als ze meedoen. De ingediende voorstellen worden getoetst op mvo en op armoede. Nu zijn die voluntary principles destijds primair ontwikkeld voor de mijnbouw. Intussen is met name de Verenigde Staten druk bezig om het verder te brengen dan veiligheid en duurzaamheid van mijnbouw alleen. Wij steunen dat van harte.

De heer El Fassed vroeg hoe ervoor gezorgd kan worden dat bedrijven zich houden eisen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, ook wanneer ze bezig zijn. De Wereldbank kent strikte milieuwaarborgen en sociale waarborgen voor bedrijven die zich daar inschrijven. In het rapport van de Wereldbank, dat over een halfjaar uitkomt, zal daarop uitvoeriger worden ingegaan. Via een bewindvoerder in de bestuursraad ziet men al toe op de naleving. Het idee is om deze bewindvoerder nog wat meer armslag te geven.

De heer Irrgang vroeg zich af of public-private partnership eigenlijk geen gebonden hulp was, maar dan in een nieuw jasje. Het is zeker waar dat wij bij deze public-private partnerships gebruikmaken van Nederlandse kennis en kunde. Het is echter nadrukkelijk bedoeld voor het versterken van een boer, daar in de handelsketen, voor de toegang van vrouwen daar tot vrouwencondooms of voor de toegang tot schoon drinkwater daar. De verantwoordelijkheid ligt niet bij het ministerie van EL&I, maar bij Ontwikkelingssamenwerking. Zeker, als je een contract sluit met iemand, heb je een relatie. Dat is echter iets anders dan verplicht worden met die ene een contract te sluiten en niet met iemand anders.

De heer Voordewind stelde een vraag over duurzame supermarkten. Ik weet dat dit een onderwerp is dat hem ter harte gaat. Wij hebben recentelijk verschillende malen gesproken met vertegenwoordigers van de branche. De heer Voordewind weet dit als geen ander. Binnenkort zal mijn collega van EL&I de Kamer verslag doen van waartoe dit geleid heeft. Er wordt dus gewerkt aan iets wat in de geest van het idee van de heer Voordewind is.

Mevrouw Ferrier (CDA): De staatssecretaris heeft heel duidelijk gemaakt dat hij het laatste woord heeft over de besteding van de ODA-middelen. Ik denk dat het heel belangrijk is dat wij dit goed weten. Ik ben ook blij met zijn betoog dat net als voor het maatschappelijk middenveld, ook voor het bedrijfsleven criteria gelden: upfront criteria, zoals hij ze noemde, dus criteria vooraf. Dat wordt goed gemonitord. Ik had het in mijn inbreng over het belang van positieve prikkels voor duurzame en groene activiteiten. Ze zouden bijvoorbeeld zwaar kunnen wegen bij selectiecriteria. Ziet hij hiertoe mogelijkheden met zo'n upfront criterium?

Staatssecretaris Knapen: Als een bedrijf of een deelnemer het goed doet, zijn er alleen maar positieve prikkels. Natuurlijk worden er kosten gemaakt. Ik sprak onlangs met de directeur van een uienkwekerij in Noord-Holland. Daar werkten 100 mensen, waarvan 80 academici die bezig waren met innovaties. Die zijn begonnen om via Agriterra, een kleine coöperatieorganisatie die wij ondersteunen, in Niger een uienkwekerij op te zetten. Er zijn natuurlijk afspraken gemaakt waarover het gaat, hoe het zit met werkgelegenheid et cetera. Het eind van de rit is dat het ook voor die uienkweker in Noord-Holland buitengewoon positief is. Niet alleen komt hij op nieuwe producten. Hij komt op nieuwe markten. De mensen uit Niger die hierheen komen om stage te lopen, gaan verrijkt terug en gaan zelf aan de slag om grote bedrijven te organiseren. Dus ik maak mij er niet zo druk over of die prikkels positief zijn. Mensen beginnen aan die dingen omdat ze vooruit willen.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Er gaat niet 120 mln. naar het bedrijfsleven, zoals de staatssecretaris zei. In de antwoorden op onze vragen noemde hij al 382 mln. Dat is nog exclusief potjes die via de posten lopen. Het bedrag is wel hoger. Ik zeur nog even over de criteria vooraf voor mvo. Ik wil heel graag dat de staatssecretaris mij even meeneemt door dat proces.

De voorzitter: Wel een korte vraag alstublieft, mevrouw Dikkers.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Volgens mij moet je bij het PSI verklaren dat je IMVO-standaarden naleeft. Als je daaronder een krul kunt zetten, is het klaar. Om gerustgesteld te worden, wil ik weten hoe dit traject precies in elkaar zit.

Staatssecretaris Knapen: Op het gevaar af bureaucratisch te klinken: het is anders. Er zijn protocollen afgesproken met criteria waaraan deelnemers moeten voldoen, dan wel waaraan ze zich moeten committeren. Daarvoor zijn monitoringprotocollen afgesproken. Dat gaat verder dan een krabbel, zoals mevrouw Dikkers suggereerde. Het zijn ook geen metersdikke ordners, want dan is het afschrikwekkend voor het midden- en kleinbedrijf, maar ze zijn serieus. Als mevrouw Dikkers wil zien hoe zo'n protocol eruitziet, is zij meer dan welkom.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Ik ben blij te horen dat de staatssecretaris specifiek aandacht wil geven aan het mkb. Hij gaf aan dat er verschillende platforms bestaan waarop bedrijven zich kunnen aanmelden. Hij noemde Business in Development Network, Agenschap NL. Partos is er ook mee bezig. Ik heb laatst een heel boekje gekregen met allerlei bestaande mogelijkheden. Wil de staatssecretaris zich inzetten om tot één platform te komen, waardoor dit veel overzichtelijker is?

Staatssecretaris Knapen: Dat is de ambitie van Agentschap NL, dus het antwoord is ja.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Ik heb nog één vraag.

De voorzitter: Dit is uw eerste interruptie, dus u mag doorgaan.

Mevrouw De Caluwé (VVD): De staatssecretaris zei ook dat hij bij de green deal nieuwe manieren van financiering zou zoeken, vooruitlopend op de discussie over de criteria. Mag ik hieruit opmaken dat hij mijn verzoek zal uitvoeren om de aanpassing van de criteria heel voortvarend ter hand te nemen en in overleg te treden met lidstaten en de Eurocommissaris, zodat ik geen motie hoef in te dienen?

Staatssecretaris Knapen: Daarmee zijn wij druk bezig. Wij hebben twee weken geleden nog gesproken over het thema OOF, Other Official Flows.

Mevrouw Hachchi (D66): Ik vraag de secretaris om te reageren op de woorden van de heer Wientjes, de voorzitter van VNO-NCW. Hij zegt dat subsidies voor het bedrijfsleven helemaal niet geschikt zijn en dat hij veel meer heeft aan leningen of andere vormen van geld dan aan subsidies die de staatssecretaris voorstelt via het bedrijfsleveninstrumentarium. Daarop ontvang ik graag een reactie van de staatssecretaris. Daarnaast gaf de staatssecretaris terecht aan dat de samenwerking tussen bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld nog in de kinderschoenen staat. Wat gaat de staatssecretaris doen om dat te stimuleren?

Mijn derde vraag...

De voorzitter: U wilt uw opmerkingen in één interruptie maken?

Mevrouw Hachchi (D66): De vragen vallen onder hetzelfde kopje. Ik wilde al veel eerder interrumperen.

De voorzitter: U mag nog steeds maar twee interrupties in het hele antwoord plaatsen.

Mevrouw Hachchi (D66): Ik heb nog een derde vraag, voortbordurend op wat de staatssecretaris al gezegd heeft over de criteria. Kan hij ingaan op de vraag of het misschien goed is om de criteria voor maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven enigszins gelijk te trekken, mede in het licht van zijn opmerking dat de rol van maatschappelijke organisaties steeds meer overlap heeft met die van het bedrijfsleven?

Staatssecretaris Knapen: Het karakter van een bedrijf verschilt dermate van dat van een maatschappelijke organisatie, dat het heel lastig is om de criteria een-op-een op elkaar te leggen. Wel trek ik mij de klacht aan van ngo's over de enorme papierwinkel die zij hebben in te vullen. Wij zitten daar enigszins dubbel in. Als er iets misgaat, eisen wij altijd onmiddellijk maatregelen. Met die maatregelen krijgt iedereen te maken. Zodra iedereen al die maatregelen na enkele jaren heeft gekregen, is het een enorm pak papier geworden. Vervolgens stellen wij vast dat dit eigenlijk niet kan. Wij moeten op dit punt enige zelfkritiek hebben. Overigens ben ik binnen het ministerie bezig om enige afstand te creëren en het toezicht iets formeler op afstand te plaatsen, opdat het aantal toezicht-, ijk- en monitoringmomenten in een jaar enigszins te doen is. Ik hoor klachten van ngo's dat op de boekhoudafdeling mensen bijna fulltime bezig zijn om al die formulieren in te vullen en bij te houden voor de diverse donateurs. Ik weet wel dat het woord «strijkstok» iedereen in de gordijnen jaagt, dus daar letten wij vreselijk op, maar wij moeten ook een beetje vertrouwen durven te hebben.

De heer Wientjes heeft iets gezegd over subsidies, bijvoorbeeld de public-private partnerships. Natuurlijk geven wij middelen aan ngo's – dat zou men een subsidie kunnen noemen – maar wij geven nauwelijks subsidie via bedrijven. Het ministerie heeft enkele maanden geleden een evenement voor de private sector georganiseerd. Drie kwart van de mensen die daar kwamen, zeiden dat zij helemaal geen behoefte hadden aan subsidies. Dat zegt iets over de ontwikkeling. Ik ben het eens met mevrouw Hachchi dat subsidies heel vaak niet meer het middel zijn om iets te bewerkstelligen.

Mevrouw Hachchi (D66): Ik heb ook gevraagd naar de samenwerking tussen bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties en of de staatssecretaris die zal stimuleren.

Staatssecretaris Knapen: Het antwoord is «ja». Dat proberen wij te doen door een aantal public-private partnerships op te zetten, zoals ik zojuist noemde, waarvan er nog enkele zullen komen. Die zijn juist bedoeld om die combinaties mogelijk te maken.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik heb een vraag over de mate waarin er geld beschikbaar komt voor het bedrijfsleven. De staatssecretaris gaf aan dat veel bedrijven zeggen ook zonder overheidssteun winstgevend te kunnen investeren in ontwikkelingslanden. Zijn de fondsen die nu voorzien zijn niet te veel voor wat er daadwerkelijk nodig zal zijn voor het bedrijfsleven?

Staatssecretaris Knapen: Wij geven praktisch geen middelen aan het bedrijfsleven. Ik geef het voorbeeld van Simon Levelt en zijn gecertificeerde koffie in Uganda. Wij hebben simpelweg, door een kleine interventie via een ngo in Uganda, de weg geopend voor ongeveer 1100 kleine boeren en enkele werknemers van een daar gebouwde fabriek voor de verkoop van duurzame koffie in Nederland. Daarna hebben wij er ook niets meer mee te maken. Maar als we het niet gedaan hadden, was dit zo niet op gang gekomen. Je zoekt meer naar een soort tipping point om iets op gang te helpen en daarna is onze rol uitgespeeld. Een ngo kan daar nog wel enkele jaren mee bezig zijn om ervoor te zorgen dat de mensen personeelsbeleid leren voeren, dat zij leren om contracten op te stellen of hoe zij moeten onderhandelen om een fatsoenlijke prijs te krijgen. Maar de overheid hoort er daarna geen rol meer in te spelen. We moeten het dus wel relativeren als we het daarover hebben.

De heer Driessen (PVV): Ik hoor allerlei uiterst interessante uiteenzettingen over pootaardappelen, hazelnoten, duurzame supermarkten, platforms en de green deals van de groenrechts partij, maar laten we tot de kern van de zaak komen. Gisteren werd bekend dat de meerderheid van de Nederlanders meent dat er voor 4 mld. in het budget voor ontwikkelingshulp moet worden gehakt als wij in 2012 extra moeten bezuinigen. Wat zegt het volgens de staatssecretaris over de populariteit van ontwikkelingshulp onder de Nederlandse bevolking als de meerderheid van die bevolking dat budget eigenlijk de nek wil omdraaien?

Staatssecretaris Knapen: Nogmaals, ik ben een simpele employé. Ik ben benaderd nadat een regeerakkoord was geschreven waarin stond hoe veel voor Ontwikkelingssamenwerking zou worden uitgegeven. Dat is het gevolg van de verkiezingen die daarvoor zijn gehouden en ik houd mij daar verder aan. Ik kan me niet iedere dag laten afleiden door schaduwboksen en opiniepeilingen. Ik moet gewoon dit werk doen.

De heer Driessen (PVV): Volgens mij was de vraag heel simpel: wat zegt het over de populariteit? Zou de staatssecretaris misschien kunnen erkennen dat ontwikkelingshulp totaal impopulair is onder de meerderheid van de Nederlandse bevolking?

Staatssecretaris Knapen: Dit hebben we met zijn allen afgesproken in deze democratie. Ik beschouw het als mijn dure en mooie taak om dat naar vermogen en zo goed mogelijk te doen.

De heer Driessen (PVV): Duur is het inderdaad!

De voorzitter: Ik wijs u erop dat wij een uur en twee blokjes verder zijn. We hebben nog negen blokjes. Met dit tempo zijn we 4,5 uur verder voordat de staatssecretaris klaar is met zijn antwoord in eerste termijn. Ik geef het maar als kennis mee, wellicht ook aan de staatssecretaris. Hij kan bondiger antwoorden. Ik begrijp dat de beantwoording op het punt van het bedrijfsleven wat uitvoeriger moest.

Staatssecretaris Knapen: Ik zal het volgende onderwerp wat korter behandelen. Dat kan eigenlijk niet, maar dat doen we in uw geest, voorzitter. Dat onderwerp betreft seksuele reproductieve gezondheid en rechten. Ik moet hierbij allereerst een misverstand uit de wereld helpen, dat een beetje in de hand is gewerkt door de Algemene Rekenkamer toen zij sprak over het verhangen van bordjes. Zij had er gelijk in dat bordjes werden verhangen, maar zij had geen gelijk met de conclusie die daaruit werd getrokken, namelijk dat wij minder doen voor SRGR dan wij deden.

Vroeger hadden wij geen drie blokken van hiv/aids, gezondheid en SRGR. Nu we die wel hebben en enkele fondsen, zoals het Health Insurance Fund and het Fonds Product Development Partnerships (PDP) bij gezondheid algemeen zijn ondergebracht, wordt de suggestie gewekt dat er heel veel geld uitgehaald is. Feit is dat wij naar vermogen hebben geprobeerd een onderscheid aan te brengen in wat wij uitgeven aan SRGR – ik wil best discussiëren over de vraag of elke handeling die verricht wordt altijd SRGR is dan wel hiv/aidsgerelateerd – zodat de Kamer ons kan blijven volgen met wat er met die budgetten gebeurt. Daar waar wij niet zeker weten waaronder het moet worden gerubriceerd, hebben wij aangegeven dat inderdaad een keuze is gemaakt. Het is wel een stuk preciezer dan de oude keuzes, waar alle grote gezondheidsfondsen maar achter hiv, aids en malaria werden geplakt. Voor SRGR gaven wij 110 mln. uit als wij de bordjes terug hangen en het in lijn doen met de huidige rapportage. Wij willen uitgeven 113 mln. Als je alles bij elkaar plakt, hebben aids en SRGR, zoals blijkt uit post en mails die enkele van de ngo's aan de Kamerleden hebben gestuurd, veel minder. Dat klopt, want hiv/aids is minder, niet omdat er zoveel minder naar hiv/aids is gegaan, maar omdat het insurance fund en het health partnership eruit zijn gehaald en in een nieuwe post zijn ondergebracht die «gezondheid algemeen» heet. Ik hoop dat men van mij aanneemt dat 110 mln. 113 mln. wordt en dat het bedrag voor hiv/aids lang niet zo sterk gedaald is als gesuggereerd wordt, omdat er posten uitgehaald zijn die vroeger een vervuilend effect konden hebben.

Mevrouw Hachchi (D66): Het is goed dat de staatssecretaris nu helderheid schept doordat een indeling wordt gekozen die duidelijk is. Uiteindelijk moeten wij het niet ingewikkelder maken dan het is. Als ik kijk waarop wordt gekort en welke relevantie dat heeft voor SRGR, gaat het mij erom wat het voor de projecten betekent. In dit geval betekent het dat je tekortdoet aan de prioriteit SRGR, ondanks de verdeling en ondanks het feit dat het nu het kopje «gezondheid» heeft. Je moet naar de inhoud kijken en naar de projecten die geraakt worden. Dit doet de prioriteit teniet.

Staatssecretaris Knapen: Ik ben blij met deze interruptie. Ik wilde die zin afmaken. Ik ga ervan uit dat alle leden de afgelopen week de antwoorden hebben bestudeerd op de vraag hoe de bordjes verhangen zijn. Er is geen sprake van een misverstand. Ik neem de zorg van alle leden mee om SRGR meer aandacht te geven dan hier gebeurt. Als je een bezuiniging doorvoert, is iets wat de facto nominaal gelijk blijft, een relatieve stijging. Ik realiseer mij heel wel dat de Kamer in den brede zegt dat hiernaar beter moet worden gekeken. Ik neem dat ter harte en kom erop terug.

De heer Van der Staaij heeft in dit verband gevraagd naar de relatie tussen SRGR en gezondheid, water en sanitatie in het algemeen, omdat SRGR meer is dan alleen datgene waarvoor de afkorting staat. Ik zal begin volgend jaar een uitgebreide notitie over SRGR aan de Kamer zenden, zoals dat ook met voedselzekerheid is gebeurd en binnenkort met water gebeurt. Logischerwijze gebeurt dat ook met dit speerpunt.

Er is een vraag gesteld over het vrouwencondoom. Wij hebben een public-private partnership en dat willen wij de komende jaren graag voortzetten. Het is een succes. Wij werken daarmee inderdaad aan de G5, de gender en de G3. Wij willen graag samen met Oxfam Novib en iSolution doorgaan.

Mevrouw De Caluwé (VVD): Ik heb een vraag over SRGR. De staatssecretaris zegt dat in het kader van de bezuinigingen een gelijk gebleven bedrag betekent dat er een intensivering heeft plaatsgevonden. Van het bedrag van 104 mln. is 34 mln. op deze post bezuinigd. Is dat niet te veel en zou het niet handig zijn om daarop een reparatie aan te brengen?

Staatssecretaris Knapen: Het is inderdaad knap vervelend dat het zo gegaan is. Het was een parkeerartikel. Die 30 mln. zitten er niet meer in als een bezuiniging. Vandaar dat wij uitkomen op 113 mln. als wij alles optellen. Ik begrijp dat het niet genoeg is volgens mevrouw De Caluwé. Ik kom daarop nog terug. Die geparkeerde bezuiniging is daar dus niet blijven staan.

Praktisch iedereen heeft gesproken over het onderwerp gender. Het is goed om heel even stil te staan bij de getallen. Er wordt niet bezuinigd op gender. Voor volgend jaar hebben wij 42 mln. bestemd voor een internationaal genderbeleid. Dat is hetzelfde bedrag als voor dit jaar. Van de 5 mln. waarmee destijds door het amendement van mevrouw Hachchi c.s. het bedrag is opgehoogd, zijn 3 mln. gerubriceerd onder het maatschappelijk middenveld, omdat die naar vier SRGR-organisaties zijn gegaan die zich specifiek hiermee bezighouden. Het is niet als zodanig geoormerkt maar het is wel zo uitgegeven. De rest, die 39 mln., staat gewoon op artikel 5.3 zoals mevrouw Hachchi weet: gelijke kansen en rechten voor vrouwen. Wij willen voor volgend jaar die 42 mln. gewoon zo blijven besteden.

In dit verband suggereerde de heer El Fassed dat er geen genderprogramma's meer zouden zijn voor Congo. Niets is minder waar. Zowel vanuit het regionale programma als vanuit de centrale fondsen blijft er aandacht voor gender en seksueel geweld en de combinatie daarvan. Dat doen wij bijvoorbeeld in het programma Maniema en in het project Search for common ground. Wij doen ook het nodige aan de opleiding van politie om seksueel geweld te voorkomen. Het is een goedlopend programma. Ik heb er een bezocht. De chef van de politie aldaar is een vrouw en zij heeft de wind eronder. Het is een fantastisch project en dat is ons ook veel waard. Het heeft een geweldig spillovereffect naar de rest van het noorden van Goma.

Mevrouw Ferrier vroeg in dit verband naar de concrete invulling van resolutie 1325. U weet misschien dat wij op 18 of 19 december het tweede nationale actieplan zullen tekenen. Daaraan doen naast een paar ministeries en enkele kennisorganisaties meer dan 30 ngo's mee. Mevrouw Ferrier weet dat wij geld gereserveerd hebben voor zes focuslanden. Dat staat in de genderbrief. Ook voor het MENA-gebied hebben wij geld gereserveerd voor gender. Wij willen onder resolutie 1 325 nog specifiek middelen beschikbaar stellen. Wij proberen het dus zo concreet mogelijk in te vullen.

De heer Voordewind stelde in dit verband nog een vraag over gender in Afghanistan. Wij hebben al eerder gediscussieerd over dit onderwerp. Dat is een belangrijk, maar ook lastig proces. Het is al moeilijk genoeg om vrouwen op te leiden. Vrouwelijke agenten opleiden is al een hele cultuursprong, maar daar werken wij aan. Wij werken vooral eraan om in het curriculum van mensen die wij opleiden, serieus aandacht te besteden aan gender, aan vrouwenrechten. Daarvan wordt veel werk gemaakt. Daarvoor is ook veel enthousiasme tijdens de opleiding. Ik heb dat zelf kunnen vaststellen. Wij willen ook bijdragen aan verdere beleidsontwikkeling van de Family Response Units bij het ministerie van BZK. Via het LOTFA-programma is daarvoor ook extra geld uitgetrokken. Met ons civiele team kijken wij of wij met legal aid hulp kunnen bieden aan vrouwen in de Kunduzgevangenis, samen met de partners van Women Affairs en de orde van advocaten in Kunduz zelf. De situatie in Afghanistan, als het gaat om vrouwen en gevangenissen, is inderdaad dramatisch.

De voorzitter: Als ik afspraken met u maak, mevrouw Ferrier, wil ik ook dat u zich eraan houdt. De leden hebben ingestemd met twee interrupties. U hebt er twee gehad. Dat geldt ook voor mevrouw Hachchi en mevrouw De Caluwé. De staatssecretaris gaat verder.

Staatssecretaris Knapen: Ik om op het onderwerp coherentie. Dat onderwerp hebben met name mevrouw Ferrier en de heer El Fassed vaak aan de orde gesteld en het is door menigeen van kritische kanttekeningen voorzien. Wat doen wij aan coherentie? Ik wil dit onderwerp wat uitvoeriger behandelen om te vermijden dat wij, los van de uitwisseling van standpunten, langs elkaar heen praten over wat kan en wat niet kan en wat wij wel willen en wat wij niet willen. Om te beginnen – je zou kunnen zeggen dat het een kleinigheid is, maar het is niet onbelangrijk als experiment – gaan wij experimenteren met coherentierapportages in twee of drie partnerlanden, simpelweg om op microniveau te bekijken hoe zoiets werkt en wat je ermee kunt. Eind december of begin januari komt de Europese Unie met haar voortgangsrapportage over coherentie, waar wij vervolgens op hebben te antwoorden. Alvorens te antwoorden zullen wij een discussie kunnen voeren over coherentie binnen de Europese Unie, waar op de vijf grote thema's coherentie cruciaal is.

De heer El Fassed had een wat andere appreciatie van wat wij doen op het gebied van coherentie dan sommige anderen. Wij hebben in de laatste review van OESO-DAC over het Nederlandse ontwikkelingsbeleid te horen gekregen dat wij het in vergelijking met de meeste andere landen uitstekend doen op dit gebied. Dan weet ik wel dat er nog heel veel gedaan moet worden, maar het is een mededeling die je niet helemaal hoeft te verwaarlozen.

Het OESO-DAC adviseerde ook om een praktische globaliseringsagenda te maken. Dat hebben wij gedaan. De aanbiedingsbrief telde inderdaad twee bladzijden, maar de praktische globaliseringsagenda zelf telde 23 bladzijden. In die agenda stonden onder meer voor Nederland indicatoren op de vijf grote terreinen die wij parallel aan de Europese Unie nemen als coherentieonderwerpen. Dat zijn de terreinen klimaat, migratie, voedselzekerheid, veiligheid en financiële stabiliteit en handel. Op die grote onderwerpen, die wij zo willen volgen, hebben wij 31 voor Nederland toepasbare indicatoren benoemd die wij kunnen gebruiken als een meetlat langs de handelingen die wij verrichten. Wij zullen dat ook doen. Het zijn instrumenten op weg naar de realisatie van doelstellingen. Die onderwerpen raken uiteraard vele departementen en aan het eind van de rit nog maar in beperkte mate het departement voor Ontwikkelingssamenwerking. Het betekent dat hier – een vreselijk woord – gecoördineerd moet worden. Dat kun je op allerlei manieren doen en dat doen wij ook. Wij hebben de Coördinatiecommissie Europese Zaken. Daar hebben wij coherentie ondergebracht als een ijkpunt bij het beoordelen van voorstellen van de Europese Commissie. Wij doen het in de strategische CORIA, de onderraad voor internationale zaken, waar wij een netwerk hebben van de diverse spelers op de diverse departementen die zich bezighouden met internationale zaken. Dat netwerk gaat ook met deze indicatoren aan de slag, wanneer er wordt gekeken naar voorstellen. Verder komen wij binnenkort in Busan over dit onderwerp te spreken, want het heeft weinig zin om dit in ons eentje te doen. Dat doen wij overigens ook niet, maar er moet over gesproken worden. Transparantie speelt hierbij een belangrijke rol, want anders kun je dingen niet volgen. In de Aid Transparency Index zijn wij gestegen van plaats twintig naar plaats vier, mede dankzij het mechanisme om zo veel mogelijk met iedereen te communiceren en daarvoor een internationale standaard zo snel mogelijk te volgen. De heer El Fassed heeft er hartstochtelijk op aangedrongen. Wij zijn nummer vier, maar de drie voor ons zijn organisaties en geen landen. Wij zijn het eerste land op de index.

De WRR heeft destijds gesuggereerd om een soort globaliseringsunit op te richten, een aparte afdeling zodat je van dat gecoördineer af bent en het ergens belegt. In het voorstel van de WRR was dat bij de minister-president. Wij hebben dat voorstel niet gevolgd om redenen die ik zojuist heb gegeven. Er komt nog een praktische reden bij. Een land heeft dat wel gedaan, te weten Zweden. Dat is toch van een koude kermis thuisgekomen, want die afdeling heeft eigenlijk nooit goed gewerkt. Die kwam heel snel droog te staan, doordat men de relatie miste met de weerbarstige omgeving waar coherentie gepleegd moet worden, maar waar wel de dingen gebeuren. Wij hebben gezegd dat wij die route niet opgaan. Wij gaan het deze manier proberen en zullen er op gezette tijden verslag van doen en verantwoording afleggen over waar wij staan. Dat gebeurt op allerlei terreinen en het raakt alle departementen. Op het gebied van belastingen en internationale financiële onderwerpen werken wij samen met het ministerie van Financiën. Wij betalen niet alleen mee aan het Tax and Development Fund bij het IMF. Wij betalen niet alleen mee aan een African Tax and Trust Fund, maar wij leveren volgend jaar ook specifieke expertise om ervoor te zorgen dat men zich beter bekwaamt in het heffen van belastingen, het opstellen van belastingverdragen et cetera. Dat is betrekkelijk praktisch assisteren bij betrekkelijk praktisch werk.

Mevrouw Hachchi vraagt in dit verband hoe het zit met coherentie in relatie tot de Europese Unie. Is Europa niet te veel een 28ste donor? Ja, dat is inderdaad de klacht. Het is een beetje waar en een beetje niet. Het is een parallelle bevoegdheid volgens het Verdrag van Lissabon en eerdere verdragen. De Europese Unie is inderdaad een zelfstandige speler, maar feit is toch dat er ook binnen de Europese Unie wel degelijk serieuze stappen zijn gezet. Een groot deel van de marktverstoring van het marktbeleid is als je het vergelijkt met 1990 ongedaan gemaakt. Verder noem ik op het terrein van de handelspolitiek het programma Everything but Arms. Voor de minst onwikkelde landen is dat ondertussen een algemeen erkend en herkend instrumentarium. Verder noem ik het algemeen preferentieel stelsel dat markttoegang biedt en dat mensenrechten en duurzaamheidsclausules in acht neemt. Dus we moeten geen karikatuur maken van de Europese Unie. Natuurlijk, er is genoeg dat te verbeteren valt, maar daar wordt wel degelijk serieus aan gewerkt.

Dan kom ik op het onderwerp duurzaamheid.

De heer El Fassed (GroenLinks): Het is goed om te horen dat de staatssecretaris zo met coherentie bezig is. Ik schuif nog wel eens aan bij andere commissies, zoals die voor Economische Zaken, voor Landbouw en voor Financiën. Ik zou andere woordvoerders willen aanraden datzelfde te doen. Dan had wellicht mevrouw De Caluwé wat meer gehoord over belastingontwijking via Nederlandse postbusbedrijven. Wat mij in die commissies dan opvalt, is dat ik de collega's van de staatssecretaris praktisch nooit hoor over coherentie van beleid, niet in woorden maar zeker ook niet in daden. In het verhaal van de staatssecretaris mis ik dan ook wat hij doet om dat punt bij zijn collega-bewindslieden onder de aandacht te brengen.

Staatssecretaris Knapen: Op het gevaar af in herhaling te vervallen: wij zijn net als anderen betrokken bij vooroverleg op allerlei terreinen van internationale aangelegenheden. De meest tastbare, de meest fysieke is de wekelijkse coördinatiecommissie voor Europese Zaken. Daar worden de standpunten, de inbrengen en de mandaten van de Nederlandse regering als het gaat om Europese onderwerpen aan de orde gesteld. Als daar meningsverschillen over zijn – bij coördinatie horen meningsverschillen – komt dat terug in de ministerraad en wordt er over gesproken. Bij die ministerraad zie ik altijd allerlei ministers. Daar komen dus die onderwerpen wel degelijk aan de orde. Ik kan de opvatting van de heer El Fassed dus niet delen dat ik er nooit andere collega's over hoor. De vraag is of je het op een andere manier kunt organiseren. Ik denk dat zoals we het nu doen, het een heel zinvolle manier is. Alleen, dit is een breed onderwerp dat veel raakvlakken heeft en ook altijd belangenafwegingen met zich brengt. In die zin is het een onderwerp waarvoor geldt dat, zoals Max Weber ooit zei, het met de hand boren door dikke planken is. Dus dat gaat langzaam. Ik noem als voorbeeld het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Tussen 1990 en 2008, dus gedurende achttien jaar is er in allerlei fora onderhandeld voordat je kunt zeggen: we hebben het grootste deel nu achter de rug.

De heer El Fassed (GroenLinks): Het verbaast mij een beetje dat staatssecretarissen in de ministerraad zitten, want volgens mij is dat de plek van ministers. Los daarvan, bijvoorbeeld het Nederlands belastingstelsel is volgens mij een Nederlandse aangelegenheid waarover de staatssecretaris van Financiën en de minister van Financiën gaan. Bijvoorbeeld de vrijstelling van kwekersrechten is iets waar de minister van EL&I over gaat. Dus we kunnen wel heel veel af gaan schuiven op Europa en andere landen en het allemaal internationaal afzetten, wat trouwens ook een goede zaak is, maar er zijn een aantal zaken die we gewoon in Nederland kunnen regelen en waar ontwikkelingslanden heel veel baat bij hebben. Ik zou graag willen dat deze staatssecretaris daar een groot pleitbezorger voor wordt richting zijn collega's. Daar zou ik graag wat van willen zien.

Staatssecretaris Knapen: De heer El Fassed kent onze inbreng binnen Europa als het gaat om landbouw en de WTO. Dus daar is wel degelijk sprake van een inzet die, naar ik vermoed, ook in de geest is van wat de heer El Fassed bedoelt. Dus daar wordt volop aan gewerkt. Alleen, zoals gezegd, daar is overleg voor nodig, niet alleen met de collega's in Den Haag maar uiteraard ook in Brussel. Het zijn au fond eigenlijk bijna allemaal onderwerpen die in een open Europa alleen zinvol te hanteren zijn wanneer je dat in overleg doet.

Duurzaamheid is een belangrijk onderwerp, waarover diverse vragen zijn gesteld. Mevrouw Ferrier bood een algemene aanvliegroute met specifieke details. Zij vroeg hoe het departement toetst op duurzaamheid. Laten we de meerjarige planning voor de ambassades als een concreet voorbeeld nemen. Wij proberen hierbij zo goed mogelijk te toetsen op duurzaamheid en gaan daarbij uit van de drie dimensies: sociaal, ecologie en economie. Wij willen plannen graag beoordelen op de integratie van milieu- en klimaataspecten in de gehele voorgenomen programmering. Bij waterprojecten gaat het impliciet en expliciet vooraf dus ook over de relevantie voor milieu en klimaat: houden de plannen voldoende rekening met adaptatie, met klimaatverandering? Wij proberen onze andere activiteiten en speerpunten zo veel mogelijk te mainstreamen naar duurzaamheid. Waar ambassades de deskundigheid en capaciteit niet of onvoldoende hadden, zijn er kennispools samengesteld en zijn er externe deskundigen gestuurd om te helpen, alles om ons comfortabel te voelen bij de randvoorwaarden op dit terrein. De pilots moeten wel aansluiten bij de meerjarenplannen van de ambassades; we gaan niet iets doen buiten de mainstream, het moet vallen binnen de kern van de activiteiten.

Ik geef een paar voorbeelden. Het geïntegreerd waterbeheer rond Lake Naivasha, in Kenia. Bij dat waterbeheerprogramma hebben wij alle stakeholders proberen te betrekken. Anders dan de heer El Fassed suggereerde, werd ik niet thuisgehouden toen Zuid-Sudan zijn onafhankelijkheidsdag vierde. Twaalf uur daarvoor nog was ik op palmplantages op Kalimantan, Indonesië, waar een programma wordt geprobeerd dat de duurzaamheid waarborgt. Wellicht hebben de leden het stroomgebied van de Zambezi gezien toen zijn in Mozambique waren. Er zijn meer voorbeelden te noemen. Als de mjp's beschikbaar zijn, kom ik daar graag specifieke op terug. Mevrouw De Caluwé vroeg hoe die programma's eruitzien. Aan het eind van de rit, als zij klaar zijn, zijn zij bijzonder interessant. Het is heel spannend, ik zal dat heel graag delen.

Mevrouw Ferrier vroeg in dit verband ook hoe het staat met het Nationaal Platform Rio+20. Wij zijn natuurlijk druk bezig met het vertalen van onze duurzaamheidsagenda in een ambitie voor de Rio+20-top, in juni volgend jaar. Ik kan nu niet verder gaan dan een schets in potlood, maar dit staat wel geschreven in de agenda van de minister-president. Wij willen daar een stevig programma presenteren. De Kamer kent het Nationaal Platform, waarvoor mevrouw Fresco vol verve en met kennis en kunde aan de slag is. Zij consulteert alle maatschappelijke organisaties. Ik heb anderhalve week geleden daarvan een eerste verslag gezien. Binnen de EU zijn wij de leading country in de green economy in het kader van poverty eradication. Daar voeren wij dus de pen. Verder spelen wij een belangrijke rol in de informele overleggroep «friends of Rio» onder leiding van mevrouw Paula Caballero uit Colombia. In het voorjaar van 2012 hopen wij, om de vinger aan de pols te houden bij het bedrijfsleven, het gastland te zijn voor het thema «bedrijfsleven en duurzaamheid». In Busan zullen wij daarvoor de eerste voorbereidingen treffen.

In dit verband is het wellicht goed om de heer Voordewind duidelijkheid te verschaffen over drinkwater en sanitatie. Dat is een belangrijk onderwerp, zeker voor de armoedebestrijding. Het «sanitation and water for all»-initiatief van vier jaar geleden mikt niet voor niets helemaal op armoedebestrijding. Wij hebben op dit terrein een uitstekende reputatie verworven en die willen wij graag zo goed mogelijk benutten. De heer Voordewind weet waarschijnlijk ook dat er in maart een high level meeting zal plaatsvinden over dit onderwerp. Nederland, maar later ook Frankrijk zijn verder met die 1%-acties begonnen.

De heer Voordewind vroeg of het mogelijk is om de accentverschuiving naar waterinfrastructuur ongedaan te maken. Hij vroeg dat, omdat er 80 mln. zou gaan naar drinkwater en 100 mln. naar waterinfra. Ik kan mij bij die vraag heel wat voorstellen, want het zijn op zichzelf vaak twee verschillende werelden. Het is verder ook zeker zo dat wij met waterinfrastructuur een lange historie hebben. Drinkwater doen wij ook prima, maar daar zijn wij zeker niet uniek. De verleiding is dan ook groot om waterinfrastructuur stevig bij de kop te pakken, maar dat laat onverlet dat ik graag zal bezien of ik de heer Voordewind in dezen tegemoet kan komen. Voorwaarde is dan wel dat ik het kan doen zonder groot ongerief te veroorzaken.

De heer El Fassed vroeg of er voldoende middelen beschikbaar zijn voor klimaatadaptatie. Die zijn er nooit en wij zullen dus altijd een keuze moeten maken. Inmiddels is er afgesproken dat de 300 mln., die wij zouden storten in de «fast start finance» voor 2010–2012, in zal zakken in de 0,7%. Dat is zo afgesproken in het regeerakkoord. De langetermijnklimaatfinanciering is natuurlijk nog steeds uiterst onzeker. Er wordt gesproken over 100 mld. per jaar vanaf 2020. Daarvoor is het toch echt wachten op China, Mexico, India, Brazilië en Zuid-Afrika, want die zullen betekenisvol moeten gaan bijdragen aan de emissiereductiedoelen. Pas dan is het zinvol om te gaan discussiëren over de vraag hoe wij dat fonds vorm zouden moeten geven. Publiek of privaat? Wel of geen innovatieve financiering? Participatie? Dat is allemaal onderwerp van discussie.

Voorzitter. Dan nu het onderwerp noodhulp. Ook hier wil ik eerst vaststellen dat er geen sprake is van een bezuiniging van 80 mln. Dat bedrag werd echter wel genoemd, wellicht omdat dit het bedrag zou zijn als de begroting van 2011 gelijk zou zijn aan de begroting die het kabinet dat het eerste deel van 2010 regeerde, heeft opgesteld. Dat is echter niet zo, want er is een nieuw kabinet aangetreden in het najaar van 2010. En dat kabinet heeft vastgesteld dat er 265 mln. naar noodhulp gaat. Met het bedrag dat is uitgetrokken voor noodhulp in 2012, 217 mln., gaat het om 48 mln. Wij hebben steeds gezegd dat noodhulp geen prioriteit is. Het is echter ook geen posterioriteit. Wij behandelen het dienovereenkomstig, dus op en neergaand met de gemiddelde bezuiniging van 0,75% naar 0,7%. Vandaar dat bedrag. Het aandeel van noodhulp als percentage van de gehele begroting komt daarmee overeen; dat bedraagt 5%, net als dit jaar. Desalniettemin zit ik een beetje met de bezuiniging bij UNHCR. Ik heb vorige week nog lang aan de telefoon gezeten met Guterres, de directeur van UNHCR. Feit is dat het een stevige ingreep betreft, met name bij UNHCR. Ook dit jaar, toen het geld op was, is gekeken of er geschoven kon worden met prioriteiten. Dat moet wel even vooropgesteld worden. Ik constateer uit de woorden van de leden dat de bezuiniging op UNHCR u allen rauw op het dak is gevallen. Ik begrijp dat en ik wil daarnaar graag nog eens kijken.

Ik kom op het onderwerp onderwijs en misschien in relatie daarmee op Burkina Faso. Ik herinner mij de gepassioneerde inzet van mevrouw Dikkers voor Burkina Faso. Ik voel mij er verantwoordelijk voor om daarmee op een zorgvuldige manier om te springen. Het was een moeilijke keuze, zo zeg ik eerlijk. Wij proberen dat eerlijk te doen. Wij gaan bijvoorbeeld in de komende twee jaar door met begrotingssteun voor Burkino Faso. Dat is iets waar wij sowieso eigenlijk met zijn allen betrekkelijk weinig zin in hebben. Wij hebben dat echter afgesproken met Burkino Faso en gegeven het feit dat wij ons graag aan ons woord houden en geen force majeur willen inroepen, blijven wij dat de komende twee jaar doen. Dat is onderdeel van geleidelijk en zorgvuldig. Op het punt van het onderwijs zelf proberen wij de Kamer zo goed mogelijk te informeren over waar wij staan, ook bij de exitprogramma's en hoe wij omgaan met onderwijs. Wij hebben afgesproken dat onderwijs als zodanig geen prioriteit meer is. Dan is het logisch dat het wordt gereduceerd, anders moeten wij niet discussiëren over de vraag of er wordt teruggegaan naar vier speerpunten. Anders zou alles weer belangrijk zijn. Alles is ook belangrijk, maar wij hebben toch gezegd dat wij teruggaan naar enkele speerpunten. Het is niet mogelijk om dat van de ene op de andere dag te doen. Als dat kon, dan zaten wij hier niet. In relatie tot Burkino Faso is er veel overleg geweest met het global partnership for education waarop gelukkig heel goed is ingeschreven in Kopenhagen, twee weken geleden. Wij zijn bezig met het overdragen van het onderwijs in Burkino Faso aan Unicef. Dat is echter nog niet helemaal rond. Voorlopig betalen wij Unicef nog. Unicef gaat wel meer zelf doen. Wij hopen dat successievelijk te kunnen afbouwen.

Een van de leden noemde Zambia. Wij zijn weliswaar met de Britten en de Finnen in discussie om onderwijsactiviteiten over te nemen, maar wie een beetje de koperprijs volgt, weet dat Zambia behoorlijk hoge extra inkomsten heeft. Ook dat mag een rol spelen in deze discussie: wat kunnen landen zelf betalen? Ik kom graag volgend jaar terug met een update over waar we staan, zodat de Kamer ons kritisch kan volgen en weet wat we doen. We hebben een afspraak en daar hecht ik zeer aan.

Zoals gezegd, hebben we soms ook een tegenvaller. Er is een nieuw Deens kabinet, dat heeft besloten om zich ergens terug te trekken. Dat hadden wij niet zo bedacht. Dan moeten we proberen soelaas te bieden. We kunnen niet alle problemen oplossen van alle landen die nieuwe prioriteiten vaststellen, maar we moeten er wel over in discussie. Een geruststellende gedachte is dat behalve het Verenigd Koninkrijk ook Australië heeft aangekondigd juist extra werk te willen maken van basic education.

De heer Van der Staaij (SGP): De staatssecretaris noemde Burkina Faso en het Global Partnership for Education. Wij hoorden eerder daarover het bericht dat de algemene bijdrage meer dan zou halveren. Het zou dan bij lange na niet compenserend zijn.

Staatssecretaris Knapen: Onze bijdrage aan het Global Partnership for Education is een stuk minder. Dat herinner ik me, want ik heb drie weken geleden nog gesproken met de mevrouw die daarvan de voorzitter is. De algemene pledge is echter zeer goed. Twee weken geleden heeft men in Kopenhagen bijna gehaald wat men aanvankelijk had gewenst; er is dus geen sprake van halveren. Er is een verschil tussen onze bijdrage, die inderdaad een stuk minder is, en wat men heeft opgehaald.

Zoals ik herhaaldelijk heb verteld, hechten wij zeer aan het maatschappelijk middenveld, de civil society. Het is een cruciaal element in internationale samenwerking. Het is ook cruciaal voor het makelaarschap tussen de diverse partijen. Wij zijn actief op allerlei terreinen. We steunen het vakbondsmedefinancieringsprogramma. De medefinancieringsorganisaties zelf steunen we jaarlijks met een groot bedrag. Vorig jaar is daar via een amendement van de Kamer 10 mln. bij gekomen. Als we de medefinancieringsorganisaties, de civil society, lieten meedeinen met het bnp, dan zouden we er nu 20 mln. op moeten bezuinigen. Door de ontwikkeling van het bnp moeten we namelijk met 100 mln. terug. We handhaven de civil society echter op het bedrag dat we hebben toegezegd voor vijf jaar. Dit betekent dat men in relatie tot het gemiddelde nu in een comfortabele positie zit. Natuurlijk wil men – dat begrijp ik ook wel – meer armslag. Gegeven het feit dat we overal teruggaan, is handhaven voor de organisaties relatief gezien een mooie positie.

Mevrouw Hachchi vroeg: kunnen we geen zesde platform voor de civil society toevoegen aan de kennisplatforms? Mij lijkt het verstandig om ervoor te zorgen dat civil society in al die platforms een rol speelt. Het toekennen van een status aparte geeft ogenschijnlijk een extra status, maar de facto heeft dat het risico in zich dat men minder een rol kan spelen in de kernthema's. Ik hecht er dus aan om de civil society maximaal te integreren. Het is wel de moeite waard om in dat vijfde platform – dat meer een helicopterview heeft – de vraag neer te leggen hoe wij we de rol van de civil society in de toekomst zien. Het is namelijk sowieso een onderwerp dat wij een keer moeten adresseren omdat het ooit op ons afkomt. Hoe gaan wij als overheid, als statelijke actor, om met de civil society? Ik wil dit graag als suggestie meenemen, want ik denk dat wij daar ons voordeel mee kunnen doen.

Dat brengt mij bij de vraag van mevrouw De Caluwé. Ik denk dat wij de discussie moeten starten over de vraag hoe wij in de toekomst omgaan met ngo's. Wij willen ook op korte termijn met een soort «non-paper» komen teneinde iedereen een beetje te prikkelen om eens te reageren en de discussie te starten, want dat is dringend nodig. Wij hebben nog wel enkele jaren, maar wij kunnen niet wachten tot de jaren verstreken zijn. Als wij deze discussie eenmaal gevoerd hebben, willen wij de uitkomsten zo snel mogelijk met de Kamer delen, al is het maar ter oriëntatie.

De heer Van der Staaij vroeg hoe wij het hele proces van subsidieverstrekking kunnen versimpelen. Wij hebben een rapport van Actal gekregen. Dat kan helpen. Verder hebben wij een advies gekregen van ABD TOP Consultants – dat zijn onze rijksambtenaren die rijksambtenaren helpen – over de vraag of wij toezicht wat op afstand kunnen plaatsen en wat minder controlemomenten kunnen invoeren opdat ngo's het werk meer zelf doen en wij ons baseren op hun informatie. Dit kan een en ander wat soepeler laten verlopen, zonder dat het van A tot Z is vol getimmerd met georganiseerd wantrouwen.

Mevrouw Ferrier vroeg in dit verband hoe het zit met de mogelijkheden van particuliere initiatieven: waar kan men terecht? Niet alleen Oxfam Novib, maar ook NCDO heeft een meldpunt en probeert particulieren zo veel mogelijk te gidsen. Aan de ene kant wil je heel veel particulier of kleinschalig enthousiasme niet in de kiem smoren. Aan de andere kant wil je vermijden dat er dingen gebeuren die vanuit een wat professionelere invalshoek overbodig zijn of averechts werken. Ik heb zelf een bij een aardbeving in Djokja een aantal particuliere ngo's in een vliegtuig aangetroffen met allemaal nieuw serviesgoed bij zich om dat daar te overhandigen. Dat is zo'n voorbeeld van een situatie waarin je denkt: had je even gemeld bij een meldpunt van NCDO, want daar had men je op een ander idee gebracht. Wij moeten het dus niet in de kiem smoren, maar wij moeten het ook niet alleen maar in amateurisme zijn tevredenheid laten vinden.

De heer Driessen sprak over Cordaid en de protestactie die hier was. De afspraken die wij hebben met Cordaid, een ngo, zijn afspraken op het gebied van activiteiten die men in ontwikkelingslanden bedrijft. Voor dat deel betalen wij ook. Dat men zelf een groot aantal, naar ik meen meer dan een miljoen, donateurs en overigens op afstand betrokkenen heeft, en dat men de geluiden die in die achterban klinken soms wil laten horen, is een zaak die men voor eigen verantwoordelijkheid neemt. Het zijn hun middelen, geen OS-gelden. Het zijn ook geen activiteiten die zo haaks staan op onze OS-activiteiten dat je zegt dat de ene hand verwoest wat de andere hand heeft opgebouwd. Ik laat dit dus graag aan Cordaid. Ik vind het onderwerp als zodanig, los van wat je ervan vindt, niet een onderwerp dat een dergelijk zwaar gewicht heeft dat je Cordaid op het matje zou moeten roepen.

De heer Irrgang en mevrouw Hachchi spraken over het KIT, het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Wij hebben geruime tijd geleden het Koninklijk Instituut voor de Tropen laten weten dat voor hen geldt wat voor alle organisaties geldt, namelijk dat wij stoppen met instellingssubsidies. Die verstrekken wij niet meer aan «civil society»-organisaties. Die verstrekken wij alleen nog aan het KIT en aan SNV. Aan SNV hebben wij ook laten weten dat wij daarmee ophouden zodra deze instellingssubsidies afloopt. Bij SNV is dat per 2015. Bij het KIT was dit eind dit jaar. Dit hebben wij uiteindelijk met een jaar verlengd vanwege de grote problemen die men had om een antwoord te geven op dit gegeven. Het is misschien goed om in het achterhoofd te houden dat de instellingssubsidie aan het KIT een instellingssubsidie is aan een organisatie met een boekenuitgeverij, een bibliotheek, een organisatie op het gebied van consultancy voor ontwikkelingsprojecten in ontwikkelingslanden, een klein laboratorium op het gebied van tropenziekten, een theater in Amsterdam, een museum in Amsterdam en ook nog een hotelbedrijf. Wie de destructieve of esthetische kanten van de dood wil ontdekken, raad ik dringend aan naar de tentoonstelling te gaan die er nu wordt gehouden, met Amy Winehouse en Harry Mulisch. Het is fascinerend, maar staat relatief ver af van het onderwerp waarover wij vanavond spreken.

Die organisatie is zo gegroeid. Ik heb steeds gezegd dat het kennisdeel van het KIT, zoals het consultancybureau voor ontwikkelingssamenwerking en het laboratorium voor tropenziekten, heel interessant kan zijn. Als je programmasubsidies geeft, zou het logisch zijn om die onderdelen de mogelijkheid te geven daarop in te schrijven. Maar een instellingssubsidie aan dit grote conglomeraat is, los van het feit dat dit een conglomeraat is, ook een instellingssubsidie die wij als zodanig niet meer verstrekken. Dat hebben wij al geruime tijd geleden afgesproken. Nu is het laatste wat ik wil dat een museum in ernstige problemen komt. Ik heb de volgende suggestie gedaan, en wil daarbij ook wel een beetje helpen. Er zijn in Nederland vele volkenkundige musea. Er zijn er die op minder gelukkige plekken zitten en er zijn er die fraaiere collecties hebben. Ik ben geen deskundige op dat gebied, maar er is veel mogelijk. Ik heb het KIT dringend aangeraden om eens te kijken wat er mogelijk is. Als wij daarbij ook iets kunnen betekenen, is ons dat wel wat waard. Het kan echter niet zo zijn dat dit conglomeraat zegt: wij hadden een instellingssubsidie, die hadden wij altijd al en hoewel die overal verdwijnt in het kader van de transparantie, de afrekenbaarheid en de doelstellingen die je elkaar oplegt op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, zeggen wij hier dat dit anders is. Wij hebben het ruimschoots aangekondigd. Ik kan alleen maar hopen dat het KIT dit serieus neemt, want daarbij zijn wij allemaal gebaat.

De heer Irrgang (SP): Ik vind het een beetje jammer dat ik hierover een vraag moet stellen, want ik heb simpelweg een vraag gesteld die niet is beantwoord. Ik vroeg wanneer wij van het kabinet iets zullen horen over het KIT. Ik heb namelijk begrepen dat staatssecretaris Zijlstra hiermee ook bezig is, evenals staatssecretaris Knapen. Misschien moeten zij elkaar nog ergens vinden, samen met het KIT. Wanneer horen wij hierover van het kabinet?

Staatssecretaris Knapen: Wij hebben enige tijd geleden een brief gestuurd over de eindigheid van de instellingssubsidies en de mogelijkheid van inschrijving voor bepaalde activiteiten die onder dat dak worden uitgeoefend. Wij hebben het KIT vorige week schriftelijk de suggestie gedaan om te bezien of het mogelijk is binnen het museale bestel een plek te vinden bij volkenkundige musea of musea die op aanpalende terreinen actief zijn. Wij hebben het KIT dringend opgeroepen om daarover na te denken en studie te verrichten, waar mogelijk samenwerking te zoeken en vervolgens met een plan te komen. Als dat plan leidt tot substantiële efficiencywinst en tot een boeiend perspectief, zijn mijn collega van OC&W en ik graag bereid om daar welwillend naar te kijken. Het KIT is nu dus aan zet.

De heer Irrgang (SP): Als dit museum komt met een plan om bijvoorbeeld samen te gaan met een ander museum in een andere stad binnen de Randstad en daarmee een efficiencyslag maakt, is het kabinet dan bereid een bekostiging vanuit de begroting van OC&W te overwegen, waarbij de staatssecretaris vanuit zijn verantwoordelijkheid in een overgangsfase middelen ter beschikking stelt om dat tot stand te brengen? Ik meen dat men dit een bruidsschat noemt.

Staatssecretaris Knapen: Om het kort te houden: zo zou het heel goed kunnen zijn.

De heer Driessen sprak over Defense for Children. Wij hebben met deze organisatie van doen als onderdeel van de Child Rights Alliance. Deze alliantie, die onder leiding staat van Plan Nederland, heeft zich ingeschreven voor MFS-middelen, om daarmee de rechten van meisjes in tien ontwikkelingslanden te kunnen bevorderen. De activiteiten van die alliantie spelen zich uitsluitend af in die landen, dus niet in Nederland en niet in Europa. Als overheid hebben wij niets te maken met hetgeen een van de alliantiepartners los van de alliantie in zelfstandigheid elders nog doet. Daar betalen wij ook niet aan mee.

Mevrouw Ferrier vroeg hoe het zit met de kennisinstituten in ontwikkelingslanden. Wij zullen in Busan spreken over Global Aid Architecture. Daarin komt onder meer aan bod hoe wij kunnen bevorderen dat zeker na 2015 kennisinstituten in de ontwikkelingslanden zelf een actievere rol spelen in de vormgeving van de ontwikkelingssamenwerking dan tot nu toe het geval is geweest.

De heer El Fassed vroeg of de kennisinstituten niet tenderen voor het onderzoek naar negatieve effecten, de public bads, op partnerlanden. Die zouden in kaart gebracht kunnen worden. Wij stellen vast dat het ons op dit punt ontbreekt aan betrouwbare methodiek. Dat lossen wij niet op door een tender. Ik voel heel weinig voor een tender die vaststelt dat er nog heel veel onderzocht moet worden. Wij willen toch een stapje verder kunnen komen. Zoals gezegd zijn wij wel bezig om op kleine schaal te experimenteren met coherentierapportages aan partnerlanden. Als wij dat materiaal hebben, kunnen wij bezien of wij een volgende stap kunnen zetten en deze zaak samen met de EU op een wat hoger plan kunnen tillen. Voor een tender in isolement voel ik niet veel, maar ik vind het wel de moeite waard om te kijken of wij op grond van dit kleine begin een volgende stap kunnen zetten. Als wij dit te pakken hebben, hebben wij immers iets intrigerends bij de hand.

De heer Driessen (PVV): In eerste termijn heb ik nog een vraag gesteld over Oxfam Novib. Die hulpclub zit in een chique pand aan de dure Haagse Mauritskade.

De voorzitter: De staatssecretaris weet de vraag weer en zal daarop antwoorden!

Staatssecretaris Knapen: Excuses, want die vraag hoorde er natuurlijk bij. Oxfam Novib krijgt voor zijn projecten in de ontwikkelingslanden middelen uit het MFS. Zij voldoen in alle opzichten aan de eisen van goed en ordelijk bestuur, waaraan voldaan moet worden om hiervoor in aanmerking te komen. Het feit dat een pand in hun bezit is dan wel dat zij het huren, is een kwestie van interpretatie en boekhouding om te kijken waar je het beste mee uit bent. Het is geen onderwerp dat meteen raakt aan de vraag of zij uit het MFS moeten verdwijnen omdat zij zouden falen volgens de regels van goed bestuur.

De heer Driessen (PVV): Vindt de staatssecretaris toch niet dat een subsidieclub niet in een miljoenenpand zou moeten zitten? Is hij het niet gewoon met mij eens dat Oxfam Novib er goed aan zou doen om het pand te verkopen, een klein deel van de opbrengst te herinvesteren in een pandje op een bedrijventerrein in Almere Buiten en de rest gewoon aan armoedebestrijding te besteden? Daar is die club toch voor opgericht en niet om in het een of ander chic Haags pand te bivakkeren?

Staatssecretaris Knapen: Ik hoor wat de heer Driessen zegt, maar als het binnen de governanceregels valt, wil ik mij niet bemoeien met de bedrijfsvoering van een van deze, overigens zelfstandige, organisaties. Soms is een eigen huis duur, soms is het goedkoop en soms is huren duurder. Dat hangt vaak van allerlei omstandigheden af. Ik wil me hier niet in begeven, daar het mijn directe verantwoordelijkheid niet is.

Ik kom nu bij enkele landenspecifieke vragen. De heer Irrgang sprak over Burundi en vroeg of nu wel reëel was om door te gaan met de veiligheidssector in Burundi, omdat daar toch het nodige aan de hand is. Wij doen dit niet om uiting te geven aan het feit dat wij zo gelukkig of ongelukkig zijn met de kwaliteit van het openbaar bestuur in Burundi. Dat is niet het uitgangspunt. We doen het natuurlijk voor de veiligheid van de Burundese burgers. Wat je er ook van kunt zeggen, in vergelijking met enkele jaren geleden is het land niet langer in conflict, mede dankzij de hervormingen in de veiligheidssector. Training in de-escalerend optreden en simpelweg een betere taakverdeling kunnen helpen. Dat heeft ook geholpen bij de verkiezingen van vorig jaar. We willen nu overigens wel het accent meer leggen op het versterken van het civiele toezicht en de parlementaire controle voor de veiligheidssector. We willen ook meer werk maken van het concept «community policing» en de politie simpelweg trainen in «ik ben dienstbaar» in plaats van de baas te zijn. Verder hebben de trainingen voor militairen die wij in Burundi geven ook een positief effect op AMISOM. Naarmate AMISOM-troepen in Mogadishu beter getraind zijn, neemt ook het aantal excessen af. Ook daaraan levert het dus een positieve bijdrage.

De heer Driessen heeft gevraagd waarom de Europese Unie en Nederland hulp geven aan de Palestijnse Autoriteit. Dat is natuurlijk een afspraak die zo is gemaakt binnen de Europese Unie. De hulp dient een doel waarover iedereen het eens is, namelijk economische verzelfstandiging. De hulp dient democratisering en mensenrechten en de opvang van vluchtelingen en levert een bijdrage aan de stabiliteit in de regio. Het is een schoolvoorbeeld van geïntegreerd beleid tussen de Europese Unie en Nederland. Het is niet zo dat de hulp van de Europese Unie aan de Palestijnse Autoriteit naar terroristen of wapens gaat. Er is een stevige, ik durf te zeggen bijna waterdichte, monitoring van de Europese Commissie op dit onderwerp. Dat is niet toevallig, want iedereen zit er natuurlijk bovenop.

Onze hulp aan de Arabische regio is bescheiden, maar wel belangrijk. Wij zoeken niches op het gebied van democratisering en gender. Het is vooral een zaak van de Europese Unie. De Europese Unie heeft schaalvoordeel en leverage. Eurocommissaris Piebalgs heeft er onlangs uitvoerig over gesproken. Economische ontwikkeling in Noord-Afrika gaat simpelweg ook migratie tegen. In die zin is het goed besteed geld.

Mevrouw Ferrier vraagt naar het programma in Afghanistan inzake de rechtsorde. Wij hebben er in een eerdere overleg over Afghanistan over gesproken. Het is de bedoeling dat het justitieel apparaat wordt versterkt. Wij trainen rechters en openbare aanklagers. Wij proberen ook de capaciteit te versterken van de lokale afdelingen, vooral voor bemiddeling en familierecht, en naar vermogen de toegang te openen tot het formele recht. Het familierecht heeft allerlei praktische kanten, maar ook principiële bezwaren, zeker voor vrouwen. Zij moeten weten dat er een route is naar het formele recht.

Er is gevraagd om een update van de nota. Ik weet dat eraan wordt gewerkt, maar weet niet precies wanneer wij die kunnen verwachten. Laten wij zeggen dat die in februari 2012 komt. Ik hoop niet dat ik iemand in mijn omgeving hiermee overspannen maak.

Mevrouw Ferrier vraagt hoe het in Zuid-Sudan zit met donorcoördinatie. Wij willen focussen op onze speerpunten: veiligheid, voedselzekerheid en water. Wij willen met betrekking tot veiligheid en rechtsorde vooral proberen om een verantwoordingsmechanisme te creëren. Wij zijn bezig om te kijken of wij iets kunnen optuigen voor interne bezwaarprocedures, een soort ombudsman. De nieuwe ambassade gaat het programma doen. Begin volgend jaar hebben wij er naar verwachting goed zicht op. Steun aan de anticorruptiecommissie, het helpen van de nationale rekenkamer: allemaal onderwerpen waaraan wordt gewerkt en die wij graag willen vormgeven en met de Kamer willen delen.

De heer Irrgang vraagt wat de zin van hulp aan Indonesië is bij goed bestuur. In Indonesië richten wij het programma van goed bestuur vooral op de juridische samenwerking en een verbeterde toegang tot het recht voor de bevolking. De betrokkenheid van Nederland ligt voor de hand gegeven het feit dat wij hier nu werkelijk een Nederlandse niche hebben. Iedereen die in Indonesië rechten studeert, heeft te maken met de rechtsgeschiedenis. Het is een rechtsgeschiedenis waarin Nederland een rol speelt. Wij proberen daar ook te kijken naar programma's die voorzien in hervorming van de politie. Wij proberen iets te doen aan het corruptieprobleem, aan de bescherming van religieuze minderheden en verdedigers van mensenrechten. Indonesië is een middeninkomenland. Het hoort bij de kleine categorie van middeninkomenlanden die wij nog op die lijst hebben staan. Wij hopen dat het evolueert naar een relatie die zich ontdoet van het element ontwikkelingssamenwerking. Dat zou moeten gebeuren en daaraan willen wij ook werken. Het is echter voor ons niet zomaar een land!

Mevrouw De Caluwé sprak over ontwikkelingssamenwerking die wel of niet heeft geholpen en zij verwees daarbij naar India en China. Het gaat inderdaad om de vraag, welke hulp effectief is. Ik ben volgende week in Busan in Zuid-Korea. Zuid-Korea is een klassiek voorbeeld van een land waar ontwikkelingshulp destijds buitengewoon goed heeft gewerkt. Er valt nog heel veel te zeggen over de vraag of wij daarna de relatie vormgegeven hebben op de wijze zoals dat hoort wanneer een ontwikkelingsrelatie ophoudt te bestaan en verandert in een gelijkwaardige economische relatie. Die discussie is op dit moment niet relevant.

Ik kom nu bij enkele specifieke vragen. De heer Van der Staaij vroeg hoe het zit met het uitstapprogramma prostitutie. Wij hebben daar eerder over gesproken. Daar is een aantal interessante resultaten behaald, met name bij alfabetiseringscursussen en bij het verbeteren van leef- en werkomstandigheden. Het uitstappen zelf is nog ingewikkeld. Wij willen daarom begin volgend jaar nog een keer met IKO en Soa Aids Nederland rond te tafel gaan zitten. Wij willen dit programma eigenlijk structureel inbedden in het SRGR-programma en daarom moeten wij een betere indruk krijgen van wat wel en wat niet werkt. Het kan niet de bedoeling zijn dat het uitstapprogramma ertoe leidt dat de betreffende vrouwen geschoold worden in beter onderhandelen.

De heer Voordewind sprak over projecten in het kader van kinderarbeid. Het zijn inderdaad uitstekende projecten. Wij zijn daar tevreden over. Het programma child labour free zone in India heeft van veel kanten awards gekregen. Wij zullen dit steunen met het mensenrechtenfonds. Voor ngo's die programma's opstarten in Uganda, Ethiopië, Zimbabwe en ik meen ook in Ghana, dient het als schoolvoorbeeld van hoe je zoiets moet doen.

De heer Voordewind vroeg ook naar het World report on disability. Wij hebben het net binnen. Ik wil graag een schriftelijke reactie geven als wij een beetje de tijd gehad hebben om het serieus te bestuderen.

Ten slotte vroeg de heer Voordewind naar social protection en opvang van aidswezen. Wij zijn tevreden met de resultaten in Zimbabwe, Mozambique en Ethiopië en willen het programma daar voortzetten, maar wij zijn niet van plan om het in andere landen uit te breiden.

Dan het onderwerp begrotingssteun. Mevrouw Dikkers vroeg om begrotingssteun te koppelen aan volgsystemen van de Wereldbank, dus public expenditure reviews en tracking surveys. Het is inderdaad goed om in de gaten te houden of het geld goed terechtkomt, zeker bij begrotingssteun waarover wij sowieso wat sceptisch zijn. Waar mogelijk zijn wij ook betrokken bij de uitvoering van de twee projecten die mevrouw Dikkers noemde. Wij zitten bij die studies van de volgsystemen van de Wereldbank en wij willen de uitkomsten ook betrekken bij beslissingen die wij verder nemen over begrotingssteun dan wel specifieke begrotingssteun. Men weet dat wij ook nog nadenken of wij in één land, zijnde Mali, niet toch nog begrotingssteun kunnen proberen om te zien of het, in een juiste context, dat land kan helpen en ons iets kan leren.

Ten slotte, en niet onbelangrijk, Rwanda. De heer Irrgang vroeg daarnaar. Ik deel de appreciatie van de heer Irrgang over Rwanda niet. Het Rwanda Tribunaal zelf heeft intussen geaccepteerd dat processen daar kunnen worden gevoerd. Zweden heeft intussen toegezegd dat een proces in Rwanda veilig en onafhankelijk kan worden gevoerd. De VN-Mensenrechtenraad heeft dit bevestigd. Er zijn nog allerlei tekortkomingen, maar er zijn ook aanwijzingen dat Rwanda het heel behoorlijk doet. Ik herken de voorstelling van trekken aan een dood paard niet in de uitspraken van de VN-Mensenrechtenraad en van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De genocidewetgeving in Rwanda, waarmee wij grote problemen hadden en waarover ik bij de minister van Justitie daar geklaagd heb, heeft men intussen laten onderzoeken door twee universiteiten, onafhankelijk van elkaar. Op dit moment ligt er wetgeving bij het Rwandese parlement om iets te doen aan de bepalingen, met name aan de absurde strafmaat in sommige gevallen als het gaat om vrijheid van meningsuiting in relatie tot genocide. Men adresseert het dus. Er is heel veel te zeggen over wat niet in orde is, maar je kunt niet zeggen dat het een dood paard is. Laat staan dat wij eraan trekken.

Ik ben de heer El Fassed nog een antwoord schuldig over open data. Met de resultatenrapportage zijn wij een van de meest open onderdelen van de rijksoverheid. Wij gaan dat de komende tijd uitbreiden. Wij investeren ook graag in organisaties die inzetten op het vergroten van die transparantie, zoals Transparency International en de club die voor transparantie heeft te zorgen bij mijnbouw. Er ontstaat nu een discussie over de volgende stap op het gebied van open data. Wij willen graag in 2012 de data aanvullen met planningcijfers, resultaatinformatie en ook geo-informatie. Wij zitten daar aardig op koers. Wat wij wel nodig hebben, zijn meer organisaties die de data vervolgens bewerken op een manier dat iedereen er snel bij kan. Dit systeem is internationaal afgesproken, dus voor de transparantie is dit het beste. Maar als je het als leek aanklikt, zie je alleen maar tekens. Dat klinkt niet vreselijk transparant. Het is overigens niet eens zo'n heel ingewikkelde slag voor een beetje ICT-afdeling om het vervolgens voor de eigen gebruikers op maat te vertalen in toegankelijke data.

De heer Driessen vroeg hoe het zit met het bestrijden van corruptie in de landen waarmee een ontwikkelingssamenwerkingsrelatie bestaat. Wij hechten daar veel waarde aan. Wij steunen het werk van Transparency International. Die club heeft ervoor gezorgd dat het in heel veel landen op de agenda staat. Er komt in veel landen een nieuwe generatie die weet dat corruptie niet tot vooruitgang kan leiden, maar alleen tot een kleine elite die zichzelf bevoordeelt en tot grote armoede voor de rest. Wij richten ons liever op het bestrijden van corruptie dan op alleen maar signaleren ervan. Wij willen graag een stap verder gaan en zijn er druk mee in de weer met de OESO, met de Wereldbank en met andere donoren. Wij kunnen dat natuurlijk niet alleen regelen, maar wij willen wel dat alles wat wij doen transparant en niet corrupt is. Wanneer dat wel het geval is, grijpen wij in. Wanneer andere organisaties ermee van doen hebben, signaleren wij het, laten wij het de Kamer weten en nemen wij maatregelen.

Voorzitter. Ik denk dat ik hiermee de vragen heb beantwoord.

De voorzitter: Redelijk grondig, lijkt mij. Dat brengt ons bij de tweede termijn van de Kamer met zes minuten spreektijd voor alle fracties, inclusief de tijd die u gebruikt voor het oplezen van eventuele moties. U hoeft niet alle zes minuten op te maken.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Mogen de moties ook plenair ingediend worden?

De voorzitter: De moties moeten in principe nu ingediend worden, tenzij u dat uw collega, de woordvoerder Buitenlandse Zaken, woensdag en donderdag laat doen.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Voorzitter. Het valt mij toch op dat dit debat wordt overschaduwd door het feit dat de gedoogpartner van dit kabinet enorm aan de basis van ontwikkelingssamenwerking zit te rommelen en dat de staatssecretaris er een beetje lacherig over doet: ik ben ingehuurd voor dit klusje en als wij straks bedenken dat er 4 mld. af moet, ben ik gewoon ingehuurd voor een nieuw klusje. Ik vraag mij af hoe het binnen het CDA valt, wanneer je constant wordt geconfronteerd met iemand die zegt dat het wel wat minder kan. Met zo'n gedoogpartner heb je geen oppositie meer nodig.

Ik heb de staatssecretaris niet in ferme bewoordingen afstand horen nemen van de kwalificaties van Wilders. Ik heb niet gehoord «over mijn lijk» – excuus daarvoor – of in vriendelijkere bewoordingen: niet in de periode dat ik hier zit, ik sta voor dit beleid en voor dit budget. Dat zou ik graag van deze staatssecretaris klip-en-klaar horen.

Ik zou het prettig vinden, als de staatssecretaris zegt dat wij de PETS'en, de PER's en de budgetvolgsystemen als pilots kunnen koppelen aan de budgetsteun voor Mali. Dan houd ik mijn amendement aan.

Ik hoor de staatssecretaris over de UNHCR zeggen dat hij er nog naar kijkt. Is dat een toezegging dat wij dat budget overeind houden of in ieder geval voor een deel? Ik hoor er graag iets concreters over. Anders hebben wij er ook een amendement over en de collega's ook.

De staatssecretaris zegt dat er amper subsidies worden gegeven aan het bedrijfsleven. De potjes voor het bedrijfsleven groeien echter behoorlijk, PSI en ORIO. Ik hoor zeggen dat het geen subsidies zijn, maar matching funds. Ammehoela, het is gewoon geld dat naar het bedrijfsleven gaat vanuit Nederland. Ik vind het mooi als wij het anders noemen, maar het is duidelijk dat het gebonden projecten zijn. De staatssecretaris lijkt ons in slaap te willen sussen met mvo-taal, maar dat neemt mijn zorgen nog niet helemaal weg. Wij komen nog met een motie op dat punt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het SER-advies Ontwikkeling door duurzaam ondernemen stelt dat bedrijven minimaal maatschappelijk verantwoord dienen te ondernemen in ontwikkelingslanden willen ze kunnen bijdragen aan ontwikkeling en duurzame en volwaardige werkgelegenheid aldaar en om die reden adviseert de naleving van de hernieuwde OESO-richtlijnen, inclusief de verplichting tot Due Diligence, als strikte voorwaarde te hanteren bij de ontvangst van ontwikkelingsgelden door bedrijven;

van mening dat mvo zeker een goede en nuttige bijdrage levert aan ontwikkeling van duurzame en volwaardige werkgelegenheid, maar onvoldoende is om te spreken van echte armoedebestrijding;

van mening, dat er naast de mvo-criteria ook duidelijke criteria voor armoedebestrijding bij het bedrijfsleveninstrumentarium zouden moeten zijn en dat deze criteria zowel vooraf getoetst als achteraf gecontroleerd zouden moeten worden;

verzoekt de regering, bij alle subsidies uit ontwikkelingsgelden richting het bedrijfsleven vooraf aan de hernieuwde OESO-richtlijnen te toetsen en deze toetsing tevens te laten plaatsvinden op activiteitsniveau alsmede armoedebestrijdingscriteria te ontwikkelen en op te nemen bij het bedrijfsleveninstrumentarium;

verzoekt de regering tevens, ter uitvoering van deze toetsing een deugdelijk toetsingsmechanisme zonder grote administratieve lasten te ontwikkelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Dikkers, El Fassed, Voordewind en Hachchi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (33 000-V).

Mevrouw Dikkers (PvdA): Voorzitter. Dan had ik nog een motie over Public Expenditure Tracing Surveys, maar als ik de staatssecretaris daarop een toezegging hoor geven, dan kan ik die aanhouden.

De voorzitter: Die heeft u formeel nog niet gehoord. Dus u moet nu echt de motie indienen.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Oké, dan doe ik dat.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering ontwikkelingssamenwerking effectiever wil maken, maar nog geen instrumenten heeft voorgesteld om meer inzicht te krijgen hoe hulpgelden besteed worden;

constaterende dat hoewel de tijd van ongeconditioneerde budgetsteun voor ontwikkelingslanden voorbij is, het desondanks noodzakelijk kan zijn de nationale budgetten van ontwikkelingslanden aan te vullen;

overwegende dat het zeer wenselijk is bij een dergelijke kapitaaloverdracht zicht te houden op de besteding van het hulpgeld en het effect van de bijdrage;

overwegende dat het monitoren van de exacte besteding van het budget de transparantie zal bevorderen, de effectiviteit van de hulp zichtbaar maakt en tevens ontwikkelingslanden zal helpen hun public finance management te verbeteren;

van mening dat de zogeheten Public Expenditure Tracing Surveys (PETS), zoals gehanteerd door de Wereldbank, een bij uitstek geschikt instrument is om dergelijke geldstromen te volgen;

verzoekt de regering, de zogeheten Public Expenditure Tracing Surveys (PETS) als formele externe toetsing op de kortst mogelijke termijn in te voeren en de daaruit volgende Public Expenditure Reviews te publiceren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Dikkers, El Fassed, Voordewind en Hachchi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (33 000-V).

Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. Het aanpassen van de ODA-criteria, concrete doelstellingen en de private sector, dat waren de speerpunten uit mijn betoog in eerste termijn. Ik ben blij met de toezegging van de staatssecretaris dat hij voortvarend door zal gaan met de aanpassing van de criteria en met de ontwikkeling van nieuwe vormen van financiering in de aanloop naar aanpassing van die criteria. Ik zal daarover dus geen motie indienen, zoals eerder aangekondigd.

Over de alternatieve financiering gesproken: vaak is het zo dat subsidies niet echt nodig zijn. Dat had de heer Wientjes gezegd en dat hebben anderen ook aangegeven. Vaak kan worden volstaan met garantiestellingen, steun bij het wegwijs worden in regelgevingen of soft loans. Het sombere beeld over de rol van het bedrijfsleven is mijns inziens onterecht. Wanneer het bedrijfsleven een positieve bijdrage levert aan de ontwikkeling van een land, zie ik niet in waarom we niet mogen inzetten op de belangen van onze economie. De vraag is er, de wil is er en de toegevoegde waarde is er.

Dan wil ik tot slot nog even ingaan op de vraag die de heer El Fassed eerder had gesteld, want ik weet dat hij smacht naar een antwoord. Aangezien ik geen belastingwoordvoerder ben heb ik het even gecheckt bij mijn collega die er wel over gaat. Natuurlijk is ieder land verantwoordelijk voor goede belastingwetgeving en moet belastingontduiking te allen tijde voorkomen worden, maar de primaire verantwoordelijkheid voor de eigen belastingwetgeving ligt bij het land in kwestie. Ik heb ook begrepen van de heer El Fassed dat de heer Weekers er niets aan zou willen doen. Ik begrijp van mijn collega dat de heer Weekers de wet niet wil aanpassen maar dat hij wel diverse bv's en nv's onder de loep gaat nemen en zal beoordelen op onoorbare praktijken.

De heer Irrgang (SP): Voorzitter. Net als mevrouw Dikkers was ik een beetje verbaasd over de vrij terughoudende beantwoording van de staatssecretaris met betrekking tot de plannen die de ronde doen over verdere bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking. Mijn fractie is uiteraard geen partij bij het regeer- en gedoogakkoord, maar ik snap best dat dit zo'n beetje de arbeidsvoorwaarden vormt voor deze staatssecretaris. Maar dat geldt bijvoorbeeld ook voor de heer Driessen, die hier toch vrij drieste uitspraken doet. Misschien kan de staatssecretaris een voorbeeld aan hem nemen. Per slot van rekening is hij een blaffende hond die niet bijt, omdat hij uiteindelijk wel de begroting zal steunen; ook hij is namelijk gebonden aan het gedoogakkoord. De staatssecretaris hoeft echt niet als een soort huurling altijd maar te zeggen dat hij alles voor zijn rekening zal nemen. Alleen al in uitvoeringstechnische zin is het voorstel van de heer Wilders natuurlijk volstrekt onhaalbaar. Het zou de staatssecretaris niet misstaan als hij hier een opmerking over maakte, het is in ieder geval zijn goed recht. Tenzij hij dat niet wil, en werkelijk als een soort huurling voor alles maar inzetbaar is. Ik heb echter zo'n vermoeden dat hij van het kabinet de kwaadste niet is; althans ik hoop dat dit het geval is.

Ik denk dat we het over het bedrijfsleven niet eens zullen worden. Is dit niet het opwarmen van een oude prak? In ieder geval is er een duidelijk verschil van mening. De staatssecretaris verwees naar ORIO. De resultaten daarvan zijn inderdaad nog niet zichtbaar, maar het is natuurlijk erg merkwaardig dat ORET, de regeling die daaraan voorafging, wordt veranderd en beperkt in ORIO, en dat vervolgens het budget wordt verhoogd. Die regeling was ingeperkt, niet omdat zij zo'n succes was, maar omdat de resultaten matig waren. Vergelijkbare bezwaren zijn er tegen andere privatesectorregelingen.

Ik zie met belangstelling uit naar de toezegging van de staatssecretaris dat hij terugkomt op het budget voor SRGR. Volgens mij was het overigens breder dan dat; het ging om een combinatie van punten in dat artikel. Daar komt ook die 34 mln. vandaan. Ik zie verder met belangstelling uit naar het vervolg op de toezegging van de staatssecretaris dat hij nog eens zal kijken naar de bijdrage aan de UNHCR. Graag hoor ik nog wat meer toelichting op de uitfasering van de onderwijsuitgaven; dat vond ik namelijk niet erg duidelijk. Van mij mag dit ook schriftelijk. Het kan aan mij liggen, maar ik begreep niet waarover het ging toen de staatssecretaris het ineens had over een parkeerartikel.

Ik heb geen moties, wel nog wat opmerkingen. Het viel mij op dat de staatssecretaris bij het onderwerp Rwanda eigenlijk de inhoud van een van zijn vele brieven herhaalde. Ik heb deze brieven echt gelezen, dus ik denk dat ik maar met een amendement hierover kom. Naar mijn inschatting is sinds de verkiezingen van 2010 de situatie verslechterd. En ik ben hierin zeker niet de enige, zie de rapportages van Human Rights Watch over de verslechtering van de situatie aldaar. En inderdaad, met Indonesië hebben we een gezamenlijke rechtsgeschiedenis; zo kun je het ook formuleren. Maar dat maakt het volgens mij niet logisch om daarom tot in lengte van dagen door te gaan met het financieren van een gezamenlijk programma. Ik zal kijken of er steun is voor een initiatief op dat gebied.

Mevrouw Ferrier (CDA): Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor zijn beantwoording van de vele vragen. Ik heb nog wel een paar punten. Over de afstemming tussen de donoren, zeker op het gebied van onderwijs, blijft mijn fractie zorgen houden. Kijk naar Burkina Faso: dat kan aanspraak maken op de middelen uit het Global Partnership voor Education, maar dat heeft niet voldoende om aan alle vraag te voldoen. Ook houd ik mijn zorgen over Benin. Graag nadere informatie daarover.

Het SER-rapport was zeer duidelijk over enabling environment: het bedrijfslevenprogramma kan alleen effectief zijn als daar een enabling environment is. Ik heb daarover een motie, die ik straks zal voorlezen. Ik heb ook een motie over duurzaamheid. Inderdaad, de pilots moeten van start gaan in die landenprogramma's, maar wanneer krijgen wij nadere informatie over hoe die precies zullen gaan? Verder blijf ik met vragen zitten over die 3 mln. van het budget voor genderbeleid, maar ik heb begrepen dat mijn buurvrouw Hachchi daarop zal ingaan. Vanwege de tijd laat ik dit aan haar, maar ook mijn fractie baart dit zorgen.

Voorzitter. Dan nu de kennis over ontwikkelingssamenwerking. Het is echt prioritair dat wij ons niet beperken tot die vier speerpunten. Wij moeten breder inzetten om de kennis op het gebied van ontwikkelingssamenwerking te behouden. Vandaar ook dat ik zo blij ben met het vijfde kennisplatform. Die 300 mln. voor topsectoren moet wat mijn fractie betreft ook breder besteed kunnen worden.

Het maatschappelijk middenveld. Het is heel mooi dat de NDCO een meldpunt heeft ingericht, maar nu de SBOS is uitgeput, dreigen alle energie in de maatschappij en vooral de particuliere initiatieven verloren te gaan. De staatssecretaris noemde zelf het voorbeeld van mensen die met serviesgoed op reis gaan. Dat moet je natuurlijk niet hebben, maar dat betekent nog niet dat er geen goede initiatieven zouden zijn. Die zijn er wel degelijk en vaak zouden ze met een klein beetje geld enorm geholpen zijn.

Coherentie. Zoals ik al zei, is het voor mijn fractie heel erg belangrijk dat wij daarmee ervaring opdoen. Vandaar dat ik erg uitzie naar de informatie over de drie landen waarmee wij een coherentierapportage gaan opstellen. Wanneer kunnen wij die informatie verwachten?

Voorzitter. Ik heb drie moties voorbereid. Ik zal ze heel snel indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat dit kabinet met haar beleid ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking productieve sectoren wil bevorderen;

constaterende dat deze visie onder andere wordt ondersteund door het SER-advies Ontwikkelen door duurzaam ondernemen, waarin wordt gepleit voor de versterking van de enabling environment in ontwikkelingslanden om tot duurzame inclusieve economische groei te komen;

constaterende dat de regering deze lijn volgt, maar dat de manier waarop maatschappelijke instellingen en kennisinstellingen worden betrokken bij de versterking van de enabling environment nog concreter kan worden uitgewerkt;

van mening dat de inzet van kennis en ervaring van Nederlandse organisaties in het opzetten van kadasters en het formeel vastleggen van eigendommen bijdraagt aan het scheppen van een betere enabling environment, inclusieve lokale economische ontwikkeling en het tegengaan van land- en water grabbing;

verzoekt de regering, meer focus te leggen op de verbetering van de enabling environment en in de bilaterale instrumenten van ambassades in partnerlanden kennis en ervaring van kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties nadrukkelijk te benutten en deze organisaties daarbij actief te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Ferrier. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (33 000-V).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Turkije en Noorwegen een internationale conferentie organiseren in maart 2012, waar onder andere de economische ontwikkeling en schuldkwijtschelding aan Sudan zullen worden besproken;

overwegende dat de ontwikkeling van Sudan van belang is voor een evenwichtige ontwikkeling in de regio;

constaterende dat tegen de Sudanese president Omar Al-Bashir een arrestatiebevel van het Internationaal Strafhof loopt wegens misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden;

constaterende dat de mensenrechten in Sudan en met name in Zuid-Kordofan dagelijks worden geschonden;

verzoekt de regering, zich internationaal sterk te maken voor het stellen van harde voorwaarden voordat steun aan Sudan wordt gegeven, waarbij de verbetering van de mensenrechtensituatie ter plaatse wordt benoemd, inclusief toegang voor humanitaire hulp, stoppen met bombardementen, beëindigen van steun aan gewapende groepen en uitvoering van het Afrikaanse Unie framework agreement over vredesonderhandelingen en constitutionele hervormingen;

verzoekt de regering, erop toe te zien dat de Nederlandse ambassade in staat is verplichtingen die ons land in het kader van het Comprehensive Peace Agreement op zich heeft genomen, na te komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Ferrier. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 40 (33 000-V).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het van belang is dat er overzicht is over al de aanwezige kennis over duurzaamheid, dat de relaties tussen ministerie(s), kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties voldoende worden benut;

constaterende dat duurzaamheid bijdraagt aan een toekomstbestendig ontwikkelingsbeleid en daarom een overstijgend en integraal onderdeel moet zijn van beleidsinitiatieven op ontwikkelingssamenwerking;

constaterende dat door het systeem van overplaatsing de op Buitenlandse Zaken aanwezige kennis niet altijd op de meest effectieve manier wordt ingezet of overgedragen;

overwegende dat in het personeelsbeleid bij Buitenlandse Zaken overdracht van deze kennis meer centraal dient komen te staan;

voorts overwegende dat op gebied van vergroening van het ontwikkelingsbeleid een ontwikkelings- en uitvoeringsplan op grond van landenpilots is toegezegd, waardoor op grond van constructieve samenwerking van overheid, bedrijven, (lokale) kenniscentra en (lokale) ngo's een concrete en structured bijdrage kan worden geleverd aan verduurzaming van het ontwikkelingsbeleid;

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat voldoende kennis en capaciteit met betrekking tot duurzame ontwikkeling wordt geborgd en deze structured wordt toegepast bij het beoordelen van nieuwe beleidsinitiatieven en jaarplannen, zodat een gerichte vergroening van het ontwikkelingsbeleid mogelijk gemaakt wordt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Ferrier en El Fassed. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41 (36 000-V).

Mevrouw Hachchi (D66): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden. In zijn introductie gaf de staatssecretaris aan waarom de brieven over de verdere uitwerking van zijn beleid op de verschillende terreinen relatief laat zijn gekomen. Ik begrijp dat. Hij begrijpt echter zelf vast ook wel dat de Kamer er behoefte aan heeft om daarover verder te spreken. Het zijn belangrijke onderwerpen. Wij komen daarop dus terug. Vandaag is er te weinig tijd is om inhoudelijk erop in te gaan.

Op het punt van coherentie erkent de staatssecretaris het belang van de verschillende beleidsterreinen. Een coördinatiecommissie stelt mij niet gerust. Ik moet dan eigenlijk denken aan het Zweedse voorbeeld als het gaat om globaliseringstrategie. Ik vraag de staatssecretaris hoe hij zijn collega's in beweging gaat krijgen. Uiteindelijk moet het kabinet coherentie tussen de oren krijgen om ook de departementen mee te krijgen. Dat is nog wel een uitdaging, zeker gelet op het debat met staatssecretaris Bleker vorige week.

Ik kom te spreken over SRGR en de nauwe relatie met hiv, aids en gezondheid. Ik kan verwijzen naar de indeling waarvoor de staatssecretaris heeft gekozen. Ik dank de staatssecretaris voor de handreiking dat hij wil kijken naar een oplossing voor de bezuiniging op deze prioriteit. Voor de andere drie prioriteiten komt er geld bij. Wij komen eigenlijk aan de staatssecretaris tegemoet als wij zeggen dat wij het budget op peil willen houden. Ik hoop dat de staatssecretaris het ook zo ziet.

Ik zie de reactie van de staatssecretaris over noodhulp nog tegemoet.

Op het punt van gender heb ik behoefte aan duidelijkheid. Begrijp ik goed dat de staatssecretaris het amendement dat is ingediend, steunt? Dat betreft 3 mln. op die 39 mln. zodat wij uitkomen op 42 mln. voor volgend jaar. Het lijkt mij belangrijk om daarover heel duidelijk te zijn want die 3 mln. die in 2011 naar het MFS is gegaan, was niet geoormerkt waardoor het geld voor gender uiteindelijk niet terecht is gekomen zoals wij bedoeld hadden. Ik hoor dus graag een duidelijke reactie van de staatssecretaris op 42 mln. voor gender.

Ik ben blij dat de staatssecretaris heeft toegezegd dat hij kennisbeleid meeneemt in het vijfde kennisplatform. Maatschappijopbouw is een kennisgebied waarop Nederland zich goed kan profileren.

De staatssecretaris benadrukt zelfredzaamheid in relatie tot het bedrijfsleven. Zelfredzaamheid gaat echter verder dan alleen de private sector. Ik dien daarover twee moties in. De eerste motie gaat over de samenwerking tussen het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet duurzame en inclusieve ontwikkeling van ontwikkelingslanden wil stimuleren met het bedrijfsleveninstrumentarium en met publiek-private partnerschappen;

constaterende dat het totale budget voor de ontwikkeling van de private sector en samenwerking met het bedrijfsleven de komende vier jaar stijgt van 600 mln. naar circa 900 mln. per jaar;

overwegende dat concrete samenwerking met internationale en lokale ngo's en kennisinstellingen synergie en ownership bevordert en daarmee bij kan dragen aan structurele en autonome ontwikkeling op de grond;

overwegende dat uit de evaluaties van het bedrijfsleveninstrumentarium blijkt dat de impact op ontwikkelingsdoelstellingen beperkt is en dat internationale en lokale ngo's en kennisinstellingen bewezen ervaring hebben op dit gebied;

verzoekt de regering, binnen het bedrijfsleveninstrumentarium een mechanisme op te zetten dat budgettair voordeel verschaft aan bedrijven die samenwerken met internationale en lokale ngo's en kennisinstellingen wiens track-record een bewezen meerwaarde biedt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Hachchi en Van der Staaij. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42 (33 000-V).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er strenge eisen worden gesteld aan ontwikkelingsorganisaties voordat zij gesubsidieerd worden, met controles voor, tijdens en na projecten;

overwegende dat het kabinet ten aanzien van de controle bij het bedrijfsleven slechts wijst op staande OESO-richtlijnen en controle achteraf;

verzoekt de regering, de eisen en controlecriteria voor ontwikkelingsorganisaties en voor het bedrijfsleven met elkaar in lijn te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Hachchi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 43 (33 000-V).

De heer Driessen (PVV): Voorzitter. Veel fracties benadrukten vanavond hoe erg het zou zijn dat er in het budget voor ontwikkelingsslurp wordt gehakt. In feite blijft dat gevoel echter beperkt tot deze vergaderzaal. Immers, hoeveel mensen hebben er gedemonstreerd met borden en spandoeken tegen de bezuinigingen op ontwikkelingshulp? Hoeveel mensen waren er op het Malieveld? Hoeveel mensen waren er op het Plein? Zelfs tegen het gehak in de kunstsubsidies werd nog gedemonstreerd, maar zodra het om OH gaat, blijft het doodstil. Het lijkt niemand iets te interesseren. Dat hoeft ook niemand te verbazen als ontwikkelingsclubs in miljoenenpanden blijken te bivakkeren. Feit is: meer dan de helft van alle Nederlanders wil, als er extra bezuinigingen nodig zijn, 4 mld. weg hakken uit het OH-budget. Dan blijft er bijna niks meer over; dat is wat de meerderheid van de Nederlanders wil.

Bij de VVD-kiezers is dat zelfs 79%: acht op de tien. Toch heeft de VVD het vanavond vooral over green deals, windmolens en andere gekke linkse projectjes. Ik ben bang dat Milton Friedman gelijk had toen hij zei: krab aan een Europese liberaal en je vindt een socialist. Bij de VVD lijk je niet eens te hoeven krabben.

We zien vanavond weer een hoop detailmoties en -amendementen voorbijkomen – soms zijn het hele boekwerken – waarmee geld geschoven wordt van de ene naar de andere onbegrijpelijke afkorting. Nu een paar heldere moties, die iedereen zal begrijpen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, Oxfam Novib aan te spreken op zijn exorbitante onderkomen teneinde te bewerkstelligen dat hij zijn huisvesting zo spoedig mogelijk versobert, op straffe van een subsidiestop,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Driessen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 44 (33 000-V).

De heer Driessen (PVV): Dan een andere slurpclub.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Cordaid in strijd handelt met staand regeringsbeleid;

verzoekt de regering, alle subsidies voor Cordaid op te schorten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Driessen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 45 (33 000-V).

De heer Driessen (PVV): Dan een motie waarbij ik op steun reken van de mannenbroeders van de SGP.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, behoudens eventuele noodhulp, alle hulp voor OlC-lidstaten te beëindigen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Driessen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 46 (33 000-V).

De heer Van der Staaij (SGP): Er zijn maar enkele hulporganisaties door een motie van de PVV getroffen. Moet ik daaruit afleiden dat de overige organisaties de warme steun hebben van de PVV-fractie?

De heer Driessen (PVV): Nee, dat kan de heer Van der Staaij niet veronderstellen.

Tot slot mijn laatste motie, die eigenlijk een species is van het genus van de motie van zojuist.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat christenen in Egypte niet veilig zijn;

verzoekt de regering, behoudens eventuele noodhulp, alle hulp voor Egypte per direct te stoppen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Driessen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 47 (33 000-V).

De heer Irrgang (SP): Ik ga maar even verder op de eerdere vraag van de heer Van der Staaij. Moet ik uit deze motie afleiden dat alle moslims in Egypte wel veilig zijn voor de repressie van het leger? Of dat ze misschien niet veilig zijn, maar dat dit de heer Driessen verder niet boeit?

De heer Driessen (PVV): Ik zal zeker niet beweren dat alle moslims een prettig leven leiden in Egypte. Ik zou de heer Irrgang er wel op willen wijzen dat de situatie van de kopten, de christenen in Egypte, dermate ernstig is dat daarvoor speciale aandacht zou mogen zijn vanuit ons parlement. Ik hoop ook echt dat de heer Irrgang heel serieus zal kijken naar deze motie. Ik zou het toch wel heel spijtig vinden als de socialistische partij geen steun zou willen verlenen aan deze motie.

De heer Irrgang (SP): Van de kant van de heer Driessen is dit absoluut een zeer gematigd en genuanceerd antwoord. Na dit antwoord zal ik zeker weloverwogen naar de motie kijken. Ten slotte zou ik de heer Driessen willen aanraden om nog even de laatste beelden van het Tahrirplein in Caïro tot zich te nemen, waar op dit moment de tanks weer worden ingezet. Ik heb niet de indruk dat het daar alleen kopten zijn die het slachtoffer worden van de repressie van de Egyptische autoriteiten, het leger en de politie.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Het is natuurlijk allemaal kommer en kwel, wat de PVV-fractie betreft. Zij heeft echter wel een cruciale rol te spelen. Stemt zij voor of tegen de begroting?

De heer Driessen (PVV): Ik nodig mevrouw Dikkers uit om tijdens de stemmingen heel goed naar links te kijken om te zien wat die 24 handjes zullen doen.

Mevrouw Dikkers (PvdA): Daar komt u wel erg makkelijk mee weg. Dit beleid deugt niet, dit kabinet deugt daarmee niet. Het is immers het gedoogde kabinet dat deze plannen op tafel legt. Het zou dan vrij logisch zijn om daar consequenties aan te verbinden. In ben heel benieuwd naar die 24 handen.

De heer Driessen (PVV): Ik heb geen vraag gehoord. Ik heb gezegd wat ik heb gezegd.

De voorzitter: Wij zullen er nog even op moeten wachten.

De heer El Fassed (GroenLinks): Voorzitter. Ontwikkelingssamenwerking staat met dit kabinet en vooral met deze gedoogpartner, Wilders en kornuiten, continu onder druk. Het budget voor ontwikkelingssamenwerking is één grote grabbelton waaruit iedereen denkt te kunnen graaien, Geert Wilders en minister Verhagen voorop. De staatssecretaris hoort te zeggen: ik deel geen cadeautjes meer uit, ik trek een streep bij 0,7% van het bnp, dat is de internationale afspraak en daar houdt Nederland zich aan. In plaats daarvan blijft hij een beetje vaag. «Onder druk is alles mogelijk.» Ook mevrouw Ferrier zegt dat. Wij hebben nog geen keiharde garantie dat die 0,7% overeind blijft tijdens deze volle kabinetsperiode, zoals in de motie van GroenLinks en de ChristenUnie is verwoord.

Het bedrijfsleveninstrumentarium kan een belangrijke bijdrage leveren aan de economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Dat gelooft GroenLinks ook. Dat kan echter alleen als de focus wordt verschoven van de belangen van Nederlandse multinationals naar de belangen van het mkb in ontwikkelingslanden. Het bedrijfsleveninstrumentarium moet spin-off creëren voor de lokale markten en ketens. Ik vraag de staatssecretaris mij hiervan te overtuigen het komend jaar, met goede eigen monitoring en beoordeling vooraf in plaats van achteraf. Laat het een doorslaggevend criterium zijn en laat men zich net als alle andere subsidieverkrijgers verantwoorden.

Ontwikkelingssamenwerking kan effectiever. Dit bereiken wij echter niet door het budget voor ontwikkelingssamenwerking verder te verlagen, zoals mijn collega's van de fracties van de PVV en de VVD graag doen, maar door te kijken naar het beleid van andere ministeries. Ik noemde in mijn eerste termijn al de enorme bedragen die te verdienen zijn als wij nu belastingontwijking, handelsbarrières, landbouwsubsidies en aanpassing aan klimaatverandering aanpakken. Zo verdien wij de ontwikkelingsuitgaven gemakkelijk terug. Sterker nog, het kan ontwikkelingssamenwerking uiteindelijk overbodig maken. Een fantastische investering die ik graag nog eens aanprijs aan partijen die minder, veel minder of helemaal niets willen besteden.

Ik heb een aantal moties. Ik begin bij de motie over het bedrijfsleveninstrumentarium. Ik stel mij graag zeker van een goede uitvoering van het beleid van de staatssecretaris op dit terrein.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ontwikkelingssamenwerking alleen effectief is als het belang van de ontvanger voorop staat;

overwegende dat het beoogde doel van het bedrijfsleveninstrumentarium is om duurzame economische groei te realiseren in ontwikkelingslanden zodat de zelfredzaamheid in deze landen vergroot;

overwegende dat economische groei in ontwikkelingslanden alleen duurzaam is als door middel van maatschappelijk verantwoord ondernemen een bijdrage wordt geleverd aan een verbeterd ondernemingsklimaat voor kleine producenten, aan de lokale markt en aan ontwikkeling van de bevolking en aan armoedebestrijding;

verzoekt de regering, de criteria voor het bedrijfsleveninstrumentarium zo op te stellen, dat om voor dit instrumentarium in aanmerking te komen, projecten door middel van maatschappelijk verantwoord ondernemen zichtbaar moeten bijdragen aan een verbeterd ondernemingsklimaat voor kleine producenten, aan de lokale markt en aan ontwikkeling van de bevolking en aan armoedebestrijding;

verzoekt de regering tevens, de criteria waarop bedrijven die subsidie aanvragen uit het bedrijfsleveninstrumentarium worden beoordeeld naar de Kamer te sturen en hierbij duidelijk te maken op welke manier het ministerie zich zeker stelt van zichtbare bijdragen aan een verbeterd ondernemingsklimaat voor kleine producenten, aan de lokale markt en aan ontwikkeling van de bevolking en aan armoedebestrijding,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden El Fassed, Dikkers en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 48 (33 000-V).

De heer El Fassed (GroenLinks): Voorzitter. De tweede motie gaat over preventieve rampenbestrijding. Landen, boeren en lokale ondernemers moeten worden voorbereid op droogte en overstroming. Klimaatadaptatie verdient meer aandacht van de staatssecretaris.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat wereldwijd extremer weer toeneemt en hierdoor vooral in ontwikkelingslanden vaker overlast en natuurrampen plaatsvinden;

overwegende dat lokale producenten – onder wie boeren – ondernemers, burgers en besturen van ontwikkelingslanden beter moeten leren anticiperen op natuurrampen;

verzoekt de regering, in het ontwikkelingsbeleid voor effectieve humanitaire hulp meer aandacht te geven aan preventieve rampenbestrijding,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden El Fassed en Ferrier. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49 (33 000-V).

De heer El Fassed (GroenLinks): Ik dien een motie in over open data.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in september 2011 een begin is gemaakt met het publiceren van actuele gegevens (open data) over alle ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten die het ministerie van Buitenlandse Zaken financiert;

overwegende dat transparantie de effectiviteit en kwaliteit van ontwikkelingssamenwerking ten goede komt;

overwegende dat een groot deel van de programma's op het gebied van ontwikkelingssamenwerking door maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en bedrijven wordt uitgevoerd;

verzoekt de regering, met maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en bedrijven die financiering ontvangen van de regering voor de uitvoering van hun programma's op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, afspraken te maken om beschikbare data over deze programma's op korte termijn te gaan ontsluiten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden El Fassed en De Caluwé. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 50 (33 000 V).

De heer El Fassed (GroenLinks): Tot slot dien ik een motie in over publiek-private partnerschappen op het gebied van water.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in 2012 een faciliteit wordt gestart voor publiek-private partnerschappen op het gebied van water;

overwegende dat de duurzaamheid van interventies een belangrijk criterium bij het monitoren van activiteiten gericht op geïntegreerd waterbeheer zal zijn;

overwegende dat hiervoor in de watersector het FIETS-kwaliteitsmodel wordt gehanteerd: Financial, Institutional, Environmental, Technical and Social sustainability;

overwegende dat het belangrijk is bij de toekenning van financiering na te gaan of de partnerschappen een duurzame bijdrage zullen leveren met hun activiteiten;

verzoekt de regering, het FIETS-kwaliteitsmodel over te nemen en bij de toekenning van financiering aan publiek-private partnerschappen als richtsnoer voor duurzaamheidscriteria te hanteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden El Fassed, Voordewind, Dikkers en Hachchi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 51 (33 000 V).

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Wij hebben de heer Driessen meerdere keren horen verwijzen naar een draagvlakonderzoek voor ontwikkelingssamenwerking. Ik ben benieuwd of de heer Driessen ook nog een onderzoek zal doen of mensen de belastingen te hoog vinden of blij zijn met de boetes en zal kijken welke antwoorden er dan uitkomen. Dan zal hij, denk ik, ook voorspelbare antwoorden krijgen. De PVV-fractie claimde 4 mld. Ik zou graag de staatssecretaris nog duidelijk ferm afstand horen nemen van de verdere bezuinigingen die zijn gedoogpartner graag ziet bij ontwikkelingssamenwerking. Dat vooraf.

Ik heb een vraag gesteld over duurzame handelsmissies, namelijk of de staatssecretaris het ziet zitten om Nederlandse ngo's die een oog hebben voor duurzaamheid, te betrekken bij die handelsmissies. Over het FIETS-model heeft de heer El Fassed een motie ingediend, dus daarop ga ik niet meer in. Ik ben blij dat de staatssecretaris opnieuw wil kijken naar drinkwater- en sanitatievoorzieningen, hopelijk in lijn met het amendement dat wij hebben ingediend. Ik zal dat afwachten.

Over de noodhulp zegt de staatssecretaris dat hij opnieuw zal kijken naar de bezuiniging op de UNHCR. Dat staat los van het feit dat op die noodhulp nog steeds een korting zit van 31 mln., terwijl wij vorig jaar al tekort kwamen. Ik houd mijn amendement op dat terrein dus aan. Ik ben blij met de toezegging dat de staatssecretaris bereid is om samen met de minister van Buitenlandse Zaken, neem ik aan, het Mensenrechtenfonds in te zetten voor het verder bevorderen van de strijd tegen de kinderarbeid, voor het stimuleren van de Child Labor Free Zones. Dat is een heel mooie toezegging.

Ik kom nog met een aantal moties. De eerste gaat over de transparantie van supermarktketens.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Tweede Kamer de motie Voordewind c.s. (32 500-V, nr. 48) heeft aangenomen waarin de regering wordt gevraagd, in overleg te treden met de in Nederland actieve supermarktketens en in te zetten op een convenant, waarin wordt afgesproken dat in 2015 de aangeboden (huismerk)producten duurzaam zijn geproduceerd, met de criteria voor duurzaam inkopen als minimumnorm;

constaterende dat de motie verzoekt dat via een jaarlijkse monitor wordt gerapporteerd over de voortgang;

overwegende dat het Platform Verduurzaming Voedsel in samenwerking met het ministerie van EL&I werkt aan een database voor bedrijven over maatschappelijk verantwoord ondernemen, bijvoorbeeld op het vlak van arbeidsrechten en duurzaamheid;

verzoekt de regering, in gesprek te gaan met supermarktketens in Nederland en afspraken te maken over actieve deelname aan de database van het Platform Verduurzaming Voedsel en over volledigheid van informatie in deze database,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 52 (33 000-V).

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik had een motie over het FIETS-model, maar mijn collega heeft daarover al een motie ingediend. Dus die zal ik niet indienen, maar nog wel een motie over de monitoring, de naleving van de internationale ngo-standaarden.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bedrijven alleen in aanmerking komen voor publiek-private samenwerking in ontwikkelingslanden wanneer zij voldoen aan de nieuwe OESO-richtlijnen;

overwegende dat de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen van toepassing zijn op de gehele toeleveringsketen en onder meer eisen dat kinder- en slavenarbeid wordt uitgesloten en een leefbaar loon wordt betaald;

constaterende dat de naleving van de OESO-richtlijnen vereist is, maar dat de monitoring hiervan nog onvoldoende is ontwikkeld en onafhankelijke audits geen vereiste zijn;

verzoekt de regering, een werkgroep in te stellen van betrokken stakeholders (bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties) die binnen een termijn van vier maanden concrete voorstellen ontwikkelt voor de monitoring van naleving van internationale mvo-standaarden en voor onafhankelijke audits,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind en Dikkers. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 53 (33 000-V).

De heer Voordewind (ChristenUnie): Omdat alleen deze termijn mij nog gegeven is, dien ik de volgende motie in over de verduurzaming van de handelsmissies.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat privatesectorontwikkeling in ontwikkelingslanden enkel economisch, sociaal en duurzaam is op het moment dat maatschappelijke organisaties, vakbonden, kennisinstellingen en producentenorganisaties zowel lokaal als internationaal actief betrokken zijn;

overwegende dat deze actoren marktkennis, netwerken, inzichten en expertise hebben die de return of investment van het bedrijfsleven verhogen en sociale en milieurisico's verminderen;

verzoekt de regering, een duurzame handelsmissie te leiden naar een ontwikkelingsland met een opkomende markt waar bedrijfsleven, vakbonden, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en producentenorganisaties gelijkwaardig aan deelnemen met het doel de daaruit geleerde lessen versneld te integreren in reguliere missies,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 54 (33 000-V).

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. Ik zal kort nog een paar punten langslopen.

De staatssecretaris heeft gezegd dat hij nog zal kijken naar de bijdrage voor de UNHCR. Wat betekent dit concreet?

Op het terrein van onderwijs zullen wij nauwgezet de vinger aan de pols houden en volgen wat de verantwoorde afbouw betekent. Ik houd daarnaast nog wat vragen over hoe het verder zal gaan met Burkina Faso, Bolivia, Mali, Zambia en Nicaragua. Er zijn ook vragen over andere landen gesteld. Op een aantal punten zijn weinig harde toezeggingen gedaan en blijft het onduidelijk hoe de verantwoorde afbouw eruitziet.

Over de uitstapprogramma's heb ik met collega Ferrier een amendement ingediend. Ik denk dat dit aansluit bij hetgeen de staatssecretaris zo-even aangaf over de structurele verankering binnen het SRGR-programma.

Over het bedrijfsleven dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de notitie Ontwikkeling door duurzaam ondernemen alleen voorziet in een evaluatieprotocol voor bedrijfslevensubsidies vanaf een hoogte van 10 mln. per jaar;

constaterende dat de meeste bedrijfslevensubsidies die hoogte niet kennen en dat genoemde notitie geen duidelijkheid schept over de evaluatie-eisen waaraan projecten onder de 10 mln. moeten voldoen;

overwegende dat onderdeel 6 van het protocol proportionaliteit al als criterium genoemd wordt voor de invulling van de monitoring en evaluatie, zodat de kosten daarvoor in verhouding staan tot de financiële omvang van de te evalueren activiteit;

verzoekt de regering, de ondergrens van 10 mln. te verwijderen uit het protocol,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Staaij en Hachchi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 55 (33 000-V).

De heer Van der Staaij (SGP): Wat in 2012 ook zal veranderen, is dat de staatssecretaris een andere directeur-generaal Internationale Samenwerking aan zijn zijde krijgt. Ik maak graag van de gelegenheid gebruik om mevrouw Brandt te feliciteren met haar benoeming bij Unicef en haar alle goeds toe te wensen.

(geroffel op de bankjes)

De voorzitter: De laatste woorden zijn namens de gehele Kamer gesproken.

Er zijn negentien moties ingediend. Wij zullen een kwartier schorsen om de staatssecretaris de gelegenheid te geven de moties te bestuderen.

De vergadering wordt van 23.30 uur tot 0.05 uur geschorst.

Staatssecretaris Knapen: Voorzitter. Ik dank de leden voor de verhelderingen en hun vragen. In tweede termijn is door menigeen gevraagd hoe het zit met het budget voor Ontwikkelingssamenwerking. We hebben een regeerakkoord en we beschouwen ons als een betrouwbare partner. Dat betekent dat we afspraken hebben gemaakt en nog maken. We bespreken nu de begroting voor volgend jaar, die niet alleen is opgesteld in de geest van het regeerakkoord maar ook de afspraken daarin volgt. Dat is ook door de minister-president bevestigd.

Op enkele opmerkingen wil ik nog even ingaan. Door de heer Van der Staaij, de heer Irrgang en mevrouw Ferrier zijn vragen gesteld over de uitfasering van het onderwijs. We kunnen al die landen specifiek behandelen, maar dan wordt het laat. Het is echter te belangrijk om het slordig te doen en om die reden stel ik voor daarop schriftelijk in te gaan en dat bij de Kamer te hebben voordat de gehele begroting van Buitenlandse Zaken wordt besproken.

Mevrouw Ferrier heeft drie vragen gesteld. In de eerste plaats vroeg zij of de middelen voor de private sector breder besteed kunnen worden dan alleen aan de speerpunten. Het antwoord daarop is bevestigend. In de tweede plaats vroeg zij naar SBOS. Voor volgend jaar is het vol, maar ik wil graag bekijken of wij voor 2013 mogelijkheden hebben om SBOS ruimte te bieden om het nuttige werk te doen. In de laatste vraag vroeg mevrouw Ferrier wanneer de coherentie-informatie over de landen beschikbaar komt. Dat gaat nog wel een tijdje duren. De plannen worden nu opgesteld. Dan moeten zij worden geaccordeerd en daarna gaat men aan de slag. Pas wanneer men enige ervaring heeft, zijn we zo'n anderhalf jaar verder en kunnen de criteria voor coherentie worden teruggezien in de wijze waarop het uitpakt. Tussen een nulmeting en een eerste rapportage heb je wat tijd nodig, maar liever sneller dan later.

Mevrouw Hachchi heeft gevraagd hoe het gaat met de coherentie en de relatie met mijn collega's. De coherentiebrief is door het kabinet besproken. Er is dus geen sprake van dat mijn collega's daar niet over horen c.q. dat zij niet nadenken over de consequenties die dat voor eenieder heeft.

De overige opmerkingen vonden ook hun neerslag in moties. De motie op stuk nr. 37 van mevrouw Dikkers over OESO-richtlijnen vooraf beschouw ik als een ondersteuning van het beleid, mits toetsing vooraf niet gepaard gaat met grote disproportionele administratieve lasten. Anders kom ik in aanvaring met een ander zorgpunt dat door de Kamer aan de orde is gesteld.

De motie op stuk nr. 38 van mevrouw Dikkers over het gebruikmaken van de trackingsystemen van de Wereldbank beschouwen wij eveneens als een ondersteuning van het beleid.

De motie van mevrouw Ferrier op stuk nr. 39 over versterking van het enabling environment beschouw ik als ondersteuning van beleid. De motie van mevrouw Ferrier op stuk nr. 40 over Sudan beschouw ik eveneens als ondersteuning van beleid. Hetzelfde geldt voor de motie van mevrouw Ferrier en de heer El Fassed over duurzaamheid op stuk nr. 41.

Dan kom ik bij de motie van mevrouw Hachchi en de heer Van der Staaij op stuk nr. 42 over de samenwerking tussen bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Ik ontraad het aannemen van deze motie, omdat die eigenlijk niet nodig is. Het bedrijfsleven ziet zelf wel in dat samenwerking met ngo's en kennisinstellingen loont. Dat gebeurt ook volop. 90% van de pps-en werkt samen met ngo's. Een extra financiële prikkel is alleen al daarom overbodig en kan misschien zelfs onbedoeld averechtse effecten hebben.

In de motie van mevrouw Hachchi op stuk nr. 43 wordt de regering verzocht, controles of eisen bij ontwikkelingsorganisaties in lijn te brengen. Ik moet dat zo interpreteren dat het type controle voor het bedrijfsleven niet hetzelfde is als voor een ngo. De controle heeft een ander karakter. Wij kijken naar de suggesties die Actal heeft gegeven en naar suggesties die wij hebben gekregen van de algemene bestuursdienst om de aansturing te stroomlijnen. In die zin beschouw ik de motie als ondersteuning van beleid.

De motie van de heer Driessen op stuk nr. 44 betreft Oxfam Novib. Wij hebben als criterium dat de overhead binnen de 7,5% van de uitgaven moet blijven. Dat is bij Oxfam Novib voor onze programma's het geval. Ik ontraad derhalve het aannemen van deze motie. De motie van de heer Driessen op stuk nr. 45 gaat over het intrekken van de subsidie voor Cordaid. Ik ontraad het aannemen van deze motie. De motie van de heer Driessen op stuk nr. 46 verzoekt de regering, alle hulp voor OIC-lidstaten te beëindigen. Dat beschouw ik ook als een motie waarvan ik het aannemen moet ontraden. In de motie van de heer Driessen op stuk nr. 47 wordt de regering verzocht, alle hulp aan Egypte te stoppen. Die motie staat haaks op het beleid en ik moet het aannemen ervan dan ook ontraden.

Dan kom ik bij de motie van de heer El Fassed c.s. op stuk nr. 48 over het zichtbaar maken en communiceren van de criteria die wij hanteren. Ik zeg toe dat wij die bekend zullen maken. Dat gezegd hebbende, beschouw ik het uitgangspunt als ondersteuning van beleid. In de motie van de heer El Fassed en mevrouw Ferrier op stuk nr. 49 wordt gevraagd meer aandacht te geven aan preventieve rampenbestrijding. Ik verzoek de heer El Fassed om deze motie aan te houden, omdat wij voor het kerstreces komen met het toegezegde humanitaire beleidskader. Dan komen wij erover te spreken.

De heer El Fassed en mevrouw De Caluwé hebben een motie ingediend op stuk nr. 50 over de open data, met het verzoek om een volgende stap te zetten. Als ik de motie zo mag interpreteren dat wij maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en bedrijven aanmoedigen om hun systemen daarop af te stemmen, beschouw ik de motie als ondersteuning van beleid. Ik zou het in deze fase niet willen verplichten. Voor het type ngo's et cetera dat zich bij ons meldt is het karakter ervan nog zo onduidelijk en wellicht zo ontmoedigend voor verdere activiteiten dat ik het wel wil aanmoedigen maar niet verplichten. Als ik de motie zo mag interpreteren, beschouw ik haar als een aanmoediging.

De motie op stuk nr. 51 van de heer El Fassed gaat over het FIETS-kwaliteitsmodel. Wat in de motie gevraagd wordt, doen wij al. Het had ook zonder de motie gekund maar het een ondersteuning van het beleid.

De motie op stuk nr. 52 van de heer Voordewind gaat over supermarkten. Ik vind de motie zeer sympathiek maar ik moet de heer Voordewind vragen haar aan te houden omdat ik daarover met overleggen met mijn collega van EL&I.

De motie op stuk nr. 53 van de heer Voordewind en mevrouw Dikkers over het monitoren van OESO-richtlijnen wil ik ontraden. Wij hebben maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen al uitgenodigd voor overleg over toetsing en monitoring van die richtlijnen. Ik zie op tegen een nieuwe bureaucratische structuur voor die monitoring. Daarom wil ik geen nieuwe officiële werkgroep. Er vindt regelmatig overleg plaats met het Platform Private Sector Ontwikkeling. Daarin zit FMO, het Agentschap, het CBI, de vakbonden et cetera. De PSI, ORIO en FMO kennen al adviescommissies met mensen uit kennisinstellingen, ngo's en het bedrijfsleven. Uitvoeringsorganisaties monitoren bovendien al intensief de toetsing aan de OESO-richtlijnen. Als wij er dit bovenop zetten, vind ik het risico van een nieuwe bureaucratische structuur te groot. Ik wil die motie ontraden.

De motie op stuk nr. 54 van de heer Voordewind gaat over duurzame handelsmissies. Soms gebeurt al wat de motie vraagt. In die zin zie ik de motie als een ondersteuning van beleid. Ik zeg er wel bij dat iedereen zelf zijn kosten moet betalen. Daarover mag geen misverstand ontstaan. Als iemand afkomstig van een ngo of van welke instelling dan ook wil meereizen met een duurzame handelsmissie vergoeden wij dat niet.

De motie op stuk nr. 55 is ingediend door de heer Van der Staaij en mevrouw Hachchi en gaat over het schrappen van de ondergrens van 10 mln. uit het protocol voor de controle en de evaluatie. Ik vraag de indieners om deze motie aan te houden. Ik ben het wel met de strekking van de motie eens dat wij grondig en onafhankelijk moeten evalueren. Ik wil hierover eerst overleg met het IOB om te zien of de administratieve last van die kleinere programma's niet te zwaar wordt als al die programma's moeten voldoen aan een specifiek evaluatieprotocol. Ik moet daarbij wat comfortabeler voelen voordat ik hierover iets zinnigs kan zeggen. De baseline studies zijn simpelweg niet proportioneel voor een investeringssubsidie van een paar ton. Ik kan er nu geen antwoord op geven maar ik kom er graag op terug.

De voorzitter: Komt u daarop terug tijdens de begrotingsbehandeling of verzoekt u de indieners om de motie aan te houden?

Staatssecretaris Knapen: Ik heb de indieners verzocht om de motie aan te houden. Het moet zorgvuldig gebeuren en dat red ik niet in een dag. Er is een aantal amendementen ingediend over de korting op SRGR, een amendement van de heer Irrgang en mevrouw Hachchi en een amendement van mevrouw De Caluwé en mevrouw Ferrier en een amendement van mevrouw Dikkers.

De heer Irrgang (SP): Ik vermoed, maar het zal ook voor andere woordvoerders gelden, dat er nog meer amendementen komen. Wij stemmen pas over een paar weken. Misschien is het beter dat de staatssecretaris een brief stuurt met zijn oordeel over de amendementen op het moment dat alle amendementen formeel zijn ingediend. Anders moet hij straks weer reageren.

Staatssecretaris Knapen: Ik had willen voorstellen om morgen met een voorstel te komen over SRGR, opdat de leden vervolgens kunnen bepalen of zij hun amendement handhaven of dat het overbodig is. Ik heb alle zorgen genoteerd. Ik herken die. Ik zal daar ook iets mee doen. Het lijkt me ook gepast om daar iets mee te doen. Ik wil u dan morgen laten weten wat mijn voorstel is. Dan kunt u vervolgens zien wat u met uw amendement doet.

De voorzitter: De suggestie is om de overige amendementen mee te nemen bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken.

Staatssecretaris Knapen: Het zijn er nog maar drie of vier.

De voorzitter: Als het kort kan, is het misschien handiger om ze nu af te tikken. Dat scheelt weer bij de behandeling van de begroting.

Staatssecretaris Knapen: Het is nu toch dinsdag, voorzitter.

Ik ontraad het amendement van mevrouw Hachchi en de heer El Fassed over gender en het bedrag van 3 mln. in deze vorm. Ik herken niet wat er staat, namelijk dat wij het bedrag van 3 mln. in mindering brengen. Het staat op een andere plek maar de Child Rights Alliance, één van de clubs die in aanmerking zijn gekomen voor dit bedrag, is specifiek voor dit onderwerp naar voren gekomen. Wij geven het wel degelijk uit voor deze bestemming. De veronderstelling hier is een andere. Ik heb bovendien problemen met de dekking. Er zijn dus twee redenen: wij doen het al en de dekking. Het amendement in deze vorm ontraad ik.

Mevrouw Hachchi (D66): Kan de staatssecretaris de organisatie die het krijgt, toelichten? Gaat de 3 mln. naar een specifieke organisatie of gaat de 3 mln., zoals wij dit jaar hebben gezien, richting MFS?

Staatssecretaris Knapen: Het is gegaan naar een alliantie van organisaties die het voor gender zouden bestemmen. Dat was de afspraak.

Het amendement van de heer Van der Staaij en mevrouw Ferrier gaat over het integreren van de uitstapprogramma's binnen het SRGR-beleid. Ik wil dat graag overnemen.

De voorzitter: Dan moet ik formeel vragen of de indieners akkoord gegaan.

De heer Van der Staaij (SGP): Ja.

De voorzitter: Dat is het geval. Het amendement-Van der Staaij/Ferrier (stuk nr. 25, I en II) is overgenomen.

Staatssecretaris Knapen: Dan liggen er nog amendementen van mevrouw Dikkers en de heer Voordewind over noodhulp. Mijn reactie op het amendement van mevrouw Dikkers is als volgt. Ik ben bereid het budget van UNHCR met 5 mln. te verhogen. Het amendement van de heer Voordewind en mevrouw Dikkers, waarbij het om een bedrag van 15 mln. zou gaan en niet om 20 mln., ontraad ik. Ik voeg eraan toe dat ik mij in de geest van dit jaar en van wat hierachter ligt, wil opstellen. Als de nood aan de man is, zal ik wel degelijk kijken of ik op een of andere manier met middelen kan schuiven om soelaas te bieden waar het nodig is. Dat gezegd zijnde, ontraad ik het amendement van de heer Voordewind en mevrouw Dikkers.

Ik kom bij het amendement van mevrouw Dikkers op stuk nr. 27, waarin zij vraagt om een ophoging van 9 mln. Mijn voorstel is om UNHCR te verhogen met 5 mln.

Ik kan instemmen met het amendement van mevrouw Ferrier op stuk nr. 31 over de Netherlands Fellowship Programmes.

Ik kom bij het amendement van de heer Voordewind op stuk nr. 34 over het verschuiven binnen water: drinkwater en sanitatie versus integraal waterbeheer. Ik heb al eerder aangegeven dat ik met dit amendement uit de voeten kan.

Het amendement van de heren Voordewind en Van der Staaij op stuk nr. 36 gaat over het verhogen van MFS II, net als vorig jaar. Het is inderdaad gebeurd vorig jaar. Gegeven het feit dat wij 100 mln. minder uitgeven vanwege het bnp, zouden wij MFS eigenlijk met 20 mln. moeten korten om proportioneel te handelen. Dat doen wij niet; die houden wij op dit niveau. Gegeven wat er in de economie gebeurt, is dat bijzonder. Om die reden ontraad ik het amendement.

Voorzitter. Daarmee kom ik aan het eind van wat mij gevraagd was.

De voorzitter: Dank u wel. U zit ook bij de behandeling van de begroting woensdag en donderdag voor de eventualiteit dat er nog vragen zijn op het gebied van OS. Wij zien u graag daar weer. Dank u voor dit moment voor alle antwoorden die u hebt gegeven en uiteraard ook dank aan degenen die u vandaag hier en elders in de Kamer dan wel op het departement hebben ondersteund. Het was weer een flinke klus.

Sluiting 0.27 uur.

Volledige agenda

1. Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2012 (deel Ontwikkelingssamenwerking)

33 000-V – Brief regering d.d. 20-09-2011

minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal

2. Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden inzake de begrotingsstaten van het Ministerie van BuZa (V) voor het jaar 2012

33 000-V-10 – Brief regering d.d. 07-11-2011

minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal

3. Homogene Groep Internationale Samenwerking 2012 (HGIS-nota 2012)

33 002 – Brief regering d.d. 06-09-2011

minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal

4. Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden inzake Homogene Groep Internationale Samenwerking 2012 (HGIS-nota 2012)

33 002-3 – Brief regering d.d. 07-11-2011

minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal

5. Aanbieding beleidsevaluatie van de Nederlandse steun aan capaciteitsopbouw en de beleidsreactie hierop

32 605-50 – Brief regering d.d. 04-08-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

6. Brief van de Algemene Rekenkamer over het rapport «Monitoring beleid voor ontwikkelingssamenwerking»

32 803 – Rapport/brief Algemene Rekenkamer d.d. 09-06-2011

president van de Algemene Rekenkamer, S.J. Stuiveling

7. Monitoring beleid voor ontwikkelingssamenwerking, stand van zaken september 2011

32 803-3 – Rapport/brief Algemene Rekenkamer d.d. 15-11-2011

president van de Algemene Rekenkamer, S.J. Stuiveling

8. Multilateraal OS-beleid

32 605-53 – Brief regering d.d. 07-10-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

9. Onafhankelijke evaluatie financiële controle Global Fund for Aids,TB and Malaria

33000-V-6 – Brief regering d.d. 06-10-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

10. Actuele informatie over mogelijk misbruik Global Fund for Aids, TB and Malaria

2011Z22888 – Brief regering d.d. 14-11-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

11. Ontwikkeling van private sector in ontwikkelingslanden

32605-56 – Brief regering d.d. 04-11-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

12. Beleidsnotitie «De ontwikkelingsdimensie van prioritaire internationale publieke goederen» en coherentierapportages

32605-57 – Brief regering d.d. 04-11-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

13. Reactie op verzoek commissie inzake het artikel over gebreken in de hulpverlening door NGO's

2011Z21647 – Brief regering d.d. 01-11-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

14. Beleidsreactie op het AIV-advies «Ontwikkelingsagenda na 2015»

32605-55 – Brief regering d.d. 01-11-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

15. Aanbieding van het rapport van het Ontwikkelingscomité van de OESO van het OS-examen van Nederland

32605-58 – Brief regering d.d. 10-11-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

16. Kennisbeleid en samenwerking met kennisinstituten op het terrein van ontwikkelingssamenwerking

2011Z22933 – Brief regering d.d. 14-11-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

17. Beleidsreactie op de beleidsdoorlichting van de Nederlandse bijdrage aan «basic education» (1999–2009)

31271-4 – Brief regering d.d. 14-11-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

18. Verantwoorde afbouw van basisonderwijs

32605-59 – Brief regering d.d. 14-11-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

19. Uitfasering bilaterale ontwikkelingssamenwerking

2011Z22930 – Brief regering d.d. 14-11-2011

staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen

20. Internationaal genderbeleid

2011Z23064 – Brief regering d.d. 15-11-2011

minister van Buitenlandse Zaken, H.P.M. Knapen


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Van Bommel (SP), Van der Staaij (SGP), Çörüz (CDA), Timmermans (PvdA), Albayrak (PvdA), voorzitter, Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Eijsink (PvdA), Irrgang (SP), De Roon (PVV), Voordewind (ChristenUnie), Pechtold (D66), ondervoorzitter, Ten Broeke (VVD), Thieme (PvdD), Peters (GroenLinks), Kortenoeven (PVV), Bosman (VVD), Dikkers (PvdA), El Fassed (GroenLinks), Hachchi (D66), Dijkhoff (VVD), Driessen (PVV) en De Caluwé (VVD).

Plv. leden: Van Raak (SP), Dijkgraaf (SGP), Knops (CDA), Samsom (PvdA), Recourt (PvdA), Bruins Slot (CDA), Haverkamp (CDA), Arib (PvdA), Jasper van Dijk (SP), De Mos (PVV), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Schouw (D66), Hennis-Plasschaert (VVD), Ouwehand (PvdD), Sap (GroenLinks), Wilders (PVV), Leegte (VVD), Heijnen (PvdA), Braakhuis (GroenLinks), Van Veldhoven (D66), Taverne (VVD), Bontes (PVV) en Mulder (VVD).