Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-2019nr. 86, item 5

5 Vragenuur: Vragen De Roon

Vragen van het lid De Roon aan de minister van Buitenlandse Zaken over een Nederlandse diplomaat die activiste is tegen Israël.

De voorzitter:

Dan gaan we tot slot naar de vragen van de heer De Roon namens de PVV aan de minister van Buitenlandse Zaken over een Nederlandse diplomaat die activiste is tegen Israël.

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. U bent ridder geworden van het Franse Legioen van Eer, maar u heeft uitgesproken dat u vandaag daarmee niet 150 keer wil worden gefeliciteerd. Ik zal die felicitatie hier dan ook niet uitspreken, al zou ik dat wel willen. Ik denk dat u het wel goedvindt dat ik even aanhaal dat die ridderorde u onder andere is toegekend vanwege uw bijdrage aan de goede betrekkingen tussen Frankrijk en Nederland.

De voorzitter:

Dat klopt.

De heer De Roon (PVV):

Als een echte diplomate dus.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer De Roon (PVV):

Maar, voorzitter. Ondertussen is er een Nederlandse diplomate die zich inzet om onze goede betrekkingen met een ander land, namelijk Israël, te ondermijnen. Deze diplomate, met een historie van anti-Israëlactivisme, en die ook werknemer is van de minister van Buitenlandse Zaken, heeft een stichting opgezet die de eenstaatoplossing nastreeft. Daarmee gaat zij dus keihard in tegen het beleid van de regering dat is gericht op een tweestatenoplossing.

Ik heb daarover drie vragen. Vindt de minister het aanvaardbaar dat een ambtenaar keihard actie voert tegen een hoeksteen van zijn buitenlands beleid? Wat gaat de minister doen aan deze toestand? Ik zou eigenlijk zeggen: wantoestand, want het is ondermijnend gedrag van een van zijn ambtenaren. Houdt de minister nog wel vast aan de tweestatenoplossing, of staat hij open voor dat destructieve streven van zijn ondergeschikte?

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de minister van Buitenlandse Zaken.

Minister Blok:

Voorzitter. De heer De Roon stelt vragen over de activiteit van een individuele medewerkster van mijn ministerie tijdens een onbetaald verlof. Voor de beantwoording van die specifieke vragen is het van belang om eerst de vraag te beantwoorden welke ruimte er is voor mensen in overheidsdienst om actief te zijn en gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging. Die ruimte is — dat zal de heer De Roon niet verrassen — vastgelegd in de Ambtenarenwet. Die biedt daar in zeer grote mate ruimte voor, tenzij het echt zeer strijdig zou zijn met de functievervulling. Er wordt ook in hoge mate gebruik van gemaakt. Veel leden van deze Kamer zijn in het verleden ambtenaar geweest, de heer De Roon zelf ook. Veel ambtenaren zijn ook actief als gemeenteraadslid, Statenlid of in maatschappelijke organisaties. Alleen wanneer er een zeer scherpe strijdigheid zou zijn, biedt de wet de ruimte om daar beperkingen aan op te leggen. De toetsing wordt in de praktijk over het algemeen voorgelegd aan de Adviescommissie Grondrechten en Functie-uitoefening Ambtenaren. Bij Buitenlandse Zaken passen we deze wettelijke regel zo toe dat we scherp kijken of er een relatie is met de directe functievervulling. Het ging hier om activiteiten tijdens een onbetaald verlof, die ook van te voren zijn gemeld. De functie die de betreffende medewerker na het onbetaald verlof vervult, heeft ook geen enkele relatie met het Midden-Oostenvredesproces. Dat is dus allemaal keurig binnen de regels die de wet daaraan stelt. Verder vraagt de heer De Roon of het nog steeds kabinetsbeleid is om voor een tweestatenoplossing te zijn. Het antwoord daarop weet de heer De Roon, dat is inderdaad ja.

De heer De Roon (PVV):

Die One State Foundation of in ieder geval de diplomate waar wij het hier over hebben, die noemt politieke, diplomatieke en economische druk op Israël essentieel. Vooral dat laatste, die economische druk op Israël, riekt naar BDS, Boycott, Divestment and Sanctions, gericht tegen Israël. Het streven naar sancties is die mevrouw ook bepaald niet vreemd, want in 2014 riep zij op tot een onmiddellijke boycot van de staat Israël, totdat "de bezetting", zoals zij dat noemt, zal zijn geëindigd en de Palestijnen, zoals zij het noemt, "vrij" zullen zijn. Deze diplomate streeft met haar stichting de ontmanteling na van Israël als Joodse staat en dat is puur antisemitisme.

De PVV vindt dat Israël een Joodse staat is en dat ook moet blijven, zolang de Israëlische bevolking daarvoor kiest. Het gaat niet aan dat van buitenaf te willen veranderen. Ik heb dus daarover nog een aantal vragen, namelijk vier. Ik vraag de minister om afstand te nemen van het streven van BDS en dus ook van de acties van de diplomate en haar stichting One State Foundation. Wil de minister dat hier uitspreken? Ten tweede: wil hij deze bron van antisemitisme verwijderen uit het corps diplomatique? Ten derde: beschikt deze diplomate, die met onbezoldigd verlof is, nog over een diplomatiek paspoort, en zo ja, wil de minister dat intrekken, zodat ze er geen gebruik van kan maken ten dienste van haar politieke streven? En ten vierde: wordt of werd de One State Foundation direct of indirect gesubsidieerd door de Nederlandse overheid, en zo ja, wil de minister daar dan een eind aan maken?

Minister Blok:

Wat betreft de eerste vraag, de mening van het kabinet en de mening van een ambtenaar, is het weer van belang om terug te gaan naar de Ambtenarenwet en naar de belangrijke principes vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging, die in onze Grondwet zijn vastgelegd. Het is niet zo dat iedere ambtenaar in Nederland precies hetzelfde hoeft te vinden als de betreffende minister of de betreffende regering. Ik zie veel gelach in de bankjes. Ja, dat zou inderdaad best ingewikkeld worden, dus daarom hebben we het ook niet zo geregeld. Het is wel zo dat van ambtenaren verwacht mag worden dat ze het regeringsbeleid loyaal uitvoeren. Pas wanneer daaraan reden tot twijfel is, zal er worden ingegrepen.

De regering heeft als standpunt dat BDS echt een volstrekt onjuiste politiek is. Dat betekent niet dat mensen niet persoonlijk die mening mogen hebben, net zoals ambtenaren op iedere politieke partij mogen stemmen, ongeacht wat de samenstelling van de regering of de politieke kleur van de bewindspersoon is. Dan vraagt de heer De Roon eigenlijk in zijn tweede vraag om een ambtenaar te ontslaan op grond van het hebben van een mening. Ik denk dat we daar niet heen moeten willen in Nederland. Het criterium is of mensen hun functie goed vervullen, en daaraan is in dit geval geen enkele reden tot twijfel.

Dan is de derde vraag of de betreffende medewerker een diplomatiek paspoort heeft. Ik heb ruim 3.000 medewerkers onder mijn verantwoordelijkheid en ik weet niet uit mijn hoofd wie welk paspoort heeft. Deze organisatie krijgt geen overheidssubsidie, althans geen rijkssubsidie.

De heer De Roon (PVV):

Ik hoor de minister nog geen afstand nemen van het streven van die One State Foundation om Israël te marginaliseren. Ik wil dat antwoord daarop wel hebben. Het antwoord op de vraag naar het paspoort ontvang ik graag nog schriftelijk.

Tot slot, voorzitter. Ik vind niet dat de minister hier keihard met zijn vuist op tafel slaat om een einde te maken op dit soort antisemitisch streven door een van zijn ambtenaren. Maar ik geef de minister nog een andere kans. De Duitse overheid vindt dat joden niet overal hun keppel moeten dragen. Als dat gebeurt, zou dat de zoveelste marginalisering van de joden zijn. De PVV wil dat niet. Daarom vraag ik tot slot aan de minister om hier steun uit te spreken — en ik vraag dat ook aan mijn collega's in de Tweede Kamer — voor de oproep van het CIDI om morgen om 14.00 uur op het Plein voor de Tweede Kamer deel te nemen aan een manifestatie, waarvan de deelnemers wordt gevraagd om een keppel te dragen. Dan laten wij zien dat wij achter de joden in onze samenleving staan.

Dank u zeer, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel.

Minister Blok:

Evenzeer als de heer De Roon vind ik het van belang dat mensen in Nederland vrij hun godsdienst of het feit dat ze geen godsdienst hebben, kunnen beleven en daar ook uiting aan kunnen geven. Dus ook ik vind dat joden alle vrijheid moeten hebben om een keppel te dragen op het moment dat ze dat willen.

Vervolgens vraagt de heer De Roon mij om steun te verlenen aan standpunten van instellingen of om daar juist afstand van te nemen, maar daar ga ik niet aan meedoen. De standpunten van de regering zijn overduidelijk.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer De Roon.

De heer Van der Staaij (SGP):

Het is goed dat de heer De Roon hier aandacht voor vraagt en ook verwijst naar de oproep om morgen een keppeltje te dragen als teken van solidariteit met de joodse gemeenschap. Ik heb een vraag aan de minister. Eigenlijk zegt hij: vrijheid van meningsuiting, niks aan de hand. Mijn vraag is: is dat niet net te makkelijk? Is dit niet toch een reden om hier nog eens naar te kijken? Als een ambtenaar buitengewoon verlof krijgt — dat is niet heel normaal; dat is toch iets bijzonders — om politiek activistisch te worden precies tegen het kabinetsbeleid in, is dat dan niet problematisch voor het vervullen van een functie? Stel dat diegene weer op een post terechtkomt, waar dan ook, en juist dat Nederlandse beleid loyaal moet gaan verdedigen? Dan kun je daar zo naar verwijzen: kijk eens wat je zelf hebt gezegd en geschreven. Dus zit hier niet meer spanning op, zo vraag ik de minister. Wil hij daarover nadenken?

Minister Blok:

De heer Van der Staaij begon met een formulering die niet de mijne is. Hij legde mij in de mond dat ik gezegd zou hebben: vrijheid van meningsuiting, niks aan de hand. Ik heb gezegd dat dat een heel belangrijk grondwettelijk principe is, dat dat ook op ambtenaren van toepassing is en dat dat uitsluitend beperkt kan worden wanneer er de directe zorg is dat het de uitoefening van de functie gaat belemmeren. Dat toetsen we zeer zorgvuldig. Daar is ook een aparte toetsingscommissie voor. In het specifieke geval waar de heer De Roon naar vraagt, heeft de betreffende medewerker op dit moment geen functie die een relatie heeft met het Midden-Oosten Vredesproces. Anders zou je kunnen zeggen: dat zit dicht bij elkaar in de buurt. We hebben het op de volgende manier in Nederland geregeld: een grondwettelijke regeling die de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging vooropstelt, een nadere uitwerking in de Ambtenarenwet en in regelingen per departement, en een toetsingscommissie. Dat is volgens mij de juiste manier. We moeten echt niet naar een land toe waarin ambtenaren niet in staat gesteld zouden worden om verschillende politieke meningen te hebben en om gebruik te maken van de grondrechten die anderen ook hebben. Er moet echt sprake zijn van heel dringende redenen om daarin beperkingen op te leggen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ook ik zal morgen bij de demonstatie zijn, met een keppeltje op, om me solidair te verklaren richting het Joodse volk en met wat er nu in Duitsland gebeurt. Ik heb de volgende vraag aan de minister. Ik ga ervan uit dat deze mevrouw een terugkeerregeling heeft. Vindt de minister dat elke ambtenaar overal beschikbaar zou moeten zijn? Als dat het geval is, dan moet zij geloofwaardig een functie kunnen vervullen waarin zij het regeringsbeleid actief en vol enthousiasme kan uitdragen. Denkt de minister dat zij daar nog geloofwaardig toe in staat is, ervan uitgaande dat een ambtenaar alle functies, dus ook het Midden-Oostendossier, zou moeten kunnen vervullen? Als zij zo'n functie krijgt, kan zij die functie dan nog geloofwaardig uitvoeren ...

De voorzitter:

Dat heeft u gezegd.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

... op het moment dat zij dit heeft gezegd?

Minister Blok:

Dit zijn eigenlijk twee vragen. Allereerst de algemene vraag of iedere ambtenaar altijd alles moet kunnen doen. De tweede vraag is: heb ik vertrouwen in de betreffende mevrouw? Het antwoord op de tweede vraag is ja. Op de eerste vraag is het antwoord niet dat iedere ambtenaar altijd alles overal moet kunnen doen. Voor iedere functie gelden specifieke opleidingseisen. Er zijn functies waaraan scherpere eisen worden gesteld. Dat kan te maken hebben met vertrouwenseisen. Soms strekken die eisen zich ook uit tot naaste verwanten. Dus de formulering waarmee de heer Voordewind begon, is eigenlijk onjuist. Zo kan een overheidsorganisatie nooit functioneren.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit vragenuur. Ik schors de vergadering tot 15.00 uur. Dan gaan we afscheid nemen van onze collega, de heer Buma.

De vergadering wordt van 14.54 uur tot 15.01 uur geschorst.