Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-2019nr. 80, item 17

17 OM-afdoening

Aan de orde is het VAO OM-afdoening (AO d.d. 10/04).

De voorzitter:

Een hartelijk welkom aan de minister. Ik zou de heer Groothuizen van D66 als eerste het woord willen geven in dit VAO over OM-afdoening.

De heer Groothuizen (D66):

Voorzitter. Dank u wel. We hebben enige tijd geleden gesproken over de OM-afdoening. Ik denk dat ik mag concluderen dat er in de Kamer breed gedeelde zorgen waren over die figuur. Die zorgen kunnen wat mij betreft ook niet los worden gezien van de bredere problemen bij het OM. Daarom heb ik een drietal moties: één over de bredere problematiek en twee specifiek over de OM-afdoening. De eerste motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Openbaar Ministerie (OM) nog steeds kampt met een bezuinigingstaakstelling;

overwegende dat de aard van het werk van het OM verandert en strafzaken complexer worden;

spreekt uit dat een goed functionerend strafrechtsysteem is gebaat bij een goed functionerend OM en dat daar een solide financiering bij past;

verzoekt de regering om voor het zomerreces met voorstellen te komen om het OM te versterken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen en Van Dam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 505 (29279).

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb een verduidelijkende vraag. Het klinkt goed: een solide financiering. Maar wat is dat precies? Wat houdt dit nou concreet in? Is het extra geld en, zo ja, aan welke orde van grootte denkt de heer Groothuizen dan zelf? Ik ben erg benieuwd.

De heer Groothuizen (D66):

Ik denk inderdaad aan extra geld. We zien dat het Openbaar Ministerie heel hard geraakt is door vorige kabinetten. Daar plukken we nog steeds de wrange vruchten van. Ik vraag het kabinet om eens te kijken wat we nodig hebben om de problemen op te lossen. Als u mij vraagt om daar een bedrag op te plakken, dan moet ik zeggen dat ik dat niet weet. Daarom vraag ik het kabinet om dit uit te zoeken en voor de zomer met een voorstel te komen.

De heer Van Nispen (SP):

Dat is fantastisch nieuws. Hier heeft de SP eigenlijk op z'n minst al twee of drie jaar op aangedrongen. Als het al niet langer is! Dat is dus heugelijk nieuws.

De heer Groothuizen (D66):

Ik reken op de warme steun van de heer Van Nispen.

De voorzitter:

En hij op uw steun, zo te horen. Dan is er een tweede motie?

De heer Groothuizen (D66):

De tweede motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er veel discussie is over de OM-strafbeschikking;

constaterende dat het OM bezig is met een verbeterprogramma en sinds 1 januari 2019 een nieuwe aanwijzing van kracht is;

constaterende dat de procureur-generaal hij de Hoge Raad gedegen onderzoek naar de resultaten van het verbeterprogramma raadzaam acht;

overwegende dat het van belang is om blijvend de verbeteringen rond de OM-afdoening op basis van feiten te kunnen monitoren;

roept de regeling op de effecten van dit verbeterprogramma te evalueren door het laten uitvoeren van een zogenaamde 2-meting door het OM en de resultaten daarvan uiterlijk voor het kerstreces 2019 aan de Kamer toe te zenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen, Van Dam en Van Wijngaarden. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 506 (29279).

De heer Groothuizen (D66):

Voorzitter. Mijn laatste motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de rechter vaak lager straft dan het OM bij het uitvaardigen van een strafbeschikking;

overwegende dat dit zich slecht verhoudt tot de praktijk van een strafoplegging door het OM en aanleiding geeft tot veel verzetzaken;

overwegende dat het OM zijn strafvorderingsbeleid beter wil laten aansluiten bij de rechterlijke straftoemetingspraktijk maar de richtlijnen hierop nog niet zijn aangepast;

verzoekt de regering voor 1 oktober 2019 tot een aanpassing van de strafvorderingsrichtlijnen te komen, zodat de straffen opgelegd door het OM zo veel mogelijk in lijn zijn met die opgelegd door de rechter,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Groothuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 507 (29279).

Het woord is aan de heer Van Nispen van de SP.

De heer Van Nispen (SP):

Dank u wel, voorzitter. Ik ben nog een beetje aan het bijkomen van deze oproep vanuit de coalitie om het Openbaar Ministerie extra geld toe te delen. Het is iets waar wij vanuit de Kamer echt al heel lang mee bezig zijn, in ieder geval al sinds de vorige bezuinigingsronde, die heel hard is aangekomen. Dus hartstikke goed! Maar ik moet er een beetje van bijkomen. Als wij een voorstel indienen voor extra geld, staan er meestal allerlei collega's op met de vraag: dat kan toch niet zomaar, waar is uw dekking? Maar dat heb ik niet gedaan. Dus ik reken erop dat dat de volgende keer bij ons ook niet zal gebeuren.

Voorzitter. Over dit onderwerp, de OM-strafbeschikking, heb ik drie moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende, dat (interne) onderzoeken hebben laten zien dat mensen onterecht gestraft zijn door het Openbaar Ministerie met een strafbeschikking, omdat het bijvoorbeeld ontbrak aan bewijs, dossiers niet op orde waren en strafbeschikkingen onbevoegd zijn uitgevaardigd;

verzoekt de regering de OM-strafbeschikking in de huidige vorm af te schaffen en ervoor te zorgen dat het uitgangspunt is dat strafzaken beoordeeld worden door rechters, tenzij mensen actief schuld bekennen en akkoord gaan met de door het Openbaar Ministerie voorgestelde straf,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 508 (29279).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat mensen in de knel zijn gekomen door onzorgvuldig handelen van de overheid nu is gebleken dat er onzorgvuldigheden zaten in veel van de door het Openbaar Ministerie opgelegde straffen (de OM-strafbeschikking);

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat mensen die menen ten onrechte gestraft te zijn door het Openbaar Ministerie en daardoor een strafblad hebben, hun zaak kunnen laten herzien,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 509 (29279).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het in het belang van een zorgvuldige rechtspleging is dat mensen kunnen worden bijgestaan door een advocaat, bijvoorbeeld bij de ZSM-afdoening;

verzoekt de regeling zo spoedig mogelijk te regelen dat rechtsbijstand te allen tijde beschikbaar is bij de ZSM-afdoening en te bekijken hoe beter dan nu geregeld kan worden dat advocaten over (voorlopige) stukken kunnen beschikken en zij voor het verlenen van rechtsbijstand een adequate vergoeding krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 510 (29279).

De heer Van Nispen (SP):

Dank u wel.

De voorzitter:

De heer Van Wijngaarden, VVD.

De heer Van Wijngaarden (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Ik heb geen moties. Ik wil wel twee opmerkingen maken. Ten eerste wil ik de minister bedanken voor de toezegging die hij heeft gedaan tijdens het algemeen overleg, om met een positief gemoed te kijken naar de voorstellen die wij hebben gedaan om de bevoegdheden van het OM uit te breiden met de verbeurdverklaring en de voorwaardelijke sancties. Dat is één.

De tweede opmerking is dat de VVD zich van harte aansluit bij de oproep om eens goed te kijken naar het oplossen van eventuele knelpunten bij het OM. Er zijn al langer geluiden over meer financiële middelen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Van Dam, CDA.

De heer Van Dam (CDA):

Voorzitter. Ik zal mij beperken tot het voorlezen van twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een aanzienlijk deel van de strafbeschikkingen voor misdrijven uitgevaardigd wordt binnen de context van de ZSM-werkwijze;

overwegende dat met de invoering van Salduz en verhoorbijstand de advocatuur standaard al nauw betrokken is bij misdrijfzaken die via ZSM worden afgedaan;

overwegende dat verdere betrokkenheid van de advocatuur bij de afdoening van misdrijfzaken in het kader van ZSM — zoals nu al standaard het geval is bij zaken die direct betaald moeten worden — bij zal dragen aan de juridische kwaliteit van en het draagvlak voor de op te leggen strafbeschikking;

verzoekt de regering zo spoedig mogelijk te realiseren dat de advocatuur structureel betrokken wordt bij het opleggen van alle strafbeschikkingen van misdrijfzaken die via de ZSM-werkwijze worden opgelegd, en de Kamer hierover te informeren voor het zomerreces van 2019,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Dam, Groothuizen en Van Wijngaarden. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 511 (29279).

De heer Van Dam (CDA):

In zekere zin heeft de minister al toegezegd dit te zullen doen, maar hij heeft dat expliciet beperkt tot de diensten die onder zijn gezag ressorteren. Deze motie heeft daarbij een bevestigende werking, gelet op de betrokkenheid van de advocatuur.

Dan de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een aanzienlijk deel van strafbare feiten die te kenschetsen zijn als "veelvoorkomende criminaliteit" via de ZSM-werkwijze worden afgedaan, in veel gevallen door middel van een strafbeschikking;

overwegende dat uit de rechtspraktijk, alsmede uit evaluaties en rapportages, het beeld ontstaat dat het instellen van verzet tegen een opgelegde strafbeschikking loont, omdat het lang duurt voordat een verzet aan de rechter wordt voorgelegd en omdat daardoor de straf bij de rechter alleen al door tijdsverloop lager uitpakt;

overwegende dat de ontwikkeling van snelrecht en supersnelrecht in de achterliggende jaren bijgedragen heeft aan een snelle en adequate reactie op veelvoorkomende criminaliteit, zonder in te leveren op de kwaliteit van de strafrechtelijke beslissing;

roept de regering op voorstellen te doen om verzetschriften die ingediend worden tegen een in het kader van de ZSM-werkwijze opgelegde OM-afdoening binnen één maand voor de rechter te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Dam, Groothuizen en Van Wijngaarden. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 512 (29279).

Tot slot mevrouw Buitenweg namens GroenLinks.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Tijdens het algemeen overleg zijn grote zorgen geuit over de praktijk van de OM-beschikkingen op dit moment. Heel veel partijen hebben gezegd dat het belangrijk is dat er een advocaat bij aanwezig is. Uiteindelijk heeft de minister dat toegezegd vanaf 1 oktober. Dat was in de woorden van de heer Van Dam echt een tangverlossing. Maar goed, het gaat toch gebeuren. Ik heb er wel een vraag over. Heeft dit ook budgettaire consequenties en zal dit ook worden meegenomen in de Voorjaarsnota?

Verder is uitgebreid aan de orde geweest dat het voor heel veel mensen niet zo duidelijk is wat de gevolgen zijn van zo'n OM-beschikking, namelijk dat dit tot een strafblad kan leiden. Dit is onvoldoende helder in de teksten. Vandaar de volgende motie, ingediend samen met de heer Van Nispen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de brieven die het Openbaar Ministerie stuurt ter kennisgeving van de strafbeschikking op dit moment voor veel mensen niet duidelijk zijn;

van mening dat in de strafbeschikkingsbrief van het Openbaar Ministerie in ieder geval ondubbelzinnig duidelijk zou moeten worden dat men een rechter kan vragen om een nieuwe beoordeling, men zich kan laten bijstaan door een advocaat, en of het accepteren van de strafbeschikking wel of niet leidt tot het krijgen van een strafblad;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de strafbeschikkingsbrief duidelijker dan nu geformuleerd wordt en daarbij voortaan in ieder geval bovenstaande punten ondubbelzinnig en helder in de brief terug te laten komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Buitenweg en Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 513 (29279).

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

Dank u wel. Voor de rest zijn veel punten van zorg ook al verwoord in de moties van de heer Van Nispen. Ik hoop dat het algemeen overleg en alle publiciteit die er rondom is geweest, een begin is van een andere omgang met die OM-beschikkingen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Buitenweg. Ik schors voor tien minuten en dan gaan we luisteren naar de beantwoording van de minister.

De vergadering wordt van 17.25 uur tot 17.31 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef de minister het woord.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter, dank. Ik heb negen moties en nog een enkele opmerking, die ik aan één stuk zal aflopen.

Allereerst de motie-Groothuizen/Van Dam op stuk nr. 505. Laat ik vooropstellen dat ik — dat is niet een bestaand judicium — het een sympathieke motie vind. Door de diverse efficiencytaakstellingen in de voorgaande jaren hebben inderdaad veel organisaties in de strafrechtketen te maken gehad met een dalend financieel kader. Dat geldt zeker ook voor het Openbaar Ministerie. De schaarse capaciteit is een belangrijk aandachtspunt in de organisaties in de strafrechtketen. Dat is niet nieuw. Ik heb al vaker gezegd dat schaarste in beginsel altijd een gegeven is. Dat zal ook zo blijven en het vergt altijd scherpe keuzes en prioritering. Maar hier speelt inderdaad dat er ook signalen zijn over hoge werkdruk. We moeten die serieus nemen. Het kabinet investeert extra in de strafrechtketen, structureel voor het oppakken van de keteneffecten die het gevolg zijn van de intensiveringen bij de politie, en structureel ook op het punt van de digitalisering van de strafrechtketen. Die intensivering van het kabinet draagt bij aan de verbetering van de werklast bij het OM, maar gezien de omvang van de problematiek bij het OM sta ik — zo liet ik al blijken — welwillend tegenover de motie. Ik geef die oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 505 krijgt oordeel Kamer.

Minister Grapperhaus:

Ja. De motie op stuk nr. 506 gaat over de gedachte van de 2-meting. Ik ben het met de indieners van de motie eens dat het goed is om de effecten te meten van het verbeterprogramma van het OM op de kwaliteit van de uitvoeringspraktijk van de strafbeschikking. Het uitvoeren van een zogenoemde 2-meting heb ik in het algemeen overleg dat wij vorige week hadden zelf genoemd. Ik steun de intentie van de motie. Ik heb ook gesproken over de timing van de uitvoering daarvan. Ik heb inmiddels met het college gesproken en ik zal ook nog met de procureur-generaal bij de Hoge Raad overleggen over een vervolgrapportage op zijn eerdere rapportages over de effecten van het verbeterprogramma bij het Openbaar Ministerie.

De gevraagde timing is een knelpunt. Een goede effectmeting vergt een goede voorbereiding, dataverzameling en dossierstudie. Ik wil het houden bij de toezegging die ik heb gedaan in het algemeen overleg op 10 april 2019 dat de Kamer uiterlijk in oktober 2020 wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de 2-meting door het Openbaar Ministerie naar de effecten van het kwaliteitsverbeteringsprogramma. Vanwege het timingsaspect moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 506 wordt ontraden. De heer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):

Ik heb er toch een vraag over. Volgens mij was de hele Kamer het erover eens dat dit een bijzonder urgente kwestie is. De minister spreekt over "najaar 2020". Dan zijn we nog anderhalf jaar bezig, terwijl de vernieuwde aanwijzing al op 1 januari van dit jaar in werking is getreden en de problematiek bepaald niet nieuw is. Kan de minister uitleggen waarom het allemaal zo lang moet duren?

Minister Grapperhaus:

Ik weet niet of het allemaal zo lang duurt. Ik heb in het algemeen overleg omstandig uitgelegd dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad met het toen net verschenen rapport — dus ik kan me voorstellen dat dat nog niet door iedereen in het algemeen overleg kon worden meegenomen — duidelijk aangeeft dat er sprake is van substantiële verbeteringen. Ik heb net nog eens uitgelegd waarom het niet zinvol is om zo'n 2-meting met te weinig tijd op te zetten. Ik vind persoonlijk dat, als we kijken naar de tijd die achter ons ligt, het een volstrekt goede timing is om te zeggen dat de Kamer uiterlijk in oktober 2020 de uitslagen krijgt. Dat betekent dat daarvoor die 2-meting al is uitgevoerd en ik ga ervan uit dat die op zijn laatst een maand voor oktober 2020 voltooid zal zijn.

De heer Groothuizen (D66):

Ik ga erover nadenken. Het duurt mij eerlijk gezegd te lang, als ik afga op mijn gevoel. Maar ik heb gehoord wat de minister heeft gezegd en ik ga erover nadenken.

De voorzitter:

Dat is mooi, maar vooralsnog blijft dan het oordeel van de minister dat hij de motie ontraadt.

Minister Grapperhaus:

Voor alle duidelijkheid: alleen op het aspect van de timing.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 507, ingediend door de heer Groothuizen, waarin de regering wordt verzocht om te komen tot een aanpassing van de strafvorderingsrichtlijnen voor 1 oktober 2019, zodat de straffen opgelegd door het OM zo veel mogelijk in lijn zijn met de straffen die opgelegd zijn door de rechter. Ik wil daar het volgende over zeggen. Het college heeft mij gezegd dat de aanbeveling die de PG bij de Hoge Raad eerder deed over afstemming met de rechterlijke straftoemetingspraktijk, om te voorkomen dat louter vanwege straf in verzet wordt gegaan, volledig wordt onderschreven. Het college heeft dan ook in twee OM-aanwijzingen uitdrukkelijk bepaald dat bij de strafbeschikkingen in het bijzonder rekening wordt gehouden met de rechterlijke straftoemetingspraktijk, om te voorkomen dat louter vanwege de straf in verzet wordt gegaan. Die wijziging is op 1 januari jongstleden in werking getreden. De OM-aanwijzingen geven de algemene uitgangspunten die elke officier van justitie hanteert bij het gebruik van de strafvorderingsrichtlijnen. Het is dan niet nodig om elke strafvorderingsrichtlijn afzonderlijk aan te passen. Bovendien is het percentage verzetszaken inmiddels vergelijkbaar met dat van hoger beroep. Een verdergaande aanpassing is dan ook niet nodig om het aanvankelijk beoogde doel, namelijk het verminderen van redenen om in verzet te gaan, te bereiken.

Ik wil de Kamer er verder nog op wijzen dat aan het aanpassen van de strafvorderingsrichtlijnen een aantal risico's kleven. Het belangrijkste risico is het volgende. De afgelopen jaren zijn op aandringen van de Kamer, mijzelf en mijn ambtsvoorgangers de strafeisen bij diverse misdrijven verhoogd. Het ging daarbij om forse verhogingen, in sommige gevallen tot 200%, zoals bij geweld tegen hulpverleners. De kans bestaat dat, als gevolg van het gelijkschakelen van de strafeisen in alle strafvorderingsrichtlijnen met die oriëntatiepunten, die verhogingen van de strafeis zullen verdwijnen of in hoogte verminderd zullen moeten worden. Dat is nu juist een ongewenst effect.

Vanwege de nog recente wijziging van de OM-aanwijzingen is er nog weinig te zeggen over de effecten. Zoals ik al zei, heb ik tijdens het debat op 10 april toegezegd met het OM te zullen bespreken om de effecten van de gewijzigde aanwijzingen mee te nemen in de vervolgmeting van de kwaliteitsverbetering van de strafbeschikking. Ik heb ook gezegd met de procureur-generaal bij de Hoge Raad in overleg te zullen treden over een rapportage nadat het verbeterprogramma van het OM is afgerond.

De voorzitter:

De heer Groothuizen heeft een interruptie.

Minister Grapperhaus:

Ik moet nog een oordeel over de motie geven, voorzitter. Is dat nuttig?

De voorzitter:

Ja, maar ik was in de veronderstelling dat de heer Groothuizen een brandende vraag had die gesteld moest worden nog voordat u uw oordeel over de motie had uitgesproken. Maar misschien is het inderdaad wijs om eerst van de minister het oordeel over de motie te horen.

De heer Groothuizen (D66):

Als ik het zo hoor, kan ik wel raden waar het oordeel ongeveer op neerkomt, maar ik kan de redenering van de minister niet volgen. De minister zegt: de aanwijzing is aangepast en wij gaan dit al doen. Maar vervolgens zegt hij: dit is wel een probleem, want als ik dit ga doen, wijk ik een beetje af van die verhoogde straffen en zit er geen licht meer tussen wat de rechter doet en wat het OM doet. Dat is nu precies het punt. Volgens mij moet de minister kiezen wat hij nu wil. Het probleempunt dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft aangesneden, is dat er nog steeds licht zit tussen de lijstjes van het OM en de lijstjes van de rechtbank, dat dit problemen veroorzaakt en dat die lijstjes dus moeten worden aangepast.

Minister Grapperhaus:

In de motie van de heer Groothuizen lees ik dat de regering wordt verzocht om te komen tot een aanpassing van de strafvorderingsrichtlijnen voor 1 oktober 2019, zodat de straffen opgelegd door het OM zo veel mogelijk in lijn zijn met die opgelegd door de rechter. Ik heb uitgelegd dat in een aantal gevallen door de Kamer is gezegd dat het OM gewoon hoger moet eisen. Wat je dan krijgt in bepaalde situaties — dat zien wij gebeuren — is dat rechters de hogere eisen die systematisch worden gevraagd niet volgen. Dan krijgen wij dus de situatie dat wij uiteindelijk toch omlaag gaan in de zaken waarin sprake is van een strafbeschikking. Dat is een effect dat je krijgt als je eenvoudigweg de strafvorderingsrichtlijnen gaat aanpassen. Als je gewoon, zoals nu gebeurt, in de aanwijzing zegt dat het zo veel mogelijk in lijn moet zijn met wat door de rechter wordt opgelegd, dan gaan de officieren van justitie daar rekening mee houden, maar kunnen zij in de zaken waarin het niet te rijmen valt met een opdracht die de Kamer of ik eerder hebben gegeven, dat niet doen. In dat opzicht moet ik die motie ontraden. Mooier kan ik het niet maken.

De voorzitter:

Uw motie wordt ontraden, meneer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):

Dat is duidelijk, maar volgens mij loopt de minister heen om het springende punt dat we volgens mij als Kamer hebben vastgesteld. Als het Openbaar Ministerie €200 eist in een bepaalde categorie zaken en de rechtbank legt gemiddeld €100 op, dan zal elke advocaat zeggen: gaat u maar in verzet, want daar wint u €100 mee. En dat probleem houdt de minister dus in stand.

Minister Grapperhaus:

Dat is niet waar en dat is de discussie van elke nuance en subtiliteit ontdoen. Ik heb uitgelegd waarom ik de motie ontraad, maar goed, ik begrijp dat ik het hier maar bij moet laten.

De motie-Van Nispen op stuk nr. 508.

De voorzitter:

Ik zie meneer Van Nispen bij de interruptiemicrofoon staan. Heeft u nog een vraag met betrekking tot de vorige motie?

De heer Van Nispen (SP):

De motie op stuk nr. 505.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 505? Dan gaan we nog even terug. De motie-Groothuizen/Van Dam op stuk 505. Oordeel Kamer.

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb daar echt nog een verhelderende vraag over, want dat is de motie die vraagt om extra geld voor het Openbaar Ministerie. Waar de minister tot nu toe eigenlijk al die verzoeken vanuit de Kamer heeft afgehouden — want het zou allemaal niet kunnen — is er nu kennelijk het voortschrijdend inzicht dat de minister zegt: dat is toch wel een goed idee, we moeten eigenlijk extra geld investeren in het Openbaar Ministerie. Dat is natuurlijk heugelijk nieuws. Ik ben er verder niet jaloers over dat de minister tot nu toe steeds nee zei, en nu wel ja. U kent mij, ik vind dat gewoon prima, dus we gaan die motie steunen.

Maar toch even de concrete vraag. Wat gaat de minister nu doen naar aanleiding van deze motie? Gaat hij daadwerkelijk in overleg met de minister van Financiën? Komt er dan bij de Voorjaarsnota al extra geld? Of gaat dat pas bij de begroting van 2020 gebeuren? En waar gaat de minister dit geld vandaan halen? Zal dat uit de Justitiebegroting moeten komen of gaat de minister van Financiën dit probleem oplossen?

Minister Grapperhaus:

Ik heb de motie als volgt gelezen, maar dan kijk ik toch ook even naar de heren Van Dam en Groothuizen om te zien of zij naar de microfoon lopen als ik haar niet goed gelezen heb. Het verzoek is om "met voorstellen te komen om het OM te versterken". Dan hebben we het niet over middelen die al bij het OM zijn, want anders ga je het niet versterken. We hebben het er ook niet over dat we ergens anders, waar 100 op de teller stond, daar 80 van gaan maken om 20 naar het OM over te hevelen. Dat zou ook geen vorm van versterking zijn, althans dat zou geen goed huisvaderlijk beleid zijn. En ten slotte ga ik ervan uit dat het, als ik voor het zomerreces met dergelijke voorstellen kom, voorstellen zijn die zo veel mogelijk zo snel mogelijk hun effect moeten krijgen.

De heer Van Nispen (SP):

Zo ver was ik ook, maar nu was dus mijn vraag: klopt dan de conclusie dat de minister zich gaat melden bij de minister van Financiën? Want dan kan het niet uit de Justitiebegroting komen. Zo begrijp ik het antwoord van de minister zojuist. Voor het zomerreces zou ook nog kunnen zijn voor 1 juni, te weten voor de Voorjaarsnota. Dat lijkt me dan wel zo logisch. En als de minister zegt: nee, ik doe het vlak voor het zomerreces, dan is het dus de begroting van 2020. Dat was mijn concrete vraag.

Minister Grapperhaus:

De heer Van Nispen en ik kennen elkaar als mensen die niet van verstoppertje spelen houden, althans niet sinds we volwassen zijn. Ik wil hem wel bevestigen dat dit natuurlijk betekent dat ik ook naar de collega van Financiën toe zal gaan en dat ik in ieder geval in de maand mei alvast een gesprek ga voeren. Hoe die gesprekken verlopen, daar zal ik voor het zomerreces wat over zeggen.

De voorzitter:

Dank. De motie op stuk nr. 508.

Minister Grapperhaus:

Dat is de motie van de heer Van Nispen en die gaat over het afschaffen van de strafbeschikking in haar huidige vorm. Het is niet aan mij om daar een recensie over te geven, maar ik heb in ieder geval het algemeen overleg over het onderwerp als inhoudelijk goed ervaren; kritisch, maar duidelijk. Daarin heb ik ook op een aantal punten nuanceringen aangebracht, forse nuanceringen — voor zover "fors" niet in tegenspraak is met "nuanceren" — op het beeld dat de strafbeschikking niet zou werken. Ik heb daarbij ook verwezen naar het eerdere rapport van de procureur-generaal, maar ook het toen vers van de pers zijnde rapport van de procureur-generaal. Ik heb verwezen naar mijn brieven van december vorig jaar waarin ik heb geschreven dat de OM-strafbeschikking echt een plaats heeft verworven in ons rechtsstelsel. Dat laten ook de conclusies van het WODC-onderzoek daarover zien.

Een en ander betekent niet dat we niet nog kritisch moeten kijken naar de wijze waarom de OM-strafbeschikking in de uitvoeringspraktijk werkt, respectievelijk of er niet toch uit die 2-meting waar ik het net over heb gehad, zou kunnen volgen dat hier en daar bepaalde aspecten van de OM-strafbeschikking wellicht wijziging of vernieuwing zouden behoeven. Maar er is geen sprake van dat de OM-strafbeschikking in haar huidige vorm zou moeten worden afgeschaft. In dat opzicht zal ik de motie dus ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 508 wordt ontraden.

Minister Grapperhaus:

De motie op stuk nr. 509 gaat over de strafbeschikkingen. De rapporten geven geen aanleiding om onherroepelijke strafbeschikkingen te herzien. De procureur-generaal wijst erop dat er in het verleden fouten waren in de mandatering, maar dat maakt niet dat de strafbeschikkingen inhoudelijk onjuist waren. De procureur-generaal wijst er ook zelf op dat verdachten die de strafbeschikking inhoudelijk onjuist vonden, daartegen in verzet konden komen. Deze motie moet ik dus ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 509 wordt ontraden.

Minister Grapperhaus:

Ja.

Voorzitter. Voordat ik de motie op stuk nr. 510, van de heer Van Nispen en mevrouw Buitenweg behandel, wil ik eerst even overgaan naar een paar andere moties. De laatste motie, op stuk nr. 513, van mevrouw Buitenweg, gaat over de onduidelijke brieven. Ik heb al eerder gezegd dat brieven inderdaad duidelijk moeten zijn, en ik herhaal dat. We bespreken op dit moment met organisaties als het Openbaar Ministerie zelf en het Centraal Justitieel Incassobureau wat we nog kunnen verbeteren. Deze motie is daarom wat mij betreft: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 511 gaat, net als de motie op stuk nr. 510, over het zo spoedig mogelijk realiseren van dat structureel betrekken van de advocatuur. Ik behandel echter eerst de motie op stuk nr. 511. De intentie van die motie is een ondersteuning van het huidige beleid van de regering. Ik zal dat toelichten. Op dit moment wordt door de betrokken ketenpartners in het kader van het intensiveringsprogramma rechtsbijstand in ZSM-zaken gewerkt aan het zo snel mogelijk organiseren van rechtsbijstand bij het opleggen van een strafbeschikking, de zogenaamde afdoeningsbijstand in de ZSM-zaken. In de regio's Rotterdam en Zeeland-West-Brabant wordt daar binnenkort mee gestart. Aan de hand van de ervaringen in die twee regio's zal dat dan vervolgens ook worden uitgerold in de andere regio's.

Ik ben in gesprek met de betrokken ketenpartners om te kijken hoe we dat zo snel mogelijk en goed kunnen gaan realiseren. Er zijn diverse ketenpartners. Ik heb die er ook in het algemeen overleg bij betrokken. De onder mij ressorterende diensten gaan er echt alles op inzetten om dat te realiseren, maar ik heb toen uiteraard ook het voorbehoud gemaakt dat de partijen die niet onder mij vallen, partijen zijn die niet gehouden zijn om mijn gedachtegoed of instructies over te nemen. Maar laat ik vooropstellen dat ik bij die partijen positieve intenties heb ervaren en ook positieve reacties van hen op sociale media heb gezien. Maar dat voorbehoud moet ik dus in ieder geval wel maken.

De voorzitter:

Dus, wat is uw oordeel over de motie op stuk nr. 511?

Minister Grapperhaus:

Ondersteuning beleid, heb ik gezegd, voorzitter. Technisch is dat ingewikkeld, want daarmee ontraad je de motie, maar goed.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 511 wordt ontraden omdat het in feite een overbodige motie is, want wat wordt gevraagd, is ondersteuning van beleid.

De heer Van Dam (CDA):

Ik zou de minister willen vragen of hij ook de advocatuur als een dienst beschrijft die niet onder zijn jurisdictie valt.

Minister Grapperhaus:

Die valt niet onder mijn jurisdictie. Dat heb ik ook tijdens het algemeen overleg gezegd, maar ik heb die nu niet expliciet benoemd.

De heer Van Dam (CDA):

Dat is een helder antwoord op een verhelderende vraag.

Minister Grapperhaus:

Ik ben daar opgelucht over, want als de heer Van Dam had gezegd dat die wel onder mij viel, dan was het onwijs ...

De voorzitter:

Dan hebben we nog twee moties: motie op stuk nr. 510 en motie op stuk nr. 512.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter. Ik moet even goed kijken, maar als ik de motie op stuk nr. 510 kan beschouwen als volledig congruerend met motie op stuk nr. 511 — dat vond ik even lastig — dan zou daarvoor hetzelfde gelden, namelijk dat het ondersteuning van het huidige beleid is.

De voorzitter:

We hebben het over motie op stuk nr. 510.

Minister Grapperhaus:

Ja.

De voorzitter:

En motie op stuk nr. 510 wordt ontraden omdat het ondersteuning beleid is, net zoals motie op stuk nr. 511.

Minister Grapperhaus:

Ja.

De voorzitter:

En motie op stuk nr. 512?

Minister Grapperhaus:

De motie op stuk nr. 512 is de laatste. Van die verzetschriften kan ik ook zeggen "oordeel Kamer", want we zullen inderdaad met voorstellen komen over die afdoening binnen een maand. Dat zullen we in het najaar van dit jaar doen.

De voorzitter:

Motie op stuk nr. 512 krijgt oordeel Kamer en motie op stuk nr. 513 had u al van een oordeel voorzien.

Minister Grapperhaus:

Ja. Dat is het.

De voorzitter:

Dank u wel.

Minister Grapperhaus:

En mevrouw Buitenweg had nog een vraag over de financiële consequenties van die afdoening van bijstand. In de komende tijd zullen de financiële consequenties van de invoering van de afdoeningsbijstand in kaart worden gebracht. In een brief zult u daarover nader worden geïnformeerd.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk naar de leden of er nog vragen zijn. Die zijn er niet. Ik dank u voor uw beantwoording.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over deze moties zal na het reces, op dinsdag 14 mei, worden gestemd.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.