Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-2018nr. 107, item 23

23 Bericht dat een rechercheur lekte naar criminelen

Aan de orde is het dertigledendebat over het bericht dat een rechercheur lekte naar criminelen.

De voorzitter:

Ik geef als eerste spreker van de zijde van de Kamer het woord aan de heer Van Dam van het CDA. En ik heet de minister van Justitie en Veiligheid natuurlijk hartelijk welkom hier in de Kamer.

De heer Van Dam (CDA):

Voorzitter. Aanleiding voor dit debat was het lekken van informatie door een rechercheur uit de eenheid Den Haag. Maar het gaat mij natuurlijk om het bredere issue. Ik dank de minister voor de brieven die hij aan de Kamer heeft geschreven over dit onderwerp, maar ze roepen wel wat vragen op. Allereerst: uit het jaaroverzicht van de politie blijkt dat ten opzichte van 2016 het aantal onderzoeken naar integriteitsschendingen in 2017 met 150 is gestegen tot 1.509 onderzoeken. Er vonden 548 disciplinaire onderzoeken plaats naar 608 mensen, en 121 agenten zijn ontslagen. Moeten we daar nou blij mee zijn, of is dit juist een teken aan de wand? Tolereert de politie niets en zijn er daarom meer onderzoeken naar integriteitsschendingen? Of is het achterstallig onderhoud en gaat het juist de verkeerde kant op met de integriteit van onze politie? Kortom, wat is er aan de hand? Welk inzicht leveren deze cijfers op, zeker gelet op werving, selectie en opleiding? Wat voor lessen kunnen we ervan leren? Graag een duiding van de minister.

Een volgende vraag. Uit onderzoek van dagblad Trouw bleek dat de politie Rotterdam in 2015 verreweg de meeste integriteitsonderzoeken heeft uitgevoerd. Amsterdam en Den Haag deden veel minder onderzoeken. Hoe zit dit? Heeft dit te maken met de personeelssamenstelling van zo'n eenheid? Heeft het te maken met de buitenwereld, de omgeving? Of is het de sensitiviteit binnen een eenheid voor integriteitsschendingen? Kan de minister deze geografische verschillen uitleggen?

In de aanloop naar dit debat zijn verschillende cases tot mij gekomen. Daarin merk ik dat je, wanneer je als diender het verwijt krijgt dat je niet integer gehandeld hebt, in een zeer moeilijke positie kunt komen. Voor je het weet zit je geschorst thuis, en voor je het weet gaat ook het Openbaar Ministerie zich ermee bemoeien. Wat zijn de waarborgen voor politiemensen? De politie moet integer zijn, maar ook het integriteitsonderzoek zelf dient op integere wijze te worden uitgevoerd. Er is al veel onzekerheid binnen de politie, en een ten onrechte uitgevoerd integriteitsonderzoek hakt er enorm in. Ik wil hier met name aandacht van de minister vragen voor de uitvoering van integriteitsonderzoeken door de interne bureaus Veiligheid, Integriteit en Klachten. De politie kent geen afzonderlijk tuchtrecht. Ambtenarenrecht en strafrecht lopen makkelijk door elkaar heen. VIK-onderzoeken worden voor je het weet door het Openbaar Ministerie aangestuurd. Daar kan ik me van alles bij voorstellen bij concrete strafbare feiten, maar er is ook een uitgebreide categorie onderzoeken die zich richt op de wijze van taakuitoefening, zonder dat er van een strafbaar feit sprake hoeft te zijn. Bestaat er een protocol waarlangs de VIK's werken? Welke waarborgen zitten daarin en welke doorlooptijden? Wanneer wordt er extern gecommuniceerd? Wanneer gaat men over van het ambtenarenrecht op het strafrecht, en wie bepaalt dat?

Voorzitter. Het CDA heeft gepleit voor één rechtbank die zich gaat specialiseren in geweldstrafzaken door de politie. Het is fijn dat die er komt. Maar zou het ook niet tijd worden om eens na te denken over de vraag of de politie een eigen, zelfstandig tuchtrecht moet hebben, waarbij niet zozeer het OM aan de knoppen zit, maar de politie zelf als werkgever haar eigen verantwoordelijkheid neemt? Tuchtrecht heeft het voordeel dat het niet alleen gaat om normstelling, maar ook om leren, opleiden en ontwikkelen. Graag een reactie van de minister hierop.

De voorzitter:

Er is een interruptie voor u. Ik mag u dus vragen om nog even plaats te nemen. Mevrouw Den Boer van D66 heeft een vraag voor u.

Mevrouw Den Boer (D66):

In een poging om dit intieme debat toch wat spannend te maken: ik hoop dat ik goed heb geluisterd naar de heer Van Dam, en ik denk te merken dat hij het accent legt op strafrecht en tuchtrecht. Wat de D66-fractie betreft komt dat toch pas helemaal aan het einde. Er is natuurlijk een heel pakket aan preventieve en repressieve maatregelen. Waar legt u nu het accent? Vindt u dat het pakket dat de minister heeft omschreven in zijn brief van 12 maart onvoldoende werkt? Of moet het accent juist meer komen te liggen op het tuchtrecht en het strafrecht?

De heer Van Dam (CDA):

Het gaat eigenlijk om twee brieven, waarin inhoudelijk een beetje hetzelfde gezegd wordt. Ik moet u zeggen dat ik, mede gelet op de wijze waarop de korpschef erin zit, er eigenlijk wel van overtuigd ben dat de politie heel veel aan het onderwerp preventie, inrichting en sensitiviteit doet. Van alle overheidsorganisaties in Nederland doet ze er misschien wel het meest aan. En terecht, omdat integriteit natuurlijk een van de vier kernwaarden van het korps is. Als ik dan naar het hele onderwerp kijk, dan vallen mij de verschillen op, zoals ik in mijn inbreng ook heb gezegd. Ik hoop dat die toename in de cijfers positief te duiden is. Dat heb ik gevraagd. Maar ik vraag ook aandacht voor een aantal zaken die mij ter ore zijn gekomen. De advocatuur, om een voorbeeld te nemen dat wellicht dicht in de buurt van de belevingswereld van de minister ligt, heeft haar eigen tuchtrecht. Die wereld heeft zijn eigen normen en zijn eigen beoordeling van hoe mensen daar handelen, of dat wel of niet goed is. Je kunt ook naar het Openbaar Ministerie toe. Daar kun je ook gaan klagen. Maar dat is een ander verhaal. Dat zie ik bij de politie te veel door elkaar heen lopen. Ik denk, mede in het licht van het nieuwe geweldstelsel dat eraan komt, dat de politie er enorm mee geholpen zou zijn als ze eigenstandig oordelen kan vellen over wat mensen wel of niet doen. Ik ben wat minder enthousiast over de beantwoording van de schriftelijke vragen — dat waren vragen die u hebt gesteld — die ik vandaag voorbij zag komen. Ik zou niet weten waarom het niet intern gepubliceerd zou moeten worden. Je moet dat natuurlijk anonimiseren, maar je kunt er met elkaar van leren als iemand in de politieorganisatie na een eigen beoordeling in de eigen organisatie terecht wordt gewezen en als dat intern bekend wordt gemaakt. Dat kan ook de norm stellen. Dat kan van Groningen tot Limburg duidelijkheid geven. Maar dan moet het wel op een faire, duidelijke manier gebeuren. Ik heb nu het gevoel dat dat niet altijd aan de orde is.

Mevrouw Den Boer (D66):

Uiteraard deel ik de zorgen over integriteitsschendingen bij de politie. Ook D66 neemt dat heel serieus. Ik vind het fijn om deze toelichting te krijgen. Maar ik wil nog wel een beetje begrijpen waar u naartoe wilt. Wilt u naar anders straffen, naar meer straffen? Vindt u dat het instrument zoals dat nu bestaat niet afdoende is?

De heer Van Dam (CDA):

Ik vind dat de nu bestaande instrumenten door elkaar lopen. Laat ik het even heel cru zeggen: als een politieman verdacht wordt van een strafbaar feit, dan hebben we daar de Rijksrecherche voor, en als de politieman intern wordt verdacht van iets wat niet strafbaar maar naar de eigen normen wel fout is, dan heb je daar misschien de bureaus VIK voor. Maar nu loopt het door elkaar heen. Dat vind ik voor de kenbaarheid voor de individuele diender niet goed.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Helder van de PVV.

Mevrouw Helder (PVV):

Het spreekgestoelte is wat hoog. Het was een fijn reces, maar ik ben niet in de lengte gegroeid, voorzitter.

Voorzitter. Ieder lek is er één te veel. Twee opmerkingen daarover. Mijn fractie vindt dat een zaak voor de korpsleiding. Laten we ook niet vergeten dat bij de politie meer dan 65.000 mensen werkzaam zijn. Is dat een excuus? Zeker niet. Ook ik heb de cijfers bekeken, maar in tegenstelling tot collega Van Dam heb ik die wel even vergeleken met de cijfers van het jaar daarvoor, 2016. Toen was er sprake van 1.351 onderzoeken en 126 ontslagen, al dan niet voorwaardelijk. In 2017 waren er 1.509 onderzoeken en 121 ontslagen. Ik heb begrepen dat de reden daarvan is dat er meer aandacht voor integriteit is gekomen. Ik haal daaruit dat de minister en de korpsleiding het eens zijn met mijn fractie dat ieder lek er één te veel is. De minister heeft ook geschreven dat er geen patroon is van ernstig plichtsverzuim. Dat is natuurlijk wel iets wat de Kamer moet weten.

Ik kan dus heel kort zijn, voorzitter. Ik kom al tot een afronding. Ik mag namens mijn fractie altijd de mooie woorden uitspreken dat wij ontzettend trots zijn op onze politieorganisatie, met name op de mannen en vrouwen in het blauw, op straat. Ik heb in het reces een paar mooie werkbezoeken mogen afleggen. Daarom kan ik ook uit de grond van mijn hart tegen de minister zeggen: geef de mensen wat ze nodig hebben, onder andere de cao. Ik hoop dat het kort geding aanstaande vrijdag niet door hoeft te gaan.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Kuiken neemt geen deel aan het debat. Ik geef het woord aan mevrouw Den Boer van D66.

Mevrouw Den Boer (D66):

Dank u wel, voorzitter. Vandaag hebben we het over de spreekwoordelijke rotte appel in de politieorganisatie. Als er één rotte appel gaat schimmelen, dan gaat de hele fruitschaal eraan. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de minister een goede aflevering van Bad cop, good cop wel kan waarderen. Maar wat als het archetype van de foute politievrouw of politieman geen fictie maar feit blijkt te zijn? Het is een goed plot voor een boek, maar bepaald niet voor de praktijk.

D66 neemt de berichtgeving over de lekkende rechercheur daarom zeer serieus. Het is ernstig omdat integriteit een kernwaarde van de nationale politie is. Helaas hebben we de afgelopen jaren ook andere incidenten gezien, zoals de politiemol die vertrouwelijke politie-informatie verkocht aan criminelen, of gebrekkige integriteit bij inkoop en aanbestedingen.

Voorzitter. Het lekken van informatie is dus helaas geen nieuw probleem. Kan de minister een beeld schetsen van aard, ernst en omvang van dit probleem? Hoe wordt het lekken van informatie in de gaten gehouden? Wat is de rol van het al genoemde bureau Veiligheid, Integriteit en Klachten hierin? Heeft de minister zicht op de motieven van rechercheurs om ondermijnend te handelen? De commissie-Ruys constateerde dat het onderling aanspreken op normoverschrijdend gedrag bij de politie zwak ontwikkeld is. Hoe staat het met het moreel kompas van de politieorganisatie? Voelen politiemedewerkers zich veilig genoeg om incidenten rondom integriteit te melden aan hun leidinggevende?

Ook is het ernstig dat het niet zomaar het handelen betreft van een individu, maar het handelen van een individu in de context van de politieorganisatie. Niet-integer handelen in deze context geeft een verkeerd signaal af aan collega's en aan de samenleving. Het gaat dus ook om de organisatiecultuur. Als hier niet stevig tegen wordt opgetreden, ontstaat een cultuur van wegkijken, van gedogen. Als het aan D66 ligt, laten we dat niet gebeuren.

Voorzitter. Wat de D66-fractie betreft is voorkomen beter dan genezen. Ik vraag de minister hoe in de opleiding aandacht wordt gegeven aan deze problematiek, vooral met het oog op preventie en mentale weerbaarheid. Hoe staat het met de screening van politiemensen? Wordt die met enige regelmaat herhaald? En hoe wordt het lekken van informatie beoordeeld en bestraft? En tot slot, hoe staat het met het herstel- en correctievermogen van de Nederlandse politie? Met andere woorden, hoe leert de politieorganisatie van deze incidenten?

Voorzitter, tot slot. Onethisch handelen van de politie moet in de kiem worden gesmoord. Leidinggevenden bij de politie moeten daarom consequent en doortastend optreden, de teugels niet laten vieren en vooral zelf het toonbeeld zijn van een very good cop.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Rutte van de VVD.

De heer Arno Rutte (VVD):

Voorzitter. Het doorspelen van informatie aan criminelen is zeer schadelijk. Het ondermijnt de geloofwaardigheid van de politie en speelt de al dan niet georganiseerde misdaad in de hand. Het bericht dat de aanleiding was voor het debat van vandaag, dat een rechercheur van de politie-eenheid Den Haag anderhalf jaar lang informatie lekte naar criminelen, is helaas geen incident. Het was al het vierde lek bij dit politieonderdeel in korte tijd. De politie laat weten dat het aantal lekken bij dit politieonderdeel niet groter is dan elders in de organisatie. Ik weet niet of dat nou een geruststellend antwoord is of niet. Want betekent het nou dat lekken in de gehele organisatie veelvuldig voorkomt? Ik krijg graag een reactie van de minister op dit punt. Dat lekken zich niet beperkt tot de politie in Den Haag, bleek overigens ook vorige week, toen het bericht naar buiten kwam dat de enorme politie-inval in een wijk in Almelo verband hield met de eerdere aanhouding van twee agenten die gevoelige informatie lekten via de sportschool waar ze regelmatig kwamen.

Voorzitter. De nationale politie heeft de afgelopen jaren succesvol gewerkt aan één database met alle politie-informatie, zodat agenten tijdens de opsporing toegang hebben tot alle beschikbare informatie. Dat is een grote vooruitgang, maar het is ook een enorm risico op het moment dat agenten gecorrumpeerd raken en informatie met criminelen, terroristen of zelfs statelijke actoren gaan delen. Ik heb daarover de volgende vragen aan de minister. De eerste vraag: op welke wijze is technisch geborgd dat alleen rechthebbenden toegang kunnen krijgen tot deze database? De tweede vraag: wordt ook adequaat bijgehouden wie welke informatie heeft geraadpleegd? De derde vraag: op welke wijze wordt vervolgens het zoekgedrag van agenten in deze database gemonitord? Wordt er actief met technische en personele middelen gespeurd naar afwijkend zoekgedrag? De vierde vraag: wie hebben, behalve agenten, nog meer toegang tot deze database? Is het mogelijk dat medewerkers van het Openbaar Ministerie toegang hebben tot gevoelige data? Zo ja, op welke wijze wordt bewaakt dat binnen het Openbaar Ministerie voorkomen wordt dat gevoelige informatie uit het opsporingsdossier lekt?

Voorzitter. Het met technische en personele middelen beveiligen van informatie is één, maar lekken is ook een integriteitsprobleem. Het kan ontstaan in een cultuur waarin politiemensen elkaar onvoldoende aanspreken op gedrag. Mevrouw Den Boer zei dat ook al. Politiewetenschapper Jaap Timmer en voorzitter Jan Struijs van de Nederlandse Politiebond stellen dat binnen de landelijke politiekorpsen een taboe bestaat op het bespreken van dit soort zaken. Er zou een soort zwijgcultuur zijn rond foute agenten. De minister heeft in antwoorden op vragen hierover aangegeven dat de politie dit onderkent en dat er gewerkt moet worden aan een integere cultuur waarin misstanden niet onder het tapijt worden geveegd, maar juist besproken en gemeld.

Het is niet helemaal duidelijk hoe het nou staat met dat cultuurtraject. Blijft het nou bij mooie woorden of worden er daadwerkelijk stappen gezet? Kan de minister aangeven welke concrete acties en welke concrete resultaten we hiervan binnen een overzichtelijke termijn mogen verwachten? Wordt in deze trajecten ook specifiek stilgestaan bij de externe groepsdruk, waardoor agenten aangezet kunnen worden tot lekken? Worden agenten die deze druk ervaren en het lef hebben om dit met hun leidinggevende te delen — dat is lastig genoeg — wel voldoende ondersteund en beschermd tegen dergelijke druk? Dat laatste is volgens de VVD van groot belang om te komen tot een cultuur waarin agenten integer zijn en integer blijven. En dat is uiteraard in het allergrootste belang van de veiligheid van ons land.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord tot slot aan de heer Van Raak van de SP.

De heer Van Raak (SP):

Voorzitter. Als de politie niet integer is, is de veiligheid in het land in gevaar. We spreken vanavond over de zaak van een rechercheur in Den Haag die informatie lekte naar criminelen. Dat gebeurde in januari. Het is nu september. Ik kan zeggen: hadden we dit elders niet eerder kunnen bespreken? Maar het is toch goed dat we dat vanavond doen, omdat het probleem bij lange na niet weg is. In Den Haag is in het verleden veel vaker sprake geweest van politiemensen die niet integer waren en informatie doorspeelden naar criminelen. De politie in Den Haag zegt ook: daar is de politie in Den Haag niet uniek in, want dat gebeurt in alle delen van het land. Ik denk dat dat waar is. Ik denk ook dat het goed is dat de minister ons brieven heeft gestuurd en voorstellen heeft gedaan, alhoewel ik niet zo onder de indruk was van het voorstel van een theatervoorstelling die speciaal hiervoor is ontwikkeld.

Ik ben wel onder de indruk van het onderzoek van Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van de minister. Dat heeft laten zien hoe de georganiseerde misdaad steeds meer grip krijgt op de bovenwereld, ook bij de politie, en dat de politie nog te weinig doet om corruptie, niet-integer handelen, aan te pakken. Het rapport zegt ook dat er een oververtegenwoordiging is van het aantal medewerkers met een migratieachtergrond. Klopt dat? Hoe zit het met gevoelens van dubbele loyaliteit? Kan de minister daar wat opheldering over geven? Het onderzoek geeft ook een profiel van de foute opsporingsambtenaar: relatief jong, weinig zelfcontrole, kan slecht omgaan met tegenslag en frustratie en heeft een hang naar avontuur en luxe. Ik herkende dat wel, want de COR en andere mensen aan de politietop vertoonden hetzelfde gedrag.

Ik zie ook dat er jarenlang is bezuinigd op de politie. Heel veel mensen bij de politie gaan vertrekken vanwege leeftijd en andere zaken of omdat ze het gewoon niet meer aankunnen. Er zijn dus heel veel jonge mensen nodig. De Politieacademie staat onder druk. Aan de ene kant moeten we heel snel nieuwe mensen krijgen, maar aan de andere kant is het de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat we de juiste mensen krijgen.

Over die gesloten cultuur zei ik al iets. De Centrale Ondernemingsraad en andere mensen aan de top, zoals Bernard Welten, en dat soort zaken zijn voor politiemensen ook een symbool van het meten met twee maten. Mevrouw Helder zei al heel terecht dat het over-, over-, overgrote deel van de agenten superloyaal is. Superloyaal, al vele jaren! Ze staan al jaren op de nul. Ze vullen de gaten in de roosters. Ze moeten collega's vervangen en thuis vertellen dat ze weer niet thuis kunnen zijn of weer niet naar het feestje kunnen. Dan verwacht ik ook loyaliteit van de korpschef, die voor zijn mensen gaat staan. Als de minister dan zegt dat al die agenten die al 5 jaar lang op de nullijn staan, al 50 jaar gaten vullen, al 5 jaar lang alles doen om de organisatie ondanks alles draaiende te houden, flexibeler moeten worden, snap ik de woede. Dan snap ik dat het touwtje breekt. Ik vraag de minister of hij dat ook snapt. Ik vraag ook aan de minister om het uit zijn hoofd te laten om naar de rechtbank te gaan om de rechtmatige acties van politieagenten te voorkomen.

Dank je, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. De minister wil graag de Kamer antwoorden over een tiental minuten.

De vergadering wordt van 21.34 uur tot 21.45 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef graag het woord aan de minister voor de beantwoording in eerste termijn.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter, dank u. We spreken vandaag over de integriteit bij de politie. Ik wil daarover meteen het volgende zeggen. Ik heb al een aantal keren gewezen op internationaal onderzoek, waarin onze politie op het gebied van integriteit en professionaliteit wereldwijd op een zevende plaats uit komt. Een voortreffelijke prestatie, met een overall cijfer van 8,4 op een schaal van 10. Ik wil dit aan het begin zeggen, omdat wij echt een politiekorps hebben dat op dit punt, net als overigens op andere punten, tot de beste van de wereld behoort.

Maar er kan altijd, zoals mevrouw Den Boer al zei, een verkeerde appel zitten in een mand met goede appelen. Daarom is het goed dat we vandaag toch over dit onderwerp in debat zijn. De politie moet integer zijn. Dat is essentieel voor het vertrouwen van de samenleving.

De aanleiding voor dit debat was het nieuws begin dit jaar over een rechercheur in de eenheid Den Haag die ervan werd verdacht anderhalf jaar lang informatie te hebben gelekt naar criminelen. Ik heb u daar in maart over geschreven. U heeft er begrip voor dat ik niet op de individuele casuïstiek inga. Dat is aan de rechter.

Wat ik u wel kan zeggen, is dat het, als we het hebben over disciplinaire onderzoeken bij de politie, uiteindelijk maar gaat om 0,9% van het totaal van bij de politie werkzame personen. We moeten wat dat betreft ons dus goed realiseren dat het een overzichtelijk, maar desalniettemin belangrijk issue is. Er worden een hoop dingen gedaan op het gebied van preventie, integriteit en onderwijs, maar ook op de werkvloer. Die zal ik in het kader van de beantwoording meteen bespreken. Er kan altijd nog meer gedaan worden. Daar hoop ik ook aan bij te dragen door onder meer wetgeving op het gebied van doorlopende screening.

Als u het goedvindt, wil ik meteen vervolgen met de beantwoording van de vragen, want daarin zitten de meeste punten. De heer Van Dam, die het debat heeft aangevraagd, heeft om een nadere bespiegeling gevraagd op de cijfers over 2016-2017. Ik moet toegeven dat ik enigszins herhaal wat al door het Kamerlid Helder naar voren is gebracht. Er zijn meer onderzoeken uitgevoerd, maar dit heeft niet geleid tot een toename van ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Integendeel. Aan de toename van onderzoek zien we dat integriteit duidelijk de aandacht van de politie heeft. Er is verder, zegt de politie, geen sprake van samenhang of een patroon. Graag blijf ik nog eens benadrukken dat uiteindelijk een heel klein percentage, niet eens een procent, van het totale aantal politiemedewerkers onderwerp van onderzoek is.

De heer Van Dam vroeg of het te verklaren is dat er bij de politie Rotterdam meer dan bij andere eenheden integriteitsonderzoeken spelen. Het gaat hier om aantallen die niet zodanig zijn dat we die nadere duiding kunnen geven, bijvoorbeeld dat er in Rotterdam specifieke, kwantitatief meer voorkomende problematiek zou zijn. De politie streeft er overigens naar om met ingang van 2019 een geanonimiseerd overzicht van alle opgelegde disciplinaire maatregelen te publiceren. Dat betekent dat we meer inzicht krijgen in de aard van de incidenten, want dat is nu, zo kan ik mij voorstellen, niet altijd duidelijk.

Ik kom op de zogenoemde VIK. Bestaat er een protocol waarmee die afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten werkt? Ja. Het hele werkproces van de afdeling VIK is vastgelegd in interne protocollen, die ook afgestemd zijn met de medezeggenschap. VIK-onderzoekers worden opgeleid om zorgvuldig en professioneel onderzoek te kunnen doen naar wat uiteindelijk collega's zijn. De politie streeft ernaar om onderzoeken zo spoedig mogelijk te doen, waarbij de doorlooptijd natuurlijk wel afhankelijk is van de omvang of ingewikkeldheid van een zaak. De politie rapporteert in het jaarverslag over de uitkomsten als het gaat om het aantal strafontslagen. Verder wil de politie, als gezegd, vanaf volgend jaar geanonimiseerd meer gaan aangeven om wat voor soort zaken het precies gaat.

De vraag is vervolgens wie of wat het verschil bepaalt tussen het ambtenaren- en het strafrecht. De heer Van Dam wijst erop dat dit door elkaar heen kan gaan lopen. Naar aanleiding van incidenten, voorvallen, aangiften of meldingen beslist het bevoegd bezag, de korpschef of de leidinggevende, of een intern onderzoek wordt gestart. Meldingen komen ook binnen bij het bevoegd gezag. Als bij de melding van een vermoeden van plichtsverzuim een redelijk vermoeden bestaat dat betrokkene een strafbaar feit heeft gepleegd, dan stelt het bevoegd gezag de hoofdofficier van justitie op de hoogte. Die besluit of een strafrechtelijk onderzoek wordt gestart. Ik werd getroffen door een opmerking die de heer Van Dam aan het slot van zijn bijdrage maakte, toen hij toch enige zorgen uitsprak over het door elkaar heen lopen van de onderzoeksprocedure van de VIK en wat daaruit kan voortkomen — dat is meer ambtenaarrechtelijk — en het strafrecht. Ik vind dat daarmee, alles overziend, een terecht punt gesignaleerd wordt. Ik wil u toezeggen dat ik bij uw Kamer in een brief terugkom op het antwoord op de vraag of we dat in de praktijk echt zien gebeuren, dus dat daardoor politiemensen eigenlijk tekort wordt gedaan omdat er een soort dubbelop ontstaat. Voor mij is dat eigenlijk het belangrijkste vraagpunt in het kader van dit debat.

Daar kunt u meteen uit afleiden dat ik op dit moment niet voor het instellen van een extern tuchtrechtelijk orgaan ben. Op zichzelf werkt het systeem namelijk goed. Die afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten bij de politie doen professioneel en zorgvuldig onderzoek, zoals ik net heb aangegeven. Dat is allemaal vastgelegd en dat ga ik hier niet herhalen.

En nu komt het: om de uniformiteit te bevorderen, wordt het bevoegd gezag altijd geadviseerd om de strafmaat door een strafmaatoverleg, bestaande uit gespecialiseerde arbeidsjuristen, te laten beoordelen. Het gaat dan overigens om juristen die niet betrokken zijn bij het specifieke onderzoek. Dus er is een heel duidelijke strafmaattoets. Daarnaast zijn er voor ambtenaren natuurlijk altijd mogelijkheden voor bezwaar en beroep, ook bij externe instanties.

Zoals die twee systemen nu werken, is het mijn visie dat het invoeren van tuchtrecht geen meerwaarde zou hebben en niet tot extra leereffecten zou leiden: dat zou nou juist door die VIK-procedure moeten gebeuren. Ik trek mij wel de opmerking aan, en ik wil daar bij uw Kamer op terugkomen, dat het natuurlijk wel zo zou moeten zijn dat het strafrecht en het disciplinaire niet door elkaar heen moeten gaan lopen. We moeten kijken of die processen beter gescheiden kunnen worden. Ik voeg daar overigens nog een postscriptum aan toe: dat gevaar ligt bij het invoeren van tuchtrecht evenzeer op de loer. Sterker nog, dan krijg je zelfs drie banen die door elkaar heen gaan lopen. Dat gezegd hebbende: ik zal op dit punt terugkomen.

Dan kom ik bij de vragen van mevrouw Helder. Ik moet enigszins verbouwereerd zeggen dat zij daarin meer complimenten had dan vragen. Die complimenten waren niet voor mij maar voor de politie, en dat is terecht. Ik heb het in mijn inleiding eigenlijk ook gedaan, maar ik denk dat het goed is om dat nog eens te onderstrepen.

Toch had zij ook gevraagd hoe het nu gesteld is met de aandacht voor integriteit. Er is bij de politie echt een actief integriteitsbeleid. Daar is de laatste jaren ook extra op ingezet. Er is veel meer aandacht voor de preventieve kant daarvan. Ik hoop dat mevrouw Helder het mij niet euvel duidt als ik dat onderdeel ook even naar de beantwoording van mevrouw Den Boer trek. Er zit namelijk ook het punt in van het weerbaarder maken van politiemedewerkers. Ik meen dat de heer Van Raak erop wees dat uit onderzoek blijkt dat vooral jonge politiemedewerkers soms nog best moeite hebben met het precies duiden van de momenten waarop die weerbaarheid nodig is — ik zeg het maar even zo. Dat is nou juist iets waar op de Politieacademie, maar ook in het vervolgonderwijs bij de politie, veel op wordt gestuurd: op de weerbaarheid, op het op de juiste momenten signaleren van integriteitsissues en op het oefenen van processen waarin je elkaar daarop kunt aanspreken.

Ik moet zeggen dat de theatervoorstelling Rauw, die door de heer Van Raak een beetje werd afgedaan, juist een middel is dat zeer wordt gewaardeerd door politiemensen. Ik zou de Kamerleden eigenlijk nogmaals van harte willen aanbevelen om die voorstelling gewoon een keer te gaan bekijken, al dan niet in het kader van een werkbezoek. Dan zou ik persoonlijk de popcorn van de heer Van Raak sponsoren.

Ik wil ook nog even iets zeggen over de screening in het kader van preventie et cetera. Zoals u weet, heb ik het wetsvoorstel screening ambtenaren van politie en politie-externen in consultatie gebracht. Daarbij wordt het ook mogelijk om de omgeving, zoals de partner, te onderzoeken. Er komt dan een doorlopende screening. Dat is heel belangrijk. Die screening wordt uitgevoerd om mensen periodiek te kunnen beschermen tegen gebrek aan weerbaarheid.

Mevrouw Den Boer vroeg: hoe wordt lekken nu bestraft? Als uit intern disciplinair onderzoek blijkt dat er sprake is van plichtsverzuim, dan wordt dat ook disciplinair bestraft. Het bevoegd gezag bepaalt na advies van het zogenaamde strafmaatoverleg, waar ik net over sprak, de hoogte van de sanctie. Er wordt naar alle omstandigheden van het geval gekeken. Door het leren van ervaringen en door besprekingen, werkoverleggen en al die bewustwordingsprocessen worden mensen ook echt daarin verder gebracht.

De heer Rutte vroeg zich af of agenten wel voldoende worden gesteund als ze bij hun leidinggevenden melding maken van misstanden. Leidinggevenden vervullen een cruciale rol bij het werken aan de cultuur die ik net beschreef. Het is dus ook heel belangrijk dat juist zij goed weten om te gaan met dit soort integriteitsissues en met politiemensen die daar problemen mee hebben of die daar in hun omgeving mee geconfronteerd zijn. Alle 800 leidinggevenden gaan daarom naar een tweedaagse bijeenkomst over integriteit en de wijze waarop hierbij moet worden gewerkt. Daar is vorig jaar, in 2017, mee gestart.

De heer Rutte vroeg zich enigszins cynisch af: als het aantal lekken in Den Haag niet groter is dan elders in de organisatie, betekent dat dan dat het in de hele organisatie veelvuldig voorkomt? In opdracht van de korpschef wordt er door de Politieacademie een kwalitatieve analyse gemaakt van het lekken van informatie. Daarin wordt ook ingegaan op motieven en risicofactoren. Dat onderzoek wordt in oktober afgerond. Het lijkt me goed om er, als het onderzoek er is, in een AO Politie of anderszins met uw Kamer verder over te spreken. Ik wil nog eens benadrukken dat integriteit een essentieel onderdeel is van het politieonderwijs.

Ik heb dan eigenlijk nog twee dingen. De heer Rutte vroeg mij: hoe gaat het nou met het technisch borgen van de toegang tot politiesystemen en het bijhouden daarvan? De politie en ik onderschrijven het belang dat de toegang tot informatie goed is georganiseerd en beveiligd. Het proces van verstrekken en intrekken van autorisaties voor politiesystemen in geval van plaatsing, verplaatsing en uitdiensttreding van medewerkers is door de politie geautomatiseerd en wordt inmiddels bij alle eenheden gebruikt. Ook hanteert de politie sinds januari 2016 het vierogenprincipe, waarbij de aanvraag voor een autorisatie boven een bepaald niveau door een extra leidinggevende wordt getoetst. De politie werkt nog aan een goed systeem voor het bijhouden van wie welke informatie heeft geraadpleegd met het project Logging as a Service. Verder start binnenkort in één eenheid een pilot voor het monitoren van atypische signalen, om te zien of mensen ineens bestanden aan het raadplegen zijn waarvan je zegt: waarom is diegene daar uit hoofde van zijn of haar functie mee bezig? Het is allemaal noodzakelijk omdat de Dataprotectierichtlijn daar ook toe verplicht. Maar goed, het zal nog wel even duren voordat het allemaal goed en wel bij de politie is geïmplementeerd.

De heer Rutte heeft nog gevraagd wie er, naast politiemedewerkers, nog meer toegang hebben tot de politiesystemen. Het OM heeft rechtstreekse toegang tot die systemen op basis van de Wet politiegegevens.

De heer Arno Rutte (VVD):

De minister ging door met het antwoord op mijn volgende vraag, wat heel prettig is, maar ik wil even terug naar de eerste. De minister vindt het belangrijk dat we kijken wie naar die data kijkt en of daar rare patronen in zitten, maar de politie is nog niet zo ver dat ze dat echt goed kan opsporen en daarom beginnen we met een pilot. Begrijp ik de minister zo goed? Wanneer verwachten we dat het wél goed geregeld is? Kan daar een termijn aan worden verbonden, gezien de kwetsbaarheid van al die gegevens in één systeem?

Minister Grapperhaus:

Ik vind het heel erg listig om nu een harde termijn te noemen. Er wordt in één eenheid een pilot gehouden. Dan zullen we u daar op zijn vroegst het volgend voorjaar eerste conclusies over kunnen melden. Het duurt natuurlijk toch wel even voordat het er echt helemaal in zit en je ook echt patronen kunt gaan zien. Na twee weken of na een maand is dat natuurlijk nog niet het geval.

De heer Arno Rutte (VVD):

Dan nog een aanvullende vraag. Vindt de minister dat zelf ambitieus genoeg in de wetenschap dat dat ene politiesysteem waarin al die data te vinden zijn en waar dus ook echt heel gevoelige informatie voor kwaadwillenden te vinden is, er al wel is, terwijl het systeem dat patronen moet herkennen om ervoor te zorgen dat kwaadwillenden daadwerkelijk opgespoord worden er nog niet is? Is dat niet een beetje vreemd? Is de ambitie om nu eerst maar eens een pilot te doen, niet een beetje laag?

Minister Grapperhaus:

Ik ben met de korpsleiding in gesprek over het inzetten van meer middelen op het sneller en goed — dat is natuurlijk heel erg van belang — uitrollen van dit soort systemen en applicaties, zodat men hier des te sneller de macht over het stuur heeft.

Voorzitter. De heer Van Raak zei net als mevrouw Helder een aantal zeer positieve dingen over het functioneren van de politie, afgezien van een aantal zorgen, die hij natuurlijk ook heeft geuit. Dat culmineerde in zijn vraag of ik begrijp dat het touwtje bij sommige politiemensen zo langzamerhand zou kunnen breken in het licht van zaken als de werkdruk. Ik wil daar het volgende over zeggen. Ik heb mij de afgelopen maanden, zoals de heer Van Raak weet, bij werkbezoeken vooral verdiept in de problematiek van de werkdruk en het toch echt hoge ziekteverzuim bij de politie. De problematiek rondom PTSS is echt schokkend. Ik stel vast dat er de komende tijd een hele belangrijke verantwoordelijkheid ligt bij de korpsleiding en bij mij om ervoor te zorgen dat daarin verbetering optreedt. Dat heb ik gedeeld in gesprekken met politieagenten en met de politiebonden. Toen ik nog niet zo heel erg veel van toeten en blazen wist, heb ik tijdens mijn eerste AO Politie in algemene zin aangegeven dat dit zou moeten behoren tot de goede arbeidsomstandigheden.

De heer Van Raak (SP):

Precies, goede omstandigheden, goede arbeidsomstandigheden. Er is veel ziekteverzuim, ook omdat de druk groot is, omdat agenten elke dag iets meemaken. Je kunt dat verwerken als je daar de tijd voor krijgt, maar het telt wel op. En na 40 jaar telt het helemaal op. Is de minister het met mij eens dat wij de afgelopen vijf jaar heel veel van agenten hebben gevraagd, financieel en qua tijd? Ze hebben opofferingen moeten doen in hun persoonlijke leven. En is de minister het ook met mij eens dat het dan op zijn minst heel ongelukkig is geweest dat de minister heeft gezegd: ik wil wel praten over arbeidsomstandigheden, maar dan moet er wel flexibeler worden gewerkt? Kan de minister zich voorstellen dat toen op dat moment bij heel veel mannen en vrouwen, bij duizenden agenten die nu vanavond weer aan het werk zijn, het touwtje is geknapt?

Minister Grapperhaus:

Ja, als ik het zo gezegd zou hebben wel. Maar de heer Van Raak geeft denk ik de gesprekken en de discussie toch wel op een erg vertekende wijze weer, want zo is het natuurlijk niet gegaan. In het kader van de gesprekken, die ook te maken hebben met het voortgaan met het proces van de vorming van de nationale politie en die daarnaast ook wel degelijk te maken hebben met de modernisering, ook ten faveure van de politiemensen, is er gesproken over een wederzijdse flexibiliseringsagenda. Daar kun je natuurlijk een karikatuur van maken door te zeggen dat het alleen maar gaat om het van de kant van de werkgever uitknijpen van de arbeidsvoorwaarden. Dat is een karikatuur. Ik ga hier vanavond niet spreken over de overigens goede gesprekken die op dit moment al zeker zes weken aan de gang zijn tussen de bonden en de onderhandelaars aan de zijde van de politie, maar ik kan u verzekeren dat dat een proces is waarin juist ook, in ieder geval namens mij, is onderstreept dat die werkdruk een belangrijk punt moet zijn in de gesprekken en dat dat zich de komende jaren moet vertalen in juist een andere omgeving.

Ik heb zeer veel begrip voor het feit dat de mensen die bij de politie werkzaam zijn, de afgelopen jaren bij de vorming van de nationale politie een, laat ik zeggen, verzwaarde taak kregen, omdat ze enerzijds moesten meewerken aan de vorming van die ene nationale politie en anderzijds — daar heeft Kuijken ook complimenten over gemaakt in zijn rapport — het vertrouwen van de burger in de politie gewoon door het leveren van goed werk hoog moesten houden. Ik denk dat er verder geen enkele reden is, en dat het ook niet verstandig is, om die discussie te polariseren in karikaturen. Die helpen ons niet verder.

De voorzitter:

Sterker nog, ik zou eigenlijk de leden in herinnering willen roepen dat dat niet echt het onderwerp van het debat is.

De heer Van Raak (SP):

Daar heeft de voorzitter gelijk in. Maar de minister is er vrij uitgebreid op ingegaan, dus ik wil nog één korte aanvullende vraag stellen.

De voorzitter:

Kort.

De heer Van Raak (SP):

Ik hoef er namelijk vanavond — daar heeft de voorzitter gelijk in — met de minister niet uit te komen. De minister moet eruit komen met de politiemensen. Ik denk dat het heel goed zou zijn om hier wel te zeggen dat er heel hard gewerkt moet worden aan herstel van vertrouwen. Ik denk niet dat dat vertrouwen herstelt op het moment dat de minister naar de rechter gaat om te voorkomen dat politieagenten gebruikmaken van hun recht om actie te voeren. Is de minister bereid om in ieder geval een eerste stap te zetten en te zeggen: wat ik vandaag heb aangekondigd, dat ik naar de rechter ga tegen mijn eigen mensen, ga ik in ieder geval niet doen?

Minister Grapperhaus:

Daar gaat dit debat in het geheel niet over. Dus daar ga ik ook niet nu op in, mevrouw de voorzitter. Ik vind het ook een heel vreemde vraag voor dit debat.

De voorzitter:

Dank u wel. Bent u klaar met uw beantwoording in eerste termijn?

Minister Grapperhaus:

Ja, in ben klaar.

De voorzitter:

Mevrouw Den Boer heeft nog een vraag.

Mevrouw Den Boer (D66):

Voorzitter. De minister heeft een hele serie maatregelen benoemd: aandacht voor mentale weerbaarheid, screening, een protocol, strafmaatoverleg. Daar ben ik best van onder de indruk. Onderwijs speelt natuurlijk ook een belangrijke rol. Ik wil toch nog even van de minister horen hoe hij denkt dat al deze maatregelen indalen in de politieorganisatie, hoe ze worden ervaren en ook welk effect hij voorziet. Denkt hij inderdaad dat dit integriteitspakket, als ik het zo mag noemen, inclusief screening, de gewenste reductie van integriteitsschendingen gaat opleveren bij de politie?

Minister Grapperhaus:

Er zijn twee dingen. In de eerste plaats wil je het natuurlijk altijd naar nul brengen, maar ik heb er al op gewezen dat het uiteindelijk maar om een heel klein aantal integriteitsschendingen gaat. De Nederlandse politie staat erg hoog op de index van integere politiekorpsen in de wereld. Ik denk dat het eerste is dat je dat zo moet houden en dat je de integriteit en eerlijkheid, die zeer hoog in het vaandel van de politie en van politiemensen staan, ook in een technologisch ontwikkelde maatschappij, een maatschappij waarin allerlei dingen, ook allerlei verleidingen, op ons afkomen, hoog wilt houden en verder wilt ontwikkelen. Daarom wordt er ook veel aandacht aan besteed in het onderwijs bij de Politieacademie en vind ik het ook goed dat we daar verder in investeren en verder geld in steken.

Het tweede punt is natuurlijk dat je hoopt dat je dat percentage van 0,9% van mensen dat betrokken is bij disciplinaire onderzoeken, nog omlaag kunt krijgen. Ik denk dat goede preventie, door het met mensen bespreekbaar te maken, door ze te oefenen, door ze in fictieve situaties te brengen enzovoorts, één pijler is. Een tweede pijler is natuurlijk om met elkaar een eerlijk systeem te hebben om het te monitoren, in de gaten te houden, te screenen. De derde pijler, het laatste onderdeel, is het straffen van degenen die toch de fout in zijn gegaan. Dat moet een fair systeem zijn, maar wel een dat duidelijke signalen afgeeft. Op dat punt heb ik dus ook het punt van Van Dam opgepakt. Ik wil uw Kamer nog ietwat meer duidelijkheid geven dat die twee trajecten die er nu zijn, wel goed gescheiden lopen.

De heer Arno Rutte (VVD):

Een korte vraag. Dan kan ik waarschijnlijk ook afzien van een tweede termijn. De minister gaf net aan dat het gebruiken van data gemonitord gaat worden, eerst in een pilot, om te zien of daar rare patronen in zitten. De minister zei daarna ook, op een andere vraag van mij, dat de mensen van het Openbaar Ministerie altijd bij die data kunnen. Wordt in die pilot ook het datazoekproces van de mensen van het Openbaar Ministerie gemonitord, om te zien of daar vreemde patronen in zitten?

Minister Grapperhaus:

Ik moet u bekennen dat ik dat niet weet. Maar ik kan mij wel voorstellen dat als je aparte patronen gaat meten, zich dat dan ook uitstrekt tot gebruikers van het OM. Maar ik kan het u niet met zekerheid zeggen. Want aan de andere kant: het gaat ons er nou juist om om het ten aanzien van het politiegebruik goed in kaart te krijgen.

De heer Arno Rutte (VVD):

Wat de minister zich kan voorstellen, kan ik mij ook voorstellen. Maar ik zou het zeer waarderen als hij mij zou toezeggen dat hij in ieder geval onderzoekt of de zoekactiviteiten van de mensen van het OM meegenomen worden.

Minister Grapperhaus:

Ik heb al gezegd dat we bij een volgend AO sowieso over een aantal van dit soort dingen door moeten spreken en dat het dan zinnig is dat ik van tevoren aan u aangeef hoe dit nou in zijn werk gaat.

De voorzitter:

Dan komen we aan de tweede termijn. Is daar belangstelling voor? Ja, de heer Van Dam staat op. Ik kijk even naar de andere leden. Zijn er meer leden? Ja. Oké.

De heer Van Dam (CDA):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik had een motie voorbereid op het punt van het integriteitsonderzoek en het strafrechtelijk onderzoek. Ik dien die motie toch in, maar vooral ook om even te kijken of dat wat de minister toezegt, past in datgene wat ik wilde. Ik heb er overigens ook iets uit weggestreept, over een onderzoek ernaar. Ik wil absoluut niet dat het tot meer fuss leidt dan nodig. We praten hier niet over individuele zaken, maar dat soort zaken komen wel tot mij. Dat is een beetje de zorg die ik heb. Daaruit spruit het voort.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de politie niet een eigenstandig tuchtrecht kent, zoals artsen, advocaten en notarissen;

overwegende dat de integriteitsonderzoeken zoals die door de bureaus VIK worden uitgevoerd zowel tot een disciplinaire als een strafrechtelijke reactie dan wel een combinatie van die twee kunnen leiden en dat het karakter van zo'n onderzoek voor de betrokken politieman veelal niet kenbaar is;

overwegende dat dit tot forse rechtsonzekerheid bij politiemensen leidt;

verzoekt de regering om de voors en tegens van een afzonderlijk politietuchtrecht inzichtelijk te maken, en de Kamer daarover te berichten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Dam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 154 (28844).

Dank u wel. Mevrouw Helder, PVV.

Mevrouw Helder (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik had gegokt dat collega Van Dam zijn motie zou indienen, want mijn fractie heeft ook behoefte aan verduidelijking door de minister. Mijn fractie ziet het politietuchtrecht als een ultimum remedium. Ik weet dat de vorige korpschef ook een oproep heeft gedaan voor een zelfstandig politietuchtrecht, maar dat was bedoeld om te voorkomen dat politiemensen die geweld hebben moeten toepassen, voor de strafrechter zouden komen. De minister heeft daarover het wetsvoorstel Geweldsaanwending opsporingsambtenaar in voorbereiding — ik merk op dat dat al heel lang duurt — maar wij hebben het Besluit algemene rechtspositie politie. In artikel 76 lid 2 daarvan, voor de liefhebber, staat wat onder plichtsverzuim valt, maar dat is een heel open norm. Daar zit wat mij betreft de sympathie voor de motie. Die gaat over het voorkomen van rechtsonzekerheid bij politie. Ik heb de minister horen zeggen dat het erom gaat de uniformiteit te bevorderen, maar dan had hij het over het strafmaatoverleg. Dat is wat mijn fractie betreft dan weer te laat, want het moet aan de voorkant gaan om de vraag: wanneer wordt de keuze gemaakt voor het strafrecht of voor een politietuchtrecht of eigenlijk de VIK-route, om het maar heel populair te zeggen? Mijn fractie is geen voorstander van politieagenten die zich voor de strafrechter moeten verantwoorden. Ik zou graag een nadere duiding van de minister willen in toelichting op de motie van collega Van Dam.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Den Boer.

Mevrouw Den Boer (D66):

Voorzitter. Mevrouw Ien Dales heeft ons ooit een belangrijke les meegegeven: een beetje integer kan niet. Ik ben heel blij met de beantwoording van de minister. Ik zie dat hij het probleem van non-integriteit serieus neemt. Ik ben heel benieuwd of het pakket aan maatregelen dat hij in werking heeft gezet en dat hij voor een deel ook heeft aangekondigd, effect zal hebben. Zo ben ik benieuwd naar de geanonimiseerde screening.

Ik vind dit vooral een moment om ons nog even eraan te herinneren dat Nederland heel kritisch kan zijn over de politie in het buitenland, maar dat we daarbij ook vooral heel kritisch naar onszelf moeten kijken, dat we in de spiegel moeten blijven kijken.

Daar wil ik het bij houden voor vanavond. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn wij aan het eind gekomen van de tweede termijn van de Kamer. Ik geef het woord aan de minister voor zijn appreciatie van de motie en de beantwoording van de vragen die zijn gesteld.

Minister Grapperhaus:

Voorzitter. Ik vind dat best lastig, want over het algemeen zijn moties van het lid Van Dam mij uiterst sympathiek, maar wij zijn eerst nog met een paar andere dingen bezig, in de eerste plaats met het wetsvoorstel Geweldsaanwending, dat in het regeerakkoord in ieder geval prioriteit heeft gekregen. Daarnaast heb ik net aangegeven dat ik uw Kamer graag nog in een brief wil laten zien dat het huidige stelsel van de VIK-procedure en de strafrechtelijke procedure elkaar niet in de weg lopen of overlappen. Voor zover ik ga constateren dat dat wel het geval is, heb ik al aangegeven aan uw Kamer hoe die twee trajecten los van elkaar kunnen gaan lopen. Als wij de evaluatie daarvan met elkaar gedaan hebben, kunnen wij de vraag stellen of het een goede zaak is om naast die twee nog apart politietuchtrecht te gaan doen — dat zou dan niet het strafrecht zijn, maar altijd de VIK-procedure — of dat we die procedure door een politietuchtrecht moeten vervangen. Maar ik vind dus eigenlijk dat het nu nog niet opportuun is om de voors en tegens van een afzonderlijk politietuchtrecht naast elkaar te gaan zetten. Want dan gaan we toch al iets te ver het pad in.

De heer Van Dam (CDA):

Ik heb ooit geleerd dat de beste manier om een olifant op te eten, is door hem in stukjes te hakken en dan stuk voor stuk naar binnen te werken. Indachtig die les ben ik het met de minister eens dat het step by step misschien beter is dan om meteen de stap naar wel of geen tuchtrecht te zetten. Maar mag ik toezegging van de minister nu zo opvatten dat hij nog eens in een brief uiteenzet hoe het loopt van A, de melding, de verdenking, tot en met Z, wat voor keus maken we in de afdoening? Dat is toch vaak een keus tussen de eenheidsleiding en het parket, waar ook dingen gebeuren waarvan ik denk: hoe kenbaar is dat nou voor individuele dienders? Mijn belang is om dat inzichtelijk te hebben. Als de minister dat toezegt, kan ik daar heel erg goed mee leven en ben ik gaarne bereid om mijn motie ...

Minister Grapperhaus:

Aan te houden.

De heer Van Dam (CDA):

Nou ja, aan te houden of misschien zelfs weer mee naar huis te nemen. Mij gaat het om het volgende: wij leven in een tijd waarin veel politiemensen in onzekerheid verkeren over van alles en nog wat. Op dat punt wil ik ook hier naast hen staan. Ik ben het er helemaal mee eens dat het om een heel klein gedeelte van de politiemensen gaat, maar het is een zekerheid voor alle politiemensen dat je als je in die situatie komt, op een faire manier behandeld wordt.

Minister Grapperhaus:

Allereerst, het Kamerlid Van Dam en ik hebben allebei dezelfde — excuseert u mij het neologisme — aanvliegroute. Want ik denk dat we dit allebei juist goed willen hebben zodat alle dienders weten waar ze aan toe zijn en een soort rechtszekerheid op dit punt hebben, en ze niet in allerlei dubbelloopse toestanden terechtkomen. En op het tweede is het antwoord: ja. Die inzichtelijkheid wil ik graag geven.

De voorzitter:

Trekt u uw motie in? Want mee naar huis nemen is een vorm die wij nog niet kennen in onze parlementaire geschiedenis.

De heer Van Dam (CDA):

Dan zou ik u bij dezen willen vragen om dat in het Presidium toch aan de orde te stellen. Nee, ik trek haar in met deze toezegging. Dank u wel.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Van Dam (28844, nr. 154) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Dank u wel. Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van het debat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

We hoeven nergens over te stemmen. We sluiten de vergadering en beginnen morgen weer fris en fruitig.