Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-2017nr. 5, item 3

3 Vreemdelingen- en asielbeleid

Aan de orde is het VAO Vreemdelingen- en asielbeleid (AO d.d. 08/09). 

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van harte welkom. Ik wilde het woord allereerst verlenen aan mevrouw Gesthuizen, maar zij wijst naar de heer Sjoerdsma. Dan gaat de heer Sjoerdsma dus eerst. Hoe dan ook, voor allen geldt een spreektijd van maximaal twee minuten, inclusief het indienen van eventuele moties. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Voorzitter. Ik ben collega Gesthuizen graag ter wille. 

Het algemeen overleg begon eigenlijk met een heel felle rechtse discussie bij monde van collega Fritsma van de PVV over het sluiten van de grenzen, maar ik ben heel blij met hoe dat overleg is geëindigd. De staatssecretaris is de oppositie namelijk echt tegemoet getreden met betrekking tot het verzoek om 750 vluchtelingenkinderen zo snel mogelijk voor het eind van dit jaar naar Nederland te halen. Ik moet toegeven dat zijn brief wel ambtenarentaal voor gevorderden is. Ik heb af en toe echt eventjes moeten puzzelen om te begrijpen wat er precies stond, maar ik las daarin — dat vind ik een belangrijke zin — dat de staatssecretaris mogelijkheden ziet om de door de oppositie genoemde en volgens mij ook door de PvdA gesteunde aantallen zo snel mogelijk te herplaatsen. Dat verwelkom ik en ik dank de staatssecretaris voor die bereidwilligheid en ook voor zijn eigen initiatief om niet alleen te kijken naar alleenstaande minderjarige vluchtelingen, maar ook naar minderjarige vluchtelingen voor … 

De voorzitter:

Let u wel op uw tijd? U moet uw motie indienen binnen uw spreektijd. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik let op mijn tijd. Ik dank u voor de adviezen, maar dit kost mij weer vijf seconden. Die komen er straks vast weer bij. 

Ik heb een motie. Ik had nog een motie, maar die zal ik niet indienen. Ik hoop wel dat de staatssecretaris goed wil kijken naar zijn toezegging om met de Italianen te spreken over de situatie. Ik hoop dat hij daar mondeling op in kan gaan. Die motie met het verzoek over de 750 vluchtelingenkinderen zal ik dus niet indienen, want de staatssecretaris doet dat zelf al. 

Ik heb wel een motie over de IND en de bezuinigingen. Ik zeg tegen de voorzitter dat ik die motie omwille van de tijd meteen zal voorlezen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat asielzoekers het afgelopen jaar maandenlang hebben moeten wachten op hun asielprocedure wegens gebrek aan capaciteit bij de IND; 

constaterende dat er nog steeds 17.000 mensen zonder status in de opvang verblijven en dat de gemiddelde wachttijd voor gezinshereniging acht maanden is; 

overwegende dat het onwenselijk is dat mensen langer dan nodig in onzekerheid zitten over hun status of de hereniging met hun gezin; 

verzoekt de regering, de capaciteit van de IND op volle sterkte te houden ten minste totdat de reguliere zes dagen rust- en voorbereidingstijd weer in gebruik genomen kan worden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Sjoerdsma, Voortman, Voordewind en Gesthuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 2224 (19637). 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik dank de heer Sjoerdsma voor zijn bereidheid om even voor vliegende kiep te spelen en om als eerste het woord te voeren. 

Ik heb drie moties en een vraag aan de staatssecretaris. Die vraag betreft het vluchtelingenkamp in Calais. Kan de staatssecretaris zich zo snel mogelijk laten informeren over datgene wat de Franse regering nu precies van plan is om te gaan doen voor de mensen die daar nu nog wonen, dus voor de bewoners van het kamp in Calais en ook van het kamp in Duinkerke? En kan hij de Kamer daar bij voorkeur voor het begin van volgende week over informeren? Dan kunnen we daar nog op terugkomen bij het komende algemeen overleg over vreemdelingenbeleid en asiel. 

Ik ga nu mijn drie moties indienen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat Europol melding maakt van 10.000 vermiste minderjarige asielzoekers in Europa en aangeeft dat het waarschijnlijk nog om een veel groter aantal gaat; 

overwegende dat de United Nations Office on Drugs and Crime stelt dat een op de vijf slachtoffers van mensenhandel kind is en het gevaar groot is dat de 10.000 vermiste kinderen slachtoffer worden of al zijn van mensenhandel; 

overwegende dat de regering aangeeft het belang van het kind voorop te stellen; 

verzoekt de regering, in nauw overleg met Europol en de Europese Commissie er bij de Europese lidstaten voor te pleiten dat zij de opsporing van deze 10.000 vermiste minderjarige asielzoekers tot prioriteit van hun opsporingsinstanties maken en daarover de Kamer te informeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Gesthuizen, Voortman en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 2225 (19637). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat in het nieuwe ambtsbericht betreffende Somalië de definitie van alleenstaande vrouwen wordt aangepast waardoor zij niet meer worden gezien als alleenstaand indien zij nog beschikken over een mannelijk familielid in de derde graad in hun herkomstgebied; 

constaterende dat dit ten gevolge heeft dat een vrouw afhankelijk kan worden gemaakt van bijvoorbeeld een verre neef of oudoom en dit meegaat in de patriarchale cultuur waarvoor sommige vrouwen uit Somalië juist gevlucht zijn; 

overwegende dat de aanwezigheid van een derdegraads mannelijk familielid niet in de absolute mate als thans in het ambtsbericht is opgeschreven, als sociaal netwerk gezien kan worden en bovendien geenszins garandeert dat de alleenstaande vrouw minder kwetsbaar zou zijn; 

van mening dat anno 2016 vrouwen waar ook ter wereld op geen enkele wijze afhankelijk gemaakt mogen worden van mannen en dat dit ambtsbericht daar wel op hint; 

verzoekt de regering, het beleid ten aanzien van alleenstaande vrouwen te herzien en tot die tijd een besluit- en vertrekmoratorium voor vrouwen uit Zuid- en Centraal Somalië in te stellen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Gesthuizen, Voortman, Voordewind en Sjoerdsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 2226 (19637). 

Mevrouw Gesthuizen, u kunt uw derde motie niet meer indienen. Het spijt me, maar ik heb van tevoren gezegd dat ik u aan de spreektijd zou houden. 

Het woord is aan mevrouw Voortman. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de logeerregeling momenteel wordt afgebouwd en het zelfzorgarrangement per 16 september is stopgezet; 

overwegende dat de logeerregeling en het zelfzorgarrangement de mogelijkheid bieden voor personen in de COA-opvang om elders opvang te regelen bij vrienden of familie, waardoor onder andere de COA-opvang minder belast wordt; 

verzoekt de regering, de logeerregeling in stand te houden en het stopzetten van het zelfzorgarrangement ongedaan te maken, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voortman, Sjoerdsma, Gesthuizen en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 2227 (19637). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat Italië nog altijd grote hoeveelheden asielzoekers te verwerken heeft door onverminderd grote aantallen personen die via de centraal-mediterrane route van Afrika naar Europa reizen; 

constaterende dat Nederland momenteel nog 5.253 asielzoekers uit Griekenland en Italië dient te hervestigen op basis van Europese afspraken; 

verzoekt de regering, voor asielzoekers uit Italië af te zien van het toepassen van Dublinclaims en de stop op het uitzetten van asielzoekers naar Griekenland tevens voort te zetten zolang aan de Nederlandse hervestigingsverplichtingen nog niet is voldaan, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voortman, Gesthuizen en Sjoerdsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 2228 (19637). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat 92% van de aanvragen voor de definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen is afgewezen en dat sinds de inwerkingtreding van de regeling drie jaar geleden maar aan 40 kinderen een vergunning is vertrekt op basis van de regeling; 

overwegende dat met het kinderpardon is beoogd, een vangnet te creëren voor in Nederland gewortelde kinderen die ondanks hun langdurige verblijf geen verblijfsvergunning hebben gekregen; 

overwegende dat het huidige kinderpardon de functie van vangnet niet waar lijkt te kunnen maken en het derhalve wenselijk is dat de Kamer inzicht krijgt in de concrete invulling van de vereisten voor kinderpardonvergunningen om te kunnen toetsen of sprake is van een gebrek in de regeling en/of uitvoering daarvan; 

verzoekt de regering, de minuten van de 40 zaken waarin een vergunning is toegewezen op grond van de definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen te anonimiseren en nog voor de behandeling van de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie aan de Kamer te zenden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voortman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 2229 (19637). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat er tot op heden nog geen enkele buitenschuldvergunning is verleend aan alleenstaande minderjarige vreemdelingen en het beleid geen toegevoegde waarde ten opzichte van de normale buitenschuldregeling lijkt te hebben; 

overwegende dat onduidelijk is op welke manier er precies naar een duurzame oplossing wordt gezocht voor het kind; 

verzoekt de regering, de herijking van de buitenschuldvergunning voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen te evalueren en daarover de Kamer te informeren; 

verzoekt de regering tevens, de Kamer uitgebreid te informeren naar aanleiding van de vraag op welke manier er concreet naar duurzame oplossingen wordt gezocht indien alleenstaande minderjarige vreemdelingen niet terug kunnen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voortman en Gesthuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 2230 (19637). 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Ten eerste vraag ik de staatssecretaris om een reactie op de onlangs gepubliceerde cijfers die vanmorgen via BNR Nieuwsradio bekend zijn geworden over de instroom van vorig jaar, waaruit blijkt dat de hele Turkijedeal overbodig was. Ik verwijs naar de BNR-uitzending van vanmorgen. 

Vervolgens dien ik drie moties in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat 92% van de aanvragen in het kader van de definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen is afgewezen en dat de meest voorkomende afwijzingsgrond volgens de staatssecretaris gelegen is in het "niet actief meewerken aan vertrek"; 

verzoekt de regering, in kaart te brengen op welke wijze het niet-meewerkcriterium in de praktijk wordt tegengeworpen, mogelijkheden tot versoepeling van dit criterium aan de Kamer voor te leggen en tot die tijd geen kinderen uit te zetten die niet voldoen aan het meewerkcriterium, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Gesthuizen, Voortman en Sjoerdsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 2231 (19637). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat het toezicht van de lokale overheid hoort te vallen onder het begrip "rijkstoezicht"; 

verzoekt de regering, het begrip "rijkstoezicht" in de definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen dusdanig te wijzigen dat ook het toezicht door de lokale overheid onder dit begrip wordt geschaard, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Gesthuizen en Voortman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 2232 (19637). 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dan mijn laatste motie. Dat ga ik redden met nog 52 seconden te gaan. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat Nederland voornemens is om genocideverdachten uit te leveren aan Rwanda; 

overwegende dat er gerede twijfel is ontstaan over de kans op een eerlijk proces in Rwanda, onder meer door expertverklaringen over de gebrekkige juridische verdediging en de mogelijke politieke invloed op de rechtspraak zoals ook is beschreven in het laatste ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken; 

verzoekt de regering, de uitleveringen aan Rwanda op te schorten en de mogelijkheden te onderzoeken om de genocideverdachten in Nederland te vervolgen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 2233 (19637). 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dan heb ik nog een slotopmerking. Ik zag dat de staatssecretaris de cijfers die ik eerder noemde niet helemaal kon plaatsen. Het zijn de cijfers die vanmorgen naar buiten zijn gekomen via de Vrije Universiteit Amsterdam. Hoogleraar Spijkerboer beweert dat niet de Turkijedeal de belangrijkste aangever is geweest voor de afname van de instroom van vluchtelingen maar dat het vooral komt door het sluiten van de Balkangrenzen. Ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris die cijfers niet paraat heeft. Misschien kan de staatssecretaris hierover een brief schrijven aan de Kamer. 

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. De PVV ziet met lede ogen aan hoe het kabinet en de meeste andere partijen het vreemdelingenbeleid precies de verkeerde kant op sturen. Aan de ene kant is er een beweging om steeds maar weer nieuwe migranten naar Nederland te halen en aan de andere kant is er een beweging om illegalen of uitgeprocedeerden niet uit te zetten. We zien dat asielzoekersgezinnen massaal in Nederland blijven hangen. Dat komt ook door de laatste pardonregeling, want wederom is bewezen dat het negeren van de vertrekplicht wordt beloond met een verblijfsvergunning. Wederom is er een lobby om die pardonregeling nog ruimer te maken en wederom wordt er een wetsvoorstel ingediend om nog meer asielzoekersgezinnen in Nederland te houden, wat in feite weer een nieuwe pardonregeling is. 

De staatssecretaris moet inzien dat het terugkeerbeleid ernstig wordt ondermijnd en hij moet dat repareren, te beginnen met het van tafel vegen van de structurele kinderpardonregeling die veel schade aanricht. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de structurele variant van het kinderpardon mede debet is aan het feit dat uitgeprocedeerde asielzoekersgezinnen niet uit Nederland vertrekken; 

verzoekt de regering, de structurele pardonregeling onmiddellijk ongedaan te maken, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Fritsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 2234 (19637). 

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. Om te beginnen dank ik de staatssecretaris voor zijn inspanningen om zo snel mogelijk zo veel mogelijk minderjarige kinderen naar Nederland te halen; een pleidooi van de collega's van D66, de ChristenUnie, GroenLinks en nu vergeet ik nog een partij. Maar de staatssecretaris weet welke ik bedoel. Daar wil ik de staatssecretaris heel hartelijk voor danken. 

Ik heb nog een aantal vragen over de logeerarrangementen en de zelfzorgarrangementen. Hoe is het mogelijk dat wij via de website van het COA vernemen dat een zelfzorgarrangement verdwijnt? Waarom is niet vooraf met de VNG en andere organisaties die in de brief van deze week worden genoemd, gesproken over de vraag hoe dit arrangement kan worden voortgezet? Waarom vindt dat pas plaats in november? 

Kan de staatssecretaris nog ingaan op de juridische implicaties? Is het al dan niet van toepassing zijn van de kostendelersnorm bij het logeerarrangement juridisch bindend? 

Dat zijn mijn vragen. 

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor enkele ogenblikken opdat de staatssecretaris de baaierd van moties kan ordenen. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Voorzitter. Ik begin met een aantal vragen. Mevrouw Gesthuizen vroeg of wij kunnen vertellen wat de Fransen gaan doen. Ik zal navraag doen en de Kamer informeren over de uitkomsten van ons contact. We kunnen er dan verder over spreken. 

De heer Sjoerdsma vroeg of ik ook met de Italianen wil spreken over de situatie. Ook dat wil ik graag doen, al hebben we het daar binnen de Europese Unie natuurlijk vaak over. Italië staat vol op de radar. Officieel is de Commissie degene die toeziet op wat daar gebeurt. Nederland heeft zich in de afgelopen tijd actief opgesteld en zal dat blijven doen. Ik zal hier dus met hen verder over spreken en benadrukken dat er afspraken met de Afrikaanse landen zullen moeten worden gemaakt, ook in het belang van Italië zelf. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Graag een verheldering. Italië werd eigenlijk genoemd in verband met het voorstel van mijn partij en de ChristenUnie om die 750 vluchtelingenkinderen te halen. Wij hebben gevraagd om met Griekenland én met Italië te gaan praten over die alleenstaande minderjarige vluchtelingen. De staatssecretaris gaat in zijn brief enkel in op Griekenland. Vandaar mijn oproep om ook te bekijken of er met Italië iets kan worden gedaan, aangezien de herplaatsing zowel Griekenland als Italië betreft. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Oké. In het AO gingen de vragen vooral over Griekenland, vandaar. Maar we hebben natuurlijk ook speciale aandacht voor deze groep en Italië. Ik hecht eraan om steeds te zeggen dat het percentage mensen in Italië dat in aanmerking komt voor relocatie een stuk lager is, omdat zij uit landen komen die waarschijnlijk geen vluchtelingenstatus opleveren. 

Nu de heer Voordewind en de reactie op de instroomcijfers. Ik heb even kort naar het bericht gekeken. De wetenschappelijke onderbouwing van die uitspraak zie ik graag tegemoet. In de uitspraak zelf kon ik daar namelijk weinig van vinden. Volgens mij heeft het kabinet altijd gepleit voor meerdere maatregelen en filters die zo met elkaar werken dat de instroom wordt beperkt, zoals de afspraken met Turkije en zeker ook het stoppen van het doorverhuizen. Beide waren kernonderdelen van het beleid dat wij in Europa hebben willen bewerkstelligen. Ik vind het prettig dat de discussie nu wordt verengd tot de vraag welk van de verschillende onderdelen van het kabinetsbeleid waarvoor wij hebben geijverd, precies heeft gezorgd voor de lagere instroom. 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik dank de staatssecretaris voor zijn eerste reactie. De onderliggende cijfers zijn inderdaad de moeite van het bestuderen waard, juist omdat de staatssecretaris en de Europese Commissie mogelijk met andere landen een soort Turkijedeal, Libiëdeal of whatever willen gaan sluiten. Ik zou daarom een nadere reactie van de staatssecretaris per brief op prijs stellen. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

In hetzelfde nieuwsbericht las ik dat de heer Voordewind al had aangekondigd dat hij Kamervragen zou gaan stellen. Ik zal die per brief beantwoorden en dit zo afdoen. Als er vanuit wetenschappelijke hoek iets wordt beweerd, hoop ik dat daaruit ook een onderbouwing wordt geleverd. Het werd immers winter, waardoor er ook een afname was. Het ging vooral over de vraag waarom het in het voorjaar erna niet weer is toegenomen. Er moet in dat geval iets worden bestudeerd wat niet is gebeurd. Ik ben heel benieuwd hoe we dat gaan doen. 

Ik kom bij de moties terug op de vraag van mevrouw Kuiken. 

In de eerste motie, die op stuk nr. 2224, zitten een aantal zaken. De rust-en-voorbereidingstermijn geldt alleen in de reguliere procedure, dus niet voor de nareis. Voor een gewone asielprocedure wordt deze in de komende periode al genormaliseerd. De IND heeft juist extra mensen ingezet om de procedure rond de nareis te bekorten en om achterstanden in te lopen. Het doel van de motie streef ik al na. Omdat ik de organisatie niet onnodig verder wil klemzetten, ontraad ik deze motie. 

De heer Sjoerdsma (D66):

De staatssecretaris gaat nu uit van een periode van acht weken, maar de reguliere periode gaat over zes dagen. Ik weet niet wat de staatssecretaris bedoelt met de organisatie "klemzetten". Mij lijkt het juist wel verstandig om vast te houden aan deze capaciteit en dit personeel, ook omdat daar veel in is geïnvesteerd, als ik de brief tenminste goed heb begrepen. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Daarom hebben we ook niet van al het extra geworven personeel afscheid genomen, maar een deel daarvan ingezet voor het inlopen van de nareiswachttijden. Ik wil in de komende tijd echter verstandig kunnen blijven sturen en het niet klem zetten op één factor. Als iemand hier bijna is, maar de organisatie om andere redenen, zoals contractuele redenen, moet bijsturen, wil ik niet dat het hierop wordt klemgezet. 

De tweede motie, op stuk nr. 2225, is ingewikkeld omdat zij over zo veel vermiste kinderen gaat. Dit punt heeft Nederland in Europees verband aangekaart, ook bij de Europese Commissie. In de motie komt echter steeds het bericht van Europol terug. Wij hebben heel snel navraag gedaan bij Europol en Europol heeft tegen ons gezegd dat het geen officieel bericht is. Het is heel lastig voor ons om te focussen op het getal van 10.000 vermiste minderjarige asielzoekers als de bron van dat getal zelf zegt dat het geen officieel bericht was en dat hij geen schattingen of informatie heeft waaruit blijkt waar die kinderen zijn, hoe je ze kunt helpen en dat het er in werkelijkheid 10.000 zijn. Dan gaan wij op het verkeerde focussen. Daarom ontraad ik deze motie, die zich hier specifiek op richt. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Dit is toch gewoon krankzinnig? De Europese samenwerkende opsporingsdiensten zeggen dat er een groot probleem is en dan komt de staatssecretaris met een formalistisch argument, alsof het niet zou gaan om duizenden kinderen die mogelijk in de handen van mensenhandelaars terecht zijn gekomen. Leest de staatssecretaris nooit kranten? Leest hij niet de artikelen waarin staat dat kinderen, of ze nu wel of niet echt een asielachtergrond hebben — dat doet er in feite niet zo veel toe — in Italië onder bomen op matrasjes op afwerkplekken liggen te pezen om hun reis naar Europa te kunnen afbetalen aan mensensmokkelaars? Wil hij daar niets aan doen? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Wat ik een beetje krankzinnig vind, is dat ik hier nog een keer de hele waslijst aan maatregelen die wij nemen zou moeten oplezen en dat er, als ik dat niet doe, wordt gedaan alsof wij niets doen. Ik lees die lijst expres niet nog eens op, omdat het hele AO daarover ging, maar er is een hele waslijst aan maatregelen in ons standaardbeleid binnen Europa: wij ijveren ervoor om minderjarige kinderen die in de knel zitten, met welke achtergrond dan ook, te helpen en voor hen op te komen, samen met de Commissie en Europol. Ik wijs erop dat in deze motie iets extra's wordt gevraagd, boven op alles wat we al doen en ook zullen blijven doen, want we komen voor die kinderen op. In de motie wordt nu eenmaal verwezen naar die bron. We zijn daar meteen achteraan gegaan, want als Europol meer informatie heeft, kunnen we dit gerichter aanpakken. Europol zei echter: het had meer een signaalfunctie; het was geen officieel bericht. Als ik de motie zou omarmen, kan ik over een jaar slechts rapporteren dat ik niets te melden heb over dat aantal van 10.000 van Europol, omdat we daar nooit iets mee gekund hebben. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Mag ik van de staatssecretaris dan een reactie op de volgende stelling? De stelling is dat het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft gereageerd met de woorden: wij willen hier geen melding van maken richting Interpol, want dan worden wij verantwoordelijk voor die kinderen. Klopt dat? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Niet dat ik weet. Ik weet dat wij bij Europol navraag hebben gedaan. Toen dat bericht verscheen, heb ik zelf verzocht om inzage in het rapport of de informatie, maar Europol heeft toen tegen ons gezegd: het is geen officieel bericht van ons. Wat mevrouw Gesthuizen zegt, kan ik niet plaatsen. Het is sowieso lastig om verantwoordelijkheid te dragen voor een specifiek aantal kinderen in een bericht dat nergens bevestigd is. Laten we ons niet focussen op één bericht van Europol, maar op het werk dat we doen om ervoor te zorgen dat de kinderen uit de knel raken. 

Over het onderwerp van de derde motie, op stuk nr. 2226, hebben we ook een discussie gehad in het AO. Ik ontraad deze motie ook. In de motie wordt ingegaan op de wijze waarop we het ambtsbericht hebben geformuleerd en wat dit wel of niet zou betekenen. Ik herhaal dat altijd sprake is van een individuele weging van de veiligheid als iemand uit Somalië een asielaanvraag doet, zeker bij de vrouwen. Wat in het ambtsbericht staat is in lijn met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat staat volgens mij niet bekend om het niet respecteren van de rechten van vrouwen. 

De motie-Voortman c.s. op stuk nr. 2227 gaat over de logeerregeling en het zelfzorgarrangement (zza). Ook mevrouw Kuiken heeft hierover een vraag gesteld. Ik zal het specifiek maken. Mevrouw Kuiken vroeg waarom niet eerder met de VNG is overlegd over het afschaffen van het zza en waarom dat straks wel gebeurt. Straks gaan we juist overleggen over de logeerregeling. Daar is namelijk veel gebruik van gemaakt, terwijl van het zza maar 75 mensen gebruik hebben gemaakt. Het zza hebben wij vorig jaar zelfstandig ingesteld omdat er knelpunten waren in de opvang: er was een tekort. Gebleken is dat die regeling niet het door ons gehoopte succes heeft gehad. De logeerregeling zelf bestaat nog. Die loopt nog. Ik heb binnenkort overleg over de vraag of we die in stand houden. Ik merk wel dat de Kamer graag wil dat we de regeling in stand houden. Ik zal dat meenemen bij de gedachtevorming en de Kamer daarover informeren. 

Collega Klijnsma is primair verantwoordelijk voor de kostendelersnorm. Zij heeft aangegeven dat gemeenten ruimte hebben om zelf een afweging te maken over het al dan niet toepassen van die kostendelersnorm bij het zelfzorgarrangement. 

Ik ontraad de motie omdat ik het herinvoeren van het zelfzorgarrangement, waar maar 75 mensen gebruik van hebben gemaakt, niet zinnig vind. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

De staatssecretaris zegt dat het aantal van 75 mensen te klein is. Maar tegelijkertijd hebben die mensen daar wel naar volle tevredenheid gebruik van gemaakt. Het kost ook niet veel moeite om een dergelijk arrangement op te zetten. Dus waarom zouden we dit niet alsnog in stand houden? Wat zijn de argumenten om dat niet te doen? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ik heb het vorig jaar, tijdens de piek van de instroom, noodgedwongen ingesteld, omdat ik dacht dat we daarmee de druk op het COA konden verminderen. Dat is niet het geval geweest. De mensen die op tv aankondigden iemand in huis te willen nemen, hebben dat niet allemaal gedaan. Dat is maar in 75 gevallen gebeurd. Dan denk ik: ik kan zo'n regeling wel open laten staan, die dan bestaat naast een logeerregeling die in grote lijnen dezelfde doelen dient, maar als die andere regeling beter werkt, kijk ik liever of we die op een goede manier in stand kunnen houden dan dat we deze ook nog laten bestaan. Dat kan ook weer tot verwarring leiden. Verder hebben we nu natuurlijk ook geen capaciteitsgebrek meer bij het COA. Het zza kon je ook wat ruimer toepassen, met partijen waarmee we minder ervaring hadden. We hebben natuurlijk toch een verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat die mensen ook goed terechtkomen. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

De staatssecretaris geeft aan dat hij goed heeft gehoord dat de Kamer graag wil dat de logeerregeling in stand wordt gehouden. Kan hij daar nog iets meer over zeggen? Hij hoort dat de Kamer dit belangrijk vindt. Dan zou hij nu ook kunnen zeggen dat we de regeling sowieso in stand houden. Wat zijn de afwegingen die hij daarin nog wil maken? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ik heb afgesproken om de regeling te bespreken en te evalueren met een aantal partijen die daarbij betrokken zijn. Ik wil met een open houding naar hen luisteren. Een van die partijen is de VNG. Ik zal in ieder geval zeggen dat als ik, wellicht met die partijen, tot de conclusie kom dat we die regeling willen aanpassen, ik de Kamer zal informeren voordat dat in gang wordt gezet. Ik heb dat overleg met hen en ik wil ook hun argumenten goed horen en vervolgens een afweging maken. 

De voorzitter:

We gaan naar de motie op stuk nr. 2228 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik wil nog iets zeggen. 

De voorzitter:

Nee, we gaan door met de volgende motie. Het woord is aan de staatssecretaris. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Dan kan ik de motie niet aanhouden. Jammer! 

De voorzitter:

Ik wijs de leden erop dat we nu al ruim zijn uitgelopen ten opzichte van de planning. Ik ben niet streng om dat ik uw bijdrage niet interessant vind, maar omdat ik op de tijd moet letten. 

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Dat snap ik allemaal. Maar ik snap ook dat collega Voortman een procesvoorstel wil doen, zodat zij de motie kan aanhouden. Ik ga nu even gokken. Ik denk dat zij graag een brief wil na ommekomst van dat overleg, zodat zij dan kan bekijken of zij de motie alsnog in stemming wil brengen. 

De voorzitter:

Mevrouw Voortman, als u een ordevoorstel wilt doen, dan zit ik mis. Dan geef ik u daar graag de gelegenheid voor. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Mevrouw Kuiken heeft mijn wensen in dit geval goed aangevoeld. Ik wil inderdaad graag een brief na ommekomst van het overleg. Dan zal ik de motie aanhouden. 

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Voortman stel ik voor, haar motie (19637, nr. 2227) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Kan de staatssecretaris zeggen op welke termijn hij die brief zal aanleveren? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ik weet even niet uit mijn hoofd wanneer het overleg gepland is. Ik zal de brief kort daarna, binnen twee weken na het overleg, naar de Kamer sturen. 

Ik kom te spreken over de motie op stuk nr. 2228 over het stopzetten van de toepassing van Dublinclaims. Voor Griekenland is de toepassing van de Dublinverordening stopgezet, omdat geoordeeld wordt dat de omstandigheden niet goed genoeg zijn om mensen terug te sturen. Ik ontraad de motie echter in principiële zin, omdat het hele relocatiesysteem erop gebaseerd is dat wij gereguleerd formeel geregistreerde en door het systeem gehaalde mensen overnemen uit Italië en Griekenland en geen beloning zetten op het informeel reloceren oftewel via een smokkelaar of anderszins zelf doorreizen naar een gewenst land van bestemming. Ook dan vind ik dat we mensen die zelf zijn doorgelopen terug moeten blijven brengen en mensen uit landen met een te hoge instroom moeten blijven reloceren. 

De motie op stuk nr. 2229 ontraad ik ook. Ik heb er moeite mee om individuele zaken naar de Kamer te sturen als die ook al door de rechter, met alle beroepsmogelijkheden, zijn getoetst. Ik heb er nog meer moeite mee om dat geanonimiseerd te doen omdat dit zulke individuele zaken zijn dat, als je die echt wil anonimiseren, zodat je niet kunt herleiden om wie het gaat, je er zo veel informatie uit moet slopen dat je niet meer goed kunt beoordelen waarover het gaat. Dat is nu eenmaal de reden waarom de rechter de hele zaak toetst. Als ik dit zou moeten doen, dan vertroebelt dat het beeld op de werkelijkheid, want het volstaat dan niet om alleen de namen weg te halen. Ik moet dan ook informatie weghalen die uniek is voor die personen, waardoor je niet meer goed kunt afwegen welke specifieke casus het betreft. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. 

De voorzitter:

Ja, nu durf ik niet meer. Ga uw gang. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Gelukkig. 

Het punt is dat wij niet kunnen controleren hoeveel mensen daadwerkelijk een vergunning hebben gekregen op basis van het kinderpardon. We hebben zelf een zoektocht georganiseerd en de uitkomst was: één persoon, maar waarschijnlijk nul. De staatssecretaris heeft het over 40, maar wij willen daar graag meer bewijs van zien. Is er dan nog een ander alternatief dan het voorstel? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Het alternatief is onze rechtsstaat. We hebben een regeling opengesteld. Daar doen mensen een beroep op. Dan vellen wij een oordeel. Vervolgens staat er beroep open en daar buigt de rechter zich over. Hij heeft het laatste woord. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Wij willen het bewijs zien dat deze regeling daadwerkelijk leidt tot toekenningen. Daarover bestaat namelijk twijfel. Het lijkt erop dat geen enkel kind een vergunning heeft gekregen op basis van de definitieve regeling. De staatssecretaris kan er toch over nadenken hoe hij ons wat dit betreft ter wille kan zijn? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ik heb misschien een te juridische opvatting over een regeling. Een regeling is bedoeld voor iedereen die onder de criteria valt, ongedacht of dat er 1000 zijn, 100 of 1. De uitkomst bepaalt niet of een regeling werkt. Een regeling werkt als iedereen die aan de criteria voldoet via de regeling een vergunning krijgt. Het aantal dat daar uitkomt, hangt af van het aantal mensen dat aan de criteria voldoet en niet van de werking van de regeling. Op dat punt heb ik een heel andere mening over hoe je de werking van de regeling moet beoordelen. Ik ben het er niet mee eens dat het een toevoeging is om deze zaken geanonimiseerd naar de Kamer te sturen. 

De motie op stuk nr. 2230 over duurzame oplossingen ontraad ik ook. Als terugkeer niet mogelijk is — in de motie wordt gesproken over "niet terug kunnen" — dan is daar het buitenschuldcriterium voor. Dat is de duurzame oplossing voor het geval iemand echt niet terug kan. Voor iemand die vrijwillig terug wil, is terugkeer vrijwel altijd mogelijk. Daarvoor zijn duurzame oplossingen beschikbaar, die ook de Kamer bekend zijn, door mee te werken aan het faciliteren van de terugkeer en een betere start in het land van herkomst. 

Over de motie op stuk nr. 2231 hebben wij regelmatig en uitgebreid gesproken. Volgens mij is het ook hier de rechter die toetst of de regeling werkt en of er sprake is van het vellen van faire oordelen. Ik heb geen enkele behoefte daar nog een extra check op te zetten of zaken stop te zetten. Daarom ontraad ik ook deze motie. 

De motie op stuk nr. 2232 gaat over het rijkstoezichtcriterium en de uitbreiding daarvan naar de lokale overheid. Die motie ontraad ik ook. Ik houd in ieder geval vast aan het regeerakkoord. Daarnaast zouden wij een fictie creëren, want ik kan al die lokale overheden niet met terugwerkende kracht de afgelopen jaren aan de andere kant van de medaille laten voldoen, namelijk het melden van zaken aan ons als men weet heeft van mensen die hier illegaal verblijven. 

Wat de motie op stuk nr. 2233 betreft spreek ik mede namens de minister, want die gaat meer over de uitlevering en het doen van zaken op dit punt. Ik wijs erop dat onze rechtsstaat vereist dat er sprake is van een zorgvuldig besluit dat de rechter kan toetsen. Hij zal beoordelen of de zorgen die de heer Voordewind in zijn motie uit dusdanig moeten worden gewogen dat uitlevering niet mogelijk is. 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De rechter heeft inderdaad gesproken. Tegelijkertijd kennen wij het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken, waaruit blijkt dat er toch weer anders over wordt gedacht. Ik heb daarover Kamervragen gesteld, dus ik houd de motie aan totdat wij de beantwoording daarvan hebben. 

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Voordewind stel ik voor, zijn motie (19637, nr. 2233) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Zoals ik met betrekking tot de verruiming van de pardonregeling aan het regeerakkoord blijf vasthouden, doe ik dat ook met betrekking tot het verzoek van de heer Fritsma om de regeling helemaal af te schaffen. Daarom ontraad ik ook de motie-Fritsma op stuk nr. 2234. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Wij zullen aanstaande dinsdag over de ingediende moties stemmen. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.