Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-2017nr. 5, item 4

4 Vestiging Nederlanders uit Aruba, Curaçao en Sint-Maarten in Nederland

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van: 

  • - het Voorstel van wet van het lid Bosman houdende regulering van de vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland (Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland) ( 33325 ).

(Zie vergadering van 12 maart 2014.) 

De voorzitter:

Ik heet in vak-K de heer Bosman van harte welkom. Hij wordt bij de verdediging van zijn initiatiefwetsvoorstel ondersteund door Désirée de Groot, Jasper Boon en Jarid van de Steeg, allen medewerkers van de fractie van de VVD, en Joris Groen van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Tevens heet ik welkom de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Hij treedt bij de behandeling van dit wetsvoorstel op als adviseur van de Kamer. 

Vandaag is aan de orde het antwoord in eerste termijn en daarna de hele tweede termijn, als dat lukt, tenminste. 

Het woord is aan de heer Bosman voor zijn antwoord in eerste termijn. 

De algemene beraadslaging wordt hervat. 

De heer Bosman (VVD):

Voorzitter. De eerste termijn van de Kamer heeft alweer geruime tijd geleden plaatsgevonden. In de tussentijd heb ik niet stilgezeten. De Kamer heeft een extra voorlichting van de Raad van State gevraagd en gekregen. Wij hebben een nota van wijziging ingediend en ik ben blij dat wij verder kunnen met het debat. 

Al voor de start van het Statuut in 1954 werden er op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten eisen gesteld aan de vestiging van Nederlanders op dat grondgebied. Er worden eisen gesteld op het gebied van inkomen, opleiding en het hebben van een baan. Sterker nog, om het voorbeeld van Curaçao aan te halen, in het kader van de 80/20-wetgeving is eerst de Curaçaoënaar aan de beurt als het gaat om werk. Daarna pas mag een Nederlander aan de slag. De motivering hiervoor is veiligheid en leefbaarheid. Ik respecteer deze wetgeving, net zoals ik verwacht dat men op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten andersom zal begrijpen wat ons daadwerkelijke doel is. Want geen Nederlander zal begrijpen dat wij niet al veel langer gelijk oversteken met de Caribische landen in het Koninkrijk. Dat is namelijk waar dit wetsvoorstel om draait: gelijk oversteken en ervoor zorgen dat een onvoorbereid vertrek naar Nederland niet langer voor velen gelijkstaat aan een perspectiefloos bestaan in ons land. Zoals professor Oostindie zei: kansarm op de Antillen is kansloos in Nederland. De initiatiefwet die voorligt, is wat mij betreft zo logisch en rechtvaardig dat je je kunt afvragen waarom die wet er niet allang ligt. Dat dit niet alleen een wens van mij is, moge duidelijk zijn. Dat blijkt uit al die uitspraken die vele politieke partijen in de Tweede Kamer hebben gedaan door de jaren heen. Of het nu gaat om de motie waarin Mirjam Sterk in 2004 vroeg om een toelatingsregeling, of om Kamervragen uit 2004 van toenmalig Kamerlid Dijsselbloem, die inzage wilde krijgen in de criminaliteitscijfers. In 2007 was D66 bij monde van toenmalig minister Pechtold het eens met het terugsturen van criminele jongeren en in hetzelfde jaar gaf Kamerlid Van Bommel aan dat voor de SP — ik citeer — "elke toelatingsregeling voor Antillianen bespreekbaar is". 

Het is dus een breed gedeelde wens om de balans binnen het Koninkrijk te herstellen, want daar gaat het om: herstel van evenwicht. Ik denk niet dat er veel Nederlanders zijn die het eerlijk vinden dat de Caribische landen in het Koninkrijk de komst van Nederlanders strikt reguleren, terwijl Nederland ze omgekeerd geen strobreed in de weg legt. Geen Nederlands spreken, geen enkele band met ons land hebben, crimineel zijn, geen uitzicht hebben op werk of een zinvolle deelname aan onze samenleving: tot nu toe was dat allemaal geen probleem, de deur van ons land stond wijd open. 

Deze situatie is voor niemand goed. Voor Aruba, Curaçao en Sint-Maarten niet, want zij hoefden geen verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen ontwikkeling en voor het productief maken van jongeren in de kracht van hun leven. De situatie is ook niet goed voor hen die vanuit de Caribische landen van het Koninkrijk hier naartoe komen. Wat is er aantrekkelijk aan, in een land terecht te komen waar je nauwelijks mee kunt draaien in de samenleving? Wat is aantrekkelijk aan criminaliteit als enig toekomstperspectief? De ongereguleerde komst van groepen uit de Caribische landen van ons Koninkrijk is natuurlijk ook niet goed voor ons land. Het is niet goed voor Nederland dat zo'n grote groep rijksgenoten zo zelden een baan vindt en zo vaak in criminaliteit vervalt. De inwoners van gemeenten als Terneuzen, Zwolle of Den Helder, waar Antillianen oververtegenwoordigd zijn, kunnen daarover meepraten. Het probleem is moeilijk oplosbaar als er continu nieuwe mensen zonder perspectief blijven komen. Het doet mij pijn om te horen en te zien, maar het is wel een feit. 

Een voorbeeld wil ik toch noemen. Begin deze maand heeft de burgemeester van Terneuzen de gehele stad tot veiligheidsrisicogebied uitgeroepen, naar aanleiding van het op vrije voeten stellen van een aantal personen die verdacht waren van betrokkenheid bij een schietpartij in Terneuzen. Het ging om een onderlinge vete binnen de lokale Antilliaanse gemeenschap. Het is geen kleinigheid als mensen door hun gedrag zo'n impact hebben dat de gehele stad tot veiligheidsrisicogebied moet worden uitgeroepen om te voorkomen dat de vlam weer in de pan slaat. Dan moet je dat adresseren. Je zal maar in de buurt wonen en geconfronteerd worden met dit soort geweld. En het is geen incident. Het is al jaren aan de gang en helaas staat Terneuzen daar niet alleen in. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik voel natuurlijk mee met iedereen die hier of waar dan ook zegt: criminelen, boeven, mensen die geweldsdelicten of andere vormen van criminaliteit begaan, moet je aanpakken. Maar is de kern van de zaak die we hier vandaag bespreken niet dat de VVD probeert om alle Antillianen nu via dezelfde maatregel in deze hoek te plaatsen? Probeert de VVD dat niet bij voorbaat te doen door te zeggen: een bepaald deel van deze groep vertoont ernstig crimineel gedrag — dat geldt ook voor iedere andere bevolkingsgroep in Nederland — en daarom nemen we maatregelen die alle Antillianen treffen? Schuilt daarin niet ook de kritiek van de Raad van State en van mensenrechtenorganisaties die zich over dit vraagstuk hebben gebogen, en ook van mij persoonlijk? 

De heer Bosman (VVD):

Dank. Het is goed dat we dit even bespreken, want het is goed dat we zien dat er problemen zijn. Het is goed dat we allebei accepteren dat het probleem zo groot is dat we er wat mee moeten. Hoe ga je dat aanpakken? Ik zal er verderop in mijn tekst op ingaan waarom ik het op deze manier gedaan heb. Mevrouw Gesthuizen doelt op het stigmatiseren van de groep. Ik hervat mijn verhaal straks met de woorden dat het grootste deel van de Antilliaanse bevolking geen probleem heeft, dat die mensen hier van harte welkom zijn en dat ze er serieus mee bezig zijn, in deze samenleving aanwezig te zijn. Dat juich ik van harte toe. Maar in de afgelopen twintig jaar zijn wij bezig geweest met deze problematiek, en we zijn er niet uit gekomen. Ook kijkend naar de uitspraken van heel veel collega's in deze Kamer dat er wel iets moet gebeuren, heb ik voor deze oplossing gekozen. Natuurlijk is daar kritiek op mogelijk, maar er moet wel bedacht worden dat deze oplossing zo dicht mogelijk bij de wetgeving van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten ligt. Niet zozeer omdat ik vind dat wij wat zij hebben ook moeten hebben, maar ook een stukje verder kijkend: ik wil uiteindelijk uitkomen op een rijkswet. Daarin worden alle verschillende wetten naast elkaar gelegd en omgevormd tot een gezamenlijke wet. Volgens mij is dát het doel. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

De noodzaak van wederkerigheid kan niet opgaan. Dat weten we allemaal, dat is al verschillende keren onderkend, ook hier in deze Kamer. De situatie op de eilanden laat zich niet vergelijken met die in Nederland, omdat de eilanden te klein zijn om 17 miljoen Nederlanders een huis te bieden. Het is mooi dat de heer Bosman hier zelf al het woord "stigmatiseren" gebruikt, want dat is de kern van deze discussie. Voor mij wringt daar de schoen bij dit wetsvoorstel. Ik zal met belangstelling luisteren naar het verdere betoog, maar ik vrees wel dat een oplossing die bestaat uit zulk grof geschut, zeker op de lange termijn meer kwaad dan goed zal doen, want in mijn ogen is hier sprake van het stigmatiseren van een grote bevolkingsgroep. 

De heer Bosman (VVD):

Nee, dat is hier niet aan de hand. De wederkerigheid komt iedere keer terug. Is het recht waarmee je dit doet de wederkerigheid? "Zij doen het, dus wij mogen het ook". Dat geldt alleen voor het juridische deel. Ik zeg iedere keer dat we verdragen maken voor alle landen binnen het Koninkrijk. Als het voor Aruba, Curaçao en Sint-Maarten verdragstechnisch mag, dan kan het niet zo zijn dat het niet voor Nederland zou mogen. Je valt immers onder hetzelfde verdrag, het Statuut. Juridisch-technisch gezien ben ik het absoluut met u eens dat het voor Aruba, Curaçao en Sint-Maarten makkelijker is uit te leggen dan voor dit wetsvoorstel. Maar ik zal zeker een poging wagen dat uit te leggen. Ik denk dat ik een goed verhaal heb, omdat ik vind dat ik, kijkend naar de historie, niet over een nacht ijs ga. Ik ben niet zomaar het diepe ingesprongen met dit wetsvoorstel. We hebben hier serieus over nagedacht en we hebben er met heel veel mensen over gesproken. Daarom heb ik ervoor gekozen om zo dicht mogelijk bij de wetgeving van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten te gaan zitten. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Mijn partij heeft ook heel principiële problemen met een uitwerking van deze wet, namelijk dat er A-Nederlanders en B-Nederlanders ontstaan op basis van afkomst. Maar ik wil nog een stapje terug, naar het probleem dat de heer Bosman wil oplossen. Als ik naar zijn woorden luister, lijkt het alsof grote groepen naar ons land komen, of dat er grote hoeveelheden criminelen zijn. Natuurlijk, je moet niet wegkijken als de cijfers negatief zijn. Het aantal Antilliaanse jongeren dat naar Nederland komt, is de afgelopen jaren drastisch gedaald tot maar 4.000 per jaar. Het aandeel verdachten van misdrijven onder Antilliaanse jongeren is ook gedaald. Is de heer Bosman niet gewoon veel te laat met het bedenken van een oplossing? Heeft dit probleem zichzelf niet al grotendeels opgelost? 

De heer Bosman (VVD):

De heer Sjoerdsma geeft aan dat er problemen zijn, die we moeten benoemen. Dat is goed. Dat de problemen zijn opgelost, ben ik niet met hem eens. Dat zien we aan de problemen die er nog steeds zijn, of we nou kijken naar Zwolle of naar Terneuzen. Het gaat om een kleine groep, met grote effecten. Dat is echt een heel groot probleem, dat verschilt met de criminaliteit van andere groepen. Ten aanzien van de terugloop van immigratie: regeren is ook vooruit zien. Ik maak mij heel grote zorgen over wat er zo meteen op Curaçao en Sint-Maarten gebeurt. Op Curaçao zijn er straks verkiezingen, en dan komt straks Gerrit Schotte aan de macht. Ik zie het gebeuren. We kennen Gerrit Schotte: hij is veroordeeld voor criminaliteit. Mensen op Curaçao zeggen dan: het maakt niet uit of je crimineel bent, ik ga toch op je stemmen, want je bent een goeie vent, die voor zijn omgeving zorgt. Als dat het idee is van mensen in die cultuur dan moeten we daar serieus naar kijken als mensen deze kant op komen. Als wordt gezegd dat de criminaliteit afneemt, dan denk ik: in de toekomst misschien niet. Ik vind dat het dan ook onverstandig dat wij dan niet in staat zouden zijn om te zeggen: het enige wat ik van je vraag is dat je een inkomen hebt, dat je werk hebt of dat je aan het studeren bent. Dat is niet anders dan er van Nederlanders op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten wordt gevraagd, maar ook van andere Europeanen. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Dan kom ik nu toch bij het stigmatiserende waar mevrouw Gesthuizen het net over had. Wat zegt de heer Bosman nu net? Hij zegt: als straks die personen gekozen zijn en als het kennelijk in die cultuur zit om crimineel te zijn …. "In de cultuur zit om crimineel te zijn". Ik wil de heer Bosman vragen om die woorden opnieuw te wegen, want ik vind het nogal wat om te stellen dat de cultuur op de eilanden crimineel is, dat de mensen op die eilanden crimineel zijn. Dat vind ik niet verstandig. Daarmee lossen we het probleem dat inderdaad in Nederland bestaat, niet op. Het enige wat dat volgens mij doet, is stigmatiseren. Daar zouden wij als Kamer en als kabinet heel ver van weg moeten blijven. 

De heer Bosman (VVD):

Ik vind het dan frappant dat mensen toch vertrouwen stellen in een man als Gerrit Schotte, terwijl hij is veroordeeld voor corruptie, voor witwassen en voor ambtsmisbruik. Justitie noemt hem gewoon corrupt en de rechter spreekt zelfs uit dat de heer Schotte alleen maar met zichzelf bezig is, met totale disregard voor de mensen van het eiland. Dat baart mij grote zorgen, omdat daarmee de problematiek alleen naar groter wordt. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Maar u hebt het over cultuur. 

De voorzitter:

De initiatiefnemer spreekt eerst uit en daarna krijgt u het woord. 

De heer Bosman (VVD):

Ik snap de zorg van de heer Sjoerdsma en die deel ik ook, maar we moeten wel oppassen dat we er niet van wegkijken. Dit is een dun lijntje, dat ben ik absoluut met de heer Sjoerdsma eens, maar we moeten het wel benoemen. Dat is het probleem van de afgelopen tijd. We zijn hier al twintig jaar mee bezig. Ik weet dat de heer Pechtold bezig was met een wetsvoorstel om criminele Antillianen terug te kunnen sturen. Dat is een dun lijntje. Hoe kom je daarbij? Hoe kun je het toch verwerken? We willen uiteindelijk namelijk wel tot een oplossing van het probleem komen. Dat is voor mij het allerbelangrijkste. Ik vind het belangrijk dat deze wet een open deur biedt. De mensen kunnen gewoon naar binnen, ze zijn van harte welkom en niemand houdt ze tegen. Het enige dat ze gevraagd wordt, is: heb je een baan, heb je een inkomen, heb je een opleiding? Volgens mij zijn dat geen rare vragen. Als je gewoon meedoet in de samenleving, met al die werkzaamheden en ambities die je hebt, dan merk je helemaal niets van de wet. Wie gaat er geraakt worden door deze wet? Mensen die crimineel zijn. Veel chirurgischer kun je het niet krijgen. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Nu draait de heer Bosman er toch wel omheen. Terecht benoemt hij corruptie. Die moet je aanpakken. Dat is helemaal terecht. Maar om dan te zeggen dat dat kennelijk in die cultuur zit en dat wij de groep Nederlanders die op de eilanden geboren zijn, anders moeten behandelen dan de Nederlanders die op het vaste land zijn geboren, dat is toch wel een heel grote stap te ver. Ik zie dat de heer Bosman nu knikt. Dat lijkt mij ook belangrijk. Als je specifiek kijkt naar de uitwerking van de wet, dan wordt, als een Nederlands stel naar een eiland toe gaat en daar een kind krijg, dat kind anders behandeld dan een kind dat wordt geboren uit mensen die op dat eiland wonen. Ik vind dat je daarmee een onderscheid maakt op basis van afkomst. De heer Bosman heeft in zijn wet "afstamming" geschrapt, maar hij heeft in de memorie van toelichting ook gezegd dat dat eigenlijk niks betekent en dat hij het vooral vervelend vindt dat mensen aanstoot nemen aan het woord "afstamming". Ik vraag de Bosman daarom wat dat schrappen van "afstamming" dan betekent en wat het betekent als hij het heeft over een cultuur. Neemt hij dat terug? 

De heer Bosman (VVD):

Ik heb al aangegeven dat ik zo dicht mogelijk ben gebleven bij de LTU (Landsverordening Toelating en Uitzetting). De heer Sjoerdsma neemt nu een enorme aanstoot aan de discussie over afkomst. In de LTU staat gewoon "geboorte". Over geboorte gesproken, dat is een heel normale uitspraak en die wordt door iedereen geaccepteerd en valt gewoon onder de verdragen. Dat is helemaal geen probleem. Dat heeft er niets mee te maken. Op die manier heb ik het ook verwoord. Ik ben zo dicht mogelijk gebleven bij die LTU. Dat heb ik gedaan, omdat ik weet hoe belangrijk de mensen op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten het vinden dat ze zo lang mogelijk een verbinding houden met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Ze spreken over landskinderen. Die verbinding is essentieel. Mocht deze wet worden aangenomen, dan is het mijn ambitie om te spreken over een rijkswet. Ik wil een en ander dan in elkaar voegen. Als deze wet zo sterk afwijkt van datgene wat we met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten hebben bereikt, heb ik dat gesprek aan tafel niet meer. Dan die tweedeling, de A- en B-Nederlanders. De heer Sjoerdsma kijkt naar Nederland, maar je moet kijken naar het Koninkrijk. De heer Sjoerdsma zegt dat het onterecht is dat we een tweedeling hebben. Er zijn op dit moment twee soorten Nederlanders in het Koninkrijk: de inwoners van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, die zich ook in Nederland mogen vestigen, en de inwoners van Nederland, die dat niet mogen. Dan is er dus sprake van een tweedeling. Als dat een principieel punt is, moet de heer Sjoerdsma dat ook benoemen. Dat is immers dezelfde tweedeling. 

De voorzitter:

U wordt aangesproken, mijnheer Sjoerdsma. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Dit is een argument waarvan de Raad van State gehakt heeft gemaakt, werkelijk gehakt van heeft gemaakt. Mevrouw Gesthuizen zei het net ook heel treffend. Waartoe dient die toelatingsregeling voor de eilanden? Omdat het kleine eilanden zijn met een kleine maatschappij en een kleine economie. Kleine groepen Nederlanders van het vasteland kunnen daar een groot ontwrichtend effect op de samenleving en de economie hebben. Dat is een heel andere situatie. Daar wordt overigens ook op een heel andere manier omgegaan met afkomst dan hier. 

De heer Bosman (VVD):

Dit is een beetje schokkend. De heer Sjoerdsma accepteert twee verschillende soorten Nederlanderschap. Hij accepteert dat het Nederlanderschap voor Aruba, Curaçao en Sint-Maarten anders is dan voor Nederland en dat we op die wijze met elkaar omgaan in het Koninkrijk. Dat is ongepast. Ik vind dat echt niet kunnen. Als we vinden dat er een ondeelbaar Nederlanderschap is, is dat ook onderdeel van het Koninkrijk, van het Statuut. Dat betekent dat het Nederlanderschap voor iedereen is. Iemand op Aruba heeft dezelfde nationaliteit als iemand in Nederland. Als de heer Sjoerdsma zegt dat het Nederlanderschap op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten anders is dan het Nederlanderschap in Nederland, denk ik dat het verstandig is dat hij daarvan afstand neemt. 

De voorzitter:

Een laatste reactie. De rest pakt u op in de tweede termijn. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Inderdaad, ik zal de rest meenemen in de tweede termijn of in andere interrupties. Er is natuurlijk een reden waarom de Raad van State het wetsvoorstel niets vindt. Er is natuurlijk een reden waarom internationale organisaties zeggen dat het wetsvoorstel zich niet verhoudt met internationale verdragen, in tegenstelling tot de huidige toelatingsregeling van de eilanden. Daar zit misschien iets in, mijnheer Bosman. Ik wil u uitdagen — het zou u sieren als u dat vandaag zou doen — om daarop te reflecteren en sommige onderdelen van de wet te herzien. 

De heer Bosman (VVD):

Artikel 24 van het Statuut gaat over verdragen. Verdragen van het Koninkrijk zijn verdragen voor alle landen van het Koninkrijk. Voor mij is het echt onvoorstelbaar dat mensen zeggen dat het verdrag wel geldt voor Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, maar niet voor Nederland. Als de heer Sjoerdsma mij kan aantonen waar die uitzonderingen ten aanzien van de verschillende regelingen staan, hoor ik dat graag. Ik zie ze in de tweede termijn wel tegemoet. Ik hoor het graag, want er is geen onderscheid. Voor het Statuut is een verdrag van het Koninkrijk een verdrag voor iedereen. Stel — dat kan — dat internationale organisaties tegen mij zeggen "uw wet klopt niet volgens de verdragen", dan hoor ik ze dat ook graag zeggen over Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, want dat zijn exact dezelfde regelingen. Het doel is misschien anders, en daar hebben we het zo meteen over. Volgens mij is de intentie: nagaan of het proportioneel is. Gaan we hiermee bereiken wat we willen bereiken? Dat is immers de discussie. Als de heer Sjoerdsma zegt dat het wetstechnisch niet correct is, is mijn antwoord dat de regeling van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten ook niet klopt, juridisch bezien. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

De heer Bosman is net begonnen met zijn betoog. 

De voorzitter:

Zeker. De heer Bosman heeft drieënhalve minuut gesproken en staat nu achttienenhalve minuut in vak-K. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Precies. Ik neem aan dat de meer principiële kant van de zaak — hoe verhoudt een en ander zich tot het Europees recht? — in zijn bijdrage nog aan de orde komt. Hij zei in het begin dat het maken van dezelfde regeling niet zijn hoofdargument was, "want zij doen het ook". Daar wil ik op doorvragen. De heer Bosman gaat niet in op de interruptie van de heer Sjoerdsma over het verschil tussen de situatie van Caribisch Nederland en Nederlands Nederland. Op de eilanden wonen 15.000 mensen. Hier wonen 17 miljoen mensen. Dan is het absorptievermogen natuurlijk heel anders. Kan de heer Bosman zich er iets bij voorstellen dat in geval van zo'n kleine groep het een heel andere situatie is als mensen zonder werk of inkomen naar de eilanden komen dan wanneer het andersom gebeurt? Wil hij eens ingaan op het verschil in formaat? 

De heer Bosman (VVD):

Wij zijn het helemaal eens. Ik ben het helemaal eens met mevrouw Voorthuizen. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voortman. 

De heer Bosman (VVD):

Voortman. Sorry, excuus, ik was even de weg kwijt. Ik was gewoon verbaasd. We zijn het helemaal eens, want er is een verschil, maar dat zit hem niet in de juridische afhandeling. Het klopt niet dat Aruba, Curaçao en Sint-Maarten wel die wetgeving mogen hebben, maar Nederland juridisch gezien niet, want voor de verdragen zijn die identiek. Er zijn namelijk vier landen in het Koninkrijk: Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en Nederland. Er is geen nevenschikking in het Statuut. Er is geen nevenschikking in het Koninkrijk. Dan kom je dus tot het heel simpele feit dat een verdrag dat is gesloten, voor alle landen in het Koninkrijk geldt. Ik vind het dus echt verbazingwekkend dat allerlei instituties zeggen: het is tegen verdragen. Ik zeg dan: dan moet u heel snel even tegen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zeggen dat ze moeten stoppen. Dat vind ik niet hoor. Daar ben ik het absoluut niet mee eens. Ik vind het heel verstandig dat Aruba, Curaçao en Sint-Maarten die regelingen hebben. Maar kom dan niet aan met het feit dat het juridisch verboden zou zijn, want dat geldt dan ook voor Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Er kunnen omstandigheden zijn waarin je zou kunnen zeggen: in dit geval kan iets wel gelden voor de eilanden en niet voor Nederland; daar gaat het hier om. Wij hebben trouwens ook nog met Europees recht te maken, maar de heer Bosman heeft net gezegd dat hij daar zo nog op ingaat. Het gaat erom dat het absorptievermogen gewoon heel anders is. Dat rechtvaardigt dan dat je met wederzijdse instemming — er is geen sprake van wederzijdse instemming in het wetsvoorstel dat de heer Bosman hier voorlegt — kunt zeggen: wij maken hier een uitzondering op. Zo moet je de huidige wetgeving zien. De heer Bosman gaat niet in op dat verschil in absorptievermogen, op het feit dat de Caribische eilanden minder kunnen dragen dan Nederland. Ik vind dat heel jammer. 

De heer Bosman (VVD):

Ik ging daar heel juist op in, want ik ben het met mevrouw Voortman eens dat er een verschil in grootte is. Alleen het Statuut geeft aan dat ieder land gerechtigd is tot het maken van wetgeving ten aanzien van toelating en uitzetting. Dat staat gewoon in het Statuut, in artikel 3. Dat geldt voor ieder land. Als mevrouw Voortman nu zou kunnen aantonen waar in het Statuut staat dat Nederland dat niet mag. Maar dat is niet waar. Dat staat nergens. Het kan dus gewoon. Het Statuut staat boven de Grondwet, zoals mevrouw Voortman ook weet. In alle verdragen hebben wij uitzonderingen gemaakt ten aanzien van de landenstatus van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten binnen het Koninkrijk, juist om al die mogelijkheden te geven. 

Ten aanzien van de uitvoering ben ik het dus met mevrouw Voortman eens, maar ik houd niet hetzelfde verhaal ten aanzien van het absorptievermogen; dat zeg ik niet. Mijn probleem is de criminaliteit. Ik heb grote zorgen over criminele mensen die een enorme impact hebben op de samenleving. Daar wil ik wat aan doen. Sterker nog, ik zeg: u bent van harte welkom. Tegen mensen die voldoen aan de eisen met betrekking tot werk, en die dus een inkomen hebben of een studie volgen, zeg ik niet: je moet wegblijven. Nee hoor, zij zijn nog steeds van harte welkom binnen dit Koninkrijk. Zij zijn van harte welkom. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik vind het heel moedig van de heer Bosman om met een wetsvoorstel te komen om een oplossing te bieden voor een serieus probleem. Ik hoor hem ook zeggen dat hij eigenlijk vindt dat er een rijkswet had moeten worden gemaakt. Ik zou dat nu eigenlijk wel iets meer uitgewerkt willen zien, want komt die enorme teleurstelling niet voort uit het feit dat dit kabinet die rijkswet niet heeft gemaakt? Als gevolg daarvan moeten we nu dealen met iets waarvan vreselijk veel mensen zeggen "dit kan niet", waardoor we die rijkswet en de oplossing misschien wel veel verder van ons afgeduwd hebben dan we hadden gewild. De heer Bosman zegt dat mensen zich straks in Nederland moeten bewijzen. De onderliggende gedachte is eigenlijk: we gaan er niet van uit dat je niet deugt, maar je zult je moeten bewijzen. Daarin zit een cruciaal verschil, want dat is de grondslag waarop we een uitzondering maken, zoals nu al op de eilanden gebeurt. Brengt de heer Bosman deze rijkswet hierdoor niet veel verder weg? 

De heer Bosman (VVD):

Er wordt gezegd dat het kabinet de rijkswet niet heeft uitgevoerd, maar ik moet constateren dat de landen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten weigerden mee te werken, gewoon absoluut, pertinent. Met onwillige honden is het kwaad hazen vangen. Dan kom je niet tot een rijkswet. Ik vind dat echt ontzettend jammer. Dat is ook een grote teleurstelling. Mijn idee is — ik sta open voor kritiek — dat we een onderhandelingspositie hebben als dit voorstel het haalt. Dan leggen we de zaken naast elkaar en zeggen we: laten we eens bekijken hoe we tot een rijkswet kunnen komen. Ik kom daar straks nog op terug. Ik vind de rijkswet belangrijk omdat ik het daarmee niet alleen voor Nederland regel, maar ook voor Bonaire, Saba en Sint-Eustatius. Dan kan ik op een heel andere manier bekijken hoe de onderlinge reis-, werk- en familiemogelijkheden op een veel simpelere manier geregeld kunnen worden, bijvoorbeeld met een sédula of met andere wetgeving. Dan kunnen we zaken doen. Tot op de dag van vandaag zal nooit iemand zeggen: ik ga met u in gesprek over een rijkswet. Dat is onbespreekbaar. Tijdens het laatste IPKO, dat de afgelopen keer in Nederland plaatsvond — mevrouw Van Toorenburg is daar geweest, denk ik — werd het gezegd. Ook in de wandelgangen hoor je dat. We hebben het regelmatig aangegeven. Ik heb het iedere keer gezegd. Mijn wetsvoorstel wordt iedere keer besproken tijdens het IPKO en iedere keer geef ik aan dat men van harte welkom is om mee te praten, om aan te schuiven en om mee te werken aan een rijkswet. Maar het gebeurt niet. 

De voorzitter:

Mijnheer Bosman, we hebben een publieke tribune. U gebruikt de afkorting "IPKO". Waar staat die voor? 

De heer Bosman (VVD):

Excuus, voorzitter. "IPKO" staat voor "Interparlementair Koninkrijksoverleg". Dat is het overleg tussen de vier parlementen van het Koninkrijk. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Wat mij een beetje verbaast, is dat de heer Bosman doet alsof die rijkswet per definitie niet tot stand kan komen als de andere landen niet meewerken. Het is geen consensusrijkswet, waarvoor per definitie consensus moet zijn tussen alle landen. Deze rijkswet kunnen we wel maken. Ik ben alleen bang dat die veel verder van ons af komt te staan vanwege dit voorstel, waarin wordt geregeld dat men zich eerst moet bewijzen in Nederland. Dat is heel bijzonder. 

De heer Bosman (VVD):

Als je praat over grof geschut: dát is grof geschut. Een rijkswet druk je erdoor. Na een stemming in de Rijksministerraad ben je klaar. Nou, dat is prettig voor de onderlinge verhoudingen om te praten over personenverkeer. Ik wil echt vrijwilligheid en ik wil dat mensen meedoen — ik zie de heer Sjoerdsma lachen — maar dat is lastig omdat die vrijwilligheid er niet is. We moeten dan bekijken hoe we toch die stap kunnen zetten. Het is bizar: we erkennen dit probleem al twintig jaar lang, allemaal. We zien het, we voelen het, we merken het in de samenleving, maar we doen er niks aan. Natuurlijk kunnen we een rijkswet doordrukken. Dat is geen probleem. Maar als je dan praat over onderlinge verhoudingen, denk ik: dat is een machtsmiddel van Nederland. Ik wil dat niet. Ik zou het heel onverstandig vinden om dat in te zetten. Mijn route loopt juist via dit voorstel, als het wordt aangenomen. Ik luister in dat kader naar de kritiek. Als het voorstel niet wordt aangenomen, zijn we nog verder van huis. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Steden als Terneuzen hebben megaproblemen. Ik ben het ermee eens dat die problemen er zijn. Ik vind dus ook dat er een oplossing moet komen. Ik vind het schandalig dat iedereen meer energie steekt in het verweer tegen deze wet dan in het oplossen van de problemen. We zijn aan Terneuzen verplicht om een wet te maken die het haalt. We moeten straks niet een of andere fopspeen hebben waarmee we tegen Terneuzen zeggen: nu hebben we het lekker geregeld voor jullie; het is een sterke wet. Maar diezelfde wet wordt vervolgens door de eerste rechter terzijde geschoven. Dan houden we de samenleving voor de gek. Ja, natuurlijk is een rijkswet die je erdoor drukt grof geschut. Je zou dat niet moeten doen op basis van "bewijs je maar in Nederland", maar met behulp van de handvatten die de Raad van State heeft aangegeven, namelijk met een strafblad. We kunnen veel meer! Over dat rassenverhaal komen we zo nog wel te spreken. Maar nu zeggen we: jullie komen van de eilanden; bewijs hier maar dat je deugt, want anders kicken we je er weer uit. Dat is wat deze wet doet. En dan denken we dat we daarmee een rijkswet dichterbij brengen dan wanneer we de wet uit de la op het ministerie halen. Ik weet dat die er ligt; hij is helemaal klaar. In die wet zitten de wederkerigheid, de regels voor vrij verkeer van personen en een maatregel waardoor je kunt optreden wanneer mensen zich niet gedragen. Dat is veel minder grof geschut, mijnheer Bosman. Úw voorstel is grof geschut, want daarmee zeggen we: bewijs je maar in Nederland, want anders kun je terug. 

De heer Bosman (VVD):

Dat is bijzonder, want dat wijkt namelijk niet eens zo veel af van wat ik heb voorgesteld. Als je kijkt naar waar we uit willen komen, namelijk dat mensen goed op hun plek komen, gaat het niet om het bewijzen. Het is gewoon een simpele vraag. Ik kan dezelfde argumentatie gebruiken ten aanzien van Curaçao. Kennelijk moet ik mij op Curaçao bewijzen. Dat is dezelfde discussie: ik moet op Curaçao bewijzen dat ik voldoe aan de eisen van Curaçao. Ik denk niet dat het verstandig is om die termen te hanteren, want ik stel gewoon een vraag. We weten allemaal dat kansarm op de eilanden, zoals prof. Oostindie zegt, kansloos in Nederland is. Dat kan ik alleen ondervangen door die vraag te stellen. Mevrouw Van Toorenburg geeft aan dat we ook andere technieken kunnen gebruiken. Daar heeft de Raad van State ook over gesproken en ook over de vraag of het nou moet gaan om een strafblad of het woonlandbeginsel. Dat maakt het verschil allemaal niet. Dat is echt geen verbetering ten opzichte van het wetsvoorstel dat ik hier heb liggen. Ik ben het ook absoluut niet met mevrouw Van Toorenburg eens dat deze wet terzijde wordt geschoven, bijvoorbeeld door een rechter. Er is zorgvuldig naar gekeken. De wet is houdbaar en is gewoon uitvoerbaar. Ik vind het bijzonder dat we al van tevoren roepen dat de wet niet houdbaar is, want dan schieten we de techniek in en dan hoeven we niet te kiezen waar het om gaat. Als je vanuit de techniek kunt discussiëren door te zeggen dat de wet technisch onjuist is, hoef je niet te kiezen of je de wet principieel een goede oplossing vindt en of je die oplossing wilt. Dat vind ik jammer. 

De voorzitter:

Ten laatste, mevrouw Van Toorenburg. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Het verschil tussen wat de heer Bosman vandaag doet en wat ik voorstel, is gelegen in het feit dat het ene haalbaar is en het andere niet. De Raad van State zal nooit zeggen dat iets helemaal niet kan. Wij kunnen Nederlanders zelfs denaturaliseren, bijvoorbeeld als zij zich aansluiten bij een vreemde mogendheid en op een ander gebied terroristische aanslagen op Nederland plegen. We kunnen dus altijd heel veel, maar ik geloof niet dat de heer Bosman deze vergelijking wil maken. Het gaat erom dat je een doel moet hebben met het maken van een uitzondering. Alle juristen, de Raad van State en de commissie-Meijers voorop, geven aan dat dit niet kan. Zij geven zelfs aan wat wél kan. Dat voorstel ligt in de la. Dat is een rijkswet waarmee een haakje wordt gemaakt bij de openbare orde en bij een strafblad in plaats van wat we nu hebben, namelijk "bewijs je maar". Het gaat dus om het verschil tussen een wet waarmee we Terneuzen helpen en een wet die zo terzijde wordt geschoven. Dat bedroeft mij zeer. 

De heer Bosman (VVD):

Nee, ook als je een strafblad gebruikt, zul je iedereen raken. Ook het hanteren van een strafblad betekent dat iedereen voorbij moet komen om aan te tonen dat men wel of geen strafblad heeft. Over de vraag of je een grotere populatie of een kleinere populatie raakt, was de Raad van State helder: dan raak je nog steeds iedereen, want iedereen moet verklaren of men wel of geen strafblad heeft. Dat soort zaken is geen verbetering. Ik wil niet kiezen voor een rijkswet die ik er even doorheen duw, met alle ruzie die we dan echt geheid krijgen op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Dat was ook een vraag aan mij: "Vindt u niet dat dit vervelend gaat worden voor de mensen op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten?". Als ik één ding kan inschatten, is dat dat het erdoorheen duwen van een rijkswet enorme, echt enorme animositeit zal opleveren. Daarom was ik bezig met deze wet en daarom vind ik het belangrijk om zo dicht mogelijk bij de wetgeving van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten te blijven, want ik vind dat wij er gezamenlijk uit moeten komen en dat we er samen een rijkswet van moeten maken. 

De voorzitter:

Zoals de leden hebben gemerkt, heb ik vrij veel ruimte gegeven voor discussie en interruptie over principiële punten, wij voeren hier tenslotte een debat. Ik stel nu echter voor dat wij de initiatiefnemer, die nog geen tiende deel van zijn tijd aan zijn eigen tekst heeft kunnen wijden, de ruimte geven om zijn betoog te vervolgen en af te maken. Daarna kunnen wij weer overgaan tot interrupties. 

De heer Bosman (VVD):

Het straalt niet alleen af op al die hardwerkende mensen van de Caribische landen van het Koninkrijk die wel hun draai hebben gevonden in ons land, die hier studeren of werken, die wel bijdragen aan onze samenleving en die wel onderdeel zijn geworden van Nederland. Dat is de overgrote meerderheid, ik kan het niet vaak genoeg benadrukken. Hun gun ik de wereld. Ik ontzeg niemand de toegang tot ons land vanwege de plek waar zijn of haar wieg heeft gestaan, maar bij de voortdurende vestiging van groepen kansarme mensen zonder werk of inkomen is niemand gebaat; de Antillen niet, zijzelf niet en Nederland niet. 

De stroom migranten uit de voormalige Nederlandse Antillen veranderde in de jaren negentig van de vorige eeuw. Tot het begin van de jaren negentig kwamen de voormalige Antillianen vooral naar Nederland om te studeren. Het waren gemotiveerde kinderen die prima Nederlands spraken maar geen geld hadden om in de Verenigde Staten te studeren. Zij deden, net als de in Nederland wonende Nederlanders, vaak een beroep op de studietoelagen en beurzen die de Nederlandse Staat verstrekt. Vanaf midden jaren negentig kwamen er ook steeds meer kansarme Antillianen naar Nederland. In totaal wonen nu 130.000 Antillianen in Nederland; dat is meer dan een derde van de totale bevolking van de voormalige Nederlandse Antillen. 

Het merendeel van de jongeren die in de jaren negentig naar Nederland trok, was afkomstig van Curaçao. Vooral de Antillianen tussen 16 jaar en 40 jaar gingen op zoek naar een beter bestaan in Nederland. Dat snap ik. De migratie kwam op gang omdat het slecht ging op de toenmalige Nederlandse Antillen. De werkloosheid was groot, de lonen en uitkeringen laag en de kosten van levensonderhoud hoog. 

Het overgrote deel van de immigranten uit de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba heeft normaal werk en inkomen. Een deel van de jonge Antilliaanse migranten zorgt echter vooral in de steden voor overlast. Het is moeilijk om deze laatste groep te traceren, doordat zij zich zelden registreren bij aankomst in Nederland. Velen worden opgevangen door familie of in de gemeenschap. Zij schrijven zich niet in in een gemeente omdat de familie daardoor problemen kan krijgen met een uitkering of andere vormen van subsidie. Migranten uit de Caribische landen van het Koninkrijk hebben daardoor soms geen adres in Nederland waardoor het ze ook niet lukt om werk of woonruimte te vinden. Vaak gaan deze Antillianen over tot diefstal, drugshandel of prostitutie omdat zij geen andere mogelijkheden van inkomen hebben. 

Van de in Amsterdam levende Antilliaanse bevolking kampt een op de vijf met problemen. Dit betekent ook dat vier op de vijf geen problemen veroorzaken, bezig zijn met het bouwen aan een toekomst en een deel te zijn van de Nederlandse samenleving. Laat ik dat nogmaals benadrukken. Ook deze groep harde werkers heeft echter te lijden onder het gedrag van criminelen. Deze groep harde werkers is en blijft van harte welkom. Ik wil met mijn wet een stap zetten om de criminaliteit te stoppen en in ieder geval te verminderen. 

In de eerste termijn zijn veel vragen gesteld waarvoor ik u allen hartelijk dank. Ik heb mede naar aanleiding van de vragen een nota van wijziging ingediend. Daarin ga ik in op enkele suggesties die in de eerste termijn zijn genoemd. Zo is de term "afstemming" gewijzigd; wij hebben daar zojuist over gesproken. Ik heb enkele technische aanpassingen gedaan. Ik zal daar nader op ingaan in het antwoord op de vragen. 

Allereerst wil ik de context benoemen van het Statuut. Het Statuut is de basis van de samenwerking binnen het Koninkrijk. Het Statuut dateert van 1954, een tijd van heftige veranderingen in de wereld, in Nederland en in de relatie met onze voormalige koloniën. Het Statuut is de basis van ons Koninkrijk en staat boven de Grondwet. Het beschrijft de onderlinge relaties en verantwoordelijkheden van de landen onderling. De basis van mijn initiatiefwetsvoorstel is artikel 3, lid 1, onderdeel F van het Statuut: Het toezicht op de algemene regelen betreffende de toelating en uitzending van Nederlanders. Dit is in principe de Koninkrijkstaak, maar daaronder staat dat ieder land het recht heeft om regels te maken betreffende de toelating en uitzetting op en van het eigen grondgebied. Aruba, Sint-Maarten en Curaçao hebben deze regels al zolang als het Statuut er is. Bij de behandeling van het Statuut heeft Nederland nadrukkelijk geen afstand genomen van deze mogelijkheid. Dat kon ook niet, want het Statuut is altijd geldend voor alle landen van het Koninkrijk. 

Daarnaast is een belangrijk onderdeel van het Statuut artikel 24, lid 1: Overeenkomsten met andere mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties, welke Aruba, Curaçao of Sint Maarten raken, worden gelijktijdig met de overlegging aan de Staten-Generaal aan het vertegenwoordigende lichaam van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten overgelegd. Dit artikel geeft aan dat verdragen die door het Koninkrijk gesloten zijn, gelden voor alle landen in het Koninkrijk. Alle landen vallen daarmee onder dezelfde verdragen. 

Het is belangrijk om dit voor ogen te blijven houden. In verschillende inbrengen komt toch het idee naar voren dat er in verschillende landen binnen het Koninkrijk verschillende uitleggen zijn over de verdragen. Ook het College voor de Rechten van de Mens en de commissie-Meijers geven daar blijk van. Met die verschillende uitleggen ben ik het dan ook niet eens vanwege artikel 24. De verdragen gelden voor het gehele Koninkrijk. 

Het is goed om te lezen dat de Raad van State mijn initiatiefwet mogelijk acht. De Raad van State wenst nog een verdere verduidelijking van mijn motieven en de achterliggende motivatie. Dat is ook logisch als men de lijn van het begin van mijn betoog doortrekt. Alle landen vallen onder dezelfde verdragen en hebben dus ook dezelfde rechten en plichten. Het gaat erom of de grondslag van mijn initiatiefwetsvoorstel en de proportionaliteit dusdanig zijn dat deze zich verhouden tot het instellen van de beperking van vestiging. De grondslag en proportionaliteit zijn af te leiden uit de geschiedenis van de zorgen die wij als Kamer door de decennia hebben geuit en de hoeveelheid geld die wij hebben besteed om de situatie te verbeteren. Vanaf 1985 is er al sprake van de wens van de Tweede Kamer om te komen tot een verscherping van de eisen van vestiging van de mensen van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten; dit vaak met wisselende meerderheden in de Kamer. Daarnaast zijn de Nederlandse initiatieven ter verbetering van de positie in Nederland afkomstig uit Aruba, Curaçao en Sint-Maarten misschien wel te veel om op te noemen. De inzet van de kant van Nederland is echt groot geweest, op projectniveau maar ook als het gaat om het beschikbaar stellen van gelden. De projecten waren in Nederland maar ook op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Als ik even snel tel, kom ik op 42 projecten vanaf 1994 in Nederland en 12 in de Caribische landen; een totale investering vanuit Nederland van een bedrag dat ligt tussen de 700 miljoen en 1 miljard euro. 

Er is niet niks gebeurd, maar met al die inzet zien we dat de problemen blijven bestaan. Als we dat allemaal bij elkaar optellen, kan ik niet anders dan concluderen dat de doeleinden niet via een andere, betere weg kunnen worden bereikt, zoals door de Raad van State in zijn voorlichting van 2 december 2014 was gevraagd en dat het nu tijd wordt om een wet aan te nemen om eisen te stellen aan inwoners van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten bij vestiging in Nederland. 

Naar aanleiding van de eerste termijn van de Kamer, waarover veel vragen kwamen onder anderen van de heer Van Laar, mevrouw Voortman en mevrouw Van Toorenburg over de grondslag van het initiatiefwetsvoorstel, geboorteplaats, woonland en/of strafblad, heeft de Tweede Kamer een adviesverzoek gedaan aan de Raad van State over deze opties. Deze voorlichting van de Raad van State leert mij een aantal dingen. De Raad van State blijft twijfels houden over nut en noodzaak van een toelatingsregeling. Ik zie dat anders, maar daar heb ik hier al uitgebreid over gesproken. Ik zie geen alternatief voor de vestigingswet, maar op termijn zou het mooi zijn om een gezamenlijke rijkswet te realiseren. Het hanteren van het begrip woonland zou geen verbetering van het wetsvoorstel zijn. Bovendien zou dit begrip niet aansluiten bij de criteria die de Caribische landen zelf gebruiken. 

Het toepassen van de wet op Nederlanders met een strafblad of zonder startkwalificatie is ook geen verbetering van het wetsvoorstel. Deze criteria kunnen namelijk alleen dan werkbaar zijn als eerst alle Nederlanders van de overzeese gebieden de gegevens omrent hun strafblad en startkwalificatie overleggen. Hier schieten we dus niks mee op. 

De heren Van der Staaij en Schouw vroegen waarom ik dit in een initiatiefwetsvoorstel heb gestoken en niet in een initiatief-rijkswet. Volgens mij hebben we daar uitgebreid over gesproken. Ik heb geprobeerd mijn wetsvoorstel zo veel mogelijk te laten lijken op de regelingen van de landen, met inachtneming van de verschillen tussen Nederland en de andere landen. Dat maakt het hopelijk makkelijker om in de toekomst een rijkswet te maken. Als mijn wetsvoorstel wordt aangenomen, hebben straks alle landen van het Koninkrijk een regeling die zo veel mogelijk op elkaar lijkt. Dan hoeven alleen maar aparte regelingen bij elkaar te komen om er één rijkswet van te maken. Om dat proces te bevorderen heb ik in mijn wetsvoorstel opgenomen dat de wet komt te vervallen zodra een rijkswet voor het personenverkeer tussen de landen van het Koninkrijk in werking treedt. In reactie op de vraag van de heer Segers over de haalbaarheid van deze rijkswet meld ik dat het aannemen van deze nationale wet naar mijn idee een positieve uitwerking heeft op de bereidheid — niet de wens — van de Caribische landen om mee te werken aan een rijkswet over dit onderwerp. 

De collega's Schouw, Segers, Gesthuizen en Van Toorenburg spraken hun zorg uit over de termen afkomst en herkomst, mede in relatie tot discriminatie en racisme, ook omdat de commissie-Meijers en het College voor de Rechten van de Mens hierover hebben gesproken. Ik was blij met de opmerking van de heer Van der Staaij hierover. Hij deed de oproep tot iets meer nuchterheid in het debat. Er worden soms wel heel grote woorden gebruikt, zo zei hij. Het is niet altijd bevorderlijk voor een goede inhoudelijke discussie als direct de beschuldiging valt van stigmatisering, racisme of discriminatie. Daar loop ik niet voor weg. "Afstamming" is een neutraal begrip in het privaatrecht. Het duidt de relatie aan tussen ouder en kind of grootouder en kleinkind. Ook in de Rijkswet op het Nederlanderschap komt dit begrip voor. Ik wijs erop dat de reeds bestaande regelingen op de eilanden de facto uitgaan van afstamming. Zij noemen het daar letterlijk geboorte. Hun toelatingseisen gelden niet voor de Nederlanders die geboren zijn op de eilanden Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint-Eustatius en Sint-Maarten en hun kinderen. In principe is dat afstamming. De regelingen gelden alleen voor Nederlanders die zijn geboren op het Europese grondgebied. 

In het recht wordt dit onderscheid ook geaccepteerd. Ik wijs op de uitspraak van de Hoge Raad uit 2000, die in de stukken is genoemd. Daarin kwam de juridische aanvaardbaarheid van de vestigingsregels van de Caribische landen in het licht van de gelijke behandeling aan de orde. De Hoge Raad stelt expliciet dat de vestigingsregels geen onderscheid maken op grond van ras, omdat het begrip "nationale afstamming" niet de politiek-juridische betekenis heeft van nationaliteit of onderdaanschap, doch een etnografische betekenis. 

Ik merk dat het begrip "afstamming" in mijn wetsvoorstel heeft geleid tot misverstanden en zorg. Daarom heb ik besloten om in de nota van wijziging het begrip te wijzigen in "verkrijgen van het Nederlanderschap van rechtswege". Dat is immers wat ik daarmee bedoel. Ik verwijs dan ook naar het nieuwe artikel. 

Collega Gesthuizen merkte verder op dat de Europese Nederlanders wel worden gestraft na het begaan van een juridische misstap, maar daarvoor niet extra worden gestraft met een teruggeleiding naar de plek waar zij vandaan komen, terwijl dat wel gaat gelden voor de Caribische Nederlanders. Er is naar mijn mening geen sprake van extra straffen omdat de beginsituatie is dat deze mensen geen recht hebben om zich hier te vestigen maar dat toch hebben gedaan. Daarnaast hebben zij criminele activiteiten ondernomen. Dan kan het logische gevolg terugzending zijn. Daarnaast is dit in lijn met hetgeen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten doen. Ook hierbij is sprake van de wederkerigheid. 

Collega Gesthuizen sprak ook over "het idee dat de rechtsorde hier op zijn grondvesten staat te trillen en dat er iets heel dramatisch aan de hand is". "Vindt de indiener dat dit klopt?", zo vraagt zij. Het schokkende aan de rechtsorde is de intensiteit en, bijna daaropvolgend, de bijna ongrijpbaarheid van deze groep. Zij kunnen zo het vliegtuig pakken naar een van de landen en dan zijn ze onder de radar. Met deze wet wordt het niet alleen voor deze mensen met criminele activiteiten steeds lastiger om in Nederland te verblijven, er kunnen ook gepaste maatregelen worden genomen indien de criminaliteit dusdanig bedreigend is voor de rechtsorde dat de rechter tot verwijdering uit Nederland wil overgaan. Wat ik dus wil, is dat wij de problemen in Nederland blijven aanpakken. Iedereen zal zich moeten houden aan de wetten en regels die wij in Nederland hebben afgesproken, maar ik wil ook niet dweilen met de kraan open. 

Deze groep criminelen met een sterke binding op de voormalige Antillen moet zich niet iedere keer vernieuwen met kansloze migranten uit Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Ik refereer nog een keer aan professor Oostindie, die zei: "Kansarm op de eilanden is kansloos in Nederland." Met die gedachte in het achterhoofd moeten wij voorkomen dat de groep kanslozen zich naar Nederland verplaatst. Dat is een ambitie die niet door Nederland alleen kan worden gerealiseerd; daar hebben wij ook de andere landen voor nodig, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het had dan ook mijn voorkeur om het personenverkeer te regelen in een rijkswet. Helaas weigerden de landen pertinent om te spreken over een dergelijke rijkswet. Daarmee blokkeerden zij een mogelijkheid tot een gezamenlijke oplossing. Met een gezamenlijke regeling, een echte rijkswet personenverkeer, kunnen wij immers veel meer bereiken. Dan kunnen wij ook het personenverkeer tussen Bonaire, Saba en Statia, met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten gelijk beter regelen. Dan worden de grenzen minder scherp. Dan nemen de kansen alleen maar toe. Het is spijtig te moeten concluderen dat de Caribische landen die oplossing in de weg staan. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Wat de heer Bosman nu zegt, klopt niet. Het spijt mij dat te moeten zeggen. Er is geen blokkade, want het is niet te blokkeren. Het is een keuze geweest. Het is een keuze die de heer Bosman wellicht verdedigt — ik niet — maar het is een keuze geweest om het niet netjes via een rijkswet te regelen. Er is geen blokkade. Dit kan namelijk niet worden geblokkeerd. 

De heer Bosman (VVD):

Dat is juridisch juist, maar als wij praten over onze Caribische landen, willen wij overleggen. Er is vrij kritisch gereageerd, zo van "wat heeft dit voor effect op het gevoelen in de landen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten?" Het is dan niet meer dan terecht dat wij aangeven dat de zaak er met een rijkswet doorheen drukken, niet leidt tot een heel erg warm Caribisch gevoel. Laat ik het zo zeggen. 

Ik kom tot een afronding. De woordvoerders hebben mij gecomplimenteerd met mijn initiatiefwetsvoorstel. Ik ben daar ontzettend trots op. De collega's weten ook dat zoiets een enorme hoeveelheid werk is. Ik had dat werk absoluut niet alleen kunnen verzetten. Mijn zeer grote dank gaat dan ook uit naar de mensen die mij door dik en dun hebben gesteund en mij van kritiek hebben voorzien, en de wet daardoor alleen maar beter hebben gemaakt: mijn hardwerkende persoonlijk medewerkers Maurice Hoogeveen, Priscilla Boonman en Jarid van de Steeg; de onmisbare beleidsmedewerkers Désirée de Groot en Jasper Boon; en mijn geweldige verbinding met het ministerie van Justitie, Joris Groen. Mede dankzij hun inzet ligt deze wet nu in de Kamer ter behandeling. 

De heer Van Laar (PvdA):

Ik heb twee vragen aan de heer Bosman. Hij stelt dat de Raad van State geen onderscheid maakt tussen de verschillende genoemde opties. Volgens mij noemt de Raad van State de ene optie direct verdacht, c.q. discriminatoir, en de andere optie bijvoorbeeld niet. Daar zit wel verschil tussen. 

Nu mijn tweede vraag. Is bij de heer Bosman ooit de gedachte opgekomen dat het boven de markt laten hangen van deze wet de oplossing juist heeft bemoeilijkt? In de afgelopen jaren is elke dialoog immers onmogelijk geweest, mede omdat de frustratie over deze wet zo groot was. 

De heer Bosman (VVD):

Lees goed wat de Raad van State zegt: initieel lijkt het een verbetering, maar op het eind is het effect absoluut hetzelfde. Als het uiteindelijk hetzelfde effect oplevert, wil ik het liefst zo dicht mogelijk bij de wetgeving van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten blijven. Dat is namelijk mijn intentie. Ik ben het absoluut eens met de heer Van Laar dat er vele verschillende mogelijkheden zijn om deze wetgeving vorm te geven. Alleen is het mijn persoonlijke keuze en gedachte om de wetgeving zo dicht mogelijk te houden bij die van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, en op die manier een invulling te geven aan het gesprek dat ik later wil gaan voeren over de rijkswet, waarbij de vier verschillende wetten naast elkaar liggen. 

En "boven de markt laten hangen"? Ik weet dat ik hier de tijd voor heb genomen. Ik heb hier met alle zorgvuldigheid naar willen kijken en ik heb niet willen haasten. We hebben nog advies aangevraagd. Het liefst had ik gehad dat deze wet voor de zomer was behandeld, maar de agenda van de Kamer heeft ook niet meegewerkt. Uiteindelijk moet je het dan op dit tijdstip doen. Ik heb dit dus niet expres boven de markt laten hangen. Ik heb absoluut niet de bedoeling gehad om het overleg te problematiseren. Wij hebben gezamenlijk in de overleggen met de verschillende parlementen gezeten. De heer Van Laar weet dat ik daarbij iedere keer heb gezegd dat men van harte welkom was om aan te schuiven, en dat iedere optie mogelijk was en met mij kon worden besproken. Daar is echter niet op gereageerd. 

De heer Van Laar (PvdA):

Volgens mij zijn er in ieder geval vanuit deze Kamer heel veel uitnodigingen aan de heer Bosman gedaan om te komen praten, maar de heer Bosman heeft daar geen gehoor aan gegeven. Volgens mij heeft hij met geen enkele partij gesproken over hoe de vormgeving van deze wet anders of beter zou kunnen, zodat er wel een meerderheid voor zou komen. De problemen die de heer Bosman aanstipt, worden breed erkend, al gaan wij misschien niet uit van dezelfde percentages. Het had in de rede gelegen om ook met de eilanden en met ons te gaan praten, om te bekijken of er een wet zou kunnen komen die op een meerderheid kon rekenen. Nu lijkt het erop dat de heer Bosman een wet heeft willen maken die het niet zou halen. Ik vraag me af wat daar het doel van is. En hij heeft dit zo lang boven de markt laten hangen, dat de verhoudingen alleen maar zijn verzuurd. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Mag ik een punt van orde maken, voorzitter? 

De voorzitter:

Dat mag altijd. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik ben heel graag heel kritisch, maar deze kritiek herken ik niet. Ik weet dat de heer Bosman heeft geprobeerd om met iedereen te praten, en zeker ook met mij. Ik heb uren in zijn kamer gezeten. We hebben dit helemaal bekeken. Ik vind deze kritiek dus onterecht. Ik wilde graag even dit punt hebben gemaakt. 

De voorzitter:

Waarvan akte, hoewel dit meer een persoonlijk feit was dan een punt van orde. 

Het woord is weer aan de initiatiefnemer. 

De heer Bosman (VVD):

Dank, voorzitter. Er is inderdaad met mensen gesproken. Ik heb met mensen aan tafel gezeten. Uiteindelijk komt er dan iets uit en vraag je jezelf: wil ik die keus maken? Nogmaals, de keus van de heer Van Laar is niet de mijne. Je kunt zeggen dat ik de wet door het Nederlandse parlement heen wil krijgen. Mijn antwoord daarop is dat dat pas stap één is. Regeren is immers ook vooruitzien, dus ik wil verder: ik wil naar die rijkswet toe. Die rijkswet was er namelijk niet, en dat was mijn frustratie. Mijn idee was — en misschien ben ik wel niet helemaal lekker, hoor — om eens om de tafel te gaan zitten en het te gaan hebben over vier wetten, die bijna identiek zijn. Ik weet dan wel wat er gezegd gaat worden: we krijgen dan drie gelijke wetten, en Nederland heeft dan weer een veel slimmere of een veel betere wet; dus, met alle respect, die macamba's weten het weer beter. Kennelijk moeten wij dat verhaal gaan houden. Hoe dichter je bij het verhaal van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zit, hoe makkelijker het gesprek gevoerd zal worden. Dat is mijn mening. Volgens mij zijn dan alle opties mogelijk. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Mevrouw Van Toorenburg vroeg waarom de heer Bosman het niet via een rijkswet wil regelen. De heer Bosman gaf aan dat het niet goed is voor het warme gevoel in Caribisch Nederland als je het op die manier doordrukt. Hoe denkt hij dan dat zijn huidige route overkomt? We kennen inmiddels wel de kritiek van Caribisch Nederland. Waarom zou het draagvlak er op deze manier ineens wel zijn? 

De heer Bosman (VVD):

Ik snap de problematiek. Als je niets te onderhandelen hebt, zullen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten altijd zeggen: ik wil het niet, ik doe niet mee, ik wacht. Er moet een moment zijn waarop je vaststelt waarover we gaan onderhandelen en waarover we het gesprek aangaan. Ik snap Aruba, Curaçao en Sint-Maarten helemaal. Als er niets te onderhandelen is, zeggen zij: kom maar met een idee, vertel het maar. Daarom dien ik dit wetsvoorstel in, omdat ik onderhandelingsmateriaal wil hebben. Natuurlijk wil ik eerst het probleem oplossen. Laten we dat vooropstellen. Het probleem moet opgelost worden; dat wil ik aanpakken. Ik kijk echter verder. Ik snap dat we het niet alleen kunnen oplossen; de aanvoer van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten op de eilanden moet ook aangepakt worden. Daarover moeten we ook het gesprek voeren. Natuurlijk ontstaat er frustratie omdat het idee bestaat — misschien is dat wel onterecht — dat er verschil is in interpretatie van de verschillende verdragen bij de verschillende landen, waardoor er een ander beeld ontstaat. Ik zeg: wacht even, laten we dat nou eens netjes bij elkaar zetten, allemaal op één lijn, en dan het gesprek voeren. Natuurlijk zal er frustratie zijn. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Die frustratie neem je dus niet weg met de route die de heer Bosman gekozen heeft, want ondertussen laat je wel, zoals de heer Van Laar terecht aangaf, die wet boven de markt bungelen. Als de heer Bosman echt iets wil doen aan de situatie van kansloze jongeren, is het toch beter om daarnaar te kijken en ervoor te zorgen dat mensen kansen krijgen? Dat doe je toch niet door hen buiten te sluiten? Ik denk niet dat je hiermee het draagvlak vergroot. Ik snap dus nog steeds niet hoe deze route opeens tot een veel groter draagvlak en meer overeenstemming zou kunnen leiden dan een route via de rijkswet. 

De heer Bosman (VVD):

Het beeld dat wordt geschetst, ook op de eilanden — soms is de informatie niet helemaal correct — is dat het een weigeringswet is. Er zou controle zijn aan de grens en iedereen zou worden teruggestuurd. Dat beeld wordt opgeklopt en is wat emotioneel. Daarom is het goed dat we het wetsvoorstel bespreken en duidelijk aangeven wat het inhoudt: iedereen is van harte welkom; als je kansen wilt, liggen die echt voor het grijpen, maar dan moet je ze wel pakken. Ik heb echter wel een paar vragen en dat zijn dezelfde vragen die Aruba, Curaçao en Sint-Maarten stellen. Dat doen we binnen het Koninkrijk. De problemen moeten worden opgelost op de eilanden; dat ben ik helemaal met mevrouw Voortman eens. Ik heb echter ook aangegeven dat we hieraan de afgelopen twintig jaar bijna een miljard hebben uitgegeven. We zijn er echt mee bezig. Er gebeurt niet niks. Dat zijn wel dingen die we in het achterhoofd moeten houden. Deze wet komt niet uit de lucht vallen in de trant van "goh, laat ik eens wat verzinnen, want dan hebben we dat geregeld". Nee, het is een langdurig proces. Veel partijen in de Kamer hebben steeds aangegeven dat we er iets mee moeten. Op een gegeven moment moet je er dan dus iets mee doen. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Volgens mij hebben we de principiële kant gehad. Het gaat nu om de uitvoerbaarheid en de handhaving. In artikel 13 van het wetsvoorstel van de heer Bosman staat — ik lees het even voor — dat politieagenten mensen staande mogen houden wanneer zij reden hebben om mensen ervan te verdenken dat zij zich niet aan deze wet houden en geen vestigingsvergunning hebben. Kan de indiener daar iets dieper op ingaan? Wat zou een aanleiding of reden zijn om mensen staande te houden? Hoe zouden die politieagenten zien dat mensen zich niet aan deze wet houden? 

De heer Bosman (VVD):

Dat wetsartikel biedt de mogelijkheid om iemand staande te houden. Er moet, juridisch gezien, een moment zijn waarop je kunt zeggen: er is een probleem; ik wil u staande houden op basis van de wet. Vanuit mijn perspectief is alleen sprake van staandehouding als iemand de wet overtreedt, als de rechter constateert dat er een probleem is. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik vraag het toch maar even, omdat mij volstrekt niet duidelijk is hoe je aan het gezicht van iemand kunt zien dat deze wet overtreden wordt. Ik wil het eigenlijk niet uitspreken, maar ik zal toch maar de volgende vraag stellen. Hoe wil de heer Bosman voorkomen dat zijn wet gaat leiden tot etnisch profileren? Dat is natuurlijk toch een groot risico. De heer Bosman zegt dat het een juridisch artikel is. Ja, me dunkt, maar het is wel een juridisch artikel op basis waarvan straks agenten kunnen opereren. 

De heer Bosman (VVD):

Daar maak ik me geen zorgen over. De kern is: wat wil je ermee bereiken? Je bereikt er helemaal niets mee. De essentie is dat de problemen aan de orde komen op het moment dat die er zijn. Dat is het mooie van deze wet. Ik heb het over het moment dat criminelen geweld plegen, over de schreef gaan. Het moment waarop de rechter dat toetst, is het moment om te zeggen: wacht even, u valt onder de wet. Dan kan de rechter nog een keer zeggen: is het dusdanig dat hier misschien sprake moet zijn van het terugleiden? Maar niet eerder. Ik maak me er geen zorgen over dat mensen hier staande worden gehouden op basis van deze wet. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik probeer het even te snappen. Ze worden niet aan de grens gecontroleerd, ze worden ook niet staande gehouden. Dat roept bij mij dan toch de vraag op: wil de heer Bosman überhaupt dat zijn wet wordt gehandhaafd? Of is het alleen maar symboolpolitiek? Het is toch een van de twee. Ergens moet de politie ingrijpen om deze wet te handhaven. Wanneer is dat moment dan? 

De heer Bosman (VVD):

Het mooie van de handhaving is dat die plaatsvindt op het moment dat het misgaat. Dat is het mooie. Eigenlijk zou de heer Sjoerdsma hier blij om moeten zijn. Hij zou moeten zeggen: ik ben heel blij dat dat zo is. Het is namelijk een chirurgisch middel op het moment dat mensen echt over de schreef gaan, dat we vinden dat deze mensen een risico zijn voor de samenleving. Hier zullen echt geen mensen staande worden gehouden. Dat kan namelijk niet. Daarover zijn juridische uitspraken gedaan. Als mensen op basis van het verkeerde wetsartikel worden aangehouden, dan kan dat niet. Ik maak mij er dus geen zorgen over dat mensen op het aangezicht worden aangesproken. 

Voorzitter. Dat was mijn antwoord in eerste termijn. 

De voorzitter:

Dank u zeer. Dan zal ik nu het woord geven aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in zijn rol van adviseur van de Tweede Kamer, echter niet dan nadat ik nog even heb gezegd dat het woord "makamba" dat de heer Bosman gebruikte, Papiaments blijkt voor te zijn voor "Nederlander". Dat heb ik mij laten influisteren. Dat voor het stenografisch verslag! 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Voorzitter. Het is een bijzonder moment als een lid van de Tweede Kamer een initiatiefwetsvoorstel niet alleen aankondigt, maar ook maakt en hier ten volle behandelt. Ik feliciteer de heer Bosman daarmee. Het kabinet waardeert het natuurlijk zeer als dat werk wordt verricht vanuit de Kamer. 

Het kabinet onderschrijft in adviserende zin ook de doelstellingen van het wetsvoorstel. Het is zinvol om de vestiging van Nederlanders uit Caribische landen te reguleren. Wij zien dat daarbij wordt aangesloten bij criteria die de Caribische landen zelf ook hanteren. Aan die kant is er dus sprake van het onderschrijven van de doelstellingen. Het kabinet wijst de Kamer natuurlijk ook op de bezwaren die ook door andere partijen geuit zijn. Ik noem de juridische bezwaren zoals die kenbaar zijn gemaakt en ik wijs op de relatie tussen de verschillende landen in het Koninkrijk die hierbij betrokken kan worden. Deze bezwaren die ook anderen geuit hebben, leiden in de ogen van het kabinet niet tot een blokkade, maar wel tot een advies om deze zorgvuldig te wegen in het licht van de doelstellingen van het wetsvoorstel. 

De voorzitter:

Ik zie dat mevrouw Van Toorenburg wil interrumperen. Zullen we even afwachten of de staatssecretaris er nog meer over te zeggen heeft of hebt u op dit punt echt al een prangende vraag? 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik wil ingaan op dit punt. Ik dacht wel dat het vaag zou worden, maar zo vaag! Ik wil graag van dit kabinet horen hoe het de juridische bezwaren weegt. Ik wil een advies van het kabinet waarin wordt aangegeven dat wat de Raad van State zegt, niet waar is. Het is niet waar wat de commissie-Meijers zegt. Kamer doe dit. Adviseert positief of negatief. Ik wil niet een verhaal van "weeg het een beetje". 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Die vragen zijn ook in eerste termijn door verschillende Kamerleden gesteld. Die zal ik ook beantwoorden. Op de onderdelen waarover vragen zijn gesteld, zal ik antwoord geven en tevens een advies. 

De voorzitter:

Ik stel voor, dat even af te wachten. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Maar ik snap niet wat de staatssecretaris nu zegt. Hij gaat een oordeel vellen over de wet als die is aangenomen. Ik neem toch aan dat dit niet waar is. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Nee. Het is gebruikelijk dat bij initiatiefwetsvoorstellen allereerst de Kamers zelf een oordeel geven over het wetsvoorstel. Het kabinet doet dat niet per se bij voorbaat. Het velt pas een definitief oordeel over wat het met het wetsvoorstel doet als het wordt aangenomen. Het wetsvoorstel moet echter eerst worden aangenomen. Ik zal eerst de vragen beantwoorden, maar op subonderdelen hebben wij wel een duidelijke mening. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voor de goede orde: wij hebben een oordeel gevraagd. Wij willen een positief of een negatief advies op basis van de juridische argumentatie. Ik neem aan dat de staatssecretaris zijn betoog afsluit met een voor of een tegen. 

De voorzitter:

De staatssecretaris hoort hier geen vraag in. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Een punt van orde. Ik neem aan dat ook voor dit initiatiefwetsvoorstel geldt, net als voor andere initiatiefwetsvoorstellen, dat het kabinet wel tot een oordeel komt. Ik kijk ook even naar u als voorzitter. 

De voorzitter:

Het is op zich gebruikelijk dat het kabinet tot een oordeel over initiatiefwetsvoorstellen komt, maar staatsrechtelijke noviteiten zijn altijd mogelijk. Het kan ook zijn dat het kabinet zegt: wij vinden dat het oordeel van de Kamer. Dat is mogelijk. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik zou u als voorzitter willen ontraden de regering aan te moedigen om te komen tot een staatsrechtelijke noviteit. 

De voorzitter:

Dat doe ik niet. U stelde mij een vraag en daar geef ik antwoord op. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Even heel precies. U noemt het zelf: staatsrechtelijke noviteiten. Ik vraag u om ervoor te zorgen dat het kabinet een oordeel geeft over deze initiatiefwet, zoals te doen gebruikelijk. 

De voorzitter:

Dat honoreer ik uiteraard door hier te zitten en dit door te geleiden naar het kabinet, maar u vroeg mij specifiek of het per definitie enzovoorts. Maar er zijn altijd staatsrechtelijke noviteiten mogelijk. 

Het woord is aan de staatssecretaris. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Er is door de heer Schouw — hij was er toen nog — gevraagd of het wetsvoorstel direct onderscheid maakt naar ras of etnische herkomst en wat de juridische implicaties daarvan zijn. Het wetsvoorstel maakt in onze ogen geen onderscheid naar ras of etnische herkomst. Evenals de toelatingsregelingen, die ook bestaan op Curaçao, Aruba en Sint-Maarten, maakt het wetsvoorstel wel een onderscheid naar nationale afstamming of afkomst. Dat onderscheid is toelaatbaar als daar een objectieve en redelijke rechtvaardiging toe bestaat. Daarvoor is vereist dat het onderscheid een evenredig en effectief middel is om het beoogde doel te realiseren en dat de nagestreefde doelstelling niet langs andere weg kan worden bereikt. De Kamer dient te bepalen of aan deze voorwaarden is voldaan, gelet op de onderbouwing die de indiener van het voorstel heeft gegeven. 

De heer Van Laar heeft gevraagd naar de uitspraak van de commissie-Meijers. Zij heeft aangegeven dat burgers van de Europese Unie niet mogen worden gedwongen de Unie te verlaten. Heeft dat implicaties voor het wetsvoorstel? Zoals de Raad van State opmerkt, werkt het Europese recht niet door in situaties die geen grensoverschrijdend karakter hebben. Antilliaanse Nederlanders die geen gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer kunnen ook geen verblijfsrechten ontlenen aan het EU-verdrag. Als een Antilliaanse Nederlander niet in aanmerking komt voor een toelating tot vestiging, dan wordt hij niet gedwongen om de Europese Unie blijvend te verlaten. Hij kan nog steeds gebruikmaken van het recht van vrij verkeer binnen de Unie. 

Mevrouw Van Toorenburg heeft gevraagd om een duiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2000. In dat arrest doet de Hoge Raad een aantal belangrijke uitspraken. In de eerste plaats stelt de Hoge Raad vast dat de verschillende landen van het Koninkrijk wat betreft het recht op toegang moeten worden beschouwd als afzonderlijke landen, vanwege het voorbehoud dat destijds door Nederland is gemaakt. Toelatingsregelingen voor Nederlanders zijn in beginsel toelaatbaar voor elk van de landen van het Koninkrijk. In de tweede plaats stelt de Hoge Raad vast dat de toelatingsregeling van de toenmalige Nederlandse Antillen geen verboden discriminatie opleverde in de zin van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, omdat het begrip "nationale afstamming" niet de politiek-juridische betekenis heeft van nationaliteit of onderdaanschap, maar een etnografische betekenis. In de derde plaats overweegt de Hoge Raad dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het onderscheid naar afkomst ontbreekt als met het gemaakte onderscheid geen legitiem doel wordt nagestreefd, of indien het onderscheid niet kan worden aangemerkt als een passend middel om dit doel te bereiken. In het bijzonder het laatste punt is van belang bij het maken van een afweging. Het kabinet heeft een terughoudende opstelling wat betreft een eindoordeel in de weging van al deze belangen. 

De heer Fritsma heeft gevraagd wat het kabinet vindt van het initiatiefwetsvoorstel over het terugsturen van criminele Antillianen dat hij samen met zijn collega De Graaf heeft ingediend. Het kabinet acht het voorbarig om het oordeel van het kabinet te vragen over een wetsvoorstel waarvan de schriftelijke behandeling nog gaande is. Wij wachten net als vele anderen op de indieners, die de vragen van de Kamer zullen beantwoorden met een nota naar aanleiding van het verslag. Daar hebben wij nu nog geen standpunt over. 

Tot zover mijn bijdrage, voorzitter. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik ben echt "stupéfaite" ... sorry, ik mag geen Frans spreken. Ik ben echt verbijsterd. Het kan toch niet zo zijn dat het kabinet zegt: dit zijn een paar juridische bezwaren en wij geven een duiding van een arrest? Betekent dit dat je met de wijziging van rechtswege voldoet aan de criteria van het arrest? Als dit het is, dan hoef ik, wegens de lafheid van het kabinet om met zo'n advies naar de Kamer te komen, niet eens meer een tweede termijn. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Ik heb toch liever dat mevrouw Van Toorenburg Frans spreekt, in plaats van de laatste kwalificatie. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Laat ik het nog eens in het Nederlands proberen. In het regeerakkoord is hierover ook een zin opgenomen. Ik had eigenlijk verwacht dat de staatssecretaris zou zeggen: er zijn een aantal aanpassingen gedaan, prima voorstel. Wat weerhoudt het kabinet ervan om dit te doen? Als het kabinet toch nog even bij dit halve oordeel blijft, komt het dan zelf met een voorstel? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Volgens mij mis ik een beetje de verbazing. Maar goed, in mijn tijd als Kamerlid heb ik zelf geen initiatiefwetsvoorstellen verdedigd. Volgens mij mis ik even de link naar waar nu de grote ophef over is. Wij onderschrijven de doelstellingen. De juridische bezwaren die zijn geuit heb ik volgens mij een voor een nagelopen. Die achten wij niet van dien aard dat deze moeten leiden tot een negatief oordeel. Ik ben misschien te terughoudend, omdat ik denk dat het netjes is dat de Kamer met die informatie vanuit het kabinet dit proces vooral eerst in de Kamer zijn beslag laat krijgen, voordat wij heel formele standpunten innemen. Ik heb aangegeven dat wij de doelstellingen onderschrijven en dat de juridische bezwaren in de ogen van het kabinet niet leiden tot een blokkade. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik heb inmiddels zelf vijf initiatiefwetsvoorstellen verdedigd hier in de Kamer. Volgens mij is het echt gebruikelijk dat het kabinet aangeeft hoe het hierin staat. Ik hoor nu de staatssecretaris zeggen dat het kabinet niet tot een negatief oordeel komt. Moet ik dit zo opvatten dat het kabinet tot een positief oordeel komt? Graag een simpel ja of nee. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Die weging is nu toch in eerste instantie aan de Kamer. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik heb tweemaal in vak-K mogen staan. Ik vind het altijd heel chic als een kabinet niet al te ver gaat in een oordeel, maar een advies is heel gebruikelijk. Daarom sluit ik mij aan bij de eerdere sprekers die hebben gezegd: kom op met dat advies. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Het is een ingewikkeld voorstel, dat ook zijn weerslag heeft op de relatie tussen de landen binnen het Koninkrijk. Vandaar dat het kabinet terughoudendheid wil betrachten en dit traject in de Kamer zijn beloop wil laten krijgen. De doelstellingen ondersteunen wij sowieso. Die zou je op meerdere manieren kunnen realiseren. Dit is er één van. Daar zien wij geen juridische onoverkomelijkheden in. Wij zijn ook niet juichend, dus ons advies is de lichtste mate van positief. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Het wordt nu wel een verbale zoektocht naar wat het kabinet ervan vindt. Laat ik "de lichtste mate van positief" maar gewoon zo uitleggen dat het kabinet niet zegt: we ontraden het. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Nee, het wordt niet ontraden. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Het is niet oordeel Kamer? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Dat mocht niet van u. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Dus wat is het wel? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Dus het is ... Als ik een motie moet behandelen, is "oordeel Kamer" geloof ik het hoogste. Dus ik ontraad het niet en oordeel Kamer lijkt mij gepast nu deze Kamer een initiatiefwetsvoorstel behandelt. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Oké. Ik zal deze discussie niet verder voeren, maar ik kan eigenlijk alleen maar concluderen dat deze staatssecretaris kennelijk één ding niet doet, en wel dat ene zinnetje uit het regeerakkoord uitvoeren. Eigenlijk heeft hij namens het kabinet geen mening over het initiatiefwetsvoorstel van de heer Bosman. Dat vind ik van belang om te benoemen. Dit wetsvoorstel zet de verhoudingen binnen het Koninkrijk nogal onder druk, gezien de reacties vanuit de eilandregeringen en de eilandparlementen. Wat de staatssecretaris hier vandaag zegt — en dat is eigenlijk: laat het dan maar doorgaan, maar ik wil er liever niet mijn eigen stempel op hebben — heeft ook consequenties daarvoor. Ik weet dat u niet minister van Koninkrijksrelaties bent, maar ik wil u toch vragen om daar ook eens op te reflecteren. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Volgens mij heb ik op diverse subonderdelen van het wetsvoorstel een analyse en een weging gegeven. Ik sta hier niet zonder mening. Ik heb op onderdelen van het wetsvoorstel verschillende kanten belicht en daar ook een oordeel over gegeven, uiteindelijk ook over het hele wetsvoorstel. De terughoudendheid die ik daarbij heb betracht, is ook onderdeel van de reflectie, precies zoals de heer Sjoerdsma vraagt. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik moet wel bekennen dat ik er op zichzelf weinig moeite mee heb als er geen duidelijk dictum van de regering komt. Bij een initiatiefwetsvoorstel komen we dat wel vaker tegen en wordt terughoudendheid van de kant van de regering zelfs op prijs gesteld door de Kamer. Maar het is wel belangrijk om op de inhoudelijke onderdelen een heldere overtuiging van het kabinet te horen. We hebben daar inderdaad het een en ander over gehoord. Ik heb nog een vraag over de juridische houdbaarheid. Politieke wenselijkheid en juridische houdbaarheid gaan namelijk heel makkelijk door elkaar heenlopen. Ziet de staatssecretaris uit het oogpunt van de juridische houdbaarheid nog risico's aan het wetsvoorstel met de nota van wijziging die we vandaag hebben gekregen? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Als ik die weeg, moet ik natuurlijk het voorbehoud maken dat in het individuele geval het oordeel aan de rechter is. Van sommige wetsvoorstellen of ideeën kun je bij voorbaat denken: dit gaat het nooit halen. Dat kan ik hiervan niet zeggen. Kijkend naar de jurisprudentie en de uitspraken die er hierover zijn, zal het er uiteindelijk op aankomen of de rechter vindt dat het opgevoerde te dienen doel opweegt tegen de maatregelen die genomen zijn. Ik kan vanuit het kabinet niet op voorhand zeggen dat die weging juridisch niet houdbaar is. Er is geen formeel beletsel, niet in internationale verdragen, niet in Europese regels en evenmin in het Statuut of in de Grondwet, voor een toelatingsregeling voor Antilliaanse Nederlanders. Dat heeft de Raad van State ook opgemerkt. Er zijn bepaalde voorwaarden waaronder zo'n regeling wel kan. Er wordt dan per definitie een onderscheid gemaakt. Dat is niet absoluut verboden; het kan geoorloofd zijn als er zwaarwegende redenen voor zo'n onderscheid zijn. Daarbij speelt ook een rol dat andersom Aruba, Curaçao en Sint-Maarten ook een toelatingsregeling hebben voor Europese Nederlanders. Daarbij wordt ook een onderscheid gemaakt dat geoorloofd geacht wordt op grond van zwaarwegende redenen. Tot zover lopen die zaken parallel. Het verschil zit hem erin dat dit initiatiefwetsvoorstel een andere zwaarwegende reden opvoert dan die ten grondslag ligt aan de regelingen die vanuit de eilanden werking hebben op Europese Nederlanders. Die weging is geen exacte wetenschap. Je hebt niet de garantie dat die regeling stand houdt omdat ze precies hetzelfde is als ze vanuit de eilanden naar ons uitwerkt. Maar ik kan ook niet bij voorbaat zeggen dat het in het initiatiefvoorstel opgevoerde zwaarwegende belang onvoldoende zal zijn voor deze zaak. De inschatting van het kabinet is dat de regeling houdbaar kan zijn. Uiteindelijk moet de rechter het finale oordeel vellen. 

De heer Fritsma (PVV):

Voor alle helderheid citeer ik nog even het regeerakkoord: "Op basis van criteria zoals de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten zelf hanteren, onder meer toetsend op strafblad en inkomen, komen we met een voorstel tot regulering van de vestiging van inwoners uit die landen in Nederland." Het is ongelooflijk dat de staatssecretaris nu gewoon wegloopt van zijn eigen regeerakkoord. Waarom zet hij een streep door het regeerakkoord dat hij moet uitvoeren, waarvoor PvdA en VVD getekend hebben? Dit is toch absurd? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Er wordt een waaromvraag gesteld over iets wat ik niet herken te doen. Dat maakt de zaak moeilijk. Het is niet handig als verschillende wetsvoorstellen naast elkaar bestaan. Het traject van het initiatiefwetsvoorstel is er één dat allang liep. Het is dan elegant dat te laten aan de Kamer. Zo is het gegaan. 

De heer Fritsma (PVV):

Hoe het is gegaan, maakt niet uit. Het punt is dat het geregeld moet worden. Of het nu via u of via de heer Bosman komt, is niet relevant. U hebt in het regeerakkoord afgesproken dat dit geregeld wordt. Nu zegt u: laat maar zitten, oordeel Kamer. Dat kan toch niet? U veegt het regeerakkoord van tafel. Ondanks alle vragen weten we natuurlijk hoe dat komt: de PvdA-fractie heeft aangegeven hiermee niet te kunnen leven. Zeg dát dan. Zeg dan: het ligt wat moeilijk, we krijgen het er niet door, omdat de PvdA-fractie het niet wil en wij buigen voor die fractie. Zeg dát dan, dan heeft iedereen duidelijkheid. Dan is het net zo gegaan als met de strafbaarstelling van illegaliteit: de PvdA wint de strijd en de VVD buigt daarvoor. Maar dan hebben we wel duidelijkheid. Dan heeft het geen zin om weg te lopen en om het kraakheldere regeerakkoord heen te draaien. 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Als ikzelf met een wetsvoorstel kom, vraag ik ook het oordeel van de Kamer. Dat doen we gelukkig in deze democratie wel. Wat fracties dan doen, moeten ze bij de stemming bepalen. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

De staatssecretaris zegt: bekeken zal moeten worden of aan de voorwaarden is voldaan. Er zijn behoorlijk veel zeer gerenommeerde juristen die aangeven dat niet aan de voorwaarden is voldaan, omdat er grondslagen onder liggen die dit wetsvoorstel niet kunnen dragen. Waarom is er in het kabinet niet gekozen voor de keurige weg van een rijkswet, die in de la ligt en waarvan op basis van wederkerigheid kan worden gezegd: er is vrij verkeer, tenzij, gevolgd door de opbouw die eigenlijk al een beetje in het regeerakkoord staat? Waarom is daar niet voor gekozen? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Er ligt inderdaad nog een wetsvoorstel van minister Hirsch Ballin. Dat is destijds met heel veel understatement gezegd met niet heel veel enthousiasme ontvangen in de andere landen van het Koninkrijk. Er is nog wel ambtelijk gepoogd, daaraan met de andere landen te werken. Dat heeft niet bepaald tot verhoging van de gastvrijheid in de onderlinge contacten geleid. Ten slotte is toen besloten dat voorstel niet door te zetten, ook omdat er andere discussies liepen, in aanloop naar 10 oktober 2010. Op dat moment was er geen mogelijkheid om met de andere landen overeenstemming te bereiken. Natuurlijk kun je dan zeggen: duw het er gewoon door. Maar de vraag is, of dat wel netjes is, kijkend naar de vraag of de toelatingsregelingen wel een Koninkrijkaangelegenheid zijn. Formeel is het toezicht daarop een Koninkrijkaangelegenheid en niet het stellen van die regels. Daar wijst de Raad van State ook nog op. Dan heb je consensus nodig. Een rijkswet leidt daar niet toe. 

De voorzitter:

Laatste. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Er was geen consensus nodig. Natuurlijk stond men niet op de tafel te dansen, omdat Nederland een oplossing wilde bieden voor de problemen. Wat ik zo jammer vind, is dat het kabinet het laat gebeuren, dat we straks een wet hebben, waarmee we tegen Terneuzen zeggen: nu gaan we de problemen oplossen. 

De voorzitter:

Dit lijkt mij meer iets voor de tweede termijn. U kunt een vraag stellen aan de staatssecretaris. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik rond even af. Terneuzen heeft echter helemaal geen oplossing voor het probleem. Waarom heeft de staatssecretaris er niet voor gezorgd dat we een sluitend voorstel hebben — dat al voorhanden is — waardoor we wel de problemen kunnen oplossen en moeten we het nu doen met een wet waar zo veel kritiek op is, dat die de juridische toets niet kan doorstaan? 

Staatssecretaris Dijkhoff:

Dat was geen sluitende oplossing. Anders had die gekozen kunnen worden. 

De voorzitter:

Hiermee bent u gekomen aan het eind van uw advisering aan de Kamer en daarmee zijn we gekomen aan het eind van de eerste termijn. Ik stel voor om meteen door te gaan met de tweede termijn, zodat de initiatiefnemer in de pauze die daarna volgt, zich over zijn antwoord kan beraden en we vandaag alles af kunnen ronden. Ik geef graag als eerste het woord aan de heer Azmani die zal spreken namens de VVD. 

De heer Azmani (VVD):

Voorzitter. Allereerst wil ik de indiener danken voor de uitgebreide beantwoording van de vele vragen die zijn gesteld naar aanleiding van dit wetsvoorstel, en de staatssecretaris voor zijn oordeel. Ik wil de indiener ook danken voor de nodige aandacht die hij heeft gegeven aan dit wetgevingsproces. Op verzoek van partijen ligt er nu een tweede advies van de Raad van State en de indiener heeft niet geschroomd om zijn wetsvoorstel bij te stellen door het indienen van een nota van wijziging. Dat toont aan dat de indiener alles uit de kast heeft gehaald om dit niet onomstreden wetsvoorstel met de nodige zorgvuldigheid te behandelen. 

Partijen kunnen zich blijven nestelen in juridische argumenten, maar uiteindelijk zeg ik als jurist, alles afwegend, dat dit eerder een politiek vraagstuk is dan een juridische. Het is een politiek vraagstuk met een lange adem. Willen we blijven doormodderen, ook in de toekomst, met Nederland als afvoerputje voor kansarme of criminele Nederlanders afkomstig uit Aruba, Curaçao en Sint-Maarten of willen we de problemen een halt toeroepen door vestigingseisen te stellen aan mensen uit deze delen van ons koninkrijk, gelijk aan de eisen die zij ook aan Europese Nederlanders stellen? Nee, de goedwillenden worden door dit wetsvoorstel niet belet en, ja, hiermee kunnen we voorkomen dat problemen zoals in wijken in Terneuzen, maar bijvoorbeeld ook in de wijk Holtenbroek in Zwolle, dat deels veiligheidsrisico gebieden zijn, blijven bestaan en kunnen we die aanpakken. In het verleden hebben we daar al vele miljoenen in geïnvesteerd, maar zonder resultaat. Hiermee wordt de urgentie groter voor deze landen om ook zelf aan de slag te gaan om de jongeren op de eilanden een beter perspectief te bieden. Dat zal eenieder ten goede komen, ook de mensen die hier woonachtig zijn en die afkomstig zijn uit andere landen van het Koninkrijk. 

De indiener gaf het zelf ook aan, een rijkswet zou natuurlijk prevaleren, maar als de andere landen geen druk ervaren dat het ons ook echt een keer menens is, zullen ze ook niet snel overgaan tot de noodzakelijke medewerking. Het is in dit licht goed dat de indiener alsnog bij nota van wijziging de horizonbepaling heeft geformuleerd dat de onderhavige wet vervalt wanneer de rijkswet in werking treedt. 

Als je nagaat hoe lang we in de politiek al om de hete brij heen draaien, terwijl vele politici van diverse partijen in dit huis zich in het verleden al hebben uitgesproken voor het reguleren van deze migrantenstroom, is het anno 2016 echt niet te vroeg. Het is juist proportioneel, omdat we ze de tijd hebben gegeven en we het met elkaar in dit huis uitgebreid hebben bediscussieerd, waarna we uiteindelijk met een vestigingsregeling zijn gekomen. In 1954 hebben we bij het Statuut de mogelijkheid al opengehouden om met regels te komen. In 1980 is de regering in een motie van Erica Terpstra gevraagd om in overleg te treden met de Antillen om te komen tot een gereguleerd migratiebeleid. Verschillende kabinetten hebben zich ermee beziggehouden. We hoorden dat vandaag in het debat ook weer. De kabinetten-Balkenende III en IV hebben mogelijkheden voor een rijkswet onderzocht. Echter, de landen willen tot op de dag van vandaag niet meewerken. 

Daarin kunnen wij verandering brengen. Laten we niet terugschrikken, zoals we de afgelopen decennia hebben gedaan. Laten we ook als Tweede Kamer zien dat deze problemen in zowel Nederland als de andere landen binnen het Koninkrijk ons menens zijn. 

De heer Fritsma (PVV):

Inderdaad spijtig dat de andere landen in het Koninkrijk niet willen meewerken om dit te bereiken. Wil uw coalitiegenoot, de PvdA, wel meewerken? Ik vraag dit niet voor niets, voorzitter. De heer Azmani heeft in de eerste termijn duidelijk gezegd dat het regeerakkoord leidend is, ook wat deze kwestie betreft. Dit is afgesproken in het regeerakkoord. Graag helderheid: is het regeerakkoord nog steeds leidend, of niet? 

De heer Azmani (VVD):

Volgens mij moet u deze vragen richten aan de woordvoerder van de Partij van de Arbeid, niet aan de woordvoerder van de VVD. Ik constateer in ieder geval dat de initiatiefnemer dit wetsvoorstel al wilde indienen voordat het regeerakkoord tot stand kwam. Volgens mij behandelen we dat wetsvoorstel hier. 

De voorzitter:

Maar de heer Fritsma stelt zijn vraag aan u. 

De heer Azmani (VVD):

Ja, en dat begrijp ik heel goed. 

De heer Fritsma (PVV):

En niet voor niets, voorzitter. Deze vraag is ook in de eerste termijn aan de heer Azmani gesteld. Toen heeft hij duidelijk gezegd dat het regeerakkoord leidend is wat het stellen van vestigingseisen betreft. Als je zoiets in de eerste termijn zegt, mag je daarop worden aangesproken in de tweede termijn. Ik wil een helder antwoord: is het regeerakkoord nog steeds leidend wat dit punt betreft, of niet? 

De heer Azmani (VVD):

Ja, laat duidelijk zijn dat het regeerakkoord leidend is wat dit punt betreft. Volgens mij heeft de heer Fritsma een antwoord gekregen. 

De heer Fritsma (PVV):

Dus gaat het gebeuren? 

De heer Azmani (VVD):

Zoals ik heb gezegd, is hetgeen dat is afgesproken in het regeerakkoord leidend. Volgens mij behandelen we op dit moment een initiatief van een initiatiefnemer. 

De heer Fritsma (PVV):

Het is een beetje flauw om er steeds omheen te draaien door te wijzen op dingen die er niet toe doen. Het gaat erom dat er vestigingseisen moeten komen voor mensen uit Curaçao, Aruba en Sint-Maarten. Het maakt mij niet uit op welke manier. De initiatiefwet van de heer Bosman is prima, maar de vraag is: gaat het gebeuren of niet? U hebt met het regeerakkoord de verwachting gewekt dat het gaat gebeuren. Mijn simpele vraag is dus: gaat het gebeuren of niet? 

De heer Azmani (VVD):

Wat mij betreft gaat het gebeuren, ja. 

De heer Fritsma (PVV):

"Wat mij betreft." 

De voorzitter:

Niet door elkaar praten. 

De heer Azmani (VVD):

Nee, dat moeten we niet doen, voorzitter. Het is heel helder en duidelijk wat er in het regeerakkoord staat. Het is heel helder en duidelijk wat de VVD wil, namelijk vestigingseisen stellen, liever vandaag dan morgen. 

De heer Fritsma (PVV):

Dan moet ik de vraag toch anders formuleren. Accepteert de VVD-fractie het als de PvdA tegen deze wet gaat stemmen? Dat hangt immers boven de markt. 

De heer Azmani (VVD):

Laat helder zijn dat de afspraken in het regeerakkoord gelden. Het is aan de Partij van de Arbeid om op basis van de afspraken die we hebben gemaakt in het regeerakkoord een afweging te maken in hoeverre zij het wetsvoorstel van de heer Bosman — dat is een initiatiefwetsvoorstel van een lid van deze Kamer — kan accorderen. 

De heer Fritsma (PVV):

Het is aan de PvdA-fractie om een afweging te maken, zegt de heer Azmani. Hij heeft met die fractie afgesproken dat dit door moet gaan. Het begint een beetje treurig te worden, zo na de reactie van de staatssecretaris, die ook onduidelijk is. Nu hebben we weer het verhaal van de heer Azmani dat onduidelijk is. Eigenlijk is het kraakhelder: de PvdA-fractie gaat niet mee in het voorstel, ondanks het feit dat de handtekening onder het regeerakkoord staat waarin dit punt is afgesproken. De VVD-fractie laat het kennelijk gewoon gebeuren dat er na de strafbaarstelling van illegaliteit, onder druk van de PvdA-fractie gewoon weer een punt uit het regeerakkoord verdwijnt. Jammer. 

De heer Azmani (VVD):

Dit is werkelijk waar onzin van de heer Fritsma. Hij probeert er een politiek spelletje van te maken en wat mooie frames neer te zetten. Het is aan de indiener van het wetsvoorstel om de problemen die er sinds jaar en dag zijn in Nederland, op een fatsoenlijke manier te verhelpen. Het is helder en duidelijk waar het om gaat. Volgens mij moeten we het hierover hebben met elkaar in de Kamer, in plaats van politieke framepjes te bedenken. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Voorzitter. Allereerst dank ik de indiener voor zijn antwoorden op de vele vragen die de Kamer in de eerste termijn en tijdens de interrupties heeft gesteld. Ik heb er waardering voor dat de indiener na tweeënhalf jaar toch is doorgegaan met zijn voorstel. Dat vraagt doorzettingsvermogen. Dank daarvoor. 

Mijn fractie heeft over dit voorstel wel verscheidene bedenkingen geuit, juridische, praktische en principiële. Er zijn duidelijk juridische bezwaren met betrekking tot het onderscheid naar geboorte en afkomst. Dat lijkt in strijd met meerdere internationale verdragen, zoals het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en de EU-richtlijn tegen rassendiscriminatie. Maar je kunt bijvoorbeeld ook de strijdigheid met het EU-recht op vrij verkeer noemen. 

Mijn fractie staat daarin niet alleen. Deze bezwaren zijn ook geuit door het College voor de Rechten van de Mens, de experts van de commissie-Meijers en, ook niet de minste, de Raad van State. Ik vind het dan ook wel opvallend dat de indiener na alle vragen in de eerste termijn wel de wijsheid heeft gehad om de voorlichtende vragen aan de Raad van State te stellen, waarvoor dank, maar vervolgens niet daadwerkelijk iets doet met de antwoorden van dit Hoge College van Staat. De Raad van State heeft er ernstige twijfels over of het onderscheid naar nationale afkomst gerechtvaardigd kan worden geacht. De Raad van State heeft er ook sterke twijfels over of de voorwaarden die de indiener wil stellen, geschikt, noodzakelijk en proportioneel zijn. Daarom beschouwt de Raad van State het onderscheid naar afkomst niet gerechtvaardigd. Gezien het belang van dit debat wil ik toch nog één keer vragen of de indiener daarop kan reageren. 

De indiener heeft in zijn nota van wijziging de term "afstamming" vervangen door de term "van rechtswege", maar het onderscheid op nationale afkomst blijft gewoon staan. Nogmaals, is de indiener van mening dat dit proportioneel is? 

Ik kom op de handhaving. Het lijkt erop dat die niet plaatsvindt. Mensen kunnen hier zonder controle werken, wonen en bijstand ontvangen. Pas nadat er een rechter aan te pas is gekomen, zal de handhaving beginnen. Het is voor de VVD misschien lastig, maar dat klinkt toch een beetje als gedoogbeleid. Kan de heer Bosman daarop ingaan? 

Dan de principiële punten. Volgens mijn fractie zorgt dit voorstel ervoor dat er een soort tweederangs-Nederlanderschap wordt ingevoerd. Mijn fractie is van mening dat die tweedeling niet te rechtvaardigen is. Nadat Turkse Nederlanders eerst moesten oppleuren, zegt de VVD nu: Antilliaanse Nederlanders, blijf maar uit Nederland. Dat geldt echter alleen voor Antillianen van Antilliaanse afkomst met Antilliaanse ouders, maar niet voor Antillianen met Europees-Nederlandse ouders. Dat wringt, want deze Antilliaanse Nederlanders zijn net zo goed onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden en hebben net zo goed een Nederlands paspoort. 

Voor D66 is dit onderscheid tussen A-Nederlanders en B-Nederlanders onacceptabel. Dat weegt dan ook het zwaarst. Ik kan ook eigenlijk niet anders dan concluderen dat ook het kabinet hiermee in zijn maag zit. De staatssecretaris wilde dit wetsvoorstel niet ontraden en boog langzaam naar de lichtst mogelijke vorm van positiviteit. Vindt de indiener zijn eigen voorstel wel te verantwoorden? 

De heer Azmani (VVD):

De heer Sjoerdsma heeft het telkens over een tweedeling. Volgens mij is er daarover ook een interruptiedebatje gevoerd met de indiener. Maar heeft het zin dat kansarme inwoners van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zich hier vestigen, terwijl zij geen enkele kans hebben om zich hier verder te ontwikkelen en door te groeien, terwijl zij hier dus kansloos zijn? Wat doet dat met de tweedeling in de samenleving? Hoe kijkt D66 aan tegen de problemen die er nu bijvoorbeeld in Terneuzen en Zwolle zijn? Hoe wil D66 die problemen die door de jaren heen steeds groter zijn geworden, een halt toeroepen? 

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik geef daar twee antwoorden op. Ik begin met iets wat ik net ook tegen de heer Bosman heb gezegd. Ik ben het met de indiener eens dat dat een moeilijk verschijnsel is. De echte sleutel tot een oplossing ligt natuurlijk bij de eilandenregeringen, want die jongeren gaan daar weg vanwege een gebrek aan perspectief. Zij willen helemaal niet weg. Daar hebben zij helemaal geen trek in. Zij willen bij hun familie en vrienden blijven, maar zij vertrekken toch vanwege een gebrek aan goed onderwijs en aan kans en perspectief op de arbeidsmarkt. Dan kun je zeggen: dat is alleen maar de verantwoordelijkheid van de eilandregeringen. Zo zijn nu eenmaal de nieuwe verhoudingen, zou de heer Bosman wellicht hebben gezegd. Ik vind dat je ook goed kunt bekijken of Nederland iets kan doen om bijvoorbeeld de internationale arbeidsmarkt beter te ontsluiten voor de eilanden, om de eilanden bij te staan om dat perspectief te verbeteren. Zoals terecht werd gezegd zal dat niet van vandaag op morgen gaan. Ik houd de heer Azmani voor dat deze wet geen oplossing is voor de kansarme jongeren die al hier zijn. Hij moet het ook toegeven: deze wet doet eigenlijk helemaal niks. 

De heer Azmani (VVD):

Met alle respect, als je de poort openhoudt voor kansarme jongeren … 

De heer Sjoerdsma (D66):

De poort? Het zijn Nederlanders! 

De voorzitter:

Niet door elkaar. 

De heer Azmani (VVD):

Als kansarme jongeren vanaf Aruba, Curaçao en Sint-Maarten gewoon met een ticket naar Nederland kunnen, wij dat allemaal prima vinden en ervoor zorgen dat zij in een bepaalde wijken opgroeien met een uitkering en in aanraking komen met criminaliteit, dan voelen die landen toch geen enkele urgentie om, als de probleemjongeren toch makkelijk naar Nederland kunnen gaan, überhaupt wat te doen aan het perspectief en de kansen voor de jongeren daar? Ik geloof er zelfs in dat die jongeren nog beter af zijn daar, dat er daar nog een betere toekomst voor hen is, dan wanneer zij hier opgroeien in de net genoemde wijken. Dan wordt er juist gesproken over tweedeling en segregatie in de samenleving, als we even het integratiedebat erbij halen. Ik hoor nog geen oplossing van D66 hoe we voorkomen dat deze kansloze jongeren hier kansloos opgroeien. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Het echte treurige is dat de VVD en de initiatiefnemer vandaag iets voorstellen wat feitelijk inhoudt dat er een A-Nederlanderschap en een B-Nederlanderschap komen, wat zij presenteren als een oplossing voor deze kansarme jongeren. Dat is heel treurig. Ik zat vanochtend in een radiodebatje met de heer Bosman. Eigenlijk komt de VVD daar niet zo goed uit. Eigenlijk weet de VVD ook wel na alle advisering van de Raad van State en van al die internationale clubs dat dit voorstel niet de oplossing is. Ik wil u wel één ding geven, mijnheer Azmani: ik deel uw frustratie dat dit voorstel helaas niet de oplossing is. Het is inderdaad iets waar we met z'n allen, volgens mij Kamerbreed, iets aan willen doen, maar dan wel iets anders dan wat wordt voorgesteld met deze wet. 

De heer Azmani (VVD):

Er wordt vastgehouden aan de stelling dat er A- en B-Nederlanders zijn, maar het enige wat we doen is wat de landen zelf ook al doen … 

De heer Sjoerdsma (D66):

Nou ja, dat is het voorstel! 

De voorzitter:

Mijnheer Sjoerdsma, niet door elkaar spreken! Het woord is aan de heer Azmani. 

De heer Azmani (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Die landen stellen zelf eisen aan de vestiging van Europese Nederlanders. Het enige wat de indiener doet, is het ook stellen van die eisen aan de Nederlanders die afkomstig zijn uit die landen en naar Nederland willen komen. Dat is het enige wat gebeurt. Volgens mij noemen we dat wederkerigheid. Het staat iedereen vrij om hier een goede toekomst op te bouwen, maar het staat niet iedereen vrij om hier het criminele pad op te gaan of alleen maar gebruik te maken van de sociale voorzieningen. Dat is waarvoor de vestigingseisen worden gesteld. Men is in de eerste periode van zes maanden vrij om hier te verblijven en kan hier een toekomst opbouwen. Als men daar misbruik van maakt, dan kan men ook geen aanspraak meer maken op voorzieningen en rechten in dit land. Dat staat in het initiatiefwetsvoorstel. Er is geen tweedeling tussen A en B, maar we voorkomen dat problemen in de wijken groter worden. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Mijnheer Azmani, is dit uw laatste argument, dat de eilanden ook een regeling hebben? U weet — dit is ook uitgebreid besproken in het debat — dat de Raad van State daar absoluut gehakt van heeft gemaakt. De Raad zei: kleine maatschappijen, kleine economieën hebben een andere absorptiecapaciteit en zijn niet zo schokbestendig. Ik denk niet dat dit het winnende en sluitende argument is. Ik ben benieuwd wat de PvdA zo direct doet. Ik hoop dat zij liever ten halve keert dan ten hele dwaalt en besluit om dit wetsvoorstel niet te steunen. We zullen moeten afwachten of de heer Fritsma gelijk heeft dat het regeerakkoord op een bepaald onderdeel niet doorgaat. We zullen dat moeten zien. Ik hoop dat dit het geval is en vertrouw daar ook wel een beetje op. Ik vind wel dat we daarna als Kamer moeten bekijken hoe we hiermee verdergaan als deze wet uiteindelijk zou moeten sneuvelen. Ik zou dat jammer vinden voor de indiener, maar zou dat gezien de inhoud van de wet wel zeer terecht vinden. 

De voorzitter:

Daarmee bent u, heb ik het gevoel, gekomen aan het einde van uw inbreng in tweede termijn. 

De heer Sjoerdsma (D66):

Dat klopt, voorzitter. 

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. In de eerste termijn was GroenLinks zeer kritisch over dit wetsvoorstel. Dat zijn wij nog steeds, want de door de heer Bosman aangebrachte wijzigingen hebben ons niet overtuigd. Hij geeft zelf in zijn toelichting al aan dat het vooral een woordwijziging is. Het principe dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen Caribische Nederlanders en Nederlandse Nederlanders, blijft met dit wetsvoorstel bestaan. Er wordt dus wel degelijk onderscheid mee gemaakt. De heer Bosman zegt dan: ja, maar ik heb aangesloten bij de formulering die de eilanden zelf gebruiken ten aanzien van Nederlandse Nederlanders. Daarmee gaat hij voorbij aan het verschil tussen de Caribische eilanden en "Nederlands Nederland". Een toelatingsregeling daar rechtvaardigt nog niet een toelatingsregeling hier. Hij doet vervolgens ook alsof dit het probleem van de kansloze Antilliaanse jongeren zou oplossen, maar als zij hier niet meer komen, betekent dat nog niet dat hun problemen op het punt van opleiding en werk zijn opgelost of dat zij per definitie op het rechte pad blijven. Tot slot heeft GroenLinks grote twijfels over de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van deze wet. 

Dit voorstel doet mij denken aan andere voorstellen, zoals de inperking van het migrantenkiesrecht, waardoor mensen pas na zeven jaar kiesrecht krijgen, of de inperking van de toegang tot sociale huurwoningen voor statushouders. Beide voorstellen hebben we de afgelopen tijd besproken en bij beide voorstellen wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende mensen. Die wetten geven mensen eigenlijk vooral het gevoel dat zij er niet bij horen. Daarmee creëer je juist een grotere tweedeling in plaats van dat je die oplost. Dat vinden wij onwenselijk. Daarom zullen wij tegen dit wetsvoorstel stemmen. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik dank de initiatiefnemer graag hartelijk voor zijn inbreng en voor zijn doorzettingsvermogen om nog met een aanpassing van het voorstel te komen en het debat hierover vandaag te vervolgen. Ik heb in de eerste termijn al aangegeven dat ook de SGP-fractie dit een serieus voorstel vindt voor een serieuze problematiek en dat dit niet alleen moet worden gezien als een negatieve maatregel. Dit moet ook worden gezien in het totaal van maatregelen, ook van heel positieve aard en zowel hier als daar, voor verbetering van de omstandigheden voor kansarme jongeren vanuit Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. 

Dit neemt niet weg dat bij het inzoomen op deze wet duidelijk is dat de juridische speelruimte heel beperkt is en dat de politieke gevoeligheid heel groot is, zoals vanmorgen ook weer heel scherp bleek in het debat. Dat is een lastige combinatie. Omdat ook sterk door elkaar gaat lopen wat politiek en wat recht is, vind ik het belangrijk om terug te gaan naar het punt waar het misschien het meest om draait en dat zowel politiek als juridisch is, namelijk de vraag van de proportionaliteit. We hebben daar veel negatieve adviezen over gekregen, ook van juristen. We hebben ook de discussie in de Kamer daarover gehoord. Ik zou de heer Bosman toch nog willen uitdagen om in te gaan op dit cruciale punt van de proportionaliteit: is het nodig om een wet met zo'n breed bereik voor te stellen om aan deze problematiek recht te doen? Wil hij zijn argumenten bij die kernvraag van proportionaliteit nog eens scherp uiteenzetten? Dat zal mijn fractie helpen bij de weging. 

Het tweede en laatste punt heeft betrekking op de vraag waarom niet wordt gekozen voor een rijkswet. Ik heb gezegd, en dat heeft de initiatiefnemer in zijn antwoord ook gedaan, dat een rijkswet de voorkeur zou hebben. Hij voegde hier echter aan toe dat als zij dat niet willen, het helemaal een kwestie zou zijn van door de strot duwen. Is niet het nadeel van deze variant — dat wil zeggen geen rijkswet maar een wet van alleen het land Nederland — dat je eigenlijk zegt: het gaat over jullie maar zonder jullie, ook in de formele totstandkoming? Zal dit nadeel niet aan deze regeling blijven kleven? Zou het niet verstandiger om de procedure voor een rijkswet in gang te zetten? 

Ik zou graag zien dat de initiatiefnemer in tweede termijn zijn licht laat schijnen over deze twee belangrijke vragen. 

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Ik dank de heer Bosman en de staatssecretaris voor de beantwoording in eerste termijn. Ik kan vrij kort zijn, want de PVV-fractie is voor het stellen van vestigingseisen aan personen van Curaçao, Sint-Maarten en Aruba. Daarom zullen wij voor het wetsvoorstel stemmen, want dat is een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. 

Het debat gaat eigenlijk ook over het feit dat er kennelijk een streep is gezet door het regeerakkoord. Ik heb al gezegd dat daarin het stellen van vestigingseisen is afgesproken. Ook de fractie van de Partij van de Arbeid heeft daarvoor getekend. Het maakt de zaak heel merkwaardig als die partij die afspraak gaat torpederen. Gelet op de inbreng van de PvdA-fractie in eerste termijn, de inbreng van de staatssecretaris en die van de heer Azmani, lijkt het daar wel op. Dan heeft de VVD zich flink laten piepelen, want dan wordt na de strafbaarstelling van illegaliteit, wederom een onderdeel van het regeerakkoord in een keer van tafel geveegd. Als de VVD-fractie dat toestaat, is dat een rare situatie. Ik hoop niet dat het gebeurt. Ik wacht af waar de PvdA-fractie mee komt, maar ik ben, gelet op het voorgaande, niet positief. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Uiteraard hartelijk dank aan de indiener voor zijn beantwoording en aan de staatssecretaris voor de adviezen van het kabinet. 

Het overgrote deel van de Antilliaanse Nederlanders levert een bijdrage aan ons land, zowel in het Nederlandse deel van het Koninkrijk als op de eilanden. Een waardevolle bijdrage, moet ik zeggen. Maar er zijn ook problemen, zowel in de Antilliaanse landen van het Koninkrijk als hier. Ik ben dan ook blij dat de VVD en de SP samen met een Kamermeerderheid optrekken om die problemen op te lossen, bijvoorbeeld door de criminele en corrupte politici op verschillende eilanden aan te pakken. 

Gelukkig echter, zeg ik nogmaals, gaat het met veel mensen op de eilanden en in Nederland goed. Precies daarom is de SP-fractie niet enthousiast over het voorstel van de heer Bosman. De schoen wringt bij de proportionaliteit en doelmatigheid van zijn voorstellen. Ik denk dat wij daarover uitgebreid genoeg van gedachten hebben gewisseld in de eerste termijn. Met het ontbreken van de proportionaliteit en doelmatigheid van de voorstellen lijkt het wetsvoorstel mij op dit moment te stigmatiserend. Als het voorstel zo zou worden ingevoerd en uitgevoerd, zal het meer kwaad dan goed doen. 

Kortom, dit is geen echte oplossing voor de problemen als je samen één Koninkrijk vormt, en dat doen wij, samen met de Antilliaanse eilanden. Daarom zal mijn fractie niet voor dit voorstel stemmen. Ondanks de goede intenties achten wij het niet acceptabel om van de Antilliaanse Nederlanders in dit land vijf jaar lang tweederangsburgers te maken. 

De heer Van Laar (PvdA):

Voorzitter. Dank aan de indiener voor de beantwoording in eerste termijn en ook dank voor het advies van het kabinet. 

Ik liet deze zomer mijn dochter Janna van toen bijna 4 een foto zien van haar en haar beste vriendinnetje. Ze zaten samen op een grote houten eekhoorn bij de ingang van haar favoriete speelbos. Haar ogen lichtten op en een grote lach verscheen op haar gezicht. Ze wees naar de foto en ze zei: papa, kijk, we zijn hetzelfde. Ik vroeg haar een beetje verbaasd wat ze bedoelde. Ze wees weer naar de foto en zei: kijk, we hebben allebei een roze jas aan. En inderdaad, ze hadden allebei een knalroze jas aan. 

Kinderen geven ons, volwassenen, vaak het goede voorbeeld. Ik vertel over die foto en de reactie van mijn dochter, omdat deze Kamer als mijn dochter Janna moet zijn. Want mijn dochter en haar beste vriendinnetje zijn in veel opzichten hetzelfde. Ze zijn even lang, ze zijn even zwaar en soms hebben ze allebei een knalroze jas aan. Toch zou een volwassene nooit naar die foto gewezen hebben en gezegd hebben dat ze hetzelfde zijn, want Janna's haar en huid zijn bijna wit en haar beste vriendinnetje is bruin en heeft zwart kroeshaar. Het zijn allebei prachtige kinderen. Ze hebben samen de grootste lol en ze beleven mooie avonturen, maar ze zijn niet hetzelfde, ondanks die roze jas. Ik wil dat deze Kamer als mijn dochter Janna is. Zoals zij een roze jas voldoende vindt om iemand hetzelfde te vinden, zouden wij ons rode paspoort voldoende moeten vinden om iemand hetzelfde te behandelen. In de wetten die wij maken, wordt iedere Nederlander in een gelijk geval gelijk behandeld zoals de Grondwet van ons vraagt. 

Ik heb in mijn eerste termijn al aangegeven dat ik de initiatiefwet van de heer Bosman niet ongewijzigd zou steunen, omdat zijn wet een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen Europese en Antilliaanse Nederlanders. De commissie-Meijers concludeert dat Nederlanders van Antilliaanse herkomst in hun bewegingsvrijheid en sociale bescherming worden achtergesteld, niet alleen wat betreft het recht om in Nederland te wonen, dus ook bij gezinshereniging, maar ook wat betreft de mogelijkheden van vrijheidsbeneming, uitzetting en toegang tot sociale voorzieningen. 

In de tweede nota van wijziging heeft de indiener veel gewijzigd, maar niets fundamenteel veranderd. Wij concluderen met de Raad van State, het College voor de Rechten van de Mens en de commissie-Meijers dat het onderscheid dat de heer Bosman in zijn wet tussen Europese en Antilliaanse Nederlanders maakt onvoldoende is onderbouwd. Daar waar de wetgever onderscheid op basis van ras, nationale herkomst of afkomst wil maken, dient die onderbouwing zwaar en uitgebreid te zijn en te voldoen aan de hoogste eisen. De zwaarwegende rechtvaardigingsgronden ontbreken. Deze heeft de indiener ook in zijn beantwoording in eerste termijn wat ons betreft niet aangegeven. 

In de kern ligt hier nu dezelfde wet voor als in de eerste termijn. Nu de wet zijn definitieve vorm, in ieder geval wat de indiener betreft, heeft bereikt, kunnen wij ook ons definitieve oordeel over die wet vellen. Deze wet maakt een ongerechtvaardigd onderscheid tussen Antilliaanse en Europese Nederlanders op basis van afkomst. Het is daarmee een discriminerende wet. De PvdA is dan ook tegen deze wet. Wij houden ons aan artikel 1 uit de Grondwet en voor ons is een rood Nederlands paspoort voldoende. Wij wensen alle houders van dat paspoort in gelijke gevallen gelijk te behandelen. En wij hopen dat de Kamer dat ook blijft doen. 

De heer Fritsma (PVV):

Het is een helder verhaal, maar één ding snap ik niet. Waarom heeft de PvdA-fractie in hemelsnaam getekend voor een regeerakkoord waar precies dit punt in staat? 

De heer Van Laar (PvdA):

Daarover hebben we in eerste termijn ook van gedachten gewisseld. Daar staat niet precies dit punt in. Daar staat een fundamenteel ander punt in. Er staat namelijk in dat we aan de inwoners van de eilanden vestigingseisen stellen. Dat is iets anders dan iemand beoordelen op basis van afkomst. Afkomst is een heel ander criterium dan hoofdverblijf. Dat constateert de Raad van State ook. Die stelt dat volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens als je kijkt naar de grondslag afkomst, je meteen in de zwaarst mogelijke onderbouwing zit die noodzakelijk is om zo'n wet te kunnen maken omdat die per definitie verdacht of discriminatoir is. Kijk je echter naar de grondslag hoofdverblijf, dan geldt dat niet. Daarom hebben we nadrukkelijk "inwoners" gezet in het regeerakkoord en hebben we niet gekozen voor de grondslag van de heer Bosman, namelijk afkomst. 

De heer Fritsma (PVV):

Oké, en hoe gaat u dat regelen? 

De heer Van Laar (PvdA):

Het is aan het kabinet om voorstellen te doen om het regeerakkoord uit te voeren. Als het kabinet met een wet komt die gebaseerd is op het inwonerschap, gaan we daarnaar kijken. Maar ook dan … U zei net in een interruptie dat het u niet uitmaakt op welke manier dat gebeurt, maar het maakt mij wel uit op welke manier dat gebeurt. In eerste termijn heb ik aangegeven dat wij twee fundamentele bezwaren hebben tegen deze wet: onderscheid op basis van afkomst en het feit dat die alle Antilliaanse Nederlanders treft. Wij hebben nog tien andere bezwaren genoemd die betrekking hadden op de inhoud. Een deel daarvan heeft de heer Bosman verwerkt, maar een groot deel niet. Een wet die over dit onderwerp gaat, moet aan hoge eisen voldoen wil hij onze goedkeuring krijgen. 

De heer Fritsma (PVV):

Met alle respect, maar dit is het meest onzinnige verhaal dat ik hier vandaag heb gehoord. In het regeerakkoord staat letterlijk dat dit geregeld wordt zoals de andere landen binnen het Koninkrijk dit regelen. Nou, de andere landen van het Koninkrijk hebben vestigingseisen voor Nederlanders en ingevolge het regeerakkoord moet Nederland hetzelfde doen. De heer Van Laar zegt nu gewoon: wij doen het niet. Zeg dat dan eerlijk! Zeg dan: wij doen dit gewoon niet; wij hebben de slag met de VVD-fractie gewonnen, net zoals bij de strafbaarstelling van illegaliteit. Dan weet iedereen waar hij aan toe is. Maar kom alsjeblieft niet met dit soort onzin aan. 

De heer Van Laar (PvdA):

De heer Fritsma leest niet nauwkeurig. In het regeerakkoord staat dat wij dezelfde soort vestigingseisen stellen aan alle inwoners. Dat betekent dat de vestigingseisen vergelijkbaar kunnen zijn, maar dat de grondslag een andere is. Wij kijken namelijk naar inwoners. Dat houdt in dat elke Nederlander die op een eiland woont en naar Europees Nederland wil verhuizen, precies dezelfde procedure doorloopt als elke andere Nederlander die dat wil, hoe hij er ook uitziet en waar hij ook van afstamt. Het voorstel van de heer Bosman leidt daar niet toe. Dat leidt ertoe dat bepaalde Nederlanders die op het eiland wonen wel een procedure moeten doorlopen en andere Nederlanders niet. Dat is het principiële verschil. 

De heer Fritsma (PVV):

Dit gelooft natuurlijk niemand. Kijk naar wat de andere landen van het Koninkrijk doen. Zij stellen eisen aan Europese Nederlanders. Zij stellen eisen aan Nederlanders die in dit land wonen. Daarmee behandelen de andere landen binnen het Koninkrijk, Nederlanders van dit land al anders dan de Nederlanders van hun eigen land. Dat is precies wat omgedraaid moet worden. Dat is precies wat de heer Bosman in werking probeert te zetten. De heer Van Laar draait daar steeds omheen, maar het gaat om hetzelfde. Wees dan eerlijk. Zeg dan: dat wij hiervoor hebben getekend in het regeerakkoord was een fout; wij doen het niet; zet er een streep door. 

De voorzitter:

U valt een beetje in herhaling. 

De heer Fritsma (PVV):

Gefeliciteerd met het feit dat u die slag hebt gewonnen. Het is jammer dat de VVD het toestaat, maar kom niet met onzinverhalen die gewoon niet kloppen. 

De heer Van Laar (PvdA):

Het is al eerder gezegd, maar het argument dat wij het moeten doen omdat andere landen het doen, is zo ongeveer het zwakste argument dat hier te berde is gebracht. Er zijn ook landen die religies verbieden; dat willen wij ook niet. Er zijn landen die homo's vervolgen; dat willen wij ook niet. En wij willen ook geen vestigingswet op basis van afkomst. Dat die andere landen die wel hebben, is aan die landen. Overigens hebben zij die nooit zelf gemaakt, maar gewoon georven, maar dat terzijde. Dat is aan hen. Die wetten zijn getoetst aan dezelfde verdragen en voldoen aan dezelfde juridische eisen die aan alle andere wetten worden gesteld. Die wetten staan overeind. Dat kan. Wij denken dat deze wet niet overeind zal blijven. Wij wensen er in ieder geval niet voor te stemmen. 

De heer Van der Staaij (SGP):

De heer Fritsma heeft natuurlijk wel een punt. De PvdA-fractie heeft gezegd dat zij zich op zichzelf in een vestigingsregeling kan vinden. Welke uitwerking had de PvdA-fractie dan voor ogen bij dat punt van het regeerakkoord? 

De heer Van Laar (PvdA):

Dat hebben wij in eerste termijn gezegd en precies daarover is de Raad van State om advies gevraagd. De indiener heeft ervoor gekozen om met dat advies niks te doen. Het gaat om een wet die toeziet op alle inwoners van de eilanden. Bij elke Nederlander die van een eiland naar Europees Nederland komt, wordt gekeken of hij een strafblad heeft en of hij geen diploma heeft. Als dat zo is, gelden bepaalde vestigingseisen. Dat hebben wij in eerste termijn voorgesteld. Dat is iets wat zou kunnen. Daarmee zouden wij kunnen instemmen. De indiener heeft ervoor gekozen om dat niet te doen en zijn eigen voorstel door te zetten. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik begrijp het punt dat door de heer Van Laar wordt gemaakt, maar aan de andere kant lees je in de juridische reacties dat het ook juridische risico's met zich brengt als het ongedifferentieerd is doordat je het te breed maakt en het op iedereen betrekking heeft. Hoe kijkt de heer Van Laar daar dan tegen aan? 

De heer Van Laar (PvdA):

Dat is precies wat wij hebben voorgesteld. Wij hebben namelijk voorgesteld om het smaller te maken. Alleen degenen die een strafblad hebben of degenen die geen diploma hebben zouden worden geraakt door een dergelijke vestigingsregeling. Alle andere mensen die van de eilanden naar Europees Nederland willen komen, worden daardoor niet geraakt. Daarmee wordt het bereik van de wet juist een stuk kleiner. Dat heeft de Raad van State ook geconcludeerd. Dan krijg je als het ware twee fasen. De eerste fase geldt inderdaad nog voor iedereen, maar dat is een heel lichte toetsing. De vestigingseisen stel je dan alleen aan een heel specifieke groep. 

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter. Ik dank de indiener ervoor dat hij ons door het hele proces heen heeft geleid. Aan hem heeft het niet gelegen; laat ik dat gezegd hebben. Wel vind ik dat we uiteindelijk voor een heel akelige situatie staan, namelijk dat we iets willen oplossen en we nu iets in handen hebben wat geen oplossing is. Natuurlijk, er zijn problemen met Antilliaanse jongeren. Onze Zeeuw geeft terecht aan dat die in Terneuzen heftig zijn. Als die problemen bestaan, wil je daar een oplossing voor bedenken. Gelukkig zijn er dan verschillende mogelijkheden, maar die moeten wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. Wanneer ze daar niet aan voldoen, zijn het geen oplossingen. Het akelige vind ik dat er wel een oplossing voorhanden zou zijn als we een fatsoenlijke rijkswet hadden gehad, met de criteria en de opbouw waaraan de heer Van Laar refereerde. 

Ik vind het zo jammer. Het lijkt dan bijna alsof we hier in de Kamer heel stoer roepen dat we voor een groot probleem een oplossing hebben bedacht, terwijl die uiteindelijk een fopspeen blijkt, een dode mus. Dat zie ik wel vaker gebeuren. Op die manier raakt uiteindelijk iedereen vreselijk teleurgesteld in wat wij, de politiek, hier doen. Ik zie dat bij het kabinet op een aantal punten gebeuren. Ik zie dat wanneer er wordt gezegd dat je aan inburgeringseisen moet voldoen, omdat je anders geen verblijfsvergunning krijgt. We blijven dat roepen, maar mensen krijgen vervolgens gewoon een verblijfsvergunning en het gaat dus gewoon door. Ook moet je aan allerlei taaleisen voldoen, anders krijg je geen uitkering. Dat wordt hier met droge ogen beweerd, maar ook dat gaat gewoon door. Het is dus niet waar. Ik vind het zo akelig dat we nu wéér een wet hebben en we zeggen dat we daarmee een oplossing hebben bedacht, terwijl die wet geen oplossing is, omdat het gewoon doorgaat. 

Het CDA vindt dat dat onze eer te na is. Ik vind echt dat wij hier in de Kamer wetten moeten maken waarvan we zeker weten dat ze de juridische toets kunnen doorstaan, vooral wanneer het moeilijk en ingewikkeld is. En ja, misschien krijg je dan soms ruzie. Dat is in de juristerij echt niet gek. Maar we moeten er wel altijd voor zorgen dat we het fatsoenlijk hebben geregeld, anders staan we uiteindelijk met lege handen. Nogmaals, dat is onze eer te na. 

De algemene beraadslaging wordt geschorst. 

De voorzitter:

Daarmee zijn we gekomen aan het einde van de tweede termijn van de Kamer. 

Ik schors nu de vergadering. In de schorsing kan de indiener zich beraden op zijn antwoorden, die na die schorsing zullen volgen. 

De vergadering wordt van 12.57 uur tot 13.40 uur geschorst. 

Voorzitter: Arib