Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-2017nr. 5, item 8

8 Afschaffing kieskringen

Aan de orde is de behandeling van: 

  • - het Voorstel van wet van het lid Klein tot wijziging van de Kieswet en de Wet raadgevend referendum houdende afschaffing van de kieskringen ( 34247 ).

De voorzitter:

Ik heet de heer Klein van harte welkom. Hij zit in vak-K en hij wordt daar ondersteund door mevrouw Lentine Schouten vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mevrouw Carline Hansen, medewerker van de heer Klein. Ik heet ook hen welkom. Tevens heet ik de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties welkom. Hij zal bij de behandeling van dit wetsvoorstel optreden als adviseur van de Kamer. Vandaag is de eerste termijn van de zijde van de Kamer aan de orde. De beantwoording zal op een later moment worden ingepland, in overleg met de initiatiefnemer. We hebben een beetje geschoven in de sprekerslijst. Ik geef graag de heer Taverne als eerste het woord. Hij spreekt namens de fractie van de VVD en heeft twaalf minuten spreektijd. 

De algemene beraadslaging wordt geopend. 

De heer Taverne (VVD):

Voorzitter, dat is een rustig idee. Dank u wel. Het toont overigens wel aan hoe belangrijk de VVD-fractie initiatiefwetsvoorstellen vindt, zeker ten aanzien van ons kiesstelsel. Ik complimenteer de heer Klein daar van harte mee. Ik bedank ook, via de voorzitter, de medewerkers die hem daarbij hebben geholpen. Het is immers, zoals gezegd, altijd goed als een collega-Kamerlid het recht van initiatief gebruikt. Dat is het bijzondere voorrecht dat wij hebben als medewetgever. Ik dank ook de minister van Binnenlandse Zaken, die in vak-K heeft plaatsgenomen, voor zijn aanwezigheid. Ik denk dat ik namens ons allen spreek als ik zeg dat wij zeer verheugd zijn dat hij daar weer gezond en wel plaats kan nemen. 

Bij verkiezingen stem je volgens onze Kieswet niet op een partij. Je stemt op een persoon, die zich heeft aangesloten bij een politieke partij. Als je in Groningen woont, kun je iemand kiezen uit Groningen. Als je in Hoevelaken woont en je toevallig de initiatiefnemer kent, kon je bij de afgelopen Kamerverkiezingen stemmen op de initiatiefnemer. Je kiest namelijk niet alleen een politicus. Je kiest ook jouw volksvertegenwoordiger, iemand die jouw stad, dorp of misschien zelfs straat kent en weet wat er speelt en leeft. Momenteel is het voor politieke partijen mogelijk om zelf te bepalen hoe zij regionale spreiding op hun lijst bevorderen. Zo kan een partij in elke kieskring een andere lijst met regionale kandidaten indienen of, zoals mijn partij het doet, één lijst indienen met een goede regionale spreiding van de kandidaten. Aan de ene kant heb je partijen die geen enkel belang hechten aan regionale spreiding op hun lijsten. Deze partijen ontnemen mensen de kans om iemand te kiezen uit hun eigen regio. Aan de andere kant heb je partijen die regionale spreiding desnoods verplicht willen stellen, bijvoorbeeld door middel van herinvoering van een districtenstelsel. De VVD is daar overigens geen voorstander van. 

De VVD ziet wel het belang van regionale spreiding op kieslijsten, maar zij is van mening dat partijen zelf de manier moeten kunnen kiezen waarop zij dat willen regelen en bevorderen. Daarnaast is de VVD van mening dat nieuwe partijen moeten kunnen aantonen dat zij kunnen rekenen op draagvlak in alle delen van Nederland. Daarom is het goed dat de Kieswet voorschrijft dat nieuwe politieke groeperingen 30 ondersteuningsverklaringen moeten inleveren per kieskring. Dat lijkt heel veel, maar het zijn er al minder dan het er waren. In 1999 werd het aantal ondersteuningsverklaringen namelijk verlaagd van 50 naar 30 per kieskring. In het voorstel van de initiatiefnemer zal het totale aantal ondersteuningsverklaringen gelijk blijven, maar maakt het niet meer uit waar ze vandaan komen. Er zijn dan immers geen kieskringen meer. Ik kan me allerlei redenen voorstellen waarom dat goed is of zelfs praktisch is en misschien zelfs in het bijzonder waarom het praktisch is voor de initiatiefnemer, althans het hem niet slecht zal uitkomen, als zijn initiatief tot wet zou worden verheven nu hij zelf heeft aangegeven met een nieuwe politieke groepering deel te willen nemen aan de Tweede Kamerverkiezingen in 2017. Laat ik vaststellen dat het voor nieuwe politieke groeperingen makkelijker zal worden om deel te nemen aan verkiezingen na aanvaarding van het wetsvoorstel. 

De initiatiefnemer schrijft in de nota naar aanleiding van het verslag: "Uitgangspunt voor initiatiefnemer is dat ons kiesstelsel serieus genomen wordt. Dat betekent dat initiatiefnemer ervan uitgaat dat enkel partijen die serieus van plan zijn om zetels in de Tweede Kamer te halen, aan verkiezingen deelnemen." Ik vraag mij wel af hoe serieus ons kiesstelsel wordt genomen als meer dan 30, 40 of 50 partijen straks een lijst indienen omdat ze toevallig in hun eigen gemeente 580 ondersteuningsverklaringen weten te vergaren. Is de initiatiefnemer van oordeel dat dit een wenselijke situatie is? Ik krijg nu zelf al veel e-mails van mensen die door de bomen het bos van alle verschillende partij-initiatieven niet meer zien. 

Ik heb nog een vraag aan de initiatiefnemer, nu over de laatste nota van wijziging. Daarin wordt min of meer — ere wie ere toekomt — het onlangs verworpen amendement-Bosma in andere bewoordingen aan het voorstel toegevoegd. Het komt erop neer dat alle partijen voortaan 80 kandidaten op hun lijst mogen zetten. Ik vraag mij af, nu er geen nieuw stembiljet komt van de minister en er straks 30 lijsten zijn met elk 80 kandidaten, hoe de initiatiefnemer denkt over de hanteerbaarheid van het stembiljet. Hoe weegt de initiatiefnemer de bezwaren die eerder door de Kiesraad werden opgeworpen in zijn advies over het amendement-Bosma? 

De voorzitter:

Dat leidt tot een vraag van de heer Bosma. 

De heer Martin Bosma (PVV):

Dat was een heel goed amendement; ik herinner het me nog. Het behelsde dat alle partijen een lijst kunnen inleveren met 80 namen erop. Nu moet je in de Kamer meer dan 15 zetels hebben om 80 namen op een lijst te kunnen zetten. Heb je 15 zetels of minder, dan mag je lijst niet langer zijn dan 50. Dat is een rare vorm van discriminatie. Bovendien zit er zo veel volatiliteit in de kiezersmarkt dat kleine partijen groot worden en omgekeerd. Het was een heel goed amendement, maar de VVD heeft tegengestemd. Waarom? 

De heer Taverne (VVD):

Met name omdat het wetsvoorstel waarbij het aanhangig was, niet het meest voor de hand liggende was. Ik deel de opvatting van de heer Bosma dat het, gelet op de volatiliteit van het electoraat, misschien niet altijd voor de hand ligt om de omvang van een fractie als uitgangspunt te nemen voor nieuwe kieslijsten. Ik snap de overwegingen dus. Alleen, mede gelet op een aantal ontwikkelingen in de afgelopen maanden, onder andere ten aanzien van ons stemproces en het niet doorgaan van een aantal voorgenomen vernieuwingen, gaat het mij om de vraag hoe de initiatiefnemer aankijkt tegen dit onderwerp, dat immers deel uitmaakt van zijn voorstel. 

De heer Martin Bosma (PVV):

Dat is toch geen antwoord! Ik vraag gewoon waarom de heer Taverne heeft gestemd zoals hij heeft gestemd en dan komt hij aan met "ik hoor graag van de heer Klein wat hij ervan vindt". Nee, ik wil weten waarom de fractie van de heer Taverne heeft gestemd tegen dit prachtige amendement van mij dat discriminatie moet tegengaan. Geef daar gewoon antwoord op! 

De heer Taverne (VVD):

Ik herhaal mijn antwoord: dit amendement was heel oneigen aan het voorstel waaraan het gehangen was. Eenvoudiger kan ik het niet zeggen. 

De heer Martin Bosma (PVV):

Dat lokt iets uit. Stel dat ik het nu weer indien, vindt de heer Taverne dan dat het eigen is aan dit voorstel? Zo ja, is hij dan genegen om wel voor te stemmen? 

De heer Taverne (VVD):

Als het zover komt, zal de VVD-fractie dat opnieuw op zijn merites beoordelen. 

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter. Allereerst mijn complimenten aan de heer Klein. Als eenmansfractie komt er veel op je af en dan is het des te knapper en bewonderenswaardiger dat er een initiatiefwetsvoorstel ligt van de hand van de heer Klein. Een prestatie op zich dus! 

De Kieswet is dringend aan herziening toe. De Kiesraad zei het als volgt: "De Kieswet gaat deels uit van verouderde concepten, is op sommige punten onduidelijk, althans niet consistent, en bevat op onderdelen onnodige belemmeringen voor een snel, nauwkeurig en efficiënt verloop van het verkiezingsproces." Daar is geen woord Frans bij, zou ik zeggen. De minister houdt echter alles bij het oude. Dat is jammer. De kieskringen zijn zo'n onderdeel van de wet waarvan men zich kan afvragen of het nog bij de tijd is. Waar vroeger de kieslijsten per kieskring nog sterk verschilden, lijken die nu sterk op elkaar of zijn die überhaupt in het hele land hetzelfde. Kieslijsten mogen ook steeds langer zijn. De kans dat je bij snelle groei de lijst zou uitputten is dus sterk gekrompen. Het levert extra werk op. In alle kieskringen moeten de benodigde formaliteiten verricht worden in plaats van dat dit centraal kan. Bij de verkiezing van het Europees Parlement werken we al met één kieskring. De noodzaak ertoe is dus afgenomen, maar is er daarmee voldoende rechtvaardiging voor afschaffing? Eerlijk gezegd weet ik dat nog niet. Daarom heb ik een paar vragen aan de heer Klein. 

Wat is er volgens de initiatiefnemer de afgelopen verkiezingen aan onrechtvaardige uitkomsten geweest ten gevolge van de kieskringen? Hoe verhouden die zich tot de voordelen van regionale lijsten? Gebruik van kieskringen komt bij andere verkiezingen namelijk nog steeds voor, zo erkent ook de initiatiefnemer. Vaak gaat het om lijstduwers, maar het kan ook meer lokale of regionale kleur aan de lijst geven om er mensen op te zetten die herkend worden en aanspreekbaar zijn. Dat versterkt de democratie, en dat is heel belangrijk. In net gefuseerde gemeenten zien we dat die herkenbaarheid belangrijk is. Kandidaten spreken zich daar duidelijk uit voor welke kern zij staan en over de achtergrond die zij meenemen. Kiezers nemen dat mee in hun stem. Nederlandbreed zie je eveneens een trend. De buurt en de regio winnen aan belang, niet alleen vanwege de decentralisatie van overheidstaken, maar ook in de binding die mensen voelen met hun directe omgeving. Waarom stelt de heer Klein dan juist nu voor om de mogelijkheid te schrappen die uiting geeft aan die regionale binding? Kan dat voldoende opgevangen worden met langere kieslijsten? Wat is overzichtelijker voor de kiezer: een kieslijst van 80 personen of een kortere lijst die per regio verschilt? Ik krijg graag ook een reactie van de minister. 

Ik heb daarnaast nog enkele vragen specifiek aan de minister. Hoeveel partijen hebben de afgelopen jaren gebruikgemaakt van verschillende lijsten per kieskring? Om hoeveel kandidaten rond welke plek op de lijst ging het dan? Hoeveel stemmen hebben zij gekregen? Is een van hen in de buurt gekomen van de kiesdrempel? Is er kiezersonderzoek waaruit blijkt waarom mensen juist op die kandidaat gestemd hebben? Kan de minister nader ingaan op de werklast voor de hoofdstembureaus als dit voorstel wet zou worden? 

Ik zal de antwoorden meenemen naar mijn fractie om die daar te bespreken. Vooralsnog vind ik het heel belangrijk dat met name deze technische vragen beantwoord worden. 

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Laat ik beginnen met namens de SGP de waardering uit te spreken voor het vele werk dat collega Klein verzet op het terrein van initiatiefwetgeving. Dat is een heel goede zaak. Het verdient lof dat hij als kleine fractie daarin actief is. Die zwaaien wij hem dan ook gaarne toe. 

De wijziging van de Kieswet ligt politiek vaak gevoelig. Collega Klein heeft een voorstel ingediend dat in elk geval op het eerste oog minder politiek geladen is. Het gaat om het afschaffen van de kieskringen. Dat zou vooral praktisch zijn en er een reden in vinden dat daarmee de administratieve lasten verlaagd worden. Voor de SGP strijden in dit voorstel een viertal zaken om voorrang: ten eerste de historische waarde van kieskringen, ten tweede de mogelijkheid om regionale vertegenwoordigers te stellen, ten derde de vereenvoudiging van het stelsel en ten vierde de mogelijke overige consequenties die dit voorstel kan hebben. 

Ik kom eerst maar eens op de vraag: waarom die kieskringen? De huidige kieskringen zijn een gevolg van de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1917. Met deze kieskringen is uitdrukkelijk gekozen voor de mogelijkheid om regionale lijsten in te dienen om te waarborgen dat er een bepaalde band tussen kiezers en gekozenen zou blijven bestaan. We moeten niet vergeten dat de ombouw van het hele stelsel kwam vanuit het districtenstelsel. Vooral ook omdat de lijst toen nog maximaal tien kandidaten kon bevatten, was dit noodzakelijk voor de partijen met meer vertegenwoordigers in het parlement. Anders zou de lijst namelijk al wel snel uitgeput zijn. Die kieskringen waren volgens de grondwetscommissie destijds vooral ook een waarborg — en dat is toch wel heel mooi om te zien — tegen een centrale leiding en tegen een sterkere centralisatie dan gewenst is. Juist om het decentrale karakter te borgen zijn die kieskringen indertijd dus ingesteld. Een eerlijke beoordeling van dit punt moet zijn dat de kieskringen historisch gezien zeker hun functie hebben, of hebben gehad, maar dat in de praktijk de kandidaatstelling volledig een zaak van de landelijke politieke partijen zelf is. 

Ik kom op het punt van de regionale kandidaten. Het argument blijft staan dat er door de kieskringen de mogelijkheid is van een regionale spreiding van kandidaten. Daar is — hoe je daar inhoudelijk verder ook over denkt — bij de meest recente Tweede Kamerverkiezingen ook gebruik van gemaakt. Deels zal dit ook ingegeven zijn door het risico van lijstuitputting. Dat risico was zeker groot toen er voor kleinere partijen slechts 30 kandidaten op de lijst stonden, maar ook bij het huidige aantal van 50 kandidaten is het nog steeds mogelijk dat de lijst op een gegeven moment uitgeput is. Mocht dit voorstel het halen, dan is het in ieder geval goed dat via de nota van wijziging alle partijen tot 80 kandidaten kunnen kandideren. Dat punt is in de interruptie zojuist al even besproken. 

Regionale kandidaten worden door de partijen echter vooral ingezet om daarmee hun regionale worteling tot uitdrukking te brengen. In die zin heeft de oorspronkelijke bedoeling van de kieskringen dus niet meer de betekenis en de functie die die wel heeft gehad. Collega Klein kiest hier voor een wat dubbele benadering. Enerzijds zegt hij dat mensen minder in regio's denken. Anderzijds blijkt dat er wel degelijk kandidaten zijn die vooral als regiokandidaat gekandideerd worden en om die reden dus een plaats op de lijst krijgen. Het is ook zeker denkbaar dat een dergelijke kandidaat de voorkeursdrempel haalt, ook al staat hij of zij slechts op de lijst in één regio. We kennen daar voorbeelden van, ook bij de laatste verkiezingen. Op dit punt lijken de huidige kieskringen een mogelijkheid te bieden om toch wat variatie mogelijk te maken. Je zou kunnen zeggen dat dit punt eerder pleit voor het handhaven van de huidige kieskringen dan voor het afschaffen ervan. Hoewel er in de praktijk door de partijen dus voldoende of veelvuldig gebruikgemaakt wordt van de regionale spreiding van de kandidaten op de lijst, noodzaakt het verschil in kieskringen daar namelijk inderdaad ook letterlijk toe. 

Als een partij alleen in een bepaalde provincie actief is, bijvoorbeeld Friesland of Limburg — ik noem maar wat provincies — komt deze als gevolg van dit wetsvoorstel wel in het hele land op de kieslijst te staan. De vraag is: is dit logisch? Ik zou daarop graag de reflectie van de heer Klein horen, en ook die van de minister van Binnenlandse Zaken. 

Het volgende punt betreft de vereenvoudiging. Het is volstrekt duidelijk dat de beoogde wetswijziging in ieder geval een duidelijke vereenvoudiging voor ons kiesstelsel betekent. De toedeling van zetels wordt overzichtelijker. De praktische consequenties daarvan zullen naar ons idee echter niet zo heel groot zijn. Iemand die op één lijst staat en met voorkeursstemmen is gekozen, krijgt eigenlijk altijd al een zetel, tenzij er te veel mensen met voorkeursstemmen zijn gekozen, maar dat doet zich in de praktijk niet zo vaak voor. Voor de overige kandidaten is het precieze aantallen stemmen wettelijk gezien in zekere zin niet zo relevant. Het is dus ook niet zo'n probleem als er een zetel wordt toegewezen aan iemand terwijl een ander net wat meer stemmen heeft gekregen. 

Ik kom tot een afronding, maar ik werp nog even een blik op de overige, praktische consequenties. In de meeste regio's zal het in de uitvoering voor de stembureaus niet zo veel uitmaken, omdat daar nu vaak al één kiesdistrict per provincie is. Maar wat betekent dit concreet voor de stembureaus in Noord- en Zuid-Holland? De werklast neemt bij die stembureaus wel fors toe, omdat er drie of vier kieskringen worden samengevoegd. Ik hoor graag hoe de initiatiefnemer over deze consequenties denkt. 

De heer Martin Bosma (PVV):

Voorzitter. Spreek wat milde woorden, zei de heer Bisschop in het voorbijgaan tegen mij. Er gaat altijd een beschavende werking uit van de fractie van de SGP. Ik begrijp dat collega Van Raak zich heeft ingeschreven voor één minuut. Ik bekijk of ik het nog korter kan houden. Uiteraard spreek ik, zoals iedereen, mijn complimenten uit voor de collega die dit wetsvoorstel heeft gemaakt. Ik heb een paar praktische, simpele vragen. 

De heer Klein heeft het over een administratievelastenverlichting, die zal optreden als deze wet wordt aangenomen. Waar bestaat die eigenlijk precies uit? Is het zo ingewikkeld, en kost het zo veel mensen, om die kieskringen te hebben? Welk werk zal er verdwijnen? 

Ik kom op het element van regionale spreiding. De collega van D66 zei zonet dat regio's aan belang winnen in Nederland. Volgens mij is dat niet zo, maar ik hoor graag wat de heer Klein daarvan vindt. We hoeven er geen sociologische bomen over op te zetten, maar in elk winkelcentrum zie ik tegenwoordig dezelfde winkels en ketens verschijnen en regionale accenten verdwijnen. Volgens mij neemt het belang van regio's dus juist af, maar wellicht heeft de collega van het CDA daar straks een heel andere mening over. Ik hoor hierover graag een bespiegeling van de indiener. Wat vindt hij van dit element? 

Dan is er de drempel van de handtekeningen. Laten we er niet omheen draaien: de heer Klein is een afsplitsing. Hij gaat met zijn briljante partij meedoen aan de komende Kamerverkiezingen. Er staan heel veel partijen en partijtjes te dringen, begrijp ik, dus het wordt een enorme drukte. Toen mijn partij voor het eerst deelnam, in 2006, moesten er heel veel handtekeningen worden opgehaald. Dat was een enorme logistieke operatie. Je hebt er 30 voor nodig en 29 is niet genoeg, dus moet je twee keer zo veel ophalen. Dat legt een drempel. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de heer Klein helemaal geen zin heeft in zo'n drempel, en dat hij het een stuk makkelijker wil doen en niet al die provincies af wil. Speelt dat ook een rol? Dat vraag ik mij in mijn wantrouwen even af. En wordt het, omdat we straks die handtekeningen van al die kieskringen niet meer nodig hebben, niet makkelijker voor allerlei partijen om mee te doen, terwijl wij misschien juist wel willen dat ze op de een of andere manier moeten aantonen dat ze wat mensen hebben in den lande, iets kunnen organiseren et cetera? Wordt het dus niet te gemakkelijk voor partijen en gelukszoekers om mee te doen? 

Dan wil ik de heer Klein graag ook nog even horen over de rare grens die er nu is. Partijen die vijftien zetels of minder hebben in de Tweede Kamer, mogen slechts 50 mensen op hun lijst zetten. Grotere partijen mogen 80 mensen op de lijst zetten. Dat is een vreemde en ouderwetse manier van discriminatie. Ik wijs er even op dat wij recentelijke nieuwe collega's hebben gekregen. De heer Van der Ree van de VVD stond op nummer 56 van de lijst en mevrouw Asante die recentelijk beëdigd werd, stond op lijst 50. Het onderwerp "lijstuitputting" dat de heer Bisschop inbracht — dat woord kende ik niet — is dus iets waar wij rekening mee moeten houden. Hoe staat de heer Klein daartegenover? 

De voorzitter:

Het is u niet helemaal gelukt om het binnen één minuut te doen. Voor de Handelingen vermeld ik dat mevrouw Asante op nummer 50 stond en niet op lijst 50. 

De heer Amhaouch (CDA):

Voorzitter. Allereerst uit ik namens het CDA mijn waardering voor de heer Klein en zijn twee medewerkers voor het indienen van dit initiatiefwetsvoorstel. Mijn collega's zeiden het net ook al: wij weten dat het voor kleine fracties niet altijd gemakkelijk is om dit te doen. 

Het CDA is een brede volkspartij die altijd oog heeft gehad voor regionale spreiding van kandidaten over het land. Wat de heer Bosma net zei, klopt dus exact. Het CDA is inderdaad voorstander van regionale spreiding. Daarom is de CDA-fractie geen voorstander van het afschaffen van de kieskringen. Integendeel, het CDA zou het regionale element in het kiesstelsel juist willen versterken. Naar de indruk van de CDA-fractie gaat het de initiatiefnemer vooral om een vereenvoudiging van de regeling van ondersteuningsverklaringen, zoals de heer Bosma net ook verteld heeft. De CDA-fractie ziet in dit voorstel echter meer een principiële keuze voor het afschaffen van elke mogelijkheid om door afzonderlijke lijsten rekening te houden met regionale kandidaatstelling. 

De initiatiefnemer haalt het rapport van de adviescommissie inrichting verkiezingsproces aan, het rapport van de commissie-Korthals Altes dus. Hij verwijst met name naar de waarborgen die de commissie formuleert voor het verkiezingsproces, onder andere integriteit, controleerbaarheid en transparantie. Kan de initiatiefnemer aangeven waar de commissie-Korthals Altes precies kritiek levert op het bestaan van kieskringen? Wat staat in het rapport over het bestaan van kieskringen? 

De initiatiefnemer beroept zich op steun van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor zijn voorstel. De VNG stelt dat het kiesstelsel door deze wetswijziging transparanter en beter controleerbaar wordt. De initiatiefnemer heeft kennelijk niet de gehele brief van de VNG gelezen, want de VNG wijst ook op de extra werkzaamheden voor de hoofdstembureaus in de provinciehoofdsteden. Heeft de initiatiefnemer een reactie op de volgende opmerking van de VNG: "Wel is het noodzakelijk dat geregeld wordt dat deze gemeenten voldoende middelen krijgen om deze extra werkzaamheden te verrichten"? 

De initiatiefnemer wijst op de ondoorzichtige toewijzing van zetels als ongewenst neveneffect van het bestaan van kieskringen. In dit verband gebruikt hij wederom de termen "onrechtvaardig" en "in strijd met de wil van de kiezer". Kan de initiatiefnemer de betekenis van die termen nog eens uiteenzetten? Op grond van welke criteria zegt hij dat het onrechtvaardig of in strijd met de wil van de kiezer is? Is hij van mening dat het rechtvaardig of in ieder geval niet in strijd met de wil van de kiezer is als een kandidaat op wie 3.511 stemmen zijn uitgebracht, een zetel onttrekt aan een politieke groepering? Of is in dat geval een beetje bescheidenheid gepast? Met andere woorden: waarom is het onttrekken van een Kamerzetel aan een politieke groepering in de ogen van de initiatiefnemer geen probleem en toewijzing van een zetel aan een andere kandidaat van dezelfde politieke groepering wel? 

Ik kom aan het einde van mijn inbreng. Nogmaals, de CDA-fractie hecht aan regionale spreiding van kandidaten. De CDA-fractie hecht daarom aan het behoud van de mogelijkheid om in kieskringen verschillende lijsten of verschillende staartlijsten in te dienen. Dat doet mijn partij ook bij de aanstaande verkiezingen. 

Mevrouw Fokke (PvdA):

Voorzitter. In de eerste plaats een compliment voor de initiatiefnemer. Het valt toch altijd te waarderen als een collega-Kamerlid die taak op zich neemt en met een initiatiefwetsvoorstel komt. Ik zeg er wel eerlijk bij: tot zover de complimenten, want ik heb nog wel de nodige vragen over het wetsvoorstel. 

In de memorie van toelichting staat dat de kieskringen in de praktijk geen daadwerkelijk effect meer hebben en dat de oorspronkelijke functies van kieskringen nog nauwelijks een rol spelen in actuele discussies. Ook geeft de initiatiefnemer aan dat de politieke partijen bij de verkiezingen niet met regionaal verschillende lijsten uitkomen en dat louter regionale kandidaten niet worden gekozen. Volgens mij begint de memorie van toelichting van de initiatiefnemer daarmee. Dat is interessant want als klopt wat ik zeg, is het de vraag welk probleem precies met dit wetsvoorstel wordt opgelost. Is dit iets wat zich in de praktijk voordoet of is dit initiatiefwetsvoorstel enkel een theoretische exercitie? De initiatiefnemer schrijft verder dat het systeem van zetelverdeling complex is. In de memorie van toelichting wordt een heel complexe rekensom gegeven. Gelet op het feit dat hij zegt dat het zich in de praktijk niet voordoet, is het de vraag of er in de praktijk echt een probleem is, ook al kunnen wij heel theoretische rekensommen maken. 

De huidige kieskringen stellen politieke partijen in de gelegenheid om per regio verschillende kandidaten voor te stellen. De PvdA vraagt zich af wat daarmee mis is als wij er allemaal van overtuigd zijn dat de band tussen kiezer en gekozene moet worden versterkt. Ik zal er dan ook niet omheen draaien: de PvdA is geen voorstander van het afschaffen van de kieskringen. Ook al is er misschien maar één regionale kandidaat en ook al wordt hij of zij nooit gekozen, het is wel heel goed voor de binding met de regio. Waarom zou je daarvan afwijken? Wij voeren hier hele debatten over het vertrouwen van de burger in de politiek en mensen houden van politiek die dicht bij hen staat. 

Als je dat allemaal bij elkaar optelt, is er wat de PvdA betreft niet zo veel mis met het huidige systeem. Tot zover mijn inbreng. 

De heer Van Raak (SP):

Voorzitter. Ik wil om te beginnen de minister van harte welkom heten na de ontzettend moeilijke zomer die hij heeft gehad. Het is fijn dat hij er weer is. Mijnheer Klein, ik heb veel waardering voor het initiatief. Het is heel bijzonder als een fractie van één lid een initiatiefwet indient. Daarvoor grote complimenten. Ik kan mij echter ook niet aan de indruk onttrekken dat de keuze voor juist dit wetsvoorstel ook wel enig eigen belang dient. Ik hoop dat de initiatiefnemer daar straks op ingaat. 

Toen ik het wetsvoorstel las, heb ik me lang afgevraagd wat de meerwaarde van dit voorstel is, tot ik het advies van de Kiesraad las. Ik citeer: "De Kiesraad heeft met instemming kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel tot afschaffing van de kieskringen. Er zijn zwaarwegende argumenten aan te voeren die pleiten voor afschaffing van de kieskringen. Zo is het sinds de verruiming van het aantal kandidaten op een lijst in 2009, mogelijk om voldoende (regionale) kandidaten op een lijst te plaatsen en is het hiervoor niet meer noodzakelijk om per kieskring verschillende lijsten in te dienen. Afschaffing van de kieskringen zal kiezers meer duidelijkheid bieden, aangezien op het stembiljet alle kandidaten voor de betreffende verkiezing vermeld staan en leiden tot een zetelverdeling die meer in overeenstemming is met de vooraf opgestelde kandidatenlijst. Tot slot zal afschaffing van de kieskringen het kiesstelsel transparanter en daarmee begrijpelijker maken." Die kan de heer Klein in zijn zak steken. 

Dit heeft mij ervan overtuigd dat dit geen symboolwet is, maar dat dit voorstel wel degelijk iets toevoegt. Toch heb ik nog wel twee vragen, zowel aan de heer Klein als aan de minister. Die gaan over de werklast van de stembureaus en toch ook over de ondersteuningsverklaringen, want ik deel een klein beetje de zorgen van de heer Bosma dat het wel heel makkelijk wordt om aan de verkiezingen mee te doen. Ik ben altijd erg voor een zo divers mogelijk parlement en wil dat iedereen een serieuze kans krijgt een beroep te doen op de bevolking om gekozen te worden. Maar volslagen kansloze acties wil ik niet aanmoedigen. Ziet de heer Klein met mij ook niet het gevaar dat we straks een ellenlange kieslijst krijgen van partijen die niet in de verste verte een kans maken op een zetel? 

De algemene beraadslaging wordt geschorst. 

De voorzitter:

Daarmee komt een einde aan de inbreng van de Kamer in eerste termijn. Zoals eerder gezegd zal de beantwoording van de initiatiefnemer in overleg met hem later worden ingepland. 

Ik dank de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor zijn aanwezigheid. 

De vergadering wordt van 15.34 uur tot 16.17 uur geschorst.