Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 43, item 3

3 Vragenuur: Vragen Leijten

Vragen van het lid Leijten aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het gevaar dat ouderenmishandeling (fors) toeneemt door de bezuinigingen op de zorg voor ouderen.

Mevrouw Leijten (SP):

Voorzitter. Afgelopen donderdag zagen wij een reportage van Zembla. Ik denk dat iedereen die deze reportage heeft gezien, daarvan geschrokken is. Oma en moeder wordt opgenomen met vier hoofdwonden, gebroken neus, gebroken nekwervel, gebroken ribben en open wonden en zij overlijdt uiteindelijk in het ziekenhuis. De patholoog-anatoom weigert een verklaring van een natuurlijke dood af te geven, maar de zorginstelling waarin de verwondingen zijn opgelopen, zegt dat het hier gaat om een geval van uit bed vallen. De zorginstelling komt er niet uit naar aanleiding van een onafhankelijk onderzoek. Als de familie de media wil opzoeken, krijgt zij het dreigement van een kort geding.

Hoe vaak komt het eigenlijk voor dat een niet-natuurlijke dood wel als een soort incident wordt aangemerkt? Doet de inspectie daar wat aan? Krijgt zij er melding van dat iemand naar aanleiding van behandeling in een verpleeg- of verzorgingshuis, dan wel in een zorginstelling is overleden zonder een afgifte van een natuurlijke dood? Kan de inspectie daarop toetsen? Wat vindt de staatssecretaris ervan dat de familie het zwijgen wordt opgelegd via een kort geding? Hoe vaak vindt dat plaats?

Mensen die in de zorg werken, doen dat met hart en ziel. Toch weten wij dat ouderen worden vastgebonden, gedrogeerd en mishandeld. Vaak gebeurt dat uit onmacht. Omstandigheden maken dat dit gebeurt. Mantelzorgers kunnen overbelast zijn en het niet meer zien zitten. De thuiszorg of de zorg kan onvoldoende zijn. Het kan ook voorkomen dat je met zo weinig collega's staat dat je de zorg voor zwaar dementerende bewoners niet meer aankunt. Wat zegt de staatssecretaris van de opmerking van de OuderenOmbudsman dat zijn beleid, met de bezuinigingen op de ouderenzorg, zal leiden tot fors meer ouderenmishandeling? Is de staatssecretaris bereid om zijn bezuinigingen te herzien nu blijkt dat zij zullen leiden tot willekeur voor ouderen en een toename van ouderenmishandeling?

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Wij hebben hier al vaker over gesproken. Ouderenmishandeling is onacceptabel en moet worden aangepakt. Ik heb wel moeite met de manier waarop dit nu wordt gebracht. Mensen hebben de gerechtvaardigde wens om langer thuis te blijven wonen en wij voeren met elkaar de discussie over de kwaliteit van verpleeg- en verzorgingshuizen. De suggestie dat dit beleid zou leiden tot meer ouderenmishandeling, werp ik verre van mij. In navolging van mijn voorgangster heb ik het onderwerp ouderenmishandeling nogal hoog op de agenda gezet. In de uitzending van Zembla werd nogal laatdunkend gedaan over de campagne, maar ik benadruk dat ik er juist trots op ben dat de vorige staatssecretaris dit onderwerp prominent op de agenda heeft gezet en dat ik dit mag voortzetten. Het aantal meldingen van ouderenmishandeling neemt toe; gelukkig maar, want dat betekent dat wij ons steeds meer bewust worden van het feit dat het voorkomt en dat wij er iets aan kunnen doen. Zo nodig kunnen wij er de inspectie op afsturen. Als er meldingen van calamiteiten zijn, moet dat ook gebeuren. Dit staat nogal hoog op de agenda.

De koppeling tussen het voorgenomen en het toenemen van ouderenmishandeling, werp ik echter verre van mij. Wij zijn juist aan het bekijken of wij beleid kunnen maken dat meer aansluit bij wat mensen zelf willen, waarin wij meer aandacht hebben voor mantelzorgers. Wij maken het beleid om de kwaliteit in verzorgings- en verpleeghuizen te verbeteren. Wij moeten inderdaad bezuinigen, maar laten wij niet zulke koppelingen maken. Vorige week hebben wij nog gesproken over de vraag of wij een inhoudelijk debat moeten voeren of over de beeldvorming moeten spreken. Ik hoop dat ik het met mevrouw Leijten eens kan blijven over de adequate en straffe aanpak van ouderenmishandeling. Ik weet niet of ik het eens kan zijn met haar opvattingen over onze beleidsvoornemens, maar ik hoop dat zij dergelijke relaties niet meer legt. Als dat wel gebeurt, hebben wij elkaar niet veel meer te vertellen.

Mevrouw Leijten (SP):

In de uitzending zegt een specialist op het vlak van de ouderengeneeskunde dat wij ouderen wegdrukken uit ouderdomsvoorzieningen en hen terugdrukken in een situatie zonder voorzieningen. Daardoor worden zij uitermate kwetsbaar. Wij hebben huisartsen gevraagd of zij al zien dat ouderen niet meer in verzorgingshuizen mogen wonen. 80% van de huisartsen die dat meemaken, zegt dat de thuiszorg niet voldoende geregeld is, waardoor oudere mensen het risico lopen van verwaarlozing, maar wellicht ook van mishandeling. Als de staatssecretaris hier durft te beweren dat het keihard saneren van de ouderenzorg — een sanering van meer dan 4 miljard in de komende jaren — geen gevolgen zal hebben voor de inhoud van het werk en de veiligheid van de mensen, dan vraag ik hier om een garantie. Ik vraag van de staatssecretaris dan de garantie dat iedere oudere in Nederland veilig is en voldoende personeel om zich heen heeft om zich veilig te wanen, en dat ouderenmishandeling niet zal toenemen.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dan is er misschien een garantie terug te vragen. Ik begrijp dat de wijze waarop de ouderenzorg nu geregeld is en waaraan mevrouw Leijten kennelijk niets wil veranderen, leidt tot deze uitzending van ZEMBLA en deze constateringen. Zij doet alsof het nu allemaal zo goed geregeld is. Ik werp verre van mij dat wij het verband moeten leggen tussen de toename van ouderenmishandeling en welk beleid dan ook. Ouderenmishandeling moet bestreden worden. Dat doen wij ook en dat zetten wij hoog op de agenda. Dat staat echter los van het beleid dat gericht is op de verbetering van de kwaliteit in ouderen- en verzorgingshuizen, dat ook recht doet aan de gerechtvaardigde wens van ouderen om in de eigen-thuissituatie te wonen. Het gaat niet aan om nu met deze aantijging te komen. Overigens is dit ook een aantijging tegen de mantelzorgers die het zo goed doen en tegen de verzorgers in verpleeg- en verzorgingshuizen die elke dag heel hard hun best doen. In dat debat ga ik niet mee. Nogmaals, als dat de teneur van het debat wordt, hebben wij elkaar weinig te zeggen in de toekomst.

Mevrouw Leijten (SP):

Ik vind dit nogal schokkend. Het gaat in de uitzending van ZEMBLA om iemand die volgens de patholoog-anatoom daadwerkelijk mishandeld is en in elk geval geen natuurlijke dood is gestorven. De staatssecretaris zegt met zoveel woorden dat het aantal van dergelijke gevallen niet zal toenemen als er straks minder personeel is. De mensen die werken in de zorg, doen dat natuurlijk met hart en ziel, maar juist zij durven dergelijke gevallen niet met naam en toenaam te melden, omdat zij bang zijn voor represailles van dezelfde zorginstellingen die families het zwijgen opleggen. Ik vind het nogal schokkend dat als 80% van de huisartsen aangeeft dat ouderen op dit moment thuis verwaarloosd raken omdat de thuiszorg wordt wegbezuinigd, de staatssecretaris mij verwijt dat ik dit hier aankaart. Ik vraag nogmaals of ik van de staatssecretaris de garantie kan krijgen dat zijn bezuinigingen niet leiden tot extra ouderenmishandeling. Ja of nee?

Staatssecretaris Van Rijn:

Wat wil mevrouw Leijten nu precies? Op dit moment, in een situatie waarin het nieuwe beleid nog helemaal niet is ingevoerd, komt ouderenmishandeling voor. Dat is een ernstige zaak. Wij richten ons op de aanpak van ouderenmishandeling, ongeacht het beleid. Elk geval van ouderenmishandeling is er één te veel. Mevrouw Leijten vindt mij aan haar zijde als zij daartegen vecht, ongeacht het beleid. Laten wij niet de suggestie wekken dat ouderenmishandeling niet voorkomt; ouderenmishandeling kwam voor, komt voor en zal blijven voorkomen. Nogmaals, mevrouw Leijten zal mij aan haar zijde vinden wanneer zij daartegen blijft vechten. Als zij echter doet alsof er op dit punt garanties gegeven kunnen worden, doet zij echt onrecht aan het vraagstuk en aan het probleem. Ik hoop dat wij elkaar kunnen blijven vinden in het bestrijden van oudermishandeling, nu en in de toekomst.

Mevrouw Agema (PVV):

Voorzitter. Jaarlijks worden er in ons land ongeveer 200.000 ouderen mishandeld en uitgebuit. 200.000 ouderen krijgen jaarlijks te maken met geweld. Dat is een enorm groot aantal. Daarom was het kabinet-Rutte I er veel aan gelegen om te investeren in een campagne en 1 miljard extra in de ouderenzorg te stoppen. Inmiddels is de situatie echter helemaal veranderd. Er wordt 4 miljard bezuinigd op de ouderenzorg. Verzorgingshuizen worden gesloten en de thuiszorg wordt gehalveerd. Ik wilde de staatssecretaris de vraag stellen of hij uit schaamte niet beter van de campagne kan afzien. Nu ik echter de staatssecretaris in dit huis hoor zeggen dat wij, als wij niet meegaan in zijn verhaal dat alles er beter op wordt met 4 miljard aan bezuinigingen, elkaar in de toekomst weinig meer te melden hebben, dan denk ik dat de staatssecretaris misschien maar beter afscheid kan nemen van deze hele club.

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Mevrouw Agema betrekt weer een andere stelling. Wij kunnen met elkaar discussies voeren over de vraag of het beleid al dan niet klopt. Ik hoop op een voortdurend inhoudelijk debat daarover. We zullen het daarin niet met elkaar eens zijn en wij kunnen van mening verschillen over het beleid, maar dat is ook goed. Die discussie moeten wij hier in de Kamer voeren. Daar wordt het beleid beter van. Een kritische houding is helemaal prima. Wij zijn met zijn allen bezig om het vraagstuk van de ouderenmishandeling op de agenda te zetten. Wij zetten daar programma's op om ervoor te zorgen dat het niet meer voorkomt. Ik maak er in dat verband bezwaar tegen dat de suggestie wordt gewekt dat door beleid A de ouderenmishandeling toeneemt en door beleid B de ouderenmishandeling afneemt. Er is een campagne ingezet en die is succesvol; het aantal meldingen neemt toe en het onderwerp komt uit de taboesfeer zodat we er echt wat aan kunnen doen. Het beleid zorgt ervoor dat mensen sneller melden zodat we er sneller wat aan kunnen doen. Ik hoop dat ik het met mevrouw Agema eens kan blijven over een voortvarende aanpak van de ouderenmishandeling, maar laten wij dan geen relaties leggen die wij niet moeten leggen.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Voorzitter. Ik merk aan de staatssecretaris dat hij het vervelend vindt dat er een verband gelegd wordt tussen zijn beleid en ouderenmishandeling. Ik deel dat ook wel. Maar toch, maar toch. Van de mantelzorgers van dementerenden is 70% overbelast. Van de drie dagen dagbesteding gaat er straks eentje verdwijnen door de bezuinigingen. Wil de staatssecretaris deze Kamer helpen door eindelijk eens aan te tonen op welke manier ervoor gezorgd wordt dat die bezuinigingen niet leiden tot een nog grotere overbelasting van mantelzorgers? Wij weten allemaal hoe zwaar het is om mantelzorg vol te houden en hoe zeer professionele hulp daarbij ondersteuning biedt. Ik zeg daarom tegen de staatssecretaris: help ons dan, laat zien en bewijs de stelling dat het een niets te maken heeft met het ander.

Staatssecretaris Van Rijn:

Was het nu maar waar dat het vraagstuk zo simpel was dat niet bezuinigen of extra geld uittrekken vanzelf leidt tot een betere kwaliteit van de zorg. We hebben juist in de afgelopen jaren en decennia gezien dat dat niet het geval is. In de discussie over de vraag hoe wij met elkaar de thuiszorg nu eigenlijk hebben georganiseerd, was de conclusie dat wij enerzijds moeten bezuinigen en anderzijds anders moeten organiseren. Ja, de eerste lijn moet sterker worden gemaakt, evenals de samenwerking tussen zorgaanbieders. Ja, de samenwerking tussen gemeenten en verzekeraars moet sterker worden. Ja, de kwaliteit van de zorg en de verpleeg- en verzorgingshuizen moet op een rij worden gezet. En ja, we moeten ervoor zorgen dat we meer oog hebben voor mantelzorgers en vrijwilligers bij de gerechtvaardigde wens van mensen om langer thuis te wonen. Natuurlijk komen wij met elkaar te praten over de vraag wat deze bezuinigingen en wetten betekenen en op welke manier daaraan verder wordt vormgegeven. Ik wil echter het volgende bestrijden. We zijn het erover eens dat er meer aandacht nodig is voor mantelzorgers en vrijwilligers, en voor de overbelasting van hen. In dat kader hebben we ook meer oog voor ouderenmishandeling. Wij moeten echter geen koppelingen maken die we niet kunnen bewijzen. Dat soort beeldvorming moeten wij ook niet hebben. Ik stel het op prijs dat mevrouw Keijzer zegt dat we die koppeling niet moeten maken. Ik ben het met haar eens dat we in de komende periode echt met elkaar in debat moeten over wat die bezuinigingen betekenen, of de kwaliteit van de zorg toeneemt, op welke manier wij dat gaan volgen en wat de mensen daarvan vinden. Dat ben ik allemaal met haar eens. Ik wil echter niet dat oneigenlijke koppelingen worden gelegd die het zicht op dat debat alleen maar vertroebelen.

Mevrouw Baay-Timmerman (50PLUS):

Voorzitter. Ik kom graag nog even terug op de uitzending van ZEMBLA. Daarin gaat het ook over het blijf-van-mijn-lijfhuis voor ouderen. Ik hoor graag van de staatssecretaris of er meer van dat soort huizen is en of er voldoende capaciteit is als blijkbaar een op de twintig ouderen mishandeld wordt.

Staatssecretaris Van Rijn:

De situaties waarin ouderenmishandeling plaatsvindt, kunnen van elkaar verschillen. Het kan gaan om financiële mishandeling — daarover zijn wij nu in gesprek met de notaris en de banken — maar ook over een situatie waarin de mantelzorger het niet meer goed kan dragen en geholpen moet worden. In veel gevallen zal een blijf-van-mijn-lijfhuis ongeschikt zijn voor de ouderen. Het gaat mij erom dat wij gevallen van ouderenmishandeling, fysiek of geestelijk, opsporen en vervolgens voor hen de goede beslissing nemen. Als dat een blijf-van-mijn-lijfhuis is, dan moet daarvoor gekozen worden. We moeten ook naar de capaciteit kijken als dat nodig is. Ik heb geen signalen dat dit nu onvoldoende zou zijn. Het gaat er veel meer om dat in die situatie een goede maatregel wordt genomen, die heel vaak te maken heeft met het ondersteunen van de mantelzorger of simpelweg met ingrijpen omdat iemand zich misdraagt of zich crimineel gedraagt. Ik zou het veel meer specifiek maken en geen algemene voorziening laten zijn.

De voorzitter:

Mevrouw Baay, gaat u de tweede vraag gebruiken? Gaat uw gang.

Mevrouw Baay-Timmerman (50PLUS):

Uit onderzoek blijkt dat een op de twintig ouderen zou worden mishandeld. Kan de staatssecretaris dit bevestigen?

Staatssecretaris Van Rijn:

Nee, niet in die mate. Die een op de twintig komt uit buitenlands onderzoek, waarin wordt gezegd dat er situaties denkbaar zijn waarin het een op de twintig is. Dat is ook de reden waarom wij in Nederland nader onderzoek doen. Wij werken met ouderenambassadeurs van ouderenorganisaties, die veel meer voorlichting gaan geven over ouderenmishandeling. Wij werken samen met notarissen en banken om te bekijken waar financieel misbruik voorkomt en wij werken samen met huisartsen en andere zorgverleners om erachter te komen hoe de registratie van ouderenmishandeling kan worden verbeterd. Die een op de twintig komt dus uit buitenlands onderzoek. Ik zou dit niet een-op-een vertalen naar Nederland, maar wij willen wel kijken of wij goede Nederlandse cijfers kunnen krijgen.

De voorzitter:

U mag nog even blijven zitten want ook de volgende vraag wordt gesteld aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Die wordt gesteld door mevrouw Voortman van de GroenLinks-fractie.