Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 43, item 21

21 Nationale veiligheid, crisisbeheersing en brandweerzorg

Aan de orde is het VAO Nationale veiligheid, crisisbeheersing en brandweerzorg (AO d.d. 28/11).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Veiligheid en Justitie van harte welkom. In dit debat is de spreektijd twee minuten per woordvoerder.

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. We hebben het over de brandweerzorg gehad. Het ging onder andere over de wettelijke opkomsttijden bij de brandweer. We hebben onze zorgen geuit: zijn die overal in het land wel ongeveer hetzelfde? Ikzelf heb hierover geen motie, maar mijn collega Segers wel. Ik heb die motie mede ondertekend. De heer Segers zal zelf op dit punt terugkomen.

Zelf heb ik een motie met het oog op preventie. We hebben namelijk ook gesproken over vlamvertragers. Ik zal de motie nu oplezen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het toepassen van vlamvertragers in meubels en matrassen mensenlevens kan redden;

constaterende dat in landen waar vlamvertragers verplicht zijn, de kostprijs van meubilair en matrassen niet buitenproportioneel is gestegen en dat er geen handelsbelemmeringen zijn waar te nemen;

verzoekt de regering, in Nederland het gebruik van vlamvertragers in meubels en matrassen te stimuleren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kooiman, Segers en Berndsen-Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 20 (30821).

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik weet dat er een onderzoek over dit onderwerp gaande is, maar ik dacht: in de tussentijd kan de minister er natuurlijk wel het een en ander aan doen.

Ik heb nog een heel vriendelijke motie, over de meldkamers. Elke keer als ik daar op werkbezoek kom, zie ik allemaal verschillende schermen en systemen. Heel veel mensen doen dubbel werk. Laten we die bureaucratie nu aanpakken. Ik denk dat de minister dat ook heel graag wil. Daarom dien ik een motie in om hem een handje te helpen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in meldkamers alle kolommen, zoals politie, brandweer en ambulance, verschillende (computer)systemen hanteren;

roept de regering op, de bureaucratische knelpunten die hierdoor ontstaan, te inventariseren en de Kamer voor het zomerreces te informeren hoe zij deze gaat aanpakken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kooiman, Segers en Berndsen-Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 77 (29517).

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. Zoals collega Kooiman al zei, hebben we in het algemeen overleg gesproken over de opkomsttijden en onze zorgen geuit over het feit dat sommige regio's wel 50% afwijken van de landelijke norm. We hebben toen gesproken over een nationaal dekkingsplan. Ik heb goed geluisterd naar de minister. Hij heeft ontraden om te werken aan een nationaal dekkingsplan. Ik heb er zo goed naar geluisterd dat ik dat heb losgelaten. Ik wil echter wel graag een afwegingskader en een landelijk geldende rekenmethode, zodat we in ieder geval weten op grond waarvan er wordt afgeweken en welke uitwerking dat heeft voor de dekking op de grenzen van de verschillende regio's. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het Besluit veiligheidsregio's normen zijn opgenomen voor de opkomsttijd van de brandweer, maar dat hierbij geen rekenmethodiek en afwegingskader zijn vastgesteld, waardoor elke regio dit anders invult;

overwegende dat door de verschillende rekenmethodieken problemen kunnen ontstaan met de dekking op de grenzen van de veiligheidsregio's;

constaterende dat inmiddels dekkingsplannen zijn opgesteld waarin voor complete veiligheidsregio's tot 50% van de landelijke norm voor opkomsttijden wordt afgeweken;

constaterende dat desondanks in deze regio's kazernes worden gesloten en er dus niet meer kan worden gesproken van gemotiveerde afwijkingen voor slechts een beperkt aantal specifieke locaties;

verzoekt de regering, te komen met een landelijk geldende rekenmethode en afwegingskader voor uitzonderingen op de normen voor opkomsttijden, waarvan het beheer wordt ondergebracht bij bijvoorbeeld het Instituut Fysieke Veiligheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Segers en Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 78 (29517).

Mevrouw Wolbert (PvdA):

Voorzitter. In het algemeen overleg is een groot aantal onderwerpen de revue gepasseerd. Wat betreft de PvdA-fractie heeft de minister daar goede antwoorden gegeven. Hij heeft ons ook een aantal dingen in het vooruitzicht gesteld, zoals wat we wel eens het "spoorboekje" hebben genoemd. Mijn belangrijkste conclusie bij de evaluatie van de commissie-Hoekstra was dat Nederland na de invoering van de veiligheidsregio's er in ieder geval veiliger op is geworden.

Na het overleg kwam er rond de jaarwisseling een enquête onder brandweerlieden. Die was niet het onderwerp van het AO, maar ik wil de minister daar bij deze gelegenheid toch graag een vraag over stellen. Gebleken is dat een groot aantal mensen die bij de brandweer geënquêteerd zijn, ontevreden was over de manier waarop de reorganisaties tot stand kwamen. Er was een sfeer van niet luisteren en van te veel afstand tussen leidinggevenden en de werkvloer. Mijn vraag in dit verband is of de minister naar aanleiding van deze enquête actie heeft ondernomen, en hoe dan. Een tweede vraag is of de minister net als de PvdA-fractie vindt dat dit signaal van dusdanige omvang is dat je in ieder geval elk jaar zou willen weten of de tevredenheid onder de brandweerlieden in de komende jaren verbetert.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter. Voorkomen is beter dan blussen; dat weet niemand beter dan de brandweer. Wij hebben in het algemeen overleg ook gesproken over de adviesfunctie van de brandweer ten aanzien van allerlei gebouwen. De brandweer wil daar graag bij betrokken zijn. Daardoor kan hij misschien zaken voorkomen. Daar hecht de brandweer natuurlijk zeer aan. Het is altijd twijfelachtig in hoeverre de Kamer daarover gaat.

In het debat heeft de minister aangegeven dat hij deze adviestaak van de brandweer zal meenemen in de uitvoeringsregelgeving. Op zich is dat een heel terecht punt, maar vanuit de brandweer krijgen wij het verzoek om daar wat meer zicht op te krijgen. Kan de minister toezeggen dat we in het kader van die wetgeving wat zicht krijgen op hoe we nou straks met die adviesfunctie van de brandweer omgaan? Dat wetsvoorstel komt natuurlijk nog netjes naar de Kamer; daar gaan we niet op vooruitlopen.

Voorzitter, staat u mij toe om nog even één actualiteit aan de orde te stellen. Dat zal u vast bevallen. De laatste weken schrikken wij steeds weer van grote xtc-laboratoria die in Limburg en Brabant worden opgerold. We zien echter ook enorme afvaldumps. Nou is een beetje het beeld ontstaan dat er bij politie en brandweer slechts een paar specialisten zijn, misschien maar vier mensen in Nederland, die weten hoe dat gaat. Dat baart de Brabander en de Limburger nou zorgen. Kan de minister die zorgen wegnemen?

De voorzitter:

Ik kijk even rond. Er zijn verder geen sprekers van de zijde van de Kamer. Ik geef dan graag het woord aan de minister van Veiligheid en Justitie.

Minister Opstelten:

Voorzitter. Dank aan de geachte afgevaardigden voor hun interventies en moties. Ik loop ze langs.

Ik kom eerst bij de motie op stuk nr. 20 van mevrouw Kooiman. Daar hebben we natuurlijk uitgebreid over gesproken. Het al dan niet stimuleren van vlamvertragers is een verantwoordelijkheid van mijn collega van VWS. We hebben het dan over een risico-regelreflex. De consequenties en de effecten voor brandveiligheid zijn nog niet bekend. In het AO hebben we het daar ook uitvoerig over gehad. Ook de effecten voor de gezondheid en het milieu zijn niet bekend. Inmiddels zijn er twijfels in Amerika. De consequenties voor de markt zijn niet bekend. Er zijn mogelijk alternatieven. Ik wacht het WODC-onderzoek af. Voor de zomer van 2014 komt het WODC-rapport over de verbetermaatregelen voor de brandveiligheid in woningen. Ik zal dit rapport samen met een kabinetsreactie aanbieden aan de Kamer. Hierin zal het kabinet ook een standpunt innemen over vlamvertragers. Ik wil daar nu niet op vooruitlopen. Het is verstandig om de uitkomsten van het rapport af te wachten. Ik moet de motie dus ontraden.

De motie op stuk nr. 77 van mevrouw Kooiman c.s. gaat over de meldkamer. Het wegnemen van bureaucratie is ook ons doel. Dat geeft mevrouw Kooiman goed aan. Het achterliggende doel, namelijk het werk makkelijker maken, ook door middel van goede ICT-oplossingen, is ook een van de doelstellingen van de nieuwe organisatie. Dat kan volledig worden onderschreven. Harmonisatie en standaardisatie van werkprocessen en de aanschaf van een nieuw meldkamersysteem horen ook bij de opdracht van de kwartiermaker die eind vorig jaar is aangesteld. De kwartiermaker moet echter wel de ruimte hebben om tot de beste ICT-oplossingen te komen. Het is niet verstandig om op deze uitwerking vooruit te lopen. Ruim voor het zomerreces zal ik het stappenplan aan de Tweede Kamer sturen. Daarin zal ook aandacht worden besteed aan vereenvoudiging van de werkprocessen en aan verbetering van de ondersteunende systemen. Het zou kunnen dat mevrouw Kooiman na dit heldere antwoord de motie intrekt. Dat wacht ik even af.

Mevrouw Kooiman (SP):

Als ik de minister zo beluister, willen we allebei hetzelfde, namelijk dat de bureaucratie in de meldkamers wordt aangepakt. In welke meldkamer ik ook kom, overal zeggen mensen: de brandweer werkt met ongeveer hetzelfde systeem als de politie; waarom kunnen we die systemen niet integreren? Dat is echter een heleboel werk. Waarom inventariseert de minister niet bij alle meldkamers waar mensen tegen aanlopen? Bundel de beste ideeën en kom met een plan van aanpak. Dat is het enige wat ik vraag.

Minister Opstelten:

Zeker, we gaan dat ook doen. Ik wil er echter geen enkel misverstand over laten bestaan dat wij de procedures nu helder hebben en dat de kwartiermaker nu aan zet is. Die gaat voorstellen doen. Ik zal die voorstellen naar de Kamer sturen, samen met mijn beslissing. Dan kunnen we het daarover hebben. Deze motie past daar niet in, omdat zij daarop anticipeert.

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik heb nog nooit een minister horen zeggen: deze motie zegt precies wat ik eigenlijk wil doen, maar toch ga ik haar ontraden! Als we allebei hetzelfde willen, wil ik gewoon een heel helder antwoord van de minister, zoals ik dat van hem gewend ben. Dus: ja, ik wil de bureaucratie aanpakken, ja, ik ga inventariseren welke knelpunten er zijn en ja, ik kom met een brief. Dan kan ik de motie intrekken, want dan heb ik het goed begrepen.

Minister Opstelten:

Oké, prima. Het was eigenlijk ook mijn bedoeling dat u die motie introk, en dat doet u. Nou, fijn. Dan zijn we klaar!

Mevrouw Kooiman (SP):

Nee, ...

Minister Opstelten:

Nee, ik zal het herhalen. Ik heb de indruk dat we het over precies hetzelfde hebben. Alleen wil ik de kwartiermaker die er is neergezet namens ons allen, ten volle de ruimte geven en er niet op vooruitlopen. Dat is ook mijn taak, ook ten opzichte van mijn collega's van Defensie en VWS, de brandweer, de politie en de ambulancezorg. Doet u mij dit genoegen, en dan komen we uit op de doelstellingen die u hebt genoemd. U krijgt voor het zomerreces een brief over die doelstellingen.

Mevrouw Kooiman (SP):

De minister schuift de verantwoordelijkheid af naar de kwartiermakers. Daarmee kan ik niet instemmen. Het is anders dan ik in mijn motie voorstel. Ik wil haar best aanhouden en de minister blijven controleren, want het is mijn taak als Kamerlid om de minister te controleren. Ik houd de motie dus voorlopig aan, maar merk op dat ik hiertoe niet opriep in mijn motie. Ik vind het dus een beetje jammer, want wij bedoelen eigenlijk hetzelfde.

De voorzitter:

Begrijp ik dat mevrouw Kooiman haar motie aanhoudt?

Op verzoek van mevrouw Kooiman stel ik voor, haar motie (29517, nr. 77) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik vind het mooi als de motie wordt aangehouden, maar ik begrijp het antwoord van de minister toch niet helemaal. Er komt een landelijke meldkamerorganisatie. Wat is nu belangrijker dan dat je knelpunten in meldkamers inventariseert op basis waarvan de kwartiermaker met een plan van aanpak kan komen? Het aanhouden van de motie heeft volgens mij weinig zin. Als de minister zegt dat hij precies dit gaat doen, lijkt mij dat een helderder antwoord.

Minister Opstelten:

Dat vind ik ook. Ik vind het prima dat we er zo even over spreken. Precies dit gaan we doen. Ik probeer te bereiken dat ik tegen mevrouw Kooiman zeg: wat u vraagt, doen wij; geef nu de ruimte. Dat is niet afschuiven, maar gewoon aangeven hoe het proces gaat. Dan komt het bij mij, geven mijn collega's en ik daarop een klap en sturen wij het naar de Kamer, zodat zij kan zien dat wij hebben gedaan wat zij wilde.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Het ging zo goed. Waarom gebruikt de minister nu weer van die andere wollige taal, waardoor het weer heel onduidelijk wordt? Volgens mij heb ik in een zin aangegeven wat wij willen. Als de minister zegt dat hij dat gewoon gaat doen, is het klaar.

Minister Opstelten:

Ik zei ook dat we dat gingen doen. Toen richtte ik mij alleen nog even niet tot u, voorzitter, tenminste, wel tot u, maar niet via u tot mevrouw Berndsen, wel tot mevrouw Kooiman. Dat kon ik niet laten. We zijn het dus met elkaar eens. Mevrouw Kooiman houdt de motie aan en ik doe in de doelstellingen wat zij wil. Dat is geen wollige taal, maar dat is glashelder. Dit is zelfs nog helderder dan de motie, want ik ga het zo doen.

Ik kom op de motie van de heer Segers op stuk nr. 78. Ik wil de heer Segers en degenen die de motie hebben ondertekend toch ook hier nog even meenemen. De commissie-Hoekstra heeft mij en de rest van het kabinet juist geadviseerd wat we de Kamer hebben laten weten, namelijk om verdere detailregelgeving absoluut te voorkomen en om veel meer te sturen op de resultaten in de veiligheidsregio's. Ik heb de afgelopen week ook werkbezoeken gebracht in Drenthe, waarin de gemeente Westerveld is gelegen en het dorp Diever. Dit zeg ik tegen mevrouw Kooiman. Gisteren ben ik in Limburg-Noord geweest. Daar is men duidelijk op de goede weg of heeft men de goede weg al afgerond met concrete bestuurlijke besluitvorming. Het in detail voorschrijven van een methode voor het rekenmodel in het dekkingsplan past niet in de huidige verantwoordelijkheidsverdeling. Dat is de kern. Dit is aan het bestuur van de veiligheidsregio, het verlengde lokale bestuur, en eventueel het collectief daarvan. Zij kunnen ervoor kiezen om het IFV weer in stelling te brengen. Landelijk voorschrijven door mij staat haaks op het advies van de commissie-Hoekstra en de kabinetsstandpunten ter zake. In dit kader loopt ook het traject RemBrand. De brandweer en het Veiligheidsberaad doen grondig onderzoek naar nieuwe prestatie-indicatoren voor de brandweer, breder dan alleen opkomsttijden van de brandweer. Ook de voorkant van de veiligheidsketen, bijvoorbeeld brandpreventie, wordt daarin meegenomen. Ik verwacht veel van het onderzoek en wacht de uitkomsten daarvan af. Voor de afwerking van de normtijden uit het Besluit veiligheidsregio's heb ik eind 2012 samen met Brandweer Nederland, de Inspectie Veiligheid en Justitie, het Veiligheidsberaad en de organisatie van de vrijwilligers al een handreiking aan de regio's opgesteld. Die handreiking wordt in alle veiligheidsregio's gebruikt of wordt in de nieuwe plannen geïntegreerd. In feite is de handreiking al een soort afwegingskader op de plaats waar het thuishoort. Veiligheidsregio's zijn al verplicht om op basis van artikel 14, lid 3 van de Wet veiligheidsregio's het beleidsplan, waarvan het dekkingsplan onderdeel is, af te stemmen met de buurregio's. Dat is hun verantwoordelijkheid. Als wij die een beetje gaan overnemen, dan gaat het daar stilvallen. Dat is niet de cultuur van besturen die ik voorsta. Ik heb van alle regio's vernomen dat er veel stappen worden gezet. Ik heb dat zelf ook in een aantal gevallen geconstateerd, zoals gisteren en vorige week op het gebied van de brandweerzorg, zowel op repressief gebied als aan de voorkant van de keten. Ik moet deze motie dus ontraden. Op een verkapte manier wordt er namelijk toch een vorm van een nationaal dekkingsplan geïntroduceerd. Ik wil de verantwoordelijkheid laten waar zij thuishoort, namelijk bij de veiligheidsregio's. Daarnaast hebben we natuurlijk de inspectie die toezicht houdt en rapporteert aan mij en de veiligheidsregio's. Via mij wordt de Kamer daar dan weer over geïnformeerd. Ik moet de motie dus ontraden.

De heer Segers (ChristenUnie):

Ik heb net aangegeven dat ik goed naar de minister heb geluisterd. Toen ik een pleidooi voerde voor een nationaal dekkingsplan heeft de minister met redenen omkleed uitgelegd waarom hij dat een minder goed plan vindt. Dat herhaalt hij nu. Maar ik wil dat de minister de motie goed leest. Dan zal hij daarin het nationaal dekkingsplan niet tegenkomen. Ik vraag dus om een afwegingskader. Wij zien namelijk — en dat wil ik de minister nog wel even voorhouden — dat er bijvoorbeeld in de regio Drenthe en Friesland voor 30% tot 50% wordt afgeweken van de landelijke norm. Alle handreikingen die zijn geboden of die de regio zijn ingegaan, zijn dus niet afdoende geweest. We hebben het niet over kleine afwijkingen hier en daar, maar over een afwijking van 50% in een hele regio. Dat is dus mogelijk onder het huidige regime. Ik maak mij daar zorgen over. Ik heb het nationaal dekkingsplan losgelaten, maar we zouden op zijn minst een afwegingskader kunnen hebben. Dat vraag ik de minister. Daarnaast wil ik hem voorhouden dat alles wat hij tot nu toe heeft gedaan, niet heeft kunnen voorkomen dat er heel forse afwijkingen van de landelijke norm plaatsvinden.

Minister Opstelten:

Ik kan er dit over zeggen: we hebben nog niet zo lang veiligheidsregio's. Ze zijn nu al helemaal doorgelicht met een positieve conclusie. Dat was een heel zware commissie. Het kabinet heeft de conclusies van de commissie vierkant gesteund. De inspectie heeft het hele systeem doorgelicht en heeft adviezen gegeven. Ik heb zelf handreikingen aangegeven. Dat heeft tot effect gehad dat de regio's de laatste jaren hun positie in een sneltreinvaart hebben veranderd en juist wel tot verantwoorde conclusies zijn gekomen. In Drenthe is dat bijvoorbeeld het geval. Alle panden zijn daar bekend en per pand is bekend wat voor dekkingsrisico men daar loopt en welke maatregel men kan nemen om te compenseren als men niet aan de norm kan voldoen. Dat staat ook in het besluit. Ik vind het goed dat men bestuurlijke verantwoordelijkheid neemt. Daar staan wij voor in. Dat heeft Drenthe al gedaan.

Gisteren was ik in Limburg-Noord. Daar is men ook hard op weg om dat te doen en zal men in maart 2014 een bestuurlijk besluit nemen over het dekkingsplan. Dat wil ik stimuleren. Ik wil het niet weer anders doen qua regelgeving. Dat heeft absoluut geen draagvlak bij het lokaal bestuur en absoluut geen draagvlak in de veiligheidsregio's. Het is ook niet nodig. Het gaat om ons systeem. Door de druk die de Kamer op mij uitoefent, komt er ook druk op de veiligheidsregio's. Ik geef immers alle discussies weer in de gesprekken die ik voer.

De heer Segers (ChristenUnie):

Als dat leidt tot regio's die generiek 50% afwijken van de norm, hebben we het niet meer over hier en daar een afwijking, met redenen omkleed, met hier en daar een object in beeld gebracht en met alle risico's van dien, maar dan hebben wij het over een heel generieke maatregel. Als je een afwegingskader hebt, dwing je die regio's om zich daar rekenschap van te geven. Nogmaals, ik spreek niet over een landelijk dekkingsplan of over de regio's de wet voorschrijven, maar als in het huidige regime zulke generieke afwijkingen en een dergelijk fors percentage mogelijk zijn, maak ik mij wel zorgen. Dan zou zo'n afwegingskader kunnen helpen.

Minister Opstelten:

Ik denk dat ik de heer Segers kan helpen door te zeggen dat het afwegingskader natuurlijk in de wet en in het Brandweerbesluit is opgenomen. Daarin staat wat kan en wat niet kan. De wens is natuurlijk om geheel aan de opkomsttijd te voldoen, maar dat is door de eeuwen heen niet realistisch gebleken. Het moet echter zichtbaar worden, niet door generieke maar door specifieke maatregelen ten aanzien van panden waar dat niet mogelijk is. Over zowel repressieve als preventieve maatregelen moeten met de bewoners worden gecommuniceerd. Daar nemen wij dan ook de verantwoordelijkheid voor. Het wordt bovendien gecontroleerd door de inspectie. In Drenthe is de inspectie van mening dat wordt voldaan aan de regels die wij met elkaar hebben gesteld.

Mevrouw Kooiman (SP):

Dezelfde inspectie gaf aan dat de dekkingsplannen helaas nog niet op orde waren. We hebben het hier over een afwegingskader. Het was een heel vriendelijke motie, waarin niet wordt gesproken over een wettelijk kader. Een wettelijk kader is er namelijk al. Wij hebben al afgesproken dat er opkomsttijden zijn en dat daar in zeer uitzonderlijke situaties van kan worden afgeweken. Het afwijken is echter nu meer de norm geworden. Als deze minister daadwerkelijk staat voor een goede brandweerzorg zou het fijn zijn als hij die in het gehele land goed regelt, zodat het bijvoorbeeld in Limburg niet geheel anders is geregeld dan in Groningen.

Minister Opstelten:

Wij regelen het natuurlijk in het hele land. Dat is gebeurd met de wetgeving en met het besluit waarover wij nu spreken. Daar is over geadviseerd en er is volstrekt onafhankelijk naar gekeken. Geconcludeerd werd dat één ding niet moest gebeuren en dat is nadere detailregelgeving. Het veld moet nu het werk doen. Dat is belangrijk. Dat wordt ook beter. Verder is er een onafhankelijke inspectie die toetst en controleert. Het is allemaal openbaar en op die wijze wordt de zaak naar mijn mening gestimuleerd. Daar waar nodig worden handreikingen gedaan. Het Veiligheidsberaad — de verzamelde veiligheidsbesturen — wordt daar ook verantwoordelijk voor gesteld.

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik vind het jammer dat de minister niet luistert naar de professionals. Mevrouw Wolbert van de PvdA heeft gesproken over het onderzoek van EenVandaag. Daaruit bleken heel grote zorgen, met name over de opkomsttijden en het sluiten van posten. Deze minister slaat de stem van heel veel brandweerprofessionals in de wind door zijn afwijzing van deze motie. Nogmaals, daarin wordt niet gevraagd om nadere regelgeving of om iets vast te leggen, maar alleen om een mooi afwegingskader.

Minister Opstelten:

Ik zeg het nogmaals: we hebben het afwegingskader. Ik moet de motie daarom ontraden. Daarmee kom ik precies bij het punt waarbij mevrouw Kooiman zojuist eindigde, namelijk bij de opmerking van mevrouw Wolbert over de enquête. Ik heb de uitzending van EenVandaag ook gezien en ik complimenteer mevrouw Wolbert met haar optreden. Ik vond de tevredenheid van het personeel wel een punt. Ik heb in mijn werkbezoek — met het personeel aan boord — ook gevraagd of men die enquête had gezien en, zo ja, hoe men zich daarover voelde. In Drenthe herkende men zich daar totaal niet in, maar dan ook helemaal niet. In Limburg-Noord was men constructief kritisch. Dat is natuurlijk een heel goede attitude. Er is daar wel degelijk verkeer tussen de leiding en de werkvloer en tussen de vrijwilligers en de professionals. Dat is de kern waar het om draait; het is een punt van attentie. De tevredenheid van het personeel is natuurlijk primair de verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio's. Er vindt momenteel afstemming plaats met het Veiligheidsberaad over de beantwoording. Mevrouw Wolbert heeft daarover vragen gesteld. De uitkomsten van de enquêtes van EenVandaag hebben mij wel even laten schrikken en daarom heb ik ernaar gekeken. Ik ben in overleg met het Veilgheidsberaad en met Brandweer Nederland over de vraag wat hiervan klopt en hoe wij dit kunnen tegengaan. Gaat er echt zo veel geld naar bureaucratische organisatielagen? Is de afstand tussen management en werkvloer echt zo groot? Dat kan niet, zeg ik hier in alle duidelijkheid. Het Veiligheidsberaad en Brandweer Nederland geven aan dat zij aanvullende en verdiepende gegevens nodig hebben. Daarom gaat Brandweer Nederland een aanvullend onderzoek doen onder het personeel. Ik juich dat toe en zal het Veiligheidsberaad in overweging geven om periodiek onderzoek te doen naar de medewerkerstevredenheid. Dat is belangrijk.

Mevrouw Wolbert (PvdA):

Ik ben blij om te horen dat de minister mijn bezorgdheid deelt, dat hij er werk van heeft gemaakt en dat de veiligheidsregio's nu periodiek onderzoek doen naar medewerkerstevredenheid. Dat lijkt mij goed. Kan de minister de Kamer daarover periodiek op de hoogte stellen, zodat ook de Kamer kan constateren dat de tevredenheid bij de brandweermedewerkers de komende jaren toeneemt?

Minister Opstelten:

Het antwoord is: ja, uiteraard zal ik dat doen.

Dan kom ik toe aan de beantwoording van twee vragen van mevrouw Van Toorenburg. De eerste vraag is of wij de adviesrol van de veiligheidsregio en de brandweer kunnen vastleggen in de Omgevingswet en het wetsvoorstel inzake private kwaliteitsborging in het bouwtoezicht. Hoe gaan wij daarmee om? Het betreft lopende wetgevingstrajecten. Moties hierover horen thuis bij de behandeling van de wetsvoorstellen zelf. Op deze wijze kan een dergelijke motie ook worden bezien in het licht van het totale wetsvoorstel. Er is overigens geen motie ingediend, maar een vraag gesteld. De adviesrol van de veiligheidsregio is een onderwerp dat samen met het Veiligheidsberaad verder wordt uitgewerkt op basis van het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het advies over de veiligheidsregio's. Ik zal dit meenemen met het wetsvoorstel rond de Omgevingswet, zoals ik in het AO heb gezegd. Dat wetsvoorstel is na het advies van de Raad van State in behandeling bij het kabinet. De eerstverantwoordelijke daarvoor is mijn collega van I en M, maar ik zal bekijken hoe wij een en ander hierin kunnen verankeren en dan te zijner tijd de Kamer informeren hoe wij daarmee omgaan, want het is een oude wens.

Dan kom ik op het punt — dat is de actualiteit — waarmee ik ook gisteren werd geconfronteerd voor TVL toen ik in Limburg-Noord was, namelijk dat de burgemeester van Heerlen, altijd actief en natuurlijk altijd in de wetenschap wanneer ik in de provincie ben, iets zegt. Ik kon hem gisteren voor TVL direct bedienen en zei dat het een helder signaal is, dat ik het eens ben met zijn signaal en dat wij inmiddels ook de Kamer hadden geïnformeerd — er was een onderzoek gedaan voor het kerstreces — dat we bezig zijn, de capaciteit uit te breiden zoals hij dat vroeg. Ik kwam later thuis, zette de televisie aan en keek naar het Journaal. Ik begreep dat hij inmiddels niet alleen steun van mij had, maar ook van allerlei burgemeesters in het zuiden van het land. Als hij even had gebeld, dan had hij helemaal niet voor de televisie hoeven verschijnen. Dan had hij al geweten dat hij die steun heeft, maar het is ook goed om het een keer scherp naar voren te brengen. Dus we doen dat en ik kom daar verder nog wel op terug. Dit zal niet het laatste woord zijn dat daarover is gezegd.

Dat is het, voorzitter.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee is een einde gekomen aan dit debat. De stemming over de moties die in dit debat zijn ingediend, zal aanstaande dinsdag plaatsvinden. Ik dank de minister van Veiligheid en Justitie voor zijn komst naar de Kamer en schors de vergadering.

De vergadering wordt van 17.09 uur tot 18.31 uur geschorst.